ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 371

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

59e jaargang
10 oktober 2016


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2016/C 371/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2016/C 371/02

Zaak C-369/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 5 juli 2016 door Ierland tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer — uitgebreid) van 22 april 2016 in gevoegde zaken T-50/06 RENV II en T-69/06 RENV II, Aughinish Alumina Ltd/Europese Commissie

2

2016/C 371/03

Zaak C-383/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (Nederland) op 11 juli 2016 — Vion Livestock BV tegen Staatssecretaris van Economische Zaken

3

2016/C 371/04

Zaak C-397/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte d’appello di Milano (Italië) op 18 juli 2016 — Acacia Srl/Fallimento Pneusgarda Srl, Audi AG

4

2016/C 371/05

Zaak C-398/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 18 juli 2016 — X BV tegen Staatssecretaris van Financiën

4

2016/C 371/06

Zaak C-399/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 18 juli 2016 — X NV tegen Staatssecretaris van Financiën

5

2016/C 371/07

Zaak C-427/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski rayonen sad (Bulgarije) op 1 augustus 2016 — Chez Elektro Balgaria AD/Yordan Kotsev

6

2016/C 371/08

Zaak C-428/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski rayonen sad (Bulgarije) op 1 augustus 2016 — Frontex International EAD/Emil Yanakiev

6

2016/C 371/09

Zaak C-430/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 2 augustus 2016 door Bank Mellat tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 2 juni 2016 in zaak T-160/13, Bank Mellat/Raad

7

 

Gerecht

2016/C 371/10

Zaak T-360/16: Beroep ingesteld op 27 juni 2016 — Dimos Athinaion/Commissie

9

2016/C 371/11

Zaak T-370/16: Beroep ingesteld op 12 juli 2016 — Anheuser-Busch Inbev en Ampar/Commissie

9

2016/C 371/12

Zaak T-399/16: Beroep ingesteld op 25 juli 2016 — CK Telecoms UK Investments/Commissie

10

2016/C 371/13

Zaak T-400/16: Beroep ingesteld op 27 juli 2016 — Maximum Play/EUIPO (MAXPLAY)

11

2016/C 371/14

Zaak T-409/16: Beroep ingesteld op 31 juli 2016 — Makhlouf/Raad

12

2016/C 371/15

Zaak T-410/16: Beroep ingesteld op 31 juli 2016 — Makhlouf/Raad

13

2016/C 371/16

Zaak T-417/16: Beroep ingesteld op 28 juli 2016 — Achemos Grupė en Achema/Commissie

14

2016/C 371/17

Zaak T-423/16: Beroep ingesteld op 29 juli 2016 — De Masi/Commissie

15

2016/C 371/18

Zaak T-430/16: Beroep ingesteld op 29 juli 2016 — Intercontinental Exchange Holdings/EUIPO (BRENT INDEX)

16

2016/C 371/19

Zaak T-431/16: Beroep ingesteld op 1 augustus 2016 — VIMC/Commissie

16

2016/C 371/20

Zaak T-433/16: Beroep ingesteld op 3 augustus 2016 — Pometon/Commissie

17

2016/C 371/21

Zaak T-436/16: Beroep ingesteld op 3 augustus 2016 — AEIM en Kazenas/Commissie

19

2016/C 371/22

Zaak T-437/16: Beroep ingesteld op 5 augustus 2016 — Italië/Commissie

20

2016/C 371/23

Zaak T-443/16: Beroep ingesteld op 9 augustus 2016 — Italië/Commissie

21

2016/C 371/24

Zaak T-446/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 10 augustus 2016 door CC tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 21 juli 2016 in zaak F-9/12 RENV, CC/Parlement

22

2016/C 371/25

Zaak T-453/16: Beroep ingesteld op 10 augustus 2016 — Ellinikos Syndemos Epicheiriseon gia ti Diacheirisi ton Diethnon Protypon GS1/EUIPO — 520 Barcode Ellas (520 Barcode Hellas)

23

2016/C 371/26

Zaak T-464/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 22 augustus 2016 door HI tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 10 juni 2016 in zaak F-133/15, HI/Commissie

24

2016/C 371/27

Zaak T-465/16: Beroep ingesteld op 23 augustus 2016 — Cotecnica/EUIPO — Visán Industrias Zootécnicas (cotecnica OPTIMA)

25

2016/C 371/28

Zaak T-466/16: Beroep ingesteld op 23 augustus 2016 — NRW. Bank/GAR

25

2016/C 371/29

Zaak T-468/16: Beroep ingesteld op 23 augustus 2016 — Verein Deutsche Sprache/Commissie

26

2016/C 371/30

Zaak T-474/16: Beroep ingesteld op 25 augustus 2016 — Société wallonne des aéroports/Commissie

28

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2016/C 371/31

Zaak F-39/16: Beroep ingesteld op 4 augustus 2016 — ZZ/Commissie

29

2016/C 371/32

Zaak F-41/16: Beroep ingesteld op 11 augustus 2016 — ZZ/EDEO

29

2016/C 371/33

Zaak F-42/16: Beroep ingesteld op 12 augustus 2016 — ZZ/EIB

30

2016/C 371/34

Zaak F-43/16: Beroep ingesteld op 18 augustus 2016 — ZZ/Commissie

31

2016/C 371/35

Zaak F-44/16: Beroep ingesteld op 19 augustus 2016 — ZZ/Commissie

31

2016/C 371/36

Zaak F-45/16: Beroep ingesteld op 17 augustus 2016 — ZZ/EIB

32

2016/C 371/37

Zaak F-46/16: Beroep ingesteld op 26 augustus 2016 — ZZ/Commissie

32

2016/C 371/38

Zaak F-47/16: Beroep ingesteld op 26 augustus 2016 — ZZ/Commissie

33

2016/C 371/39

Zaak F-48/16: Beroep ingesteld op 26 augustus 2016 — ZZ/Commissie

33

2016/C 371/40

Zaak F-85/12: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Roest/Commissie

34

2016/C 371/41

Zaak F-18/13: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — McMichael/Commissie

34

2016/C 371/42

Zaak F-19/13: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Boyd/Commissie

35

2016/C 371/43

Zaak F-57/13: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Hoeve/Commissie

35

2016/C 371/44

Zaak F-70/14: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Cobo Benito/Commissie

35

2016/C 371/45

Zaak F-128/15: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Marinozzi en Cat/Commissie

35


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2016/C 371/01)

Laatste publicatie

PB C 364 van 3.10.2016

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 350 van 26.9.2016

PB C 343 van 19.9.2016

PB C 335 van 12.9.2016

PB C 326 van 5.9.2016

PB C 314 van 29.8.2016

PB C 305 van 22.8.2016

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/2


Hogere voorziening ingesteld op 5 juli 2016 door Ierland tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer — uitgebreid) van 22 april 2016 in gevoegde zaken T-50/06 RENV II en T-69/06 RENV II, Aughinish Alumina Ltd/Europese Commissie

(Zaak C-369/16 P)

(2016/C 371/02)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Ierland (vertegenwoordigers: E. Creedon, T. Joyce, gemachtigden, P. McGarry, Senior Counsel)

Andere partijen in de procedure: Aughinish Alumina Ltd, Europese Commissie

Conclusies

het arrest vernietigen;

de beschikking (1) nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert Ierland vier middelen aan:

a)

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel niet van toepassing is en/of dat Ierland en Aughinish Alumina Ltd zich niet hierop kunnen beroepen, ondanks de onverschoonbare vertraging bij de vaststelling van de litigieuze beschikking door de Commissie.

b)

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft vastgesteld dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden, ondanks de vaststelling dat de vertraging die het onderzoek van de Commissie had opgelopen, ongerechtvaardigd en onverschoonbaar was.

c)

Het Gerecht is ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de betrokken steun „overeen[kwam] met een steunregeling” in de zin van artikel 1, onder d, van verordening nr. 659/1999 van de Raad (2). Voorts heeft het ten onrechte vastgesteld dat de in artikel 15 van verordening nr. 659/1999 bedoelde verjaring begon te lopen telkens wanneer Aughinish Alumina Ltd minerale oliën invoerde.

d)

Het Gerecht heeft ten onrechte geweigerd om het beroep toe te wijzen op grond dat de steun kon worden aangemerkt als steun die reeds bestond vóór de toetreding.


(1)  Beschikking 2006/323/EG van de Commissie van 7 december 2005 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio-Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 4436) (PB L 119, blz. 12).

(2)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (Nederland) op 11 juli 2016 — Vion Livestock BV tegen Staatssecretaris van Economische Zaken

(Zaak C-383/16)

(2016/C 371/03)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

College van Beroep voor het Bedrijfsleven

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Vion Livestock BV

Verweerder: Staatssecretaris van Economische Zaken

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de artikelen 5, vierde lid, en 8, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 (1) van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten […], gelezen in samenhang met de bepalingen inzake het journaal van bijlage II bij die verordening, aldus worden uitgelegd dat zij voor de organisator van het transport en/of de houder van de dieren de verplichting inhouden dat zij bij een transport van dieren naar een derde land, het journaal moeten bijhouden tot en met de plaats van bestemming in dat derde land?

2)

Moeten de artikelen 5 en 7 van verordening (EU) nr. 817/2010 (2) van de Commissie van 16 september 2010 tot vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer […], gelezen in samenhang met artikel 4 van die verordening, aldus worden uitgelegd dat de uitvoerrestituties moeten worden teruggevorderd indien het journaal niet is bijgehouden tot en met de plaats van bestemming in het derde land, omdat de vervoerder heeft voldaan aan de in bijlage II, punt 7, bij verordening 1/2005 opgenomen verplichting om het journaal aan de officiële dierenarts op de plaats van uitgang te overhandigen?

