ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 251

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

58e jaargang
31 juli 2015


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

505e zitting van het EESC van 18 en 19 februari 2015

2015/C 251/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een voorstel voor het in kaart brengen van de macroregionale strategieën in Europa (initiatiefadvies)

1

2015/C 251/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van spaarbanken en kredietcoöperaties in het licht van territoriale samenhang — voorstellen voor een aangepast financieel regelgevingskader (initiatiefadvies)

7

2015/C 251/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een asbestvrije Europese Unie

13

2015/C 251/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de vorderingen in de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie en de verwezenlijking van de betreffende doelstellingen vóór 2020 (door het Letse EU-voorzitterschap aangevraagd verkennend advies)

19


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

505e zitting van het EESC van 18 en 19 februari 2015

2015/C 251/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de EU-strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer: risico’s aanpakken, veiligheid van de toeleveringsketen vergroten en handel vergemakkelijken (COM(2014) 527 final)

25

2015/C 251/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde verbrandingsmotoren (COM(2014) 581 final — 2014/0268 (COD))

31

2015/C 251/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de werking van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) en het Europees systeem voor financieel toezicht (ESFS) (COM(2014) 509 final) en over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de taken en de organisatie van het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) (COM(2014) 508 final)

33

2015/C 251/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité Groenboek Optimale benutting van Europa's traditionele kennis: mogelijke uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen door de Europese Unie tot niet-landbouwproducten(COM(2014) 469 final)

39

2015/C 251/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank — Jaarlijkse groeianalyse 2015 (COM(2014) 902 final)

44


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

505e zitting van het EESC van 18 en 19 februari 2015

31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een voorstel voor het in kaart brengen van de macroregionale strategieën in Europa

(initiatiefadvies)

(2015/C 251/01)

Rapporteur:

Etele BARÁTH

Op 27 februari 2014 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC), op grond van artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, besloten een initiatiefadvies op te stellen over het volgende onderwerp:

„Voorstel voor het in kaart brengen van macroregionale strategieën in Europa”.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 februari 2015 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 18 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 166 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 6 onthoudingen, werd goedgekeurd.

Inleiding

De oplossingen die de EU tot dusver heeft aangedragen voor de uit de financiële crisis voortgekomen algemene crisis, zijn onvoldoende gebleken. In tal van analyses wordt erop gewezen dat de genomen besluiten te veel op de financiële sector gericht waren en dat de besluitvorming in de Unie uiterst hiërarchisch is. Dit laatste verklaart waarom het de EU niet is gelukt om de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om een einde te maken aan de sociale spanningen. Er gaapt een diepe kloof tussen de doelstellingen en actieplannen van de Europa 2020-strategie voor de langetermijnontwikkeling van de EU en de daarvoor beschikbare middelen. Het is cruciaal gebleken om de verschillende maatregelen van het economische beleid beter op elkaar af te stemmen.

Bepaalde landen in Midden- en Oost-Europa hebben hun achterstand weliswaar ingehaald, maar het verschil tussen andere lidstaten — op het vlak van economische productie, lonen en levensstandaard — is alleen maar groter geworden. Een en ander is nog versterkt door bepaalde specifieke kenmerken van regio’s, terwijl in sommige regio’s de spanningen tot een onhoudbare situatie hebben geleid.

Zowel de manier waarop het sociaal beleid moet worden vormgegeven om uit de crisis te geraken, als de nieuwe structuur en programma’s van het cohesiebeleid vereisen dat de territoriale dimensie het zwaartepunt van het Europese beleid wordt.

Dat besefte ook de nieuwe Europese Commissie toen zij met het oog op de economische groei, het creëren van nieuwe banen en het verbeteren van de levensomstandigheden het plan „Nieuwe Start” lanceerde. Het plan van de Europese Commissie biedt nieuwe mogelijkheden, maar legt ook nieuwe verantwoordelijkheden, voor een substantiële verhoging van de investerings- en ontwikkelingsfondsen in de periode 2015-2017 en het uit de weg ruimen van juridische en organisatorische belemmeringen. Dit geldt ook voor de macroregionale strategieën. Vanwege het feit dat de tien prioriteiten uit het werkprogramma de onderlinge verbondenheid en de gezamenlijke ontwikkeling van Europese macroregio’s direct of indirect versterken, kunnen de rol van het macroregionaal beleid, de plaats en de haalbaarheid van de strategieën opnieuw worden vastgelegd.

Groei en doeltreffende, efficiënte investeringen kunnen flink worden aangezwengeld door een nieuw soort governance: een verregaand gedecentraliseerde en op ontwikkeling gerichte vorm van bestuur, waarbij de economische en sociale partners intensiever worden betrokken en tevens rekening wordt gehouden met de macroregionale strategieën (1).

Macroregionale strategieën kunnen dankzij deze nieuwe governance een middel bij uitstek zijn om meer vaart achter ontwikkeling te zetten, de territoriale samenhang te vergroten, de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie te bevorderen en niet in de laatste plaats het milieu te beschermen. De eerdere „driemaal nee” vormt geen belemmering meer: het MFK 2014-2020 voorziet in financiële mogelijkheden en het GSK legt de regels vast, terwijl er in de praktijk al een kleinschalig afwikkelingsmechanisme is ontwikkeld.

Het doel van dit initiatiefadvies is om de doelstellingen die tijdens de zitting van het EESC in het najaar van 2013 zijn aangenomen, uit te voeren en m.n. vanuit de invalshoek van het maatschappelijk middenveld een analyse te maken van de impact van de macroregionale strategieën in Europa, alsmede een voorstel te doen over de manier waarop macroregionale strategieën kunnen worden ingepast in het ontwikkelingsbeleid van de EU.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Na de stand van zaken op het vlak van macroregionale strategieën en de adviezen en voorstellen daarover (2) te hebben bestudeerd, is het EESC tot de slotsom gekomen dat deze strategieën, gezien de resultaten ervan, beslist verder moeten worden ontwikkeld in Europa. Macroregio’s moeten mensen niet uit elkaar drijven maar juist nader tot elkaar brengen.

1.2.

Het EESC verzoekt de Europese Raad, zich uit te spreken voor de opname van het macroregionaal beleid in de governancestructuur van de Unie en opdracht te geven voor het opstellen van overal in de Unie geldende richtsnoeren, op basis waarvan een strategie voor macroregionale ontwikkeling kan worden uitgewerkt ter bevordering van de sociaaleconomische ontwikkeling.

1.3.

Macroregionale strategieën zullen volgens het EESC een steeds grotere rol gaan spelen in de toekomst van de Unie. De bestaande macroregionale programma’s hebben:

er in politieke zin toe bijgedragen dat er in Europa een tot nu toe ontbrekende tussenliggende bestuurslaag is ontstaan, waardoor de haaks op elkaar staande federalistische en nationale zienswijzen dichter bij elkaar kunnen komen,

er als op horizontale samenwerking gebaseerd governance-instrument voor gezorgd dat overmatige hiërarchische en bureaucratische concentratie binnen de EU is verminderd,

ertoe geleid dat het maatschappelijk middenveld, en dan met name de economische en sociale partners, stelselmatig bij het opstellen en uitvoeren van de strategie worden betrokken.

1.4.

Macroregionale strategieën kunnen bijdragen tot een groter concurrentievermogen, de zeer gewenste stijging van het bbp en een grotere Europese meerwaarde. Deze strategieën zijn dankzij monitoring op basis van een daartoe geschikte databank, de toepassing van het partnerschapsbeginsel en op ervaring stoelende benchmarking doeltreffend beleid gebleken. Hieronder enkele voorbeelden.

1.4.1.

In het kader van het Europees Semester kan meer zichtbaarheid worden gegeven aan de manier waarop de doelstellingen van de Europa 2020-strategie territoriaal worden verwezenlijkt.

1.4.2.

Bij de tussentijdse herziening van de doelstellingen en algemene en beleidsspecifieke resultaten van de Europa 2020-strategie kunnen de ontwikkelings-, milieu- en stedelijke aspecten van macroregionale samenwerking, die in de diverse partnerschapsovereenkomsten zijn vervat, in deze strategie worden verwerkt om de doeltreffendheid ervan te vergroten.

1.4.3.

Aan de maatregelen die in de operationele programma’s van het voor 2014-2020 vastgestelde cohesiebeleid (waarbij van elf strategische doelstellingen is uitgegaan) zijn opgenomen, kan een grotere macroregionale dimensie worden gegeven om de meerwaarde, doeltreffendheid en efficiency ervan op Europees niveau te garanderen.

1.4.4.

Een benadering vanuit de macroregionale context van de programma’s voor regionale samenwerking waartoe in het kader van het programma voor steden en stedelijke netwerken in de EU is besloten, kan bevorderlijk zijn voor de sociaal-culturele integratie en het scheppen van de voorwaarden waarmee kan worden voorzien in de sociale behoeften.

1.4.5.

Er zal een nieuw macroregionaal instrument voor het behoud van het milieu en de duurzame exploitatie van de natuurlijke rijkdommen in het leven worden geroepen.

1.5.

Het EESC doet de aanbeveling om de governancestructuur in de EU te consolideren door de coördinatiegroep op hoog niveau (waarin vertegenwoordigers van de 28 lidstaten zitting hebben en die verantwoordelijk is voor het macroregionale beheer) uit te breiden en het maatschappelijk middenveld en de lokale en regionale overheden bij alle fasen van de besluitvorming te betrekken.

2.   Discussiepunten

2.1.

De ervaring leert dat macroregionale strategieën Europese meerwaarde opleveren — wat ook wordt gestaafd door de analyses van de Commissie — als het gaat om:

versterking van de Europese en regionale identiteit,

planning en uitvoering van Europese strategieën,

coördinatie van het gebruik van middelen.

2.2.

Dankzij macroregionale strategieën komen nieuwe instrumenten beschikbaar waaraan een grote behoefte bestaat, omdat:

de oplossingen die voor de crisis worden aangedragen, niet complex zijn en er dus een evenwicht moet worden gevonden tussen de territoriale en sociale aspecten van de crisis,

de uitslag van de Europese verkiezingen heeft uitgewezen dat de contacten van de EU met het maatschappelijk middenveld nog steeds te wensen overlaten,

het institutionele bestel van de EU aan hervorming toe is (op het punt van democratisering en decentralisering, de consolidering van horizontale structuren, de doelmatigheid en efficiency van de tenuitvoerlegging van beleid, het sociaaleconomisch partnerschap e.d.).

2.3.

Macroregionale strategieën zijn actueel, omdat:

de verkiezingen hebben geresulteerd in de vorming van een nieuwe Commissie die nieuwe prioriteiten heeft gesteld waarvan de voornaamste doelstellingen (meer banen, meer groei, grotere doeltreffendheid van de geplande investeringen van het bedrijfsleven) grotendeels afhangen van het aanpassingsvermogen van de regio’s,

de tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie momenteel wordt voorbereid en er in 2015 herziene richtsnoeren zullen worden aangenomen, naar verwachting o.a. inzake de consolidering van de macroregionale benadering,

gebleken is dat dankzij de reeds goedgekeurde en operationele macroregionale strategieën (voor het Donaugebied en voor het Oostzeegebied), zowel wat betreft governance als Europese meerwaarde — onder andere op het gebied van milieubescherming (zeeën), rampenpreventie (bescherming tegen overstromingen), economische samenwerking op het vlak van toerisme en in sectoren die gevoelig zijn voor innovatie — nieuwe hulpbronnen konden worden aangeboord,

de initiatieven van de Commissie (Adriatisch gebied, Alpen) een groot gebied bestrijken en onderstrepen dat de lidstaten en regio’s invulling zullen moeten geven aan de macroregionale context (met speciale aandacht voor deelname aan de samenwerking door derde landen),

de mogelijkheden voor samenwerking op macroregionaal niveau (in het Middellandse Zeegebied, langs de Atlantische kust) zoals die door de sociale en economische partners zijn aangeduid, ook op politiek vlak getuigen van een ingrijpende ontwikkeling. Daardoor kan een en ander ook veel beter worden afgestemd op de maritieme strategieën en het „terrestrische” beleid,

de van oudsher bestaande macroregionale samenwerking steeds hechter wordt in het kader van lineaire en grootschalige grensoverschrijdende infrastructuurprojecten, vooral door de totstandbrenging van macroregionale „Connecting Europe”-assen,

de vermelding van macroregionale samenwerking een verplicht onderdeel is geworden van partnerschapsovereenkomsten in de programmeringsperiode 2014-2020.

2.4.

Macroregionale strategieën die per definitie op ontwikkeling zijn gericht, kunnen wezenlijk bijdragen aan de consolidering en uitvoering van het ontwikkelingsbeleid van de EU, met name als er sprake is van gefundeerde initiatieven van onderaf. Vooral de volgende terreinen (functies) komen in aanmerking:

economische activiteiten van kleine en middelgrote ondernemingen,

onderzoek, onderwijs, taallessen, samenwerking op het gebied van cultuur en gezondheidszorg,

samenwerking op het gebied van energie, milieubescherming, logistiek en openbare dienstverlening (water, afvalwater, afval),

gemeenschappelijke planning van nationale overheidsinstanties, regionale instellingen en gemeentebesturen,

samenwerking op het gebied van veiligheid en migratie,

in de praktijk meer concurrentie op de markt (concrete samenwerking op de arbeidsmarkt, waarbij kleine en middelgrote ondernemingen worden ondersteund resp. ontwikkelingsfondsen in het leven worden geroepen),

samenwerking op het gebied van statistiek.

In de meeste gevallen gaat het daarbij om beleidsterreinen waarop geïntegreerde initiatieven van onderaf het meest zinvol zijn, omdat de Europese instellingen er nauwelijks een rechtstreekse regelgevende rol in spelen.

2.5.

Deelnemers aan macroregionale strategieën moeten hun medewerking verlenen als actoren die horizontale verantwoordelijkheid voor hun regering dragen.

2.6.

De macroregionale benadering geeft zowel qua visie als wat betreft de gehanteerde governance-instrumenten de nieuwe richting aan die de EU moet inslaan, die neerkomt op:

politieke governance en strategisch beheer van macroregionale strategieën waardoor de actoren van verschillende bestuursniveaus worden verenigd, zodat er geen nieuwe grote instellingen hoeven te worden opgericht,

integratie van het beleid en de programma’s van verschillende bestuurslagen (Europese, nationale en territoriale samenwerking; geassocieerde landen of kandidaat-lidstaten; sectorale instrumenten; financiële instrumenten enz.),

coördinatie van politieke, strategische en financiële instrumenten, met het oog op een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de strategieën,

opheffing van regionale grenzen tussen territoriale beheersorganisaties en de diverse sectoren, en

verduidelijking van het begrip „ownership” in het hele proces, vanaf het opstellen tot en met het uitvoeren van de strategie.

2.7.

Voorwaarden voor „goede” macroregionale governance zijn:

het vermogen om strategisch te plannen,

een betrouwbaar bestand van regiospecifieke gegevens op grond waarvan analyses kunnen worden gemaakt,

de juiste instantie die met de uitvoering wordt belast,

een uitgebreid controlesysteem voor de planning en uitvoering van de strategie,

adequate communicatiemiddelen,

het noodzakelijke aanpassingsvermogen, en

de met het oog op de controle vereiste transparantie van de activiteiten.

2.8.

Een macroregio is volgens de definitie van een macroregionale strategie een gebied

dat geografische, economische en culturele kenmerken gemeen heeft,

dat gekenmerkt wordt door dezelfde uitdagingen en mogelijkheden,

waar de diverse actoren nauwer gaan samenwerken door hun middelen te coördineren ter bevordering van de territoriale samenhang.

2.9.

In de huidige praktijk in Europa beantwoorden twee soorten macroregio’s aan die definitie. In beide gevallen gaat het om regio’s waar ook derde landen deel van kunnen uitmaken:

lineaire macroregio’s die in wezen aansluiten op de grote infrastructuurvoorzieningen, zoals het Donaugebied en de regio’s langs de vervoerscorridors, en

macroregio’s die een groot oppervlak bestrijken, zoals het Oostzeegebied of het Adriatische gebied en de Alpen of het Middellandse Zeegebied en de Atlantische kust.

2.10.

De van oudsher bestaande Europese grenzen zijn door de totstandkoming van de Unie vanuit functioneel oogpunt virtueel geworden. Door de macroregionale benadering kunnen er op de kaart van Europa nieuwe functionele grenzen worden getrokken. Op macroregionale structuren berustende regelingen voor het aangaan van open en intensieve(re) samenwerkingsverbanden, zijn tekenend voor de Europese democratische beleidsvoering van de 21e eeuw. Die beleidsvoering komt neer op een nieuwe manier van samenwerken, die bevorderlijk is voor de economie en een inclusieve samenleving en die het milieu duurzame bescherming biedt.

3.   Algemene opmerkingen en voorstellen om macroregionale strategieën een grotere rol toe te bedelen

3.1.

Er kan een evenwicht worden gevonden tussen de nieuwe speerpunten van de Europa 2020-strategie en de economische en financiële governance enerzijds en de idee van „verder kijken dan het bbp” anderzijds, als de verschillen tussen de regio’s worden teruggedrongen en zowel in de sociale behoeften wordt voorzien als aan de milieuvoorwaarden wordt voldaan.

3.2.

Macroregionale strategieën zetten solidariteitsmechanismen kracht bij, wat bevorderlijk is voor een grotere territoriale samenhang. Ook kunnen ontwikkelingsinstrumenten zo beter worden gecoördineerd, mits rekening wordt gehouden met territoriale verschillen.

3.3.

De voorstellen voor een gecoördineerde macroregionale ontwikkeling en de economische voordelen van een nauwere macroregionale samenwerking zullen ertoe leiden dat er meer in innovatie en in de substantiële productie- en bevoorradingscapaciteiten wordt geïnvesteerd.

3.4.

De netwerken in macroregio’s en de institutionele en economische contacten kunnen de impact van de door de mondialisering veroorzaakte crisis aanzienlijk temperen, doordat middelen beter worden benut en de verschillen tussen meer of minder ontwikkelde regio’s worden verkleind. Metropolitane en andere ontwikkelde verstedelijkte regio’s waarvan een grote dynamiek uitgaat, kunnen daarin een prominente rol spelen.

3.5.

Metropolitane, polycentrische, uit netwerken samengestelde regio’s hebben een groot economisch en innovatiepotentieel en zijn drijvende krachten achter banengroei, maar brengen ook grote gevaren voor het milieu met zich mee. Met behulp van macroregionale strategieën kan er een tegenwicht worden geboden voor de door grootschalige stedelijke verdichting ontstane klimaatrisico’s en kunnen plannen worden opgesteld om deze tegen te gaan.

3.6.

Verder kunnen kleine en middelgrote gemeentes met macroregionale strategieën worden geholpen om zich proportioneel te ontwikkelen, nauwe onderlinge banden aan te knopen en aldus ook hun lokale en regionale waarden te versterken.

3.7.

Dankzij macroregionaal beleid kunnen territoriale en economische verschillen worden teruggebracht als de prioritaire programma’s van de Europa 2020-strategie aan de omstandigheden per regio worden aangepast.

3.8.

Een macroregionale strategie kan een geschikt instrument zijn om de kritieke massa te creëren die nodig is om ten gunste van de ontwikkeling economische, sociale en ecologische capaciteiten te combineren. Dit kan met name in het geval van transnationale grensoverschrijdende programma’s essentieel zijn.

3.9.

Macroregionale strategieën kunnen door hun draagwijdte bijdragen aan een billijkere ontwikkeling van betaalbare diensten van algemeen belang, de toegang tot informatie en kennis bevorderen en de voorwaarden voor mobiliteit verbeteren.

Brussel, 18 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Zie COM(2014) 284 final (Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s betreffende het bestuur van macroregionale strategieën)

(2)  Recente en nog in voorbereiding zijnde adviezen van het EESC over macroregionale gebieden en strategieën — voornaamste opmerkingen


31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/7


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van spaarbanken en kredietcoöperaties in het licht van territoriale samenhang — voorstellen voor een aangepast financieel regelgevingskader

(initiatiefadvies)

(2015/C 251/02)

Rapporteur:

Carlos TRIAS PINTÓ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 10 juli 2014 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

„De rol van spaarbanken en kredietcoöperaties in het licht van territoriale samenhang — voorstellen voor een aangepast financieel regelgevingskader”.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 februari 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 18 februari 2015) onderstaand advies uitgebracht, dat met 153 stemmen vóór en 2 tegen, bij 10 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Nu er wordt overgeschakeld op nieuwe bancaire en niet-bancaire bedrijfsmodellen is het van cruciaal belang dat de „biodiversiteit” van het financiële stelsel behouden blijft, zonder dat dit neerkomt op een willekeurige toepassing van de regels (1).

1.2.

Naast banken die zich focussen op aandeelhouderswaarde (shareholders value), moet er bij wholesale-, retail- en investeringsactiviteiten voldoende plaats zijn voor banken waar stakeholderswaarde centraal staat. Dit is de enige manier om een stabiel en doeltreffend financieel ecosysteem tot stand te brengen dat ten volle bijdraagt aan de ontwikkeling van de reële economie.

1.3.

Het EESC steunt de inspanningen die de Commissie zich heeft getroost om in de nieuwe financiële regelgeving rekening te houden met de specifieke aard van spaarbanken en kredietcoöperaties en zo te voorkomen dat de uniforme toepassing van de prudentiële voorschriften ongewenste gevolgen heeft en dat de administratieve lasten te hoog worden.

1.4.

Het grootste probleem is en blijft echter dat het evenredigheidsbeginsel niet voldoende in acht wordt genomen bij de toepassing van de nieuwe regelgeving voor banken (met name bij de Richtlijn Kapitaalvereisten — RKV IV — en de Verordening Kapitaalvereisten — VKV), terwijl het Comité van Bazel daar onder verwijzing naar de EU-verdragen wel op heeft aangedrongen. In dat geval zouden voor wereldwijd opererende banken de meest stringente eisen gelden, voor pan-Europese banken (die in Europa het karakter van een systeembank hebben) strenge eisen, en voor nationaal en lokaal opererende banken flexibelere eisen (waarbij wel een toereikende bescherming van de consument gegarandeerd wordt).

1.5.

Het is niet de bedoeling om bepaalde segmenten van de financiële sector op deze manier zomaar te bevoorrechten. Het EESC heeft zich altijd sterk gemaakt voor eerlijke concurrentievoorwaarden en pleit dan ook voor het gebruik van objectieve parameters die een specifieke regulering voor ieder bedrijfsmodel rechtvaardigen: economische en financiële functie, bijdrage aan de reële economie, risicobeheer en governance. Het EESC stelt de financiële autoriteiten voor om actoren die op deze punten het best presteren, te belonen.

1.6.

Het EESC wil een gunstig licht op het bankmodel van spaarbanken en kredietcoöperaties werpen. Dit neemt echter niet weg dat het bepaalde gedragingen van de financiële sector, waaronder sommige spaarbanken en kredietcoöperaties, verwerpelijk acht. Het is absoluut noodzakelijk dat de beroeps- en gedragscodes voor de gehele financiële sector worden aangescherpt; alleen dan kan het vertrouwen herwonnen worden.

1.7.

Als de kredietverlening aan het midden- en kleinbedrijf en huishoudens duur blijft en niet op gang komt, kunnen de gevolgen voor de toekomst van de Europese Unie dramatisch zijn. Het EESC is het ermee eens dat het Europees Parlement zich onlangs kritisch heeft uitgelaten over de vraagtekens die het Comité van Bazel bij de specifieke financieringsinstrumenten van de EU voor het midden- en kleinbedrijf heeft gezet.

1.8.

