ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 431

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

57e jaargang
1 december 2014


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2014/C 431/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1

2014/C 431/02

Eedaflegging door een nieuw lid van het Hof

2

2014/C 431/03

Verkiezing van de presidenten van de kamers bestaande uit drie rechters

2

2014/C 431/04

Besluiten genomen door het Hof tijdens zijn algemene vergadering van 14 oktober 2014

2

2014/C 431/05

Lijsten om de samenstelling van de rechtsprekende formaties te bepalen

3

2014/C 431/06

Aanwijzing van de kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

4

2014/C 431/07

Aanwijzing van de kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 193 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

4

2014/C 431/08

Aanwijzing van de eerste advocaat-generaal

4


 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2014/C 431/09

Zaak C-488/13: Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 9 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okrazhen sad — Targovishte — Bulgarije) — Parva Investitsionna Banka AD, UniKredit Bulbank AD, Siyk Faundeyshan LLS/Ear Proparti Developmant — v nesastoyatelnost AD, Sindik na Ear Proparti Developmant — v nesastoyatelnost AD [Prejudiciële verwijzing — Verordening (EG) nr. 1896/2006 — Begrip niet-betwiste geldvorderingen — Insolventieprocedure — Buitengerechtelijke titel voor een betwiste schuldvordering — Verzoek tot betaling uit de faillissementsboedel op basis van een dergelijke titel — Situatie die niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1896/2006 valt — Kennelijke onbevoegdheid van het Hof]

5

2014/C 431/10

Zaak C-521/13 P: Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 11 september 2014 — Think Schuhwerk GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) [Hogere voorziening — Gemeenschapsmerk — Verordening (EG) nr. 207/2009 — Artikel 7, lid 1, sub b — Geen onderscheidend vermogen — Rode uiteinden van schoenveters — Artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht — Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond]

6

2014/C 431/11

Zaak C-199/14: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 25 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — János Kárász/Nyugdíjfolyósító Igazgatóság (Prejudiciële verwijzing — Artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Uitvoering van het recht van de Unie — Geen — Kennelijke onbevoegdheid van het Hof)

6

2014/C 431/12

Zaak C-204/14: Beschikking van het Hof (Tiende kamer) van 4 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tatabányai Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — István Tivadar Szabó/Nemzeti Adó- és Vámhivatal Közép-dunántúli Regionális Adó Főigazgatósága (Prejudiciële verwijzing — Handelsvennootschap die fiscale schulden opstapelde — Bedrijfsleider die niet in aanmerking komt voor uitoefening van een leidersfunctie in een ander bedrijf — Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Uit te leggen Unierecht ontoepasselijk — Kennelijke onbevoegdheid van het Hof — Hypothetische vragen — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

7

2014/C 431/13

Zaak C-387/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajowa Izba Odwoławcza (Polen) op 14 augustus 2014 — Esaprojekt sp. z o.o./Województwo Łódzkie

7

2014/C 431/14

Zaak C-397/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 20 augustus 2014 — Polkomtel Sp. z o.o./Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej

9

2014/C 431/15

Zaak C-400/14 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2014 door Basic AG Lebensmittelhandel tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 26 juni 2014 in zaak T-372/11, Basic AG Lebensmittelhandel/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

9

2014/C 431/16

Zaak C-404/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší soud České republiky (Tsjechische Republiek) op 25 augustus 2014 — Marie Matoušková, executeur/Misha Martinus en Elisabeth Jekaterina Martinus, vertegenwoordigd door David Sedlák als bewindvoerder, Beno Jeriël Eljada Martinus

10

2014/C 431/17

Zaak C-405/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud (Tsjechische Republiek) op 25 augustus 2014 — PST CLC a.s./Generální ředitelství cel

11

2014/C 431/18

Zaak C-406/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie (Polen) op 27 augustus 2014 — Wrocław — Miasto na prawach powiatu/Minister Infrastruktury i Rozwoju

11

2014/C 431/19

Zaak C-416/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Regionale di Mestre-Venezia (Italië) op 3 september 2014 — Fratelli De Pra SpA, SAIV SpA/Agenzia Entrate — Direzione Provinciale Ufficio Controlli Belluno, Agenzia Entrate — Direzione Provinciale Ufficio Controlli Vicenza

12

2014/C 431/20

Zaak C-425/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Giustizia Amministrativa per la Regione siciliana (Italië) op 17 september 2014 — Impresa Edilux srl, in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van een tijdelijk samenwerkingsverband van ondernemingen, Società Italiana Costruzioni e Forniture srl (SICEF)/Assessorato Beni Culturali e Identità Siciliana — Servizio Soprintendenza Provincia di Trapani, Assessorato ai Beni Culturali e dell’Identità Siciliana, UREGA — Sezione provinciale di Trapani, Assessorato delle Infrastrutture e della Mobilità della Regione Siciliana

14

2014/C 431/21

Zaak C-426/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale amministrativo regionale per il Piemonte (Italië) op 18 september 2014 — Heart Life Croce Amica Srl/Regione Piemonte

15

2014/C 431/22

Zaak C-432/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil de prud’hommes de Paris (Frankrijk) op 22 september 2014 — David Van der Vlist/Bio Philippe Auguste SARL

15

2014/C 431/23

Zaak C-386/13: Beschikking van de president van het Hof van 24 september 2014 — Europese Commissie/Republiek Cyprus

16

2014/C 431/24

Zaak C-93/14: Beschikking van de president van het Hof van 9 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Navarra — Spanje) — Miguel Angel Zurbano Belaza, Antonia Artieda Soria/Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA

16

2014/C 431/25

Zaak C-130/14: Beschikking van de president van het Hof van 12 september 2014 — Europese Commissie/Koninkrijk België

16

2014/C 431/26

Zaak C-279/14: Beschikking van de president van het Hof van 9 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Hannover — Duitsland) — Catharina Smets, Franciscus Vereijken/TUIfly GmbH

16

2014/C 431/27

Zaak C-316/14: Beschikking van de president van het Hof van 25 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Marc Hußock, Ute Hußock, Michelle Hußock, Florian Hußock/Condor Flugdienst GmbH

17

2014/C 431/28

Zaak C-337/14: Beschikking van de president van het Hof van 23 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Elvira Mandl, Helmut Mandl/Condor Flugdienst GmbH

17

2014/C 431/29

Zaak C-364/14: Beschikking van de president van het Hof van 16 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim -Duitsland) — Annette Lorch, Kurt Lorch/Condor Flugdienst GmbH

17

2014/C 431/30

Zaak C-365/14: Beschikking van de president van het Hof van 12 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Brunhilde Liebler, Helmut Liebler/Condor Flugdienst GmbH

17

 

Gerecht

2014/C 431/31

Zaak T-453/11: Arrest van het Gerecht van 21 oktober 2014 — Szajner/BHIM — Forge de Laguiole (LAGUIOLE) [Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Gemeenschapswoordmerk LAGUIOLE — Oudere Franse handelsnaam Forge de Laguiole — Artikel 53, lid 1, sub c, en artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 207/2009]

18

2014/C 431/32

Zaak T-268/13: Arrest van het Gerecht van 21 oktober 2014 — Italië/Commissie (Niet-uitvoering van een niet-nakomingsarrest van het Hof — Dwangsom — Besluit tot vaststelling van de dwangsom — Verplichting tot terugvordering — Ondernemingen die in faillissementsprocedures zijn verwikkeld — Voorwerp van de betrokken faillissementsprocedures — Vereiste zorgvuldigheid — Bewijslast)

19

2014/C 431/33

Zaak T-405/10: Beschikking van het Gerecht van 16 september 2014 — Justice & Environment/Commissie (Harmonisatie van wetgevingen — Doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu — Procedure betreffende de verlening van de vergunning voor het in de handel brengen — Verzoek tot interne herziening — Nietigverklaring van de bestreden of in geding zijnde besluiten — Geding zonder voorwerp geraakt — Afdoening zonder beslissing)

19

2014/C 431/34

Zaak T-354/12: Beschikking van het Gerecht van 17 september 2014 — Afepadi e.a./Commissie [Beroep tot nietigverklaring — Gezondheidsclaims in levensmiddelenetikettering en -reclame — Verordening (EU) nr. 432/2012 — Punten 11, 14 en 17 van de considerans — Niet voor beroep vatbare handeling — Niet-ontvankelijkheid]

20

2014/C 431/35

Zaak T-59/13 P: Beschikking van het Gerecht van 7 oktober 2014 — BT/Commissie (Hogere voorziening — Openbare dienst — Arbeidscontractanten — Niet-verlenging van de overeenkomst — Artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken)

20

2014/C 431/36

Zaak T-83/13 P: Beschikking van het Gerecht van 16 september 2014 — BS/Commissie (Hogere voorziening — Openbare dienst — Ambtenaren — Sociale zekerheid — Artikel 73 van het Statuut — Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten — Collegialiteitsbeginsel — Juridisch karakter van het geding — Percentage aantasting van de fysieke en psychische integriteit — Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)

21

2014/C 431/37

Zaak T-230/13: Beschikking van het Gerecht van 2 oktober 2014 — HTC Sweden/BHIM — Vermop Salmon (TWISTER) (Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Intrekking van de vordering tot nietigverklaring — Afdoening zonder beslissing)

22

2014/C 431/38

Zaak T-497/13: Beschikking van het Gerecht van 16 september 2014 — Boston Scientific Neuromodulation/BHIM (PRECISION SPECTRA) [Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PRECISION SPECTRA — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009 — Ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk rechtens ongegrond beroep]

22

2014/C 431/39

Zaak T-583/13: Beschikking van het Gerecht van 3 september 2014 — Shire Pharmaceutical Contracts/Commissie [Beroep tot nietigverklaring — Geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik — Verordening (EG) nr. 1901/2006 — Artikel 37 — Verlenging van de duur van marktexclusiviteit voor niet-geoctrooieerde weesgeneesmiddelen — Niet voor beroep vatbare handeling — Niet-ontvankelijkheid]

23

2014/C 431/40

Zaak T-286/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Röchling Oertl Kunststofftechnik/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

23

2014/C 431/41

Zaak T-287/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Schaeffler Technologies/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

24

2014/C 431/42

Zaak T-288/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Energiewerke Nord/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

24

2014/C 431/43

Zaak T-294/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Klemme/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

25

2014/C 431/44

Zaak T-295/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Autoneum Germany/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

25

2014/C 431/45

Zaak T-296/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Erbslöh/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

26

2014/C 431/46

Zaak T-297/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Walter Klein/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

26

2014/C 431/47

Zaak T-298/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Erbslöh Aluminium/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

27

2014/C 431/48

Zaak T-300/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Fricopan Back/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

27

2014/C 431/49

Zaak T-301/14 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Michelin Reifenwerke/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit — Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris)

28

2014/C 431/50

Zaak T-521/14: Beroep ingesteld op 4 juli 2014 — Zweden/Commissie

28

2014/C 431/51

Zaak T-642/14: Beroep ingesteld op 29 augustus 2014 — JP Divver Holding Company/BHIM (EQUIPMENT FOR LIFE)

29

2014/C 431/52

Zaak T-660/14: Beroep ingesteld op 12 september 2014 — SV Capital/EBA

29

2014/C 431/53

Zaak T-670/14: Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Milchindustrie-Verband und Deutscher Raiffeisenverband/Commissie

30

2014/C 431/54

Zaak T-681/14: Beroep ingesteld op 18 september 2014 — El-Qaddafi/Raad

31

2014/C 431/55

Zaak T-682/14: Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Mylan Laboratories en Mylan/Commissie

32

2014/C 431/56

Zaak T-683/14 P: Hogere voorziening ingesteld op 16 september 2014 door Rhys Morgan tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 juli 2014 in zaak F-26/13, Morgan/BHIM

33

2014/C 431/57

Zaak T-684/14: Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Krka/Commissie

34

2014/C 431/58

Zaak T-685/14: Beroep ingesteld op 18 september 2014 — EEB/Commissie

35

2014/C 431/59

Zaak T-689/14 P: Hogere voorziening ingesteld op 12 september 2014 door het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 2 juli 2014 in zaak F-63/13, Psarras/ENISA

36

2014/C 431/60

Zaak T-690/14: Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Sony Computer Entertainment Europe/BHIM — Marpefa (Vieta)

37

2014/C 431/61

Zaak T-701/14: Beroep ingesteld op 22 september 2014 — Niche Generics/Commissie

38

2014/C 431/62

Zaak T-713/14: Beroep ingesteld op 10 oktober 2014 — IPSO/ECB

39

2014/C 431/63

Zaak T-714/14: Beroep ingesteld op 8 oktober 2014 — Bonney/BHIM — Bruno (ATHEIST)

40

2014/C 431/64

Zaak T-715/14: Beroep ingesteld op 9 oktober 2014 — NK Rosneft e.a./Raad

40

2014/C 431/65

Zaak T-718/14: Beroep ingesteld op 10 oktober 2014 — Hong Kong Group/BHIM — WE Brand (W E)

41

2014/C 431/66

Zaak T-721/14: Beroep ingesteld op 13 oktober 2014 — België/Commissie

42

2014/C 431/67

Zaak T-725/14: Beroep ingesteld op 14 oktober 2014 — Aalberts Industries/Commissie en Hof van Justitie van de Europese Unie