3)

Moeten de artikelen 5 en 7 van verordening 817/2010, gelezen in samenhang met artikel 4 van die verordening, aldus worden uitgelegd dat de uitvoerrestituties moeten worden teruggevorderd indien de exporteur niet kan bewijzen dat aan de voorschriften van verordening 1/2005 is voldaan, in de situatie dat de dierenarts in het kader van de door hem op grond van artikel 3, eerste lid, van verordening 817/2010 in het derde land te verrichten controles niet kan nagaan of de reisschemagegevens (het journaal) al dan niet bevredigend zijn, dat wil zeggen in overeenstemming zijn met de voorschriften van verordening 1/2005 (en bijgevolg evenmin kan verklaren dat het resultaat van die controles bevredigend is), omdat de vervoerder het journaal aan de officiële dierenarts op de plaats van uitgang heeft overhandigd?


(1)  PB 2005, L 3, blz. 1.

(2)  PB 2010, L 245, blz. 16.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte d’appello di Milano (Italië) op 18 juli 2016 — Acacia Srl/Fallimento Pneusgarda Srl, Audi AG

(Zaak C-397/16)

(2016/C 371/04)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte d’appello di Milano

Partijen in het hoofdgeding

Appellante: Acacia Srl

Geïntimeerden: Fallimento Pneusgarda Srl, Audi AG

Prejudiciële vragen

1)

Staan a) de beginselen van het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten op de interne markt; b) het beginsel van de doeltreffendheid van de Europese mededingingsregels en van de liberalisering van de interne markt; c) het beginsel van de nuttige werking en het beginsel van de uniforme toepassing van het Europees recht in de Europese Unie, en d) secundair Unierecht zoals richtlijn 98/71 (1), met name artikel 14 ervan, artikel 1 van verordening nr. 461/2010 (2) en reglement nr. 124 van de VN/ECE, in de weg aan een uitlegging van artikel 110 van verordening nr. 6/2002 (3), die de reparatieclausule bevat, in die zin dat een replicavelg, waarvan het uiterlijk volledig overeenstemt met de origineel gemonteerde velg, die op basis van reglement nr. 124 van de VN/ECE is goedgekeurd, niet valt onder het begrip onderdeel van een samengesteld voortbrengsel (de auto) dat bedoeld is om dat voortbrengsel te repareren en het zijn oorspronkelijke uiterlijk terug te geven?

2)

Bij een ontkennend antwoord op de eerste vraag, staan dan de regels inzake industriële eigendomsrechten op ingeschreven modellen, na afweging van de in de eerste vraag bedoelde belangen, in de weg aan de toepassing van de reparatieclausule met betrekking tot replica complementaire producten die door de klant vrij kunnen worden gekozen, op grond dat de reparatieclausule restrictief moet worden uitgelegd en dat er slechts gebruik van kan worden gemaakt voor reserveonderdelen waarvan de vorm gebonden is aan het product, dat wil zeggen voor onderdelen waarvan de vorm aldus is vastgesteld dat hij in wezen onveranderlijk is ten opzichte van het uiterlijk van het samengestelde voortbrengsel, met uitsluiting van andere onderdelen die worden geacht uitwisselbaar te zijn en die vrij naargelang de smaak van de klant kunnen worden gemonteerd?

3)

Bij een bevestigend antwoord op de tweede vraag, welke maatregelen dient een producent van replicavelgen dan te nemen ter verzekering van het legitieme verkeer van producten die tot doel hebben het samengestelde voortbrengsel te repareren en het zijn oorspronkelijke uiterlijk terug te geven?


(1)  Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (PB L 289, blz. 28).

(2)  Verordening (EU) nr. 461/2010 van de Commissie van 27 mei 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (PB L 129, blz. 52).

(3)  Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 18 juli 2016 — X BV tegen Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-398/16)

(2016/C 371/05)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: X BV

Verweerder: Staatssecretaris van Financiën

Prejudiciële vraag

Moeten de artikelen 43 en 48 EG (thans 49 en 54 VWEU), aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan een in een lidstaat gevestigde moedervennootschap met betrekking tot een geldlening die verband houdt met een kapitaalstorting in een dochtervennootschap in een andere lidstaat, geen aftrek van rente is toegestaan, terwijl die aftrek wel zou kunnen worden genoten indien die dochtervennootschap zou zijn opgenomen in een fiscale eenheid met de kenmerken als die van de Nederlandse fiscale eenheid — met die moedervennootschap omdat alsdan door de consolidatie geen verband met een zodanige kapitaalstorting is waar te nemen?


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 18 juli 2016 — X NV tegen Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-399/16)

(2016/C 371/06)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: X NV

Verweerder: Staatssecretaris van Financiën

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de artikelen 43 en 48 EG (thans 49 en 54 VWEU) aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan een in een lidstaat gevestigde moedervennootschap geen valutaverlies in aanmerking kan nemen met betrekking tot het bedrag dat zij heeft geïnvesteerd in een dochtervennootschap die in een andere lidstaat is gevestigd, terwijl zij dit wel zou kunnen indien die dochtervennootschap zou zijn opgenomen in een fiscale eenheid — met de kenmerken als die van de Nederlandse fiscale eenheid — met die in eerstgenoemde lidstaat gevestigde moedervennootschap, dit als gevolg van de consolidatie binnen de fiscale eenheid?

2)

Indien het antwoord op vraag 1) bevestigend luidt, kan of moet dan voor de vaststelling van het in aanmerking te nemen valutaverlies ervan worden uitgegaan dat ook (een of meer van) de door de betrokken moedervennootschap middellijk, via die dochtervennootschap, gehouden en in de Europese Unie gevestigde directe en indirecte dochtervennootschappen zouden zijn opgenomen in de fiscale eenheid?

3)

Indien het antwoord op vraag 1) bevestigend luidt, moet dan slechts rekening worden gehouden met valutaverliezen die bij opname in de fiscale eenheid van de moedervennootschap tot uitdrukking zouden zijn gekomen in de jaren waarop het geschil betrekking heeft, of moeten ook de valutaresultaten die in eerdere jaren tot uitdrukking zouden zijn gekomen, in aanmerking worden genomen?


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski rayonen sad (Bulgarije) op 1 augustus 2016 — „Chez Elektro Balgaria” AD/Yordan Kotsev

(Zaak C-427/16)

(2016/C 371/07)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Sofiyski rayonen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij:„Chez Elektro Balgaria” AD

Verwerende partij: Yordan Kotsev

Prejudiciële vragen

1)

Staat artikel 101, lid 1, VWEU (verbod op verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging) in de weg aan § 36, lid 2, van de wet op de advocatuur, op grond waarvan een vereniging van ondernemingen die vrije beroepen uitoefenen (hoge raad voor de advocatuur) over de haar van overheidswege toegekende discretionaire bevoegdheid beschikt om de minimumhoogte van de prijzen voor de door deze ondernemingen verrichte prestaties (advocatenhonoraria) vooraf vast te stellen?

2)

Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: is § 78, lid 5, slot, van de wet inzake burgerlijke rechtsvordering (wat betreft het gedeelte waarin deze regeling niet toestaat dat het advocatenhonorarium tot onder een voorgeschreven minimumhoogte wordt verlaagd) in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU?

3)

Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: is § 132, punt 5, van de wet op de advocatuur (wat betreft de toepassing van § 136, lid 1, van deze wet) in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU?

4)

Staat artikel 56, lid 1, VWEU (verbod op beperking van het vrij verrichten van diensten) in de weg aan § 36, lid 2, van de wet op de advocatuur?

5)

Is § 78, lid 8, van de wet inzake burgerlijke rechtsvordering in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU?

6)

Is § 78, lid 8, van de wet inzake burgerlijke rechtsvordering in strijd met richtlijn 77/249/EEG (1) (wat betreft het recht van door interne juristen vertegenwoordigde personen om een vergoeding te vorderen ter hoogte van de kosten van een advocaat)?

7)

Is § 2a van de aanvullende bepalingen bij verordening nr. 1 in strijd met richtlijn 2006/112/EG (2), op grond waarvan het is toegestaan de belasting over de toegevoegde waarde aan te merken als bestanddeel van de prijs voor een in de uitoefening van een vrij beroep verrichte prestatie (wat betreft de kwalificatie van belasting over de toegevoegde waarde als onderdeel van het verschuldigde advocatenhonorarium)?


(1)  Richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (PB L 78, blz. 17).

(2)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski rayonen sad (Bulgarije) op 1 augustus 2016 — „Frontex International” EAD/Emil Yanakiev

(Zaak C-428/16)

(2016/C 371/08)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Sofiyski rayonen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij:„Frontex International” EAD

Verwerende partij: Emil Yanakiev

Prejudiciële vragen

1)

Staat artikel 101, lid 1, VWEU (verbod op verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging) in de weg aan § 36, lid 2, van de wet op de advocatuur, op grond waarvan een vereniging van ondernemingen die vrije beroepen uitoefenen (hoge raad voor de advocatuur) over de haar van overheidswege toegekende discretionaire bevoegdheid beschikt om de minimumhoogte van de prijzen voor de door deze ondernemingen verrichte prestaties (advocatenhonoraria) vooraf vast te stellen?

2)

Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: is § 78, lid 5, slot, van de wet inzake burgerlijke rechtsvordering (wat betreft het gedeelte waarin deze regeling niet toestaat dat het advocatenhonorarium tot onder een voorgeschreven minimumhoogte wordt verlaagd) in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU?

3)

Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: is § 132, punt 5, van de wet op de advocatuur (wat betreft de toepassing van § 136, lid 1, van deze wet) in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU?

4)

Staat artikel 56, lid 1, VWEU (verbod op beperking van het vrij verrichten van diensten) in de weg aan § 36, lid 2, van de wet op de advocatuur?

5)

Is § 78, lid 8, van de wet inzake burgerlijke rechtsvordering in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU?

6)

Is § 78, lid 8, van de wet inzake burgerlijke rechtsvordering in strijd met richtlijn 77/249/EEG (1) (wat betreft het recht van door interne juristen vertegenwoordigde personen om een vergoeding te vorderen ter hoogte van de kosten van een advocaat)?

