ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 178

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

58e jaargang
1 juni 2015


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2015/C 178/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2015/C 178/02

Zaak C-105/15 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Konstantinos Mallis en Elli Konstantinou Malli tegen de beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T-327/13, Mallis en Malli/Commissie en Europese Centrale Bank

2

2015/C 178/03

Zaak C-106/15 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Tameio Pronoias Prosopikou Trapezis Kyprou tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T-328/13, Tameio Pronoias Prosopikou Trapezis Kyprou/Commissie en Europese Centrale Bank

3

2015/C 178/04

Zaak C-107/15 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Petros Chatzithoma en Ellenitsa Chatzithoma tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T-329/13, Petros Chatzithoma en Ellenitsa Chatzithoma/Commissie en Europese Centrale Bank

4

2015/C 178/05

Zaak C-108/15 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Lella Khatziioannou tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T-330/13, Lella Khatziioannou/Commissie en Europese Centrale Bank

5

2015/C 178/06

Zaak C-109/15 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Marinos Nikolaou tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T—331/13, Marinos Nikolaou/Commissie en Europese Centrale Bank

6

2015/C 178/07

Zaak C-110/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 2 maart 2015 — Nokia Italia SpA e.a/Ministero per i beni e le attività culturali (MiBAC) e.a.

7

2015/C 178/08

Zaak C-121/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 18 december 2014 — ANODE — Association nationale des opérateurs détaillants en énergie/Premier ministre, Ministre de l’économie, de l’industrie et du numérique, Commission de régulation de l’énergie, GDF Suez

8

2015/C 178/09

Zaak C-124/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 12 maart 2015 — Salutas Pharma GmbH/Hauptzollamt Hannover

9

2015/C 178/10

Zaak C-133/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 18 maart 2015 — H.C. Chavez-Vilchez e.a., andere partijen: Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) e.a.

9

2015/C 178/11

Zaak C-137/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje) op 20 maart 2015 — María Pilar Plaza Bravo/Servicio Público de Empleo Estatal Dirección Provincial de Álava

10

 

Gerecht

2015/C 178/12

Zaak T-527/09 RENV: Arrest van het Gerecht van 14 april 2015 — Ayadi/Commissie (Terugverwijzing na vernietiging — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban — Verordening (EG) nr. 881/2002 — Bevriezing van de tegoeden en economische middelen van een persoon die voorkomt op een lijst die door een orgaan van de Verenigde Naties is opgesteld — Plaatsing van de naam van deze persoon op de lijst in bijlage I bij verordening (EG) nr. 881/2002 — Beroep tot nietigverklaring — Grondrechten — Rechten van verdediging — Recht op effectieve rechterlijke bescherming — Recht op bescherming van de eigendom)

11

2015/C 178/13

Zaak T-121/10: Beschikking van het Gerecht van 26 maart 2015 — Conte e.a./Raad (Beroep tot nietigverklaring — Visserij — Instandhouding van de visbestanden — Vaststelling van een communautaire regeling voor controle, inspectie en handhaving — Begrip regelgevingshandeling — Begrip wetgevingshandeling — Geen individuele geraaktheid — Niet-ontvankelijkheid)

12

2015/C 178/14

Zaak T-213/13: Beschikking van het Gerecht van 30 maart 2015 — Square/BHIM — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Pyrénées Gascogne (SQUARE) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Intrekking van inschrijvingsaanvraag — Afdoening zonder beslissing)

12

2015/C 178/15

Zaak T-111/15: Beroep ingesteld op 1 maart 2015 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie

13

2015/C 178/16

Zaak T-115/15: Beroep ingesteld op 5 maart 2015 — Deza/ECHA

14

2015/C 178/17

Zaak T-121/15: Beroep ingesteld op 6 maart 2015 — Fortischem/Commissie

15

2015/C 178/18

Zaak T-122/15: Beroep ingesteld op 12 maart 2015 — Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB

17

2015/C 178/19

Zaak T-143/15: Beroep ingesteld op 30 maart 2015 — Spanje/Commissie

19

2015/C 178/20

Zaak T-145/15: Beroep ingesteld op 29 maart 2015 — Roemenië/Commissie

20

2015/C 178/21

Zaak T-158/15: Beroep ingesteld op 1 april 2015 — Abertis Infraestructuras en Abertis Telecom Satélites/Commissie

21

2015/C 178/22

Zaak T-163/15: Beroep ingesteld op 2 april 2015 — Delta Group agroalimentare/Commissie

22

2015/C 178/23

Zaak T-167/15: Beroep ingesteld op 2 april 2015 — Bundesverband Souvenir — Geschenke — Ehrenpreise/BHIM — Freistaat Bayern (NEUSCHWANSTEIN)

23

2015/C 178/24

Zaak T-256/12: Beschikking van het Gerecht van 19 maart 2015 — Hautau/Commissie

24

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2015/C 178/25

Zaak F-33/15: Beroep ingesteld op 23 februari 2015 — ZZ/EESC

25

2015/C 178/26

Zaak F-34/15: Beroep ingesteld op 24 februari 2015 — ZZ/EDEO

25

2015/C 178/27

Zaak F-37/15: Beroep ingesteld op 3 maart 2015 — ZZ/Commissie

26

2015/C 178/28

Zaak F-38/15: Beroep ingesteld op 6 maart 2015 — FJ/Parlement

26

2015/C 178/29

Zaak F-39/15: Beroep ingesteld op 9 maart 2015 — ZZ/Commissie

27

2015/C 178/30

Zaak F-40/15: Beroep ingesteld op 9 maart 2015 — ZZ/Raad

27

2015/C 178/31

Zaak F-41/15: Beroep ingesteld op 9 maart 2015 — ZZ en anderen/CEPOL

28

2015/C 178/32

Zaak F-42/15: Beroep ingesteld op 10 maart 2015 — ZZ/Commissie

28

2015/C 178/33

Zaak F-43/15: Beroep ingesteld op 13 maart 2015 — ZZ/Commissie

29


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2015/C 178/01)

Laatste publicatie

PB C 171 van 26.5.2015

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 155 van 11.5.2015

PB C 146 van 4.5.2015

PB C 138 van 27.4.2015

PB C 127 van 20.4.2015

PB C 118 van 13.4.2015

PB C 107 van 30.3.2015

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/2


Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Konstantinos Mallis en Elli Konstantinou Malli tegen de beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T-327/13, Mallis en Malli/Commissie en Europese Centrale Bank

(Zaak C-105/15 P)

(2015/C 178/02)

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwiranten: Konstantinos Mallis en Elli Konstantinou Malli (vertegenwoordigers: E. Efstathiou, K. Efstathiou en K. Liasidou, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Europese Centrale Bank

Conclusies

vernietiging van het bestreden arrest;

vernietiging van het oordeel van het Gerecht tot aanvaarding van de exceptie van niet-ontvankelijkheid, met name het oordeel dat „een verklaring van de Eurogroep [...] niet [kan] worden beschouwd als een handeling die ertoe strekt rechtsgevolgen teweeg te brengen ten aanzien van derden” en dientengevolge jegens rekwiranten en dat de Eurogroep met de bestreden verklaring „zeer in het algemeen een overzicht [heeft] gegeven van bepaalde maatregelen die op politiek vlak waren overeengekomen met de Republiek Cyprus”;

vernietiging van het bestreden arrest waarbij de waardevermindering van de deposito’s aan de Republiek Cyprus is toegerekend, zonder dat de Eurogroep, verweersters of deze laatste via de Eurogroep een enkele gedraging, handeling of besluit wordt verweten;

vernietiging van de verwijzing van rekwiranten in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten vier middelen aan.

1.

Het bestreden arrest is ontoereikend gemotiveerd en is gewezen op grond van een onjuiste uitlegging van de feiten en het recht met betrekking tot de instelling die daadwerkelijk het besluit over de waardevermindering van de deposito’s („bail in”) heeft vastgesteld.

2.

Het bestreden arrest is gewezen in strijd met de algemene rechtsbeginselen, aangezien het Gerecht het feit verkeerd heeft opgevat dat het litigieuze besluit van de Eurogroep, ongeacht de soort en de vorm die het heeft aangenomen, in casu een handeling was waartegen bij beroep tot nietigverklaring kon worden opgekomen.

3.

Het bestreden arrest is gebrekkig doordat het Gerecht in zijn onderzoek is voorbijgegaan aan de rechtsbetrekking en feitelijke verhouding tussen de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep, en aan het feit dat de handelingen van de Eurogroep, uit hoofde van het beginsel van Legal Causation en het criterium van de daadwerkelijk verantwoordelijke, handelingen van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie vormden, die eveneens overeenkomstig het Verdrag en de protocollen van de Europese Unie en het secundaire en afgeleide recht hadden moeten optreden.

