ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 217

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

58e jaargang
2 juli 2015


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2015/C 217/01

Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren voor het onderzoek van staatssteun in de visserij- en aquacultuursector

1

2015/C 217/02

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.7628 — Permira/CPPIB/Informatica) ( 1 )

16


 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

2015/C 217/03

Mededeling van het Europees Parlement over de Europese Burgerschapsprijs CIVI EUROPAEO PRAEMIUM

17

 

Europese Commissie

2015/C 217/04

Door de Europese Centrale Bank toegepaste rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties: 0,05 % per 1 juli 2015 — Wisselkoersen van de euro

19

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

2015/C 217/05

Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Wijziging van openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten ( 1 )

20

2015/C 217/06

Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Aanbesteding met betrekking tot de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

20


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

EVA-Hof

2015/C 217/07

Verzoek van het Staatsgerichtshof des Fürstentums Liechtenstein van 20 januari 2015 om een advies van het EVA-Hof, in de zaak Liechtensteinische Gesellschaft für Umweltschutz tegen Gemeinde Vaduz (Zaak E-3/15)

21

2015/C 217/08

Verzoek van Eidsivating lagmannsrett van 11 februari 2015 om een advies van het EVA-Hof in de zaak Matja Kumba T. M’bye e.a. tegen Stiftelsen Fossumkollektivet (Zaak E-5/15)

22

 

ANDERE HANDELINGEN

 

Europese Commissie

2015/C 217/09

Aankondiging betreffende een verzoek uit hoofde van artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU — Opschorting van de termijn — Verzoek van een aanbestedende instantie

23


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/1


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

Richtsnoeren voor het onderzoek van staatssteun in de visserij- en aquacultuursector

(2015/C 217/01)

1.   INLEIDING

(1)

In artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) is het volgende bepaald: „Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”.

(2)

In artikel 107, lid 2, van het Verdrag worden soorten steun vermeld die verenigbaar zijn met de interne markt, zoals, in lid 2, onder b), van dat artikel, steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen. In artikel 107, lid 3, van het Verdrag worden soorten steun vermeld die als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd, zoals, in lid 3, onder c), van dat artikel, steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

(3)

Krachtens artikel 108, leden 1 en 2, van het Verdrag moet de Commissie tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek onderwerpen. Krachtens artikel 108, lid 3, van het Verdrag moeten de lidstaten de Commissie op de hoogte brengen van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen. In Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (1) en Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (2) zijn nadere procedurele bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag vastgesteld.

(4)

Krachtens artikel 42 van het Verdrag zijn de in het Verdrag vastgestelde bepalingen over regels betreffende de mededinging, waaronder ook de regels inzake staatssteun vallen, slechts in zoverre van toepassing op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten, waaronder ook producten van de visserij- en aquacultuursector vallen, als door het Europees Parlement en de Raad wordt bepaald. In artikel 8 van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (3), waarbij het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij wordt ingesteld, is vastgesteld in hoeverre de in het Verdrag vervatte bepalingen inzake staatsteun van toepassing zijn op de verlening van steun aan de visserij- en aquacultuursector.

(5)

Krachtens artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 508/2014 zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag van toepassing op steun die lidstaten verlenen aan ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector. Krachtens de in artikel 8, lid 2, van die verordening vastgestelde uitzondering op deze algemene regel zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag niet van toepassing op betalingen die de lidstaten in de visserij- en aquacultuursector doen op grond van en in overeenstemming met die verordening. In artikel 8, lid 3, van die verordening is echter bepaald dat de Verdragsbepalingen over staatssteun wel van toepassing zijn indien nationale bepalingen voorzien in overheidsfinanciering in de visserij- en aquacultuursector die verder reikt dan de bepalingen van die verordening. In dat geval zijn de staatssteunvoorschriften van toepassing op de overheidsfinanciering als één geheel.

(6)

Sommige betalingen die de lidstaten op grond van Verordening (EU) nr. 508/2014 verrichten, vormen geen betalingen aan de visserij- en aquacultuursector en vallen buiten de sector, zoals betalingen in het kader van titel V, hoofdstuk VIII, van die verordening — met betrekking tot onder gedeeld beheer gefinancierde maatregelen inzake geïntegreerd maritiem beleid (GMB). Ook betalingen in het kader van titel V, hoofdstuk III, van die verordening — met betrekking tot de duurzame ontwikkeling van visserij- en aquacultuurgebieden — vallen in de regel buiten de visserij- en aquacultuursector. Indien die betalingen echter betrekking hebben op maatregelen in het kader van titel V, hoofdstukken I, II en IV, van die verordening, als bepaald in artikel 63, lid 2, van die verordening, vallen zij wel onder de visserij- en aquacultuursector.

(7)

De in het Verdrag vervatte staatssteunvoorschriften zijn van toepassing op in het kader van Verordening (EU) nr. 508/2014 verrichte betalingen die buiten de visserij- en aquacultuursector vallen. Wanneer deze betalingen staatssteun vormen, moeten zij op grond van de ter zake relevante staatssteuninstrumenten worden beoordeeld. In dat geval zijn deze richtsnoeren, Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie (4) en Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie (5) niet van toepassing.

(8)

In deze richtsnoeren zet de Commissie uiteen op grond van welke beginselen zij zal beoordelen of steun voor de visserij- en aquacultuursector op grond van artikel 107, lid 2, of artikel 107, lid 3, van het Verdrag als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd.

(9)

Staatssteun voor de visserij- en aquacultuursector is ingebed in het bredere kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Op grond van dit beleid verleent de Unie financiële steun aan de visserij- en aquacultuursector via het EFMZV. Of overheidssteun (gedeeltelijk) door de Unie of door een lidstaat zelf wordt bekostigd, verandert niets aan de sociale en de economische impact van die steun. Daarom is de Commissie van oordeel dat haar beleid inzake staatssteuntoezicht consistent en coherent moet zijn met de steunverlening op grond van het GVB. Het gebruik van staatssteun kan bijgevolg alleen maar worden gerechtvaardigd als het in overeenstemming is met de doelstellingen van het GVB. Dit impliceert tevens dat de Commissie bij de toepassing en interpretatie van deze richtsnoeren rekening houdt met de GVB-voorschriften.

(10)

Zoals is bepaald in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6), moet het GVB er onder meer voor zorgen dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen om voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden.

(11)

Krachtens artikel 5 van Verordening (EU) nr. 508/2014 is het EFMZV gericht op bevordering van een concurrerende, ecologisch duurzame, economisch levensvatbare en maatschappelijk verantwoorde visserij en aquacultuur, bevordering van de uitvoering van het GVB, bevordering van een evenwichtige en inclusieve territoriale ontwikkeling van de visserij- en de aquacultuurgebieden, en bevordering van de ontwikkeling en de uitvoering van het GMB van de Unie op een manier die complementair is aan het cohesiebeleid en aan het GVB. Over de hele linie mag het nastreven van die doelstellingen geen vergroting van de vangstcapaciteit tot gevolg hebben.

(12)

Het EFMZV voorziet in financiële steun voor verschillende specifieke thema's en gebieden die in Verordening (EU) nr. 508/2014 zijn vastgesteld. Maatregelen waarvoor steun uit het EFMZV wordt verleend, worden ten uitvoer gelegd in het kader van direct of gedeeld beheer.

(13)

In haar mededeling van 8 mei 2012 over de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (7) kondigde de Commissie aan dat zij met de modernisering van het staatssteuntoezicht inzet op drie doelstellingen: a) duurzame, slimme en inclusieve groei bevorderen op een concurrerende interne markt, b) het voorafgaande onderzoek door de Commissie concentreren op zaken die de grootste impact op de interne markt hebben en tegelijk de samenwerking met de lidstaten versterken op het gebied van de handhaving van de staatssteunregels, en c) de regels stroomlijnen en sneller tot beslissingen komen.

(14)

Met name pleitte de Commissie ervoor om bij de herziening van de verschillende richtsnoeren en kaderregelingen een gemeenschappelijke benadering te hanteren, met het oog op het versterken van de interne markt, het bevorderen van een doeltreffender gebruik van publieke middelen door staatssteun beter te laten bijdragen aan doelstellingen van gemeenschappelijk belang, het voeren van een diepgaander onderzoek naar het stimulerende effect, het beperken van steun tot het minimum en het vermijden van eventuele negatieve effecten van steun op de mededinging en het handelsverkeer. De beginselen en voorwaarden die in deze richtsnoeren worden uiteengezet, zijn gebaseerd op de doelstellingen die zijn vastgesteld in de mededeling over de modernisering van het EU-staatssteunbeleid.