43

2014/C 431/68

Zaak T-727/14: Beroep ingesteld op 10 oktober 2014 — Universal Protein Supplements Corp. d/b/a Universal Nutrition/BHIM — H. Young Holdings (animal)

44

2014/C 431/69

Zaak T-728/14: Beroep ingesteld op 10 oktober 2014 — Universal Protein Supplements Corp. d/b/a Universal Nutrition/BHIM — H. Young Holdings (animal)

44

2014/C 431/70

Zaak T-592/13: Beschikking van het Gerecht van 2 oktober 2014 — Ratioparts-Ersatzteile/BHIM — Norwood Industries (NORTHWOOD professional forest equipment)

45

2014/C 431/71

Zaak T-622/13: Beschikking van het Gerecht van 2 oktober 2014 — Ratioparts-Ersatzteile/BHIM — Norwood Promotional Products Europe (NORTHWOOD professional forest equipment)

45

2014/C 431/72

Zaak T-706/13: Beschikking van het Gerecht van 1 oktober 2014 — Tui Deutschland/BHIM — Infinity Real Estate & Project Development (Sensimar)

46

2014/C 431/73

Zaak T-370/14: Beschikking van het Gerecht van 2 september 2014 — Petropars e.a./Raad

46

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2014/C 431/74

Zaak F-23/11 RENV: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 15 oktober 2014 — AY/Raad (Openbare dienst — Ambtenaren — Terugverwijzing naar het Gerecht na vernietiging — Bevordering — Bevorderingsronde 2010 — Vergelijking van verdiensten — Besluit om verzoeker niet te bevorderen)

47

2014/C 431/75

Zaak F-86/13: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 15 oktober 2014 — Van de Water/Parlement (Openbare dienst — Rechten en verplichtingen van de ambtenaar — Verklaring van intentie om na beëindiging van de dienst een beroepsbezigheid uit te oefenen — Artikel 16 van het Statuut — Verenigbaarheid met de legitieme belangen van de instelling — Verbod)

47

2014/C 431/76

Zaak F-59/14: Beroep ingesteld op 24 juni 2014 — ZZ/Europese Commissie

48

2014/C 431/77

Zaak F-75/14: Beroep ingesteld op 31 juli 2014 — ZZ/Gemeenschappelijke Onderneming ECSEL

48

2014/C 431/78

Zaak F-87/14: Beroep ingesteld op 1 september 2014 — ZZ/Raad

49

2014/C 431/79

Zaak F-98/14: Beroep ingesteld op 29 september 2014 — ZZ/Raad

50


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2014/C 431/01)

Laatste publicatie

PB C 421 van 24.11.2014

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 409 van 17.11.2014

PB C 395 van 10.11.2014

PB C 388 van 3.11.2014

PB C 380 van 27.10.2014

PB C 372 van 20.10.2014

PB C 361 van 13.10.2014

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/2


Eedaflegging door een nieuw lid van het Hof

(2014/C 431/02)

Na zijn benoeming tot rechter in het Hof van Justitie bij besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 24 september 2014 (1), voor de periode van 7 oktober 2014 tot en met 6 oktober 2018, heeft de heer C. Lycourgos voor het Hof de eed afgelegd op 8 oktober 2014.


(1)  PB L 284 van 30.9.2014, blz. 46.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/2


Verkiezing van de presidenten van de kamers bestaande uit drie rechters

(2014/C 431/03)

De rechters in het Hof van Justitie hebben tijdens hun vergadering van 7 oktober 2014 krachtens artikel 12, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de heer Ó Caoimh verkozen tot president van de Achtste kamer, de heer Bonichot tot president van de Zevende kamer, de heer Vajda tot president van de Tiende kamer, de heer Rodin tot president van de Zesde kamer, en mevrouw Jürimäe tot president van de Negende kamer, voor de periode van 7 oktober 2014 tot en met 6 oktober 2015.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/2


Besluiten genomen door het Hof tijdens zijn algemene vergadering van 14 oktober 2014

(2014/C 431/04)

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 14 oktober 2014 besloten de heer Lycourgos toe te voegen aan de Tweede en aan de Zevende kamer.

Bijgevolg zijn de Tweede en de Zevende kamer samengesteld als volgt:

Tweede kamer

R. Silva de Lapuerta, kamerpresident,

J. C. Bonichot, A. Arabadjiev, J. L. da Cruz Vilaça en C. Lycourgos, rechters.

Zevende kamer

J. C. Bonichot, kamerpresident,

A. Arabadjiev, J. L. da Cruz Vilaça en C. Lycourgos, rechters.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/3


Lijsten om de samenstelling van de rechtsprekende formaties te bepalen

(2014/C 431/05)

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 14 oktober 2014 de volgende lijst opgesteld voor het bepalen van de samenstelling van de Grote kamer:

A. Rosas

C. Lycourgos

E. Juhász

K. Jürimäe

A. Borg Barthet

F. Biltgen

J. Malenovský

S. Rodin,

E. Levits,

C. Vajda,

A. Ó Caoimh,

J. L. da Cruz Vilaça

J. C. Bonichot

G. Fernlund

A. Arabadjiev

E. Jarašiūnas

C. Toader

A. Prechal

M. Safjan

M. Berger

D. Šváby

Het Hof heeft tijdens zijn vergadering van 14 oktober 2014 de volgende lijst opgesteld voor het bepalen van de samenstelling van de Tweede kamer, zetelend met vijf rechters:

J. C. Bonichot

C. Lycourgos

A. Arabadjiev

J. L. da Cruz Vilaça

Het Hof heeft tijdens zijn vergadering van 14 oktober 2014 de volgende lijst opgesteld voor het bepalen van de samenstelling van de Zevende kamer, zetelend met drie rechters:

A. Arabadjiev

J. L. da Cruz Vilaça

C. Lycourgos


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/4


Aanwijzing van de kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

(2014/C 431/06)

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 7 oktober 2014 krachtens artikel 11, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de Vierde kamer aangewezen als kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 107 van voormeld reglement, voor de periode van 7 oktober 2014 tot en met 6 oktober 2015.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/4


Aanwijzing van de kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 193 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

(2014/C 431/07)

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 7 oktober 2014 krachtens artikel 11, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de Eerste kamer aangewezen als kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 193 van voormeld reglement, voor de periode van 7 oktober 2014 tot en met 6 oktober 2015.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/4


Aanwijzing van de eerste advocaat-generaal

(2014/C 431/08)

Tijdens zijn algemene vergadering van 7 oktober 2014 heeft het Hof de heer Wathelet aangewezen als eerste advocaat-generaal, voor de periode van 7 oktober 2014 tot en met 6 oktober 2015.


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/5


Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 9 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okrazhen sad — Targovishte — Bulgarije) — „Parva Investitsionna Banka” AD, „UniKredit Bulbank” AD, „Siyk Faundeyshan” LLS/„Ear Proparti Developmant — v nesastoyatelnost” AD, Sindik na „Ear Proparti Developmant — v nesastoyatelnost” AD

(Zaak C-488/13) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Verordening (EG) nr. 1896/2006 - Begrip „niet-betwiste geldvorderingen” - Insolventieprocedure - Buitengerechtelijke titel voor een betwiste schuldvordering - Verzoek tot betaling uit de faillissementsboedel op basis van een dergelijke titel - Situatie die niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1896/2006 valt - Kennelijke onbevoegdheid van het Hof])

(2014/C 431/09)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Okrazhen sad — Targovishte

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen:„Parva Investitsionna Banka” AD, „UniKredit Bulbank” AD, „Siyk Faundeyshan” LLS

Verwerende partijen:„Ear Proparti Developmant — v nesastoyatelnost” AD, Sindik na „Ear Proparti Developmant — v nesastoyatelnost” AD

in tegenwoordigheid van: Natsionalna agentsia za prihodite, „Aset Menidzhmant” EAD, „Ol Siyz Balgaria” OOD, „Si Dzhi Ef — aktsionerna obshtnost” AD, „Silvar Biych” EAD, „Rudersdal” EOOD, „Kota Enerdzhi” EAD, Chavdar Angelov Angelov

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om de door de Okrazhen sad — Targovishte (Bulgarije) gestelde vragen te beantwoorden.


(1)  PB C 344 van 23.11.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/6


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 11 september 2014 — Think Schuhwerk GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

(Zaak C-521/13 P) (1)

([Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 207/2009 - Artikel 7, lid 1, sub b - Geen onderscheidend vermogen - Rode uiteinden van schoenveters - Artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond])

(2014/C 431/10)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Think Schuhwerk GmbH (vertegenwoordiger: M. Gail, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Think Schuhwerk GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 344 van 23.11.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/6


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 25 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — János Kárász/Nyugdíjfolyósító Igazgatóság

(Zaak C-199/14) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Uitvoering van het recht van de Unie - Geen - Kennelijke onbevoegdheid van het Hof))

(2014/C 431/11)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: János Kárász

Verwerende partij: Nyugdíjfolyósító Igazgatóság

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om te antwoorden op de door Fővárosi közigazgatási és munkaügyi bíróság (Hongarije) bij beslissing van 25 maart 2014 gestelde vraag.


(1)  PB C 245 van 28.7.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/7


Beschikking van het Hof (Tiende kamer) van 4 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tatabányai Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — István Tivadar Szabó/Nemzeti Adó- és Vámhivatal Közép-dunántúli Regionális Adó Főigazgatósága

(Zaak C-204/14) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Handelsvennootschap die fiscale schulden opstapelde - Bedrijfsleider die niet in aanmerking komt voor uitoefening van een leidersfunctie in een ander bedrijf - Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Uit te leggen Unierecht ontoepasselijk - Kennelijke onbevoegdheid van het Hof - Hypothetische vragen - Kennelijke niet-ontvankelijkheid))

(2014/C 431/12)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Tatabányai Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: István Tivadar Szabó

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Közép-dunántúli Regionális Adó Főigazgatósága

Dictum

1)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd voor beantwoording van de derde vraag van de Tatabányai közigazgatási és munkaügyi bíróság (Hongarije).

2)

De andere vragen van deze rechter zijn kennelijk niet-ontvankelijk.


(1)  PB C 245 van 28.7.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajowa Izba Odwoławcza (Polen) op 14 augustus 2014 — Esaprojekt sp. z o.o./Województwo Łódzkie

(Zaak C-387/14)

(2014/C 431/13)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Krajowa Izba Odwoławcza

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Esaprojekt sp. z o.o.

Verwerende partij: Województwo Łódzkie

Prejudiciële vragen

1)

Staat artikel 51 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (hierna: „richtlijn 2008/18/EG”) (1), gelezen in samenhang met de in artikel 2 van deze richtlijn neergelegde beginselen van gelijke en niet-discriminerende behandeling van ondernemers en van transparantie, toe dat een ondernemer die toelichting bij de stukken verstrekt of aanvullende stukken overlegt, in die context andere opdrachten (dat wil zeggen leveringen) vermeldt dan die welke hij heeft genoemd in de bij de offerte gevoegde lijst van leveringen? Mag hij meer bepaald verwijzen naar opdrachten die door een andere ondernemer zijn uitgevoerd, wanneer hij in de offerte niet heeft aangegeven dat hij gebruik kan maken van diens middelen?

2)

Moet artikel 51 van richtlijn 2008/18/EG, gelet op het arrest van het Hof van 10 oktober 2013, Manova (C-336/12), waaruit blijkt dat „het beginsel van gelijke behandeling aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een aanbestedende dienst na afloop van de inschrijvingstermijn om deel te nemen aan een overheidsopdracht een gegadigde verzoekt documenten over te leggen waarin diens situatie wordt beschreven, zoals de gepubliceerde balans, en waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van voor het einde van de inschrijvingstermijn om deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure, voor zover de stukken van die aanbesteding niet uitdrukkelijk de overlegging ervan voorschreven op straffe van uitsluiting van de inschrijving”, aldus worden uitgelegd dat de overlegging van aanvullende stukken slechts is toegestaan wanneer het gaat om stukken waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij reeds bestonden vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van de offertes of van de verzoeken om aan de procedure te mogen deelnemen, of aldus dat het Hof slechts een van de mogelijkheden heeft genoemd en dat de overlegging van aanvullende stukken ook in andere gevallen is toegestaan, bijvoorbeeld wanneer achteraf stukken worden overgelegd die niet dateren van vóór het verstrijken van deze termijn, maar die de objectieve bevestiging vormen dat is voldaan aan een deelnemingsvoorwaarde?

3)

Wanneer de tweede vraag aldus wordt beantwoord dat ook andere aanvullende stukken dan de in het arrest Manova (C-336/12) genoemde kunnen worden overgelegd, kunnen dan aanvullende stukken worden verstrekt die afkomstig zijn van de ondernemer, van onderaannemers of van andere ondernemers die hun middelen ter beschikking stellen van de ondernemer, wanneer dezen in de offerte niet zijn vermeld?

4)

Staat artikel 44 van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in samenhang met artikel 48, lid 2, sub a, en het in artikel 2 neergelegde beginsel van gelijke behandeling van ondernemers toe dat een ondernemer zich beroept op de draagkracht van een andere ondernemer in de zin van artikel 48, lid 3, in die zin dat de kennis en de ervaring van twee ondernemers die elk op zich niet beschikken over de door de aanbestedende dienst verlangde kennis en ervaring, worden samengeteld, wanneer deze ervaring ondeelbaar is (dat wil zeggen dat een ondernemer volledig moet voldoen aan de voorwaarde om aan de procedure te kunnen deelnemen) en de uitvoering van de opdracht ondeelbaar is (dat wil zeggen één geheel vormt)?