Dientengevolge heeft het Gerecht de kern van de argumenten en het geschil van rekwiranten niet onderzocht, zodat het beroep tot nietigverklaring ten onrechte is afgewezen.

4.

Na toewijzing van de hogere voorziening moeten rekwiranten niet worden verwezen in de kosten van de onderhavige procedure noch in die van de procedure in eerste aanleg.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/3


Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Tameio Pronoias Prosopikou Trapezis Kyprou tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T-328/13, Tameio Pronoias Prosopikou Trapezis Kyprou/Commissie en Europese Centrale Bank

(Zaak C-106/15 P)

(2015/C 178/03)

Procestaal: Grieks.

Partijen

Rekwirante: Tameio Pronoias Prosopikou Trapezis Kyprou (vertegenwoordigers: E. Efstathiou, K. Liasidou en K. Efstathiou, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Europese Centrale Bank

Conclusies

vernietiging van het bestreden arrest;

vernietiging van het oordeel van het Gerecht tot aanvaarding van de exceptie van niet-ontvankelijkheid, met name het oordeel dat „een verklaring van de Eurogroep [...] niet [kan] worden beschouwd als een handeling die ertoe strekt rechtsgevolgen teweeg te brengen ten aanzien van derden” en dientengevolge jegens rekwirante en dat de Eurogroep met de bestreden verklaring „zeer in het algemeen een overzicht [heeft] gegeven van bepaalde maatregelen die op politiek vlak waren overeengekomen met de Republiek Cyprus”;

vernietiging van het bestreden arrest waarbij de waardevermindering van de deposito’s aan de Republiek Cyprus is toegerekend, zonder dat de Eurogroep, verweersters of deze laatste via de Eurogroep een enkele gedraging, handeling of besluit wordt verweten;

vernietiging van de verwijzing van rekwirante in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan.

1.

Het bestreden arrest is ontoereikend gemotiveerd en is gewezen op grond van een onjuiste uitlegging van de feiten en het recht met betrekking tot de instelling die daadwerkelijk het besluit over de waardevermindering van de deposito’s („bail in”) heeft vastgesteld.

2.

Het bestreden arrest is gewezen in strijd met de algemene rechtsbeginselen, aangezien het Gerecht het feit verkeerd heeft opgevat dat het litigieuze besluit van de Eurogroep, ongeacht de soort en de vorm die heeft aangenomen, in casu een handeling was waartegen bij beroep tot nietigverklaring kon worden opgekomen.

3.

Het bestreden arrest is gebrekkig doordat het Gerecht in zijn onderzoek is voorbijgegaan aan de rechtsbetrekking en feitelijke verhouding tussen de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep, en aan het feit dat de handelingen van de Eurogroep, uit hoofde van het beginsel van Legal Causation en het criterium van de daadwerkelijk verantwoordelijke, handelingen van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie vormden, die eveneens overeenkomstig het Verdrag en de protocollen van de Europese Unie en het secundaire en afgeleide recht hadden moeten optreden.

Dientengevolge heeft het Gerecht de kern van de argumenten en het geschil van rekwirante niet onderzocht, zodat het beroep tot nietigverklaring ten onrechte is afgewezen.

4.

Na toewijzing van de hogere voorziening moet rekwirante niet worden verwezen in de kosten van de onderhavige procedure noch in die van de procedure in eerste aanleg.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/4


Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Petros Chatzithoma en Ellenitsa Chatzithoma tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T-329/13, Petros Chatzithoma en Ellenitsa Chatzithoma/Commissie en Europese Centrale Bank

(Zaak C-107/15 P)

(2015/C 178/04)

Procestaal: Grieks.

Partijen

Rekwiranten: Petros Chatzithoma en Ellenitsa Chatzithoma (vertegenwoordigers: E. Efstathiou, K. Efstathiou en K. Liasidou, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Europese Centrale Bank

Conclusies

vernietiging van het bestreden arrest;

vernietiging van het oordeel van het Gerecht tot aanvaarding van de exceptie van niet-ontvankelijkheid, met name het oordeel dat „een verklaring van de Eurogroep [...] niet [kan] worden beschouwd als een handeling die ertoe strekt rechtsgevolgen teweeg te brengen ten aanzien van derden” en dientengevolge jegens rekwiranten en dat de Eurogroep met de bestreden verklaring „zeer in het algemeen een overzicht [heeft] gegeven van bepaalde maatregelen die op politiek vlak waren overeengekomen met de Republiek Cyprus”;

vernietiging van het bestreden arrest waarbij de waardevermindering van de deposito’s aan de Republiek Cyprus is toegerekend, zonder dat de Eurogroep, verweersters of deze laatste via de Eurogroep een enkele gedraging, handeling of besluit wordt verweten;

vernietiging van de verwijzing van rekwiranten in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten vier middelen aan.

1.

Het bestreden arrest is ontoereikend gemotiveerd en is gewezen op grond van een onjuiste uitlegging van de feiten en het recht met betrekking tot de instelling die daadwerkelijk het besluit over de waardevermindering van de deposito’s („bail in”) heeft vastgesteld.

2.

Het bestreden arrest is gewezen in strijd met de algemene rechtsbeginselen, aangezien het Gerecht het feit verkeerd heeft opgevat dat het litigieuze besluit van de Eurogroep, ongeacht de soort en de vorm die heeft aangenomen, in casu een handeling was waartegen bij beroep tot nietigverklaring kon worden opgekomen.

3.

Het bestreden arrest is gebrekkig doordat het Gerecht in zijn onderzoek is voorbijgegaan aan de rechtsbetrekking en feitelijke verhouding tussen de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep, en aan het feit dat de handelingen van de Eurogroep, uit hoofde van het beginsel van Legal Causation en het criterium van de daadwerkelijk verantwoordelijke, handelingen van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie vormden, die eveneens overeenkomstig het Verdrag en de protocollen van de Europese Unie en het secundaire en afgeleide recht hadden moeten optreden.

Dientengevolge heeft het Gerecht de kern van de argumenten en het geschil van rekwiranten niet onderzocht, zodat het beroep tot nietigverklaring ten onrechte is afgewezen.

4.

Na toewijzing van de hogere voorziening moeten rekwiranten niet worden verwezen in de kosten van de onderhavige procedure noch in die van de procedure in eerste aanleg.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/5


Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Lella Khatziioannou tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T-330/13, Lella Khatziioannou/Commissie en Europese Centrale Bank

(Zaak C-108/15 P)

(2015/C 178/05)

Procestaal: Grieks.

Partijen

Rekwirante: Lella Khatziioannou (vertegenwoordigers: E. Efstathiou, K. Efstathiou en K. Liasidou, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Europese Centrale Bank

Conclusies

vernietiging van het bestreden arrest;

vernietiging van het oordeel van het Gerecht tot aanvaarding van de exceptie van niet-ontvankelijkheid, met name het oordeel dat „een verklaring van de Eurogroep [...] niet [kan] worden beschouwd als een handeling die ertoe strekt rechtsgevolgen teweeg te brengen ten aanzien van derden” en dientengevolge jegens rekwirante en dat de Eurogroep met de bestreden verklaring „zeer in het algemeen een overzicht [heeft] gegeven van bepaalde maatregelen die op politiek vlak waren overeengekomen met de Republiek Cyprus”;

vernietiging van het bestreden arrest waarbij de waardevermindering van de deposito’s aan de Republiek Cyprus is toegerekend, zonder dat de Eurogroep, verweersters of deze laatste via de Eurogroep een enkele gedraging, handeling of besluit wordt verweten;

vernietiging van de verwijzing van rekwirante in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan.

1.

Het bestreden arrest is ontoereikend gemotiveerd en is gewezen op grond van een onjuiste uitlegging van de feiten en het recht met betrekking tot de instelling die daadwerkelijk het besluit over de waardevermindering van de deposito’s („bail in”) heeft vastgesteld.

2.

Het bestreden arrest is gewezen in strijd met de algemene rechtsbeginselen, aangezien het Gerecht het feit verkeerd heeft opgevat dat het litigieuze besluit van de Eurogroep, ongeacht de soort en de vorm die heeft aangenomen, in casu een handeling was waartegen bij beroep tot nietigverklaring kon worden opgekomen.

3.

Het bestreden arrest is gebrekkig doordat het Gerecht in zijn onderzoek is voorbijgegaan aan de rechtsbetrekking en feitelijke verhouding tussen de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep, en aan het feit dat de handelingen van de Eurogroep, uit hoofde van het beginsel van Legal Causation en het criterium van de daadwerkelijk verantwoordelijke, handelingen van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie vormden, die eveneens overeenkomstig het Verdrag en de protocollen van de Europese Unie en het secundaire en afgeleide recht hadden moeten optreden.

Dientengevolge heeft het Gerecht de kern van de argumenten en het geschil van rekwirante niet onderzocht, zodat het beroep tot nietigverklaring ten onrechte is afgewezen.

