ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 16

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

58e jaargang
19 januari 2015


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

2015/C 016/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2015/C 016/02

Zaak C-580/12 P: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 november 2014 — Guardian Industries Corp., Guardian Europe Sàrl/Europese Commissie (Hogere voorziening – Mededingingsregelingen – Markt van vlakglas in de Europese Economische Ruimte (EER) – Vaststelling van de prijzen – Berekening van de hoogte van de geldboete – Inaanmerkingneming van interne verkopen van de ondernemingen – Redelijke termijn – Ontvankelijkheid van met het oog op de terechtzitting voor het Gerecht overgelegde stukken)

2

2015/C 016/03

Zaak C-140/13: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 12 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main — Duitsland) — Annett Altmann e.a./Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht (Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Richtlijn 2004/39/EG – Artikel 54 – Geheimhoudingsplicht van nationale autoriteiten die financieel toezicht uitoefenen – Informatie betreffende een frauduleuze beleggingsonderneming die zich in staat van gerechtelijke vereffening bevindt)

3

2015/C 016/04

Zaak C-201/13: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 3 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel — België) — Johan Deckmyn, Vrijheidsfonds VZW/Helena Vandersteen e.a. (Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2001/29/EG – Auteursrecht en naburige rechten – Reproductierecht – Beperkingen en restricties – Begrip parodie – Autonoom Unierechtelijk begrip)

3

2015/C 016/05

Zaak C-333/13: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Sozialgericht Leipzig — Duitsland) — Elisabeta Dano, Florin Dano/Jobcenter Leipzig (Vrij verkeer van personen – Burgerschap van de Unie – Gelijke behandeling – Staatsburger van een lidstaat zonder economische activiteit die op het grondgebied van een andere lidstaat verblijft – Uitsluiting van deze personen van de bijzondere, niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen krachtens verordening (EG) nr. 883/2004 – Richtlijn 2004/38/EG – Verblijfsrecht van langer dan drie maanden – Artikelen 7, lid 1, sub b, en 24 – Voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen)

4

2015/C 016/06

Zaak C-402/13: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Anotato Dikastirio Kyprou — Cyprus) — Cypra Ltd/Kypriaki Dimokratia (Prejudiciële verwijzing – Landbouw – Sanitair beleid – Verordening (EG) nr. 854/2004 – Producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor menselijke consumptie – Officiële controles – Aanwijzing van een officiële dierenarts – Slacht van dieren)

5

2015/C 016/07

Zaak C-416/13: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado Contencioso-Administrativo no 4 de Oviedo — Spanje) — Mario Vital Pérez/Ayuntamiento de Oviedo (Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 21 – Richtlijn 2000/78/EG – Artikelen 2, lid 2, 4, lid 1, en 6, lid 1 – Leeftijdsdiscriminatie – Nationale bepaling – Aanstellingseisen voor lokale politieagenten – Leeftijdsgrens van 30 jaar – Rechtvaardigingsgronden)

6

2015/C 016/08

Zaak C-443/13: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 13 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Unabhängige Verwaltungssenat in Tirol — Oostenrijk) — Ute Reindl, strafrechtelijk aansprakelijk vertegenwoordiger van MPREIS Warenvertriebs GmbH/Bezirkshauptmannschaft Innsbruck (Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen op het gebied van sanitair toezicht – Verordening (EG) nr. 2073/2005 – Bijlage I – Microbiologische criteria voor levensmiddelen – Salmonella in vers pluimveevlees – Niet-naleving van de microbiologische criteria die wordt vastgesteld in het stadium van de distributie – Nationale regeling die voorziet in sancties voor een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die uitsluitend in het stadium van de detailhandel actief is – Verenigbaarheid met het Unierecht – Doeltreffende, afschrikkende en evenredige sanctie)

6

2015/C 016/09

Zaak C-447/13 P: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 november 2014 — Riccardo Nencini/Europees Parlement (Hogere voorziening – Lid van het Europees Parlement – Vergoedingen ter dekking van kosten gemaakt in de uitoefening van parlementaire functies – Terugvordering van het onverschuldigd betaalde – Invordering – Verjaring – Redelijke termijn)

7

2015/C 016/10

Zaak C-530/13: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Leopold Schmitzer/Bundesministerin für Inneres (Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 2000/78/EG – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Artikel 2, leden 1 en 2, sub a – Artikel 6, lid 1 – Discriminatie op grond van leeftijd – Nationale regeling op grond waarvan voor de bepaling van de bezoldiging tijdvakken van opleiding en van dienst die zijn vervuld vóór de leeftijd van 18 jaar in aanmerking kunnen worden genomen onder de voorwaarde dat de wachttijd voor salarisverhoging wordt verlengd – Rechtvaardiging – Geschiktheid om het nagestreefde doel te bereiken – Mogelijkheid om de verlenging van de wachttijd voor salarisverhoging te betwisten)

8

2015/C 016/11

Zaak C-656/13: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Nejvyšší soud České republiky — Tsjechische Republiek) — L/M (Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikel 12, lid 3 – Kind van niet-gehuwde ouders – Prorogatie van rechtsmacht – Geen andere verwante aanhangige zaak – Aanvaarding van de bevoegdheid – Betwisting van de bevoegdheid van een rechter door een partij die bij dezelfde rechter beroep heeft ingesteld)

8

2015/C 016/12

Zaak C-112/14: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 13 november 2014 — Europese Commissie/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Niet-nakoming – Vrijheid van vestiging – Vrij verkeer van kapitaal – Artikel 49 VWEU en artikel 63 VWEU – Artikelen 31 en 40 EEE – Nationale belastingwetgeving – Toewijzing van winsten aan participanten van ondernemingen met beperkt aantal aandeelhouders – Verschillende behandeling van ingezeten en niet-ingezeten ondernemingen – Volstrekt kunstmatige constructies – Evenredigheid)

9

2015/C 016/13

Zaak C-275/13: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 22 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo — Spanje) — Elcogás, SA/Administración del Estado, Iberdrola, SA (Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Begrip maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd – Ondernemingen die eigenaar zijn van installaties voor elektriciteitsopwekking – Buitengewone financieringen)

10

2015/C 016/14

Zaak C-348/13: Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 21 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — BestWater International GmbH/Michael Mebes, Stefan Potsch (Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Informatiemaatschappij – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten – Artikel 3, lid 1 – Mededeling aan het publiek – Begrip – Koppelingen die toegang verlenen tot beschermde werken – Gebruik van de transclusion-techniek (framing))

10

2015/C 016/15

Zaak C-466/13: Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 22 oktober 2014 — Repsol YPF SA/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) (Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikel 8, lid 1, sub b – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Beeldteken dat letter R weergeeft)

11

2015/C 016/16

Zaak C-665/13: Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 21 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal do Trabalho de Lisboa — Portugal) — Sindicato Nacional dos Profissionais de Seguros e Afins/Via Directa — Companhia de Seguros SA (Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel – Nationale regeling houdende loonsverlagingen voor bepaalde werknemers in de openbare sector – Geen uitvoering van het recht van de Unie – Kennelijke onbevoegdheid van Hof)

11

2015/C 016/17

Zaak C-669/13 P: Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 21 oktober 2014 — Mundipharma GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), AFT Pharmaceuticals Ltd (Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Verordening (EG) nr. 40/94 – Aanvraag tot inschrijving van het woordmerk Maxigesic – Oppositie door de houder van het oudere woordmerk OXYGESIC – Weigering van inschrijving)

12

2015/C 016/18

Zaak C-139/14: Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 22 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg — Duitsland) — Mineralquelle Zurzach AG/Hauptzollamt Singen (Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefindeling – Gecombineerde nomenclatuur – Indeling van goederen – Tariefpost 2202 10 00 – Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd – Tariefpost 2202 9010 11 – Vruchten- of groentesappen verdund met water of met koolzuur verzadigd)

12

2015/C 016/19

Zaak C-246/14: Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 15 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte dei Conti — Sezione Giurisdizionale Per la Regione Puglia — Italië) — Vittoria De Bellis, Diana Perrone, Cesaria Antonia Villani/Istituto Nazionale di Previdenza dei Dipendenti dell’Amministrazione Pubblica (INPDAP) (Prejudiciële verwijzing – Beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen – Nationale wettelijke regeling waarin met terugwerkende kracht is voorzien in een vermindering van de pensioenrechten – Zuiver interne situatie – Kennelijke onbevoegdheid van het Hof)

13

2015/C 016/20

Zaak C-254/14: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 5 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Općinski sud u Velikoj Gorici — Kroatië) — VG Vodoopskrba d.o.o. za vodoopskrbu i odvodnju/Đuro Vladika (Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor procesvoering van het Hof – Communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid – Richtlijn 2000/60/EG – Consumentenprijs – Mogelijkheid om vaste kosten in rekening te brengen – Feiten van vóór de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie – Kennelijke onbevoegdheid van het Hof)

14

2015/C 016/21

Zaak C-356/14: Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 5 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budapest Környéki Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — Hunland-Trade Mezőgazdasági Termelő és Kereskedelmi Kft/Földművelésügyi Miniszter (Prejudiciële verwijzing – Artikelen 53, lid 2, en 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Onvoldoende precisering van de feitelijke en juridische context van het hoofdgeding – Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

14

2015/C 016/22

Zaak C-366/14: Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 6 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Budapesti XX., XXI. és XXIII. kerületi bíróság — Hongarije) — Herrenknecht AG/Hév-Sugár kft (Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Kennelijke niet-ontvankelijkheid – Onvoldoende preciseringen betreffende feitelijke context en betreffende redenen die noodzaak van antwoord op prejudiciële vraag rechtvaardigen)

15

2015/C 016/23

Zaak C-394/14: Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 14 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Sandy Siewert e.a./Condor Flugdienst GmbH (Prejudiciële verwijzing – Reglement voor de procesvoering – Artikel 99 – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Langdurige vertraging van vluchten – Compensatie voor luchtreizigers – Vrijstellingen van de verplichting van de luchtvaartmaatschappij tot betaling van compensatie – Begrip buitengewone omstandigheden – Schade aan het vliegtuig toegebracht door een mobiele vliegtuigtrap bij een vorige vlucht)

15

2015/C 016/24

Zaak C-243/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Philippe Adam Krikorian (Frankrijk) op 13 mei 2014

16

2015/C 016/25

Zaak C-401/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de première instance te Namen (België) op 22 augustus 2014 — Bernard Leloup/Belgische Staat

16

2015/C 016/26

Zaak C-469/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 14 oktober 2014 — Masterrind GmbH/Hauptzollamt Hamburg-Jonas

16

2015/C 016/27

Zaak C-482/14: Beroep ingesteld op 30 oktober 2014 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

17

2015/C 016/28

Zaak C-486/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg (Duitsland) op 4 november 2014 — Strafzaak tegen Piotr Kossowski

18

2015/C 016/29

Zaak C-498/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel (België) op 10 november 2014 — RG (*1)  /SF (*1) 

19

2015/C 016/30

Zaak C-503/14: Beroep ingesteld op 11 november 2014 — Europese Commissie/Portugese Republiek

20

2015/C 016/31

Zaak C-519/14 P: Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2014 door Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse e.V. tegen de beschikking van het Gerecht (Zesde kamer) van 3 september 2014 in zaak T-113/11, Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse/Europese Commissie

21

2015/C 016/32

Zaak C-405/13: Beschikking van de president van het Hof van 17 oktober 2014 — Europese Commissie/Roemenië, interveniënten: Republiek Estland, Koninkrijk der Nederlanden

22

2015/C 016/33

Zaak C-483/13: Beschikking van de president van de Eerste kamer van het Hof van 3 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 2 de Marchena — Spanje) — Unicaja Banco, S.A./Steluta Grigore

23

2015/C 016/34

Zaak C-685/13: Beschikking van de president van het Hof van 11 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik — België) — Belgacom NV/Gemeente Fléron

23

2015/C 016/35

Zaak C-54/14: Beschikking van de president van het Hof van 21 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 34 de Madrid — Spanje) — Rafael Villafáñez Gallego, María Pérez Anguio/Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA

23

2015/C 016/36

Zaak C-188/14: Beschikking van de president van het Hof van 17 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 58 de Madrid — Spanje) — Juan Pedro Ludeña Hormigos/Banco de Santander SA

23

2015/C 016/37

Zaak C-206/14: Beschikking van de president van het Hof van 17 oktober 2014 — Europese Commissie/Republiek Estland

24

2015/C 016/38

Zaak C-208/14: Beschikking van de president van het Hof van 17 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Navarra, Sección Tercera — Spanje) — Antonia Valdivia Reche/Banco de Valencia SA

24

2015/C 016/39

Zaak C-380/14: Beschikking van de president van het Hof van 9 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Dorothea Eckert, Karl-Heinz Dallner/Condor Flugdienst GmbH

24

2015/C 016/40

Zaak C-403/14: Beschikking van de president van het Hof van 4 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad — Varna — Bulgarije) — Vekos Trade AD/Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika Varna pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite

24

2015/C 016/41

Gevoegde zaken T-303/06 RENV EN T-337/06 RENV: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — UniCredit/BHIM — Union Investment Privatfonds (UNIWEB en UniCredit Wealth Management) (Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvragen voor gemeenschapswoordmerken UNIWEB en UniCredit Wealth Management – Oudere nationale woordmerken UNIFONDS en UNIRAK en ouder nationaal beeldmerk UNIZINS – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Merkenserie of merkenfamilie – Gevaar voor associatie – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 [thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009] – Door interveniënte ingestelde vorderingen tot vernietiging en tot wijziging – Artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering)

25

2015/C 016/42

Zaak T-450/09: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Simba Toys/BHIM — Seven Towns (Vorm van kubus met vlakken die roosterstructuur hebben) (Gemeenschapsmerk – Nietigheidsprocedure – Driedimensionaal gemeenschapsmerk – Kubus met vlakken die roosterstructuur hebben – Absolute weigeringsgronden – Artikel 76, lid 1, eerste volzin, van verordening (EG) nr. 207/2009 – Geen teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen – Artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 207/2009) – Geen teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm die door de aard van de waar wordt bepaald – Artikel 7, lid 1, sub e-i, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub e-i, van verordening nr. 207/2009) – Geen teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft – Artikel 7, lid 1, sub e-iii, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub e-iii, van verordening nr. 207/2009) – Onderscheidend vermogen – Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009) – Geen beschrijvend karakter – Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 207/2009) – Onderscheidend vermogen verkregen door gebruik – Artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009) – Motiveringsplicht – Artikel 75, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009)

26

2015/C 016/43

Zaak T-517/09: Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Alstom/Commissie (Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van energietransformators – Beschikking betreffende een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-overeenkomst – Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten – Begrip ‚onderneming’ – Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag – Vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed van een moederonderneming op het gedrag van haar dochteronderneming – Motiveringsplicht)