5)

Staat artikel 44 van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in samenhang met artikel 48, lid 2, sub a, en het in artikel 2 neergelegde beginsel van gelijke behandeling van ondernemers toe dat een ondernemer zich beroept op de ervaring van een groep ondernemers, in die zin dat een ondernemer die als lid van een groep ondernemers een opdracht heeft uitgevoerd, zich op de uitvoering van de opdracht door deze groep kan beroepen, ongeacht zijn aandeel in de uitvoering van deze opdracht, of kan hij zich slechts beroepen op de eigen ervaring die hij zelf daadwerkelijk heeft verworven bij de uitvoering van het deel van de opdracht dat hem binnen de groep was toegewezen?

6)

Kan artikel 45, lid 2, sub g, van richtlijn 2004/18/EG, volgens hetwelk van deelneming aan een opdracht kan worden uitgesloten iedere ondernemer die zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen of die inlichtingen niet heeft verstrekt, aldus worden uitgelegd dat een ondernemer die valse inlichtingen heeft verstrekt die invloed op de uitkomst van de procedure hadden of konden hebben, van de procedure wordt uitgesloten, met dien verstande dat de schuld voor de desbetreffende misleiding louter voortvloeit uit de verstrekking van valse inlichtingen aan de aanbestedende dienst die het besluit van deze dienst tot uitsluiting van de ondernemer (en tot afwijzing van zijn offerte) beïnvloeden, ongeacht of de ondernemer opzettelijk en doelbewust heeft gehandeld, dan wel onopzettelijk, lichtvaardig, onachtzaam of zonder de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen? Kan slechts worden aangenomen dat een ondernemer „zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen of inlichtingen niet heeft verstrekt” wanneer de betrokkene valse gegevens heeft verstrekt (die niet overeenstemmen met de realiteit), of kan dit ook worden aangenomen wanneer de ondernemer weliswaar correcte informatie heeft verstrekt, maar dit heeft gedaan op een wijze die erop gericht is de aanbestedende dienst ervan te overtuigen dat de ondernemer voldoet aan de door hem gestelde vereisten, hoewel dit niet het geval is?

7)

Staat artikel 44 van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in samenhang met artikel 48, lid 2, sub a, en het in artikel 2 neergelegde beginsel van gelijke behandeling van ondernemers toe dat een ondernemer zich op zodanige wijze op zijn ervaring beroept dat hij twee of meer overeenkomsten als één opdracht voorstelt, hoewel de opdrachtgever noch in de aankondiging noch in het bestek in deze mogelijkheid heeft voorzien?


(1)  PB L 134, blz. 114.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 20 augustus 2014 — Polkomtel Sp. z o.o./Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej

(Zaak C-397/14)

(2014/C 431/14)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Najwyższy

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Polkomtel Sp. z o.o.

Verwerende partij: Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej

Andere partij in de procedure: Telekomunikacja Polska S.A. w Warszawie (thans Orange Polska S.A. w Warszawie)

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 28 van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (1), in de oorspronkelijke versie, aldus worden uitgelegd dat de toegang tot niet-geografische nummers niet enkel gewaarborgd moet worden voor eindgebruikers uit andere lidstaten, maar ook voor eindgebruikers uit de lidstaat van de exploitant van een openbaar communicatienetwerk, met als gevolg dat de toetsing van de nakoming van deze verplichting door de nationale regelgevende instantie is onderworpen aan de vereisten die voortvloeien uit de beginselen van de doeltreffendheid van het Unierecht en Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht?

2)

Ingeval vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 28 van richtlijn 2002/22 juncto artikel 16 van het Handvest van de grondrechten aldus worden uitgelegd dat voor de nakoming van de in de eerste bepaling bedoelde verplichting de procedure kan worden toegepast die in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (2) voor de nationale regelgevende instanties is neergelegd?

3)

Moet artikel 8, lid 3, van richtlijn 2002/19 juncto artikel 28 van richtlijn 2002/22 en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten, of artikel 8, lid 3, van richtlijn 2002/19 junctis artikel 5, lid 1, van richtlijn 2002/19 en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten aldus worden uitgelegd dat de nationale regelgevende instantie, om ervoor te zorgen dat eindgebruikers van een nationale exploitant van een openbaar communicatienetwerk toegang hebben tot diensten die onder niet-geografische nummers in het netwerk van een andere nationale exploitant worden verricht, de grondslagen voor de facturering van de gespreksopbouw tussen de exploitanten kan regelen door aan te knopen bij de tarieven voor de gespreksafgifte voor een van de exploitanten die op basis van artikel 13 van richtlijn 2002/19 georiënteerd zijn op de kosten, in een situatie waarin de exploitant heeft voorgesteld dit tarief toe te passen in de loop van de overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2002/19 gevoerde verplichte, maar vruchteloos gebleven onderhandelingen?


(1)  PB L 108, blz. 51.

(2)  PB L 108, blz. 7.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/9


Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2014 door Basic AG Lebensmittelhandel tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 26 juni 2014 in zaak T-372/11, Basic AG Lebensmittelhandel/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

(Zaak C-400/14 P)

(2014/C 431/15)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Basic AG Lebensmittelhandel (vertegenwoordigers: D. Altenburg, T. Haug, Rechtsanwälte)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Repsol YPF, SA

Conclusies

de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Gerecht) van 26 juni 2014 (zaak T-372/11) vernietigen en de zaak voor heronderzoek naar het Gerecht terugverwijzen.

verweerder verwijzen in alle kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante betwist de uitlegging van het Gerecht van de omschrijving van „distributiediensten”, die — rechtens — een voorafgaande vraag is bij de beoordeling van de soortgelijkheid van diensten. Bijgevolg stelt verzoeker dat het Gerecht is uitgegaan van een onjuiste opvatting als juridische basis voor zijn daarop volgende beoordeling van het gevaar voor verwarring tussen de betrokken merken.

Rekwirante betoogt dat de hoofdtaak van het Hof van Justitie erin bestaat om een uniforme uitlegging te geven van het begrip en de omvang van de desbetreffende diensten (arresten Praktiker, C-418/02, punt 33, en Zino Davidoff en Levi Strauss, C-414/99-C-416/99, punten 42 en 43) en van het arrest „IP-Translator” (C-307/10, 19 juni 2012) volgens hetwelk „waren en diensten objectief moeten kunnen worden omschreven om de herkomstaanduidende functie van het merk te vervullen” en verzoekt het Hof van Justitie om een „voldoende nauwkeurige en duidelijke” omschrijving van „distributiediensten”.

Volgens rekwirante is de omvang van de dienst „distributie” zeer beperkt en omvat deze enkel de activiteiten „transport; verpakking en opslag van goederen” maar niet „detailhandels- en groothandelsdiensten”. Rekwirante betoogt voorts dat het Hof van Justitie in het arrest „Praktiker” heeft verduidelijkt dat het doel van „detailhandel” (klasse 35) — in tegenstelling tot de diensten van klasse 39 — bestaat in de verkoop van waren aan consumentenen, aangezien deze activiteiten bestaan in „onder meer de selectie van een assortiment te koop aangeboden waren en het aanbod van verschillende prestaties die de consument moeten overhalen bij de betrokken handelaar in plaats van bij een concurrent te kopen”.

De algemene classificatie van „distributie” in klasse 39 van de classificatie van Nice mag volgens rekwirante niet worden genegeerd, aangezien het Hof van Justitie in zijn argumentatie in het arrest Praktiker uitdrukkelijk heeft verwezen naar de toelichting bij klasse 35 van de classificatie van Nice (C-418/02, punt 36).

Bijgevolg dient de beslissing van het Gerecht te worden vernietigd en voor heronderzoek te worden terugverwezen.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší soud České republiky (Tsjechische Republiek) op 25 augustus 2014 — Marie Matoušková, executeur/Misha Martinus en Elisabeth Jekaterina Martinus, vertegenwoordigd door David Sedlák als bewindvoerder, Beno Jeriël Eljada Martinus

(Zaak C-404/14)

(2014/C 431/16)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Nejvyšší soud České republiky

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Marie Matoušková, executeur

Partijen bij de erfrechtprocedure: Misha Martinus en Elisabeth Jekaterina Martinus, vertegenwoordigd door David Sedlák als bewindvoerder, Beno Jeriël Eljada Martinus

Prejudiciële vraag

Indien een bewindvoerder voor een minderjarige een overeenkomst tot regeling van de nalatenschap sluit, voor de geldigheid waarvan de goedkeuring van een gerecht vereist is, betreft de beslissing van het gerecht dan een materie als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 2201/2003 (1) van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, dan wel een materie als bedoeld in artikel 1, lid 3, sub f, van die verordening?


(1)  PB L 338, blz. 1.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud (Tsjechische Republiek) op 25 augustus 2014 — PST CLC a.s./Generální ředitelství cel

(Zaak C-405/14)

(2014/C 431/17)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Nejvyšší správní soud

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: PST CLC a.s.

Verwerende partij: Generální ředitelství cel

Prejudiciële vraag

Was verordening (EG) nr. 384/2004 (1) van de Commissie van 1 maart 2004 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur geldig tijdens de periode waarin zij van kracht was, te weten van 22 maart 2004 tot 22 december 2009, wat punt 2 van de bijlage bij die verordening betreft, waarin wordt bepaald dat producten bestaande uit een koellichaam en een ventilator onder GN-code 8414 59 30 vallen, en was zij dus van toepassing in de onderhavige zaak?


(1)  PB L 64, blz. 21.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie (Polen) op 27 augustus 2014 — Wrocław — Miasto na prawach powiatu/Minister Infrastruktury i Rozwoju

(Zaak C-406/14)

(2014/C 431/18)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Wrocław — Miasto na prawach powiatu

Verwerende partij: Minister Infrastruktury i Rozwoju

Prejudiciële vragen

1)

Is het in het licht van artikel 25 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (1) toelaatbaar dat een opdrachtgever in het bestek bepaalt dat de ondernemer gehouden is minimaal 25 % van de onder de opdracht vallende werken met eigen middelen uit te voeren?

2)

Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: vormt de toepassing van het in de eerste vraag beschreven vereiste in het kader van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht een schending van bepalingen van het recht van de Europese Unie die een financiële correctie in de zin van artikel 98 van verordening (EG) nr. 1083/2006/EG van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (2) rechtvaardigt?


(1)  PB L 134, blz. 114.

(2)  PB L 210, blz. 25.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Regionale di Mestre-Venezia (Italië) op 3 september 2014 — Fratelli De Pra SpA, SAIV SpA/Agenzia Entrate — Direzione Provinciale Ufficio Controlli Belluno, Agenzia Entrate — Direzione Provinciale Ufficio Controlli Vicenza

(Zaak C-416/14)

(2014/C 431/19)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Commissione Tributaria Regionale di Mestre-Venezia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Fratelli De Pra SpA, SAIV SpA

Verwerende partijen: Agenzia Entrate — Direzione Provinciale Ufficio Controlli Belluno, Agenzia Entrate — Direzione Provinciale Ufficio Controlli Vicenza

Prejudiciële vragen

1)

Is de nationale regeling voor eindapparatuur voor mobiele radiocommunicatie via de ether die wordt gevormd door

artikel 2, lid 4, van D.L. nr. 4/2014, omgezet in wet nr. 50/2014;

artikel 160 van D.Lgs. nr. 259/2003;

artikel 21 van de aan DPR nr. 641/72 gehechte tarieflijst,

waarin eindapparatuur wordt gelijkgesteld aan radiotoestellen en die voorschrijft dat een gebruiker daarvan over een algemene machtiging beschikt en hem een vergunning voor een radiotoestel wordt afgegeven, die gelden als aanknopingspunt voor de belastingheffing, verenigbaar met het gemeenschapsrecht (richtlijn 1999/5 (1) en de richtlijnen 2002/19 (2), 2002/20 (3), 2002/21 (4) en 2002/22 (5))?

Is het, inzonderheid in verband met het gebruik van eindapparatuur, verenigbaar met het gemeenschapsrecht dat de Italiaanse Staat de gebruiker verplicht over een algemene machtiging en een vergunning voor radiotoestellen te beschikken, nu het op de markt brengen, het vrij verkeer en het in gebruik nemen van eindapparatuur al omvattend zijn geregeld door het gemeenschapsrecht (richtlijn 1999/5) zonder dat een algemene machtiging en/of vergunning is voorgeschreven?

De algemene machtiging en de vergunning worden voorgeschreven door de nationale regeling:

hoewel de algemene machtiging geen betrekking heeft op de gebruiker van eindapparatuur, maar enkel op ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden (artikelen 1 tot en met 3 van de machtigingsrichtlijn 2002/20);

hoewel de concessie is voorgeschreven voor individuele gebruiksrechten voor radiofrequenties en voor rechten om nummers te gebruiken, situaties die zeker niet aan de orde zijn bij het gebruik van eindapparatuur;

hoewel de gemeenschapsregeling geen verplichting kent om te beschikken over een algemene machtiging of een vergunning voor eindapparatuur;

hoewel artikel 8 van richtlijn 1999/5 bepaalt dat de lidstaten „het op de markt brengen en het in gebruik nemen op hun grondgebied van apparatuur die is voorzien van het [...] CE-merkteken” niet „verbieden, beperken of verhinderen”;

hoewel een radiotoestel en eindapparatuur voor mobiele radiocommunicatie via de ether, en de regelgeving daarvan, verschillen en zij niet homogeen zijn.

