ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 228

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

58e jaargang
13 juli 2015


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2015/C 228/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2015/C 228/02

Zaak C-22/15: Beroep ingesteld op 19 januari 2015 — Europese Commissie tegen Koninkrijk der Nederlanden

2

2015/C 228/03

Zaak C-154/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Granada (Spanje) op 1 april 2015 — Francisco Gutiérrez Naranjo/BBK Bank Cajasur, S.A.U.

3

2015/C 228/04

Zaak C-169/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Benelux Gerechtshof op 13 april 2015 — Montis Design BV tegen Goossens Meubelen BV

4

2015/C 228/05

Zaak C-179/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék (Hongarije) op 21 april 2015 — Daimler AG/Együd Garage Gépjárműjavító és Értékesítő Kft.

4

2015/C 228/06

Zaak C-189/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 24 april 2015 — Istituto di Ricovero e Cura a Carattere Scientifico (IRCCS) — Fondazione Santa Lucia/Cassa conguaglio per il settore elettrico e.a.

5

2015/C 228/07

Zaak C-198/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) (Verenigd Koninkrijk) op 29 april 2015 — Invamed Group Ltd, Invacare UK Ltd, Days Healthcare Ltd, Electric Mobility Euro Ltd, Medicare Technology Ltd, Sunrise Medical Ltd/Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs

6

2015/C 228/08

Zaak C-204/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa (Letland) op 4 mei 2015 — Valsts ieņēmumu dienests/SIA Latspas

6

2015/C 228/09

Zaak C-220/15: Beroep ingesteld op 12 mei 2015 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

7

2015/C 228/10

Zaak C-224/15 P: Hogere voorziening ingesteld op 15 mei 2015 door Rose Vision, SL tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 5 maart 2015 in zaak T-45/13, Rose Vision en Seseña/Commissie

8

 

Gerecht

2015/C 228/11

Zaak T-259/13: Arrest van het Gerecht van 30 april 2015 — Frankrijk/Commissie (EOGFL — Afdeling Garantie — ELGF en Elfpo — Aan financiering onttrokken uitgaven — Steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling — Gebieden met natuurlijke handicaps — Forfaitaire financiële correctie — Door Frankrijk gedane uitgaven — Belastingscriterium — Controles ter plaatse — Procedurele waarborgen)

10

2015/C 228/12

Zaak T-327/11: Beschikking van het Gerecht van 20 mei 2015 — Vinci Energies Schweiz/BHIM — Accentro Real Estate (ESTAVIS 1993) (Gemeenschapsmerk — Oppositie — Intrekking van oppositie — Afdoening zonder beslissing)

11

2015/C 228/13

Zaak T-391/12: Beschikking van het Gerecht van 7 mei 2015 — Lidl Stiftung/BHIM — Adveo Group International (UNITED OFFICE) (Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Intrekking van de vordering tot nietigverklaring — Afdoening zonder beslissing)

11

2015/C 228/14

Zaak T-48/13: Beschikking van het Gerecht van 18 mei 2015 — Out of the blue/BHIM — Mombauer (REFLEXX) (Gemeenschapsmerk — Oppositie — Intrekking van de oppositie — Afdoening zonder beslissing)

12

2015/C 228/15

Zaak T-403/13: Beschikking van het Gerecht van 21 mei 2015 — APRAM/Commissie [Beroep tot nietigverklaring — Cohesiefonds — Verordening (EG) nr. 1164/94 — Vermindering van de financiële bijstand — Niet rechtstreeks geraakt — Niet-ontvankelijkheid]

13

2015/C 228/16

Zaak T-559/14: Beschikking van het Gerecht van 18 mei 2015 — Ackermann Saatzucht e.a./Parlement en Raad [Beroep tot nietigverklaring — Verordening (EU) nr. 511/2014 — Voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie — Geen individuele geraaktheid — Niet-ontvankelijkheid]

13

2015/C 228/17

Zaak T-560/14: Beschikking van het Gerecht van 18 mei 2015 — ABZ Aardbeien Uit Zaad Holding e.a./Parlement en Raad [Beroep tot nietigverklaring — Verordening (EU) nr. 511/2014 — Voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie — Geen individuele geraaktheid — Niet-ontvankelijkheid]

14

2015/C 228/18

Zaak T-69/15: Beroep ingesteld op 12 februari 2015 — NK Rosneft e.a./Raad

15

2015/C 228/19

Zaak T-106/15: Beroep ingesteld op 25 februari 2015 — Opko Ireland Global Holdings/BHIM — Teva Pharmaceutical Industries (ALPHAREN)

16

2015/C 228/20

Zaak T-136/15: Beroep ingesteld op 20 maart 2015 — Evropaïki Dynamiki/Parlement

17

2015/C 228/21

Zaak T-164/15: Beroep ingesteld op 31 maart 2015 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Parlement

17

2015/C 228/22

Zaak T-165/15: Beroep ingesteld op 7 april 2015 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie

18

2015/C 228/23

Zaak T-220/15: Beroep ingesteld op 4 mei 2015 — Beele Engineering/BHIM (WE CARE)

19

2015/C 228/24

Zaak T-222/15: Beroep ingesteld op 4 mei 2015 — Beele Engineering/BHIM (WE CARE)

20

2015/C 228/25

Zaak T-223/15: Beroep ingesteld op 27 april 2015 — Morton’s of Chicago/BHIM — Mortons the Restaurant (MORTON'S)

20

2015/C 228/26

Zaak T-225/15: Beroep ingesteld op 4 mei 2015 — QuaMa Quality Management/BHIM — Microchip Technology (medialbo)

21

2015/C 228/27

Zaak T-237/15: Beroep ingesteld op 15 mei 2015 — Łabowicz/BHIM — Pure Fishing (NANO)

22

2015/C 228/28

Zaak T-238/15: Beroep ingesteld op 13 mei 2015 — Novartis/BHIM — Meda (Zimera)

23

2015/C 228/29

Zaak T-244/15: Beroep ingesteld op 15 mei 2015 — Klyuyev/Raad

23

2015/C 228/30

Zaak T-232/11: Beschikking van het Gerecht van 21 mei 2015 — Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe/Commissie

25

2015/C 228/31

Zaak T-45/12: Beschikking van het Gerecht van 8 mei 2015 — Verenigd Koninkrijk/ECB

25

2015/C 228/32

Zaak T-8/13: Beschikking van het Gerecht van 21 mei 2015 — ClientEarth e.a./Commissie

25

2015/C 228/33

Zaak T-30/13: Beschikking van het Gerecht van 18 mei 2015 — GRE/BHIM — Villiger Söhne (LIBERTE american blend)

25

2015/C 228/34

Zaak T-93/13: Beschikking van het Gerecht van 8 mei 2015 — Verenigd Koninkrijk/ECB

25

2015/C 228/35

Zaak T-671/13: Beschikking van het Gerecht van 12 mei 2015 — PAN Europe en Confédération paysanne/Commissie

26

2015/C 228/36

Zaak T-358/14: Beschikking van het Gerecht van 8 mei 2015 — Hoteles Catalonia/BHIM — Fundació Catalunya-La Pedrera, fundació especial (HOTEL CATALONIA LA PEDRERA)

26

2015/C 228/37

Zaak T-462/14: Beschikking van het Gerecht van 12 mei 2015 — EEB/Commissie

26

2015/C 228/38

Zaak T-542/14: Beschikking van het Gerecht van 8 mei 2015 — Grupo Bimbo/BHIM (Vorm van ronde sandwich)