26

2015/C 016/44

Zaak T-521/09: Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Alstom Grid/Commissie (Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van energietransformators – Beschikking betreffende een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Overeenkomst inzake marktverdeling – Mededeling inzake medewerking van 2002 – Boete-immuniteit – Gewettigd vertrouwen – Motiveringsplicht)

27

2015/C 016/45

Zaak T-153/11: Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Cantina Broglie 1/BHIM — Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona (ZENATO RIPASSA) (Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk ZENATO RIPASSA – Ouder nationaal woordmerk RIPASSO – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

28

2015/C 016/46

Zaak T-154/11: Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Cantina Broglie 1/BHIM — Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona (Ripassa ZENATO) (Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Ripassa ZENATO – Ouder nationaal woordmerk RIPASSO – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

28

2015/C 016/47

Zaak T-173/11: Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Hesse en Lutter & Partner/BHIM — Porsche (Carrera) (Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvraag van gemeenschapswoordmerk Carrera – Oudere gemeenschapswoordmerken en nationale woordmerken CARRERA – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 – Ongerechtvaardigd voordeel dat wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk – Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 – Gedeeltelijke vervanging van een procespartij)

29

2015/C 016/48

Zaak T-384/11: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Safa Nicu Sepahan/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie – Bevriezing van tegoeden – Beoordelingsfout – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Schadevordering)

30

2015/C 016/49

Zaak T-512/11: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Ryanair/Commissie (Staatssteun – Luchtvaartsector – Ierse vliegbelasting – Vrijstelling voor transfer- en transitoverkeer – Beschikking waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun – Niet-inleiden van de formele onderzoeksprocedure – Ernstige moeilijkheden – Procedurele rechten van de belanghebbende partijen)

31

2015/C 016/50

Zaak T-272/12: Arrest van het Gerecht van 26 november 2014 — Energetický a průmyslový en EP Investment Advisors/Commissie (Mededinging – Administratieve procedure – Besluit houdende vaststelling van een weigering om zich aan een inspectie te onderwerpen en houdende oplegging van een geldboete – Artikel 23, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 1/2003 – Vermoeden van onschuld – Rechten van de verdediging – Evenredigheid – Motiveringsplicht)

31

2015/C 016/51

Zaak T-374/12: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Brouwerij Van Honsebrouck/BHIM — Beverage Trademark (KASTEEL) (Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen – Beeldmerk KASTEEL – Ouder nationaal woordmerk CASTEL BEER – Relatieve weigeringsgrond – Normaal gebruik van ouder merk – Artikel 42, lid 2 en lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009 – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 – Artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009)

32

2015/C 016/52

Zaak T-375/12: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Brouwerij Van Honsebrouck/BHIM — Beverage Trademark (KASTEEL) (Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen – Woordmerk KASTEEL – Ouder nationaal woordmerk CASTEL BEER – Relatieve weigeringsgrond – Normaal gebruik van ouder merk – Artikel 42, lid 2 en lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009 – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 – Artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009)

33

2015/C 016/53

Zaak T-394/12: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Alfastar Benelux/Raad (Overheidsopdrachten voor diensten – Aanbestedingsprocedure – Technisch onderhoud en diensten voor ondersteuning en interventie ter plaatse voor de personal computers, de printers en de randapparatuur van het secretariaat-generaal van de Raad – Afwijzing van de offerte van een inschrijver en gunning van de opdracht aan een andere inschrijver – Besluit genomen na nietigverklaring door het Gerecht van een eerder besluit – Verzoek om schadevergoeding)

33

2015/C 016/54

Zaak T-556/12: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Royalton Overseas/BHIM — S.C. Romarose Invest (KAISERHOFF) (Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk KAISERHOFF – Ouder nationaal woordmerk KAISERHOFF – Opschorting van de administratieve procedure – Regels 20 en 50 van verordening (EG) nr. 2868/95 – Ambtshalve onderzoek van de feiten – Artikel 76, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009)

34

2015/C 016/55

Zaak T-240/13: Arrest van het Gerecht van 26 november 2014 — Aldi Einkauf/BHIM — Alifoods (Alifoods) (Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Alifoods – Oudere internationale en gemeenschapswoordmerken ALDI – Relatieve weigeringsgrond – Geen verwarringsgevaar – Geen overeenstemmende tekens – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 – Regel 19, lid 2, sub a-ii, van verordening (EG) nr. 2868/95)

35

2015/C 016/56

Zaak T-402/13: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Orange/Commissie (Mededinging – Administratieve procedure – Besluit waarbij inspectie wordt gelast – Evenredigheid – Passend karakter – Noodzaak – Niet willekeurig – Motivering)

35

2015/C 016/57

Zaak T-556/13: Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Verband der Kölnisch-Wasser Hersteller/BHIM (Original Eau de Cologne) (Gemeenschapsmerk – Aanvraag voor collectief gemeenschapswoordmerk Original Eau de Cologne – Absolute weigeringsgronden – Artikel 7, lid 1, sub b, c en d, van verordening (EG) nr. 207/2009)

36

2015/C 016/58

Zaak T-17/13: Beschikking van het Gerecht van 6 november 2014 — ANKO/Commissie (Arbitragebeding – Zevende kaderprogramma voor activiteiten op gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) – Overeenkomst betreffende het project Pocemon – Terugbetaling van voorschotten – Brief waarin het uitschrijven van een debetnota wordt aangekondigd – Herinneringsbrief – Geen procesbelang – Niet-ontvankelijkheid)

37

2015/C 016/59

Zaak T-64/13: Beschikking van het Gerecht van 6 november 2014 — ANKO/Commissie (Arbitragebeding – Zesde kaderprogramma voor activiteiten op gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2002-2006) – Overeenkomst betreffende het project Doc@Hand – Terugbetaling van voorschotten – Brief waarin het uitschrijven van een debetnota wordt aangekondigd – Geen procesbelang – Niet-ontvankelijkheid)

37

2015/C 016/60

Zaak T-20/14: Beschikking van het Gerecht van 11 november 2014 — Nguyen/Parlement en Raad (Beroep tot nietigverklaring – Hervorming van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie – Minder gunstige regeling op het gebied van forfaitaire betaling van reiskosten en vermeerdering van het jaarlijks verlof door extra verlofdagen als reisdagen – Geen individuele geraaktheid – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Causaal verband – Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)

38

2015/C 016/61

Zaak T-22/14: Beschikking van het Gerecht van 11 november 2014 — Bergallou/Parlement en Raad (Beroep tot nietigverklaring – Hervorming van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie – Minder gunstige regeling op het gebied van forfaitaire betaling van reiskosten en vermeerdering van het jaarlijks verlof door extra verlofdagen als reisdagen – Geen individuele geraaktheid – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Causaal verband – Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)

39

2015/C 016/62

Zaak T-23/14: Beschikking van het Gerecht van 11 november 2014 — Bos e.a./Parlement en Raad (Beroep tot nietigverklaring – Hervorming van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie – Aanzienlijke vermindering van het aantal jaarlijkse verlofdagen voor ambtenaren en personeelsleden die in een derde land zijn tewerkgesteld – Geen individuele geraaktheid – Kennelijk niet-ontvankelijkheid)

39

2015/C 016/63

Zaak T-27/14: Beschikking van het Gerecht van 10 november 2014 — Tsjechische Republiek/Commissie (Beroep tot nietigverklaring – Interne markt voor aardgas – Artikel 22 van richtlijn 2003/55/EG – Brief waarin de Commissie een regelgevende instantie verzoekt haar besluit houdende verlening van een ontheffing in te trekken – Niet voor beroep vatbare handeling – Niet-ontvankelijkheid)

40

2015/C 016/64

Zaak T-731/14: Beroep ingesteld op 17 oktober 2014 — Agrotikos Synetairismos Profiti Ilia/Raad

41

2015/C 016/65

Zaak T-732/14: Beroep ingesteld op 23 oktober 2014 — Sberbank of Russia/Raad

41

2015/C 016/66

Zaak T-733/14: Beroep ingesteld op 18 oktober 2014 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Parlement

42

2015/C 016/67

Zaak T-734/14: Beroep ingesteld op 24 oktober 2014 — VTB Bank/Raad

43

2015/C 016/68

Zaak T-749/14: Beroep ingesteld op 4 november 2014 — Chung-Yuan Chang/BHIM — BSH (AROMA)

44

2015/C 016/69

Zaak T-772/14: Beroep ingesteld op 21 november 2014 — Musso/Parlement

45

2015/C 016/70

Zaak T-647/13: Beschikking van het Gerecht van 11 november 2014 — Meda/BHIM — Takeda (PANTOPREM)

47

2015/C 016/71

Zaak F-59/09 RENV: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 18 november 2014 — De Nicola/EIB (Openbare dienst – Terugverwijzing naar het Gerecht na vernietiging – Personeel van de EIB – Jaarlijkse beoordeling – Interne regeling – Beroepsprocedure – Recht om te worden gehoord – Schending door het beroepscomité – Onrechtmatigheid van het besluit van het beroepscomité – Psychisch geweld – Afdoening zonder beslissing over de schadevordering)

48

2015/C 016/72

Zaak F-156/12: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 18 november 2014 — McCoy/Comité van de Regio’s (Openbare dienst – Ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Onrechtmatige gedraging – Geweld door hiërarchieke meerderen – Beroepsziekte – Krachtens artikel 73 van het Statuut toegekende vergoeding die niet alle geleden schade herstelt – Verzoek om een aanvullende vergoeding)

48

2015/C 016/73

Zaak F-42/14: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 19 november 2014 — EH/Commissie (Openbare dienst – Ambtenaren – Bezoldiging – Gezinstoelagen – Anti-cumulatieregel van nationale en statutaire toelagen – Ontvangst door de echtgenoot van de ambtenaar van nationale gezinstoelagen – Geen melding door de ambtenaar van de wijziging van zijn persoonlijke situatie bij zijn administratie – Tuchtprocedure – Tuchtmaatregel – Terugzetting in rang – Evenredigheid – Motivering – Verzachtende omstandigheden – Gebrek aan zorgvuldigheid van de administratie)

49

2015/C 016/74

Zaak F-133/14: Beroep ingesteld op 17 november 2014 — ZZ/Commissie

50

2015/C 016/75

Zaak F-135/14: Beroep ingesteld op 25 november 2014 — ZZ/EMA

50


 


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2015/C 016/01)

Laatste publicatie

PB C 7 van 12.1.2015

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 462 van 22.12.2014

PB C 448 van 15.12.2014

PB C 439 van 8.12.2014

PB C 431 van 1.12.2014

PB C 421 van 24.11.2014

PB C 409 van 17.11.2014

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/2


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 november 2014 — Guardian Industries Corp., Guardian Europe Sàrl/Europese Commissie

(Zaak C-580/12 P) (1)

(Hogere voorziening - Mededingingsregelingen - Markt van vlakglas in de Europese Economische Ruimte (EER) - Vaststelling van de prijzen - Berekening van de hoogte van de geldboete - Inaanmerkingneming van interne verkopen van de ondernemingen - Redelijke termijn - Ontvankelijkheid van met het oog op de terechtzitting voor het Gerecht overgelegde stukken)

(2015/C 016/02)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirantes: Guardian Industries Corp., Guardian Europe Sàrl (vertegenwoordigers: H.-G. Kamann en S. Völcker, Rechtsanwälte, gemachtigd door C. O’Daly, solicitor)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Dawes en R. Sauer, gemachtigden)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie (T-82/08, EU:T:2012:494) wordt vernietigd voor zover daarin het middel gebaseerd op schending van het non-discriminatiebeginsel met betrekking tot de berekening van de hoofdelijk aan Guardian Industries Corp. en aan Guardian Europe Sàrl opgelegde geldboete is afgewezen en laatstgenoemden zijn verwezen in de kosten.

2)

Artikel 2 van beschikking C(2007) 5791 definitief van de Commissie van 28 november 2007 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/39.165 — Vlakglas) wordt nietig verklaard voor zover daarin het bedrag van de hoofdelijk aan Guardian Industries Corp. en aan Guardian Europe Sàrl opgelegde geldboete is vastgesteld op 148 000 000 EUR.

3)

Het bedrag van de geldboete die hoofdelijk aan Guardian Industries Corp. en aan Guardian Europe Sàrl is opgelegd wegens de in artikel 1 van die beschikking vastgestelde inbreuk, wordt vastgesteld op 103 600 000 EUR.

4)

De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

5)

De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten van de procedure in eerste aanleg en van de hogere voorziening en in de helft van de kosten van Guardian Industries Corp. en Guardian Europe Sàrl in die twee procedures.

6)

Guardian Industries Corp. en Guardian Europe Sàrl dragen de helft van hun eigen kosten van die procedures.


(1)  PB C 55 van 23.2.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/3


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 12 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main — Duitsland) — Annett Altmann e.a./Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht

(Zaak C-140/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van wetgevingen - Richtlijn 2004/39/EG - Artikel 54 - Geheimhoudingsplicht van nationale autoriteiten die financieel toezicht uitoefenen - Informatie betreffende een frauduleuze beleggingsonderneming die zich in staat van gerechtelijke vereffening bevindt)

(2015/C 016/03)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Frankfurt am Main

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Annett Altmann, Torsten Altmann, Hans Abel, Waltraud Apitzsch, Uwe Apitzsch, Simone Arnold, Barbara Assheuer, Ingeborg Aubele, Karl-Heinz Aubele

Verwerende partij: Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht

in tegenwoordigheid van: Frank Schmitt

Dictum

Artikel 54, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale toezichthoudende autoriteit zich in het kader van een administratieve procedure ten aanzien van een persoon die haar heeft verzocht om inzage te verlenen in informatie betreffende een beleggingsonderneming die zich ondertussen in staat van gerechtelijke vereffening bevindt, zonder dat het betrokken geval onder het strafrecht valt of dat sprake is van een civiele of handelsrechtelijke procedure, kan beroepen op haar verplichting om het beroepsgeheim in acht te nemen, ook al hield het bedrijfsmodel van deze onderneming in wezen in dat grootschalige fraude werd gepleegd met het oog op de bewuste benadeling van beleggers en zijn verschillende leidinggevenden van deze onderneming tot gevangenisstraffen veroordeeld


(1)  PB C 156 van 1.6.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/3


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 3 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel — België) — Johan Deckmyn, Vrijheidsfonds VZW/Helena Vandersteen e.a.

(Zaak C-201/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2001/29/EG - Auteursrecht en naburige rechten - Reproductierecht - Beperkingen en restricties - Begrip „parodie” - Autonoom Unierechtelijk begrip)

(2015/C 016/04)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van Beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Johan Deckmyn, Vrijheidsfonds VZW

Verwerende partijen: Helena Vandersteen, Christiane Vandersteen, Liliana Vandersteen, Isabelle Vandersteen, Rita Dupont, Amoras II CVOH, WPG Uitgevers België

Dictum

1)

Artikel 5, lid 3, sub k, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat het in deze bepaling vervatte begrip „parodie” een autonoom Unierechtelijk begrip is.

