ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 13

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

59e jaargang
15 januari 2016


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

510e zitting van het EESC, 16—17 september 2015

2016/C 013/01

Resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de huidige vluchtelingencrisis

1

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

510e zitting van het EESC, 16—17 september 2015

2016/C 013/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Ervaringen met SBA in de VS en in de EU: beproefde methoden voor innovatieve maatregelen ten gunste van kleine en middelgrote ondernemingen (initiatiefadvies)

2

2016/C 013/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over familiebedrijven in Europa als bron van nieuwe groei en kwaliteitsvollere banen (initiatiefadvies)

8

2016/C 013/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Op weg naar e-gezondheidszorg — elektronische informatie ten behoeve van de veilige omgang met geneesmiddelen (initiatiefadvies)

14

2016/C 013/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over staatssteun aan ondernemingen: effectief en efficiënt? (initiatiefadvies)

19

2016/C 013/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de economie van het algemeen goed: een duurzaam economisch model gericht op sociale samenhang (initiatiefadvies)

26

2016/C 013/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een democratische en sociale EMU door de communautaire methode (initiatiefadvies)

33

2016/C 013/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Beginselen voor doeltreffende en betrouwbare socialezekerheidsstelsels (initiatiefadvies)

40

2016/C 013/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de validering van verworven vaardigheden en kwalificaties in het kader van niet-formeel en informeel leren — concrete bijdrage van het maatschappelijk middenveld (initiatiefadvies)

49

2016/C 013/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de verbetering van de resultaten van nationale stelsels voor duaal onderwijs (initiatiefadvies)

57

2016/C 013/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over corruptiebestrijding in de EU: tegemoetkomen aan de zorgen van het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld (initiatiefadvies)

63

2016/C 013/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over mogelijkheden voor een duurzame en slimme ontwikkeling op lange termijn van de Europese offshore-industrie en verband met de maritieme industrieën van de Europese Unie (initiatiefadvies)

73

2016/C 013/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Creatieve en culturele industrieën — een Europese troef in de wereldwijde concurrentie (initiatiefadvies)

83

2016/C 013/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over plattelandsontwikkelingsprogramma’s — Doekjes voor het bloeden of eerste tekenen van herstel? (initiatiefadvies)

89

2016/C 013/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het belang van de handel in landbouwproducten voor de toekomstige ontwikkeling van de landbouw en de landbouweconomie in de EU tegen de achtergrond van de wereldwijde voedselzekerheid (initiatiefadvies)

97

2016/C 013/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over sociale innovatie, netwerken en digitale communicatie (initiatiefadvies)

104

2016/C 013/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over sociale dumping in de burgerluchtvaart (initiatiefadvies)

110

2016/C 013/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over cyberactivisme en de maatschappelijke organisaties (initiatiefadvies)

116

2016/C 013/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de herziening van de associatieovereenkomst tussen de EU en Mexico (initiatiefadvies)

121

2016/C 013/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over landbouw, plattelandsgebieden en duurzame ontwikkeling in de landen van het Oostelijk Partnerschap (initiatiefadvies)

128

2016/C 013/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Voor een IAO-verdrag tegen gendergerelateerd geweld op het werk (initiatiefadvies)

138

2016/C 013/22

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over gedelegeerde handelingen (vervolgadvies)

145

2016/C 013/23

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de totstandbrenging van een financieel ecosysteem voor sociale ondernemingen (verkennend advies)

152

2016/C 013/24

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de gevolgen van digitalisering voor de dienstensector en de werkgelegenheid in het kader van industriële reconversie (verkennend advies)

161

2016/C 013/25

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een geïntegreerd EU-luchtvaartbeleid (verkennend advies)

169

2016/C 013/26

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de interne markt voor internationaal goederenvervoer over de weg: sociale dumping en cabotage (verkennend advies)

176

2016/C 013/27

Advies van het Europees Economisch en sociaal Comité over de verbetering van de werking van de Europese Unie voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon en over de mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van de huidige institutionele opzet van de Europese Unie

183


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

510e zitting van het EESC, 16—17 september 2015

2016/C 013/28

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Betere regelgeving voor betere resultaten — Een EU-agenda (COM(2015) 215 final)

192

2016/C 013/29

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (herschikking) (COM(2015) 294 final — 2015/0133 (COD))

201

2016/C 013/30

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten het gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders op hun grondgebied te beperken of te verbieden (doorlopend programma) (COM(2015) 177 final — 2015/0093 (COD))

203


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Economisch en Sociaal Comité

510e zitting van het EESC, 16—17 september 2015

15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/1


Resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de huidige vluchtelingencrisis

(2016/C 013/01)

Massale toestroom van vluchtelingen: het EESC dringt erop aan dat Europa zijn verantwoordelijkheid neemt en onmiddellijk en collectief optreedt

De huidige situatie rond asielzoekers is onaanvaardbaar en maakt het noodzakelijk dat de EU in samenwerking met de lidstaten, de sociale partners en andere betrokkenen een krachtige strategie uitwerkt om dringend de diverse problemen aan te pakken waarmee vluchtelingen te maken hebben.

Het EESC maakt zich grote zorgen over de humanitaire crisis die thans zovele vluchtelingen treft. Elke dag zetten mannen, vrouwen en kinderen hun leven op het spel om Europa te bereiken. De huidige vluchtelingencrisis is van een ongekende omvang en komt onevenredig zwaar op de schouders van een aantal lidstaten terecht. Tegen deze achtergrond dienen de EU-lidstaten blijk te geven van solidariteit, zowel ten opzichte van mensen die op de vlucht zijn voor oorlog, vervolging, conflicten en armoede, als ten opzichte van elkaar. Het is de verantwoordelijkheid van alle lidstaten om ervoor te zorgen dat deze mensen veilig de EU kunnen binnenkomen en dat ze worden opgevangen. Een en ander behoort tot de kernwaarden van Europa.

Het EESC betuigt zijn solidariteit en betreurt ten zeerste dat er mensenlevens verloren gaan en dat vluchtelingen op zoek naar veiligheid met zulke barre omstandigheden worden geconfronteerd. Wij verzoeken maatschappelijke organisaties, met name die welke in het EESC zijn vertegenwoordigd, alles in het werk te stellen om vluchtelingen te helpen opvangen en integreren. Het EESC uit zijn waardering voor lokale overheidsmedewerkers, niet-gouvernementele organisaties en vrijwilligers die zich overal in Europa inzetten voor plaatselijke initiatieven om mensen in nood assistentie te verlenen.

Het is nu zaak dat de EU als een echte unie optreedt en werk maakt van een uniforme asielwetgeving, allereerst door de Dublinverordening te herzien. regeringen en politici zouden een voorbeeld moeten nemen aan de burgers, verenigingen en talloze gemeenten die meer de daad bij het woord voegen en sneller de armen uit de mouwen steken dan onze regeringen en de EU-instellingen. Helaas is de Raad er nog niet in geslaagd om in deze urgente humanitaire crisissituatie de besluiten te nemen die nodig zijn. Het EESC verzoekt de Europese Raad dan ook met klem om vóór het eind van deze maand een buitengewone top te houden teneinde tot overeenstemming te komen over concrete maatregelen en acties, inclusief een eerlijke quotaregeling.

Voorts is het volgens het EESC zeer zorgwekkend dat de Schengenovereenkomst en het vrije verkeer momenteel ondermijnd worden. Het gaat hierbij immers om essentiële EU-verwezenlijkingen waar de burgers van profiteren.

Van cruciaal belang is dat er dringend maatregelen worden genomen om ook de diepere oorzaken van de huidige vluchtelingenstromen aan te pakken. De EU moet ten aanzien van deze kwesties samenwerken met de herkomst- en doorreislanden. Het EESC is het met de Commissie eens dat hierbij moet worden uitgegaan van de mensenrechten. Tot slot benadrukt het EESC dat ook het maatschappelijk middenveld bij het overleg met derde landen moet worden betrokken.


ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

510e zitting van het EESC, 16—17 september 2015

15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/2


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Ervaringen met SBA in de VS en in de EU: beproefde methoden voor innovatieve maatregelen ten gunste van kleine en middelgrote ondernemingen”

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/02)

Rapporteur:

Ullrich SCHRÖDER

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 10 juli 2014 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over:

„Ervaringen met SBA in de VS en in de EU: beproefde methoden voor innovatieve maatregelen ten gunste van kleine en middelgrote ondernemingen” (initiatiefadvies).

De afdeling Interne markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 14 juli 2015 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september) het volgende advies uitgebracht, dat met 207 stemmen vóór, bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

Er zijn ongeveer 21 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen in de EU, die werk verschaffen aan bijna 90 miljoen mensen en meer dan 3 600 biljoen EUR aan toegevoegde waarde genereren. Met andere woorden, 99 % van alle ondernemingen zijn kleine en middelgrote ondernemingen, die twee op de drie banen en 58 % van de toegevoegde waarde opleveren. Daarom is een krachtige Small Business Act nodig.

Het EESC wenst de volgende aanbevelingen te formuleren met betrekking tot enkele belangrijke onderdelen van de herziening van de Small Business Act (SBA) in de EU, op basis van de ervaringen met Small Business Administration in de VS (waarvoor dezelfde afkorting wordt gebruikt, maar die een totaal andere aanpak kent).

1.1.    Noodzakelijke herziening van de SBA

De Europese Commissie had aangegeven dat zij voornemens was om in de eerste helft van 2015 een evaluatie te publiceren maar heeft dat nu uitgesteld. Aangezien er op belangrijke terreinen verbeteringen kunnen worden aangebracht (zie hieronder), verwacht het midden- en kleinbedrijf (hierna: mkb) een evaluatie na de hoorzittingen. Gezien het vitale belang van het mkb moet de evaluatie zo snel mogelijk worden gepubliceerd.

1.2.    Rechtspositie en handhaving

De Small Business Act (SBA) moet een meer bindende vorm en een ambitieuzere aanpak krijgen. Dit werd ook in 2008 en 2011 bepleit door het EESC, maar niet uitgevoerd door de Europese Commissie.

Waar nodig moeten meer wetsmechanismen worden ingevoerd, bijvoorbeeld op het gebied van aanbestedingen, think small first („denk eerst klein”), effectbeoordelingen en mkb-toetsen. Dit moet zowel op Europees als nationaal niveau worden gedaan en daarbij moet een grotere rol aan het Europees Parlement en de nationale parlementen worden toebedeeld. Het „think small first”-beginsel en het „only once”-beginsel moeten worden opgenomen in het interinstitutioneel akkoord over betere regelgeving van de EU-instellingen.

1.3.    Politieke positie

In de EU staat de SBA lager op de politieke ladder dan in de VS. Om de positie in de EU te verstevigen, raadt het EESC aan:

een speciale jaarlijkse Mededingingsraad voor kleine en middelgrote ondernemingen en de SBA op EU-niveau te organiseren, zoals het EESC in 2011 adviseerde (1);

dat de Groep op hoog niveau concurrentievermogen en groei van de Raad de vorderingen op het gebied van nationale maatregelen voor de uitvoering van SBA-prioriteiten evalueert en nadenkt over aanvullende maatregelen op EU-niveau. De resultaten hiervan moeten worden voorgelegd aan de jaarlijkse Mededingingsraad voor kleine en middelgrote ondernemingen en de SBA;

het netwerk van Europese mkb-vertegenwoordigers op te waarderen door het deelnemersniveau op te schalen naar directeuren-generaal van de ministeries van Economische Zaken. Dit kan voor intensievere en betere coördinatie tussen de EU en de lidstaten zorgen.

1.4.    Governance en doeltreffendheid

1.4.1.

Er moet een jaarlijks verslag van de EU over de tenuitvoerlegging van de SBA worden ingevoerd en dat moet ook, aan de hand van feiten, een verslag bevatten over het beheer door de Commissie en over het functioneren van de afzonderlijke programma’s.

1.4.2.

De Europese Rekenkamer moet worden aangemoedigd om regelmatig verslagen te publiceren over het functioneren van relevante programma’s en maatregelen voor het mkb, zoals het externe Governmental Accountability Office in de VS doet voor de Amerikaanse SBA. Een onafhankelijke dienst binnen de Commissie moet zich bezighouden met interne governance, naar het voorbeeld van het „Office of Inspector General” binnen de Amerikaanse Small Business Administration.

1.4.3.

Om succesvol te zijn moet de SBA hand in hand gaan met de totstandkoming van een echt „bestuur op basis van partnerschap” (sociale partners en publieke en particuliere actoren). Daarom moet de SBA-adviesgroep (zie 4.3.4), die in 2011 zou worden opgericht maar er nooit is gekomen, toch van de grond komen en worden geraadpleegd in de fase die voorafgaat aan de besluitvorming.

1.4.4.

Het systeem van nationale en lokale plannen ter uitvoering van de SBA (zie 4.3.3) moet worden verbeterd en aangevuld door systematisch gebruik van scoreborden.

Gebruik van streefcijfers

Het is raadzaam om meer gebruik te maken van indicatieve streefcijfers om de deelname van het mkb aan overheidsopdrachten te vergroten, en van bindende streefcijfers voor (Europese en nationale) O&O-programma’s. Door streefcijfers vast te stellen moet de deelname in de loop der jaren worden vergroot.

Jaarlijkse conferentie van belanghebbenden

In de VS en de EU is veel knowhow en ervaring aanwezig met betrekking tot het beleid en de programma’s ten behoeve van het mkb, maar er vindt geen structureel en regelmatig overleg plaats met belanghebbenden. Een jaarlijkse conferentie, die afwisselend in de VS en de EU wordt gehouden en gebaseerd is op goede voorbeelden, zou nuttig zijn. Daarbij zouden relevante belanghebbenden aan beide zijden van de Atlantische Oceaan moeten worden betrokken: politici en overheden, het netwerk van mkb-vertegenwoordigers en mkb-organisaties. Vanwege de beperkte budgetten van mkb-organisaties moeten de aan hun deelname verbonden kosten worden vergoed. Elk jaar zou, naast het algemene overleg, een discussie over een bijzonder onderwerp kunnen plaatsvinden: financiën, innovatie, handel (incl. TTIP), vrouwelijk ondernemerschap enz.

2.   Inleiding en doelstellingen van het advies

2.1.

Doel: een vergelijking maken tussen SBA (Small Business Administration) in de VS en SBA (Small Business Act) in de EU qua algemene aanpak en maatregelen voor het mkb.

Er bestaan grote verschillen tussen het politieke en het bedrijfsklimaat in de VS en in de EU en in beide regio’s worden er naast de SBA-maatregelen tal van maatregelen genomen voor het mkb op nationaal en lokaal niveau (2).

2.2.

De conclusies van dit advies (zie hoofdstuk 1) gaan dus niet over een vergelijking van de specifieke programma’s van de twee SBA’s, maar over eventuele verbeteringen op het gebied van de rechts- en politieke positie, governance en het gebruik van streefcijfers voor de Europese SBA.

3.   Small Business Administration in de VS (SBA)

3.1.

De Small Business Administration in de VS is een onafhankelijk overheidsorgaan dat federale ondersteuning biedt aan kleine bedrijven. Het werd opgericht door president Eisenhower in 1953 na de goedkeuring van de Small Business Act en heeft tot taak kleine bedrijven van advies en steun te voorzien en hun belangen te verdedigen. In 2013 beschikte het over een budget van ongeveer 1 miljard USD (exclusief het budget voor niet-ondernemingsactiviteiten). Sommige maatregelen zijn wettelijk bindend. De SBA heeft kantoren in elke Amerikaanse staat en beschikt over 1 000 lokale centra. President Obama heeft de directeur-generaal van de SBA een plaats gegeven in zijn kabinet.

3.2.

De SBA hanteert een ingewikkelde definitie van een kleine onderneming, nl. een in wezen zelfstandige en onafhankelijk opererende onderneming met winstoogmerk. Afhankelijk van de bedrijfstak, het product of de dienst is de grootte die als norm dient, gebaseerd op het aantal werknemers of de omzet. Het maximumaantal werknemers varieert van ongeveer 100 tot 1 500.

3.3.

Overzicht van Amerikaanse SBA-activiteiten en -programma’s (3)

3.3.1.

Financiering: leningen en risicokapitaal

3.3.1.1.

De SBA staat garant voor leningen aan kleine bedrijven die nergens anders krediet kunnen krijgen. Deze leningen worden meestal verstrekt door partners van de SBA (banken en andere financiële instellingen) en de SBA staat daarvoor garant.

In het kader van het Microloan Program worden nieuwe en jonge ondernemingen op onderbediende markten gesteund. Spoedleningen worden binnen 36 uur na aanvraag verstrekt. Het Disaster Loan Program verstrekt binnen 45 dagen noodleningen aan kleine ondernemingen die zijn getroffen door een algemene ramp.

3.3.1.2.

De Small Business Investment Company (SBIC) zorgt ervoor dat kleine bedrijven een betere toegang hebben tot risicokapitaal.

3.3.2.

Small Business Contracting Programs

3.3.2.1.

Dankzij allerlei programma’s op het gebied van aanneming hoeven kleine bedrijven (die eigendom zijn van achtergestelde personen of actief zijn in gebieden met weinig bedrijvigheid) alleen met soortgelijke bedrijven mee te dingen naar belangrijke overheidscontracten.

Er worden streefcijfers vastgesteld voor het aantal federale overheidscontracten dat aan kleine bedrijven dient te worden gegund, met gedifferentieerde subdoelen voor aparte afdelingen en agentschappen. Het algemene doel is nu om minstens 23 % van de totale waarde van een federaal hoofdcontract aan kleine bedrijven te gunnen. In de EU ligt dit percentage hoger, nl. op 29 %, maar daaronder zijn ook opdrachten voor lokale en regionale overheden begrepen. Het Amerikaanse streefcijfer wordt in de toekomst wellicht verhoogd.

3.3.3.

O&O-programma’s: deelname van het mkb vergroten door verhoging van streefcijfers

3.3.3.1.

Dankzij het Small Business Innovation Research-programma (SBIR) nemen er meer kleine hightechbedrijven deel aan door de federale overheid bekostigde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten van federale diensten met een O&O-budget van minstens 100 miljoen USD. Een percentage van het O&O-budget moet worden gebruikt voor kleine bedrijven; in 1983 begon dat met 0,2 % en tegen 2013 was het percentage geleidelijk opgelopen tot 2,7 % (nieuw streefcijfer voor 2017: 3,2 %).

3.3.3.2.

Via het Small Business Technology Transfer-programma (STTR) wordt geld verstrekt voor gezamenlijk federaal onderzoek door een klein bedrijf en een non-profit onderzoeksinstelling: 0,35 % in 2013, oplopend tot 0,45 % in 2016.

3.3.4.

Entrepreneurial Development Programs

Via programma’s voor „ontwikkeling van ondernemingszin” worden in 1 000 centra opleidingen voor kleine bedrijven georganiseerd. SCORE is een organisatie waarin 50 onafhankelijke non-profitorganisaties met 13 000 vrijwilligers zijn verenigd.

3.3.5.

Office of International Trade

Het „Bureau voor internationale handel” biedt ondersteuning bij de export en verstrekt spoedleningen (binnen 36 uur) en subsidies voor deelname aan buitenlandse handelsbeurzen, documentatie en audiovisueel materiaal.

3.3.6.

Bijzondere „Offices”

Het Office of Inspector General heeft tot taak het beheer en de doeltreffendheid van de SBA te verbeteren, fraude in de programma’s te bestrijden en bestaande of voorgestelde wetgeving te evalueren. Het is een onafhankelijk orgaan binnen de SBA, dat wordt geleid door een Inspector General.

Het Office of Advocacy fungeert binnen de federale regering als onafhankelijke woordvoerder voor kleine bedrijven. Het heeft tot taak beleid ten behoeve van kleine bedrijven te bevorderen door in te grijpen in de regelgevende processen van federale agentschappen en onderzoek te doen naar het effect van federale regelgeving.

4.   Ontwikkelingen in de EU: van Handvest voor kleine bedrijven naar Small Business Act  (4)

4.1.    Europees Handvest voor kleine bedrijven — 2000

Dit Handvest werd goedgekeurd door de EU-leiders in 2000. Het was een initiatief van de lidstaten zelf met als doel het bedrijfsklimaat voor kleine ondernemingen in de lidstaten en op EU-niveau te verbeteren, zonder naar een rechtsinstrument te grijpen. Het Handvest was speciaal bedoeld voor kleine ondernemingen met minder dan 50 werknemers.

4.2.    De Small Business Act van de EU (SBA-EU) — 2008

4.2.1.

De Commissie bestudeerde de SBA-aanpak in de VS en publiceerde haar mededeling „Denk eerst klein — Een „Small Business Act’ voor Europa” in 2008 (5) voor een grotere doelgroep (kleine en middelgrote ondernemingen met minder dan 250 werknemers).

Er werd slechts een handvol nieuwe wetgevingsvoorstellen ingediend.

De hoofdmoot van de SBA bestaat uit een nieuw beleidskader waarin het bestaande ondernemingsbeleid wordt opgenomen en wordt voortgebouwd op het Handvest voor kleine bedrijven.

4.2.2.

Er werden tien basisbeginselen voor het opstellen en uitvoeren van mkb-beleid op Europees en nationaal niveau ingevoerd, die betrekking hadden op: bedrijfsklimaat, ondernemerschap, „denk eerst klein”, openbare aanbestedingen, kortere betalingstermijnen, een betere interne markt, vaardigheden en innovatie.

4.2.3.

In 2008 pleitte het EESC (6) voor een SBA met meer ambitie, onder verwijzing naar de Amerikaanse SBA.

4.2.4.

De belangrijkste aanbevelingen van het Comité waren:

een bindend rechtsinstrument in het leven roepen voor de toepassing van het „denk eerst klein”-beginsel;

een „Europees Comité voor de SBA” oprichten, waarin naast vertegenwoordigers van de lidstaten ook afgevaardigden van Europese vertegenwoordigende bedrijfsorganisaties zetelen;

een nationale mkb-vertegenwoordiger aanwijzen in elke lidstaat.

Helaas werden de eerste twee aanbevelingen niet uitgevoerd door de Europese Commissie.

4.3.    Evaluatie van de Small Business Act van de EU (2011)

4.3.1.

In 2011 publiceerde de Commissie haar mededeling „Evaluatie van de „Small Business Act’ voor Europa” (7). De Commissie concludeerde dat de implementatie van de SBA gestaag voortschrijdt, maar dat er nog veel te doen blijft.

4.3.2.

Wat de ontwikkelingen in de lidstaten betreft is de Commissie minder positief over:

de vermindering van de administratieve lasten en de uitvoering van nationale mkb-toetsen;

de promotie van de Europese code van beste praktijken;

de vereenvoudiging van faillissementsprocedures.

4.3.3.

In de evaluatie van de SBA werden maatregelen voorgesteld om in te spelen op de uitdagingen als gevolg van de economische crisis op de volgende gebieden: regelgeving, financiering, markttoegang, ondernemerschap, nieuwe werkgelegenheid en inclusieve groei (incl. vrouwelijk ondernemerschap en een initiatief voor sociaal ondernemerschap).

4.3.4.

Sterke governance als sleutel tot strategische verbeteringen:

de Commissie zal in het kader van de Europa 2020-strategie algemene jaarverslagen blijven uitbrengen over afzonderlijke lidstaten; verslaglegging over de vorderingen met de implementatie van de SBA maakt hier deel van uit;

de SBA-adviesgroep, die in 2011 zou worden opgericht maar er nooit is gekomen, moet toch van de grond komen en worden geraadpleegd in de fase die voorafgaat aan de besluitvorming;

er werd een netwerk van mkb-vertegenwoordigers (SME Envoy Network) opgezet, bestaande uit een mkb-vertegenwoordiger van de Commissie en nationale mkb-vertegenwoordigers. Dit netwerk moet direct contact tussen de Commissie, nationale overheden en nationale bedrijfsorganisaties mogelijk maken;

in coördinatie met de lidstaten en vertegenwoordigers van bedrijfsorganisaties worden nationale plannen ter uitvoering van de SBA opgezet, aangevuld door een krachtig toezichtmechanisme. (Het EESC betreurt echter dat dit niet zo efficiënt mogelijk verloopt.)

4.3.5.

In 2011 erkende het EESC (8) dat het mkb meer aandacht heeft gekregen.

De belangrijkste conclusies van het Comité waren:

het EESC is van mening dat de SBA een meer bindend karakter moet krijgen;

om succesvol te zijn moet de SBA hand in hand gaan met de totstandkoming van een echt „bestuur op basis van partnerschap” (sociale partners en publieke en particuliere actoren);

de essentiële rol van publieke en particuliere intermediaire organisaties die tussen de politieke besluitvormers en de ondernemingen staan, en die aangepaste diensten verlenen, wordt genegeerd;

het EESC verzoekt de Raad om jaarlijks een Mededingingsraad voor het mkb, microbedrijven en de SBA te organiseren.

Het EESC betreurt dat de Europese Commissie deze aanbevelingen niet heeft opgevolgd.

4.4.    Openbare raadpleging over de SBA-2014

4.4.1.

In september 2014 lanceerde de Commissie een raadpleging over de herziening van de SBA, getiteld „Een krachtig Europees beleid ter ondersteuning van het mkb en ondernemers in 2015-2020”.

4.4.2.

De Commissie concludeert dat de SBA in veel lidstaten niet volledig is geïmplementeerd.

De voorgestelde prioritaire terreinen zijn:

vermindering van de administratieve lasten,

toegang tot financiering en markten,

ondernemings- en innovatiepotentieel,

betere ontwikkeling van vaardigheden (nieuw).

4.4.3.

De Commissie heeft in april 2015 verslag uitgebracht over de resultaten. Een voorstel voor een herziene SBA was aanvankelijk gepland voor de eerste helft van 2015, maar is nu uitgesteld tot 2016. Europese bedrijfsorganisaties zijn teleurgesteld over dit uitstel en zouden graag zien dat er in 2015 nog actie wordt ondernomen.

Gedaan te Brussel, 16 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 376 van 22.12.2011, blz. 51

(2)  Het zou te ver voeren om alle maatregelen ten behoeve van het mkb in dit advies uitgebreid met elkaar te gaan vergelijken.

(3)  Hierna volgt een globaal overzicht van interessante activiteiten. Zie voor meer bijzonderheden www.sba.gov of het verslag 2013 van het Amerikaanse Congres „Small Business Administration, a Primer on Programs” op www.crs.gov. In het verslag „Entrepreneurial Assistance” (GAO-12-819) geeft de Governmental Accountability Office een overzicht van SBA-programma’s. Zie: www.gao.gov

(4)  Hieronder volgt een overzicht van de ontwikkelingen in de SBA. Voor meer details, zie de achtergrondnota op de website van het EESC.

(5)  COM(2008) 394 final.

(6)  PB C 182, 4.8.2009, blz. 30.

(7)  COM(2011) 78 final.

(8)  PB C 376, 22.12.2011, blz. 51.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/8


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over familiebedrijven in Europa als bron van nieuwe groei en kwaliteitsvollere banen

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/03)

Rapporteur:

Jan KLIMEK

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 januari 2015 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een advies op te stellen over:

Familiebedrijven in Europa als bron van nieuwe groei en kwaliteitsvollere banen

(initiatiefadvies).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 14 juli 2015 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 17 september) het volgende advies uitgebracht, dat met 110 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Familiebedrijven vormen de ruggengraat van veel economieën in de wereld en hun ontwikkelingsdynamiek is verbazingwekkend. Zij staan aan de basis van economische groei en werkgelegenheid en besteden veel aandacht aan regionale en lokale omstandigheden. De redenen voor het oprichten van familiebedrijven mogen dan wel verschillen, maar deze ondernemingen hebben ook veel gemeen: een natuurlijk ontwikkeld waardesysteem, toewijding en opofferingsgezindheid, en verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van de oprichters van het bedrijf en degenen die het overnemen. Het is voor familiebedrijven eenvoudiger om moeilijke perioden van recessie en stagnatie te doorstaan; hun veerkracht is voor een groot deel te danken aan het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid voor het imago van het bedrijf.

1.2.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) erkent de unieke waarden van familiebedrijven en roept de Europese Commissie ertoe op, overeenkomstig het uitgangspunt van de „Small Business Act” dat „de EU en de lidstaten […] een klimaat [moeten] scheppen waarin ondernemers en familiebedrijven kunnen floreren en ondernemerschap beloond wordt” (1), om een actieve strategie ten uitvoer te leggen voor de promotie in de lidstaten van goede praktijkvoorbeelden met betrekking tot familiebedrijven.

1.3.

De volgende stap zou de uitwerking van een regelgevingskader dan wel van voorschriften voor familiebedrijven kunnen zijn. Daarin zou het begrip familiebedrijf gedefinieerd en de betrokkenheid van de Commissie afgebakend moeten worden, inclusief vermelding van de in dit verband verantwoordelijke juridische, economische en politieke instanties.

1.4.

Het EESC stelt de volgende concrete maatregelen voor:

opname van de categorie familiebedrijf in de Europese statistieken (Eurostat) en doelmatige verzameling van informatie over familiebedrijven door de nationale statistische diensten;

verbetering van de wettelijke regelingen betreffende de intergenerationele overdracht van familiebedrijven, met name op fiscaal gebied, om liquiditeitsproblemen van deze bedrijven te voorkomen;

bevordering van de bedrijfscultuur van familiebedrijven, die is gericht op duurzame werkgelegenheid;

bevordering van de zin voor innovatie bij familiebedrijven, onder andere door innovatieve openbare aanbestedingen;

ontwikkeling van onderwijs en stimulering van onderzoek op het gebied van familiebedrijven;

ondersteuning van agrarische familiebedrijven en herstel van coöperatieve ondernemingsvormen, met name coöperaties van familiebedrijven;

invoering van een belastingverlaging voor weer in de onderneming geïnvesteerde winst en kapitaalverstrekking aan familiebedrijven zonder toekenning van stemrecht;

actieve samenwerking op EU-niveau met organisaties die familiebedrijven vertegenwoordigen, bijvoorbeeld in het kader van een permanente deskundigengroep.

2.   Inleiding

2.1.

Meer dan 60 % van alle Europese bedrijven, zowel kleine als grote, zijn familiebedrijven en 40 % tot 50 % van alle werknemers werkt in een familiebedrijf (2). In verreweg de meeste economieën zijn micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen dominant. Het merendeel van de familiebedrijven behoort dan ook tot deze groep ondernemingen.

2.2.

De belangrijkste positieve kenmerken van familiebedrijven zijn langetermijngerichtheid, specifieke waarden die een unieke bedrijfscultuur creëren, en betrokkenheid bij lokale gemeenschappen. De unieke bedrijfscultuur is gebaseerd op de waarden die door de belanghebbende familieleden worden uitgedragen, zoals een groot vertrouwen in het bedrijf en het belang van hoge kwaliteit van de aangeboden diensten of producten.

2.3.

De langetermijngerichtheid van familiebedrijven betekent dat er sprake is van duurzame banden met de stakeholders (werknemers, klanten, leveranciers en de lokale gemeenschap).

2.4.

Andere kenmerken van familiebedrijven zijn de intentie om het bedrijf over te dragen aan de volgende generatie en aandacht en verantwoordelijkheidsgevoel voor de werknemers. Dit alles vormt een extra stimulans voor de verantwoordelijkheidszin in familiebedrijven, waar relaties zijn gebaseerd op vertrouwen.

2.5.

Om hun doelen te bereiken, investeren familiebedrijven zo veel mogelijk winst in de opbouw van een stabiel, onafhankelijk, innovatief en in eigen vermogen verankerd bedrijf, waarin vooral wordt gestreefd naar risicobeheersing met het oog op de overdracht van generatie op generatie. Familiebedrijven ontwikkelen zich op evenwichtigere wijze om hun (multigenerationele) langetermijndoelstellingen te bereiken.

3.   Definitie van familiebedrijven

3.1.

Het is algemeen aanvaard om familiebedrijven te definiëren binnen het kader van drie aspecten: familie, bedrijf en eigendomsstructuur (3). De invloed van de familie op de twee overige aspecten is bepalend voor het familiekarakter van het bedrijf. Deze invloed maakt dat familiebedrijven gecompliceerder zijn dan hun niet-familiale tegenhangers, waardoor zij een aparte benadering vereisen.

3.2.

In sommige EU-lidstaten bestaat al regelgeving op het gebied van familiebedrijven:

in Spanje (ministerie van Economische Zaken) en Finland (ministerie van Handel) is het familiebedrijf op ministerieel niveau gedefinieerd;

ook in Italië (Burgerlijk Wetboek) en Roemenië bestaat een definitie van het familiebedrijf;

in Hongarije bestaat een definitie van het agrarische familiebedrijf;

de Deense wetgeving verwijst naar aanstelling van jongeren in familiebedrijven (Arbejdsmiljølovgivningens anvendelse for elever i erhvervspraktik, VEJ nr. 60106 van 1 februari 1998);

in Oostenrijk regelt een federale wet flexibele winkelopeningstijden voor familiebedrijven (Ladenöffnungszeitenverordnung) en geven de landbouwwetten van de deelstaten een definitie van familiebedrijven;

het hooggerechtshof van Litouwen heeft een advies uitgebracht op grond waarvan een bedrijf dat tijdens het huwelijk is opgericht, wordt beschouwd als familiebedrijf;

in Bulgarije en Slowakije wordt in het geval van zelfstandigen rekening gehouden met familiale mede-eigendom;

op Malta wordt momenteel gewerkt aan de eerste wet ter wereld inzake familiebedrijven (Family Business Act).

3.3.

Volgens het EESC zouden er in alle lidstaten wetgevingsinitiatieven moeten worden genomen om de categorie familiebedrijf in de nationale ondernemingsregisters op te nemen.

3.4.

In het verslag van de deskundigengroep van de Commissie inzake familiebedrijven wordt de volgende definitie van familiebedrijven aanbevolen:

de meerderheid van stemmen is in handen van de natuurlijke persoon (personen) die het bedrijf heeft (hebben) opgericht of aandelen heeft (hebben) verworven in het bedrijf, of is in de handen van zijn/haar echtgeno(o)t(e), ouders, kinderen of directe erfgenamen van de kinderen;

de meerderheid van stemmen kan direct of indirect zijn;

minimaal één vertegenwoordiger van de familie of bloedverwant is formeel betrokken bij het bestuur of beheer van het bedrijf;

bij beursgenoteerde ondernemingen is sprake van een familiebedrijf als de familie het bedrijf heeft opgericht of aandelen heeft verworven in het bedrijf, of wanneer de nakomelingen beschikken over 25 % van de stemmen op basis van hun aandelenkapitaal.

3.5.

Bovenstaande definitie is echter te ruim. Zij moet zodanig worden verengd dat het familiekarakter van het bedrijf wordt benadrukt, in het bijzonder het voornemen de onderneming van generatie op generatie voort te zetten.

3.6.

Als een dergelijke definitie door de Europese landen wordt aangenomen, kunnen kwantitatieve gegevens worden verzameld die, na te zijn samengevoegd, het opstellen van statistieken over deze ondernemingsvorm mogelijk maken. Deze gegevens zouden met name helpen bij de analyse van familiebedrijven in de nieuwe lidstaten waar dit type bedrijf een grote rol speelt. Het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie — Eurostat — zou deze taak op zich kunnen nemen.

3.7.

Op nationaal niveau wordt geprobeerd de familiebedrijven te kwantificeren, onder andere in Ierland, waar het centraal bureau voor de statistiek het rapport Family Business in Ireland — Services Sector 2005 heeft uitgebracht. De federatie European Family Businesses publiceert in samenwerking met het consultancybedrijf KPMG de Europese Barometer voor Familiebedrijven. In Polen is in 2008 door het nationale agentschap voor de ontwikkeling van ondernemerschap (Polska Agencja Rozwoju Przedsiębiorczości) uitgebreid kwantitatief en kwalitatief onderzoek verricht.

3.8.

Door Eurostat bij deze werkzaamheden te betrekken, kunnen twee belangrijke doelen worden bereikt: standaardisering van de definitie van familiebedrijven en op basis daarvan verzameling van statistische gegevens over deze ondernemingsvorm.

4.   Uitdagingen voor familiebedrijven

4.1.

De uitdagingen waar familiebedrijven voor staan, kunnen worden uitgesplitst in twee categorieën: uitdagingen voor bedrijven in het algemeen en specifieke uitdagingen voor familiebedrijven. De eerste categorie omvat alle factoren die invloed hebben op de economische conjunctuur van een land, zoals binnenlandse vraag, demografie en de sociaaleconomische situatie. Dit advies richt zich op de tweede categorie, namelijk de specifieke uitdagingen voor familiebedrijven die bepalend zijn voor hun groei en ontwikkeling.

4.2.

Eigendom is in een familiebedrijf geen liquide middel, maar iets wat van generatie tot generatie wordt opgebouwd en ontwikkeld door de familie, met inbegrip van de bijbehorende waarden, tradities en knowhow (4). Daarom vormt de overdracht van de onderneming aan de volgende generatie de grootste uitdaging waar een familiebedrijf voor kan komen te staan.

4.2.1.

Uitgebreide planning van de opvolging is een belangrijke activiteit voor familiebedrijven, omdat de eigenaren van deze bedrijven de intentie hebben om hun onderneming in goede staat aan de volgende generatie over te dragen.

4.2.2.

Ieder jaar staan ongeveer 450 000 familiebedrijven met circa 2 miljoen werknemers voor deze uitdaging. Per jaar stoppen ongeveer 150 000 familiebedrijven omdat de opvolging mislukt, waardoor 600 000 arbeidsplaatsen verloren gaan (5).

4.2.3.

Een analyse van de hoofdoorzaken van het mislukken van de overdracht van familiebedrijven is noodzakelijk, evenals steun voor maatregelen die de overdracht van deze bedrijven vergemakkelijken, bijvoorbeeld in het erfrecht of met fiscale prikkels ten gunste van de opvolging.

4.2.4.

Uit de reikwijdte en de omvang van de verschillende benaderingen van successie- en vermogensbelastingen in de EU blijkt dat er nog veel ruimte is om het wettelijke klimaat op dit gebied te verbeteren (6).

4.2.5.

Een voorbeeld van een potentiële oplossing voor bedrijfsoverdrachten is te vinden in Nederland, waar het ministerie van Economische Zaken het zogenaamde overdrachtspakket heeft ingevoerd. Een ondernemer die 55 jaar oud is geworden, ontvangt een overdrachtspakket waarin wordt gewezen op het belang van planning van de bedrijfsoverdracht en instrumenten worden aangereikt ter ondersteuning van dit proces. In België heeft het Instituut voor het Familiebedrijf een opvolgingskaart ingevoerd die beschikbaar is in drie talen: Nederlands (Scorecard Opvolging), Frans (Scorecard Transmission) en Engels (Succession Scorecard). Andere voorbeelden zijn Slovenië, waar de Kamer voor Ambacht en Kleine Ondernemingen (Obrtno-podjetniška zbornica Slovenije) seminars en scholingen organiseert waarin alle thema’s rond bedrijfsopvolging aan bod komen, en het Finse opvolgingsprogramma (ViestinVaihto-ohjelma). In Oostenrijk bestaat een recht op de voortzetting van bedrijfsactiviteiten (Fortbetrieb) door een familielid in het geval van overlijden van de ondernemer (Gesamte Rechtsvorschrift für Gewerbeordnung, 1994). Frankrijk (successions et des libéralités) en Luxemburg beschikken over vergelijkbare regelingen. Het Poolse agentschap voor de ontwikkeling van ondernemerschap (Polska Agencja Rozwoju Przedsiębiorczości) heeft in samenwerking met het instituut voor familiebedrijven (Instytut Biznesu Rodzinnego) een opvolgingspakket ontwikkeld voor familiebedrijven. Familiebedrijven ontvangen in het kader van dit pakket een opvolgingshandboek, gratis instrumenten ter ondersteuning van dit proces en gratis implementatieworkshops.

4.3.

Familiebedrijven proberen duurzame arbeidsplaatsen te creëren, hetgeen bijdraagt aan het ontstaan van een familiale bedrijfscultuur. Hierdoor kunnen arbeidsplaatsen in familiebedrijven voor bijvoorbeeld moeders met opgroeiende kinderen zeer aantrekkelijk zijn. Deze familiale bedrijfscultuur, die concurrentievoordelen kan opleveren, moet worden gesteund.

4.4.

De echtgenotes of partners van de eigenaars spelen vaak een belangrijke rol in familiebedrijven, hoewel zij om diverse redenen geen formele status hebben. Dit kan leiden tot juridische en financiële problemen, bijvoorbeeld wanneer de partners uit elkaar gaan. Een betere formalisering van de status van deze personen, alsmede van andere gezinsleden die informeel betrokken zijn bij het bedrijf, kan bij familiegerelateerde problemen lastige situaties voorkomen.

4.5.

Met het oog op innovatie moeten familiebedrijven hun activiteiten niet alleen concentreren op traditionele markten en producten, maar ook op nieuwe, innovatieve ontwikkelingen.

4.5.1.

Het innovatievermogen van familiebedrijven kan worden gestimuleerd met een systeem van innovatieve openbare aanbestedingen waarin de prijs niet het enige criterium is voor de keuze voor een inschrijver. Een kenmerk van familiebedrijven is dat hun concurrentiekracht schuilt in hoge kwaliteit en klantenservice, onder andere gegarandeerd door het familiemerk (vaak de achternaam van de eigenaar of de familie). Om die reden schrijven familiebedrijven zich meestal niet in op openbare aanbestedingen waarvan de prijs het enige criterium is. Voorgesteld wordt om de economisch voordeligste offerte (MEAT — Most Economically Advantageous Tender) (7) te promoten als beoordelingscriterium en informatie hierover te verspreiden onder familiebedrijven.

4.6.

De globalisering dwingt ondernemingen zich open te stellen voor nieuwe markten, technologieën en vaardigheden. Hiermee dienen familiebedrijven in hun ontwikkelingsstrategie rekening te houden. Dat kan betekenen dat ze nieuwe mensen moeten aannemen, ook op leidinggevende posities.

4.7.

Op nationaal niveau moet de rol van familiebedrijven in de economie van een land worden erkend en vervolgens moeten voor het functioneren van deze bedrijven gunstige voorwaarden worden geschapen op het gebied van belastingen, wetgeving voor economische activiteiten (waaronder een eventuele wet inzake familiebedrijven) en steun voor opleidingsprogramma’s voor familieondernemers. In dergelijke programma’s moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van familiebedrijven, zoals de opvolgingskwestie en het toezicht door de familie.

4.8.

Voorbeelden van opleidingen die zijn gericht op vertegenwoordigers van familiebedrijven, zijn te vinden op Cyprus (Academie voor familiebedrijven, georganiseerd door het Cyprus International Institute of Management), Frankrijk (Master 2 professionnel: Gouvernance des entreprises familiales et patrimoniales — M2 GEFP, georganiseerd door de universiteit van Bordeaux) en Finland (Omistajuus ja hallitustyöskentely — valmennusohjelma jatkajille — „Eigendomsstructuur en bedrijfsmanagement” — scholingsprogramma voor opvolgers) (8). Ook organisaties ter ondersteuning van familiebedrijven bieden cursussen aan voor familieondernemers, bijvoorbeeld de „Family Business Network Academie”, georganiseerd door de Zweedse afdeling van het Family Business Network (FBN) en de scholingsprogramma’s die onder andere door het Spaanse Instituto de la Empresa Familiar worden georganiseerd.

4.9.

Erkenning van de rol van familiebedrijven in de economieën van de lidstaten en het verlenen van steun zouden kunnen leiden tot een opleving van ambachtelijke familietradities. Een aanzienlijk percentage van de kleine familiebedrijven is verenigd in ambachtsgilden die zorg dragen voor de continuïteit van ambachten. Steunverlening aan dergelijke organisaties is daarom gerechtvaardigd.

4.10.

Kleinere familiebedrijven staan bloot aan risico’s die ertoe kunnen leiden dat zij van de markt verdwijnen. De invoering van passende juridische en fiscale ondersteuning voor deze bedrijven is daarom nodig om hun verdere ontwikkeling te stimuleren. Op hun beurt zouden grote internationale familiebedrijven kunnen profiteren van institutionele steun en maatregelen die zijn gericht op ondersteuning van lokale leveranciers en economieën.

4.11.

Een bijzondere soort familiebedrijven zijn de agrarische familiebedrijven. Naast de typische uitdagingen die kenmerkend zijn voor familiebedrijven, moeten zij ook het hoofd bieden aan de specifieke problemen van landelijke gebieden.

4.11.1.

In dit verband is het bijzonder alarmerend dat landbouwgrond wordt opgekocht. Dit leidt tot onherstelbare beschadiging van de economische structuur in landelijke gebieden en een door de samenleving niet gewenste industrialisering van de landbouw. Het EESC pleit in een in januari 2015 goedgekeurd advies (9) voor passende maatregelen om overal in de EU een op familiebedrijven berustend landbouwmodel te behouden.

4.11.2.

Familiebedrijven verenigen zich vaak in coöperaties vanwege de schaalvoordelen en om hun concurrentiepositie op de markt te verbeteren. (10) Coöperatief ondernemerschap heeft vergelijkbare eigenschappen als familieondernemerschap, want het is ook gericht op langetermijnactiviteiten en niet op kortetermijnwinst. De laatste tijd hebben coöperaties echter hun vitaliteit verloren en een deel is zelfs failliet gegaan. Er zijn dus maatregelen nodig om deze ondernemingsvorm nieuw leven in te blazen.

4.12.

De term geduldkapitaal (11) (patient capital) wordt gebruikt voor de langetermijnaccumulatie van kapitaal voor de ontwikkeling van een familiebedrijf. Bij overname draagt het familiebedrijf het kapitaal met zijn sociale en culturele dimensie over, en de koper investeert in of koopt het bedrijf inclusief zijn multigenerationele kennis, (familie)cultuur en verplichtingen aan de (lokale) gemeenschap.

4.12.1.

In het licht van de definitie van geduldkapitaal is het de moeite waard om invoering van een belastingverlaging voor weer in de onderneming geïnvesteerde winst te overwegen. Er moet worden nagedacht over fiscale voordelen voor familiebedrijven (en eventueel ook andere bedrijven) die hun winst weer in de onderneming investeren en daarnaast de voorkeur geven aan financiering met eigen vermogen in plaats van met schuldkapitaal.

4.12.2.

Bij schulden ontvangen bedrijven een extra prikkel omdat de rente over de schulden van de belasting kan worden afgetrokken, waardoor de kosten van de schulden in werkelijkheid lager zijn. Een dergelijk fiscaal voordeel geldt niet voor eigen vermogen.

4.12.3.

Fiscale maatregelen blijven uiteraard de bevoegdheid van de afzonderlijke lidstaten, maar de Europese Unie dient wel goedepraktijkvoorbeelden m.b.t. familiebedrijven te promoten.

4.13.

Het opzetten van nationale kapitaalfondsen voor kapitaalinjecties in familiebedrijven is het overwegen waard. Deze fondsen onderscheiden zich doordat zij familiebedrijven kapitaal verschaffen zonder dat de kapitaalverstrekkers stemrecht krijgen, in navolging van Aksjeloven in Noorwegen en de Ley de Sociedades de Responsabilidad Limitada in Spanje.

4.14.

Maatregelen ter bevordering van familieondernemerschap kunnen ook worden genomen door nationale of lokale instanties die zich bezighouden met familiebedrijven (overheidsinstanties (ministeries), werkgeversorganisaties, ambachtskamers enz.), en internationale organisaties, waarvan de belangrijkste zijn: European Family Business, FBN International en Les Hénokiens.

4.14.1.

Deze instanties en organisaties spelen een belangrijke rol bij de stimulering van het familiebedrijf. Zij bieden een platform voor de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen familiebedrijven en publiceren rapporten over familiebedrijven om de kennis over dit type ondernemingen te verspreiden. Bovendien kunnen organisaties die familiebedrijven ondersteunen, lobbyen voor concreet beleid.

Brussel, 17 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2008) 394 final.

(2)  Eindverslag van de deskundigengroep inzake familiebedrijven, Overview of family-business-relevant issues: research, networks, policy measures and existing studies, Europese Commissie, november 2009.