2)

Is de nationale regeling die wordt gevormd door

artikel 2, lid 4, van D.L. nr. 4/2014, omgezet in wet nr. 50/2014;

artikel 160 van D.Lgs. nr. 259/2003;

artikel 21 van de aan DPR nr. 641/72 gehechte tarieflijst;

artikel 3 van D.M. nr. 33/1990;

op grond waarvan

het in artikel 20 van richtlijn 2002/22 bedoelde contract tussen de exploitant en de gebruiker om de commerciële betrekkingen te regelen tussen consumenten en eindgebruikers enerzijds en een onderneming of ondernemingen die aansluiting en bijbehorende diensten aanbieden anderzijds — „op zich” ook kan gelden als vervangend document voor de algemene machtiging en/of vergunning voor een radiotoestel, zonder tussenkomst, activiteit of controle door de overheid;

het contract tevens de kenmerken van het type eindapparatuur en de homologatie (niet voorgeschreven krachtens artikel 8 van richtlijn 1999/5) moet bevatten,

verenigbaar met het gemeenschapsrecht (richtlijn 1999/5 en richtlijn 2002/20, met name artikel 20)?

3)

Zijn de bepalingen van artikel 2, lid 4, van D.L. nr. 4/2014, omgezet in wet nr. 50/2014, in samenhang met artikel 160 van D.Lgs. nr. 259/2003 en artikel 21 van de aan DPR nr. 641/1972 gehechte tarieflijst, waarin enkel een bepaalde categorie gebruikers, partijen bij een contract dat formeel als „abonnement” wordt benoemd, verplicht wordt te beschikken over een algemene machtiging en een vergunning voor een radiotoestel, terwijl gebruikers van elektronischecommunicatiediensten met een anders benoemd contract (beltegoed of oplaadbaar) niet over een algemene machtiging of vergunning hoeven te beschikken, verenigbaar met de bovengenoemde bepalingen van gemeenschapsrecht?

4)

Staat artikel 8 van Europese richtlijn 1999/5 in de weg aan een nationale regeling zoals artikel 2, lid 4, van D.L. nr. 4/2014, omgezet in wet nr. 50/2014, artikel 160 van D.Lgs. nr. 259/2003 en artikel 21 van de aan DPR nr. 641/1972 gehechte tarieflijst, waarin:

een administratieve handeling is neergelegd voor de afgifte van een algemene machtiging en een vergunning voor een radiotoestel;

is bepaald dat ter zake hiervan een belasting voor overheidsconcessies verschuldigd is,

aangezien deze handelingen een beperking zijn van het in gebruik nemen, het gebruik en het vrij verkeer van eindapparatuur?


(1)  Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PB L 91, blz. 10).

(2)  Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (PB L 108, blz. 7).

(3)  Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (PB L 108, blz. 21).

(4)  Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33).

(5)  Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51).


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Giustizia Amministrativa per la Regione siciliana (Italië) op 17 september 2014 — Impresa Edilux srl, in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van een tijdelijk samenwerkingsverband van ondernemingen, Società Italiana Costruzioni e Forniture srl (SICEF)/Assessorato Beni Culturali e Identità Siciliana — Servizio Soprintendenza Provincia di Trapani, Assessorato ai Beni Culturali e dell’Identità Siciliana, UREGA — Sezione provinciale di Trapani, Assessorato delle Infrastrutture e della Mobilità della Regione Siciliana

(Zaak C-425/14)

(2014/C 431/20)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Giustizia Amministrativa per la Regione siciliana

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Impresa Edilux srl, in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van een tijdelijk samenwerkingsverband van ondernemingen, Società Italiana Costruzioni e Forniture srl (SICEF)

Verwerende partijen: Assessorato Beni Culturali e Identità Siciliana — Servizio Soprintendenza Provincia di Trapani, Assessorato ai Beni Culturali e dell’Identità Siciliana, UREGA — Sezione provinciale di Trapani, Assessorato delle Infrastrutture e della Mobilità della Regione Siciliana

Prejudiciële vragen

1)

Verzet het recht van de Europese Unie, meer in het bijzonder artikel 45 van richtlijn 2004/18/EG (1), zich tegen een bepaling als artikel 1, lid 17, van legge nr. 190/2012, op grond waarvan een aanbestedende dienst als geldige grond voor de uitsluiting van een onderneming die deelneemt aan een aanbesteding voor de gunning van een overheidsopdracht, de omstandigheid in aanmerking mag nemen dat die onderneming niet de verplichtingen heeft aanvaard — of geen bewijs van die aanvaarding heeft overgelegd — die zijn vervat in de zogenoemde „protocolli di legalità” en, meer in het algemeen, in overeenkomsten die zijn gesloten tussen een aanbestedende dienst en de deelnemende ondernemingen en die tot doel hebben infiltraties van de georganiseerde misdaad bij de gunning van overheidsopdrachten te bestrijden?

2)

Kan overeenkomstig artikel 45 van richtlijn 2004/18/EG een bepaling van een lidstaat op grond waarvan de in de vorige vraag bedoelde uitsluiting mag worden toegepast, worden beschouwd als een afwijking van het beginsel dat uitsluitingsgronden exhaustief zijn, die is gerechtvaardigd door de dwingende noodzaak pogingen tot infiltratie van de georganiseerde misdaad bij procedures voor de gunning van overheidsopdrachten te bestrijden?


(1)  Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114).


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale amministrativo regionale per il Piemonte (Italië) op 18 september 2014 — Heart Life Croce Amica Srl/Regione Piemonte

(Zaak C-426/14)

(2014/C 431/21)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale amministrativo regionale per il Piemonte

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Heart Life Croce Amica Srl

Verwerende partij: Regione Piemonte

Prejudiciële vragen

1)

Verzet het Unierecht inzake openbare aanbestedingen — te weten in de onderhavige zaak betreffende uitgesloten overeenkomsten, de algemene beginselen van vrije mededinging, non-discriminatie, transparantie en evenredigheid — zich tegen een nationale regeling die toestaat dat de dienst van ziekenvervoer rechtstreeks wordt gegund aan vrijwilligersorganisaties die in overwegende mate steunen op vrijwillige, onbezoldigde diensten, waarbij slechts de daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed?

2)

Ingeval een dergelijke wijze van gunning verenigbaar is met het gemeenschapsrecht: kunnen ook de „indirecte en algemene” kosten die verband houden met de door de vrijwilligersorganisatie permanent verrichte activiteiten, zoals het buitengewoon onderhoud van de voor de dienst ingezette vervoermiddelen, de maaltijden van de medewerkers, de beloning van het administratieve personeel en van de administratieve coördinator met betrekking tot de verrichte dienst, de noodzakelijke telefoon- en radioverbindingen tussen de operationele centrale van de medische vervoersdiensten en de locaties van de organisatie, onder het begrip vergoeding van slechts de daadwerkelijk gemaakte kosten worden begrepen?


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil de prud’hommes de Paris (Frankrijk) op 22 september 2014 — David Van der Vlist/Bio Philippe Auguste SARL

(Zaak C-432/14)

(2014/C 431/22)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil de prud’hommes de Paris

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: David Van der Vlist

Verwerende partij: Bio Philippe Auguste SARL

Prejudiciële vraag

Staat het algemene beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd in de weg aan een nationale regeling (artikel L 1243-10 van het Franse arbeidswetboek) die jongeren die tijdens hun school- of universitaire vakanties werken, uitsluit van de vergoeding wegens arbeidsonzekerheid die verschuldigd is wanneer na een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangeboden?


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/16


Beschikking van de president van het Hof van 24 september 2014 — Europese Commissie/Republiek Cyprus

(Zaak C-386/13) (1)

(2014/C 431/23)

Procestaal: Grieks

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 260 van 7.9.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/16


Beschikking van de president van het Hof van 9 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Navarra — Spanje) — Miguel Angel Zurbano Belaza, Antonia Artieda Soria/Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA

(Zaak C-93/14) (1)

(2014/C 431/24)

Procestaal: Spaans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 151 van 19.5.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/16


Beschikking van de president van het Hof van 12 september 2014 — Europese Commissie/Koninkrijk België

(Zaak C-130/14) (1)

(2014/C 431/25)

Procestaal: Frans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 159 van 26.5.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/16


Beschikking van de president van het Hof van 9 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Hannover — Duitsland) — Catharina Smets, Franciscus Vereijken/TUIfly GmbH

(Zaak C-279/14) (1)

(2014/C 431/26)

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 303 van 8.9.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/17


Beschikking van de president van het Hof van 25 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Marc Hußock, Ute Hußock, Michelle Hußock, Florian Hußock/Condor Flugdienst GmbH

(Zaak C-316/14) (1)

(2014/C 431/27)

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 303 van 8.9.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/17


Beschikking van de president van het Hof van 23 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Elvira Mandl, Helmut Mandl/Condor Flugdienst GmbH

(Zaak C-337/14) (1)

(2014/C 431/28)

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 315 van 15.9.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/17


Beschikking van de president van het Hof van 16 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim -Duitsland) — Annette Lorch, Kurt Lorch/Condor Flugdienst GmbH

(Zaak C-364/14) (1)

(2014/C 431/29)

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 339 van 29.9.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/17


Beschikking van de president van het Hof van 12 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim — Duitsland) — Brunhilde Liebler, Helmut Liebler/Condor Flugdienst GmbH

(Zaak C-365/14) (1)

(2014/C 431/30)

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 329 van 22.9.2014.


Gerecht

1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/18


Arrest van het Gerecht van 21 oktober 2014 — Szajner/BHIM — Forge de Laguiole (LAGUIOLE)

(Zaak T-453/11) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapswoordmerk LAGUIOLE - Oudere Franse handelsnaam Forge de Laguiole - Artikel 53, lid 1, sub c, en artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2014/C 431/31)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Gilbert Szajner (Niort, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. Lakits-Josse, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Forge de Laguiole SARL (Laguiole, Frankrijk) (vertegenwoordiger: F. Fajgenbaum, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 1 juni 2011 (zaak R 181/2007-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Forge de Laguiole SARL en Gilbert Szajner

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 1 juni 2011 (zaak R 181/2007-1) wordt vernietigd voor zover deze het gemeenschapswoordmerk LAGUIOLE nietig verklaart voor andere waren dan „handgereedschappen en -instrumenten, met de hand te bedienen; lepels; zagen, scheerapparaten, scheermesjes; scheeretuis; vijlen en nageltangen, nagelknippers; etuis voor manicures” van klasse 8, „briefopeners” van klasse 16, „kurkentrekkers; flesopeners” en „scheerkwasten, beautycases” van klasse 21, en „sigarenknippers” en „pijpenreinigers” van klasse 34.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Forge de Laguiole SARL zal een kwart van verzoekers kosten en driekwart van haar eigen kosten dragen.

4)

Gilbert Szajner zal een kwart van de kosten van Forge de Laguiole, een kwart van de kosten van het BHIM, en driekwart van zijn eigen kosten dragen.

5)

Het BHIM zal driekwart van zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 298 van 8.10.2011.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/19


Arrest van het Gerecht van 21 oktober 2014 — Italië/Commissie

(Zaak T-268/13) (1)

((„Niet-uitvoering van een niet-nakomingsarrest van het Hof - Dwangsom - Besluit tot vaststelling van de dwangsom - Verplichting tot terugvordering - Ondernemingen die in faillissementsprocedures zijn verwikkeld - Voorwerp van de betrokken faillissementsprocedures - Vereiste zorgvuldigheid - Bewijslast”))

(2014/C 431/32)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Di Bucci, G. Conte en B. Stromsky, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van besluit C(2013) 1264 final van de Commissie van 7 maart 2013 waarbij de Italiaanse Republiek wordt gelast een dwangsom van 1 6 5 33  000 EUR te betalen op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie”

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 207 van 20.7.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/19


Beschikking van het Gerecht van 16 september 2014 — Justice & Environment/Commissie

(Zaak T-405/10) (1)

((„Harmonisatie van wetgevingen - Doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu - Procedure betreffende de verlening van de vergunning voor het in de handel brengen - Verzoek tot interne herziening - Nietigverklaring van de bestreden of in geding zijnde besluiten - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”))

(2014/C 431/33)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Association/Vereniging Justice & Environment (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordiger: P. Černý, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Oliver en D. Bianchi, vervolgens D. Bianchi, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring van besluit 2010/135/EU van de Commissie van 2 maart 2010 betreffende het in de handel brengen, overeenkomstig richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een aardappelproduct (Solanum tuberosum L. lijn EH92-527-1), genetisch gemodificeerd met het oog op een groter gehalte aan amylopectine in het zetmeel (PB L 53, blz. 11), en van besluit 2010/136/EU van de Commissie van 2 maart 2010 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van diervoeders die zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde aardappel EH92-527-1 (BPS-25271-9) en de onvoorziene of technisch niet te voorkomen aanwezigheid van die aardappel in levensmiddelen en andere diervoeders krachtens verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 53, blz. 15), alsook van de beschikking tot afwijzing van het verzoek tot interne herziening van deze besluiten, die in de brief van de Commissie van 6 juli 2010 zou zijn vervat

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten, alsook in de kosten van de Association/Vereniging Justice & Environment.


