ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 175

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

59e jaargang
17 mei 2016


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2016/C 175/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1

 

Gerecht

2016/C 175/02

Toevoeging van de rechters aan de kamers

2


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2016/C 175/03

Zaak C-40/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Hamburg (Duitsland) op 25 januari 2016 — Irene Uhden/KLM Royal Dutch Airlines NV

5

2016/C 175/04

Zaak C-56/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 29 januari 2016 door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 18 november 2015 in zaak T-659/14, Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto, IP/BHIM

5

2016/C 175/05

Zaak C-65/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 8 februari 2016 — Istanbul Lojistik Ltd./Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatóság

6

2016/C 175/06

Zaak C-89/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) op 15 februari 2016 — Radosław Szoja/Sociálna poisťovňa

7

2016/C 175/07

Zaak C-91/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 60 de Madrid (Spanje) op 15 februari 2016 — Caixabank S.A./Héctor Benlliure Santiago

8

2016/C 175/08

Zaak C-100/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 18 februari 2016 door Ellinikos Chrysos AE Metalleion kai Viomichanias Chrysou tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 9 december 2015 in de gevoegde zaken T-233/11 en T-262/11, Griekenland en Ellinikos Chrysos/Commissie

8

2016/C 175/09

Zaak C-101/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Curtea de Apel Cluj (Roemenië) op 19 februari 2016 — SC Paper Consult SRL/Direcția Regională a Finanțelor Publice Cluj-Napoca, Administrația Județeană a Finanțelor Publice Bistrița Năsăud

9

2016/C 175/10

Zaak C-110/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 23 februari 2016 — Lg Costruzioni Srl/Area — Azienda Regionale per l’Edilizia Abitativa — Distretto di Carbonia, Area — Azienda Regionale per l’Edilizia Abitativa

10

2016/C 175/11

Zaak C-112/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 24 februari 2016 — Persidera SpA/Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni, Ministero dello Sviluppo Economico delle Infrastrutture e dei Trasporti

10

2016/C 175/12

Zaak C-120/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 60 de Madrid (Spanje) op 29 februari 2016 — Abanca Corporación Bancaria S.A./Juan José González Rey e.a.

11

2016/C 175/13

Zaak C-132/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 1 maart 2016 — Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika — Sofia/Iberdrola Inmobilaria Real Estate Investments EOOD

12

2016/C 175/14

Zaak C-148/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door Högsta domstolen (Zweden) op 14 maart 2016 — Riksåklagaren/Zenon Robert Akarsar

12

2016/C 175/15

Zaak C-161/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Attunda tingsrätt (Zweden) op 21 maart 2016 — Airhelp Ltd/Thomas Cook Airlines Scandinavia A/S

13

2016/C 175/16

Zaak C-180/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 29 maart 2016 door Toshiba Corporation tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 19 januari 2016 in zaak T-404/12, Toshiba Corporation/Europese Commissie

14

2016/C 175/17

Zaak C-185/16 SA: Verzoek om verlof tot het leggen van derdenbeslag ingediend op 29 maart 2016 — Yukos Universal Ltd/Europese Investeringsbank

15

 

Gerecht

2016/C 175/18

Zaak T-713/15: Beschikking van het Gerecht van 16 maart 2016 — Pharm-a-care Laboratories/BHIM — Pharmavite (VITAMELTS) (Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Intrekking van de vordering tot nietigverklaring — Afdoening zonder beslissing)

16

2016/C 175/19

Zaak T-732/15 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 29 februari 2016 — ICA Laboratories e.a./Commissie (Kort geding — Milieu — Consumentenbescherming — Verordening tot vaststelling van maximumresidugehalten voor guazatine — Verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging — Geen spoedeisendheid)

16

2016/C 175/20

Zaak T-105/16: Beroep ingesteld op 17 maart 2016 — Philip Morris Brands/EUIPO — Explosal (Superior Quality Cigarettes FILTER CIGARETTES Raquel)

17

2016/C 175/21

Zaak T-106/16: Beroep ingesteld op 17 maart 2016 — zero/EUIPO — Hemming (ZIRO)

18

2016/C 175/22

Zaak T-107/16: Beroep ingesteld op 18 maart 2016 — Airhole Facemasks/EUIPO — sindustrysurf (AIRHOLE FACE MASKS YOU IDIOT)

18

2016/C 175/23

Zaak T-108/16: Beroep ingesteld op 17 maart 2016 — Naviera Armas/Commissie

19

2016/C 175/24

Zaak T-110/16: Beroep ingesteld op 18 maart 2016 — Savant Systems/EUIPO — Savant Group (SAVANT)

20

2016/C 175/25

Zaak T-111/16: Beroep ingesteld op 18 maart 2016 — Prada/EUIPO — The Rich Prada International (THE RICH PRADA)

21

2016/C 175/26

Zaak T-113/16: Beroep ingesteld op 21 maart 2016 — Arctic Cat/EUIPO — Slazengers (afbeelding van een panter)

22

2016/C 175/27

Zaak T-116/16: Beroep ingesteld op 18 maart 2016 — Port autonome du Centre et de l'Ouest e.a./Commissie

23

2016/C 175/28

Zaak T-120/16: Beroep ingesteld op 22 maart 2016 — Tulliallan Burlington/EUIPO — Burlington Fashion (Burlington)

24

2016/C 175/29

Zaak T-121/16: Beroep ingesteld op 22 maart 2016 — Tulliallan Burlington/EUIPO — Burlington Fashion (BURLINGTON THE ORIGINAL)

25

2016/C 175/30

Zaak T-122/16: Beroep ingesteld op 22 maart 2016 — Tulliallan Burlington/EUIPO — Burlington Fashion (Burlington)

26

2016/C 175/31

Zaak T-123/16: Beroep ingesteld op 22 maart 2016 — Tulliallan Burlington/EUIPO — Burlington Fashion (BURLINGTON)

27

2016/C 175/32

Zaak T-125/16: Beroep ingesteld op 23 maart 2016 — Léon Van Parys/Commissie

28

2016/C 175/33

Zaak T-128/16: Beroep ingesteld op 24 maart 2016 — SureID/EUIPO (SUREID)

29

2016/C 175/34

Zaak T-129/16: Beroep ingesteld op 24 maart 2016 — Claranet Europe/EUIPO — Claro (claranet)

30

2016/C 175/35

Zaak T-133/16: Beroep ingesteld op 29 maart 2016 — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Alpes Provence/ECB

30

2016/C 175/36

Zaak T-134/16: Beroep ingesteld op 29 maart 2016 — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Nord Midi-Pyrénées/ECB

31

2016/C 175/37

Zaak T-135/16: Beroep ingesteld op 29 maart 2016 — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Charente-Maritime Deux-Sèvres/ECB

32

2016/C 175/38

Zaak T-136/16: Beroep ingesteld op 29 maart 2016 — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Brie Picardie/ECB

32

2016/C 175/39

Zaak T-139/16: Beroep ingesteld op 31 maart 2016 — SDSR/EUIPO — Berghaus (BERG OUTDOOR)

33

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2016/C 175/40

Zaak F-44/15: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 7 april 2016 — Spadafora/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Ambt van hoofd van een eenheid — Kennisgeving van vacature — Selectieprocedure — Voorselectiepanel — Onderhoud met het voorselectiepanel — Niet-plaatsing op de shortlist van kandidaten die worden voorgesteld voor het eindgesprek met het TABG — Regelmatigheid van de voorselectieprocedure — Prioriteit voor de aanwerving van een kandidaat met de nationaliteit van een bepaalde lidstaat — Gedrag van de voorzitter van het voorselectiepanel — Discriminatie op grond van taal — Verzoek om schadevergoeding — Artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering)

34


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2016/C 175/01)

Laatste publicatie

PB C 165 van 10.5.2016

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 156 van 2.5.2016

PB C 145 van 25.4.2016

PB C 136 van 18.4.2016

PB C 118 van 4.4.2016

PB C 111 van 29.3.2016

PB C 106 van 21.3.2016

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


Gerecht

17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/2


Toevoeging van de rechters aan de kamers

(2016/C 175/02)

Op 13 april 2016 heeft de voltallige vergadering van het Gerecht, na de ambtsaanvaarding van de rechters Iliopoulos, Calvo-Sotelo Ibáñez-Martín, Spielmann, Valančius, Csehi, Półtorak en Marcoulli, op voorstel van de president overeenkomstig artikel 13, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering besloten over te gaan tot wijziging van het besluit tot toevoeging van de rechters aan de kamers van 23 oktober 2013 (1), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 oktober 2015 (2), voor de periode van 14 april 2016 tot en met 31 augustus 2016 en de rechters aan de kamers toe te voegen als volgt:

Eerste kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

De heer Kanninen, vicepresident, mevrouw Pelikánová, de heer Buttigieg, de heer Gervasoni en de heer Calvo-Sotelo Ibáñez-Martín, rechters.