(3)  Tagiuri R., Davis J.A., Bivalent Attributes of the Family Firm, werkdocument, Harvard Business School, 1982.

(4)  COM(2012) 795 final — Actieplan ondernemerschap 2020 — De ondernemingsgeest in Europa nieuw leven inblazen.

(5)  Business Dynamics: Start-ups, Business Transfers and Bankruptcy (2011).

(6)  COM(2012) 795 final.

(7)  SEC(2007) 280 — Guide on dealing with innovative solutions in public procurement: 10 elements of good practice.

(8)  Irene Mandl, Overview of Family Business Relevant Issues, mkb-onderzoek Oostenrijk, 2008.

(9)  Advies van het EESC „De opkoop van landbouwgrond — Een waarschuwing voor Europa en een bedreiging voor agrarische familiebedrijven” (PB C 242 van 23.7.2015, blz. 15).

(10)  Family farming in Europe: Challenges and prospects, in-depth analysis. Europees Parlement, 2014.

(11)  Geduldkapitaal is eigen vermogen dat wordt ingebracht door de eigenaren van een familiebedrijf, die streven naar een evenwicht tussen rendement op investeringen enerzijds en de welgedefinieerde langetermijnstrategie van het bedrijf en continuïteit van tradities en familie-erfgoed anderzijds. Bron: De Visscher F.M., Aronoff C.E., Ward J.L. (2011), Financing Transitions. Managing Capital and Liquidity in the Family Business, Palgrave Macmillan.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/14


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Op weg naar e-gezondheidszorg — elektronische informatie ten behoeve van de veilige omgang met geneesmiddelen”

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/04)

Rapporteur:

Renate HEINISCH

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 januari 2015 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen getiteld:

Op weg naar e-gezondheidszorg — elektronische informatie ten behoeve van de veilige omgang met geneesmiddelen

(initiatiefadvies).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 14 juli 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 december 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september 2015) het volgende advies uitgebracht, dat met 212 stemmen vóór, bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) steunt het streven van de Europese Commissie om een hoge prioriteit te geven aan oplossingen op het gebied van e-gezondheidszorg in het kader van de digitale agenda.

1.2.

Het EESC stelt vast dat mensen die informatie aanvragen, patiënten en beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg bij herhaling hebben aangegeven behoefte te hebben aan uitgebreide, nauwkeurige en actuele informatie over geneesmiddelen en een eengemaakte digitale markt.

1.3.

Naar het oordeel van het EESC moet deze door de autoriteiten goedgekeurde informatie zonder belemmeringen en op non-discriminatoire basis toegankelijk zijn, zodat ook slechtzienden, doven en mensen met een andere lichamelijke beperking haar kunnen raadplegen. Deze informatie moet kunnen worden aangepast aan de behoeften van de individuele burger, patiënt of beroepsbeoefenaar om ervoor te zorgen dat geneesmiddelen zo doeltreffend en veilig mogelijk worden toegepast.

1.4.

Het EESC is van mening dat de elektronische verspreiding van door geneesmiddelenautoriteiten goedgekeurde productinformatie tot een verdere verbetering van de toegang leidt. Een elektronische gegevensbank met door gezondheidsinstanties goedgekeurde gebruiks- en gespecialiseerde informatie (Summary of Product Characteristics of „samenvatting van de productkenmerken”) maakt een actuele en gerichte voorlichting over geneesmiddelen mogelijk.

1.5.

Het EESC stelt voor om informatie op de voor slechtzienden meest geschikte manier ter beschikking te stellen, bijvoorbeeld in een groter lettertype of in de vorm van audiobestanden. Daarnaast kunnen voor doven (gebarentaal)video’s ter beschikking worden gesteld, waarin het juiste gebruik van toedieningshulpmiddelen (bijvoorbeeld astmaverstuivers) wordt gedemonstreerd. De communicatie kan ook worden verbeterd door het aanbieden van documenten „in begrijpelijke taal”. Zo kan de doelgroep van mensen met leerproblemen op passende wijze van de informatie kennisnemen en worden opleidingsgerelateerde beperkingen opgeheven.

1.6.

Het EESC stelt bovendien vast dat een portaalsite waarop de door de autoriteiten goedgekeurde informatie wordt gebundeld, een betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke bron van informatie vormt die voldoet aan de criteria inzake toegankelijkheid. Op die manier kunnen patiënten en beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg alle elders verkrijgbare informatie vergelijken met de goedgekeurde basisinformatie.

1.7.

Voor een alomvattende bruikbaarheid dient de ontwikkeling bovendien plaats te vinden door samenwerking van gebruikers en webdesigners met ervaring op het gebied van probleemloze toegang. Er dient een van de vormfactor onafhankelijke oplossing te worden gevonden die de gebruikers in staat stelt om zelf te bepalen op welk eindapparaat (desktopcomputer, tablet, smartphone enz.) zij de informatie, overeenkomstig hun behoeften en mogelijkheden, willen weergeven.

1.8.

Het EESC meent dat de gegevensbank respectievelijk de portaalsite voor door de autoriteiten goedgekeurde informatie moet worden ontwikkeld in nauwe samenwerking tussen alle belanghebbende partijen, dat wil zeggen de farmaceutische industrie alsook patiëntenorganisaties, vertegenwoordigers van personen met een handicap en beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, en moet worden beheerd en gefinancierd door de farmaceutische industrie, zodat optimaal aan de behoeften wordt voldaan.

1.9.

Het EESC acht het van groot belang dat de gevonden oplossingen de gebruiker centraal stellen, zodat ook laagopgeleiden en mensen die slechts sporadisch van internet gebruikmaken, toegang tot de informatie hebben.

1.10.

Het EESC vindt de elektronische toegang tot informatie belangrijk, maar beklemtoont tegelijkertijd dat artsen (met name huisartsen) en andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, zoals apothekers en verplegend personeel, die als eerste aanspreekpunt voor patiënten fungeren, de aangewezen personen zijn om advies over hun ziekten en de behandeling ervan te ontvangen.

1.11.

Het EESC verzoekt de Commissie het projectvoorstel IMI2, voor elektronische productinformatie, te ondersteunen. De lidstaten zouden zich moeten aansluiten bij initiatieven om de bestaande databanken te coördineren.

2.   Inleiding

2.1.

In 2012 heeft de Europese Commissie het „Actieplan e-gezondheidszorg 2012-2020 — Innovatieve gezondheidszorg voor de 21e eeuw” (1) bekendgemaakt. Hierin werden de obstakels beschreven, die een volledige toepassing van digitale oplossingen in de Europese gezondheidszorgstelsels in de weg staan.

2.2.

De Europese Commissie heeft zich tot doel gesteld om de gezondheidszorg ter bevordering van het welzijn van de patiënt te verbeteren, de patiënt meer controle over de behandeling te geven en de kosten te verminderen. Hoewel patiënten, burgers en beroepsbeoefenaren enthousiast gebruikmaken van telegeneeskundige toepassingen en miljoenen Europeanen smartphoneapps hebben gedownload om hun gezondheid en welzijn te volgen, moet het volledige potentieel van de digitale gezondheidszorg nog worden verwezenlijkt om de gezondheidszorgstelsels te verbeteren en kosten te besparen door vergroting van de doeltreffendheid. Het EESC herinnert er in dit verband aan dat daarbij ook rekening dient te worden gehouden met privacy en gegevensbescherming.

2.3.

De WHO hanteert voor e-gezondheidszorg, met inbegrip van telegeneeskunde en m-gezondheidszorg, de volgende definitie: e-gezondheidszorg behelst het gebruik van elektronische media om gezondheidszorgmiddelen over te dragen en gezondheidszorg te bieden. E-gezondheidszorg kan in drie hoofdgebieden worden onderverdeeld:

het overbrengen van gezondheidsinformatie ten behoeve van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en consumenten door middel van internet en telecommunicatie;

het gebruiken van IT en e-handel om volksgezondheidsdiensten te verbeteren, bijvoorbeeld door middel van de opleiding en scholing van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg;

het gebruiken van beheerpraktijken op het gebied van e-handel en elektronisch zakendoen in de gezondheidszorg.

2.4.

De Europese Commissie heeft een groenboek over m-gezondheidszorg  (2) gepubliceerd. Mobiele gezondheidszorg (m-gezondheidszorg) is onderdeel van e-gezondheidszorg en heeft betrekking op geneeskundige en openbare praktijken in de gezondheidszorg die ondersteund worden door mobiele apparaten. Mobiele gezondheidszorg omvat met name het gebruik van mobiele communicatiemogelijkheden ten behoeve van dienstverlening op het gebied van gezondheid en welzijn en voor informatiedoeleinden, alsook mobiele gezondheidstoepassingen.

2.5.

Steeds meer mensen van alle leeftijden maken gebruik van het almaar toenemende aantal elektronische informatievoorzieningen en toepassingen op gezondheidsgebied.

2.6.

Overigens loopt de kwaliteit van deze informatiebronnen sterk uiteen en maken de zoekmachines doorgaans geen onderscheid tussen betrouwbare, officieel goedgekeurde en minder betrouwbare bronnen.

2.7.

Voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg zijn er tal van gecertificeerde informatiesystemen. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, met name huisartsen en apothekers, vervullen een sleutelrol in de zorg; hoogwaardige informatie is noodzakelijk voor goed geïnformeerde beroepskrachten die met succes aan de medische behoeften van de EU-bevolking tegemoetkomen.

2.8.

Het EESC is van oordeel dat patiënten evenzeer behoefte hebben aan eenvoudig toegankelijke, betrouwbare informatie, zodat zij in staat zijn om hun gezondheidszorg beter te organiseren en inspraak uit te oefenen, hetgeen tevens tot uiting komt in beter gevolgde therapieën. Bijzonderheden over onderwijsbehoeften en insluiting van alle groepen (onder wie ouderen en mensen met functiebeperkingen) zijn reeds in eerdere adviezen (3) beschreven.

2.9.

De toegenomen werklast van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en de verschillende mogelijkheden voor de patiënt respectievelijk de burger om te participeren in zorgorganisaties, bijvoorbeeld nationale toelatingsinstanties, comités van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en ethische commissies, vergen uitgebreide kennis.

2.10.

Specifieke opleidingsmogelijkheden voor patiënten worden geboden door de Europese patiëntenacademie voor therapeutische innovatie (EUPATI). Dit consortium wordt gefinancierd door het „Initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen” (IMI), een publiek-privaat partnerschap tussen de Europese Commissie en de „Europese Federatie van Verenigingen van Farmaceutische Bedrijven” (EFPIA).

2.11.

EUPATI is een consortium bestaande uit 29 organisaties dat wordt geleid door het Europees Patiëntenforum (EPF). Aan dit unieke forum nemen niet alleen pan-Europese patiëntenorganisaties deel en academische en het algemeen nut beogende organisaties die deskundig zijn op het gebied van patiëntspecifieke en publieke participatie, maar ook bij de EFPIA aangesloten ondernemingen. EUPATI informeert patiënten, leken in de gezondheidszorg, en moeilijk te bereiken groepen patiënten door publieksvoorlichting te geven over de ontwikkeling van nieuwe behandelwijzen. Via EUPATI kunnen ook cursussen georganiseerd worden voor een beter begrip van informatie over geneesmiddelen of een desbetreffend opleidingsprogramma uitgewerkt worden

2.12.

In een aantal Europese lidstaten is inmiddels elektronische informatie over geneesmiddelen beschikbaar. De gegevensbank FASS (4) is het verst ontwikkeld; zij wordt beheerd door de Zweedse federatie van farmaceutische bedrijven, LIF. Andere voorbeelden van gegevensbanken vinden we in Duitsland, Groot-Brittannië, Finland en Denemarken. Deze gegevensbanken zijn in de regel niet zonder meer toegankelijk voor slechtzienden of bevatten niet het volledige geneesmiddelenassortiment.

2.13.

Bovendien worden niet alle gegevensbanken regelmatig bijgewerkt.

2.14.

Daarnaast hebben de geneesmiddelenautoriteiten toegestaan dat er codes (QR-codes) in de bijsluiters worden opgenomen, die verwijzen naar bijsluiters op de websites van de fabrikanten. Ook in dergelijke gevallen is de toegankelijkheid vaak niet gegarandeerd.

2.15.

Uit deze initiatieven blijkt dat er nog steeds behoefte bestaat aan een geharmoniseerde aanpak om alle maatschappelijke geledingen door middel van deze nieuwe technologieën toegang tot informatie te verschaffen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.    Infrastructuur

3.1.1.

Volgens het EESC draagt de farmaceutische industrie de verantwoordelijkheid voor de nauwkeurigheid en actualiteit van de informatie over haar producten. Elk technologisch systeem dient in nauwe samenwerking met de industrie te worden ontwikkeld, zodat bestaande technische oplossingen kunnen worden benut, en om door de geneesmiddelenautoriteiten te kunnen worden gecontroleerd.

3.1.2.

Het EESC benadrukt dat de manier waarop door de autoriteiten goedgekeurde informatie wordt aangeboden en de toegangsmogelijkheden moeten worden afgestemd met de belanghebbenden in kwestie (geneesmiddelenautoriteiten, patiëntenorganisaties, beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg).

3.1.3.

Een consortium dat belast is met de coördinatie van de ontwikkeling van de gegevensbank respectievelijk de portaalsite kan uit hoofde van IMI (het Initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen) worden opgericht en gefinancierd.

3.1.4.

Bij de opzet van het voorgestelde portaal wordt rekening gehouden met bestaande databanken (zoals die van het EMA).

3.2.    Verdere onderzoeksbehoeften

3.2.1.   Technisch onderzoek en technische ontwikkeling

Er zijn nationale gegevensbanken voorhanden die als model kunnen dienen. Bovendien werd er een extra prototype ontwikkeld om de werking van een gebruiksvriendelijke en ruim toegankelijke gegevensbank te demonstreren, die tevens mogelijkheden voor audio- en videobestanden omvat. Er dient een vrijelijk toegankelijke technische oplossing te worden ontwikkeld waarbij de beschikbare bronnen zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt.

Bij deze technische oplossing moet er daarnaast rekening mee gehouden worden dat de burger respectievelijk de patiënt niet al te veel scantoepassingen op zijn smartphone wil gebruiken. Daarom moet de gegevensbank respectievelijk de portaalsite via traditionele scannertechnologieën bereikbaar zijn.

Om het draagvlak te vergroten, dient te worden gestreefd naar oplossingen die onafhankelijk zijn van de vormfactor. De informatie moet op alle apparaten (desktopcomputer, tablet, smartphone enz.) kunnen worden opgevraagd en geraadpleegd.

Er dient een vergelijking van technische oplossingen te worden uitgevoerd, waarbij ook aspecten van de gezondheidszorgstelsels aan bod dienen te komen (bijvoorbeeld initiatieven van de lidstaten om mensen via televisieaansluitingen of geldautomaten te bereiken, initiatieven op voorstel van de Europese Commissie (5)).

In Italië zijn apotheken bij wet verplicht om geactualiseerde bijsluiters af te drukken, die door de farmaceutische industrie in een gegevensbank zijn opgeslagen. In aanvulling daarop kan de patiënt in de apotheek bijvoorbeeld de mogelijkheid worden geboden om de bijsluiter zelf af te drukken (via een terminal die lijkt op een geldautomaat). Op die manier worden ook mensen bereikt die geen gebruik maken van internet.

3.2.2.   Test van de inhoud en de weergave

Het draagvlak onder het publiek voor de diverse oplossingen moet worden onderzocht en de technische oplossingen moeten worden onderworpen aan gebruikerstests om de werking van de ontwikkelde oplossing te controleren.

Om het draagvlak te vergroten, dienen tijdens het onderzoek structurele vragen aan de orde te worden gesteld over de vereiste controle van de technische oplossing.

Hoe controleren de geneesmiddelenautoriteiten de inhoud?

De inhoud dient zo te worden weergegeven dat deze kan worden afgestemd op de individuele behoeften van de patiënt respectievelijk de burger, en dient tegelijkertijd alle informatie te bevatten die uit hoofde van het vergunningsdossier respectievelijk wettelijk vereist is.

Om alle actoren in staat te stellen snel te reageren, zou de mogelijkheid kunnen worden opgenomen om de informatie (en met name de begrijpelijkheid ervan) door gebruikers te laten beoordelen. Voor de presentatie, verspreiding en uitwisseling zouden sociale media kunnen worden ingezet.

3.2.3.   Onderwijs en opleiding

Het internetgebruik in de verschillende geledingen van de maatschappij loopt sterk uiteen. Vele mensen maken gebruik van sociale netwerken, maar laten de aangeboden informatie links liggen. Een kleine groep mensen (naar schatting 10 % volgens het Duits bureau voor de statistiek) maakt helemaal geen gebruik van internet. Er dient te worden onderzocht:

hoe actief leren kan worden gestimuleerd om bestaande bronnen van informatie voor gezondheidsthema’s te gebruiken (inclusief digitale informatie);

het leren leren (levenslang leren) is één van de acht sleutelcompetenties uit de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (6), die de lidstaten oproept om nationale maatregelen uit te voeren. De „Europese agenda voor volwasseneneducatie” reikt de lidstaten maatregelen aan voor actieve volwasseneneducatie. „Digitale vaardigheden op het gebied van gezondheidszorg” zouden opgenomen kunnen worden in de PIAAC-criteria om de volwasseneneducatie te beoordelen;

wat de verschillende onderwijsinstellingen (universiteiten, centra voor volwassenenonderwijs enz.) en medische instellingen kunnen doen om de veelzijdige vaardigheden te versterken, die bijvoorbeeld nodig zijn om met de nieuwe technologieën te werken, deze te onderhouden en zich in te zetten voor het algemeen nut alsook om sociale en technische expertise over te dragen;

Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg dienen tijdens hun wetenschappelijke opleiding passende training te krijgen. Centra voor volwasseneneducatie kunnen aantrekkelijke cursussen uitwerken die voor de gebruikers op maat gemaakt zijn. Om de doelgroep te bereiken zouden zij samen kunnen werken met beroepskrachten (met name artsen), lokale apotheken en lokale medische en sociale instellingen. Dit is vooral van belang op het platteland, waar mensen geïsoleerder zijn. Met name intergenerationeel leren kan van pas komen bij de uitwisseling van kennis over inhoud en technische vaardigheden.

Brussel, 16 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2012) 736 final.

(2)  COM(2014) 219 final, http://eur-lex.europa.eu/legal-content/DE/TXT/PDF/?uri=CELEX:52014DC0219&from%20=%20EN

(3)  EESC-advies over de Digitale samenleving: toegang, onderwijs, training, werkgelegenheid, instrumenten voor gelijke kansen (PB C 451 van 16.12.2014, blz. 25).

(4)  http://www.fass.se/LIF/startpage?userType=2

(5)  http://www.mobilehealthglobal.com/in-the-news/interviews/46/interview-with-peteris-zilgavis

(6)  PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/19


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over staatssteun aan ondernemingen: effectief en efficiënt?

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/05)

Rapporteur:

Edgardo Maria IOZIA

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 februari 2015 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Staatssteun aan ondernemingen: effectief en efficiënt?

(initiatiefadvies).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 14 juli 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september 2015) onderstaand advies uitgebracht, dat met 198 stemmen vóór en 3 tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is van mening dat effectmetingen voor staatssteun belangrijke instrumenten zijn om te controleren of de resultaten aansluiten bij de beoogde doelstellingen; zo kunnen de middelen doeltreffender en doelmatiger worden toegewezen en beheersprocessen transparanter worden en op grotere schaal ingang vinden.

1.2.

Veel lidstaten hebben al complexe, gestructureerde evaluatiesystemen ontwikkeld. Parallel aan de ontwikkeling van deze systemen is ook de belangstelling van de academische wereld toegenomen, hetgeen heeft geleid tot betere evaluatietechnieken en een hogere precisie van de meetinstrumenten die de steunverlenende autoriteiten ter beschikking staan.

1.3.

De Europese Commissie heeft met de lidstaten een forum op hoog niveau opgezet inzake staatssteun dat ook betrekking heeft op evaluatie.

1.4.

In haar toespraak in december tot het forum op hoog niveau zei de eurocommissaris voor Mededinging Margrethe VESTAGER: „Er zijn twee onderdelen in het moderniseringsprogramma voor staatssteun die van bijzonder belang zijn: transparantie, zodat de burgers weten waar hun geld naartoe gegaan is, en evaluatie, zodat zij weten of dat geld goed is besteed.” Het EESC is het hier roerend mee eens.

1.5.

Het EESC is ingenomen met het debat over effectmetingen in verband met het beleid inzake bedrijfsondersteuning en dringt er bij de Commissie op aan de sinds enkele jaren ingeslagen weg resoluut voort te zetten.

1.6.

Er zij echter op gewezen dat veel steunprogramma’s tegenwoordig niet aan een effectmeting worden onderworpen, met uitzondering van evaluaties die worden voorgeschreven in Europese verordeningen. In veel gevallen wordt in de EU-regelgeving slechts voorgeschreven te certificeren dat afzonderlijke activiteiten formeel voldoen aan de wettelijke vereisten, en wordt dus niet voorzien in een alomvattende, langdurige evaluatie van de doeltreffendheid en efficiëntie van alle investeringen ter ondersteuning van ondernemingen. Het Comité is voorstander van een algemene invoering van effectmetingen en hoopt op een eventuele verlaging van de drempel van 150 miljoen EUR die thans in de algemene groepsvrijstellingsverordening is aangemerkt als relevante drempel voor de gemiddelde jaarlijkse begroting van steunregelingen waarvoor de indiening van een evaluatieplan vooraf vereist is. In het andere geval zouden veel lidstaten immers worden uitgesloten, met name wanneer de betrokken steun hoog is in verhouding tot de grootte van de lidstaat.

1.7.

Het EESC benadrukt hoe het algemene wetgevingskader inzake staatssteun de rol van de Commissie geleidelijk verandert: er vindt een verschuiving plaats van een ooit overheersende, overwegend administratieve cultuur naar een nieuwe vorm van samenwerking met de lidstaten, waarbij gestreefd wordt naar optimalisering van de resultaten van de staatssteun, door zich te richten op de doeltreffendheid en doelmatigheid. Het voornemen tot „modernisering” was een belangrijke stap voorwaarts.

1.8.

De lidstaten moeten passende mechanismen voor evaluatie, uitgevoerd door onafhankelijke instanties, in het leven roepen. Volgens het EESC moeten de sociale partners bij de definitie van het evaluatiemodel worden betrokken zonder de aanzienlijke expertise die is verworven door medewerkers van overheidsinstanties verloren te laten gaan. Zij moeten een rol spelen bij de ontwikkeling van de evaluatieprocedures en deelnemen aan de opstelling van het eindverslag; zo helpen zij mee aan de verspreiding van een evaluatiecultuur binnen hun eigen organisaties en de geleidelijke verbetering van het onderzoeksproces. De Europese Commissie moet bijdragen aan de harmonisatie van de evaluatiecriteria in de lidstaten. Door de vaststelling van vergelijkbare evaluatiecriteria wordt het mogelijk een algemene evaluatie van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van staatssteun uit te voeren.

1.9.

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de specifieke situatie in de regio’s die betrokken zijn bij de staatssteunregeling. De lovenswaardige keuze van de Commissie om meer dan 80 % van alle staatssteun (1) vrij te stellen van voorafgaande aanmelding, maakt het enerzijds mogelijk de steun onmiddellijk te verstrekken maar verhoogt anderzijds in aanzienlijke mate ook de verantwoordelijkheden en kosten voor lokale overheden, en derhalve de overheidsuitgaven. Lidstaten zullen zich dus moeten concentreren op het verstrekken van de nodige middelen voor de organisatie van gerichte opleidingscursussen en de uitwisseling van goede praktijken tussen lokale overheden. Op alle niveaus moet een cultuur van „partnerschappen” worden ontwikkeld.

1.10.

Volgens het EESC zal de nieuwe regeling die de lidstaten de verantwoordelijkheid geeft voor de evaluatie vooraf, resulteren in een algemene stijging van de kosten voor overheidsdiensten en bedrijven, en vergt zij daarom een zorgvuldige planning die een einde kan maken aan overbodige bureaucratische rompslomp en die de procedures kan vereenvoudigen. Voorts zou de termijn van zes maanden voor goedkeuringvan evaluatieplannen van zeer complexe regelingen te beperkt kunnen zijn en zou de opstelling van een contrafeitelijk model voor kleine landen erg moeilijk kunnen zijn.

1.11.

Het EESC pleit voor een snelle goedkeuring van de mededeling over het begrip „staatssteun”, met name om lokale autoriteiten te helpen die door het enorme aantal vrijstellingen van de verplichting tot voorafgaande aanmelding dubbel zo zwaar zijn belast doordat zij moeten nagaan wat staatssteun is en deze moeten implementeren op een wijze die in overeenstemming is met de markt. Bijvoorbeeld in het geval van publieke financiering van cultuur en behoud van het erfgoed maakt de voortdurende rechtsonzekerheid over de vraag wat als staatssteun moet worden beschouwd, dat de besturen ieder optreden moeten beschouwen als een maatregel die onder de staatssteunregels valt, met alle administratieve en procedurele lasten van dien. Dezelfde juridische onzekerheid geldt voor de overheidsfinanciering van alle infrastructuur, met name op basis van de jurisprudentie in de zaak van de luchthaven van Leipzig. Er moet een duidelijk en ondubbelzinnig onderscheid worden gemaakt tussen overheidssteun aan ondernemingen die geen staatssteun is, en staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

1.12.

Hoewel het zeer te spreken is over de inspanningen die reeds zijn geleverd, acht het EESC het noodzakelijk dat deze evaluatiecultuur wordt uitgebreid tot alle bestuurlijke niveaus, zowel regionaal als nationaal, en dus niet wordt beperkt tot de hierboven genoemde gevallen. Met het oog hierop dringt het EESC aan op nieuwe inspanningen van de Commissie en de lidstaten.

1.13.

Uit een analyse blijkt dat de overheid onvoldoende gegevens heeft over de beheerskosten die met het toezicht op staatssteun aan ondernemingen zijn gemoeid. Het is niet mogelijk om een grondige evaluatie uit te voeren van de efficiëntie van deze middelen zonder na te gaan hoeveel er wordt besteed door de overheid; daarnaast moet de steun zelf worden getoetst aan de verkregen resultaten. De transparantie van dit systeem staat of valt met de bekendmaking van deze gegevens. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de totale administratieve kosten zouden neerkomen op ongeveer 5 %, waaraan de kosten van naleving, geraamd op nog eens 5 %, moeten worden toegevoegd, plus de verdere evaluatiekosten die volgens de raming van de Commissie iets minder dan 1 % zouden bedragen. Een bedrag dat waarschijnlijk te laag is geschat maar, objectief gezien, buitensporig lijkt.

1.14.

Het EESC verzoekt de Commissie om geen onverwachte verdere lasten voor de bedrijven te creëren en ervoor te zorgen dat het hele evaluatiesysteem doeltreffender en doelmatiger wordt.

1.15.

Het is erg belangrijk dat bij een beoordeling ook rekening wordt gehouden met de efficiëntie van de administratieve kosten en de kosten die voortvloeien uit de evaluatiemodellen.

1.16.

Vergelijkbaarheid van de verschillende modellen, flexibiliteit ten aanzien van omvang, typologie en indicatoren, door de evaluatie vooraf te vereenvoudigen en de criteria van de evaluatie achteraf te harmoniseren.

1.17.

Het EESC pleit voor een geïntegreerde benadering van de acties van de Commissie die betrekking hebben op verschillende aspecten van het economisch beleid: structuurfondsen, staatssteun, handelspartnerschapsovereenkomsten, ter verzekering van één gemeenschappelijk programma voor het Europees economisch beleid, op basis van ontwikkeling en groei.

1.18.

Het beveelt aan dezelfde criteria te gebruiken als in de gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (2). Volgens deze criteria moeten alle mogelijke belanghebbenden verplicht worden geraadpleegd zodat een specifieke verordening kan worden opgesteld met het oog op de evaluatie van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van staatssteun.

1.19.

De transparantie van de verrichte evaluaties moet via een zo ruim mogelijke publiciteit worden gewaarborgd, zoals dit in sommige lidstaten reeds het geval is voor ondernemingen en het bedrag van de toegekende steun.

1.20.

Het EESC zou graag zien dat de evaluatieplannen betrekking hebben op:

de verwezenlijking van de beleidsdoelstelling;

de impact op de concurrentie en het handelsverkeer;

de doeltreffendheid/doelmatigheid van het instrument;

een controle vooraf van de voorwaarden voor de voortzetting van de regeling of voor soortgelijke regelingen op microniveau (specifieke steun);

het stimulerend effect.

1.21.

Het EESC wenst betrokken te worden bij dit proces van evaluatie van de algemene doeltreffendheid en doelmatigheid van het staatssteunsysteem op het einde van de periode 2014-2020.

2.   Inleiding

2.1.

Staatssteun kan de concurrentie vervalsen en voor fragmentering van de interne markt zorgen, hetgeen indruist tegen de aard en de geest van de Verdragen, als er geen duidelijk regelgevingskader bestaat, als de steun niet gericht is op productieve activiteiten en bedrijven die met name investeren in innovatie, onderzoek en ontwikkeling die op economisch en sociaal gebied voordeel opleveren, en als er geen beperkingen zijn opgelegd of toezicht wordt uitgeoefend.

2.2.

Anderzijds vereist de negatieve economische situatie — die al verscheidene jaren aansleept en die tot ernstige nationale crises heeft geleid die onvermijdelijk van invloed zijn op bedrijven, werknemers en burgers — een relatief flexibele benadering, zoals gehanteerd door de grote concurrenten van de EU op de internationale markten die zich niet aan staatssteunregels hoeven te houden. Het concurrentievermogen van de Europese bedrijven moet een belangrijke referentiebenchmark zijn. Europa kampt met een nijpend tekort aan banen. Investeringen zijn met 15 % gedaald sinds hun piek in 2007 en 25 miljoen Europeanen zitten nog steeds zonder werk. Vijf miljoen daarvan zijn jongeren. Vrouwen vormen de meerderheid (3).

2.3.

Uit een interessante studie van het Europees Parlement (4) is gebleken dat er grote verschillen bestaan tussen de regelingen die van kracht zijn in de EU en in de VS. „Het EU-mededingingsbeleid kent strenge regels voor staatssteun, terwijl de Amerikaanse wetgeving geen bepalingen bevat op dit gebied.” Op verzoek van de toenmalige commissaris Joaquin ALMUNIA is er een Europees voorstel voor regulering van staatssteun opgenomen in de huidige onderhandelingen tussen de EU en de VS over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) (5).

2.4.

Het voorstel lijkt zwak en in wezen onbeduidend (6). De Europese wetgeving blijft de meest restrictieve ter wereld. Hoewel dit enerzijds bevorderlijk is voor de voltooiing van de interne markt, is het anderzijds ook een straf voor onze bedrijven. Een Europees bedrijf dat actief is in de Verenigde Staten, komt in aanmerking voor staatssteun die in de EU niet toegelaten is. Dit zal gemakkelijker worden gemaakt als de overeenkomst eenmaal is goedgekeurd. Het EESC dringt er bij de Commissie met klem op aan om Amerikaanse bedrijven niet te bevoordelen in de vrijhandelsovereenkomst.

2.5.

Uit de tot dusver opgedane ervaring is gebleken dat er behoefte is aan een grondige herziening van het Europese staatssteunprogramma.

2.6.

Door de economische en financiële crisis van de afgelopen jaren is een radicale herziening van de bestedingscriteria voor het bepalen van het beleid van openbare investeringen en van steun aan ondernemingen op alle bestuursniveaus noodzakelijk geworden. Gezien de schaarste en de beperkte beschikbare middelen is het de hoogste tijd dat er een betere manier wordt gevonden voor het rationaliseren van de steun en het beperken van de steunverlening tot gevallen waarin er voldoende toegevoegde waarde wordt gecreëerd (die de kwaliteit van de steunverlening zullen verbeteren en — tegelijkertijd — een goede monitoring van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze steun mogelijk maken).

2.7.

Het EESC acht het wenselijk om na te gaan welk effect het gevoerde beleid op het gebied van bedrijfssteun heeft gehad, of de gebruikte steuninstrumenten geschikt zijn en of de kosten van administratie en beheer in verhouding staan tot de verkregen resultaten. Feit is dat wat niet kan worden gemeten, niet kan worden geïdentificeerd of verbeterd. De maatregelen die tot dusver zijn genomen, hebben dit proces in beweging gezet.

2.8.

„Evaluatie lijkt een technische kwestie die alleen een kleine academische onderzoeksgemeenschap aanspreekt, maar wordt uitgevoerd door een grotere gemeenschap van adviesbureaus die gespecialiseerd zijn in financiële controle of in de evaluatie van projecten en programma’s. Maar nu evaluatie een centrale plaats inneemt op de agenda voor slimme regelgeving van de Europese Commissie, is dit onderwerp uitgegroeid tot een belangrijk thema van het regelgevingsbeleid, dat belangrijke vragen doet rijzen over governance en institutionele aangelegenheden die het terrein van de uitgavenprogramma’s overstijgen.” (7)

2.9.

Sinds 2008 heeft het directoraat-generaal (DG) Regionaal en Stedelijk Beleid contrafeitelijke evaluatieprogramma’s ontwikkeld ter ondersteuning van bestaande evaluaties (ex ante en ex post), die werden uitgevoerd in het kader van de programmering van de structuurfondsen.

2.10.

In mei 2012 heeft DG Mededinging, als onderdeel van zijn programma voor modernisering van het staatssteunbeleid (SAM), het gebruik van effectmetingen ingevoerd, waarbij een beroep wordt gedaan op contrafeitelijke analysetechnieken voor bepaalde steunregelingen (8). Met name de nieuwe algemene groepsvrijstellingsverordening maakt de evaluatie van grote steunregelingen (met een jaarlijks budget van meer dan 150 miljoen EUR) verplicht in bepaalde sectoren, zoals het regionaal ontwikkelingsbeleid, steun aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), onderzoek, ontwikkeling en innovatie, milieu- en energiebeleid en steun voor breedbandinfrastructuur. Een aantal nationale plannen zijn reeds ingediend (vier) en andere op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie en breedband worden overwogen (circa tien).

2.11.

De Europese Rekenkamer heeft onlangs ingegrepen in het geval van resultaatbeoordelingssystemen van EuropeAid, omdat het deze ontoereikend vond (9). De beoordelingssystemen die worden gebruikt bij alle activiteiten van de Commissie, worden momenteel tegen het licht gehouden.

2.12.

Meer samenhang tussen de evaluatiemethoden die worden gebruikt voor de toetsing van staatssteun en de resultaten van het gebruik van de structuurfondsen, is essentieel, evenals een grondige evaluatie van alle bestedingsbeleid van de Unie.

2.13.

Het doel van een contrafeitelijke aanpak van de effectmeting van overheidsbeleid is na te gaan of het beleid een gewenste wijziging tot stand kan brengen in het gedrag of de situatie van een bepaalde doelgroep van begunstigden. In essentie wordt bepaald in welke mate de steun — en niet andere factoren — heeft bijgedragen tot het bereiken van een bepaald resultaat. Dit wordt soms het „stimulerend effect” genoemd.

2.14.

Het doel van de beoordelingsprocedure is na te gaan wat het causale effect is van het gevoerde beleid, waarbij met name alleen naar de rechtstreekse gevolgen van dat beleid wordt gekeken. Met andere woorden, mogelijke verstoringen als gevolg van algemene macro-economische omstandigheden of de heterogeniteit van ondernemingen worden geëlimineerd.

2.15.

Het causale effect is het verschil tussen de waarneembare uitkomstvariabelen na uitvoering van het beleid (de feitelijke situatie) en wat er gebeurd zou zijn als dit specifieke beleid niet gevoerd zou zijn (het nulscenario).

2.16.

Dit soort analyse volgt op verzoeken tot vaststelling van het bewijs van het netto-effect van de steun en de omvang van dit effect. Er wordt bijvoorbeeld nagegaan of de steun positieve of negatieve effecten heeft, en in welke mate, of de waargenomen veranderingen werkelijk toe te schrijven zijn aan het gevoerde beleid, of de resultaten verschillen per begunstigde (kleine of grote ondernemingen), tussen regio’s of in de tijd, en of de beheers- en administratieve kosten evenredig en duurzaam zijn.

2.17.

Hoewel dit onderwerp uitvoerig is behandeld in de economische literatuur, met name in de afgelopen decennia, zijn er slechts een paar gevallen bekend van overheden in Europese lidstaten die steeds en algemeen gebruikmaken van effectmetingen ter controle en verbetering van hun bedrijfssteunbeleid.

2.18.

De interessantste gevallen omvatten inspanningen van het Verenigd Koninkrijk, dat sinds 2001 regelmatig regionale steunprogramma’s heeft geëvalueerd met behulp van quasi-experimentele evaluatietechnieken, en Nederland, dat in 2012 een Expertwerkgroep Effectmeting oprichtte. Finland heeft het Fins Innovatieagentschap, TEKES, opgezet en Slovenië nam in 2001 de Wet monitoring staatssteun aan.

2.19.

Met dit advies wil het EESC bijdragen aan discussies die worden gevoerd door de Europese Commissie en de lidstaten over de doeltreffendheid en efficiëntie van steunmaatregelen voor ondernemingen en over de noodzaak om het gebruik van effectmetingen uit te breiden.

3.   Waarom evalueren? Lessen uit de literatuur

3.1.

Doel van dit advies is, op basis van empirisch bewijs van contrafeitelijke analyses, het belang van evaluatie aan te tonen. Evaluatie mag niet langer worden beschouwd als een academische exercitie, maar moet als een essentieel, geïnstitutionaliseerd onderdeel van de beleidscyclus worden gezien: uitvoeren, monitoren, evalueren, bijsturen.

3.2.

Daarom wordt een aantal studies bekeken die zijn uitgevoerd in verschillende Europese lidstaten, en wordt een overzicht gegeven van de fundamentele lessen die zijn getrokken, nl. wat is het effect op de groei van investeringen, productiviteit, werkgelegenheid, innovatie en de kosten van het stelsel, en wat zijn de beleidsimplicaties hiervan. Deze indicatoren geven inzicht in de effecten op groei en benadrukken de noodzaak van gerichte, kwalitatief hoogstaande steun.

3.3.

Hoewel in de literatuur doorgaans wordt gewezen op het bestaan van een positief verband tussen overheidssteun voor ondernemingen en de groei van de output (investeringen, werkgelegenheid, nieuwe producten), moet worden vastgesteld dat het stimulerende effect van steun niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd. Er zijn immers verschillende andere factoren die van invloed zijn op het welslagen van een beleid, zoals de algemene economisch trend, de werking van de markt en het algemene belastingstelsel.

3.4.

In een studie waarin wordt nagegaan wat de mogelijke gevolgen zijn van Wet 488 in Italië, tonen MARTINI en BONDONIO (2012) aan dat bedrijven die rechtstreekse steun ontvingen, een daling van de particuliere investeringen te zien geven. In dit geval lijkt rechtstreekse staatssteun aan bedrijven te hebben geleid tot een afname van de particuliere investeringen, waardoor de behoefte aan particuliere middelen is afgenomen. Staatssteun moet een aanvulling zijn op investeringen maar mag deze niet vervangen.

3.5.

In de vakliteratuur wordt ook een aantal belangrijke punten van zorg aangetroffen in verband met de impact van steun op de productiviteit. In een evaluatie-onderzoek naar Britse ondernemingen die steun ontvingen in het kader van de „Regional Selective Assistance (RSA)”, legt CRISCUOLO (2012) uit hoe de groei van de productiviteit statistisch gezien niet significant was (10).

3.6.

Deze bevindingen lijken te stroken met ander empirisch bewijs waaruit blijkt hoe rechtstreekse steun vaak een positief effect heeft op de omvang van de productie, zonder echt invloed te hebben op de productiviteit. Met andere woorden: de bedrijven die steun ontvangen, groeien zonder efficiënter te worden. Zo vergroot het risico dat niet-concurrerende ondernemingen op de markt blijven.

3.7.

Met statistische-econometrische modellen, die de impact van steun aan de hand van een contrafeitelijke aanpak vaststellen, is het ook mogelijk om de netto-effecten van specifieke steunmaatregelen op de werkgelegenheid aan te tonen. Dit maakt het mogelijk de kosten per „gecreëerde” arbeidseenheid te meten.

3.8.

Vaak is er een discrepantie tussen het aantal nieuwe arbeidseenheden die rechtstreeks zijn toe te schrijven aan de steun, en de statistische gegevens die achteraf worden genoteerd. In een studie over maatregelen ter ondersteuning van kmo’s in Polen, toont TRZCIŃSKI (2011) aan dat van de 25 000 nieuwe banen die zijn „gecreëerd” door steun, er slechts 10 550 daadwerkelijk zijn toe te schrijven aan het gevoerde beleid (11). BONDONIO en MARTINI (2012) kwamen tot dezelfde conclusie. Van de 89 000 banen die geregistreerd werden tijdens de beoordeling achteraf van Wet 488, waren er slechts 12 500 daadwerkelijk gecreëerd voor een bedrag van 232 000 euro per arbeidseenheid (12). Er moet rekening worden gehouden met de impact die staatssteun heeft op de bestaande werkgelegenheid en derhalve op de bescherming van de lokale, regionale of nationale economie.

3.9.

Het effect van steun aan ondernemingen is afhankelijk van het bedrag van de verleende steun, de omvang van het bedrijf, het geografische gebied waar het zich bevindt en het type toegezegde steun. Beleidsmakers moeten over het empirisch bewijs van dergelijke analyses beschikken; dat kan sturing geven aan hun keuzes en hen helpen begrijpen welke soort steun het geschiktst is en in welke context. Zoals inmiddels duidelijk is aangetoond, is het nodig om gerichte steunmaatregelen te nemen, teneinde de efficiëntie en doeltreffendheid van het beleid te verbeteren.

4.   Opmerkingen

4.1.

De Europese Commissie moet blijven werken aan een betere bekendheid met de meest gebruikelijke beginselen en methoden op het gebied van effectmeting. Het EESC is van mening dat er workshops over evaluatietechnieken en beschikbare methoden moeten worden gehouden in diverse lidstaten, in samenwerking met universiteiten, onderzoeksinstellingen, sociale partners en andere belanghebbenden. Deze ervaring zal de Commissie helpen om meer inzicht te krijgen in de problemen die zich bij de toepassing van de regelgeving voordoen, en om snel op te treden op dit gebied.

4.2.

Hoewel de inspanningen van de Commissie moeten worden toegejuicht, is het belangrijk dat meer steunregelingen worden geëvalueerd, met name wanneer het om hoge steunbedragen gaat. Ook is het van essentieel belang een debat te stimuleren over methoden die bedoeld zijn om contrafeitelijke evaluatietechnieken aan te vullen met nieuwe evaluatie-instrumenten die ook de effecten van andere vormen van steun aan ondernemingen kunnen toetsen (financiële steun, indirecte steun, industriebeleid an sich).

4.3.

Het EESC hamert op de noodzaak een passende pluralistische methodologie te ontwikkelen wat de beoordelingscriteria en benchmarks betreft. De Commissie bevestigt (13) dat „dit ervoor zal zorgen dat overheidssteun innovatie, groene technologie en de ontwikkeling van het menselijk kapitaal stimuleert, schade aan het milieu helpt te voorkomen en uiteindelijk bijdraagt aan groei, banen en het concurrentievermogen van de EU”. Dit zijn allemaal elementen die bijdragen aan de evaluatie van de impact van de staatssteun, waarbij niet alleen naar de kosten wordt gekeken. Het Europees Parlement dringt erop aan dat dit zou worden meegenomen bij de vaststelling van de evaluatiemethoden en in de Europese regelgeving inzake staatssteun, omdat deze de economische beleidskeuzes van de lidstaten sterk beïnvloedt. Het EESC benadrukt voorts ook dat vrije toegang tot evaluatiegegevens ook van belang is voor het onderzoek, teneinde de methodologie te verbeteren.

4.4.

Het zou nuttig zijn voor de Commissie om met nationale en Europese statistische instanties de mogelijkheid te bekijken om een betrouwbare database voor steun aan ondernemingen op te zetten, als onderdeel van een methodologisch kader. Dit zou de transparantie van het besluitvormingsproces ten goede komen en zou ook een stimulans zijn voor de betrokken overheden en onderzoekers om onderzoeks- en evaluatieactiviteiten te ontplooien.

4.5.

Universiteiten en onderzoekscentra zouden een doorslaggevende rol kunnen spelen in het verschuiven van de aandacht naar een evaluatiecultuur en in de verspreiding van nieuwe en meer geavanceerde instrumenten voor de evaluatie van het overheidsbeleid. Bovendien zou de Europese Commissie gebruik kunnen maken van onafhankelijke onderzoeksinstellingen om casestudy’s uit te voeren met het oog op de beoordeling van de doeltreffendheid van steun in bepaalde sectoren, zoals steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, steun voor kmo’s, steun voor de energiesector en steun voor infrastructuur.

4.6.

Aangezien de evaluaties die krachtens de nieuwe communautaire regelgeving zijn vereist, geen passende aandacht schenken aan het effect dat het beleid inzake bedrijfsondersteuning heeft op de Europese economie als geheel, is het wenselijk dat de Commissie aan het eind van de huidige programmeringsperiode (2014-2020) een verkennende studie laat uitvoeren over dit onderwerp. In deze studie moet worden nagegaan welke factoren het meest bepalend zijn voor de manier waarop de steun wordt besteed, worden omschreven hoe de steun aan ondernemingen zich verhoudt tot het economisch potentieel van de steunverlenende autoriteit en worden getracht inzicht te verkrijgen in het verband tussen het cohesiebeleid en het mededingingsbeleid.

4.7.

Met dit advies zet het EESC de eerste stap naar het meten van de impact van staatssteun aan ondernemingen. Het reageert hiermee ook op de werkzaamheden die de Commissie op dit vlak heeft verricht en die het onderschrijft. Wel vindt het EESC het essentieel dat het debat wordt verbreed en verdiept. Het zal de werkzaamheden van de Commissie op de voet blijven volgen en, waar mogelijk, een cultuur van evaluatie van doeltreffendheid en doelmatigheid bevorderen.

Brussel, 16 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Toespraak van Eurocommissaris voor Mededinging Margrethe Vestager op het forum op hoog niveau van de lidstaten, 18 december 2014.

(2)  PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1.

(3)  http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/refreshTableAction.do?tab=table&plugin=1&pcode=teilm020&language=en

(4)  http://www.europarl.europa.eu/RegData/bibliotheque/briefing/2014/140779/LDM_BRI(2014)140779_REV1_EN.pdf

(5)  http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/january/tradoc_153019.6%20Competition%20SoE%20Subsidies%20merged.pdf

(6)  http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/january/tradoc_153031.pdf

(7)  http://www.lexxion.de/pdf/ejrr/ejrr_2015_01-005.pdf

(8)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

(9)  http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/INSR14_18/INSR14_18_NL.pdf

(10)  Criscuolo, C., Martin, R., Overman, H. en Van Reenen, J. (2012), „The causal effects of an industrial policy”, CEPR Discussion Papers 8818.

(11)  Trzciński, R. (2011), „Towards Innovative Economy — Effects of Grants to Enterprises in Poland”, ed. Jacek Pokorski.

(12)  Martini, A. en Bondonio, D. (2012), „Counterfactual impact evaluation of cohesion policy: impact and cost effectiveness of investment subsidies in Italy”, Verslag voor de Europese Commissie, DG Regio.

(13)  COM(2012) 209 final.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/26


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de economie van het algemeen goed: een duurzaam economisch model gericht op sociale samenhang

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/06)

Rapporteur:

Carlos TRIAS PINTÓ

Corapporteur:

Stefano PALMIERI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft op 19 februari 2015 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

„De economie van het algemeen goed: een duurzaam economisch model gericht op sociale samenhang”

(initiatiefadvies).