2.   WERKINGSSFEER, AANMELDINGSVERPLICHTING EN DEFINITIES

2.1.   Werkingssfeer

(15)

Deze richtsnoeren zijn van toepassing op alle steun die aan de visserij- en aquacultuursector wordt toegekend. Zij zijn van toepassing op zowel steunregelingen als individuele steun.

(16)

Deze richtsnoeren zijn van toepassing op de onderdelen van regionale steun die betrekking hebben op de visserij- en aquacultuursector (8). Tevens zijn zij van toepassing op alle andere steun die aan de visserij- en aquacultuursector wordt toegekend in het kader van andere Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-Fondsen) dan het EFMZV.

(17)

Deze richtsnoeren zijn niet van toepassing op steun die wordt toegekend als aanvullende financiering voor de uitvoering van de in artikel 72 van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedoelde compensatieplannen. Dergelijke steun wordt als onderdeel van die plannen goedgekeurd overeenkomstig artikel 73 van die verordening.

2.2.   Aanmeldingsverplichting

(18)

De Commissie herinnert de lidstaten aan hun verplichting om elk voornemen om nieuwe steun toe te kennen, aan te melden krachtens artikel 108, lid 3, van het Verdrag en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 659/1999.

(19)

Hieronder bedoelde steun hoeven de lidstaten evenwel niet bij de Commissie aan te melden:

a)

steun die in overeenstemming is met een van de verordeningen inzake groepsvrijstellingen die op grond van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad (9) zijn vastgesteld en die van toepassing zijn op de visserij- en aquacultuursector, meer bepaald:

i.

steun die in overeenstemming is met Verordening (EU) nr. 1388/2014, en

ii.

opleidingssteun, steun om kmo's toegang tot financiering te geven, steun voor onderzoek en ontwikkeling, innovatiesteun voor kmo's en steun voor kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap, in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (10);

b)

de-minimissteun die in overeenstemming is met Verordening (EU) nr. 717/2014.

(20)

De Commissie herinnert de lidstaten eraan dat wanneer het systeem voor de financiering van een steunmaatregel, bijvoorbeeld met parafiscale heffingen, integraal deel uitmaakt van de steunmaatregel, dit systeem eveneens moet worden aangemeld (11).

(21)

De Commissie herinnert de lidstaten eraan dat steun die wordt toegekend als aanvullende financiering voor de uitvoering van de in artikel 72 van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedoelde compensatieplannen, bij de Commissie moet worden aangemeld als onderdeel van de compensatieplannen. Aldus aangemelde steun wordt in het kader van artikel 73 van die verordening beschouwd als aangemeld in de zin van artikel 108, lid 3, eerste zin, van het Verdrag.

2.3.   Definities

(22)

Voor de toepassing van deze richtsnoeren wordt verstaan onder:

a)

„steun” of „steunmaatregel”: elke maatregel die aan de criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag voldoet;

b)

„steunregeling”: elk besluit op grond waarvan aan ondernemingen die in het besluit op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, en elk besluit op grond waarvan steun die niet aan een specifiek project is gebonden, voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan één of meer ondernemingen kan worden toegekend;

c)

„ad-hocsteun”: steun die niet op grond van een steunregeling wordt toegekend;

d)

„individuele steun”: ad-hocsteun en steun die aan individuele begunstigden wordt toegekend op grond van een steunregeling;

e)

„datum van de toekenning van de steun”: de datum waarop de wettelijke aanspraak om steun te ontvangen, krachtens de nationale wettelijke regeling aan de begunstigde wordt verleend;

f)

„steunintensiteit”: het brutosteunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de subsidiabele kosten, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

g)

„visserij- en aquacultuursector”: de economische sector die alle activiteiten voor de productie, verwerking en afzet van visserij- of aquacultuurproducten omvat;

h)

„visserij- en aquacultuurproducten”: de producten in de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12);

i)

„kmo's” of „kleine en middelgrote ondernemingen”: ondernemingen die voldoen aan de criteria van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1388/2014;

j)

„grote onderneming”: een onderneming die niet voldoet aan de criteria van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1388/2014;

k)

„ultraperifere gebieden”: de in artikel 349 van het Verdrag genoemde gebieden. Overeenkomstig Besluit 2010/718/EU van de Europese Raad (13) is Saint-Barthélemy vanaf 1 januari 2012 niet langer een ultraperifeer gebied. Overeenkomstig Besluit 2012/419/EU van de Europese Raad (14) is Mayotte op 1 januari 2014 een ultraperifeer gebied geworden;

l)

„exploitatiesteun”: steun die als doel of gevolg heeft de kaspositie van een onderneming te verbeteren, de productiekosten van een onderneming te verlagen of het inkomen van een onderneming te verhogen, en met name steun die uitsluitend wordt berekend op basis van de geproduceerde of verkochte hoeveelheid, de prijzen van de producten, de geproduceerde eenheden of de productiemiddelen.

3.   BEGINSELEN

3.1.   Gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen

(23)

Om te beoordelen of een bij de Commissie aangemelde steunmaatregel kan worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt, gaat de Commissie na of de steunmaatregel zo is opgezet dat de positieve effecten van de steun voor het behalen van een doelstelling van gemeenschappelijk belang opwegen tegen de mogelijke negatieve effecten ervan op het handelsverkeer en de mededinging.

(24)

In de mededeling over de modernisering van het EU-staatssteunbeleid is ervoor gepleit om gemeenschappelijke beginselen uit te werken en vast te stellen voor alle beoordelingen van de verenigbaarheid van steunmaatregelen die de Commissie uitvoert. De Commissie beschouwt een steunmaatregel alleen als verenigbaar met de interne markt als die aan elk van de volgende beginselen voldoet:

a)

bijdrage aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang: een staatssteunmaatregel moet gericht zijn op een doelstelling van gemeenschappelijk belang overeenkomstig artikel 107, lid 3, van het Verdrag (afdeling 3.3);

b)

noodzaak van overheidsmaatregelen: een staatssteunmaatregel moet gericht zijn op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen, door bijvoorbeeld een oplossing te bieden voor marktfalen of door iets te doen aan een rechtvaardigheids- of cohesieprobleem (afdeling 3.4);

c)

geschiktheid van de steunmaatregel: de voorgestelde steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te helpen bereiken (afdeling 3.5);

d)

stimulerend effect: de steun moet het gedrag van de betrokken ondernemingen zodanig veranderen dat zij extra activiteiten ondernemen die zij zonder de steun niet zouden uitvoeren, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze of locatie zouden uitvoeren (afdeling 3.6);

e)

evenredigheid van de steun (steun beperkt tot het noodzakelijke minimum): het steunbedrag moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om aan te zetten tot de extra investering of activiteit in het betrokken gebied (afdeling 3.7);

f)

vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten: de negatieve effecten moeten voldoende beperkt zijn, zodat de maatregel per saldo positief is (afdeling 3.8);

g)

transparantie van de steun: de lidstaten, de Commissie, de marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle betreffende besluiten en relevante informatie over de op grond van die besluiten verleende steun (afdeling 3.9).

(25)

Bepaalde categorieën steunregelingen kunnen bovendien worden onderworpen aan een evaluatie achteraf overeenkomstig de punten 118 tot en met 121. De Commissie kan de looptijd van die regelingen beperken, in de regel tot vier jaar of minder, met de mogelijkheid om nadien verlenging daarvan aan te melden.

(26)

Indien als gevolg van een steunmaatregel of daaraan verbonden voorwaarden, met inbegrip van de financieringswijze wanneer die een onlosmakelijk onderdeel van de maatregel vormt, een schending van het Unierecht plaatsvindt, is de steun onverenigbaar met de interne markt (15).

(27)

Steun voor activiteiten die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, met name steun die rechtstreeks samenhangt met de uitgevoerde hoeveelheden, met de oprichting en exploitatie van een distributienet of met andere kosten in verband met de uitvoeractiviteit, alsmede steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen, is onverenigbaar met de interne markt.

(28)

Bij het beoordelen van steun voor een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin steun als onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is aangemerkt, houdt de Commissie rekening met het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd (16). Dit geldt echter niet voor steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen in het kader van artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag.

(29)

De gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen moeten in het algemeen worden toegepast met inachtneming van de specifieke context van het GVB. Zij gelden dus voor alle steun op grond van deze richtsnoeren, tenzij in de afdelingen 4 en 5 afwijkingen zijn vastgesteld wegens specifieke, voor de visserij- en aquacultuursector geldende overwegingen.

3.2.   Specifieke beginselen voor de visserij- en aquacultuursector

(30)

Naast de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen in afdeling 3.1 pas de Commissie ook de in deze afdeling opgenomen specifieke beginselen voor de visserij- en aquacultuursector toe.