(1)  PB C 301 van 6.11.2010.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/20


Beschikking van het Gerecht van 17 september 2014 — Afepadi e.a./Commissie

(Zaak T-354/12) (1)

([„Beroep tot nietigverklaring - Gezondheidsclaims in levensmiddelenetikettering en -reclame - Verordening (EU) nr. 432/2012 - Punten 11, 14 en 17 van de considerans - Niet voor beroep vatbare handeling - Niet-ontvankelijkheid”])

(2014/C 431/34)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Asociación Española de Fabricantes de Preparados alimenticios especiales, dietéticos y plantas medicinales (Afepadi) (Barcelona, Spanje); Elaborados Dietéticos, SA (Palma de Cervelló, Spanje); Nova Diet, SA (Burgos, Spanje); Laboratorios Vendrell, SA (Barcelona); en Ynsadiet, SA (Leganés, Spanje) (vertegenwoordiger: P. Velázquez González, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Grünheid en P. Němečková, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: D. Colas en S. Menez, gemachtigden)

Voorwerp

Met name nietigverklaring van de punten 11, 14 en 17 van de considerans van verordening (EU) nr. 432/2012 van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (PB L 136, blz. 1).

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Asociación Española de Fabricantes de Preparados alimenticios especiales, dietéticos y plantas medicinales (Afepadi), Elaborados Dietéticos, SA, Nova Diet, SA, Laboratorios Vendrell, SA en Ynsadiet, SA zullen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen.


(1)  PB C 295 van 29.9.2012.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/20


Beschikking van het Gerecht van 7 oktober 2014 — BT/Commissie

(Zaak T-59/13 P) (1)

((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Arbeidscontractanten - Niet-verlenging van de overeenkomst - Artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken”))

(2014/C 431/35)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: BT (Boekarest, Roemenië) (vertegenwoordigers: N. Visan en G. Coca, advocaten)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en A.-C. Simon, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 3 december 2013, BT/Commissie (F-45/12, JurAmbt., EU:F:2012:168), en strekkende tot vernietiging van deze beschikking

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

BT zal haar eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten die de Europese Commissie in het kader van deze procedure heeft gemaakt.


(1)  PB C 114 van 20.4.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/21


Beschikking van het Gerecht van 16 september 2014 — BS/Commissie

(Zaak T-83/13 P) (1)

((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Sociale zekerheid - Artikel 73 van het Statuut - Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Collegialiteitsbeginsel - Juridisch karakter van het geding - Percentage aantasting van de fysieke en psychische integriteit - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”))

(2014/C 431/36)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirant: BS (Messina, Italië) (vertegenwoordiger: C. Pollicino, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Currall en V. Joris, vervolgens J. Currall, gemachtigden, bijgestaan door D. Gullo, advocaat)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 12 december 2012, BS/Commissie (F-90/11, JurAmbt., EU:F:2012:188), en strekkende tot vernietiging van dat arrest

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

BS zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten die de Europese Commissie in het kader van deze procedure heeft gemaakt.


(1)  PB C 101 van 6.4.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/22


Beschikking van het Gerecht van 2 oktober 2014 — HTC Sweden/BHIM — Vermop Salmon (TWISTER)

(Zaak T-230/13) (1)

((„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Intrekking van de vordering tot nietigverklaring - Afdoening zonder beslissing”))

(2014/C 431/37)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: HTC Sweden AB (Söderköping, Zweden) (vertegenwoordigers: G. Hasselblatt en D. Kipping, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Vermop Salmon GmbH (Gilching, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Ring en W. von der Osten-Sacken, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 31 januari 2013 (gevoegde zaken R 1873/2011-1 en R 1881/2011-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Vermop Salmon GmbH en HTC Sweden AB

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Verzoekster en interveniënte worden verwezen in hun eigen kosten en elk in de helft van de kosten van verweerder.


(1)  PB C 178 van 22.6.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/22


Beschikking van het Gerecht van 16 september 2014 — Boston Scientific Neuromodulation/BHIM (PRECISION SPECTRA)

(Zaak T-497/13) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PRECISION SPECTRA - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk rechtens ongegrond beroep”])

(2014/C 431/38)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Boston Scientific Neuromodulation Corp. (Valencia, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: P. Rath en W. Festl-Wietek, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Geroulakos, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het BHIM van 17 mei 2013 (zaak R 2099/2012-5) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken PRECISION SPECTRA als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Boston Scientific Neuromodulation Corp. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 344 van 23.11.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/23


Beschikking van het Gerecht van 3 september 2014 — Shire Pharmaceutical Contracts/Commissie

(Zaak T-583/13) (1)

([„Beroep tot nietigverklaring - Geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik - Verordening (EG) nr. 1901/2006 - Artikel 37 - Verlenging van de duur van marktexclusiviteit voor niet-geoctrooieerde weesgeneesmiddelen - Niet voor beroep vatbare handeling - Niet-ontvankelijkheid”])

(2014/C 431/39)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Shire Pharmaceutical Contracts Ltd (Hampshire, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: K. Bacon, barrister, M. Utges Manley en M. Vickers, solicitors)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Sipos en V. Walsh, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van het besluit dat is vervat in de op 2 september 2013 aan verzoekster gerichte brief van de Europese Commissie en dat nadien is bevestigd bij brief van 18 oktober 2013, betreffende de vraag of het geneesmiddel Xagrid in aanmerking komt voor de beloning in de zin van artikel 37 van verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1768/92, richtlijn 2001/20/EG, richtlijn 2001/83/EG en verordening (EG) nr. 726/2004 (PB L 378, blz. 1)

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Shire Pharmaceutical Contracts Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 377 van 21.12.2013.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/23


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Röchling Oertl Kunststofftechnik/Commissie

(Zaak T-286/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/40)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Röchling Oertl Kunststofftechnik GmbH (Brensbach, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/24


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Schaeffler Technologies/Commissie

(Zaak T-287/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/41)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Schaeffler Technologies GmbH & Co. KG (Herzogenaurach, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/24


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Energiewerke Nord/Commissie

(Zaak T-288/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/42)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Energiewerke Nord GmbH (Rubenow, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/25


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Klemme/Commissie

(Zaak T-294/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/43)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Klemme AG (Lutherstadt Eisleben, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/25


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Autoneum Germany/Commissie

(Zaak T-295/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/44)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Autoneum Germany GmbH (Roßdorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/26


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Erbslöh/Commissie

(Zaak T-296/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/45)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Erbslöh AG (Velbert, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/26


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Walter Klein/Commissie

(Zaak T-297/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/46)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Walter Klein GmbH & Co. KG (Wuppertal, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/27


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Erbslöh Aluminium/Commissie

(Zaak T-298/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/47)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Erbslöh Aluminium GmbH (Velbert, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/27


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Fricopan Back/Commissie

(Zaak T-300/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/48)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Fricopan Back GmbH Immekath (Klötze, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/28


Beschikking van de president van het Gerecht van 4 september 2014 — Michelin Reifenwerke/Commissie

(Zaak T-301/14 R)

((„Kort geding - Staatssteun - Nationale steun voor de productie van hernieuwbare elektriciteit - Besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Fumus boni juris”))

(2014/C 431/49)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Michelin Reifenwerke AG & Co. KGaA (Karlsruhe, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Volz en B. Wißmann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure inzake steunmaatregelen met betrekking tot de Duitse wet inzake hernieuwbare energie

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/28


Beroep ingesteld op 4 juli 2014 — Zweden/Commissie

(Zaak T-521/14)

(2014/C 431/50)

Procestaal: Zweeds

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk en K. Sparrman, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

vaststellen dat het verzuim van de Europese Commissie tot vaststelling van gedelegeerde handelingen ter vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen, artikel 5, lid 3, van verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden schendt;

de Commissie verwijzen de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 528/2012 (1) stelt de Commissie uiterlijk op 13 december 2013 gedelegeerde handelingen ter vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen vast. Verzoeker stelt verzuim door de Commissie om dergelijke gedelegeerde handelingen vast te stellen en dus verzuim tot vaststelling van de haar wettelijk voorgeschreven maatregelen. Verzoeker verzocht de Commissie gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 5, lid 3, van verordening nr. 528/2012 vast te stellen, maar de Commissie bepaalde volgens verzoeker in haar antwoord geen standpunt betreffende het verzoek in de zin van artikel 265, tweede alinea, VWEU. Voorts stelt verzoeker dat de Commissie ten tijde van het verzoek geen maatregelen had genomen om het gestelde verzuim te beëindigen. Volgens verzoeker beschikt de Commissie over een grondslag tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen en toepassing van deze criteria die, aldus artikel 5, lid 3, tweede en derde alinea, van verordening nr. 528/2012 van toepassing moeten zijn totdat de Commissie gedelegeerde handelingen met criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen heeft vastgesteld.


(1)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB 2012 L 167, blz. 1).


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/29


Beroep ingesteld op 29 augustus 2014 — JP Divver Holding Company/BHIM (EQUIPMENT FOR LIFE)

(Zaak T-642/14)

(2014/C 431/51)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: JP Divver Holding Company Ltd (Newry, Ierland) (vertegenwoordigers: A. Franke, E. Bertram, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Betrokken merk: internationale inschrijving, met aanduiding van de Europese Unie, van merk „EQUIPMENT FOR LIFE”

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 16 juni 2014 in zaak R 64/2014-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing,

verwijzing van het BHIM in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/29


Beroep ingesteld op 12 september 2014 — SV Capital/EBA

(Zaak T-660/14)

(2014/C 431/52)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: SV Capital OÜ (Tallinn, Estland) (vertegenwoordiger: M. Greinoman, advocaat)

Verwerende partij: Europese Bankautoriteit (EBA)

Conclusies

vernietiging van het besluit van de EBA van 21 februari 2014, nr. EBA C 2013 002, in zijn geheel;

buitenwerkingstelling van het besluit van de Raad van Beroep van de Europese toezichthoudende autoriteit nr. BoA 2014-CI-02 op het onderdeel waarop het beroep werd verworpen;

terugverwijzing van de zaak naar het bevoegde orgaan van de EBA voor een toetsing ten gronde van de klacht van SV Capital OÜ van 24 oktober 2012 (zoals aangevuld);

verwijzing van de verwerende partij in de kosten van de procedure voor het Gerecht, met inbegrip van de kosten van de tenuitvoerlegging van een arrest of een beschikking van het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: feitelijke onjuistheden, aangezien het bestreden besluit nr. EBA C 2013 002 bepaalde, dat „noch mw [RR] noch dhr [OP] aan het hoofd stond van het bijkantoor van de Nordea Bank Finland of een sleutelpositie bekleedde in de betekenis van de EBA Suitability Guidelines [EBA Geschiktheidsrichtlijnen]”, ook al aanvaardde de Raad van Beroep het door verzoekende partij geleverde bewijs van het tegendeel.

2.

Tweede middel: verwerende partij heeft niet haar discretionaire bevoegdheid uitgeoefend, aangezien zij geen rekening heeft gehouden met het feit, dat 1) Nordea is geplaatst op de lijst van 29 wereldwijd belangrijke financiële instellingen van de Raad voor financiële stabiliteit, 2) het gaat om een financieel conglomeraat, iii) het Estse bijkantoor een belangrijk kantoor is, en iv) het gaat om vermeende overtredingen van flagrante aard.

3.

Derde middel: schending van artikel 39, lid 1, van de EBA verordening (1) en van artikel 16 van de EBA gedragscode voor goed bestuur (2), aangezien verzoekende partij niet in de gelegenheid was gesteld haar mening te geven over de argumentatie van verwerende partij en de door haar aangedragen feiten, alvorens het bestreden besluit EBA C 2013 002 werd vastgesteld. Verwerende partij heeft verzoekende partij namelijk niet in kennis gesteld van haar voornemen het gevraagde onderzoek naar Nordea Bank Finland niet te laten aanvangen en heeft dit ook niet gemotiveerd.

4.

Vierde middel: schending van artikel 3, lid 3, artikel 4 en artikel 5 van het huishoudelijk reglement van de EBA (3), aangezien de plaatsvervangend voorzitter van de EBA niet op de hoogte was gesteld op basis van geanonimiseerde informatie over het voorgenomen besluit om geen onderzoek te openen.

5.

Vijfde middel: misbruik van bevoegdheid en onredelijk handelen door de EBA, aangezien verwerende partij vooringenomen was en er, gelet op de tijd en de moeite die verwerende partij aan de klacht en de ontvankelijkheid ervan heeft besteed, geen reden was de zaak af te doen zonder een met redenen omkleed inhoudelijk besluit.


(1)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB 2010 L 331, blz. 12).

(2)  Besluit DC 006 van de Management Board van 12 januari 2011 betreffende de EBA gedragscode voor goed bestuur.

(3)  Besluit DC 054 van de Board of Supervisors van 5 juli 2012 betreffende de interne procedureregels voor onderzoeken wegens schending van het Unierecht.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/30


Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Milchindustrie-Verband und Deutscher Raiffeisenverband/Commissie

(Zaak T-670/14)

(2014/C 431/53)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partijen: Milchindustrie-Verband e.V. (Berlijn, Duitsland), Deutscher Raiffeisenverband e.V. (Berlijn) (vertegenwoordigers: I. Zenke en T. Heymann, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de mededeling 2014/C 200/01 van de verwerende partij van 28 juni 2014 over richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 nietig te verklaren, voor zover daarin de zuivelverwerkende industrie (NACE 10.51) ondanks het vervullen de in de richtsnoeren onder afdeling 3.7.2 vastgestelde voorwaarden niet in bijlage 3 is genoemd;

de verwerende partij in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen drie middelen aan.