4.

Na toewijzing van de hogere voorziening moet rekwirante niet worden verwezen in de kosten van de onderhavige procedure noch in die van de procedure in eerste aanleg.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/6


Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2015 door Marinos Nikolaou tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 oktober 2014 in zaak T—331/13, Marinos Nikolaou/Commissie en Europese Centrale Bank

(Zaak C-109/15 P)

(2015/C 178/06)

Procestaal: Grieks.

Partijen

Rekwirant: Marinos Nikolaou (vertegenwoordigers: E. Efstathiou, K. Efstathiou en K. Liasidou, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Europese Centrale Bank

Conclusies

vernietiging van het bestreden arrest;

vernietiging van het oordeel van het Gerecht tot aanvaarding van de exceptie van niet-ontvankelijkheid, met name het oordeel dat „een verklaring van de Eurogroep [...] niet [kan] worden beschouwd als een handeling die ertoe strekt rechtsgevolgen teweeg te brengen ten aanzien van derden” en dientengevolge jegens rekwirante en dat de Eurogroep met de bestreden verklaring „zeer in het algemeen een overzicht [heeft] gegeven van bepaalde maatregelen die op politiek vlak waren overeengekomen met de Republiek Cyprus”;

vernietiging van het bestreden arrest waarbij de waardevermindering van de deposito’s aan de Republiek Cyprus is toegerekend, zonder dat de Eurogroep, verweersters of deze laatste via de Eurogroep een enkele gedraging, handeling of besluit wordt verweten;

vernietiging van de verwijzing van rekwirante in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant vier middelen aan.

1.

Het bestreden arrest is ontoereikend gemotiveerd en is gewezen op grond van een onjuiste uitlegging van de feiten en het recht met betrekking tot de instelling die daadwerkelijk het besluit over de waardevermindering van de deposito’s („bail in”) heeft vastgesteld.

2.

Het bestreden arrest is gewezen in strijd met de algemene rechtsbeginselen, aangezien het Gerecht het feit verkeerd heeft opgevat dat het litigieuze besluit van de Eurogroep, ongeacht de soort en de vorm die heeft aangenomen, in casu een handeling was waartegen bij beroep tot nietigverklaring kon worden opgekomen.

3.

Het bestreden arrest is gebrekkig doordat het Gerecht in zijn onderzoek is voorbijgegaan aan de rechtsbetrekking en feitelijke verhouding tussen de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep, en aan het feit dat de handelingen van de Eurogroep, uit hoofde van het beginsel van Legal Causation en het criterium van de daadwerkelijk verantwoordelijke, handelingen van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie vormden, die eveneens overeenkomstig het Verdrag en de protocollen van de Europese Unie en het secundaire en afgeleide recht hadden moeten optreden.

Dientengevolge heeft het Gerecht de kern van de argumenten en het geschil van rekwirant niet onderzocht, zodat het beroep tot nietigverklaring ten onrechte is afgewezen.

4.

Na toewijzing van de hogere voorziening moet rekwirant niet worden verwezen in de kosten van de onderhavige procedure noch in die van de procedure in eerste aanleg.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 2 maart 2015 — Nokia Italia SpA e.a/Ministero per i beni e le attività culturali (MiBAC) e.a.

(Zaak C-110/15)

(2015/C 178/07)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Nokia Italia SpA, Hewlett-Packard Italiana srl, Telecom Italia SpA, Samsung Electronics Italia SpA, Dell SpA, Fastweb SpA, Sony Mobile Communications Italy SpA, Wind Telecomunicazioni SpA

Verwerende partijen: Ministero per i beni e le attività culturali (MiBAC), Società italiana degli autori ed editori (SIAE), Istituto per la tutela dei diritti degli artisti interpreti esecutori (IMAIE), in liquidatie, Associazione nazionale industrie cinematografiche audiovisive e multimediali (Anica), Associazione produttori televisivi (Apt)

Prejudiciële vragen

1)

Staat het gemeenschapsrecht, meer bepaald overweging 31 en artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG (1), in de weg aan een nationale regeling (inzonderheid artikel 71 sexies van de Legge sul diritto d’autore juncto artikel 4 van [de Technische bijlage bij het decreet van] 30 december 2009), volgens welke de vaststelling van de criteria voor de vrijstelling vooraf van de heffing in geval van dragers en inrichtingen die zijn aangeschaft voor duidelijk andere doelen dan het kopiëren voor privégebruik — namelijk uitsluitend voor beroepsmatig gebruik — wordt overgelaten aan particuliere overeenkomsten of „vrije onderhandelingen” (met name wat de in artikel 4 bedoelde „toepassingsprotocollen” betreft) tussen de SIAE en de tot betaling van de compensatie verplichte rechtssubjecten of hun brancheorganisaties, zonder algemene bepalingen en enige garantie van gelijke behandeling?

2)

Staat het gemeenschapsrecht, meer bepaald overweging 31 en artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG, in de weg aan een nationale regeling (inzonderheid artikel 71 sexies van de Legge sul diritto d’autore juncto [het decreet van] 30 december 2009 en de voorschriften van de SIAE inzake terugbetaling) volgens welke in geval van dragers en inrichtingen die zijn aangeschaft voor duidelijk andere doelen dan het kopiëren voor privégebruik — namelijk uitsluitend voor beroepsmatig gebruik — uitsluitend om terugbetaling kan worden verzocht door de eindgebruiker en niet door de producent van deze dragers en inrichtingen?


(1)  Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/8


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 18 december 2014 — ANODE — Association nationale des opérateurs détaillants en énergie/Premier ministre, Ministre de l’économie, de l’industrie et du numérique, Commission de régulation de l’énergie, GDF Suez

(Zaak C-121/15)

(2015/C 178/08)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ANODE — Association nationale des opérateurs détaillants en énergie

Verwerende partijen: Premier ministre, Ministre de l’économie, de l’industrie et du numérique, Commission de régulation de l’énergie, GDF Suez

Prejudiciële vragen

1)

Moet de interventie van een lidstaat die bestaat in het opleggen aan de historische exploitant van de verplichting om eindverbruikers tegen gereguleerde tarieven de levering van aardgas aan te bieden, maar er niet aan in de weg staat dat zowel de historische leverancier als de alternatieve leveranciers concurrerende aanbiedingen doen tegen prijzen die lager zijn dan die tarieven, worden geacht los van de vrije marktwerking het prijspeil voor de levering van aardgas aan eindverbruikers te bepalen, en belemmert zij uit de aard der zaak de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG (1)?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, volgens welke criteria moet dan worden beoordeeld of een dergelijke interventie van de staat in de prijs voor de levering van aardgas aan eindverbruikers verenigbaar is met richtlijn 2009/73/EG?

In het bijzonder:

a)

In hoeverre en onder welke voorwaarden staat artikel 106, lid 2, van het Verdrag, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73/EG, de lidstaten toe om, door te interveniëren in de prijs voor de levering van aardgas aan eindverbruikers, andere doelstellingen na te streven dan de handhaving van de leveringsprijs op een redelijk niveau, zoals de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang?

b)

Staat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73/EG, met name gelet op de doelstellingen „voorzieningszekerheid” en „territoriale samenhang”, een interventie van een lidstaat in de vaststelling van de prijs voor de levering van aardgas toe die is gebaseerd op het beginsel dat alle kosten van de historische leverancier moeten worden gedekt, en mogen de door de tarieven te dekken kosten andere bestanddelen omvatten dan het representatieve gedeelte van de voorziening op lange termijn?


(1)  Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (PB L 211, blz. 94).


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 12 maart 2015 — Salutas Pharma GmbH/Hauptzollamt Hannover

(Zaak C-124/15)

(2015/C 178/09)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Hamburg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Salutas Pharma GmbH

Verwerende partij: Hauptzollamt Hannover

Prejudiciële vraag

Moet de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), in de bij verordening (EG) nr. 1777/2001 van de Commissie van 7 september 2001 (2) gewijzigde versie, aldus worden uitgelegd dat bruistabletten met een calciumgehalte van 500 mg per tablet, die worden gebruikt ter voorkoming en behandeling van een calciumtekort en ter ondersteuning van een speciale therapie ter voorkoming en behandeling van osteoporose en waarvoor op het etiket voor volwassenen een maximale dagelijkse dosis van 3 tabletten (= 1  500 mg) wordt aanbevolen, onder postonderverdeling 3004 9000 van de GN moeten worden ingedeeld?


(1)  PB L 256, blz. 1.

(2)  PB L 240, blz. 4.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 18 maart 2015 — H.C. Chavez-Vilchez e.a., andere partijen: Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) e.a.