(31)

Begunstigden van staatssteunmaatregelen moeten voldoen aan de GVB-voorschriften.

(32)

Een steunaanvraag, of indien niet in een aanvraag is voorzien, een gelijkwaardige handeling moet als onontvankelijk worden beschouwd indien de in artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedoelde bevoegde autoriteit heeft geconstateerd dat de betrokken marktdeelnemer een of meer in artikel 10, lid 1, van die verordening bedoelde inbreuken of strafbare feiten heeft gepleegd of fraude heeft gepleegd als bedoeld in artikel 10, lid 3, van die verordening. De geldende perioden van onontvankelijkheid worden bepaald in de gedelegeerde handelingen die op basis van artikel 10, lid 4, van die verordening worden vastgesteld. Dit beginsel is niet van toepassing op steun die voldoet aan de specifieke voorwaarden van de afdelingen 4, 5.3 en 5.4 van deze richtsnoeren.

(33)

Na het indienen van een steunaanvraag, of indien niet in een aanvraag is voorzien, na een gelijkwaardige handeling moeten de ondernemingen aan de GVB-voorschriften blijven voldoen gedurende de volledige periode van uitvoering van het project en gedurende een periode van vijf jaar nadat de laatste betaling aan de betrokken begunstigde is verricht. In de steunmaatregelen moet uitdrukkelijk worden bepaald dat de begunstigde gedurende die perioden aan de GVB-voorschriften moet voldoen. Indien de bevoegde autoriteit constateert dat een begunstigde tijdens die perioden een of meer in artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedoelde inbreuken heeft gepleegd en als gevolg daarvan niet meer in aanmerking komt om steun aan te vragen, moet de steun door de begunstigde worden terugbetaald.

(34)

Steunmaatregelen die vergelijkbaar zijn met in het kader van Verordening (EU) nr. 508/2014 subsidiabele concrete acties, kunnen slechts als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd indien zij voldoen aan de bepalingen die in die verordening voor dat type concrete actie zijn vastgesteld, met name aan de bepalingen betreffende de intensiteit voor overheidssteun. Voor steun die verder gaat dan de in die verordening vastgestelde criteria, moet de lidstaat aantonen dat deze gerechtvaardigd en onmisbaar is.

(35)

Er mag geen steun worden toegekend voor activiteiten die overeenstemmen met niet-subsidiabele concrete acties als omschreven in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 508/2014.

3.3.   Bijdrage aan een gemeenschappelijke doelstelling

(36)

Een steunmaatregel moet bijdragen tot het bereiken van een of meer doelstellingen van gemeenschappelijk belang als vastgesteld in artikel 107, lid 3, van het Verdrag.

(37)

Voor elke steunmaatregel moet worden bepaald tot welke GVB-doelstellingen deze bijdraagt en moet duidelijk worden aangetoond hoe deze bijdrage zal worden geleverd zonder dat andere GVB-doelstellingen daardoor in het gedrang komen. Zoals is bepaald in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, moet het GVB er onder meer voor zorgen dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen om voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden.

(38)

De Commissie is van oordeel dat steunmaatregelen die aan de specifieke voorwaarden van de afdelingen 4, 5.1, 5.3 en 5.4 van deze richtsnoeren voldoen, bijdragen tot het bereiken van een doelstelling van gemeenschappelijk belang.

3.4.   Noodzaak van overheidsmaatregelen

(39)

Om te beoordelen of staatssteun noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstelling van gemeenschappelijk belang, moet het aan te pakken probleem eerst worden omschreven. Staatssteun moet gericht zijn op situaties waar die steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt op eigen kracht niet tot stand kan brengen. Dit geldt met name in een context waarin publieke middelen schaars zijn.

(40)

Staatssteunmaatregelen kunnen onder bepaalde voorwaarden marktfalen corrigeren en zodoende bijdragen tot het doelmatige functioneren van de markten en het versterken van het concurrentievermogen. Voorts kan staatssteun, wanneer de markten doeltreffende resultaten opleveren die echter uit het oogpunt van rechtvaardigheid of cohesie onbevredigend worden geacht, worden gebruikt om tot meer gewenste en rechtvaardiger marktuitkomsten te komen.

(41)

Staatssteun mag in het algemeen geen protectionistisch oogmerk of effect hebben en moet bijdragen aan de rationalisering en efficiëntie van de visserij- en aquacultuursector. Elke vorm van staatssteun moet zijn gericht op permanente verbeteringen die de sector in staat stellen in overeenstemming met de marktfactoren te werken.

(42)

Voor de toepassing van deze richtsnoeren is de Commissie van mening dat de markt de verwachte doelstellingen niet zonder overheidsmaatregelen verwezenlijkt en dat daarom overheidsmaatregelen nodig zijn in het geval van steun die aan de specifieke voorwaarden van de afdelingen 4, 5.1, 5.3 en 5.4 van deze richtsnoeren voldoet.

3.5.   Geschiktheid van de steunmaatregel

(43)

De voorgestelde steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de betrokken doelstellingen te helpen bereiken. Een steunmaatregel wordt als onverenigbaar met de interne markt beschouwd als dezelfde positieve bijdrage aan de GVB-doelstellingen kan worden geleverd met andere, minder verstorende beleidsinstrumenten of andere, minder verstorende vormen van steun.

(44)

Steun die aan de specifieke voorwaarden van de afdelingen 4, 5.1, 5.3 en 5.4 van deze richtsnoeren voldoet, wordt door de Commissie als een geschikt beleidsinstrument beschouwd. In alle andere gevallen moet de betrokken lidstaat aantonen dat geen minder verstorend beleidsinstrument voorhanden is.

(45)

Met name houdt de Commissie rekening met eventueel door de lidstaten beschikbaar gestelde effectbeoordelingen van de voorgestelde steunregeling. Ook kunnen de resultaten van evaluaties achteraf als beschreven in afdeling 6, in aanmerking worden genomen om te beoordelen of geen minder verstorend beleidsinstrument voorhanden is.

(46)

De steun kan in verschillende vormen worden toegekend. De lidstaat moet ervoor zorgen dat de steun wordt toegekend in de vorm die naar verwachting het minste risico op verstoringen van de mededinging en van het handelsverkeer oplevert.

(47)

Indien de steun wordt toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert (bv. rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen), moet de lidstaat aantonen waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die gebaseerd zijn op schuld- of vermogensinstrumenten (bv. leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties, de verwerving van een belang of een andere vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden), minder geschikt zijn.

(48)

De resultaten van evaluaties achteraf als beschreven in afdeling 6, kunnen in aanmerking worden genomen om te beoordelen of geen andere, minder verstorende vorm van steun voorhanden is.

3.6.   Stimulerend effect

(49)

Steun kan alleen als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt indien deze een stimulerend effect heeft. Steun heeft een stimulerend effect wanneer deze het gedrag van een onderneming zodanig verandert dat zij een extra activiteit uitvoert die zij zonder de steun niet, of in beperktere mate of op een andere wijze zou hebben uitgevoerd. De steun mag niet dienen om de kosten van een activiteit die een onderneming sowieso zou hebben uitgevoerd, te subsidiëren, noch om het normale bedrijfsrisico van een economische activiteit te compenseren (17).

(50)

Exploitatiesteun en steun die het halen van verplichte normen vergemakkelijkt, is in beginsel onverenigbaar met de interne markt, tenzij in de Uniewetgeving of in deze richtsnoeren uitdrukkelijk in uitzonderingen is voorzien, en in andere naar behoren gemotiveerde gevallen.

(51)

Steun voor een concrete actie waarmee de begunstigde reeds van start is gegaan voordat hij zijn steunaanvraag bij de nationale autoriteit heeft ingediend, kan niet worden verondersteld een stimulerend effect te hebben.

(52)

Noch steun die compenserend van aard is, zoals steun die voldoet aan de specifieke voorwaarden van de afdelingen 4, 5.3 en 5.4, noch steun die voldoet aan de voorwaarden van afdeling 5.6, hoeft een stimulerend effect te hebben.

(53)

Steun in de vorm van belastingvoordelen wordt geacht een stimulerend effect te hebben als in het kader van de maatregel een aanspraak op steun wordt gevestigd op basis van objectieve criteria en zonder verdere uitoefening van discretionaire bevoegdheden door de lidstaat en als de maatregel is goedgekeurd en in werking is getreden voordat de werkzaamheden in het kader van het gesteunde project of de gesteunde activiteit van start zijn gegaan. Deze laatste vereiste geldt niet in het geval van fiscale vervolgregelingen indien de maatregel al onder voorafgaande regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel.