1.

Eerste middel: overschrijding van discretionaire ruimte vanwege kennelijke beoordelingsfout bij de keuze van de referentieperiode

De verzoekende partijen voeren in dit verband aan dat de verwerende partij bij het vaststellen van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (1) basisbeginselen voor het uitoefenen van een discretionaire bevoegdheid heeft geschonden door bij de berekening van de handelsintensiteit van de sectoren van verouderde gegevens gebruik te maken, hoewel recente gegevens voorhanden waren.

2.

Tweede middel: overschrijding van discretionaire ruimte vanwege ontoereikend feitenonderzoek

De verzoekende partijen voeren aan dat de verwerende partij haar discretionaire ruimte bovendien heeft overschreden doordat zij voor de berekening van de handelsintensiteit niet alle door de zuivelverwerkende industrie daadwerkelijk vervaardigde producten heeft geïdentificeerd en in aanmerking heeft genomen. Dit leidt tot een vertekend beeld van de mededingingssituatie.

3.

Derde middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften

De verzoekende partijen voeren verder aan dat de verwerende partij bij de indeling van de bedrijfstakken in bijlage 3 of 5 van de richtsnoeren inzake staatssteun artikel 296 VWEU schendt doordat zij nergens aangeeft hoe en op basis van welke feiten het kenmerk van de handelsintensiteit wordt berekend en bepaald. Daarmee wordt betrokkenen de mogelijkheid ontnomen om hun rechten daadwerkelijk uit te oefenen.


(1)  Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (PB C 200 van 28.6.2014, blz. 1).


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/31


Beroep ingesteld op 18 september 2014 — El-Qaddafi/Raad

(Zaak T-681/14)

(2014/C 431/54)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Aisha Muammer Mohamed El-Qaddafi (Muscat, Oman) (vertegenwoordiger: J. Jones, Barrister)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

een maatregel tot organisatie van de procesgang krachtens artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering vaststellen, waarbij de Raad wordt gelast alle inlichtingen die de opname van verzoeksters naam in de bestreden handelingen staven, openbaar te maken;

besluit 2011/137/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië, zoals gewijzigd bij besluit 2014/380/GBVB van de Raad van 23 juni 2010, volledig of gedeeltelijk nietig verklaren, voor zover het verzoekster betreft;

verordening (EU) nr. 204/2011 van de Raad van 2 maart 2011, zoals uitgevoerd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2014 van de Raad van 23 juni 2014 tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië, volledig of gedeeltelijk nietig verklaren, voor zover zij verzoekster betreft;

de Raad verwijzen in de kosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.

1.

Het Gerecht is bevoegd om de rechtmatigheid te onderzoeken van de beperkende maatregelen die door de Raad van de Europese Unie jegens verzoekster zijn vastgesteld ter uitvoering van de door de VN-Veiligheidsraad met betrekking tot Libië opgelegde sanctieregeling. Verzoekster voert aan dat met betrekking tot EU-maatregelen ter uitvoering van op internationaal vlak vastgestelde beperkende maatregelen geen immuniteit van rechtsmacht bestaat op grond dat zij uitvoering geven aan krachtens hoofdstuk VII van het VN-Verdrag door de VN-Veiligheidsraad vastgestelde resoluties.

2.

Het Gerecht is bevoegd om een volledige en inhoudelijke toetsing te verrichten van de rechtmatigheid van de bestreden EU-maatregelen ter uitvoering van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad waarbij beperkende maatregelen jegens verzoekster zijn vastgesteld. Dit omvat mede de toetsing of de redenen die de Raad aanvoert tot staving van zijn besluit om de plaatsing van verzoekster op de lijst te handhaven, gegrond, voldoende gedetailleerd en duidelijk zijn.

3.

De bestreden EU-maatregelen schenden verzoeksters rechten van verdediging en haar recht op effectieve rechterlijke bescherming. Verzoekster voert aan dat de Raad geen redenen of specifieke bewijzen heeft verstrekt die rechtvaardigen dat haar plaatsing op een lijst wordt gehandhaafd.

4.

De bestreden EU-maatregelen schenden het evenredigheidsbeginsel en verzoeksters grondrechten, daaronder begrepen haar eigendomsrecht en haar recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven.

5.

De plaatsing van verzoekster op een lijst is ongegrond, onjuist, ongerechtvaardigd en onvoldoende gedetailleerd, aangezien verzoekster geen bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid. Verzoekster voert aan dat de handhaving van haar plaatsing op een lijst louter op grond van haar familieband met het overleden hoofd van het ten val gebrachte Gaddafi-regime in strijd met het EU-recht is. Voorts voert verzoekster aan dat zij niet betrokken was bij gebeurtenissen in Libië die een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid vormen.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/32


Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Mylan Laboratories en Mylan/Commissie

(Zaak T-682/14)

(2014/C 431/55)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Mylan Laboratories Ltd (Hyderabad, India); en Mylan, Inc. (Canonsburg, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: S. Kon, C. Firth en C. Humpe, solicitors)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

artikelen 2, 7 en 8 van besluit C(2014) 4955 def. van de Commissie van 9 juli 2014 in zaak AT.39612 Perindopril (Servier) nietig verklaren, voor zover zij verzoeksters betreffen, of

subsidiair, artikel 7 van besluit C(2014) 4955 def. van de Commissie van 9 juli 2014 in zaak AT.39612 Perindopril (Servier) nietig verklaren, voor zover daarbij aan verzoeksters een geldboete wordt opgelegd, of

meer subsidiair, de in artikel 7 van besluit C(2014) 4955 def. van de Commissie van 9 juli 2014 in zaak AT.39612 Perindopril (Servier) aan verzoeksters opgelegde geldboete verlagen, of

nog meer subsidiair, de artikelen 2, 7 en 8 van besluit C(2014) 4955 def. van de Commissie van 9 juli 2014 in zaak AT.39612 Perindopril (Servier) nietig verklaren, voor zover zij Mylan Inc. betreffen, en

de Commissie verwijzen in verzoeksters’ kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters acht middelen aan.

1.

Het bestreden besluit bevat feitelijke onjuistheden en kennelijke beoordelingsfouten bij de analyse van de relevante feitelijke, juridische en economische context waarin de schikkingsovereenkomst voor octrooien tussen Mylan Laboratories (voorheen Matrix Laboratories) en Servier is gesloten.

2.

Het bestreden besluit is rechtens en feitelijk onjuist voor zover daarin wordt vastgesteld dat Matrix een potentiële concurrent van Servier was.

3.

In het bestreden besluit is niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de schikkingsovereenkomst voor octrooien ertoe strekte de mededinging te beperken in strijd met artikel 101 VWEU.

4.

In het bestreden besluit is niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de schikkingsovereenkomst voor octrooien ten gevolge had dat de mededinging werd beperkt in strijd met artikel 101 VWEU.

5.

Subsidiair, schending door de Commissie van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 (1) en het evenredigheidbeginsel, het beginsel nullum crimen nulla poena sine lege en het rechtszekerheidsbeginsel door aan verzoeksters een geldboete op te leggen.

6.

Meer subsidiair, de Commissie heeft een geldboete opgelegd die kennelijk onevenredig is aan de ernst van de gestelde schending.

7.

De Commissie heeft de procedurele rechten van de verdediging van Mylan Inc. geschonden door, zonder een aanvullende mededeling van punten van bezwaar vast te stellen, de grond waarop Mylan Inc. in het bestreden besluit aansprakelijk is gesteld op een andere wijze te formuleren dan die waarop zij eerst in de mededeling van punten van bezwaar aansprakelijk was gesteld.

8.

De Commissie heeft (i) het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid en het vermoeden van onschuld geschonden door Mylan Inc. aansprakelijk te stellen voor de gestelde schending door Matrix, en (ii) kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door vast te stellen dat Mylan Inc. in de betrokken periode een beslissende invloed uitoefende op het gedrag van Matrix.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/33


Hogere voorziening ingesteld op 16 september 2014 door Rhys Morgan tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 juli 2014 in zaak F-26/13, Morgan/BHIM

(Zaak T-683/14 P)

(2014/C 431/56)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirerende partij: Rhys Morgan (Alicante, Spanje) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)

Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 juli 2014 in zaak F-26/13 te vernietigen;

haar over de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 opgestelde beoordelingsrapport nietig te verklaren;

BHIM te veroordelen tot betaling van een door het Gerecht vast te stellen vergoeding, die echter niet lager mag zijn dan 500 EUR, voor de materiële en immateriële schade die zij door dat beoordelingsrapport heeft geleden;

BHIM te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken en van die voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken niet heeft erkend dat een algemene beoordeling gebaseerd moet zijn op de prestaties van een ambtenaar gedurende de gehele beoordelingsperiode.

2.

Tweede middel, ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken niet de ernst van de procedurele schendingen door BHIM heeft erkend.

3.

Derde middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht voor ambtenarenzaken bij de beoordeling van het middel ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van gewettigde verwachtingen.

4.

Vierde middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht voor ambtenarenzaken bij de beoordeling van het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling.

5.

Vijfde middel, ontleend aan het verzuim van het Gerecht voor ambtenarenzaken om het bewijs in verband met het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid juist te beoordelen of zelfs maar te onderzoeken.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/34


Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Krka/Commissie

(Zaak T-684/14)

(2014/C 431/57)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Krka Tovarna Zdravil d.d. (Novo Mesto, Slovenië) (vertegenwoordigers: T. Ilešič en M. Kocmut, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2014) 4955 def. van de Commissie van 9 juli 2014 in zaak AT.39612 — Perindopril (Servier), dat op 11 juli 2014 aan verzoekster is betekend, nietig verklaren voor zover het verzoekster betreft, in het bijzonder de artikelen 4, 7, lid 4, sub a, 8 en 9;

de Commissie verwijzen in de gerechtskosten en de andere kosten en uitgaven die verzoekster in het kader van deze zaak heeft gemaakt, en

andere rechtens noodzakelijke maatregelen gelasten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.

1.

De Commissie heeft de juridische, feitelijke en economische context van verzoeksters situatie niet naar behoren geanalyseerd.

2.

De Commissie heeft ten onrechte geconcludeerd dat verzoekster en Servier daadwerkelijke of potentiële concurrenten in de zin van artikel 101 VWEU waren.

3.

De onjuiste conclusie van de Commissie dat de octrooiregeling tussen verzoekster en Servier een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU had, is gebaseerd op een onjuiste feitelijke en juridische analyse en een onjuiste toepassing van de vaststaande beginselen inzake een mededingingsbeperkende strekking.

4.

De Commissie heeft verzoeksters recht van verdediging geschonden door de overdrachts- en licentieovereenkomst op inconsistente wijze te onderzoeken, en zij heeft ten onrechte geconcludeerd dat de overdrachts- en licentieovereenkomst een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU heeft.

5.

De Commissie heeft ten onrechte geconcludeerd dat de overeenkomsten tussen verzoekster en Servier ten gevolge hadden dat de mededinging werd beperkt in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.

6.

De Commissie heeft verzoeksters argumenten inzake artikel 101, lid 3, VWEU niet nauwkeurig onderzocht.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/35


Beroep ingesteld op 18 september 2014 — EEB/Commissie

(Zaak T-685/14)

(2014/C 431/58)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: European Environmental Bureau (EEB) (Brussel, België) (vertegenwoordiger: S. Podskalská, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van besluit Ares (2014) 2317513 van de Commissie van 11 juli 2014 waarbij niet-ontvankelijk is verklaard het door verzoeker ingestelde verzoek tot interne herziening van besluit C(2014) 2002 def. van de Commissie van 31 maart 2014 betreffende de kennisgeving door Bulgarije van een nationaal plan voor de overgangsfase, als bedoeld in artikel 32 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies;

nietigverklaring van besluit C(2014) 2002 def. van de Commissie van 31 maart 2014 betreffende de kennisgeving door Bulgarije van een nationaal plan voor de overgangsfase, als bedoeld in artikel 32 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies, en

verwijzing van verweerster in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan.

1.

Besluit Ares(2014) 2317513 van de Commissie van 11 juli 2014 is in strijd met artikel 17 VEU, de artikelen 2, lid 1, sub g, en 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006, het verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden („VN/ECE-Verdrag”) juncto besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het VN/ECE-Verdrag.

2.

