ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 372

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

57e jaargang
20 oktober 2014


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2014/C 372/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2014/C 372/02

Zaak C-150/14 P: Hogere voorziening ingesteld op 31 maart 2014 door Goldsteig Käsereien Bayerwald GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 29 januari 2014 in zaak T-47/13, Goldsteig Käsereien Bayerwald GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en Christin Vieweg

2

2014/C 372/03

Zaak C-339/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Nürnberg (Duitsland) op 14 juli 2014 — Strafzaak tegen Andreas Wittmann

2

2014/C 372/04

Zaak C-342/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 16 juli 2014 — X-Steuerberatungsgesellschaft/Finanzamt Hannover-Nord

3

2014/C 372/05

Zaak C-371/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 1 augustus 2014 — APEX GmbH Internationale Spedition/Hauptzollamt Hamburg-Stadt

3

2014/C 372/06

Zaak C-375/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Frosinone (Italië) op 6 augustus 2014 — Strafzaak tegen Rosaria Laezza

4

2014/C 372/07

Zaak C-386/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative d'appel de Versailles (Frankrijk) op 13 augustus 2014 — Groupe Steria SCA/Ministère des finances et des comptes publics

4

2014/C 372/08

Zaak C-388/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Köln (Duitsland) op 14 augustus 2014 — Timac Agro Deutschland GmbH/Finanzamt Sankt Augustin

5

2014/C 372/09

Zaak C-389/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 18 augustus 2014 — Esso Italiana srl e.a./Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e.a.

5

2014/C 372/10

Zaak C-390/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Eparchiako Dikastirio Larnakas (Cyprus) op 18 augustus 2014 — Astinomikos Diefthindis Larnakas/Masoud Mehrabipari

7

2014/C 372/11

Zaak C-391/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 18 augustus 2014 — Api Raffineria di Ancona SpA/Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e.a.

7

2014/C 372/12

Zaak C-392/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 18 augustus 2014 — Lucchini SpA in amministrazione straordinaria/Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e.a.

9

2014/C 372/13

Zaak C-393/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 18 augustus 2014 — Dalmine SpA/Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e.a.

10

2014/C 372/14

Zaak C-394/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim (Duitsland) op 18 augustus 2014 — Sandy Siewert e.a./Condor Flugdienst GmbH

11

2014/C 372/15

Zaak C-395/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) op 19 augustus 2014 — Vodafone GmbH/Bondsrepubliek Duitsland

12

 

Gerecht

2014/C 372/16

Zaak T-471/11: Arrest van het Gerecht van 5 september 2014 — Éditions Odile Jacob/Commissie (Mededinging — Concentraties — Markt van uitgifte van boeken — Beschikking waarbij de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard onder voorwaarde dat activa worden afgestoten — Besluit houdende goedkeuring van de overnemer van de afgestoten activa — Besluit dat is vastgesteld na de nietigverklaring door het Gerecht van de oorspronkelijke beschikking betreffende dezelfde procedure — Procesbelang — Schending van artikel 266 VWEU — Niet-nakoming van de verbintenissen die zijn opgelegd bij de voorwaardelijke goedkeuringsbeschikking — Onderscheid tussen voorwaarden en verplichtingen — Verbod van terugwerkende kracht — Beoordeling van kandidatuur van verkrijger — Onafhankelijkheid van verkrijger ten opzichte van vervreemder — Misbruik van bevoegdheid — Motiveringsplicht)

13

2014/C 372/17

Zaak T-516/11: Arrest van het Gerecht van 9 september 2014 — MasterCard e.a./Commissie [Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Documenten betreffende een studie over de kosten en baten voor handelaars van het aanvaarden van verschillende betaalmiddelen — Documenten van een derde — Weigering van toegang — Uitzondering betreffende de bescherming van het besluitvormingsproces — Uitzondering betreffende de bescherming van de commerciële belangen van een derde]

13

2014/C 372/18

Zaak T-218/12: Arrest van het Gerecht van 10 september 2014 — Micrus Endovascular/BHIM — Laboratorios Delta (DELTA) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk DELTA — Oudere internationale en nationale beeldmerken DELTA PORTUGAL en firmanaam LABORATORIOS DELTA — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009]

14

2014/C 372/19

Zaak T-461/12: Arrest van het Gerecht van 9 september 2014 — Hansestadt Lübeck/Commissie [Staatsteun — Luchthavenheffingen — Luchthaven van Lübeck — Besluit om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU te openen — Artikel 107, lid 1, VWEU — Kennelijk onjuiste beoordeling — Artikel 10 van verordening (EG) nr. 659/1999]