3.7.   Evenredigheid van de steun (steun beperkt tot het noodzakelijke minimum)

(54)

De steun moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om de begunstigde aan te zetten tot het uitvoeren van een activiteit.

(55)

Als algemene regel geldt dat steun als tot het minimum beperkt wordt beschouwd indien het steunbedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de tenuitvoerlegging van de investering in het betrokken gebied vergeleken met het contrafeitelijke scenario waarin er geen steun wordt verleend (nettomeerkosten-benadering).

(56)

De steun mag dus niet meer bedragen dan het minimumbedrag dat nodig is om het project winstgevend te maken. De steun mag bijvoorbeeld niet tot gevolg hebben dat de interne opbrengstvoet (internal rate of return — IRR) (18) van het project hoger uitkomt dan de normale rendementspercentages die de betrokken onderneming hanteert bij andere vergelijkbare investeringsprojecten. Wanneer die percentages niet beschikbaar zijn, moet erop worden toegezien dat de IRR van het project als gevolg van de steun niet hoger uitkomt dan de kapitaalkosten van de onderneming als geheel of dan de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector worden waargenomen.

(57)

Voor steunmaatregelen die vergelijkbaar zijn met in het kader van Verordening (EU) nr. 508/2014 subsidiabele concrete acties, wordt het beginsel van evenredigheid van de steun als nageleefd beschouwd indien het steunbedrag de in artikel 95 en bijlage I van die verordening vastgestelde maximumintensiteit voor overheidssteun niet overschrijdt. Indien de voor een maatregel geldende maximumintensiteit voor overheidssteun hoger is dan in die bepalingen is vastgesteld, wordt het beginsel van evenredigheid van de steun als nageleefd beschouwd indien de lidstaat aantoont dat de steun gerechtvaardigd en onmisbaar is.

(58)

Zowel steun die compenserend van aard is, zoals steun die voldoet aan de specifieke voorwaarden van de afdelingen 4, 5.3 en 5.4, als steun die voldoet aan de voorwaarden van afdeling 5.6, wordt als evenredig beschouwd.

(59)

Steun mag gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen worden toegekend of met ad-hocsteun worden gecumuleerd mits het totale bedrag van de voor een activiteit verleende overheidsfinanciering niet hoger is dan de betrokken, in deze richtsnoeren bedoelde maximale steunintensiteiten.

3.8.   Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

(60)

Wil steun verenigbaar zijn met de interne markt, dan moeten de negatieve effecten van de steunmaatregel op het vlak van verstoringen van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten beperkt zijn en moeten de positieve effecten ervan op het vlak van de bijdrage aan de doelstelling van gemeenschappelijk belang opwegen tegen die negatieve effecten.

3.8.1.   Algemene overwegingen

(61)

In beginsel kan steun aan de visserij- en aquacultuursector verstoring van de productmarkten en locatiegebonden effecten veroorzaken. Bijgevolg kan deze steun leiden tot allocatieve inefficiëntie, die de economische slagkracht van de interne markt aantast, en tot spreidingsproblemen, die de verdeling van economische activiteiten over de verschillende geografische gebieden verstoren.

(62)

Gezien de positieve effecten van de steun voor de ontwikkeling van de sector, is de Commissie van mening dat als die steun voldoet aan de specifieke voorwaarden van de afdelingen 4, 5.1, 5.3 en 5.4, de negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer tot het minimum beperkt zijn.

(63)

De Commissie beschouwt de effecten op de mededinging en het handelsverkeer in de regel als beperkter indien de steun evenredig is (steun beperkt tot het noodzakelijke minimum) en naarmate het steunbedrag kleiner is in vergelijking met de algemene subsidiabele kosten.

3.8.2.   Steunregelingen

(64)

Steunregelingen mogen geen significante verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer opleveren. Met name mogen regelingen, zelfs wanneer verstoringen op een individueel niveau als beperkt kunnen worden beschouwd, op cumulatieve basis niet leiden tot sterke niveaus van verstoring.

(65)

Daarom moet de lidstaat aantonen dat de negatieve effecten van de steun tot het minimum beperkt zullen zijn, rekening houdende met bijvoorbeeld de omvang van de betrokken projecten, de individuele en gecumuleerde steunbedragen, de verwachte begunstigden en de kenmerken van de beoogde sector. Om de Commissie in staat te stellen de effecten van de steun te beoordelen, kunnen de lidstaten effectbeoordelingen waarover zij beschikken, aan de Commissie overleggen, net als evaluaties achteraf die voor soortgelijke voorgaande regelingen zijn uitgevoerd.

3.8.3.   Aangemelde individuele steun

(66)

Bij de beoordeling van de effecten van aangemelde individuele steun legt de Commissie bijzondere nadruk op de negatieve effecten met betrekking tot het beletten van marktuittreding en het begrip aanzienlijke marktmacht. De positieve effecten van de steun moeten opwegen tegen deze negatieve effecten.

(67)

Om de potentiële verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer te kunnen opsporen en beoordelen, moeten de lidstaten de Commissie bewijsmateriaal verschaffen met het oog op het identificeren van de betrokken productmarkt, d.w.z. de producten die door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun worden beïnvloed, de betrokken geografische markt, de betrokken concurrenten en de betrokken afnemers en consumenten.

(68)

De Commissie hanteert diverse criteria om mogelijke verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer te beoordelen, waaronder de marktstructuur voor het betrokken product, de prestaties van de markt (krimpende of groeiende markt), de procedure voor de selectie van de begunstigde van de steun en de marktstrategie van de begunstigde.

3.9.   Transparantie

(69)

De lidstaten moeten op zijn minst de volgende informatie bekendmaken op een uitgebreide staatssteunwebsite op nationaal of regionaal niveau:

a)

de volledige tekst van de steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor of de rechtsgrondslag voor de individuele steun, of een link daarnaar;

b)

de steunverlenende autoriteit of autoriteiten;

c)

de identiteit van de individuele begunstigden, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum van de toekenning van de steun, het soort onderneming (kmo/grote onderneming), de regio (op NUTS 2-niveau) waar de begunstigde is gevestigd, en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde actief is (op NACE-groepsniveau). Van deze bekendmakingsvereiste kan ontheffing worden verleend ten aanzien van de toekenning van individuele steun die niet meer bedraagt dan 30 000 EUR (19).

(70)

Voor steunregelingen in de vorm van belastingvoordelen kan de informatie over het individuele steunbedrag worden verstrekt voor de volgende tranches (in miljoen EUR): 0,03 - 0,5; meer dan 0,5 - 1; meer dan 1 - 2; meer dan 2.

(71)

Dit soort informatie moet worden bekendgemaakt nadat het besluit om de steun te verlenen, is genomen, moet ten minste tien jaar worden bewaard en moet zonder beperkingen beschikbaar zijn voor het brede publiek (20). Van de lidstaten wordt niet geëist dat zij de informatie vóór 1 juli 2017 bekendmaken (21).

4.   STEUN DIE VERENIGBAAR IS MET DE INTERNE MARKT

4.1.   Steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen

(72)

Steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen is verenigbaar met de interne markt indien deze steun voldoet aan de beginselen van afdeling 3 en aan de specifieke voorwaarden van de onderhavige afdeling.

(73)

De begrippen „natuurrampen” en „buitengewone gebeurtenissen” moeten restrictief worden geïnterpreteerd (22).

(74)

Tot dusverre heeft de Commissie op het gebied van staatssteun aan de visserij- en aquacultuursector aanvaard dat buitengewoon zware stormen en overstromingen als natuurramp kunnen worden aangemerkt. Bovendien is het op grond van Verordening (EU) nr. 1388/2014 mogelijk om ook voor de volgende soorten natuurrampen een groepsvrijstelling te verlenen: aardbevingen, lawines, grondverschuivingen, tornado’s, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak.

(75)

Buiten de visserij- en aquacultuursector heeft de Commissie onder meer de volgende buitengewone gebeurtenissen als zodanig erkend: oorlog, binnenlandse ordeverstoringen, stakingen alsmede, zij het met enige restricties en afhankelijk van de omvang ervan, ernstige industriële en nucleaire ongevallen en branden die tot wijdverspreide verliezen leiden. Een uitbraak van een dierziekte of een plantenplaag wordt doorgaans niet als een buitengewone gebeurtenis aangemerkt. In specifieke gevallen met betrekking tot de visserij- en aquacultuursector heeft de Commissie echter de zeer wijdverspreide uitbraak van een nieuwe dierziekte wel als een buitengewone gebeurtenis erkend.