(Zaak C-133/15)

(2015/C 178/10)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Centrale Raad van Beroep

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeksters: H.C. Chavez-Vilchez, P. Pinas, U. Nikolic, X.V. Garcia Perez, J. Uwituze, Y.R.L. Wip, I.O. Enowassam, A.E. Guerrero Chavez

Andere partijen: Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk, College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 20 van het VWEU, aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een derdelander, die de dagelijkse en daadwerkelijke zorg heeft voor zijn minderjarige kind, dat onderdaan van die lidstaat is, het recht van verblijf in die lidstaat ontzegt?

2)

Is voor de beantwoording van deze vraag van belang dat de wettelijke, financiële en/of affectieve last niet geheel bij deze ouder rust en voorts dat niet is uitgesloten dat de andere ouder, die onderdaan is van de lidstaat, feitelijk in staat zou kunnen zijn om voor het kind te zorgen. Dient in dat geval de ouder/derdelander aannemelijk te maken dat die andere ouder de zorg voor het kind niet op zich kan nemen, zodat het kind wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de ouder/derdelander een verblijfsrecht wordt ontzegd?


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje) op 20 maart 2015 — María Pilar Plaza Bravo/Servicio Público de Empleo Estatal Dirección Provincial de Álava

(Zaak C-137/15)

(2015/C 178/11)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: María Pilar Plaza Bravo

Verwerende partij: Servicio Público de Empleo Estatal Dirección Provincial de Álava

Prejudiciële vraag

Verzet artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG (1) van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid zich in omstandigheden als die van het onderhavige geding tegen een nationale regeling krachtens welke voor de berekening van de uitkering bij volledige werkloosheid als gevolg van het verlies van een deeltijdbaan, die de enige baan van de werknemer is, er op het algemeen vastgestelde maximale bedrag van de uitkering een deeltijdcoëfficiënt wordt toegepast die overeenkomt met het percentage dat de arbeidstijd van de deeltijdwerker uitmaakt ten opzichte van de arbeidstijd van een vergelijkbare voltijdwerker, als er rekening wordt gehouden met het feit dat in die lidstaat deeltijdwerkers voor het overgrote deel vrouwen zijn?


(1)  PB 1979, L 6, blz. 24.


Gerecht

1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/11


Arrest van het Gerecht van 14 april 2015 — Ayadi/Commissie

(Zaak T-527/09 RENV) (1)

((„Terugverwijzing na vernietiging - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban - Verordening (EG) nr. 881/2002 - Bevriezing van de tegoeden en economische middelen van een persoon die voorkomt op een lijst die door een orgaan van de Verenigde Naties is opgesteld - Plaatsing van de naam van deze persoon op de lijst in bijlage I bij verordening (EG) nr. 881/2002 - Beroep tot nietigverklaring - Grondrechten - Rechten van verdediging - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Recht op bescherming van de eigendom”))

(2015/C 178/12)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Chafiq Ayadi (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: H. Miller, solicitor, P. Moser, QC, E. Grieves, barrister, en R. Graham, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Paasivirta, T. Scharf en M. Konstantinidis, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Ierland (vertegenwoordigers: E. Creedon, gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door E. Regan en N. Travers, SC, en vervolgens door N. Travers); en de Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: E. Finnegan en G. Étienne, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 954/2009 van de Commissie van 13 oktober 2009 tot 114e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qa’ida-netwerk en de Taliban (PB L 269, blz. 20), voor zover deze handeling verzoeker betreft.

Dictum

1)

Verordening (EG) nr. 954/2009 van de Commissie van 13 oktober 2009 tot 114e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qa’ida-netwerk en de Taliban wordt nietig verklaard, voor zover zij Chafiq Ayadi betreft.

2)

De Europese Commissie wordt, naast haar eigen kosten, verwezen in de kosten van Ayadi en de kosten die door het Gerecht als rechtsbijstand zijn voorgeschoten.

3)

Ierland en de Raad van de Europese Unie zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 148 van 5.6.2010.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/12


Beschikking van het Gerecht van 26 maart 2015 — Conte e.a./Raad

(Zaak T-121/10) (1)

((„Beroep tot nietigverklaring - Visserij - Instandhouding van de visbestanden - Vaststelling van een communautaire regeling voor controle, inspectie en handhaving - Begrip regelgevingshandeling - Begrip wetgevingshandeling - Geen individuele geraaktheid - Niet-ontvankelijkheid”))

(2015/C 178/13)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Giovanni Conte (Pomezia, Italië), Casa del Pescatore Soc. coop. rl (Civitanova Marche, Italië), Guidotti Giovanni & Figli Snc (Termoli, Italië), Organizzazione di produttori della pesca di Civitanova Marche Soc. coop. rl (Civitanova Marche), Consorzio gestione mercato ittico Manfredonia Soc. coop. rl (Cogemim) (Manfredonia, Italië) (vertegenwoordigers: P. Cavasola, G. Micucci en V. Cannizzaro, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Westerhof Löfflerová en A. Lo Monaco, vervolgens A. Westerhof Löfflerová en S. Barbagallo, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Banks en D. Bianchi, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343, blz. 1), en meer in het bijzonder de artikelen 9, 10, 14, leden 1 tot en met 5, 15, 17, lid 1, 58, leden 1 tot en met 3 en 5, 59, leden 2 en 3, 60, leden 4 en 5, 62, lid 1, 63, lid 1, 64, 65, 66, leden 1 en 3, 67, lid 1, 68, 73, lid 8, 92, lid 2, en 103 van deze verordening

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Giovanni Conte, Casa del Pescatore Soc. coop. rl, Guidotti Giovanni & Figli Snc, Organizzazione di produttori della pesca di Civitanova Marche Soc. coop. rl en Consorzio gestione mercato ittico Manfredonia Soc. coop. rl (Cogemim) worden verwezen in hun eigen kosten alsook in die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 134 van 22.5.2010.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/12


Beschikking van het Gerecht van 30 maart 2015 — Square/BHIM — Caisse régionale de crédit agricole mutuel Pyrénées Gascogne (SQUARE)

(Zaak T-213/13) (1)

((„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Intrekking van inschrijvingsaanvraag - Afdoening zonder beslissing”))

(2015/C 178/14)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Square, Inc. (San Francisco, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: M. Graf, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: V. Melgar, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Caisse régionale de crédit agricole mutuel Pyrénées Gascogne (Tarbes, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Lecomte en R. Zeineh, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 31 januari 2013 (zaak R 775/2012-1) inzake een oppositieprocedure tussen Caisse régionale de crédit agricole mutuel Pyrénées Gascogne en Square, Inc.

Dictum

1)

Op het beroep hoeft niet meer te worden beslist.

2)

Verzoekster wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 207 van 20.7.2013.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/13


Beroep ingesteld op 1 maart 2015 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie

(Zaak T-111/15)

(2015/C 178/15)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) en Airport Marketing Services Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: G. Berrisch, E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten, en B. Byrne, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht

de artikelen 1, lid 2, 2, lid 4, 3, 4 en 5 van het besluit van de Europese Commissie van 23 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33963 (2012/C) (ex 2012/NN) die Frankrijk ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de Kamer van Koophandel en Industrie van Angoulême, SNC-Lavalin, Ryanair en Airport Marketing Services, nietig te verklaren, en

de Commissie te verwijzen in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voeren verzoekende partijen vier middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van het recht op behoorlijk bestuur, zoals neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de rechten van verdediging van verzoekende partijen, doordat de Commissie verzoekende partijen geen toegang heeft verleend tot het onderzoekdossier en hen niet in de gelegenheid heeft gesteld daadwerkelijk hun standpunt kenbaar te maken.

2.

Tweede middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU, doordat de Commissie Frankrijk ten onrechte het sluiten van de Airport Service Agreement en de Marketing Services Agreement ten laste heeft gelegd.

3.

Derde middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU, doordat de Commissie het criterium van de „investeerder in een markteconomie” niet naar behoren heeft toegepast.

Verzoekende partijen voeren aan, dat de Commissie ten onrechte heeft geweigerd om zich te baseren op een vergelijkende analyse, die tot de conclusie zou hebben geleid dat aan verzoekende partijen geen steun was verleend. Subsidiair heeft de Commissie kennelijk ontoereikende, niet-geverifieerde en onbetrouwbare gegevens gebruikt voor haar berekening van de winstgevendheid van de luchthaven, een buitensporig kort tijdsbestek gehanteerd, de netwerkexternaliteiten die de luchthaven naar verwachting zou binnenhalen door haar relatie met Ryanair, buiten beschouwing gelaten, marketingdiensten niet op de juiste waarde geschat, en de beweegreden achter de beslissing van de luchthaven om dergelijke diensten aan te schaffen, van tafel geschoven.

4.