15

2014/C 372/20

Zaak T-494/12: Arrest van het Gerecht van 9 september 2014 — Biscuits Poult/BHIM — Banketbakkerij Merba (Biscuit) [Gemeenschapsmodel — Nietigheidsprocedure — Ingeschreven gemeenschapsmodel in vorm van gebroken koekje — Nietigheidsgrond — Geen eigen karakter — Artikelen 4, 6 en 25, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 6/2002]

16

2014/C 372/21

Zaak T-199/13: Arrest van het Gerecht van 10 september 2014 — DTM Ricambi/BHIM — STAR (STAR) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk STAR — Ouder internationaal beeldmerk STAR LODI — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009]

16

2014/C 372/22

Zaak T-555/14: Beroep ingesteld op 25 juli 2014 — Estland/Commissie

17

2014/C 372/23

Zaak T-567/14: Beroep ingesteld op 1 augustus 2014 — Group OOD/BHIM — Kosta Iliev (GROUP Company TOURISM & TRAVEL)

18

2014/C 372/24

Zaak T-585/14: Beroep ingesteld op 4 augustus 2014 — Slovenië/Commissie

19

2014/C 372/25

Zaak T-586/14: Beroep ingesteld op 7 augustus 2014 — Xinyi PV Products (Anhui) Holdings/Commissie

20

2014/C 372/26

Zaak T-597/14: Beroep ingesteld op 11 augustus 2014 — Cham en Bena Properties/Raad

21

2014/C 372/27

Zaak T-602/14: Beroep ingesteld op 11 augustus 2014 — Bena Properties/Raad

22

2014/C 372/28

Zaak T-615/14: Beroep ingesteld op 14 augustus 2014 — Fútbol Club Barcelona/BHIM (afbeelding van een schild)

22

2014/C 372/29

Zaak T-165/14: Beschikking van het Gerecht van 3 september 2014 — ANKO/Commissie en REA

23

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

2014/C 372/01

Laatste publicatie

PC C 361 van 13.10.2014

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PC C 351 van 6.10.2014

PB C 339 van 29.9.2014

PB C 329 van 22.9.2014

PB C 315 van 15.9.2014

PB C 303 van 8.9.2014

PB C 292 van 1.9.2014

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/2


Hogere voorziening ingesteld op 31 maart 2014 door Goldsteig Käsereien Bayerwald GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 29 januari 2014 in zaak T-47/13, Goldsteig Käsereien Bayerwald GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en Christin Vieweg

(Zaak C-150/14 P)

2014/C 372/02

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Goldsteig Käsereien Bayerwald GmbH (vertegenwoordiger: S. Biagosch, Rechtsanwalt)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Christin Vieweg

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Negende kamer) heeft bij beschikking van 4 september 2014 de hogere voorziening afgewezen en rekwirante verwezen in haar eigen kosten.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/2


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Nürnberg (Duitsland) op 14 juli 2014 — Strafzaak tegen Andreas Wittmann

(Zaak C-339/14)

2014/C 372/03

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Nürnberg

Partijen in het hoofdgeding

Andreas Wittmann

Andere partij: Generalstaatsanwaltschaft Nürnberg

Prejudiciële vraag

Dient artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) aldus te worden uitgelegd dat met de intrekking van een rijbewijs is gelijk te stellen het geval dat het rijbewijs van de bestuurder van een voertuig niet wordt ingetrokken enkel omdat hem de rijbevoegdheid reeds eerder is ontnomen en hij dus geen rijbewijs heeft, en tegelijkertijd wordt bepaald dat aan deze persoon in ieder geval voor een bepaalde duur geen nieuw rijbewijs mag worden afgegeven?


(1)  Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB L 403, blz. 18).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 16 juli 2014 — X-Steuerberatungsgesellschaft/Finanzamt Hannover-Nord

(Zaak C-342/14)

2014/C 372/04

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: X-Steuerberatungsgesellschaft

Verwerende partij: Finanzamt Hannover-Nord

Prejudiciële vragen

1)

Staat artikel 5 van richtlijn 2005/36/EG (1) in de weg aan een beperking van het vrij verrichten van diensten ingeval een naar de wettelijke bepalingen van een lidstaat opgericht belastingadvieskantoor in de lidstaat van vestiging, waarin de activiteit van fiscale advisering niet is gereglementeerd, een belastingaangifte opstelt voor de ontvanger van de dienst in een andere lidstaat en deze bij de belastingdienst indient, en nationale voorschriften in de andere lidstaat bepalen dat een belastingadvieskantoor een vergunning moet hebben om beroepsmatig bijstand in belastingzaken te kunnen verlenen en moet worden bestuurd onder de verantwoordelijkheid van belastingadviseurs?