Eerste kamer, zetelend met drie rechters:

De heer Kanninen, vicepresident

a)

mevrouw Pelikánová en de heer Buttigieg, rechters;

b)

mevrouw Pelikánová en de heer Calvo-Sotelo Ibáñez-Martín, rechters;

c)

de heer Buttigieg en de heer Calvo-Sotelo Ibáñez-Martín, rechters.

Tweede kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

Mevrouw Martins Ribeiro, kamerpresident, de heer Bieliūnas, de heer Gervasoni, de heer Madise en de heer Csehi, rechters.

Tweede kamer, zetelend met drie rechters:

Mevrouw Martins Ribeiro, kamerpresident

a)

de heer Gervasoni en de heer Madise, rechters;

b)

de heer Gervasoni en de heer Csehi, rechters;

c)

de heer Madise en de heer Csehi, rechters.

Derde kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

De heer Papasavvas, kamerpresident, mevrouw Labucka, de heer Bieliūnas, de heer Forrester en de heer Iliopoulos, rechters.

Derde kamer, zetelend met drie rechters:

De heer Papasavvas, kamerpresident

a)

de heer Bieliūnas en de heer Forrester, rechters;

b)

de heer Bieliūnas en de heer Iliopoulos, rechters;

c)

de heer Forrester en de heer Iliopoulos, rechters.

Vierde kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

De heer Prek, kamerpresident, mevrouw Labucka, de heer Schwarcz, mevrouw Tomljenović en de heer Kreuschitz, rechters.

Vierde kamer, zetelend met drie rechters:

De heer Prek, kamerpresident, mevrouw Labucka en de heer Kreuschitz, rechters.

Vijfde kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

De heer Dittrich, kamerpresident, de heer Dehousse, de heer Schwarcz, mevrouw Tomljenović en de heer Collins, rechters.

Vijfde kamer, zetelend met drie rechters:

De heer Dittrich, kamerpresident, de heer Schwarcz en mevrouw Tomljenović, rechters.

Zesde kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

De heer Frimodt Nielsen, kamerpresident, de heer Dehousse, mevrouw Wiszniewska-Białecka, de heer Collins en de heer Valančius, rechters.

Zesde kamer, zetelend met drie rechters:

De heer Frimodt Nielsen, kamerpresident

a)

de heer Dehousse en de heer Collins, rechters;

b)

de heer Dehousse en de heer Valančius, rechters;

c)

de heer Collins en de heer Valančius, rechters.

Zevende kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

De heer van der Woude, kamerpresident, mevrouw Wiszniewska-Białecka, mevrouw Kancheva, de heer Ulloa Rubio en mevrouw Marcoulli, rechters.

Zevende kamer, zetelend met drie rechters:

De heer van der Woude, kamerpresident

a)

mevrouw Wiszniewska-Białecka en de heer Ulloa Rubio, rechters;

b)

mevrouw Wiszniewska-Białecka en mevrouw Marcoulli, rechters;

c)

de heer Ulloa Rubio en mevrouw Marcoulli, rechters.

Achtste kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

De heer Gratsias, kamerpresident, de heer Czúcz, mevrouw Kancheva, de heer Wetter en mevrouw Półtorak, rechters.

Achtste kamer, zetelend met drie rechters:

De heer Gratsias, kamerpresident

a)

mevrouw Kancheva en de heer Wetter, rechters;

b)

mevrouw Kancheva en mevrouw Półtorak, rechters;

c)

de heer Wetter en mevrouw Półtorak, rechters.

Negende kamer — uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

De heer Berardis, kamerpresident, de heer Czúcz, mevrouw Pelikánová, de heer Popescu en de heer Spielmann, rechters.

Negende kamer, zetelend met drie rechters:

De heer Berardis, kamerpresident

a)

de heer Czúcz en de heer Popescu, rechters;

b)

de heer Czúcz en de heer Spielmann, rechters;

c)

de heer Popescu en de heer Spielmann, rechters.

De uitgebreide kamers, zetelend met vijf rechters, worden als volgt gevormd:

wat betreft de Eerste, de Tweede, de Derde, de Zesde, de Zevende en de Achtste kamer, zetelend met drie rechters waaraan vier rechters worden toegevoegd, door toevoeging aan de beperkte formatie waaraan de zaak aanvankelijk was toegewezen, van de vierde rechter in de kamer en een vijfde rechter die afkomstig is uit de numeriek volgende kamer (met uitsluiting van de kamerpresident), aangewezen volgens de volgorde in artikel 8 van het Reglement voor de procesvoering;

wat betreft de Negende kamer, zetelend met drie rechters waaraan vier rechters worden toegevoegd, door toevoeging aan de beperkte formatie waaraan de zaak aanvankelijk was toegewezen, van de vierde rechter in de kamer en een vijfde rechter die afkomstig is uit de Eerste kamer (met uitsluiting van de kamerpresident), aangewezen volgens de volgorde in artikel 8 van het Reglement voor de procesvoering;

wat betreft de Vierde kamer, door toevoeging van twee rechters uit de Vijfde kamer (met uitsluiting van de kamerpresident);

wat betreft de Vijfde kamer, door toevoeging van twee rechters uit de Zesde kamer (met uitsluiting van de kamerpresident), aangewezen volgens de volgorde in artikel 8 van het Reglement voor de procesvoering.

De kamers zetelend met drie rechters waaraan vier rechters worden toegevoegd, zetelen in drie onderformaties.


(1)  PB C 344 van 23.11.2013, blz. 2.

(2)  PB C 354 van 26.10.2015, blz. 2.


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Hamburg (Duitsland) op 25 januari 2016 — Irene Uhden/KLM Royal Dutch Airlines NV

(Zaak C-40/16)

(2016/C 175/03)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landgericht Hamburg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Irene Uhden

Verwerende partij: KLM Royal Dutch Airlines NV

Prejudiciële vraag

Moet artikel 7, lid 1, tweede zin, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (1), aldus worden uitgelegd dat met het begrip „afstand” uitsluitend de rechtstreekse afstand tussen het vertrekpunt en de eindbestemming wordt bedoeld, ongeacht de in het individuele geval werkelijk afgelegde vliegroute?


(1)  PB L 46, blz. 1.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/5


Hogere voorziening ingesteld op 29 januari 2016 door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 18 november 2015 in zaak T-659/14, Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto, IP/BHIM

(Zaak C-56/16 P)

(2016/C 175/04)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) (vertegenwoordigers: O. Mondéjar Ortuño en E. Zaera Cuadrado, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto, IP, Bruichladdich Distillery Co.Ltd

Conclusies

de hogere voorziening in haar geheel toewijzen;

het bestreden arrest vernietigen;

verzoekende partij voor het Gerecht verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het Gerecht heeft artikel 53, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 (1), junctis de artikelen 8, lid 4, en 53, lid 2, onder d), ervan, geschonden door te oordelen dat de door verordening (EG) nr. 491/2009 (2) aan ingeschreven oorsprongsbenamingen geboden bescherming kan worden aangevuld door Decreto-Lei nr. 173/2009 en Decreto-Lei nr. 212/2004 en het Portugese wetboek van intellectuele eigendom.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 491/2009 van de Raad van 25 mei 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (PB L 154, blz. 1).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 8 februari 2016 — Istanbul Lojistik Ltd./Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatóság

(Zaak C-65/16)

(2016/C 175/05)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Istanbul Lojistik Ltd.