Wil de EU de toekomstige uitdagingen succesvol het hoofd bieden en zelf veranderingen in gang zetten (in plaats van veranderingen te ondergaan), dan zal zij dringend diverse maatregelen op financieel gebied moeten aannemen om ervoor te zorgen dat de Europa 2020-strategie, de Akte voor de interne markt I en II, de Small Business Act, het COSME-programma, het initiatief voor sociaal ondernemerschap enz., daadwerkelijk geïmplementeerd worden. De verwezenlijking van de desbetreffende doelstellingen staat of valt met de versterking van de rol van spaarbanken en kredietcoöperaties.

2.   Spaarbanken en kredietcoöperaties in het Europese financiële bestel

2.1.

Spaarbanken en kredietcoöperaties hebben bij de ontwikkeling van de economie altijd al een doorslaggevende rol gespeeld, met name wat de ondersteuning van de landbouw, het kleinbedrijf en de handel betreft. Zij maken momenteel circa 40 % van de financiële sector van de EU uit (en in Frankrijk en Duitsland zelfs 70 % resp. 60 %). Hun concrete vorm verschilt sterk per lidstaat: wat spaarbanken betreft is er in landen als Spanje en Finland sprake van concentratie, terwijl ze in Duitsland en Oostenrijk juist sterk versnipperd zijn.

2.2.

De herstructurering van de banksector heeft over het geheel genomen een ingeperkt en gesaneerd landschap opgeleverd, dat echter ook minder inclusief is in die zin dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en huishoudens de afgelopen jaren geen toegang tot financiering konden krijgen. Daar komt nog bij dat banken hun kantorennetwerk hebben afgebouwd en vele arbeidsplaatsen zijn verdwenen. Dit verschijnsel kan nog verergeren als de lokale bank van de markt wordt verdreven.

2.3.

Spaarbanken en kredietcoöperaties zijn retailbanken met een aantal zeer belangrijke specifieke kenmerken: hun banden met de lokale productiestructuur, hun lokale verankering, hun fijnmazige commerciële netwerk, de korte afstand tot de klant, de financiering van specifieke sectoren, de nauwe betrekkingen met lokale belangen en maatschappelijke actoren, en hun solidariteit.

2.4.

Door de manier waarop zij zijn opgezet, beschikken spaarbanken en kredietcoöperaties over het algemeen over een gezonde vermogensstructuur en zijn de risico’s die zij nemen redelijk; hun investerings- en kapitalisatieprocessen zijn afgestemd op het beleid voor de ruimtelijke ontwikkeling van hun regio.

2.5.

Spaarbanken en kredietcoöperaties zijn twee verschillende concepten, die zich op de volgende punten van elkaar onderscheiden:

kredietcoöperaties zijn private instellingen met een duaal karakter: het zijn coöperatieve vennootschappen én kredietinstellingen die zich in de eerste plaats richten op het verlenen van financiële diensten aan hun leden/eigenaren en klanten. De coöperatieve beginselen die aan hun bestuur ten grondslag liggen zijn democratische besluitvorming en participatie (één persoon, één stem). Een aanzienlijk deel van het behaalde resultaat wordt verplicht gestort in reservefondsen en fondsen voor maatschappelijke doeleinden,

spaarbanken zijn private stichtingen die zich op twee taken richten: financiële activiteiten en maatschappelijke betrokkenheid. Kenmerkend is dat er geen expliciete eigenaren zijn, al doen zich wel andere ondernemingsvormen voor, zoals overheidsondernemingen of naamloze vennootschappen. In het geval van stichtingen worden de bestuursorganen gekozen door de algemene vergadering, waarin lokale en regionale overheden en in sommige landen ook klanten, oprichters en/of werknemers zijn vertegenwoordigd. De winst is bestemd voor reserves en maatschappelijke activiteiten.

2.6.

De gegevens over kredietcoöperaties spreken voor zich in deze tijd van crisis: in de EU is er niet één failliet gegaan. Zij beheren ongeveer 20 % van alle spaartegoeden en verstrekken in landen als Italië, Frankrijk, Duitsland en Nederland tussen 25 en 45 % van de leningen aan kmo’s. De afgelopen jaren hebben zij hun aandeel in de spaartegoeden gestaag weten te vergroten, hetgeen een belangrijk teken van vertrouwen in kredietcoöperaties is.

2.7.

De spaarbanken hebben hun sterke positie binnen het financieel bestel van de EU weten te behouden. Zo nemen zij in Duitsland 43 % van de spaartegoeden en 39 % van de uitstaande leningen voor hun rekening; in Spanje is dit resp. 41 % en 42 %.

2.8.

De cruciale rol van kredietcoöperaties is ook door het Internationaal Monetair Fonds (2) benadrukt. Doordat zij minder afhankelijk van de verwachtingen van aandeelhouders zijn, kunnen ze op betrouwbare en veilige wijze in de kredietbehoeften van kmo’s en van veel huishoudens voorzien.

2.9.

Dit neemt niet weg dat er uitzonderingen zijn: sommige spaarbanken en kredietcoöperaties zijn van hun eigen doelstellingen afgestapt, hebben zich overgegeven aan speculatieve activiteiten en hebben ingezet op buitensporige expansies in andere gebieden, waardoor zij in aanzien zijn gedaald. Dit is in sommige landen aanleiding geweest om regelgevingsmaatregelen te treffen die dit bankmodel tot op zekere hoogte hebben uitgehold.

2.10.

Kort gezegd moeten zij hun kapitaalpositie versterken, een adequate omvang bereiken, hun territoriale verankering behouden en een hoog niveau van consumentenbescherming handhaven, maar tegelijkertijd moeten de fundamentele eigenschappen van hun bijzondere bedrijfsmodel beschermd worden. Het EESC dringt erop aan dat de EU-instellingen hun daarbij erkennen en steunen.

3.   Uitdagingen bij de verdere ontwikkeling van hun retailactiviteiten

3.1.

Spaarbanken en kredietcoöperaties hebben de bedrijfskenmerken van retailbanken: korte afstand tot de klant, territoriale verankering, samenwerking, maatschappelijke betrokkenheid enz. Hun mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen worden echter door een aantal factoren beïnvloed (3):

onder druk van de toenemende concurrentie zijn de marges bij de financiële bemiddeling steeds kleiner geworden,

doordat er met meerdere distributiekanalen wordt gewerkt, moet er fors in technologie geïnvesteerd worden,

in sommige gevallen moeten de financiële entiteiten strategische allianties of fusies aangaan omdat ze zelf te klein zijn,

concentraties zijn niet zonder risico en kunnen schaalnadelen met zich brengen,

het concept van een lokale bank gaat moeilijk samen met de geografische diversificatie op de internationale markten.

3.2.

Dit alles neemt niet weg dat spaarbanken en kredietcoöperaties met hun financiële, maatschappelijke en territoriale taken nog steeds een zeer belangrijke rol bij de implementatie van de Europa 2020-strategie op zich nemen, aangevuld door niet-bancaire financieringsvormen (crowdfunding, risicokapitaal, business angels enz.), die hun intrede hebben gedaan als gevolg van het opdrogen van de kredietstroom (credit crunch) en de hoge garanties die geëist worden.

3.3.

Het EESC vindt dat de economische en monetaire autoriteiten meer moeten doen om de toegang van kmo’s tot financiering te vergemakkelijken en de langetermijnfinanciering te stimuleren, en daarbij de diversiteit van ondernemingsvormen (4) en risicodeling in de sector financiële dienstverlening moeten bevorderen.

4.   Maatschappelijke functie ten dienste van de lokale economie

4.1.

De financiële en maatschappelijke taken van spaarbanken en kredietcoöperaties zijn bij hun inspanningen ten behoeve van de territoriale samenhang nauw met elkaar verweven. Hun maatschappelijke betrokkenheid en belangstelling voor de gemeenschap zijn hun bekendste kenmerken (5).

4.2.

De winst komt ten goede van gebieden als cultuur, sociale en gezondheidszorg, onderwijs en onderzoek, kunsthistorisch erfgoed en ecologische duurzaamheid. Jaarlijks worden door spaarbanken miljarden besteed in de vorm maatschappelijk dividend.

4.3.

Gezien de noodzaak om waarde voor de lokale economie te creëren gaat er steeds meer aandacht uit naar de stakeholderwaarde. Concreet gezien bevorderen maatschappelijke banken de financiële inclusie en de territoriale samenhang door ondernemerschap en het opstarten van projecten op het gebied van microfinanciering en maatschappelijk verantwoord investeren te steunen.

4.4.

Spaarbanken en kredietcoöperaties vervullen een belangrijke rol als tussenpersoon bij de instrumenten en programma’s van de EU. Het EESC pleit ervoor de bemiddelende rol van de kleinste coöperatieve banken bij de financiële instrumenten van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) te vergemakkelijken door de administratieve eisen te vereenvoudigen; dit is van cruciaal belang, wil het plan Juncker kans van slagen hebben. Ook is het van essentieel belang dat zij hun rol bij de uitvoering van het Initiatief voor sociaal ondernemerschap kunnen versterken.

5.   Gevolgen van de herstructurering van het maatschappelijke bankwezen

5.1.

Spaarbanken in Europa zijn de laatste tijd aan ingrijpende herstructureringen onderworpen en in sommige landen is hun aard als stichting veranderd.

5.2.

Naar aanleiding van de wereldwijde financiële crisis is men overgegaan tot reddings- en saneringsoperaties, fusies en overnames, nationalisaties en zelfs tot omzetting van de Spaanse spaarbanken in reguliere banken.

5.3.

Als gevolg van de corporate governance-problemen, de nieuwe, strengere financiële eisen en de noodzaak om de omvang van de sector aan te passen aan de krimpende markt vallen bepaalde bankconcentraties waar te nemen. Terwijl het voor deze entiteiten moeilijk is om internationale activiteiten te ontplooien en zo te groeien, zijn de risico’s die door multinationals worden genomen juist meestal groter.

5.4.

De Commissie heeft op basis van het rapport van de groep Liikanen (2012) een verordening voorgesteld over structurele maatregelen om de weerbaarheid van kredietinstellingen in de EU te verbeteren — een document waarover het EESC met ruime meerderheid een advies heeft goedgekeurd (6). Op deze manier wil de Commissie iets doen aan het feit dat de belastingbetaler opdraait voor de problemen van banken die te groot zijn om om te laten vallen.

5.5.

Sommige artikelen van de voorgestelde verordening bevatten uitzonderingen op de eisen inzake kapitaal en stemrechten voor spaarbanken en kredietcoöperaties vanwege hun zeer specifieke economische en eigendomsstructuur.

5.6.

Het EESC meent dat bepaalde regels inzake de scheiding van retailbanken en investeringsbanken een bedreiging vormen voor het functioneren van kleine lokale banken en voor hun mogelijkheden om de reële economie dagelijks ter plekke te ondersteunen, en dus buitenproportioneel zijn.

5.7.

De genoemde veranderingen zijn niet zonder gevolgen voor de Europese burger: de capaciteit (kantoren en personeel) is ingekrompen, met alle gevolgen van dien voor de werkgelegenheid en de kredietverlening aan particulieren en kmo’s.

5.8.

Als er bij de nieuwe regelgevingseisen niet enige flexibiliteit wordt geboden, dreigt het gevaar dat de spaarbanken en kredietcoöperaties omgevormd worden tot reguliere banken en daarmee hun specifieke karakter verliezen. In dat geval zou de maatschappij een belangrijk, eeuwenoud maatschappelijk goed kwijtraken.

6.   Strategische opties met het oog op de toekomstige uitdagingen

6.1.

Spaarbanken en kredietcoöperaties hebben bijgedragen aan de stabiliteit, solventie en concurrentie binnen het Europese bankenstelsel. Nu de marktvoorwaarden veranderd zijn, moeten zij echter het hoofd bieden aan de volgende uitdagingen:

consolidatie van hun bedrijfsmodel als lokale detailhandelsbank,

intensivering van de zakelijke samenwerking,

verbetering van hun interne risicobeheerssystemen,

aanpassing aan de nieuwe maatregelen op het vlak van regelgeving, toezicht en veerkracht,

ondersteuning van de professionaliteit van hun directie,

versterking van de bestuurlijke efficiëntie,

bescherming van hun kapitaalniveau om insolventie te voorkomen,

bevordering van de transparantie en de corporate governance.

6.2.

Het relationele kapitaal is een immaterieel actief dat in het bankbedrijf van cruciaal belang is. Daarom moeten de financiële entiteiten van de sociale economie gebruikmaken van hun contactennetwerken en hun interne ondersteunende netwerken. Bij de toepassing van de prudentiële voorschriften moeten de financiële autoriteiten de waarde van deze solidariteitsmechanismen tussen kredietcoöperaties onderkennen.

6.3.

Daarnaast dient gelet te worden op het niveau van de betalingsachterstanden, onzekere situaties als gevolg van de geopolitieke risico’s en technologische innovaties (Digitale Agenda); deze factoren scheppen een nieuw ecosysteem voor het financieel bestel waarin de toekomstige interactie tussen vier actoren in het oog gehouden moet worden: de traditionele bank, de nieuwe digitale spelers, de regelgever en de consument.

6.4.

Zij moeten hun sterke punt als lokale bank (zij kennen mensen en zetten zich in voor projecten van de plaatselijke gemeenschap) combineren met de toepassing van ict, om zo nieuwe initiatieven ten behoeve van het herstel van de productieve economie te steunen.

6.5.

Zij moeten hun corporate governance verbeteren door adequate structuren voor opleiding, beheer en toezicht in te voeren. Concreet genomen moeten er strenge gedragscodes worden ingevoerd om bij de vertegenwoordiging van de verschillende belangen in de bestuursorganen professioneel en ethisch handelen te garanderen.

6.6.

Het EESC stelt voor dat er voor spaarbanken en kredietcoöperaties een nieuw model voor intern toezicht wordt ontwikkeld, waarin ook plaats is voor werknemers, vertegenwoordigers van kmo’s en andere belanghebbenden.

6.7.

Een nieuwe uitdaging is dat zij de strijd moeten aangaan met niet-bancaire concurrenten; willen zij naast de opkomende crowdfundingplatforms en toepassingen in het kader van de deel- en ruileconomie nog kunnen groeien, dan zullen zijn allianties met deze platforms en toepassingen moeten aangaan en gehoor moeten geven aan de nieuwe wensen van burgers.

7.   Verbetering van de veerkracht van en het toezicht op het Europese bankwezen

7.1.

Het EESC pleit ervoor de systemen voor financiële regulering en toezicht te vervolledigen en de financiële entiteiten weerbaar genoeg te maken om toekomstige crises te doorstaan.

7.2.

In dit licht heeft de Commissie een gedelegeerde verordening (7) uitgevaardigd waarin op basis van de ontwerpen van technische normen die door de Europese Bankautoriteit zijn opgesteld, aspecten met betrekking tot de eigenvermogensvereisten gereguleerd worden, rekening houdend met het feit dat de kapitaalinstrumenten van spaarbanken en kredietcoöperaties maatschappijen anders zijn. Daarbij zijn de kwesties inzake de beperkingen op aflossing van tier 1-kapitaalinstrumenten in het geval van kredietcoöperaties van bijzonder belang.

7.3.

Een andere hoeksteen voor de voltooiing van de bankenunie bestaat uit het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het beheer van het fonds voor de financiering van eventuele reddingsmaatregelen. Volgens het EESC zullen banken toekomstige crises dankzij dit instrument beter het hoofd weten te bieden (8).

7.4.

In het licht van het feit dat onderlinge waarborging van risico’s noodzakelijk is, pleit het EESC ervoor dat bij het bepalen van de bijdrage van iedere entiteit aan het toekomstige gemeenschappelijk afwikkelingsfonds rekening wordt gehouden met het risicomodel van die entiteit. Het roept de Commissie op om de in de Richtlijn inzake het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen vastgestelde indicatoren op adequate wijze toe te passen (9). Het EESC is verheugd over het feit dat wordt bekeken of de entiteit onder een institutioneel protectiestelsel valt (10).

7.5.

In deze nieuwe financiële context dringt het EESC erop aan dat maatschappelijk verantwoord ondernemen, ethisch gedrag en financiële transparantie een echte impuls krijgen en dat de toezichthoudende organen de financiële cultuur trachten te verbeteren door middel van educatie (11), met name over de verschillende formules op het vlak van de sociale economie, die nog altijd weinig bekendheid genieten. In dit verband dient beslist een grotere rol en zichtbaarheid toebedeeld te worden aan de netwerken die hen vertegenwoordigen: de Europese Vereniging van Coöperatieve Banken (EACB), de Europese Federatie van ethische en alternatieve banken (FEBEA) en de Europese Spaarbankenvereniging (ESBG).

7.6.

Het EESC is zeer te spreken over het feit dat er nieuwe financiële instrumenten worden ontworpen om de huidige governance te verbeteren. Wel moeten deze instrumenten dusdanig gereguleerd worden dat er ruimte is voor de diversiteit van de betrokken financiële actoren, en dat de instrumenten stabiel zijn terwijl de lasten voor financiële entiteiten met minder middelen beperkt blijven. Uiteindelijk komt dit neer op een betere regelgeving.

8.   Versterking van de maatschappelijk verantwoorde bank

8.1.

Herstel van de productiesectoren, versterking van de lokale economie en aanpak van de sociale problemen — dat zijn de punten waarop de EU zich zou moeten richten. Het EESC dringt er dan ook bij de EU-instellingen op aan om via de vaste overlegfora die bankmodellen te versterken die het financiële bestel verankeren in de reële economie en zo de lokale gemeenschap stabiliteit en welvaart bieden.

8.2.

De tendens in de richting van steeds grotere banken, die het gevolg is van de herstructureringen, is zorgwekkend gezien het daarmee gepaard gaande systeemrisico. Het EESC pleit daarom voor een terugkeer naar de traditionele bankactiviteiten (back to basics) in het kader van een grotere afbakening van entiteiten die zich in retailbanking specialiseren ten opzichte van banken die daarnaast ook activiteiten als investeringsbank ontplooien. De ervaring heeft geleerd dat diversificatie, spreiding en deling van risico’s goed voor het Europees financieel bestel is.

8.3.

De vitaliteit en de ontwikkeling van spaarbanken en kredietcoöperaties stoelen op het democratische bestuur en op de vrijheid om op verantwoordelijke wijze te bepalen waar winsten voor bestemd worden. Versterking van hun financiële dienstverlening ten behoeve van de reële economie is de manier om hun voortbestaan te garanderen, in overeenstemming met de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in de periode tot 2015 en de verklaring van de VN van 2012 over coöperaties.

8.4.

Spaarbanken en kredietcoöperaties verdienen daarom bij de toepassing van de prudentiële voorschriften een speciale behandeling, aangezien zij het bankmodel vormen waar de Europese burgers om vragen: een bank met een op verantwoordelijkheid en solidariteit gebaseerd bestuur (12) die gestoeld is op de beginselen en de waarden van de sociale economie.

Brussel, 18 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 451 van 16.12.2014, blz. 45.

(2)  Redesigning the Contours of the Future Financial System, IMF staff position note, 16 augustus 2010 (SPN/10/10).

(3)  Banco de España: Cooperative and savings banks in Europe: Nature, challenges and perspectives, april 2011; Europese Vereniging van Coöperatieve Banken: EACB answer to the Green Paper on territorial cohesion turning territorial diversity into strength, februari 2009; WSBI-ESBG: 200 years of savings banks: a strong and lasting business model for responsible, regional retail banking, september 2011; CESE: De sociale economie in de Europese Unie, 2014.

(4)  PB C 318 van 23.12.2009, blz. 22.

(5)  Castelló, E.: El liderazgo social de las cajas de ahorros. FUNCAS, Madrid 2005.

(6)  PB C 451 van 16.12.2014, blz. 45.

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie van 7 januari 2014.

(8)  PB C 67 van 6.3.2014, blz. 58.

(9)  Zie Richtlijn 2014/59/EU.

(10)  Zie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/63 van de Commissie.

(11)  PB C 318 van 29.10.2011, blz. 24.

(12)  PB C 100 van 30.4.2009, blz. 84.


31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/13


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een asbestvrije Europese Unie

(2015/C 251/03)

Rapporteur:

Aurel Laurenţiu PLOSCEANU

Corapporteur:

Enrico GIBELLIERI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 8 juli 2014 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

„Een asbestvrije Europese Unie”.

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 januari 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 18 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 162 stemmen vóór en 5 tegen, bij 10 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het dient een prioritaire doelstelling te zijn voor de Europese Unie om alle gebruikte asbest en alle asbesthoudende producten te verwijderen. De actieplannen dienen aan de lidstaten te worden overgelaten, maar het is aan de EU om een en ander te coördineren. Het EESC moedigt de Europese Unie in dit verband aan om samen te werken met de sociale partners en andere belanghebbenden op Europees, nationaal en regionaal niveau om actieplannen voor asbestbeheer en -verwijdering te ontwikkelen en gezamenlijk toe te passen. Deze plannen dienen de volgende aspecten te bevatten: onderwijs en voorlichting; scholing van werknemers in de publieke sector; nationale en internationale training; programma’s om asbestverwijdering te financieren; bewustmakingsacties in verband met asbestverwijdering en de verwijdering van asbesthoudende producten (ook uit gebouwen), openbare voorzieningen en locaties waar vroeger asbestfabrieken hebben gestaan; zuiverende installaties en installaties in gebouwen voor de vernietiging van asbest en asbesthoudend puin; controle op de effectiviteit van de bestaande wettelijke voorschriften; beoordeling van de blootstelling van gevaar lopend personeel en gezondheidsbescherming.

1.2.

Verschillende lidstaten hebben registers aangelegd van gebouwen die asbest bevatten. De andere lidstaten zou moeten worden aanbevolen om ook dergelijke registers aan te houden om werknemers en werkgevers van relevante informatie over de gevaren van asbest te voorzien voordat tot renovatiewerkzaamheden wordt overgegaan en om de reeds bestaande en door de EU-wetgeving verplicht gestelde gezondheids- en veiligheidsbescherming aan te vullen. De registratie zou op lokaal niveau kunnen starten voor openbare gebouwen en infrastructuur.

Momenteel heeft alleen Polen een financieel onderbouwd actieplan opgesteld om alle nog bestaande asbesthaarden te verwijderen (1).

1.3.

De doelstelling is om eind 2032 alle asbest verwijderd te hebben. De Europese Unie zou dit voorbeeld als blauwdruk moeten nemen en de lidstaten moeten aanmoedigen om specifieke actieplannen en routekaarten op verschillende niveaus — lokaal, regionaal en nationaal — uit te zetten. In dit verband is een optimale handhaving van de EU- en nationale asbestregelingen ook van groot belang. Het Europese Comité van hoge ambtenaren van de arbeidsinspectie (SLIC) en de nationale arbeidsinspecties kunnen een belangrijke rol spelen bij het vervullen van die taak.

1.4.

Wat er van het Poolse voorbeeld kan worden geleerd, is het cruciale belang van de beschikbaarheid van voldoende openbare fondsen voor de verwijdering van asbest. We zijn ook van mening dat de georganiseerde en gestructureerde verwijdering van asbest neerkomt op de verbetering van regionale ontwikkeling en van de infrastructuur van de betrokken regio’s. De Europese Commissie zou moeten overwegen om speciaal voor asbestverwijderingsplannen toegang te bieden tot de structuurfondsen.

1.5.

De Europese Commissie zou de bestaande nationale asbestregistratiemethodes en -regelingen, evenals de financiering ervan, in kaart moeten brengen.

1.6.