7)

Is § 2a van de aanvullende bepalingen bij verordening nr. 1 in strijd met richtlijn 2006/112/EG (2), op grond waarvan het is toegestaan de belasting over de toegevoegde waarde aan te merken als bestanddeel van de prijs voor een in de uitoefening van een vrij beroep verrichte prestatie (wat betreft de kwalificatie van belasting over de toegevoegde waarde als onderdeel van het verschuldigde advocatenhonorarium)?


(1)  Richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (PB L 78, blz. 17).

(2)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/7


Hogere voorziening ingesteld op 2 augustus 2016 door Bank Mellat tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 2 juni 2016 in zaak T-160/13, Bank Mellat/Raad

(Zaak C-430/16 P)

(2016/C 371/09)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Bank Mellat (vertegenwoordigers: S. Zaiwalla P. Reddy, Z. Burbeza, Solicitors, M. Brindle QC, R. Blakeley, J. MacLeod, barristers)

Andere partijen in de procedure:

Raad van de Europese Unie

Europese Commissie

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Conclusies

het arrest vernietigen;

artikel 1, lid 15, van verordening 1263/2012 (1) nietig verklaren, in zijn geheel of voor zover het van toepassing is op de Bank;

verklaren dat artikel 1, lid 6, van besluit 2012/635/GBVB (2) niet op de Bank van toepassing is, en

de Raad verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en de kosten van de procedure voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Rekwirante, Bank Mellat (hierna: „Bank”) stelt hogere voorziening in tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 2 juni 2016 in zaak T-160/13, Bank Mellat/Raad, EU:T:2016:331 (hierna: „arrest”). Samengevat stelt de Bank dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door de afwijzing van haar verzoek om meerdere maatregelen die een „financieel embargo” tegen de Bank vormen, namelijk:

(1)

artikel 1, lid 15, van verordening (EU) nr. 1263/2012 van de Raad, en

(2)

artikel 1, lid 6, van besluit 2012/635/GBVB,

nietig of niet op de Bank van toepassing te verklaren.

2.

In het bijzonder heeft de Bank drie middelen geïdentificeerd met betrekking tot onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de Bank:

(1)

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van het vereiste van „noodzakelijkheid” in artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”) (eerste middel).

(2)

Het Gerecht heeft ten onrechte vastgesteld dat het financiële embargo evenredig was, hetgeen een aantal nadere specifieke onjuiste rechtsopvattingen met zich meebrengt (tweede middel).

(3)

Het Gerecht heeft ten onrechte vastgesteld dat het financiële embargo in overeenstemming was met andere algemene beginselen van Unierecht (derde middel).

3.

De Bank heeft tevens twee ruime middelen geïdentificeerd, met betrekking tot onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van delen van het verzoek van de Bank:

(1)

Het Gerecht heeft ten onrechte onderdelen van het financieel embargo los van elkaar behandeld en heeft het verzoek van de Bank ten aanzien daarvan niet-ontvankelijk verklaard (vierde middel).

(2)

Het Gerecht heeft ten onrechte in het bijzonder vastgesteld dat het niet bevoegd was op grond van artikel 275 VWEU om een beslissing te nemen over de betwisting door de Bank van artikel 1, lid 6, van besluit 2012/635/GBVB (vijfde middel).

4.

De Bank verzoekt het Hof om het arrest te vernietigen en de door de Bank gewenste uitspraak te doen.


(1)  Verordening (EU) nr. 1263/2012 van de Raad van 21 december 2012 tot wijziging van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2012, L 356, blz. 34).

(2)  Besluit 2012/635/GBVB van de Raad van 15 oktober 2012 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2012, L 282, blz. 58).


Gerecht

10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/9


Beroep ingesteld op 27 juni 2016 — Dimos Athinaion/Commissie

(Zaak T-360/16)

(2016/C 371/10)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Dimos Athinaion (Gemeente Athene) (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: G. Georgakarakos, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (1) nietig verklaren en

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 191 VWEU, dat de doelstellingen van het beleid van de Unie op milieugebied omschrijft.

2.

Tweede middel: schending van artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat het recht op een hoog niveau van milieubescherming bekrachtigt.

3.

Derde middel: schending van artikel 15 van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (2).


(1)  PB 2016, L 109, blz. 1.

(2)  PB 2007, L 171, blz. 1.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/9


Beroep ingesteld op 12 juli 2016 — Anheuser-Busch Inbev en Ampar/Commissie

(Zaak T-370/16)

(2016/C 371/11)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Anheuser-Busch Inbev (Brussel, België) en Ampar (Leuven, België) (vertegenwoordigers: A. von Bonin, O. Brouwer en A. Haelterman, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

het besluit van de Europese Commissie van 11 januari 2016 betreffende de staatssteunregeling inzake vrijstelling van overwinst SA.37667 (2015/C) (ex 2015/NN) nietig te verklaren;

de Commissie overeenkomstig artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te verwijzen in de kosten, met inbegrip van die welke zijn opgekomen aan interveniërende partijen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vier middelen aan.

1.

Eerste middel: de Commissie heeft het recht onjuist toegepast en een kennelijke beoordelingsfout gemaakt voor zover zij de vermeende staatssteunmaatregel heeft vastgesteld en gekwalificeerd als een steunregeling in de zin van artikel 1, onder d), van verordening (EU) nr. 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 107 VWEU.

2.

Tweede middel: de Commissie heeft een juridische fout gemaakt en artikel 107, lid 1, VWEU onjuist toegepast waar zij zich op het standpunt stelt dat het stelsel van overwinstaanpassingen staatssteun vormt.

3.

Derde middel: de Commissie heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt waar zij de concerns als begunstigden van de vermeende steun beschouwt en heeft het rechtmatigheidsbeginsel geschonden alsook artikel 16, lid 1, van verordening (EU) nr. 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

4.

Vierde middel: de Commissie heeft de beginselen van rechtszekerheid, bescherming van het gewettigd vertrouwen en behoorlijk bestuur geschonden.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/10


Beroep ingesteld op 25 juli 2016 — CK Telecoms UK Investments/Commissie

(Zaak T-399/16)

(2016/C 371/12)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: CK Telecoms UK Investments (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: T. Wessely en O. Brouwer, advocaten, en A. Woods, J. Aitken en M. Davis, solicitors)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietig verklaren van besluit de Europese Commissie van 11 mei 2016, C(2016) 2796 inzake COMP/M.7612 — Hutchison 3G UK Investments Limited/Telefónica (Europe plc), waarvan aan Hutchison op 13 mei 2016 kennis is gegeven en waarbij de voorgenomen verwerving van Telefónica Europe plc door Hutchison in haar geheel onverenigbaar werd verklaard met de interne markt en de EER-Overeenkomst op grond van artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad, en

de Commissie verwijzen in de kosten, met inbegrip van die van mogelijke interveniënten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: de Commissie heeft blijk gegeven van kennelijk onjuiste rechtsopvattingen, kennelijke beoordelingsfouten gemaakt en wezenlijke vormvoorschriften geschonden bij de uitlegging en toepassing van het juridische criterium voor de beoordeling van horizontale niet-gecoördineerde effecten in de markt voor retaildiensten voor mobiele telecommunicatie in het Verenigd Koninkrijk. De Commissie heeft met name verzoekster ten onrechte gekwalificeerd als een „belangrijke concurrentiefactor” en zich vergist bij de beoordeling van de intensiteit van de mededinging. De Commissie heeft ook kennelijke beoordelingsfouten gemaakt met betrekking tot het onderzoek naar de verwachte gevolgen voor de prijzen en mogelijke prikkels voor de gefuseerde entiteit na de concentratie.

2.

Tweede middel: kennelijk beoordelingsfouten en verdraaiing van het bewijs met betrekking tot het onderzoek van het nulscenario. De Commissie heeft met name niet onderzocht hoe de netwerkcapaciteit van Hutchison zich verhoudt tot die van haar concurrenten en vertrouwt op ontoelaatbare wijze op het vermeende vermogen van Hutchison om initiatieven te nemen met betrekking tot het „beheer aan de vraagzijde”, zoals het verhogen van de prijzen, als een reden om Hutchisons bewijs van toekomstige netwerkcapaciteit te verwerpen.

3.

Derde middel: feitelijke vergissingen en onjuiste rechtsopvattingen, kennelijke beoordelingsfouten en schending van wezenlijke vormvoorschriften met betrekking tot horizontale niet-gecoördineerde gevolgen die voortkomen uit het delen van netwerken. De Commissie heeft met name fouten gemaakt met betrekking tot haar nieuwe voorstellen aangaande de noodzaak en de mate van „afstemming” tussen concurrenten in overeenkomsten over het delen van netwerken. De Commissie heeft tevens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door haar conclusies veeleer te baseren op de mogelijke schade aan concurrenten van de gefuseerde entiteit dan op de mededinging zelf. De Commissie heeft voorts fouten gemaakt door de door Hutchison aangeboden verbintenissen, waarmee al haar zorgen omtrent het delen van netwerken volledig zouden zijn weggenomen, af te wijzen.

4.

Vierde middel: kennelijke beoordelingsfouten, onjuiste rechtsopvattingen en schending van wezenlijke vormvoorschriften met betrekking tot horizontale niet-gecoördineerde gevolgen op de wholesalemarkt voor toegang en gespreksopbouw op openbare mobiele netwerken in het Verenigd Koninkrijk. De Commissie heeft met name ten onrechte geconcludeerd dat Hutchison een „belangrijke concurrentiefactor” in de wholesalemarkt is, ondanks dat zij een erg klein marktaandeel (minder dan drie procent) heeft, en heeft fouten gemaakt door haar conclusies te baseren op de opvattingen van derden in plaats van zelf onderzoek te doen.

5.