2)

Kan een belastingadvieskantoor onder de in de eerste vraag genoemde omstandigheden met succes een beroep doen op artikel 16, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/123/EG (2), ongeacht in welk van beide lidstaten het de dienst verricht?

3)

Moet artikel 56 VWEU aldus worden uitgelegd dat het onder de in de eerste vraag genoemde omstandigheden in de weg staat aan een beperking van het vrij verrichten van diensten door in de lidstaat van de ontvanger van de dienst geldende voorschriften, wanneer het belastingadvieskantoor niet is gevestigd in de lidstaat van de ontvanger van de dienst?


(1)  Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22).

(2)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376, blz. 36).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 1 augustus 2014 — APEX GmbH Internationale Spedition/Hauptzollamt Hamburg-Stadt

(Zaak C-371/14)

2014/C 372/05

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Hamburg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: APEX GmbH Internationale Spedition

Verwerende partij: Hauptzollamt Hamburg-Stadt

Prejudiciële vragen

1)

Is uitvoeringsverordening (EU) nr. 260/2013 (1) [van de Raad] van 18 maart 2013 tot uitbreiding van het bij verordening (EG) nr. 1458/2007 ingestelde definitieve antidumpingrecht op niet-navulbare zakgasaanstekers met vuursteentje van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot niet-navulbare zakgasaanstekers met vuursteentje verzonden vanuit de Socialistische Republiek Vietnam, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Socialistische Republiek Vietnam (PB L 82, blz. 10; hierna: „verordening nr. 260/2013”) ongeldig omdat op het tijdstip van de vaststelling ervan de geldigheidsduur van het bij verordening (EG) nr. 1458/2007 ingestelde antidumpingrecht, dat diende te worden uitgebreid, al verstreken was?

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

2)

Is verordening nr. 260/2013 ongeldig omdat een ontduiking, in de zin artikel 13, lid 1, van verordening nr. [1225/2009], van de bij verordening (EG) nr. 1458/2007 (2) (PB L 326, blz. 1) gelaste maatregel niet kan worden vastgesteld?


(1)  PB L 82, blz. 10.

(2)  Verordening (EG) nr. 1458/2007 van de Raad van 10 december 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op niet-navulbare zakgasaanstekers met vuursteentje en bepaalde navulbare zakaanstekers met vuursteentje van oorsprong uit de Volksrepubliek China of Taiwan of die vanuit Taiwan worden verzonden (PB L 326, blz. 1).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Frosinone (Italië) op 6 augustus 2014 — Strafzaak tegen Rosaria Laezza

(Zaak C-375/14)

2014/C 372/06

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Frosinone

Partijen in de strafzaak

Rosaria Laezza

Prejudiciële vraag

Moeten de artikelen 49 e.v. VWEU en 56 e.v. VWEU, mede zoals aangevuld in het licht van de beginselen in het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2012, C-72/10, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling die verplicht tot levering om niet van het gebruik van de in eigendom toebehorende materiële en immateriële goederen die het beheer- en inzamelnetwerk ten behoeve van spelen vormen bij beëindiging van de activiteit als gevolg van verstrijken van de looptijd van de concessie of als gevolg van intrekking of verval van de concessie?


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative d'appel de Versailles (Frankrijk) op 13 augustus 2014 — Groupe Steria SCA/Ministère des finances et des comptes publics

(Zaak C-386/14)

2014/C 372/07

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour administrative d'appel de Versailles

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Groupe Steria SCA

Verwerende partij: Ministère des finances et des comptes publics

Prejudiciële vraag

Moet artikel 43 EG, thans artikel 49 VWEU, betreffende de vrijheid van vestiging, aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de Franse fiscale-integratieregeling een moederonderneming in een fiscale eenheid de neutralisering van de re-integratie van het aandeel voor kosten en lasten verleent, dat forfaitair is vastgesteld op 5 % van het netto-bedrag van de alleen van de ingezeten vennootschappen in de fiscale eenheid ontvangen dividenduitkeringen, terwijl deze regeling haar een dergelijk recht weigert voor de dividenduitkeringen van haar in een andere lidstaat gevestigde dochters, die als ingezetenen objectief in aanmerking waren gekomen om te opteren voor de integratieregeling?