Stortplaatsen voor asbesthoudend afval vormen slechts een tijdelijke oplossing voor het probleem, waarmee toekomstige generaties dus worden opgezadeld, aangezien asbestvezels de tand des tijds zo goed als kunnen weerstaan. Het EESC roept de Europese Commissie derhalve op om bekendheid te geven aan de systemen om asbesthoudende producten te verwijderen, gerelateerd aan de best beschikbare technieken (plasmabrander, pyrolyse vergassing e.d.). Onderzoek en innovatie moeten worden bevorderd om duurzame technologieën toe te passen voor de behandeling en inertisering van asbesthoudend afval met het oog op veilige recycling en hergebruik ervan, en de vermindering van de hoeveelheid die op stortplaatsen belandt. De Commissie zou voor doeltreffende maatregelen moeten zorgen teneinde een halt toe te roepen aan de gevaarlijke praktijk van het storten van asbesthoudend afval op afvalstortplaatsen die voor gangbaar bouwafval zijn bestemd.

1.7.

EU-fondsen en stimulerende maatregelen van de lidstaten gericht op een grotere energie-efficiëntie in gebouwen zouden moeten worden gekoppeld aan de veilige verwijdering van asbest uit die gebouwen. Hoewel de Europese Unie een ambitieus energie-efficiëntiebeleid heeft ontwikkeld en de herziene energie-efficiëntierichtlijn waarschijnlijk in elke lidstaat tot een langetermijnstrategie voor het renoveren van gebouwen zal leiden, gaat dit beleid niet gepaard met asbestverwijderingsstrategieën. Het EESC is een groot voorstander van een dergelijke combinatie, die zijn beslag zou moeten krijgen in een consequent EU-beleid waarbij alle relevante beleidsterreinen in aanmerking worden genomen.

Bij de formulering van een actieplan voor asbestverwijdering dienen hoe dan ook de kwalificaties van alle bij de werkzaamheden betrokken stakeholders te worden bekeken. Dit betreft zowel werknemers als bedrijven, coördinatoren voor de veiligheid en gezondheid op het werk (OSH), arbeidsinspecteurs, consulenten, trainers, werkgevers en anderen. Het verdient aanbeveling en is beslist noodzakelijk om te zorgen voor de certificering van de benodigde vaardigheden van de bij dit soort actieplannen betrokken bedrijven.

1.8.

Een veilige verwijdering van asbest vraagt in de eerste plaats om goed getraind personeel, zowel in de asbestverwijderingsbedrijven zelf als onder werknemers in alle beroepssectoren die er per ongeluk mee in aanraking kunnen komen.

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om in samenwerking met de nationale autoriteiten de noodzakelijke ondersteuning te bieden voor acties en initiatieven om ervoor te zorgen dat alle in de EU werkzame arbeidskrachten worden beschermd, aangezien kleine en middelgrote ondernemingen, waar de meeste Europese werknemers actief zijn, zich in een bijzonder kwetsbare positie bevinden wat betreft de toepassing van de wetgeving inzake gezondheid en veiligheid. Een gedegen training is dus essentieel in dit verband.

1.9.

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om conform artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2009/148/EG, samen met de sociale partners en andere relevante belanghebbenden, programma’s en bewustmakingsactiviteiten te ontwikkelen met betrekking tot asbestgerelateerde risico’s en tot de noodzaak van een passende opleiding voor alle medewerkers die wellicht met asbesthoudende materialen te maken krijgen, en om betere informatie te verstrekken over de bestaande asbestwetgeving en praktische richtsnoeren te geven over de manier waarop hieraan kan worden voldaan, ook door de EU-burgers.

1.10.

De EU-wetgeving dient ook de meest recente resultaten van wetenschappelijke en medische onderzoeken in aanmerking te nemen. Uit recent onderzoek is ook gebleken dat zelfs een zeer geringe blootstelling en een hele lange incubatieperiode kunnen leiden tot een mesothelioom en longkanker. Het EESC dringt er derhalve bij de Commissie op aan Aanbeveling 2003/670/EG te wijzigen, en wel door deze aan de nieuwste medische inzichten aan te passen en hierin larynxkanker en eierstokkanker als asbestgerelateerde ziekten op te nemen.

1.11.

Er dient voor te worden gezorgd dat alle gevallen van asbestose, mesothelioom en aanverwante asbestgerelateerde ziekten in de lidstaten worden geregistreerd door middel van de systematische verzameling van gegevens over beroepsgerelateerde en niet-beroepsgerelateerde asbestziekten, dat pleurale plaques worden aangemerkt en officieel worden geregistreerd als asbestgerelateerde ziekte en dat de aanwezigheid van asbest met de hulp van specifieke waarnemingscentra op betrouwbare wijze in kaart wordt gebracht. Medisch personeel heeft een gedegen training nodig zodat het de vakkennis in huis heeft om een goede diagnose te stellen.

1.12.

Daarnaast zouden de EU-instellingen optimale methoden betreffende de uitvaardiging van nationale richtsnoeren en nationale procedures voor de erkenning van asbestgerelateerde ziekten moeten verspreiden en/of de verspreiding daarvan moeten ondersteunen.

1.12.1.

Er dient vooral voor gezorgd te worden dat slachtoffers een actievere rol kunnen spelen in erkenningsprocedures. Om hun toegang te verlenen tot de noodzakelijke informatie en hun een stem te geven, is er wettelijke, financiële en persoonlijke steun nodig. Er dienen organisaties van asbestslachtoffers te worden opgericht. Op deze manier kan enige verlichting worden geboden bij hun strijd voor erkenning, aangezien de procedures voor die erkenning het persoonlijke lijden altijd verzwaren.

Het EESC:

verzoekt verzekerings- en schadevergoedingsinstanties derhalve met een gezamenlijke aanpak voor de erkenning en schadeloosstelling van asbestgerelateerde beroepsziekten te komen,

dringt erop aan dat de erkenningsprocedures worden vereenvoudigd en vergemakkelijkt,

stelt vast dat het door de zeer lange incubatietijd voor asbestslachtoffers vaak niet mogelijk is het causale verband met hun beroepsmatige blootstelling aan asbest aan te tonen,

verzoekt de Commissie steun te verlenen aan conferenties waarop groepen van asbestslachtoffers professioneel advies krijgen en de daarbij aangesloten leden worden gesteund.

1.12.2.

Tot slot moedigt het EESC de Commissie aan om in samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Internationale Arbeidersorganisatie (IAO), derde landen en andere internationale organisaties wereldwijd te streven naar hoge niveaus van gezondheid en veiligheid op het werk door onder meer de door asbest veroorzaakte problemen onder de aandacht te brengen en daarvoor oplossingen aan te dragen, die bevorderlijk zijn voor de gezondheid en waardoor slachtoffers van asbestgerelateerde ziekten beter worden voorgelicht en ondersteund.

1.12.3.

Gezien het grote belang van het onderwerp, zullen het EESC/de CCMI dit advies presenteren op een samen met het Europees Parlement, het Comité van de Regio’s en de Europese Commissie georganiseerde conferentie.

2.   Inleiding

2.1.

Ondanks het verbod op asbest (2) in de hele EU (in 1999, moet vóór 2005 ten uitvoer worden gelegd) veroorzaakt asbest nog steeds doden in Europa. Hoewel alle vormen van asbest gevaarlijk zijn, de aan deze materie verbonden risico’s zijn aangetoond en hiervoor regelingen zijn getroffen en ondanks het verbod op het gebruik van asbest, wordt het nog steeds aangetroffen in tal van schepen, treinen, machines, bunkers, tunnels, galerijen, publieke en particuliere waterleidingen en met name gebouwen, waaronder tal van openbare gebouwen.

2.2.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) worden er alleen al in de EU jaarlijks tussen de 20  000 en 30  000 gevallen van asbestgerelateerde ziekten vastgesteld en zullen er tot 2030 in de EU (3) naar verwachting meer dan 3 00  000 burgers sterven als gevolg van een mesothelioom. Verder sterven er naar schatting wereldwijd jaarlijks 1 12  000 mensen aan asbestgerelateerde ziektes (4).

2.3.

Het asbestverbod in heel Europa (5) (1999, moet vóór 2005 ten uitvoer worden gelegd) en het bestaande markttoezicht kunnen niet voorkomen dat asbesthoudende producten worden ingevoerd op de Europese markt. Dit betreft een brede waaier aan producten, waaronder bouwmateriaal, huishoudelijke apparatuur, het binnenwerk van autoremmen of thermosflessen. Dankzij de nieuwe benadering van het Europese systeem voor markttoezicht (6) zou de EU een actie tegen asbesthoudende producten kunnen starten.

2.4.

Op EU-niveau bestaat er een alomvattende asbestwetgeving, zoals een asbestverbod, grenswaarden en een werknemersbescherming. Naast het verbod op het gebruik van en de handel in asbest, zijn er grenswaarden vastgesteld en is er een specifieke EU-richtlijn voor de arbeidsomstandigheden (7) ingevoerd. Ook moeten bedrijven in het bezit van een certificaat zijn en is voorlichting en training van het personeel verplicht. De EU-bepalingen zijn echter meestal van zeer algemene aard en resulteren in uiteenlopende uitvoeringspraktijken. Bovendien ontbreekt het nog aan aspecten zoals specifieke bepalingen voor trainingsniveaus voor de verschillende functies of bepalingen inzake de registratie van asbestbronnen.

2.5.

In dit verband zij erop gewezen dat het Europees Parlement in maart 2013 (8) een initiatiefverslag heeft goedgekeurd waarin de verschillende asbestproblemen en asbestgerelateerde beleidsterreinen uitgebreid worden besproken. Het bevat een lijst met 62 specifieke, aan de Europese en nationale beleidsmakers gerichte verzoeken.

2.6.

We dienen er rekening mee te houden dat de jaarlijkse asbestproductie in de wereld ook nu nog op hetzelfde hoge niveau blijft, ook al bestaat er in veel landen een verbod op het gebruik ervan. De handel in en het gebruik van asbest is eenvoudigweg verschoven van industrielanden naar opkomende landen. De wereldwijd bloeiende handel in asbest weet zich gesteund door een krachtige internationale asbestlobby, die voor zijn propaganda gebruik maakt van de resultaten van onderzoek door inschikkelijke wetenschappers. De Europese financiële investeringen in de asbestindustrie wereldwijd gaan ook nog altijd door. Bovendien blijft Europa asbest exporteren, en wel door schepen met sloopmateriaal naar andere delen van de wereld te sturen. Ook mag niet worden vergeten dat vaartuigen die asbest als lading in doorvoer aan boord hebben, nog altijd kunnen aanmeren en gebruikmaken van havenfaciliteiten of van tijdelijke opslag binnen de Europese Unie.

2.7.

Het is van essentieel belang dat er wat asbest betreft wereldwijd gelijke concurrentievoorwaarden worden geschapen en de EU zou zich in dit verband sterk moeten maken voor een wereldwijd verbod op welke vorm van asbest dan ook. Europa zou zijn kennis inzake de invloed van asbest op de gezondheid, de vervanging ervan door andere stoffen en de veilige verwijdering van asbest moeten delen met andere regio’s in de wereld. Er is een krachtiger EU-engagement in de internationale instellingen nodig om instrumenten voor te stellen waardoor de asbestmarkt als gifhandel kan worden aangemerkt en om de vermelding van chrysotiel in bijlage III van het Verdrag van Rotterdam (9) tot een topprioriteit te maken.

3.   Specifieke ontwikkelingen

3.1.

Volgens een in 2011 gepubliceerd onderzoek (10) is een belangrijk deel van de bestaande gebouwde omgeving in de EU ouder dan 50 jaar. Meer dan 40 % van de woongebouwen dateert van voor de jaren zestig. Er heeft tussen 1961 en 1990 een spectaculaire bouwtoename plaatsgevonden, een periode waarin het woningbestand in bijna alle lidstaten ruimschoots is verdubbeld en asbest op grote schaal is gebruikt.

3.2.

Volgens ditzelfde onderzoek verbruiken gebouwen ongeveer 40 % van alle energie die in Europa nodig is. Gebouwen verbruiken de meeste energie, gevolgd door de vervoerssector met 33 %. Tegelijkertijd heeft de EU afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen vóór 2050 met 80 à 95 % te verminderen als onderdeel van de routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050 (11).

3.3.

Dit betekent dat de renovatie van de gebouwde omgeving in beide opzichten een aanzienlijk potentieel biedt voor de bevordering van de energieprestatie van gebouwen, waarmee de doelstellingen van de EU-routekaart voor 2050 dichterbij worden gebracht en een uitgelezen kans wordt geboden voor de verwijdering van asbest.

3.4.

Dit vergt echter een gecoördineerde aanpak en nauwe samenwerking op zowel EU- als nationaal niveau in termen van beleid en financiële regelingen. Ook zijn er innovatieve financiële instrumenten nodig om particuliere investeringen aan te trekken.

3.5.

In dit verband wordt van de EU verwacht dat ze een ondersteunende en coördinerende rol speelt. Bijkomende zaken als training van het personeel, registratie en de erkenning van asbestgerelateerde ziektes zijn beleidsterreinen die beter dienen te worden gecoördineerd.

4.   Ontwikkelingen op nationaal niveau

4.1.

Ondanks het verbod zijn er nog altijd miljoenen tonnen asbest in gebouwen aanwezig en nog niet alle lidstaten hebben registers ingevoerd voor de plaatsen waar het asbest zich bevindt en van de hoeveelheden asbest die nog moeten worden verwijderd. Het ontbreekt dus aan een geschikt startpunt voor de juiste behandeling van alle overblijvende asbesthaarden in Europa.

4.2.

Polen is momenteel het enige land waar een nationaal programma voor de verwijdering van alle nog aanwezige asbest is gelanceerd en waarvan de kosten tot in 2030 op 10 miljard EUR worden geschat, met een duidelijk tijdschema en de bijbehorende financiering afkomstig van een mix van openbare (nationale overheid, EU-programma’s) en particuliere actoren (eigenaren, territoriale verenigingen enz.). Dit soort initiatieven dient in alle EU-landen te worden opgestart (12).

4.3.

In Frankrijk is geconstateerd dat 3 miljoen van de in totaal 15 miljoen sociale woningen asbestgerelateerde problemen hebben; de totale kosten voor de herstelwerkzaamheden zijn geschat op 15 miljard EUR. De geschatte kosten per eenheid zouden tussen de 15  000 en 20  000 EUR bedragen. De ontwikkelingen inzake asbest in de welbekende Montparnasse-toren in Parijs zouden goed in de gaten moeten worden gehouden.

4.4.

In het VK is een campagne aan de gang om alle scholen asbestvrij te maken. Een van de redenen voor die campagne is dat het percentage onderwijzers met een mesothelioom in de VK is toegenomen (13).

4.5.

In Litouwen is in 2012 een door het ministerie van Landbouw ten uitvoer gelegd programma voor de vervanging van asbestdaken opgestart, waarbij de aanvragen afkomstig zijn van dorpsbewoners en het maximumbedrag niet meer mag zijn dan LTL 6  000 (1  740 EUR). De EU en de overheid nemen tot 50 % van de totale projectkosten voor hun rekening.

5.   Opleidingsactiviteiten

5.1.

Een van de grote problemen is het gebrek aan kennis inzake asbest. Veel werknemers worden bij hun beroepswerkzaamheden aan asbest blootgesteld. Dat is vooral het geval in de onderhouds- en decontaminatiesectoren, maar kan ook vele andere werknemers betreffen, zoals dakwerkers, elektriciens, verwarmingsinstallateurs, recyclingwerknemers, coördinatoren voor gezondheid en veiligheid op het werk (OSH) en arbeidsinspecteurs. De bestaande wetgeving bevat reeds een verplichting voor werkgevers om te zorgen voor passende opleiding voor alle werknemers die (kunnen) worden blootgesteld aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen. Met het verbod op het gebruik van de verschillende soorten materiaal verdwijnt geleidelijk de kennis inzake risico’s en (visuele) kenmerken. Hoewel tal van lidstaten sloop-, bouw- en onderhoudspersoneel en andere werknemers die zich met de verwijdering van asbesthoudende materialen bezighouden, dienovereenkomstig hebben geschoold, ontbreekt het nog altijd aan toereikende normen die in heel Europa kunnen worden toegepast.

5.2.

Fysieke integriteit is een fundamenteel mensenrecht, dat onder meer in het Handvest voor grondrechten is verankerd. Het EU-beleid dient dusdanig te worden geformuleerd dat dit recht wordt beschermd. Dit betreft in de eerste plaats het beleid inzake volksgezondheid en beleid inzake veiligheid en gezondheid op het werk, maar ook andere beleidsterreinen die een link hebben met de blootstelling aan asbest en asbestverwijdering.

5.3.

Verder is het van belang dat bouwkundig ingenieurs, architecten en werknemers van bedrijven die niet in asbestverwijdering zijn gespecialiseerd, over de adequate kennis kunnen beschikken. Het EESC verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten een werkgroep op te richten voor de ontwikkeling van minimale asbestspecifieke kwalificaties en om minimale asbestspecifieke kwalificaties te formuleren voor de training van deze vaklieden.

5.4.

De Europese sociale partners uit de bouwindustrie (het FIEC of Internationaal Europees Verbond van het Bouwbedrijf en de EFBWW of de Europese Bond van Bouw- en Houtarbeiders) hebben dit probleem aangepakt door Asbest-Informatiemodules (14) te ontwikkelen voor de tweede categorie werknemers. In het kader van het ABClean — Leonardo Da Vinci-project (dat buiten het kader van de sociale dialoog valt maar ook door de EU wordt gefinancierd) wordt specifiek „train the trainer”-lesmateriaal ontwikkeld (15).

6.   Resultaten van de hoorzitting in kleine samenstelling

6.1.

Er zijn te veel mensen in Europa die aan verschillende asbestgerelateerde ziektes lijden. Veel van deze ziektes zijn opgelopen op de werkplek, maar lang niet allemaal. Huisvrouwen die gewoon waren de werkkleding van hun echtgenoten wassen, werden ook aan asbestvezels blootgesteld, evenals hun kinderen. Dankzij een campagne in de VK is ontdekt dat 80 % van alle scholen nog altijd besmet is met asbest. Dit kan gemakkelijk uitgroeien tot een nieuwe generatie asbestslachtoffers, zeker gezien het laatste wetenschappelijke onderzoek inzake blootstellingsniveaus en incubatieperioden en de ontwikkeling van ziektes. Ook de blootstelling aan een hele lage dosis asbest kan, in combinatie met een lange incubatieperiode, tot verschillende asbestgerelateerde ziektes leiden. De blootstelling aan asbest vormt derhalve in verschillende lidstaten een bedreiging voor de volksgezondheid.

6.2.

Door de zeer lange incubatietijd en de deels gebrekkige kennis van medisch personeel krijgen slachtoffers daarnaast vaak geen tijdige en adequate hulp en informatie van zorgverleners.

6.3.

Veiligheid is een belangrijke voorwaarde voor elk asbestverwijderingsplan. Indien dit aspect wordt verwaarloosd, zal er onverwachte blootstelling plaatsvinden. Zo werd in Zwitserland de hoogste blootstelling aan asbest in de recyclingsector gemeten.

6.4.

Een goed functionerend markttoezicht is een eerste voorwaarde om te voorkomen dat nieuwe asbesthoudende materialen op de Europese markt komen, en om zo burgers en werknemers te beschermen.

6.5.

Gezien het dodelijke karakter van alle vormen van asbest, is er een solide draagvlak voor het EU-optreden. In Richtlijn 1999/77/EG wordt gesteld dat „er nog geen drempelwaarde voor blootstelling is bepaald beneden welke chrysotiel niet carcinogeen is” en dat „de menselijke gezondheid doeltreffend kan worden beschermd door een verbod op het gebruik van chrysotielasbestvezels en producten die deze bevatten”.

6.6.

In veel gevallen leidt een aan asbest gerelateerde ziekte tot een bijzonder pijnlijk en langdurig sterfbed. In een EUROGIP-rapport (16) en het rapport van een gezamenlijk project van EFBWW, EVV en IBAS wordt uiteengezet welke de stand van zaken is t.a.v. de erkenning en vergoeding van asbestgerelateerde ziektes in Centraal- en Oost-Europese lidstaten (17). Hoewel de meest relevante asbestgerelateerde ziektes in principe in de meeste lidstaten zijn erkend, moeten slachtoffers nog al te vaak en zonder succes vechten voor de erkenning ervan.

Uit bovengenoemde rapporten blijkt eveneens dat er grote verschillen bestaan inzake de nationale maatregelen en procedures rond erkenning en vergoeding. Vaak wordt niet de nodige ondersteuning en begeleiding geboden aan de slachtoffers.

Brussel, 18 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Poolse minister voor Economische zaken: Programma voor asbestverwijdering in Polen 2009-2032 — Bijlage bij resolutie no. 39/2010 van de Raad van ministers van 15 maart 2010.

(2)  Richtlijn 1999/77/EG.

(3)  http://www.who.int/mediacentre/factsheets/fs343/en/

(4)  http://www.efbww.org/pdfs/Presentation%20Mr%20Takala.pdf

(5)  Richtlijn 1999/77/EG.

(6)  http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2013:0075:FIN:NL:PDF; COM(2013)75 final, zie met name artikel 12.

(7)  Richtlijn 83/477/EEG van 19 september 1983, gewijzigd door Richtlijn 91/382/EEC van 25 juni 1991 en gewijzigd door Richtlijn 98/24/EC van 7 april 1998.

(8)  Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2013 over aan asbest gerelateerde bedreigingen voor de gezondheid op de werkplek en vooruitzichten op afschaffing van alle bestaande vormen van asbest (2012/2065(INI))

(9)  Het Verdrag is op 24 februari 2004 in werking getreden en de doelstellingen ervan zijn: gedeelde verantwoordelijkheid en samenwerking tussen de partijen in de internationale handel in gevaarlijke chemische stoffen te bevorderen, ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen mogelijke schade; bij te dragen aan een milieuverantwoord gebruik van deze gevaarlijke chemische stoffen door de uitwisseling van gegevens over hun eigenschappen te vergemakkelijken, door te voorzien in een nationale besluitvormingsprocedure betreffende de in- en uitvoer ervan en door de betrokken besluiten aan de andere partijen mee te delen. http://www.pic.int/TheConvention/Overview/TextoftheConvention/tabid/1048/language/en-US/Default.aspx

(10)  BPIE (Buildings Performance Institute Europe), Europe’s buildings under the microscope, oktober 2011.

(11)  Richtlijn 2010/31/EG van 17 mei 2010.

(12)  Bijlage bij Resolutie nr. 39/2010 van de Raad van ministers van 15 maart 2010.

(13)  http://www.asbestosexposureschools.co.uk/pdfnewslinks/INCREASING%20MESOTHELIOMA%20DEATHS%20AMONGST%20SCHOOL%20STAFF%20AND%20FORMER%20PUPILS%20%2017%20JAN%2015.pdf

(14)  http://www.efbww.org/default.asp?Issue=Asbestos&Language=EN en: http://www.fiec.eu/en/library-619/other-publications.aspx

(15)  http://www.abcleanonline.eu/Project.aspx

(16)  http://www.eurogip.fr/en/publications-d-eurogip/130-asbestos-related-occupational-diseases-in-europe-recognition-statistics-specific-systems

(17)  http://www.efbww.org/default.asp?Issue=Asbestos diseases&Language=EN


31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/19


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de vorderingen in de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie en de verwezenlijking van de betreffende doelstellingen vóór 2020

(door het Letse EU-voorzitterschap aangevraagd verkennend advies)

(2015/C 251/04)

Algemeen rapporteur:

Etele BARÁTH

In een brief d.d. 25 september 2014 heeft waarnemend minister van Buitenlandse Zaken en minister van Binnenlandse Zaken van Letland, Rihards KOZLOVISKIS, het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna „het EESC” genoemd) verzocht om een verkennend advies op te stellen over de

„Vorderingen in de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie en de verwezenlijking van de betreffende doelstellingen vóór 2020”.