Besluit C(2014) 2002 def. van de Commissie van 31 maart 2014 is in strijd met artikel 17 VEU, richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies, uitvoeringsbesluit 2012/115/EU van de Commissie van 10 februari 2012 houdende vaststelling van de in richtlijn 2010/75/EU bedoelde nationale plannen voor de overgangsfase, het VN/ECE-Verdrag juncto besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het VN/ECE-Verdrag, richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, en richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/36


Hogere voorziening ingesteld op 12 september 2014 door het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 2 juli 2014 in zaak F-63/13, Psarras/ENISA

(Zaak T-689/14 P)

(2014/C 431/59)

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirerende partij: Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) (vertegenwoordigers: P. Empadinhas en C. Meidanis, advocaat)

Andere partij in de procedure: Aristidis Psarras (Heraklion, Griekenland)

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 2 juli 2014 in zaak F-63/13 volledig te vernietigen;

alle door verzoeker in eerste aanleg in zaak F-63/13 ingediende vorderingen volledig af te wijzen, en

verzoeker in eerste aanleg te verwijzen in alle kosten van de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken en van die voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend een verkeerde opvatting van de feiten met betrekking tot de gebeurtenissen die op 4 mei 2012 en in de daarop volgende periode hebben plaatsgevonden alsmede aan een onjuiste rechtsopvatting van artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest van de grondrechten en van artikel 47 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, in samenhang met artikel 59 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.

2.

Tweede middel, ontleend aan een verkeerde rechtsopvatting van artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest, voor zover is geoordeeld dat, ten eerste, de vaststelling dat die bepaling is geschonden ipso jure en automatisch leidt tot de nietigverklaring van het bestreden besluit, waarbij geen rekening is gehouden met de rechtspraak op grond waarvan verzoeker eveneens had moeten aantonen dat de inhoud van het betwiste besluit bij gebreke van die schending anders zou zijn geweest, en, ten tweede, de vroegere rechtspraak die bepaling op basis van de nieuwe uitlegging „alle zin ontneemt”.

3.

Derde middel, ontleend aan een niet-nakoming van de op het Gerecht voor ambtenarenzaken rustende verplichting om in te gaan op de grieven die de verwerende partij had ontleend aan de niet-ontvankelijkheid en een ontoereikende motivering alsmede aan schending van de verplichting om voor de indiening van een schadevordering eerste de voorafgaande procedure te volgen.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van de rechtspraak in die zin dat de nietigverklaring van het betwiste besluit op zich een passend herstel kan vormen, ontoereikende motivering, het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken ultra vires heeft beslist en een kennelijke beoordelingsfout.

5.

Vijfde middel, ontleend aan een vermeend gebrek aan onpartijdigheid van het Gerecht voor ambtenarenzaken.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/37


Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Sony Computer Entertainment Europe/BHIM — Marpefa (Vieta)

(Zaak T-690/14)

(2014/C 431/60)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sony Computer Entertainment Europe Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: S. Malynicz, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Marpefa, SL (Barcelona, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: gemeenschapsmerk nr. 1 7 90  674

Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 2 juli 2014 in zaak R 2100/2013-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing,

verwijzing van het BHIM en de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009,

schending van artikel 15, lid 1, sub a, van verordening nr. 207/2009,

schending van artikel 51, lid 2, van verordening nr. 207/2009.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/38


Beroep ingesteld op 22 september 2014 — Niche Generics/Commissie

(Zaak T-701/14)

(2014/C 431/61)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Niche Generics Ltd (Hitchin, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: E. Batchelor, M. Healy, solicitors, en F. Carlin, barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit nietig verklaren;

de geldboete nietig verklaren of althans verlagen, en

de Commissie verwijzen in haar eigen kosten en in die van verzoekster in het kader van de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep vordert verzoekster gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 def. van de Commissie van 9 juli 2014 in zaak AT.39612 — Perindopril (Servier).

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster elf middelen aan.

1.

De Commissie heeft niet het juiste juridische criterium van „objectieve noodzaak” toegepast om te bepalen of de schikkingsovereenkomst voor octrooien tussen verzoekster en Servier onder artikel 101, lid 1, VWEU valt.

2.

De Commissie heeft het beginsel van gelijke behandeling geschonden door de groepsvrijstellingsverordening inzake technologieoverdracht niet toe te passen op verzoeksters schikking.

3.

De Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de schikking aan te merken als een schending van artikel 101, lid 1, VWEU wegens het „mededingingsbeperkende doel” ervan.

4.

De Commissie heeft haar eigen juridisch criterium van „inbreuk wegens het mededingingsbeperkende doel” onjuist toegepast op de specifieke feiten met betrekking tot verzoekster.

5.

De Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen dat de schikkingsovereenkomst mededingingsbeperkende gevolgen had.

6.

Subsidiair, onjuiste rechtsopvatting van de Commissie door niet te erkennen dat de schikkingsovereenkomst voldoet aan de vrijstellingscriteria van artikel 101, lid 3, VWEU.

7.

De Commissie heeft verzoeksters rechten van de verdediging en het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden door streng te handelen bij haar onderzoek van vertrouwelijk documenten.

8.

De Commissie heeft het beginsel van gelijke behandeling geschonden bij de berekening van de geldboete door verzoekster zonder objectieve rechtvaardiging anders te behandelen dan Servier.

9.

De Commissie heeft bij de oplegging aan verzoekster van een geldboete het evenredigheidsbeginsel en haar eigen richtsnoeren voor de berekening van geldboeten geschonden en haar vaste praktijk niet gevolgd.

10.

De Commissie heeft artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (1) geschonden door het maximale plafond van 10 % voor geldboeten te overschrijden.

11.

De Commissie is de krachtens artikel 296 VWEU op haar rustende motiveringsplicht niet nagekomen bij de berekening van de geldboete en de beoordeling van de zwaarte van verzoeksters inbreuk.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/39


Beroep ingesteld op 10 oktober 2014 — IPSO/ECB

(Zaak T-713/14)

(2014/C 431/62)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: International and European Public Services Organisation (IPSO) (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank (ECB)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het besluit van de directie van de ECB van 30 mei 2014, dat is bekendgemaakt op 16 juli 2014, om de maximale duur van bepaalde contracten van tijdelijke ambtenaren die met secretariaatswerk en administratieve taken zijn belast, vast te stellen op twee jaar, nietig te verklaren;

verweerster te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die ex aequo et bono wordt begroot op 15  000 EUR;

verweerster te verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan, ten eerste, schending van verzoeksters recht op informatie en raadpleging dat is vastgelegd in artikel 27 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in richtlijn 2002/14 (1) en dat is gepreciseerd en uitgevoerd bij de tussen de ECB en de IPSO gesloten kaderovereenkomst betreffende de erkenning, de uitwisseling van informatie en de raadpleging en de ad hoc overeenkomst van januari 2014 tot oprichting van de werkgroep betreffende de tijdelijke werknemers en, ten tweede, schending van deze overeenkomsten.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van het recht op behoorlijk bestuur en inzonderheid van het recht om te worden gehoord en het recht om inzage te krijgen in de stukken, welke procedurele rechten zijn vastgelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


(1)  Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap — Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de vertegenwoordiging van de werknemers (PB L 80, blz. 29).


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/40


Beroep ingesteld op 8 oktober 2014 — Bonney/BHIM — Bruno (ATHEIST)

(Zaak T-714/14)

(2014/C 431/63)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: David Bonney (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: D. Farnsworth, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Vanessa Bruno (Parijs, Frankrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „ATHEIST” — aanvraag nr. 1 0 0 34  874

Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 5 augustus 2014 in zaak R 803/2013-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

afwijzing van de oppositie wat de waren en diensten van de klassen 18, 25 en 35 betreft;

verwijzing van het BHIM in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/40


Beroep ingesteld op 9 oktober 2014 — NK Rosneft e.a./Raad

(Zaak T-715/14)

(2014/C 431/64)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: NK Rosneft OAO (Moskou, Rusland); RN-Shelf-Arctic OOO (Moskou); RN-Shelf-Dalniy Vostok ZAO (Yuzhniy Sakhalin, Rusland); RN-Exploration OOO (Moskou); en Tagulskoe OOO (Krasnoyarsk, Rusland) (vertegenwoordiger: T. Beazley, QC)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

artikel 1, leden 2, sub b, c en d, en 3, van, en bijlage III bij, besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, zoals gewijzigd bij besluit 2014/659/GBVB van de Raad van 8 september 2014, nietig verklaren;

de artikelen 3, 3a, 4, leden 3 en 4, bijlage II, artikel 5, lid 2, sub b, c, en d, lid 3 en bijlage VI, en artikel 11 van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 960/2014 van de Raad van 8 september 2014, nietig verklaren;

verder of subsidiair, verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad en besluit 2014/512/GBVB van de Raad nietig verklaren voor zover zij op de verzoekende partijen van toepassing zijn;

de Raad in de kosten verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen negen middelen aan.

1.

Eerste middel, inhoudend dat de Raad heeft nagelaten om redenen aan te dragen die toereikend zijn om een volledige toetsing mogelijk te maken van de inhoudelijke en procedurele rechtmatigheid van de bepalingen waarvan de verzoekende partijen nietigverklaring vorderen (de „betrokken maatregelen”), en dat de Raad de rechten van verdediging van de verzoekende partijen en hun recht op doeltreffende rechterlijke bescherming met betrekking tot de betrokken maatregelen heeft geschonden.

2.

Tweede middel, inhoudend dat er door de Raad geen gegevens zijn aangedragen die de betrokken maatregelen zouden kunnen rechtvaardigen of feitelijk rechtvaardigen op de grond dat deze een legitiem of rechtmatig doel dienen.

3.

Derde middel, inhoudend dat de betrokken maatregelen in strijd zijn met de internationaalrechtelijke verplichtingen van de EU op grond van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Rusland en/of de GATT.

4.

Vierde middel, inhoudend dat de Raad niet over de bevoegdheid beschikte om de betrokken maatregelen vast te stellen, dan wel dat die maatregelen onrechtmatig zijn, aangezien niet is gebleken, en ook niet inzichtelijk is gemaakt aan de hand van argumenten, dat er tussen het aangegeven doel van besluit 2014/512/GBVB van de Raad en de middelen om dit doel te bereiken een rationele samenhang bestaat.

5.

Vijfde middel, inhoudend dat verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad niet naar behoren uitvoering geeft aan de bepalingen van besluit 2014/512/GBVB van de Raad, omdat de Raad niet bevoegd was om artikel 3 van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad vast te stellen, althans, indien hij daartoe wel bevoegd was, dit niet rechtmatig kon doen, nu het (in ieder geval) op het eerste gezicht in strijd komt met de onderliggende bepalingen van besluit 2014/512/GBVB van de Raad, in het bijzonder artikel 4 daarvan.

6.

Zesde middel, inhoudend dat de Raad niet bevoegd was om de betrokken maatregelen vast te stellen, althans dit niet rechtmatig kon doen, aangezien zij het fundamentele beginsel van gelijke behandeling en het verbod van willekeur schenden.

7.

Zevende middel, inhoudend dat de Raad niet bevoegd was om de betrokken maatregelen vast te stellen, althans dit niet rechtmatig kon doen, aangezien zij niet evenredig zijn, althans niet is aangetoond dat zij evenredig zijn, in verhouding tot het door besluit 2014/512/GBVB van de Raad nagestreefde doel. Bovendien geldt dat deze bepalingen als gevolg van hun onevenredigheid (a) inbreuk maken op de wetgevingsbevoegdheden van de Unie op grond van de GHP en (b) een ontoelaatbare schending vormen van het fundamentele eigendomsrecht van de verzoekende partijen en/of van hun vrijheid van ondernemerschap.

8.

Achtste middel, inhoudend dat de bestreden bepaling, in het bijzonder gelet op het ontbreken van enige uitleg van de betrokken maatregelen en hun aard, er in ieder geval mede op gericht zou kunnen zijn een ander doel te dienen dan het aangegeven doel, en dat ook op dit afzonderlijke punt de bij besluit 2014/512/GBVB van de Raad toegekende bevoegdheden zijn misbruikt.

9.

Negende middel, inhoudend dat sprake is van een inbreuk op de constitutionele waarborg van rechtszekerheid, mede door de onduidelijkheid van sleutelbegrippen in de betrokken maatregelen.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/41


Beroep ingesteld op 10 oktober 2014 — Hong Kong Group/BHIM — WE Brand (W E)

(Zaak T-718/14)

(2014/C 431/65)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Hong Kong Group Oy (Vantaa, Finland) (vertegenwoordiger: J. Spåre, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: WE Brand Sàrl (Luxemburg, Luxemburg)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: beeldmerk met het woordelement „W E”– inschrijvingsaanvraag nr. 1 0 7 63  795

Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 4 augustus 2014 in zaak R 2305/2013-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing en toewijzing van de door verzoekende partij ingediende aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmerk,

verwijzing van het BHIM en de andere partij in de procedure in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/42


Beroep ingesteld op 13 oktober 2014 — België/Commissie

(Zaak T-721/14)

(2014/C 431/66)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: L. Van den Broeck en M. Jacobs, gemachtigden, bijgestaan door P. Vlaemminck en B. Van Vooren, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de aanbeveling van de Commissie 2014/478/EU van 14 juli 2014 betreffende beginselen ter bescherming van consumenten en gebruikers van onlinegokdiensten en ter voorkoming van onlinegokken door minderjarigen nietig te verklaren;

de Commissie te veroordelen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een schending van het beginsel van toegewezen bevoegdheden van artikel 5 VEU door niet te verwijzen naar de substantiële rechtsbasis in de Verdragen die aan de Commissie de bevoegdheid toekent om de aangevochten maatregel aan te nemen.

2.

Tweede middel, ontleend aan een schending van het beginsel van toegewezen bevoegdheden, aangezien de Verdragen de Commissie niet bevoegd maken om in de kansspelsector een instrument aan te nemen met harmoniserende werking.