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 juli 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 17 september 2015) onderstaand advies uitgebracht, dat met 144 stemmen vóór en 13 stemmen tegen, bij 11 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is van mening dat het model van de economie van het algemeen goed (hierna: EAG) (1) moet worden geïntegreerd in Europese en nationale wetgeving om de voltooiing van de interne markt te bevorderen middels een meer ethische economie, die gebaseerd is op Europese waarden en de verworvenheden van het beleid voor maatschappelijk verantwoord handelen en deze door synergiewerking versterkt.

1.2.

De EAG is een holistisch model dat nauw aansluit bij de kernwaarden van de sociale economie, de kringloopeconomie, de deeleconomie, de toepassingsgerichte economie, de op hulpbronnen gebaseerde economie en de blauwe economie.

1.3.

Het model geniet de steun van het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven en academici en wordt gezien als een haalbare manier om de Europese waarden en de sociale samenhang te versterken en een verantwoord economisch systeem te bevorderen. Meer dan honderd lokale groepen en bijna 2 000 ondernemingen (2) en maatschappelijke organisaties steunen het model.

1.4.

In overeenstemming met de door de Europa 2020-strategie uitgezette beleidslijnen wordt gestreefd naar een „Europese ethische markt” die sociale innovatie, werkgelegenheid en zorg voor het milieu hoog in het vaandel draagt. Deze „Europese ethische markt” kan door een combinatie van strategieën gestalte krijgen:

1.4.1.

Gebruik van andere indicatoren dan het bbp (3) om welzijn en sociale ontwikkeling te meten, zoals het product van het algemeen goed en de balans van het algemeen goed.

1.4.2.

Ontwikkeling van beleid ter erkenning van ondernemingen die een grote bijdrage leveren aan het algemeen goed, zoals ethische openbare aanbestedingen en bevordering van ethische interne handel.

1.4.3.

Bevordering van ethische externe handel als het handelsmerk van Europa: zo zal Europa de weg banen om erkend te worden als ethische markt en zullen Europese ondernemingen op de mondiale ethische markt de toon aangeven bijdragen tot de bevordering van mensenrechten, arbeidsnormen en milieubescherming.

1.4.4.

Bevordering van allerlei soorten ondernemers die een onderneming willen starten waarmee ze bijdragen tot het algemeen goed.

1.4.5.

Bevordering van ethische consumptie en bewustwording van de Europese consument.

1.4.6.

Versterking van de diversiteit van het financiële ecosysteem door netwerken van ethische banken en aandelenmarkten in de EU te promoten.

1.5.

Het EESC dringt erop aan dat de Commissie in het kader van haar hernieuwde strategie voor maatschappelijk verantwoord ondernemen een kwalitatieve sprong voorwaarts maakt door ondernemingen die op ethisch vlak aanwijsbaar beter presteren daarvoor te belonen (via openbare aanbestedingen, toegang tot externe markten, belastingvoordelen enz.).

2.   Inleiding

2.1.

De economie en dus ook het economisch beleid spelen een centrale rol in de hedendaagse samenleving en zijn doorslaggevend voor het welslagen van ander basisbeleid voor het welzijn van de burger, zoals het beleid voor onderwijs, gezondheid, sociale diensten, cultuur, milieu, technologie en innovatie. De lokale en regionale economische situatie is van grote invloed op het beleid op deze terreinen.

2.2.

De crisis, die nog steeds een negatieve impact heeft op economieën van de lidstaten en de levensstandaard van de Europese burger, heeft aangetoond dat het sociale en economische stelsel van de EU weinig veerkrachtig is.

2.3.

Volgens een wereldwijde opiniepeiling van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (International Trade Union Confederation — ITUC) uit 2014 (4) is er geen enkel land waar het economisch stelsel door de meeste mensen als eerlijk wordt beschouwd. Vier op de vijf mensen (78 %) zijn van mening dat het economisch stelsel de welgestelden bevoordeelt. 88 % van de Duitsers en 90 % van de Oostenrijkers wil een „nieuwe economische orde” (opiniepeiling van de Bertelsmann-stichting (5)) en hetzelfde geldt ongetwijfeld voor de landen die het zwaarst hebben geleden onder de economische crisis, zoals Griekenland, Portugal, Ierland, Spanje en Italië.

2.4.

Gelet op de vooruitgang die de Commissie met betrekking tot sociale innovatie heeft geboekt en gezien het advies van het EESC „Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (SC/39), zijn verslag over „De tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie” en het initiatief van de stuurgroep Europa 2020 „Laat het ons over geluk hebben — voorbij het bbp”, is het duidelijk dat, om het economisch concurrentievermogen en de sociale samenhang doeltreffend te versterken, een paradigmaverschuiving nodig is: economische, milieu- en sociale doelstellingen dienen in nauwe samenhang met elkaar te staan en er moet een beter evenwicht worden bereikt tussen kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van ontwikkeling middels een holistische aanpak.

2.5.

Het model van de economie van het algemeen goedbiedt een goede aanvulling, waarvoor in heel Europa maatschappelijk draagvlak is. De doelen en waarden van dit model gaan verder dan wat normaliter onder maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt verstaan en dankzij zijn holistische benadering kan het de meest uiteenlopende maatschappelijke actoren samenbrengen.

2.6.

In amper vier jaar is de EAG uitgegroeid tot een sociale beweging die ondersteund wordt door meer dan honderd lokale groepen, bijna 2 000 ondernemingen en maatschappelijke organisaties en een groeiend aantal universiteiten, onder meer uit Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland, Italië en Spanje. Daarnaast hebben de Italiaanse regio Zuid-Tirol en verscheidene lokale overheden in een aantal Europese landen gekozen voor het EAG-model op hun grondgebied.

3.   De economie van het algemeen goed: doel, waarden, strategie en indicatoren

3.1.

Een samenleving moet met inachtneming van de grondwet het welzijn van elk van haar leden nastreven.

3.2.

Overeenkomstig deze richtsnoeren, zoals vastgelegd in artikel 3, leden 1, 2 en 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (6), is de belangrijkste gedachte achter het EAG-model: de economie moet het volk, met andere woorden het algemeen goed, dienen . Uitgangspunt dient derhalve te zijn dat geld en kapitaal belangrijke instrumenten zijn — voor handel en investeringen — maar nooit een doel op zich.

3.3.

Universeel erkende waarden, zoals de menselijke waardigheid, solidariteit, ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid, transparantie en democratische participatie, vormen de grondslag van een dergelijk economisch model gericht op het algemeen goed.

3.4.

Door het algemeen goed als centrale doelstelling van de economie te erkennen is een speciale methode nodig om economisch succes niet alleen te meten aan de hand van de middelen maar ook aan de hand van de nagestreefde doelen: het product van het algemeen goed, de balans van het algemeen goed en de kredietwaardigheidsbeoordeling van het algemeen goed, die een aanvulling vormen op respectievelijk het bbp, de balans en de financiële kredietwaardigheid.

3.5.

De EAG is een holistisch model waarin de economie geïntegreerd wordt in het sociale, culturele en ecologische raamwerk van de Europese samenleving. Zoals onderstaande tabel laat zien, verenigt het EAG-model de basiswaarden van verschillende voorstellen voor een andere economische orde:

EAG-WAARDEN/MODELLEN

Menselijke waardigheid

Solidariteit/samenwerking

Ecologische duurzaamheid

Sociale rechtvaardigheid

Democratie

Sociale economie

X

X

X

X

X

Kringloopeconomie

 

 

X

 

 

Deeleconomie

 

X

 

 

X

Toepassingsgerichte economie

 

X

X

 

 

Op hulpbronnen gebaseerde economie

 

 

X

X

 

Blauwe economie

 

 

X

 

 

Bron: Eigen tabel.

3.6.

De EAG is een economisch model dat positief kan bijdragen tot de Europa 2020-strategie, m.n. door:

de werkgelegenheid te bevorderen en de kwaliteit van bestaande banen te verbeteren („menselijke waardigheid” en „sociale rechtvaardigheid”);

sociale innovatie in het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven en de politiek („participatie” en „democratie”) te bevorderen;

de CO2-uitstoot te verminderen, hernieuwbare energiebronnen te bevorderen, de energie-efficiëntie te verbeteren en het energieverbruik te reduceren („ecologische duurzaamheid”);

het percentage mensen dat in armoede dreigt te vervallen of onder sociale uitsluiting lijdt te verminderen („solidariteit” en „sociale rechtvaardigheid”).

3.6.1.

De EAG is een proces van „sociale innovatie” en positief ondernemerschap dat van nut kan zijn om nieuwe ideeën te propageren en te ondersteunen die sociale behoeften helpen vervullen, nieuwe sociale betrekkingen creëren en de economische waardeschepping stimuleren. „Innovatie” verwijst in dit verband naar het vermogen om ideeën te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen die aantoonbaar waarde creëren, en „sociaal” heeft betrekking op aspecten als levenskwaliteit, solidariteit, geluk en welzijn.

3.7.

De EAG is een instrument om een veerkrachtig sociaal en economisch systeem op te bouwen dat het Europees maatschappelijk middenveld „bescherming en de mogelijkheid tot ontwikkeling” biedt, aanzetten biedt tot oplossingen en, waar mogelijk, crises voorkomt en daarnaast bijdraagt tot economische en sociale hervormingen. De EAG is het model bij uitstek om veerkracht centraal te stellen in processen die de overgang van crisis naar herstel en ontwikkeling ondersteunen.

3.7.1.

De factor veerkracht is van belang voor het vermogen van het maatschappelijk middenveld om te reageren op grote omwentelingen en onverwachte spanningen en crises. Er zijn ook nu al manieren om maatschappelijke organisaties te leren hoe zij crises kunnen afwenden of ermee om moeten gaan, maar hierbij zijn een efficiëntere aansturing en nauwere samenwerking nodig op de diverse niveaus van institutionele, economische en sociale belangenbehartiging.

3.8.

Bevordering van het vermogen van de economische en sociale partners om de effecten van de crises en structurele veranderingen op te vangen, te beheren en te voorkomen is van cruciaal belang voor het streven van het maatschappelijk middenveld om mensen een levensstandaard te helpen bereiken waarmee zij in hun behoeften kunnen voorzien. Die aanpak ondersteunt ook het economisch concurrentievermogen van de EU in die zin dat het sociale samenhang en duurzaamheid bevordert vanuit de gedachte dat toekomstige generaties niet minder kansen mogen hebben dan wij.

3.9.

Met het oog hierop gaat het EAG-model uit van een rechtstreekse participatie van de mensen in zowel het bedrijfsleven als de politiek. Instrumenten als de balans van het algemeen goed en met name de gemeentelijke index van het algemeen goed zijn gebaseerd op actieve deelname van alle belanghebbenden.

4.   Overgang naar een Europese ethische markt

4.1.

Door de kwalijke gevolgen die ze hebben ondervonden van de recente economische en financiële crisis, leggen de mensen in Europa zich niet meer zo snel neer bij inkomensverlies, bezuinigingen op sociale steun en diensten, milieuschade, economische en arbeidsonzekerheid en het afnemende gewicht van sociale rechten en consumenten- en gebruikersrechten.

4.2.

Anderzijds hebben de vrijwillige, onvoldoende ambitieuze maatregelen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de gebrekkige informatie dienaangaande een nieuwe impuls nodig, want in veel grote ondernemingen groeit de loonkloof, in de besluitvormingsechelons zijn weinig vrouwen vertegenwoordigd en de bereidheid om jonge werknemers te begeleiden in hun loopbaanontwikkeling neemt af.

4.3.

Veel ondernemers en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) staan door oneerlijke mededinging en onethische praktijken op de rand van de afgrond. De mensen dringen aan op een economie die gebaseerd is op waarden, zoals die, in theorie, zijn vastgelegd in de nationale grondwet van elk land.

4.4.

Het slinkende sociaal engagement komt ook tot uiting in een dalend vertrouwen van de burger in instellingen en in degenen die hem vertegenwoordigen. Wil de Europese Unie dit — hoogst nodige — vertrouwen terugwinnen en de sociale en territoriale samenhang versterken, dan zal zij haar beleid moeten herzien en een nieuwe strategie moeten bedenken om tegemoet te komen aan de behoeften en waarden van de mensen.

4.5.

Het EESC heeft in zijn advies over de jaarlijkse groeianalyse 2014 opgeroepen om het scorebord van sociale indicatoren proactief op te nemen in het Europees semester, zodat dit eenzelfde status krijgt als de macro-economische en begrotingsindicatoren. Daarnaast heeft het ervoor gepleit om in de doelstellingen, methoden en instrumenten van het Europees semester plaats te blijven inruimen voor vergroening van de huidige industriële procedés in de verschillende bedrijfstakken en voor vergroening van de economie in haar geheel, om met een duurzamer ontwikkelingsmodel een uitweg uit de crisis te vinden.

4.6.

Het EAG-model is daarom gericht op de overgang naar een „Europese ethische markt”, waarin economisch en handelsbeleid in overeenstemming zijn met culturele en universeel erkende waarden. Door middel van deze strategie kunnen de Europese economie en Europese ondernemingen zich internationaal profileren als voortrekkers op het gebied van de bescherming en bevordering van mensenrechten, kwaliteit en zin van arbeid en bescherming van het milieu.

4.7.

Dit model wil organisaties erkennen die producten en diensten verhandelen die in overeenstemming zijn met ethische criteria en bijdragen tot het algemeen goed. Producten en diensten die niet voldoen aan ethische minimumcriteria over de gehele linie van de waardeketen zouden niet langer renderen.

4.8.

Kortom, het EAG-model komt qua waarden overeen met het traditionele concept van maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar gaat qua doelstellingen en methoden verder. In Europa kwam maatschappelijk verantwoord ondernemen aanvankelijk neer op de gedachte dat „een deel van de geproduceerde winst aan de samenleving moet worden teruggegeven”, maar later kwam „maximalisatie van de gemeenschappelijke waardeschepping voor de eigenaars/aandeelhouders van de ondernemingen in kwestie en voor de andere belanghebbenden en de maatschappij in haar geheel” centraal te staan (7). In veel ondernemingen is maatschappelijk verantwoord ondernemen gereduceerd tot liefdadigheidsacties en initiatieven voor pr-doeleinden.

5.   Toekomstige strategieën voor de opbouw van een Europese ethische markt

5.1.

Voor de opbouw van een Europese ethische markt worden verschillende strategieën voorgesteld. In een eerste stadium zullen de bijdragen van ondernemingen aan het algemeen goed worden gemeten en zal een geharmoniseerde Europese niet-financiële rapportage worden ontwikkeld. In een tweede stadium volgt de ontwikkeling van ethische etikettering om het maatschappelijke middenveld te informeren over de prestaties van ondernemingen. Via ethische openbare aanbestedingen en beleidsmaatregelen gericht op de opbouw van een ethische interne en internationale markt zullen ondernemingen die een hogere bijdrage leveren aan het algemeen goed worden erkend. Tot slot zullen ondernemerschap, consumptie en bankenbeleid in overeenstemming worden gebracht met de beginselen van het algemeen goed. Dit alles dient te gebeuren zonder extra administratieve rompslomp te creëren en met gebruikmaking van marktmechanismen.

5.2.

Meting van de bijdrage van ondernemingen aan het algemeen goed m.b.v. een balans van het algemeen goed. De balans van het algemeen goed meet het niet-financiële deel van het succes van een onderneming: het ethische succes en de bijdrage aan het algemeen goed. In de huidige versie van de balans van het algemeen goed worden de belangrijkste constitutionele waarden gemeten, zoals solidariteit, duurzaamheid, rechtvaardigheid en democratische participatie, kortom de „ethische prestaties” ten aanzien van de groepen waarmee de onderneming in betrekking staat.

5.3.

Om verder te gaan dan het traditionele maatschappelijk verantwoord ondernemen moet de balans volgens de EAG-beweging aan acht metacriteria voldoen. De balans moet 1) universeel, 2) objectief meetbaar, 3) vergelijkbaar tussen ondernemingen, 4) begrijpelijk voor belanghebbenden, 5) openbaar,6) extern gecontroleerd, 7) verplicht, 8) juridisch bindend zijn: hoe beter de balansresultaten, hoe lager de belastingen, douanetarieven, rentevoeten enz., naar het EAG-motto „met ethiek naar succes”.

5.4.

Meer dan 200 kmo’s hebben in het kader van de EAG-beweging een balans van het algemeen goed opgesteld en collegiaal dan wel extern laten controleren. Er zou geleidelijk kunnen worden overgestapt op een verplichte balans van het algemeen goed. De EU heeft onlangs de eerste stap in die richting gedaan met een richtlijn over niet-financiële rapportage. Een volgende stap zou kunnen zijn om in de richtlijn alleen normen op te nemen die voldoen aan de hierboven vermelde acht metacriteria en afhankelijk van de resultaten wettelijke voordelen bieden. De normen die op die manier overblijven, zouden kunnen worden samengevoegd tot één norm, die dan het niet-financiële deel van de verplichte bedrijfsbalans zou vormen. De algemene (financiële en niet-financiële) balans zou dan het toegangscriterium worden voor de toekomstige ethische interne markt.

5.5.

Ethische etikettering. Het EAG-model wil dat op alle producten die op de Europese interne markt worden verhandeld informatie komt te staan over het ethisch handelen en de bijdrage van de onderneming aan het algemeen goed door middel van een gemeenschappelijk systeem van ethische etikettering. Via een systeem van bijv. vijf verschillende kleuren zou visueel zichtbaar kunnen worden gemaakt hoe een onderneming op de balans van het algemeen goed scoort. Via de QR-code zou de consument de gedetailleerde balans kunnen inzien.

5.6.

Ethische openbare aanbestedingen. Bij openbare aanbestedingen zou prioriteit kunnen worden gegeven aan organisaties die op basis van hun balans van het algemeen goed aantoonbaar de grootste bijdrage leveren aan het algemeen goed. Door invoering van criteria gerelateerd aan de bijdrage aan het algemeen goed en de kwaliteit van de sociale en ecologische voetafdruk overeenkomstig Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (8) en aan de tenuitvoerlegging van de desbetreffende sociale bepalingen zouden openbare aanbestedingen in Europa kunnen fungeren als katalysator voor de „Europese ethische markt”.

5.7.

Ethische interne handel. De bedoeling is dat vrije interne handel in eerste instantie wordt aangemoedigd in organisaties die op basis van hun balans van het algemeen goed aantoonbaar de grootste bijdrage leveren aan het algemeen goed. In een eerste fase zouden de vrije handel en het vrije verkeer van producten en diensten kunnen worden gefaciliteerd voor Europese ondernemingen die kunnen aantonen dat zij voldoen aan de ethische minimumnormen van de „Europese ethische markt”. In een tweede fase zouden ook de invoer van producten, investeringen en dienstverlening kunnen worden gefaciliteerd voor ondernemingen uit derde landen die kunnen aantonen dat zij voldoen aan de ethische minimumnormen van de „Europese ethische markt”. De voor interne handel en invoer geldende invoerrechten- en belastingregelingen zouden op die manier worden gekoppeld aan het ethisch handelen van ondernemingen.

5.8.

Ethische internationale handel. Het streven is dat ethisch handelen en de bijdrage aan het algemeen goed het visitekaartje van de Europese economie worden, ofwel dat wat het „merk Europa” uitmaakt. Als ambassadeur van de Europese samenleving, cultuur en waarden dient het Europese bedrijfsleven ethisch te handelen en daarover verantwoording af te leggen in zijn balansen. Het EU-beleid ter bevordering van de externe handel (hulpprogramma’s voor externe handel, ethische normen voor handelsvoorschriften enz.) zou daarom in de eerste plaats ondernemingen met de aantoonbaar grootste bijdrage aan het algemeen goed moeten ondersteunen.

5.9.

Ondernemers voor het algemeen goed. Voor een economisch duurzame ontwikkeling van de Europese Unie is het van cruciaal belang om het ondernemerschap te bevorderen. Om dezelfde reden dient ook sociale innovatie per definitie gericht te zijn op het ter beschikking stellen van producten en diensten die bijdragen tot het algemeen goed. Daarom moet beleid ter bevordering van het ondernemerschap op de „Europese ethische markt” startende ondernemingen en scholing voor ondernemers geënt op waarden als de menselijke waardigheid, solidariteit, ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en democratische participatie ondersteunen. In alle (algemeen goed-)steden zouden „algemeen goed”-knooppunten kunnen worden opgericht die de oprichting van ondernemingen bevorderen die van meet af met een balans van het algemeen goed werken of meteen als „algemeen goed”-onderneming worden opgezet.

5.10.

De consument en bevordering van ethische consumptie. De slaagkansen van de „Europese ethische markt” hangen af van de vraag van de Europese consument naar producten en diensten die bijdragen aan het algemeen goed. Er moeten strategieën en programma’s ter bevordering van ethische consumptie worden ontwikkeld en gepromoot. Via onderwijs en bewustwordings- en publiciteitscampagnes zouden deze programma’s informatie kunnen geven over wat de „Europese ethische markt” inhoudt en over de balans van het algemeen goed die samen met ethische etikettering de aangewezen instrumenten zijn om deze markt vorm te geven.

5.11.

Ethische banken en de opname van ethische kwaliteitscriteria in de Bazel-akkoorden voor banktoezicht. Sinds de financiële crisis in 2008 en de ongelukkige voorvallen in de financiële en bankwereld is het vertrouwen van het Europese publiek in het Europese bankstelsel en in de nationale en Europese regelgevende instanties steeds meer afgenomen. Dit vormt een groot risico voor de economische stabiliteit van de eurozone.

5.11.1.

Er moeten daarom strengere ethische normen komen voor de financiële sector. Tegelijkertijd moet het financieel ecosysteem sterker worden gediversifieerd door consolidering van een EU-breed netwerk van ethische banken (coöperaties, spaarbanken, nieuwe ethische banken) die tot het algemeen goed bijdragen. Dit zou een Europees bankiersysteem helpen bevorderen waarbij banken a) alleen basisdiensten verstrekken (spaarrekeningen, betalingsverkeer, leningen), b) geen of beperkte dividenden uitkeren, en c) voor alle kredietaanvragen een „algemeen goed”-toetsing uitvoeren. Een dergelijke ethische kredietwaardigheidsbeoordeling, die de ethische meerwaarde van een investering meet, zou een uitbreiding van de Bazel-akkoorden impliceren door de aanvulling van ethische criteria.

5.11.2.

In het kader van het Oostenrijkse project „bank voor het algemeen goed” wordt momenteel gewerkt aan een eerste prototype van een dergelijke „algemeen goed”-toetsing. De leenvoorwaarden zouden kunnen worden gekoppeld aan de resultaten van de toetsing. Op die manier zou de financiële markt een instrument kunnen worden voor duurzame sociale en ecologische ontwikkeling.

5.12.

„(Regionale) aandelenmarkt van het algemeen goed”. Alle op het algemeen goed gerichte ethische banken zouden gezamenlijk een regionale aandelenmarkt van het algemeen goed kunnen vormen waar kredietaanvragen worden ontvangen die wel aan de ethische toetsing voldoen maar niet aan die voor de financiële solvabiliteit. In tegenstelling tot de conventionele aandelenmarkt zou de aandelenmarkt van het algemeen goed geen forum zijn waar onderhandeld wordt over bedrijfsaandelen of financiële winst — dat zou niet de reden zijn om te investeren in een bedrijf. Investeerders zouden zich veeleer richten op onder meer zinvolle, nuttige en ethische investeringen (de „triple skyline”). Dit zou de Europese burgers en ondernemingen de mogelijkheid bieden om ethische investeringen te doen die de waarden weerspiegelen die zijn vastgelegd in de grondwetten van de lidstaten en in de Europese verdragen.

Brussel, 17 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Zie de website van de economie van het algemeen goed.

(2)  Waarvan sommige in zeer concurrerende markten.

(3)  Om rekening te houden met het bbp en andere indicatoren.

(4)  ITUC Global Poll 2014.

(5)  Bertelsmann Stiftung: „Bürger wollen kein Wachstum um jeden Preis”(„De burgers willen geen groei tot elke prijs”).

(6)  PB C 83 van 30.3.2010.

(7)  COM(2011) 681 final.

(8)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/33


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een democratische en sociale EMU door de communautaire methode

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/07)

Rapporteur:

Gabriele BISCHOFF

Het Europees Economisch en Sociaal Comité besloot op 19 februari 2015, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over

Een democratische en sociale EMU door de communautaire methode

(initiatiefadvies).

De gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 juli 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 17 september 2015) het volgende advies uitgebracht, dat met 161 stemmen vóór en 6 tegen, bij 10 onthoudingen, is goedgekeurd.

„De EU moet een gemeenschap van burgers, niet van banken zijn. Hun drijvende kracht is de democratie, hun toekomst is sociale rechtvaardigheid (1).”

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Een echte stabilisering van de Economische en Monetaire Unie (EMU) heeft pas kans van slagen als de tekortkomingen in de architectuur van de EMU worden opgeheven en er dus grondig hervormd wordt; dit vergt een verdragswijziging in het kader van een conventie. Daar dit voor 2018 niet zo realistisch is, moeten er tot dan andere maatregelen worden genomen om de EMU in het kader van de bestaande verdragen democratischer en socialer te maken en om ervoor te zorgen dat de zelfopgelegde regels ook nageleefd worden.

1.2.

Hoe langer het huidige bezuinigingsbeleid aanhoudt, dat in de eerste plaats op lagere uitgaven is gericht, zonder een doeltreffend investeringsprogramma voor het genereren van inkomen door groei, sociale cohesie en solidariteit, hoe duidelijker zich groeiende sociale ongelijkheid aftekent die de economische integratie en de welvaart van Europa in gevaar brengt.

1.3.

Voortzetting van de huidige koers kan daarom geen optie zijn. Veeleer dient de sociale, politieke en economische samenhang te worden versterkt om zo het uiteenvallen van de eurozone te voorkomen. Ook het EESC meent dat uiteenlopende tendensen in de economieën van de EMU-landen meer aandacht verdienen en dat deze landen evenwichtige structurele hervormingen moeten uitvoeren volgens de eisen van de monetaire unie, en overeenkomstig nationale eisen om de nodige convergentie te bereiken. Bovendien is vraagbeheer voor de korte termijn onontbeerlijk.

1.4.

Het EESC bepleit een sterkere „parlementarisering” van de eurozone, met een grote EP-commissie met alle EP-leden uit de eurozone en de landen die zich hierbij willen aansluiten (26 lidstaten), strevend naar een grotere overeenstemming van de nationale parlementsleden uit de eurozone over EMU-kwesties (COSAC+). Dit zou al op tamelijk korte termijn kunnen plaatsvinden.

1.5.

Opgemerkt zij dat bepaalde economischebeleidsdoelen van de economic governance van de laatste jaren beter afgestemd moeten worden op de doelstellingen van het sociale beleid van de EU volgens artikel 4, lid 2, VWEU en dat moet worden voorkomen dat economische en sociale doelstellingen mogelijk met elkaar in strijd zijn. Alle maatregelen uit het Europees Semester moeten volgens horizontale clausules voor sociaal beleid aan een sociale-effectbeoordeling onderworpen worden. De resultaten hiervan moeten op nationaal en Europees niveau gepubliceerd en besproken worden. Het EESC kan zich in het kader van zijn bevoegdheden hierin vinden.

1.6.

Het opheffen van de verschillen in de manier waarop arbeidsmarkten, systemen voor de loonvorming en sociale stelsels werken, is voor een democratische en sociale EMU van groot belang.

1.7.

Een macro-economische dialoog van de eurozone (MED-EURO) kan doorslaggevend bijdragen aan verdere democratische en sociale ontwikkeling van de EMU. Met de resultaten en conclusies hiervan moet rekening worden gehouden bij de uitwerking van de jaarlijkse groeianalyse, het scorebord en de landenspecifieke aanbevelingen.

2.   Uitdagingen en criteria voor een democratische en sociale EMU

2.1.

Het EESC heeft diverse adviezen uitgebracht met voorstellen over hoe de EMU beter vorm kan worden gegeven. Sommige van deze adviezen schetsen toekomstscenario’s, maar in dit advies gaat het om voorstellen om de EMU in het kader van de communautaire methode zo snel mogelijk democratisch en sociaal te maken, hoe de EMU democratische veerkracht kan vergroten en aan de sociale verplichtingen kan voldoen die uit de verdragen voortvloeien. Want voor 2018 zijn serieuze besluiten over ingrijpende verdragswijzigingen waarschijnlijk niet te verwachten. Tegelijk is men nog steeds bezorgd dat intergouvernementele instrumenten, met name het begrotingspact, de communautaire methode uithollen en een splijting in Europa bevorderen (2). Hoe langer het bezuinigingsbeleid aanhoudt, dat in de eerste plaats op lagere uitgaven is gericht, zonder dat dit aangevuld wordt met ten minste een investeringsprogramma en maatregelen voor groei, sociale cohesie en solidariteit, hoe duidelijker zich groeiende sociale ongelijkheid aftekent die de economische integratie en de welvaart van Europa in gevaar brengt.

2.2.

De crisis in de eurozone heeft de constructiefouten van de monetaire unie blootgelegd. Omdat van meet af aan is verzuimd om het nationale economische beleid van de landen op elkaar af te stemmen liep de ontwikkeling van de deelnemende leden op veel gebieden uiteen (3).

2.3.

De intergouvernementele procedures leken in de crisis de enige mogelijkheid om snel tot belangrijke instrumenten voor de EMU te komen, zoals het begrotingspact, omdat bepaalde lidstaten niet met een verdragswijziging zouden hebben ingestemd. Enerzijds zijn diverse instrumenten tijdens de crisis verbeterd. Aan de andere kant is men het erover eens dat tot nu toe een afdoende parlementaire vormgeving en controle van de EMU ontbreekt. Dit moet nu veranderen, met het oog op een coherenter integratiebeleid. De groep ministers van buitenlandse zaken (4) beval in 2012 daarom al aan om de „volledige democratische legitimatie en verantwoordingsplicht” te garanderen en daarom de samenwerking met het EP en de nationale parlementen te versterken (5). De Commissie bepleit in haar conceptnota voor een verdiepte EMU om daarbij voort te bouwen op het institutionele en wettelijke kader van de verdragen. De eurogroep zou dan specifieke maatregelen kunnen treffen als deze voor alle lidstaten openstaan.

2.4.

In de Europese beleidspraktijk komt het steeds meer tot intergouvernementele oplossingen zoals het begrotingspact, waarmee het gevaar toeneemt dat er een „alternatieve volkenrechtelijke regeling” ontstaat. In het in december 2012 gepresenteerde verslag Van Rompuy wordt opgemerkt dat een gemeenschappelijke interpretatie van belang is om grote hervormingen door te voeren. Geboden zijn vooral een hoge mate van sociale cohesie, een sterke inbreng van het EP en de nationale parlementen, alsook een nieuwe dialoog met de sociale partners. Ook de verantwoordingsplicht (ownership) van de lidstaten zou verbeterd moeten worden. De toenmalige voorzitter van de Europese Raad (6) maakte zo de sociale dimensie en de bijzondere rol van de sociale partners tot onderdeel van het debat, dat tot dan toe vooral gericht was op economische en begrotingskwesties, alsook op de ontbrekende democratische legitimatie.

2.5.

Na de verkiezingen voor het EP in 2014 en de zo door democratische verkiezing versterkte voorzitter van de Commissie kwamen er nieuwe discussievoorstellen:

a)

de op 12 februari 2015 door de vier voorzitters gepresenteerde analytische nota „Voorbereiding van de volgende stappen met het oog op een betere economische governance in de eurozone”  (7);

b)

het verslag van de vijf voorzitters, „De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie” van 22 juni 2015 (8).

2.6.

Het EESC neemt kennis van deze voorstellen en zal nagaan in hoeverre de opzet ervan voor de verdere ontwikkeling van de „economic governance” bijdraagt tot een sociale, democratische, solidaire en politieke unie die een passende inbreng van de burgers en de sociale partners waarborgt.

2.7.

De EMU heeft volgens het EESC behoefte aan daadwerkelijke uitbreiding van de intracommunautaire samenwerking, zoals ook in de „blauwdruk” van de Commissie bij benadering uiteengezet is. Dit zou, doordat de vraag gestimuleerd, en niet wordt afgeremd, ertoe leiden dat het economisch prestatievermogen van de diverse lidstaten binnen een groeiende en welvarende economie convergeert. Daarbij hoort het gelijktrekken van sociale normen en rechten van werknemers via vooruitgang.

2.8.

Door het naast elkaar bestaan van de communautaire methode, intergouvernementele initiatieven (zoals het begrotingspact) en nieuwe „tussenvormen” ten gevolge van toezichthoudende taken van de Commissie of van het HvJ bij de toepassing van intergouvernementele overeenkomsten is opnieuw onoverzichtelijkheid ontstaan ten aanzien van actoren, hun legitimiteit en verantwoordelijkheid. Transparantie en volledige democratische controle zijn zo niet meer te garanderen. Dat maakte veel kritiek los. Want in de crisis kregen moesten snelle oplossingen de voorkeur krijgen, hoewel gerelateerd aan het uitgesproken streven om de afzonderlijke volkenrechtelijke overeenkomsten later in de communautaire methode om te zetten. Tot 2018 zal dat zo blijven, als het aan de vijf voorzitters ligt. Volgens hun planning wordt het vraagstuk van volledige democratisering van de EMU verder uitgesteld en blijft het vraagstuk van de politieke unie in hun verslag onderbelicht. Tot dan moet de dialoog in het Europees Semester tussen het EP, de Raad en de eurogroep, alsook tussen de nationale parlementen en de Commissie, resp. tussen nationale parlementsleden en EP-leden (COSAC) meer vertrouwen en gezamenlijk optreden opleveren. Het EESC merkt in dit verband op dat een versterkte dialoog het integratiebeleid niet kan vervangen. De communautaire methode moet nu weer versterkt worden en de basis zijn voor een goed werkende EMU, in plaats van diverse, naast elkaar bestaande volkenrechtelijke regelingen.

3.   Beter EMU-beheer door meer participatie, transparantie en verantwoordingsplicht

3.1.

Ruimere deelname van de sociale partners kan bijdragen tot een betere EMU-governance; de gestructureerde dialoog met het maatschappelijk middenveld helpt om de democratische veerkracht te versterken. Het EESC wil hierbij een rol spelen en zijn ervaring en middelen daarvoor beschikbaar stellen, zoals dat bij de 2020-strategie al het geval is (9).

3.2.

De kwestie van het „ownership”, met name van de sociale partners, zoals door de voorzitter van de Raad Van Rompuy te berde gebracht, belooft veel moeilijker te worden, te meer daar de sociale partners anders dan de regeringen — tot nu toe slechts mondjesmaat betrokken werden bij de formulering van de doelstellingen/instrumenten voor het voeren van economisch beleid. Hoe is het dan mogelijk hen te bewegen tot medewerking aan beleid waarvan ze de details maar weinig kunnen beïnvloeden? Als sociale partners en economische actoren beïnvloeden zij in hoge mate mede het prijsniveau en de prijsstabiliteit, waarvoor de EMU het omvattende kader vormt voor de verschillende stelsels voor loonvorming en de uitwerking van het beleid voor de arbeidsmarkt en het sociaal beleid.

3.3.

De Commissie publiceerde in 2013 haar mededeling over de sociale dimensie van de EMU (10) en ging in op de ontevredenheid van de actoren van het maatschappelijk middenveld. „Problematische” economische ontwikkelingen moeten vroegtijdig herkend en opgelost worden, omdat aanhoudende sociale ongelijkheid de financiële en economische stabiliteit van de EMU kan aantasten. In de debatten hierna bleken er twee opvattingen te zijn. De ene gaat ervan uit dat de sociale dimensie van de EMU eventueel een aanvullende pijler is die, anders dan de verplichte procedures voor economisch en begrotingsbeleid, op vrijwillige basis tot stand komt. De andere opvatting, door het EESC gedeeld, is dat sommige doelstellingen voor economisch beleid op grond van artikel 4, lid 2, VWEU, in strijd zijn met de doelen voor sociaal beleid en dat deze conflicten moeten worden blootgelegd en opgelost.

3.4.

De Commissie wil de sociale partners meer bij de zaak betrekken en van gedachten wisselen over de loonontwikkeling en cao- onderhandelingen. Ze heeft daartoe al diverse pogingen gedaan. Anderzijds wil ze de sociale partners spreken over het Europees Semester en bepleit ze, de sociale partners in de lidstaten meer bij het vraagstuk te betrekken. Het EESC zelf heeft concrete voorstellen gedaan om de deelname van de sociale partners aan het sturen van het economisch beleid te verbeteren (SOC/507) (11). De nieuwe taakverdeling van de Commissie, vooral de uitgebreide bevoegdheid van vicevoorzitter Dombrovskis, lijkt er tenminste op te wijzen dat de inbreng van de sociale partners op meer aandacht kan rekenen.

4.   Voorstellen en evaluatie

4.1.    Het verslag van de voorzitters

4.1.1.

Het EESC neemt aan dat het op 22 juni 2015 door de vijf voorzitters (12) gepresenteerde verslag „De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie (13)” de leidraad zal zijn voor de toekomstige ontwikkeling van de structuren voor het te voeren economisch beleid in Europa. Volgens het EESC vereisen de aanhoudende onevenwichtigheden en het scheppen van vertrouwen in Europa een doeltreffender en democratischer economisch bestuur, met name in de eurozone (14). Anderzijds stoelt de analyse op inhoudelijk deels onjuiste veronderstellingen, hetgeen, ondanks enkele correcte stellingen, tot problematische conclusies leidt: zonder koerswijzigingen wordt het bezuinigingsbeleid voortgezet, worden lonen verlaagd en sociale uitkeringen gekort. Wèl wordt ingezien dat aan de mininumvoorwaarden voor het overleven van de EMU op langere termijn nog niet is voldaan, maar aan de aanbevolen toename en institutionalisering van het tot nu toe gevoerde anticrisisbeleid zou niettemin moeten worden vastgehouden. Hier bespeurt het EESC een tegenspraak.

4.1.2.

De oorzaak van de momenteel (ook in vergelijking met de VS en Japan) economisch catastrofale situatie van de eurozone wordt niet gezocht in het aanhoudende anticrisisbeleid, maar in het tekortschietende concurrentievermogen van sommige lidstaten op grond van divergerende loonontwikkelingen en overheidstekorten. Het EESC betreurt het dat voorbij wordt gegaan aan de kortetermijnproblemen voor het macro-economisch beleid, zoals inflatie, deflatie en het ontbreken van een anticyclisch beleid sinds 2010, alsook een te zwakke vraag, en dat een hoofdzakelijk asymmetrisch aanpassingsbeleid zou moeten worden voortgezet. Het tijdens de crisis aan het licht gekomen eigenlijke probleem, namelijk dat het de eurozone als geheel, anders dan de VS, Japan en het Verenigd Koninkrijk, ontbreekt aan een geldschieter in laatste instantie, wordt door de vijf voorzitters geheel over het hoofd gezien.

4.1.3.

Geheel buiten beschouwing blijven de verschillende pogingen van de centrale banken, die de VS en het Verenigd Koninkrijk er relatief snel weer bovenop hielpen, maar de situatie in Europa eerst nog verergerden. In plaats van een anticyclisch stabiliseringsbeleid moeten de bestaande instrumenten van het economisch bestuur o.a. versterkt worden door nationale mededingingsraden, die streven naar vermindering van de overheidsschuld („deleveraging”) en een op productiviteit gerichte loonontwikkeling. Het EESC betreurt ook dat de kans om de fundamenten van de bestaande regelgeving op hun draagkracht voor de langere termijn te testen en met een sterker, pan-Europees perspectief aan te vullen, niet is aangegrepen.

4.1.4.

Het EESC betreurt het dat de voorzitters de duidelijk slechter dan verwachte economische ontwikkeling uitsluitend beschouwen als het gevolg van de nog onvoldoende toegepaste en uitgewerkte nieuwe mechanismen van de economic governance of van de aanpassingsprogramma’s van de crisislanden. De te grote nadruk op structurele hervormingen en prijsconcurrentie van de lidstaten voor de te verwezenlijken monetaire unie (eerste hoofdstuk) gaat eraan voorbij dat structurele hervormingen en loonvorming het onderwerp van permanent overleg en oplossingen op lokaal niveau zijn, die democratische principes volgen. Zo bestempelen de vijf voorzitters zich echter als „buitenstaanders” die de lidstaten willekeurig omschreven benchmarks willen opdringen, zonder de democratische legitimiteit hiervoor te verstevigen en „ownership” te bieden.

4.1.5.

Het EESC vreest derhalve dat het in het verslag ontbrekende uitzicht op een volwaardige begrotingsunie de legitimiteit van de eurozone in de lidstaten verder in het gedrang zal brengen met name omdat „meer van hetzelfde medicijn” de economische welvaart van de burgers niet zal verbeteren en omdat het nationale perspectief blijft overheersen. De voorgestelde maatregelen voor de integratie van arbeidsmarkten en sociale stelsels zijn in de ogen van het EESC geheel onvoldoende, onder andere omdat deze, ondanks de retoriek van de voorzitters om te streven naar een „sociale AAA-rating” voor de eurozone, van ondergeschikt belang worden geacht. Het EESC beschouwt de ontwikkeling van een sociale unie als integraal onderdeel van een democratische en sociale EMU, niet als bijzaak.

4.2.    Bruegel-analyse en voorstellen  (15)

4.2.1.

De Europese denktank Bruegel stelt vast dat de EMU van meet af aan aanzienlijke verschillen in de economische, sociale en politieke voorwaarden vertoonde, die de oorzaak zijn van de beleidsfouten in de lidstaten en een inadequate Europese economische governance. Voorgesteld wordt een hervorming van het te voeren economisch beleid ten aanzien van de bankenunie, macroprudentieel toezicht op de financiële sector, het voorkomen van sterk uiteenlopende loonkosten en een hervorming van het begrotingsbeleid. Deze hervorming kan leiden tot houdbare begrotingen van afzonderllijke leden en middelen in het geval van een bankencrisis of een crisis met overheidsobligaties. Het EESC heeft recentelijk in zijn adviezen soortgelijke voorstellen gedaan (16).

4.2.2.

Kapitaalstromen uit landen met overschotten hebben mede tot een oververhitting geleid in de landen met een tekort, met de daarbij horende stijging van nominale lonen. Het gebrek aan financieel evenwicht heeft tot nu toe te weinig aandacht gekregen. Dit staat haaks op het streven naar verdiepte integratie van de financiële markten.

4.2.3.

Het procyclische begrotingsbeleid in 2011-2013 en het uitblijven van anticyclisch begrotingsbeleid in 2014 hebben de sociale nood onnodig vergroot (17). Daarom moet de politiek naast de vereiste structurele hervormingen de mensen ook perspectief bieden, bijvoorbeeld aan de hand van gunstige randvoorwaarden voor particuliere investeringen om de werkgelegenheid op lange termijn weer te kunnen opbouwen. Voorts moet de politiek maatregelen treffen om het concurrentievermogen te verbeteren om inkomen en welvaart te genereren en zo iedereen sociale stabiliteit te garanderen. Daarom onderschrijft het EESC uitdrukkelijk de conclusie dat op korte termijn de totale economische vraag en de inflatie dringend moeten stijgen. Bovendien moet de ECB bevrijd worden van de taken in verband met het begrotingsbeleid en de aanpassing van de loonkosten, die niet tot haar mandaat behoren, maar die zij in feite verricht vanwege het gebrek aan politieke daadkracht van de andere instellingen.

4.2.4.

Volgens het EESC moet er meer gedaan worden om essentiële kwesties omtrent de democratische legitimiteit te behandelen. Het EESC bepleit nadrukkelijk een volledige „parlementarisering” van de eurozone (grote EP-commissie met alle EP-leden van de EMU resp. de landen die tot de euroruimte willen toetreden). Ook het stemmen door nationale parlementsleden uit de eurozone over EMU-kwesties in het kader van de COSAC moet worden verbeterd (18).

4.2.5.

De COSAC wees er in 2014 zelf op dat veel parlementen nog niet genoeg bij de zaak betrokken zijn en toonde zich bezorgd over de verstoorde verhouding tussen de burger en de EU. Zij roept Commissie en Raad op om hier samen met de parlementsleden met concrete voorstellen iets aan te doen (19). De in artikel 13 van het Begrotingspact vermelde vormen van participatie gaan weliswaar in de juiste richting, maar schieten voor een echte parlementarisering tekort.

4.3.    Meer verantwoording voor alle economische actoren

4.3.1.

Het opheffen van de verschillen in de manier waarop arbeidsmarkten, systemen voor de loonvorming en sociale stelsels werken, is voor een democratische en sociale EMU van groot belang. Een federaal stelsel met één Europese arbeidsmarkt en uniforme instellingen en sociale stelsels zoals in de VS, lijkt op korte termijn toekomstmuziek. Voorts moet de procedure bij een macro-economische onevenwichtigheid (MIP) symmetrisch versterkt en de sociale partners hierbij betrokken worden.

4.3.2.

Opgemerkt zij dat bepaalde economischebeleidsdoelen van de economic governance van de laatste jaren beter afgestemd moeten worden op de doelstellingen van het sociale beleid van de EU volgens artikel 4, lid 2, VWEU en dat moet worden voorkomen dat economische en sociale doelstellingen mogelijk met elkaar in strijd zijn. Alle maatregelen uit het Europees Semester moeten volgens horizontale clausules voor sociaal beleid aan een sociale-effectbeoordeling onderworpen worden. De resultaten hiervan moeten op nationaal en Europees niveau gepubliceerd en besproken worden. Het EESC kan zich in het kader van zijn bevoegdheden hierin vinden.

4.3.3.

In het verslag van de vijf voorzitters is sprake van een financiële, begrotings- en politieke unie; de sociale unie wordt niet vermeld. Het unieke Europese model moet versterkt worden; van het unieke Europese sociale model is geen sprake meer. Het beeld van de „sociale triple A” wordt er wel bijgehaald, maar hoe dat in het kader van een verdiepte EMU moet worden bereikt, blijft meer dan vaag. Sociale kwesties komen hoogstens aanvullend aan bod of in de context van een grotere doorstroming op de arbeidsmarkten in de lidstaten. Kernonderdelen zijn een minimumniveau van sociale bescherming, effectieve sociale stelsels in de lidstaten en nieuwe flexicurity-initiatieven in verband met het arbeidsrecht, maar zonder nadere toelichting.

4.3.4.

De regeringen van de lidstaten zijn in hoge mate verantwoordelijk voor de verdere ontwikkeling van een democratische en sociale EMU. Hetzelfde geldt voor de sociale partners op nationaal en Europees niveau, voor wie de EMU het kader vormt voor de verschillende stelsels voor loonvorming en de uitwerking van het beleid voor de arbeidsmarkt en het sociaal beleid. Als economische en maatschappelijke actoren zijn zij van doorslaggevend belang voor de handhaving van de gemeenschappelijke stabiliteitsdoelstelling van de EMU.

4.3.5.

Het EESC stelt opnieuw vast dat een monetaire unie met uiteenlopende ontwikkeling van prijzen en lonen in de lidstaten tussen de regio’s van diezelfde monetaire zone onvermijdelijk tot onevenwichtigheden leidt, waarbij externe schokken een sociale en politieke crisis kunnen veroorzaken en de verschillen verder kunnen aanwakkeren (20). Het EESC meent daarom dat een serieus debat over een solide architectuur van de EMU, met een consensus over de economische en sociale doelstellingen, alsook over de governance, niet te vermijden valt (21). Het EESC concludeert dat de macro-economische dialoog van de EU (MED) binnen de eurozone moet worden uitgebreid en verdiept.

4.3.6.

De macro-economische dialoog is door de Europese Raad in Keulen (juni 1999) ingesteld met het oog op een permanente, op groei en stabiliteit gerichte, macro-economische beleidsmix, d.w.z. een aansluitende combinatie van loonontwikkeling, monetair en begrotingsbeleid. De doelstellingen zijn actueler dan ooit: meer groei en werkgelegenheid bij handhaving van prijsstabiliteit, benutting van het productiepotentieel en verhoging van de potentiële groei (22). Het is jammer dat dit instrument in de loop der jaren is verwaterd en sinds het uitbreken van de crisis niet is aangegrepen om de instrumenten van de economic governance te democratiseren en het besef van ownership in de gemeenschappelijke monetaire ruimte van de EMU te vergroten.