Het bureau van het EESC heeft de stuurgroep Europa 2020 op 14 oktober 2014 met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden belast.

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het EESC tijdens zijn op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 19 februari) Etele BARÁTH aangewezen als algemeen rapporteur en vervolgens onderstaand advies met 184 stemmen vóór en 5 tegen, bij 6 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is het met het Letse EU-voorzitterschap eens dat herziening van de Europa 2020-strategie fundamenteel is om het Europese concurrentievermogen te stimuleren. Het is goed dat er een rechtstreeks verband wordt gelegd tussen een betere Europese concurrentiepositie en het vlaggenschipinitiatief Digitale Agenda voor Europa (1) en dat er ook aandacht is voor de enorme gevolgen daarvan voor het bedrijfsleven, de arbeidsmarkt en de samenleving in haar geheel, die door de Commissie en de Raad onderschat zijn geweest. Er is een overkoepelende visie voor de middellange en lange termijn nodig en de burgers moeten meer het gevoel krijgen zelf aan het succes van de strategie te kunnen bijdragen.

1.2.

De in dit advies voorgestelde maatregelen moeten eraan bijdragen dat de Europa 2020-strategie (en daarna de Europa 2030-strategie) geleidelijk, gedurende een periode van meerdere jaren, het centrale, onderliggende concept wordt van de economische, sociale en territoriale EU-strategieën voor de lange termijn, rekening houdend met de verschillen tussen de lidstaten.

1.3.

De financiële crisis heeft ingrijpende consequenties gehad voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en legde beperkingen op aan de doeltreffendheid, geschiktheid en legitimiteit van de streefcijfers en het governancemodel. In het algemeen staat de EU nu veel verder af van de Europa 2020-doelstellingen dan in 2010. De strategie heeft te lijden gehad onder de crisis.

1.4.

De huidige situatie is in detail beschreven in de door de Commissie gepubliceerde analyse van de tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie en in het advies van het EESC daarover (2). Dat advies omvat een aantal interessante punten waarmee rekening moet worden gehouden in de toekomstgerichte aanpassingen die in de herziene strategie zouden moeten worden doorgevoerd. Het EESC heeft meermaals onderstreept dat Europa geen volledig nieuwe strategie nodig heeft, maar wel een veel doeltreffendere.

1.5.

Het werkprogramma van de nieuwe, in het najaar van 2014 aangetreden Commissie is getiteld „Een nieuwe start voor Europa” (3).

Het EESC kan zich vinden in de drie pijlers van dat werkprogramma:

a)

het herstel van de Europese economie en de werkgelegenheid een extra impuls geven;

b)

duurzaam concurrentievermogen op strategische terreinen stimuleren;

c)

het menselijk kapitaal en de fysieke infrastructuur in Europa versterken met de nadruk op Europese dwarsverbanden.

1.6.

Het nieuwe werkprogramma gaat over de implementatie van de tien beleidsrichtsnoeren die de prioriteiten van Commissievoorzitter Jean-Claude JUNCKER vormen. Dat is zeer relevant omdat een aantal daarvan de uitvoering van de Europa 2020-strategie direct ten goede komt:

a)

een investeringsplan voor Europa (4); instelling van een nieuw risicodragend Europees Fonds voor strategische investeringen;

b)

een ambitieus maatregelenpakket voor de digitale interne markt;

c)

de eerste stappen richting een energie-unie.

1.6.1.

Er is een globale visie nodig, samen met een strategie voor de invulling daarvan, alsmede grootschalige voorlichting erover. Het EESC vindt dat de Europa 2020-strategie en het investeringsplan veel nauwer met elkaar moeten worden verbonden.

1.6.2.

Het EESC gaat momenteel in het kader van een advies (5) na in hoeverre het investeringsplan de voornaamste tekortkomingen van de Europa 2020-strategie verhelpt en de nieuwe financiële instrumenten de kans vergroten dat de doelstellingen ervan worden verwezenlijkt.

1.6.3.

Het EESC is voorstander van een verbetering van het maatregelenpakket voor de digitale interne markt (6) omdat daarmee een beslissende stap wordt gezet richting de uitvoering van het digitale vlaggenschipinitiatief van de Europa 2020-strategie. Het veiligstellen van de digitale toekomst van de EU is fundamenteel voor het concurrentievermogen van de Europese economie en doorslaggevend voor de duurzame ontwikkeling van een milieuvriendelijke Europese samenleving. Het EESC dringt aan op maatregelen waardoor de sterke groei van het aantal digitale toepassingen ook positief uitpakt op de arbeidsmarkt.

Verder spreekt het nogmaals zijn steun uit voor de toekenning van middelen ter compensatie van de bezuinigingen op de uitrol van breedband en digitale netwerken, waartoe de Europese Raad bij de vaststelling van het meerjarig financieel kader 2014-2020 heeft besloten (7).

1.6.4.

Het EESC herbevestigt zijn standpunt over de bevordering van een gemeenschappelijk Europees energiebeleid, dat gebaseerd zou moeten zijn op uitgangspunten als die van de wegwerking van verschillen in energieprijzen, de verbetering van de randvoorwaarden voor de interne energiemarkt, de vermindering van de energieafhankelijkheid van derde landen en de stimulering van het gebruik van duurzame energie.

2.   Analyse van de belangrijkste gevolgen voor de toekomstige stappen om de uitvoering van de Europa 2020-strategie te verbeteren

2.1.

In de eind 2014 verschenen jaarlijkse groeianalyse (JGA) (8) wordt het nieuwe ontwikkelingsplan, dat essentieel is voor de toekomst van de EU, formeel in aanmerking genomen. De belangrijkste doelstellingen van het Europees semester, de nationale hervormingsprogramma’s en de Europa 2020-strategie zouden m.b.v. een langetermijnvisie uiteindelijk op elkaar moeten worden afgestemd:

2.1.1.

een gecoördineerde impuls voor investeringen, op basis van het investeringsplan voor Europa:

a)

doel is om op EU-niveau ten minste 315 miljard EUR aan extra financiering aan te trekken voor investeringen in infrastructuur; de vooruitgang die daarmee wordt geboekt zal naar verwachting grote sociaaleconomische voordelen opleveren;

b)

maatregelen om ervoor te zorgen dat financiering de reële economie bereikt;

c)

verbetering van het investeringsklimaat;

d)

bevordering van een innovatief stelsel van medefinanciering;

2.1.2.

een hernieuwde verbintenis tot structurele hervormingen;

2.1.3.

streven naar budgettaire verantwoordelijkheid;

2.1.4.

een optimale benutting van de flexibiliteit van bestaande regels;

2.1.5.

een essentiële stroomlijning van het governancesysteem om het doeltreffender te maken en het gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid van de lidstaten en de EU te vergroten.

3.

Er wordt de laatste hand gelegd aan de aanpassing van de operationele programma’s die zijn opgesteld op basis van de partnerschapsovereenkomsten tussen de Commissie en de lidstaten. Aangezien het „Nieuwe start”-programma onvermijdelijk gevolgen zal hebben voor de diverse nationale programma’s, zowel wat doelstellingen als instrumenten betreft, zal de tot nu toe gevoerde Europese coördinatie moeten worden geïntensiveerd.

3.1.

De relevantie, efficiëntie en doelmatigheid van de wijze waarop de Structuur- en Cohesiefondsen worden gebruikt, hebben grote invloed op de uitvoeringskaders voor de nieuwe financiële en rechtsinstrumenten. Het EESC stelt voor dat een overzicht wordt opgesteld van de investeringen in de infrastructuur- en economische-ontwikkelingsprogramma’s die met deze fondsen worden gesteund, en dat daarbij voor afstemming op het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) (9) wordt gezorgd.

3.2.

Om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te kunnen halen, is het essentieel dat de doelen van het investeringsplan en het EFSI worden gerealiseerd, de hefboomwerking van de EU-fondsen voor 2014-2020 wordt vergroot en de waarde van innovatieve financiële instrumenten wordt verdubbeld.

3.3.

Het EESC, het Comité van de Regio's en leden van het Europees Parlement hebben een aantal opties gepresenteerd om gedurende een overgangsperiode bepaalde tegemoetkomingen te doen teneinde meer middelen vrij te maken en aldus Europese investeringen te stimuleren. Er zou over moeten worden nagedacht hoe de medefinanciering door de lidstaten van structurele fondsen voor sociale langetermijninvesteringen (m.n. in het onderwijs) uit de berekening van het tekort van die lidstaten kan worden weggelaten zonder de regels aan te passen, in overeenstemming met de benadering van de Commissie. Het EESC staat achter de discussie die momenteel in de Commissie wordt gevoerd over de toepassing van de financiële „gulden regel”, ofwel over de mogelijkheid om, met inachtneming van de budgettaire regels van de EMU, op de toekomst gerichte overheidsinvesteringen niet mee te rekenen bij de bepaling van het nettotekort van een land (10).

3.4.

In financieel opzicht is het belangrijk dat er een alomvattende aanpak wordt gevonden voor de verschillende soorten uitgaven, zoals het medefinancieringssysteem voor de trans-Europese netwerken (11) en de Connecting Europe Facility (12), en de mede uit het EFSI gefinancierde nationale investeringen. De Commissie moet hierover meer duidelijkheid scheppen.

3.5.

Wat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie betreft, is het niet alleen belangrijk dat het concurrentievermogen op de lange termijn verbetert, maar ook dat de structuurfondsen meer worden benut voor de uitvoering van sociale of milieuprogramma’s, waarmee ook een duurzame ontwikkeling wordt bevorderd die „verder gaat dan het bbp” (13). Dankzij de extra financieringsmogelijkheden zal nog meer aandacht worden geschonken aan „productiegerichte” ontwikkeling en beleidsterreinen die maatschappij, gezin en individu ten goede komen, zoals onderwijs en gezondheidszorg.

4.

Het EESC is ervan overtuigd dat een herziene en verbeterde Europa 2020-strategie een sleutelrol kan spelen bij de implementatie van een nieuwe, op meer concurrentievermogen en ontwikkeling gerichte, Europese economische governance.

4.1.

Vanwege de verschuivende prioriteiten en om een succesvolle uitvoering van de Europa 2020-strategie te garanderen, zou het nuttig zijn als „één loket” voor adequate coördinatie en rationalisering van taken en procedures zou kunnen zorgen, ook t.a.v. de EU-agentschappen.

4.2.

Het overwegen waard is het creëren van „één loket” (of het daartoe omvormen van een bestaande instantie) om de samenwerking tussen agentschappen en de coördinatie tussen de reële economie en de pan-Europese en nationale/regionale niveaus te leiden en te monitoren. Aldus zouden overlappingen kunnen worden voorkomen en zou meer synergie kunnen worden gecreëerd.

5.   Maatregelen om de Europese economische governance te verstevigen

5.1.

Omdat er in het beheer van de Europa 2020-strategie nauwelijks verbanden worden gelegd tussen de korte- en langetermijndoelstellingen, zijn minimaal de volgende maatregelen nodig:

5.1.1.

In de JGA de vooruitgang vermelden die met de Europa 2020-strategie is geboekt:

a)

in het Europees semester meer aandacht schenken aan met name de verbetering van het concurrentievermogen, de buitenlandse en overheidsschuld, en uitvoering;

b)

uitgaven uit het EU-Cohesiefonds baseren op de nationale hervormingsprogramma’s, overeenkomstig het Europees semester;

c)

fiscale integratie verdiepen en belastingfraude intensiever bestrijden;

d)

monitoring baseren op duidelijke indicatoren en benchmarks, waaronder die welke „verder gaan dan het bbp”.

5.1.2.

De zeer uiteenlopende situaties in de lidstaten vragen om flexibiliteit bij beoordelingen en heldere doelstellingen en gerichte instrumenten in de landenspecifieke aanbevelingen, bijvoorbeeld:

a)

structurele hervormingen in de publieke sector om ervoor te zorgen dat die sector een basisgarantie voor de levenskwaliteit blijft;

b)

verbetering van het ondernemingsklimaat om kapitaal aan te trekken;

c)

bevordering van investeringen in infrastructuur;

d)

verbetering van de toegang tot financiering voor het mkb;

e)

schepping van de noodzakelijke voorwaarden voor een vlotte energietransitie;

f)

versterking van het onderwijs;

g)

hogere participatiegraad en lagere werkloosheid in de EU als geheel (14);

h)

verkleining van sociale verschillen binnen en tussen lidstaten, met bijzondere aandacht voor de situatie van minderheden;

i)

bestrijding van armoede en stimulering van het bbp;

j)

versterking van de sociale samenhang en terugdringing van ongelijkheid door solidariteit, sociale dialoog en collectieve onderhandelingen.

6.   Het concept „groei” verfijnen:

a)

combineren met het concept „duurzaam concurrentievermogen”;

b)

beleid aannemen ter bevordering van nieuwe welvaart en milieubescherming (15);

c)

invoeren van een nieuwe Europese indicator voor arbeidsmarktontwikkelingen bij het creëren van echt nieuwe banen op EU-niveau.

7.   De Digitale Agenda voor Europa

7.1.

Het EESC is het met de Commissie eens dat de digitale technologieën tot nieuwe productiemethoden en diensten leiden en onze manier van leven, werken en leren veranderen (16). De bijdrage van het EESC aan de tenuitvoerlegging van het vlaggenschipinitiatief Digitale Agenda voor Europa (17) en de speerpunten voor een ambitieuze interne digitale markt omvatten de volgende voorstellen:

 

Op economisch gebied

a)

de digitale toekomst van de EU actief vormgeven;

b)

de digitalisering veralgemeniseren en digitale mislukkingen op nationaal en EU-niveau proberen te voorkomen;

c)

de economie digitaliseren en onderzoek en innovatie stimuleren;

 

Op sociaal gebied

d)

het onderwijs over digitale technologieën fors uitbreiden om van Europeanen ontwerpers en producenten van digitale inhoud te maken;

e)

aan de behoefte aan gekwalificeerd ICT-personeel voldoen;

f)

de voorwaarden scheppen voor een bloeiende digitale economie en samenleving door de regelgeving op telecommunicatiegebied te verstevigen;

g)

het algemene wet- en regelgevingskader herzien om stabiele voorwaarden te creëren voor (startende) ondernemingen;

h)

de digitale sector erkennen als dienst van algemeen economisch belang;

 

Op digitaal gebied

i)

e-inclusie en universele, gelijke toegang tot breedbandinternet bevorderen;

j)

de regels vereenvoudigen voor consumenten die online winkelen en digitale producten kopen, en met meer veiligheidsmaatregelen hun vertrouwen vergroten;

k)

grensoverschrijdende e-handel verbeteren;

 

Op veiligheidsgebied

l)

digitale technologieën benutten om mens en milieu te beschermen;

m)

het wetgevingsproces versnellen op basis van een ethische benadering en daarbij zorgen voor meer consumentenbescherming;

n)

copyrightregels bijwerken;

o)

de cyberveiligheid verbeteren ter bescherming van de rechten en vrijheden van de burgers (EU-Handvest van de grondrechten (18));

p)

kinderen en kwetsbare gebruikers beschermen tegen cybercriminaliteit.

7.2.

De ontwikkeling van de digitale technologie en de sterke groei van het aantal digitale toepassingen leidt in vrijwel alle economische sectoren tot veranderingen die het karakter hebben van verregaande herstructureringen. De burgers hebben daarmee niet alleen als consumenten, maar vooral ook als werknemers te maken. Op de werkplek gaan digitale technologieën behalve met meer autonomie en flexibiliteit ook gepaard met een steeds groter wordende druk om naar optimale efficiëntie te streven, die voor de betrokkenen aanzienlijke kosten en zelfs baanverlies tot gevolg kan hebben. Het EESC vindt het een ernstige tekortkoming dat deze kwestie in bijna alle initiatieven van de Digitale Agenda voor Europa buiten beschouwing is gelaten, en dringt in dit verband aan op een mentaliteitsverandering en zal zich hierover uitspreken in een initiatiefadvies (19).

8.   Een nieuwe, op ontwikkeling gerichte economische governance

8.1.

Maatregelen ter bevordering van een op ontwikkeling gerichte governance:

a)

de governance op Europees en nationaal niveau verstevigen;

b)

de noodzaak van de Europa 2020-strategie herbevestigen door die strategie compatibeler te maken met het in het kader van de EU-strategieën gevoerde beleid;

c)

de economische coördinatie binnen de Europese governance uitbreiden door de op ontwikkeling gerichte institutionele en financiële kaders ervan te versterken;

d)

de strategische langetermijncoördinatie binnen de Europa 2020-strategie ook in de toespitsings- en uitvoeringsfasen versterken;

e)

omvangrijke territoriale effectbeoordelingen van de hernieuwde Europa 2020-strategie uitvoeren;

Schema: Ontwikkelingsgerichte governance — om het schema te bekijken, volg deze link:

http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.europe-2020-opinions.34752

f)

de waardeketen versterken met horizontale en sectorale beleidsmaatregelen;

g)

territoriale samenwerking bevorderen;

h)

de governance verstevigen door samenwerking met het maatschappelijk middenveld;

i)

erkennen dat het EESC een grote rol kan spelen bij de coördinatie van de meerlagige samenwerking tussen spelers uit de reële economie, sociale partners en overheden.

9.

Randvoorwaarden voor een „goede” op ontwikkeling gerichte governance:

a)

vaste capaciteit voor strategische planning;

b)

uitvoeringscapaciteit voor betere coördinatie en samenwerking;

c)

een alomvattend systeem voor de monitoring van zowel planning als uitvoering;

d)

een betrouwbare databank die specifiek gericht is op de geformuleerde doelstellingen, met de nodige analytische capaciteit;

e)

adequate communicatiemiddelen;

f)

het noodzakelijke aanpassingsvermogen;

g)

transparante activiteiten om te garanderen dat rekenschap kan worden afgelegd.

Brussel, 19 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Voor de „Digitale Agenda voor Europa”, zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/digital-agenda/

(2)  EESC-advies „Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (PB C 12 van 15.1.2015, blz. 105-114).

(3)  Voor het werkprogramma „Een nieuwe start voor Europa”, zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/priorities/docs/pg_nl.pdf

(4)  Voor het „Investeringsplan”, zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/priorities/jobs-growth-investment/plan/index_en.htm

(5)  Zie het advies van het EESC over het investeringsplan voor Europa, (ECO/374) (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(6)  Voor het maatregelenpakket voor de digitale interne markt, zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/priorities/digital-single-market

(7)  Tijdens de onderhandelingen over het MFK werd 8,2 miljard EUR gekort op het onderdeel breedband van de Connecting Europe Facility, zodat daar nog maar 1 miljard EUR voor overblijft.

(8)  Voor de jaarlijkse groeianalyse 2015, zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/europe2020/making-it-happen/annual-growth-surveys/index_nl.htm

(9)  Voor het Europees Fonds voor strategische investeringen, zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/priorities/jobs-growth-investment/plan/index_en.htm

(10)  Zie het advies van het EESC over de effecten van sociale investeringen (PB C 226 van 16.7.2014, blz. 21).

(11)  Voor de trans-Europese netwerken, zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/transport/infrastructure/tentec/tentec-portal/site/index_en.htm

(12)  Voor de „Connecting Europe Facility”, zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/digital-agenda/en/connecting-europe-facility

(13)  EESC-advies „Het bbp en verder — De rol van maatschappelijke organisaties bij de vaststelling van aanvullende indicatoren” (PB C 181 van 21.6.2012, blz. 14).

(14)  EESC-advies „Naar een banenrijk herstel” (PB C 11 van 15.1.2013, blz. 65).

(15)  Zie de artikelen 191 en 192 van het Verdrag van Lissabon.

(16)  EESC-advies „De impact van zakelijke diensten in het bedrijfsleven” (PB C 12 van 15.1.2015, blz. 23).

(17)  Verkennend EESC-advies „De digitale sector als aanjager van groei” (PB C 229 van 31.7.2012, blz. 1).

(18)  http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_nl.pdf

(19)  Zie het advies van het EESC over de gevolgen van de digitalisering voor de dienstensector en de werkgelegenheid — CCMI/136 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

505e zitting van het EESC van 18 en 19 februari 2015

31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/25


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de EU-strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer: risico’s aanpakken, veiligheid van de toeleveringsketen vergroten en handel vergemakkelijken

(COM(2014) 527 final)

(2015/C 251/05)

Rapporteur:

Bernardo HERNÁNDEZ BATALLER

Corapporteur:

Jan SIMONS

De Commissie heeft op 1 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de EU-strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer: risico’s aanpakken, veiligheid van de toeleveringsketen vergroten en handel vergemakkelijken”

COM(2014) 527 final.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 18 februari 2015) onderstaand advies uitgebracht, dat met 141 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is ingenomen met de mededeling van de Commissie over de strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer. Om de strategie correct te kunnen uitvoeren moeten de douaneautoriteiten niet alleen onderling samenwerken, maar ook met de overheden (onder meer de diensten die bevoegd zijn voor gezondheid en consumptie, en de veiligheidsdiensten via justitiële samenwerking).

Wat telt is dat de douanewetgeving van de EU daadwerkelijk wordt toegepast en dat de in het EU-recht vastgelegde samenwerkingsmechanismen naar behoren functioneren.

1.2.

Voor een integraal risicobeheer door de douane is ook bij de uitvoering van andere beleidsmaatregelen harmonisatie en overeenstemming vereist. De afzonderlijke landen beschikken al over officiële gegevens ter zake; deze moeten ter beschikking worden gesteld van alle lidstaten en er moet informatie worden uitgewisseld, met name waar het gaat om officiële gegevens inzake ernstige risico’s.

1.3.

Bij de uitwerking en aanvulling van haar eigen regels moet de EU zich baseren op de normen van het Risk Management Compendium en andere normen van de Werelddouaneorganisatie (WDO), zodat de EU-douanewetgeving grotendeels strookt met de bestaande normen ter zake.

1.4.

Volgens doelstelling 3 van het actieplan moet duidelijk worden aangegeven wie, wanneer en waar moet worden gecontroleerd; het is dan ook wenselijk dat de Commissie de risico’s in kaart brengt en een rangorde opstelt. Een dergelijke maatregel is van groot belang en zou prioriteit moeten krijgen.

1.5.

Aangezien de uniforme toepassing van de EU-douanewetgeving op de eerste plaats komt, is ook doelstelling 5 van het actieplan van groot belang. De hele strategie draait namelijk om de bevordering van de samenwerking op alle niveaus tussen de nationale uitvoerings- en opsporingsinstanties en de uitwisseling van informatie tussen nationale douanediensten en de EU.

1.6.

Het EESC wil erop wijzen dat bij de uitwerking van de strategie rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie op douanegebied in de verschillende lidstaten; het gaat dan onder meer om de omvang van de handelsstromen, de hoeveelheden en de praktijken; belangrijk daarbij is wel dat de maatregelen compatibel zijn en dat de beginselen en wetgeving van de EU worden nageleefd.

1.7.

In de mededeling wordt veel belang gehecht aan de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten. Het EESC onderschrijft die visie maar wil ook wijzen op het belang en de mogelijke rol van andere bij de strategie betrokken sociale actoren.

1.8.

Het EESC zou graag zien dat proefprojecten in het veld meer zichtbaarheid krijgen, iets wat de Commissie niet expliciet aankaart. Alle partijen zouden daardoor nauwer bij een en ander worden betrokken en er zouden meer particuliere investeerders worden aangetrokken, wat bevorderlijk zou zijn voor innovatie en dus ook voor de strategie van de Commissie.

2.   Inleiding

2.1.