26

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2015/C 228/39

Zaak F-78/14: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 3 juni 2015 — Gross/EDEO (Openbare dienst — Personeel van EDEO — Ambtenaren — Bevordering — Artikelen 43 en 45, lid 1, van het Statuut — Vergelijking van verdiensten van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren — Al dan niet door de diensten van EDEO voorgedragen ambtenaren — Inaanmerkingneming van de beoordelingsrapporten — Uitsluitend in woorden uitgedrukte beoordelingen)

27

2015/C 228/40

Zaak F-128/14: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Enkelvoudige kamer) van 3 juni 2015 — Bedin/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Tuchtprocedure — Tuchtmaatregel — Respectieve rol en bevoegdheden van de tuchtraad en het TABG — Beoordeling van de echtheid van de gelaakte feiten)

27


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2015/C 228/01)

Laatste publicatie

PB C 221 van 6.7.2015

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 213 van 29.6.2015

PB C 205 van 22.6.2015

PB C 198 van 15.6.2015

PB C 190 van 8.6.2015

PB C 178 van 1.6.2015

PB C 171 van 26.5.2015

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/2


Beroep ingesteld op 19 januari 2015 — Europese Commissie tegen Koninkrijk der Nederlanden

(Zaak C-22/15)

(2015/C 228/02)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Lozano Palacios en G. Wils, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk der Nederlanden

Conclusies

De Commissie verzoekt het Hof:

vast te stellen dat door vrijstelling van de btw te verlenen voor de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen aan leden van watersportverenigingen die voor hun dienstverlening geen gebruik maken van één of meer personen die in dienstbetrekking bij hen werkzaam zijn, voor vaar- of ontspanningsactiviteiten die niet kunnen worden gelijkgesteld met de beoefening van sport of lichamelijke opvoeding, het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens de artikelen 2, lid 1, 24, lid 1, en 133, van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de „btw-richtlijn”) in verbinding met artikel 132, lid 1, sub m, ervan op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

vast te stellen dat door, wanneer de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen gebeurt aan leden die sport beoefenen en de verhuur nauw samenhangt met en onontbeerlijk is voor de beoefening van die sport, de vrijstelling van deze verhuur te beperken tot watersportverenigingen die voor hun dienstverlening geen gebruik maken van één of meer personen die in dienstbetrekking bij hen werkzaam zijn, het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens de artikelen 2, lid 1, 24, lid 1, en 133, van richtlijn 2006/112/EG in verbinding met artikel 132, lid 1, sub m, ervan op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Richtlijn 2006/112/EG verplicht de lidstaten ertoe een vrijstelling te verlenen voor sommige diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en welke door instellingen zonder winstoogmerk worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen.

2.

Artikel 11, lid 1, punt e, van de Nederlandse Wet Omzetbelasting 1968 stelt van btw vrij de diensten door sportverenigingen aan hun leden, met uitzondering van de diensten door watersportorganisaties die voor hun dienstverlening gebruik maken van één of meer personen die in dienstbetrekking werkzaam zijn ten behoeve van de organisatie, voor zover deze diensten bestaan in het met behulp van deze personen verrichten van werkzaamheden met betrekking tot vaartuigen dan wel in het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen.

3.

Deze Nederlandse vrijstelling is volgens de Commissie tegelijk te ruim en te strikt.

4.

Op de eerste plaats is de Commissie het er niet mee eens dat de vrijstelling niet beperkt is tot verhuur aan leden van de vereniging zonder winstoogmerk die sport beoefenen, maar zich ook uitstrekt tot de verhuur aan leden van de vereniging die louter recreatief of wellicht zelfs residentieel, zonder de aanlegplaats te verlaten, gebruik maken van het in de gehuurde lig- of bergplaats geplaatste vaartuig. In die mate is de vrijstelling strijdig met artikelen 2, lid 1, 24, lid 1, en 133, van de btw-richtlijn.

5.

Op de tweede plaats is de Commissie het er niet mee eens dat om van de vrijstelling te genieten, de betrokken verenigingen geen personeel in dienst mogen hebben. Op die manier voegt Nederland een voorwaarde toe die verder gaat dan wat artikel 133 (in verbinding met artikel 132, lid 1, sub m) van de btw-richtlijn toelaat.


(1)  PB L 347, blz. 1.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Granada (Spanje) op 1 april 2015 — Francisco Gutiérrez Naranjo/BBK Bank Cajasur, S.A.U.

(Zaak C-154/15)

(2015/C 228/03)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Mercantil de Granada

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Francisco Gutiérrez Naranjo

Verwerende partij: BBK Bank Cajasur, S.A.U.

Prejudiciële vragen

1)

Is de uitleg van „niet-bindendheid” in artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG (1) in de voorliggende omstandigheden verenigbaar met een uitlegging volgens welke de gevolgen van de nietigverklaring van het betrokken beding zich niettemin uitstrekken over de periode tot aan de uitspraak van de nietigverklaring? Met andere woorden, ook al wordt een beding nietig verklaard, moeten de gevolgen die dat beding heeft teweeggebracht toen het nog van kracht was, worden geacht hun geldigheid of werking niet te verliezen?

2)

Wanneer een beding in het kader van een individuele vordering van een consument nietig wordt verklaard, is dan een bevel tot staking van het gebruik van dat beding (opgelegd overeenkomstig artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1,) verenigbaar met een beperking van de gevolgen van de nietigverklaring? Bestaat de mogelijkheid tot matiging (door de rechter) van de verplichting van de verkoper tot teruggave van hetgeen de consument betaald heeft krachtens een beding dat ex tunc nietig wordt verklaard wegens gebrek aan informatie en/of transparantie?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten PB L 95, blz. 29


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Benelux Gerechtshof op 13 april 2015 — Montis Design BV tegen Goossens Meubelen BV

(Zaak C-169/15)

(2015/C 228/04)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Benelux Gerechtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Montis Design BV

Verweerster: Goossens Meubelen BV

Prejudiciële vragen

1)

Is de beschermingstermijn genoemd in artikel 10 in verbinding met artikel 13, lid 1, van de Beschermingstermijnrichtlijn (1) van toepassing op auteursrechten die aanvankelijk beschermd werden door de nationale wetgeving op het gebied van het auteursrecht, maar vóór 1 juli 1995 zijn vervallen wegens het niet (tijdig) voldoen aan een formeel vereiste, meer in het bijzonder het niet (tijdig) afleggen van een instandhoudingsverklaring als bedoeld in artikel 21, lid 3, BTMW [Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen en modellen] (oud)?

2)

Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt:

Dient de Beschermingstermijnrichtlijn zo te worden uitgeleid dat deze zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die meebrengt dat het auteursrecht ten aanzien van een werk van toegepaste kunst dat vóór 1 juli 1995 Is vervallen wegens het niet voldoen aan een formeel vereiste, als blijvend vervallen geldt?

3)

Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt:

Indien het desbetreffende auteursrecht volgens de nationale wetgeving moet worden geacht op enig moment te herleven of te zijn herleefd, met ingang van welk tijdstip is dat dan het geval?


(1)  Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB L 290, blz. 9), thans richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (gecodificeerde versie) (PB L 372, blz. 12).


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék (Hongarije) op 21 april 2015 — Daimler AG/Együd Garage Gépjárműjavító és Értékesítő Kft.

(Zaak C-179/15)

(2015/C 228/05)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Törvényszék

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Daimler AG

Verwerende partij: Együd Garage Gépjárműjavító és Értékesítő Kft.

Prejudiciële vraag

Moet artikel 5, lid 1, onder b), van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) (1) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten aldus worden uitgelegd dat de houder van een merk tegen een derde die wordt genoemd in een internetadvertentie waarin een teken is opgenomen dat met het merk kan worden verward en die betrekking heeft op door de derde aangeboden diensten die identiek zijn aan de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven, zodat bij het publiek ten onrechte de indruk kan worden gewekt dat er officiële commerciële banden bestaan tussen de onderneming van de derde en de houder van het merk, ook dán kan optreden, wanneer de advertentie niet op het internet is geplaatst door of voor rekening van de erin genoemde persoon of op het internet blijft opduiken hoewel de erin genoemde persoon alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om de advertentie te laten verwijderen, maar daar niet in is geslaagd?