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Köln (Duitsland) op 14 augustus 2014 — Timac Agro Deutschland GmbH/Finanzamt Sankt Augustin

(Zaak C-388/14)

2014/C 372/08

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Köln

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Timac Agro Deutschland GmbH

Verwerende partij: Finanzamt Sankt Augustin

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 49 VWEU (artikel 43 EG) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling zoals die van § 52, lid 3, van het Einkommensteuergesetz (Duitse wet op de inkomstenbelasting), voor zover de reden van het feit dat belastingverlagende verliezen van een buitenlandse vaste inrichting die vroeger zijn afgetrokken, weer worden bijgeteld, de overdracht is van deze vaste inrichting aan een andere kapitaalvennootschap die tot hetzelfde concern als de verkoper behoort, en niet het behalen van winst?

2)

Moet artikel 49 VWEU (artikel 43 EG) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling zoals die van artikel 23, lid 1, sub a, van de overeenkomst inzake dubbele belasting tussen Duitsland en Oostenrijk, op basis waarvan inkomsten uit Oostenrijk worden uitgesloten van de heffingsgrondslag van de Duitse belasting indien deze inkomsten in Oostenrijk kunnen worden belast, wanneer het door een Oostenrijkse vaste inrichting van een Duitse kapitaalvennootschap geleden verlies niet meer in Oostenrijk kan worden verrekend omdat de vaste inrichting is overgedragen aan een Oostenrijkse kapitaalvennootschap die tot hetzelfde concern behoort als de Duitse kapitaalvennootschap?


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 18 augustus 2014 — Esso Italiana srl e.a./Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e.a.

(Zaak C-389/14)

2014/C 372/09

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Esso Italiana srl, Eni SpA, Linde Gas Italia srl

Verwerende partijen: Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e per il supporto nella gestione delle attività di progetto del Protocollo di Kyoto, Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare, Ministero dell’Economia e delle Finanze, Presidenza del Consiglio dei Ministri

Prejudiciële vragen

1)

Is besluit 2013/448/EU (1) van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig omdat daarin in de berekening van de kosteloos toe te wijzen emissierechten geen rekening is gehouden met het aandeel van de emissies in verband met de verbranding van afvalgassen — of van hoogovenprocesgassen — noch van de emissies in verband met door warmtekrachtkoppeling geproduceerde warmte, wat leidt tot schending van artikel 290 VWEU en van artikel 10 bis, leden 1, 4 en 5, van richtlijn 2003/87/EG (2), doordat de grenzen van de bij de richtlijn toegekende bevoegdheden zijn overschreden en wordt ingegaan tegen de doelen van de richtlijn (stimulering van meer energie-efficiënte technologieën en inachtneming van de vereisten van economische ontwikkeling en werkgelegenheid)?

2)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig in het licht van artikel 6 VEU, wegens strijdigheid met artikel 1 van het aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met artikel 17 van dat verdrag, doordat daarbij afbreuk is gedaan aan verzoeksters’ gerechtvaardigd vertrouwen om in het bezit te blijven van het goed bestaande in de hoeveelheid voorlopig toegewezen emissierechten die hun toekwam op basis van hetgeen was voorzien in de richtlijn, zodat hun het aan dat goed verbonden economisch nut is ontnomen?

3)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 voorts ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, daar dat besluit artikel 296, lid 2, VWEU en artikel 41 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie] schendt omdat het ontoereikend is gemotiveerd?

4)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, daar het besluit artikel 10 bis, lid 5, van richtlijn 2003/87/EG en het in artikel 5, lid 4, VEU vervatte evenredigheidsbeginsel schendt en het voorts onrechtmatig is wegens ontoereikend onderzoek en onjuiste beoordelingen, gelet op het feit dat in de berekening van de maximumhoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten (een belangrijk gegeven voor de bepaling van de uniforme transsectorale correctiefactor) geen rekening is gehouden met de gevolgen van de wijzigingen in de uitlegging van het begrip „verbrandingsinstallatie” die zich hebben voorgedaan tussen de eerste fase (2005-2007) en de tweede fase (2008-2012) van de uitvoering van richtlijn 2003/87/EG?