Vierde middel: schending van de artikelen 107, lid 1, en 108, lid 2, VWEU, vanwege een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting van de Commissie, door te concluderen dat de steun aan Ryanair en Airport Marketing Services gelijk was aan de gecumuleerde marginale verliezen van de luchthaven van Angoulême in plaats van aan het daadwerkelijke voordeel voor Ryanair en Airport Marketing Services. De Commissie had moeten onderzoeken in welke mate het vermeende voordeel eigenlijk ten goede was gekomen aan de passagiers van Ryanair. Voorts heeft de Commissie het concurrentievoordeel dat Ryanair zou hebben genoten vanwege (vermeende) betalingsstromen onder de kostprijs van de luchthaven van Angoulême, niet berekend. Ten slotte heeft de Commissie niet naar behoren gemotiveerd waarom de terugvordering van de in de beslissing aangegeven steun noodzakelijk was om de situatie te herstellen die bestond vóór de steunbetaling.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/14


Beroep ingesteld op 5 maart 2015 — Deza/ECHA

(Zaak T-115/15)

(2015/C 178/16)

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Deza, a.s. (Valašské Meziříčí, Tsjechië) (vertegenwoordiger: P. Dejl, advocaat)

Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)

Conclusies

nietigverklaring van besluit ED/108/2014 van 12 december 2014 van de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor chemische stoffen, strekkend tot actualisering en aanvulling van de bestaande vermelding voor de stof DEHP in de lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk te worden opgenomen in bijlage XIV bij verordening (EG) nr. 1907/2006 (1);

verwijzing van verweerder in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Eerste middel, inhoudend dat het bestreden besluit in strijd is met het ultra-vires-verbod

Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het ultra-vires-verbod doordat (i) verweerder op grond van verordening nr. 1907/2006 niet bevoegd was om bij dat besluit de lijst te actualiseren van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk te worden opgenomen in bijlage XIV als bedoeld in artikel 59, lid 1, van die verordening, (ii) verweerder de vaststelling van het bestreden besluit heeft doen voorafgaan door een procedure die in strijd was met artikel 59 van verordening nr. 1907/2006, en (iii) het bestreden besluit en de aan de vaststelling daarvan voorafgaande procedure van verweerder de procedure omzeilen waarin met het oog op de vaststelling van besluiten is voorzien door de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement.

2.

Tweede middel, inhoudend dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel

Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel doordat (i) bij dit besluit bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) is geïdentificeerd als hormoonontregelende stof, terwijl het Unierecht geen definitie bevat van een dergelijke stof noch criteria voor de identificatie ervan, en die definitie of die criteria worden opgesteld door de Europese Commissie op basis van verordeningen en besluiten van de Raad en het Parlement, en (ii) dat besluit is genomen toen de autorisatieprocedure voor de overeenkomstig artikel 57, onder c), van verordening nr. 1907/2006 als giftige stof voor de voortplanting geïdentificeerde stof DEHP nog gaande was, zij het dat deze zich in een vergevorderd stadium bevond.

3.

Derde middel, inhoudend dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op overtuigende en objectieve wetenschappelijke bevindingen

Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit onwettig is doordat het niet is gebaseerd op overtuigende en objectieve wetenschappelijke bevindingen waaruit blijkt dat DEHP voldoet aan alle criteria van artikel 57, onder f), van verordening nr. 1907/2006.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van verzoeksters rechten en de beginselen zoals neergelegd in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Verzoekster brengt naar voren dat het bestreden besluit en de aan de vaststelling daarvan voorafgaande procedure van verweerder inbreuk maken op haar rechten en de beginselen zoals neergelegd in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, het recht op een eerlijk proces en het recht op het ongestoorde genot van eigendom.


(1)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396, blz. 1).


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/15


Beroep ingesteld op 6 maart 2015 — Fortischem/Commissie

(Zaak T-121/15)

(2015/C 178/17)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Fortischem a.s. (Nováky, Slowakije) (vertegenwoordigers: C. Arhold, P. Hodál en M. Staroň, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de artikelen 1, 3, 4 en 5 van het besluit van de Europese Commissie van 15 oktober 2014 inzake staatssteun SA.33797 (2013/C) (ex 2013/NN) (ex 2011/CP) ten uitvoer gelegd door Slowakije ten behoeve van NCHZ;

toekenning aan verzoekster van een vergoeding van de kosten van dit beroep.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 107, lid 1, VWEU

Aangevoerd wordt dat de vaststelling van de Commissie dat de kwalificatie van de onderneming Novácke chemické závody, a.s. v konkurze („NCHZ”) als strategische onderneming in de zin van de Slowaakse wet van 5 november 2009 inzake bepaalde strategische maatregelen betreffende in staat van faillissement verkerende ondernemingen van strategisch belang („de Wet”), staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, in strijd is met dat artikel, aangezien niet alle bestanddelen van staatssteun aanwezig zijn.

Verzoekster brengt naar voren dat deze kwalificatie niet heeft geleid tot een overdracht van staatsmiddelen, aangezien er geen aanvullende lasten voor de staat zijn ontstaan in vergelijking met de situatie die aan de orde zou zijn geweest bij toepassing van de normale insolventiebepalingen. Evenmin heeft deze kwalificatie geleid tot toekenning van een economisch voordeel aan NCHZ, ten eerste omdat schuldeisers er hoe dan ook voor zouden hebben gekozen om de exploitatie voort te zetten en omdat het tijdelijke verbod op ontslagen alleen in het voordeel van de staat was, niet van de onderneming. Ten tweede doorstaat de toepassing van de Wet de toets van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie („Market Economy Operator Test”), aangezien deze toepassing voor de publieke schuldeisers economisch van voordeel was.

Ten slotte voert verzoekster aan dat, zelfs indien de Commissie gelijk zou hebben en de toepassing van de Wet als staatssteun ten gunste van NCHZ zou moeten worden aangemerkt, de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de berekening van het bedrag van de staatssteun.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de verplichting om zorgvuldig en onpartijdig onderzoek te doen

Verzoekster brengt naar voren dat de Commissie de plicht had om, ten eerste, de Slowaakse regering ervan op de hoogte te stellen dat zij de door laatstgenoemde ingediende ex-post-analyse onvoldoende gedetailleerd achtte en, ten tweede, aan te geven welke aanvullende informatie of verduidelijking werd verlangd van de Slowaakse regering. Daarnaast voert verzoekster aan dat de Commissie niet heeft verzocht om gegevens over definitieve cijfers alvorens een besluit inzake terugvordering te nemen.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU en de motiveringsplicht

Verzoekster voert aan dat de Commissie niet met redenen heeft omkleed waarom NCHZ zonder toepassing van de Wet in dit specifieke geval de exploitatie niet zou hebben voortgezet, en niet is ingegaan op de argumenten van de Slowaakse regering in verband met de economische belangen van de schuldeisers bij voortzetting van de exploitatie.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van de artikelen 107, lid 1, VWEU en 108, lid 2, VWEU alsmede artikel 14, lid 1, van de procedureverordening omdat de terugvordering van de steun tot verzoekster is uitgebreid

Verzoekster brengt naar voren dat zij geen staatssteun heeft genoten omdat de verkoopprijs marktconform was. Volgens verzoekster zijn de argumenten en twijfels van de Commissie in verband met de vraag of de door Via Chem en vervolgens door Fortishem voor de activa van Fortishem betaalde bedragen op marktprijsniveau lagen om verschillende redenen niet steekhoudend. Aangevoerd wordt ten eerste dat, aangezien de bewijslast bij de Commissie ligt, zij er niet mee kan volstaan twijfels te uiten. Ten tweede geldt de aanname dat de activa tegen de hoogst mogelijke prijs zijn verkocht, aangezien de verkoop heeft plaatsgevonden in het kader van een faillissementsprocedure onder toezicht van een faillissementsrechter die verplicht is om te handelen in het belang van de schuldeisers van de insolvente onderneming. Ten derde was de biedingsprocedure openbaar, transparant en onvoorwaardelijk, en garandeerde deze derhalve de hoogst haalbare prijs op de markt; de optie om bepaalde verplichtingen over te nemen heeft geen enkele invloed gehad op de verkoopprijs. Ten vierde wordt de tussen particuliere marktpartijen overeengekomen verkoopprijs ook zonder een biedingsprocedure geacht op marktprijsniveau te liggen, nog daargelaten dat de verkoopvoorwaarden tussen Via Chem en Fortischem irrelevant zijn vanwege de marktprijs van de eerste verkoop.

Verzoekster brengt verder naar voren dat het evident is dat de overdracht van de activa van NCHZ aan Via Chem en vervolgens aan verzoekster niet kan worden beschouwd als een poging om het besluit van de Commissie inzake terugvordering te ontduiken, en wel om twee redenen. Ten eerste wijkt de zaak dermate af van een typische ontduikingszaak dat zelfs de Commissie toegeeft dat zij geen bewijs heeft voor het oogmerk om terugvordering te omzeilen. Ten tweede komt de Commissie desondanks tot de conclusie dat er sprake is van economische continuïteit, teneinde de terugvordering te kunnen uitbreiden tot verzoekster. De conclusie van de Commissie vloeit echter voort uit een gebrekkige analyse gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de afzonderlijke criteria, op miskenning van de bewijslast en op een onjuist begrip van het concept van economische continuïteit in staatssteunzaken als zodanig.