2)

Artikel 5, lid 3, sub k, van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat de wezenlijke kenmerken van de parodie erin bestaan dat, enerzijds, een bestaand werk wordt nagebootst doch met duidelijke verschillen met het bestaande werk en, anderzijds, aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven. Het begrip „parodie” in de zin van deze bepaling dient niet te voldoen aan zodanige voorwaarden dat de parodie een ander eigen oorspronkelijk karakter vertoont dan louter duidelijke verschillen met het geparodieerde oorspronkelijke werk, redelijkerwijze aan een andere persoon dan de auteur van het oorspronkelijke werk zelf kan worden toegeschreven, betrekking heeft op het oorspronkelijke werk zelf of de bron van het geparodieerde werk vermeldt.

Evenwel moet de toepassing in een concreet geval van de beperking ten aanzien van de parodie in de zin van artikel 5, lid 3, sub k, van richtlijn 2001/29 een rechtvaardig evenwicht in acht nemen tussen, enerzijds, de belangen en rechten van de in de artikelen 2 en 3 van deze richtlijn bedoelde personen en, anderzijds, de vrije meningsuiting van de gebruiker van een beschermd werk die zich beroept op de beperking ten aanzien van de parodie in de zin van dit artikel 5, lid 3, sub k.

Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met alle omstandigheden van het hoofdgeding, te oordelen of de toepassing van de beperking ten aanzien van de parodie in de zin van artikel 5, lid 3, sub k, van richtlijn 2001/29, in de veronderstelling dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tekening deze wezenlijke kenmerken van de parodie vertoont, dit rechtvaardige evenwicht in acht neemt.


(1)  PB C 189 van 29.6.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Sozialgericht Leipzig — Duitsland) — Elisabeta Dano, Florin Dano/Jobcenter Leipzig

(Zaak C-333/13) (1)

(Vrij verkeer van personen - Burgerschap van de Unie - Gelijke behandeling - Staatsburger van een lidstaat zonder economische activiteit die op het grondgebied van een andere lidstaat verblijft - Uitsluiting van deze personen van de bijzondere, niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen krachtens verordening (EG) nr. 883/2004 - Richtlijn 2004/38/EG - Verblijfsrecht van langer dan drie maanden - Artikelen 7, lid 1, sub b, en 24 - Voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen)

(2015/C 016/05)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Sozialgericht Leipzig

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Elisabeta Dano, Florin Dano

Verwerende partij: Jobcenter Leipzig

Dictum

1)

Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1244/2010 van de Commissie van 9 december 2010, moet in die zin worden uitgelegd dat „bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties” in de zin van de artikelen 3, lid 3, en 70 van die verordening, binnen de werkingssfeer van artikel 4 daarvan vallen.

2)

Artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, sub b, daarvan, en artikel 4 van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1244/2010, moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen de regeling van een lidstaat op grond waarvan onderdanen van andere lidstaten zijn uitgesloten van het recht op bepaalde „bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties” in de zin van artikel 70, lid 2, van verordening nr. 883/2004, terwijl deze prestaties wel worden toegekend aan de onderdanen van het gastland die zich in dezelfde situatie bevinden, voor zover deze onderdanen van andere lidstaten in het gastland geen verblijfsrecht genieten krachtens richtlijn 2004/38.

3)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd om de vierde vraag te beantwoorden.


(1)  PB C 226 van 3.8.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/5


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Anotato Dikastirio Kyprou — Cyprus) — Cypra Ltd/Kypriaki Dimokratia

(Zaak C-402/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Landbouw - Sanitair beleid - Verordening (EG) nr. 854/2004 - Producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor menselijke consumptie - Officiële controles - Aanwijzing van een officiële dierenarts - Slacht van dieren)

(2015/C 016/06)

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Anotato Dikastirio Kyprou

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Cypra Ltd

Verwerende partij: Kypriaki Dimokratia

Dictum

De bepalingen van verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006, moeten aldus worden uitgelegd dat zij in beginsel niet eraan in de weg staan dat de bevoegde autoriteit het tijdstip bepaalt waarop dieren moeten worden geslacht, met het oog op de aanwijzing van een officiële dierenarts die bij de slacht controles moet verrichten, en weigert een dergelijke dierenarts te sturen op de door het slachthuis vastgestelde dagen en tijdstippen, tenzij er een objectieve noodzaak bestaat om op een dergelijke dag te slachten, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.


(1)  PB C 274 van 21.9.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/6


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado Contencioso-Administrativo no 4 de Oviedo — Spanje) — Mario Vital Pérez/Ayuntamiento de Oviedo

(Zaak C-416/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 21 - Richtlijn 2000/78/EG - Artikelen 2, lid 2, 4, lid 1, en 6, lid 1 - Leeftijdsdiscriminatie - Nationale bepaling - Aanstellingseisen voor lokale politieagenten - Leeftijdsgrens van 30 jaar - Rechtvaardigingsgronden)

(2015/C 016/07)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado Contencioso-Administrativo no 4 de Oviedo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Mario Vital Pérez

Verwerende partij: Ayuntamiento de Oviedo

Dictum

De artikelen 2, lid 2, 4, lid 1, en 6, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die een maximumleeftijd van 30 jaar instelt voor het aanwerven van lokale politieagenten.


(1)  PB C 325 van 9.11.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/6


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 13 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Unabhängige Verwaltungssenat in Tirol — Oostenrijk) — Ute Reindl, strafrechtelijk aansprakelijk vertegenwoordiger van MPREIS Warenvertriebs GmbH/Bezirkshauptmannschaft Innsbruck

(Zaak C-443/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van de wetgevingen op het gebied van sanitair toezicht - Verordening (EG) nr. 2073/2005 - Bijlage I - Microbiologische criteria voor levensmiddelen - Salmonella in vers pluimveevlees - Niet-naleving van de microbiologische criteria die wordt vastgesteld in het stadium van de distributie - Nationale regeling die voorziet in sancties voor een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die uitsluitend in het stadium van de detailhandel actief is - Verenigbaarheid met het Unierecht - Doeltreffende, afschrikkende en evenredige sanctie)

(2015/C 016/08)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Unabhängige Verwaltungssenat in Tirol

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ute Reindl, strafrechtelijk aansprakelijk vertegenwoordiger van MPREIS Warenvertriebs GmbH

Verwerende partij: Bezirkshauptmannschaft Innsbruck

Dictum

1)

Bijlage II, E, punt 1, bij verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1086/2011 van de Commissie van 27 oktober 2011, moet aldus moet worden uitgelegd dat vers pluimveevlees van in bijlage I bij die verordening opgenomen dierpopulaties in alle stadia van de distributie, óók dat van de detailhandel, moet voldoen aan het microbiologische criterium van bijlage I, hoofdstuk 1, rij 1.28, bij verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1086/2011.

2)

Het Unierecht, in het bijzonder verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, en verordening nr. 2073/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1086/2011, moet aldus worden uitgelegd dat het zich in beginsel niet verzet tegen een nationale regeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, die aan een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die zich uitsluitend bezighoudt met de distributie van levensmiddelen met het oog op het in de handel brengen ervan, een sanctie oplegt wegens de niet-naleving van het in bijlage I, hoofdstuk 1, rij 1.28, bij verordening nr. 2073/2005 vermelde microbiologische criterium. Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sanctie voldoet aan het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 17, lid 2, van verordening nr. 178/2002.


(1)  PB C 344 van 23.11.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/7


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 november 2014 — Riccardo Nencini/Europees Parlement

(Zaak C-447/13 P) (1)

(Hogere voorziening - Lid van het Europees Parlement - Vergoedingen ter dekking van kosten gemaakt in de uitoefening van parlementaire functies - Terugvordering van het onverschuldigd betaalde - Invordering - Verjaring - Redelijke termijn)

(2015/C 016/09)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirant: Riccardo Nencini (vertegenwoordiger: M. Chiti, avvocato)

Andere partij in de procedure: Europees Parlement (vertegenwoordigers: S. Seyr en N. Lorenz, gemachtigden)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Nencini/Parlement (T-431/10 en T-560/10, EU:T:2013:290) wordt vernietigd voor zover het zaak T-560/10 betreft.

2)

Het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 7 oktober 2010 betreffende de terugvordering van bepaalde bedragen die Ricardo Nencini, voormalig lid van het Europees Parlement, heeft ontvangen ter vergoeding van reiskosten en kosten van parlementaire bijstand, alsook debetnota nr. 315653 van 13 oktober 2010 van de directeur-generaal van het directoraat-generaal financiën van het Europees Parlement, worden nietig verklaard.

3)

Het Europees Parlement wordt, naast in zijn eigen kosten, in drie vierde van de kosten van Ricardo Nencini in het kader van de onderhavige voorziening verwezen.

4)

Het Europees Parlement wordt verwezen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in zaak T-560/10.

5)

De hogere voorziening wordt verworpen voor het overige.


(1)  PB C 304 van 19.10.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/8


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Leopold Schmitzer/Bundesministerin für Inneres

(Zaak C-530/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 2000/78/EG - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Artikel 2, leden 1 en 2, sub a - Artikel 6, lid 1 - Discriminatie op grond van leeftijd - Nationale regeling op grond waarvan voor de bepaling van de bezoldiging tijdvakken van opleiding en van dienst die zijn vervuld vóór de leeftijd van 18 jaar in aanmerking kunnen worden genomen onder de voorwaarde dat de wachttijd voor salarisverhoging wordt verlengd - Rechtvaardiging - Geschiktheid om het nagestreefde doel te bereiken - Mogelijkheid om de verlenging van de wachttijd voor salarisverhoging te betwisten)

(2015/C 016/10)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Leopold Schmitzer

Verwerende partij: Bundesministerin für Inneres

Dictum

1)

De artikelen 2, leden 1 en 2, sub a, en 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, moeten aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale wettelijke regeling op grond waarvan, om een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, rekening wordt gehouden met opleidings- en diensttijdvakken van vóór de leeftijd van 18 jaar, maar tegelijkertijd voor door die discriminatie getroffen ambtenaren de wachttijd voor overgang van de eerste naar de tweede salaristrap van iedere tewerkstellingsgroep en iedere bezoldigingsgroep wordt verlengd met drie jaar.

2)

De artikelen 9 en 16 van richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat een ambtenaar die door de wijze van vaststelling van de peildatum voor de berekening van zijn salarisverhoging is gediscrimineerd op grond van zijn leeftijd, zich op artikel 2 van die richtlijn moet kunnen beroepen ter betwisting van de discriminerende gevolgen van de verlenging van de wachttijden, ook al heeft hij op zijn verzoek herziening van die datum gekregen.


(1)  PB C 15 van 18.1.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/8


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Nejvyšší soud České republiky — Tsjechische Republiek) — L/M

(Zaak C-656/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Artikel 12, lid 3 - Kind van niet-gehuwde ouders - Prorogatie van rechtsmacht - Geen andere verwante aanhangige zaak - Aanvaarding van de bevoegdheid - Betwisting van de bevoegdheid van een rechter door een partij die bij dezelfde rechter beroep heeft ingesteld)

(2015/C 016/11)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Nejvyšší soud České republiky

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: L

Verwerende partij: M

in tegenwoordigheid van: R, K

Dictum

1)

Artikel 12, lid 3, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat het voor een procedure inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid de grondslag kan vormen van de bevoegdheid van een rechter van een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, ook al is bij de gekozen rechter geen andere procedure aanhangig.

2)

Artikel 12, lid 3, sub b, van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid van de rechter bij wie een partij een procedure inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft ingesteld, niet kan worden geacht „uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze te zijn aanvaard door alle partijen bij de procedure” in de zin van die bepaling, wanneer de verwerende partij in die eerste procedure daarna bij dezelfde rechter een tweede procedure instelt en bij de eerste door haar te stellen handeling in de eerste procedure aanvoert dat die rechter onbevoegd is.


(1)  PB C 85 van 22.3.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/9


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 13 november 2014 — Europese Commissie/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(Zaak C-112/14) (1)

(Niet-nakoming - Vrijheid van vestiging - Vrij verkeer van kapitaal - Artikel 49 VWEU en artikel 63 VWEU - Artikelen 31 en 40 EEE - Nationale belastingwetgeving - Toewijzing van winsten aan participanten van ondernemingen met beperkt aantal aandeelhouders - Verschillende behandeling van ingezeten en niet-ingezeten ondernemingen - Volstrekt kunstmatige constructies - Evenredigheid)

(2015/C 016/12)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal en L. Armati, gemachtigden)

Verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordiger: L. Christie, gemachtigde)

Dictum

1)

Door belastingwetgeving vast te stellen en te handhaven betreffende de toewijzing van winsten aan participanten („participators”) van niet-ingezeten ondernemingen die voorziet in een verschillende behandeling van binnenlandse en grensoverschrijdende activiteiten, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 63 VWEU en artikel 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992.

2)

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt in de kosten verwezen.


(1)  PB C 184 van 16.6.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/10


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 22 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo — Spanje) — Elcogás, SA/Administración del Estado, Iberdrola, SA

(Zaak C-275/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Staatssteun - Begrip „maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd” - Ondernemingen die eigenaar zijn van installaties voor elektriciteitsopwekking - Buitengewone financieringen)

(2015/C 016/13)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Elcogás, SA

Verwerende partijen: Administración del Estado, Iberdrola, SA

Dictum

Artikel 107, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat als een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd moet worden aangemerkt de aan een particuliere elektriciteitsproducent toegewezen bedragen die door alle eindverbruikers van elektriciteit op het nationale grondgebied worden gefinancierd en door een openbare instantie overeenkomstig vooraf vastgelegde wettelijke criteria worden uitgekeerd aan de ondernemingen in de elektriciteitssector.


(1)  PB C 226 van 3.8.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/10


Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 21 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — BestWater International GmbH/Michael Mebes, Stefan Potsch

(Zaak C-348/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van de wetgevingen - Auteursrecht en naburige rechten - Richtlijn 2001/29/EG - Informatiemaatschappij - Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten - Artikel 3, lid 1 - Mededeling aan het publiek - Begrip - Koppelingen die toegang verlenen tot beschermde werken - Gebruik van de „transclusion”-techniek („framing”))

(2015/C 016/14)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: BestWater International GmbH

Verwerende partijen: Michael Mebes, Stefan Potsch

Dictum

Het enkele feit dat een beschermd werk dat vrijelijk toegankelijk is op een internetsite, is opgenomen in een andere internetsite door middel van een koppeling waarbij wordt gebruikgemaakt van de „transclusion”-techniek („framing”), zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, kan niet worden aangemerkt als een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, voor zover het betrokken werk niet wordt doorgegeven aan een nieuw publiek, noch wordt meegedeeld volgens een specifieke technische werkwijze die verschilt van de werkwijze bij de oorspronkelijke mededeling.