4.3.7.

Een MED van de eurozone (MED-EURO) kan doorslaggevend zijn voor een verdere democratische en sociale ontwikkeling van de EMU, als de deelnemers aan de dialoog aan de eisen van de MED voldoen. De handhaving van de bereidheid tot dialoog binnen de MED-EURO noopt tot een beperkt aantal deelnemers. Naast vertegenwoordigers van de sociale partners, de Europese Centrale Bank, de eurogroep en de Commissie (die geheel autonoom en onafhankelijk moet blijven) moet de voorzitter van de EP-commissie Economische en monetaire zaken met gelijke rechten deelnemen.

4.3.8.

Het EESC meent dat de MED-EURO minstens tweemaal per jaar bijeen moet komen en een integraal bestanddeel moet worden van het economisch bestuur van de EMU. Met de resultaten en conclusies ervan moet rekening worden gehouden bij zowel de uitwerking van de jaarlijkse groeianalyse, als bij het Scorebord en de landenspecifieke aanbevelingen. Tegen de achtergrond van het monetaire, begrotings- en loonbeleid in de EMU zijn de opbouw van vertrouwen en meer convergentie mogelijk zonder de vrije collectieve onderhandelingen in het gedrang te brengen. Dit kan, naar analogie van het „Stabiliteits- en groeipact”, tot een hogere mate van transparante (zichzelf- opgelegde) verplichtingen van alle economische actoren leiden en als „Stabiliteits- en werkgelegenheidspact” werken. Het EESC benadrukt in dit verband het belang van een soepel samenspel van monetair en begrotingsbeleid en loonontwikkeling voor meer groei en werkgelegenheid, dat het vertrouwen in de monetaire unie zouden versterken.

4.3.9.

Dit is een andere aanpak dan het voorstel van de vijf voorzitters — vergelijkbaar met het voorstel van Bruegel — om nationale organen voor het concurrentievermogen op te richten om de loonvorming op nationaal niveau te begeleiden. Deze nationale organen moeten volgens het voorstel van de vijf voorzitters bovendien op Europees niveau gecoördineerd worden. Vroegtijdige raadpleging van de sociale partners vóór publicatie van het verslag zou zinvol geweest zijn, want in deze vorm heeft het voorstel van de voorzitters weinig kans van slagen.

4.3.10.

Vooruitzicht: de EMU zal zonder ingrijpende institutionele en politieke hervormingen altijd breekbaar blijven. Het Comité is zeer bezorgd over de stabiliteit van de EU, omdat de nodige hervormingen, met of zonder verdragswijzigingen, altijd op het laatste nippertje en onder grote druk plaatsvinden. Het gaat erom de sociale, politieke en economische samenhang van de EU opnieuw te versterken en aan een coherente integratie van het economisch en monetair beleid te werken als basis voor een goed werkende EMU. Zonder moedige parlementsleden, politici en sociale partners, die op nationaal en Europees niveau het debat aangaan met het maatschappelijk middenveld en voor de beste oplossingen ijveren, heeft een goed werkende EMU geen kans van slagen.

Gedaan te Brussel, 17 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Heribert Prantl „Europa — Traum oder Alptraum”, toespraak in Ludwigsburg op 14 juli 2013.

(2)  The EP, the Fiscal compact and the EU-institutions: a „critical engagement”; Elmar Brok (EVP, DE), Roberto Gualtieri (S&D, IT) en Guy Verhofstadt (ALDE, BE).

(3)  Europese Commissie: Employment and Social Developments in Europe 2014, 15 januari 2015, http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=7736

(4)  Eindrapport van de groep „Toekomst van Europa” van 17 september 2012 van de ministers van buitenlandse zaken van België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal en Spanje.

(5)  Ibid., blz. 2 e.v.

(6)  In nauwe samenwerking met de voorzitters Barroso en Juncker en president Draghi.

(7)  „Voorbereiding van de volgende stappen met het oog op een betere economische governance in de eurozone”, Analytische nota van Jean-Claude Juncker, in nauwe samenwerking met Donald Tusk, Jeroen Dijsselbloem en Mario Draghi, informele bijeenkomst van de Europese Raad van 12 februari 2015.

(8)  Verslag van de vijf voorzitters, De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie, http://ec.europa.eu/priorities/economic-monetary-union/docs/5-presidents-report_nl.pdf

(9)  EESC-advies „Tussenopname van de Europa 2020-strategie” (PB C 12 van 15.1.2015, blz. 105).

(10)  COM(2013) 690 final, de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie versterken.

(11)  EESC-advies „Structuur en organisatie van de sociale dialoog in het kader van een echte Economische en Monetaire Unie (EMU)” (PB C 458 van 19.12.2014, blz. 1).

(12)  De voorzitter van de Commissie, de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van het Europees Parlement, de voorzitter van de eurogroep en de president van de Europese Centrale Bank.

(13)  Zie voetnoot 8. Hierna wordt uitsluitend ingegaan op de voor dit advies relevante thema’s uit het verslag.

(14)  EESC-advies Voltooiing van de EMU: de politieke pijler (PB C 332 van 8.10.2015, blz. 8).

(15)  André Sapir, Guntram Wolff: Euro-area governance: what to reform and how to do it, 27 februari 2015, http://www.bruegel.org/publications/publication-detail/publication/870-euro-area-governance-what-to-reform-and-how-to-do-it/

(16)  EESC-adviezen Voltooiing van de EMU — De voorstellen van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de volgende Europese legislatuur (PB C 451 van 16.12.2014, blz. 10); Voltooiing van de EMU: de politieke pijler (PB C 332 van 8.10.2015, blz. 8).

(17)  Zsolt Darvas en Olga Tschekassin, Poor and under pressure: the social impact of Europe’s fiscal consolidation, Bruegel Policy Contribution 2015/04, maart 2015.

(18)  EESC-advies Voltooiing van de EMU: de politieke pijler, 2015 (Zie voetnoot 14).

(19)  Bijdrage van de XLIXe COSAC, Dublin, juni 2014.

(20)  EESC, De maatschappelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving voor economisch bestuur, 2012 (PB C 143 van 22.5.2012, blz. 23).

(21)  Zie voetnoot 14.

(22)  Resolutie van de Europese Raad over het Europees Werkgelegenheidspact, Europese Raad van Keulen, 3—4 juni 1999.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/40


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Beginselen voor doeltreffende en betrouwbare socialezekerheidsstelsels

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/08)

Rapporteur:

Bernd SCHLÜTER

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 januari 2015 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen, getiteld:

Beginselen voor doeltreffende en betrouwbare socialezekerheidsstelsels

(initiatiefadvies).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 september 2015 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 17 september 2015) het volgende advies uitgebracht, dat met 130 stemmen vóór en 46 tegen, bij 10 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC pleit voor een duidelijkere strategische prioriteitstelling van de EU op het gebied van het sociaal beleid, waarbij onder meer consequenties worden getrokken uit de crisis, het crisisbeleid en het tanende vertrouwen van de bevolking.

1.2.

De Commissie dient in het kader van een uitgebreid werkprogramma — bijv. in het kader van een vlaggenschipinitiatief, de governanceregels of een witboek — algemene beginselen voor het sociaal beleid uit te werken, waarvoor het EESC in hoofdstuk 4 van dit advies concrete voorstellen zal voorleggen. De eerste stap daartoe is een efficiëntere vergelijkende gegevensvergaring op EU-niveau en in de lidstaten. Inputindicatoren alleen (indicatoren die aangeven hoeveel geld in de afzonderlijke lidstaten wordt uitgegeven voor de verstrekking van een bepaalde sociale dienst) volstaan niet om de kwaliteit van de socialezekerheidsstelsels te beoordelen.

1.3.

Bij het uitwerken van beginselen voor sociaal beleid, die convergentie naar boven van de sociale normen moeten bevorderen, moeten de nationale bevoegdheden en de politieke en culturele verschillen tussen de stelsels in acht worden genomen en moet zoveel mogelijk gestreefd worden naar consensus tussen de lidstaten.

1.4.

De beginselen zouden onder meer als basis moeten dienen voor aanbevelingen aan de lidstaten binnen het kader van een beter gestroomlijnd Europees semester (1) en toepassing moeten vinden in de open coördinatiemethode, de structuurfondsen en de sociale-effectbeoordeling overeenkomstig artikel 9 VWEU. Als onderdeel van de maatregelen moet tevens worden gestreefd naar een bindende sociale basisbescherming (minimum social protection floor), waarvoor de bestaande rechtsgrondslagen moeten worden gebruikt.

1.5.

Ook het optreden van de EU-instellingen moet gebaseerd worden op beginselen voor sociaal beleid, zeker waar het gaat om economische aansturing, begrotingscontrole en crisisbeheer.

1.6.

De sociale partners nemen met name in paritaire socialeverzekeringssystemen en andere systemen die door overleg tussen hen tot stand zijn gekomen, een centrale plaats in en moeten bij de uitwerking van de beginselen worden betrokken. Het maatschappelijk middenveld, verenigingen van organisaties voor sociale dienstverlening, sociale ondernemingen, lokale overheden, socialezekerheidsinstanties, socialeverzekeringsmaatschappijen, gebruikers en consumenten moeten, voor zover bevoegd, eveneens deel hebben in dit proces.

1.7.

In het onderstaande volgen concrete voorstellen van het EESC voor beginselen voor sociaal beleid ten behoeve van doeltreffendere en betrouwbaardere diensten in het kader van de sociale zekerheid, sociale bescherming en gezondheidszorg, ongeacht de aard van de dienstverstrekker en de aard van de verstrekte dienst. Zijn voornaamste oogmerk is de waarborging van wettelijk verzekerde, financieel geschraagde en op de hedendaagse behoeften afgestemde sociale diensten van algemeen belang in alle lidstaten van de EU.

1.8.

Het EESC erkent de heterogeniteit van de stelsels en baseert zich in zijn beschouwingen o.m. op de doelen, aard en inhoud van sociale diensten, de verhouding tussen solidariteit en eigen verantwoordelijkheid, de wettelijke waarborgen, de financiering, de kwaliteit alsmede de positie van de gebruiker en dienstverstrekker. Het is van oordeel dat er gemeenschappelijke EU-regels geformuleerd moeten worden ter waarborging van een sociale basisdienstverlening.

2.   Inleiding: achtergrond en actuele stand van zaken

2.1.

Basis voor het Europees sociaal beleid vormen o.a. de mensenrechten, de lessen van de wereldoorlogen (2), het in de Verdragen vastgelegde beginsel van de sociale markteconomie, de Europa 2020-doelstellingen, de behoeften van concurrerende economieën, de taak om de armoede te bestrijden, de Verdragshoofdstukken inzake het sociaal, werkgelegenheids- en gezondheidsbeleid, het doel van sociale samenhang en de gemeenschappelijke mededingingsregels uit artikel 3 VEU. In het kader van het sociaal beleid wordt overeenkomstig artikel 151 VWEU onder meer gestreefd naar bevordering van de werkgelegenheid, verbetering van de levensomstandigheden, adequate sociale bescherming en bestrijding van uitsluiting. Het Europees sociaal model brengt een unieke gemeenschap van waarden en cultuur (3) tot uitdrukking, waarin democratie en rechtsstatelijkheid worden verbonden met maatschappelijke verantwoordelijkheid en solidariteit. Het EESC wil dit model versterken en een duurzame basis verlenen voor de toekomst.

2.2.

Het EESC is de overtuiging toegedaan dat het sociaal beleid niet alleen als zodanig, maar ook als middel ter duurzame bevordering van groei en werkgelegenheid  (4) een pijler van het Europees beleid moet zijn en erkent dat op het gebied van het werkgelegenheidsbeleid, op diverse terreinen van coördinatie en op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, al het een en ander is bewerkstelligd. Het herhaalt zijn standpunt dat doeltreffende socialezekerheidsstelsels als investering (5) moeten worden gezien en wijst op de ideële, sociale en materiële kosten van het ontbreken van sociaal beleid. Concurrerende innovatieve economieën en betrouwbare, draagkrachtige en doeltreffende socialezekerheidsstelsels zijn zijns inziens onlosmakelijk met elkaar verbonden. Moderne socialezekerheidsstelsels kunnen bijdragen aan een grotere veerkracht van economieën in tijden van crises en bevorderen de werkgelegenheid. Ze bieden een groot werkgelegenheidspotentieel, ook in minder ontwikkelde regio’s (6). In het licht van de technologie- en informatiemaatschappij waarin wij vandaag leven, de demografische ontwikkelingen (7) en de immigratie, hebben wij er op lange termijn geenszins concurrentievoordeel bij om slechts weinig middelen vrij te maken voor bijv. actieve inclusie, versterking van de positie van werkzoekenden en kansen voor kinderen en jongeren. Een verdere ontwikkeling van de stelsels op basis van gemeenschappelijke beginselen kan bijdragen tot de bevordering van gelijke kansen en eerlijke mededinging in de EU.

2.3.

Socialezekerheids-, gezondheidszorg- en gelijkaardige stelsels zijn o.m. nodig voor de noodzakelijke sociale herverdeling, bestrijding van armoede en ter waarborging van de bestaanszekerheid en sociale vrede. Bijna elke burger van de Unie is in bepaalde levensfasen aangewezen op sociale hulp. Sociale stelsels waarborgen o.m. een adequate ouderenzorg en de gekwalificeerde verzorging van o.m. zieken en hulpbehoevende personen.

2.4.

Werkgevers en werknemers hebben o.m. belang bij mogelijkheden om werk en gezin te combineren, gezondheidsbevordering en mogelijkheden tot zelfbeschikking. Professionele sociale diensten bevorderen communicatie- en andere vaardigheden die in het dagelijks leven van nut zijn, helpen de opleidingsgraad te verhogen en bieden o.m. hulp bij verslavingsproblemen, crises en de zorg en opvoeding binnen het gezin.

2.5.

Het EESC stelt grote verschillen vast qua prestatiekracht, betrouwbaarheid en doeltreffendheid van de sociale stelsels  (8). Hoewel veel lidstaten een goedwerkend stelsel hebben, zouden alle lidstaten baat hebben bij een gemeenschappelijk sociaalpolitiek discours. Een sociaal vangnet c.q. een minimuminkomen ter waarborging van de bestaanszekerheid, professionele sociale diensten en een efficiënte arbeidsmarkt- en maatschappelijke integratie zijn niet overal gewaarborgd. Met name de gezondheidszorg is vaak niet voor iedereen toegankelijk, bijv. omdat niet iedereen de officieel dan wel inofficieel gevraagde eigen bijdragen kan betalen. Professionele diensten voor o.m. de ambulante zorg, ondersteuning van personen met een handicap of personen met opvoedings- of ontwikkelingsproblemen zijn niet in alle regio’s en lidstaten voorhanden. Het EESC stelt vast dat de financiering van sociale diensten ten dele op meer solidariteit zou mogen berusten en dat ook de wettelijke verzekering van sociale diensten ten dele beter kan.

2.6.

In een recente Bertelsmann-studie (9) kwamen grote verschillen tussen de capaciteiten van de socialezekerheidsstelsels naar voren en werd een verontrustende ontwikkeling met betrekking tot armoede en rijkdom binnen de EU en haar lidstaten waargenomen. De EU werd opgeroepen haar inspanningen op het gebied van het sociaal beleid te vergroten. De studie toonde tevens aan dat doeltreffende socialezekerheidsstelsels ook mogelijk zijn wanneer het bbp relatief laag is en, omgekeerd, dat er ook gebrekkige socialezekerheidsstelsels bestaan in landen met een relatief hoog bbp. De toenemende armoede brengt de maatschappelijke vrede en de economische ontwikkeling in gevaar (10). Als tegenwicht voor de groeiende kloof tussen lidstaten en verontrustende politieke tendensen moeten voorstellen voor sociaal beleid worden geformuleerd.

2.7.

De inhoudelijke basis voor aanbevelingen aan de lidstaten en voor crisisbeleid moet worden verbeterd. In plaats van achteraf humanitaire maatregelen te eisen moet de EU handelen op basis van coherente beginselen voor sociaal beleid. Tegenover de omstreden financiële compensatie van risicovolle transacties van banken met belastinggeld moeten evenredige investeringen in de werking van sociale stelsels komen te staan. Internemarktregels, zoals steun- en aanbestedingsregels, hebben, ook zonder dat ze expliciet worden afgetoetst aan sociaalpolitieke concepten, aanzienlijke gevolgen voor de sociale stelsels en sociale diensten.

2.8.

Overeenkomstig de nieuw in het Verdrag toegevoegde doelstelling van de sociale markteconomie  (11) moet het internemarktbeleid worden aangevuld met sociale elementen (12). Het EESC sluit zich aan bij de stemmen die opgaan om het sociale beleid aan te passen (13) en spoort de Commissie en de Europese Raad aan om de beloftes die zij dienaangaande hebben gedaan, na te komen en tot uitvoering over te gaan (14).

2.9.

Voor een nieuwe fase in het Europees sociaal beleid kan onder meer worden voortgebouwd op de volgende eerdere initiatieven: de oproep van de Raad uit 1992 tot een gegarandeerd minimuminkomen (15), de formulering door de Raad in 2000 van een sociale agenda, de voor de lidstaten geldende verplichting op grond van artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest om er stelsels van sociale zekerheid op na te houden, de doelstellingen van o.a. sociale samenhang en bescherming van diensten van algemeen belang die in de EU-Verdragen zijn opgenomen (16), de IAO-basisnormen voor socialezekerheidsstelsels (17), het huidige witboek over het sociaal beleid van de EU, dat in 1994 werd uitgebracht, en belangrijke ijkpunten zoals het op EU-niveau vastgelegde recht op een waardig bestaan  (18) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

2.10.

In zijn advies SOC/482 dringt het EESC, in navolging van het Parlement (19) en het Comité van de Regio’s (20) en belanghebbende organisaties, aan op een toereikend minimuminkomen (21). Het heeft onder meer het debat over sociale diensten, sociale ondernemingen, sociale investeringen, werkgelegenheid, artikel 9 VWEU, jongereninitiatieven, economische aansturing en diensten van algemeen belang actief aangezwengeld. Onderhavig advies heeft daarnaast betrekking op tal van andere documenten van het EESC en de EU, die hier niet alle kunnen worden geciteerd.

3.   Algemene opmerkingen: doelstellingen en inhoud van het advies

3.1.

Het EESC richt zich in dit advies op een onderdeel van een noodzakelijke sociale agenda, nl. de verbetering van de doeltreffendheid en betrouwbaarheid van diensten in het kader van de sociale zekerheid, sociale bescherming en gezondheidszorg. Centraal staan „sociale diensten”, die geheel of ten dele door middel van belastingen of door middel van sociale verzekeringen worden gefinancierd en wettelijk dan wel op grond van collectieve arbeidsovereenkomsten onder de sociaalpolitieke verantwoordelijkheid van de overheid vallen waardoor deze een verantwoordingsplicht heeft. De aard van de dienstverstrekker speelt hierbij geen rol. Met „sociale diensten” worden in dit advies diensten bedoeld die kunnen worden aangeboden door gemeentelijke of andere overheidsdiensten, sociale verzekeringen, zelfstandige sociale ondernemingen en welzijnsorganisaties en ondernemingen met verschillende rechtsvormen. Al deze aanbieders vallen als verstrekker van sociale diensten onder de noemer „sociale diensten” in dit advies. Het begrip „sociale dienst” omvat alle soorten diensten, waaronder diensten en geldelijke uitkeringen in de sociale en gezondheidszorg. Met „sociale verzekering” worden op werkgevers- en werknemersbijdragen gebaseerde en/of wettelijk verplichte sociale verzekeringen en/of op het beginsel van onderlinge bijstand gebaseerde verzekeringen bedoeld, die een functie vervullen in stelsels van sociale zekerheid die door het sociaal recht of bij paritair overleg worden geregeld.

3.2.

De verscheidenheid aan sociale stelsels, diensten, termen en definities noopt tot zorgvuldigheid in het debat over het sociale beleid en bij vertalingen. De nationale stelsels zijn uitdrukking van het sociaal beleid, de cultuur en de geschiedenis van de lidstaat in kwestie. Ze dienen verder ontwikkeld te worden op basis van het Europees sociaal model om met behulp van de noodzakelijke gemeenschappelijke beginselen de stelsels op een verantwoorde manier nader tot elkaar te brengen (22).

3.3.

Taak van de EU is de weg te effenen voor een gemeenschappelijk discours inzake het sociaal beleid, aan de moderne eisen aangepaste normen uit te werken en initiatieven te nemen om een grotere convergentie in de verdere ontwikkeling van de socialezekerheidsstelsels te bevorderen. Op basis van beginselen van sociaal beleid kunnen aanbevelingen aan de Commissie, met name in het kader van het Europees semester, de Europa 2020-strategie, de open coördinatiemethode en de toepassing van de sociale-effectbeoordeling overeenkomstig artikel 9 VWEU (23) worden geformuleerd. Dergelijke beginselen zouden tevens de inhoudelijke basis moeten vormen voor een bindende sociale basisbescherming („minimum social protection floor”) en de maatstaf moeten vormen voor optreden en governance (24) van de EU-instellingen, met name op het gebied van het crisisbeleid, de begrotingscontrole en de economische aansturing.

3.4.

De socialezekerheidsstelsels moeten getoetst worden op hun toekomstige houdbaarheid. De sociale diensten moeten onder vrijwaring van hun conceptuele onafhankelijkheid gekoppeld worden aan democratisch gelegitimeerde doelstellingen van algemeen belang.

3.5.

Socialezekerheidsinstanties, sociale verzekeringen of als dienstverlener optredende derden, bijv. artsen die een bepaalde behandeling voorschrijven, beslissen in de regel over de toekenning van sociale diensten aan de burger. De beslissing inzake het toekennen van sociale diensten moet los worden gezien van de aard en vorm van de te verstrekken dienst en de financiering ervan. Er zijn onder meer puur geldelijke uitkeringen, al dan niet met de verplichting om gebruik te maken van bepaalde gekwalificeerde diensten. Sociale diensten kunnen ook rechtstreeks door gemeenten, socialezekerheidsinstanties of sociale verzekeringen worden verleend. Bij onafhankelijke socialezekerheidsinstanties kunnen de rechtspositie en financiering zeer variëren. Zo bestaan er aanbestedingsregelingen, overeenkomsten over de te verstrekken diensten en te betalen vergoedingen tussen sociale diensten en de kostendragers, systemen waarbij de kosten achteraf vergoed worden, chequesystemen en systemen voor aspecifieke rechtstreekse financiering van sociale diensten, met name voor advies en preventie. In het geval van een contract- of chequesysteem financiert de openbare kostendrager de sociale dienst rechtstreeks op basis van het aantal gevallen. Bij alle systemen dient de vraag te worden gesteld of ze de gebruiker voldoende wettelijke garanties en voldoende keuzevrijheid en inspraak bieden.

3.6.

Met name in de socialeverzekeringsstelsels spelen de sociale partners een centrale rol. Zij moeten zeker bij de uitwerking van de beginselen worden betrokken. Nationale en gemeentelijke socialezekerheidsinstanties, sociale verzekeringen en onafhankelijke socialezekerheidsinstanties zijn eveneens actoren van centraal belang, onder meer waar het gaat om de verstrekking van sociale diensten. De vertegenwoordigingen van deze instanties moeten, voor zover bevoegd, eveneens consequent bij het proces worden betrokken.

3.7.

Met het oog op een zinvol evenwicht tussen de bevoegdheden van de lidstaten en de gemeenschappelijke Europese waarden binnen de EU wil het EESC met de volgende beginselen een inhoudelijke impuls geven om verdere stappen te zetten op het gebied van het Europees sociaal beleid.

4.   Beginselen voor socialezekerheidsstelsels

4.1.

Beginsel van minimumbescherming: waarborging van subsidiaire sociale basisdiensten, o.a. ter waarborging van de bestaanszekerheid (minimuminkomen) voor mensen met een ontoereikend inkomen uit bijv. arbeid of uit pensioen- of andere sociale uitkeringen. Daartoe behoort de ontwikkeling van gemeenschappelijke indicatoren voor sociale basisdiensten (25). De financiële waarborging van een bestaansminimum moet ten minste de reële kosten dekken voor voedsel, huisvesting, kleding, water, energie en basisgezondheidszorg.

4.2.

Behoeftebeginsel: ontwikkeling en terbeschikkingstelling van moderne, professionele sociale en gezondheidsdiensten voor diverse probleemsituaties, bijv. voor gezinnen, personen met een handicap, zieken, werklozen, alleenstaande ouders, kinderen, mantelzorgers, vluchtelingen, jongeren (26) met ontwikkelingsproblemen, ouders met opvoedingsproblemen, thuiszorg en andere diensten bij de mensen thuis (27), en hulp bij schuldproblemen (28), verslavingen, dakloosheid en psychosociale problemen. Doeltreffende sociale diensten zijn onder meer advies, ondersteuning, begeleiding, zorg, „empowerment” en opleiding, en curatieve zorg en therapie (29). Aangezien er tal van redenen voor werkloosheid zijn en voorkomen moet worden dat mensen in een neerwaartse armoedespiraal raken is het zinvol om met behulp van wettelijk gewaarborgde actieve arbeidsmarktmaatregelen een snelle herintreding op de arbeidsmarkt te ondersteunen en ter overbrugging van de werkloosheidsperiode alle werkzoekenden een fatsoenlijke uitkering te verstrekken, met name jonge werknemers die wachten op hun eerste baan of vrouwen die na een lange loopbaanonderbreking weer willen werken.

4.3.

Bestemmingsbeginsel: ontwikkeling van duidelijke sociale beleidsdoelstellingen voor sociale diensten, zoals gelijke kansen voor mannen en vrouwen en verschillende generaties, actieve inclusie, opheffen van achterstanden, combinatie van werk en gezin, bescherming tegen sterfrisico’s, preventie, crisisinterventie, arbeidsmarkt- en maatschappelijke participatie, materiële ouderenzorg, empowerment enz. Tevens moeten de verschillende soorten diensten wettelijk adequaat worden vastgelegd: een geldelijke uitkering en/of een dienst, extra- of intramurale dienstverlening enz., waarbij gestreefd moet worden naar een evenwicht tussen de mogelijkheid voor de gebruiker om zelf te kiezen en het streven naar een doeltreffende sociale dienstverlening.

4.4.

Toegankelijkheidsbeginsel: waarborging van betaalbare en voor iedereen, ongeacht waar en wanneer, toegankelijke socialezekerheidsvoorzieningen en vooral van sociale diensten. Een duurzame, op solidariteit gebaseerde financiering, een transparant dienstenaanbod en concrete wettelijke waarborgen met klacht- en bezwaarmogelijkheden bevorderen de toegankelijkheid. Eventuele verplichte eigen bijdragen moeten sociaal evenwichtig zijn zodat ze geen belemmering vormen voor de toegang. Overdreven administratieve toetsing van de concrete hulpbehoefte kan voor sommige diensten, zoals hulp bij verslavingen of psychosociale problemen, contraproductief werken. Met name advies- en preventiediensten moeten actief aan gebruikers worden aangeboden.

4.5.

Proportionaliteitsbeginsel: de diensten moeten gepast en noodzakelijk zijn qua soort dienst en qua omvang. Bij discretionaire beslissingen en sociale wetgeving moet dit in acht worden genomen. De kosten en de te verwachten resultaten van een sociale dienst moeten in redelijke verhouding tot elkaar staan. Juridische verplichtingen voor de burger om gebruik te maken van een bepaalde sociale dienst of anderszins bepaalde handelingen te verrichten, en de verhouding tussen rechten en plichten dienen eveneens te voldoen aan het proportionaliteitsbeginsel.

4.6.

Solidariteitsbeginsel: de financiering van sociale diensten moet voornamelijk gebaseerd zijn op op solidariteit gebaseerde socialeverzekeringsstelsels en eerlijke, eveneens op solidariteit gebaseerde belastingsstelsels. Ten behoeve van de betrouwbaarheid en duurzaamheid van de financiering en het maatschappelijk draagvlak zouden in de mate van het mogelijke álle geledingen van de samenleving aan de financiering moeten bijdragen. Zwartwerk (30) en belastingontwijking schaden de sociale stelsels. Gezien de demografische en economische ontwikkeling kan de opname van alle vormen van inkomen, waaronder inkomsten uit kapitaal, zinvol zijn. Een betere coördinatie van de belasting- en financieringsstelsels in de EU kan de financiële basis verbeteren. Particuliere investeringen, giften, maatschappelijke en religieuze betrokkenheid en het gebruik van middelen van stichtingen vormen een welkome aanvulling op de reguliere financiering, maar waarborgen geen wettelijke aanspraken of infrastructuur.

4.7.

Beginsel van de eigen verantwoordelijkheid: werkzoekenden, personen met problemen om te integreren op de arbeidsmarkt e.a. moeten door sociale diensten en stimuleringsregelingen worden ondersteund om geheel of gedeeltelijk in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Burgers zouden in het kader van overeenkomsten zonder winstoogmerk die na onderhandelingen door de sociale partners zijn gesloten ter aanvulling op de openbare stelsels, recht moeten hebben op een aanvullende dekking. Vaak is professionele ondersteuning bij de ontwikkeling van beroepskwalificaties en persoonlijke vaardigheden, zoals communicatie-, sociale en andere vaardigheden die in het dagelijks leven van nut zijn, voorwaarde om mensen in staat te stellen hun eigen alsmede hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Wat de bescherming van de individuele gezondheid van de burgers betreft zouden socialezekerheidsstelsels met het aanbieden van preventiemogelijkheden, stimuleringsmaatregelen en een betere consumentenbescherming een gezonde levensstijl kunnen bevorderen.

4.8.

Participatiebeginsel: alle diensten moeten zelf of in combinatie met andere diensten bijdragen tot deelname van de burger aan het maatschappelijke leven. Daartoe behoort deelname aan het beroepsleven, het culturele en politieke leven en de maatschappelijke welvaart.

4.9.

Structuurbeginsel: de rechts- en financiële verhoudingen tussen gebruikers, al naar gelang het stelsel openbare of onafhankelijke welzijnsorganisaties, en de socialezekerheidsinstanties of sociale verzekeringen moeten op adequate wijze worden vastgelegd. Wanneer onafhankelijke welzijnsorganisaties door bijv. sociale wetgeving of financiering verbonden zijn met de openbare socialezekerheidsstelsels, moet de door hen aangeboden dienst, met name qua financiering en toegankelijkheid, aan de hier beschreven beginselen voldoen. Dergelijke onafhankelijke organisaties moeten op een solidaire manier worden gefinancierd en bij socialezekerheidswetgeving zo zijn geregeld dat ze de hele bevolking hoogwaardige diensten kunnen bieden.

4.10.

Beginsel van het recht van de gebruiker om zelf te kiezen: gebruikers zijn geen voorwerpen, maar coproducenten van de hulp en burgers met wettelijke aanspraken op diensten. Zij moeten binnen een gepast kostenkader kunnen kiezen uit verschillende vormen van diensten, bijv. tussen extramurale, intramurale en andere vormen, zoals begeleid wonen. De passende vorm van hulp is afhankelijk van de individuele situatie, de specifieke door deskundigen te beoordelen behoefte aan professionele hulp en de wensen van het individu, alsmede van de plaatselijke omstandigheden. Wanneer onafhankelijke welzijnsorganisaties door bijv. sociale wetgeving of de financiering verbonden zijn met de openbare socialezekerheidsstelsels moeten gebruikers de keuze hebben uit verschillende diensten.

4.11.

Beginsel van rechtszekerheid: de diensten moeten wettelijk zijn gewaarborgd door middel van socialezekerheidswetgeving of gelijkaardige democratisch gefundeerde rechtsinstrumenten van lidstaten. In de socialezekerheidswetgeving dient het volgende te zijn geregeld: wettelijke aanspraken, discretionaire bepalingen, inspraakverplichtingen voor de gebruiker, alsmede een beschrijving van de toekenningscriteria voor diensten, de klacht- en bezwaarmogelijkheden, eventueel het overheidstoezicht op particuliere aanbieders van openbare diensten, de kwaliteitsvoorschriften en toegankelijkheidsgaranties, infrastructuurverplichtingen, de wijze van financiering enz. De rechtspositie c.q. de wettelijke aanspraken van gebruikers moeten in ieder geval voor basisdiensten van sociale en gezondheidszorg duidelijk zijn vastgelegd. Op mening terrein van de sociale zekerheid zou bij discretionaire beslissingen meer rekening kunnen worden gehouden met de omstandigheden per geval. Met name het welzijn van hulpbehoevenden dient wettelijk te worden beschermd (31). Onafhankelijke welzijnsorganisaties moeten, voor zover er geen sprake is van een monopoliesituatie, een beschermde rechtspositie en niet-discriminerende toegang tot het verlenen van diensten genieten. In veel lidstaten wordt het sociale beleid geschraagd door het beginsel van de verzorgingsstaat, dat in de grondwet is vastgelegd en sociale basisdiensten ook in tijden van crisis waarborgt.

4.12.

Beginsel van gerichtheid op het algemeen belang: voor ondernemings- en organisatievormen die specifiek gericht zijn op het algemeen belang en die openstaan voor participatie  (32), zoals organisaties zonder winstoogmerk, sociale ondernemingen, verenigingen, bepaalde soorten stichtingen en coöperaties, gebruikersorganisaties en organisaties van andere maatschappelijke actoren moeten passende financiële en juridische regelingen gelden. In samenhang met het sociaal beleid moet voorts een grondig debat worden gevoerd over de financiering met belastinggeld of socialezekerheidsbijdragen van in de welzijnssector actieve ondernemingen met winstoogmerk. Naast toereikende controles dient er op zijn minst een kader voor de winstverdeling te komen.

4.13.

Transparantiebeginsel: het gebruik van overheidsmiddelen door welzijnsorganisaties en socialezekerheidsinstanties moet op transparante wijze plaatsvinden. De burger moet inzage hebben in de rechtsgronden, motiveringen voor uitkerings- en gunningsbeslissingen enz.

4.14.

Interconnectiviteitsbeginsel: de dagelijkse werkelijkheid waarin mensen functioneren, de verandering van levensprocessen, nieuwe gezinsvormen, vergrijzing en migratie vereisen geïntegreerde, interconnectieve diensten  (33). Segregatie, exclusie en discriminatie moeten worden vermeden.

4.15.

Gelijkheidsbeginsel: de rechten en plichten van gebruikers, socialezekerheidsinstanties en welzijnsorganisaties moeten wettelijk vastgelegd en afdwingbaar zijn. Indien voorzien is in sancties of schadevergoedingen bij schending van de regels, moeten deze zowel op gebruikers als op publieke socialezekerheidsinstanties van toepassing zijn.

4.16.

Kwaliteitsbeginsel: sociale diensten moeten worden gekoppeld aan kwaliteitswaarborgingsmaatregelen. De behoefteanalyse en de planning en uitvoering van maatregelen dienen te gebeuren op basis van sociaalwetenschappelijke inzichten en technische expertise. Persoonsgebonden diensten moeten worden bevorderd door middel van in het kader van het CAO-overleg overeen te komen opleidingsmaatregelen, professionalisering en passende beloningen en arbeidsvoorwaarden. Het EU-kwaliteitskader voor diensten van algemeen belang (34) zou als model kunnen dienen voor EU-aanbevelingen voor sociale diensten. Waar nuttig, moeten daarnaast de aanwerving en opleiding van vrijwilligers worden bevorderd.

4.17.

Coördinatiebeginsel: vraagstukken in verband met grensoverschrijdende diensten in het kader van de sociale zekerheid en de sociale bescherming moeten beter worden geregeld. Daarbij moet rekening worden gehouden met de rechten en de financiële draagkracht van de kostendragers en de belastingplichtigen en contribuanten, alsook met het beginsel van maatschappelijke solidariteit en proportionaliteit. Een eenzijdige belasting van afzonderlijke, bijzonder efficiënte nationale stelsels moet worden vermeden.

Brussel, 17 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Bijv. door middel van een strengere controle en evaluatie van de omzetting van aanbevelingen en een koppeling met de structuurfondsen (PB C 170 van 5.6.2014, blz. 23).

(2)  Toespraak van Churchill in Zürich, 1946: „We moeten een soort van Verenigde Staten van Europa bouwen.”

(3)  Handvest van de grondrechten van de EU; Europees Sociaal Handvest.

(4)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 102.

(5)  Vgl. COM(2013) 83, 20 februari 2013; PB C 226 van 16.7.2014, blz. 21.

(6)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 23; PB C 271 van 19.9.2013, blz. 91; PB C 226 van 16.7.2014, blz. 21.

(7)  PB C 161 van 6.6.2013, blz. 27.

(8)  Documenten van het EU-semester, Caritas Europa: „The future of the welfare State”, 2012, documenten van het Platform voor sociale bescherming.

(9)  „Social Inclusion Monitor Europe (SIM) — Index Report Social Justice in the EU — A Cross-national Comparison”, 2014.

(10)  OESO, „In It Together”, 2015: in de meeste landen is het verschil tussen arm en rijk sinds dertig jaar niet zo groot geweest. Tegenwoordig verdient de rijkste tien procent van de bevolking in de OESO-landen 9,6 keer zoveel als de armste tien procent. In de jaren 80 was dit 7,1.

(11)  Artikel 3, lid 3, VEU.

(12)  Bijv. Friends of Europe, „Social Union”, 23 maart 2015.

(13)  Vgl. het pakket sociale-investeringsmaatregelen van de EU; KU Leuven, „Social Protection at the Top of the international Agenda”, 2014; EESC, „Naar een efficiëntere Europe 2020-strategie: voorstellen van het maatschappelijk middenveld ter versterking van de sociale inclusie en het concurrentievermogen in Europa”, 4 december 2014; EESC, „Een actieplan voor Europa”, april 2014.

(14)  Zie bijv. COM(2014) 902 final van 28 november 2014; opdrachtbrief aan Europees commissaris Thyssen d.d. 1 november 2014; Prioriteiten Juncker d.d. 12 september 2014; bijeenkomsten van het Luxemburgs voorzitterschap van de Raad van de EU en de ministers van Sociale Zaken op resp. 16 en 17 juli 2015; de versterking van de sociale dimensie; verslagen van het Comité voor sociale bescherming.

(15)  Aanbeveling van de Raad van 24 juni 1992 (PB L 245 van 26.8.1992, blz. 46).

(16)  O.a. artikel 2 en artikel 3, lid 3, VEU, alsmede de artikelen 2, lid 3, 14, 56, 107, 162 e.v., 168, 174, en 175, lid 3, VWEU, en Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(17)  IAO-aanbevelingen 2012; ILO 2014-2015 „World Social Protection Report”.

(18)  Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 1 in combinatie met artikel 34, lid 3.

(19)  Resolutie van 20 oktober 2010 (2010/2039(INI)) (PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 8); resolutie van 15 november 2011 (2010/2039(INI)) (PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 57).

(20)  http://toad.cor.europa.eu/corwipdetail.aspx?folderpath=ECOS-V%2f012&id=20923

(21)  PB C 170 van 5.6.2014, blz. 23

(22)  In deze zin moet de in artikel 153, lid 4, VWEU genoemde bevoegdheid van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen worden opgevat.

(23)  Vgl. de conferentie van het Europees Vakbondsinstituut „The sovereign debt crisis, the EU and welfare state reform”, 3 februari 2015.

(24)  Het voorzitterschap van de Raad heeft de ministers van Sociale Zaken in juli 2015 voorstellen gedaan m.b.t. de sociale dimensie van het governance-kader.

(25)  PB C 170 van 5.6.2014, blz. 23

(26)  Die Arbeitsgemeinschaft für Kinder- und Jugendhilfe (AGJ), 2015

(27)  PB C 12 van 15.1.2015, blz. 16; PB C 21 van 21.1.2011, blz. 39.

(28)  PB C 311 van 12.9.2014, blz. 38.

(29)  Vgl. Dahme/Wohlfahrt, 2015.

(30)  PB C 458 van 19.12.2014, blz. 43.

(31)  Bijv. kinderen en jongeren, aanstaande moeders en hulpbehoevende en handelingsonbekwame personen.

(32)  EESC-initiatief voor sociaal ondernemerschap.

(33)  Kocher/Welti, 2010.

(34)  Zie de mededeling „Een kwaliteitskader voor diensten van algemeen belang in Europa” (COM(2011) 900 definitief).


BIJLAGE

Volgende tekstpassages in het advies van de afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap werden vervangen door wijzigingsvoorstellen, maar er werd wel ten minste een kwart van de stemmen vóór handhaving ervan uitgebracht:

Paragraaf 1.3

Bij het uitwerken van beginselen voor sociaal beleid die een convergerende ontwikkeling van de sociale stelsels moeten bevorderen, moeten de nationale bevoegdheden en de politieke en culturele verschillen tussen de stelsels in acht worden genomen en moet zo veel mogelijk gestreefd worden naar consensus tussen de lidstaten.

Stemuitslag van wijzigingsvoorstel 1:

Stemmen vóór:

105

Stemmen tegen:

51

Onthoudingen:

15

Paragraaf 4.2

Behoeftebeginsel: ontwikkeling en terbeschikkingstelling van moderne, professionele sociale en gezondheidsdiensten voor diverse probleemsituaties, bijv. voor gezinnen, personen met een handicap, zieken, werklozen, alleenstaande ouders, kinderen, mantelzorgers, vluchtelingen, jongeren (1) met ontwikkelingsproblemen, ouders met opvoedingsproblemen, thuiszorg en andere diensten bij de mensen thuis (2), en hulp bij schuldproblemen (3), verslavingen, dakloosheid en psychosociale problemen. Doeltreffende sociale diensten zijn onder meer advies, ondersteuning, begeleiding, zorg, empowerment en opleiding, en curatieve zorg en therapie (4). Aangezien er tal van redenen voor werkloosheid zijn en voorkomen moet worden dat mensen in een neerwaartse armoedespiraal raken is het zinvol om met behulp van wettelijk gewaarborgde actieve arbeidsmarktmaatregelen een snelle herintreding op de arbeidsmarkt te ondersteunen en de ter overbrugging van de werkloosheidsperiode te verstrekken financiële uitkeringen onder meer te baseren op de voormalige levensstandaard en bijdragen van de persoon in kwestie.

Stemuitslag voor wijzigingsvoorstel 3:

Stemmen vóór:

119

Stemmen tegen:

53

Onthoudingen:

9

Paragraaf 4.4

Toegankelijkheidsbeginsel: waarborging van betaalbare en voor iedereen, ongeacht waar en wanneer, toegankelijke socialezekerheidsvoorzieningen en vooral van sociale diensten. Een duurzame, op solidariteit gebaseerde financiering, een transparant dienstenaanbod en concrete wettelijke waarborgen met klacht- en bezwaarmogelijkheden bevorderen de toegankelijkheid. Verplichte eigen bijdragen kunnen — mits sociaal evenwichtig zodat ze geen belemmering vormen voor de toegang — een zinvol sturingsinstrument zijn. Overdreven administratieve toetsing van de concrete hulpbehoefte kan voor sommige diensten, zoals hulp bij verslavingen of psychosociale problemen, contraproductief werken. Met name advies- en preventiediensten moeten actief aan gebruikers worden aangeboden.

Stemuitslag voor wijzigingsvoorstel 4:

Stemmen vóór:

114

Stemmen tegen:

59

Onthoudingen:

13

Paragraaf 4.7

Beginsel van de eigen verantwoordelijkheid: werkzoekenden, personen met problemen om te integreren op de arbeidsmarkt e.a. moeten door sociale diensten en stimuleringsregelingen worden ondersteund om geheel of gedeeltelijk in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Er moeten stimuli en mogelijkheden worden gecreëerd voor de burger om tegen redelijke kosten en een laag risico middelen te sparen om zelf aanvullend in het eigen levensonderhoud te voorzien. Vaak is professionele ondersteuning bij de ontwikkeling van beroepskwalificaties en persoonlijke vaardigheden, zoals communicatie-, sociale en andere vaardigheden die in het dagelijks leven van nut zijn, voorwaarde om mensen in staat te stellen hun eigen alsmede hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Mensen dragen ook deels zelf verantwoordelijkheid voor hun gezondheid. Met het aanbieden van preventiemogelijkheden, stimuleringsmaatregelen en een betere consumentenbescherming zouden socialezekerheidsstelsels een gezonde levensstijl kunnen bevorderen.

Stemuitslag voor wijzigingsvoorstel 5

Stemmen vóór:

117

Stemmen tegen:

62

Onthoudingen:

11


(1)  AGJ, „Die europäische Dimension der Kinder- und Jugendwohlfahrt”, 2015.

(2)  PB C 12 van 15.1.2015, blz. 16; PB C 21 van 21.1.2011, blz. 39.

(3)  PB C 311 van 12.9.2014, blz. 38.

(4)  Vgl. Dahme/Wohlfahrt, 2015.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/49


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de validering van verworven vaardigheden en kwalificaties in het kader van niet-formeel en informeel leren — concrete bijdrage van het maatschappelijk middenveld

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/09)

Rapporteur:

Pavel TRANTINA

Corapporteur:

Marie ZVOLSKÁ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 januari 2015 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over de:

Validering van verworven vaardigheden en kwalificaties in het kader van niet-formeel en informeel leren — concrete bijdrage van het maatschappelijk middenveld

(initiatiefadvies).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 17 juni 2015.

Het Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september 2015) het volgende advies uitgebracht, dat met 212 stemmen vóór, bij 8 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is van mening dat het accent moet komen te liggen op de identificatie, registratie, evaluatie en dus validering van de resultaten van niet-formeel leren, op een manier die vergelijking mogelijk maakt en die begrijpelijk is voor alle belanghebbenden, en in het bijzonder voor werkgevers en onderwijsinstellingen.

1.2.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat alle burgers, ongeacht hun leeftijd en kwalificatieniveau, toegang hebben tot de validering van de resultaten van niet-formeel en informeel leren. Mogelijk vergt dit verdere samenwerking tussen aanbieders van niet-formeel onderwijs, de overheid en andere belanghebbenden, met name over kwesties als financiering en validatie.

1.3.

Het EESC dringt aan op ondersteuning van alle belanghebbenden, met name de sociale partners en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld, om hen bewust te maken van de voordelen van validering en hen actief te laten deelnemen aan de vaststelling van nationale kwalificatiekaders en de formulering van beroepskwalificaties.

1.4.

De burgers moeten relevante informatie krijgen over de voordelen, mogelijkheden en mechanismen voor de validering van competenties. Het EESC beveelt de lidstaten aan om de instanties voor begeleiding en advies op dit gebied verder uit te bouwen, en hierbij met name te denken aan diensten voor arbeidsvoorziening, maar ook jongereninformatiecentra, onderwijsinstellingen, werkgevers, vakbondsorganisaties, centra voor loopbaanadvies, jeugdorganisaties, vrouwenorganisaties, organisaties ter ondersteuning van migranten en gehandicapten, en overheden.

1.5.

Een kwalitatief hoogwaardig juridisch kader op nationaal niveau is een eerste voorwaarde om de gelijkwaardigheid te waarborgen van certificaten die zijn verworven via formeel onderwijs en niet-formeel en informeel leren. Dit stelt zeer hoge eisen aan de kwaliteit van de valideringsprocedures, die ook financieel moeten worden gesteund, bijvoorbeeld met middelen uit het Europees Sociaal Fonds.

1.6.

Het EESC dringt erop aan dat onderwijsinstellingen, met name middelbaar en hoger beroepsonderwijs en universiteiten, meer steun verlenen aan de validering van kennis en vaardigheden die op niet-formele wijze zijn verworven. Op dit vlak zijn er in de EU verschillende voorbeelden van goede praktijken, die moeten worden verspreid.

1.7.

Het EESC is van oordeel dat collectieve onderhandelingen en de sociale dialoog tussen vakbonden en werkgevers een belangrijke rol kunnen spelen bij de validering van niet-formele educatie en een leven lang leren. Door middel hiervan moet worden gezorgd voor de validering van niet-formeel leren als een belangrijke bijdrage aan het debat over de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en de instrumenten om deze te vergroten.

1.8.