Ten slotte voert verzoekster aan dat de benadering van de Commissie economisch destructief is, en onnodig vanuit het oogpunt van mededingingsrecht. Volgens verzoekster probeert de Commissie nieuwe, veel strengere rechtspraak te initiëren waarbinnen de omvang van de transactie het beslissende criterium zal zijn, en de verkoopprijs hooguit een nog aanvullend criterium, als het al een criterium zal zijn.

5.

Vijfde middel, subsidiair, ontleend aan schending van de artikelen 107, lid 1, VWEU en 108, lid 2, VWEU alsmede artikel 14, lid 1, van de procedureverordening, door de uitbreiding van het besluit inzake terugvordering niet te beperken tot 60 % van de vermeende staatssteun

6.

Zesde middel, ontleend aan schending van artikel 296 VWEU door het besluit op het punt van de economische continuïteit niet deugdelijk te motiveren

Verzoekster brengt naar voren dat uit de opmerkingen in verband met het eerste middel volgt dat de motivering van de Commissie onvoldoende is om het Gerecht in staat te stellen ten aanzien van het bestreden besluit zijn rechterlijke controle uit te oefenen, en dat verzoekster niet in staat is om inzicht te krijgen in de argumenten op grond waarvan de Commissie tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van economische continuïteit.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/17


Beroep ingesteld op 12 maart 2015 — Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB

(Zaak T-122/15)

(2015/C 178/18)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Landeskreditbank Baden-Württemberg — Förderbank (Karlsruhe, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Glos, K. Lackhoff en M. Benzing, advocaten)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

het besluit van de Europese Centrale Bank van 5 januari 2015 (referentienummer: ECB/SSM/15/1 — 0SK1ILSPWNVBNQWU0W18/3) nietig verklaren en daarbij te gelasten dat de vervanging van het besluit van de Europese Centrale Bank van 1 september 2014 (referentienummer: ECB/SSM/14/1 — 0SK1ILSPWNVBNQWU0W18/1) geldig blijft;

verweerster verwijzen in de kosten van het geding.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: toepassing door de Europese Centrale Bank (hierna: „ECB”) van een onjuist criterium bij de beoordeling van bijzondere omstandigheden

Met dit middel voert verzoekster aan dat de ECB de vraag of verzoekster, niettegenstaande zij de vereiste omvang heeft, dient te worden ingedeeld als minder belangrijke instelling op grond van bijzondere omstandigheden overeenkomstig artikel 6, lid 4, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 1024/2013 (1) juncto artikel 70, lid 1, van verordening (EU) nr. 468/2014 (2), heeft beoordeeld op basis van vier verschillende criteria die onderling tegenstrijdig zijn. Elk van die criteria is op zichzelf beschouwd onjuist.

Voorts betoogt verzoekster dat volgens artikel 70, lid 1, van verordening nr. 468/2014 voor het bestaan van bijzondere omstandigheden beslissend is dat sprake is van „specifieke en feitelijke omstandigheden” waardoor de indeling als belangrijke instelling en het daaraan verbonden centrale toezicht door de ECB „niet passend” zijn. Verzoekster is van mening dat de indeling van een instelling als belangrijk op basis van het omvangcriterium alleen „niet passend” is in de zin van artikel 70, lid 1, van verordening nr. 468/2014 wanneer dat niet noodzakelijk is om de doelstellingen van verordening nr. 1024/2013 te verwezenlijken, maar het toezicht door de nationale bevoegde autoriteit onder het macroprudentiële toezicht door de ECB volstaat om die doelstellingen te bereiken.

2.

Tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten

Met dit middel voert verzoekster aan dat de ECB is voorbijgegaan aan het feit dat verzoeksters indeling als belangrijke instelling, gelet op verzoeksters betoog tijdens de hoorzitting en in de procedure voor de Administratieve Raad voor toetsing, in geen enkel opzicht noodzakelijk is om de doelstellingen van verordening nr. 1024/2013 te verwezenlijken, en dat verzoeksters indeling als minder belangrijke instelling eveneens in overeenstemming is met de beginselen van verordening nr. 1024/2013. De beoordeling van de ECB dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is kennelijk onjuist.

3.

Derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

Met dit middel voert verzoekster aan dat de motivering van het bestreden besluit niet consistent en innerlijk tegenstrijdig is. De ECB vermeldt in zijn geheel vier criteria waartussen geen verband bestaat en die onderling tegenstrijdig zijn.

Uit het bestreden besluit kan niet worden afgeleid op welke gronden het berust. Veeleer bestaat het betoog van de ECB enkel in loze beweringen en ontkenningen.

Het besluit gaat voorts ten onrechte niet in op verzoeksters betoog in de administratieve procedure. Met name verklaart de ECB niet waarom de door verzoekster aangevoerde omstandigheden, feitelijk en rechtens, niet zouden hebben volstaan om het vermoeden van artikel 6, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1024/2013 te weerleggen.

4.

Vierde middel: misbruik van een discretionaire bevoegdheid door onrechtmatige niet-uitoefening daarvan

Met dit middel voert verzoekster aan dat de ECB niet heeft voldaan aan de verplichting om de haar bij artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1024/2013 en artikel 70 van verordening nr. 468/2014 toegekende discretionaire bevoegdheid in het individuele geval uit te oefenen. Bijgevolg heeft de ECB haar discretionaire bevoegdheid misbruikt.

5.

Vijfde middel: niet-nakoming van de verplichting om alle relevante omstandigheden van het individuele geval te onderzoeken en in aanmerking te nemen

Met dit middel voert verzoekster aan dat de ECB niet heeft voldaan aan de verplichting om bij de uitoefening van de haar toegekende beoordelingsbevoegdheid alle relevante aspecten, feitelijk en rechtens, van het individuele geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en in aanmerking te nemen. Met name heeft zij nagelaten alle door verzoekster aangevoerde aspecten, feitelijk en rechtens, te onderzoeken.


(1)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287, blz. 63).

(2)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (PB L 141, blz. 1).


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/19


Beroep ingesteld op 30 maart 2015 — Spanje/Commissie

(Zaak T-143/15)

(2015/C 178/19)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: M. Sampol Pucurull en M. García-Valdecasas Dorrego, Abogados del Estado)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

gedeeltelijke nietigverklaring van het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo), voor zover daarin sprake is van:

1.

de door Spanje ontvangen steun voor de autonome regio Andalusië, ten bedrage van 3 5 86  250,48 EUR plus 1 8 66  977,31 EUR (ontkoppelde rechtstreekse steun) voor de boekjaren 2009 en 2010;

2.

de door het Koninkrijk Spanje verrichte uitgaven voor de autonome regio Castilië en Leon ten bedrage van 2 1 23  619,66 EUR (1  479,90 EUR + 9 78  849,95 EUR +  12  597,37 EUR +  1  720,85 EUR +  1 0 96  710,18 EUR +  32  261,41 EUR) in de vorm van „natuurlijke handicaps” en „agromilieumaatregelen” voor de begrotingsjaren 2010 en 2011, en

verwijzing van de verwerende instelling in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert het Koninkrijk Spanje de volgende middelen aan.

1.

De opgelegde forfaitaire correctie voor een nettobedrag van 5 4 53  227,79 EUR (ontkoppelde rechtstreekse steun) is in strijd met artikel 27, lid 1, van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie, artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad en de artikelen 3 en 52 van verordening (EU) nr. 1306/2013 om de twee hierna genoemde redenen:

de Commissie heeft artikel 27 van verordening (EG) nr. 796/2004 onjuist uitgelegd aangezien de omstandigheid dat de steekproefresultaten van 2008 en 2009 slechter waren dan de resultaten van de risicogeoriënteerde steekproef, geen schending oplevert van dit artikel, zodat geen sprake is van een schending van het Unierecht op grond waarvan de landbouwuitgaven overeenkomstig artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005 en artikel 52 van verordening (EU) nr. 1306/2013 aan financiering worden onttrokken, en

de Commissie kon niet redelijkerwijs tot de conclusie komen dat artikel 27 van verordening (EG) nr. 796/2004 is geschonden, aangezien uit het door het Koninkrijk Spanje naar aanleiding van de controle overgelegde bewijs blijkt dat een geschikte analyse is uitgevoerd en dat passende maatregelen zijn genomen om de selectie voor de risicogeoriënteerde steekproef te verbeteren, zodat geen sprake is van een schending van het Unierecht op grond waarvan de landbouwuitgaven overeenkomstig artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005 en artikel 52 van verordening (EU) nr. 1306/2013 aan financiering worden onttrokken.