(1)  PB 1989, L 40, blz. 1.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 24 april 2015 — Istituto di Ricovero e Cura a Carattere Scientifico (IRCCS) — Fondazione Santa Lucia/Cassa conguaglio per il settore elettrico e.a.

(Zaak C-189/15)

(2015/C 228/06)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Istituto di Ricovero e Cura a Carattere Scientifico (IRCCS) — Fondazione Santa Lucia

Verwerende partijen: Cassa conguaglio per il settore elettrico, Ministero dello Sviluppo economico, Ministero dell’Economia e delle Finanze, Autorità per l’energia elettrica e il gas Autorità per l’energia elettrica e il gas

Prejudiciële vragen

1)

Valt een nationale wettelijke regeling (zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding), die enerzijds een definitie van het begrip „energie-intensieve bedrijven” hanteert die overeenstemt met de definitie die in richtlijn 2003/96 (1) is vastgesteld, en die anderzijds dit type bedrijven voordelen verleent via betalingen ter financiering van de algemene stroominfrastructuurkosten (en dus niet bij wege van incentives die verband houden met heffingen op energieproducten en elektriciteit als zodanig), binnen de werkingssfeer van deze richtlijn?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: staan het Unierecht en inzonderheid de artikelen 11 en 17 van richtlijn 2003/96 in de weg aan een wettelijke en bestuurlijke regeling (zoals de in casu beschreven regeling die in Italië van kracht is), die enerzijds voorziet in een stelsel van belastingverlagingen voor het verbruik van energieproducten (stroom) door „energie-intensieve” bedrijven in de zin van voornoemd artikel 17, en die anderzijds de begunstiging via dit stelsel van belastingverlagingen voorbehoudt aan „energie-intensieve” bedrijven die actief zijn in de verwerkende industrie, en deze voordelen dus ontzegt aan ondernemingen die in andere productiesectoren actief zijn?


(1)  Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51).


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) (Verenigd Koninkrijk) op 29 april 2015 — Invamed Group Ltd, Invacare UK Ltd, Days Healthcare Ltd, Electric Mobility Euro Ltd, Medicare Technology Ltd, Sunrise Medical Ltd/Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs

(Zaak C-198/15)

(2015/C 228/07)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

First-tier Tribunal (Tax Chamber)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Invamed Group Ltd, Invacare UK Ltd, Days Healthcare Ltd, Electric Mobility Euro Ltd, Medicare Technology Ltd, Sunrise Medical Ltd

Verwerende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs

Prejudiciële vragen

De verwezen vragen betreffen bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 (1) van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie, en post 8713 daarvan

1)

Moeten onder het begrip „invalidenwagens” wagens worden verstaan die uitsluitend voor invaliden zijn bestemd?

2)

Wat betekent het begrip „invaliden”? Meer bepaald:

(a)

Is de betekenis ervan beperkt tot personen die naast een beperking van hun loopvermogen of van het vermogen moeiteloos te lopen een handicap hebben? Of heeft het ook betrekking op personen die alleen beperkt zijn in hun loopvermogen of het vermogen moeiteloos te lopen?

(b)

Houdt „invalide” een meer dan marginale beperking van een bepaald vermogen in?

(c)

Kan een tijdelijke beperking, bijvoorbeeld als gevolg van een gebroken been, als handicap worden beschouwd?

3)

Wordt de betekenis van post 8713 gewijzigd door de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van 4 januari 2005 (2005/C 1/03) (2), waarbij scooters met een afzonderlijke stuurkolom worden uitgesloten?

4)

Is de mogelijkheid dat een persoon zonder handicap een voertuig gebruikt van invloed op de tariefindeling indien kan worden gesteld dat het voertuig over specifieke kenmerken beschikt om de gevolgen van een handicap te verlichten?

5)

In hoeverre moeten, indien de geschiktheid voor gebruik door personen zonder handicap een relevant criterium is, de nadelen van een dergelijk gebruik eveneens als relevant criterium worden beschouwd bij het bepalen of een voertuig voor dat gebruik geschikt is?


(1)  PB L 301, blz. 1.

(2)  Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie (PB C 137, blz. 1).


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa (Letland) op 4 mei 2015 — Valsts ieņēmumu dienests/SIA „Latspas”

(Zaak C-204/15)

(2015/C 228/08)

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Augstākā tiesa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker tot cassatie: Valsts ieņēmumu dienests

Andere partij in de procedure: SIA „Latspas”

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 29, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 (1) van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat de in dat artikel vastgestelde methode ook van toepassing is wanneer goederen, die aan rechten bij invoer zijn onderworpen, naar aanleiding van invoer en in het vrije verkeer brengen in het douanegebied van de Gemeenschap tijdens de doorvoer aan het douanetoezicht zijn onttrokken en niet voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, maar voor uitvoer uit de Gemeenschap zijn verkocht?

2)

Moet het woord „achtereenvolgens” in artikel 30, lid 1, van verordening nr. 2913/92 in samenhang met het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op behoorlijk bestuur en het beginsel dat bestuurshandelingen moeten worden gemotiveerd, aldus worden uitgelegd dat de belastingdienst, om tot de conclusie te kunnen komen dat de methode van artikel 31 moet worden toegepast, in iedere bestuurshandeling moet verklaren waarom de in de artikelen 29 en 30 vastgestelde methoden voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen in die specifieke omstandigheden niet kunnen worden toegepast?


(1)  PB L 302, blz. 1.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/7


Beroep ingesteld op 12 mei 2015 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-220/15)

(2015/C 228/09)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Kukovec, A. C. Becker, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 6, punt 1 van richtlijn 2007/23/EG (1) niet is nagekomen, door in de Erste Verordnung zum Sprengstoffgesetz (Eerste besluit bij de Duitse wet op de springstoffen, hierna: „1. SprengV”) naast de vereisten van de richtlijn te hebben bepaald dat, ongeacht een eerder uitgevoerde conformiteitsbeoordeling, pyrotechnische artikelen de procedure van § 6, vierde alinea, 1. SprengV, moeten doorlopen alvorens in de handel te worden gebracht, en dat de Bundesanstalt für Materialforschung und -prüfung (Duits federaal onderzoeks- en testinstituut voor materialen) ingevolge § 6, vierde alinea, vijfde volzin, 1. SprengV bevoegd is, de gebruiksaanwijzingen van alle pyrotechnische artikelen te controleren en zo nodig te wijzigen.

de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep betreft de vraag in hoeverre de lidstaten aan fabrikanten en importeurs van pyrotechnische artikelen in de zin van richtlijn 2007/23/EG aanvullende nationale vereisten voor het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen kunnen opleggen, ook voor die producten die blijkens een aangebrachte CE-markering voldoen aan de wezenlijke vereisten van de richtlijn. Daarenboven stellen de door de Commissie betwiste regelingen geen inhoudelijke vereisten aan deze producten, maar voorzien zij enkel in een aanvullende procedure, die voorafgaand aan de markttoegang op het grondgebied van verweerster plaatsvindt.

Verweerster eist namelijk dat, ondanks een bewijs van overeenstemming, van alle pyrotechnische artikelen in de zin van richtlijn 2007/23/EG aangifte wordt gedaan bij een wettelijk aangewezen federaal instituut, dat ten bewijze van de aangifte een identificatienummer verstrekt. Niet alleen duurt de procedure tamelijk lang, ook kan zij gepaard gaan met de betaling van administratiekosten en de afgifte van monsters. De Commissie staat op het standpunt dat het vereiste van een dergelijke procedure een schending vormt van het in artikel 6 van richtlijn 2007/23/EG gewaarborgde vrije goederenverkeer voor alle pyrotechnische artikelen die aan de vereisten van de richtlijn voldoen.