In het licht van de hoge jeugdwerkloosheid moeten er meer mogelijkheden komen voor de wisselwerking tussen publieke en private arbeidsbemiddelingsbureaus, vrijwilligersorganisaties (met name van jongeren) en werkgevers. Dit kan helpen om de zichtbaarheid te vergroten en mensen meer bewust te maken van het belang en de waarde van niet-formeel onderwijs en informeel leren in vrijwilligersorganisaties, en het kan ook het wederzijds vertrouwen versterken.

1.9.

De ontwikkeling en het gebruik van instrumenten voor zelfevaluatie, die mensen helpen bij het identificeren en documenteren van hun leerresultaten, moeten worden gesteund. De ervaringen van maatschappelijke organisaties dienen hierbij te worden benut. Het EESC heeft in het verleden reeds zijn steun uitgesproken voor de invoering van een Europees vaardighedenpaspoort en het instrument „Europass Experience”. Het is dan ook teleurgesteld over het feit dat de Europese Commissie de voorbereiding van de Europass Experience heeft opgeschort, en moedigt haar aan dit instrument tot een succesvol einde te brengen.

2.   Inleiding: niet-formeel en informeel leren

2.1.

Ondanks de huidige ongunstige economische en sociale situatie in veel EU-lidstaten, waar zelfs formeel onderwijs geen garanties biedt op toetreding tot de arbeidsmarkt, is het EESC van mening dat de EU het zich niet kan veroorloven om de latente rijkdom aan ervaringen en vaardigheden die zijn verworven op een niet-formele of informele manier, niet te erkennen.

2.2.

Validering hiervan kan kansen bieden voor met name bepaalde kansarme groepen (vrouwen, migranten, jongeren en oudere werknemers). Evenwel mag daardoor geen valse hoop worden gewekt dat zij hierdoor sneller zullen kunnen toetreden tot de arbeidsmarkt. Dit vereist namelijk een economisch en sociaal beleid dat is gericht op meer investeringen, het scheppen van hoogwaardige banen, en de terugdringing van armoede en van het risico op sociale uitsluiting. De beleidsmaatregelen moeten tegelijkertijd leiden tot een versterking van de onderwijs-, opleidings- en omscholingsstelsels.

2.3.

Het EESC baseert zich op een belangrijk document, namelijk de aanbeveling van de Raad betreffende de validering van niet-formeel en informeel leren van 20 december 2012 (1). Hierin wordt onderstreept dat de validatie van leerresultaten (kennis, vaardigheden en competenties) die door niet-formeel en informeel leren zijn verworven, […] een belangrijke rol [kan] spelen bij het verhogen van de inzetbaarheid en mobiliteit, evenals bij het verbeteren van de motivatie voor een leven lang leren, met name onder sociaaleconomisch achtergestelde of laaggekwalificeerde groepen mensen. De validatie van relevante kennis, vaardigheden en competenties kan een nog waardevollere bijdrage leveren aan het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt, het stimuleren van de mobiliteit en de bevordering van het concurrentievermogen en de economische groei.

2.4.

Werkgeversorganisaties, individuele werkgevers, vakbonden, brancheverenigingen, kamers van koophandel, beroepsorganisaties, nationale instanties die betrokken zijn bij de valideringsprocedure voor beroepskwalificaties en bij de evaluatie en certificering van leerresultaten, diensten voor arbeidsvoorziening, jongerenorganisaties, jongerenwerkers, aanbieders van onderwijs en opleidingen, alsmede maatschappelijke organisaties zijn volgens de Raad allemaal belangrijke belanghebbenden die een aanzienlijke rol hebben te vervullen bij het aanbieden van niet-formele en informele leermogelijkheden en daaraan gekoppelde valideringsprocedures.

2.5.

Volgens de aanbeveling van de Raad uit 2012 moeten de lidstaten uiterlijk in 2018, rekening houdend met de nationale omstandigheden en kenmerken en op de wijze die hun passend lijkt, regelingen hebben getroffen voor de validatie van niet-formeel en informeel leren die iedereen in de gelegenheid stellen om:

kennis, vaardigheden en competenties die door niet-formeel en informeel leren — onder meer, al naargelang, door open onderwijsmiddelen — zijn verworven, te laten valideren;

een volledige kwalificatie of, al naargelang, een deel ervan te verkrijgen op basis van gevalideerde niet-formele en informele leerervaringen […].

2.6.

De volgende elementen zouden volgens de aanbeveling van de Raad moeten worden opgenomen in de regelingen voor de validering van niet-formeel en informeel leren, waarbij iedereen de gelegenheid wordt geboden zijn voordeel te halen uit al deze elementen, afzonderlijk of in combinatie, overeenkomstig ieders behoeften:

IDENTIFICATIE van de leerresultaten die een persoon door niet-formeel en informeel leren heeft verworven;

DOCUMENTATIE van de leerresultaten die een persoon door niet-formeel en informeel leren heeft verworven;

BEOORDELING van de leerresultaten die een persoon door niet-formeel en informeel leren heeft verworven;

CERTIFICERING van de resultaten van de beoordeling van de leerresultaten die een persoon door niet-formeel en informeel leren heeft verworven in de vorm van een kwalificatie, in de vorm van kredieten die tot een kwalificatie leiden of in een andere geschikt geachte vorm.

De Europese richtlijnen van 2009 voor de validering van niet-formeel en informeel leren (2) (en de bijgewerkte versie van 2015) richten zich tot de burgers en de actoren die verantwoordelijk zijn voor het initiëren, ontwikkelen en uitvoeren van het valideringsproces. Er zijn verschillende actoren actief op verschillende niveaus (Europees, nationaal, sectoraal en lokaal) en in verschillende contexten (de publieke, private en vrijwilligerssector, onderwijs en opleiding, en arbeidsmarktdiensten). De richtlijnen hebben tot doel de voorwaarden te verduidelijken voor het uitvoeren van de verificaties en de betrokken partijen te wijzen op de mogelijkheden tijdens de verschillende fasen van het proces.

2.7.

Het EESC heeft reeds meermaals gewezen op de bijdrage van niet-formle educatie en het belang van de validering hiervan. Dit advies behandelt de kwestie voor het eerst op een alomvattende manier. Het beoogt een overzicht te geven van de standpunten van de vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld wat betreft de valideringsprocedures en de praktische oplossingen die zij voorstellen.

3.   Vaardigheden en kennis die via niet-formeel en informeel leren zijn verworven

3.1.

De achteruitgang van een op specialisatie en vakkennis gebaseerde productiesector, de technologische ontwikkeling en de groei van de dienstensector hebben ertoe geleid dat werkgevers in de 21e eeuw meer belang hechten aan de persoonlijkheid van werknemers en aan „horizontale” of „overdraagbare” vaardigheden. Een leven lang leren en de validering van de vaardigheden en kennis die buiten de school zijn opgedaan, nemen aan belang toe.

3.2.

In 2012 hebben de universiteit van Bath en GHK Consulting in opdracht van het Europees Jeugdforum een studie uitgevoerd naar de gevolgen van informeel leren in jongerenorganisaties voor de inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt (3). Jongerenorganisaties zijn belangrijke aanbieders van niet-formele educatie. De educatie in jongerenorganisaties is niet primair gericht op vergroting van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, maar de vaardigheden die er worden verworven, kunnen hierbij wel helpen, en dat is wat zij hebben onderzocht.

3.3.

De algemene conclusie van de studie is dat er een duidelijke overeenkomst is tussen de vaardigheden die door werkgevers worden gevraagd en de vaardigheden die in de sector van niet-formeel leren kunnen worden ontwikkeld. Vijf van de zes meest gevraagde „soft skills” behoren tot de vaardigheden die in het kader van jongerenorganisaties kunnen worden ontwikkeld — de enige uitzondering is mathematische competentie. De „soft skills” die het meest worden gevraagd door werkgevers, zijn: communicatieve vaardigheden, organisatorische en planningsvaardigheden, besluitvaardigheid, vermogen om in teamverband te werken, betrouwbaarheid/zelfstandigheid en mathematische competentie. Deze „soft skills” worden beschouwd als cruciale competenties om succesvol te zijn op het werk. Ook worden hiermee bepaalde karaktertrekken gevormd, zoals persoonlijke motivatie, initiatiefrijk zijn en creativiteit: persoonlijke kenmerken die worden gerelateerd aan de betrouwbaarheid/zelfstandigheid en de ondernemersgeest.

3.4.

Niet-formeel en informeel leren is iets wat alle burgers aangaat in het kader van een leven lang leren. Vrouwen (en mannen) die gezinstaken op zich nemen, ontwikkelen bijvoorbeeld vaardigheden die zij kunnen toepassen op de werkplek, vooral in de sociale dienstverlening. Wanneer zij hun baan verliezen wegens ontslag of een verandering in de gezinssituatie, kunnen zij van deze kennis gebruikmaken in de overgang naar een nieuwe baan, of in het geval van vrouwelijke migranten, bij het vinden van een eerste baan. Het EESC heeft de lidstaten al eerder opgeroepen (4) om ervoor te zorgen dat „in een ander land verworven diploma’s of opgedane ervaring sneller worden erkend, zodat vrouwen werk vinden dat overeenstemt met hun bekwaamheden en ambities”, en dat „werken in bepaalde sectoren (schoonmaakbedrijven, kinderopvang, ouderenzorg, horeca, landbouw enz.) een kans is voor minder geschoolde vrouwelijke migranten op voorwaarde dat dit werk aan de zwarte markt wordt onttrokken, professioneler wordt gemaakt en naar waarde wordt geschat, en dat deze vrouwen hiervoor worden opgeleid en er een loopbaan kunnen ontwikkelen”. De sociale partners werden aangespoord om „in cao’s vast te leggen dat gemakkelijker erkenning moet worden gegeven aan de kwalificaties van vrouwelijke migranten”.

3.5.

Voor een succesvolle validatie van niet-formeel en informeel leren is het zaak dat het accent verschuift naar de leerresultaten. Deze aanpak wordt sinds 2004 overigens uitdrukkelijk en systematisch gesteund in de agenda van het EU-beleid op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding en werkgelegenheid. Uit een recente studie van Cedefop (op basis van onderzoek tussen 2013-2015) blijkt dat de verschuiving naar leerresultaten zich gestaag doorzet in heel Europa — in de ontwikkeling van nationale kwalificatiekaders, bij het definiëren en beschrijven van beroepsvaardigheden, bij het gebruik van leerresultaten in de leerprogramma’s en bij de beoordeling van de leerresultaten als referentiepunt voor de validering. Dit zou moeten leiden tot een grotere transparantie, relevantie en kwaliteit van niet-formeel en informeel leren. Op praktisch niveau is het belangrijk dat er voor leerlingen/studenten duidelijke doelstellingen worden vastgesteld waarvan een motiverend effect uitgaat, dat flexibele leertrajecten mogelijk worden gemaakt en dat de studiekeuze afhankelijk wordt gemaakt van een beoordeling van de resultaten. Tegelijkertijd moeten, om kwaliteitsvolle onderwijsresultaten te verkrijgen, ook de didactische methoden en processen worden verbeterd.

3.6.

Hieruit vloeit voort dat de nadruk moet worden gelegd op de evaluatie en het vastleggen van de resultaten van niet-formeel leren, op een wijze die begrijpelijk is voor alle belanghebbenden en in het bijzonder voor werkgevers en onderwijsinstellingen. Deze resultaten kunnen vervolgens — mits hiervoor passende voorwaarden zijn gecreëerd — op verzoek van de betrokkene worden erkend als echte beroepskwalificaties die gelijkwaardig zijn aan de kwalificaties die door formele onderwijsprogramma’s worden verkregen.

4.   Praktische aspecten van de validering van vaardigheden en kwalificaties

4.1.    Begeleiding, advies en informatie

4.1.1.

De lidstaten zouden er in het kader van de valideringsprocedures voor moeten zorgen dat burgers en organisaties informatie en begeleiding kunnen krijgen over de mogelijkheden en voordelen van validering; de validering van niet-formeel en informeel leren zou bovendien moeten worden aangemoedigd door passende begeleiding en advies en zou gemakkelijk toegankelijk moeten zijn.

4.1.2.

De regelingen voor de validering van niet-formeel en informeel leren moeten op passende wijze worden vormgegeven en rekening houden met nationale, regionale en/of lokale en sectorale behoeften en kenmerken.

4.1.3.

Er moet voor worden gezorgd dat alle burgers, ongeacht hun leeftijd en kwalificatieniveau, hiervan gebruik kunnen maken. Eventueel vergt dit verdere samenwerking tussen de non-profitsector, de overheid en andere belanghebbenden, ook over kwesties zoals financiering en validatie.

4.1.4.

De burgers moeten worden geïnformeerd over de andere voordelen van duurzame betrokkenheid bij vrijwilligersorganisaties. Zelfs een korte periode van vrijwilligerswerk kan belangrijke invloed hebben op het vaardigheidsniveau en leiden tot een grotere inzetbaarheid op de arbeidsmarkt.

4.1.5.

Het is noodzakelijk om de burgers op gecoördineerde wijze aan te spreken en hun relevante informatie te verstrekken over de voordelen, mogelijkheden en mechanismen voor de validering van vaardigheden. De lidstaten wordt aangeraden om de instanties voor begeleiding en advies op dit gebied verder uit te bouwen en hierbij met name te denken aan diensten voor arbeidsvoorziening, maar ook jongereninformatiecentra, onderwijsinstellingen, werkgevers, vakbondsorganisaties, centra voor loopbaanadvies, vrijwilligersorganisaties, jeugdorganisaties en overheden.

4.1.6.

Voor de validering van vaardigheden is adviesverlening in alle stadia — van identificatie tot certificering — van essentieel belang en zeer nuttig, met name voor jongeren. Dergelijk advies moet:

mensen helpen bij het vaststellen van hun behoeften en hun motivatie om de valideringsprocedure te starten;

een veilige omgeving creëren die bevorderlijk is voor het ontstaan van een vertrouwensrelatie met de adviseur/consultant, dat wil zeggen niet te formeel, zodat jongeren zich op hun gemak voelen;

meer informatie geven over certificering als erkende methode die gericht is op mensen die een opleiding hebben gevolgd, door gebruik te maken van bestaande informatie- en adviesstructuren — m.a.w. om te laten zien dat certificering tot de mogelijkheden behoort zonder echter onrealistische verwachtingen te scheppen.

4.2.    Coördinatie van de belanghebbende partijen

4.2.1.

Volgens de Raad zouden de lidstaten de coördinatie en betrokkenheid van alle belanghebbenden bij de ontwikkeling en uitvoering van de onderdelen en beginselen van de validatie moeten bevorderen. Om aan te zetten tot deelname aan dit proces:

moeten werkgevers, jongerenorganisaties en maatschappelijke organisaties de identificatie en documentatie van op het werk of via vrijwilligersactiviteiten verworven leerresultaten bevorderen en vergemakkelijken met gebruikmaking van geschikte Europese instrumenten die de transparantie waarborgen, zoals de met het Europass-kader en de Youthpass ontwikkelde instrumenten;

moeten aanbieders van onderwijs en opleidingen de toegang tot formeel onderwijs en formele opleidingen op basis van leerresultaten die in een niet-formele of informele context zijn verworven, vergemakkelijken en, in voorkomend geval en indien mogelijk, vrijstellingen en/of kredieten toekennen voor relevante leerresultaten die in een dergelijke context zijn verworven.

4.2.2.

Het EESC dringt dan ook aan op de ondersteuning van alle belanghebbenden, met name de sociale partners en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld, om hen bewust te maken van de voordelen van validering en hen actief te laten deelnemen aan de vaststelling van nationale kwalificatiekaders en de formulering van beroepskwalificaties. Het kan zeer moeilijk zijn om een „echte” verandering teweeg te brengen in de houding van de belanghebbenden, zeker in lidstaten die dit thema niet als prioriteit beschouwen of waar het standpunt van de samenleving ten aanzien van de validering van niet-formeel of informeel leren niet werkelijk op nationaal niveau wordt ondersteund. Het zou nuttig zijn een platform te bieden voor degenen die al vooruitgang hebben geboekt op dit gebied (bijvoorbeeld met proefprojecten) en hun inspanningen op nationaal niveau te steunen.

4.3.    Validering en nationale kwalificatiekaders en -systemen

4.3.1.

De lidstaten zouden iedereen de mogelijkheid moeten bieden een volledige of gedeeltelijke kwalificatie te verkrijgen op basis van gevalideerde niet-formele en informele leerervaringen. Zij moeten ervoor zorgen dat de valideringsprocedures zijn gekoppeld aan nationale kwalificatiekaders en aansluiten op het Europese kwalificatiekader, en dat er sprake is van synergie tussen de valideringsregelingen en creditsystemen die worden gebruikt in het formele onderwijs- en opleidingsstelsel, zoals ECTS en ECVET.

4.3.2.

Werkgevers en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld moeten zoveel mogelijk worden betrokken bij het ontwerpen van nationale kwalificatiesystemen (en zij moeten hiertoe worden aangemoedigd). De ervaring in sommige lidstaten leert dat de tenuitvoerlegging van de valideringsprocedures op sectoraal niveau vraagt om de oprichting van commissies en eenheden voor sectorale vaardigheden, die moeten worden bemand door het juiste personeel. Zo zou op de betreffende gebieden kunnen worden overgegaan tot de vaststelling van nationale normen voor verschillende beroepen en beroepskwalificaties.

4.4.    De kwaliteit van de validering waarborgen

4.4.1.

De lidstaten zouden transparante kwaliteitsborgingsmaatregelen moeten treffen, die overeenstemmen met de bestaande kwaliteitsborgingskaders, aangezien dergelijke maatregelen het gebruik van betrouwbare, valide en geloofwaardige evaluatiemethoden en -instrumenten bevorderen. Dit vraagt in de eerste plaats om een adequate wetgeving, d.w.z. een regelgevingskader voor het valideren en waarborgen van afgegeven certificaten, overeenkomstig de nationale kwalificatiekaders die zijn afgeleid van het Europees kwalificatiekader.

4.4.2.

Voor het EESC houdt dit in dat moet worden gezorgd voor de gelijkwaardigheid van certificaten die zijn verworven via formeel en niet-formeel onderwijs en informeel leren. Dit stelt zeer hoge eisen aan de kwaliteit van de valideringsprocedures die ook financieel moeten worden gesteund, bijvoorbeeld met middelen uit het Europees Sociaal Fonds.

4.5.    Validering door onderwijsinstellingen

4.5.1.

Onderwijsinstellingen spelen een essentiële rol in het valideringsproces. De Raad beveelt aan dat aanbieders van onderwijs en opleidingen de toegang tot formeel onderwijs en formele opleidingen op basis van leerresultaten die in een niet-formele of informele context zijn verworven, moeten vergemakkelijken en, in voorkomend geval en indien mogelijk, vrijstellingen en/of kredieten moeten toekennen voor relevante leerresultaten die in een dergelijke context zijn verworven.

4.5.2.

Het EESC dringt erop aan dat universiteiten meer steun verlenen aan de validering van kennis en vaardigheden die op niet-formele wijze zijn verworven. Ierland kan in dit verband als voorbeeld worden genomen. De Ierse National Review of Higher Education 2030 steunt de maatschappelijke taak van het hoger onderwijs en noemt de „betrokkenheid van de samenleving in ruime zin” als „één van de drie, onderling verbonden belangrijke rollen van het hoger onderwijs”. Dit wordt omschreven als „samenwerking met het bedrijfsleven, met the civil society, met het beleid van de overheid, met kunst, cultuur en sport en met andere aanbieders van onderwijs in de gemeenschap en de regio, waarbij steeds meer nadruk wordt gelegd op betrokkenheid van de internationale gemeenschap” (5).

4.5.3.

Het spreekt voor zich dat niet alleen universiteiten de resultaten van niet-formeel en informeel leren kunnen valideren. Op Malta bijvoorbeeld worden met het in september 2010 gepresenteerde certificaat en profiel van het middelbaar onderwijs alle vormen van leren erkend die gedurende de vijfjarige middelbareschoolperiode zijn gevolgd. Zowel het formeel als het niet-formeel onderwijs kent „credits” toe die studenten stimuleren om verder te leren en hoger onderwijs te volgen.

4.6.    Validering en de arbeidsmarkt

4.6.1.

De Raad benadrukt in zijn aanbeveling het belang van validering voor de arbeidsmarkt en dringt erop aan dat de lidstaten alle belanghebbenden, zoals werkgevers, vakbonden, brancheverenigingen, kamers van koophandel, beroepsorganisaties, nationale entiteiten die betrokken zijn bij de validatieprocedure voor beroepskwalificaties, aanmoedigen om hieraan deel te nemen. Bovendien worden de werkgevers aangemoedigd om de identificatie en documentatie van op het werk verworven leerresultaten te bevorderen en te vergemakkelijken.

4.6.2.

De validering van niet-formeel en informeel leren kan deel uitmaken van collectieve arbeidsovereenkomsten (zoals in Nederland). Dit is een uitstekend voorbeeld van hoe werknemers toegang kunnen krijgen tot een dergelijke validering en draagt bij tot een doeltreffend humanresourcesmanagement in bedrijven. Werkgevers zouden actief moeten worden betrokken bij de evaluatie van kennis, vaardigheden en competenties, zowel op de werkplek als bij het opzetten van onderwijs- en opleidingsprogramma’s. Dit zal helpen om de waarde van de validering te verhogen en het vertrouwen hierin te vergroten.

4.6.3.

Collectieve onderhandelingen en de sociale dialoog tussen vakbonden en werkgevers kunnen een belangrijke rol spelen bij de validering van niet-formeel onderwijs en een leven lang leren. Een concreet voorbeeld hiervan op Europees niveau is de European Metalworkers’ Federation (EMF) die werkt aan de erkenning van niet-formeel leren als een belangrijke bijdrage aan het debat over de inzetbaarheid en aan de instrumenten om deze te vergroten.

4.6.4.

In sommige landen vervullen vakbondsactivisten steeds vaker een nieuwe rol door tijdens de werkuren advies te geven en met werkgevers te onderhandelen over vrije toegang tot opleidingsmogelijkheden op het werk. In Oostenrijk, Denemarken, Finland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk treden vakbondsvertegenwoordigers op als „onderwijsambassadeurs” die werknemers aanmoedigen verder te leren en lacunes in hun vaardigheden op te vullen en die ondernemingen advies geven over hun educatieve behoeften (6).

4.6.5.

Aangezien werkgevers die jonge mensen met weinig of geen praktijkervaring in dienst nemen, het zeer op prijs stellen wanneer zij betrokken zijn geweest bij jongerenorganisaties, moet deze betrokkenheid worden aangemoedigd als een van de maatregelen om jongeren te helpen bij de overgang van school naar werk (7).

4.6.6.

Voorts is het zaak dat alle mensen die validering overwegen, beter begeleid en gecoacht worden, zodat zij tijdens sollicitaties in staat zijn om de op niet-formele en informele wijze verworven vaardigheden en competenties op efficiënte wijze te presenteren en beter inzien hoe zij deze vaardigheden kunnen toepassen in hun werk en hoe zij kunnen helpen bij de uitvoering van de specifieke taken van de functie in kwestie. Aan dit proces kan worden bijgedragen door professionele adviesdiensten, adviseurs op scholen en universiteiten, jongerenorganisaties en arbeidsbureaus, naast werkgevers en internationale organisaties. In dit verband zouden jongeren ook kunnen worden geholpen met informatie en nuttige tips.

4.7.    Validering in de vrijwilligerssector

4.7.1.

De Raad benadrukt in zijn aanbeveling dat de vrijwilligerssector actief moet worden betrokken bij het validatieproces: werkgevers, jongerenorganisaties en maatschappelijke organisaties moeten de identificatie en documentatie van op het werk of via vrijwilligersactiviteiten verworven leerresultaten bevorderen en vergemakkelijken, met gebruikmaking van geschikte instrumenten die de transparantie waarborgen, zoals de met het Europass-kader en de Youthpass ontwikkelde instrumenten.

4.7.2.

De burgers zouden zich meer bewust moeten zijn van de waarde die werkgevers hechten aan vaardigheden en competenties die op niet-formele of informele wijze zijn verkregen, bijvoorbeeld via vrijwilligerswerk. Dit geldt vooral voor mensen met een lager opleidingsniveau, die zich vaak minder bewust zijn van de waarde van dit soort activiteiten voor een werkgever en die ook minder goed opgeleid zijn om deze vaardigheden te presenteren.

4.7.3.

In het licht van de hoge jeugdwerkloosheid moeten er meer mogelijkheden komen voor de wisselwerking tussen publieke en private arbeidsbemiddelingsbureaus, vrijwilligersorganisaties (met name voor jongeren) en werkgevers. Dit kan helpen om de zichtbaarheid te vergroten en mensen meer bewust te maken van het belang en de waarde van niet-formeel onderwijs in vrijwilligersorganisaties en kan ook het wederzijdse vertrouwen versterken.

4.7.4.

De ontwikkeling van evaluatie- en opleidingsprogramma’s voor vrijwilligersorganisaties moet worden gesteund, aangezien het bestaan van dergelijke programma’s wordt gekoppeld aan een aangetoond hoger vaardighedenniveau. In dit verband moet tevens voor ogen worden gehouden dat de activiteiten van vrijwilligersorganisaties sterk uiteenlopen, en dus ook de criteria die deze organisaties gebruiken om de bij hen opgedane vaardigheden te evalueren. Vanuit dit oogpunt moet in de vrijwilligerssector een grotere consistentie op het gebied van terminologie en evaluatiemethodes worden aangemoedigd. Door deze criteria meer op één lijn te brengen kan er bijvoorbeeld voor worden gezorgd dat vrijwilligers zich meer bewust zijn van de vaardigheden die zij ontwikkelen door vrijwilligerswerk te verrichten ten behoeve van de samenleving.

4.8.    Valideringsinstrumenten

4.8.1.

De Raad legt in zijn aanbeveling de nadruk op gemeenschappelijke Europese valideringsinstrumenten om de transparantie te waarborgen, zoals het Europass-kader en de Youthpass. De lidstaten zouden moeten zorgen voor synergieën tussen de validatieregelingen en kredietsystemen van het formele onderwijs- en opleidingsstelsel, zoals ECTS en Ecvet.

4.8.2.

De kennis en vaardigheden die worden verworven via activiteiten bij maatschappelijke organisaties hebben ook waarde op de arbeidsmarkt, maar zijn vaak niet-gedocumenteerd en onzichtbaar. De ontwikkeling en het gebruik van instrumenten voor zelfevaluatie, die mensen helpen bij het identificeren en documenteren van hun leerresultaten, moeten worden gesteund, gebruikmakend van de ervaringen van maatschappelijke organisaties. Zo kan de opstelling van een persoonlijk portfolio van vaardigheden een meerwaarde bieden voor mensen die een vervolgopleiding wensen te volgen en/of wanneer zij verdere ambities in het beroepsleven nastreven.

4.8.3.

Certificaten en portfolio’s zijn een belangrijk onderdeel van de validering van informeel verworven competenties en kwalificaties. Aanbieders van niet-formele educatie zouden ernaar moeten streven om certificaten/documenten af te geven die een gedetailleerde beschrijving geven van de aard en de resultaten van de gevolgde educatieve activiteiten, en zouden de burgers duidelijk moeten maken waarom dit zo waardevol is. Het gaat hoofdzakelijk om de educatieve waarde van deze documenten (mensen bewuster maken van de vaardigheden en bekwaamheden die zij hebben verworven in maatschappelijke organisaties, en hoe deze vaardigheden van pas kunnen komen bij het zoeken naar een baan of bij een vervolgopleiding), en niet zozeer om de bekroning van een succes.

4.8.4.

Het EESC heeft in het verleden reeds zijn steun uitgesproken voor de invoering van een Europees vaardighedenpaspoort en het instrument „Europass Experience”. Het is dan ook teleurgesteld over het feit dat de Europese Commissie de voorbereiding van de Europass Experience heeft opgeschort.

Brussel, 16 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2012:398:0001:0005:NL:PDF

(2)  http://www.cedefop.europa.eu/en/publications-and-resources/publications/4054

(3)  http://issuu.com/yomag/docs/reportnfe_print

(4)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de integratie van vrouwelijke migranten op de arbeidsmarkt (PB C 242 van 23.7.2015, blz. 9).

(5)  Zie: „National Strategy for Higher Education 2030” („Nationale strategie voor het hoger onderwijs tot 2030”), www.hea.ie

(6)  Zie: „Learning while working. Success stories on workplace learning in Europe”, blz. 59, Cedefop 2012

(7)  http://issuu.com/yomag/docs/reportnfe_print


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/57


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de verbetering van de resultaten van nationale stelsels voor duaal onderwijs

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/10)

Rapporteur:

Dorthe ANDERSEN

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft op 19 februari 2015 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over de

Verbetering van de resultaten van nationale stelsels voor duaal onderwijs

(initiatiefadvies).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 september 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september 2015) het volgende advies uitgebracht, dat met 206 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 8 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Jonge Europeanen zijn in verschillende lidstaten hard getroffen door de crisis, tegen enorme menselijke, sociale en economische kosten. Een hogere jeugdwerkloosheid is echter niets nieuws en duidt op enkele structurele problemen die de overgang van school naar werk lastig maken.

1.2.

Met goed functionerende stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding (BOO) op basis van duaal leren kunnen meer jongeren aan een baan worden geholpen en kan de overgang van school naar werk voor jonge mannen en vrouwen, inclusief kansarme jongeren, versoepeld worden.

1.3.

Het EESC onderstreept dat „hét beste model” voor duaal onderwijs niet bestaat. Doel is te zorgen voor een kwalitatief hoogwaardig duaal onderwijs dat vruchten afwerpt.

1.4.    Europees niveau:

1.4.1.

Het EESC is van mening dat de EU een instrument voor kwaliteitsbeoordeling nodig heeft dat de voortgang en de gevolgen van de hervormingen die de lidstaten doorvoeren in kaart brengt, teneinde de prestaties van BOO-stelsels en stelsels voor duaal onderwijs te verbeteren.

1.4.2.

Het EESC beveelt de Commissie aan om — samen met relevante partners — instrumenten te ontwikkelen voor monitoring en gegevensverzameling, voor het beoordelen van wat werkt in de lidstaten en voor het vaststellen van de belangrijkste kenmerken van goed functionerende stelsels voor duaal onderwijs. Doel is te meten en te beoordelen wat werkt, de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen en de correlatie tussen duaal onderwijs en werkgelegenheid te belichten.

1.4.3.

Goed gekwalificeerde arbeidskrachten die beschikken over vaardigheden waar vraag naar is, zullen ook in de toekomst een centraal onderdeel van arbeidsmarkten en het Europese concurrentievermogen uitmaken. Het EESC stelt daarom voor een EU-doelstelling voor BOO en duaal onderwijs vast te stellen, die jongeren betere kansen op een baan kan bieden. Dit zou kunnen gebeuren in het kader van de herziening van de Europa 2020-strategie. Het EESC verzoekt de Commissie dan ook om de mogelijkheden daartoe te bestuderen.

1.4.4.

Het EESC is van mening dat een EU-doelstelling voor BOO en de verzameling van gegevens ertoe kunnen bijdragen dat de lidstaten op schema blijven wat betreft de verbetering van de opleidingsniveaus en het garanderen dat jongeren positieve ervaringen opdoen binnen het onderwijssysteem en het onderwijs verlaten met de vaardigheden die nodig zijn op de arbeidsmarkt.

1.5.    De lidstaten en de sociale partners:

1.5.1.

Het EESC beveelt aan dat lidstaten die geen goed functionerende stelsels voor duaal onderwijs hebben, onderzoeken wat het kost om dergelijke stelsels te ontwikkelen en deze kosten afzetten tegen de voordelen die dit zou hebben voor het concurrentievermogen van ondernemingen en de werkgelegenheid onder jongeren.

1.5.2.

Het EESC benadrukt het belang van partnerschappen tussen scholen, opleidingscentra, vakbonden en het bedrijfsleven. De sociale partners spelen een belangrijke rol in alle stadia van goed functionerende stelsels voor duaal onderwijs (ontwerp, uitvoering, monitoring, evaluatie enz.). Het versterken en een beter gebruik van de sociale dialoog op alle niveaus kan een doeltreffende manier zijn om de kwaliteit van duaal onderwijs te verbeteren en dit onderwijs aantrekkelijker te maken.

1.5.3.

Het EESC verzoekt de lidstaten een systeem voor de beroepsontwikkeling van BOO-leerkrachten, -mentoren en -opleiders in te voeren c.q. systematisch te herzien. Dit geldt met name voor bedrijfsinterne opleiders, aangezien zij zeer belangrijk zijn voor het verbeteren van de resultaten van BOO-stelsels.

1.5.4.

Het EESC benadrukt dat werkgevers belangrijk zijn en is van mening dat werkgevers — met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) — zich meer zullen bezighouden met leerlingplaatsen wanneer deze daadwerkelijk beantwoorden aan hun behoeften en wanneer er goede banden zijn met scholen. In de komende jaren moet de nadruk liggen op de invoering van stelsels voor duaal onderwijs die de kosteneffectieve betrokkenheid en meer eigen inbreng van werkgevers mogelijk maken.

1.5.5.

Het EESC beveelt aan dat de Europese sociale partners hun werkzaamheden op dit gebied als onderdeel van hun eigen werkprogramma voortzetten.

2.   Inleiding — de huidige situatie in Europa

2.1.

De economische crisis in Europa heeft jongeren hard getroffen: 4,5 miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar zijn werkloos (1). Voor sommige EU-landen is een hoge jeugdwerkloosheid echter niets nieuws; deze is door de crisis slechts verergerd. De jeugdwerkloosheid in de EU is meer dan twee keer zo hoog als de werkloosheid onder volwassenen: 20,9 % tegen 9,8 %. Ongeveer 7 miljoen jonge Europeanen hebben geen werk en volgen evenmin onderwijs of opleiding (2). Met zwakke economische vooruitzichten op de korte termijn is de jeugdwerkloosheid in sommige lidstaten gestegen tot extreme niveaus, tegen grote menselijke, sociale en economische kosten.

2.2.

Vóór de crisis was de werkloosheid onder jongeren ook al hoger dan onder volwassenen. Dit suggereert dat er een structureel probleem bestaat bij het tot stand brengen van nauwere banden tussen onderwijs- en opleidingsstelsels en arbeidsmarkten. Een ander argument hiervoor is dat in veel landen sprake is van een hoge jeugdwerkloosheid, terwijl werkgevers tegelijkertijd problemen hebben om werknemers met de juiste vaardigheden te vinden.

2.3.

Er is een nieuwe aanpak geboden waarbij de basis voor werkgelegenheid en groei wordt verbeterd; de bedoeling is dat jongeren in het beroepsonderwijs goede vaardigheden en kwalificaties verwerven waar vraag naar is, zodat arbeidsmarkten goed kunnen functioneren.

2.4.

Er bestaan echter aanzienlijke verschillen tussen de EU-lidstaten wat hun ervaringen met de betreding van de arbeidsmarkt door jongeren betreft.

2.5.

In veel landen vormen mensen met een beroepsopleiding de meerderheid van de werknemers in de particuliere sector en spelen zij bovendien een belangrijke rol in delen van de publieke sector. Vandaag de dag volgt ongeveer de helft van de leerlingen in het hoger secundair onderwijs in Europa een BOO-programma en volgt ongeveer een kwart van deze leerlingen een gecombineerde opleiding op school en op de werkplek (3). Waar het nu om gaat is dat BOO aantrekkelijker moet worden gemaakt door de kwaliteit ervan te verbeteren en het onderwijs relevanter te maken.

2.6.

In een aantal adviezen (4) heeft het EESC gewezen op het belang van het creëren van de juiste voorwaarden voor jongeren, met als doel de overgang van onderwijs naar werk te vergemakkelijken door ervoor te zorgen dat zij meer en verschillende vormen van duaal leren krijgen aangeboden als onderdeel van beroepsonderwijs en -opleiding van hoge kwaliteit.

2.7.

Het EESC is van mening dat het belangrijk is om vaart in dit proces te houden en ervoor te zorgen dat de afzonderlijke lidstaten, in samenwerking met de sociale partners, binnen hun BOO-stelsels ruimte voor duaal leren maken.

3.   De definities begrijpen — duaal onderwijs in Europa

3.1.

Dit advies richt zich op duaal leren binnen BOO. Duaal onderwijs is een overkoepelende term die verschillende nationale modellen omvat. Volgens Cedefop heeft duaal leren betrekking op onderwijs of opleidingen waarbij onderwijs op school of in een opleidingscentrum wordt afgewisseld met leren op een werkplek. Dit soort leren wordt duaal genoemd vanwege het leertraject (scholen/BOO-aanbieders en leerbedrijven zijn samen verantwoordelijk voor de theoretische en de praktijkvorming) en omdat er twee soorten actoren bij zijn betrokken (publieke en particuliere).

3.2.

Leren op de werkplek is in alle lidstaten onderdeel van het onderwijsstelsel, maar de kwaliteit, de resultaten en de omvang ervan verschillen (5). Hoeveel tijd wordt bijvoorbeeld doorgebracht op de werkplek? Hebben leerling en werkgever een contract gesloten of wordt de leerling betaald? Wat is de rol van de sociale partners?

3.3.

Er is niet zoiets als „hét” of „het beste” model. De manier waarop duaal onderwijs wordt ontwikkeld is van veel economische en sociale factoren afhankelijk.

3.4.

Globaal gezien zijn er drie vormen van werkplaatsleren:

Leerlingplaatsen, waarbij leren op de werkplek en onderwijs op school elkaar afwisselen en worden gecombineerd en waarbij een nationaal erkende kwalificatie kan worden behaald. Er is gewoonlijk sprake van een contractuele relatie tussen de werkgever en de leerling, waarbij de leerling wordt betaald (bijv. in Oostenrijk, Denemarken en Duitsland);

BOO op school, met scholing op de werkplek. Deze vorm omvat kortere opleidingsperioden op de werkplek (bijv. stages en leerbanen) als verplicht of facultatief onderdeel van BOO-programma’s, waarbij een formele kwalificatie kan worden behaald;

Schoolprogramma’s.

3.5.

Wat van belang is, is de nauwe band met de werkplek en de synergieën die moeten worden ontwikkeld tussen de leerling, de theoretische basis en de praktijkvorming en de ontwikkeling op de werkplek.

4.   De Europese beleidsachtergrond

4.1.

De Europese Raad bereikte op 27 en 28 juni 2013 (6) overeenstemming over een nieuwe strategie voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid, die het doel omvatte om „hoogwaardige leerlingplaatsen en leren op het werk” te propageren. 22 lidstaten ontvingen landenspecifieke aanbevelingen om hun stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding aan te passen door een grotere nadruk te leggen op werkplekleren binnen opleidingen en kwalitatief hoogwaardige leerlingplaatsen voor jongeren.

4.2.

Op EU-niveau is een aantal maatregelen genomen. Zo is een jongerengarantie aangenomen, zijn ESF-middelen toegewezen voor de ontwikkeling van leerlingplaatsen op nationaal niveau, met inbegrip van het stelsel voor duaal onderwijs, en is een Europese Alliantie voor leerlingplaatsen opgericht.

4.3.

In hun actiekader Jeugdwerkgelegenheid (7) (juni 2013) benadrukken de Europese sociale partners ook de waarde van modellen voor werkplekleren, zoals stelsels voor duaal onderwijs.

4.4.

Het Letse voorzitterschap heeft vijf doelstellingen gesteund als onderdeel van de herziening van het communiqué van Brugge. De eerste van deze doelstellingen is het bevorderen van werkplekleren, met bijzondere aandacht voor leerlingplaatsen en soortgelijke vormen (8).

5.   Duaal onderwijs als brug naar het beroepsleven

5.1.

Studies van bijv. Cedefop en de Europese Commissie wijzen op een positief verband tussen BOO-stelsels op basis van duaal leren en werkgelegenheid onder jongeren (9).

5.2.

De ervaringen en cijfers spreken duidelijke taal. Landen met relevante en aantrekkelijke beroepsopleidingssystemen die op de beginselen van duaal leren zijn gebaseerd, presteren beter wat de betreding van de arbeidsmarkt door jongeren betreft. Sommige landen, zoals Oostenrijk, bieden goede voorbeelden van opleidingsmogelijkheden voor kansarme jongeren, zoals ondersteuning bij het werk of een veiligheidsnet voor scholieren met een leerlingplaats.

5.3.

Een goed functionerend stelsel voor duaal onderwijs biedt jongeren eerste werkervaringen en maakt hen bijgevolg aantrekkelijker voor ondernemingen en toekomstige werkgevers. In Duitsland blijft meer dan twee derde van de leerlingen bij dezelfde werkgever nadat zij hun leerlingopleiding hebben afgerond (10). Uit cijfers over Denemarken (11) blijkt dat leerlingen die een beroepsopleiding hebben afgerond, na een afvloeiing het snelst weer een baan vinden en dat een groot aantal van hen hun eigen bedrijf opzetten.

5.4.

BOO en leerlingplaatsen worden echter door veel jongeren en ouders niet gezien als even aantrekkelijk als een academische opleiding of worden beschouwd als werk dat alleen in de traditionele handarbeidsector voorkomt. Daarbij wordt echter vergeten dat door middel van duaal leren „concurrentiële kennis” opgedaan kan worden; jongeren hebben dan niet alleen één bepaalde carrièremogelijkheid, maar verwerven concurrentiële kennis die verder ontwikkeld kan worden.

5.5.

In het kader van de herziene EU2020-strategie zou overwogen moeten worden om een EU-doelstelling vast te stellen voor het percentage leerlingen dat BOO of duaal onderwijs volgt. Zo kan de belangrijke bijdrage van duaal onderwijs en leerlingplaatsen aan de inzetbaarheid en inclusiviteit beter onder de aandacht worden gebracht. Zo kan de belangrijke bijdrage van duaal onderwijs en leerlingplaatsen aan de inzetbaarheid en inclusiviteit beter onder de aandacht worden gebracht.

5.6.

Een dergelijke doelstelling moet ambitieus zijn, aangezien is aangetoond dat er een positief verband met werkgelegenheid bestaat, en dient rekening te houden met de toekomstige behoefte op de arbeidsmarkt aan werknemers met een middelbare opleiding.

5.7.

Scholen, opleidingscentra en bedrijven, sociale partners en politici moeten de krachten bundelen om het imago en de aantrekkelijkheid te verbeteren. BOO-scholen en opleidingscentra moeten zich beter kunnen aanpassen aan de veranderende economie en de veranderende arbeidsmarktbehoeften. Vaardigheidswedstrijden en rolmodellen kunnen worden aangemoedigd om vaardigheden of scholen te belichten en om jonge mannen en vrouwen te inspireren. Om te voorkomen dat leerlingplaatsen door scholieren en ouders worden gezien als een doodlopende weg, moet er voor een goede aansluiting met het hoger onderwijs worden gezorgd. Ook zouden EU-mobiliteitsprogramma’s als Erasmus+ geïntensiveerd kunnen worden om dit soort regelingen aantrekkelijker te maken.

5.8.

Goede en vroege loopbaanbegeleiding en adviesdiensten zijn belangrijk om het imago van duaal onderwijs te verbeteren en scholieren beter te laten begrijpen wat duaal onderwijs inhoudt.

5.9.

Ook leerkrachten kunnen het duaal onderwijs aantrekkelijker maken; hoe jongeren over BOO denken wordt rechtstreeks door hen beïnvloed. Een baan als BOO-leerkracht moet als een aantrekkelijke mogelijkheid worden beschouwd. Dit kan o.a. worden bereikt door ervoor te zorgen dat de professionele en didactische vaardigheden van BOO-leerkrachten voortdurend op peil worden gehouden, door de samenwerking tussen scholen en bedrijven te verbeteren zodat leerkrachten weten wat bedrijven willen, hoe zij werken, welke technologie zij gebruiken enz.

5.10.

Binnen een duaal stelsel moet de aanwezigheid van een gekwalificeerde en gemotiveerde medewerker die optreedt als studiebegeleider of opleider binnen het bedrijf een basisvereiste zijn voor de kwaliteitsborging. De verantwoordelijkheid van de opleiding binnen het bedrijf moet meer aandacht krijgen. Door de vaardigheden die opgedaan moeten worden duidelijker en nauwkeuriger te beschrijven kan de kwaliteit van werkplekleren worden verbeterd.

6.   Permanent op bewijsmateriaal gebaseerd toezicht en beoordeling van BOO-stelsels en -beleid.

6.1.

Er zijn verscheidene studies uitgevoerd, waaruit bleek dat onder meer het Duitse, Zwitserse en Oostenrijkse systeem voor duaal leren goed werken in die zin dat zij jongeren een passende opleiding en een goed begin van hun loopbaan bieden. „Het beste” model bestaat echter niet: doel is succesvolle structuren en praktijken in kaart te brengen.

6.2.

Met transparantere informatie over het waarom-hoe-waartoe zou achterhaald kunnen worden wat de belangrijkste elementen van goed functionerende stelsels voor duaal leren zijn. De gegevens die de meeste lidstaten en Cedefop over de inzetbaarheid van mensen met een afgeronde beroepsopleiding verzamelen, zouden ook gebruikt kunnen worden om verbeteringen in de stelsels — met inbegrip van het duaal onderwijs — door te voeren.

6.3.

Het aandeel van werkplekleren zou bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden als variabele in de EU-benchmark inzake inzetbaarheid. Een Europese benchmark voor duaal onderwijs zou de correlatie tussen stelsels voor duaal onderwijs en de werkgelegenheid onder jongeren kunnen belichten. De voor een dergelijke benchmark benodigde gegevens zouden jaarlijks kunnen worden vergaard via de arbeidskrachtenenquête.

6.4.

In samenwerking met Cedefop zou Eurostat (Eurobarometer) systematischer onderzoek kunnen doen naar jongeren die een beroepsopleiding afronden en beschikken over vaardigheden waar vraag naar is en naar de manier waarop duale scholing binnen bedrijven hen hebben geholpen deze vaardigheden te verwerven.

6.5.

Het kan nuttig zijn om vergelijkbare nationale gegevens te verzamelen op basis waarvan de prestaties van landen met betrekking tot de uitvoering en resultaten van de verschillende stelsels voor duaal onderwijs in Europa kunnen worden beoordeeld. Cedefop, Eurostat en de Commissie verzamelen reeds informatie als onderdeel van de ET 2020- en de Kopenhagenstrategie, maar de EU heeft behoefte aan een coherent instrument dat de vooruitgang en de gevolgen van de hervormingen die op dit moment in veel lidstaten worden doorgevoerd in kaart brengt teneinde de resultaten en de kwaliteit van nationale BOO-stelsels te verbeteren.

Het EESC stelt voor dat bij een dergelijk kwalitatief beoordelingsinstrument ten minste de volgende beleidsvragen aan de orde komen:

Hoe en waarom draagt duaal onderwijs bij tot meer werkgelegenheid?

Zorgt duaal onderwijs voor minder frictie op de arbeidsmarkt, zoals kortere perioden van werkloosheid, en voor een betere afstemming van vaardigheden?

Hoe kan duaal onderwijs bijdragen tot een verbeterde mobiliteit, zowel in als tussen verschillende sectoren?

6.6.

Tijdreeksen van relatief eenvoudige parameters kunnen dienen als springplank naar kwalitatief hoogwaardigere analyses en kunnen tegelijkertijd worden gebruikt voor het volgen van de ontwikkelingen in elk land m.b.t. de aanpassing van BOO-stelsels aan de beginselen van duaal onderwijs en de voordelen hiervan. En dergelijk gegevensplatform zal ook kunnen bijdragen aan de werkzaamheden binnen de Europese Alliantie voor leerlingplaatsen en met betrekking tot het EQAVET-referentiekader.

7.   Betere prestaties van nationale stelsels voor duaal onderwijs en het daarbij betrekken van ondernemingen

7.1.

Er zijn veel uitdagingen die nog steeds niet serieus worden genomen, bijvoorbeeld ten aanzien van de kwaliteit van opleidingen en de relevantie hiervan voor het bedrijfsleven.

7.2.