Vijfde middel: onjuiste rechtsopvattingen, kennelijke beoordelingsfouten, ontoereikende motivering en schending van wezenlijke vormvoorschriften met betrekking tot de evaluatie van de door Hutchison aangeboden verbintenissen met betrekking tot zorgen omtrent de retail- en wholesalemarkt voor mobiele telecommunicatie in het Verenigd Koninkrijk. De Commissie heeft met name ten onrechte bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde verbintenissen vanwege onduidelijkheid over de tenuitvoerlegging ervan; de Commissie heeft een kennelijke fout gemaakt bij haar beoordeling van het vermogen van nieuwe en versterkte concurrenten om daadwerkelijk te concurreren op grond van de voorgestelde verbintenissen; en de Commissie heeft fouten gemaakt bij haar beoordeling van de algehele geschiktheid van de voorgestelde verbintenissen om het in het besluit vermelde wegvallen van mededinging te compenseren.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/11


Beroep ingesteld op 27 juli 2016 — Maximum Play/EUIPO (MAXPLAY)

(Zaak T-400/16)

(2016/C 371/13)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Maximum Play Inc. (San Francisco, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: M. Graf, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „MAXPLAY” — inschrijvingsaanvraag nr. 14 047 963

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 26 mei 2016 in zaak R 2273/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009;

miskenning van oudere Uniemerken en nationale merken alsook van een nationale inschrijvingsaanvraag.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/12


Beroep ingesteld op 31 juli 2016 — Makhlouf/Raad

(Zaak T-409/16)

(2016/C 371/14)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Ehab Makhlouf (Damascus, Syrië) (vertegenwoordiger: E. Ruchat, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het beroep van verzoeker ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dientengevolge besluit (GBVB) 2016/850 van 27 mei 2016 en de uitvoeringshandelingen daarvan nietig te verklaren, voor zover zij verzoeker betreffen;

de Raad van de Europese Unie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan die in wezen gelijk zijn aan of vergelijkbaar zijn met die welke in zaak T-410/16, Makhlouf/Raad zijn aangevoerd.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/13


Beroep ingesteld op 31 juli 2016 — Makhlouf/Raad

(Zaak T-410/16)

(2016/C 371/15)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Rami Makhlouf (Damascus, Syrië) (vertegenwoordiger: E. Ruchat, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het beroep van verzoeker ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dientengevolge besluit (GBVB) 2016/850 van 27 mei 2016 en de uitvoeringshandelingen daarvan nietig te verklaren, voor zover zij verzoeker betreffen;

de Raad van de Europese Unie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van de rechten van verdediging en van het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, dat is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”) en de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

2.

Tweede middel: schending van de motiveringsplicht, voor zover de door de Raad verstrekte motivering niet voldoet aan de verplichting die krachtens artikel 6 EVRM, artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op de instellingen van de Europese Unie rust.

3.

Derde middel: de Raad heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt wat betreft de betrokkenheid van verzoeker bij de financiering van het Syrische regime.

4.

Vierde middel: de bestreden maatregelen beperken op ongerechtvaardigde en onevenredige wijze verzoekers grondrechten en meer bepaald zijn in artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM en in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op eigendom, zijn in de artikelen 8 en 10, lid 2, EVRM neergelegde recht op eerbiediging van zijn eer en goede naam, het in artikel 6 EVRM en in artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde beginsel van het vermoeden van onschuld, het in artikel 10 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting, en ten slotte het in artikel 2, lid 2, van het vierde protocol bij het EVRM neergelegde recht op vrijheid van verplaatsing.

5.

Vijfde middel: schending van de richtsnoeren van de Raad van 2 december 2005 inzake de implementatie en evaluatie van restrictieve maatregelen (sancties) in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU (document 15114/05 van de Raad van 2 december 2005).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/14


Beroep ingesteld op 28 juli 2016 — Achemos Grupė en Achema/Commissie

(Zaak T-417/16)

(2016/C 371/16)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Achemos Grupė UAB (Vilnius, Litouwen) en Achema AB (Jonava, Litouwen) (vertegenwoordigers: R. Martens en C. Maczkovics, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van de Commissie van 20 november 2013 inzake steunmaatregel SA. 36740 (2013/NN) — Litouwen, steun aan Klaipedos Nafta — LNG-terminal, Brussel, C(2013) 7884 final, PB C 161, 2016, blz. 1, nietig verklaren, en

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekende partijen drie middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van de procedureregels van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 4, lid 4, van verordening 2015/1589 (1) en van de regels van behoorlijk bestuur, aangezien de Commissie, ondanks de ernstige moeilijkheden bij het beoordelen van de verenigbaarheid van de staatssteunmaatregelen in kwestie met de interne markt, louter vertrouwde op een eerste onderzoek van de staatssteunmaatregelen, terwijl met het oog op die ernstige moeilijkheden de Commissie verplicht was de procedure op grond van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 6 van verordening 2015/1589 in te leiden.

2.

Tweede middel: schending van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, aangezien de Commissie de beoordelingscriteria, zoals uiteengezet in overweging 135 van het bestreden besluit, niet correct toepast, terwijl

ten eerste, wat de geschiktheid en de noodzaak van de maatregelen betreft, de Commissie die maatregelen concreet zou moeten hebben beoordeeld en moeten hebben onderzocht of er andere, meer doelgerichte, instrumenten voorhanden waren;

ten tweede de Commissie zou moeten hebben geconcludeerd dat er geen sprake is van een stimulerend effect, aangezien KN wettelijk verplicht is om de LNG-terminal te ontwikkelen;

ten derde de Commissie zou moeten hebben beoordeeld of de grootte van de gesubsidieerde LNG-terminal in verhouding stond tot het bereiken van het nagestreefde doel en geen overcapaciteit tot stand bracht.

3.

Derde middel: schending van artikel 106, lid 2, VWEU, van de DAEB-kaderregeling (2) en van de algemene beginselen, zoals die van gelijke behandeling en bescherming van gewettigd vertrouwen, alsook van de procedureregels van richtlijn 2004/18 (3) en van artikel 14 van richtlijn 2004/18, aangezien de Commissie de DAEB-kaderregeling onjuist heeft toegepast door te aanvaarden dat KN voor een periode van vijfenvijftig jaar met het beheer wordt belast, met een winst die overeenkomt met de interne opbrengstvoet van het project, terwijl

ten eerste de toewijzingsperiode zou moeten zijn gerechtvaardigd onder verwijzing naar objectieve criteria zonder overschrijding van de periode die nodig is om de activa (financieel) te kunnen afschrijven die voor het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang het meest van belang zijn;

ten tweede de selectie van KN niet kon zijn uitgezonderd van de procedureregels op grond van de bescherming van wezenlijke (veiligheids)belangen in de zin van artikel 14 van richtlijn 2004/18, aangezien er in deze zaak alternatieve middelen voorhanden zijn die minder beperkend van aard zijn dan een onderhandse gunning;

ten derde, gelet op het risico waaraan KN is blootgesteld, haar winst zou moeten zijn beperkt tot de relevante swaprente (als mogelijk geherwaardeerd om rekening te houden met de vervaldag), met een opslag van 100 basispunten.


(1)  Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9).

(2)  Mededeling van de Commissie — EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2011) (PB 2012, C 8, blz. 15) (hierna: „DAEB-kaderregeling)”.

(3)  Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/15


Beroep ingesteld op 29 juli 2016 — De Masi/Commissie

(Zaak T-423/16)

(2016/C 371/17)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Fabio De Masi (Brussel, België) (vertegenwoordiger: Professor A. Fischer-Lescano)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

verweersters besluit van 20 mei 2016 over het verzoek om toegang tot de documenten van de Groep gedragscode nietig te verklaren;

verweersters besluit van 13 juli 2016 over het verzoek om toegang tot de documenten van de Groep gedragscode nietig te verklaren;

verweerster overeenkomstig artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te verwijzen in de kosten van het geding en in de kosten van eventuele interveniënten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1)

Verzoeker betoogt dat verweersters besluiten van 20 mei 2016 en 13 juli 2016 het in bovengenoemde bepaling vervatte recht op een passende motivering van de beslissing over een confirmatief verzoek schenden.

2.

Tweede middel: schending van artikel 15, lid 3, VWEU juncto artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 1049/2001

Verzoeker betoogt voorts dat de weigering om hem volledige toegang te verlenen tot de documenten over de door de Raad opgerichte Groep „gedragscode” (belastingregeling ondernemingen), zijn door bovengenoemde bepalingen gewaarborgde recht op inzage van deze documenten schendt.

In dit verband voert verzoeker aan dat de in artikel 4, lid 1, onder a), vierde streepje, en artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 1049/2001 neergelegde uitzonderingen in dit geval niet van toepassing zijn.

Daarnaast is er sprake van een ontoereikende afweging en motivering en gebiedt een hoger openbaar belang de openbaarmaking van de documenten.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/16


Beroep ingesteld op 29 juli 2016 — Intercontinental Exchange Holdings/EUIPO (BRENT INDEX)

(Zaak T-430/16)

(2016/C 371/18)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Intercontinental Exchange Holdings, Inc. (Atlanta, Georgia, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: P. Heusler, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „BRENT INDEX” — inschrijvingsaanvraag nr. 14 284 947

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 2 juni 2016 in zaak R 8/2016-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 7, lid 1, onder b), en artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/16


Beroep ingesteld op 1 augustus 2016 — VIMC/Commissie

(Zaak T-431/16)

(2016/C 371/19)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: VIMC — Vienna International Medical Clinic GmbH (Kulmbach, Duitsland) (vertegenwoordiger: R. Bramerdorfer, Rechtsanwältin)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de beslissing van de Commissie van 27 mei 2016 (ref.: zaak AT.40231 — VIMC/WK&FGB) nietig verklaren en

verweerster verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met dit beroep vordert verzoekster nietigverklaring van besluit C(2016) 3351 final van de Commissie van 27 mei 2016, waarbij verzoeksters klacht op grond van artikel 13 van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) is afgewezen.