Deze situatie is ook door de vaststelling van richtlijn 2013/29/EU (2), waarbij richtlijn 2007/23/EG met ingang van 1 juli 2015 wordt ingetrokken, niet veranderd. Ten eerste wordt de periode waarover wordt beoordeeld of sprake is van niet-nakoming bepaald door het verstrijken van de in het met redenen omklede advies genoemde termijn (in dit geval 27 maart 2014). Ten tweede bevat richtlijn 2013/29/EU in artikel 4, eerste alinea, een voorschrift ter waarborg van het vrije verkeer voor alle pyrotechnische artikelen die aan de Unierechtelijke vereisten voldoen, dat identiek is aan artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 2007/23/EG.

De in het onderhavige geval gestelde inbreuk op een recht door verweerster bestaat derhalve in wezen uit een procedurele voorwaarde voor het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen, die naar mening van de Commissie niet is toegestaan en verder strekt dan de geharmoniseerde vereisten van het Unierecht. De betwiste regeling wekt als vormvoorschrift op het eerste gezicht wellicht de indruk enkel tot gevolg te hebben dat de verhandeling van deze producten in de afzonderlijke gevallen een vertraging oploopt die valt te overzien. De concrete gevolgen van deze regeling moeten echter niet worden onderschat. Daarbij moet allereerst in aanmerking worden genomen dat verweerster een van de grootste, zo niet de grootste, afzetmarkten voor pyrotechnische artikelen op de interne markt vormt. Verder moet in aanmerking worden genomen dat bepaalde pyrotechnische artikelen op het grondgebied van verweerster slechts eenmaal per jaar, en slechts voor zeer korte tijd, aan consumenten mogen worden verkocht, waardoor de tijdsdimensie van deze markttoegang des te meer betekenis krijgt. In dit opzicht geeft het tot slot ook te denken dat de regeling die thans wordt betwist, krachtens het nationale recht wordt uitgevoerd door dezelfde autoriteiten als die welke tevens als aangemelde instantie in de zin van richtlijn 2007/23/EG zijn aangewezen om de conformiteitsbehoordelingsprocedures uit te voeren. Het vereiste van een aanvullende procedure in het nationale recht van verweerster verschaft deze autoriteiten derhalve een concurrentievoordeel ten opzichte van de aangemelde instanties van andere lidstaten. In het licht van deze praktische gevolgen van de bestreden regeling gaat het in de onderhavige procedure dan ook geenszins louter om de principiële juridische beoordeling van een belemmering van de marktdeelnemers om producten die naar eerder oordeel van een andere dan de Duitse aangemelde instantie in overeenstemming zijn met de vereisten van het Unierecht, in de handel te brengen.


(1)  Richtlijn 2007/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (PB L 154, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) (PB L 178, blz. 27).


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/8


Hogere voorziening ingesteld op 15 mei 2015 door Rose Vision, SL tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 5 maart 2015 in zaak T-45/13, Rose Vision en Seseña/Commissie

(Zaak C-224/15 P)

(2015/C 228/10)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Rose Vision, SL (vertegenwoordiger: J. J. Marín López, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 5 maart 2015, Rose Vision en Seseña/Commissie, T-45/13, EU:T:2015:138;

nietigverklaring van het besluit tot opschorting van de betalingen dat door de Commissie en door de andere organen van de Unie (inzonderheid het Uitvoerend Agentschap onderzoek) is vastgesteld in het kader van de audits 11-INFS-025 en 11-BA119-016, met de daaraan in punt 51 van de onderhavige voorziening verbonden consequenties;

vaststellen dat de Commissie de contractuele bepalingen van de overeenkomst tot toekenning van steun aan het project FutureNEM heeft geschonden wat de vertrouwelijkheidsplicht betreft, zodat de Commissie Rose Vision een schadevergoeding dient te betalen overeenkomstig de in punt 93 van de onderhavige voorziening geformuleerde vordering;

vaststellen dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie jegens Rose Vision vaststaat doordat zij deze laatste heeft opgenomen onder categorie W 2 van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) dat is ingevoerd bij besluit 2008/969/EG (1), Euratom van de Commissie van 16 december 2008 betreffende het systeem voor vroegtijdige waarschuwing dat door de ordonnateurs van de Commissie en de uitvoerende agentschappen kan worden gebruikt, en doordat zij de betalingen heeft opgeschort, en tevens verklaren dat de Commissie de in punt 122 van de onderhavige voorziening beschreven materiële of economische schade en immateriële schade dient te vergoeden.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat sprake was van een verlenging van de termijn die is vastgesteld in punt II.22, lid 5, van de algemene voorwaarden voor de indiening van de eindversie van de auditrapporten 11-INFS-025 en 11-BA119-016 (punten 93 en 95 van het bestreden arrest) en dat de Commissie de overeenkomst tot toekenning van steun niet heeft geschonden (punt 97 van het bestreden arrest).

2.

Onjuiste rechtsopvatting door geen motivering te verstrekken voor de vaststelling dat in de conclusies van het ontwerp voor het auditrapport 11-INFS-025 „reeds werd gewezen op bepaalde personeelskosten die niet voor vergoeding in aanmerking kwamen en op de overtreding van een aantal contractuele bepalingen, hetgeen werd bevestigd in de definitieve versie van dit auditrapport” (punt 99 van het bestreden arrest).

3.

Onjuiste rechtsopvatting door met betrekking tot auditrapport 11-INFS-025 te oordelen dat Rose Vision „geen enkel (...) gegeven heeft aangedragen dat afdoet aan de conclusies van dit auditrapport” (punt 101 van het bestreden arrest) en dat de Commissie de overeenkomst tot toekenning van steun niet heeft geschonden (punt 102 van het bestreden arrest).

4.

Onjuiste rechtsopvatting door te ontkennen dat inzake de vertrouwelijkheidsplicht inbreuk was gemaakt op de contractuele bepalingen van de overeenkomst tot toekenning van steun aan het project FutureNEM (punt 104 van het bestreden arrest).

5.

Onjuiste rechtsopvatting door afwijzing van de aansprakelijkheid van de Unie voor de schade die voortvloeide uit de indeling van Rose Vision bij categorie W 2 van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) waarin besluit 2008/969/EG voorziet, alsook door opschorting van de betalingen aan Rose Vision (punt 120 van het bestreden arrest).


(1)  PB L 344, blz. 125.


Gerecht

13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/10


Arrest van het Gerecht van 30 april 2015 — Frankrijk/Commissie

(Zaak T-259/13) (1)

((„EOGFL - Afdeling Garantie - ELGF en Elfpo - Aan financiering onttrokken uitgaven - Steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling - Gebieden met natuurlijke handicaps - Forfaitaire financiële correctie - Door Frankrijk gedane uitgaven - Belastingscriterium - Controles ter plaatse - Procedurele waarborgen”))

(2015/C 228/11)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: E. Belliard, D. Colas, C. Candat en G. de Bergues, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Bianchi en G. von Rintelen, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: aanvankelijk N. Díaz Abad, vervolgens A. Sampol Pucurull, abogados del Estado)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2013/123/EU van de Commissie van 26 februari 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 67, blz. 20)

Dictum

1)

Uitvoeringsbesluit 2013/123/EU van de Commissie van 26 februari 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), wordt nietig verklaard voor zover daarbij een financiële correctie is opgelegd aan de Franse Republiek in het kader van steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling voor schapen waarvoor over de begrotingsjaren 2008 en 2009 geen schapenpremie is aangevraagd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Franse Republiek draagt driekwart van haar eigen kosten en driekwart van de kosten van de Europese Commissie.