Risicobeheer is een basisprincipe van de moderne methoden voor douanecontrole. Douanediensten maken gebruik van analyse- en beoordelingsmechanismen om ervoor te zorgen dat de controleprocedures in het gehele douanegebied doeltreffend verlopen. De procedures moeten voortdurend worden geëvalueerd en, indien nodig, worden aangepast om te voldoen aan nieuwe eisen.

2.2.

Uitgangspunt voor risicobeheer is dat de douanediensten een goede, redelijke balans trachten te bereiken tussen enerzijds fraudebestrijding en anderzijds de noodzaak om legale goederen- en personenstromen zo min mogelijk te hinderen en de kosten zo laag mogelijk te houden.

2.3.

Aangezien het soms onmogelijk is om een behoorlijk deel van de goederen te controleren, wordt in het Safe-programma de basis gelegd voor het stelsel van zogeheten „geautoriseerde marktdeelnemers” (Authorised Economic Operators, AEO), d.w.z. bedrijven die vooraf zijn gecontroleerd en te boek staan als betrouwbare partners op douanegebied. Hiervoor is het noodzakelijk dat de autoriteiten perfect inzicht hebben in de activiteiten van de ondernemer, zich een duidelijk beeld kunnen vormen van zijn bedrijfsprocessen en van het ondernemingsklimaat waarin hij actief is, en permanent toegang hebben tot zijn boekhouding. In artikel 5 bis van Verordening (EG) nr. 648/2005 (1) wordt gedefinieerd wat in de Unie onder „geautoriseerd marktdeelnemer” wordt verstaan. Bedrijven zijn het er onderling over eens dat aan deze voorwaarde moet worden voldaan om goed te kunnen functioneren op de markt.

2.4.

De „douane-unie” is een beleidsterrein waarvoor de Europese Unie, krachtens het VWEU, exclusief bevoegd is, evenals de in- en uitvoerrechten en -procedures. Het beleid op dit terrein geldt als supranationaal recht, gelijk aan primair recht, en is vastgelegd in artikel 28 tot en met artikel 37 van de titel inzake „Het vrije verkeer van goederen”. De douane krijgt tegenwoordig echter ook steeds meer andere taken toebedeeld. We onderscheiden drie grote categorieën, te weten belastingen, veiligheid en het toezicht op de non-tarifaire normen. Een gedeelte daarvan is bijvoorbeeld vastgelegd in artikel 87 VWEU dat betrekking heeft op politiële samenwerking, een gebied dat niet tot de exclusieve bevoegdheden van de EU behoort.

2.5.

In een mededeling van de Commissie van januari 2013 (2) wordt de invoering van een gemeenschappelijke benadering voor geïntegreerd risicobeheer voorgesteld, op de plaatsen van binnenkomst en vertrek, die kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake:

een betere toewijzing van personele en financiële middelen door ze, waar nodig, te concentreren,

volledige en uniforme toepassing van de communautaire douanewetgeving,

een geïntegreerd samenwerkingssysteem voor overheden-bedrijven-vervoerders,

stroomlijning van praktijken en vermindering van transactietijden en -kosten.

2.6.

Het EESC heeft zich al eerder positief uitgelaten (3) over deze mededeling uit 2013 door te stellen dat een gemeenschappelijke aanpak van het douanerisicobeheer en de beveiliging van de toeleveringsketen van fundamenteel belang zijn om te kunnen zorgen voor een uniforme en niet-discriminerende toepassing van de EU-wetgeving door alle belanghebbende autoriteiten op het gehele grondgebied van de douane-unie.

2.7.

In zijn conclusies van 18 juni 2013 verzocht de Raad de Commissie om een coherente strategie inzake risicobeheer en een betere beveiliging van de toeleveringsketen te presenteren. De gemeenschappelijke strategische doelstellingen die de EU nastreeft omvatten de bescherming van de veiligheid en integriteit van de toeleveringsketen en de veiligheid van de burgers, de behartiging van de financiële belangen van de EU en haar lidstaten, en het vergemakkelijken en versoepelen van legitieme handel om de concurrentie te stimuleren.

2.8.

Het huidige herziene douanewetboek, dat bij Verordening (EU) nr. 952/2013 (4) werd aangenomen, betreft niet alleen risicobeheer als specifieke taak van de douane, maar gaat ook over de basis van het systeem, nl. het regelen van het gemeenschappelijk douanetarief en de toezichtfunctie. Door risicobeheer op te nemen in het douanewetboek worden de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de nationale douaneautoriteiten en andere instanties en de Commissie verbeterd, en krijgt deze laatste in bepaalde gevallen zelfs handhavingsbevoegdheden.

3.   De mededeling van de Commissie

3.1.

Deze nieuwe strategie van de Commissie om het douanerisicobeheer in de Europese Unie te verbeteren, die vergezeld gaat van een gedetailleerd actieplan, zal de groeiende handelsstromen en de steeds complexere internationale toeleveringsketen op efficiëntere wijze in goede banen leiden.

3.1.1.

Het actieplan bevat voor elke doelstelling een reeks maatregelen. Met de acties moeten de vastgestelde lacunes worden opgevuld zodat EU-douaneautoriteiten steeds beter en systematischer met andere instanties, marktdeelnemers en internationale handelspartners kunnen samenwerken. Het actieplan bevat verder activiteiten om waar mogelijk de internationale normen en standaarden te ondersteunen en ontwikkelen.

3.1.2.

De Commissie zal streven naar complementariteit en samenhang met lopende, verwante initiatieven, zowel op het gebied van de douane als op andere beleidsterreinen; we denken dan bijvoorbeeld aan initiatieven op het vlak van veiligheid, vervoer en bescherming van intellectuele-eigendomsrechten.

3.2.

De douane maakt gebruik van risicobeheer om effectieve en efficiënte controles uit te kunnen voeren, onnodige verstoring van de legitieme handel te vermijden en middelen efficiënt te gebruiken. Op deze manier kunnen middelen en interventies met voorrang worden ingezet daar waar het risico het grootst is.

3.3.

Deze strategie heeft betrekking op het risicobeheer en de controle van goederen die de Unie binnenkomen, de Unie verlaten of door de Unie heen worden gevoerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de goederen, de omvang van het risico en de kosten. Dit houdt in dat het hele spectrum aan dreigingen en risico’s die samenhangen met de goederen en het goederenverkeer, vastgesteld, beoordeeld en geanalyseerd moet kunnen worden.

3.3.1.

De onderliggende beginselen van het EU-douanerisicobeheer van de toeleveringsketen zijn volgens de Commissie:

voorafgaande inschatting van het risico en controles waar nodig,

samenwerking tussen verschillende instanties,

een gelaagde en gecoördineerde aanpak, en

efficiënte besteding van middelen.

3.3.2.

Om het EU-brede risicobeheerkader effectiever en efficiënter te maken, moeten de Commissie en de lidstaten samen een gelaagd risicobeheer uitwerken om de maatregelen te nemen die nodig zijn om onderstaande doelstellingen te verwezenlijken:

het verbeteren van de gegevenskwaliteit en indieningsprocedures,

instaan voor de beschikbaarheid van gegevens over de toeleveringsketen en de uitwisseling van risicorelevante informatie tussen douaneautoriteiten,

de uitvoering, waar nodig, van risicobeperkende en controlemaatregelen,

het versterken van de capaciteit,

het bevorderen van samenwerking tussen instanties en de uitwisseling van informatie tussen douanediensten en andere autoriteiten op het niveau van de lidstaten en de EU,

een betere samenwerking met bedrijven, en

het aanboren van het potentieel dat de internationale douanesamenwerking biedt.

3.3.3.

De Commissie geeft per doelstelling aan welke middelen nodig zijn, zodat de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten er uiteindelijk toe zal leiden dat de nodige maatregelen worden genomen.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC is ingenomen met de mededeling van de Commissie. Een meer gemeenschappelijke aanpak van het douanerisicobeheer en de beveiliging van de toeleveringsketen is van fundamenteel belang om te kunnen zorgen voor juridische zekerheid en een uniforme toepassing van de EU-douanewetgeving. Het vrije verkeer van goederen zal daar wel bij varen.

4.1.1.

Het voorstel is om douane-instrumenten die hecht verankerd zijn onder de nationale autoriteiten, de Commissie en de marktdeelnemers, te versterken en toe te passen, en uit te breiden met de functie risicobeheer. Deze moet reeds bestaande functies — douanetarieven, handelsmaatregelen en statistieken — aanvullen.

4.2.

Het actieplan van de Commissie bevat een aantal doelstellingen en manieren om dit te verwezenlijken. Op die manier krijgt de EU een grotere douanecapaciteit en zullen de douaneautoriteiten systematischer kunnen samenwerken met andere organen (marktdeelnemers of eventueel ook internationale handelspartners).

4.2.1.

De strategie van complementariteit met andere bevoegde autoriteiten die in de toeleveringsketen actief zijn moet duidelijk worden aangegeven. Voor een goede uitwerking van de strategie moeten de douaneautoriteiten — in internationaal verband — meer en efficiënter samenwerken met elkaar, maar ook met andere overheidsinstanties, zoals gezondheidsdiensten en consumentendiensten.

4.2.2.

De zogenoemde „officiële gegevens”, die op nationaal niveau al voorhanden zijn voor de verschillende grenscontroles (zoals gezondheidscontroles — mensen, dieren en gewassen — en controles van geneesmiddelen en cosmetische producten), worden door middel van informaticasystemen beheerd. Aangezien deze gegevens niet centraal beheerd of gedeeld worden zal het systeem worden versoepeld en het werk van de douane worden vergemakkelijkt; dit instrument brengt namelijk goed in beeld in welke schakels van de toeleveringsketen zich problemen met handelswaar (kunnen) voordoen.

4.2.3.

De transnationale dimensie van de dreigingen — en van de oplossingen — maakt duidelijk dat de „officiële gegevens” die op nationaal niveau worden verzameld, ter beschikking moeten worden gesteld van alle lidstaten. Vandaar het voorstel om EU-criteria vast te stellen aan de hand van gemeenschappelijke internationale normen die worden aangepast aan de context van de Unie. Het EESC dringt daarom aan op interoperabiliteit van de gegevens, zodat de in de strategie vastgelegde acties efficiënt kunnen worden uitgevoerd; de transnationale dimensie maakt immers duidelijk dat de „officiële gegevens” die op nationaal niveau worden verzameld, ter beschikking moeten worden gesteld van alle lidstaten.

4.2.4.

Om de administratieve samenwerking te verbeteren is het EESC voorstander van een systeem voor het opsporen van risico’s dat onder meer gebaseerd is op de volgende beginselen:

de maatregelen, criteria en normen inzake risico’s en de wijzigingen daarvan, om nauwkeurig te kunnen nagaan welke risicoproducten onder het douanerisicobeheersysteem (CRMS) zouden moeten vallen, dat is ingevoerd bij Verordening (EU) nr. 952/2013, rekening houdend met systemen voor vroege waarschuwing en regels inzake gegevensbescherming,

verbanden met alle andere relevante regelingen, zoals degene die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 515/1997 van de Raad (5), zijn een goede zaak,

gebruik van de basisbeginselen van het informatiesysteem voor de interne markt (IMI), in de wetenschap dat dit systeem al geëvalueerde instrumenten omvat; afstemmen hiervan op de douane,

de maatregelen/criteria/normen inzake evaluatie van risico’s op het gebied van producten, materiaal, routes, herkomst en andere factoren die op risico’s kunnen wijzen, om met behulp van Taric de meest ernstige risico’s zo goed mogelijk en waar haalbaar in kaart te kunnen brengen.

Bovendien hamert het EESC er nogmaals op dat de douanediensten informatie moeten uitwisselen.

4.2.5.

Wat de onderlinge afstemming van de in de strategie vastgelegde samenwerking betreft moet ook worden gekeken naar beleidsinitiatieven voor de veiligheid van producten, dieren, levensmiddelen en diervoeder, initiatieven voor milieubescherming, en hiermee samenhangende initiatieven op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten. De uitwisseling van gegevens over ernstige problemen op het gebied van de gezondheidszorg, het milieu en de veiligheid en bescherming van burgers is van groot belang.

4.3.

Wat het Risk Management Compendium en andere normen van de Werelddouaneorganisatie (WDO) betreft: de EU zou er goed aan doen deze gemeenschappelijke maatstaven als uitgangspunt voor haar eigen normen te nemen en ze met het oog op haar eigen situatie aan te vullen.

4.4.

Het is een goede zaak dat „geautoriseerde marktdeelnemers’ via AEO-programma’s met het beheer van risico’s worden belast; zij en hun omgeving worden uitvoerig geëvalueerd voordat zij het certificaat krijgen, dat bovendien past binnen het beleid om douaneprocedures te vereenvoudigen.

4.5.

Voor de uitvoering van eventuele risicobeperkende en controlemaatregelen zou de methode die wordt voorgesteld in het Compendium van de Werelddouaneorganisatie in overweging moeten worden genomen.

4.6.

In het kader van de door de Commissie op te stellen rangorde van risico’s, na het nodige en transparante overleg met de nationale deskundigen en na de economische sector te hebben geraadpleegd op grond van de artikelen 50, lid 1, en 284 van het douanewetboek, moet de derde doelstelling van het actieplan concreter geformuleerd worden, zodat duidelijk is op wie, wanneer, op welk moment en waarop het beginsel „Schat vooraf het risico in en controleer waar nodig” precies van toepassing is. In feite moet dit de eerste actie zijn die wordt uitgevoerd, want op die manier is er bij de uitvoering van de andere actieplannen en de evaluatie van risico’s een grotere mate van duidelijkheid en rechtszekerheid.

4.7.

Doelstelling 5 van het actieplan is van groot belang. De hele strategie draait namelijk om de bevordering van de samenwerking tussen instanties en de uitwisseling van informatie tussen nationale douanediensten en de EU, iets wat altijd al hoog op de agenda van het EESC heeft gestaan. Het Comité verwijst kortheidshalve naar zijn aanbevelingen hieromtrent neergelegd in de paragrafen 1.9 en 1.10 alsmede hoofdstuk 4, „Risicobeheer van de toeleveringsketen” van zijn advies van 2013 inzake een beter gestructureerde en systematische samenwerking tussen douane- en andere relevante autoriteiten op de interne markt, en een samenhangende en gecoördineerde uitvoering van de maatregelen uit het actieplan.

4.8.

Het EESC herhaalt dat de strategie voor risicobeheer de toepassing van de douanewetgeving door de lidstaten niet in de weg mag staan; het is de bedoeling dat zij rekening kunnen blijven houden met de omvang van de handelsstromen zonder daarbij de samenhang van het EU-recht uit het oog te verliezen.

4.9.

Het EESC is van oordeel dat het mogelijk is vast te houden aan een hoog niveau van bescherming en tegelijk de nationale maatregelen om de handel te vergemakkelijken, te verscherpen; zo kan de administratieve rompslomp worden verminderd door meer formaliteiten af te handelen zonder papier, en kunnen de procedures en de toekenning van het statuut van „geautoriseerd marktdeelnemer” worden vereenvoudigd.

4.10.

Er moet worden gestreefd naar nauwe samenwerking met andere nationaal beleidsverantwoordelijke ministeries en handhavingsinstanties, onder meer om de lasten, inclusief de administratieve, voor het bedrijfsleven zo laag mogelijk te houden. In dit verband zou het EESC graag zien dat gebruik van de basisbeginselen van het IMI wordt overwogen. Of er nu uiteindelijk gekozen wordt voor harmonisatie of douanesamenwerking of een mengeling van beide, de „beste praktijken” en niet het Europese gemiddelde niveau dienen de basis voor de voorstellen te vormen.

4.11.

Het Comité dringt er bij de strategieopstelling en -uitwerking op aan de binnenkort komende wijziging van Verordening (EG) nr. 515/97 over wederzijdse bijstand douane (voorstel COM(2013) 796) daarin te betrekken vanwege de hechte verwantschap in onderwerpen.

4.12.

Het EESC beklemtoont dat proefprojecten meer zichtbaarheid moeten krijgen en op grotere schaal moeten worden verspreid, om zo de betrokkenen aan te moedigen een grotere rol te gaan spelen. Op die manier kunnen meer privé-investeringen worden aangetrokken, waardoor innovatie een nieuwe impuls zou krijgen, wat de in de mededeling voorgestelde strategie ten goede zou komen.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1.

Bij de in par 3.1.1 vermelde, door de EU Commissie genoemde, activiteiten inzake internationale normen en standaarden zou een normering voor verzegeling, die controle via geautomatiseerde systemen toestaat, kunnen worden bevorderd om ingepast te worden in het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” (Safe).

5.2.

In de strategie wordt niet gesproken over het risico van informatiefraude en „aanleunen/meeliften” op naamsbekendheid (de zogenoemde identity tag). Risicobeheer zou het de douaneautoriteiten ook mogelijk moeten maken om gevallen van informatiefraude en misbruik van een goede reputatie op te sporen, zodat de invoer van vervalste en gevaarlijke producten wordt voorkomen.

5.2.1.

Ofschoon in doelstelling 6 door de Commissie wel aangestipt, roept het Comité op om duidelijker pilotprojecten voor een innovatie in de controlesystemen, uiteraard onder voorwaarden, toe te staan en dan bij bewezen positief resultaat ook de verdere toepassing toe te staan.

5.3.

Volgens de Commissie zal de nieuwe strategie de groeiende handelsstromen en de steeds complexere internationale toeleveringsketen op efficiëntere wijze in goede banen leiden (paragraaf 3.1); er moet dan ook worden gewerkt aan een efficiënter beheer, wat zijn weerslag zal hebben op de verbetering van de toeleveringsketen.

5.4.

Het EESC betreurt dat de Commissie in haar strategie enkel verwijst naar samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie, en de aanbevelingen uit eerdere adviezen inzake de noodzaak van samenwerking met de marktdeelnemers naast zich neer legt.

Brussel, 18 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13); zie ook aanverwante regelgeving, bv. Verordening (EG) nr. 2454/1993 (PB L 253, 11.10.1993, blz. 1).

(2)  COM(2012) 793 final.

(3)  PB C 327 van 12.11.2013, blz. 15.

(4)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269, van 10.10.2013, blz. 1).

(5)  PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1.


31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/31


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde verbrandingsmotoren

(COM(2014) 581 final — 2014/0268 (COD))

(2015/C 251/06)

Afdelingsrapporteur:

Brendan BURNS

Respectievelijk op 12 november 2014 en 19 februari 2015 en in overeenstemming met artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hebben het Europees Parlement en de Raad beslist om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde verbrandingsmotoren”

COM(2014) 581 final — 2014/0268 (COD).

De afdeling Interne markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 18 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 164 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1.

De invoering van testapparatuur en de ontwikkeling van testprocedures voor „de emissieprestatie van in gebruik zijnde motoren” beantwoorden aan een nieuwe visie op zgn. niet voor de weg bestemde mobiele machines. Voordat Richtlijn 97/68/EG per 1 januari 2017 wordt ingetrokken, acht het EESC het raadzaam dat uitvoerige proefprogramma’s worden uitgevoerd voor alle typen motoren en machines om vast te stellen of de vereiste instrumenten kunnen worden geïnstalleerd. Tevens moet worden bekeken of de motor van een machine op een proefstelling moet worden getest als metingen in gemonteerde toestand te moeilijk zouden blijken te zijn.

1.2.

Wegens de grote bezorgdheid vanuit het oogpunt van de volksgezondheid in verband met de nanodeeltjes die bij verbrandingsprocessen vrijkomen en het hoge beschermingsniveau dat bereikt kan worden door de tenuitvoerlegging van de voorgestelde fase V voor motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines, en gezien de consensus tussen vele belanghebbenden, waaronder de motor- en machine-industrie, over het Commissievoorstel, beveelt het EESC aan om de nieuwe verordening onverwijld goed te keuren. Dankzij de intensieve uitwisseling tussen alle betrokkenen (waaronder de industrie en ngo’s) bij de uitwerking ervan wordt in het Commissievoorstel rekening gehouden met de verschillende emissiereductietechnologieën die afhankelijk van cilinderinhoud en verbrandingscyclus voorhanden zijn.

2.   Uitgangspunt

2.1.

Het EESC is ervan overtuigd dat de schadelijke uitstoot van koolmonoxide, stikstofoxide, koolwaterstoffen en deeltjes door motoren van land- en bosbouwtrekkers absoluut moet worden teruggedrongen, wil men een bijdrage leveren aan de door de EU nagestreefde verbetering van de luchtkwaliteit.

2.2.

Het is tevens van mening dat wetgevingsvoorstellen die de volksgezondheid en het milieu beogen te beschermen gebaseerd moeten zijn op degelijke technische, economische en praktische voorstellen.

3.   Achtergrond

3.1.

Onder „niet voor de weg bestemde mobiele machines” valt een groot aantal typen machines en verbrandingsmotoren. Deze verbrandingsmotoren zijn zowel gemonteerd in draagbare apparatuur als in machines op wielen of op sporen, die gebruikt worden in de bouwsector, de landbouw, de mijnbouw, het spoorvervoer, de binnenvaart en vele andere sectoren. De emissiegrenswaarden voor deze motoren zijn momenteel geregeld in Richtlijn 97/68/EG. Bij de wijziging van de richtlijn in 2004 werden voor het laatst nieuwe emissiefasen vastgesteld. Volgens de Commissie zijn die niet langer overeenkomstig de huidige stand van de techniek en kunnen voor de weg bestemde mobiele machines dus de emissiegrenswaarden voor wegvoertuigen (bijv. bussen en vrachtwagens) gaan gelden.

3.2.

Het zal echter het nodige werk en de nodige middelen vergen om de voor wegvoertuigen ontwikkelde technologie geschikt te maken voor niet voor de weg bestemde mobiele machines en motoren. De Commissie stelt daarom voor Euro IV-grenswaarden toe te passen in die gevallen waarin de technologie al tot volle wasdom is gekomen en in de overige gevallen de EPO-grenswaarden te hanteren die nu al in gebruik zijn in de Amerikaanse wet- en regelgeving, die op dit vlak al een aanzienlijk stuk verder staat.

3.3.

In de emissieregelgeving voor wegvoertuigen wordt onderscheiden naar grootte en gelden aparte regels voor motorfietsen, lichte en zware bedrijfsvoertuigen. De voorgestelde voorschriften voor niet voor de weg bestemde mobiele machines en motoren zijn daarentegen algemeen van opzet en zullen van toepassing zijn op vrijwel het hele gamma van machines en apparatuur, met een motorvermogen van nog geen 8 kW tot ca. 3  500 kW. Met andere woorden: voor alle cilinderinhouden, van een fractie van een liter tot meer dan 100 liter per cilinder, gelden dezelfde voorschriften.

3.4.

Voor motoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines gelden andere bedrijfsomstandigheden dan voor die in wegvoertuigen. Bij vrachtwagens die vanuit stilstand beginnen te rijden duurt het enige tijd voordat de motor zijn maximale vermogen bereikt. Bij de meeste niet voor de weg bestemde mobiele machines werkt de motor anders. Daar draait de motor vanaf dat hij aangezet wordt meteen op maximaal vermogen, schakelt daarna in stilstand, om vervolgens opnieuw op maximaal vermogen te draaien en daarna weer in stilstand te schakelen volgens een zich steeds herhalende cyclus. In tegenstelling tot de vrijwel constante toerentallen en vermogensprestaties van wegvoertuigen zijn dit voor de meeste voor de weg bestemde mobiele machines de normale bedrijfsomstandigheden.

3.5.