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatóság

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 4 van besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije aldus worden uitgelegd dat een belasting als in de Hongaarse wet op de motorrijtuigenbelasting, die krachtens die wet op een voor goederenvervoer bestemd en gebruikt en door een Turks transportbedrijf geëxploiteerd voertuig met Turks kenteken wordt geheven omdat het voertuig de Hongaarse grens overschrijdt om, vanuit Turkije en via Hongarije als lidstaat van doorvoer, een andere lidstaat te bereiken, een heffing van gelijke werking als een douanerecht is en zich dus niet verdraagt met dat artikel?

2)

a)

Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 5 van besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije dan aldus worden uitgelegd dat een belasting als in de Hongaarse wet op de motorrijtuigenbelasting, die krachtens die wet op een voor goederenvervoer bestemd en gebruikt en door een Turks transportbedrijf geëxploiteerd voertuig met Turks kenteken wordt geheven omdat het voertuig de Hongaarse grens overschrijdt om, vanuit Turkije en via Hongarije als lidstaat van doorvoer, een andere lidstaat te bereiken, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is en zich dus niet verdraagt met dat artikel?

b)

Moet artikel 7 van besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije aldus worden uitgelegd dat er om redenen van verkeersveiligheid en rechtshandhaving kan worden voorzien in een belasting als in de Hongaarse wet op de motorrijtuigenbelasting, die krachtens die wet op een voor goederenvervoer bestemd en gebruikt en door een Turks transportbedrijf geëxploiteerd voertuig met Turks kenteken wordt geheven omdat het voertuig de Hongaarse grens overschrijdt om, vanuit Turkije en via Hongarije als lidstaat van doorvoer, een andere lidstaat te bereiken?

3)

Moeten artikel 3, lid 2, VWEU en artikel 1, leden 2 en 3, onder a), van verordening (EG) nr. 1072/2009 (1) aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de lidstaat van doorvoer op grond van een met Turkije gesloten bilaterale overeenkomst betreffende vervoer voorziet in een belasting als in de Hongaarse wet op de motorrijtuigenbelasting, die krachtens die wet op een voor goederenvervoer bestemd en gebruikt en door een Turks transportbedrijf geëxploiteerd voertuig met Turks kenteken wordt geheven omdat het voertuig de Hongaarse grens overschrijdt om, vanuit Turkije en via Hongarije als lidstaat van doorvoer, een andere lidstaat te bereiken?

4)

Moet artikel 9 van de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije aldus worden uitgelegd dat een belasting als in de Hongaarse wet op de motorrijtuigenbelasting, die krachtens die wet op een voor goederenvervoer bestemd en gebruikt en door een Turks transportbedrijf geëxploiteerd voertuig met Turks kenteken wordt geheven omdat het voertuig de Hongaarse grens overschrijdt om, vanuit Turkije en via Hongarije als lidstaat van doorvoer, een andere lidstaat te bereiken, is aan te merken als discriminatie op grond van nationaliteit en zich dus niet verdraagt met dat artikel?


(1)  Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB L 300, blz. 72).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) op 15 februari 2016 — Radosław Szoja/Sociálna poisťovňa

(Zaak C-89/16)

(2016/C 175/06)

Procestaal: Slowaaks

Verwijzende rechter

Najvyšší súd Slovenskej republiky

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Radosław Szoja

Verwerende partij: Sociálna poisťovňa

Prejudiciële vragen

1.

Kan artikel 13, lid 3, van verordening (EG) nr. 883/2004 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, gelezen in samenhang met het recht op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen dat is vastgelegd in artikel 34, leden 1 en 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in de omstandigheden van de onderhavige zaak, worden uitgelegd zonder rekening te houden met de verduidelijkingen die worden verstrekt in artikel 14 van verordening (EG) nr. 987/2009 (2) van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 883/2004, alsook zonder dat nadien de procedure van artikel 16 van deze [toepassings]verordening kan worden gevolgd, zodat de ondergrens van de arbeidstijd of van de bezoldiging van de werknemer geen impact heeft op de keuze van de toepasselijke nationale wetgeving ingeval tegelijkertijd werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst worden verricht; met andere woorden, kan artikel 13, lid 3, van de basisverordening worden uitgelegd zonder dat daarbij voormeld artikel 14 van de toepassingsverordening hoeft te worden toegepast?

2.

Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, kan de nationale rechter dan, ingeval sprake is van een tegenstrijdigheid bij de toepassing van twee verordeningen, te weten tussen de basisverordening en de toepassingsverordening, in casu verordening nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en verordening nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 883/2004, de bepalingen ervan beoordelen op basis van hun normatieve geldingskracht, namelijk naar gelang hun rang in de hiërarchie van het recht van de Unie?

3.

Moet de uitlegging die de Administratieve Commissie krachtens artikel 72 van de basisverordening aan de bepalingen van deze verordening geeft, worden beschouwd als een bindende uitlegging door een instelling van de Europese Unie waarvan in de beslissingen van de nationale rechterlijke instanties niet kan worden afgeweken, hetgeen er dan tevens aan in de weg staat dat een prejudiciële vraag hierover wordt gesteld, of gaat het slechts om een van de toegestane uitleggingswijzen van het recht van de Unie die de nationale rechter in aanmerking kan nemen als een van de elementen die zijn beslissing onderbouwen?


(1)  PB L 157, blz. 49.

(2)  PB L 284, blz. 1.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/8


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 60 de Madrid (Spanje) op 15 februari 2016 — Caixabank S.A./Héctor Benlliure Santiago

(Zaak C-91/16)

(2016/C 175/07)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de Primera Instancia no 60 de Madrid

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Caixabank S.A.

Verwerende partij: Héctor Benlliure Santiago

Prejudiciële vraag

Is de toepassing van de overeengekomen vergoedende rente in een geval waarin moratoire rente van toepassing is, in overeenstemming met richtlijn 93/13 (1) of houdt dit daarentegen een aanvulling van de overeenkomst in, die volgens de communautaire rechtspraak niet is toegestaan?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/8


Hogere voorziening ingesteld op 18 februari 2016 door Ellinikos Chrysos AE Metalleion kai Viomichanias Chrysou tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 9 december 2015 in de gevoegde zaken T-233/11 en T-262/11, Griekenland en Ellinikos Chrysos/Commissie

(Zaak C-100/16 P)

(2016/C 175/08)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Ellinikos Chrysos AE Metalleion kai Viomichanias Chrysou (vertegenwoordigers: V. Christianos en I. Soufleros, dikigoroi)

Andere partijen in de procedure: Helleense Republiek en Europese Commissie

Conclusies

het arrest van het Gerecht van 9 december 2015 in de gevoegde zaken T-233/11 en T-262/11 vernietigen en de zaak voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht, en

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Bij het bestreden arrest werd geoordeeld dat met betrekking tot twee steunmaatregelen was voldaan aan de voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU. De eerste steunmaatregel heeft betrekking op de verkoop van de Cassandra Mijnen aan rekwirante voor een prijs die lager ligt dan de marktwaarde van de mijnen. De tweede maatregel betreft de belastingvrijstelling met betrekking tot de waarde van de grond van de mijnen.

2.