5)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, wegens schending van artikel 10 bis, lid 5, van richtlijn 2003/87/EG en artikel 9 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG, alsmede wegens ontoereikend onderzoek en een onjuiste beoordeling, gelet op het feit dat de berekening van de maximumhoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten (een belangrijk gegeven voor de bepaling van de uniforme transsectorale correctiefactor) is gemaakt op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens die onderling incoherent zijn omdat zij zijn gebaseerd op uiteenlopende uitleggingen van artikel 9 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG?

6)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ten slotte ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, wegens schending van de procedurele voorschriften van de artikelen 10 bis, lid 1, en 23, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG?


(1)  Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 240, blz. 27).

(2)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Eparchiako Dikastirio Larnakas (Cyprus) op 18 augustus 2014 — Astinomikos Diefthindis Larnakas/Masoud Mehrabipari

(Zaak C-390/14)

2014/C 372/10

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Eparchiako Dikastirio Larnakas

Partijen in het hoofdgeding

Vervolgende autoriteit: Astinomikos Diefthindis Larnakas

Strafzaak tegen: Masoud Mehrabipari

Prejudiciële vragen

1)

Kunnen de artikelen 15 en 16 van richtlijn 2008/115/EG (1), in het licht van de beginselen van loyale samenwerking, het nuttig effect van richtlijnen, en van evenredigheid, adequaatheid en gegrondheid van de straf, aldus worden uitgelegd dat vervolging kan worden ingesteld op basis van een nationale regeling die dateert van vóór de omzetting (artikel 19[, lid 1, sub f en i, van de vreemdelingen- en immigratiewet, bekend als „hoofdstuk 105”]) jegens een onderdaan van een derde land wiens verblijf illegaal is en jegens wie tevergeefs dwangmaatregelen met het oog op verwijdering zijn opgelegd en die langer dan 18 maanden in bewaring is gehouden omdat hij niet over een paspoort beschikte en niet heeft meegewerkt met de autoriteiten aan de afgifte van een paspoort door zijn ambassade met het argument dat hij vreesde voor vervolging door de Iraanse autoriteiten?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: kan de vervolging worden ingesteld onmiddellijk na het verstrijken van de maximale termijn voor bewaring van 18 maanden met het oog op uitwijzing, met als gevolg dat de onderdaan van een derde land wiens verblijf illegaal is, niet in vrijheid wordt gesteld en zijn bewaring in afwachting van de strafprocedure voortduurt indien de rechter dat noodzakelijk acht vanwege het gevaar dat hij verstek laat gaan?

3)

Wat wordt bedoeld met de zinsnede dat de betrokken onderdaan van een derde land „niet meewerkt” in de zin van artikel 15, [lid 6, sub a,] van richtlijn 2008/115 en inzonderheid, kan dit begrip samenvallen met bepalingen van nationaal recht (artikel 19[, lid 1, sub f en i, van de vreemdelingen- en immigratiewet, bekend als „hoofdstuk 105”]) waarbij elke weigering „het diensthoofd enig document over te leggen waarom deze heeft verzocht” en elke „vorm van verzet of belemmering, actief of passief, jegens enig diensthoofd in de uitoefening van zijn functies” wegens nalaten een paspoort over te leggen met strafrechtelijke sancties worden bedreigd, terwijl tegelijkertijd niet is aangegeven wat de autoriteiten bij de autoriteiten van het land van herkomst hebben ondernomen om de verwijdering van de onderdaan van het derde land tot een goed einde te brengen?


(1)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 18 augustus 2014 — Api Raffineria di Ancona SpA/Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e.a.

(Zaak C-391/14)

2014/C 372/11

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Api Raffineria di Ancona SpA

Verwerende partijen: Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE, Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare, Ministero dello Sviluppo Economico

Prejudiciële vragen

1)

Is besluit 2013/448/EU (1) van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig omdat daarin in de berekening van de kosteloos toe te wijzen emissierechten geen rekening is gehouden met het aandeel van de emissies in verband met de verbranding van afvalgassen — of van hoogovenprocesgassen — noch van de emissies in verband met door warmtekrachtkoppeling geproduceerde warmte, wat leidt tot schending van artikel 290 VWEU en van artikel 10 bis, leden 1, 4 en 5, van richtlijn 2003/87/EG (2), doordat de grenzen van de bij de richtlijn toegekende bevoegdheden zijn overschreden en wordt ingegaan tegen de doelen van de richtlijn (stimulering van meer energie-efficiënte technologieën en inachtneming van de vereisten van economische ontwikkeling en werkgelegenheid)?