Bij de aanpassing van motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines moet dan ook rekening wordt gehouden met het volgende:

ontwerpwijzigingen om de motor bestand te maken tegen omstandigheden in niet voor de weg bestemde toepassingen, zoals de — vergeleken met op rechte, egale wegen gebruikte wegvoertuigen — langdurige blootstelling aan een agressievere omgeving met hoge schoksgewijze belasting en trillingen,

de aanpassing van vorm en omvang om in niet voor de weg bestemde mobiele machines te passen en de verplichting om de buitenafmetingen van uitlaatgasnabehandelingssystemen te verkleinen,

de grote verscheidenheid aan werk-/belastingscycli waarin uitlaatgasnabehandelingssystemen efficiënt moeten werken, met o.m. snelle, kortstondige oplaadfases,

de noodzaak om te zorgen voor een juist thermisch en chemisch evenwicht in de uitlaatinrichting voor een efficiënte werking van het uitlaatgasnabehandelingssysteem, onder meer d.m.v. regenererende deeltjesfiltersystemen in allerlei uiteenlopende omstandigheden,

een heroptimalisering van motor en uitlaatgasnabehandelingssystemen om een aanvaardbare transiënte respons te waarborgen en het brandstof- en reagensverbruik te verminderen.

4.   Problemen

4.1.

In de aanbevelingen van de Commissie staat dat „de emissieprestatie van in gebruik zijnde motoren” zal worden gecontroleerd en dat er „proefprogramma’s [zijn] voorgesteld teneinde passende testprocedures te ontwikkelen”. Belangrijk is dat bekeken wordt of de draagbare emissiemeetsystemen geïnstalleerd kunnen worden op een aantal machines die volgens motorfabrikanten als representatief kunnen worden beschouwd voor de machines waarvoor hun producten worden gebruikt. In de voorschriften is geen sprake van permanente installatie op alle machines.

4.2.

Het door de Commissie voorgestelde tijdschema voor de invoering van fase V is alleen realiseerbaar als het wetsvoorstel tijdig wordt goedgekeurd. Indien het besluitvormingsproces ook maar enige wezenlijke vertraging oploopt, zal er geen tijd zijn om de productontwikkeling af te ronden en alle typegoedkeuringen uit te voeren.

Brussel, 18 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/33


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de werking van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) en het Europees systeem voor financieel toezicht (ESFS)

(COM(2014) 509 final)

en over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de taken en de organisatie van het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB)

(COM(2014) 508 final)

(2015/C 251/07)

Rapporteur:

Carmelo CEDRONE

De Commissie heeft op 8 augustus 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de werking van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) en het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS)

COM(2014) 509 final

en over het

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de taken en de organisatie van het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB)

COM(2014) 508 final.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 februari 2015 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 18 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 166 stemmen vóór en 5 tegen, bij 11 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Comité is ingenomen met de bevindingen van de Commissie (1) en onderschrijft de noodzaak om corrigerende maatregelen te nemen ter verbetering van de werking van het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS). Het is voorts van oordeel dat gekeken moet worden naar een systeemaanpak voor de middellange termijn om sneller tot structurele oplossingen te komen die de werkzaamheden van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) optimaal kunnen stroomlijnen. Het Comité acht het van het grootste belang dat het nieuwe toezicht- en regelgevingskader de stabiliteit van het financieel systeem en groei — die in wezen anticyclisch moeten zijn — kan garanderen en een asymmetrische ontwikkeling van het schaduwbankieren kan verhinderen.

1.2.

Het Comité meent dat het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) en de ETA’s doeltreffender moeten worden gemaakt; daartoe moet de regelgevende taak van de ETA’s opnieuw bekeken worden en is concrete toepassing geboden van een kostenbatenanalyse van de structuren, het bestuur en de besluitvorming van het ESRB en de ETA’s. Verder moeten de operationele instrumenten waarover zij beschikken worden verfijnd en de algemene structuur van het ESFS worden gestroomlijnd.

1.3.

Het Comité is van mening dat deze acties hoofdzakelijk gericht moeten zijn op het minimaliseren van het procyclische effect van toezichtwetgeving en de conflicten tussen belangen van de EU en nationale belangen, op een optimale kostenbatenverhouding van de toezichtarchitectuur en op bescherming van de consument tegen oneerlijke praktijken van tussenpersonen. Volgens het Comité zijn er in dit stadium echter nog twee vragen onbeantwoord:

a)

Kan het nieuwe toezichtmechanisme tot zoveel buitensporige regelgeving leiden dat het negatief uitpakt voor de vlotte werking en de beheerskosten van de banken?

b)

Kan het voorts de kans op een nieuwe crisis vermijden of althans beperken, en kan het het financiële stelsel doeltreffender, veiliger en transparanter maken, met behoud van de cliënten/consumenten?

1.4.

Onder verwijzing naar het ESRB en de governance daarvan is het Comité ingenomen met het voorstel van de Commissie om de voorzitter van de ECB hiervan voorzitter te maken, waarbij ook gedacht wordt aan een nieuwe functie van uitvoerend directeur, die operationele taken heeft en het contact onderhoudt tussen de voorzitter en de algemene raad van de ECB, ook rekening houdend met mogelijke belangenconflicten. De vereiste kwantitatieve en kwalitatieve hernieuwde samenstelling van de organen van het ESRB acht het Comité wel mogelijk, maar er is een debat nodig over het behoud van de representativiteit van haar lidstaten in de algemene raad en over de evaluatie van de onafhankelijkheid van de leden van het wetenschappelijk comité.

1.5.

Onder verwijzing naar de functies en processen van het ESRB acht het Comité het onontkoombaar dat er vormen van coördinatie komen tussen het ESRB, de ECB en het SSM, waarin de specifieke kenmerken van de ESRB worden benut, zowel zijn vermogen om ook representatief te zijn voor de landen die de euro niet als munt hebben, als wat betreft zijn bevoegdheid, die is uitgebreid tot het financiële stelsel als geheel. Het EESC is voorstander van een grotere betrokkenheid van het ESRB bij het wetgevingsproces voor relevante gebieden en van nauwere coördinatie met de ETA’s.

1.6.

Voor de ETA’s acht het Comité het nuttig correcties aan te brengen om te zorgen voor de opname van bepalingen die in het belang van de EU zijn; in dat verband is het nodig de ETA’s te voorzien van een bestuur dat zinvol gebruik maakt van raadpleging inter pares en bindende bemiddeling om convergentie van de systemen te waarborgen, alsmede bekrachtiging van een gemeenschappelijke toezichtcultuur.

1.7.

De wetgevende taak van de ETA’s moet gepaard gaan met transparantere processen, ook ten aanzien van de door de overheden bepleite openbare raadplegingen, gericht op grotere betrokkenheid van de vertegenwoordigers van consumenten en werknemers uit de sector. Het Comité meent voorts dat ETA’s meer betrokken moeten worden bij de omschrijving van de primaire wetgeving. Meer coördinatie tussen de ETA’s, en tussen deze autoriteiten en het ESRB, is mogelijk door naderhand de rol van het Gezamenlijk comité op te waarderen.

1.8.

Volgens het Comité is het tijd de structurele en organisatiekosten van de ETA’s te stroomlijnen; die logistieke en functionele stroomlijning moet gepaard gaan met een transparant proces van verantwoording afleggen.

1.9.

Om de economisch-financiële risico’s beter te kunnen voorspellen, acht het Comité het zinvol dat het ESFS zorgt voor doeltreffende interactie met andere nationale en internationale instellingen voor gedeeld beheer van systeemrisico’s.

1.10.   Samenvatting van de voorstellen van het Comité

1.10.1.

Interne markt: bevordering van maatregelen voor een vlottere coördinatie van het ESFS met de nieuwe organisatie van het SSM en van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme om de ontwikkeling van een efficiënt en effectief Europees toezichtsysteem te bevorderen.

1.10.2.

Vereenvoudiging, transparantie en doeltreffendheid: stroomlijning van de normatieve taken van de instellingen van het ESFS, om het normatieve bestel te vereenvoudigen, alsook om de transparantie en doeltreffendheid van de processen te bevorderen.

1.10.3.

Governance: bevordering van een middellangetermijnstrategie, gericht op organisatorische en functionele consolidatie van de toezichthoudende autoriteiten, die kan leiden tot schaal- en toepassingsvoordelen, daarbij de optie van één vestiging en de invoering van een twin peaks-model in overweging nemend.

1.10.4.

EMU: bevordering van mechanismen die de prioriteiten van de landen in de eurozone vooropstellen, met name wat betreft de banksector en het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, dat bepaalde modaliteiten bevat voor de toetreding van landen die de euro niet gebruiken.

1.10.5.

Het EESC is van mening dat, op basis van de gegevens in dit advies:

a)

het wetenschappelijk comité van het ESRB en speciale deskundigencomités of -groepen van de ETA’s, na raadpleging van de stakeholdergroep, bijtijds specifieke voorstellen voor verbetering moeten voorleggen;

b)

tegelijk de Europese Commissie de haalbaarheid moet bekijken van meer structurele oplossingen wat betreft de organisatie van het ESFS en de financieringswijzen van de autoriteiten.

2.   Achtergrond

2.1.

Vanwege de economische en financiële crisis in Europa moet het kader voor toezicht en regelgeving voor bancaire en financiële intermediairs herzien worden; de nadruk is gelegd op het takenpakket van het ESFS en op de doeltreffendheid van maatregelen die de samenstellende instellingen nemen.

2.2.

Op basis van de aanbevelingen van het verslag-De Larosière uit 2009 (2) heeft de Commissie een pakket maatregelen voorbereid om de onderlinge samenhang en coördinatie tussen nationale toezichthouders te versterken en om het belang van het macroprudentiële toezicht te benutten.

2.3.

In januari 2010 heeft het EESC een advies uitgebracht over de verordeningen tot oprichting van het ESRB en de ETA’s (3). In dat advies onderstreept het EESC het belang van een gemeenschappelijk toezichtsysteem voor het financiële stelsel van de Europese Unie en heeft het specifieke wijzigingsvoorstellen geformuleerd voor de verordeningen tot oprichting van het ESRB en de ETA’s.

2.4.

Met specifieke verordeningen hebben het Europees Parlement en de Raad in 2010 het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) en de drie Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) ingesteld — de Europese Bankautoriteit (EBA), de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) — die, samen met het Gemengd Comité van de ETA’s en het ESRB het Europees systeem voor financieel toezicht (ESFS) vormen.

2.5.

Het ESFS is zijn werkzaamheden in januari 2011 begonnen; de verordeningen van de instellingen van het ESFS (4) bepalen dat de Commissie binnen drie jaar na de inwerkingtreding in januari 2011 een verslag over de werkzaamheden van het ESRB en de ETA’s moet publiceren.

2.6.

Om haar mandaat te kunnen uitvoeren, heeft de Commissie een openbare hoorzitting gehouden (mei 2013) en een openbare raadpleging (april-juli 2013), gericht op een herziening van het ESFS.

2.7.

Op basis van de resultaten van de inbreng van de stakeholders, van de zelfevaluatie door de ETA’s (5), de resolutie van het Europees Parlement van maart 2014 over de evaluatie van het ESFS (6) en studies van het IMF (7) en van het Europees Parlement (8), heeft de Commissie twee afzonderlijke verslagen opgesteld, over het ESRB en de ETA’s en het ESFS.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Dit advies over het verslag van de Commissie over de werkzaamheden van het ESRB en de ETA’s is gebaseerd op de evaluatie van de acties van het ESRB en de ETA’s, en op de versnelling van het gemeenschappelijke toezicht in het afgelopen jaar.

3.2.

Het Comité heeft herhaaldelijk gepleit voor het ESFS en spreekt opnieuw zijn waardering uit voor de maatregelen van het ESRB en de ETA’s in de eerste drie jaar van hun bestaan.

3.3.

Er is ruimte voor een betere werking van het Europees stelsel voor financieel toezicht, zowel op het niveau van organisatie en governance als wat de processen en operationele instrumenten betreft; het EESC beaamt de door de Commissie in haar verslagen vermelde gebieden waarop acties mogelijk zijn. Het merkt voorts op dat er een systematische visie voor de middellange termijn moet komen en dat de voorstellen ter bescherming van de consument en de werknemer moeten worden uitgebreid.

3.4.

Het EESC is van mening dat het functioneren van het ESRB aantoont dat een andere kwantitatief-kwalitatieve samenstelling van de organen ervan geboden is — algemene raad, het directiecomité, het technisch adviescomité en het wetenschappelijk comité — alsook dat er een oplossing nodig is voor de benoeming van de tweede voorzitter van het comité, met het oog op het verstrijken van de eerste termijn in december 2015. Wat de procedures betreft is er ruimte voor verbetering in de wijze waarop het comité bij het wetgevingstraject betrokken kan worden, alsook ten aanzien van de termijnen van de interne besluitvorming.

3.5.

Volgens het EESC toont de werking van de ETA’s aan dat de regelgevende en toezichthoudende functie opnieuw bekeken moet worden, dat de bescherming van de consument verbeterd moet worden en dat de samenstelling van de organen herzien moet worden ter wille van een beter evenwicht tussen de belangen van de Unie en die van de individuele landen. De algehele structuur van het toezicht zou heroverwogen kunnen worden, zowel wat betreft de financieringsmechanismen van de verschillende autoriteiten, als wat betreft de logistieke opzet en het model van het toezicht. In dit verband zij gewezen op de rationalisering van de vestigingen en de organisatorische stroomlijning van taken en bevoegdheidsterreinen.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.   Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB)

4.1.1.

Volgens het Comité kan het ESRB een rol van belang blijven vervullen in het voorkomen van een systeemrisico, ook na invoering van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (SSM), om ten minste drie redenen: a) het gemeenschappelijk toezicht heeft behoefte aan meer coördinatie, ook tussen financiële markten die afwijken van de bancaire markt; b) het toezicht op grote bankconcerns met systeembelang onderstreept de rol van het ESRB, ook met het oog op de interactie met de ECB; c) de deelname aan het ESRB van vertegenwoordigers van landen zowel in als buiten de eurozone biedt het Comité de kans om ook stabiliserend op te treden ten aanzien van variabelen buiten de monetaire unie. In een dergelijk scenario kunnen veranderingen in de governance en de interne procedures leiden tot een beter functioneren van het ESRB en de wisselwerking met de ETA’s en de ECB.

4.1.2.

Het Comité is voorstander van een andere kwantitatief-kwalitatieve samenstelling van de organen van het ESRB; wel moet bekeken worden of het teruggebrachte aantal leden van de algemene raad gevolgen heeft voor de representativiteit van de afzonderlijke lidstaten. Een mogelijke vermindering van het aantal leden van de raad moet gepaard gaan met de instelling van thematische comités en werkgroepen. Voorts moet de vertegenwoordiging van de diverse stakeholders evenwichtig blijven, ook door de rol van het wetenschappelijk comité te onderstrepen; in dat verband lijkt het voorstel om dat comité samen te voegen met het comité voor technisch advies niet aan te raden.

4.1.3.

Het Comité is van mening dat de maatregelen van het ESRB meer effect sorteren als wordt ingestemd met het voorstel van de Commissie, te weten om het voorzitterschap van het ESRB toe te vertrouwen aan de voorzitter van de ECB. Een nieuwe uitvoerend directeur zou dan worden belast met operationele taken en de betrekkingen tussen de voorzitter en de algemene raad.

4.1.4.

Het ESRB zou meer betrokken moeten worden bij het wetgevingstraject door te voorzien in duidelijke mechanismen voor raadpleging van het ESRB vóór de vaststelling van wetgevingsvoorstellen voor relevante kwesties. In dit kader staat het Comité achter het idee van formele deelname van een vertegenwoordiger van het ESRB aan de Raad Ecofin en het Economisch en Financieel Comité (EFC), volgens nader vast te stellen regels en voorwaarden.

4.1.5.

Doeltreffende maatregelen van het ESRB moeten de vruchten plukken van vlottere besluitvorming; daarom roept het EESC het ESRB op tot zelfevaluatie van de interne procedures om tot een alternatief en beter werkend model te komen voor de dynamiek van het financiële stelsel. Het Comité meent verder dat het ESRB procedures moet invoeren voor een solidere follow-up van waarschuwingen en aanbevelingen.

4.1.6.

De werkzaamheden van het ESRB moeten berusten op meer samenwerking met de andere Europese organen, met name met de diverse ETA’s; volgens het EESC moet het ESRB snel met een voorstel komen dat de communicatie en uitwisseling van gegevens tussen de diverse organen van het ESFS schetst. Het Comité is tevens van oordeel dat er vormen van coördinatie geboden zijn tussen het ESRB en de nog op te richten nationale autoriteiten voor macroprudentieel toezicht, ook ter voorkoming van dubbele vertegenwoordiging in het ESRB. Verder moet de basis gelegd worden voor vruchtbare samenwerking tussen het ESRB en de ECB, gelet op de nieuwe bevoegdheden van de Europese Centrale Bank op het gebied van macroprudentieel toezicht.

4.2.   Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) en het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS)

4.2.1.

Volgens het Comité is een beter functioneren van de ETA’s afhankelijk van diverse wijzigingen in het bestaande institutionele en operationele bestel. Er zijn vooral maatregelen nodig om de regelgeving doeltreffender te maken, alsook de bescherming van de consument, de governance en de procedures; correcties zijn ook denkbaar voor de financieringsmechanismen van de autoriteiten en de organisatorische opzet daarvan.

4.2.2.

De regelgevende functie moet gepaard gaan met transparantere processen die een vlotter traject van de publieke raadpleging en effectbeoordeling waarborgen dat een statistisch-boekhoudkundige en een kwalitatieve benadering combineert. Het Comité meent dat de ETA’s doeltreffende mechanismen moeten uitwerken voor de samenwerking met de vertegenwoordigers van consumenten en werknemers. De ETA’s moeten nauwer betrokken worden bij de formulering van primaire wetgeving. Volgens het Comité moet er een transparant mechanisme komen voor de raadpleging van de ETA’s vóór de goedkeuring van relevante wetsvoorstellen dat het Parlement en de Commissie tegemoet kan komen bij de effectbeoordeling van bepalingen en het innemen van standpunten over de timing van een accurate en doeltreffende uitvoering van die bepalingen. Het Comité is overigens voorstander van formele deelname van de voorzitters van de ETA’s aan de Raad Ecofin.

4.2.3.

Het Comité onderschrijft het verzoek van de Commissie aan de ETA’s om, met de huidige governance, te werken aan uitbreiding van de functies en mechanismen die ervoor kunnen zorgen dat snel maatregelen kunnen worden genomen die in het belang van de EU als geheel zijn. In de eerste plaats moet ten volle gebruik worden gemaakt van het mechanisme voor de beslechting van meningsverschillen tussen nationale autoriteiten, waarbij duidelijkheid wordt geschapen over het huidige functioneren en eventuele corrigerende maatregelen worden overwogen.

4.2.4.

Voor de middellange termijn meent het EESC dat het nuttig zou zijn te kijken naar structurele correctie van de huidige governance van de ETA’s, uitgaande van ruimere onafhankelijke vertegenwoordiging op de verschillende besluitvormingsniveaus.

4.2.5.

De activiteiten van elke autoriteit moeten kunnen bogen op meer coördinatie met de acties van de andere ETA’s. Het Comité acht het raadzaam dat de ETA’s een comité of een groep deskundigen samenstellen die snel overgaan tot zelfevaluatie om de collegiale toetsing op haar waarde te schatten, om de rol van het gezamenlijk comité uit te breiden en om uitdrukkelijke procedures voor coördinatie en gegevensuitwisseling uit te werken. Het EESC meent dat de ETA’s hun eigen activiteiten snel moeten stroomlijnen, door het formuleren van aanbevelingen voor een mogelijke reorganisatie van de bevoegdheden die aan de betrokken autoriteiten en aan het gezamenlijk comité worden toegekend.

4.2.6.

De coördinatie tussen de ETA’s moet kunnen bogen op een gelijkwaardig stelsel van functies en bevoegdheden. Het Comité vindt dat alle ETA’s stress tests moeten kunnen uitvoeren op basis van het model van de EBA. Bij de coördinatie tussen de ETA’s moet terdege rekening worden gehouden met de verschillende mate van integratie en harmonisatie op EU-niveau van de verschillende sectoren waarop toezicht wordt uitgeoefend.

4.2.7.

Het Comité onderschrijft de nadruk die de Commissie legt op nauwere samenwerking tussen de ETA’s op het gebied van consumentenbescherming, met speciale aandacht voor de aard van de aangeboden producten en de verenigbaarheid daarvan met het profiel van de cliënten. Tegelijk moeten de maatregelen voor financiële educatie worden uitgebreid. Ook is het noodzakelijk dat het takenpakket van de ETA’s zonder meer wordt uitgebreid tot de bescherming van werknemers in de sector, vooral gezien de gevolgen van de verkooppatronen en beloningsstructuren die financiële intermediairs hanteren. Daartoe wordt voorgesteld dat de autoriteiten een gedragscode opstellen in verband met hun activiteiten en jaarlijks een gezamenlijk verslag van de ETA’s publiceren op het gebied van consumentenbescherming en bescherming van werknemers. Volgens het Comité is op dit gebied een centrale rol weggelegd voor het gezamenlijk comité, gericht op het stroomlijnen van de normen voor de bescherming van de consument en de werknemers van de sector, ongeacht het terrein waarvoor de diverse autoriteiten bevoegd zijn.

4.2.8.

De taken van de ETA’s en de meer recente tendensen van de financiële markten nopen tot uitbreiding van het volgende:

a)

de bevoegdheden van de ETA’s, en de coördinatie ervan, voor de sector inclusief financieel beheer, vooral voor het microkrediet en impact investing, ook door meer inbreng van deskundigen en vertegenwoordigers van de sector in het wetenschappelijk comité van het ESRB en in de stakeholdergroepen van de ETA’s;

b)

de rol van het gezamenlijk comité, en de invoering van vlotte en doeltreffende procedures door dit comité, afgezien van uitbreiding van het personeel van de ETA’s in de voorbereidende organen.

4.2.9.

Wat betreft de wijze van financiering van de ETA’s meent het Comité dat de overgang naar een financieringsmodel op basis van private financiering beoordeeld moet worden aan de hand van een grondige analyse van de voordelen en eventuele zwakke punten. Het Comité stelt voor om de middelen van de ETA’s via commissies en heffingen tijdelijk, voor een periode van vijf jaar op te trekken, door aan de extra middelen die eventueel aan de ETA’s worden toegekend de maximale lasten toe te wijzen; het Comité verzoekt de Commissie om in de overgangsperiode van vijf jaar een effectbeoordeling te maken, ook om alternatieve wijzen van financiering op hun waarde te schatten die de kans op dubbele kosten voor het toezicht beperken, gericht zijn op stroomlijning van de openbare middelen en voorkomen dat de lasten naar de eindverbruiker verschuiven.

4.2.10.

De duurzaamheid van de ETA’s is gebaat bij een rationalisering van de kosten die voortvloeien uit een reorganisatie van de logistiek. Het Comité is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de ETA’s samen te voegen tot één enkele instantie, ook in het licht van een efficiëntere dialoog en coördinatie tussen de autoriteiten.

4.2.11.

Volgens het Comité is de logistiek-operationele stroomlijning nauw verbonden met het achterliggende toezichtmodel. Daarom wordt de Commissie verzocht op middellange termijn een andere opzet van het Europese toezicht te overwegen en deze te verbeteren voor wat betreft de drie variabele functies, markten en intermediairs en eventueel de invoering van een duale opzet te bekijken (twin peaks).

4.2.12.

Ten slotte is het EESC van mening dat het democratische systeem voor controle van en toezicht op de werkzaamheden van het ESRB en de ETA’s uitgebreid moet worden.