Rekwirante voert drie middelen aan, waarvan twee ten aanzien van de eerste steunmaatregel en één ten aanzien van de tweede steunmaatregel. Meer in het bijzonder voert rekwirante het volgende aan:

met betrekking tot de eerste steunmaatregel: het oordeel in het bestreden arrest berust wat het bestaan van een voordeel betreft op een onjuiste rechtsopvatting, en verder is sprake van een gebrekkige motivatie en procedurele onregelmatigheden wat betreft de waarde van de mijnen;

met betrekking tot de eerste steunmaatregel: het oordeel in het bestreden arrest berust wat het bestaan van een voordeel betreft op een onjuiste rechtsopvatting, en verder is sprake van een gebrekkige motivatie wat betreft de waarde van de grond;

met betrekking tot de tweede steunmaatregel: het oordeel in het bestreden arrest berust wat het bestaan van een voordeel betreft op een onjuiste rechtsopvatting.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Curtea de Apel Cluj (Roemenië) op 19 februari 2016 — SC Paper Consult SRL/Direcția Regională a Finanțelor Publice Cluj-Napoca, Administrația Județeană a Finanțelor Publice Bistrița Năsăud

(Zaak C-101/16)

(2016/C 175/09)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curtea de Apel Cluj

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: SC Paper Consult SRL

Verwerende partijen: Direcția Regională a Finanțelor Publice Cluj-Napoca, Administrația Județeană a Finanțelor Publice Bistrița Năsăud

Prejudiciële vragen

1)

Verzet richtlijn 2006/112/EG (1) zich tegen een nationale regeling krachtens welke een belastingplichtige het recht op aftrek van de btw wordt geweigerd met de motivering dat de persoon die aan hem voorafgaat in de keten en de factuur heeft uitgereikt waarin de kosten en de btw zijn aangegeven, door de belastingdienst inactief is verklaard?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: verzet richtlijn 2006/112/EG zich, in de omstandigheden als omschreven in de eerste vraag, tegen een nationale regeling krachtens welke het volstaat de lijst van inactief verklaarde belastingplichtigen bij de zetel van de Agenția Națională de Administrare Fiscală aan te plakken en deze lijst bekend te maken op de website van de Agenția Națională de Administrare Fiscală, in het onderdeel Openbare informatie — Informatie over marktdeelnemers, om het recht op aftrek van de btw te kunnen weigeren?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 23 februari 2016 — Lg Costruzioni Srl/Area — Azienda Regionale per l’Edilizia Abitativa — Distretto di Carbonia, Area — Azienda Regionale per l’Edilizia Abitativa

(Zaak C-110/16)

(2016/C 175/10)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Lg Costruzioni Srl

Verwerende partijen: Area — Azienda Regionale per l’Edilizia Abitativa — Distretto di Carbonia, Area — Azienda Regionale per l’Edilizia Abitativa

Prejudiciële vraag

Is een bepaling als het reeds geanalyseerde artikel 53, lid 3, d.lgs. nr. 163 van 16 april 2006, volgens welke een onderneming met een „aangewezen” ontwerper die volgens de nationale rechtspraak geen beroep kan doen op de capaciteiten van derden omdat hij geen deelnemer is, verenigbaar met artikel 48 van richtlijn 2004/18/EG van 31 maart 2004 (1)?


(1)  Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 24 februari 2016 — Persidera SpA/Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni, Ministero dello Sviluppo Economico delle Infrastrutture e dei Trasporti

(Zaak C-112/16)

(2016/C 175/11)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Persidera SpA

Verwerende partijen: Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni, Ministero dello Sviluppo Economico delle Infrastrutture e dei Trasporti

Prejudiciële vragen

1)

Verzet het Unierecht, meer in het bijzonder de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU, artikel 9 van richtlijn 2002/21/EG (1), de zogenoemde kaderrichtlijn, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 2002/20/EG (2), de zogenoemde machtigingsrichtlijn, en de artikelen 2 en 4 van richtlijn 2002/77/EG (3), de zogenoemde mededingingsrichtlijn, alsmede de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrijheid van mededinging, evenredigheid, doeltreffendheid en pluralisme op informatiegebied, zich tegen een nationale regeling die voor de vaststelling van het aantal digitale kanalen dat bij de omschakeling van analoge kanalen aan de marktdeelnemers moet worden toegewezen, bepaalt dat ook analoge kanalen die in het verleden zijn geëxploiteerd in strijd met de concentratiegrenzen voorgeschreven door nationale regelingen die reeds door het Hof van Justitie of de Europese Commissie zijn bekritiseerd, althans zonder vergunning zijn geëxploiteerd, in gelijke mate in aanmerking worden genomen als de analoge zenders die rechtmatig zijn geëxploiteerd?

2)

Verzet het Unierecht, meer in het bijzonder de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU, artikel 9 van richtlijn 2002/21/EG, de zogenoemde kaderrichtlijn, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 2002/20/EG, de zogenoemde machtigingsrichtlijn, en de artikelen 2 en 4 van richtlijn 2002/77/EG, de zogenoemde mededingingsrichtlijn, alsmede de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrijheid van mededinging, evenredigheid, doeltreffendheid en pluralisme op informatiegebied, zich tegen een nationale regeling die voor de vaststelling van het aantal digitale kanalen dat bij de omschakeling van analoge kanalen aan de marktdeelnemers moet worden toegewezen — waarbij alle tot op dat moment geëxploiteerde kanalen in aanmerking worden genomen, ook indien zij de concentratiegrenzen overschreden die waren voorgeschreven door nationale regelingen die reeds door het Hof van Justitie of de Europese Commissie zijn bekritiseerd, althans zonder vergunning zijn geëxploiteerd — in concreto tot gevolg heeft dat de vermindering van het aantal digitale kanalen ten opzichte van het aantal in het analoge systeem geëxploiteerde kanalen in het geval van een marktdeelnemer met meerdere kanalen naar verhouding groter is dan de vermindering die aan zijn concurrenten wordt opgelegd?


(1)  Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33).

(2)  Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) (PB L 108, blz. 21).

(3)  Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en –diensten (PB L 249, blz. 21).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 60 de Madrid (Spanje) op 29 februari 2016 — Abanca Corporación Bancaria S.A./Juan José González Rey e.a.

(Zaak C-120/16)

(2016/C 175/12)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de Primera Instancia no 60 de Madrid

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Abanca Corporación Bancaria S.A.

Verwerende partijen: Juan José González Rey, María Consuelo González Rey en Francisco Rodríguez Alonso

Prejudiciële vraag

Is de toepassing van de overeengekomen vergoedende rente in een geval waarin moratoire rente van toepassing is, in overeenstemming met richtlijn 93/13 (1) of houdt dit daarentegen een aanvulling van de overeenkomst in, die volgens de communautaire rechtspraak niet is toegestaan?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 1 maart 2016 — Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia/„Iberdrola Inmobilaria Real Estate Investments” EOOD

(Zaak C-132/16)

(2016/C 175/13)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij tot cassatie: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia

Verwerende partij in cassatie:„Iberdrola Inmobilaria Real Estate Investments” EOOD

Prejudiciële vragen

1)

Staan de artikelen 26, lid 1, onder b), 168, onder a), en 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de weg aan een nationale bepaling als artikel 70, lid 1, punt 2, van de Zakon za danak varhu dobavenata stoynost (wet inzake de belasting over de toegevoegde waarde) die het recht op aftrek van voorbelasting over diensten voor het bouwen of verbouwen van een aan een derde in eigendom toebehorend onroerend goed, waarbij deze diensten ten behoeve van zowel de dienstontvanger als de derde worden verricht, enkel en alleen beperkt op grond dat de derde het resultaat van deze diensten om niet verkrijgt, zonder dat ermee rekening wordt gehouden dat de diensten voor de economische activiteit van de belastingplichtige dienstontvanger zullen worden gebruikt?

2)

Staan de artikelen 26, lid 1, onder b), 168, onder a), en 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de weg aan een belastingpraktijk volgens welke het recht op aftrek van voorbelasting over diensten wordt geweigerd wanneer de uitgaven voor de verrichting ervan werden geboekt als onderdeel van de algemene uitgaven van de belastingplichtige omdat deze diensten werden gebruikt voor het bouwen of verbouwen van een aan een derde in eigendom toebehorend onroerend goed, zonder dat ermee rekening wordt gehouden dat dit onroerend goed ook door de ontvanger van de bouwdiensten voor zijn economische activiteit zal worden gebruikt?


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door Högsta domstolen (Zweden) op 14 maart 2016 — Riksåklagaren/Zenon Robert Akarsar

(Zaak C-148/16)

(2016/C 175/14)

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Högsta domstolen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Riksåklagaren

Verwerende partij: Zenon Robert Akarsar

Prejudiciële vraag

De vraag betreft de uitlegging van kaderbesluit 2002/584/JBZ (1) van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.

Kan een lidstaat de tenuitvoerlegging weigeren van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een vrijheidsstraf die wegens meerdere feiten samen is opgelegd, wanneer een van deze feiten geen strafbaar feit is naar het recht van de uitvoerende lidstaat en het in de uitvaardigende lidstaat niet mogelijk is de straf op te splitsen?