2.

De opgelegde correctie voor een totaalbedrag van 2 1 23  619,66 EUR („natuurlijke handicaps” en „agromilieumaatregelen”) moet nietig worden verklaard om de hierna genoemde redenen:

schending van artikel 10, leden 2 en 4, en artikel 14, lid 2, van verordening (EG) nr. 1975/2006, aangezien het Koninkrijk Spanje volgens de Commissie de op hem rustende controleverplichtingen niet is nagekomen omdat het, wat de maatregelen „natuurlijke handicaps” en „agromilieumaatregelen” betreft, bij de controles ter plaatse die met betrekking tot de genoemde steun zijn verricht, niet is overgegaan tot het tellen van de dieren. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen:

a)

de verplichting de dieren te tellen bij controles ter plaatse met betrekking tot de steun voor het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 van Castilië en Leon verdraagt zich niet met de continuïteit van de veebezettingsnorm en het gelijkheidsbeginsel, en

b)

de Commissie heeft artikel 10, leden 2 en 4, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 2, van verordening (EG) nr. 1975/2006 onjuist uitgelegd door te oordelen dat het Spaanse controlesysteem niet geschikt is om na te gaan of is voldaan aan de veebezettingsnorm;

schending van artikel 2, lid 2, van verordening (EG) nr. 1082/2003 en artikel 26, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 796/2004, daar het Koninkrijk Spanje beschikt over betrouwbare databases voor runderen, schapen en geiten, die voortdurend en op de voorgeschreven wijze worden bijgewerkt;

schending van artikel 31, lid 2, van verordening (EG) nr. 1290/2005, aangezien een financiële correctie van 5 % voor de maatregelen waarop het onderzoek betrekking heeft, kennelijk onredelijk is. De financiële correctie is onredelijk omdat het vastgestelde besluit, zelfs indien sprake zou zijn van de aan de Spaanse autoriteiten verweten schending, verder gaat dan passend en noodzakelijk is ter bescherming van de financiële belangen van de Unie.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/20


Beroep ingesteld op 29 maart 2015 — Roemenië/Commissie

(Zaak T-145/15)

(2015/C 178/20)

Procestaal: Roemeens

Partijen

Verzoekende partij: Roemenië (vertegenwoordigers: R. Radu, V. Angelescu, R. Mangu, D. Bulancea, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van de Commissie van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo);

verwijzing van verweerster in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker drie middelen aan.

1.

Onjuiste uitoefening door de Europese Commissie van haar bevoegdheid om bedragen uit te sluiten van financiering door de Europese Unie

Door de bij uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 vastgestelde forfaitaire correcties toe te passen, heeft de Commissie haar bevoegdheid onjuist uitgeoefend, in strijd met artikel 52 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad en de richtsnoeren van de Commissie voor de toepassing van de financiële correcties die zijn vervat in document VI/5330/97 van de Commissie van 23 december 1997, met als titel „Richtsnoeren voor de berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van de beschikking inzake de goedkeuring van de rekeningen in het kader van het EOGFL, afdeling Garantie”.

De Commissie moest correcties vaststellen op basis van de bedragen waarvan is vastgesteld dat Roemenië ze ten onrechte heeft uitgegeven en mocht geen forfaitaire percentages toepassen, aangezien dat gelet op de aard van de situatie niet vereist was en de Roemeense Staat de Commissie de informatie heeft verstrekt die noodzakelijk is om berekende correcties vast te stellen. In de onderhavige situatie kan niet worden aangenomen dat de vaststelling van op basis van het daadwerkelijke verlies van middelen berekende correcties bovenmatige inspanningen van de Commissie zou hebben gevergd.

2.

Ontoereikende motivering van het bestreden besluit

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 is ontoereikend gemotiveerd, doordat de Commissie bij de vaststelling van dat besluit ontoereikend heeft gemotiveerd waarom zij ervoor heeft gekozen een forfaitair percentage toe te passen voor de bij de audits vastgestelde onregelmatigheden en niet naar behoren heeft gerechtvaardigd waarom de door Roemenië aangevoerde argumenten inzake de mogelijkheid om een berekende correctie toe te passen, niet kunnen worden aanvaard en in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de definitieve correctie.

3.

Schending van het evenredigheidsbeginsel

Het bestreden besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, doordat de toepassing van forfaitaire correctiepercentages van 10 % voor de uitgaven van aanvraagjaar 2009 en van 5 % voor aanvraagjaar 2010 heeft geleid tot een overschatting van het verlies van EU-middelen als gevolg van de bij de audits vastgestelde onregelmatigheden, aangezien die percentages geen rekening houden met de aard en de ernst van de inbreuk noch met de financiële gevolgen van die inbreuk voor de begroting van de Unie.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/21


Beroep ingesteld op 1 april 2015 — Abertis Infraestructuras en Abertis Telecom Satélites/Commissie

(Zaak T-158/15)

(2015/C 178/21)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Abertis Infraestructuras, S.A. (Barcelona, Spanje) en Abertis Telecom Satélites, S.A. (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Buendía Sierra, M. Maragall de Gispert, M. Santa María Fernández, J. Panero Rivas en A. Balcells Cartagena, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de aangevoerde nietigheidsgronden ontvankelijk en gegrond verklaren;

artikel 1 van het besluit nietig verklaren voor zover daarin wordt vastgesteld dat de nieuwe interpretatie die de Spaanse overheid geeft aan artikel 12 TRLIS [texto refundido de la Ley del Impuesto sobre Sociedades (gecodificeerde versie van de wet op de vennootschapsbelasting)], moet worden aangemerkt als met de interne markt onverenigbare staatssteun;

artikel 4, lid 1, van het besluit nietig verklaren voor zover van het Koninkrijk Spanje wordt verlangd dat het een einde maakt aan de in artikel 1 omschreven vermeende steunregeling;

artikel 4, leden 2, 3, 4 en 5, van het besluit nietig verklaren voor zover van het Koninkrijk Spanje wordt verlangd dat het de door de Commissie als staatssteun beschouwde bedragen terugvordert;

subsidiair, de omvang van de in artikel 4, lid 2, van het besluit aan het Koninkrijk Spanje opgelegde terugvorderingsverplichting op dezelfde manier beperken als in het eerste en het tweede besluit, en

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten vertonen gelijkenis met die welke in de zaken T-826/14, Spanje/Commissie, en T-12/15, Banco de Santander en Santusa/Commissie, zijn aangevoerd.

Met name wordt betoogd dat blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij het kwalificeren van de maatregel als staatssteun, het bepalen van wie door de maatregel wordt begunstigd en het aanmerken van de door de overheid gegeven interpretatie als andere staatssteun dan de in de besluiten van de Commissie onderzochte staatssteun, alsmede dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, het estoppelbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/22


Beroep ingesteld op 2 april 2015 — Delta Group agroalimentare/Commissie

(Zaak T-163/15)

(2015/C 178/22)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Delta Group agroalimentare Srl (Porto Viro, Italië) (vertegenwoordiger: V. Migliorini, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de aan de heer Scabin, wettelijke vertegenwoordiger van verzoekende partij gerichte brief met als kenmerk Ares (2015) 528512 van de Europese Commissie — Directeur generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling Jerzy Plewa — van 9 februari 2015, die dezelfde dag werd ontvangen, houdende afwijzing van het verzoek van verzoekende partij van 13 januari 2015 om een maatregel op grond van artikel 219, lid 1, of artikel 221 van verordening (EU) nr. 1308/2013, en in het bijzonder om de vaststelling van uitvoerrestituties voor pluimveevlees, van nul en generlei waarde en in elk geval nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en aan schending van de artikelen 219, lid 1, en 221 van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347, blz. 671).

Dienaangaande wordt aangevoerd dat de stelling van de Commissie, dat uit de statistieken van de handel tijdens de eerste elf maanden van 2014 blijkt dat de uitvoer met 5 % is gestegen ten opzichte van dezelfde periode in 2013, wordt tegengesproken door de tabel aan de rechterkant op blz. 19 van het door de Commissie zelf aangehaalde rapport van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten van 22 januari 2015 over de situatie van de markt van pluimveevlees, waaruit blijkt dat tijdens de eerste elf maanden van 2013 pluimveevlees voor een bedrag 1  93 6 0 00  000 EUR uit de Unie is uitgevoerd, terwijl in de eerste elf maanden van 2014 slechts pluimveevlees voor een bedrag van 1  88 6 8 38  000 EUR werd uitgevoerd, wat dus een daling met 2,5 % in de plaats van een stijging met 5 % is, en dat de Commissie ook verkeerdelijk heeft geoordeeld dat de prijzen „stabiel” waren, terwijl deze aanzienlijk, namelijk met ongeveer 8 %, zijn gedaald, zoals kan worden uitgemaakt uit blz. 9 van het rapport, hetgeen dus een kennelijke beoordelingsfout en een schending van de artikelen 219, lid 1, en 221 van verordening (EU) nr. 1308/2013 oplevert.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en in het bijzonder van artikel 5 van verordening (EU) nr. 182/2011.