Brussel, 18 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2014) 508 final en COM(2014) 509 final, 8 september 2014

(2)  Zie het verslag over het financiële toezicht van 25 februari 2009 van de groep op hoog niveau: http://ec.europa.eu/internal_market/finances/docs/de_larosiere_report_en.pdf

(3)  PB C 339 van 14.12.2010, blz. 34-40.

(4)  Verordeningen (EU) nrs.: 1092/2010, 1093/2010, 1094/2010, 1095/2010 van 24 november 2010, PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.

(5)  Gemengd Comité (GC 2012, 100), Self Assesment Report of the European Supervisory Authorities, 21 december 2012 (niet publiek toegankelijk).

(6)  Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2014 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de evaluatie van het ESFS.

(7)  IMF, Financial Sector Assessment Program at EU Level, maart 2013.

(8)  PE 507.490 (over het ESRB) en PE 507.446 (over de ETA’s), oktober 2013.


31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/39


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité Groenboek „Optimale benutting van Europa's traditionele kennis: mogelijke uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen door de Europese Unie tot niet-landbouwproducten”

(COM(2014) 469 final)

(2015/C 251/08)

Rapporteur:

Kathleen WALKER SHAW

De Commissie heeft op 1 oktober 2014 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 304 van het VWEU te raadplegen over het

Groenboek „Optimale benutting van Europa's traditionele kennis: mogelijke uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen door de Europese Unie tot niet-landbouwproducten”

COM(2014) 469 final.

De afdeling Interne markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 2 februari 2015.

Het EESC heeft tijdens zijn op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 18 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 155 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC steunt de uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen (GA) tot niet-landbouwproducten door middel van een eenheidsbescherming biedende verordening van de EU, omdat daarmee aan bedrijven waarvan is gebleken dat zij de groei van de economie stimuleren, innovatie bevorderen en voor hooggekwalificeerde en beter betaalde banen zorgen, een waardevolle en noodzakelijke bescherming wordt geboden.

1.2

Behalve aan het vrijwillige systeem van GA zou ook steun moeten worden gegeven aan de verplichte oorsprongsaanduiding op consumentengoederen uit het pakket productveiligheid, waarbij de bevindingen uit al verricht onderzoek in aanmerking moeten worden genomen. Dan wordt consumenten het voordeel geboden van een betere traceerbaarheid en meer transparantie en informatie en krijgen producenten overal in de EU erkenning voor de herkomst van hun producten.

1.3

Deze regeling zou zoveel mogelijk moeten aansluiten bij het bestaande kader voor landbouwproducten en levensmiddelen, zodat overal dezelfde systemen voor registratie, bescherming, monitoring en handhaving worden toegepast en verwarring bij overheidsinstanties en consumenten wordt voorkomen. Ook zou met deze regeling evenveel bescherming en garanties moeten worden geboden als de TRIPS-overeenkomst biedt in het geval van agro-levensmiddelen.

1.4

Ondernemingen die veel werken met GA en andere intellectuele-eigendomsrechten, investeren meestal veel in opleidingen voor hooggeschoolden. Dergelijke ondernemingen zouden steun voor de bescherming van hun producten en knowhow moeten krijgen, omdat zij dan kunnen investeren in het aanleren van positieve vaardigheden en de ontwikkeling van sociaal kapitaal in plaats van in rechtszaken om hun belangen te verdedigen.

1.5

Er is behoefte aan een procedure voor formele registratie. Om administratieve rompslomp en kosten te voorkomen, zou die registratie voor onbepaalde tijd geldig moeten blijven, waarbij dan wel voortdurend moet worden gecontroleerd en vastgesteld dat nog steeds wordt voldaan aan de criteria waarop de status van de betrokken producten berust. Ook moet er een procedure komen waardoor producten als daartoe aanleiding is, uit het register kunnen worden geschrapt.

1.6

De voorgestane registratieprocedure moet transparant, onpartijdig en kosteloos zijn en bij voorkeur met overheidsgelden worden gefinancierd en beheerd. Als toch wordt besloten om voor de registratie te laten betalen, dan moet het te betalen bedrag erg laag worden gehouden, omdat de hoogte daarvan de ondernemingen niet van registratie mag weerhouden en doorberekening van de kosten aan de consument moet worden voorkomen. Om tijdrovende formaliteiten te voorkomen en bedrijven en consumenten niet in onzekerheid te laten, moet er een termijn worden gesteld aan registratie. Een termijn van 18 maanden lijkt redelijk. Het EESC adviseert om de suggesties die kleine en middelgrote ondernemingen doen om extra kosten te voorkomen, te laten meespelen als wordt uitgemaakt hoe het systeem moet worden toegepast.

1.7

Van belang is dat de „herkomst” en alle bijbehorende aspecten zoals erfgoed, traditie, kwaliteit, kenmerkende eigenschappen van een product, ambachtelijkheid en knowhow worden beschermd. Een vereiste is dat er een sterke band bestaat tussen het product en de plaats van herkomst. De aanpak waarvoor in het geval van landbouwproducten is gekozen, te weten een combinatie van „beschermde oorsprongsbenamingen” (BOB) en de meer flexibele „beschermde geografische aanduidingen” (BGA), garandeert dat alle bescherming behoevende producten worden bestreken.

1.8

De relatie tussen het systeem van geografische aanduidingen voor niet-landbouwproducten en het merkenrecht zou moeten worden vastgelegd op een wijze die vergelijkbaar is met datgene wat op dit moment in gebruik is voor landbouwproducten. Dan wordt voor alle producten continuïteit gegarandeerd en verwarring voorkomen.

2.   Achtergrond en inleiding

2.1

Onderhavig Groenboek „Optimale benutting van Europa's traditionele kennis: mogelijke uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen door de Europese Unie tot niet-landbouwproducten” is het vervolg op een studie waarvan de Commissie al in maart 2013 de resultaten bekend heeft gemaakt (1). De slotsom uit die studie is dat de nationale en Europese wettelijke instrumenten die de producenten ter beschikking staan, niet volstaan. De Commissie heeft op 22 april 2013 een openbare hoorzitting gehouden om de uitkomst van die studie te laten bespreken en een platform te bieden voor een bredere discussie over de vraag of er behoefte is aan een betere bescherming door de EU van GA van niet-landbouwproducten. Vanwege de uitkomst van de studie en de resultaten van de openbare hoorzitting heeft de Commissie besloten om haar onderzoek met behulp van onderhavig Groenboek voort te zetten.

2.2

Het Europese Octrooibureau en het Bureau voor harmonisatie in de interne markt hebben in september 2013 de resultaten bekend gemaakt van een onderzoek dat zij samen met de Commissie hebben verricht naar „Intellectual property rights (IPR) intensive industries: contribution to economic performance and employment in the EU” (2).

In deze studie is de nadruk gelegd op de economische waarde van ondernemingen die veel werken met intellectuele-eigendomsrechten (m.i.v. GA) op het gebied van productie, werkgelegenheid, lonen en handel, en op de bijdrage die deze ondernemingen aan de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen voor werkgelegenheid en groei leveren. Zo wordt vastgesteld dat dergelijke ondernemingen in de EU goed zijn voor ruim 26 % van de werkgelegenheid en 39 % van de economische bedrijvigheid. Ook bieden deze ondernemingen over het algemeen hogere lonen, met premies van meer dan 40 %.

2.3

Commissievoorzitter Barroso heeft tijdens de EU-top van maart 2014 de Mededeling „Voor een heropleving van de Europese industrie  (3)” gepresenteerd, waarin opnieuw wordt gewezen op het belang dat ondernemingen die veel met intellectuele-eigendomsrechten en GA werken, hebben voor duurzame economische groei in de EU, alsmede op de noodzaak voor de EU om deze ondernemingen te steunen. Ook staat in deze Mededeling dat dit soort ondernemingen het tijdens de crisis qua groei en economische prestaties vaak beter heeft gedaan dan andere ondernemingen.

2.4

Momenteel genieten alleen landbouwproducten en levensmiddelen (wijnen, gedistilleerde dranken) een — uitsluitend op het niveau van de EU geboden — eenheidsbescherming. Niet-agrarische GA worden alleen beschermd op nationaal/regionaal niveau, middels verschillende nationale rechtskaders. Die regelingen zijn niet geharmoniseerd in de EU, met dien verstande dat er grote verschillen zijn in definities, procedures, beschermingsniveau en handhaving, wat ongunstig is voor ondernemingen én consumenten. Op niet-landbouwproducten is wel wetgeving inzake oneerlijke concurrentie of misleiding van de consument van toepassing, ook al geldt ook hier weer dat daarbij sprake is van verschillen in toepassingsgebied en aanpak.

2.5

Veel bedrijven die niet-landbouwproducten voortbrengen waarvoor gebruik wordt gemaakt van geografisch bepaalde hoogwaardige traditionele en ambachtelijke vaardigheden, zijn internationaal actief en hebben steeds meer moeite om de kwaliteit, authenticiteit en integriteit van hun producten te beschermen tegen malafide-etikettering, fraude, namaak en misbruik van handelsmerken. Zolang er geen eenheidsbescherming wordt geboden, moeten ondernemingen en consumenten overal in de EU afgaan op een verwarrende verscheidenheid aan benaderingen en beschermingsniveaus. Voor veel bedrijven is dat een kostbare aangelegenheid en een aanpak die niet werkt: het gevolg is dat veel geld wordt uitgegeven aan incidentele verdediging van hun producten. Hier is dus sprake van een zware financiële en personele belasting. Er zijn dan ook bedrijven die bij de Commissie hebben aangedrongen op de uitbreiding van de bescherming van GA tot niet-landbouwproducten.

2.6

De GA-instrumenten die in de lidstaten al van kracht zijn, bieden — samen met wetten inzake oneerlijke concurrentie en misleiding van consumenten — weliswaar een zekere mate van bescherming voor niet-landbouwproducten, maar hebben in de praktijk slechts een beperkte werking: veel ondernemingen klagen dat daarmee geen effectieve bescherming wordt geboden tegen misbruik van niet-agrarische GA-benamingen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Producenten en consumenten hebben in de EU baat bij uitbreiding van de bescherming van GA tot niet-landbouwproducten. Die uitbreiding is niet een protectionistische maatregel, maar een garantie voor eerlijke concurrentie tussen producenten en helpt om de kwaliteit en integriteit van hun traditionele producten, ambachten of procedés (waarvoor vaak hoogwaardige vaardigheden nodig zijn) te beschermen. Tegelijkertijd krijgt de consument hierdoor betrouwbare informatie over de plaats en wijze van productie en zekerheid over de echtheid en kwaliteit van het product.

3.2

Uitbreiding van het GA-systeem tot niet-landbouwproducten zou ontegenzeggelijk economische voordelen voor de EU opleveren en biedt een kans om traditionele producten, knowhow en hoogwaardige vaardigheden (vaak ontwikkeld in speciaal daarvoor bestemde scholen en instellingen voor beroepsonderwijs) waarvan bewezen is dat zij goede en stabiele banen opleveren, te promoten en te beschermen. Producten worden aantrekkelijker als de herkomst en kwaliteit ervan kunnen worden gegarandeerd: ook wordt op die manier gebouwd aan het imago van die producten en wordt de verkoop ervan gestimuleerd. Als de status van producten meer algemene erkenning krijgt, kan dit ook goed zijn voor het toerisme en andere aan deze producten gerelateerde bronnen van inkomsten, wat dan ook weer meer economische voordelen oplevert. Ook zou daardoor overal in de EU meer gelijkvormige en doeltreffende bescherming kunnen worden geboden tegen verliezen die worden geleden als gevolg van namaak en nabootsing.

3.3

Het komt vaak voor dat niet-landbouwproducten met een overal in de EU onomstotelijk erkende GA-benaming en reputatie worden misbruikt of nagemaakt. Hoewel sommige van deze ondernemingen de crisis beter hebben doorstaan dan andere, zijn misbruik van handelsmerken en namaak/nabootsing onder druk van de crisis alleen maar toegenomen. Er zijn ondernemingen die er geen been in hebben gezien om snel veel geld te verdienen door gebruik te maken van de naam en reputatie van GA-producten van hoge kwaliteit, zonder dat er enig verband was met de oorsprong, herkomst, kwaliteit of ambachtelijke waarde/knowhow ervan. Daardoor raken bonafide handelaars inkomsten en marktaandeel kwijt en lopen zij op de koop toe een risico op reputatieschade en extra juridische kosten. Fabrikanten van producten als Boheems kristal, Savile Row maatkleding, Carrara-marmer, Harris Tweed, Paška čipka (kantwerk uit Pag), koekoeksklokken uit het Zwarte Woud, traditioneel kunstkeramiek uit Vietri sul Mare, Stoke-on-Trent-aardewerk, Brački kamen (steen en beeldhouwwerken uit Brač), Deruta-keramiek en Murano-glas staan voortdurend onder druk om hun producten te beschermen door campagnes op te starten, handelsmerken te registreren en rechtszaken te beginnen. Door de bescherming van GA tot dergelijke producten uit te breiden, kan die constante druk om dure juridische acties te ondernemen, worden verlicht.

3.4

Traditioneel cultureel en artistiek erfgoed dat in veel daarvoor ontvankelijke producten is terug te vinden, kan behouden blijven en worden behoed voor misbruik door een geharmoniseerde wettelijke bescherming. Die bescherming zou even goed moeten zijn als die voor landbouwproducten en levensmiddelen en zou moeten stroken met de vigerende Europese en internationale rechtskaders. Als kleine en middelgrote ondernemingen minder geld kwijt zijn aan de bescherming van de goede naam van hun producten door het voeren van rechtszaken, kunnen zij meer gaan investeren in innovatie, productontwikkeling en vergroting van hun marktaandeel zonder dat de prijs van hun producten voor de consumenten hoeft te worden verhoogd.

3.5

Veel kopers van GA-producten zijn consumenten die met kennis van zaken weloverwogen keuzen maken op grond van de hoge ambachtelijke waarde en echtheid van producten. Die consumenten moeten kunnen rekenen op een behoorlijke bescherming van de integriteit van de producten waarvoor zij vaak extra betalen. Daarin moet geen beperking van de keuzemogelijkheden of de concurrentie worden gezien, omdat alle ondernemingen die voldoen aan de criteria betreffende de specifieke kenmerken, herkomst, kwaliteit, eigenschappen, ambachtelijke waarde en knowhow waarop de status van een product berust, in aanmerking komen voor GA-bescherming.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

De harmonisatie van de regelgeving voor niet-agrarische GA-producten vergt een verordening van de EU waardoor eenheidsbescherming wordt geboden. De alternatieven die momenteel voorhanden zijn, zijn te gefragmenteerd, verwarrend, duur en ondoeltreffend om veel waardevolle ondernemingen echt een kans op overleven te bieden, omdat het daarbij gaat om regelingen niet volstaan om het hoofd te bieden aan alle uiteenlopende structuren en wetten die overal in de EU — zowel regionaal als nationaal — van kracht zijn. Meer samenhang zal ondernemingen helpen om te overleven en te groeien en zal hun producten minder kwetsbaar maken voor misbruik.

4.2

Het EESC moedigt de Commissie aan om de voorgestane uitbreiding te vereenvoudigen door deze waar mogelijk nauw bij het bestaande geharmoniseerde wettelijk kader voor landbouwproducten en levensmiddelen te laten aansluiten, voorbeelden van geslaagde methoden toe te passen en voor niet-landbouwproducten lering te trekken uit de ervaring die is opgedaan met de invoering van bescherming voor landbouwproducten en levensmiddelen. De stelregel zou moeten zijn dat wordt gestreefd naar een consequente toepassing en een benadering die voor producten uit alle sectoren geldt, ook al vragen sommige sectorale kenmerken om een andere aanpak (zoals het geval was bij wijnen en gedistilleerde dranken). Wat de TRIPS-overeenkomst betreft zouden voor niet-landbouwproducten dezelfde garanties en bescherming moeten gelden als voor agrarische GA-producten. Wel moet de Commissie beslist nagaan welke ruimte er is voor verbetering van die bescherming in het licht van de ervaring die tot dusverre met de toepassing van de TRIPS-overeenkomst is opgedaan. Daaraan zou met name moeten worden vormgegeven door de invoering van duidelijke, consequente en gestructureerde regelingen voor kennisgeving en registratie en een consequente afhandeling ervan.

4.3

Het EESC ziet in dat het GA-systeem een vrijwillige regeling is die verschilt van de huidige voorstellen voor een verplichte oorsprongsaanduiding op in de EU vervaardigde of ingevoerde consumentengoederen uit het productveiligheidspakket. Daarom adviseert het om beide voorstellen goed te keuren, zodat consumenten meer traceerbaarheid, transparantie en informatie worden geboden en producenten overal in de EU erkenning krijgen voor de herkomst van hun producten.

4.4

Het EESC gaat ervan uit dat harmonisatie van de GA-bescherming voor niet-landbouwproducten ook goed zal zijn voor de handelsbetrekkingen van de EU met niet-EU-landen, omdat de procedures er eenvoudiger door worden en er duidelijkheid wordt geschapen doordat producten automatisch bescherming krijgen. Ook leidt die harmonisatie tot een meer gerichte benadering bij handelsonderhandelingen en de bescherming van kwaliteitsproducten van de EU, die vaak een hoge exportwaarde hebben. Die verhoogde bescherming zal ook afschrikwekkend werken voor ondernemingen die namaak of misbruik van de status van producten overwegen.

4.5

Voor de productie van veel GA-goederen zijn zeer hoogwaardige vaardigheden nodig. Ondernemingen investeren nu al van generatie op generatie in vaardigheden en knowhow en beschikken vaak over een stevig verankerd en succesvol leerlingstelsel en vaste opleidingssystemen waarin leerlingen worden geschoold tot hooggekwalificeerde werknemers met voor de arbeidsmarkt zeer aantrekkelijke vaardigheden. Die ondernemingen zouden moeten worden gesteund bij de ontwikkeling van dit waardevolle sociale kapitaal: zij moeten worden geholpen om hun producten en knowhow te beschermen, zodat zij in positieve vaardigheden kunnen investeren in plaats van in rechtszaken om hun belangen te verdedigen. GA-ondernemingen scheppen kwaliteitsbanen en bieden mogelijkheden voor mensen die in het leren van een ambacht een manier hebben gevonden om zich te ontplooien. Het EESC heeft oog voor de wederzijdse afhankelijkheid van tal van gespecialiseerde beroepsopleidingen en de producenten van GA-goederen in bepaalde landen en regio’s. Een voorbeeld daarvan is de steenhouwersopleiding in de Brački kamen-onderneming. Sommige van deze ondernemingen zijn gevestigd in afgelegen gebieden met veel werkloosheid. Hun rol op de arbeidsmarkt wordt daardoor alleen maar nog belangrijker.

4.6

De band tussen een product en een plaats moet in eerste instantie worden vastgesteld met het oog op de bescherming van de herkomst van dat product, en dus ook van alle bijbehorende aspecten ervan, zoals erfgoed, traditie, kwaliteit, kenmerkende eigenschappen, ambachtelijke waarde en knowhow. Een vereiste is dat er een sterke band bestaat tussen het product en de plaats van herkomst. De aanpak waarvoor in het geval van landbouwproducten is gekozen, te weten: een combinatie van „beschermde oorsprongsbenamingen” (BOB) en de meer flexibele „beschermde geografische aanduidingen” (BGA), garandeert dat alle bescherming behoevende producten worden bestreken. Symbolen die in dit verband mogen worden gebruikt, dienen duidelijk betrekking te hebben op een bepaald product en als zodanig erkend te zijn, moeten aan de GA-criteria voldoen en zullen overal in Europa gelijkvormig moeten zijn. Dit laatste voorkomt verwarring bij de consumenten en draagt ertoe bij dat de voorwaarden voor erkenning worden geschapen.

4.7

Het EESC ziet in dat kwaliteit en oorsprong niet noodzakelijkerwijs gelijk opgaan. Dit neemt niet weg dat GA-producten een goede naam hebben gekregen vanwege de waarde die consumenten eraan hechten, en dat de eigenschappen die de kwaliteit van een product bepalen, vaak in het DNA van een GA-product zitten en van belang kunnen zijn bij het bepalen van de ambachtelijke vaardigheden en knowhow die eraan ten grondslag liggen en die bescherming behoeven, en bij het opstellen van normen die in alle ondernemingen worden gecontroleerd en gehandhaafd. Veel (organisaties van) producenten van GA-goederen hebben zelf al maatstaven voor hun producten vastgelegd en zien zelf toe op de naleving daarvan om de integriteit van hun producten te beschermen. Alleen werken die vrijwillige regelingen voor monitoring en gedragscodes niet in alle lidstaten en moeten deze hoe dan ook gepaard gaan met formele regelingen voor toezicht en handhaving op nationaal en EU-niveau. Door de crisis en bezuinigingen is gekort op het budget van veel instanties die met het toezicht en de handhaving van deze normen zijn belast. Het EESC stelt dan ook vast dat maatregelen moeten worden overwogen om voor een effectieve controle en handhaving te zorgen.

4.8

Net als in het geval van landbouwproducten vergen ook niet-landbouwproducten een formele registratieprocedure. Om administratieve rompslomp en kosten te voorkomen, zou die registratie voor onbepaalde tijd geldig moeten blijven, waarbij dan wel voortdurend moet worden gecontroleerd en vastgesteld dat nog steeds wordt voldaan aan de criteria waarop de status van de betrokken producten berust. De voorgestane registratieprocedure zou ook bepalingen moeten omvatten waardoor producten die niet langer aan de normen voldoen of die niet meer worden gemaakt, uit het register kunnen worden geschrapt. Ook zou daarin de mogelijkheid moeten worden ingelast om bezwaar aan te tekenen, gekoppeld aan een recht om daartegen in beroep te gaan als sprake is van vexatoire bezwaren.

4.9

Het zou zinvol zijn om uit te gaan van een tweesporensysteem, ofwel een systeem waarin de rol van de nationale overheid wordt gecombineerd met wettelijke bescherming en toezicht door de EU. De registratieprocedure moet transparant, onpartijdig en kosteloos zijn en bij voorkeur met overheidsgelden worden gefinancierd en beheerd. Momenteel is de registratie van landbouwproducten en levensmiddelen gratis: hetzelfde zou in beginsel moeten gelden voor de registratie van niet-landbouwproducten. Als toch wordt besloten om voor de registratie te laten betalen, dan moet het te betalen bedrag erg laag worden gehouden, omdat de hoogte daarvan de ondernemingen niet van registratie mag weerhouden en omdat moet worden voorkomen dat die kosten worden doorberekend aan de consument. Om tijdrovende formaliteiten te voorkomen en bedrijven en consumenten niet in onzekerheid te laten, moet er een termijn worden gesteld aan registratie. Een termijn van 18 maanden lijkt redelijk.

4.10

De relatie tussen het systeem van geografische aanduidingen en het merkenrecht zou moeten worden vastgelegd op een wijze die vergelijkbaar is met datgene wat op dit moment wordt gebruikt voor landbouwproducten. Dan wordt voor alle producten continuïteit gegarandeerd en verwarring voorkomen. Er moet lering uit de in deze sector opgedane ervaring worden getrokken om de procedures te verfijnen en geschillen zoveel mogelijk te voorkomen. Ondernemingen die in een bepaalde regio werkzaam zijn, moet altijd worden toegestaan om in die regio bescherming voor een oorsprongsbenaming aan te vragen.

Brussel, 18 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  http://ec.europa.eu/internal_market/indprop/docs/geo-indications/130322_geo-indications-non-agri-study_en.pdf

(2)  http://ec.europa.eu/internal_market/intellectual-property/docs/joint-report-epo-ohim-final-version_en.pdf

(3)  COM(2014) 14 final


31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 251/44


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank — Jaarlijkse groeianalyse 2015

(COM(2014) 902 final)

(2015/C 251/09)

Algemeen rapporteur:

Gonçalo LOBO XAVIER

De Commissie heeft op 19 december 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

„Jaarlijkse groeianalyse 2015”

COM(2014) 902 final.