Het betreffende feit is geen strafbaar feit in de zin van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ, waarvoor het vereiste inzake dubbele strafbaarheid niet geldt.


(1)  PB L 190, blz. 1.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Attunda tingsrätt (Zweden) op 21 maart 2016 — Airhelp Ltd/Thomas Cook Airlines Scandinavia A/S

(Zaak C-161/16)

(2016/C 175/15)

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Attunda Tingsrätt

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Airhelp Ltd

Verwerende partij: Thomas Cook Airlines Scandinavia A/S

Prejudiciële vragen

1)

Dienen de artikelen 2, onder g), en 3, lid 2, onder a), van [verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91] (1) aldus te worden uitgelegd dat enkel compensatie moet worden betaald wanneer een passagier een gereserveerde zitplaats heeft (dat wil zeggen hij heeft recht op een eigen zitplaats in het vliegtuig), of is het daarvoor voldoende dat hij een bevestigde boeking voor de vlucht heeft (dat wil zeggen hij heeft het recht om met het vliegtuig te worden vervoerd)?

2)

Dient een gereduceerd tarief voor een kind dat tijdens de luchtreis geen eigen zitplaats heeft maar in gezelschap van andere passagiers reist, te worden geacht rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk te zijn in de zin van artikel 3, lid 3, van de verordening?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/14


Hogere voorziening ingesteld op 29 maart 2016 door Toshiba Corporation tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 19 januari 2016 in zaak T-404/12, Toshiba Corporation/Europese Commissie

(Zaak C-180/16 P)

(2016/C 175/16)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Toshiba Corporation (vertegenwoordigers: J. F. MacLennan, solicitor, A. Schulz, Rechtsanwalt, S. Sakellariou, Δικηγόρος, J. Jourdan, advocat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-404/12, en

1.

nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie in zaak COMP/39.966 — gasgeïsoleerd schakelmateriaal wedergoedkeuring; of

2.

verlaging, met toepassing van artikel 261 VWEU, van het aan Toshiba opgelegde boetebedrag; of

3.

terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht ter afdoening overeenkomstig het arrest van dit Hof met betrekking tot de rechtsvragen; en in elk geval

verwijzing van de Europese Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De onderhavige hogere voorziening is gebaseerd op drie middelen:

Eerste middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Europese Commissie Toshiba’s rechten van verdediging niet heeft geschonden, in het bijzonder in zoverre de Commissie geen nieuwe mededeling van punten van bezwaar aan Toshiba heeft toegezonden vóór de vaststelling in 2012 van het nieuwe besluit;

Tweede middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de door de Europese Commissie toegepaste methodologie voor de berekening van het boetebedrag aan Toshiba niet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling; in het bijzonder in zoverre de Commissie het boetebedrag aan Toshiba heeft berekend op basis van het uitgangsbedrag van de joint venture TM T&D en niet op basis van de omzet van Toshiba, in tegenstelling tot wat de Commissie heeft gedaan ten aanzien van de Europese adressaten van de beschikking van 2007; en

Derde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Europese Commissie, door het boetebedrag van Toshiba niet te verlagen vanwege haar relatieve deelname aan de inbreuk, het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden; in het bijzonder in zoverre de Commissie de beperktere deelname van Toshiba aan de geheime afspraken, vergeleken met de Europese adressaten van de beschikking van 2007, niet tot uitdrukking heeft gebracht in het boetebedrag.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/15


Verzoek om verlof tot het leggen van derdenbeslag ingediend op 29 maart 2016 — Yukos Universal Ltd/Europese Investeringsbank

(Zaak C-185/16 SA)

(2016/C 175/17)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Yukos Universal Ltd (vertegenwoordiger: H. Boularbah, advocaat)

Verwerende partij: Europese Investeringsbank

Conclusies

de Europese Investeringsbank (hierna: „EIB”) gelasten om de gronden, de bedragen en de voorwaarden te preciseren van de schuldvorderingen die de Russische Federatie op de EIB heeft;

YUL toestaan om onder de EIB bewarend en executoir derdenbeslag te leggen op deze schuldvorderingen, en minstens op alle bedragen die de EIB aan de Russische Federatie verschuldigd is of zal zijn als emittent van obligaties waarop de Russische Federatie heeft ingetekend, inclusief de rente die deze obligaties genereren en de terugbetaling ervan, overeenkomstig de in het toepasselijke emissiecontract (de toepasselijke emissiecontracten) of het toepasselijke prospectus (de toepasselijke prospectussen) vastgelegde voorwaarden, voor een bedrag (hoofdsom en rente samen) van 1 690 886 892,20 EUR (het bedrag van YUL’s schuldvordering op de Russische Federatie), onder voorbehoud van herwaardering in de loop van de procedure;

hoe dan ook, de EIB verwijzen in de kosten van de procedure.


Gerecht

17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/16


Beschikking van het Gerecht van 16 maart 2016 — Pharm-a-care Laboratories/BHIM — Pharmavite (VITAMELTS)

(Zaak T-713/15) (1)

((„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Intrekking van de vordering tot nietigverklaring - Afdoening zonder beslissing”))

(2016/C 175/18)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pharm-a-care Laboratories Pty. Ltd (Sydney, Australië) (vertegenwoordiger: I. A. De Freitas, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: E. Zaera Cuadrado, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Pharmavite LLC (Californië, Verenigde Staten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 10 september 2015 (zaak R 2649/2014-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Pharmavite LLC en Pharm-a-care Laboratories Pty. Ltd

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Pharm-a-care Laboratories Pty. Ltd wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM).


(1)  PB C 38 van 1.2.2016.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/16


Beschikking van de president van het Gerecht van 29 februari 2016 — ICA Laboratories e.a./Commissie

(Zaak T-732/15 R)

((„Kort geding - Milieu - Consumentenbescherming - Verordening tot vaststelling van maximumresidugehalten voor guazatine - Verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid”))

(2016/C 175/19)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: ICA Laboratories Close Corp. (Century City, Zuid-Afrika), ICA International Chemicals (Proprietary) Ltd (Century City), en ICA Developments (Proprietary) Ltd (Century City) (vertegenwoordigers: K. Van Maldegem, R. Crespi, advocaten, en P. Sellar, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: X. Lewis en P. Ondrůšek, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening (EU) 2015/1910 van de Commissie van 21 oktober 2015 tot wijziging van de bijlagen III en V bij verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft maximumresidugehalten voor guazatine in of op bepaalde producten (PB L 280, blz. 2)

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/17


Beroep ingesteld op 17 maart 2016 — Philip Morris Brands/EUIPO — Explosal (Superior Quality Cigarettes FILTER CIGARETTES Raquel)

(Zaak T-105/16)

(2016/C 175/20)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Philip Morris Brands Sàrl (Neuchâtel, Zwitserland) (vertegenwoordiger: L. Alonso Domingo, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Explosal Ltd (Larnaca, Cyprus)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk in zwart en wit, met de woordelementen „Superior Quality Cigarettes FILTER CIGARETTES Raquel” — Uniemerk nr. 10 008 084

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 4 januari 2016 in zaak R 2775/2014-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van Uniemerkaanvraag nr. 10008084 voor alle waren of, subsidiair, terugverwijzing van de zaak naar de kamer van beroep voor verder onderzoek van de weigeringsgronden neergelegd in artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 in het licht van het overgelegde bewijs van bekendheid en toegenomen onderscheidend vermogen van het oudere merk;

verwijzing van het EUIPO en andere partij in de procedure voor de kamer van beroep in hun eigen kosten en in die van verzoekster.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/18


Beroep ingesteld op 17 maart 2016 — zero/EUIPO — Hemming (ZIRO)

(Zaak T-106/16)

(2016/C 175/21)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: zero Holding GmbH & Co. KG (Bremen, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Nentwig, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Oliver Hemming (Cadbury, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met het woordelement „ZIRO” — Uniemerkaanvraag nr. 12 264 958

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 12 januari 2016 in zaak R 71/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 75, tweede volzin, van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/18