Dienaangaande wordt aangevoerd dat de Commissie het verzoek om een maatregel op grond van artikel 221 van verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft afgewezen zonder eerst het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten in te winnen. Daardoor heeft zij inbreuk gemaakt op de wezenlijke vormvoorschriften vastgesteld in artikel 5 van verordening (EU) nr. 182/2011, dat van toepassing is als gevolg van de verwijzing in artikel 229 van verordening (EU) nr. 1308/2013, waarnaar dan weer wordt verwezen door artikel 221 van laatstgenoemde verordening.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/23


Beroep ingesteld op 2 april 2015 — Bundesverband Souvenir — Geschenke — Ehrenpreise/BHIM — Freistaat Bayern (NEUSCHWANSTEIN)

(Zaak T-167/15)

(2015/C 178/23)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Bundesverband Souvenir — Geschenke — Ehrenpreise e.V. (Veitsbronn, Duitsland) (vertegenwoordiger: B. Bittner, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Freistaat Bayern (München, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „NEUSCHWANSTEIN”

Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het BHIM van 22 januari 2015 in zaak R 28/2014-5

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

het merk „NEUSCHWANSTEIN” — gemeenschapsmerk nr. 10 144 392 — nietig verklaren;

het BHIM verwijzen in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/24


Beschikking van het Gerecht van 19 maart 2015 — Hautau/Commissie

(Zaak T-256/12) (1)

(2015/C 178/24)

Procestaal: Duits

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 227 van 28.7.2012.


Gerecht voor ambtenarenzaken

1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/25


Beroep ingesteld op 23 februari 2015 — ZZ/EESC

(Zaak F-33/15)

(2015/C 178/25)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J.-N. Louis, N. de Montigny en D. Verbeke, advocaten)

Verwerende partij: Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van het TABG om geen maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 26 februari 2013 in zaak F-124/10, Labiri/EESC, en verzoek om vergoeding van de immateriële schade die verzoekster zou hebben geleden

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van 20 februari 2015 tot afwijzing van de klacht die verzoekster heeft ingediend tegen het onterechte verzuim van het TABG om maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van 26 februari 2013 in zaak F-124/10;

veroordeling van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) tot betaling, aan verzoekster en ter vergoeding van de immateriële schade, van het bedrag van 50 EUR per dag vanaf 14 december 2007 tot en met de dag waarop de bijstandmaatregelen, beschreven in de brief van de secretaris-generaal van het Comité van de Regio’s van 27 mei 2010, zullen zijn getroffen, en van 100 EUR per dag vanaf 26 februari 2013 tot en met de dag waarop de maatregelen ter uitvoering van het arrest van het Gerecht zullen zijn vastgesteld;

veroordeling van het EESC tot betaling aan verzoekster van vertragingsrente over die bedragen, vanaf 20 oktober 2014 tot en met de dag van de daadwerkelijke betaling ervan, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee punten;

verwijzing van het EESC in de kosten van de procedure.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/25


Beroep ingesteld op 24 februari 2015 — ZZ/EDEO

(Zaak F-34/15)

(2015/C 178/26)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J.-N. Louis en N. de Montigny, advocaten)

Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht wegens psychisch geweld die verzoeker heeft ingediend tegen de Chief Operating Officer van de Europese Dienst voor extern optreden

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van 14 april 2014 van de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie, vice-voorzitter van de Europese Commissie, tot afwijzing van de klacht wegens psychisch geweld die verzoeker heeft ingediend tegen de Chief Operating Officer van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO);

verwijzing van EDEO in de kosten van de procedure.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/26


Beroep ingesteld op 3 maart 2015 — ZZ/Commissie

(Zaak F-37/15)

(2015/C 178/27)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: C. Mourato, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van verzoekers verzoek om hem na zijn verhuizing naar Zwitserland de dubbele vergoeding bij de beëindiging van de dienst te betalen

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van het TABG van 19 mei 2014 tot afwijzing van verzoekers verzoek om betaling van de vergoeding bij de beëindiging van de dienst die overeenkomt met de tweede maand van zijn basissalaris;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten van de procedure.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/26


Beroep ingesteld op 6 maart 2015 — FJ/Parlement

(Zaak F-38/15)

(2015/C 178/28)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: FJ (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van verzoekers verzoek om overname van bepaalde ziektekosten die voor zijn zoon zijn gemaakt

Conclusies van de verzoekende partij

primair, onwettig verklaren het besluit van het TABG van 18 juni 2014 om bepaalde niet-medische en niet door het GSZV vergoede kosten die het gevolg zijn van de handicap van verzoekers zoon niet over te nemen;

subsidiair, gelasten dat overeenkomstig artikel 75 van het Reglement voor de procesvoering een expert wordt aangewezen om het percentage arbeidsongeschiktheid als gevolg van de handicap te bepalen;

het Europees Parlement verwijzen in de kosten van de procedure.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/27


Beroep ingesteld op 9 maart 2015 — ZZ/Commissie

(Zaak F-39/15)

(2015/C 178/29)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J.-N. Louis en N. de Montigny, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het voorstel voor de overdracht van verzoekers pensioenrechten aan de pensioenregeling van de Unie, waarbij toepassing wordt gegeven aan de nieuwe algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van 3 maart 2011

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 15 oktober 2014 tot berekening van de pensioenrechten die verzoeker vóór zijn indiensttreding bij de Commissie heeft verworven;

verwijzing van de Europese Commissie in de kosten van de procedure.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/27


Beroep ingesteld op 9 maart 2015 — ZZ/Raad

(Zaak F-40/15)

(2015/C 178/30)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: T. Bontinck en A. Guillerme, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van verzoeksters beoordelingsrapport over 2013

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van verzoeksters beoordelingsrapport over 2013;

verwijzing van de Raad van de Europese Unie in de kosten van de procedure.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/28


Beroep ingesteld op 9 maart 2015 — ZZ en anderen/CEPOL

(Zaak F-41/15)

(2015/C 178/31)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: ZZ en anderen

Verwerende partij: Europese Politieacademie (CEPOL)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van de besluiten van de Europese Politieacademie (CEPOL) ten gevolge waarvan verzoekers hetzij ontslag moeten nemen bij CEPOL hetzij met financieel verlies van Londen naar Boedapest moeten verhuizen, en verzoek om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij daardoor zouden hebben geleden

Conclusies van de verzoekende partijen

nietigverklaring van besluit nr. 17/2014/DIR van CEPOL van 23 mei 2014, waarbij wordt bepaald dat CEPOL met ingang van 1 oktober 2014 zal worden gevestigd in Boedapest, Hongarije, en verzoekers wordt meegedeeld dat „de niet-opvolging van dit bevel zal worden aangemerkt als ontslag met ingang van 30 september 2014”;

voor zover nodig, nietigverklaring van de besluiten van CEPOL van 28 november 2014 tot afwijzing van de klachten die verzoekers tussen 8 en 21 augustus 2014 tegen bovenvermeld besluit hebben ingediend;

voor zover nodig, nietigverklaring van de besluiten van CEPOL van 22 december 2014 waarbij CEPOL het ontslag van twee verzoekers heeft „aanvaard”;

vergoeding van de materiële schade die verzoekers hebben geleden;

vergoeding van de immateriële schade die verzoekers hebben geleden;

CEPOL verwijzen in alle kosten die verzoekers in deze procedure hebben gemaakt.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/28


Beroep ingesteld op 10 maart 2015 — ZZ/Commissie

(Zaak F-42/15)

(2015/C 178/32)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: A. Salerno, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van de salarisafrekening over mei 2014, voor zover daarbij toepassing wordt gegeven aan verordening nr. 423/2014 van het Parlement en de Raad van 16 april 2014 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2012 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, welke verordening zelf onwettig is aangezien daarin niet wordt voorzien in een aanpassingscoëfficiënt voor de bezoldiging van ambtenaren die werkzaam zijn in Luxemburg, waar de kosten van levensonderhoud aanzienlijk hoger zijn dan in Brussel

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit tot vaststelling van de bezoldiging over de maand mei 2014, voor zover haar daarbij geen aanpassingscoëfficiënt wordt toegekend;

verwijzing van de verwerende partij in alle kosten van de procedure.


1.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/29


Beroep ingesteld op 13 maart 2015 — ZZ/Commissie

(Zaak F-43/15)

(2015/C 178/33)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: S. A. Pappas, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de Commissie om verzoeker na zijn arbeidsongeval slechts een percentage blijvende gedeeltelijke invaliditeit van 2 % toe te kennen

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het bestreden besluit;

verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.