(1)  PB C 325 van 9.11.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/11


Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 22 oktober 2014 — Repsol YPF SA/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

(Zaak C-466/13) (1)

(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 207/2009 - Artikel 8, lid 1, sub b - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Beeldteken dat letter „R” weergeeft)

(2015/C 016/15)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Repsol YPF SA (vertegenwoordigers: J.-B. Devaureix en L. Montoya Terán, advocaten)

Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Repsol YPF SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 313 van 26.10.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/11


Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 21 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal do Trabalho de Lisboa — Portugal) — Sindicato Nacional dos Profissionais de Seguros e Afins/Via Directa — Companhia de Seguros SA

(Zaak C-665/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel - Nationale regeling houdende loonsverlagingen voor bepaalde werknemers in de openbare sector - Geen uitvoering van het recht van de Unie - Kennelijke onbevoegdheid van Hof)

(2015/C 016/16)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal do Trabalho de Lisboa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Sindicato Nacional dos Profissionais de Seguros e Afins

Verwerende partij: Via Directa — Companhia de Seguros SA

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het door het Tribunal do Trabalho de Lisboa (Portugal) bij beslissing van 28 oktober 2013 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing (zaak C-665/13).


(1)  PB C 85 van 22.3.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/12


Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 21 oktober 2014 — Mundipharma GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), AFT Pharmaceuticals Ltd

(Zaak C-669/13 P) (1)

(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 40/94 - Aanvraag tot inschrijving van het woordmerk Maxigesic - Oppositie door de houder van het oudere woordmerk OXYGESIC - Weigering van inschrijving)

(2015/C 016/17)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Mundipharma GmbH (vertegenwoordiger: F. Nielsen, advocaat)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde), AFT Pharmaceuticals Ltd (vertegenwoordiger: M. Nentwig, advocaat)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Mundipharma GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 85 van 22.3.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/12


Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 22 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg — Duitsland) — Mineralquelle Zurzach AG/Hauptzollamt Singen

(Zaak C-139/14) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefindeling - Gecombineerde nomenclatuur - Indeling van goederen - Tariefpost 2202 10 00 - Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd - Tariefpost 2202 9010 11 - Vruchten- of groentesappen verdund met water of met koolzuur verzadigd)

(2015/C 016/18)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Baden-Württemberg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Mineralquelle Zurzach AG

Verwerende partij: Hauptzollamt Singen

Dictum

De gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005, moet aldus worden uitgelegd dat een drank als in het hoofdgeding, bestaande met name uit water, suiker, geconcentreerd sinaasappel-, citroen-, druiven-, ananas-, mandarijn-, nectarine-, passievruchtensap-, abrikozen- en guavepuree, een voedingszuur, een vitaminemengsel, natuurlijke en kunstmatige aroma’s, en met 12 % vruchtensapgehalte, onder postonderverdeling 2202 10 00 van deze nomenclatuur valt.


(1)  PB C 194 van 24.6.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/13


Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 15 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte dei Conti — Sezione Giurisdizionale Per la Regione Puglia — Italië) — Vittoria De Bellis, Diana Perrone, Cesaria Antonia Villani/Istituto Nazionale di Previdenza dei Dipendenti dell’Amministrazione Pubblica (INPDAP)

(Zaak C-246/14) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen - Nationale wettelijke regeling waarin met terugwerkende kracht is voorzien in een vermindering van de pensioenrechten - Zuiver interne situatie - Kennelijke onbevoegdheid van het Hof)

(2015/C 016/19)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte dei Conti — Sezione Giurisdizionale Per la Regione Puglia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Vittoria De Bellis, Diana Perrone, Cesaria Antonia Villani

Verwerende partij: Istituto Nazionale di Previdenza dei Dipendenti dell’Amministrazione Pubblica (INPDAP)

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om de door de Corte dei conti, sezione giurisdizionale per la Regione Puglia (Italië), bij beslissing van 28 april 2014 (zaak C-246/14) gestelde vragen te beantwoorden.


(1)  PB C 245 van 28.7.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/14


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 5 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Općinski sud u Velikoj Gorici — Kroatië) — VG Vodoopskrba d.o.o. za vodoopskrbu i odvodnju/Đuro Vladika

(Zaak C-254/14) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor procesvoering van het Hof - Communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid - Richtlijn 2000/60/EG - Consumentenprijs - Mogelijkheid om vaste kosten in rekening te brengen - Feiten van vóór de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie - Kennelijke onbevoegdheid van het Hof)

(2015/C 016/20)

Procestaal: Kroatisch

Verwijzende rechter

Općinski sud u Velikoj Gorici

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: VG Vodoopskrba d.o.o. za vodoopskrbu i odvodnju

Verwerende partij: Đuro Vladika

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om op de door de Općinski sud u Velikoj Gorici (Kroatië) gestelde vraag te antwoorden.


(1)  PB C 253 van 4.8.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/14


Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 5 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budapest Környéki Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — Hunland-Trade Mezőgazdasági Termelő és Kereskedelmi Kft/Földművelésügyi Miniszter

(Zaak C-356/14) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikelen 53, lid 2, en 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Onvoldoende precisering van de feitelijke en juridische context van het hoofdgeding - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

(2015/C 016/21)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Budapest Környéki Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Hunland-Trade Mezőgazdasági Termelő és Kereskedelmi Kft

Verwerende partij: Földművelésügyi Miniszter

Dictum

Het verzoek om een prejudiciële beslissing dat door de Budapest környéki közigazgatási és munkaügyi bíróság (Hongarije) bij beslissing van 16 juni 2014 is ingediend in zaak C-356/14, is kennelijk niet-ontvankelijk.


(1)  PB C 329 van 22.9.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/15


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 6 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Budapesti XX., XXI. és XXIII. kerületi bíróság — Hongarije) — Herrenknecht AG/Hév-Sugár kft

(Zaak C-366/14) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Kennelijke niet-ontvankelijkheid - Onvoldoende preciseringen betreffende feitelijke context en betreffende redenen die noodzaak van antwoord op prejudiciële vraag rechtvaardigen)

(2015/C 016/22)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Budapesti XX., XXI. és XXIII. kerületi bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Herrenknecht AG

Verwerende partij: Hév-Sugár kft

Dictum

Het verzoek van het Budapesti XX., XXI. és XXIII. kerületi bíróság (Hongarije) van 11 juli 2014 om een prejudiciële beslissing (zaak C-366/14), is kennelijk niet-ontvankelijk


(1)  PB C 351 van 6.10.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/15


Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 14 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Sandy Siewert e.a./Condor Flugdienst GmbH

(Zaak C-394/14) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Reglement voor de procesvoering - Artikel 99 - Luchtvervoer - Verordening (EG) nr. 261/2004 - Langdurige vertraging van vluchten - Compensatie voor luchtreizigers - Vrijstellingen van de verplichting van de luchtvaartmaatschappij tot betaling van compensatie - Begrip „buitengewone omstandigheden” - Schade aan het vliegtuig toegebracht door een mobiele vliegtuigtrap bij een vorige vlucht)

(2015/C 016/23)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Rüsselsheim

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Sandy Siewert, Emma Siewert, Nele Siewert

Verwerende partij: Condor Flugdienst GmbH

Dictum

Artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 moet aldus worden uitgelegd, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde botsing van een mobiele vliegtuigtrap van een luchthaven met een vliegtuig geen voorval is dat kan worden aangemerkt als „buitengewone omstandigheid” op grond waarvan de luchtvaartmaatschappij wordt vrijgesteld van haar verplichting de luchtreizigers compensatie te betalen bij een langdurige vertraging van een vlucht die door dit vliegtuig wordt uitgevoerd.


(1)  PB C 372 van 20.10.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Philippe Adam Krikorian (Frankrijk) op 13 mei 2014

(Zaak C-243/14)

(2015/C 016/24)

Procestaal: Frans

Partijen in het hoofdgeding

Grégoire Krikorian e.a.

Het verzoek heeft enerzijds betrekking op de geldigheid van artikel 1, lid 4, van het kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55) en anderzijds op de uitleg van ditzelfde kaderbesluit alsook van de artikelen 6, lid 1, en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en, ten slotte, van de artikelen 4, lid 3, en 19, lid 1, tweede alinea, VEU.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de première instance te Namen (België) op 22 augustus 2014 — Bernard Leloup/Belgische Staat

(Zaak C-401/14)

(2015/C 016/25)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal de première instance te Namen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bernard Leloup

Verwerende partij: Belgische Staat

Bij beschikking van 11 november 2014 heeft het Hof de doorhaling van de zaak gelast.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 14 oktober 2014 — Masterrind GmbH/Hauptzollamt Hamburg-Jonas

(Zaak C-469/14)

(2015/C 016/26)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Hamburg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Masterrind GmbH

Verwerende partij: Hauptzollamt Hamburg-Jonas

Prejudiciële vragen

1)

Dient de regeling in punt 1.4 van hoofdstuk V van bijlage I bij verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97 (1), volgens welke dieren na een transporttijd van 14 uur een voldoende rusttijd van ten minste een uur moeten krijgen, in het bijzonder om te worden gedrenkt en zo nodig gevoederd, waarna zij opnieuw gedurende 14 uur kunnen worden vervoerd, aldus te worden uitgelegd dat de vervoersperioden ook kunnen worden onderbroken door een rusttijd van langer dan een uur of door meerdere rusttijden waarvan er één ten minste een uur duurt?

2)

Is het betaalorgaan van een bepaalde lidstaat gebonden aan de vermelding die door de officiële dierenarts van de plaats van uitgang is aangebracht overeenkomstig artikel 2, lid 3, van verordening (EU) nr. 817/2010 van de Commissie van 16 september 2010 tot vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer (2), zodat de rechtmatigheid van de weigering om de vermelding aan te brengen alleen kan worden getoetst door die autoriteit waaraan het handelen van de betrokken dierenarts kan worden toegerekend, of vormt de vermelding door de officiële dierenarts louter een procedurele ambtelijke handeling die alleen tegelijk met de tegen de inhoudelijke beslissing van het betaalorgaan in te stellen rechtsmiddelen kan worden aangevochten?


(1)  PB L 3, blz. 1.

(2)  PB L 245, blz. 16.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/17


Beroep ingesteld op 30 oktober 2014 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-482/14)

(2015/C 016/27)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: W. Mölls, J. Hottiaux en T. Maxian Rusche, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

De Bondsrepubliek Duitsland heeft de verplichtingen geschonden die op haar rusten krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/34/EU (1) (artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/440/EEG), doordat zij heeft toegelaten dat overheidsmiddelen die voor het beheer van de spoorweginfrastructuur zijn verstrekt, naar vervoersdiensten kunnen worden overgedragen.

De Bondsrepubliek Duitsland heeft de verplichtingen geschonden die op haar rusten krachtens artikel 6, lid 4, van richtlijn 2012/34/EU (artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/440/EEG), doordat zij heeft nagelaten ervoor te zorgen dat de naleving van het verbod overheidsmiddelen voor het beheer van de spoorweginfrastructuur naar vervoersdiensten over te dragen, door de wijze van boekhouding kan worden gecontroleerd.

De Bondsrepubliek Duitsland heeft de verplichtingen geschonden die op haar rusten krachtens artikel 31, lid 1, van richtlijn 2012/34/EU (artikel 7, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG), doordat zij heeft nagelaten ervoor te zorgen dat rechten voor het gebruik van de infrastructuur enkel mogen worden aangewend om de infrastructuurbeheerder van middelen te voorzien.

De Bondsrepubliek Duitsland heeft de verplichtingen geschonden die op haar rusten krachtens artikel 6, lid 3, van richtlijn 2012/34/EU (artikel 9, lid 4, van richtlijn 91/440/EEG) en krachtens artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 1370/2007 (2) juncto punt 5 van de bijlage bij deze verordening, doordat zij heeft nagelaten ervoor te zorgen dat openbare financiële middelen voor de exploitatie van openbaar personenvervoer afzonderlijk worden opgevoerd in de desbetreffende rekeningen.

De Bondsrepubliek Duitsland draagt de kosten van het geding.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster het volgende aan:

Duitsland laat toe dat het concern Deutsche Bahn dankzij afspraken over winstoverdracht inkomsten van de beheerder van de spoorweginfrastructuur in de vorm van rechten voor het gebruik van de infrastructuur en overheidsmiddelen gebruikt voor andere doeleinden dan het beheer van de infrastructuur. Deze middelen kunnen immers worden aangewend voor doeleinden die met vervoersdiensten verband houden. Dit is onverenigbaar met de artikelen 6, lid 1, en 31, lid 1, van richtlijn 2012/34/EU.

Bovendien maakt de boekhouding van de infrastructuurbeheerder het niet mogelijk het verbod op de overdracht van overheidsmiddelen naar vervoersdiensten te controleren. Duitsland laat dit toe, wat in strijd is met artikel 6, lid 4, van richtlijn 2012/34/EU.

Ten slotte zorgt Duitsland er niet voor dat overheidsmiddelen voor de exploitatie van openbaar personenvervoer afzonderlijk worden opgevoerd in de desbetreffende rekeningen. Dat is in strijd met artikel 6, lid 3, van richtlijn 2012/34/EU en met artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 1370/2007 juncto punt 5 van de bijlage bij deze verordening.


(1)  Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte, PB L 343, blz. 32.

(2)  Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad, PB L 315, blz. 1.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg (Duitsland) op 4 november 2014 — Strafzaak tegen Piotr Kossowski

(Zaak C-486/14)

(2015/C 016/28)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg

Partijen in de strafzaak

Piotr Kossowski

Andere partij in de procedure: Generalstaatsanwaltschaft Hamburg

Prejudiciële vragen

1)

Hebben de voorbehouden die de verdragsluitende partijen bij de bekrachtiging van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO) (1) krachtens artikel 55, lid 1, sub a, ervan hebben gemaakt — in het bijzonder het sub a door de Bondsrepubliek Duitsland bij het neerleggen van de akte van bekrachtiging gemaakte voorbehoud op grond waarvan zij niet gebonden zal zijn aan artikel 54 SUO „wanneer de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen zich geheel of gedeeltelijk op haar eigen grondgebied hebben afgespeeld […]” — hun geldigheid behouden na de opneming van het Schengenacquis in het rechtskader van de Unie door het Schengenprotocol bij het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, dat van kracht is gebleven door het Schengenprotocol bij het Verdrag van Lissabon? Gaat het bij deze uitzonderingen om evenredige beperkingen van de werking van artikel 50 [van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie] (2) in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest?