Beroep ingesteld op 18 maart 2016 — Airhole Facemasks/EUIPO — sindustrysurf (AIRHOLE FACE MASKS YOU IDIOT)

(Zaak T-107/16)

(2016/C 175/22)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Airhole Facemasks, Inc. (Vancouver, British Columbia, Canada) (vertegenwoordigers: A. Michaels, barrister en S. Barker, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: sindustrysurf, SL (Trapagaran, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk in zwart en wit met de woordelementen „AIRHOLE FACE MASKS YOU IDIOT” — Uniemerk nr. 9 215 427

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 18 januari 2016 in zaak R 2547/2014-4

Conclusies

herziening van de bestreden beslissing en nietigverklaring van het Uniemerk in zijn geheel, of subsidiair vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van sindustrysurf, SL in verzoeksters kosten van het onderhavige beroep en van de procedure voor de kamer van beroep, en in de kosten van de procedure voor de nietigheidsafdeling.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 53, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/19


Beroep ingesteld op 17 maart 2016 — Naviera Armas/Commissie

(Zaak T-108/16)

(2016/C 175/23)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Naviera Armas, SA (Las Palmas de Gran Canaria, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Buendía Sierra en Á. Givaja Sanz, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 8 december 2015 betreffende steunmaatregel SA.36628 (2015/NN-2) (PB 2016, C 25, blz. 1), waarbij is vastgesteld dat de door het Koninkrijk Spanje in de haven van Las Nieves genomen maatregelen geen staatssteun ten gunste van de rederij Fred Olsen S.A. vormen;

verwijzing van verweerster in haar eigen kosten en in die van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

In het bestreden besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het vermeende exclusieve recht van Fred Olsen om vanuit de haven van Las Nieves (Canarische Eilanden, Spanje) te opereren, haar gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de desbetreffende havengelden en de voorwaarden voor het gebruik van die haven, die — doordat gewone schepen worden uitgesloten — deze rederij eveneens een ongerechtvaardigd voordeel zouden opleveren, geen staatssteun vormen.

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, ontleend aan het feit dat zij een toereikende motivering heeft gegeven opdat de Commissie redelijke twijfel zou hebben over de vraag of er sprake was van staatssteun ten gunste van Fred Olsen en de formele onderzoekprocedure zou inleiden.

Ter ondersteuning van dit middel voert verzoekster aan dat:

de buitensporig lange duur van het door de Commissie uitgevoerde voorafgaand onderzoek — van de indiening door Naviera Armas van haar klacht op 26 april 2013 tot de vaststelling van het bestreden besluit — op zich de complexiteit van de zaak aantoont, die de opening van een formele procedure zou hebben gevergd.

in het bestreden besluit de feiten op bepaalde punten kennelijk onjuist zijn beoordeeld, zoals de beweringen dat vóór 2013 geen enkele onderneming verzocht om in de haven van Las Nieves met snelle veerboten te opereren, dat Fred Olsen in de jaren 90 de enige onderneming was die belangstelling had om gebruik te maken van de haven en dat in die haven alleen snelle veerboten mogen opereren.

Fred Olsen sinds 1991 het exclusieve gebruik van de haven van Las Nieves heeft, wat haar een concurrentievoordeel oplevert dat discretionair door de Spaanse autoriteiten is toegekend.

Fred Olsen gedurende meer dan twintig jaar een volledige vrijstelling van bepaalde havengelden heeft genoten.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/20


Beroep ingesteld op 18 maart 2016 — Savant Systems/EUIPO — Savant Group (SAVANT)

(Zaak T-110/16)

(2016/C 175/24)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Savant Systems LLC (Osterville, Massachusetts, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: O. Nilgen, A. Kockläuer, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Savant Group Ltd (Burton in Kendal, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk „SAVANT” — Uniemerk nr. 32 318

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 18 januari 2016 in zaak R 33/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing voor zover inschrijving nr. 32 318 van het betwiste Uniemerk „SAVANT” is bevestigd voor „computer software” van klasse 9 en voor alle diensten van de klassen 41 en 42;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 5, lid 1, onder a), juncto artikel 15 van verordening nr. 207/2009, aangezien de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat de merkhouder het bewijs had geleverd van het normaal gebruik van het betwiste Uniemerk voor de waren en diensten waarvoor het is ingeschreven, inzonderheid wat de „computer software” en de desbetreffende diensten van de klassen 41 en 42 betreft;

schending door de kamer van beroep van haar verplichting om aan te geven waarom zij geen rekening heeft gehouden met de „gebruiksenquête”.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/21


Beroep ingesteld op 18 maart 2016 — Prada/EUIPO — The Rich Prada International (THE RICH PRADA)

(Zaak T-111/16)

(2016/C 175/25)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Prada SA (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: F. Jacobacci, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: The Rich Prada International PT (Surabaya, Indonesië)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk „THE RICH PRADA” — inschrijvingsaanvraag nr. 10 228 948

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 13 januari 2016 in gevoegde zaken R 3076/2014-2 en R 3186/2014-2

Conclusies

gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing, en toewijzing van oppositie nr. B 2 012 477 in haar geheel;

subsidiair, bevestiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep in haar geheel;

herziening van de verwijzing van Prada SA in de kosten van het beroep bij de kamer van beroep, ten bedrage van 550 EUR, en verwijzing van The Rich Prada International PT in deze kosten;

verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/22


Beroep ingesteld op 21 maart 2016 — Arctic Cat/EUIPO — Slazengers (afbeelding van een panter)

(Zaak T-113/16)

(2016/C 175/26)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Arctic Cat, Inc. (Thief River Falls, Minnesota, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: M. Hartmann en S. Fröhlich, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Slazengers Ltd (Burnham, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen met betrekking tot het beeldmerk (afbeelding van een panter) — internationale inschrijving nr. 941 684 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 11 januari 2016 in zaak R 2953/2014-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing voor zover het beroep is verworpen en de gedeeltelijke weigering van bescherming van internationale inschrijving nr. 941 684 met betrekking tot de Europese Unie voor de gevraagde waren van klasse 25 („Kleding voor sportmotorvoertuigen, daaronder begrepen beschermende bovenkleding, bivakmutsen en gezichtsmaskers”) is bevestigd;

toekenning van de bescherming voor internationale inschrijving nr. 941 684 met betrekking tot de Europese Unie tevens aan de gevraagde waren van klasse 25 („Kleding voor sportmotorvoertuigen, daaronder begrepen beschermende bovenkleding, bivakmutsen en gezichtsmaskers”);

verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure;

verwijzing van Slazengers Ltd in de kosten van de procedure voor het EUIPO.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/23


Beroep ingesteld op 18 maart 2016 — Port autonome du Centre et de l'Ouest e.a./Commissie

(Zaak T-116/16)

(2016/C 175/27)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Port autonome du Centre et de l’Ouest SCRL (La Louvière, België), Port autonome de Namur (Namen, België), Port autonome de Charleroi (Charleroi, België), Port autonome de Liège (Luik, België) en Waals Gewest (Jambes, België) (vertegenwoordiger: J. Vanden Eynde, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het verzoek ten aanzien van elk van de verzoekende partijen ontvankelijk verklaren en dientengevolge het besluit van de Commissie met als referentie „SA.38393(2015/E) — fiscaliteit van de havens in België” nietig verklaren;

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

bijgevolg het besluit van de Europese Commissie waarbij het feit dat de economische activiteiten van de Belgische havens en met name van de Waalse havens niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, wordt aangemerkt als met de interne markt onverenigbare staatssteun, nietig verklaren;

verwerende partij verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen tien middelen aan.

1.

Eerste middel: verzoeksters stellen in het algemeen dat de beweringen van de Commissie niet feitelijk worden gestaafd, noch rechtens worden gerechtvaardigd.

2.

Tweede middel: de Commissie heeft de kennelijke kentering in haar besluitvormingspraktijk ten opzichte van haar beslissing van 20 oktober 2004 (N520/2003) niet gerechtvaardigd.

3.

Derde middel: de activiteiten van de havens worden gesubsidieerd omdat zij anders niet rendabel zijn in de Belgische economische context; bovendien is het feit dat voor deze activiteiten eenzijdig vastgestelde heffingen in rekening worden gebracht, die de gedane investeringen niet dekken, niet voldoende om ze aan te merken als economische activiteiten.