Ter onderbouwing van haar beroep draagt verzoekster één middel voor, ontleend aan misbruik van beoordelingsbevoegdheid.

In dit verband voert verzoekster aan dat de Commissie niet geheel naar eigen inzicht kan beslissen om al dan niet toepassing te geven aan artikel 13 van verordening (EG) nr. 1/2003. De Commissie dient juist rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval en kan op grond van die bepaling niet zonder nadere motivering een verzoek afwijzen dat reeds bij een overheidsinstantie in behandeling is.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/17


Beroep ingesteld op 3 augustus 2016 — Pometon/Commissie

(Zaak T-433/16)

(2016/C 371/20)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Pometon SpA (Martellago, Italië) (vertegenwoordigers: E. Fabrizi, V. Veneziano en A. Molinaro, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

primair, het bestreden besluit nietig te verklaren;

subsidiair, de aan Pometon opgelegde boete nietig te verklaren of te verminderen;

verweerster te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die eventueel voor verzoekster zijn opgekomen in de loop van de procedure tot uitvoering van het bestreden besluit, alsook tot terugbetaling van alle andere kosten van verzoekster tot uitvoering van dit bestreden besluit;

verweerster hoe dan ook te verwijzen in de kosten en in alle andere kosten die voor verzoekster zijn opgekomen in de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep wordt opgekomen tegen besluit C(2016) 3121 definitief van de Commissie van 25 mei 2016 (zaak AT.39792 — Steel Abrasives), betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (hierna: „bestreden besluit”).

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.

1.

Het eerste middel is ontleend aan schending van het beginsel van de onpartijdigheid van de rechter, het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht van verweer, doordat verweerster in het kader van het jegens Ervin Industries Inc. en Ervin Amasteel, Winoa SA en WHA Holding SAS, Metalltechnik Schmidt GmbH & Co. KG en Eisenwerk Würth GmbH (hierna: „belanghebbenden”) vastgestelde besluit C(2014) 2074 definitief van 2 april 2014 („schikkingsbesluit”) bepaalde vermeende gedragingen van Pometon in aanmerking heeft genomen, waardoor het bestreden besluit is vastgesteld zonder dat het standpunt van Pometon en het door haar ontwikkelde betoog naar behoren en onpartijdig is onderzocht.

In het schikkingsbesluit — dus vóórdat Pometon in staat is gesteld om zich te verweren — heeft de Commissie uitdrukkelijk geoordeeld dat verzoekster zich op dezelfde wijze had gedragen als de andere belanghebbenden, aan wie — in ditzelfde besluit — juist wegens die gedraging een specifieke schending is toegeschreven van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Verzoekster stelt dat dit noodzakelijkerwijs en op onherroepelijke wijze afbreuk heeft gedaan aan het vermogen van de Commissie om jegens haar een daadwerkelijk onpartijdige beoordeling te verrichten.

2.

Het tweede middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende en tegenstrijdige motivering, schending van het recht van verweer en van de beginselen betreffende de verdeling van bewijslast, doordat is geoordeeld dat verzoekster betrokken was bij een vermeende regeling waaraan zij in feite niet heeft deelgenomen.

De Commissie heeft volgens verzoekster ter onderbouwing van haar stelling gegevens gehanteerd die onnauwkeurig, tegenstrijdig en dubbelzinnig waren en niet volstonden als bewijs dat Pometon aan de gestelde inbreuk had deelgenomen.

3.

Het derde middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, beoordelingsfouten, ontoereikend onderzoek en een kennelijk onlogische redenering, doordat verweerster heeft geoordeeld dat de aan Pometon verweten gedraging een beperking van de mededinging had opgeleverd.

4.

Het vierde middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende motivering en ontoereikend onderzoek, schending van de beginselen betreffende de verdeling van de bewijslast met betrekking tot de duur van verzoeksters beweerde deelneming aan de gestelde inbreuk, en bijgevolg schending van de artikelen 23, lid 2, en 25, leden 1 en 5, van verordening nr. 1/2003 (1), alsook schending van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de Commissie verzoekster een geldboete heeft opgelegd hoewel de daartoe gestelde termijn was verstreken.

De datum waarop verzoeksters beweerde deelneming aan de inbreuk die haar in het bestreden besluit wordt verweten, is beëindigd, kan volgens verzoekster niet samenvallen met de datum die door de Commissie in aanmerking is genomen, maar hoogstens is die deelneming veel eerder beëindigd, zodat de termijn waarin de Commissie geldboeten kon opleggen, moet worden geacht te zijn verstreken.

5.

Het vijfde middel is ontleend aan volstrekt ontoereikende motivering, schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling betreffende de vaststelling van de krachtens artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 opgelegde geldboeten, wat de aanpassing van het basisbedrag ervan volgens punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten betreft.

De wijze waarop Commissie punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten heeft toegepast, levert een grove discriminatie op, aangezien voor verzoekster een verminderingspercentage is gehanteerd dan kennelijk lager was dan het percentage dat voor de andere belanghebbenden is gebruikt.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB 2003, L 1, blz. 1).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/19


Beroep ingesteld op 3 augustus 2016 — AEIM en Kazenas/Commissie

(Zaak T-436/16)

(2016/C 371/21)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: L’application électronique industrielle moderne (AEIM) (Algrange, Frankrijk), Philippe Kazenas (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: B. Wizel, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de verwerende partij veroordelen tot betaling aan verzoekster van het bedrag van 536 912 EUR, dat overeenkomt met het financiële verlies op verzonken investeringen voor bezoeken vóór de toewijzing van de overheidsopdrachten, die frauduleus zijn gegund;

de verwerende partij veroordelen tot betaling aan verzoekster van het bedrag van 2 092 650 EUR, dat overeenkomt met de winstderving voor de overheidsopdrachten waarop verzoekster aanspraak had kunnen maken indien zij billijk en zonder corruptie waren toegewezen;

de verwerende partij veroordelen tot betaling aan verzoeker van het bedrag van 85 000 EUR, dat overeenkomt met de advocatenkosten die [hij] heeft moeten betalen voor de organisatie van [zijn] verdediging wegens de corruptie van een Europees ambtenaar;

de verwerende partij veroordelen tot betaling aan verzoeker van het bedrag van 150 000 EUR als vergoeding voor morele schade;

de verwerende partij veroordelen tot betaling aan verzoekster van vergoedingsrente op al die bedragen vanaf december 2005, zijnde het einde van de inbreukperiode;

de verwerende partij veroordelen tot vergoeding van de advocatenkosten voor deze aanleg, voor een bedrag van 75 000 EUR;

de verwerende partij veroordelen tot betaling van moratoire rente, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van het te wijzen arrest;

de verwerende partij verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De verzoekende partijen voeren het onwettige gedrag van een ambtenaar van de Europese Commissie aan bij de toewijzing van overheidsopdrachten, waardoor zij zware schade hebben geleden, die direct verband houdt met dat gedrag en waarvoor zij vergoeding vorderen.

Zij menen aldus dat de drie voorwaarden vervuld zijn opdat de Europese Unie niet-contractueel aansprakelijk kan worden gehouden, te weten een onwettige gedraging van een instelling of een van haar personeelsleden, daadwerkelijke schade en een oorzakelijk verband tussen de gedraging van dat personeelslid en de aangevoerde schade.

Zij voeren in de onderhavige zaak aan dat de corruptiefeiten van de Europese ambtenaar in het kader van de toewijzing van overheidsopdrachten een voldoende gekwalificeerde schending zijn van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie die de aanbestedende dienst in overheidsopdrachtenprocedures ten aanzien van alle inschrijvers moet naleven.

De verzoekende partijen betogen dat de frauduleuze toewijzing van de betrokken overheidsopdrachten reële schade heeft veroorzaakt voor de vennootschap AEIM, die enkel opdrachten heeft gekregen in landen die als gevaarlijk worden bestempeld en die de twee andere corrumperende inschrijvers niet wensten, terwijl de vennootschap, die als enige eerlijk heeft ingeschreven, alle opdrachten had kunnen verkrijgen als zij zonder corruptie waren gegund.

Zij wensen zich te beroepen op het beginsel van goed bestuur van de Commissie, die in de onderhavige zaak blijk heeft gegeven van zware disfuncties, en op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, dat van toepassing is op alle ondernemers bij wie een instelling gegronde verwachtingen heeft doen ontstaan.

De verzoekende partijen zijn ook van mening dat zij, naast financiële schade, morele schade hebben geleden, met name als gevolg dat afbreuk is gedaan aan hun reputatie en zij verplicht waren zich te verdedigen tegen beschuldigingen die onjuist en denkbeeldig zijn gebleken.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/20


Beroep ingesteld op 5 augustus 2016 — Italië/Commissie

(Zaak T-437/16)

(2016/C 371/22)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, P. Gentili, avvocato dello Stato)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/322/16 voor de vorming van een aanwervingreserve ter vervulling van 86 vacante posten van Administrateur (AD 5 en 7) op het gebied van de audit, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 12 mei 2016, nummer C 171 A;

verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij zeven middelen aan.

1.

Eerste middel, schending van de artikelen 263, 264, 266 VWEU.

De Commissie heeft het gezag van gewijsde geschonden van het arrest van het Hof in zaak C-566/10 P, volgens hetwelk aankondigingen van vergelijkende onderzoeken die de taal die de deelnemers als tweede taal kunnen aangeven beperken tot het Engels, het Frans en het Duits onwettig zijn.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 342 VWEU en de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 1/58 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385).

In dit verband wordt betoogd dat de beperking door de Commissie van de keuze van de tweede taal die de deelnemers aan algemene vergelijkende onderzoeken kunnen kiezen tot de drie genoemde talen, in de praktijk een nieuwe taalregeling van de instellingen heeft opgeleverd, waardoor inbreuk is gemaakt op de uitsluitende bevoegdheid die de Raad ter zake bezit.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van de artikel 12 EG (thans artikel 19 VWEU), artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 6, lid 3, VEU, artikel 1, leden 2 en 3, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, de artikelen 1 en 6 van verordening 1/58, de artikelen 1 quinquies, leden 1 en 6, 27, tweede alinea, en 28, onder f), van het Ambtenarenstatuut.