Leerlingplaatsen spelen een belangrijke rol bij het voorzien in de behoeften van ondernemingen aan bepaalde vaardigheden en helpen jongeren bij de overgang naar de arbeidsmarkt. Leerlingplaatsen bieden werkgevers een aantal voordelen, zoals een betere afstemming van de vaardigheden dankzij opleiding op de werkplek, nieuwe kennis en perspectieven. Volwaardige leerlingplaatsen brengen een aantal rechten en plichten met zich mee voor alle betrokkenen.

7.3.

Ondernemingen moeten dit zien als een investering in toekomstig gekwalificeerd personeel en moeten de verantwoordelijkheid nemen om daadwerkelijk een jongere op te leiden. Maar als ondernemingen — met inbegrip van kmo’s — leerlingplaatsen als investering moeten gaan zien, moeten zij meer worden betrokken bij de stelsels, ook met betrekking tot het opstellen van de curricula.

7.4.

Sommige werkgevers vrezen dat de voordelen van het opleiden van een leerling niet opwegen tegen de kosten, maar dit beeld moet worden bestreden. Uit een in Zwitserland uitgevoerde kosten-batenanalyse blijkt dat de productieve bijdrage van leerlingen meer dan 6 000 EUR per leerlingplaats hoger is dan de opleidingskosten (12) (met inbegrip van het loon van leerlingen) en BUSINESSEUROPE voert momenteel een onderzoek uit naar de kosten en baten van leerlingplaatsen.

7.5.

In sommige landen zijn fondsen opgericht om de lasten te delen, waarbij bedrijven dan een bepaalde som inleggen ter compensatie van de transportkosten of de uren die op school worden doorgebracht („arbejdsgivernes uddannelsesbidrag” in Denemarken). In Oostenrijk ontvangen bedrijven een bonus wanneer leerlingen die zij hebben opgeleid een goede beoordeling krijgen. De Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg hanteert een model voor deling van de lasten, waarbij de ondernemingen 0,2 promille van de loonkosten van de leerlingen in een opleidingsfonds storten. Na 18 maanden wordt de opleiding beoordeeld en ontvangen goede opleidingsbedrijven een premie.

7.6.

De resultaten ten aanzien van de kosten en baten kunnen echter per sector en per BOO-stelsel verschillen. Daarom moeten nationale onderwijsstelsels voortdurend worden beoordeeld en indien nodig worden aangepast om ervoor te zorgen dat zij bijdragen tot een verbetering van het concurrentievermogen van Europese ondernemingen. Meer vergelijkbare en kwalitatief hoogwaardige beoordelingsinstrumenten kunnen de lidstaten hier ook bij helpen.

7.7.

Een goede kwaliteitsborging en beoordeling van leerlingplaatsen en andere vormen van duaal onderwijs, met inbegrip van een beoordeling van de arbeidsomstandigheden, is even belangrijk. Hierbij kunnen de sociale partners ook een rol spelen. De sociale partners moeten bovenal worden betrokken bij het opstellen van nationale bepalingen voor duaal onderwijs en kunnen tevens helpen de kwaliteit van leerlingplaatsen en andere vormen van werkplekleren te waarborgen middels passende collectieve onderhandelingen. Vakbonden en vakbondsvertegenwoordigers kunnen ook een rol spelen bij de opleiding en het bevorderen van het welzijn van jongeren in een bedrijf.

Brussel, 16 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Eurostat: Facts and figures youth unemployment, maart 2015.

(2)  Eurostat [tesem150], 2014.

(3)  Europese Commissie, Onderwijs- en opleidingenmonitor, november 2014.

(4)  Twee voorbeelden:

EESC-advies over beroepsonderwijs en -opleiding op postsecundair niveau als aantrekkelijk alternatief voor hoger onderwijs (PB C 68 van 6.3.2012, blz. 1).

EESC-advies over een kwaliteitskader voor stages (PB C 214 van 8.7.2014, blz. 36).

EESC-advies over de inzetbaarheid van jongeren — Het afstemmen van opleidingen op de behoeften van het bedrijfsleven in een tijd van bezuinigingen (PB C 311 van 12.9.2014, blz. 7).

EESC-advies over maatregelen tegen jeugdwerkloosheid — Goede praktijken (PB C 424 van 26.11.2014, blz. 1).

(5)  Dual education: a bridge over troubled waters, studie van het Europees Parlement, juni 2014.

(6)  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-104-2013-EXT-1/nl/pdf

(7)  https://www.etuc.org/sites/www.etuc.org/files/201306_Framework_of_Actions_Youth_Employment_1.pdf

(8)  Conclusies van het voorzitterschap, Riga, 22 juni 2015.

(9)  Bijvoorbeeld: Labour market outcomes of VET in Europe, Cedefop, 2013, Onderwijs- en opleidingenmonitor, Europese Commissie, 2014, en Learning for Jobs, reviews of VET 2010, OESO.

(10)  Germany trade & invest, DIHK, Federaal Ministerie van Onderwijs en Onderzoek, IAB, Federaal Bureau voor de Statistiek, 2013.

(11)  http://www.da.dk/bilag/AMR09%2CArbejdsmarkedsrapport%202009.pdf

(12)  EENEE Policy Brief 3/2012 November 2012, „Apprenticeship Training Can Be Profitable for Firms and Apprentices Alike”, Stefan C. Wolter, Universiteit van Bern.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/63


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over corruptiebestrijding in de EU: tegemoetkomen aan de zorgen van het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/11)

Rapporteur:

Filip HAMRO-DROTZ

Corapporteur:

Pierre GENDRE

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 oktober 2014 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over:

Corruptiebestrijding in de EU: tegemoetkomen aan de zorgen van het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld”.

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 15 juli 2015.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september 2015) het volgende advies uitgebracht, dat met 184 stemmen vóór, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1.

De EU dient onverwijld werk te maken van een coherente, alomvattende vijfjarenstrategie tegen corruptie, met bijhorend actieplan, en goedgekeurd door de voorzitters van de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Europese Raad. De EU-voorzitterschappen en de EU-instellingen moeten in hun programma’s en in de interinstitutionele samenwerking duidelijke doelstellingen tegen corruptie onderschrijven. Zij dienen een toekomstgerichte agenda te hebben en zich te richten op horizontale anticorruptieaspecten binnen de EU en in de externe betrekkingen van de EU, op meer steun voor de lidstaten en meer transnationale samenwerking, verbeterde integriteit van de instellingen en bescherming van de financiële belangen van de EU. Transparantie bevorderen en corruptie bestrijden moeten kerndoelen in al het EU-beleid zijn. De strategie moet rekening houden met de aanbevelingen van dit advies.

1.1.1.

Eerste prioriteit is ondersteuning van de lidstaten in hun streven naar uitvoering en naleving van de bestaande nationale, Europese en internationale instrumenten.

1.1.2.

De voortgang van de strategie moet als onderdeel van het Europees semester beoordeeld worden, tegen de achtergrond van de corruptiebestrijdingsverslagen van de Commissie en de regelmatige overzichten. In het toezicht van de EU op de handhaving van de rechtsstaat in de lidstaten moet ook rekening worden gehouden met de verspreiding van corruptie en moet deze specifiek aan bod komen als één van de voorwaarden van met lidstaten en derde landen overeengekomen economische steunprogramma’s.

1.2.

Uitgebreide en inclusieve transnationale samenwerking om corruptie te bestrijden moet het uitgangspunt van de strategie zijn:

1.2.1.

De Europese Commissie en de lidstaten moeten de transnationale samenwerking om corruptie te bestrijden, opvoeren in de context van de hernieuwde interne veiligheidsstrategie 2015-2020 van de EU, COM(2015) 185, de coördinatie tussen de relevante organen (OLAF, Eurojust, Europol, Ombudsman, Rekenkamer) verbeteren en voor een solide management zorgen van het Europees netwerk voor corruptiebestrijding (EACN). Zij dienen de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen en te zorgen voor meer coördinatie en samenwerking tussen de nationale staande magistratuur in gevallen van grensoverschrijdende misdaad, bijv. om crimineel vermogen te achterhalen en te repatriëren.

1.2.2.

De Europese Raad vervult een belangrijke leidende taak en kan de bestrijding van corruptie als volgt aansporen:

programma’s lanceren voor meer bewustwording en onderwijs in de lidstaten over: de waarde van integriteit in de samenleving en de economie; de aard en mate van corruptie in de politiek, het gerechtelijk apparaat en het overheidsbestuur; de rol van corruptie in de onderdrukking van de persvrijheid, de verspreiding van georganiseerde misdaad en de uitholling van het concurrentievermogen; voorts moet er een serieus debat komen over de toekomst van het democratisch bestuur in Europa;

introduceren en stimuleren van uitgebreide maatregelen om corruptie te voorkomen; in dit verband ook beginnen met acties om de invoering van de UNCAC in de EU te overwegen en te bevorderen (overeenkomstig artikel 63 UNCAC en Resolutie 3/1);

opvoeren van inspanningen om nationale strafwetgeving op elkaar af te stemmen als deze praktisch onderzoek en vervolging van gevallen van corruptie belemmert. Bijzondere aandacht verdient de harmonisatie van de definities van corruptie en belangenconflicten. Dit zou bij voorkeur moeten gebeuren via EU-wetgeving of een kader als de „opencoördinatiemethode”, gericht op het schetsen van een wettelijk kader als leidraad voor de lidstaten;

onverwijld goedkeuren van de verordening voor de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie (EPPO) en van de herziene verordening voor Eurojust.

1.2.3.

De tripartiete sociale top zou op basis van de artikelen 152-155 VWEU moeten bekijken hoe de sociale dialoog zowel op horizontaal als sectoraal niveau kan bijdragen aan de preventie en bestrijding van corruptie.

1.2.4.

De raadpleging en betrekking van het maatschappelijk middenveld, op basis van artikel 11 VWEU, alsook van het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Europees Comité van de Regio’s zou ook moeten gelden voor deelname aan EU-initiatieven tegen corruptie.

1.2.5.

De EU-instellingen en de relevante organen zouden samen met de lidstaten acties moeten starten om het publiek bewuster te maken van hoe burgers kunnen bijdragen aan corruptiebestrijding, daarbij wijzend op de volgens EU-wetgeving geldende rechten en mogelijkheden tot verhaal. Een voorlichtingscampagne via de massamedia is op haar plaats, bijvoorbeeld om te wijzen op de kanalen voor burgers om vermoedens van corruptie en misbruik van EU-middelen te melden. Dit zou gelijk op moeten gaan met meer transparantie over hoe die middelen besteed worden.

1.3.

De EU zou naast wetgevingsmaatregelen alternatieve maatregelen moeten lanceren en steunen om de goedkeuring en uitvoering van nalevings-, antiomkoop/corruptiecodes en normen in ondernemingen te bevorderen conform internationale, sectorale en Europese instrumenten en richtsnoeren. Transparante en inclusieve betrokkenheid van relevante stakeholders, met inbegrip van de werknemers, zou onderdeel moeten zijn van een door een bedrijf in te voeren gedragscode (ook met passende bepalingen omtrent klokkenluiden). Ondernemingen over de hele wereld zouden over een managementsysteem tegen corruptie moeten beschikken bij selectie voor projecten die EU-steun ontvangen.

1.3.1.

De EU zou de herziening van de EU-strategie voor maatschappelijk verantwoord ondernemen moeten aangrijpen om samen met ondernemingen, sociale partners en bedrijfsverenigingen na te gaan hoe goede praktijken voor bedrijfsbestuur en -ethiek in brede kring kunnen worden verspreid.

1.3.2.

Verheugend is de recente richtlijn voor de bekendmaking van niet-financiële informatie, die grote EU-bedrijven verplicht verslag te doen van nalevings- en gedragsnormen. Zij zou bedrijven ertoe moeten aanzetten om ervoor te zorgen dat anticorruptienormen, met inbegrip van passende waarschuwingsmechanismen, tijdens de gehele leveringsketen worden gehandhaafd en dat ook kleine en middelgrote ondernemingen evenredige maatregelen zullen nemen.

1.3.2.1.

Het betreft hier met name de levering van natuurlijke hulpbronnen, die vaak een bron van kwetsbaarheid voor corruptie is. De EU kan voortbouwen op goede praktijken in de bosbouw en benaderingen in de regelgeving in verband met conflictdelfstoffen in de VS. De Commissie moet in deze context zorgen voor een consistente benadering bij de beoordeling van haar eigen grondstoffenstrategie. Zij zou samen met Europese vertegenwoordigers uit de sector moeten werken aan een coherente en consistente benadering voor het uitroeien van corruptie in de leveringsketen.

1.4.

De Commissie zou de aanbestedingsrichtlijnen opnieuw tegen het licht moeten houden, vooral om na te gaan hoe de procedures transparanter en solider kunnen worden gemaakt. Ze zou er actief op toe moeten zien hoe de lidstaten (ook op regionaal en lokaal niveau) bestaande bepalingen ter vermijding van belangenconflicten en vriendjespolitiek uitvoeren en, indien nodig, meer gedetailleerde begeleiding moeten bieden. Aanbestedingsregels zouden voor alle ondernemingen moeten gelden, ongeacht hun oorsprong.

1.4.1.

De Commissie moet ook op nationaal en lokaal niveau zorgen voor geschikte kanalen voor het melden van corruptie in aanbestedingsprocedures en betere mogelijkheden om verhaal te halen, ook door niet rechtstreeks betrokken partijen. De EU en de lidstaten zouden moeten ijveren voor een hoge mate van transparantie in deze procedures. Het is een goede zaak dat aanbestedingen de norm worden. Er moet meer ruchtbaarheid aan worden gegeven dat informatie over de aanbestedingen en de toegewezen contracten op het elektronische EU-platform TED (Tenders Electronic Daily) beschikbaar is in vlot toegankelijke en te begrijpen formats.

1.4.2.

Bedrijven die meedingen naar openbare aanbestedingen zouden informatie moeten verstrekken over hun eigendom en de uiteindelijk gerechtigde van de onderneming. Grote ondernemingen die naar opdrachten dingen, zouden moeten beschikken over een solide code tegen omkoping en corruptie (overeenkomstig internationale, Europese en sectorale instrumenten/richtsnoeren). Publicatie van informatie moet de bescherming van bedrijfsgeheimen eerbiedigen (zie EESC-advies INT/145) en mag niet belemmerd worden door verschillen in de nationale wetgeving inzake gegevensbescherming.

1.4.3.

De EU zou toepassing van sancties, met als uiterste sanctie uitsluiting van aanbestedingsprocedures voor een evenredige tijdsduur, als afschrikking tegen corruptie moeten stimuleren, evenals gelijkwaardige maatregelen voor personen in de overheidssector. De Commissie, de Europese Investeringsbank en de lidstaten moeten een uitsluitingssysteem opzetten dat Europese en nationale regelingen voor uitsluiting integreert en ervoor zorgt dat corrupte personen van deelname aan openbare aanbestedingen in de EU worden uitgesloten, zoals opgenomen in de nieuwe EU-aanbestedingsrichtlijnen (2014/24 en 25). Personen in de overheidssector zouden met gelijkwaardige gevolgen geconfronteerd moeten worden. Een dergelijke uitsluiting moet vooral overwogen worden als een bedrijf onherroepelijk voor fouten is veroordeeld en heeft verzuimd om preventieve maatregelen tegen corruptie in te voeren. Het systeem moet rekening houden met ondernemingen die hervormingen hebben aangebracht en stappen hebben genomen om corruptie te voorkomen („zelfreiniging”). Het gebruik van „integriteitspacten” — toezeggingen van overheden en bedrijven om strengere transparantie- en integriteitsnormen bij overheidsopdrachten te hanteren — zou bevorderd moeten worden. Er moet strenger gelet worden op ethisch gedrag en naleving in overheidsbedrijven en openbaar bestuur, zowel op nationaal als op regionaal/lokaal niveau.

1.5.

De EU moet de transparantie van financiële stromen in de Unie verbeteren. De recente wetgeving voor verbeterde transparantie van bedrijfseigendom is als onderdeel van de vierde antiwitwasrichtlijn welkom, maar er is behoefte aan publieke informatie over de uiteindelijk gerechtigden van trusts en andere bedrijfsconstructies. De transparantie van internationale financiële stromen zou vooral gediend zijn met meer bedrijfsrapportage, op basis van internationale sectorale richtsnoeren en relevante EU-wetgeving, die van multinationals eist dat zij belangrijke financiële data bekendmaken in de landen waar zij actief zijn.

1.5.1.

Banken moeten de geldende EU-wetgeving beter naleven. De Commissie en de Europese Bankenautoriteit moeten zich in dit opzicht actiever opstellen om te garanderen dat zwakke uitvoering van de regels in één lidstaat niet het gehele systeem aantast. De Commissie zou haar bevoegdheid ook moeten gebruiken om strafrechtelijke sancties op dit gebied te harmoniseren zodat er in het gehele rechtsgebied van de EU duidelijk afschrikkende sancties zijn. De lidstaten zouden er ook toe gebracht moeten worden om opzettelijke en onrechtmatige verrijking door een overheidsfunctionaris te beschouwen als een strafbaar feit, zoals vermeld in artikel 20 van de VN-conventie tegen corruptie.

1.6.

Het aan de kaak stellen van corruptie is vaak afhankelijk van de bereidheid van klokkenluiders om in de openbaarheid te treden, mits dit te goeder trouw en op redelijke gronden gebeurt. De Commissie moet zoeken naar alternatieven om klokkenluiders beter te beschermen en onderzoeken of instrumenten op EU-niveau haalbaar zijn, eventueel via een verordening of richtlijn, rekening houdend met internationale sectorale richtsnoeren en de relevante resoluties van het Europees Parlement. Inachtneming van de privacy en bedrijfsgeheimen mag de onthulling van corruptie niet in de weg staan (Richtlijn 2013/36 (RKV IV)). Er dienen passende waarborgen te komen om relevante partijen te beschermen tegen incorrecte klokkenluiders

1.7.

Blijkens ervaring en onderzoek lopen de distributie en de besteding van geld van Europese belastingbetalers via de structuur- en investeringsfondsen van de EU (inclusief EFSI) kans op misbruik. Fraude houdt vaak verband met corruptie maar onderzoek wordt bemoeilijkt door de zwakke samenwerking tussen de EU en de nationale overheden. De EU moet voortvarender optreden bij het toezicht op en de controle van het gebruik van financiering en ervan uitgaan dat corruptie en fraude niet worden getolereerd. Het Europees Openbaar Ministerie (EPPO) dient een onafhankelijk en efficiënt Europees bureau te zijn met passende middelen om niet alleen misdaden in verband met EU-financiën te onderzoeken en te vervolgen, maar ook grensoverschrijdende misdrijven zoals corruptie, hetgeen in het Verdrag van Lissabon is vastgelegd. Ook de bevoegdheden van Eurojust zouden moeten worden uitgebreid aangezien soms derde landen betrokken zijn, die niet onder de bevoegdheid van EPPO vallen.

1.8.

De EU moet haar deelname aan mondiale inspanningen tegen corruptie uitbreiden. Zij moet in overeenkomsten met derde landen strikte bepalingen tegen corruptie opnemen. Er moeten strikte voorwaarden worden opgenomen in financieringsprogramma’s (pretoetreding, middelen voor ontwikkelingssamenwerking, overzeese hulp enz.) voor de aanpak en preventie van corruptie (ook om de middelen zelf te beschermen). Er dienen solide mechanismen te gelden voor het toezicht op de uitvoering en de doeltreffendheid.

1.8.1.

Er moeten maatregelen worden getroffen om zowel op de interne markt als op het internationale toneel bedrijven uit de EU die ethische normen naleven, te beschermen tegen concurrenten uit derde landen die zulke bepalingen aan hun laars lappen. Een van de beschermende onderdelen moet zijn dat de „contractvoorwaarden […] zodanig [dienen] te worden geformuleerd dat de aan het contract verbonden risico’s eerlijk worden verdeeld” (zie overweging 65 van CEF-verordening (EU) nr. 1316/2013). Dit principe moet worden opgenomen in de tekst van alle EU-instrumenten die verband houden met financiering door de EU.

1.8.2.

De EU moet ook meer doen om te voorkomen dat haar financiële systeem een toevluchtsoord voor crimineel geld wordt. De gebeurtenissen bijvoorbeeld van de laatste jaren in Afrika, het Midden-Oosten en Oekraïne tonen aan dat bilaterale pogingen om gestolen tegoeden terug te krijgen of te repatriëren, niet de juiste manier zijn. De Commissie moet zich actiever opstellen bij het verlenen van assistentie en het coördineren voor de terugkeer van gestolen tegoeden naar deze landen.

1.9.

De EU-instellingen moeten ervoor zorgen dat zij zelf een toonbeeld van transparantie, integriteit en goed bestuur zijn, op een voor de lidstaten toonaangevende manier. Slechts zo krijgen de EU-instellingen het gezag en de geloofwaardigheid om de bovengeschetste maatregelen voor te bereiden, te begeleiden en uit te voeren. Hiertoe moeten de instellingen streven naar maximale verantwoordingsplicht en transparantie in de besluitvorming die ook een „wetgevingsvoetafdruk” voor EU-wetgeving en -beleid zou moeten omvatten — d.w.z. een publiek en actueel traject van de contacten tussen EU-instellingen, lidstaten en lobbyisten — alsook wetgeving over verplichte registratie van het lobbyen in de EU.

1.9.1.

De EU moet ook consistent en proactief zijn in het toezicht op en de preventie van belangenconflicten, omdat deze de besluitvorming kunnen beïnvloeden. Er zouden onafhankelijke ethische comités moeten komen met de bevoegdheid om bindende aanbevelingen en sancties uit te spreken. Verdere hervormingen moeten opgenomen worden in het vijfjarenplan, vermeld in aanbeveling 1, waarbij rekening moet worden gehouden met de conclusies van de anticorruptieverslagen van de Commissie en OLAF.

1.10.

Het EESC moet zinvolle actie ondernemen om bij te dragen aan de bestrijding van corruptie in de EU:

de samenleving na uitgebrachte adviezen bewuster maken;

zelf deelnemen aan de relevante publiek-private dialoog over corruptie, zoals de Commissie wenst;

bestrijding van corruptie en fraude behandelen in komende adviezen en verdere adviezen overwegen, ook over corruptie in bepaalde sectoren;

de kwestie bij nationale SER’s en in contacten met stakeholders aankaarten, alsook in de externe activiteiten van het EESC;

de herziening evalueren van de EESC-code van goed administratief gedrag en van de gedragscode voor EESC-leden, inclusief de invoering van interne regels voor klokkenluiders;

regelmatige samenwerking stimuleren op het gebied van corruptiebestrijding met de instellingen van de EU (de Europese Raad, de Europese Commissie, het Europees Parlement), relevante agentschappen en met het Comité van de Regio’s;

de oprichting van een monitoringgroep tegen corruptie.

2.   Beschrijving van corruptie

2.1.

Corruptie wordt doorgaans gedefinieerd als „elk misbruik van macht tot eigen voordeel”, geïnspireerd door de UNCAC. Deze definitie is het uitgangspunt voor het advies.

2.2.

Corruptie komt overal ter wereld voor. De corruptie in Europa kost de Europese belastingbetaler naar schatting 120 miljard euro per jaar (fraude met EU-overheidsgeld niet inbegrepen), wat bijna gelijk is aan de jaarlijkse EU-begroting en 1 % van het bbp van de EU uitmaakt. Er zijn aanzienlijke verschillen in corruptie tussen de lidstaten. In veel lidstaten dringt corruptie in alle geledingen van het openbare en particuliere leven door. In de inleiding van het Corruptiebestrijdingsverslag van de EU van 2014 vermeldt de Commissie: „Corruptie brengt de economie en de hele samenleving ernstige schade toe. Ook voor de lidstaten van de EU is dit de realiteit. Goed bestuur, goed beheer van overheidsgelden en het concurrentievermogen van de markten worden door corruptie geschaad. In extreme gevallen ondermijnt corruptie het vertrouwen van burgers in de democratische instellingen en processen.

2.3.

Corruptie heeft vele facetten. Qua sector kan corruptie onderverdeeld worden in publieke, particuliere en politieke corruptie. Corruptie betreft altijd minstens twee instemmende partijen bij het criminele gebeuren.

2.3.1.

Typische voorbeelden van corruptie zijn omkoping, in actieve en passieve vorm, inclusief het aanbieden, geven en aanvaarden van of vragen om een voordeel als aansporing tot een legale, illegale of onethische daad, in de vorm van giften, leningen, vergoedingen, smeergeld („kickbacks”), beloningen en andere voordelen, zoals verlaagde belasting, visa, diensten, sponsorschap en schenkingen. Corruptie gaat vaak hand in hand met andere illegale praktijken, zoals prijsstelling, collusie, het witwassen van geld, illegale verrijking, afpersing en fraude. Ze is ook aanwezig in minder tastbare transacties, zoals vriendjespolitiek en nepotisme bij de benoeming van ambtenaren, ongeoorloofde beïnvloeding en het uitdelen van gunsten, cliëntelisme, onethische immuniteit, amnestie- en privatiseringspraktijken, het omkopen van gerechtelijke en politieautoriteiten, financiering van politieke partijen en manipulatie van verkiezingscampagnes. Ongereguleerde of slecht beheerde belangenconflicten kunnen corruptie in de hand werken, bijv. als voormalig ambtenaren lucratieve posities in bedrijven krijgen aangeboden („draaideuren”) zonder dat er een „afkoelperiode” is.

2.3.2.

Een aantal factoren werkt al deze onethische en illegale activiteit in de hand. Hiertoe behoren wettelijke belemmeringen (immuniteiten voor verkozen ambtenaren en verjaringstermijnen); ontbrekende internationale normen, gedragscodes, ethische richtsnoeren en passende waarschuwingsmechanismen; gebrekkige transparantie over de openbare besluitvorming en de beïnvloeding hiervan, bijv. gekozen of benoemde overheidsambtenaren die te weinig inzage geven in externe inkomsten en activiteiten, of hun schimmige ontmoetingen met personen die zulke besluiten willen beïnvloeden.

2.3.3.

Corruptie wordt vaak in verband gebracht met de informele economie en de georganiseerde misdaad. In de evaluatie van Europol over de dreiging van zware en georganiseerde misdaad (SOCTA, 2013) wordt geschat dat er thans binnen de grenzen van de EU 3 600 georganiseerdemisdaadgroepen en -netwerken actief zijn, die steeds meer in alle geledingen van de economie doordringen.

2.4.

In de EU wordt corruptie als een groot en toenemend transnationaal probleem beschouwd (en internationaal). Corruptie houdt niet op aan de nationale grenzen.

2.5.

Met de goedkeuring van een alomvattend anticorruptiepakket heeft de Europese Commissie in juni 2011 een belangrijke stap gezet in de aanpak van corruptie in Europa. Ze stelde een EU-rapportagemechanisme inzake corruptiebestrijding in. In februari 2014 werd het eerste corruptiebestrijdingsverslag van de EU — COM(2014) 38 final — gepubliceerd. Het is de bedoeling dat verdere verslagen om de twee jaar worden uitgebracht. Dit eerste verslag beoogt een breed stakeholderdebat te lanceren, inclusief het maatschappelijk middenveld, om de strijd tegen corruptie op te voeren en om te bezien hoe de Europese instellingen corruptie kunnen helpen tegengaan. Het begrip „deelname van de samenleving” is gebaseerd op artikel 13 van de UNCAC.

2.5.1.

Het verslag gaat in op corruptieproblemen die specifiek zijn voor bepaalde lidstaten, en benadrukt in het algemeen dat de lidstaten meer werk moeten maken van de aanpak van corruptie aangezien bepalingen van internationale en relevante Europese instrumenten ontoereikend worden omgezet en uitgevoerd en de naleving ervan onvoldoende wordt afgedwongen.

2.5.2.

Tegelijk met het verslag zijn twee Eurobarometer-enquêtes gepubliceerd: a) de speciale Eurobarometer over corruptie en b) de op bedrijven gerichte „Flash survey”.

2.5.2.1.

Belangrijke punten uit deze enquêtes luiden als volgt, waarbij alle percentages verwijzen naar het aantal EU-burgers/bedrijven dat aan de enquête heeft deelgenomen:

drie kwart van de EU-burgers meent dat corruptie in eigen land wijdverbreid is. In tien lidstaten is dat cijfer hoger dan 90 %;

meer dan de helft van de Europeanen denkt dat de corruptie de afgelopen drie jaar is toegenomen;

drie kwart van de Europese burgers meent dat omkoping en gebruik van connecties vaak de eenvoudigste manier zijn om in eigen land bepaalde diensten van de overheid te verkrijgen (bijv. in de gezondheidszorg);

ruim twee derde van de Europeanen denkt dat corruptie binnen de EU-instellingen bestaat, terwijl ruim 50 % van mening is dat de instellingen niet helpen om de corruptie in Europa terug te dringen;

ongeveer de helft van de ondernemingen vindt dat corruptie het zakendoen bemoeilijkt. Staatsbedrijven en de overheidssector, inclusief belasting- en douaneautoriteiten, blijken bijzonder kwetsbaar;

meer dan de helft van de ondernemingen merkt op dat corruptie bij overheidsopdrachten wijdverbreid is ten gevolge van belangenconflicten, ondoorzichtige praktijken en vriendjespolitiek. Overheidsopdrachten voor projecten en contracten voor stadsontwikkeling, infrastructuur, bouw en gezondheidszorg worden aangemerkt als zeer kwetsbaar voor corruptie op elk niveau.

2.6.

Uit een OESO-verslag van december 2014 blijkt dat de omvang van omkoping in het buitenland onaanvaardbaar hoog blijft. Voor de periode 2009-2014 worden ruim 400 gevallen beschreven van omkoping van buitenlandse ambtenaren. Gemiddeld 11 % van de totale waarde van de transactie is voor omkoping bedoeld en in veel gevallen betreft het openbare aanbestedingen. Twee derde van de gevallen komen in vier sectoren voor: mijnbouw, bouw, vervoer en opslag, informatie en communicatie.

2.7.

Wat de bescherming van de financiële belangen van de EU betreft (geld van de belastingbetalers, beheerd door de EU): in 2013 zijn er 16 000 gevallen van onregelmatigheden gemeld (circa 2 miljard euro) in het gebruik van EU-fondsen. Hiervan waren 1 600 gevallen (350 miljoen EUR) frauduleus. Sinds 2009 is het aantal gemelde onregelmatigheden met 22 % en de waarde ervan met 48 % gestegen. Vervalste documenten (waarschijnlijk vaak voor corruptie) waren de belangrijkste oorzaak hiervan. De Europese Rekenkamer vermeldde in zijn jaarverslag over 2013 dat circa 5 % van de toegekende EU-middelen oneigenlijk of onjuist gebruikt zijn, vooral bij regionaal beleid, energie en transport, landbouw, milieu, visserij en gezondheidszorg.

3.   Internationale instrumenten voor de bestrijding van corruptie en omkoping

3.1.

Naast de nationale wetgeving tegen omkoping en corruptie zijn de lidstaten partij bij een reeks internationale overeenkomsten en verdragen en moeten zij de relevante EU-wetgeving naleven. Elk van deze overeenkomsten heeft zijn eigen toezichtsprocedures, meestal in de vorm van wederzijdse beoordeling.

3.2.

De belangrijkste internationale instrumenten en mechanismen om corruptie aan te pakken zijn:

het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC);

het Verdrag van de OESO inzake bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties;

Raad van Europa, 1999, Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie; het Burgerrechtelijk Verdrag inzake corruptie.

3.3.

De belangrijkste wettelijke instrumenten van de EU tegen corruptie zijn:

artikel 83, lid 1, VWEU biedt de EU het mandaat om zware misdaad (waar o.a. corruptie wordt vermeld) met een Europese of grensoverschrijdende dimensie aan te pakken;

artikel 325, lid 4, VWEU biedt de rechtsgrondslag voor alle noodzakelijke maatregelen om fraude die de financiële belangen van de EU schaadt, te bestrijden;

de Overeenkomst van 1997 ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de EU of van de lidstaten betrokken zijn;

Kaderbesluit 2003/568/JBZ inzake de bestrijding van corruptie in de privésector.

3.4.

UNCAC is de meest omvattende van de internationale overeenkomsten; alle lidstaten hebben de conventie geratificeerd, evenals de EU.

3.5.

De EU heeft richtlijnen, mededelingen en kaderbesluiten goedgekeurd die in de eerste plaats minimumnormen vaststellen en zaken behandelen die met de bestrijding van corruptie en fraude te maken hebben: belastingfraude en -ontduiking, witwassen van geld, maatschappelijk verantwoord ondernemen, rapportage van niet-financiële transacties, corporate governance, openbare aanbestedingen en accountantscontrole. Het EESC heeft regelmatig over deze EU-initiatieven adviezen uitgebracht.

3.6.

De EU heeft tevens anticorruptie- en antifraudebepalingen ingevoerd in haar subsidieprogramma’s, zowel intern als extern (inclusief het cohesie-, regionale, landbouw-, uitbreidings-, nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid).

3.7.

Een eerste stap om EU-bedrijven te beschermen die de regels naleven en in derde landen actief zijn, is de opname, in de tekst van alle EU-instrumenten die verband houden met financiering door de EU, van de beginselen die zijn neergelegd in overweging 65 van CEF-verordening 1316/2013 en regel 3.24 van de „Procurement Policies and Rules” van de EBWO, betreffende de eerlijke verdeling van de risico’s die aan het contract verbonden zijn.

3.8.

De Europese Commissie heeft op basis van artikel 325 VWEU sinds 2011 een alomvattende antifraudestrategie, CAFS, ingevoerd (COM(2011) 376 final) ter verbetering van de volledige antifraudecyclus — preventie, opsporing en voorwaarden voor fraudeonderzoeken en om te komen tot adequate vergoeding en afschrikking, met afschrikwekkende sancties. Diensten van de Commissie hebben sectorale antifraudestrategieën uitgewerkt. De ontwerprichtlijn (COM(2012) 363 final) betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PIF), is ook van belang.

4.   Zelfregulering: gedragscodes voor corruptie en omkoping

4.1.

Zelfregulering speelt een belangrijke rol in de strijd tegen corruptie en omkoping. Steeds meer bedrijven nemen verantwoord ondernemen, naleving en preventie van corruptie op als onderdeel van hun algemeen beleid en bestuur. De gedragscodes van afzonderlijke ondernemingen zijn meestal gebaseerd op internationale sectorale richtsnoeren en worden verondersteld de betreffende EU-normen uit te voeren (rapportage over niet-financiële informatie, maatschappelijk verantwoord ondernemen enz.). Een bedrijfscode is er in de eerste plaats op gericht ethisch gedrag in alle activiteiten van de onderneming te bevorderen, alle stakeholders hiervan te doordringen en de code transparant en inclusief toe te passen, ook door de code binnen de sociale dialoog aan de orde te stellen.

4.2.

Toonaangevende internationale richtsnoeren en mechanismen die de beginselen beschrijven voor ondernemingen om corruptie en omkoping te vermijden en om tot ethisch gedrag en transparantie aan te zetten, zijn:

ICC-regels inzake bestrijding van corruptie, richtsnoeren inzake klokkenluiden, handboeken enz.;

het VN-initiatief Global Compact; 10 beginselen tegen corruptie en bijhorende begeleiding voor rapportage;

de OESO-richtsnoeren voor internationale concerns: aanbeveling 7 over „Bestrijding van omkoping, poging tot omkoping en afpersing”;

ISO 37001, norm inzake „Anti-Bribery Management Systems” (in uitvoering, ISO PC/278);

de richtsnoeren van de groep Corruptiebestrijding van de Wereldbank;

Global Reporting Initiative (GRI, GR4);

bedrijfsprincipes van Transparency International om fraude tegen te gaan enz.

De richtsnoeren per industrie op EU-niveau: bijvoorbeeld de Europese bouwsector (www.fiec.eu, inclusief relevante richtsnoeren en gezamenlijke verklaringen) en winningsindustrieën (www.eiti.org) zijn van groot belang voor deze sectoren. Hetzelfde geldt voor nationale richtsnoeren (bijvoorbeeld de Duitse duurzaamheidscode, de Deense industrierichtsnoeren) die geacht worden een wezenlijke rol te vervullen in het sturen van het gedrag van ondernemingen.

4.3.

Zowel het Europees Parlement als de Commissie hebben eigen interne ethische richtsnoeren goedgekeurd, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit het EU-ambtenarenstatuut, inclusief een gedragscode voor commissarissen en een gedragscode voor de leden van het EP, met aanwijzingen hoe zij om moeten gaan met giften, schenkingen, andere financiële belangen en belangenconflicten. Het EESC heeft soortgelijke codes goedgekeurd.

5.   Opmerkingen over de zorgen van het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

5.1.

De situatie ten aanzien van corruptie en fraude met overheidsmiddelen in de EU is onaanvaardbaar. De gevolgen voor het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven zijn duidelijk merkbaar. Corruptie zorgt voor extra kosten voor de consument en een onzeker klimaat voor ondernemingen die de gedragsnormen wel naleven. Met ongenoegen stelt het EESC wijdverbreide corruptie en fraude in de lidstaten vast, evenals de zwakke politieke wil van regeringen en lokale overheden om corruptie doeltreffend aan te pakken, inclusief ontoereikende uitvoering en naleving van bestaande internationale, Europese en nationale instrumenten.

5.1.1.

Burgers, sociale en economische spelers hebben er, ongeacht waar zij in Europa wonen, recht op om in een transparante en eerlijk bestuurde samenleving te leven waar de rechtsstaat in acht wordt genomen. De financiële en de eurocrisis leiden tot meer kritiek van burgers op overduidelijke corruptie en tot een tanend vertrouwen van de burger in democratisch bestuur op EU-niveau en dus tot een voortwoekerend euroscepticisme. Het maatschappelijk middenveld verwacht dat de EU en de lidstaten meer doen om corruptie en fraude te bestrijden. Besluitvormers moeten aantonen dat zij in het algemeen belang handelen.

5.2.

Daarom onderschrijft het EESC deze maatregelen om de kwestie aan te pakken. De Europese Commissie wil dat het maatschappelijk middenveld betrokken wordt bij de bestrijding van corruptie; het advies is in de eerste plaats bedoeld om bij te dragen aan het volgende anticorruptieverslag van de Commissie (in 2016), alsook om voor een groter besef te zorgen, informatie te verspreiden en transparantie te bevorderen.

5.3.

Corruptie is niet alleen een zaak van integriteit en ethiek, maar ook van economie, omdat ze schade toebrengt aan de legale economie — eerlijke omstandigheden en voorwaarden voor de handel, investeringen en concurrentie — en zo de groei en het concurrentievermogen raakt. Uit gegevens van de Wereldbank en het World Economic Forum blijkt dat economisch concurrentievermogen nauw samenhangt met het vermogen van een regering om corruptie te beteugelen. Onderzoek toont aan dat terugdringing van corruptie in de EU nauw verband houdt met vlot zakendoen, alsook met de negatieve gevolgen van corruptie voor particuliere investeringen.

5.3.1.

Corruptie zadelt de handel met extra kosten op, terwijl „schone” bedrijven in een corrupt klimaat opdrachten dreigen te verliezen. Zij staat dus de doeltreffendheid van de interne markt in de weg en kan zo schadelijk zijn voor het bereiken van de doelstellingen van de groeistrategie voor 2020 en voor de verbetering van Europa’s mondiale concurrentievermogen, waarmee de kansen op meer banen en welzijn in Europa slinken, alsook het concurrentievermogen van Europese ondernemingen die in het buitenland actief zijn.

5.3.2.

Ondernemingen die goed presteren ten aanzien van corruptiebestrijding, trekken investeerders aan. Het imago van het bedrijfsleven staat op het spel als een onderneming schuldig wordt bevonden aan omkoping en corruptie. Niet alleen de eigen reputatie wordt geschaad, maar ook de handel als geheel komt in een kwaad daglicht te staan. Ook moet worden gekeken naar de administratieve en financiële lasten voor bedrijven, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, in de bepalingen inzake de naleving van wetgeving tegen corruptie en rapportagevereisten.

5.4.

De media doen geregeld verslag van corruptie op het hoogste niveau in vele lidstaten, alsook elders ter wereld. Politieke corruptie (bijvoorbeeld voor benoemingen, omkoping en financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes, beïnvloeding van sportwedstrijden) is, vooral als er justitiële en politieautoriteiten bij betrokken zijn, volgens burgers een ernstige bedreiging voor de samenleving. Hieraan moet een eind komen, alsook aan het gebruik, in tal van lidstaten, van betalingen „onder tafel” die het dagelijks leven van de burger raken. Deze verschijnselen lijken te zijn gebaseerd op een gewijzigde opvatting over wettigheid. Dit moet aangepakt worden: burgers hebben recht op handhaving van de rechtsstaat, een goed werkend bestuur en overheidsdiensten die vrij van corruptie zijn. Een andere houding is geboden en een cultuur van transparantie moet, indien deze bestaat, in de plaats komen voor een cultuur van corruptie. Dit moet eigenlijk gebeuren via wetgeving en als onderdeel in de opvoeding en het onderwijs.

5.5.

Het EESC steunt de maatregelen tegen corruptie en de aanbevelingen van de Commissie, de inspanningen van de EU tegen corruptie, alsook de maatregelen van het Europees Parlement, met name het Actieplan 2014-2019 om georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld aan te pakken. Verder zijn de aanbevelingen in de verslagen van de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) van de Raad van Europa, de VN, de OESO en ICC onontbeerlijk en moet er rekening mee worden gehouden bij de aanscherping van het anticorruptiebeleid en de anticorruptieactiviteiten van de EU en de lidstaten.

5.6.

De sterk vervlochten economieën van de lidstaten en de toenemende omvang en snelheid van grensoverschrijdende geldstromen vergroten het risico dat corruptie zich binnen de EU verspreidt. Corruptie is een transnationaal verschijnsel geworden en kan niet langer worden beschouwd als slechts een kwestie van nationale strafwetgeving. Ze kan vergeleken worden met een infectieziekte waartegen niemand als vanzelfsprekend immuun kan worden geacht; gerichte medische zorg is vereist. Om wezenlijke vooruitgang te boeken moet de huidige, versnipperde aanpak wijken voor een meer samenhangende benadering. In de verslagen van de Commissie moet passende aandacht uitgaan naar dit aspect: anticorruptiemaatregelen moeten worden uitgestippeld en uitgevoerd tegen de achtergrond van een sterker geïntegreerd Europa en een geglobaliseerde economie.

5.6.1.

De bestrijding van corruptie moet dus hoger op de EU-agenda komen te staan; de EU moet meer op de voorgrond treden voor het promoten van transparantie en om de integriteit van de interne markt, de externe betrekkingen, de EU-instellingen en de uitgaven te bewaken. Op alle EU-beleidsgebieden, zowel intern als extern, moet de nadruk meer komen te liggen op de bestrijding van corruptie en fraude. Het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld verwachten deze ontwikkeling; het advies vestigt de aandacht op de behoefte aan doeltreffend leiderschap en coördinatie door de EU. De EU kan haar politieke gewicht gebruiken om haar grondgebied te promoten als een gebied gebaseerd op integriteit en hoge anticorruptienormen.

5.7.

Niets minder dan een expliciete operatie, een Europees anticorruptiepact is geboden voor een geloofwaardige en alomvattende strategie. Deze exercitie moet worden beheerd „van bovenaf”, met de inzet van alle relevante stakeholders op EU-, nationaal en lokaal niveau.

5.8.

De lidstaten staan in de vuurlinie in de strijd tegen corruptie en fraude. Uitvoering van strikte anticorruptiemaatregelen is hun verantwoordelijkheid (vooral strenge wetgeving en goed werkende anticorruptieautoriteiten om corruptie aan te pakken in het politieke en gerechtelijke bestuur, en georganiseerde misdaad), alsook proactieve deelname aan transnationale samenwerking en een groter publiek besef van corruptie- en fraudebestrijding.

5.8.1.

De inbreng van maatschappelijke organisaties, inclusief het bedrijfsleven, bedrijfsverenigingen en de sociale partners in nationale anticorruptieacties zijn van belang, in de eerste plaats om meer bewustzijn te kweken en begeleiding te bieden bij het vermijden van corruptie, fraude en omkoping. Het gedrag van individuele ondernemingen en autoriteiten is in dit verband van wezenlijk belang. Nationale fora, bijvoorbeeld de nationale contactpunten van de OESO en de internationale centra voor advocatuur en wettelijk advies (ALAC) van Transparency International, kunnen ook een zinvolle rol vervullen in de nationale inspanningen tegen corruptie. De media zouden hun belangrijke taak en verantwoordelijkheid moeten erkennen voor een groter publiek besef ten aanzien van corruptie en de bestrijding ervan in de lidstaten.

Brussel, 16 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/73


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over mogelijkheden voor een duurzame en slimme ontwikkeling op lange termijn van de Europese offshore-industrie en verband met de maritieme industrieën van de Europese Unie

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/12)

Rapporteur:

Marian KRZAKLEWSKI

Corapporteur:

José Custódio LEIRIÃO

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 januari 2015 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen, getiteld:

„Mogelijkheden voor een duurzame en slimme ontwikkeling op lange termijn van de Europese offshore-industrie en verband met de maritieme industrieën van de Europese Unie”

(initiatiefadvies).

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 juli 2015 goedgekeurd. Rapporteur was de heer KRZAKLEWSKI, corapporteur de heer LEIRIÃO.

Het Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september 2015) het volgende advies uitgebracht, dat met 132 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

De offshore-industrie omvat de productie van energie en de winning van gas, olie en mineralen op zee. Sommige van de snelst evoluerende markten zijn gerelateerd aan deze sectoren, die mogelijkheden bieden voor duurzame en slimme groei op de lange termijn.

1.2.

Het EESC is ervan overtuigd dat voor een duurzame ontwikkeling van de offshore-industrie een coherent kader nodig is, d.w.z. een Europese strategische visie die ruimte biedt aan geavanceerde technologieën en innovatieve oplossingen voor deze industrie. Technologie vormt de kern van een dergelijk strategisch kader.

1.3.

Het EESC vindt dat het momenteel aan zo’n alomvattende Europese strategische visie voor de gehele offshore-industrie en de afzonderlijke sectoren daarvan ontbreekt. Weliswaar breiden de Europese Commissie en de Raad de regelgeving voor deze industrie geleidelijk uit, met name voor de offshore-olie- en -gassector, maar daar valt geen coherent en globaal plan in te ontdekken.

1.4.

Volgens het EESC is het ontbreken van een strategisch kader voor de offshore-industrie onder meer het gevolg van onvoldoende samenwerking tussen deze industrie, de EU-instellingen, de lidstaten en het maatschappelijk middenveld. Juist door een Europese strategische visie voor de offshore-industrie uit te werken en te implementeren zou een adequaat niveau van samenwerking kunnen worden gerealiseerd, waar alle betrokkenen baat bij hebben. Daartoe behoren ook andere sectoren die de offshore-middelen gebruiken, zoals het toerisme.

1.5.

Met verwijzing naar eerdere adviezen drukt het EESC zijn bezorgdheid uit over de afwezigheid van vertegenwoordigers van de Commissie bij de twee vergaderingen van de studiegroep en bij de openbare hoorzitting in Aberdeen, waar onderhavig initiatiefadvies over de Europese offshore-industrie is voorbereid.

1.6.

Na een alomvattende analyse van de verbanden tussen de offshore-industrie en de Europese maritieme industrie stelt het EESC vast dat de offshore-industrie heel sterke, vaak „groene” prikkels geeft aan de Europese maritieme industrie, met name aan de sectoren scheepsbouw, scheepsreparatie en scheepsuitrusting. Gezegd kan worden dat de Europese scheepsindustrie dankzij de vraag vanuit de offshore-industrie het onlangs nog dreigende verlies van kritische massa heeft kunnen voorkomen.

1.7.

In het licht van de lopende uitvoering van de Richtlijn betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasactiviteiten zou de Commissie samen met de lidstaten een verificatiesysteem moeten opzetten en moeten aangeven hoe economische spelers in de sector hun financiële capaciteiten kunnen verhogen om na ongevallen herstelmaatregelen te betalen.

1.7.1.