(76)

De Commissie blijft voorstellen tot toekenning van steun overeenkomstig artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag van geval tot geval beoordelen, met inachtneming van haar vroegere praktijk ter zake.

(77)

Voor steun die in het kader van deze afdeling wordt verleend, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat heeft de gebeurtenis formeel als natuurramp of buitengewone gebeurtenis erkend;

b)

er is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de natuurramp of buitengewone gebeurtenis en de schade die de onderneming heeft geleden.

(78)

De steun moet rechtstreeks aan de betrokken onderneming worden uitbetaald.

(79)

Steunregelingen met betrekking tot een specifieke natuurramp of buitengewone gebeurtenis moeten worden ingesteld binnen drie jaar nadat de ramp of gebeurtenis zich heeft voorgedaan. De steun moet binnen vier jaar na die datum worden betaald.

(80)

Met het oog op een snelle reactie zal de Commissie toestemming verlenen voor ex-antekadersteunregelingen om schade te vergoeden die wordt veroorzaakt door aardbevingen, lawines, grondverschuivingen, overstromingen, tornado's, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak, mits duidelijk wordt aangegeven onder welke voorwaarden in dergelijke natuurrampgevallen steun kan worden toegekend. In zulke gevallen moeten de lidstaten voldoen aan de rapportageverplichting die is vastgesteld in punt 130.

(81)

De subsidiabele kosten zijn de kosten van de schade die als rechtstreeks gevolg van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis is ontstaan, zoals getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming. Bij de schade kan het gaan om:

a)

materiële schade aan activa (zoals gebouwen, uitrusting, machines, voorraden en productiemiddelen), en

b)

inkomensverlies als gevolg van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de visserij- of de aquacultuurproductie of de voor die productie gebruikte middelen.

(82)

De materiële schade moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis. Het schadebedrag mag niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis.

(83)

Het inkomensverlies moet worden berekend door:

a)

de hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in het jaar van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs, af te trekken van

b)

de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in de drie jaar voorafgaand aan de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

(84)

De schade moet worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

(85)

De steun en de eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, moeten beperkt blijven tot 100 % van de subsidiabele kosten.

5.   STEUN DIE ALS VERENIGBAAR IS MET DE INTERNE MARKT KAN WORDEN AANGEMERKT

5.1.   Steun voor categorieën van maatregelen die vallen onder een groepsvrijstellingsverordening

(86)

Wanneer steun voor kmo's of grote ondernemingen vergelijkbaar is met steun behorende tot een categorie steun die als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd in het kader van een van de in punt 19, onder a), vermelde verordeningen inzake groepsvrijstellingen, wordt die steun door de Commissie beoordeeld op basis van de beginselen van afdeling 3 van deze richtsnoeren, de onderhavige afdeling en de criteria voor elke steuncategorie als vermeld in die verordeningen.

(87)

Voor steun die niet aan alle in punt 86 bedoelde criteria voldoet, moet de lidstaat aantonen dat deze gerechtvaardigd en onmisbaar is. De Commissie beoordeelt dergelijke steun geval per geval.

(88)

In afwijking van punt 86 is steun die vergelijkbaar is met steun behorende tot de categorie steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen als vermeld in artikel 44 van Verordening (EU) nr. 1388/2014, verenigbaar met het Verdrag indien deze voldoet aan de specifieke voorwaarden van afdeling 4 van deze richtsnoeren.

5.2.   Steun die tot de werkingssfeer van bepaalde horizontale richtsnoeren behoort

(89)

Steun die tot de werkingssfeer van bepaalde horizontale richtsnoeren of andere door de Commissie vastgestelde instrumenten (23) behoort, wordt door de Commissie beoordeeld op basis van de beginselen van afdeling 3 van de onderhavige richtsnoeren en de ter zake relevante afdelingen van die instrumenten.

5.3.   Steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden

(90)

Steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden wordt door de Commissie beoordeeld op basis van de beginselen van afdeling 3 van deze richtsnoeren en de specifieke voorwaarden van de onderhavige afdeling.

(91)

In afwijking van punt 90 wordt steun die vergelijkbaar is met steun behorende tot de categorie steun voor onderlinge fondsen voor ongunstige weersomstandigheden als bedoeld in artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1388/2014, door de Commissie beoordeeld in het kader van afdeling 5.1 van deze richtsnoeren.

(92)

Tot dusverre heeft de Commissie op het gebied van staatssteun aan de visserij- en aquacultuursector aanvaard dat stormen, windstoten die buitengewoon hoge golven veroorzaken, hevige en aanhoudende regen, overstromingen alsmede over een langere periode aanhoudende uitzonderlijk hoge watertemperaturen als ongunstige weersomstandigheden kunnen worden aangemerkt. De Commissie blijft voorstellen tot toekenning van steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden van geval tot geval beoordelen, met inachtneming van haar vroegere praktijk ter zake.

(93)

Voor steun die in het kader van deze afdeling wordt verleend, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

a)

de schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden moet meer dan 30 % van de gemiddelde jaaromzet bedragen, berekend op basis van de drie kalenderjaren of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheden, waarbij de hoogste en de laagste waarde niet worden meegerekend;

b)

er moet een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaan tussen de ongunstige weersomstandigheden en de schade die de onderneming heeft geleden;

c)

in het geval van in artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedoelde verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden, moeten de lidstaten rechtvaardigen waarom zij van plan zijn steun toe te kennen veeleer dan in het kader van artikel 35 van die verordening een financiële vergoeding te betalen uit een onderling fonds voor ongunstige weersomstandigheden.

(94)

De Commissie zal toestemming verlenen voor ex-antekadersteunregelingen om schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden te vergoeden, mits duidelijk wordt aangegeven onder welke voorwaarden steun kan worden toegekend. In zulke gevallen moeten de lidstaten voldoen aan de rapportageverplichting die is vastgesteld in punt 130.

(95)

De steun moet rechtstreeks aan de betrokken onderneming worden uitbetaald.

(96)

Steunregelingen met betrekking tot ongunstige weersomstandigheden moeten worden ingesteld binnen drie jaar nadat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan. De steun moet binnen vier jaar na die datum worden betaald.

(97)

De subsidiabele kosten zijn de kosten van de schade die als een rechtstreeks gevolg van de ongunstige weersomstandigheden is ontstaan, zoals getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming. Bij de schade kan het gaan om:

a)

materiële schade aan activa (zoals gebouwen, vaartuigen, uitrusting, machines, voorraden en productiemiddelen), en

b)

inkomensverlies als gevolg van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de visserij- of de aquacultuurproductie of de voor die productie gebruikte middelen.

(98)

In het geval van materiële schade aan activa moet de schade een productieverlies tot gevolg hebben dat meer dan 30 % van de gemiddelde jaaromzet bedraagt, berekend op basis van de drie kalenderjaren of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheden, waarbij de hoogste en de laagste waarde niet worden meegerekend.

(99)

De materiële schade moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de ongunstige weersomstandigheden. Het schadebedrag mag niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de ongunstige weersomstandigheden, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de ongunstige weersomstandigheden.

(100)

Het inkomensverlies moet worden berekend door:

a)

de hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in het jaar van de ongunstige weersomstandigheden of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs, af te trekken van

b)

de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in de drie jaar voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheden of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheden, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

(101)

De schade moet worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

(102)

De steun en de eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, moeten beperkt blijven tot 100 % van de subsidiabele kosten.

5.4.   Steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur

(103)

Steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur wordt door de Commissie beoordeeld op basis van de beginselen van afdeling 3 van deze richtsnoeren en de voorwaarden van de onderhavige afdeling.

(104)

In afwijking van punt 103 wordt steun die vergelijkbaar is met steun behorende tot de categorie steun voor maatregelen op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn als bedoeld in artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1388/2014, door de Commissie beoordeeld in het kader van afdeling 5.1 van deze richtsnoeren.

(105)

Steun in het kader van deze afdeling mag slechts worden toegekend:

a)

voor ziekten die zijn opgenomen in de lijst van dierziekten van de Wereldorganisatie voor diergezondheid, in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad (24), of in bijlage IV, deel II, van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (25), en

b)

als onderdeel van:

i.

een uniaal, nationaal of regionaal programma ter preventie, bestrijding of uitroeiing van dierziekten, of

ii.

door de bevoegde nationale autoriteit opgelegde noodmaatregelen.

(106)

De steun moet rechtstreeks aan de betrokken onderneming worden uitbetaald.

(107)

Er mag geen steun worden toegekend wanneer wordt geconstateerd dat de begunstigde de ziekte met opzet of door nalatigheid heeft veroorzaakt.