4)

De Europese Commissie wordt verwezen in een vierde van haar eigen kosten en een vierde van de kosten van de Franse Republiek.

5)

Het Koninkrijk Spanje draagt zijn eigen kosten.


(1)  PB C 207 van 20.7.2013.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/11


Beschikking van het Gerecht van 20 mei 2015 — Vinci Energies Schweiz/BHIM — Accentro Real Estate (ESTAVIS 1993)

(Zaak T-327/11) (1)

((„Gemeenschapsmerk - Oppositie - Intrekking van oppositie - Afdoening zonder beslissing”))

(2015/C 228/12)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Vinci Energies Schweiz AG (Zürich, Zwitserland) (vertegenwoordiger: M. Graf, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Schneider, vervolgens G. Schneider en D. Botis, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Accentro Real Estate AG, voorheen Estavis AG (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Wieland, vervolgens T. Wieland en S. Müller, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 31 maart 2011 (zaak R 231/2010-1) inzake een oppositieprocedure tussen Vinci Energies Schweiz AG en Estavis AG

Dictum

1)

Op het beroep hoeft niet meer te worden beslist.

2)

Verzoekster zal haar eigen kosten dragen alsook die van de verwerende partij.

3)

Interveniënte zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 269 van 10.9.2011.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/11


Beschikking van het Gerecht van 7 mei 2015 — Lidl Stiftung/BHIM — Adveo Group International (UNITED OFFICE)

(Zaak T-391/12) (1)

((„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Intrekking van de vordering tot nietigverklaring - Afdoening zonder beslissing”))

(2015/C 228/13)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Lidl Stiftung & Co. KG (Neckarsulm, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Wolter en S. Paul, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: A. Poch en S. Hanne, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Adveo Group International, SA, voorheen Unipapel Industria, Comercio y Servicios, SL (Tres Cantos, Spanje) (vertegenwoordiger: A. Tari Lázaro, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 21 juni 2012 (zaak R 745/2011 1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Lidl Stiftung & Co. KG en Adveo Group International, SA

Dictum

1)

Op het beroep hoeft niet meer te worden beslist.

2)

Verzoekster moet haar eigen kosten dragen, alsook die van de verwerende partij. Interveniënte zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 355 van 17.11.2012.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/12


Beschikking van het Gerecht van 18 mei 2015 — Out of the blue/BHIM — Mombauer (REFLEXX)

(Zaak T-48/13) (1)

((„Gemeenschapsmerk - Oppositie - Intrekking van de oppositie - Afdoening zonder beslissing”))

(2015/C 228/14)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Out of the blue KG (Lilienthal, Duitsland) (vertegenwoordigers: G. Hasselblatt en I. George, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Poch, vervolgens S. Hanne, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Meinhard Mombauer (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Vohwinkel, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 19 november 2012 (zaak R 1656/2011-4) inzake een oppositieprocedure tussen Out of the blue KG en Meinhard Mombauer

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Verzoekster en interveniënt worden verwezen in hun eigen kosten en elk in de helft van de kosten van verweerder.


(1)  PB C 86 van 23.3.2013.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/13


Beschikking van het Gerecht van 21 mei 2015 — APRAM/Commissie

(Zaak T-403/13) (1)

([„Beroep tot nietigverklaring - Cohesiefonds - Verordening (EG) nr. 1164/94 - Vermindering van de financiële bijstand - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid”])

(2015/C 228/15)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: APRAM — Administração dos Portos da Região Autónoma da Madeira, SA (Funchal, Portugal) (vertegenwoordiger: M. Gorjão-Henriques, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Guerra e Andrade en D. Recchia, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van besluit C(2013) 1870 final van de Commissie van 27 maart 2013, waarbij de financiële bijstand van het Cohesiefonds die was verleend voor het project „Ontwikkeling van de havenstructuur van de Autonome Regio Madeira — haven van Caniçal”, Madeira (Portugal), wordt verminderd

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

APRAM — Administração dos Portos da Região Autónoma da Madeira, SA draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 367 van 14.12.2013.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/13


Beschikking van het Gerecht van 18 mei 2015 — Ackermann Saatzucht e.a./Parlement en Raad

(Zaak T-559/14) (1)

([„Beroep tot nietigverklaring - Verordening (EU) nr. 511/2014 - Voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie - Geen individuele geraaktheid - Niet-ontvankelijkheid”])

(2015/C 228/16)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ackermann Saatzucht GmbH & Co.KG (Irlbach, Duitsland) en de overige verzoeksters wier namen in de bijlage van de beschikking staan vermeld (vertegenwoordigers: P. de Jong, P. Vlaemminck en B. Van Vooren, advocaten)

Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. Visaggio, J. Rodrigues en R. Van de Westelaken, gemachtigden); en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Moore en M. Simm, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie (PBL 150, blz. 59)

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan op het verzoek tot interventie van de European Seed Association (ESA).

3)

Ackermann Saatzucht GmbH & Co. KG en de overige verzoeksters wier namen in de bijlage van de beschikking staan vermeld, dragen hun eigen kosten en die van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.


(1)  PB C 388 van 3.11.2014.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/14


Beschikking van het Gerecht van 18 mei 2015 — ABZ Aardbeien Uit Zaad Holding e.a./Parlement en Raad

(Zaak T-560/14) (1)

([„Beroep tot nietigverklaring - Verordening (EU) nr. 511/2014 - Voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie - Geen individuele geraaktheid - Niet-ontvankelijkheid”])

(2015/C 228/17)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: ABZ Aardbeien Uit Zaad Holding e.a. (Hoorn NH, Nederland) en de overige verzoeksters wier namen in de bijlage van de beschikking staan vermeld (vertegenwoordigers: P. de Jong, P. Vlaemminck en B. Van Vooren, advocaten)

Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. Visaggio, J. Rodrigues en R. Van de Westelaken, gemachtigden); en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Moore en M. Simm, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie (PB L 150, blz. 59)

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan op het verzoek tot interventie van de European Seed Association (ESA) en de Association internationale des producteurs de l’horticulture (AIPH).

3)

ABZ Aardbeien Uit Zaad Holding BV en de overige verzoeksters wier namen in de bijlage van de beschikking staan vermeld, dragen hun eigen kosten en die van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.


(1)  PB C 388 van 3.11.2014.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/15


Beroep ingesteld op 12 februari 2015 — NK Rosneft e.a./Raad

(Zaak T-69/15)

(2015/C 228/18)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: NK Rosneft OAO (Moskou, Rusland); RN-Shelf-Arctic OOO (Moskou); RN-Shelf-Dalniy Vostok ZAO (Yuzhniy Sakhalin, Rusland); RN-Exploration OOO (Moskou), en Tagulskoe OOO (Krasnoyarsk, Rusland) (vertegenwoordiger: T. Beazley, QC)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

artikel 1, lid 1, van besluit 2014/872/GBVB van de Raad van 4 december 2014 („tweede wijzigingsbesluit”) tot wijziging van besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren en besluit 2014/659/GBVB tot wijziging van besluit 2014/512/GBVB (1), nietig verklaren;

artikel 1, leden 3 tot en met 8, van verordening (EU) nr. 1290/2014 van de Raad van 4 december 2014 („tweede wijzigingsverordening”) tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 960/2014 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 (2), nietig verklaren;

verder of subsidiair, besluit 2014/872/GBVB van de Raad en verordening (EU) nr. 1290/2014 van de Raad nietig verklaren voor zover zij op de verzoekende partijen van toepassing zijn, en

de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen negen middelen aan. Met deze middelen stellen verzoekende partijen dat de Raad niet bevoegd was om de tweede wijzigingsmaatregelen vast te stellen, of dat hij, wanneer hij toch bevoegd zou zijn geweest, deze maatregelen niet rechtsgeldig kon vaststellen.