4.

Vierde middel: de bewering dat het Belgische referentiesysteem de vennootschapsbelasting is, wordt rechtens niet gerechtvaardigd.

5.

Vijfde middel: de bewering dat de rechtspersonenbelasting, die op de havens wordt toegepast, een voordeel vormt omdat hun eventuele economische nevenactiviteiten niet worden belast, wordt niet gestaafd. Overigens heeft de Commissie niet aangewezen welke activiteiten naar haar mening moeten worden belast, noch welke activiteiten diensten van algemeen belang vormen.

6.

Zesde middel: gelet op de concrete omstandigheden moet de toepassing van de rechtspersonenbelasting worden toegestaan, rekening houdend met de logica van het Belgische wettelijke stelsel, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de fiscale behandeling van diensten van algemeen belang en commerciële activiteiten.

7.

Zevende middel: de Commissie heeft geen rekening gehouden met de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van:

de definitie van niet-economische activiteiten;

de definitie van directe belastingen;

de verplichting om de goede werking van diensten van algemeen belang die noodzakelijk zijn voor de sociale en economische samenhang, te verzekeren;

de organisatie van diensten van algemeen belang naar eigen inzicht.

8.

Achtste middel: de kernactiviteiten van de Waalse binnenhavens zijn diensten van algemeen belang die op grond van de Europese wetgeving niet onder de mededingingsregels van artikel 107 VWEU vallen.

9.

Negende, subsidiair aangevoerd middel: zo de kernactiviteiten van de Waalse binnenhavens diensten van algemeen economisch belang vormen, vallen die activiteiten onder de regels van de artikelen 93 VWEU en 106, lid 2, VWEU, en zijn de mededingingsregels er niet op van toepassing.

10.

Tiende, meer subsidiair aangevoerd middel: er is niet voldaan aan de Europese criteria om te kunnen spreken van staatssteun.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/24


Beroep ingesteld op 22 maart 2016 — Tulliallan Burlington/EUIPO — Burlington Fashion (Burlington)

(Zaak T-120/16)

(2016/C 175/28)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Tulliallan Burlington Ltd (St Helier, Jersey) (vertegenwoordiger: A. Norris, Barrister)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Burlington Fashion GmbH (Schmallenberg, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen met betrekking tot het beeldmerk met het woordelement „Burlington” — internationale inschrijving nr. 1 017 273 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 11 januari 2016 in zaak R 94/2014-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van het bestreden merk met betrekking tot alle litigieuze waren;

verwijzing in de kosten die verzoekster zijn opgekomen in verband met dit beroep.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 5, artikel 8, lid 4, en artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/25


Beroep ingesteld op 22 maart 2016 — Tulliallan Burlington/EUIPO — Burlington Fashion (BURLINGTON THE ORIGINAL)

(Zaak T-121/16)

(2016/C 175/29)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Tulliallan Burlington Ltd (St Helier, Jersey) (vertegenwoordiger: A. Norris, Barrister)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Burlington Fashion GmbH (Schmallenberg, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen met betrekking tot het beeldmerk met de woordelementen „BURLINGTON THE ORIGINAL” — internationale inschrijving nr. 1 007 952 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 11 januari 2016 in zaak R 2501/2013-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van het bestreden merk met betrekking tot alle litigieuze waren;

verwijzing in de kosten die verzoekster zijn opgekomen in verband met dit beroep.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 5, artikel 8, lid 4, en artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/26


Beroep ingesteld op 22 maart 2016 — Tulliallan Burlington/EUIPO — Burlington Fashion (Burlington)

(Zaak T-122/16)

(2016/C 175/30)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Tulliallan Burlington Ltd (St Helier, Jersey) (vertegenwoordiger: A. Norris, Barrister)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Burlington Fashion GmbH (Schmallenberg, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen met betrekking tot het beeldmerk met het woordelement „Burlington” — internationale inschrijving nr. 982 021 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 11 januari 2016 in zaak R 2409/2013-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van het bestreden merk met betrekking tot alle litigieuze waren;

verwijzing in de kosten die verzoekster zijn opgekomen in verband met dit beroep.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 5, artikel 8, lid 4, en artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/27


Beroep ingesteld op 22 maart 2016 — Tulliallan Burlington/EUIPO — Burlington Fashion (BURLINGTON)

(Zaak T-123/16)

(2016/C 175/31)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Tulliallan Burlington Ltd (St Helier, Jersey) (vertegenwoordiger: A. Norris, Barrister)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Burlington Fashion GmbH (Schmallenberg, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen met betrekking tot het woordmerk „Burlington” — internationale inschrijving nr. 982 020 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 11 januari 2016 in zaak R 1635/2013-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van het bestreden merk met betrekking tot alle litigieuze waren;

verwijzing in de kosten die verzoekster zijn opgekomen in verband met dit beroep.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 5, artikel 8, lid 4, en artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/28


Beroep ingesteld op 23 maart 2016 — Léon Van Parys/Commissie

(Zaak T-125/16)

(2016/C 175/32)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Firma Léon Van Parys NV (Antwerpen, België) (vertegenwoordigers: P. Vlaemminck, B. Van Vooren en R. Verbeke, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

tot nietigverklaring van Besluit C(2016) 95 final van de Europese Commissie van 20 januari 2016 inzake dossier REC 07/07(REV) waarbij wordt vastgesteld dat boeking achteraf van de rechten bij invoer gerechtvaardigd is en dat kwijtschelding van die rechten gerechtvaardigd is ten aanzien van een schuldenaar en gedeeltelijk gerechtvaardigd is in het bijzondere geval van een andere schuldenaar maar voor een ander deel niet gerechtvaardigd is ten aanzien van deze specifieke schuldenaar, en tot wijziging van Besluit C(2010)2858 van de Commissie van 6 mei 2010;

te zeggen voor recht dat artikel 909 van Verordening nr. 2454/93 (1) ten volle zijn uitwerking heeft gehad ten voordele van huidig verzoekster na het arrest van het Gerecht T-324/10 waarin het Gerecht ten voordele van (huidig en toenmalig) verzoekster artikel 1, lid 3, van het oorspronkelijk Besluit C(2010)2858 heeft vernietigd, zodat huidig verzoekster conform artikel 909 van Verordening nr. 2454/93 geniet van de volledige kwijtschelding van de douaneschuld, alsook alle daaraan rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden interesten of kosten;

de Commissie in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een schending van artikel 907 en 909 van Verordening nr. 2454/93 en van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Verzoekster voert aan dat de rechtsgevolgen van het arrest van 19 maart 2013, Firma Van Parys/Commissie (T-324/10, EU:T:2013:136), in het voordeel van huidig verzoekster op zichzelf volstaan. Bijgevolg zou geen nieuwe beslissing van de Commissie vereist zijn om de onwettigheid vastgesteld door het Gerecht teniet te doen en dient verzoekster te genieten van de werking van artikel 909 van Verordening nr. 2454/93.

2.

Tweede middel, ontleend aan een schending van artikel 907 van Verordening nr. 2454/93 en van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Verzoekster voert aan dat de Commissie haar bevoegdheid om bijkomende informatie te verzoeken op grond van artikel 907 van Verordening nr. 2454/93 heeft misbruikt om de toepassing van artikel 909 van Verordening nr. 2454/93 te ontwijken. Verzoekster voert namelijk aan dat de Commissie de verzochte informatie reeds in haar bezit had.

3.

Derde middel, in ondergeschikte orde, ontleend aan een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur doordat de uitvoering van het arrest van 19 maart 2013, Firma Van Parys/Commissie (T-324/10, EU:T:2013:136), binnen een redelijke termijn niet langer zou mogen duren dan de oorspronkelijke termijn van 9 maanden vastgesteld in artikel 907 van Verordening nr. 2454/93.

4.

Vierde middel, in meest ondergeschikte orde, ontleend aan een misbruik van bevoegdheid doordat de Commissie een volwaardig nieuw onderzoek voert en dat zij hierbij tot een conclusie komt die zou indruisen tegen de bevindingen van het Gerecht in het arrest van 19 maart 2013, Firma Van Parys/Commissie (T-324/10, EU:T:2013:136).