2)

Indien dit niet het geval is:

Moeten het in artikel 54 SUO respectievelijk artikel 50 van het Handvest neergelegde ne bis in idem beginsel en het verbod op dubbele vervolging aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de strafvervolging van een beklaagde in een lidstaat — in casu de Bondsrepubliek Duitsland — van wie de strafzaak in een andere lidstaat — in casu de Republiek Polen — door het Openbaar Ministerie, zonder dat is voldaan aan als bestraffing opgelegde verplichtingen en zonder uitgebreid onderzoek, bij gebrek aan voldoende verdenking op feitelijke gronden werd geseponeerd en slechts kan worden heropend indien wezenlijke omstandigheden aan het licht zijn gekomen die daarvoor niet bekend waren, zonder dat van dergelijke nieuwe omstandigheden echter concreet sprake is?


(1)  Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19).

(2)  Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (PB 2014, C 326, blz. 391).


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel (België) op 10 november 2014 — RG (*1)/ SF (*1)

(Zaak C-498/14)

(2015/C 016/29)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Hof van Beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: RG (*1)

Verwerende partij: SF (*1)

Prejudiciële vraag

Kan artikel 11, leden 7 en 8, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (1) („Brussel II bis-verordening”) aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat

in gevallen van ontvoering van een kind door een ouder voorrang geeft aan gespecialiseerde rechters wat de procedure betreft waarin deze [bepalingen] voorzien, zelfs wanneer bij een hof of rechtbank reeds een bodemprocedure inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind aanhangig is gemaakt?

de rechter bij wie een bodemprocedure inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind aanhangig is gemaakt, de bevoegdheid ontneemt over het gezagsrecht uitspraak te doen, terwijl hij zowel internationaal als in de eigen rechtsorde bevoegd is uitspraak te doen over de kwesties met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind?


(*1)  Informatie gewist of vervangen in het kader van de bescherming van persoonsgegevens en/of vertrouwelijkheid.

(1)  PB L 338, blz. 1.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/20


Beroep ingesteld op 11 november 2014 — Europese Commissie/Portugese Republiek

(Zaak C-503/14)

(2015/C 016/30)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Braga da Cruz en W. Roels, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Portugese Republiek niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 21, 45 en 49 VWEU en de artikelen 28 en 31 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, door de in de artikelen 10 en 38 van de Portugese Código do imposto sobre o rendimento das pessoas singulares (CIRS; wetboek inkomstenbelasting natuurlijke personen) vervatte regeling vast te stellen en te handhaven, volgens welke een belastingplichtige (1) die aandelen ruilt en zijn woonplaats naar het buitenland verplaatst, of (2) activa en passiva die in het kader van een individuele activiteit worden gebruikt, ruilt voor aandelen van een niet-ingezeten onderneming, in het eerstgenoemde geval alle niet-verrekende inkomsten uit de betrokken transacties dient op te nemen in de belastinggrondslag van het laatste belastingjaar waarin hij nog als ingezeten belastingplichtige werd beschouwd, en in het tweede geval geen belastinguitstel geniet voor de betrokken transactie;

de Portugese Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Middelen:

1.

Artikel 10, lid 9, sub a, CIRS bepaalt dat, wanneer de aandeelhouder/vennoot niet meer in Portugal woont, de meerwaarde die wordt gerealiseerd met een aandelenruil, deel uitmaakt van de belastbare winst van het kalenderjaar waarin de betrokkene van woonplaats is veranderd. De meerwaarde is volgens deze bepaling gelijk aan het verschil tussen de reële waarde van de ontvangen aandelen en de aanschaffingswaarde van de oude aandelen. Indien de aandeelhouder/vennoot daarentegen in Portugal blijft wonen, is de waarde van de ontvangen aandelen gelijk aan de waarde van de overgedragen aandelen, ongeacht de belasting die verschuldigd is over de geldbedragen die voor de overgedragen aandelen zijn betaald. Dat wil zeggen, wanneer de betrokkene in Portugal blijft wonen, wordt de aandelenruil slechts onmiddellijk belast indien en voor zover een aanvullend geldbedrag wordt betaald. Gebeurt dat niet, dan wordt de meerwaarde pas belast wanneer de ontvangen aandelen definitief worden vervreemd. Volgens artikel 10, lid 10, CIRS geldt deze fiscale regeling ook voor de toewijzing van aandelen of deelbewijzen in het kader van een fusie of een splitsing, waarop artikel 74 van de Código do Imposto sobre o Rendimento das Pessoas Colectivas (CIRC; wetboek vennootschapsbelasting) van toepassing is.

2.

Volgens artikel 38, lid 1, sub a, CIRS is de overdracht aan een onderneming van door een natuurlijke persoon voor de uitoefening van een economische activiteit of een beroepsactiviteit gebruikte activa en passiva in ruil voor aandelen op het ogenblik van de overdracht vrijgesteld van belastingen indien onder meer is voldaan aan de voorwaarde dat de rechtspersoon waaraan de activa en passiva zijn overgedragen, zijn statutaire of feitelijke bedrijfszetel in Portugal heeft. In dat geval worden deze activa en passiva pas belast wanneer zij worden vervreemd door de rechtspersoon die ze heeft ontvangen. Deze fiscale regeling geldt evenwel niet wanneer de rechtspersoon waaraan de activa en passiva zijn overgedragen zijn statutaire of feitelijke bedrijfszetel buiten Portugal heeft. In dat geval wordt de meerwaarde onmiddellijk belast.

Voornaamste argumenten:

1.

In het kader van het eerste middel betoogt de Commissie dat de betrokken belasting personen benadeelt die besluiten om het Portugese grondgebied te verlaten, aangezien zij anders worden behandeld dan personen die in het land blijven. Het belastinguitstel dat wordt verleend indien de aandelenruil winst oplevert mag niet beperkt blijven tot gevallen waarin de belastingplichtige zijn woonplaats niet verplaatst naar een andere lidstaat of een lidstaat van de EER, maar in Portugal blijft wonen. Het door artikel 10 CIRS gemaakte onderscheid is bijgevolg niet verenigbaar met de artikelen 21, 45 en 49 VWEU en de artikelen 28 en 31 EER-Overeenkomst. Bovendien moeten fiscale vorderingen die voortvloeien uit openstaande inkomsten worden beschermd op een wijze die verenigbaar is met het in de rechtspraak van het Hof van Justitie verankerde evenredigheidsbeginsel. In casu gaat de Portugese wettelijke regeling verder dan wat nodig is ter bereiking van het nagestreefde doel, de doeltreffendheid van de belastingregeling te verzekeren. De Portugese wet zou dezelfde regel moeten toepassen, ongeacht of de natuurlijke persoon al dan niet in Portugal woont.

2.

In het kader van het tweede middel is de Commissie van mening dat het door artikel 38 CIRS verleende voordeel, gelet op artikel 49 VWEU en artikel 31 EER-Overeenkomst, niet beperkt mag blijven tot gevallen waarin de vennootschap die de activa ontvangt haar statutaire of feitelijke zetel in Portugal heeft. Portugal moet dezelfde regel toepassen, ongeacht of de rechtspersoon waaraan de activa en passiva zijn overgedragen zijn statutaire of feitelijke zetel in Portugal heeft dan wel daarbuiten. Om dezelfde redenen als die welke in het kader van het eerste middel zijn aangevoerd, is de Commissie van mening dat artikel 38 CIRS verder gaat dan wat nodig is ter bereiking van het doel, de doeltreffendheid van de fiscale regeling te verzekeren. Belastingplichtigen die hun recht op vrije vestiging uitoefenen door activa en passiva aan een niet-ingezeten onderneming over te dragen in ruil voor aandelen van deze onderneming, mogen niet eerder worden belast dan belastingplichtigen die dergelijke transacties verrichten met een in Portugal gevestigde onderneming.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/21


Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2014 door Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse e.V. tegen de beschikking van het Gerecht (Zesde kamer) van 3 september 2014 in zaak T-113/11, Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse/Europese Commissie

(Zaak C-519/14 P)

(2015/C 016/31)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse e.V. (vertegenwoordigers: M. Loschelder en V. Schoene, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Koninkrijk der Nederlanden, Nederlandse Zuivelorganisatie

Conclusies

de bestreden beschikking vernietigen en verordening (EU) nr. 1122/2010 van de Commissie van 2 december 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Gouda Holland (BGA)] (1) nietig verklaren;

subsidiair, de zaak naar het Gerecht terugverwijzen;

de Commissie verwijzen in de kosten van rekwirante in de procedure in hogere voorziening en in de procedure voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: Het Gerecht is van oordeel dat rekwirante geen procesbelang heeft omdat in de litigieuze verordening is gepreciseerd dat „Gouda” een soortnaam is. De betrokken bewoordingen in de verordening houdende inschrijving van de benaming zijn echter louter tautologisch. De nietigverklaring van de verordening houdende inschrijving van de benaming zou de leden bijgevolg, anders dan het Gerecht van oordeel is, een voordeel verschaffen, zodat zij procesbelang hebben. Bijgevolg is het beroep ontvankelijk. Om dezelfde reden is het beroep ook gegrond. De Nederlandse aanvragers hebben immers toegestemd met de precisering. De Commissie heeft dus een fout gemaakt door de precisering desondanks niet op te nemen.

Tweede middel: Rekwirante heeft aangevoerd dat haar leden vroeger in Nederland melk hebben geleverd, die daar mocht worden gebruikt voor de productie van Gouda of Edam en waarschijnlijk werd gebruikt voor de productie van Gouda of Edam. Het Gerecht heeft daaruit geen procesbelang afgeleid. Het aangevoerde argument zou namelijk feitelijke grondslag missen. Op die wijze heeft het Gerecht de stukken onjuist weergegeven, aangezien het argument juist is. Bovendien heeft rekwirante volgens het Gerecht haar bezwaar niet voor „melkproducenten” ingediend. Ook dit vormt een onjuiste weergave van de stukken, aangezien het bezwaar werd ingediend voor rekwirantes leden voor zover zij melk verwerken (de met bestemming Nederland verkochte melk was verwerkte melk) en melk of kaas verkopen.

Derde middel: Het Gerecht is van oordeel dat de afwijzing van het bezwaar niet tot gevolg heeft dat rekwirante zelf procesbelang heeft. Juridisch gezien werd het bezwaar immers niet door rekwirante, maar door de Bondsrepubliek Duitsland ingediend. Dit stemt niet overeen met het toepasselijke recht onder de vigeur van de basisverordening nr. 510/2006 (2), en, anders dan het aangeeft, heeft het Gerecht zich met betrekking tot de basisverordening ook nog niet over deze kwestie uitgesproken. Tussen de basisverordening nr. 510/2006 en de daaraan voorafgaande verordening (EEG) nr. 2081/92 (3) bestaan er verschillen die niet zijn beoordeeld door het Gerecht en tot gevolg hebben dat in elk geval onder de vigeur van de basisverordening indieners van bezwaren zoals rekwirante eigen rechten van bezwaar geldend maken.

Vierde middel: Het Gerecht heeft rekwirantes betoog volgens hetwelk het blauwe label van de Unie voor de betrokken BGA de Nederlandse producenten een concurrentievoordeel verschaft ten opzichte van rekwirantes leden, ten onrechte afgewezen. Het concurrentievoordeel bestaat, en op grond daarvan hebben rekwirantes leden procesbelang bij de nietigverklaring van de verordening houdende inschrijving van de benaming.


(1)  PB L 317, blz. 22.

(2)  Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 93, blz. 12).

(3)  Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208, blz. 1).


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/22


Beschikking van de president van het Hof van 17 oktober 2014 — Europese Commissie/Roemenië, interveniënten: Republiek Estland, Koninkrijk der Nederlanden

(Zaak C-405/13) (1)

(2015/C 016/32)

Procestaal: Roemeens

De president van de Grote kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 260 van 7.9.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/23


Beschikking van de president van de Eerste kamer van het Hof van 3 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 2 de Marchena — Spanje) — Unicaja Banco, S.A./Steluta Grigore

(Zaak C-483/13) (1)

(2015/C 016/33)

Procestaal: Spaans

De president van de Eerste kamer van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 352 van 30.11.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/23


Beschikking van de president van het Hof van 11 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik — België) — Belgacom NV/Gemeente Fléron

(Zaak C-685/13) (1)

(2015/C 016/34)

Procestaal: Frans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 61 van 1.3.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/23


Beschikking van de president van het Hof van 21 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 34 de Madrid — Spanje) — Rafael Villafáñez Gallego, María Pérez Anguio/Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA

(Zaak C-54/14) (1)

(2015/C 016/35)

Procestaal: Spaans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 135 van 5.5.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/23


Beschikking van de president van het Hof van 17 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 58 de Madrid — Spanje) — Juan Pedro Ludeña Hormigos/Banco de Santander SA

(Zaak C-188/14) (1)

(2015/C 016/36)

Procestaal: Spaans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 223 van 14.7.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/24


Beschikking van de president van het Hof van 17 oktober 2014 — Europese Commissie/Republiek Estland

(Zaak C-206/14) (1)

(2015/C 016/37)

Procestaal: Ests

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 212 van 7.7.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/24


Beschikking van de president van het Hof van 17 oktober 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Navarra, Sección Tercera — Spanje) — Antonia Valdivia Reche/Banco de Valencia SA

(Zaak C-208/14) (1)

(2015/C 016/38)

Procestaal: Spaans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 223 van 14.7.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/24


Beschikking van de president van het Hof van 9 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Dorothea Eckert, Karl-Heinz Dallner/Condor Flugdienst GmbH

(Zaak C-380/14) (1)

(2015/C 016/39)

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 421 van 24.11.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/24


Beschikking van de president van het Hof van 4 november 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad — Varna — Bulgarije) — „Vekos Trade” AD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” Varna pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite

(Zaak C-403/14) (1)

(2015/C 016/40)

Procestaal: Bulgaars

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 395 van 10.11.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/25


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — UniCredit/BHIM — Union Investment Privatfonds (UNIWEB en UniCredit Wealth Management)

(Gevoegde zaken T-303/06 RENV EN T-337/06 RENV) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvragen voor gemeenschapswoordmerken UNIWEB en UniCredit Wealth Management - Oudere nationale woordmerken UNIFONDS en UNIRAK en ouder nationaal beeldmerk UNIZINS - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Merkenserie of merkenfamilie - Gevaar voor associatie - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 [thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009] - Door interveniënte ingestelde vorderingen tot vernietiging en tot wijziging - Artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering”)

(2015/C 016/41)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: UniCredit SpA, voorheen UniCredito Italiano SpA (Genua, Italië) (vertegenwoordigers: G. Floridia, R. Floridia en G. Sironi, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Union Investment Privatfonds GmbH (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. Zindel, advocaat)

Voorwerp

Beroepen tegen de beslissingen van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 5 september 2006 (gevoegde zaken R 196/2005-2 en R 211/2005-2) en van 25 september 2006 (gevoegde zaken R 456/2005-2 en R 502/2005-2) inzake oppositieprocedures tussen Union Investment Privatfonds GmbH en UniCredito Italiano SpA

Dictum

1)

De beroepen worden verworpen.