Er zou een programma moeten worden uitgewerkt en ingevoerd om een veiligheidscultuur te stimuleren en er zouden maatregelen moeten worden genomen om de accreditatie van onderwijsinstellingen door offshorebedrijven te bevorderen en te ondersteunen, teneinde voor uitgebreidere scholing op veiligheids- en milieugebied te zorgen. Het EESC benadrukt dat een hoog veiligheidsniveau in de offshore-industrie mede afhangt van goede arbeidsomstandigheden op zee.

1.8.

De Commissie en de betrokken lidstaten zouden samen met de IAO en de sociale partners moeten nagaan of het mogelijk is het Maritiem Arbeidsverdrag (MAV) ook van toepassing te laten zijn op de werknemers in de sectoren OO&G (Eng. offshore oil and gas — offshore-olie en -gas) en OWE (Eng. offshore wind energy — offshorewindenergie) in de EU en de EER.

1.9.

De Commissie en de Europese sectorale sociale partners uit de offshore-industrie zouden als goed voorbeeld de richtlijn uit 2009 moeten nemen waarbij het MAV in de EU werd ingevoerd op basis van een sectorale overeenkomst tussen de Europese Transportarbeidersfederatie (ETF) en de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA).

1.10.

Er zou actie moeten worden ondernomen om het voorspelde tekort aan gekwalificeerde werknemers en vaardigheden in de offshore-industrie in EU en EER af te wenden. Daartoe moet worden gezorgd voor goede arbeidsomstandigheden (van toepassing verklaren van de MAV-regels) en zijn maatregelen nodig om vaardigheden en beroepsopleidingen aan te passen alsmede om jongeren warm te maken voor een baan op zee.

1.11.

De Commissie en de lidstaten zouden samenwerking en publiek-private partnerschappen (PPP’s) in de offshore-industrie moeten aanmoedigen, zoals joint ventures, garantieregelingen, afspraken over productiedeling en concessies. Rechtskader, ruimtelijke ordening, milieubescherming en geologisch onderzoek in verband met een duurzaam gebruik van energiebronnen zouden het voorwerp moeten zijn van coördinatie.

1.12.

In het kader van de Europese regulering van de offshoremijnbouw zou de Commissie moeten deelnemen aan een breed geologisch onderzoeksprogramma waarbij met behulp van ICT gegevens worden aangeleverd ter bevordering van een duurzamere, huidige en toekomstige exploitatie van delfstoffen op zee.

1.13.

De grootste uitdagingen voor de offshore-industrie in het licht van de mondiale en Europese concurrentie en de geldende regelgeving zijn:

winning in diepe wateren en, wat OWE betreft, meer energieopwekking verder van de kust en op grotere diepte in open wateren;

horizontaal boren en hydrofracturering in de offshoremijnbouw met inachtneming van milieueisen;

beheer van verouderende installatie-infrastructuur op zee;

opsporing, inventarisatie en exploitatie van delfstoffen in het Noordpoolgebied;

reageren op de groene prikkels die uitgaan van het Marpol-verdrag, het Verdrag voor het beheer van ballastwater en de Richtlijn inzake scheepsrecycling.

1.14.

Het EESC roept op tot netwerksamenwerking tussen offshoresectoren, kustregio’s en ondernemingen uit de leveringsketen en onderzoekscentra en universiteiten in het kader van het programma „Horizon 2020” en „slimme specialisatie”-projecten. Bij dergelijke samenwerking moet meer aandacht worden geschonken aan innovatie en milieukwesties en moeten de kansen worden benut die het Europees Fonds voor Strategische Investeringen biedt.

1.14.1.

De Commissie zou moeten overwegen aanpassingen door te voeren in de structuurfondsen of het plan-Juncker om investeringen in innovaties voor de offshore-industrie te bevorderen.

1.15.

De Europa 2020-strategie zou moeten worden bijgewerkt (evaluatie) om te voldoen aan de EU-eisen inzake maritieme activiteiten, projecten, gekwalificeerde arbeidskrachten, financiering en bevordering van duurzame ontwikkeling, rekening houdende met het feit dat in de offshore-industrie heel veel verschillende soorten banen bestaan en zeer uiteenlopende vaardigheden nodig zijn.

1.16.

De Commissie zou een debat moeten stimuleren over de mogelijkheden van een specifieke strategie voor de Noordzee waarin wordt ingegaan op de uitdagingen voor een duurzame en concurrerende Europese offshore-industrie.

2.   Achtergrond

2.1.

De offshore-industrie omvat hoofdzakelijk de productie van elektrische energie en de winning van gas, olie en mineralen op zee. Uit de leverings- en dienstenketen blijkt dat deze industrie ook is verbonden met maritieme sectoren als bouw, reparatie, onderhoud en verbouw van schepen, scheepsuitrusting en -benodigdheden, en industriële maritieme installaties.

2.2.

De aan de Europese offshore-industrie gerelateerde maritieme industrie beschikt zowel over specialistische expertise als over het vereiste menselijk potentieel om met succes de markten aan te boren die met de offshoresectoren verbonden zijn.

2.3.

Naar aanleiding van een analyse van de situatie in de Europese offshore-industrie en van de mogelijkheden voor een duurzame ontwikkeling ervan op lange termijn komt in dit advies het volgende aan bod:

de mondiale stand van zaken in de offshore-olie- en -gasindustrie (OO&G) alsmede de uitdagingen en drijvende krachten in deze sector;

de algemene kenmerken van de offshorewindenergiesector in de EU;

de verbanden tussen de Europese maritieme industrie en de offshore-industrie;

de noodzaak van innovatie en duurzame ontwikkeling in het licht van de huidige uitdagingen en de ontwikkelingsmogelijkheden voor de Europese offshore-industrie;

een voorstel om bij de duurzame ontwikkeling van de offshore-industrie te waarborgen dat in arbeidsvraagstukken rekening wordt gehouden met sociale aspecten;

het EU-regelgevingskader voor de offshore-industrie;

een plan voor een EU-strategie voor de Noordzee waarin wordt ingegaan op de uitdagingen voor een duurzame en concurrerende offshore-industrie.

3.   Actuele situatie in de Europese offshore-olie- en -gaswinningsindustrie (OO&G)

3.1.

In 2012 maakten olie en gas 26 % uit van de Europese energiemix. Het grootste aandeel — 29 % — kwam voor rekening van kernenergie. Hernieuwbare energie, m.i.v. waterkracht, was goed voor 22 %.

3.1.1.

De EU voert 53 % van haar energie in, ter waarde van 400 miljard EUR per jaar, en is daarmee de grootste importeur van energie in de wereld. 88 % van alle olie en 66 % van al het gas wordt ingevoerd, voornamelijk uit Rusland.

3.2.

Het grootste probleem voor de Europese offshore-olie- en -gassector is de vraag of de traditionele Europese olie- en gasindustrie zal groeien in een context van diversificatie en gelet op de uitdagingen die de ontwikkeling van hernieuwbare energie met zich meebrengt.

3.3.

Ook van belang is hoe efficiënt op alle veranderingen wordt gereageerd. Kenmerken van de OO&G-industrie in Europa:

hoge operationele kosten;

hoge milieurisico’s en veel regelgeving;

noodzaak van meer winning op grotere diepte;

fiscale risico’s en lage prijzen, die leiden tot hoge investeringsrisico’s;

potentiële problemen door goedkope producten uit de VS.

3.4.

Bestaande uitdagingen voor de Europese OO&G-industrie:

noodzaak van seismologisch onderzoek om kaarten van geologische lagen bij te werken;

gebrekkige afstemming en uitwisseling van gegevens, wat het ontwikkelingstempo vertraagt;

druk van winningslanden om nieuwe lagen op te sporen;

problemen met aanbestedingen voor winningsactiviteiten waaraan wordt deelgenomen door nationale en internationale mijnbouwbedrijven;

beheer van de industriële levenscyclus in opeenvolgende fasen: exploratie/opsporing/FEED (1)/productie/decompositie.

3.4.1.

Nieuwe uitdagingen voor de Europese OO&G-industrie:

afname van de beschikbare grondstoffen;

dalende olieprijzen en concurrentie van nieuwe, goedkope vergelijkbare grondstoffen;

kwesties t.a.v. ondernemerschap en overheidssteun voor nieuwe bedrijven;

stimulering van de groei door innovaties en internationalisering van de industrie;

het vraagstuk van door de „groene economie” gestimuleerde groei.

3.5.

De Europese OO&G-industrie verdient ondersteuning, want ze:

heeft de kenmerken van een bestendige industrie en houdt rekening met het EU-regelgevingskader;

is goed voor bijna 600 000 directe of indirecte arbeidsplaatsen (Noorwegen meegerekend);

vormt een van de grootste drijvende krachten in de Europese maritieme industrie;

draagt bij aan positieve sociale veranderingen op regionaal niveau;

genereert een aanzienlijk deel van de inkomsten op de nationale begrotingen;

is koploper in innovatie en technologische vooruitgang in de engineeringsector;

kenmerkt zich door een substantiële en groeiende export door bedrijven uit de leveringsketen, wat een mogelijk verlies aan inkomsten uit de productie van brandstoffen compenseert.

3.6.

Tijdens de hoorzitting in Aberdeen (2) zijn de resultaten van de SWOT-analyse van de OO&G-industrie gepresenteerd. Na aanvulling met de tijdens de discussies gedane voorstellen zijn ze opgenomen in de bijlage.

4.   De offshore-energiemarkt in de EU

4.1.

In de Europese zeeën staan momenteel, verdeeld over 11 lidstaten, ongeveer 2 500 windturbines met een totaal vermogen van meer dan 8 GW. Het aandeel van de EU in de mondiale productie bedraagt bijna 90 %. Er zijn nog 12 windparken in aanbouw. Als deze klaar zijn, zal het opgewekte vermogen stijgen tot 10,9 GW. Windenergie voorziet momenteel in 7 % van de energiebehoefte van de EU. Daarvan neemt de offshorewindenergie (OWE) ongeveer 1/7 voor haar rekening.

4.2.

De huidige ontwikkelings- en innovatietrends in deze sector betreffen turbines, funderingen en installaties op grotere dieptes en verder verwijderd van de kust.

4.3.

Financiële planning wordt steeds belangrijker voor de ontwikkeling van OWE. In 2014 sloot de sector voor 3,14 miljard EUR (3) aan regresvrije leningen af, het hoogste bedrag ooit in zijn geschiedenis. Financiële partnerschappen zijn de sleutel tot succes.

4.4.

De komende jaren kan een groei van het geïnstalleerde vermogen worden verwacht. Wat de langere termijn betreft, is er volgens de Europese windenergieorganisatie (EWEA) al toestemming voor de aanleg van nieuwe windparken met een totaal vermogen van 26,4 GW en bestaan er plannen voor een toekomstige uitbreiding van de huidige capaciteit met 98 GW.

4.5.

Uit gegevens van de EWEA blijkt dat er eind 2011 in de Europese windenergiesector 192 000 mensen werkzaam waren, van wie ongeveer 30 000 à 40 000 in de OWE-industrie.

4.6.

Oceaanenergie is in de EU goed voor een geïnstalleerd vermogen van ongeveer 1,5 GW (zes keer minder dan dat van OWE, maar voor 2020 wordt een groei tot 3,6 GW verwacht). Dit vermogen wordt opgewekt met installaties die gebruikmaken van de energie die aanwezig is in golven, getijden en stromingen of van zoutgradiëntenergie, of met installaties die de thermische energie uit oceanen omzetten in elektriciteit.

5.   Economische verbanden tussen de Europese maritieme industrie en de offshore-industrie

5.1.

In 2014 bedroeg de totale waarde aan scheepsorders 370 miljard Amerikaanse dollar, waarvan 170 miljard dollar voor offshore-eenheden. De mondiale vraag naar allerlei soorten offshoreschepen in de periode 2014-2025 wordt geschat op 1 230 à 1 970 eenheden. De vraag naar industriële duikvaartuigen zal met 180 % stijgen, die naar schepen voor de installatie en exploitatie van windturbines en naar drijvende offshore-eenheden met 50 à 60 %.

5.2.

Voor alle soorten schepen wordt tot 2025 een stijging van het aantal orders met 3,7 % verwacht. In het licht van de aanzienlijk hogere ramingen voor offshoreschepen laat dit duidelijk zien wat een enorme drijvende kracht de offshore-industrie voor de scheepsbouw is en zal zijn. In 2014 was de bouw van offshoreschepen goed voor 30 % van de totale scheepsproductie in Europa.

5.3.

De Europese industrie voor scheepsuitrusting is even nauw met de offshore-industrie verweven. Deze sector is wereldleider in de productie van boormodules, motoren, lieren, kranen en elektronica voor de offshore-industrie.

5.4.

De productie van energie op zee geeft groene prikkels aan de maritieme industrie. Het potentieel wordt geschat op meer dan 19 miljard EUR voor de periode 2012-2022 (ca. 2 miljard EUR per jaar). Dat cijfer is gebaseerd op de aantallen benodigde schepen en uitrusting voor de aanleg en exploitatie van geplande windparken.

5.5.

De verplaatsing van activiteiten naar diepere wateren, vooral in de OO&G-sector en voor de energieproductie op zee, genereert nieuwe vraag naar producten en diensten van de Europese maritieme industrie.

5.6.

Het smeltende poolijs biedt perspectieven voor de winning van grondstoffen en voor nieuwe scheepvaartroutes (hoewel dit niet echt een „groene” prikkel is). Deze ontwikkeling zal naar verwachting onder andere leiden tot een grotere vraag naar ijsbrekers en ijsbestendige transport- en serviceschepen.

5.7.

De nog jonge oceaanenergiesector zal meer en meer groene prikkels gaan geven aan de Europese maritieme industrie, met name aan de in SEA Europe verenigde branches.

5.8.

Het voor de OO&G-industrie bestemde productaanbod van de scheepsbouwsector houdt verband met de levenscyclus van die industrie:

de exploratie en vaststelling van reserves genereert vraag naar ondersteuningsvaartuigen;

voor boringen zijn offshoreboorschepen en -eenheden nodig;

de exploitatie van reserves genereert vraag naar gespecialiseerde constructieschepen;

voor de ontginning van reserves zijn drijvende winnings- en opslagschepen of -eenheden nodig;

bij de ontmanteling van winningslocaties worden schepen gebruikt die er windturbines of andere offshore-uitrusting installeren.

5.9.

Om de olie- en gasvoorziening in de toekomst te garanderen, dient het aantal offshoreboringen aanzienlijk toe te nemen. Dat zal leiden tot een grote vraag naar technisch geavanceerde platformmodules en naar reparatie en aanpassing van de verschillende soorten offshore-installaties en -boortorens. Dit soort dienstverlening vormt een belangrijke inkomstenbron voor de sectoren scheepsbouw en scheepsreparatie in de EU.

5.10.

Een nieuw specialisme in de scheepsbouw biedt interessante perspectieven: schepen die niet alleen drijvend vloeibaar aardgas (FLNG) vervoeren, maar waarop ook diverse diensten voor de OO&G-industrie worden geleverd, als mobiel alternatief voor de LNG-laadterminals op het land. Het gaat hier over FPSO LNG (ondersteuningsvaartuigen voor drijvende productie, opslag en verlading van vloeibaar aardgas) en FSRU (drijvende opslag- en hervergassingseenheden).

5.11.

Ook Europese havens kunnen profiteren van de drijvende kracht die uitgaat van de offshore-industrie. Hierbij valt te denken aan dienstverlening als de verlading van stukgoederen en componenten voor de OWE: torensegmenten, generatoren, rotorbladen en andere door de offshore-industrie bestelde uitrusting.

6.   Noodzaak van innovatie en duurzame ontwikkeling in het licht van de huidige uitdagingen en ontwikkelingsmogelijkheden voor de Europese offshore-industrie

6.1.

De laatste tien jaar zijn Europa’s investeringen in innovatie achter blijven lopen bij die van zijn grote concurrenten (VS). Dat heeft gevolgen voor de gehele industriële sector, waaronder de OO&G-industrie.

6.2.

Een van de grootste uitdagingen voor de olie- en gassector is het veilig exploiteren van de verouderende installaties. Gemiddeld 30 % van alle platforms in de wereld is al meer dan 20 jaar in gebruik en vele daarvan hebben hun geplande levensduur overschreden.

6.3.

De verouderende OO&G-infrastructuur vraagt met name om:

monitoring van en inzicht in materiaalintegriteit;

inzicht in corrosie onder isolatie;

controle, reparatie en onderhoud in het kader van verouderingsbeheer.

vervanging van versleten apparatuur.

6.4.

De groei van de sector hangt af van innovatieve technologieën ter ondersteuning van winningsactiviteiten waarmee zo veel mogelijk uit de verouderende installaties kan worden „geperst” en de exploitatieduur van sommige productievelden verlengd kan worden.

6.4.1.

Nieuwe technologieën spelen ook een sleutelrol bij de diepzee-exploratie en -productie, waarvoor miljardeninvesteringen nodig zijn. Doel van de ontwikkeling van nieuwe technologieën is om de kosten en operationele risico’s te verminderen en putten bij hogere temperatuur en druk te kunnen exploiteren.

6.5.

De Commissie zou moeten overwegen aanpassingen door te voeren in de structuurfondsen of het plan-Juncker om investeringen in innovaties voor de offshore-industrie te bevorderen, met name ten aanzien van:

verouderende infrastructuur en gegarandeerde continuïteit van de productie;

nieuwe technologieën om productie uit oudere olie- en gasvelden te „persen”;

de groeiende complexiteit van winningsputten.

Nieuwe ontwikkelingsgebieden

6.6.

De winning van schaliegas — met inachtneming van milieueisen — wordt ook voor de OO&G-sector steeds aantrekkelijker. Dat hangt samen met de aanmerkelijk verbeterde technologie voor hydrofracturering van gesteente onder water. Verder kan CO2-vastlegging op zee eveneens een groene prikkel voor de offshore-industrie vormen in de race naar een koolstofarme economie.

6.7.

Andere nieuwe ontwikkelingsgebieden zijn de bouw van multifunctionele industrieplatforms n.a.v. proefprojecten (7e kaderprogramma) en de realisering van volledige uitrusting en installaties voor de benutting van de energie die aanwezig is in golven en getijden.

6.8.

De uitdaging voor EU-beleidsmakers bestaat erin het potentieel van „Horizon 2020” te benutten om het onderzoek en de innovatie in de Europese offshore-industrie te maximaliseren (4).

7.   EU-regelgevingskader voor de offshore-industrie

7.1.

De offshore-industrie in Europa opereert binnen een zich constant uitbreidend regelgevingskader. De belangrijkste voorschriften waar zij mee te maken heeft zijn:

de EU-Richtlijnen inzake emissies (IED), geïntegreerde preventie van verontreiniging (IPPC) en verontreinigende stoffen afkomstig van grote stookinstallaties (LCP);

de Richtlijn inzake de emissies van middelgrote energie-installaties (MCP), die gevolgen heeft voor de olie- en gasproductie;

de regeling voor de emissiehandel (EU-ETS);

de Richtlijn inzake maritieme veiligheid.

7.2.

De Richtlijn betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasactiviteiten, die in 2013 in werking is getreden, moet door de lidstaten in juli 2015 zijn omgezet. De industrie moet zich in juli 2016 aan de nieuwe normen hebben aangepast.

7.2.1.

Om deze regelgeving mondiaal effect te laten sorteren en om ernstige ongevallen in Europa en daarbuiten te kunnen monitoren, is samenwerking tussen Commissie, lidstaten en gespecialiseerde ondernemingen op de volgende terreinen onontbeerlijk:

publicatie van een gids over risicobeïnvloeding;

totstandbrenging van een veiligheidscultuur;

accreditatie van onderwijsinstellingen door mijnbouwbedrijven met het oog op uitgebreidere scholing;

opstellen van een code met goede praktijkvoorbeelden;

bevordering van partnerschappen tussen investeerders en lidstaten;

samenwerking tussen lidstaten en investeerders op gevoelige strategische gebieden en in offshoreprojecten waarmee PPP’s voor duurzame ontwikkeling worden bevorderd alsmede die welke verband houden met de invloed van de offshore-industrie op andere economische sectoren, zoals toerisme en visserij;

bescherming van kritieke offshore-infrastructuur tegen terrorisme en piraterij op zee.

7.3.

Vertegenwoordigers van de industrie beschouwen de voorbereiding van een referentiedocument (BREF) over de exploratie en productie van koolwaterstoffen in de EU met gebruikmaking van grootvolumehydrofracturering momenteel als een delicate regelgevingskwestie.

7.4.

Als het gaat over regelgeving met gevolgen voor de ontwikkeling van alle sectoren van de offshore-industrie, zij ook gewezen op de nieuwe Richtlijn (van juli 2014) tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke ordening, die moet worden nageleefd.

7.5.

Mededeling COM(2008) 699 over het grondstoffenbeleid, waarin richtsnoeren worden gegeven voor meer internationale samenwerking tussen nationale geologische diensten om het kennisbestand van de EU te vergroten, heeft ongetwijfeld indirecte gevolgen voor de offshorewinningsindustrie en de discussie over geologische lagen.

7.6.

Niet minder belangrijk zijn de volgende regelgevings- en beleidsinitiatieven, die gevolgen voor de gehele Europese offshore-industrie hebben:

het Maritiem Arbeidsverdrag;

het Marpol-verdrag (beperkingen voor SO2 en NO2) en het Verdrag voor het beheer van ballastwater.

8.   Voorstel om bij de duurzame ontwikkeling van de offshore-industrie te waarborgen dat in arbeidsvraagstukken rekening wordt gehouden met sociale aspecten

8.1.

De grote verscheidenheid van de Europese offshore-industrie, de forse invloed van de globalisering op deze economische sector en de nog altijd niet opgeloste kwesties rond gelijke randvoorwaarden en sociale dumping in deze industrietak leiden tot een gecompliceerde situatie als het over arbeidsvraagstukken gaat. Daarbovenop komen problemen op het vlak van sociale dialoog, collectieve arbeidsbetrekkingen en sociale normen.

8.1.1.

Al deze kwesties zouden kunnen worden opgelost met het nu in werking tredende Maritiem Arbeidsverdrag (MAV) uit 2006 en de EU-regelgeving voor de implementatie daarvan.

8.1.2.

Helaas blijven de mogelijkheden voor een brede toepassing van dit verdrag in de offshore-industrie beperkt. Dat komt door het ontbreken van precieze bepalingen in het MAV over werknemers in de offshoresector en de houding van regeringen, exploitanten en eigenaars. De huidige problemen in de EU met de registratie van schepen en drijvende industriële uitrusting maken de zaak alleen maar lastiger.

8.2.

De Commissie en de Europese sectorale sociale partners uit de offshore-industrie zouden als goed voorbeeld de richtlijn uit 2008 moeten nemen waarbij het MAV in de EU werd ingevoerd op basis van een sectorale overeenkomst tussen de ETF en de ECSA.

8.2.1.

Een uitstekend model hiervoor zou de collectieve arbeidsovereenkomst van de Internationale Transportarbeidersfederatie (ITF) voor de offshoresector kunnen zijn. De tenuitvoerlegging daarvan wordt momenteel belemmerd door een gebrek aan wil bij de nationale autoriteiten, de situatie omtrent de registratie van schepen, de tekortschietende sociale dialoog en het hoge percentage mensen met onzekere dienstverbanden en schijnzelfstandigen op de arbeidsmarkt in de sector.

9.   EU-strategie voor de Noordzee

9.1.

De olie- en gasindustrie is sinds 50 jaar in ontwikkeling en heeft naar schatting nog eens 50 jaar te gaan. Ze wordt nu geconfronteerd met grote veranderingen op energiegebied:

een groeiend aandeel hernieuwbare energie;

een groeiend aandeel energie die lokaal en met diverse lokale bronnen wordt opgewekt;

de steeds grotere moeite die het in het huidige transmissiesysteem kost om vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen;

de EU-koolstofdoelstellingen voor 2030.

Het is de vraag of de traditionele olie- en gassector de grote uitdaging aankan om zich in hernieuwbare energie te diversifiëren en een dergelijke ingrijpende verandering in goede banen te leiden.

9.2.

De Noordzeecommissie is van plan met het Britse House of Lords samen te werken om de regering van het Verenigd Koninkrijk te betrekken bij de bevordering van een geïntegreerde aanpak van de maritieme ruimtelijke ordening in de Noordzee. Verder is het de bedoeling een mededeling en een strategie uit te werken om de voordelen voor de burgers van een energienet voor de Noordzee in kaart te brengen.

9.3.

De Europese Commissie zou een debat moeten stimuleren over de mogelijkheden van een specifieke strategie voor de Noordzee waarin wordt ingegaan op de uitdagingen voor een duurzame en concurrerende Europese offshore-industrie, waaronder:

product en ontwerp;

maatschappelijke factoren;

productie;

wetgeving;

financiering.

Gedaan te Brussel, 16 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  FEED: Front End Engineering Design (ontwikkelingsfase).

(2)  Liam Smyth, kamer van koophandel van Aberdeen & Grampian.

(3)  De Europese offshorewindindustrie — belangrijkste data en trends 2014.

(4)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten COM(2014) 254 final (PB C 12 van 15.1.2015, blz. 93).


BIJLAGE

Resultaten van de SWOT-analyse van de Europese offshore-olie- en -gasindustrie

S — Sterke punten

W — Zwakke punten

Ervaring met moeilijke operationele omstandigheden en met winning in diepe wateren

Wereldwijd erkende knowhow

Hoogopgeleide en ervaren arbeidskrachten

Clustervormige structuur van de sector

Hoge productiekosten

Productie-efficiëntie lager dan verwacht

Fiscale onzekerheid

Verouderende infrastructuur

Weinig samenwerking

O — Kansen

T — Bedreigingen

Opsporing van nieuwe reserves met lagere ontwikkelings- en exploitatiekosten

Export van producten, uitrusting en kennis naar nieuwe markten

Samenwerking op het vlak van gemeenschappelijke concepten/standaarden, infrastructuurgebruik en kennisuitwisseling

Afspraken over een correct salarisniveau vanuit de gedachte „met beide benen op de grond blijven”

Benutting van het herindustrialiseringsprogramma van de EU

Wereldwijd dalende olieprijzen

Afname van de werkgelegenheid in de sector na de sterke val van de olieprijzen eind 2014/begin 2015

Hoge aantal pensioneringen van gekwalificeerde arbeidskrachten in de komende tien jaar

Neerwaartse prijsspiraal door grotere winning uit teerzand en schalieformaties in de VS

Tragere economische groei in Azië

Houding van de OPEC t.o.v. productiebeperkingen


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/83


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Creatieve en culturele industrieën — een Europese troef in de wereldwijde concurrentie”

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/13)

Rapporteur:

mevrouw Emmanuelle BUTAUD-STUBBS

Corapporteur:

de heer Nicola KONSTANTINOU

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 januari 2015 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

„Creatieve en culturele industrieën — een Europese troef in de wereldwijde concurrentie

(initiatiefadvies)”.

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 15 juli 2015.

Het EESC heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september 2015) onderstaand advies uitgebracht, dat met 215 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Gezien het aandeel van de culturele en creatieve industrieën (CCI’s) in het bbp van de Europese Unie, verzoekt het EESC de Europese Commissie een meerjarenstrategie uit te werken voor de ontwikkeling van deze industrieën.

1.2.

Het EESC is met name van mening dat de CCI’s, die bijdragen aan de internationale uitstraling van de Europese Unie, moeten worden meegenomen in het lopende denkproces van de Commissie voor de in het najaar van 2015 verwachte mededeling over een nieuwe strategie voor het handelsbeleid.

1.3.

Gelet op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in sommige lidstaten dient beter rekening te worden gehouden met de behoeften van atypische werknemers wat betreft de arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid. Het EESC is voorstander van een intensivering van de collectieve onderhandelingen in de sector media en cultuur, met name in het kader van de nationale tradities.

1.4.

Verschillende andere onderwerpen verdienen bijzondere aandacht: aanpassing aan de nieuwe behoeften van de markt, versterking van de mobiliteit van de mensen die in deze sector werken, instrumenten en beleidsmaatregelen van het onderwijs- en opleidingsbeleid en de ontwikkeling van crowdfunding-platforms.

1.5.

Om de waarden van de EU — eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, rechtsstaat en bescherming van minderheden, enz. — uit te dragen zou deels een beroep moeten worden gedaan op creatieve personen, die beter in staat zijn een jong publiek aan te spreken met behulp van apps, video’s, spelletjes, stripverhalen, enz.

1.6.

Aangezien niet alle CCI’s erin slagen waarde te „vangen”, is de financiële valorisatie van hun immateriële activa (klantenbestand, faam en reputatie, merken, knowhow), die een duurzaam karakter hebben en een bron van toekomstige winstgevendheid zijn, van essentieel belang.

2.   Inleiding

2.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité steunt al meer dan 11 jaar de ontwikkeling van de culturele en creatieve industrieën (CCI’s). Reeds lang voordat de Europese Commissie in 2012 haar mededeling „Steun aan culturele en creatieve sectoren ten behoeve van groei en banen in de EU” (1) publiceerde, keurde het EESC tussen 2004 en 2014 diverse adviezen goed over dat onderwerp (2).

2.2.

De creatieve en culturele industrieën bevinden zich in een strategische positie binnen de Europese samenleving waardoor zij in staat zijn een slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen („Europa 2020”). Aangetoond is immers (3) dat CCI’s meer dan andere economische sectoren worden gekenmerkt door een groot vermogen om te innoveren.

2.3.

Voorts moet worden gewezen op de bijzondere rol van CCI’s binnen de Europese samenleving voor de bevordering van pluralisme en culturele diversiteit, en van de Europese identiteit (4).

2.4.

In januari 2015 heeft het bureau van het EESC besloten zijn goedkeuring te hechten aan de opstelling van een nieuw initiatiefadvies over CCI’s, aangezien zij een Europese troef in de wereldwijde concurrentie zijn. Landen als de VS, Canada en Korea ontwikkelen nu al doeltreffende „soft power”-strategieën om hun cultuur en hun manier van leven te verspreiden en de economische ontwikkeling te steunen van bedrijven die zich in hun land bezighouden met het ontwerp, de productie en distributie van goederen en diensten met een culturele inhoud.

2.5.

Waarom heeft het EESC juist nu besloten zich opnieuw te buigen over de ontwikkeling van deze sector?

2.5.1.

In de eerste plaats is er het toenemende belang van CCI’s voor de Europese economie. Rekening houdend met de verschillende definities en de laatste beschikbare statistieken behoren CCI’s tot de meest dynamische sectoren van de Europese economie. De studie van TERA over de periode 2008-2011 (5) wijst erop dat de bijdrage van dit soort bedrijven aan het Europese bbp schommelt tussen 4,4 % (alleen voor de zuivere creatieve industrieën of „core industries”) en 6,8 % (met inbegrip van bedrijven die sterk afhankelijk zijn van zuivere creatieve industrieën of „non-core industries”). Hun bijdrage aan werkgelegenheid is respectievelijk 8,3 miljoen banen, d.w.z. 3,8 % van de totale beroepsbevolking van de EU voor de zuivere creatieve industrieën (core industries) en 14 miljoen banen als ook de bedrijven die sterk afhankelijk zijn van zuivere creatieve industrieën (non-core industries) worden meegerekend, wat neerkomt op 6,5 % van de totale beroepsbevolking van de EU. Het gaat dus om de derde grootste werkgever in de EU, na de bouw- en de drankensector.

2.5.2.

De hoge overheidsschulden hebben ertoe geleid dat lidstaten en overheden minder subsidies zijn gaan toekennen aan culturele organisaties, muziekverenigingen, theaters, arthousebioscopen en orkesten. De publieke radio- en televisiezenders verkeren in verschillende lidstaten in grote moeilijkheden, net als de geschreven pers wier bedrijfsmodel een crisis doormaakt als gevolg van de digitale revolutie.

2.5.3.

In juni 2013 zijn onderhandelingen over een trans-Atlantisch partnerschap gestart, waarvan al 9 sessies hebben plaatsgevonden. De „culturele uitzondering” werd van begin af aan erkend en het EESC schaart zich achter het standpunt van het Europees Parlement, dat in zijn resolutie over de handels- en investeringsbesprekingen van de EU met de Verenigde Staten van Amerika van 23 mei 2013 (6), heeft verzocht om „in het onderhandelingsmandaat duidelijk te vermelden dat diensten aangaande culturele en audiovisuele inhoud, inclusief onlinediensten, zijn uitgesloten”.

2.5.4.

Het programma Creatief Europa, waarover het Comité zich reeds heeft uitgesproken (7), is onlangs in werking getreden en beschikt voor de periode 2014-2020 over een budget van 1,46 miljard euro.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.    Vraagtekens bij de economische ontwikkeling van de sector

3.1.1.

Verschillende symbolische sectoren van de Europese cultuur en creativiteit zijn verzwakt door de crisis:

concerten en orkesten van klassieke en volksmuziek;

opera- en theaterfestivals;

de sector van Europese stripverhalen wordt geteisterd door piraterij;

audiovisuele producties t.b.v. publieke tv-zenders hebben hun budgetten soms aanzienlijk zien slinken.

3.1.2.

De statistische gegevens van Eurostat voor de periode 2009-2013 bevestigen een daling van de werkgelegenheid in sectoren zoals de uitgeverij in Frankrijk (146 000 werknemers in 2009 tegen 112 000 in 2013) of de productie van programma’s en films in Polen (25 000 werknemers in 2009 tegen 19 600 in 2013).

3.1.3.

Volgens een verslag van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden te Dublin („Arts, Entertainment and Recreation: working conditions and job quality”) (8) is de werkgelegenheid in de sectoren kunst, amusement en recreatie tussen 2010 en 2012 daarentegen gestegen in de Europese Unie: + 2 %. In sommige lidstaten ligt het aandeel werknemers in deze sectoren ruim boven het EU-gemiddelde (1,6 % van de beroepsbevolking): in het Verenigd Koninkrijk en Estland is dat 2,6 %, in Zweden 2,5 % (14 % van de ondernemingen en 8 % van het bbp) en in Letland 2,3 %.

3.2.    De opzet van het programma Creatief Europa 2014-2020 doet vragen rijzen omtrent de financiering en de lokale tussenpersonen

3.2.1.

Het feit dat ondernemingen uit de creatieve industrie financieel moeten worden gesteund vloeit voort uit de moeite die zij hebben om een inkomstenmodel op poten te zetten waarmee zij waarde kunnen vangen. Door het mkb te helpen met het ontwerpen van bedrijfs- en inkomstenmodellen waarmee zowel waarde kan worden gecreëerd als gevangen, worden de bedrijven in kwestie minder afhankelijk van overheidssubsidies.

3.2.2.

In het verleden heeft het EESC twijfels geuit over de nieuwe financieringsfaciliteit die is bedoeld om het mkb en andere bedrijven een betere toegang tot financiering te geven. Zo wees het op het gebrek aan expertise op het gebied van cultuur in het Europees Investeringsfonds (EIF) (9). Het is echter deze instantie die verantwoordelijk is voor de sectorale garantie van 121 miljoen euro.

3.2.3.

Volgens het programma Creatief Europa moet deze garantie een hefboomeffect van 5,7 % creëren, waardoor ongeveer 700 miljoen euro beschikbaar komt voor een aanbestedingsprocedure, en instanties kunnen worden geselecteerd die worden belast met de administratieve capaciteitsopbouw, voor rekening van de garantiefaciliteit.

3.2.4.

Ook zou het interessant zijn de vormen van financiering te diversifiëren. „Crowdfunding” — al dan niet grensoverschrijdend — maakt het mogelijk eenvoudiger toegang te krijgen tot financiering van een project, en beperkt het risico voor beleggers („La Tribune”, 11 februari 2014).

3.2.5.

Meer in het algemeen moeten vraagtekens worden geplaatst bij de financiële waardering van immateriële activa. De Europese Commissie erkent het belang van immateriële activa maar zegt niets over een gemeenschappelijke methode voor de financiële valorisatie hiervan.

3.2.6.

Er zijn te weinig lokale tussenpersonen: iedere lidstaat telt 1 tot 4 Creatief Europa-desks, hetzij in de hoofdstad dan wel in een grote stad. Dit netwerk volstaat zeker niet om de programma’s te promoten in alle regio’s die door een sterke aanwezigheid van CCI’s worden gekenmerkt.

3.3.    Aanpassing van het intellectuele-eigendomsrecht aan de digitale revolutie

3.3.1.

De hervorming van Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) over het auteursrecht wordt momenteel besproken, met name op basis van de mededeling „Een digitale agenda voor Europa” van 19 mei 2010 (COM(2010) 245 final). Daarbij moeten enkele delicate kwesties worden opgelost:

Moet er één Europese titel komen voor de bescherming van het auteursrecht?

Hoe moet het bestaande auteursrecht, dat op nationaal niveau zeer uiteenlopende en complexe vormen kent, worden aangepast aan nieuwe vormen van culturele expressie?

Is het wenselijk om de beschermingstermijn van het auteursrecht in de EU te harmoniseren?

Heeft de wetgever rekening gehouden met het revolutionaire 3D-printing?

3.3.2.

Een andere netelige kwestie betreft de vergoeding voor auteurs en artiesten/uitvoerend kunstenaars overeenkomstig de opbrengsten uit de online-exploitatie van hun werken en uitvoeringen.

3.3.3.

Het EESC wijst op de noodzaak van een evenwichtige regeling die een eerlijke en billijke vergoeding van alle rechthebbenden mogelijk maakt, met name ontwikkelaars van inhoud, uitvoerende kunstenaars en producenten.

3.3.4.

Ook is het van belang dat het mkb, zeer kleine ondernemingen en micro-ondernemingen van de culturele en creatieve industrieën — met name in de sectoren mode en design — worden geholpen om hun intellectuele-eigendomsrechten te beschermen (11).

3.3.5.

Het EESC verzoekt de Europese Commissie om rechtlijnigheid te tonen door ook Richtlijn 2000/31/EG inzake elektronische handel (12) te herzien, zodat alle belanghebbende partijen (actoren/rechthebbenden, hosts, zoekmachines, leveranciers van betaaloplossingen enz.) verantwoordelijkheid dragen in de strijd tegen piraterij.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1.    Een dringende behoefte aan territoriale stimuleringsmaatregelen

4.1.1.

Als er al samenwerkingsvormen zullen ontstaan, dan zal dit vooral op lokaal niveau plaatsvinden. Er moet worden gehamerd op de belangrijke rol van culturele clusters, creatieve districten en ontmoetingsplaatsen die goed toegankelijk zijn en gratis ter beschikking worden gesteld door steden en regio’s, zoals is gebleken uit verschillende getuigenissen (van bijv. Wallonië en de regio Rhône-Alpes) tijdens de hoorzitting van 15 juni 2015. De deskundigen van het Europese netwerk schrijven in hun verslag over de veerkracht van de CCI’s (13) dat overheidsbeleid ter bevordering van cultuur en creativiteit een grotere impact lijkt te hebben op subnationaal niveau.

4.1.2.

In het jaarprogramma voor de uitvoering van het initiatief „Creatief Europa” zal 4,9 miljoen euro worden gereserveerd voor Creatief Europa-desks. Er zijn te weinig van deze desks en ze zijn meestal gevestigd in de hoofdstad of grote steden, wat niet altijd de beste plaats is om de belanghebbenden te bereiken.

4.2.    Een noodzakelijke oplossing voor de soms onzekere situatie van atypische werknemers in de CCI’s (m.u.v. luxegoederen)

4.2.1.

Volgens een rapport van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van mei 2014, gewijd aan de dienstverbanden in de mediasector en de culturele industrieën (14), zijn er:

2,3 miljoen werknemers in de sectoren uitgeverij, video-opnamen en televisie;

1,2 miljoen personen werkzaam in de sectoren drukkerij en publicatie van media; en

1 miljoen artiesten/kunstenaars, waarvan de helft zelfstandig ondernemer is.

4.2.2.

In de meeste van deze beroepen, met name in de culturele sector en de media, heeft de zogenaamde atypische werkgelegenheid de afgelopen decennia een hoge vlucht genomen, dankzij een toename van deeltijdwerk en arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, uitzendwerk, zelfstandige arbeid en economisch afhankelijke arbeid.

4.2.3.

Het EESC staat achter de punten waarover de IAO in mei 2014 (15) overeenstemming heeft bereikt, namelijk dat de grondbeginselen en -rechten op het werk moeten gelden voor alle werknemers in de sector media en cultuur, ongeacht de aard van hun arbeidsverhouding. Het stelt vast dat sommige mensen die werkzaam zijn in de sector media en cultuur geen adequate sociale bescherming genieten (op het vlak van werkloosheid, pensioenen, sociale zekerheid, enz.) en dat het groeiende gebruik van onderaanneming en het bestaan van zeer uiteenlopende statuten van atypische werknemers in de CCI’s extra risico’s kunnen opleveren voor de veiligheid en gezondheid.

4.2.4.

Het EESC pleit ervoor de collectieve onderhandelingen in de betreffende branches op te voeren teneinde de arbeidsvoorwaarden te verbeteren.

4.2.5.

Het EESC verzoekt de Europese Commissie een ambitieus wetgevingspakket voor mobiliteit te presenteren, dat het mogelijk maakt een passende oplossing te vinden voor de mobiliteitsproblemen binnen de EU voor professionals uit de CCI’s, en de afgifte van visa in het kader van het handelsverkeer met derde landen te vergemakkelijken.

4.3.    Anticiperen op veranderingen in de onderwijs- en opleidingsinstrumenten in de sector van de CCI’s

4.3.1.

Het EESC heeft er al op gewezen dat er op scholen en in beroepsopleidingen meer aandacht moet worden besteed aan de creatieve industrieën, overeenkomstig het internationaal handvest van het kunst- en nijverheidswezen (16).

4.3.2.

Er dient te worden gewezen op de fundamentele rol van de publieke televisie en radio, als belangrijke kanalen voor culturele educatie en voor de uitzending van programma’s met een hoog literair, historisch of artistiek gehalte.

4.3.3.

In een periode waarin bedrijfsmodellen snel evolueren als gevolg van veranderingen in het gedrag van consumenten zou er in de opleidingen voor beroepen in de culturele en creatieve sector ook les moeten worden gegeven in economie, management en strategie. Bedrijfsleiders en ondernemers van CCI’s moeten ook toegang hebben tot dergelijke cursussen, in de vorm van bij- en nascholing.

4.3.4.

Het EESC heeft in verschillende adviezen gehamerd op het belang van opleiding voor het doorgeven van zeldzame ambachtelijke knowhow. Maar in meer en meer lidstaten is er een steeds grotere kloof tussen de inhoud van het onderwijs en de behoeften van de markt, wat ertoe heeft geleid dat sommige actoren van het maatschappelijk middenveld zelf particuliere opleidingsinstituten zijn gaan oprichten, of in het kader van publiek-private partnerschappen korte opleidingen (van vier weken) zijn gaan aanbieden die zeer praktisch van aard zijn, en erop zijn gericht om jongeren met of zonder diploma in staat te stellen zo snel mogelijk aan de slag te gaan in een bepaald beroep.

4.3.5.

De Europese raad voor vaardigheden voor de audiovisuele sector en de sector uitvoerende kunsten is in november 2014 operationeel geworden. Het EESC is geïnteresseerd in diens werkzaamheden, die ertoe moeten leiden dat beter wordt geanticipeerd op de behoeften op het stuk van basis- en voortgezette opleiding.

4.3.6.

Het EESC acht het in dat verband van belang dat de sociale partners en de Europese raad voor vaardigheden nauw worden betrokken bij de ESCO-activiteiten (17) (meertalige Europese classificatie van vaardigheden, competenties, kwalificaties en beroepen).

4.3.7.

Het EESC pleit voor meer synergie tussen de „kennisallianties” van het programma Erasmus+ en het programma „Creatief Europa”.

4.4.    Waakzaamheid ten opzichte van de strategieën voor onze mondiale concurrenten

4.4.1.

Gezien het gewicht van deze sector voor de economie dringt het EESC erop aan dat rekening wordt gehouden met alle dimensies: werkgelegenheid, vaardigheden, opleiding, intellectuele eigendom, enz. De externe dimensie moet worden meegenomen in de bi- en multilaterale onderhandelingen die aan de gang zijn. Goederen en diensten met een belangrijke culturele en creatieve inhoud vertegenwoordigen immers een steeds groter aandeel in de EU-uitvoer. Luxegoederen vertegenwoordigden volgens de ECCIA ongeveer 17 % van de totale EU-uitvoer in 2013.

4.4.2.

Om rekening te houden met het specifieke karakter van CCI’s moet er meer aandacht zijn voor intellectuele-eigendomsrechten en de regulering van de elektronische handel.

4.5.    Ontwikkeling van een aantrekkelijk „verhaal” over de waarden van de Europese Unie

4.5.1.

De waarden van de EU verdienen het te worden gepromoot en verspreid via de sociale netwerken.

4.5.2.

Er zou een oproep kunnen worden gericht tot videokunstenaars, grafisch ontwerpers, tekenaars, musici enz. om projecten met een beeldende, levendige inhoud uit te werken, bedoeld om viraal te gaan onder een jong publiek.

4.6.    Bevorderen van kruisbestuiving

4.6.1.

De doelstelling om (meer) synergie tot stand te brengen tussen verschillende creatieve en culturele industrieën maakt deel uit van het conceptuele kader van het programma „Creatief Europa” van de Commissie (18).

4.6.2.

Er vinden zeer bemoedigende kruisbestuivingen plaats, bijvoorbeeld tussen gastronomie, digitale toepassingen en toerisme, tussen kunst en luxe, tussen cultuur en toerisme.

4.6.3.

Deze kruisbestuivingen tussen CCI’s onderling en tussen CCI’s en andere sectoren kunnen vaak niet op industriële schaal worden toegepast omdat zij een goed begrip van de specifieke kenmerken van elke sector vergen.

4.6.4.

Dankzij de technologische vooruitgang (zoals 3D- en digitaal printen) zorgen de kruisbestuivingspraktijken die plaatsvinden in de CCI’s voor de ontwikkeling van beroepsprofielen die zijn gericht op creëren en innoveren, en voor toekomstige werkgelegenheid.

4.7.    De economische valorisatie van het architectonisch erfgoed

4.7.1.

De EU is het deel van de wereld met de grootste culturele dichtheid: 363 van de 981 natuurlijke en culturele erfgoederen op de Werelderfgoedlijst van Unesco bevinden zich in de EU. Aangetoond is dat de toestroom van Indiase, Chinese, Japanse en Amerikaanse toeristen vooral te danken is aan de rijkdom van dit erfgoed (19). Iedere verbetering van het visumbeleid moet worden aangemoedigd binnen de grenzen van de veiligheidsvereisten die zijn vastgesteld door de lidstaten en de betrokken derde landen.

4.7.2.

Nu verschillende lidstaten die rijk zijn aan architectonische monumenten — Griekenland (17), Frankrijk (39), Italië (47) en Spanje (44) — diep in de schulden zitten, loopt het behoud en onderhoud van dat erfgoed echter gevaar. Aangezien deze culturele en architectonische rijkdom van Europa een geweldige troef is voor de ontwikkeling van het cultureel toerisme, dringt het EESC erop aan dat de Commissie de huidige stand van het onderhoud van de in de Europese Unie gelegen Unesco-erfgoederen in kaart brengt.

4.8.    Oprichting van een Europees multi-stakeholderforum

4.8.1.

Het EESC heeft hier in een eerder advies reeds op aangedrongen (20). Het Comité van de Regio’s steunt dit verzoek, en heeft op zijn beurt aangedrongen op de oprichting van een Europees Creativiteitsforum (21). Dit forum zou „mensen uit de publieke, particuliere en vrijwilligerssector bijeen moeten brengen om na te denken over manieren waarop Europa creatieve oplossingen kan aandragen voor urgente lokale en Europese problemen”.

Brussel, 16 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2012) 537 en de werkdocumenten over de mode- en luxegoederensector SWD(2012) 286 en SWD(2012) 284 (PB C 198 van 10.7.2013, blz. 39).