3.

Derde middel, ontleend aan een schending van het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, VEU en van de institutionele balans van artikel 13, lid 2, VEU, omdat de Commissie de Conclusies van de Raad van 10 december 2010„Kader voor kansspelen en weddenschappen in de lidstaten van de Europese Unie” (Document 16884/10) naast zich heeft neergelegd.

4.

Vierde middel, ontleend aan een schending van het loyaliteitsbeginsel van artikel 4, lid 3, VEU ten aanzien van de lidstaten.

5.

Vijfde middel, ontleend aan een schending van artikelen 13, lid 2, VEU en 288 en 289 VWEU, aangezien de aangevochten maatregel in feite een verborgen richtlijn uitmaakt. Verzoekster voert eveneens een schending aan van artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie doordat de Commissie niet bij wet overgaat tot een beperking van de vrijheid van meningsuiting en van informatie zoals vervat in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/43


Beroep ingesteld op 14 oktober 2014 — Aalberts Industries/Commissie en Hof van Justitie van de Europese Unie

(Zaak T-725/14)

(2014/C 431/67)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Aalberts Industries NV (Utrecht, Nederland) (vertegenwoordigers: R. Wesseling en M. Tuurenhout, advocaten)

Verwerende partijen: Europese Commissie en Hof van Justitie van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de Europese Unie vertegenwoordigd door het Hof van Justitie dan wel de Europese Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade die Aalberts heeft geleden als gevolg van de schending van haar rechten bestaande uit 1 0 41  863 euro aan materiële schade en 5 0 40  000 euro aan immateriële schade dan wel een door het Gerecht ex aequo et bono te bepalen bedrag, beide te verhogen met compensatoire interesten over de periode vanaf 13 januari 2010 tot de datum van de uitspraak op dit verzoekschrift, tegen de door de ECB voor de voornaamste herfinancieringsoperaties vastgestelde rentevoet die voor de betrokken periode gold, verhoogd met twee procentpunten of een door het Gerecht in redelijkheid vast te stellen rente;

de Europese Unie vertegenwoordigd door het Hof van Justitie dan wel de Europese Commissie te veroordelen in de kosten van het geding.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster voert aan dat het Gerecht haar recht op behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn geschonden heeft in de procedure T-385/06, Aalberts Industries N.V. e.a./Commissie, die verzoekster aanhangig heeft gemaakt tegen beschikking C(2006) 4180 van de Commissie van 20 september 2006 betreffende een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/F-1/38.121 — Fittingen).

Verzoekster voert aan dat de procedure 4 jaar en 3 maanden in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van haar beroep door het Gerecht gelet op alle omstandigheden van het geval niet meer dan 3 jaar had mogen duren. Verzoekster stelt dat het Gerecht in strijd gehandeld heeft met artikel 47, tweede alinea, Handvest, dat aan de rechterlijke instanties van de Unie de verplichting oplegt om de aan hen voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn te berechten, en met artikel 6, eerste lid, EVRM, dat aan particulieren het recht toekent om hun zaak binnen een redelijke termijn behandeld te hebben.

Verzoekster heeft reële en zekere materiële schade geleden als gevolg van het feit dat het Gerecht de beroepsprocedure niet binnen een periode van 3 jaar heeft afgehandeld. Deze schade bestaat uit de kosten die zij heeft moeten maken voor de herfinanciering van een bankgarantie nádat de behandeling van het beroep langer dan 3 jaar had geduurd.

Verzoekster heeft immateriële schade geleden doordat het beeld van haar als kartelovertreder onredelijk lang in stand is gehouden als gevolg van de excessieve duur van de procedure voor het Gerecht. Verzoekster is van oordeel dat een vergoeding ter hoogte van 5 % van de initieel opgelegde boete in lijn is met de vergoeding die door het Hof van Justitie passend is geacht in vergelijkbare gevallen van ernstige termijnoverschrijdingen bij de beoordeling van kartelboetes.

Verzoekster stelt, in het licht van het bovenstaande, dat er een direct oorzakelijk verband bestaat tussen de gevorderde schade en een door de Unie geschonden rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen. Verzoekster is bijgevolg van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede volzin, VWEU.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/44


Beroep ingesteld op 10 oktober 2014 — Universal Protein Supplements Corp. d/b/a Universal Nutrition/BHIM — H. Young Holdings (animal)

(Zaak T-727/14)

(2014/C 431/68)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Universal Protein Supplements Corp. d/b/a Universal Nutrition (New Brunswick, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: S. Malynicz, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: H. Young Holdings plc (Newbury, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met woordelement „animal — gemeenschapsmerk nr. 2 8 22  807

Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 31 juli 2014 in zaak R 2054/2013-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing,

verwijzing van het BHIM en de andere partij in hun eigen kosten en in verzoeksters kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009;

schending van regel 37, sub b-ii, van verordening nr. 2868/95.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/44


Beroep ingesteld op 10 oktober 2014 — Universal Protein Supplements Corp. d/b/a Universal Nutrition/BHIM — H. Young Holdings (animal)

(Zaak T-728/14)

(2014/C 431/69)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Universal Protein Supplements Corp. d/b/a Universal Nutrition (New Brunswick, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: S. Malynicz, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: H. Young Holdings plc (Newbury, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met het woordelement „animal” –gemeenschapsmerk nr. 2 8 24  548

Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 31 juli 2014 in zaak R 2058/2013-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het BHIM en de andere partij in hun eigen kosten en in verzoeksters kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009;

schending van regel 37, sub b-ii, van verordening nr. 2868/95.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/45


Beschikking van het Gerecht van 2 oktober 2014 — Ratioparts-Ersatzteile/BHIM — Norwood Industries (NORTHWOOD professional forest equipment)

(Zaak T-592/13) (1)

(2014/C 431/70)

Procestaal: Duits

De president van de Vijfde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 24 van 25.1.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/45


Beschikking van het Gerecht van 2 oktober 2014 — Ratioparts-Ersatzteile/BHIM — Norwood Promotional Products Europe (NORTHWOOD professional forest equipment)

(Zaak T-622/13) (1)

(2014/C 431/71)

Procestaal: Duits

De president van de Vijfde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 39 van 8.2.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/46


Beschikking van het Gerecht van 1 oktober 2014 — Tui Deutschland/BHIM — Infinity Real Estate & Project Development (Sensimar)

(Zaak T-706/13) (1)

(2014/C 431/72)

Procestaal: Duits

De president van de Vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 61 van 1.3.2014.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/46


Beschikking van het Gerecht van 2 september 2014 — Petropars e.a./Raad

(Zaak T-370/14) (1)

(2014/C 431/73)

Procestaal: Engels

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 261 van 11.8.2014.


Gerecht voor ambtenarenzaken

1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/47


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 15 oktober 2014 — AY/Raad

(Zaak F-23/11 RENV) (1)

((Openbare dienst - Ambtenaren - Terugverwijzing naar het Gerecht na vernietiging - Bevordering - Bevorderingsronde 2010 - Vergelijking van verdiensten - Besluit om verzoeker niet te bevorderen))

(2014/C 431/74)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: AY (vertegenwoordiger: É. Boigelot, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en A. F. Jensen, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Raad om verzoeker niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2010 tot de rang AST 9 zijn bevorderd en vergoeding van de geleden immateriële schade. Zaak T-167/12 P door het Gerecht terugverwezen na vernietiging.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

AY zal zijn eigen kosten dragen in de zaken F-23/11, T-167/12 P en F-23/11 RENV alsmede de kosten van de Raad van de Europese Unie in zaak F-23/11.

3)

De Raad van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen in de zaken T-167/12 P en F-23/11 RENV.


(1)  PB C 226 van 30.7.2011, blz. 31.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/47


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 15 oktober 2014 — Van de Water/Parlement

(Zaak F-86/13) (1)

((Openbare dienst - Rechten en verplichtingen van de ambtenaar - Verklaring van intentie om na beëindiging van de dienst een beroepsbezigheid uit te oefenen - Artikel 16 van het Statuut - Verenigbaarheid met de legitieme belangen van de instelling - Verbod))

(2014/C 431/75)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Robert van de Water (Grimbergen, België) (vertegenwoordigers: P. Bentley QC en R. Bäuerle, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: N. Chemaï en M. Dean, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit waarbij verzoeker is verboden om binnen een periode van twee jaar na beëindiging van zijn functie bij het Europees Parlement de post van adviseur bij de minister-president van de Oekraïne te aanvaarden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Van de Water zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van het Europese Parlement.


(1)  PB C 336 van 16.11.2013, blz. 31.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/48


Beroep ingesteld op 24 juni 2014 — ZZ/Europese Commissie

(Zaak F-59/14)

(2014/C 431/76)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: H. Mannes, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Openbare dienst — Verzoek om vergoeding van de materiële en de immateriële schade, met betaling van vertragingsrente, die verzoeker heeft geleden als gevolg van het verlies van een kans op aanstelling bij de EU, gebaseerd op het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2010 in zaak F-5/08, Brune/Commissie

Conclusies van de verzoekende partij

de verwerende partij veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade, met betaling van vertragingsrente, die verzoeker heeft geleden door zijn onrechtmatige uitsluiting van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/26/05;

de verwerende partij verwijzen in de kosten van de procedure;

subsidiair, een vonnis bij verstek wijzen.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/48


Beroep ingesteld op 31 juli 2014 — ZZ/Gemeenschappelijke Onderneming ECSEL

(Zaak F-75/14)

(2014/C 431/77)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: V. A. Christianos, advocaat)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke Onderneming ECSEL

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van verzoekers beoordelingsrapport over 2012

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het bestreden besluit waarbij ARTEMIS verzoekers klacht heeft afgewezen en nietigverklaring van het op 15 november 2013 door de beoordelaar in beroep vastgestelde bestreden besluit ter zake van verzoekers gemotiveerde weigering om de inhoud van het beoordelingsrapport over 2012 te accepteren;

verwijzing van de Gemeenschappelijke Onderneming ECSEL in de kosten van de procedure.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/49


Beroep ingesteld op 1 september 2014 — ZZ/Raad

(Zaak F-87/14)

(2014/C 431/78)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van de besluiten van de Raad betreffende de vergoeding van de kosten voor verzoeksters ziekenhuisopname en veroordeling van de Raad tot, ten eerste, betaling van vertragings- en compenserende rente en, ten tweede, vergoeding van de immateriële schade die zij zou hebben geleden

Conclusies van de verzoekende partij

gedeeltelijke nietigverklaring van de besluiten van het Afwikkelingsbureau Brussel, zoals deze volgen uit afrekening 55 van 27 september 2013 betreffende het verzoek van 12 juli 2012 om vergoeding van de kosten van verzoeksters ziekenhuisopname;

verklaring van nietigheid van de brieven van het hoofd Afwikkelingsbureau van 19 november 2013 betreffende de niet-inwilliging van een vermeend verzoek om voorafgaande toestemming van 12 juli 2012 of, subsidiair, nietigverklaring van deze brieven;

voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van het TABG van 22 mei 2014 tot afwijzing van verzoeksters klachten van 27 december 2013 en 18 februari 2014;

veroordeling van de Raad tot betaling van vertragings- en compenserende rente vanaf de datum waarop de gevraagde bedragen opeisbaar waren alsmede tot vergoeding van verzoeksters immateriële schade;

verwijzing van de Raad in de kosten van de procedure.


1.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 431/50


Beroep ingesteld op 29 september 2014 — ZZ/Raad

(Zaak F-98/14)

(2014/C 431/79)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Gedeeltelijke nietigverklaring van twee Mededelingen aan het personeel van de Raad, voor zover daarbij de vergoeding van reiskosten van de plaats van tewerkstelling naar de plaats van herkomst en de termijn wegens afstand worden gekoppeld aan de ontheemdings- en de buitenlandtoelage alsmede veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een vergoeding voor de geleden materiële en immateriële schade

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring, uit hoofde van artikel 270 VWEU, van het besluit in Mededeling aan het personeel 13/14 (besluit 2/2014) van 9 januari 2014, waarbij de regeling voor de termijn wegens afstand is gewijzigd als gevolg van de toepasselijkheid, vanaf 1 januari 2014, van artikel 7 van bijlage V bij het Statuut, alsmede van het besluit in Mededeling aan het personeel 9/14 (besluit 12/2014), waarbij de regeling voor de reiskosten is gewijzigd als gevolg van de toepasselijkheid, vanaf 1 januari 2014, van artikel 8 van bijlage VII bij het Statuut, zoals gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, bekendgemaakt in Publicatieblad L 287 van 29 oktober 2013. Het verzoek om nietigverklaring is beperkt tot het deel van die Mededelingen aan het personeel dat het recht op reiskosten en op de termijn wegens afstand koppelt aan de ontheemdings- of de buitenlandtoelage alsmede tot artikel 6 van Mededeling aan het personeel 9/14, waarbij nieuwe criteria zijn ingevoerd voor de bepaling van de plaats van herkomst;

veroordeling van de verwerende partij tot betaling aan de verzoekende partij van een bedrag van 1 65  596,42 EUR voor de materiële schade en een bedrag van 40  000 EUR voor de immateriële schade;

veroordeling van de verwerende partij tot betaling van 6,75 % vertragings- en compenserende rente over de geleden materiële en immateriële schade;

verwijzing van de Raad in de kosten van de procedure.