2)

De door Union Investment Privatfonds GmbH ingediende verzoeken tot gedeeltelijke vernietiging en tot wijziging van de bestreden beslissingen worden afgewezen.

3)

UniCredit SpA wordt verwezen in de kosten, behalve in de kosten van Union Investment Privatfonds.

4)

Union Investment Privatfonds draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 326 van 30.12.2006.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/26


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Simba Toys/BHIM — Seven Towns (Vorm van kubus met vlakken die roosterstructuur hebben)

(Zaak T-450/09) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Driedimensionaal gemeenschapsmerk - Kubus met vlakken die roosterstructuur hebben - Absolute weigeringsgronden - Artikel 76, lid 1, eerste volzin, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Geen teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen - Artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 207/2009) - Geen teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm die door de aard van de waar wordt bepaald - Artikel 7, lid 1, sub e-i, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub e-i, van verordening nr. 207/2009) - Geen teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft - Artikel 7, lid 1, sub e-iii, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub e-iii, van verordening nr. 207/2009) - Onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009) - Geen beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 207/2009) - Onderscheidend vermogen verkregen door gebruik - Artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009) - Motiveringsplicht - Artikel 75, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009”)

(2015/C 016/42)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Simba Toys GmbH & Co. KG (Fürth, Duitsland) (vertegenwoordiger: O. Ruhl, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Botis, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Seven Towns Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Edenborough, QC, en B. Cookson, solicitor, vervolgens K. Szamosi en M. Borbás, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 1 september 2009 (zaak R 1526/2008-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen Simba Toys GmbH & Co. KG en Seven Towns Ltd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Simba Toys GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 11 van 16.1.2010.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/26


Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Alstom/Commissie

(Zaak T-517/09) (1)

(„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van energietransformators - Beschikking betreffende een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-overeenkomst - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten - Begrip ‚onderneming’ - Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag - Vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed van een moederonderneming op het gedrag van haar dochteronderneming - Motiveringsplicht”)

(2015/C 016/43)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Alstom (Levallois-Perret (Frankrijk) (vertegenwoordigers: J. Derenne en A. Müller-Rappard, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Bouquet, N. von Lingen en K. Mojzesowicz, vervolgens A. Bouquet, K. Mojzesowicz en P. Van Nuffel, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking C (2009) 7601 def. van de Commissie van 7 oktober 2009 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/C.39129 — Energietransformators)

Dictum

1)

Beschikking C (2009) 7601 def. betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/C.39129 — Energietransformators) wordt nietig verklaard wat Alstom betreft.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 51 van 27.2.2010.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/27


Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Alstom Grid/Commissie

(Zaak T-521/09) (1)

(„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van energietransformators - Beschikking betreffende een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst - Overeenkomst inzake marktverdeling - Mededeling inzake medewerking van 2002 - Boete-immuniteit - Gewettigd vertrouwen - Motiveringsplicht”)

(2015/C 016/44)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Alstom Grid SAS, voorheen Areva T&D SAS (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Schild, C. Simphal en E. Estellon, vervolgens J. Derenne, A. Müller-Rappard en M. Domecq, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Bouquet, N. von Lingen en K. Mojzesowicz, vervolgens A. Bouquet, K. Mojzesowicz en P. van Nuffel, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2009) 7601 def. van de Commissie van 7 oktober 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.129 — Energietransformators)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Alstom Grid SAS wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 51 van 27.2.2010.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/28


Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Cantina Broglie 1/BHIM — Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona (ZENATO RIPASSA)

(Zaak T-153/11) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk ZENATO RIPASSA - Ouder nationaal woordmerk RIPASSO - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”)

(2015/C 016/45)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Cantina Broglie 1 Srl (Peschiera del Garda, Italië) (vertegenwoordiger: A. Rizzoli, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Camera di Commercio, Industria, Artigianato en Agricoltura di Verona (Verona, Italië)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 16 december 2010 (zaak R 183/2010-2) inzake een oppositieprocedure tussen de Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona en Zenato Azienda Vitivinicola Srl

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Cantina Broglie 1 Srl wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 139 van 7.5.2011.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/28


Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Cantina Broglie 1/BHIM — Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona (Ripassa ZENATO)

(Zaak T-154/11) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Ripassa ZENATO - Ouder nationaal woordmerk RIPASSO - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”)

(2015/C 016/46)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Cantina Broglie 1 Srl (Peschiera del Garda, Italië) (vertegenwoordiger: A. Rizzoli, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona (Verona, Italië)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 16 december 2010 (zaak R 700/2010-2) inzake een oppositieprocedure tussen de Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona en Zenato Azienda Vitivinicola Srl

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Cantina Broglie 1 Srl wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 139 van 7.5.2011.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/29


Arrest van het Gerecht van 27 november 2014 — Hesse en Lutter & Partner/BHIM — Porsche (Carrera)

(Zaak T-173/11) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag van gemeenschapswoordmerk Carrera - Oudere gemeenschapswoordmerken en nationale woordmerken CARRERA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Ongerechtvaardigd voordeel dat wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk - Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 - Gedeeltelijke vervanging van een procespartij”)

(2015/C 016/47)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partijen: Kurt Hesse (Nuremberg, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Krogmann, advocaat) en Lutter & Partner GmbH (Garching, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Lindner, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG (Stuttgart, Duitsland) (vertegenwoordiger: E. Stolz, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 11 januari 2011 (zaak R 306/2010-4) inzake een oppositieprocedure tussen Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG en Kurt Hesse

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Kurt Hessen en Lutter & Partner GmbH worden veroordeeld tot het dragen van de eigen kosten, en elk, voor de helft, van de kosten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en van Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG.


(1)  PB C 145 van 14.5.2011.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/30


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Safa Nicu Sepahan/Raad

(Zaak T-384/11) (1)

(„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie - Bevriezing van tegoeden - Beoordelingsfout - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Schadevordering”)

(2015/C 016/48)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Safa Nicu Sepahan Co. (Isfahan, Iran) (vertegenwoordiger: A. Bahrami, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Vitro en R. Liudvinaviciute-Cordeiro, vervolgens R. Liudvinaviciute-Cordeiro en I. Gurov, gemachtigden)

Voorwerp

Ten eerste, een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2011 van de Raad van 23 mei 2011 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 961/2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 136, blz. 26), en verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1), en, ten tweede, een schadevordering

Dictum

1)

Punt 19 van deel I, sub B, van bijlage I bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2011 van de Raad van 23 mei 2011 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 961/2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, en

punt 61 van deel I, sub B, van bijlage IX bij verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010, worden nietig verklaard voor zover zij betrekking hebben op Safa Nicu Sepahen Co.

2)

De Raad van de Europese Unie wordt veroordeeld tot betaling aan Safa Nicu Sepahan van een bedrag van 50 000 EUR ter vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.

3)

De aan Safa Nicu Sepahan te betalen schadevergoeding wordt vermeerderd met vertragingsrente, te rekenen vanaf de uitspraak van het onderhavige arrest tot op de datum van de volledige betaling van de toegekende schadevergoeding, tegen de door de Europese Centrale Bank voor de voornaamste herfinancieringsoperaties vastgestelde rentevoet, vermeerderd met twee procentpunten.

4)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

5)

De Raad zal zijn eigen kosten dragen met betrekking tot het hoofdgeding en de procedure in kort geding, alsmede de helft van de kosten die Safa Nicu Sepahan met betrekking tot die procedures heeft gemaakt. Safa Nicu Sepahan zal de helft van haar eigen kosten met betrekking tot het hoofdgeding en de procedure in kort geding dragen.


(1)  PB C 282 van 24.9.2011.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/31


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Ryanair/Commissie

(Zaak T-512/11) (1)

(„Staatssteun - Luchtvaartsector - Ierse vliegbelasting - Vrijstelling voor transfer- en transitoverkeer - Beschikking waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun - Niet-inleiden van de formele onderzoeksprocedure - Ernstige moeilijkheden - Procedurele rechten van de belanghebbende partijen”)

(2015/C 016/49)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida en I.-G. Metaxas-Maragkidis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn, D. Grespan en T. Maxian Rusche, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van de verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze en K. Petersen, gemachtigden), en Ierland (vertegenwoordigers: E. Creedon, A. Joyce en E. Mc Phillips, gemachtigden, bijgestaan door E. Regan, SC)

Voorwerp

Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C (2011) 4932 final van de Commissie van 13 juli 2011, voor zover hierbij wordt vastgesteld dat het niet toepassen van de Ierse vliegbelasting op het transfer- en transitoverkeer geen staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (staatssteun SA.29064 [2011C ex 2011/NN])

Dictum

1)

Beschikking C (2011) 4932 final van de Commissie van 13 juli 2011 wordt nietig verklaard voor zover hierbij wordt vastgesteld dat het niet toepassen van de Ierse vliegbelasting op het transfer- en transitoverkeer geen staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (staatssteun SA.29064 [2011C ex 2011/NN]).

2)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en die van Ryanair Ltd.

3)

De Bondsrepubliek Duitsland en Ierland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 347 van 26.11.2011.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/31


Arrest van het Gerecht van 26 november 2014 — Energetický a průmyslový en EP Investment Advisors/Commissie

(Zaak T-272/12) (1)

(„Mededinging - Administratieve procedure - Besluit houdende vaststelling van een weigering om zich aan een inspectie te onderwerpen en houdende oplegging van een geldboete - Artikel 23, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 1/2003 - Vermoeden van onschuld - Rechten van de verdediging - Evenredigheid - Motiveringsplicht”)

(2015/C 016/50)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Energetický a průmyslový holding a.s. (Brno, Tsjechische Republiek) en EP Investment Advisors s.r.o. (Praag, Tsjechische Republiek) (vertegenwoordigers: aanvankelijk K. Desai, solicitor, J. Schmidt en M. Peristeraki, vervolgens J. Schmidt, R. Klotz en M. Hofmann, advocaten)

Verwerende partij: Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Antoniadis en R. Sauer, vervolgens R. Sauer en C. Vollrath, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van besluit C (2012) 1999 final van de Commissie van 28 maart 2012 inzake een procedure op grond van artikel 23, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 1/2003 (weigering om zich aan een inspectie te onderwerpen) (zaak COMP/39793 — EPH en anderen)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Energetický a průmyslový holding a.s. en EP Investment Advisors s.r.o. worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 250 van 18.8.2012.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/32


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Brouwerij Van Honsebrouck/BHIM — Beverage Trademark (KASTEEL)

(Zaak T-374/12) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen - Beeldmerk KASTEEL - Ouder nationaal woordmerk CASTEL BEER - Relatieve weigeringsgrond - Normaal gebruik van ouder merk - Artikel 42, lid 2 en lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 - Artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009”)

(2015/C 016/51)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Brouwerij Van Honsebrouck (Ingelmunster, België) (vertegenwoordiger: P. Maeyaert, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Foliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Beverage Trademark Co. Ltd BTM (Tortola, Britse Maagdeneilanden, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: R. Dequiré-Portier, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 8 juni 2012 (zaak R 2551/2010-2) inzake een oppositieprocedure tussen Beverage Trademark Co. Ltd BTM en Brouwerij Van Honsebrouck

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Brouwerij Van Honsebrouck wordt, behalve in haar eigen kosten, verwezen in de kosten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en van Beverage Trademark Co. Ltd BTM.


(1)  PB C 343 van 10.11.2012.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/33


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Brouwerij Van Honsebrouck/BHIM — Beverage Trademark (KASTEEL)

(Zaak T-375/12) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen - Woordmerk KASTEEL - Ouder nationaal woordmerk CASTEL BEER - Relatieve weigeringsgrond - Normaal gebruik van ouder merk - Artikel 42, lid 2 en lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 - Artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009”)

(2015/C 016/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Brouwerij Van Honsebrouck (Ingelmunster, België) (vertegenwoordiger: P. Maeyaert, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Beverage Trademark Co. Ltd BTM (Tortola, Britse Maagdeneilanden, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: R. Dequiré-Portier, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 8 juni 2012 (zaak R 652/2011-2) inzake een oppositieprocedure tussen Beverage Trademark Co. Ltd BTM en Brouwerij Van Honsebrouck

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Brouwerij Van Honsebrouck wordt, behalve in haar eigen kosten, verwezen in de kosten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en van Beverage Trademark Co. Ltd BTM.


(1)  PB C 343 van 10.11.2012.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/33


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Alfastar Benelux/Raad

(Zaak T-394/12) (1)

(„Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - Technisch onderhoud en diensten voor ondersteuning en interventie ter plaatse voor de personal computers, de printers en de randapparatuur van het secretariaat-generaal van de Raad - Afwijzing van de offerte van een inschrijver en gunning van de opdracht aan een andere inschrijver - Besluit genomen na nietigverklaring door het Gerecht van een eerder besluit - Verzoek om schadevergoeding”)

(2015/C 016/53)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Alfastar Benelux SA (Elsene, België) (vertegenwoordigers: N. Keramidas en N. Korogiannakis, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Vitsentzatos, E. Chatziioakeimidou en M. Robert, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van 13 juni 2012 houdende afwijzing van verzoeksters offerte in het kader van de niet-openbare aanbesteding UCA 218/07 betreffende het technische onderhoud en de diensten voor ondersteuning en interventie ter plaatse voor de personal computers, de printers en de randapparatuur van het secretariaat-generaal van de Raad en houdende gunning van de opdracht aan een andere inschrijver, en anderzijds verzoek tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van de gunning van de opdracht aan een andere inschrijver.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Alfastar Benelux SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 331 van 27.10.2012.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/34


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Royalton Overseas/BHIM — S.C. Romarose Invest (KAISERHOFF)

(Zaak T-556/12) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk KAISERHOFF - Ouder nationaal woordmerk KAISERHOFF - Opschorting van de administratieve procedure - Regels 20 en 50 van verordening (EG) nr. 2868/95 - Ambtshalve onderzoek van de feiten - Artikel 76, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009”)

(2015/C 016/54)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Royalton Overseas Ltd (Road Town, Britse Maagdeneilanden, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: C. Năstase, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: S.C. Romarose Invest Srl (Boekarest, Roemenië) (vertegenwoordigers: R.-G. Dragomir en G.-L. Ilie, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 4 oktober 2012 (zaak R 2535/2011-1) inzake een oppositieprocedure tussen S.C. Romarose Invest Srl en Royalton Overseas Ltd

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 4 oktober 2012 (zaak R 2535/2011-1) inzake een oppositieprocedure tussen S.C. Romarose Invest Srl en Royalton Overseas Ltd wordt vernietigd.