5.

Vijfde middel, in meest ondergeschikte orde, ontleend aan een foutieve interpretatie van het regelgevend kader tot organisatie van de bananenmarkt en een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het gebruik van een leasedeal door verzoekster ten einde het gebruik van invoercertificaten aan te kopen was volgens verzoekster een wettelijke mogelijkheid in het kader van Verordening nr. 2362/98 (2) en de gangbare handelspraktijken zoals erkend door de WTO.

Dit kan niet op zich beschouwd worden als een onzorgvuldigheid in hoofde van een invoerder wanneer dit niet het geval is voor de douane-expediteur of voor een andere invoerder die niet-overdraagbare licenties gebruikte.


(1)  Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 2362/98 van de Commissie van 28 oktober 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB 1998, L 293, blz. 32).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/29


Beroep ingesteld op 24 maart 2016 — SureID/EUIPO (SUREID)

(Zaak T-128/16)

(2016/C 175/33)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: SureID, Inc. (Hillsboro, Oregon, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: B. Brandreth, Barrister)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „SUREID” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 698 675

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 18 januari 2016 in zaak R 1478/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de voor de kamer van beroep en het Gerecht gemaakte kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/30


Beroep ingesteld op 24 maart 2016 — Claranet Europe/EUIPO — Claro (claranet)

(Zaak T-129/16)

(2016/C 175/34)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Claranet Europe Ltd (St Helier, Jersey) (vertegenwoordigers: G. Crown en D. Farnsworth, Solicitors)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Claro SA (São Paulo, Brazilië)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniewoordmerk „claranet” in rood — inschrijvingsaanvraag nr. 11 265 113

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 26 januari 2016 in zaak R 803/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO (en interveniënten, indien van toepassing) in zijn eigen kosten en in die van verzoekster.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/30


Beroep ingesteld op 29 maart 2016 — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Alpes Provence/ECB

(Zaak T-133/16)

(2016/C 175/35)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Caisse régionale de crédit agricole mutuel Alpes Provence (Aix-en-Provence, Frankrijk) (vertegenwoordiger: H. Savoie, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

het besluit van de Europese Centrale Bank van 29 januari 2016 (ECB/SSM/2016 — 969500TJ5KRTCJQWXH05/98), dat is vastgesteld op grond van artikel 4, lid 1, onder e), van verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank en op grond van de artikelen L. 511-13, L. 511-52, L. 511-58, L. 612-23-1 en R. 612-29-3 van het Franse monetaire en financiële wetboek, nietig verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Eerste middel: het bestreden besluit is onrechtmatig, aangezien het in strijd is met artikel 13 van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (richtlijn IV inzake kapitaalvereisten; hierna: „RKV IV”) en met artikel L. 511-13 van het Franse monetaire en financiële wetboek (hierna: „MFW”).

2.

Tweede middel: het bestreden besluit is onrechtmatig, aangezien het in strijd is met artikel L. 511-52 MFW.

3.

Derde middel: het bestreden besluit is onrechtmatig, aangezien de ECB artikel L. 511-13 MFW en de artikelen 13 en 88 RKV IV heeft geschonden.

4.

Subsidiaire vierde middel: het bestreden besluit is onrechtmatig, aangezien de ECB artikel L. 511-58 MFW heeft geschonden.


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/31


Beroep ingesteld op 29 maart 2016 — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Nord Midi-Pyrénées/ECB

(Zaak T-134/16)

(2016/C 175/36)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Caisse régionale de crédit agricole mutuel Nord Midi-Pyrénées (Albi, Frankrijk) (vertegenwoordiger: H. Savoie, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

het besluit van de Europese Centrale Bank van 29 januari 2016 (ECB/SSM/2016 — 969500TJ5KRTCJQWXH05/100), dat is vastgesteld op grond van artikel 4, lid 1, onder e), van verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank en op grond van de artikelen L. 511-13, L. 511-52, L. 511-58, L. 612-23-1 en R. 612-29-3 van het Franse monetaire en financiële wetboek, nietig verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan, die in wezen identiek zijn aan of overeenstemmen met de middelen die zijn aangevoerd in het kader van de zaak Caisse régionale de crédit agricole mutuel Alpes Provence/ECB (T-133/16).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/32


Beroep ingesteld op 29 maart 2016 — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Charente-Maritime Deux-Sèvres/ECB

(Zaak T-135/16)

(2016/C 175/37)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Caisse régionale de crédit agricole mutuel Charente-Maritime Deux-Sèvres (Saintes, Frankrijk) (vertegenwoordiger: H. Savoie, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

het besluit van de Europese Centrale Bank van 29 januari 2016 (ECB/SSM/2016 — 969500TJ5KRTCJQWXH05/101), dat is vastgesteld op grond van artikel 4, lid 1, onder e), van verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank en op grond van de artikelen L. 511-13, L. 511-52, L. 511-58, L. 612-23-1 en R. 612-29-3 van het Franse monetaire en financiële wetboek, nietig verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan, die in wezen identiek zijn aan of overeenstemmen met de middelen die zijn aangevoerd in het kader van de zaak Caisse régionale de crédit agricole mutuel Alpes Provence/ECB (T-133/16).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/32


Beroep ingesteld op 29 maart 2016 — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Brie Picardie/ECB

(Zaak T-136/16)

(2016/C 175/38)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Caisse régionale de crédit agricole mutuel Brie Picardie (Amiens, Frankrijk) (vertegenwoordiger: H. Savoie, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

het besluit van de Europese Centrale Bank van 29 januari 2016 (ECB/SSM/2016 — 969500TJ5KRTCJQWXH05/99), dat is vastgesteld op grond van artikel 4, lid 1, onder e), van verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank en op grond van de artikelen L. 511-13, L. 511-52, L. 511-58, L. 612-23-1 en R. 612-29-3 van het Franse monetaire en financiële wetboek, nietig verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan, die in wezen identiek zijn aan of overeenstemmen met de middelen die zijn aangevoerd in het kader van de zaak Caisse régionale de crédit agricole mutuel Alpes Provence/ECB (T-133/16).


17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/33


Beroep ingesteld op 31 maart 2016 — SDSR/EUIPO — Berghaus (BERG OUTDOOR)

(Zaak T-139/16)

(2016/C 175/39)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sports Division SR, SA (SDSR) (Matosinhos, Portugal) (vertegenwoordigers: A. Sebastião en J. Pimenta, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Berghaus Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen met betrekking tot het beeldmerk met de woordelementen „BERG OUTDOOR” — internationale inschrijving nr. 1 116 936 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 21 januari 2016 in zaak R 153/2015-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

toewijzing van de aanvraag tot inschrijving van internationaal merk nr. 1 116 936 waarin de EU als geheel wordt aangewezen;

verwijzing van interveniënte in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


Gerecht voor ambtenarenzaken

17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/34


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 7 april 2016 — Spadafora/Commissie

(Zaak F-44/15) (1)

((Openbare dienst - Ambtenaren - Ambt van hoofd van een eenheid - Kennisgeving van vacature - Selectieprocedure - Voorselectiepanel - Onderhoud met het voorselectiepanel - Niet-plaatsing op de shortlist van kandidaten die worden voorgesteld voor het eindgesprek met het TABG - Regelmatigheid van de voorselectieprocedure - Prioriteit voor de aanwerving van een kandidaat met de nationaliteit van een bepaalde lidstaat - Gedrag van de voorzitter van het voorselectiepanel - Discriminatie op grond van taal - Verzoek om schadevergoeding - Artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering))

(2016/C 175/40)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Sergio Spadafora (Sint-Lambrechts-Woluwe, België) (vertegenwoordiger: G. Belotti, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Gattinara, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit om een andere persoon aan te stellen in het ambt van hoofd van de eenheid C4 („Legal Advice”) in plaats van verzoeker, die sinds het vertrek van het vorige eenheidshoofd waarnemend hoofd van die eenheid was

Dictum

1)

Het beroep wordt deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.

2)

Spadafora draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.


(1)  PB C 221 van 6.7.2015, blz. 27.