(108)

De steunregelingen moeten worden ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de door de dierziekte veroorzaakte kosten zijn ontstaan. De steun moet binnen vier jaar na die datum worden betaald.

(109)

De Commissie zal toestemming verlenen voor ex-antekadersteunregelingen, mits duidelijk wordt aangegeven onder welke voorwaarden steun kan worden toegekend. In zulke gevallen moeten de lidstaten voldoen aan de rapportageverplichting die is vastgesteld in punt 130.

(110)

De subsidiabele kosten hebben betrekking op:

a)

gezondheidscontroles, analyses, tests en andere screeningmaatregelen;

b)

de aankoop, opslag, toediening of distributie van vaccins, geneesmiddelen en stoffen voor de behandeling van dieren;

c)

het slachten, ruimen en vernietigen van dieren;

d)

het vernietigen van dierlijke producten en van met die dieren verband houdende producten;

e)

het reinigen en ontsmetten van de onderneming en van apparatuur;

f)

de schade die is ontstaan als gevolg van het slachten, ruimen en vernietigen van dieren, dierlijke producten en met die dieren verband houdende producten, beperkt tot de marktwaarde die de dieren en producten zouden hebben als zij niet door de ziekte waren getroffen;

g)

inkomensverlies als gevolg van moeilijkheden bij het herbevolken van de onderneming;

h)

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, andere kosten die als gevolg van dierziekten in de aquacultuur zijn gemaakt.

(111)

De steun en de eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, moeten beperkt blijven tot 100 % van de subsidiabele kosten.

5.5.   Steun gefinancierd uit parafiscale heffingen

(112)

Steunregelingen die worden gefinancierd door middel van speciale, met name parafiscale heffingen, op bepaalde visserij- of aquacultuurproducten, ongeacht de oorsprong daarvan, worden door de Commissie beoordeeld op basis van de beginselen van afdeling 3 en de voorwaarden van de onderhavige afdeling. Alleen steun die binnenlandse en ingevoerde producten in gelijke mate ten goede komt, mag als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt.

5.6.   Exploitatiesteun in ultraperifere gebieden

(113)

Exploitatiesteun die in ultraperifere gebieden wordt toegekend ter verlichting van de gevolgen van de specifieke beperkingen waarmee deze gebieden als gevolg van hun isolement, insulaire ligging en ultraperifere karakter worden geconfronteerd, wordt door de Commissie geval per geval beoordeeld op basis van de beginselen van afdeling 3, de voorwaarden van de onderhavige afdeling en de specifieke wettelijke bepalingen die op die gebieden van toepassing zijn. Zij zal in voorkomend geval tevens de verenigbaarheid van de steun met EFMZV-maatregelen voor het betrokken gebied in aanmerking nemen, alsmede de gevolgen van de steun voor de mededinging in de betrokken gebieden en in andere delen van de Unie.

(114)

De steun mag niet verder gaan dan wat nodig is ter verlichting van de gevolgen van de specifieke beperkingen waarmee de ultraperifere gebieden als gevolg van hun isolement, insulaire ligging en ultraperifere karakter worden geconfronteerd. Om overcompensatie te voorkomen, moeten de lidstaten rekening houden met andere soorten overheidsmaatregelen, zoals, in voorkomend geval, de in de artikelen 70, 71 en 72 van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedoelde compensatie van in de ultraperifere gebieden gemaakte extra kosten in verband met visserij- en aquacultuurproducten, en de in artikel 73 van die verordening bedoelde steun voor de uitvoering van compensatieplannen.

5.7.   Steun voor andere maatregelen

(115)

Andere steun dan bedoeld in afdeling 4 en de afdelingen 5.1 tot en met 5.6 is in beginsel niet verenigbaar met de interne markt.

(116)

Lidstaten die dergelijke steun toch verstrekken of van plan zijn dat te doen, moeten duidelijk aantonen dat de steun in overeenstemming is met de beginselen van afdeling 3. De Commissie kan de steun als verenigbaar met de interne markt aanmerken op basis van een geval per geval verrichte beoordeling.

6.   PROCEDURELE AANGELEGENHEDEN

6.1.   Maximale looptijd van de steunregelingen en evaluatie

(117)

De Commissie verleent slechts toestemming voor steunregelingen van beperkte duur. De looptijd van de steunregelingen mag in beginsel niet langer zijn dan zeven jaar.

(118)

Als verdere garantie dat de verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer beperkt blijven, kan de Commissie eisen dat voor bepaalde regelingen een extra beperking in de tijd geldt (doorgaans tot vier jaar of minder) en dat een in punt 25 bedoelde evaluatie achteraf wordt uitgevoerd. Er zullen evaluaties achteraf worden uitgevoerd voor regelingen waarvan de potentiële verstoringen van de mededinging zeer groot zijn, d.w.z. dat deze regelingen de mededinging aanzienlijk kunnen beperken of verstoren als de tenuitvoerlegging daarvan niet tijdig wordt doorgelicht.

(119)

Gezien de doelstellingen van de evaluatie achteraf en om de lidstaten geen onevenredige lasten ten aanzien van kleinere steunbedragen op te leggen, geldt deze verplichting tot het verrichten van een evaluatie achteraf uitsluitend voor steunregelingen waarvoor een groot steunbudget is uitgetrokken, die nieuwe kenmerken bevatten of wanneer aanzienlijke veranderingen van de markt, de technologie of de regelgeving worden verwacht. De evaluatie achteraf moet door een van de steunverlenende autoriteit onafhankelijke deskundige worden uitgevoerd op basis van een gemeenschappelijke methode, en moet openbaar worden gemaakt. De lidstaten moeten, samen met de steunregeling, een ontwerp-evaluatieplan aanmelden, dat integrerend deel zal uitmaken van de beoordeling van de regeling door de Commissie.

(120)

Voor steunregelingen die alleen wegens hun grote budget zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van een groepsvrijstellingsverordening, zal de Commissie de verenigbaarheid uitsluitend op basis van het evaluatieplan beoordelen.

(121)

De evaluatie achteraf moet tijdig bij de Commissie worden ingediend om haar in staat te stellen de eventuele verlenging van de steunregeling te beoordelen, en in elk geval zodra de regeling is afgelopen. Bij een eventuele latere steunmaatregel met een soortgelijke doelstelling moet met de uitkomsten van de evaluatie achteraf rekening worden gehouden.

6.2.   Toepassing van de richtsnoeren

(122)

De Commissie past deze richtsnoeren toe bij de beoordeling van alle steun die bedoeld is om op of na 1 juli 2015 te worden toegekend, ongeacht de datum waarop deze wordt aangemeld.

(123)

Individuele steun die op basis van een goedgekeurde steunregeling wordt toegekend en die bij de Commissie wordt aangemeld uit hoofde van een verplichting om dergelijke steun individueel aan te melden, wordt beoordeeld op basis van de richtsnoeren die van toepassing zijn op de goedgekeurde steunregeling.

(124)

Onrechtmatig toegekende steun wordt beoordeeld op basis van de ten tijde van de toekenning van de steun geldende richtsnoeren.

(125)

De in 2008 vastgestelde richtsnoeren voor het onderzoek van de steunmaatregelen van de staten in de visserij- en aquacultuursector zijn na 30 juni 2015 niet meer van toepassing, behalve voor de in de punten 123 en 124 bedoelde gevallen.

6.3.   Voorstellen voor dienstige maatregelen

(126)

Overeenkomstig artikel 108, lid 1, van het Verdrag stelt de Commissie de lidstaten voor om hun bestaande steunregelingen te wijzigen zodat deze uiterlijk op 31 december 2015 aan de onderhavige richtsnoeren voldoen.

(127)

De Commissie verzoekt de lidstaten om uiterlijk twee maanden na de datum van bekendmaking van deze richtsnoeren in het Publicatieblad van de Europese Unie hun uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming met de in deze richtsnoeren bedoelde dienstige maatregelen mee te delen.

(128)

De Commissie neemt aan dat lidstaten die binnen de gestelde termijn niet hun uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming geven, het niet eens zijn met de voorgestelde maatregelen. Wanneer een lidstaat het niet eens is met de voorgestelde maatregelen, volgt de Commissie de procedure van artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 659/1999.

6.4.   Rapportage en monitoring

(129)

De Commissie herinnert de lidstaten aan hun verplichting om op grond van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 659/1999 en de artikelen 5, 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 794/2004 een jaarverslag aan de Commissie toe te zenden.

(130)

Het jaarverslag moet onder meer meteorologische gegevens over soort, tijdstip, relatieve grootte en plaats voor de in afdelingen 4 en 5.3 bedoelde natuurrampen en ongunstige weersomstandigheden bevatten, alsmede gegevens over de in afdeling 5.4 bedoelde preventie-, bestrijdings- en uitroeiingsprogramma's. Deze rapportageverplichting geldt alleen voor ex-antekadersteunregelingen.