2)

Het BHIM zal zijn eigen kosten dragen alsmede de helft van de kosten van Royalton Overseas, daaronder begrepen de door Royalton Overseas in verband met de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM gemaakte noodzakelijke kosten.

3)

S.C. Romarose Invest zal haar eigen kosten dragen alsmede de helft van de kosten van Royalton Overseas, daaronder begrepen de door Royalton Overseas in verband met de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM gemaakte noodzakelijke kosten.


(1)  PB C 63 van 2.3.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/35


Arrest van het Gerecht van 26 november 2014 — Aldi Einkauf/BHIM — Alifoods (Alifoods)

(Zaak T-240/13) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Alifoods - Oudere internationale en gemeenschapswoordmerken ALDI - Relatieve weigeringsgrond - Geen verwarringsgevaar - Geen overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Regel 19, lid 2, sub a-ii, van verordening (EG) nr. 2868/95”)

(2015/C 016/55)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG (Essen, Duitsland) (vertegenwoordigers: N. Lützenrath, U. Rademacher, L. Kolks en C. Fürsen, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Pohlmann, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Alifoods, SA (Alicante, Spanje)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 25 februari 2013 (zaak R 407/2012-4) inzake een oppositieprocedure tussen Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG en Alifoods, SA

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 207 van 20.7.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/35


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Orange/Commissie

(Zaak T-402/13) (1)

(„Mededinging - Administratieve procedure - Besluit waarbij inspectie wordt gelast - Evenredigheid - Passend karakter - Noodzaak - Niet willekeurig - Motivering”)

(2015/C 016/56)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Orange (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: J.-P. Gunther en A. Giraud, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Dawes en F. Ronkes Agerbeek, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van de besluiten C (2013) 4103 final en C (2013) 4194 final van de Commissie van 25 en 27 juni 2013 in een procedure op grond van artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad, gericht tot respectievelijk France Télécom SA en Orange alsook tot alle vennootschappen die direct of indirect door hen worden gecontroleerd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Orange wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 313 van 26.10.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/36


Arrest van het Gerecht van 25 november 2014 — Verband der Kölnisch-Wasser Hersteller/BHIM (Original Eau de Cologne)

(Zaak T-556/13) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor collectief gemeenschapswoordmerk Original Eau de Cologne - Absolute weigeringsgronden - Artikel 7, lid 1, sub b, c en d, van verordening (EG) nr. 207/2009”)

(2015/C 016/57)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Verband der Kölnisch-Wasser Hersteller eV (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Schulte-Beckhausen, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 21 augustus 2013 (zaak R 2064/2012-14) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Original Eau de Cologne als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Verband der Kölnisch-Wasser Hersteller eV wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 367 van 14.12.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/37


Beschikking van het Gerecht van 6 november 2014 — ANKO/Commissie

(Zaak T-17/13) (1)

(„Arbitragebeding - Zevende kaderprogramma voor activiteiten op gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) - Overeenkomst betreffende het project Pocemon - Terugbetaling van voorschotten - Brief waarin het uitschrijven van een debetnota wordt aangekondigd - Herinneringsbrief - Geen procesbelang - Niet-ontvankelijkheid”)

(2015/C 016/58)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: V. Christianos, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal en A. Cordewener, gemachtigden, bijgestaan door S. Drakakakis, advocaat)

Voorwerp

Krachtens artikel 272 VWEU ingesteld beroep strekkende tot vaststelling door het Gerecht dat, ten eerste, verzoekster het bedrag dat zij van de Commissie heeft ontvangen voor het project Pocemon, dat is gesloten in het kader van het zevende kaderprogramma voor activiteiten op gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013), niet volledig hoeft terug te betalen, ten tweede, verzoekster in het kader van dat project geen forfaitaire schadevergoeding verschuldigd is, en ten derde, de Commissie de bedragen die zij aan verzoekster verschuldigd is niet mag verrekenen

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 79 van 16.3.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/37


Beschikking van het Gerecht van 6 november 2014 — ANKO/Commissie

(Zaak T-64/13) (1)

(„Arbitragebeding - Zesde kaderprogramma voor activiteiten op gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2002-2006) - Overeenkomst betreffende het project Doc@Hand - Terugbetaling van voorschotten - Brief waarin het uitschrijven van een debetnota wordt aangekondigd - Geen procesbelang - Niet-ontvankelijkheid”)

(2015/C 016/59)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: V. Christianos, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal en A. Cordewener, gemachtigden, bijgestaan door S. Drakakakis, advocaat)

Voorwerp

Krachtens artikel 272 VWEU ingesteld beroep strekkende tot vaststelling door het Gerecht dat verzoekster, ten eerste, het bedrag dat zij van de Commissie heeft ontvangen voor het project Doc@Hand, dat is gesloten in het kader van het zesde kaderprogramma voor activiteiten op gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2002-2006), niet hoeft terug te betalen en, ten tweede, in het kader van hetzelfde project geen forfaitaire schadevergoeding verschuldigd is

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 86 van 23.3.2013.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/38


Beschikking van het Gerecht van 11 november 2014 — Nguyen/Parlement en Raad

(Zaak T-20/14) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Hervorming van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie - Minder gunstige regeling op het gebied van forfaitaire betaling van reiskosten en vermeerdering van het jaarlijks verlof door extra verlofdagen als reisdagen - Geen individuele geraaktheid - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Causaal verband - Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”)

(2015/C 016/60)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Huynh Duong Vi Nguyen (Sint-Lambrechts-Woluwe, België) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. Visaggio en E. Taneva, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en A. Bisch, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds een verzoek tot nietigverklaring, ingediend krachtens artikel 263 VWEU, van artikel 1, lid 65, sub b, en lid 67, sub d, van verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB L 287, blz. 15), voor zover deze bepalingen het recht op de jaarlijkse vergoeding van reiskosten en reisdagen voor die reis verbinden aan het ontvangen van de ontheemdingstoelage of de toelage voor verblijf in het buitenland en, anderzijds, een verzoek krachtens artikel 340 VWEU tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster stelt te hebben geleden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Huynh Duong Vi Nguyen draagt haar eigen kosten alsmede de kosten van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.

3)

Op het verzoek om tussenkomst van de Europese Commissie behoeft niet te worden beslist.


(1)  PB C 112 van 14.4.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/39


Beschikking van het Gerecht van 11 november 2014 — Bergallou/Parlement en Raad

(Zaak T-22/14) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Hervorming van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie - Minder gunstige regeling op het gebied van forfaitaire betaling van reiskosten en vermeerdering van het jaarlijks verlof door extra verlofdagen als reisdagen - Geen individuele geraaktheid - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Causaal verband - Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”)

(2015/C 016/61)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Amal Bergallou (Lot, België) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. Visaggio en E. Taneva, gemachtigden), en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en A. Bisch, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds een verzoek tot nietigverklaring, ingediend krachtens artikel 263 VWEU, van artikel 1, lid 65, sub b, en lid 67, sub d, van verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB L 287, blz. 15), voor zover deze bepalingen het recht op de jaarlijkse vergoeding van reiskosten en reisdagen voor die reis verbinden aan het ontvangen van de ontheemdingstoelage of de toelage voor verblijf in het buitenland en, anderzijds, een verzoek krachtens artikel 340 VWEU tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster stelt te hebben geleden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bergallou draagt haar eigen kosten alsmede de kosten van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.

3)

Op het verzoek om tussenkomst van de Europese Commissie behoeft niet te worden beslist.


(1)  PB C 112 van 14.4.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/39


Beschikking van het Gerecht van 11 november 2014 — Bos e.a./Parlement en Raad

(Zaak T-23/14) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Hervorming van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie - Aanzienlijke vermindering van het aantal jaarlijkse verlofdagen voor ambtenaren en personeelsleden die in een derde land zijn tewerkgesteld - Geen individuele geraaktheid - Kennelijk niet-ontvankelijkheid”)

(2015/C 016/62)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Mark Bos (Ankara, Turkije), Estelle Kadouch (Jeruzalem, Israël), Siegfried Krahl (Lago Sul, Brazilië), en Eric Lunel (Dakar, Senegal) (vertegenwoordiger: F. Krenc, advocaat)

Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. Visaggio en E. Taneva, gemachtigden), en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en A. Bisch, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring, ingesteld krachtens artikel 263 VWEU, van artikel 1, punt 70, van verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB L 287, blz. 15), voor zover daarbij bijlage X bij verordening nr. 31 (EEG)/11 (EGA) tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 1962, 45, blz. 1385), is gewijzigd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bos, Kadouch, Krahl en Lunel dragen hun eigen kosten alsmede die van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.

3)

Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan op het verzoek tot interventie van de Europese Commissie.


(1)  PB C 112 van 14.4.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/40


Beschikking van het Gerecht van 10 november 2014 — Tsjechische Republiek/Commissie

(Zaak T-27/14) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Interne markt voor aardgas - Artikel 22 van richtlijn 2003/55/EG - Brief waarin de Commissie een regelgevende instantie verzoekt haar besluit houdende verlening van een ontheffing in te trekken - Niet voor beroep vatbare handeling - Niet-ontvankelijkheid”)

(2015/C 016/63)

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek, J. Vláčil en T. Müller, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Herrmann en P. Němečková, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit dat volgens verzoekster is vervat in brief C (2013) 7221 final van de Commissie van 4 november 2013, die aan de Tsjechische minister van Industrie en Handel en de directeur van de Tsjechische Dienst voor toezicht op de energiesector is verstuurd op basis van artikel 22, lid 4, van richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG (PB L 176, blz. 57)

Dictum

1)

Her beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

De Tsjechische Republiek draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 85 van 22.3.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/41


Beroep ingesteld op 17 oktober 2014 — Agrotikos Synetairismos Profiti Ilia/Raad

(Zaak T-731/14)

(2015/C 016/64)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Agrotikos Synetairismos Profiti Ilia (Skydra, Griekenland) (vertegenwoordiger: K. Chrysogonos, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de bestreden verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 229, blz. 1) nietig te verklaren en het verzoek tot nietigverklaring ontvankelijk te verklaren, indien het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie oordeelt dat aan alle voorwaarden om uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring is voldaan; en

de Raad te verwijzen in de kosten van verzoeker en hem te gelasten deze te betalen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij één middel aan.

1.

Enige grond voor nietigverklaring: onjuiste rechtsgrondslag

Verzoeker stelt dat de bestreden verordening ten onrechte is vastgesteld op de rechtsgrondslag van artikel 215 VWEU, aangezien uit de strekking en de context van de verordening voortvloeit dat zij vastgesteld had moeten worden op de grondslag van artikel 207 VWEU (ex artikel 133 EG) over de gemeenschappelijke handelspolitiek en derhalve volgens de gewone wetgevingsprocedure. Verzoeker stoelt zijn rechtmatig belang op het feit dat de bestreden maatregel een regelgevingshandeling is die geen uitvoeringsmaatregelen in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU meebrengt en hem rechtstreeks raakt.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/41


Beroep ingesteld op 23 oktober 2014 — Sberbank of Russia/Raad

(Zaak T-732/14)

(2015/C 016/65)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sberbank of Russia OAO (Moskou, Rusland) (vertegenwoordigers: D. Rose, QC, M. Lester, Barrister, P. Crowther en J. Fearns, Solicitors)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

vernietiging van besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014, verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014, besluit 2014/659/GBVB van de Raad van 8 september 2014 en verordening nr. 960/2014 van de Raad van 8 september 2014, voor zover zij van toepassing zijn op verzoekende partij;

vaststelling dat de bepalingen die zijn samengevat in alinea 52 van het beroep, onrechtmatig zijn;

verwijzing van de Raad in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel: de Raad heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt bij de overweging dat in het geval van verzoekende partij ten minste is voldaan aan één van de criteria voor opname in de lijst van personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan de beperkende maatregelen in het licht van het handelen van Rusland om de situatie in Oekraïne te destabiliseren. Verzoekende partij voert aan dat zij niet voldoet aan de criteria voor opname in de lijst en dat de Raad derhalve zijn bevoegdheid heeft overschreden door haar op te nemen in de lijst van personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan de bestreden maatregelen.

2.

Tweede middel: de Raad heeft zijn motiveringsplicht geschonden bij opname van verzoekende partij in de lijst, voor zover hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verzoekende partij de bestreden maatregelen zijn opgelegd.

3.

Derde middel: de Raad heeft verzuimd het recht van verdediging van verzoekende partij en haar recht op doeltreffende rechterlijke toetsing te waarborgen, aangezien hij verzoekende partij niet had geïnformeerd over haar opname in de lijst van personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan de bestreden maatregelen, en heeft geen bewijs overlegd dat de opname van verzoekende partij ondersteunt.

4.

Vierde middel: de opname van verzoeker in de lijst van personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan de bestreden maatregelen is een ongerechtvaardigde en onevenredige beperking van haar grondrechten, waaronder begrepen het recht op bescherming van nering en goede naam.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/42


Beroep ingesteld op 18 oktober 2014 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Parlement

(Zaak T-733/14)

(2015/C 016/66)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partijen: European Dynamics Luxembourg SA (Luxemburg, Luxemburg), Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: E. Veletsanou en M. Sfyri, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

het bestreden besluit D(2014)38802 van het Parlement van 18 september 2014 tot afwijzing van de offerte van verzoeksters voor perceel 3 van de openbare aanbestedingsprocedure nr. 2014/S 066 111912 („PE/ITEC-ITS14 — External provision of IT services”) nietig te verklaren, en

het Europees Parlement te verwijzen in alle kosten van verzoeksters.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters het volgende aan.

Volgens verzoeksters moet het bestreden besluit krachtens artikel 263 VWEU nietig worden verklaard wegens schending van de motiveringsplicht door het Parlement, aangezien dat een ontoereikende motivering heeft verstrekt met betrekking tot de technische offerte waarmee verzoeksters aan de litigieuze procedure hebben deelgenomen.

Verzoeksters stellen dat de verstrekte motivering voor het aantal punten dat is toegekend aan hun technische offerte en aan die van de andere inschrijvers voor perceel 3 van de litigieuze aanbesteding met betrekking tot enkele van de subcriteria voor de gunning hun niet de mogelijkheid biedt de redenen voor het aan hun offerte toegekende aantal punten te begrijpen noch de kenmerken en de voordelen van de offertes van de andere inschrijvers. Verzoeksters beweren dat zij zich beter zouden kunnen verweren als zij konden beschikken over een toereikende motivering van het aan hun technische offerte toegekende aantal punten.