Het bureau van het Comité heeft de stuurgroep Europa 2020 op 9 december 2014 met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden belast.

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Comité tijdens zijn op 18 en 19 februari 2015 gehouden 505e zitting (vergadering van 19 februari) de heer Lobo Xavier als algemeen rapporteur aangewezen en vervolgens onderstaand advies met 174 stemmen vóór en 8 tegen, bij 1 onthouding, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is ingenomen met de jaarlijkse groeianalyse 2015 van de Commissie (1), die als doel heeft om ten behoeve van Europa’s herstel voor een gezonde groei te zorgen. De drie pijlers — investeringen stimuleren, structurele hervormingen en een op de situatie van elke lidstaat afgestemde begrotingsconsolidatie — lijken goed op de behoeften van Europa in te spelen. Het EESC kan zich ook vinden in het uitvoeringsplan, al moet dat wel vergezeld gaan van een effectiever Europees semester. Er zijn echter nog steeds enkele zwakke punten. Zo heeft de jaarlijkse groeianalyse geen betrekking op sociale en milieuaspecten en zouden de bestrijding van de nog steeds massale werkloosheid en de aanpak van de sociale crisis uitdrukkelijk als politieke prioriteit moeten worden genoemd. De groeianalyse is het uitgangspunt voor een doeltreffend Europees semester. Voor een grotere betrokkenheid en betere resultaten zouden de partijen in kwestie zich daarom beter aan het tijdschema moeten proberen te houden.

1.2.

Het vertrouwen om te investeren is mede afhankelijk van de duidelijkheid en de eenvoud van het voorgestelde tijdschema, en van de betrokkenheid van de belangrijkste partijen. Voor de nodige geloofwaardigheid moeten de sociale partners en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld bij het proces worden betrokken. Het is van groot belang dat de Commissie met het Europees Parlement en de sociale partners, en met andere organisaties van het maatschappelijk middenveld op Europees niveau, beraadslaagt voordat de groeianalyse wordt gepresenteerd. Het EESC onderkent de inzet van de Commissie om de participatie van het maatschappelijk middenveld te vergroten, ook in samenwerking met de nationale parlementen, maar wijst er wel op dat er voor efficiëntie en echte betrokkenheid, en uiteindelijk concrete resultaten, een nieuwe „kalender van het maatschappelijk middenveld” (2) moet komen. Een grote inspanning van alle partners en instellingen is nodig om de goede bedoelingen om te zetten in resultaten, en het EESC pleit in dit verband voor een proactieve rol van de sociale partners.

1.3.

Volgens het EESC kan een groeiplan dat voor meer arbeidsplaatsen moet zorgen niet worden uitgevoerd zonder investeringen. Daarom is het van cruciaal belang dat Europa de juiste voorwaarden creëert voor op partnerschap gebaseerde investeringen door zowel de particuliere als de publieke sector. Als de voorgestelde combinatie van beleidsmaatregelen werkt, zou dat een goede manier zijn om meer vertrouwen te wekken, iets wat essentieel is voor investeringen. Een grote tekortkoming is wel dat de Commissie met haar op zichzelf toe te juichen investeringsplan alleen particuliere investeringen voor ogen heeft en er grotendeels aan voorbijgaat dat ook overheidsinvesteringen nodig zijn. Het EESC is ingenomen met de discussie die in de Commissie is begonnen over de toepassing van de zogenoemde „gouden” financieringsregel (de golden rule) om overheidsinvesteringen in de toekomst, tegen de achtergrond van het budgettaire regelgevingskader van de EMU, niet mee te rekenen bij de bepaling van het netto tekort van een land (3).

Verder geldt dat, ongeacht wie bij investeringen het voortouw neemt, een duidelijke definitie van het soort investering en de toekomstige duurzaamheid ervan cruciaal zijn voor de slaagkans. Meer langetermijninvesteringen in onderwijs- en opleidingsstelsels zullen de arbeidsmarkt wat dit betreft beslist ten goede komen en ervoor zorgen dat Europeanen de sociale dimensie van de zaak begrijpen.

Er is een goede aanpak nodig om jeugdwerkloosheid — helaas een realiteit in Europa — te bestrijden, en de lidstaten moeten hun maatregelen op verschillende beleidsterreinen op elkaar afstemmen om uitsluiting te voorkomen en ervoor te zorgen dat kansarme groepen toegang krijgen tot de arbeidsmarkt.

1.4.

De industrie is zonder twijfel van groot belang voor de ontwikkeling van Europa. Er zijn tal van goede voorbeelden van innovatie in industriële sectoren, en de schaal hiervan moet worden vergroot om de werkgelegenheid te bevorderen en te zorgen voor hooggekwalificeerd personeel. Het investeringsplan moet recht doen aan de meerwaarde van Europese „industriële kampioenen” en voorbeelden van innovatie en goede praktijken promoten.

1.5.

Verder dient hierbij de aandacht uit te gaan naar de bevordering van sociale investeringen. Deze investeringen kunnen van doorslaggevend belang zijn voor meer welvaart en de bestrijding van armoede en uitsluiting. Daarom heeft het EESC al aangedrongen op een expliciete prioriteitstelling in de jaarlijkse groeianalyses en landenspecifieke aanbevelingen (4) en pleit het voor maatregelen waarmee het maatschappelijk middenveld het volledige potentieel van ondernemingen in de sociale economie kan aanboren en de rol van lokale gemeenschappen kan versterken (5).

1.6.

Het EESC is ingenomen met de poging om het potentieel van Europa via de digitale markt te vergroten. Mits een aantal cruciale maatregelen worden genomen, kan de digitale markt werkelijk een impuls betekenen voor de economie en de werkgelegenheid. Alleen wanneer er strikte gemeenschappelijke Europese regels voor gegevensbescherming zijn en het vertrouwen van de consumenten wordt hersteld, zullen ondernemingen het potentieel van de digitale agenda ten volle kunnen benutten. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan vaart te zetten achter de interne markt om zo goed mogelijk gebruik te kunnen maken van deze agenda.

1.7.

Alle lidstaten moeten budgettaire verantwoordelijkheid tonen en tegelijkertijd de werkgelegenheid bevorderen en een maatschappelijke verantwoordingsplicht betrachten. Inachtneming van de compromissen inzake evenwichtig en verantwoordelijk bestuur is van essentieel belang voor het bevorderen van groei. Het EESC is voorstander van een groeivriendelijke begrotingsconsolidatie. Het vraagt de lidstaten waar mogelijk de belastingdruk op burgers, die het gevolg is van hun bezuinigingsmaatregelen, te verminderen en dringt aan op maatregelen om weer particuliere investeringen aan te zwengelen. Daarbij zouden zij ook oog moeten hebben voor slimme overheidsinvesteringen.

1.8.

Het governancesysteem dat door middel van bewuster en meer geïntegreerd begrotingstoezicht moet leiden tot budgettaire verantwoordelijkheid is een interessante aanpak die het wellicht mogelijk maakt dat de lidstaten zich bij het opstellen van hun begroting in behoorlijke mate laten leiden door de beleidsaanbevelingen van de EU. De vereenvoudiging van het semester, waar het EESC in zijn advies over de jaarlijkse groeianalyse 2014 (6) al op aandrong, is een goede zaak, en het is te hopen dat de wijzigingen effect zullen sorteren.

1.9.

Het Comité pleit voor meer uniformiteit in de presentatie van de begrotingssituatie van elke lidstaat. Daardoor wordt het gemakkelijker om vergelijkingen te trekken en zijn oplossingen op Europees niveau wellicht op een efficiëntere manier te realiseren. Om meer waarheidsgetrouwe en evenwichtigere informatie te verkrijgen kan het ook interessant zijn om de berekening van de binnenlandse schuld tegen het licht te houden.

2.   Inleiding

2.1.

Het Comité is ingenomen met de jaarlijkse groeianalyse (AGS), een richtsnoer om Europees beleid „op te frissen” dat gericht is op het stimuleren van de economie en van duurzame groei voor iedereen.

Het Europees semester heeft zichzelf bewezen als een maatstaf als het aankomt op de invoering of versterking van begrotingsbeleid of structurele hervormingen waarmee voor groei moet worden gezorgd, en er zijn tastbare resultaten mee bereikt. Wel is er sprake van trage procedures en wordt er te weinig besluitvaardig omgegaan met de vraag op welke manier Europa de ernstige crisis, die zwaar heeft huisgehouden en in alle lidstaten nog altijd in meerdere of mindere mate voelbaar is, te boven kan komen.

2.2.

De waarde van het initiatief staat dus buiten kijf, vooral ook gezien de beperkingen waar elk van de lidstaten mee kampt als het op maatregelen voor groei aankomt. Die beperkingen hangen af van hun specifieke omstandigheden en van het tempo waarin zij maatregelen en hervormingen doorvoeren die effect sorteren.

2.3.

In de Jaarlijkse groeianalyse voor 2015 pleit de Commissie duidelijk voor een economisch beleid dat rust op drie geïntegreerde pijlers: meer investeringen, snellere structurele hervormingen en verantwoorde groeivriendelijke begrotingsconsolidatie.

Volgens de Commissie ligt de sleutel voor succes en voor het behalen van resultaten die het mogelijk maken om de werkloosheid, vooral de jeugdwerkloosheid, te bestrijden, in de manier waarop deze drie pijlers geïntegreerd worden. Een en ander vereist structurele hervormingen op de arbeidsmarkt, verdere hervorming van de pensioenstelsels, modernisering van de stelsels voor sociale bescherming, flexibilisering van de markten voor goederen en diensten, verbetering van het investerings- en het bedrijfsklimaat, verbetering van de investeringen in onderzoek, innovatie, onderwijs en opleiding, en een intensiever streven naar efficiënte overheidsdiensten.

2.4.

De Commissie pleit er overigens ook voor om het maatschappelijk middenveld, en dan met name de sociale partners, bij het hele proces van groei en veranderingen te betrekken (7). Ook dringt zij er bij de lidstaten op aan om de nationale parlementen nauwer bij het proces te betrekken het publiek ertoe te brengen zich actiever in te zetten en het uit te voeren beleid te helpen beoordelen.

Deze pogingen om de publieksparticipatie vergroten worden gedaan in een tijd waarin de mensen een grote afstand voelen tot het Europese project.

3.   Een geïntegreerde aanpak

3.1.   Investeringen stimuleren

3.1.1.

Het is essentieel voor economische groei dat de investeringen weer toenemen en (zowel institutionele als individuele) beleggers weer vertrouwen krijgen. Het EESC is daarom verheugd over het investeringsplan voor Europa (8), dat bedoeld is om de cruciale structurele investeringen te stimuleren die de voor het concurrentievermogen vereiste groei en duurzaamheid mogelijk maken. Een grote tekortkoming is wel dat de Commissie met haar op zichzelf toe te juichen investeringsplan alleen particuliere investeringen voor ogen heeft en er grotendeels aan voorbijgaat dat ook overheidsinvesteringen nodig zijn. Het EESC is ingenomen met de discussie die in de Commissie is begonnen over de toepassing van de zogenoemde „gouden” financieringsregel (de golden rule) om overheidsinvesteringen in de toekomst, tegen de achtergrond van het budgettaire regelgevingskader van de EMU, niet mee te rekenen bij de bepaling van het netto tekort van een land (9).

3.1.2.

Uit een analyse van de huidige situatie blijkt dat Europa minder concurrerend is geworden dan andere mondiale economieën, juist door de teruggelopen investeringen op belangrijke gebieden zoals modernisering van apparatuur, toegang tot technologie en verbetering van onderwijs, om slechts een paar voorbeelden te noemen. Hoewel het EESC het plan ter bevordering van investeringen steunt, zijn er nog wel een aantal onduidelijke variabelen die de effectiviteit van het plan kunnen ondermijnen. Op papier ziet het plan er goed uit, maar de vraag is wel hoe het plan in zijn geheel en op grote schaal kan worden uitgevoerd.

3.1.3.

De bedenkingen van het EESC ten aanzien van de Jaarlijkse groeianalyse betreffen vooral de moeite die sommige lidstaten nog altijd hebben om het vereiste niveau van investeringen te bereiken. Er zijn nog steeds grote verschillen als het op toegang tot financiering aankomt, waarbij met name het midden- en kleinbedrijf het moeilijk heeft. Dat zou funest kunnen zijn voor de effectiviteit van het plan, zelfs als nationale overheden politieke wil tonen. Het blijft vooralsnog onduidelijk hoe deze verschillen zullen worden aangepakt en verkleind om te zorgen voor meer inclusieve investeringen in Europa. Niettemin is het EESC zeer te spreken over de aanbevelingen van de Commissie inzake de toegang van het midden- en kleinbedrijf tot financiering, met een nieuwe aanpak van faillissementen en insolventie en verbetering van de regelgeving met als doel langetermijninvesteringen in het midden- en kleinbedrijf te stimuleren.

3.1.4.

Verder zullen de bestaande en beschikbare investeringsprogramma’s van cruciaal belang zijn voor het verwezenlijken van met de groei samenhangende doelstellingen, en moeten de lidstaten — met inbegrip van het publiek, bedrijven en officiële instanties — ertoe worden aangezet om actief deel te nemen aan voor hen ontworpen programma’s die inherent inclusief zijn en excellentie bevorderen, zoals Horizon 2020 (10) (voor onderzoek en innovatie), de Connecting Europe Facility (11) (voor infrastructuurinvesteringen) en COSME (12) (voor financiering van het mkb). Ook de structuren voor het toezicht op de programma’s zouden echter inclusiever en „gebruiksvriendelijker” moeten worden om excellentie te bevorderen en te zorgen voor een eerlijker toegang voor alle instellingen en lidstaten, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de voor de programma’s vereiste striktheid en excellentie.

3.1.5.

Het EESC twijfelt er niet aan dat sociale investeringen effectief zijn en een directe invloed hebben op het welzijn van de bevolking. De overheid moet in haar beleid oog houden voor de kracht van ondernemingen die tot de sociale economie behoren, niet alleen omdat deze nauw verbonden zijn met het maatschappelijk middenveld, maar ook omdat zij een goed voorbeeld vormen dat elders, in soortgelijke omstandigheden, navolging kan krijgen. Europa moet de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten in de gehele Gemeenschap bevorderen (13).

3.2.   Structurele hervormingen

3.2.1.

De interne markt voor goederen en diensten heeft altijd de kern gevormd van de Europese integratie. Veel is al bereikt, en met enorme inspanningen, maar op een aantal gebieden die van cruciaal belang zijn voor de groei is nog altijd niets veranderd. Het EESC is dan ook ingenomen met de inspanningen van de lidstaten om de belemmeringen voor een eengemaakte markt die doeltreffend, efficiënt en eerlijk is uit de weg te ruimen. Het EESC twijfelt bovendien niet aan de voordelen voor de Europese consument van een doeltreffende interne markt voor goederen en diensten, die Europa aantrekkelijker zou maken voor investeerders en aldus direct zou leiden tot meer werkgelegenheid en sociaal welzijn. Er zijn echter meer inspanningen en concrete stappen nodig om deze doelstelling te verwezenlijken.

3.2.2.

De leidende positie die zou worden bereikt door een interne digitale markt te creëren is daarom van cruciaal belang en is duidelijk iets waar het EESC volledig achter staat. Het EESC twijfelt niet aan de voordelen van een efficiënte eengemaakte digitale markt, en de financieringsregelingen voor investeringen in infrastructuur en kennis zouden op deze doelstelling moet worden gericht. Ook hier is echter sprake van verschillen tussen de lidstaten, die integratie in de weg zouden kunnen staan.

3.2.3.

Bij het stimuleren van excellentie en efficiëntie op de eengemaakte digitale markt (14) dient Europa van zijn concurrenten te eisen dat zij zich houden aan de Europese regels en normen. Anders zou het namelijk oneerlijk zijn voor de interne markt zelf. Het gaat het EESC hierbij niet om protectionisme of iets dergelijks. Het pleit alleen voor duidelijkheid tijdens het hele proces en zou graag zien dat maatregelen op juiste wijze worden uitgevoerd en aan eisen wordt voldaan. Dat is nodig om voorop te kunnen lopen in verschillende onderdelen van de economie en de samenleving.

3.2.4.

De plannen voor groei en nieuwe werkgelegenheid moeten worden afgestemd op nationale hervormingen die bedoeld zijn om voor hoogwaardige arbeidsparticipatie te zorgen, de productiviteit te verhogen en het beste te halen uit onderwijs- en opleidingssystemen.

3.3.   Het streven naar een verantwoord begrotingsbeleid

3.3.1.

Hoewel de overheidsschuld van de meeste lidstaten is afgenomen — het aantal landen met een buitensporig tekort is teruggelopen van 24 in 2011 tot 11 in 2014 (15), wat een positieve ontwikkeling is — valt er nog veel te doen op dit gebied, met name wat de groei op middellange en lange termijn betreft.

3.3.2.

Aanpassingen door de lidstaten, meestal met consequenties voor burgers en bedrijven, zijn ten koste gegaan van ieders maatschappelijk welzijn. De bestrijding van de nog steeds massale werkloosheid en de aanpak van de sociale crisis zouden in de Jaarlijkse groeianalyse dan ook expliciet als politieke prioriteit moeten worden genoemd.

3.3.3.

Het EESC pleit voor een beleid waarbij budgettaire verantwoordelijkheid hand in hand gaat met maatregelen voor economische groei, maar het uit te voeren beleid moet wel verband houden met de werkelijke omstandigheden in elke lidstaat. Het toepassen van dezelfde algemene maatregelen in onderling verschillende situaties leidt, zo is gebleken, alleen maar tot mislukking. De Commissie zal recente fouten vast niet opnieuw willen maken.

3.3.4.

De Commissie zou de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking moeten opvoeren. Omwille van de efficiëntie en de rechtvaardigheid zouden beproefde methoden om belastingfraude en belastingontduiking te bestrijden moeten worden gepromoot en gedeeld.

4.   Een beter, doeltreffender governancesysteem

4.1.

Het EESC is bij de beoordeling en herziening van de implementatie van de Europa 2020-strategie bijzonder actief geweest (16). Vanuit een gevoel van medeverantwoordelijkheid vindt het Comité dan ook dat het tijdschema van de herziening van de strategie afgestemd moet worden op het Europees semester en de Raad; dit is van cruciaal belang om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en de voorgestelde maatregelen meer effect te laten sorteren, alsook om de doelstellingen zelf tegen het licht te houden.

4.2.

Zoals door de stuurgroep Europa 2020 van het EESC meer dan eens is opgemerkt, is een dergelijke afstemming essentieel om de doeltreffendheid van de huidige maatregelen te beoordelen, de vastgestelde doelstellingen te evalueren en geïmplementeerde maatregelen zodanig aan te kunnen passen dat ze onder de feitelijke omstandigheden in Europa in het algemeen en in de lidstaten in het bijzonder doeltreffender worden.

4.3.

De stroomlijning van het Europees semester is een goede zaak, met name het voorstel om met één uitgebreide economische beoordeling per lidstaat te komen en deze eerder — in maart — te publiceren. Ook de landenspecifieke aanbevelingen zouden eerder gepubliceerd moeten worden.

4.4.

Het EESC is het met de Commissie eens dat de focus van de nationale hervormingsprogramma’s moet worden verlegd. Bij het opstellen hiervan dienen de sociale partners en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld al in een vroeg stadium te worden betrokken. Hierdoor zullen zij zich meer verantwoordelijk voelen voor het Europees semester, wat uiteindelijk de democratische legitimiteit ten goede komt en aldus leidt tot een betere uitvoering.

4.5.

De tussentijdse evaluatie van de Europa 2020-strategie moet tijdig worden gepubliceerd om de belanghebbenden voldoende tijd te geven voor het formuleren van hun standpunten.

4.6.

Bij de herziening van de Europa 2020-strategie zou plaats moeten worden ingeruimd voor het beleid voor sociale innovatie en sociale investeringen. Hieraan zou ook een speciaal vlaggenschipinitiatief moeten worden gewijd. De vorderingen die met sociale beleidsmaatregelen worden gemaakt zouden met sociale-impactmetingen moeten worden beoordeeld. Dit behelst ook sociale indicatoren in nationale voortgangsverslagen.

4.7.

Europa moet resoluut handelen door blijk te geven van solidariteit, respect voor de soevereiniteit van lidstaten, reactievermogen en bovenal intelligent leiderschap bij het streven naar inclusieve en evenwichtige oplossingen, om zo tot een consensus te komen waarbij de mensen zich scharen om een project dat werkelijk Europees is en dat iedereen ten goede komt.

4.8.

Het EESC is zich bewust van de uitdagingen die te wachten staan en is dan ook bezorgd over het feit dat in het AGS-verslag geen ideeën met betrekking tot milieukwesties worden aangedragen. Naar verwachting zullen deze kwesties in het investeringsplan aan de orde komen, maar een aparte passage over de uitdagingen, de kansen en het beleid op milieugebied zal de leiderspositie van Europa op dit vlak kracht bijzetten. Bovendien zal er een positief effect op het vertrouwen in de toekomst van de industrie in de EU alsook op de welvaart van de bevolking en de duurzaamheid van uitgaan.

Brussel, 19 februari 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Zie voor de Jaarlijkse groeianalyse 2015 de website van de Europese Commissie http://ec.europa.eu/europe2020/making-it-happen/annual-growth-surveys/index_nl.htm

(2)  Zie de bijlage.

(3)  EESC-advies Effecten van sociale investeringen (PB C 226 van 16.7.2014, blz. 21).

(4)  EESC-advies Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020 (PB C 271 van 19.9.2013, blz. 91), en EESC-advies Effecten van sociale investeringen (PB C 226 van 16.7.2014, blz. 21).

(5)  Zie de Verklaring van Milaan: EESC calls for innovation in the Union’s welfare systems to adapt to the new challenges ahead | Europees Economisch en Sociaal Comité.

(6)  EESC-advies over de Jaarlijkse groeianalyse 2014 (PB C 214 van 8 juli 2014, blz. 46).

(7)  Zie de aanbevelingen in het advies over de jaarlijkse groeianalyse 2014 en het EESC verslag over de tussentijdse herziening van Europa 2020:http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.europe-2020-meetings.34402

(8)  Zie voor het investeringsplan de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/priorities/jobs-growth-investment/plan/index_en.htm

(9)  EESC-advies Effecten van sociale investeringen (PB C 226 van 16.7.2014, blz. 21).

(10)  Zie voor „Horizon 2020” de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/programmes/horizon2020

(11)  Zie voor de „Connecting Europe Facility” de website van de Europese Commissie:http://ec.europa.eu/digital-agenda/en/connecting-europe-facility

(12)  Zie voor COSME de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/enterprise/initiatives/cosme/index_en.htm

(13)  EESC-advies over investeringen met sociale effecten (PB C 458, 19.12.2014, blz. 14).

(14)  EESC-advies over Vorderingen in de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie, EUR/7 — EESC-2015-00034-00-00-AC-TRA.

(15)  Zier voor het „buitensporige tekort” de Jaarlijkse groeianalyse 2015 op de website van de Europese Commissie http://ec.europa.eu/europe2020/making-it-happen/annual-growth-surveys/index_nl.htm, paragraaf 4. STREVEN NAAR BUDGETTAIRE VERANTWOORDELIJKHEID.

(16)  Zie verslag van het EESC over de tussentijdse herziening van Europa 2020 op http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.europe-2020-meetings.34402


BIJLAGE

Tijdschema van het Europees semester — klik op de link om het schema te bekijken:

http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.europe-2020-opinions.34757