(2)  Zie de horizontale en thematische adviezen van het EESC, zoals: PB C 110 van 9.5.2006, blz. 34; PB C 108 van 30.4.2004, blz. 68; PB C 51 van 17.2.2011, blz. 43; PB C 181 van 21.6.2012, blz. 35; PB C 44 van 11.2.2011; PB C 198 van 10.7.2013, blz. 14; PB C 110 van 9.5.2006, blz. 1; PB C 44 van 11.2.2011, blz. 75; PB C 451 van 16.12.2014 blz. 64; PB C 191 van 29.6.2012, blz. 18; PB C 230 van 14.7.2015, blz. 47.

(3)  Zie de studie van de British Council: „Mapping the creative industries: a toolkit”, http://creativeconomy.britishcouncil.org/media/uploads/resources/mapping_the_creative_industries_a_toolkit_2-2.pdf

(4)  PB C 51 van 17.2.2011, blz. 43.

(5)  TERA Consultants, „The Economic Contribution of the Creative Industries to EU GDP and Employment”, 2014.

(6)  P7_TA (2013)0227 paragraaf 11.

(7)  PB C 198 van 10.7.2013, blz. 39.

(8)  http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1384en14.pdf

(9)  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 35.

(10)  PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.

(11)  Zie advies CESE „Naar een hernieuwde consensus over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan” (PB C 230 van 14.07.2015, blz. 72).

(12)  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(13)  http://www.eenc.info/fr/eencdocs-fr/rapports/la-resilience-de-lemploi-dans-les-secteurs-culturels-et-creatifs-sccs-pendant-la-crise/

(14)  „Employment relationships in the media and culture industries” (mei 2014) http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_dialogue/---sector/documents/publication/wcms_240701.pdf

(15)  Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), GDFMCS/2014/7, Global Dialogue Forum on Employment relationships in the media and culture industries”, Genève 14—15 mei 2014, Punten van overeenstemming.

(16)  Zie voetnoot 4.

(17)  De ESCO-classificatie is in 2010 gelanceerd door de Europese Commissie. ESCO maakt deel uit van de Europa 2020-strategie.

(18)  Verordening (EU) 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma „Creatief Europa” (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221).

(19)  PB C 44 van 11. 2.2011, blz. 75.

(20)  PB C 198 van 10.7.2013, blz. 39.

(21)  PB C 218 van 30.7.2013, blz. 7.


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/89


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over plattelandsontwikkelingsprogramma’s — Doekjes voor het bloeden of eerste tekenen van herstel?

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/14)

Rapporteur:

Tom JONES

Corapporteur:

Joana AGUDO I BATALLER

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 januari 2015 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

„Plattelandsontwikkelingsprogramma’s — Doekjes voor het bloeden of eerste tekenen van herstel?”

(initiatiefadvies).

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 13 juli 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 17 september) onderstaand advies uitgebracht, dat met 192 stemmen vóór en 3 tegen, bij 10 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC juicht het toe dat de EU, de lidstaten en de regio’s zich er blijvend voor inzetten om een aantal uitdagingen van landelijke gebieden aan te pakken via een uitgebreid plattelandsontwikkelingsprogramma (POP). Het waardeert de inspanningen die Commissie en overheidspersoneel zich hebben getroost om het nieuwe programma op te stellen en goed te keuren. Gezien echter de ernstige crisis waardoor vele kansarme landelijke gebieden zijn getroffen, is er teleurstelling over het feit dat de indiening, goedkeuring en inwerkingtreding van het programma in verschillende lidstaten en regio’s vertraging hebben opgelopen. Het EESC beveelt daarom aan dat de Commissie samen met de nationale en de regionale overheden een onafhankelijke evaluatie van het proces laat maken om verdere vertragingen met de nieuwe regeling te voorkomen.

1.2.

Het POP kan pas slagen als het partnerschapsbeginsel efficiënt wordt toegepast. Op grond van Verdragsverplichtingen en andere afspraken is het programma een zaak van publieke en particuliere stakeholders, sociale partners en maatschappelijke organisaties samen. Dit is van essentieel belang. Ten opzichte van eerdere programma’s zijn er verbeteringen in de betrokkenheid te bespeuren, maar de mate van partnerschap in de EU loopt nog steeds uiteen.

1.3.

Het moet helder zijn welke rol de toezichtcomités spelen. De leden ervan moeten grondig controleren in hoeverre de doelstellingen worden gehaald, en toegang hebben tot de financiële richtsnoeren. De leden zouden van diverse pluimage moeten zijn en eventueel ook belangengroepen moeten kunnen vertegenwoordigen.

1.4.

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1303/2013 en met name artikel 5 daarvan over partnerschap en bestuur, zou de Commissie moeten controleren hoe deze verordening bij het opstellen van partnerschapsovereenkomsten en het uitvoeren van programma’s wordt toegepast, ook via deelname aan de toezichtcomités.

1.5.

Het EESC is ingenomen met de breedte van de programma’s, die gebaseerd zijn op lokale behoeften en prioriteiten. Ook is het er voorstander van om meer gebruik te maken van het CLLD-model (Community Led Local Development) teneinde de gemeenschap er zo veel mogelijk bij te betrekken. Goede praktijkvoorbeelden van een efficiënt gebruik van het model zouden onder de aandacht moeten worden gebracht.

1.6.

Gezien de beperkte begroting moeten de financiële middelen de rest van het GLB-budget aanvullen en niet overlappen. Er zou maximaal gebruik moeten worden gemaakt van overheids- en particuliere cofinancieringsbronnen en van vrijwillige bijdragen, waarbij aanvragers op een gestroomlijnde procedure moeten kunnen rekenen. Waar het gaat om projecten die aan bredere criteria voldoen, zouden beheersautoriteiten de toegang tot andere fondsen, zoals het cohesiebeleidsfonds en andere Europees investeringsfondsen, moeten faciliteren.

1.7.

Zoals reeds opgemerkt door het EESC (1) hebben vijftien lidstaten middelen overgedragen van rechtstreekse betalingen naar POP’s, terwijl er in vijf andere lidstaten overdrachten van de tweede naar de eerste pijler zijn geweest. Beide opties zijn legitiem — aangezien zij worden toegestaan door de medewetgevers — maar zij hebben niet dezelfde waarde: POP’s zijn gericht op een meer evenwichtigere territoriale ontwikkeling in alle regio’s van de EU. Aanbevolen wordt om de samenhang en doeltreffendheid van deze flexibiliteit te bestuderen, en te kijken wat de gevolgen zijn voor de mededinging op de interne markt.

1.8.

Landen en regio’s zullen bij hun uitgaven zeer verschillende prioriteiten stellen. In dit advies wordt gewezen op het belang van duurzame ontwikkeling van economische bedrijvigheid, het milieu en sociale rechtvaardigheid, met een sterke focus op het streven om landgebonden hulpbronnen een meerwaarde te geven. De Commissie zou een tussentijdse analyse moeten maken van de vooruitgang die geboekt is op weg naar bovengenoemde prioritaire doelstellingen, met inachtneming van de bestaande toezeggingen. Overheden zouden in staat moeten zijn om aanpassingen door te voeren zodat nieuwe projecten ervoor kunnen zorgen dat het programma op succesvolle wijze ten uitvoer wordt gelegd en er lering kan worden getrokken voor een toekomstig plattelandsbeleidskader.

1.9.

Er wordt ernstig gevreesd dat de plattelandsontwikkelingsprogramma’s niet zullen bijdragen tot territoriale samenhang. De meer afgelegen en economisch achtergebleven gebieden, zowel binnen als tussen landen en regio’s, hebben niet de structurele capaciteit die nodig is om van de beschikbare steun en fondsen te kunnen profiteren. Het is zaak om over een langere periode meer doelgerichte middelen uit te trekken en daarbij verder werk te maken van grensoverschrijdend mentorschap, samenwerkingsverbanden, capaciteitsopbouw voor adviesstructuren en leningen en investeringen voor innovatieve particuliere en sociale ondernemingen.

1.10.

Het al lang bestaande Leader-model wordt gerespecteerd, en de door de Europese Commissie gefinancierde netwerken voor plattelandsontwikkeling worden aangemoedigd om door te gaan met de verspreiding van goede praktijken.

1.11.

Duidelijk is dat in de programma’s sterk de nadruk ligt op banenbehoud en het scheppen van nieuwe werkgelegenheidskansen in landelijke gebieden en dat investeringen, kennisuitwisseling, training en mentorschap alsook nauwere banden met onderzoeksinstellingen belangrijk zijn. Eveneens van belang zijn maatregelen waarmee jonge mensen gestimuleerd worden om hun toekomst op het platteland te zoeken, net als maatregelen die bevorderlijk zijn voor de integratie van personen met specifieke behoeften of lichamelijke of geestelijke beperkingen. Onmisbaar zijn financiële prikkels ter ondersteuning van generatievernieuwing. Voorts moeten scholen en hogeronderwijsinstellingen in landelijke gebieden meer oog hebben voor zowel de traditionele als de veranderende behoeften aan vaardigheden in hun regio.

1.12.

Wat ook aandacht verdient is het vraagstuk van de opvolging van bedrijven. Hierbij moet ook worden gekeken naar de kansen die plattelandsontwikkelingsprogramma’s bieden om bedrijfsmodellen met nationale en regionale regels betreffende de overdracht van activa te testen. Arbeidsmobiliteit wordt aangemoedigd, op voorwaarde dat voor een goede opleiding wordt gezorgd en de werknemersrechten geëerbiedigd worden.

1.13.

Er moet speciale aandacht en ondersteuning komen voor de bijdrage die vrouwen aan het welslagen van het programma kunnen leveren. Ze zijn van cruciaal belang om het platteland leefbaar te houden, niet alleen waar het gaat om de diversifiëring en verwerking van landbouwproducten, maar ook om hun bijdrage aan de plaatselijke ontwikkeling via het aanbieden van ambachtelijke en agrotoeristische activiteiten en hun essentiële rol op het gebied van innovatie.

1.14.

Maatregelen ter verbetering van het milieu, de ecosystemen en de cultuurlandschappen worden toegejuicht. Steun voor goed geëtiketteerde lokale producten, plattelandstoerisme en kleinschalige gemeenschapsprojecten op het vlak van hernieuwbare energieprojecten, zou de economie en de gemeenschap duurzaam ten goede moeten komen. Efficiënt gerunde en winstgevende land- en bosbouwbedrijven en andere ondernemingen op het platteland zijn van essentieel belang om landelijke gebieden nieuw leven in te blazen. Er moet meer worden geijverd voor een beter begrip tussen enerzijds landbouwers en boseigenaren, als leveranciers van voedingsmiddelen, hernieuwbare grondstoffen en diensten op het vlak van milieu en recreatie, en anderzijds de consumenten, die de steeds gevarieerdere bevolking in Europa vormen.

1.15.

Het aanpakken van het effect van de klimaatverandering op land- en bosbouw en vice versa, krijgt in de programma’s prioriteit. Eveneens welkom zijn plannen die ertoe bijdragen om koolstof op te slaan, de water- en bodemkwaliteit te verbeteren, emissies te verminderen, ecosystemen te verrijken en de circulaire economie te bevorderen. Verbeteringen moeten duurzaam zijn en wetenschappelijk worden gemeten aan de hand van verschillende landbouwmilieu- en andere regelingen, en geïntegreerd worden in de productie.

1.16.

Om de sociale onrechtvaardigheid aan te pakken, zijn er bredere overheids- en EU-middelen en -maatregelen nodig, incl. betere dienstverlening op het gebied van internet, vervoer en onderwijs.

1.17.

Een economische heropleving van dorpen en gemeenschappen op het platteland is cruciaal. In dit verband moet ook worden nagegaan of de POP’s wel alle inwoners van landelijke gebieden dienen. Maatschappelijke betrokkenheid en ondernemingszin zijn voor de levensvatbaarheid van landelijke gebieden van vitaal belang.

2.   Inleiding

2.1.

De landelijke gebieden in Europa zijn van levensbelang voor alle Europese burgers, dus niet alleen voor de degenen die er wonen en werken. Ze staan in voor de levering van voedsel, hout, mineralen en water. Ze bieden een grote verscheidenheid aan habitats, produceren hernieuwbare energie, fungeren als recreatiegebieden en kunnen zich verder laten voorstaan op historische landschappen, ambachten en bovenal rijke culturen en mensen met velerlei vaardigheden. Circa 23 % van de EU-bevolking woont in gebieden die als „landelijk” te boek staan. Dat zijn 115 miljoen burgers.

2.2.

De mate van economische voorspoed en sociale cohesie loopt per landelijk gebied echter sterk uiteen. Sommige landelijke regio’s zijn welvarend en dynamisch, andere daarentegen zijn kwetsbaar en hebben te maken met leegloop en ontwrichting. Veel landelijke gebieden zijn rijk aan hulpbronnen, maar hebben weinig financiële middelen; ze zijn dunbevolkt en de toegang tot openbare diensten is beperkt. Dit geldt vooral voor de meer afgelegen en bergachtige regio’s en eilanden. Als magneten oefenen steden een niet-aflatende aantrekkingskracht uit op hedendaagse economische en sociale activiteiten. Dit maakt het voor overheden lastig om de leefbaarheid op het platteland in stand te houden, vooral als ze met oplossingen komen die op stedelijke leest geschoeid en derhalve ongeschikt zijn. Mobiliteit en vrij personenverkeer zijn in de EU essentiële beginselen. Ze hebben voor de armste landelijke regio’s echter onbedoelde gevolgen, want te veel (met name jonge) mensen trekken op zoek naar een beter leven naar de stad, om niet meer terug te keren.

2.3.

Europa heeft een visie nodig om het vertrouwen in een goed leven op het platteland te herstellen. Deze visie moet gebaseerd zijn op groene groei, bevordering van de circulaire economie, een beter inzicht in de behoeften van gemeenschappen en slimmere ondersteunende diensten. In dit advies wordt gepoogd na te gaan waardoor de verschillen in slaagpercentages worden veroorzaakt en hoe groot de kans is dat er tijdens de looptijd van het nieuwe financieringsprogramma echte verbeteringen komen. Welke conclusies moeten er voor de drie pijlers van duurzame ontwikkeling — economische, ecologische en sociale rechtvaardigheid — worden getrokken? Hebben alle belanghebbende partijen het gevoel dat ze werkelijk als partners bij deze kwestie worden betrokken?

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Lidstaten en regio’s hebben al heel wat maatregelen getroffen om het evenwicht tussen de economische mogelijkheden in stad en land te herstellen en de sociale samenhang te verzekeren. De EU heeft via de eerste GLB-pijler (Verordening (EU) nr. 1307/2013) en de tweede GLB-pijler (Verordening (EU) nr. 1305/2013) en via haar structuur- en cohesiefondsen voortdurend geprobeerd om de neergang te stoppen, maar met beperkt en wisselend succes. De huidige steun van de EU voor plattelandsontwikkeling, gefinancierd uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, wordt geraamd op 95,6 miljard EUR vóór overdrachten tussen de pijlers. Dit komt neer op 23 % van de GLB-begroting.

3.2.

De programma’s voor de periode 2014-2020 zijn gebaseerd op jarenlange ervaring met wat wel en wat niet werkt. De Commissie steunt het Europees Netwerk voor plattelandsontwikkeling (ENRD) en het Europees innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP-AGRI) om goede praktijken en innovatieve oplossingen te bevorderen. Het EESC pleit ervoor om dit werk op alle niveaus op te voeren. Ook kan lering worden getrokken uit de beste praktijken van andere geldschieters.

3.3.

Voor plattelandsontwikkeling trekt de EU minder geld uit dan voor ander EU-beleid, maar de begrotingsmiddelen kunnen slim worden ingezet en worden aangevuld via cofinanciering door de overheid of uit andere bronnen. De programma’s moeten de middelen van de eerste pijler aanvullen en gekoppeld worden aan andere financieringsstromen, zo mogelijk in een vlotte beheersinfrastructuur zodat aanvragers erop kunnen rekenen dat ze snel antwoord krijgen. Ook moet er ter begeleiding steun komen van adviesbureaus en lokale planningsautoriteiten.

3.4.

Delen van het programma zijn flexibel en lokaal genoeg om aan de daadwerkelijke behoeften van de gemeenschappen te voldoen. Daar waar het Leader-model met de lokale actiegroepen (LAG’s) het meest doeltreffend en succesvol ten uitvoer worden gelegd, zorgen ze voor gedeeld ownership en positieve resultaten. Technische ondersteuning van alle betrokkenen, gekoppeld aan mentorschap en training, is voor alle projecten en initiatieven van vitaal belang.

3.5.

In de meest kansarme gebieden is het echter allesbehalve eenvoudig om met kortetermijnprogramma’s echte verbeteringen te realiseren, want daarvoor ontbreekt het aan bedrijfsmiddelen, de nodige infrastructuur, ervaren gemeenschapsleiders en voldoende toegang tot andere investeringen. Om de territoriale samenhang te verbeteren moet er meer aandacht komen voor deze gebieden, zoals voorheen het geval was uit hoofde van doelstelling 1 van de structuur- en cohesiefondsprogramma’s.

3.6.

De Commissie heeft voor de periode 2014-2020 nieuwe financiële regels uitgevaardigd, die door de beheersautoriteiten en de toezichtcomités goed begrepen en toegepast zouden moeten worden en niet tot meer administratieve rompslomp voor indieners van projecten mogen leiden. In dit verband heeft de Europese Rekenkamer in zijn verslagen (2) over de programmeringsperiode 2007-2013 en het nieuwe rechtskader voor de periode 2014-2020 voorstellen gedaan om ervoor te zorgen dat de inspanningen meer resultaat opleveren.

3.7.

De voorbereiding en goedkeuring van veel nieuwe programma’s hebben aanzienlijke vertraging opgelopen. Er was nochtans vereenvoudiging beloofd. Dit is een zeer betreurenswaardige zaak, omdat de situatie in veel van de armste plattelandsgebieden penibel is en het de bedoeling is dat deze programma’s dringend bijdragen aan het aanpakken van problemen zoals de lage inkomens, de jeugdwerkloosheid, de tekortschietende openbare dienstverlening en de impact van de klimaatverandering. In mei 2015 moest ca. 57 % (3) van de regionale en nationale programma’s nog worden goedgekeurd, maar er wordt gehoopt dat het proces tegen het eind van het jaar kan worden afgerond.

4.   Raadpleging en betrokkenheid van belanghebbenden

4.1.

Het EESC benadrukt het belang van de toepassing van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. Belangrijk volgens het EESC is vooral artikel 5 over partnerschap en meerlagig bestuur. Hierin is bepaald dat het partnerschap ook andere overheden en de economische en sociale partners omvat, alsook andere organisaties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen. Daarom zou de Commissie moeten controleren hoe de verordening bij het opstellen van partnerschapsovereenkomsten en het uitvoeren van programma’s wordt toegepast, ook via deelname aan de toezichtcomités voor programma’s.

4.2.

In dit advies wordt bekeken in welke mate de belanghebbenden participeren in de voorbereiding van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s. De conclusies ervan zijn echter beperkt doordat er nog maar weinig programma’s zijn goedgekeurd en doordat de wel goedgekeurde programma’s maar een beperkt aantal geografische gebieden betreffen. Er hebben drie hoorzittingen plaatsgevonden (4) en daarnaast is er in breder verband een vragenlijst toegezonden. Uit de eerste reacties blijkt dat de participatie per geografisch gebied uiteenloopt, maar dat het proces van overleg tussen overheden en niet-overheidsorganisaties toch al beter en meer ontwikkeld is dan bij eerdere programma’s het geval was. Wel moet er meer voor worden geijverd om voorbeelden van geslaagde participatiemethoden onder de aandacht te brengen, o.a. door op grotere schaal communicatietechnologie in te zetten voor een permanente dialoog. De dialoog loopt binnen landen en regio’s evenwel sterk uiteen. Sommige partnerschapsovereenkomsten hebben slechts een symboolfunctie, het CLLD-model wordt maar in enkele regio’s toegepast, en van echte inclusieve raadpleging is pas veeleer aan het eind dan aan het begin van het proces sprake (5). Voorbeelden van goede praktijken zijn vaak daar te vinden waar bij andere beleidsplannen een soortgelijke vorm van inspraak een beter resultaat heeft opgeleverd (6).

4.3.

De echte veranderingen die nodig zijn om landelijke gebieden nieuw leven in te blazen, kunnen niet van de overheid alleen komen. Wel kan de overheid het plannings- en wetgevingskader scheppen, democratische verantwoording afleggen, publieke diensten verbeteren en startkapitaal verschaffen. Meestal echter moeten veranderingen die mens en milieu ten goede komen, toch worden doorgevoerd door particuliere bedrijven, vakkundige werknemers en sociale en gemeenschapsondernemingen. Mensen zijn pas bereid om tijd en middelen te investeren als ze er vertrouwen in hebben dat een gezamenlijke visie op een betere toekomst voor het platteland werkelijkheid kan worden en niet door tijdrovende aanvraagprocedures wordt belemmerd.

4.4.

Economische en sociale partners kunnen pas succes boeken als ze beschikken over middelen om voortdurend met hun leden en overheden te kunnen overleggen. Plannen variëren en evolueren. In dit verband moeten belanghebbenden beter beseffen dat het beleid en de uitvoering ervan een zaak is van gedeelde verantwoordelijkheid. De toezichtcomités moeten bestaan uit leden van diverse pluimage die weten waar ze mee bezig zijn en efficiënte controles kunnen houden. Het EESC wil gaarne meewerken aan de ontwikkeling van betere partnerschapsmodellen met maatschappelijke en sociale partners (7).

5.   Doekjes voor het bloeden of programma’s voor langdurig herstel?

5.1.

Tijdens onze hoorzittingen (8) in Brussel en in Noord-Wales is bevestigd dat er in programma’s streefdoelen zijn opgenomen. Deze zouden door de Commissie, de toezichtcomités en de belanghebbenden regelmatig moeten worden beoordeeld om te checken of ze echt zoden aan de dijk zetten en kostenefficiënt zijn. Ook zou in een studie moeten worden nagegaan of de overheveling van middelen tussen de pijlers doeltreffend is, dan wel ertoe bijdraagt dat de verschillen tussen regio’s nog groter worden en de concurrentie verder wordt scheefgetrokken.

5.2.

In hoeverre er sprake is van duurzame ontwikkeling moet worden onderzocht aan de hand van drie thema’s: ondernemerschap en werkgelegenheid, milieu, en sociale inclusie.

Ondernemerschap en werkgelegenheid

5.3.

Het budget voor het GLB neemt af, maar de Commissie stelt steeds meer eisen waaraan moet worden voldaan voor betalingen uit hoofde van de eerste pijler. Het is dan ook absoluut zaak dat er in het kader van de POP’s steun wordt verleend voor investeringen in een competitieve land- en bosbouwsector, ook door producten een grotere toegevoegde waarde te geven en beter in de markt te zetten, korte toeleveringsketens te versterken, branding te stimuleren en kennis uit te wisselen. Universiteiten en hogescholen moeten een belangrijke rol spelen binnen hun eigen regio en door de meest kansarme regio’s te steunen via samenwerkingsverbanden en mentorschap. Ze zouden met bestaande landbouw- en plattelandsadviesdiensten moeten samenwerken teneinde gebruik te maken van EU-onderzoeksmiddelen om aan specifieke lokale behoeften tegemoet te komen. Het POP zou als een brug tussen aanvragers en het Europees Investeringsfonds moeten fungeren teneinde te bevorderen dat wetenschappelijke kennis de landbouw of het platteland ten goede komt. Scholen krijgen geen rechtstreekse steun uit het POP, maar kunnen, met name in landelijke gebieden, toch een duidelijke rol spelen waar het gaat om de vaardigheden waar bedrijven in de toekomst behoefte aan hebben. Open dagen op boerderijen, werkervaring en praktijkopleidingen in het kader van andere financieringsregelingen zijn van vitaal belang om voor geïnspireerd en goed opgeleid personeel te zorgen (9). Formeel en informeel onderwijs moet beroepsgericht en bedrijfsgerelateerd zijn en waar mogelijk ter plaatse gegeven worden (10).

5.4.

Land- en bosbouwbedrijven hebben te maken met een dynamische economische omgeving die gekenmerkt wordt door mondialisering, snelle technologische vooruitgang en groeiende maatschappelijke behoeften. Om efficiënt en concurrerend te blijven, moeten landbouwers en boseigenaren absoluut innoveren. Het onlangs gecreëerde EIP-AGRI kan goed van pas komen en moet snel en op brede schaal tot stand worden gebracht. Om innovatie te bevorderen en te faciliteren zijn er gestroomlijnde financieringsvoorwaarden nodig.

5.5.

De jongerengarantieregeling en soortgelijke mechanismen moeten in landelijke gebieden aan POP-initiatieven gekoppeld worden, zodat er vooruitgang kan worden geboekt en ambitie wordt gestimuleerd. Van essentieel belang is dat jonge boeren en nieuwkomers investerings- en opleidingssteun krijgen. Projecten om plattelandsjongeren te steunen en te voorkomen dat ze wegtrekken, moeten topprioriteit krijgen. Jonge mensen dienen te worden aangemoedigd om de voor hen bedoelde maatregelen zelf op te pakken. Om opvolging beter te kunnen plannen, hebben landelijke gebieden behoefte aan een kader (11) dat juridisch fair en toegankelijk is en aanzet tot een overdracht tussen generaties die een duurzaam evenwicht tussen jeugd en ervaring mogelijk maakt.

5.6.

Er is volop erkenning voor de rol van vrouwen in de landbouw. Ze leveren een onmisbare bijdrage aan de totstandbrenging en uitvoering van plattelandsprojecten en in Finland is aangetoond dat gerichte steun op adviesgebied resulteert in de ontsluiting van ondernemerspotentieel (12).

5.7.

Plattelandstoerisme, de ambachtssector en de ontwikkeling van initiatieven op het gebied van recreatie en gezondheid verdienen ondersteuning, net als promotieactiviteiten die ontplooid worden tijdens festivals, shows zoals de Royal Welsh, en de Groene week in Berlijn. Vernieuwing van stad en land in een veranderend, pluralistisch Europa is voor bedrijven en consumenten op het platteland absoluut noodzakelijk, net als betere toegang tot breedbandinternetdiensten. Het scheppen van regionale waardeketens biedt belangrijke mogelijkheden voor het landbouw- en ambachtsbedrijf, het toerisme, de handel en het platteland (13). Het EESC is ingenomen met het voorgestelde Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI) en met de toezegging daarin dat plattelandsprojecten zullen worden ondersteund.

Milieu

5.8.

Het EESC heeft de impact van de klimaatverandering op de land- en bosbouw in een advies (14) onderzocht. Een van de oplossingen om de productie te verhogen door minder hulpbronnen te gebruiken en beter tegen de klimaatverandering bestand te zijn, is het ondersteunen van duurzame intensivering van de land- en bosbouwsector. Modern landgebruik wordt aangemoedigd teneinde activiteiten te ontwikkelen waarmee het mogelijk wordt de gevolgen van de klimaatverandering af te zwakken en de biodiversiteit te vergroten, in het bijzonder door landbouwmilieuregelingen (15). Recycling en de circulaire economie zouden moeten worden bevorderd (16), terwijl ook hernieuwbare energie (17) een waardevolle landelijke hulpbron is. Wordt er verstandig in hernieuwbare energie geïnvesteerd, dan zullen de economie, de samenleving en het milieu daar steeds meer de vruchten van plukken. Als er technologische verbeteringen kunnen worden doorgevoerd op het gebied van opslag, logistiek en infrastructuur, is er zeker ruimte voor collectief eigenaarschap en investeringen.

5.9.

Het EESC wijst op het belang van klimaatmaatregelen die in het kader van het landbouwmilieu worden getroffen en die de vergroening van de eerste pijler aanvullen. Doelgerichte steunmaatregelen voor bijv. land dat door erosie wordt bedreigd, vorming van clusters van landhabitats, stroomgebieden en steun voor soorten die bijzondere beheerspraktijken vereisen, zijn nuttig. De nalevingsvoorschriften mogen echter geen bijkomende lasten worden. Er is een adequate wetenschappelijke basis nodig om de vooruitgang te kunnen meten, terwijl ook moet worden ingeschat op welke langere termijn er echte verbeteringen kunnen worden verwacht (18).

5.10.

Het landschap van ruraal Europa is grotendeels het resultaat van menselijke activiteiten en heeft in de loop van vele generaties vorm gekregen door het werk dat de mens heeft verricht om aan zijn behoefte aan voedsel, hout en onderdak te voldoen. De diversiteit van het landschap wordt door Europese burgers gewaardeerd. De POP’s moeten ertoe bijdragen dat deze cultuurlandschappen duurzaam behouden blijven door te zorgen voor de overdracht van vaardigheden en transparante financiering van landelijke activiteiten die deze kostbare mozaïek helpen bewaren.

Sociale inclusie

5.11.

Onrechtvaardigheid in de landelijke context is moeilijk te definiëren en aan te pakken. Zoals eerder opgemerkt gaat het hierbij om een grote bevolkingsspreiding, een beperkt aantal inwoners, een onevenwichtige leeftijdsopbouw en tekortschietende openbare diensten (vervoer, gezondheidszorg, sociale dienstverlening). Andere factoren zijn de lage inkomens, de afgelegen ligging, de gebrekkige huisvestingskwaliteit en de inadequate technologische dienstverlening. Daarnaast speelt in sommige gebieden nog het bijzondere probleem van de slechte behandeling en uitbuiting van werknemers (19), met name migranten. Er zijn grotere inspanningen nodig om hen te helpen inburgeren en om hun toegang te geven tot passende beroepsopleiding.

5.12.

In artikel 39 van het VWEU wordt als een van de belangrijkste doelstellingen van het GLB genoemd dat de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard moet worden gegarandeerd door de productiviteit van de landbouw te doen toenemen, de technische vooruitgang te bevorderen en zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren te verzekeren. Op grond van het VWEU zal bij het tot stand brengen van het GLB rekening gehouden worden met de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden.

5.13.

Plattelandsontwikkelingsprogramma’s dragen bij tot het creëren en het behoud van directe en indirecte arbeidsplaatsen in zowel de landbouw als de agrofoodsector, en in mindere mate ook tot de economische diversifiëring van landelijke gebieden. De realiteit gebiedt echter te zeggen dat programma’s voor regionale ontwikkeling slechts beperkt kunnen helpen om de structurele problemen en tekortkomingen op het vlak van openbare diensten in landelijke gebieden aan te pakken.

5.14.

Eveneens nodig zijn andere overheidsmiddelen en -maatregelen die op het platteland hun waarde hebben bewezen, of beter nog, die specifiek op de landelijke problematiek zijn toegespitst, zoals regelingen voor lokaal openbaar vervoer, energie-efficiëntie in woningen, en bijscholingsmogelijkheden om innovatie te stimuleren. Plattelandsontwikkelingsprogramma’s moeten echter ook worden getoetst op hun vermogen om bij te dragen aan sociale rechtvaardigheid, op basis van de indicatoren uit EU-wetgeving en andere indicatoren die ter wille van een efficiëntere beoordeling moeten worden opgenomen, zoals indicatoren ter bevordering van sociaal ondernemerschap en socialelandbouwprojecten waarmee gehandicapten een kans krijgen, arbeidsplaatsen worden geschapen en een nieuwe bestemming wordt gegeven aan landbouwgronden en gebouwen die overbodig zijn geworden. Er zijn veel meer inspanningen nodig om te ondersteunen en te bevorderen dat gehandicapte plattelandsbewoners op een meer volwaardige wijze aan het maatschappelijk leven kunnen deelnemen.

5.15.

Dorpen zijn voor de solidariteit binnen de gemeenschap van levensbelang. Mede aan de hand van liefdadigheid en vrijwilligerswerk is het mogelijk om dorpen nieuw leven in te blazen door kleine bedrijfjes en sociale ondernemingen aan te moedigen. Wil men gemeenschappen versterken, dan moet dit punt bovenaan de agenda staan (20), zoals in Finland is aangetoond. Het heeft ook in bijv. het POP van Wales prioriteit gekregen (21).

Brussel, 17 september 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Informatief rapport NAT/664 — Uitvoering van de GLB-hervorming (Campli), EESC-2015-01409.

(2)  Speciale verslagen nr. 22/2014, nr. 23/2014, nr. 4/2015 en nr. 5/2015.

(3)  Europese Commissie — Perscommuniqué van 26 mei 2015: Adoption of a further 24 Rural Development Programmes to boost the EU farming sector and our countryside.

(4)  Op 13 april in Brussel, op 21 mei in Bangor (Noord-Wales) en op 9 juni 2015 in Helsinki.

(5)  Advies over de evaluatie van de raadpleging van belanghebbenden door de Europese Commissie (PB C 383 van 17.11.2015, blz. 57).

(6)  Wales heeft steeds meer ervaring met een raadplegingsproces dat voortvloeit uit een constitutionele verplichting in zijn Devolved Governmental Act waarmee duurzame ontwikkeling wordt bevorderd. Daarnaast werkt Wales ook in partnerschap samen met vrijwilligersorganisaties.

(7)  Verdrag van Lissabon, artikel 11, en de Verklaring van Riga van het Sociaal platform, maart 2015

(8)  Zie voetnoot 4.

(9)  De Agri-Academy in Wales is een goed voorbeeld van leiderschapstraining.

(10)  Advies over Permanent beroepsonderwijs en -opleiding (CVET) in plattelandsgebieden, NAT/650 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(11)  Malcolm Thomas Review in Wales.

(12)  Advies over De rol van de vrouw als drijvende kracht achter een ontwikkelings- en innovatiemodel voor de landbouw en de plattelandsgebieden (PB C 299 van 4.10.2012, blz. 29).

(13)  Advies over Landbouw- en ambachtsbedrijf (PB C 143 van 22.5.2012, blz. 35).

(14)  Advies over de Gevolgen van klimaat- en energiebeleid op de land- en de bosbouwsector (PB C 291 van 4.9.2015, blz. 1).

(15)  Glastir (Wales), Stewardship (Engeland), Glas (Ierland), Kulep (Beieren).

(16)  Adviezen over Groene economie (PB C 230 van 14.7.2015, blz. 99) en over Bevordering van creativiteit, ondernemerschap en mobiliteit in onderwijs en opleiding (PB C 332 van 8.10.2015, blz. 20).

(17)  Studie van het EESC naar de rol van de civiele samenleving bij de uitvoering van de EU-Richtlijn hernieuwbare energie, EESC-2014-04780.

(18)  Zie gegevens van de Universiteit van Bangor — Hoorzittingen in Bangor op 21 mei 2015.

(19)  Advies over Grensoverschrijdende arbeidskrachten in de landbouw (PB C 120 van 16.5.2008, blz. 19).

(20)  Wales Council for Voluntary Action — Active Inclusion Fund and Village SOS — Big Lottery — Wales, WCVA.

(21)  POP Wales (MO7).


15.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/97


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Het belang van de handel in landbouwproducten voor de toekomstige ontwikkeling van de landbouw en de landbouweconomie in de EU tegen de achtergrond van de wereldwijde voedselzekerheid”

(initiatiefadvies)

(2016/C 013/15)

Rapporteur:

Volker PETERSEN

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 februari 2015 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen getiteld:

„Het belang van de handel in landbouwproducten voor de toekomstige ontwikkeling van de landbouw en de landbouweconomie in de EU tegen de achtergrond van de wereldwijde voedselzekerheid”

(initiatiefadvies).

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 13 juli 2015 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 september 2015 gehouden 510e zitting (vergadering van 16 september 2015) onderstaand advies uitgebracht, dat met 179 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het GLB is wat zijn markt- en prijsbeleid betreft sterk geliberaliseerd. De landbouwmarkt van de EU is open en maakt deel uit van de mondiale markt, die wordt gestuurd door vraag en aanbod. In het kader van de openstelling van markten van derde landen heeft de handel in landbouwproducten in de EU zich in de afgelopen tien jaar op zeer dynamische wijze ontwikkeld.

1.2.

Gezien deze ontwikkeling stelt het EESC vast dat de handel in landbouwproducten voor de landbouw- en voedingsmiddeleneconomie en voor het platteland van essentieel economisch belang is. Het EESC acht het zorgwekkend dat de handel in landbouwproducten in het maatschappelijk debat soms met een kritische blik wordt bekeken, in tegenstelling tot andere economische sectoren zoals de automobiel- of de chemiesector.

1.3.

In een wereld met honger of kwantitatief en kwalitatief onvoldoende voeding heeft de handel in landbouwproducten natuurlijk een bijzondere verantwoordelijkheid. Het EESC is zich zeer bewust van deze verantwoordelijkheid. In een wereld met een groeiende bevolking, stijgende inkomens in veel landen en armoede in andere landen moet aan de ene kant worden voldaan aan een door koopkracht gesteunde vraag en aan de andere kant hulp en ondersteuning worden geboden waar honger en gebrek niet op eigen kracht kunnen worden uitgebannen.

1.4.

Het EESC is ingenomen met de verbeterde samenhang tussen het landbouw- en ontwikkelingsbeleid van de EU. Dit is naar zijn mening de voorwaarde voor de duurzame uitvoering van de taken en de oriëntatie in de handel in landbouwproducten en het ontwikkelingswerk.

1.5.

Het EESC is er voorstander van dat de agro-voedingsmiddelensector van de EU duurzaam wordt ondersteund om op succesvolle wijze te kunnen deelnemen aan de groeiende mondiale handel in landbouwproducten. De handel in landbouwproducten levert een belangrijke bijdrage aan het waarborgen van economische structuren in de plattelandsgebieden van de EU. Tegelijkertijd zorgt de handel in landbouwproducten in de voedingswaardeketen in de EU, die meerdere niveaus heeft, voor veertig miljoen hoogwaardige banen, die minder crisisgevoelig zijn dan de banen in andere sectoren.

1.6.

Bilaterale vrijhandelsovereenkomsten van de EU kunnen in belangrijke mate bijdragen aan het opheffen van non-tarifaire handelsbelemmeringen. Daarbij zullen er aan beide zijden ook altijd regelingen zijn waarover niet te onderhandelen valt. Daarvoor zouden er, buiten de harmonisatie om, regelingen moeten worden getroffen voor een vlottere handel.

1.7.

De kleine en middelgrote ondernemingen dragen wezenlijk bij aan de handel in landbouwproducten in de EU. In internationaal verband hangen zij in hoge mate af van duurzame administratieve steun bij het aanboren van markten in derde landen, waarvoor de desbetreffende diensten van de EU moeten zorgen.

1.8.

Verheugend is de verdere uitbreiding van partnerschapsovereenkomsten met ontwikkelingslanden op basis waarvan de positieve effecten van een open en eerlijke handel voor deze landen aan de dag kunnen treden. Dergelijke overeenkomsten moeten ernaar streven dat zulke landen zich tot op zekere hoogte zelf van landbouwproducten kunnen voorzien; de handel in landbouwproducten kan een aanvullende rol in de lokale productie vervullen.

2.   Achtergrond

2.1.

De handel in landbouwproducten en bewerkte voedingsmiddelen is in het verleden altijd van bijzonder belang geweest. In de door twee wereldoorlogen gekenmerkte 20e eeuw werd de internationale handel in landbouwproducten lang beheerst door zeer dirigistische regelgeving. In de na de Tweede Wereldoorlog gesloten GATT nam de handel in landbouwproducten nog een bijzondere positie in, waardoor deze werd uitgesloten van de liberalisering van de handel. Pas tijdens de Uruguayronde van de GATT, die in 1993 werd afgesloten, werd de handel in landbouwproducten sterker geïntegreerd in het regelgevende kader van de GATT. De EU verplichtte zich destijds tot een vermindering van de binnenlandse steun en de afbraak van tarieven en exportsubsidies. Als gevolg daarvan is de handel in landbouwproducten van de EU na de afbraak van tarifaire invoerbelemmeringen en exportsubsidies nu, op enkele uitzonderingen na, grotendeels geliberaliseerd. De internationale handel in landbouwproducten is echter nog relatief sterk gereguleerd, onder andere door non-tarifaire normen.

2.2.

Het EESC heeft bij verschillende gelegenheden advies uitgebracht over algemene handelskwesties (1). In dat verband heeft het gepleit voor het belang van de handel voor gestage groei en daarmee voor een succesvolle ontwikkeling van de sociale markteconomie. Het EESC heeft zich steeds ingezet voor een open en rechtvaardige handel. Het concludeerde dat het voortschrijdende proces van globalisering en internationalisering van de markten alleen op die manier zal leiden tot voordelen en kansen voor alle landen van de wereld, in overeenstemming met hun economische potentieel.

2.3.

Het EESC heeft in zijn eerdere adviezen met betrekking tot handelskwesties ook altijd rekening gehouden met de belangen van de ontwikkelingslanden en grote aandacht aan hen besteed. Het Comité heeft er steeds voor gepleit dat handel en handelsbeleid in een geglobaliseerde wereld moeten bijdragen tot groei en ontwikkeling in landen met verschillende ontwikkelingsniveaus.

2.4.

Het debat over de rol van de handel in landbouwproducten wordt gevoerd in bijzonder gespannen omstandigheden. In de afgelopen jaren heeft de koopkrachtige vraag naar landbouwproducten en levensmiddelen zich wereldwijd positief ontwikkeld, bijvoorbeeld in opkomende landen waarin de bevolking groeit en inkomens stijgen. De handel in landbouwproducten kon echter niet garanderen dat een einde wordt gemaakt aan alle tekorten aan voedingsmiddelen. Vooral vanwege te weinig koopkracht lijden wereldwijd bijna 800 miljoen mensen honger.

2.5.

Met dit advies wil het EESC de mogelijkheden verkennen die een toenemende mondiale handel in landbouwproducten biedt voor de landbouw en de landbouweconomie van de EU. Hierbij mag de verantwoordelijkheid die ook de EU ten opzichte van de ontwikkelingslanden moet aanvaarden, niet buiten beschouwing worden gelaten.

3.   Handel in landbouwproducten van de EU in de algemene economische context

Belang van de handel in landbouwproducten voor de buitenlandse handel van de EU

3.1.

De export van landbouwproducten uit de EU bedroeg in 2014 ongeveer 125 miljard EUR en vertegenwoordigde daarmee 7 % van de totale export van de EU. Zowel wat de stijging van 2,2 % ten opzichte van het voorgaande jaar als wat de jaarlijkse verandering van 8 % van 2005 tot 2014 betreft, is de export van landbouwproducten duidelijk dynamischer dan de totale export, die, in vergelijking met 2013, in 2014 zelfs met 2 % daalde (een jaarlijkse stijging van 5,5 % tussen 2005 en 2014).

De situatie ten aanzien van de invoer van landbouwproducten is vergelijkbaar: de invoer bedroeg in 2014 104 miljard EUR en vertegenwoordigde 6,2 % van de totale invoer van de EU (zie de tabellen A-1 tot en met A-3 van de bijlage).

3.2.

De EU-export van landbouwproducten is een stabiele pijler van de buitenlandse handel van de EU. Deze export staat in vergelijking met andere sectoren op de vierde plaats, na machines, chemische producten en geneesmiddelen. Als gevolg van de liberalisering van de handel heeft de EU zich ontwikkeld van netto-importeur tot netto-exporteur en sinds 2010 realiseert zij een positief saldo op de agrarische handelsbalans, dat in 2014 circa 21 miljard EUR bedroeg.

Structuur van de handel in landbouwproducten — Betekenis voor de waardeschepping, werkgelegenheid en plattelandsgebieden

3.3.

Het feit dat het aandeel van de handel in landbouwproducten in de totale buitenlandse handel van de EU in 2014 met 7 % aanzienlijk hoger was dan het aandeel van de gehele agro-voedingsmiddelensector in het bbp is van bijzonder belang voor dit initiatiefadvies. Het laatstgenoemde bedraagt in de EU 3,5 %.

3.4.

Dit duidelijke verschil tussen het algemene economische belang van de sector en het belang van de handel in landbouwproducten in de buitenlandse handel onderstreept de in de afgelopen jaren toegenomen betekenis ervan. Groei in de agro-levensmiddelensector is steeds sterker afhankelijk van de export.

3.5.

Algemeen economisch belang van de voedingswaardeketen:

De handel in landbouwproducten van de EU is — zoals onder het grote publiek vaak wordt gedacht — niet alleen een landbouwkwestie. Vandaag de dag is de export van landbouwproducten echter reeds goed voor meer dan een kwart van de inkomsten van landbouwers. Deze export levert derhalve nu al en in de toekomst een steeds belangrijkere bijdrage aan het behoud van economische fundamenten in de plattelandsgebieden van de EU, die worden geconfronteerd met problemen als gevolg van de verstedelijking en demografische veranderingen.

De export van landbouwproducten bestaat voor twee derde uit eindproducten, die na verschillende bewerkingen zijn vervaardigd uit grondstoffen en die verschillende waardetoevoegende processen hebben doorlopen. Deze producten zijn het resultaat van samenwerking binnen een goed presterende en internationaal zeer concurrerende waardeketen met diverse niveaus. Deze waardeketen loopt van de groothandelssector voor de landbouw via de landbouwers naar de levensmiddelenindustrie en handelsondernemingen. In totaal zijn in de EU in de tot deze waardeketen behorende ondernemingen rond de veertig miljoen mensen werkzaam. Conjunctureel gezien zijn dat relatief stabiele, minder crisisgevoelige arbeidsplaatsen dan in andere sectoren.

Handel in landbouwproducten op de interne markt van de EU

3.6.

De handel in landbouwproducten van de EU met derde landen staat in dit advies centraal. Er wordt echter ook kort gekeken naar de handel in landbouwproducten binnen de Gemeenschap. De handel binnen de EU heeft voor de lidstaten nog steeds een aanzienlijk grotere betekenis dan de buitenlandse handel van de EU. In 2014 was bijna 73 % van de geëxporteerde landbouwproducten van alle lidstaten bestemd voor andere EU-landen. De gemeenschappelijke markt heeft dus bijgedragen tot een intensivering van de handel en daarmee tot de stijging van de welvaart in de EU. Dat wat geldt voor de handel binnen de Gemeenschap moet in een geliberaliseerde internationale omgeving ook worden toegepast op de handel met derde landen.

De plaats van de EU in de wereldhandel in landbouwproducten

3.7.

Sinds 2013 is de EU wereldleider in de handel in landbouwproducten; de laatste decennia heeft zij in hoge mate bijgedragen aan een positieve ontwikkeling. Sinds 2000 is de uitvoer van de EU naar derde landen jaarlijks met circa 8 % gestegen. Afgezien van deze positieve ontwikkeling van de EU-uitvoer van landbouwproducten steeg de export van andere landen echter nog meer. Het aandeel van de EU in de wereldhandel in landbouwproducten daalde van bijna 13 % in 2000 tot 10,3 % in 2012 (zie tabel A-4 in de bijlage).

4.   Kadervoorwaarden voor de ontwikkeling van de handel in landbouwproducten van de EU — Externe dimensie van het GLB

4.1.

In het verleden was de EU vanwege haar export van landbouwproducten onderwerp van internationale kritiek, bijvoorbeeld tijdens de onderhandelingsronden in het kader van de GATT/de WTO. Dit beeld is sinds het begin van het millennium fundamenteel veranderd.

4.2.

De institutionele prijzen van de EU werden in het kader van meerdere hervormingen van het GLB aanzienlijk verlaagd. De marktprijzen in de EU worden bepaald door de mondiale ontwikkelingen op het gebied van vraag en aanbod en volgen derhalve meestal de prijzen op de wereldmarkt. De gemeenschappelijke marktordening biedt de landbouw in de EU alleen nog een vangnet dat in het geval van een forse internationale prijsdaling in werking treedt. Exportrestituties, die in 1992 nog drie miljard EUR bedroegen, zijn inmiddels niet meer van belang.

4.3.

Als ’s werelds grootste exporteur van landbouwproducten, voor de Verenigde Staten, Brazilië, China en Canada, en als ’s werelds grootste importeur van landbouwproducten, voor de Verenigde Staten, China, Japan en Rusland, draagt de EU een dubbele en steeds groter wordende verantwoordelijkheid voor de mondiale voedselsituatie en voedselvoorziening. Met het oog op deze verantwo