1.

Eerste middel: de tweede wijzigingsmaatregelen zijn niet voldoende gemotiveerd om de rechtmatigheid ervan te kunnen toetsen, en zij maken inbreuk op de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming van de verzoekende partijen.

2.

Tweede middel: het doel van de tweede wijzigingsmaatregelen is geen legitiem doel van het GBVB.

3.

Derde middel: de tweede wijzigingsmaatregelen zijn in strijd met de internationaalrechtelijke verplichtingen van de Unie op grond van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Rusland en/of de Algemene overeenkomst inzake handel en tarieven.

4.

Vierde middel: uit de tweede wijzigingsverordening blijkt geen rationele samenhang tussen de doelen van het besluit en de middelen om deze te bereiken.

5.

Vijfde middel: de tweede wijzigingsverordening geeft op wezenlijke punten niet naar behoren uitvoering aan de bepalingen van het besluit.

6.

Zesde middel: de tweede wijzigingsmaatregelen zijn in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van willekeur.

7.

Zevende middel: de tweede wijzigingsmaatregelen staan niet in verhouding tot het doel van het besluit, zodat zij inbreuk maken op de wetgevingsbevoegdheden van de Unie en een onevenredige beperking vormen van de fundamentele rechten van verzoekende partijen.

8.

Achtste middel: de tweede wijzigingsmaatregelen houden een misbruik van bevoegdheden in.

9.

Negende middel: de tweede wijzigingsmaatregelen maken inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel door de onduidelijkheid van sleutelbegrippen.


(1)  PB L 349, 5.12.2014, blz. 58.

(2)  PB L 349, 5.12.2014, blz. 20.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/16


Beroep ingesteld op 25 februari 2015 — Opko Ireland Global Holdings/BHIM — Teva Pharmaceutical Industries (ALPHAREN)

(Zaak T-106/15)

(2015/C 228/19)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Opko Ireland Global Holdings Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: S. Malynicz, Barrister, en A. Smith, Solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Teva Pharmaceutical Industries Ltd (Jeruzalem, Israël)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „ALPHAREN” — inschrijvingsaanvraag nr. 4 320 297

Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het BHIM van 26 november 2014 in zaak R 2387/2014-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het BHIM in zijn eigen kosten en in verzoeksters kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 1, onder d), punt 2, van verordening nr. 216/96 doordat een lid van de kamer die de oorspronkelijke beslissing van de kamer van beroep in 2009 heeft genomen, ook lid was van de kamer van beroep die de bestreden beslissing heeft genomen;

schending van artikel 50 van de uitvoeringsverordening doordat is uitgegaan van nieuw bewijsmateriaal dat niet voor het BHIM was overgelegd bij de eerste zitting over de oppositie;

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 doordat in het stadium van de oppositie de last van het bewijs dat de betrokken waren soortgelijk zijn, niet bij de opposant is gelegd;

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 doordat de kamer van beroep het relevante publiek onjuist heeft bepaald en in het algemeen het verwarringsgevaar onjuist heeft beoordeeld.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/17


Beroep ingesteld op 20 maart 2015 — Evropaïki Dynamiki/Parlement

(Zaak T-136/15)

(2015/C 228/20)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: I. Ampazis en M. Sfyri, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van 13 februari 2015 (302534) van de vicevoorzitter van het Europees Parlement, waarbij het confirmatieve verzoek [op grond van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie] van verzoekende partij om toegang te krijgen tot de documenten van het Europees Parlement betreffende alle verzoeken om prijsopgave voor alle percelen van aanbesteding nr. ITS08 — externe dienstverlening voor IT-diensten 2008S/149-199622 werd verworpen en het besluit van 18 december 2014 van de secretaris-generaal van het Parlement werd bevestigd; en

verwijzing van het Parlement, zelfs bij verwerping van het beroep, in de juridische en andere kosten en uitgaven die in verband met dit beroep zijn gemaakt en gedaan.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij twee middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001 (1) doordat het Parlement de documenten waarom werd gevraagd niet afzonderlijk heeft beoordeeld en zelfs gedeeltelijke toegang tot de gevraagde documenten heeft geweigerd.

2.

Tweede middel: de door het Parlement aangevoerde rechtvaardiging met betrekking tot de bescherming van de openbare veiligheid, de persoonlijke levenssfeer, de commerciële belangen van een natuurlijke of een rechtspersoon en het besluitvormingsproces is geheel ongegrond.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/17


Beroep ingesteld op 31 maart 2015 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Parlement

(Zaak T-164/15)

(2015/C 228/21)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partijen: European Dynamics Luxembourg SA (Luxemburg, Luxemburg), Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: Ι. Ambazis en M. Sfiri, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

nietig verklaren het besluit van het Europees Parlement, dat verzoeksters ter kennis is gebracht bij brief D (2015) 7680 van 13 februari 2015, waarbij de offerte van verzoeksters in rang drie voor een van de acht afzonderlijke percelen, met name voor perceel 3, van de open aanbestedingsprocedure 2014/S 066-111912 „PE/ITEC-ITS14 — Externe verlening van IT-diensten” is geplaatst;

het Parlement veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeksters hebben geleden door het verlies van de kans om voor perceel 3 van de raamovereenkomst ITS14 in rang één te worden geplaatst, welke schade door verzoeksters ex aequo et bono wordt geraamd op een miljoen vijfhonderdduizend euro (1 5 00  000 EUR) te vermeerderen met rente vanaf de uitspraak van het arrest, of tot betaling van elk ander bedrag dat het Gerecht zal vaststellen, en

het Parlement verwijzen in alle kosten van verzoeksters.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens verzoeksters dient het bestreden besluit krachtens artikel 263 VWEU nietig te verklaard op grond dat het Parlement:

1.

is tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht doordat het een ontoereikende motivering heeft gegeven ter zake van de beoordeling van de technische offerte waarmee verzoeksters hebben deelgenomen aan de omstreden aanbestedingsprocedure, en doordat het hun geen nadere gegevens heeft verstrekt over de economische offertes van de uitgekozen consortia;

2.

inbreuk heeft gemaakt op de bewoordingen van de contractuele documenten (het bestek en de aanvullende richtsnoeren) die het zelf had opgesteld, door voor de beoordeling van de economische offertes van de inschrijvers een berekeningsmethode toe te passen die verschilt van degene die in die documenten is beschreven, en

3.

inbreuk heeft gemaakt op de bewoordingen van de contractuele documenten op het EU-recht doordat dat het niet heeft vastgesteld en onderzocht of sommige offertes niet overdreven laag waren.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/18


Beroep ingesteld op 7 april 2015 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie

(Zaak T-165/15)

(2015/C 228/22)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) en Airport Marketing Services Ltd (Dublin) (vertegenwoordigers: G. Berrisch, E. Vahida en G. Metaxas-Maranghidis, advocaten, en B. Byrne, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoeksters concluderen:

tot nietigverklaring van artikel 1, leden 1 en 2, en (voor zover zij artikel 1, leden 1 en 2 betreffen) van de artikelen 3, 4 en 5 van het besluit van de Europese Commissie van 23 juli 2014 in staatssteunzaak SA.22614 houdende vaststelling dat Ryanair en Airport Marketing Services onrechtmatige staatssteun hebben ontvangen van de Chambre de Commerce et d’Industrie de Pau-Béarn, die onverenigbaar is met de interne markt, en

tot verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.