In dit verband wordt betoogd dat de door de Commissie ingevoerde taalkundige beperking discriminatoir is, aangezien de genoemde bepalingen verhinderen dat aan de Europese burgers en de ambtenaren van de instellingen taalkundige beperkingen worden opgelegd die niet algemeen en objectief zijn voorzien in het reglement van orde van de instellingen waarnaar in artikel 6 van verordening nr. 1/58 wordt verwezen en die nog niet zijn vastgesteld; deze bepalingen verbieden eveneens dat beperkingen worden ingevoerd, tenzij deze worden gerechtvaardigd door specifieke en wezenlijk belangen van de dienst.

4.

Vierde middel, schending van artikel 6, lid 3, VEU, voor zover daarin het beginsel van gewettigd vertrouwen is neergelegd als een fundamenteel recht dat volgt uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben.

Dienaangaande wordt betoogd dat de Commissie is tekortgeschoten in de verwachtingen van de burgers van de EU dat zij elke taal van de Europese Unie als tweede taal kunnen kiezen, hetgeen tot 2007 altijd het geval is geweest en hetgeen is bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-566/10 P.

5.

Vijfde middel, ontleend aan misbruik van bevoegdheid en schending van wezenlijke regels betreffende de aard en het doel van aankondigingen van vergelijkende onderzoeken.

In dit verband wordt betoogd dat de Commissie, door het aantal talen dat als tweede taal kan worden gekozen preventief en algemeen te beperken, aan de beoordeling van de taalkundige capaciteiten van de kandidaten — welke in de loop van het vergelijkend onderzoek zelf moeten worden beoordeeld — een zwaarder gewicht heeft toegekend dan aan de andere fasen. Daardoor wordt de talenkennis van een kandidaat doorslaggevend in plaats van zijn professionele kennis.

6.

Zesde middel, ontleend aan schending van de artikelen 18 en 24, vierde alinea, VWEU, artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 2 van verordening nr. 1/58 en artikel 1 quinquies, leden 1 en 6, van het Ambtenarenstatuut.

Dienaangaande wordt betoogd dat de Commissie, door verplicht te stellen dat de sollicitaties en de mededelingen die EPSO over het verloop van het vergelijkend onderzoek aan de kandidaten zendt in het Engels, het Frans of het Duits worden gesteld, inbreuk heeft gemaakt op het recht van burgers van de EU om in hun eigen taal met de instellingen te communiceren, en dat zij voorts die burgers heeft gediscrimineerd die onvoldoende kennis van die drie talen hebben.

7.

Zevende middel, ontleend aan schending van de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 1/58, artikel 1 quinquies, leden 1 en 6, van het Ambtenarenstatuut, artikel 1, lid 1, onder f), van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut en artikel 296, tweede alinea, VWEU (ontbreken van motivering), schending van het evenredigheidsbeginsel en een verkeerde opvatting van de feiten.

In dit verband wordt betoogd dat de Commissie het vereiste dat nieuw aangeworven personeelsleden binnen de instellingen moeten kunnen communiceren heeft gebruikt om de beperking tot drie talen te rechtvaardigen. Dat betoog geeft geen juiste voorstelling van de feiten, aangezien die drie talen niet de talen zijn die het meest worden gebruikt voor de communicatie tussen verschillen taalgroepen binnen de instellingen. Voorts is het een onevenredige beperking van het fundamentele recht om niet te worden gediscrimineerd op grond van taal.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/21


Beroep ingesteld op 9 augustus 2016 — Italië/Commissie

(Zaak T-443/16)

(2016/C 371/23)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, P. Gentili, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de algemene vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/323/16 en EPSO/AD/324/16 nietig te verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster betwist voor het Gerecht de algemene vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/323/16 en EPSO/AD/324/16 om reservelijsten op te stellen voor de aanwerving van 40 nieuwe ambtenaren [Administrateurs (AD 7)] voor onderzoek op het vlak van EU-uitgaven, corruptiebestrijding, douane, handel, tabak en namaakgoederen, alsook voor de aanwerving van 10 nieuwe ambtenaren [Administrateurs (AD 9)] die aan het hoofd zullen staan van een team onderzoekers. Deze onderzoeken zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie C 187 A van 26 mei 2016.

Met betrekking tot deze onderzoeken is ook een procedure hangende in de zaak T-401/16, Spanje/Commissie.

De aangevoerde middelen en voornaamste argumenten zijn nagenoeg dezelfde als in die zaak.

Inzonderheid wordt betoogd dat sprake is van schending van de artikelen 18, 24 en 342 VWEU, van artikel 22 van het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie, alsook schending van het Ambtenarenstatuut, het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en van de essentiële regels die verband houden met de aard en het doel van aankondigingen van vergelijkende onderzoeken. Bovendien is volgens verzoekster sprake van misbruik van bevoegdheid en is tevens inbreuk gemaakt op de artikelen 1 tot en met 6 van verordening nr. 1/58.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/22


Hogere voorziening ingesteld op 10 augustus 2016 door CC tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 21 juli 2016 in zaak F-9/12 RENV, CC/Parlement

(Zaak T-446/16 P)

(2016/C 371/24)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirerende partij: CC (Bridel, Luxemburg) (vertegenwoordiger: G. Maximini, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europees Parlement

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

het verzoekschrift en de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren;

derhalve, het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 21 juli 2016 in zaak F-9/12 RENV (CC/Europees Parlement), met uitzondering van punt 3 van het dictum betreffende de kosten, te vernietigen;

derhalve, te erkennen dat het Europees Parlement niet-contractueel aansprakelijk is voor de fouten die zijn gemaakt bij het beheer van rekwirantes lijst van geschikte kandidaten en dat het verplicht is om de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden;

derhalve, uitspraak te doen conform de vorderingen die rekwirante in haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft geformuleerd;

derhalve, te verklaren:

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 21 juli 2016 in zaak F-9/12 RENV (CC/Europees Parlement) wordt vernietigd, met uitzondering van punt 3 van het dictum betreffende de kosten;

het Parlement wordt veroordeeld tot betaling, aan rekwirante, van het bedrag van 749 449,30 EUR ter vergoeding van haar materiële schade, begroot over de periode van december 2003 tot en met december 2011, plus de bijdragen aan de pensioenregeling, en voor de periode daarna tot aan de wettelijke pensioenleeftijd tot maandelijkse betaling van de nettobedragen die overeenkomen met de salarissen van ambtenaren van de functie AD vanaf de rang AD 9, salaristrap 2, tweede jaar, rekening houdend met een normale loopbaan van een ambtenaar van dezelfde rang, aangevuld met de bijdragen voor haar pensioenregeling en haar ziektekostenverzekering, een en ander vermeerderd met vertragingsrente tegen het tarief van de Europese Centrale Bank, vermeerderd met twee punten;

voorts wordt het Europees Parlement veroordeeld tot betaling van het bedrag van 70 000 EUR aan rekwirante ter vergoeding van haar immateriële schade;

het Europees Parlement draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in alle kosten die rekwirante in deze procedure heeft gemaakt.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij zes middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een verkeerde rechtsopvatting over de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het nieuwe bewijsaanbod;

verkeerde opvatting van de feiten, ontbreken van motivering, schending van het vereiste van onpartijdigheid en van het recht op een eerlijk proces (artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie), schending van het beginsel nemo potest venire contra factum proprium en verkeerde opvatting van de feiten met betrekking tot het zogenoemde te late bewijsaanbod;

verzuim om te erkennen dat er sprake is van schending van de verplichting van transparantie en van loyale samenwerking van het Parlement jegens het Gerecht;

kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de wijziging van de nummering van de lijst van geschikte kandidaten EUR/A/151/98 en EUR/A/151.

2.

Tweede middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het ontbreken van een juridische kwalificatie en van motivering van het besluit van de secretaris-generaal van 19 mei 2005 en miskenning van het arrest houdende vernietiging van het Gerecht van de Europese Unie;

ontbreken van een juridische kwalificatie van het besluit van de secretaris-generaal van 19 mei 2005;

miskenning van het arrest houdende vernietiging in zaak T-457/13 P.

3.

Derde middel, ontleend aan een verkeerde opvatting van de feiten met betrekking tot de e-mails van EPSO.

4.

Vierde middel, ontleend aan een verkeerde opvatting van de brief van het Parlement van 15 oktober 2007 over de stelling dat rekwirante op de hoogte zou zijn gesteld van de vernietiging van haar dossier van het vergelijkend onderzoek.

5.

Vijfde middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de juridische kwalificatie van het besluit van de voorzitter van het Europees Parlement van 25 februari 2003.

6.

Zesde middel, ontleend aan een miskenning van het arrest houdende vernietiging wat de berekening van de schade betreft.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/23


Beroep ingesteld op 10 augustus 2016 — Ellinikos Syndemos Epicheiriseon gia ti Diacheirisi ton Diethnon Protypon GS1/EUIPO — 520 Barcode Ellas (520 Barcode Hellas)

(Zaak T-453/16)

(2016/C 371/25)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Ellinikos Syndemos Epicheiriseon gia ti Diacheirisi ton Diethnon Protypon GS1 (Argiroupoli Attikis, Griekenland) (vertegenwoordiger: A. Mouzaki, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: 520 Barcode Ellas — AE Diacheirisis Diethnon Protypon kai Parochis Symvouleutikon Ypiresion (Kifisia Attikis, Griekenland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de woordelementen „5 201000 603856 520 Barcode Hellas” — inschrijvingsaanvraag nr. 10 881 861

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 14 juni 2016 in zaak R 238/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten van verzoekster.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009;

schending van de artikelen 75, 76, lid 1, en 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/24


Hogere voorziening ingesteld op 22 augustus 2016 door HI tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 10 juni 2016 in zaak F-133/15, HI/Commissie

(Zaak T-464/16 P)

(2016/C 371/26)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: HI (Brussel, België) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

primair, het arrest van 10 juni 2016 in zaak F-133/15 vernietigen en de zaak zelf afdoen;

subsidiair, de zaak naar het Gerecht voor ambtenarenzaken terugverwijzen;

de Commissie verwijzen in de kosten van beide aanleggen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert rekwirant vier middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van het Unierecht inzake de motiveringsplicht en de rechten van verdediging, aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie niet afdoende heeft gemotiveerd in welk opzicht zijn beslissing om rekwirant als disciplinaire straf een degradatie van twee graden in dezelfde functiegroep op te leggen, gerechtvaardigd zou zijn.