Verzoeksters beweren tevens dat het Parlement zich niet heeft gehouden aan de documenten van de opdracht (het bestek en de aanvullende instructies), die het zelf had opgesteld, wat betreft de methode voor de beoordeling van de economische offertes van de inschrijvers, en die bindend zijn voor het Parlement zelf. Zodoende heeft het Parlement ook het Financieel Reglement en de uitvoeringsverordening daarvan geschonden, krachtens welke de aanbestedende dienst de aanbestedingsprocedure voert in overeenstemming met de documenten van de opdracht en met inachtneming van de algemene beginselen van het recht van de Unie.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/43


Beroep ingesteld op 24 oktober 2014 — VTB Bank/Raad

(Zaak T-734/14)

(2015/C 016/67)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: VTB Bank OAO (Sint-Petersburg, Rusland) (vertegenwoordigers: M. Lester, barrister, C. Claypoole, solicitor, en J. Ruiz Calzado, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 (1), verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 (2), besluit 2014/659/GBVB van de Raad van 8 september 2014 (3) en verordening (EU) nr. 960/2014 van de Raad van 8 september 2014 (4) krachtens artikel 263 VWEU nietig verklaren voor zover zij betrekking hebben op verzoekster;

artikel 1 van besluit 2014/512/GBVB, artikel 5 van verordening nr. 833/2014, artikel 1 van besluit 2014/659/GBVB en artikel 1, punt 5, van verordening nr. 960/2014 krachtens artikel 277 VWEU onrechtmatig en niet-toepasselijk verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.

1.

Eerste middel: de Raad heeft niet naar behoren en genoegzaam onderbouwd waarom verzoekster op de lijst is geplaatst van besluit 2014/512/GBVB, verordening nr. 833/2014, besluit 2014/659/GBVB en verordening nr. 960/2014 (hierna: „bestreden handelingen”). De Raad dient specifiek aan te geven waarom een bepaalde financiële instelling is opgenomen in de betrokken beperkende maatregelen. De Raad heeft zijn besluit om de bestreden handelingen op verzoekster toe te passen geenszins onderbouwd. Subsidiair wordt gesteld dat geen voldoende en behoorlijke onderbouwing is gegeven en verzoekster zelfs niet op de hoogte is gesteld van haar plaatsing op de lijst, zodat niet voldaan is aan de motiveringseisen.

2.

Tweede middel: de Raad heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door ervan uit te gaan dat verzoekster voldeed aan de criteria voor plaatsing op de lijst van de bestreden handelingen. Verzoekster wordt niet beheerd door de Russische overheid en heeft niet „expliciet tot taak […] het concurrentievermogen van de Russische economie, de diversifiëring ervan of investeringen te bevorderen”.

3.

Derde middel: de Raad heeft ten aanzien van verzoekster de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming geschonden. Dat verzoekster niet op de hoogte is gesteld van haar plaatsing op de lijst van de bestreden handelingen, dat geen onderbouwing is gegeven voor die plaatsing of geen ondersteunend bewijs is overgelegd, en dat verzoekster niet in de gelegenheid is gesteld ter zake opmerkingen te maken, levert schending op van de rechten van de verdediging en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming door het Gerecht.

4.

Vierde middel: er is sprake van een ongerechtvaardigde en onevenredige schending van verzoeksters fundamentele rechten, waaronder haar recht op bescherming van haar eigendom, activiteiten en reputatie. Met name levert verzoeksters plaatsing op de lijst van de bestreden handelingen een ongerechtvaardigde en onevenredige beperking op van het recht op ongestoord genot en gebruik van eigendom als bedoeld in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en wordt verzoekster hierdoor geschaad in haar reputatie.

5.

Wat de onrechtmatigverklaring betreft, eerste middel: artikel 1 van besluit 2014/512/GBVB, artikel 5 van verordening nr. 833/2014, artikel 1 van besluit 2014/659/GBVB en artikel 1, punt 5, van verordening nr. 960/2014 zijn onrechtmatig omdat zij niet noodzakelijk of evenredig zijn ter bereiking van de doelen die met de bestreden handelingen beweerdelijk worden beoogd, namelijk het onder druk zetten van de Russische regering, zodat het beleid jegens Oekraïne verandert.

6.

Wat de onrechtmatigverklaring betreft, tweede middel: de bestreden handelingen zijn strijdig met internationale verplichtingen van de Europese Unie, waaronder de verplichtingen die op de Unie rusten krachtens de artikelen II, lid 1, XVI en XVII van de GATS en een aantal bepalingen van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds. Bovendien hebben de bestreden handelingen tot gevolg dat de lidstaten niet voldoen aan hun verplichtingen ingevolge vriendschaps-, handels- en scheepvaartverdragen en soortgelijke overeenkomsten.


(1)  PB L 229, blz. 13.

(2)  PB L 229, blz. 1.

(3)  PB L 271, blz. 54.

(4)  PB L 271, blz. 3.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/44


Beroep ingesteld op 4 november 2014 — Chung-Yuan Chang/BHIM — BSH (AROMA)

(Zaak T-749/14)

(2015/C 016/68)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Peter Chung-Yuan Chang (San Diego, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: A. Sanz-Bermell y Martínez, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: BSH Bosch und Siemens Hausgeräte GmbH (München, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: internationale inschrijving, met aanduiding van de Europese Unie, van het woordmerk „AROMA” — Internationale inschrijving, met aanduiding van de Europese Unie, nr. 924 502

Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 4 september 2014 in zaak R 1887/2013-4

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht om:

de bestreden beslissing te vernietigen en bijgevolg de door BSH Bosch en Siemens Hausgeräte GmbH ingestelde vordering tot nietigverklaring af te wijzen en aldus inschrijving toe te staan van gemeenschapsmerk EM nr. 924 502 voor de aangevraagde waren „Keukengerei, te weten blenders, vruchtenpersen, deegwarenmachines voor huishoudelijk gebruik, keukenmachines en mixers” van klasse 7 en „Elektrisch keukengerei, te weten convectieovens voor huishoudelijk gebruik, elektrische broodbakapparaten voor huishoudelijk gebruik, stoomapparaten voor huishoudelijk gebruik, grilltoestellen, frituurpannen, tosti-ijzers, wafelijzers, tafelverwarmingstoestellen voor soep, rijstkokers, ontvochtigingstoestellen voor voedsel, koekenpannen, snelkookpannen, kookplaten, broodroosterovens en grillovens, ijsapparaten en stoofpotten” van klasse 11, en

het BHIM te verwijzen in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 207/2009.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/45


Beroep ingesteld op 21 november 2014 — Musso/Parlement

(Zaak T-772/14)

(2015/C 016/69)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: François Musso (Ajaccio, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. Gross, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

het besluit van 22 september 2014 nietig verklaren:

primair, wegens schending van het beginsel van de redelijke termijn, waardoor in voorkomend geval de rechten van verweer worden geschonden;

subsidiair, wegens formele onregelmatigheid doordat de schuldvordering niet nauwkeurig vaststaat en onzeker is;

subsidiair, de voeging van het onderhavige beroep met het beroep Musso/Parlement (ingeschreven onder nummer 633447, zaak T-589/14) van 8 augustus 2014 gelasten;

meer subsidiair, nietig verklaren het besluit van 22 september 2014, dat wordt geraakt door het besluit van 26 juni 2014 en daaruit voortvloeit, welk besluit van 26 juni 2014 zelf nietig moet worden verklaard op het beroep van 8 augustus 2014 (Musso/Parlement, ingeschreven onder nummer 633447, zaak T-589/14):

wegens formele onregelmatigheid doordat de voorzitter het besluit van 26 juni 2014 niet heeft ondertekend;

zo niet wegens schending van de rechten van verweer doordat het besluit van 17 juli 1996, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 26 juni 2014, niet is gepubliceerd;

zo niet wegens onvoldoende motivering van het besluit van 26 juni 2014;

zo niet wegens schending van het beginsel van de redelijke termijn, waardoor de rechten van verweer worden aangetast;

zo niet wegens schending van het beginsel van bescherming van verkregen rechten;

verzoeker alle andere rechten, vorderingen, middelen en verzoeken voorbehouden;

verweerder veroordelen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij acht middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van het beginsel van de redelijke termijn waardoor de rechten van verweer van de verzoekende partij worden geschonden, doordat het besluit van 22 september 2014, te weten de bestreden debetnota, dateert van twaalf jaar nadat het Parlement zijn schuldvordering op de verzoekende partij heeft vastgesteld.

2.

Tweede middel, ontleend aan formele onregelmatigheid van de bestreden debetnota, doordat de schuldvordering van het Parlement niet zeker is en niet nauwkeurig vaststaat in de zin van artikel 81 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 (1) en bovendien niet kan worden nagetrokken.

3.

Derde middel, ontleend aan formele onregelmatigheid van het besluit van 26 juni 2014, in aansluiting waarop de bestreden debetnota is vastgesteld, doordat bedoeld besluit niet door de voorzitter van het Parlement is ondertekend overeenkomstig het reglement van het Europees Parlement.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van de rechten van verweer van de verzoekende partij, daar het besluit van 17 juli 1996, dat ten grondslag ligt aan bovengenoemd besluit van 26 juni 2014, in strijd met artikel 28 van het reglement van het Europees Parlement niet is gepubliceerd.

5.

Vijfde middel, ontleend aan schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

6.

Zesde middel, ontleend aan onvoldoende motivering van het besluit van 26 juni 2014.

7.

Zevende middel, ontleend aan schending van het beginsel van de redelijke termijn, daar het Parlement acht jaar heeft gewacht alvorens tegen de verzoekende partij de invorderingsprocedure in te leiden.

8.

Achtste middel, ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van verkregen rechten, daar door het besluit van 26 juni 2014, in aansluiting op welk besluit de bestreden debetnota is vastgesteld, de door de verzoekende partij op 3 augustus 1994 verkregen pensioenrechten aan de orde worden gesteld.


(1)  Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362, blz. 1).


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/47


Beschikking van het Gerecht van 11 november 2014 — Meda/BHIM — Takeda (PANTOPREM)

(Zaak T-647/13) (1)

(2015/C 016/70)

Procestaal: Duits

De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 39 van 8.2.2014.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/48


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 18 november 2014 — De Nicola/EIB

(Zaak F-59/09 RENV) (1)

(Openbare dienst - Terugverwijzing naar het Gerecht na vernietiging - Personeel van de EIB - Jaarlijkse beoordeling - Interne regeling - Beroepsprocedure - Recht om te worden gehoord - Schending door het beroepscomité - Onrechtmatigheid van het besluit van het beroepscomité - Psychisch geweld - Afdoening zonder beslissing over de schadevordering)

(2015/C 016/71)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Carlo De Nicola (Strassen, Luxemburg) (vertegenwoordiger: L. Isola, advocaat)

Verwerende partij: Europese Investeringsbank (EIB) (vertegenwoordigers: T. Gilliams en G. Nuvoli als gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van de bevorderingen waartoe op 29 april 2008 is besloten en die niet verzoekers naam omvatten alsmede van verzoekers beoordeling over het jaar 2007. Anderzijds, nietigverklaring van het besluit van het beroepscomité om zich ondanks een verzoek om wraking met de kwestie te blijven bezighouden. Ten slotte, vaststelling van het feit dat verzoeker het slachtoffer is van psychisch geweld en veroordeling van de verwerende partij tot beëindiging van dit geweld en tot vergoeding van de materiële en immateriële schade.

Dictum

1)

Het besluit van het beroepscomité van de Europese Investeringsbank van 14 november 2008 wordt nietig verklaard.

2)

Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de vordering tot vergoeding van de schade die door het psychisch geweld zou zijn ontstaan.

3)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

4)

De Europese Investeringsbank zal haar eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van De Nicola in de zaken F-59/09, T-264/11 P en F-59/09 RENV.


(1)  PB C 205 van 29.8.2009, blz. 49.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/48


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 18 november 2014 — McCoy/Comité van de Regio’s

(Zaak F-156/12) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beroep tot schadevergoeding - Onrechtmatige gedraging - Geweld door hiërarchieke meerderen - Beroepsziekte - Krachtens artikel 73 van het Statuut toegekende vergoeding die niet alle geleden schade herstelt - Verzoek om een aanvullende vergoeding)

(2015/C 016/72)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: R. McCoy (Brussel, België) (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)

Verwerende partij: Comité van de Regio’s (vertegenwoordigers: S. Bachotet en J. C. Cañoto Argüelles, gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit houdende weigering om een schadevergoeding toe te kennen wegens de onrechtmatige gedraging van het Comité van de Regio’s en verzoek om vergoeding van de materiële en immateriële schade

Dictum

1)

Het Comité van de Regio’s van de Europese Unie wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 20 000 EUR aan McCoy.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het Comité van de Regio’s van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van McCoy.


(1)  PB C 71 van 9.3.2013, blz. 31.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/49


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 19 november 2014 — EH/Commissie

(Zaak F-42/14) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Bezoldiging - Gezinstoelagen - Anti-cumulatieregel van nationale en statutaire toelagen - Ontvangst door de echtgenoot van de ambtenaar van nationale gezinstoelagen - Geen melding door de ambtenaar van de wijziging van zijn persoonlijke situatie bij zijn administratie - Tuchtprocedure - Tuchtmaatregel - Terugzetting in rang - Evenredigheid - Motivering - Verzachtende omstandigheden - Gebrek aan zorgvuldigheid van de administratie)

(2015/C 016/73)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: EH (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Blot, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en C. Ehrbar, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie om verzoeker de sanctie van plaatsing in drie lagere salaristrappen op te leggen wegens schending van de anti-cumulatieregel van nationale en statutaire gezinstoelagen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

EH zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.


(1)  PB C 212 van 7.7.2014, blz. 45.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/50


Beroep ingesteld op 17 november 2014 — ZZ/Commissie

(Zaak F-133/14)

(2015/C 016/74)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J.-N. Louis, R. Metz, D. Verbeke, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit betreffende de overdracht van verzoekers pensioenrechten aan de pensioenregeling van de Unie, waarbij toepassing wordt gegeven aan de nieuwe AUB van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 18 februari 2014 tot vaststelling van de berekening van de extra pensioenrechten die verzoeker vóór zijn indiensttreding bij de Commissie heeft verworven;

verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.


19.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/50


Beroep ingesteld op 25 november 2014 — ZZ/EMA

(Zaak F-135/14)

(2015/C 016/75)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: S. Rodrigues, A. Blot, advocaten)

Verwerende partij: Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit om verzoeker op non-actief te stellen

Conclusies van de verzoekende partij(en)

nietigverklaring van het besluit van EMA van 31 januari 2014 om verzoeker met ingang van 1 februari 2012 tot de vermeende afloop van zijn overeenkomst op 15 maart 2014 op non-actief te stellen en nietigverklaring van de brief van 14 maart 2014 waarin hem de redenen daarvoor zouden zijn uiteengezet;

voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van EMA van 15 augustus 2014 tot afwijzing van verzoekers klacht van 24 april 2014 tegen bovenvermelde besluiten;

vergoeding van de immateriële schade, welke verzoeker op 20 000 EUR begroot;

verwijzing van EMA in alle kosten van de procedure.