1.

Eerste middel: het besluit is in strijd met artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het beginsel van behoorlijk bestuur en verzoeksters’ rechten van verdediging, aangezien de Commissie verzoeksters geen toegang heeft verleend tot het dossier van het onderzoek en hen niet in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunten daadwerkelijk kenbaar te maken.

2.

Tweede middel: de Commissie heeft artikel 107, lid 1, VWEU geschonden, aangezien zij de betrokken maatregelen ten onrechte heeft toegerekend aan de staat.

3.

Derde middel: de Commissie heeft artikel 107, lid 1, VWEU geschonden, aangezien zij ten onrechte heeft geweigerd om zich te baseren op een vergelijkende analyse, die tot de conclusie zou hebben geleid dat aan verzoeksters geen steun is verleend. Subsidiair heeft de Commissie de marketingdiensten niet op de juiste waarde geschat, de beweegreden achter de beslissing van de luchthaven om dergelijke diensten aan te schaffen ten onrechte van tafel geschoven, ten onrechte de mogelijkheid uitgesloten dat een gedeelte van de marketingdiensten was verworven voor doeleinden van algemeen belang, en nagelaten om de marketingovereenkomsten zowel te beoordelen vanuit het perspectief van een particuliere investeerder dat door de eigenaar van de luchthaven werd ingenomen als vanuit het perspectief van een particuliere investeerder dat door de luchthavenexploitant werd ingenomen, en heeft zij haar conclusies gebaseerd op onvolledige gegevens, op grond waarvan onmogelijk de winstgevendheid van de luchthaven kon worden berekend. Zij heeft voorts een buitensporig korte tijdshorizon gehanteerd, haar beoordeling ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de reeds afgesproken routes, en geen rekening gehouden met de externe netwerkeffecten die de luchthaven dankzij haar band met Ryanair naar alle waarschijnlijk zou ondervinden. En zelfs al zouden verzoeksters een voordeel hebben ontvangen, dan heeft de Commissie hoe dan ook niet aangetoond dat het om een selectief voordeel ging.

4.

Vierde middel, dat subsidiair wordt aangevoerd: de Commissie heeft de artikelen 107, lid 1, VWEU en 108, lid 2, VWEU geschonden. Zij heeft namelijk een kennelijke beoordelingsfout gemaakt en het recht onjuist opgevat door vast te stellen dat de steun aan Ryanair en AMS gelijk was aan de gecumuleerde marginale verliezen van Pau airport, terwijl zij eigenlijk had moeten nagaan welk voordeel Ryanair en AMS in de praktijk hebben genoten. De Commissie had moeten onderzoeken in welke mate het vermeende voordeel daadwerkelijk ten goede was gekomen aan de passagiers van Ryanair. Zij heeft bovendien nagelaten om eventuele competitieve voordelen die Ryanair door de (beweerdelijk) niet-kostendekkende betalingsstromen van de luchthaven Pau zou hebben genoten, in cijfers uit te drukken. Tot slot heeft de Commissie niet naar behoren uitgelegd waarom de terugvordering van het in het besluit gespecificeerde steunbedrag noodzakelijk was om opnieuw tot de situatie te komen die bestond vóór de steunverlening.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/19


Beroep ingesteld op 4 mei 2015 — Beele Engineering/BHIM (WE CARE)

(Zaak T-220/15)

(2015/C 228/23)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Beele Engineering BV (Aalten, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Ring, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Betrokken merk: beeldmerk met de woordelementen „WE CARE” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 610 143

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het BHIM van 15 januari 2015 in zaak R 1424/2014-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing.

Aangevoerd middel

schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/20


Beroep ingesteld op 4 mei 2015 — Beele Engineering/BHIM (WE CARE)

(Zaak T-222/15)

(2015/C 228/24)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Beele Engineering BV (Aalten, Nederland) (vertegenwoordiger M. Ring, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met de woordelementen „WE CARE” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 610 275

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 11 februari 2015 in zaak R 1933/2014-1

Conclusies

Vernietiging van de bestreden beslissing.

Aangevoerd middel

Schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/20


Beroep ingesteld op 27 april 2015 — Morton’s of Chicago/BHIM — Mortons the Restaurant (MORTON'S)

(Zaak T-223/15)

(2015/C 228/25)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Morton’s of Chicago, Inc. (Chicago, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: J. Moss, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Mortons the Restaurant Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Houder van het betrokken merk: verzoekster

Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met woordelement „MORTON'S” –gemeenschapsmerkinschrijving nr. 3 951 291

Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 12 februari 2015 in zaak R 46/2014-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van verweerder in de kosten van de merkhouder.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/21


Beroep ingesteld op 4 mei 2015 — QuaMa Quality Management/BHIM — Microchip Technology (medialbo)

(Zaak T-225/15)

(2015/C 228/26)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: QuaMa Quality Management GmbH (Glashütten, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Russ, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Microchip Technology, Inc. (Chandler, Vereinigde Staten van Amerika)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „medialbo” — inschrijvingsaanvraag nr. 11 454 766

Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 19 februari 2015 in zaken R 1809/2014-4 en R 1680/2014-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing.

Aangevoerde middelen

schending van art. 41, lid 1, van verordening nr. 207/2009;

schending van art. 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/22


Beroep ingesteld op 15 mei 2015 — Łabowicz/BHIM — Pure Fishing (NANO)

(Zaak T-237/15)

(2015/C 228/27)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Edward Łabowicz (Kłodzko, Polen) (vertegenwoordiger: M. Żygadło, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Pure Fishing, Inc. (Spirit Lake, Verenigde Staten)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met woordelement „NANO” –gemeenschapsmerk nr. 6 649 818

Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de Eerste kamer van beroep van het BHIM van 5 maart 2015 in zaak R 2426/2013-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het BHIM in de kosten.

Aangevoerde middelen

onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009;

schending van de artikelen 76 en 83 van verordening nr. 207/2009;

schending van de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die het recht op een eerlijk proces respectievelijk het verbod van discriminatie betreffen.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/23


Beroep ingesteld op 13 mei 2015 — Novartis/BHIM — Meda (Zimera)

(Zaak T-238/15)

(2015/C 228/28)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Novartis AG (Basel, Zwitserland) (vertegenwoordiger: M. Douglas, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Meda AB (Solna, Zweden)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „Zimara” — inschrijvingsaanvraag nr. 9 782 764

Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de Vijfde kamer van beroep van het BHIM van 6 maart 2015 in zaak R 636/2014-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het BHIM in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/23


Beroep ingesteld op 15 mei 2015 — Klyuyev/Raad

(Zaak T-244/15)

(2015/C 228/29)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Andriy Klyuyev (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordiger: R. Gherson, solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2015, L 62, blz. 25) en uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2015, L 62, blz. 1), nietig verklaren voor zover zij op verzoekende partij van toepassing zijn;

subsidiair: artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014, zoals gewijzigd, en artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014, zoals gewijzigd, niet van toepassing verklaren voor zover zij als gevolg van een onrechtmatigheid op verzoekende partij van toepassing zijn, en

de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014, zoals gewijzigd (hierna: „besluit”), druist, voor zover het aan verzoekende partij beperkende maatregelen oplegt, in tegen de uitdrukkelijke doeleinden van het besluit (bijvoorbeeld democratie, rechtsstaat, respect voor de mensenrechten) en valt niet binnen de beginselen en doeleinden van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid („GBVB”), zoals verwoord in artikel 21 VEU. De voorwaarden waaronder een beroep kan worden gedaan op artikel 21 VEU zijn door het besluit derhalve niet vervuld. Aangezien het besluit ongeldig was, kon de Raad zich niet beroepen op artikel 215, lid 2, VWEU om verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014, zoals gewijzigd (hierna: „verordening”), vast te stellen. Recente gebeurtenissen hebben duidelijk gemaakt dat verzoekende partij niet eerlijk, onafhankelijk en onbevooroordeeld zal worden behandeld door Oekraïense onderzoeksinstanties en rechterlijke instanties.