2.

Tweede middel: schendingen van het Unierecht door het Gerecht voor ambtenarenzaken inzake de naleving van de redelijke termijn, de rechten van verdediging, en de motiveringsplicht. Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft bovendien de feiten en de bewijsmiddelen onjuist opgevat.

3.

Derde middel: onjuiste opvatting van de feiten en de bewijsmiddelen en schendingen van het Unierecht en van artikel 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie door het Gerecht voor ambtenarenzaken.

4.

Vierde middel: schending door het Gerecht voor ambtenarenzaken van het evenredigheidsbeginsel.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/25


Beroep ingesteld op 23 augustus 2016 — Cotecnica/EUIPO — Visán Industrias Zootécnicas (cotecnica OPTIMA)

(Zaak T-465/16)

(2016/C 371/27)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Cotecnica, SCCL (Bellpuig, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Devaureix, J. C. Erdozain López en J. Galán López, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Visán Industrias Zootécnicas, SL (Arganda, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: verzoekster

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de woordelementen „cotecnica OPTIMA” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 292 479

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 13 juni 2016 in zaak R 229/2016-2

Conclusies

het aangeboden bewijs toelaten;

de bestreden beslissing vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 en van de rechtspraak van het Gerecht, met name het arrest van 20 januari 2009 in zaak T-424/07, Pioneer Hi-Bred International/BHIM (OPTIMUM).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/25


Beroep ingesteld op 23 augustus 2016 — NRW. Bank/GAR

(Zaak T-466/16)

(2016/C 371/28)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: NRW. Bank (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Behrens, J. Kraayvanger en J. Seitz, advocaten)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke afwikkelingsraad (GAR)

Conclusies

verweerders besluit met betrekking tot verzoeksters jaarlijkse bijdrage aan het herstructureringsfonds voor het bijdragejaar van 1 januari tot en met 31 december 2016 nietig verklaren;

verweerder verwijzen in de gerechtskosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59/EU (1) en van artikel 70, lid 2, van verordening (EU) nr. 806/2014 (2)

Verzoekster stelt dat verweerders besluit met betrekking tot haar jaarlijkse bijdrage onrechtmatig is, omdat daarin met het oog op de vermindering van haar bijdrage alleen rekening wordt gehouden met de stimuleringsactiviteit van verzoekster, en niet met haar voor de stimulering dienstige nevenactiviteit. Daardoor werd de jaarlijkse bijdrage van verzoekster aan het herstructureringsfonds voor het bijdragejaar van 1 januari tot en met 31 december 2016 te hoog vastgesteld.

2.

Tweede middel: schending van de uitvoeringsverordeningen van richtlijn 2014/59/EU en verordening (EU) nr. 806/2014, die overeenkomstig deze rechtshandelingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij ook de voor de stimulering dienstige nevenactiviteit bevoorrecht behandelen.

3.

Derde, subsidiaire middel: onrechtmatigheid van de uitvoeringsverordeningen van richtlijn 2014/59/EU en verordening (EU) 806/2014

In dit verband voert verzoekster aan dat indien een uitlegging van de uitvoeringsverordeningen conform richtlijn 2014/59/EU en verordening (EU) nr. 806/2014 onmogelijk zou zijn, de uitvoeringsverordeningen in dit opzicht onrechtmatig zouden zijn. Daardoor zou ook het op deze uitvoeringsverordeningen gebaseerde besluit van verweerder onrechtmatig zijn.


(1)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190).

(2)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/26


Beroep ingesteld op 23 augustus 2016 — Verein Deutsche Sprache/Commissie

(Zaak T-468/16)

(2016/C 371/29)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Verein Deutsche Sprache eV (Dortmund, Duitsland) (vertegenwoordiger: W. Ehrhardt, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het overeenkomstig artikel 4 van de uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1049/2001 door de secretaris-generaal in naam van de Commissie genomen besluit van 10 juni 2016 nietig verklaren;

verweerster verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 10, lid 3, VEU, artikel 11, lid 2, VEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) — geen open en transparante dialoog

Verzoekster stelt dat het besluit voorbijgaat aan de duidelijk uit het verzoek om toegang tot documenten blijkende intentie van verzoekster om een volledige kijk te krijgen op de procedure die heeft geleid tot de beslissing over de verbouwing van de perszaal in het Berlaymontgebouw van de Commissie, met een beperking tot de Engelse en Franse taal. Er werden slechts enkele documenten overgelegd, die voornamelijk formaliteiten bevatten maar niet vermelden wie de auteurs van, en wat de redenen voor, de beslissing zijn.

De Commissie gaat in het aangevochten besluit niet afzonderlijk in op de door verzoekster genoemde documenten, behoudt de reden voor de weigering van toegang voor zich, en schendt zo de uit artikel 10, lid 3, VEU en andere rechtsvoorschriften van de Europese Unie voortvloeiende plicht om de besluitvorming op een open wijze en dicht bij de burger te laten plaatsvinden en om de redenen toe te lichten.

Voorts betoogt verzoekster dat de Commissie haar in artikel 11, lid 2, VEU neergelegde verplichting om met representatieve organisaties een open en transparante dialoog te voeren niet nakomt doordat zij geen acht slaat op de bezorgdheid van de organisatie, documenten niet ter beschikking stelt, en niet afdoende communiceert over haar redenen om geen toegang te verlenen tot documenten.

2.

Tweede middel: schending van artikel 15, lid 3, eerste alinea, VWEU, artikel 42 van het Handvest en artikel 2, leden 1 en 3, en artikel 4, lid 6, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1) –gedeeltelijke weigering van toegang tot documenten

Met het tweede middel stelt verzoekster dat de niet-inachtneming van wezenlijke aspecten van het verzoek niet-nakoming uitmaakt van de transparantieverplichting van de Europese Unie.

Verzoekster voert voorts aan dat de Commissie in haar besluit ten onrechte heeft beslist dat om redenen van gegevensbescherming geen toegang tot een bepaald document kon worden verleend, zonder dit document nader te identificeren en inhoudelijk te beschrijven, en zonder deze beslissing toereikend te motiveren.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/28


Beroep ingesteld op 25 augustus 2016 — Société wallonne des aéroports/Commissie

(Zaak T-474/16)

(2016/C 371/30)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Société wallonne des aéroports SA (SOWEAR) (Namen, België) (vertegenwoordigers: A. Lepièce en H. Baeyens, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Gerecht:

haar verzoek betreffende de voeging van de onderhavige zaak met zaak T-818/14 ontvankelijk en gegrond te verklaren;

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren,

en dientengevolge

de artikelen 3, 4, 5 en 6 van besluit nr. SA.14093 van de Commissie van 1 oktober 2014 betreffende de maatregelen die België ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Brussels South Charleroi Airport en Ryanair nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Eerste middel: de Commissie heeft gedwaald ten aanzien van het recht door de door Brussels South Charleroi Airport (BSCA) aan verzoekster betaalde vergoedingen te onderzoeken vanuit het oogpunt van artikel 107 VWEU, terwijl de investeringsbeslissingen en de beslissingen om luchtvaartvoorzieningen te bouwen en deze ter beschikking van BSCA te stellen, zijn genomen vóór de uitspraak van het arrest van 12 december 2000, Aéroports de Paris/Commissie (T-128/98, EU:T:2000:290), dat door het Hof van Justitie is bevestigd in het arrest van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie (C-82/01 P, EU:C:2002:617).

2.

Tweede middel: de Commissie heeft gedwaald ten aanzien van het recht door het Instrument Landing System (ILS) en de dienst voor bebakening van de landingsbanen aan te merken als uitrustingen en diensten die economisch van aard zijn.

3.

Derde middel: de redenering van de Commissie voor de vaststelling van de door BSCA te betalen jaarlijkse vergoeding voor de opdracht is gebaseerd op een onjuiste methode en berekeningsfactoren die aanzienlijke gevolgen hebben voor de hoogte van de steun, en voorts is zij kennelijk ontoereikend gemotiveerd.

4.

Vierde middel: de Commissie heeft zich vergist door, ten eerste, in het bedrag van de van BSCA terug te vorderen vergoeding de steun op te nemen die was verleend voor veiligheidstaken (de zogenaamde subsidie voor „brandweer-onderhoud”) en, ten tweede geen rekening te houden met de verlaging van de „subsidie voor brandweer-onderhoud” in 2014 en 2015.