(131)

De lidstaten moeten gedetailleerde dossiers over al hun steunmaatregelen bijhouden. Die dossiers moeten alle informatie bevatten die nodig is om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden van deze richtsnoeren met betrekking tot, in voorkomend geval, subsidiabiliteit en steunintensiteit. Deze dossiers moeten vanaf de datum van de toekenning van de steun tien jaar worden bewaard en moeten op verzoek aan de Commissie worden overgelegd.

6.5.   Herziening

(132)

De Commissie kan te allen tijde besluiten deze richtsnoeren te herzien of te wijzigen wanneer dat noodzakelijk is om redenen die verband houden met het mededingingsbeleid, met andere beleidsgebieden van de Unie, met internationale verplichtingen of met marktontwikkelingen, of om een andere gerechtvaardigde reden.


(1)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 369 van 24.12.2014, blz. 37).

(5)  Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PB L 190 van 28.6.2014, blz. 45).

(6)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(7)  Mededeling van 8 mei 2012 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: „De modernisering van het EU-staatssteunbeleid”, COM(2012) 209 final.

(8)  Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (PB C 209 van 23.7.2013, blz. 1). Die richtsnoeren zijn niet van toepassing op de visserij- en aquacultuursector.

(9)  Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

(11)  Arrest van het Gerecht van 16 oktober 2013, Télévision française 1 (TF1) versus Europese Commissie, T-275/11, ECLI:EU:T:2013:535, punten 41-44.

(12)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(13)  Besluit van de Europese Raad van 29 oktober 2010 tot wijziging van de status van het eiland Saint-Barthélemy ten aanzien van de Europese Unie (PB L 325 van 9.12.2010, blz. 4).

(14)  Besluit van de Europese Raad van 11 juli 2012 houdende wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie (PB L 204 van 31.7.2012, blz. 131).

(15)  Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van 19 september 2000, Duitsland versus Commissie, C-156/98, ECLI:EU:C:2000:467, punt 78, en het arrest van het Hof van Justitie van 22 december 2008, Régie Networks, C-333/07, ECLI:EU:C:2008:764, punten 94-116.

(16)  Arrest van het Gerecht van 13 september 1995, TWD v Commission, gevoegde zaken T-244/93 en T-486/93, ECLI:EU:T:1995:160, punten 53-63.

(17)  Arrest van het Gerecht van 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie, gevoegde zaken C-630/11 P tot en met C-633/11, ECLI:EU:T:2013:387, punten 103-123.

(18)  De IRR is niet gebaseerd op het boekhoudkundige rendement in een bepaald jaar, maar houdt rekening met de toekomstige kasstromen die de investeerder verwacht te ontvangen over de hele levensduur van de investering. De IRR wordt omschreven als de disconteringsvoet waarbij de netto contante waarde (net present value — NPV) van de kasstromen nul is. De NPV van een project is het verschil tussen de positieve en de negatieve kasstromen gedurende de hele levensduur van de investering, contant gemaakt (doorgaans op basis van de kapitaalkosten).

(19)  De drempel van 30 000 EUR stemt overeen met de drempel voor de publicatie van informatie als opgenomen in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1388/2014. Om de coherentie tussen de verschillende staatssteuninstrumenten voor de visserij- en aquacultuursector te waarborgen en de administratieve lasten voor de lidstaten te verminderen, is het passend dat in die verordening en in deze richtsnoeren dezelfde drempel van toepassing is. Met het oog op de bescherming van persoonsgegevens, die in het gedrang kan zijn, staat de vereiste om informatie bekend te maken over individuele steun die meer bedraagt dan de drempelwaarde van 30 000 EUR, in verhouding tot het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd, met name wat transparantie over het gebruik van overheidsmiddelen betreft.

(20)  Deze informatie moet worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van toekenning van de steun (of, voor steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum waarop de belastingaangifte moet zijn ingediend). In het geval van onrechtmatige steun moeten de lidstaten de informatie achteraf bekendmaken, uiterlijk zes maanden vanaf de datum van het besluit van de Commissie. De informatie moet beschikbaar worden gesteld in een format waarmee de gegevens kunnen worden doorzocht en geëxtraheerd en gemakkelijk op internet kunnen worden bekendgemaakt, bijv. in CSV- of XML-format.

(21)  Bekendmaking wordt niet geëist voor steun toegekend vóór 1 juli 2017 en, in het geval van fiscale steun, voor steun aangevraagd of toegekend vóór 1 juli 2017.

(22)  Arrest van het Hof van Justitie van 23 februari 2006, Giuseppe Atzeni e.a., gevoegde zaken C-346/03 en C-529/03, ECLI:EU:C:2006:130, punt 79.

(23)  Onder horizontale richtsnoeren en andere instrumenten wordt onder meer het volgende verstaan: de criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid van individueel aan te melden staatssteun ten behoeve van opleiding (PB C 188 van 11.8.2009, blz. 1); de richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen (PB C 19 van 22.1.2014, blz. 4); de kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PB C 198 van 27.6.2014, blz. 1); de richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (PB C 200 van 28.6.2014, blz. 1); de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

(24)  Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, de diergezondheid en het dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 66/399/EEG van de Raad, Besluit 76/894/EEG van de Raad en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1).

(25)  Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14).


2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/16


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.7628 — Permira/CPPIB/Informatica)

(Voor de EER relevante tekst)

(2015/C 217/02)

Op 22 juni 2015 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32015M7628. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/17


Mededeling van het Europees Parlement over de Europese Burgerschapsprijs CIVI EUROPAEO PRAEMIUM

(2015/C 217/03)

De jury van de Europese Burgerschapsprijs is op woensdag 3 juni 2015 voor zijn jaarlijkse vergadering bijeengekomen onder voorzitterschap van mevrouw Sylvie Guillaume, ondervoorzitter van het Europees Parlement.

Op die vergadering is onderstaande lijst met de prijswinnaars voor 2015 opgesteld.

De prijzen zullen worden uitgereikt tijdens een openbare plechtigheid in de lidstaten waar de winnaars gevestigd zijn. Met de organisatie hiervan zijn de voorlichtingsbureaus van het Europees Parlement belast. Ook zullen de winnaars elkaar ontmoeten tijdens een centraal evenement dat op 14 oktober 2015 zal plaatsvinden in het Europees Parlement in Brussel.

CIVI EUROPAEO PRAEMIUM

Winnaars

Antoine Deltour

Carole Roberts

Člověk v tísni

Davide Martello

Davidovics László

Die gewollte Donau

Don Michele De Paolis

Drago Jančar

Euriade e.V.

Fundación Barraquer

Fundacja Integracji Społecznej PROM

Fundacja Oswoić Los

Gaia Ferrara

Gemeinsam leben und lernen in Europa e.V.

Heart for Romania

Hrvatska gorska služba spašavanja

Ikäihmisten olohuone

Innovaction

Instituto Marquês de Valle Flôr

Istituto di Medicina Solidale Onlus

Katri Raik

Κοινωνική Κουζίνα - ο Άλλος Άνθρωπος

La Ciudad Accesible

Lietuvos neįgaliųjų forumas

Lydia Foy

Manuela Eanes

Mário Ruivo

Medici con l'Africa CUAMM

Miskolci Speciális Felderítő és Mentőcsoport

Μητροπολιτικό Κοινωνικό Ιατρείο Ελληνικού

Netzwerk sozialer Zusammenhalt

НЧ „Бъдеще сега 2006“

PAMINA Nachwuchsschwimmfest

PhDr. Marek Hrubec, PhD.

Rafel SHAMRI

Richmond Foundation

Romska Ungdomsförbundet

Rūta Dimanta

Schone Kleren Campagne

Serge Laborderie

SLYNCS

Takis Hadjidemetriou and Ali Tuncay

Territoires de la Mémoire

Tessy Fautsch

Tina Ellen Lee

Tomo Križnar

Yves D. Robert


Europese Commissie

2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/19


Door de Europese Centrale Bank toegepaste rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties (1):

0,05 % per 1 juli 2015

Wisselkoersen van de euro (2)

1 juli 2015

(2015/C 217/04)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1100

JPY

Japanse yen

136,63

DKK

Deense kroon

7,4607

GBP

Pond sterling

0,70905

SEK

Zweedse kroon

9,2460

CHF

Zwitserse frank

1,0457

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

8,7435

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

27,246

HUF

Hongaarse forint

314,33

PLN

Poolse zloty

4,1901

RON

Roemeense leu

4,4760

TRY

Turkse lira

2,9748

AUD

Australische dollar

1,4458

CAD

Canadese dollar

1,3902

HKD

Hongkongse dollar

8,6053

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,6415

SGD

Singaporese dollar

1,4982

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 246,87

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

13,5328

CNY

Chinese yuan renminbi

6,8838

HRK

Kroatische kuna

7,5885

IDR

Indonesische roepia

14 810,69

MYR

Maleisische ringgit

4,1756

PHP

Filipijnse peso

50,222

RUB

Russische roebel

61,5175

THB

Thaise baht

37,537

BRL

Braziliaanse real

3,4451

MXN

Mexicaanse peso

17,4492

INR

Indiase roepie

70,6016


(1)  Rentevoet die is toegepast op de laatst uitgevoerde transactie voor de opgegeven dag. In geval van een tender met variabele rente, verwijst deze rentevoet naar de marginale interestvoet.