2.

Tweede middel: verzoekende partij voldoet niet aan de criteria voor opname in de bijlage bij het besluit en de verordening (hierna samen: „bestreden maatregelen”). Toen verzoekende partij werd opgenomen op de lijst, was door de Oekraïense autoriteiten tegen haar geen strafvervolging ingesteld voor het verduisteren van overheidsmiddelen of activa of voor machtsmisbruik ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of activa.

3.

Derde middel: de Raad heeft de rechten van verdediging en het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming van verzoekende partij geschonden. Verzoekende partij heeft geen ernstig, geloofwaardig of concreet bewijs gekregen ter ondersteuning van een zaak die het opleggen van beperkende maatregelen aan haar zou rechtvaardigen. Er is met name geen bewijs van enig zorgvuldig en onpartijdig onderzoek naar de vraag of de redenen die zijn genoemd om de heraanwijzing te rechtvaardigen, gelet op de door verzoekende partij afgelegde verklaringen, gegrond zijn.

4.

Vierde middel: de Raad heeft de opname van verzoekende partij in de bijlage onvoldoende gemotiveerd. De motivering bevat geen details en bestaat voornamelijk uit algemene stereotypische formuleringen.

5.

Vijfde middel: de Raad heeft de fundamentele rechten van verzoekende partij op eigendom en goede naam zwaar geschonden. De beperkende maatregelen waren niet „bij wet gesteld”; zij waren zonder behoorlijke waarborgen die verzoekende partij in staat stellen haar zaak daadwerkelijk aan de Raad voor te leggen; zij zijn niet beperkt tot specifiek bezit waarvan wordt gezegd dat het verduisterde overheidsmiddelen betreft of zelfs maar beperkt tot de hoogte van de middelen die zouden zijn verduisterd; zij zijn beschouwd als een aanwijzing van schuld, hetgeen heeft geleid tot negatieve gevolgen in andere jurisdicties.

6.

Zesde middel: de Raad is uitgegaan van materieel onjuiste feiten. De bewering dat door de Oekraïense autoriteiten tegen verzoekende partij een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld wegens het verduisteren van overheidsmiddelen of activa of wegens machtsmisbruik ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of dat verzoekende partij zich waarschijnlijk daaraan schuldig heeft gemaakt, is aantoonbaar onjuist.

7.

Zevende middel, aangevoerd ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid: zouden artikel 1, lid 1, van het besluit en artikel 3, lid 1, van de verordening aldus moeten worden uitgelegd, dat zij mede betrekking hebben op a) enig onderzoek door een Oekraïense instantie, ongeacht of hieraan enige rechterlijke beslissing of procedure ten grondslag ligt, of met een dergelijke beslissing of procedure daarop controle of toezicht wordt uitgeoefend, en/of b) enig „machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen”, ongeacht of sprake is van een gestelde verduistering van overheidsmiddelen, dan zou het criterium voor aanwijzing, rekening houdende met de willekeurige breedte en werkingssfeer die het gevolg zouden zijn van een dergelijke ruime uitlegging, geen juiste rechtsgrondslag hebben en/of onevenredig zijn aan de doeleinden van het besluit en de verordening. Het criterium voor aanwijzing zou derhalve onrechtmatig zijn.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/25


Beschikking van het Gerecht van 21 mei 2015 — Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe/Commissie

(Zaak T-232/11) (1)

(2015/C 228/30)

Procestaal: Engels

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 194 van 2.7.2011.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/25


Beschikking van het Gerecht van 8 mei 2015 — Verenigd Koninkrijk/ECB

(Zaak T-45/12) (1)

(2015/C 228/31)

Procestaal: Engels

De president van de Vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 98 van 31.3.2012.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/25


Beschikking van het Gerecht van 21 mei 2015 — ClientEarth e.a./Commissie

(Zaak T-8/13) (1)

(2015/C 228/32)

Procestaal: Engels

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 71 van 9.3.2013.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/25


Beschikking van het Gerecht van 18 mei 2015 — GRE/BHIM — Villiger Söhne (LIBERTE american blend)

(Zaak T-30/13) (1)

(2015/C 228/33)

Procestaal: Duits

De president van de Vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 79 van 16.3.2013.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/25


Beschikking van het Gerecht van 8 mei 2015 — Verenigd Koninkrijk/ECB

(Zaak T-93/13) (1)

(2015/C 228/34)

Procestaal: Engels

De president van de Vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 114 van 20.4.2013.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/26


Beschikking van het Gerecht van 12 mei 2015 — PAN Europe en Confédération paysanne/Commissie

(Zaak T-671/13) (1)

(2015/C 228/35)

Procestaal: Engels

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 52 van 22.2.2014.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/26


Beschikking van het Gerecht van 8 mei 2015 — Hoteles Catalonia/BHIM — Fundació Catalunya-La Pedrera, fundació especial (HOTEL CATALONIA LA PEDRERA)

(Zaak T-358/14) (1)

(2015/C 228/36)

Procestaal: Spaans

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 253 van 4.8.2014.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/26


Beschikking van het Gerecht van 12 mei 2015 — EEB/Commissie

(Zaak T-462/14) (1)

(2015/C 228/37)

Procestaal: Engels

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 315 van 15.9.2014.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/26


Beschikking van het Gerecht van 8 mei 2015 — Grupo Bimbo/BHIM (Vorm van ronde sandwich)

(Zaak T-542/14) (1)

(2015/C 228/38)

Procestaal: Spaans

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 339 van 29.9.2014.


Gerecht voor ambtenarenzaken

13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/27


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 3 juni 2015 — Gross/EDEO

(Zaak F-78/14) (1)

((Openbare dienst - Personeel van EDEO - Ambtenaren - Bevordering - Artikelen 43 en 45, lid 1, van het Statuut - Vergelijking van verdiensten van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren - Al dan niet door de diensten van EDEO voorgedragen ambtenaren - Inaanmerkingneming van de beoordelingsrapporten - Uitsluitend in woorden uitgedrukte beoordelingen))

(2015/C 228/39)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Philipp Oliver Gross (Brussel, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. de Abreu Caldas, M. de Abreu Caldas en J.-N. Louis, advocaten, vervolgens J.-N. Louis, advocaat)

Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: S. Marquardt en M. Silva, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2013 van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) niet naar de volgende rang te bevorderen

Dictum

1)

Het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Dienst voor extern optreden van 9 oktober 2013 tot opstelling van de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2013 zijn bevorderd, wordt nietig verklaard voor zover de naam van Gross daarop niet voorkomt.

2)

De Europese Dienst voor extern optreden zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van Gross.


(1)  PB C 388 van 3.11.2014, blz. 31.


13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/27


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Enkelvoudige kamer) van 3 juni 2015 — Bedin/Commissie

(Zaak F-128/14) (1)

((Openbare dienst - Ambtenaren - Tuchtprocedure - Tuchtmaatregel - Respectieve rol en bevoegdheden van de tuchtraad en het TABG - Beoordeling van de echtheid van de gelaakte feiten))

(2015/C 228/40)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Luc Bedin (Watermaal-Bosvoorde, Brussel) (vertegenwoordiger: L. Vogel, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en C. Ehrbar, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van het TABG om verzoeker de tuchtmaatregel van tijdelijke opschorting van de plaatsing in een hogere salaristrap op te leggen gedurende een periode van 12 maanden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bedin draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.


(1)  PB C 34 van 2.2.2015, blz. 51.