Gerecht voor ambtenarenzaken

10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/29


Beroep ingesteld op 4 augustus 2016 — ZZ/Commissie

(Zaak F-39/16)

(2016/C 371/31)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit om verzoekster niet toe te laten tot de selectietoetsen van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/309/15 (AD 11) — Artsen voor de locaties Luxemburg en Ispra, en veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een bedrag van 10 000 EUR voor de immateriële schade die zij zou hebben geleden

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/309/15 (AD 11) — Artsen voor de locaties Luxemburg en Ispra (artsen Luxemburg), zoals meegedeeld op 28 september 2015, om verzoekster niet toe te laten tot de door het Europees Bureau voor personeelsselectie georganiseerde selectietoetsen (EPSO);

veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een bedrag van 10 000 EUR voor de immateriële schade die verzoekster heeft geleden;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten van de procedure.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/29


Beroep ingesteld op 11 augustus 2016 — ZZ/EDEO

(Zaak F-41/16)

(2016/C 371/32)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Meyer, advocaat)

Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring respectievelijk vernietiging van de besluiten van het TABG houdende terugvordering van de schooltoelagen die verzoeker ten onrechte zou hebben ontvangen en weigering om hem verdere schooltoelagen te betalen alsmede veroordeling van de verwerende partij tot terugbetaling van de ingehouden bedragen

Conclusies van de verzoekende partij

het besluit van de verwerende partij van 12 mei 2016 betreffende verzoekers klachten R/18/16 en R/19/16 en de daarbij bestreden maatregelen voor het schooljaar 2014/15 nietig verklaren;

subsidiair, het besluit van de verwerende partij van 12 mei 2016 betreffende verzoekers klachten R/18/16 en R/19/16 en de daarbij bestreden maatregelen voor het schooljaar 2014/15 vernietigen;

de verwerende partij veroordelen tot terugbetaling van de op basis van dat besluit ten onrechte ingehouden bedragen;

EDEO verwijzen in de kosten van de procedure.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/30


Beroep ingesteld op 12 augustus 2016 — ZZ/EIB

(Zaak F-42/16)

(2016/C 371/33)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: N. Lhoëst, advocaat)

Verwerende partij: Europese Investeringsbank (EIB)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Verzoek om vergoeding van de schade die verzoeker sinds november 2013 zou hebben geleden

Conclusies van de verzoekende partij

(1)

veroordeling van de EIB tot betaling, aan verzoeker, van een bedrag gelijk aan acht maal zijn jaarsalaris op basis van artikel 33 bis van het personeelsreglement en van artikel 9.1.1. van de administratieve bepalingen die van toepassing zijn op het personeel;

(2)

nietigverklaring van het besluit van de EIB van 4 juni 2015 tot afsluiting van verzoekers RCVP rekening met ingang van 28 februari 2015 en veroordeling van de EIB tot betaling, aan verzoeker, van:

een bedrag gelijk aan de betalingen die de EIB zou hebben gedaan op verzoekers RCVP rekening (3 % van zijn jaarsalaris) indien de EIB zijn rekening niet had gesloten, en wel vanaf 28 februari 2015 tot en met de datum van de daadwerkelijke heropening van verzoekers RCVP rekening;

de rente die het kapitaal op verzoekers RCVP rekening zou hebben opgebracht indien zijn rekening met ingang van 28 februari 2015 niet was gesloten en indien verzoeker en de EIB hun respectieve betalingen ter hoogte van 3 % van verzoekers jaarsalaris hadden kunnen voortzetten, en wel tot en met de datum van daadwerkelijke heropening van verzoekers RCVP rekening,

(3)

veroordeling van de EIB tot betaling van een vergoeding voor de geleden immateriële schade, welke ex aequo et bono op 15 000 EUR wordt begroot;

(4)

verwijzing van de EIB in de kosten.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/31


Beroep ingesteld op 18 augustus 2016 — ZZ/Commissie

(Zaak F-43/16)

(2016/C 371/34)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Cornacchia, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit om verzoeker uit te sluiten van vergelijkend onderzoek EPSO/AST-SC/03/15, omdat hij EPSO niet heeft geïnformeerd over zijn familieband met een lid van de jury van dat vergelijkend onderzoek

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van 19 mei 2016 waarbij de voorzitter van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AST-SC/03/15, in antwoord op het verzoek om herziening dat verzoeker op 5 november 2015 had ingediend, het besluit heeft bevestigd om hem van dat vergelijkend onderzoek uit te sluiten en, zo nodig, van het besluit tot afwijzing van de klacht en het oorspronkelijke besluit;

verwijzing van de Commissie in de kosten.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/31


Beroep ingesteld op 19 augustus 2016 — ZZ/Commissie

(Zaak F-44/16)

(2016/C 371/35)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: N. de Montigny en J.-N. Louis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AST-SC/01/14 om verzoekster niet op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek te plaatsen op grond dat zij niet in het bezit is van het diploma en de beroepservaring om daaraan deel te nemen

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van het eenheidshoofd van het selectiecomité van EPSO van 18 februari 2015 waarbij haar is meegedeeld dat haar sollicitatie naar het ambt van secretaresse (nr. EPSO/ASTSC/01/14) was afgewezen, omdat zij niet in het bezit is van het diploma en de beroepservaring om tot het betrokken vergelijkend onderzoek te worden toegelaten;

nietigverklaring van het besluit van het eenheidshoofd van het selectiecomité van EPSO van 17 september 2015 waarbij zij op de hoogte is gesteld van de afwijzing van haar verzoek om herziening en het besluit van 18 februari 2015 is bevestigd;

voor zover nodig, nietigverklaring van de uitdrukkelijke afwijzing van de klacht van 12 mei 2016;

verwijzing van de Commissie in de kosten.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/32


Beroep ingesteld op 17 augustus 2016 — ZZ/EIB

(Zaak F-45/16)

(2016/C 371/36)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: B. Maréchal, advocaat)

Verwerende partij: Europese Investeringsbank (EIB)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Verzoek om vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker zou hebben geleden als gevolg van het feit dat hij volledig en blijvend invalide is verklaard, welke invaliditeit door het beroep zou zijn veroorzaakt

Conclusies van de verzoekende partij

vergoeding van het (gedeeltelijk) verlies dat verzoeker heeft geleden in de zaak waarin een gedeelte van het verlies zou zijn vergoed door de Belgische AXA verzekering van de EIB;

vergoeding van verzoekers met de schending verband houdende immateriële schade, welke 150 000 EUR bedraagt;

vergoeding van toekomstige medische kosten en kosten voor psychologische hulp in verband met verzoekers gezondheidsproblemen als gevolg van de enorme stress, welke niet worden vergoed door de ziektekostenverzekering van de EIB;

vergoeding van de tot op heden gemaakte medische kosten en kosten voor psychologische hulp in verband met gezondheidsproblemen als gevolg van de enorme stress, welke niet worden vergoed door de ziektekostenverzekering van de EIB;

vergoeding van de gerechtskosten die verzoeker voor deze procedure heeft gemaakt en welke voorlopig op 30 000 EUR worden begroot.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/32


Beroep ingesteld op 26 augustus 2016 — ZZ/Commissie

(Zaak F-46/16)

(2016/C 371/37)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Blot, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende uitvoering van een arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken, voor zover daarbij wordt geweigerd om verzoekster aan te werven in de post waarvoor haar aanwerving reeds was geweigerd en die het voorwerp vormde van het besluit dat bij dat arrest nietig is verklaard

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van 27 oktober 2015 waarbij het DG human ressources van de Europese Commissie de maatregelen heeft getroffen ter uitvoering van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 6 oktober 2015, F-119/14 FE/Commissie;

nietigverklaring van het besluit van het TABG van 19 mei 2016 tot afwijzing van verzoeksters klacht tegen voormeld besluit;

veroordeling van de verwerende partij tot betaling van het voorlopig op 25 000 EUR vastgesteld bedrag ter vergoeding van de immateriële schade;

verwijzing van de verwerende partij in alle kosten.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/33


Beroep ingesteld op 26 augustus 2016 — ZZ/Commissie

(Zaak F-47/16)

(2016/C 371/38)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoeker niet te plaatsen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de jaarlijkse bevorderingsronde 2015 zijn bevorderd

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van het TABG om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2015 niet te bevorderen;

verwijzing van de Europese Commissie in de kosten.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/33


Beroep ingesteld op 26 augustus 2016 — ZZ/Commissie

(Zaak F-48/16)

(2016/C 371/39)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: J. Abiks, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit tot vaststelling van het aantal pensioenjaren in de pensioenregeling van de Europese Unie naar aanleiding van het verzoek om overdracht van pensioenrechten en vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden als gevolg van het feit dat de verwerende partij bij de behandeling van dat verzoek geen redelijke termijn in acht heeft genomen

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van 6 november 2015 waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag het aan de pensioenregeling van de EU overgedragen bedrag definitief heeft vastgesteld op het bedrag van 135 955,38 EUR in plaats van 155 237,25 EUR;

veroordeling van de verwerende partij tot vergoeding van het verlies van 10 739,28 EUR dat de verzoekende partij heeft geleden als gevolg van het onbehoorlijk bestuur door de diensten van de Commissie;

veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een door het Gerecht vast te stellen vergoeding, die echter niet lager mag zijn dan 1 000 EUR, voor de immateriële schade die de verzoekende partij door het betwiste eindbesluit heeft geleden;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten van de procedure.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/34


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Roest/Commissie

(Zaak F-85/12) (1)

(2016/C 371/40)

Procestaal: Frans

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 295 van 29.9.2012, blz. 35.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/34


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — McMichael/Commissie

(Zaak F-18/13) (1)

(2016/C 371/41)

Procestaal: Frans

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 114 van 20.4.2013, blz. 47.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/35


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Boyd/Commissie

(Zaak F-19/13) (1)

(2016/C 371/42)

Procestaal: Frans

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 123 van 27.4.2013, blz. 30.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/35


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Hoeve/Commissie

(Zaak F-57/13) (1)

(2016/C 371/43)

Procestaal: Frans

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 226 van 3.8.2013, blz. 27.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/35


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Cobo Benito/Commissie

(Zaak F-70/14) (1)

(2016/C 371/44)

Procestaal: Frans

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 388 van 3.11.2014, blz. 28.


10.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 371/35


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 augustus 2016 — Marinozzi en Cat/Commissie

(Zaak F-128/15) (1)

(2016/C 371/45)

Procestaal: Frans

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 414 van 14.12.2015, blz. 43.