(2)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/20


Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Wijziging van openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten

(Voor de EER relevante tekst)

(2015/C 217/05)

Lidstaat

Cyprus

Betrokken route

Larnaka-Brussel (Zaventem)

Oorspronkelijke datum waarop de openbaredienstverplichtingen van kracht zijn geworden

29 maart 2015

Datum van inwerkingtreding van de wijzigingen

25 oktober 2015

Adres waarop de tekst van en alle relevante informatie en/of documentatie over de openbaredienstverplichtingen kunnen worden verkregen

Departement burgerluchtvaart

27, Pindarou Str.

Alpha Business Centre

Nicosia

CΥΡRUS

Tel. +357 22404104

Fax +357 22766552

Internet: http://www.mcw.gov.cy/dca

Ter attentie van dhr. Antonis Lemesianos

E-mail: alemesianos@mcw.gov.cy


2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/20


Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Aanbesteding met betrekking tot de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

(2015/C 217/06)

Lidstaat

Cyprus

Betrokken route

Larnaka-Brussel (Zaventem)-Larnaka

Looptijd van het contract

25 oktober 2015 - 24 oktober 2019

of

27 maart 2016 - 26 maart 2020

Uiterste datum voor de indiening van de inschrijvingen en de offertes

60 dagen na de datum van publicatie van deze mededeling

Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kunnen worden verkregen

Departement burgerluchtvaart

27, Pindarou Str.

Alpha Business Centre

Nicosia

CΥΡRUS

Tel. +357 22404104

Fax +357 22766552

Internet: http://www.mcw.gov.cy/dca

Ter attentie van dhr. Antonis Lemesianos

E-mail: alemesianos@mcw.gov.cy


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

EVA-Hof

2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/21


Verzoek van het Staatsgerichtshof des Fürstentums Liechtenstein van 20 januari 2015 om een advies van het EVA-Hof, in de zaak Liechtensteinische Gesellschaft für Umweltschutz tegen Gemeinde Vaduz

(Zaak E-3/15)

(2015/C 217/07)

Bij schrijven van 20 januari 2015 van het Staatsgerichtshof des Fürstentums Liechtenstein is bij het EVA-Hof een verzoek ingediend, dat bij de griffie van het Hof is binnengekomen op 22 januari 2015, om een advies in de zaak Liechtensteinische Gesellschaft für Umweltschutz tegen Gemeinde Vaduz, betreffende onderstaande vragen:

1.

Is Richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten in het Vorstendom Liechtenstein van toepassing op MEB-procedures die op grond van de overgangsregelingen nog steeds zijn gebaseerd op het Gesetz über die Umweltverträglichkeitsprüfung (wet inzake de milieueffectbeoordeling) van 10 maart 1999 („de oude versie van de wet inzake de milieueffectbeoordeling”)?

2.

Zo ja, is er in casu sprake van een onrechtmatige beperking van het beroepsrecht van milieuorganisaties krachtens artikel 11 van Richtlijn 2011/92/EU juncto artikel 20 van de oude versie van de wet inzake de milieueffectbeoordeling, wanneer de regering een algemeen besluit neemt over de verenigbaarheid met het milieu van het project ingevolge artikel 16 van de oude versie van de wet inzake de milieueffectbeoordeling in een afzonderlijke procedure, maar cruciale kwesties in verband met de verenigbaarheid met het milieu van het project vervolgens regelt — in de vorm van voorwaarden — in het kader van vergunningsprocedures krachtens bijzondere wetgeving?

3.

Zo ja, heeft artikel 11 van Richtlijn 2011/92/EU rechtstreekse gevolgen met betrekking tot de betrokken MEB-procedure welke de grond vormt voor de individuele klacht bij het Staatsgerichtshof?

4.

Wat zou in de onderhavige zaak het rechtsgevolg zijn van een inbreuk op het beroepsrecht krachtens de richtlijn met betrekking tot de vragen 2 en 3?


2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/22


Verzoek van Eidsivating lagmannsrett van 11 februari 2015 om een advies van het EVA-Hof in de zaak Matja Kumba T. M’bye e.a. tegen Stiftelsen Fossumkollektivet

(Zaak E-5/15)

(2015/C 217/08)

Bij schrijven van 11 februari 2015 van Eidsivating lagmannsrett (Eidsivating hof van beroep, Noorwegen) is bij het EVA-Hof een verzoek ingediend, dat bij de griffie van het Hof is binnengekomen op 13 februari 2015, om een advies in de zaak Matja Kumba T. M’bye e.a. tegen Stiftelsen Fossumkollektivet, betreffende onderstaande vragen:

1.

Is een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 84 uur (7/7-rotatie) in een medisch-sociaal begeleidingscentrum in strijd met artikel 6 van Richtlijn 2003/88/EG (de arbeidstijdenrichtlijn) (zie ook artikel 22, lid 1, onder a), van die richtlijn)?

2.

Is een nationale bepaling volgens dewelke de instemming van de werknemer om meer dan 60 uren per week in een medisch-sociaal begeleidingscentrum te werken niet kan worden herroepen, verenigbaar met de rechten die werknemers genieten uit hoofde van artikel 6 van de arbeidstijdenrichtlijn (zie ook artikel 22 van die richtlijn)?

3.

Vormt ontslag wegens het niet instemmen met een regeling van meer dan 48 uren arbeid binnen een periode van zeven dagen een sanctie of een „nadeel” in de zin van artikel 22, lid 1, onder a) en b), van de arbeidstijdenrichtlijn?


ANDERE HANDELINGEN

Europese Commissie

2.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 217/23


Aankondiging betreffende een verzoek uit hoofde van artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU — Opschorting van de termijn

Verzoek van een aanbestedende instantie

(2015/C 217/09)

Op 16 januari 2015 heeft de Commissie een verzoek ontvangen uit hoofde van artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (1). De eerste werkdag volgende op de ontvangst van het verzoek is 19 januari 2015.

Dit verzoek is ingediend door Flughafen Wien en heeft betrekking op activiteiten die de exploitatie van een geografisch gebied beogen ten behoeve van de terbeschikkingstelling aan luchtvervoerders van luchthaven- of andere terminalfaciliteiten op het grondgebied van Oostenrijk. De betrokken aankondiging werd gepubliceerd in PB C 93 van 20 maart 2015, blz. 22.

Overeenkomstig bijlage IV, punt 1, onder b), bij Richtlijn 2014/25/EU beschikt de Commissie over een termijn van 130 werkdagen om een besluit over dit verzoek te nemen. Deze initiële termijn loopt af op 30 juli 2015.

Overeenkomstig bijlage IV, punt 2, bij Richtlijn 2014/25/EU kan de Commissie de lidstaat of de aanvrager of de bevoegde onafhankelijke nationale instantie of elke andere bevoegde nationale instantie verzoeken alle nodige informatie te verstrekken of binnen een passende termijn de verstrekte informatie aan te vullen of te verduidelijken. Op 27 februari 2015 heeft de Commissie Flughafen Wien verzocht uiterlijk op 13 maart 2015 aanvullende informatie te verstrekken. Op 20 april 2015 heeft de Commissie de Oostenrijkse instanties verzocht uiterlijk op 18 mei 2015 aanvullende informatie te verstrekken.

Overeenkomstig bijlage IV, punt 2, tweede zin, bij Richtlijn 2014/25/EU wordt in geval van late of onvolledige antwoorden op het verzoek van de Commissie om verduidelijking of aanvullende informatie de hierboven genoemde periode van 130 dagen opgeschort voor de periode tussen het verstrijken van de in het verzoek om informatie gestelde termijn en de ontvangst van volledige en juiste informatie.

De definitieve termijn verstrijkt derhalve 90 werkdagen na de ontvangst van de volledige en juiste informatie.


(1)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.