2)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig in het licht van artikel 6 VEU, wegens strijdigheid met artikel 1 van het aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met artikel 17 van dat verdrag, doordat daarbij afbreuk is gedaan aan verzoeksters’ gerechtvaardigd vertrouwen om in het bezit te blijven van het goed bestaande in de hoeveelheid voorlopig toegewezen emissierechten die hun toekwam op basis van hetgeen was voorzien in de richtlijn, zodat hun het aan dat goed verbonden economisch nut is ontnomen?

3)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 voorts ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, daar dat besluit artikel 296, lid 2, VWEU en artikel 41 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie] schendt omdat het ontoereikend is gemotiveerd?

4)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, daar het besluit artikel 10 bis, lid 5, van richtlijn 2003/87/EG en het in artikel 5, lid 4, VEU vervatte evenredigheidsbeginsel schendt en het voorts onrechtmatig is wegens ontoereikend onderzoek en onjuiste beoordelingen, gelet op het feit dat in de berekening van de maximumhoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten (een belangrijk gegeven voor de bepaling van de uniforme transsectorale correctiefactor) geen rekening is gehouden met de gevolgen van de wijzigingen in de uitlegging van het begrip „verbrandingsinstallatie” die zich hebben voorgedaan tussen de eerste fase (2005-2007) en de tweede fase (2008-2012) van de uitvoering van richtlijn 2003/87/EG?

5)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, wegens schending van artikel 10 bis, lid 5, van richtlijn 2003/87/EG en artikel 9 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG, alsmede wegens ontoereikend onderzoek en een onjuiste beoordeling, gelet op het feit dat de berekening van de maximumhoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten (een belangrijk gegeven voor de bepaling van de uniforme transsectorale correctiefactor) is gemaakt op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens die onderling incoherent zijn omdat zij zijn gebaseerd op uiteenlopende uitleggingen van artikel 9 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG?

6)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ten slotte ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, wegens schending van de procedurele voorschriften van de artikelen 10 bis, lid 1, en 23, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG?


(1)  Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 240, blz. 27).

(2)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 18 augustus 2014 — Lucchini SpA in amministrazione straordinaria/Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e.a.

(Zaak C-392/14)

2014/C 372/12

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Lucchini SpA in amministrazione straordinaria

Verwerende partijen: Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE, Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare, Ministero dello Sviluppo Economico

Prejudiciële vragen

1)

Is besluit 2013/448/EU (1) van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig omdat daarin in de berekening van de kosteloos toe te wijzen emissierechten geen rekening is gehouden met het aandeel van de emissies in verband met de verbranding van afvalgassen — of van hoogovenprocesgassen — noch van de emissies in verband met door warmtekrachtkoppeling geproduceerde warmte, wat leidt tot schending van artikel 290 VWEU en van artikel 10 bis, leden 1, 4 en 5, van richtlijn 2003/87/EG (2), doordat de grenzen van de bij de richtlijn toegekende bevoegdheden zijn overschreden en wordt ingegaan tegen de doelen van de richtlijn (stimulering van meer energie-efficiënte technologieën en inachtneming van de vereisten van economische ontwikkeling en werkgelegenheid)?

2)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig in het licht van artikel 6 VEU, wegens strijdigheid met artikel 1 van het aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met artikel 17 van dat verdrag, doordat daarbij afbreuk is gedaan aan verzoeksters’ gerechtvaardigd vertrouwen om in het bezit te blijven van het goed bestaande in de hoeveelheid voorlopig toegewezen emissierechten die hun toekwam op basis van hetgeen was voorzien in de richtlijn, zodat hun het aan dat goed verbonden economisch nut is ontnomen?

3)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 voorts ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, daar dat besluit artikel 296, lid 2, VWEU en artikel 41 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie] schendt omdat het ontoereikend is gemotiveerd?

4)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, daar het besluit artikel 10 bis, lid 5, van richtlijn 2003/87/EG en het in artikel 5, lid 4, VEU vervatte evenredigheidsbeginsel schendt en het voorts onrechtmatig is wegens ontoereikend onderzoek en onjuiste beoordelingen, gelet op het feit dat in de berekening van de maximumhoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten (een belangrijk gegeven voor de bepaling van de uniforme transsectorale correctiefactor) geen rekening is gehouden met de gevolgen van de wijzigingen in de uitlegging van het begrip „verbrandingsinstallatie” die zich hebben voorgedaan tussen de eerste fase (2005-2007) en de tweede fase (2008-2012) van de uitvoering van richtlijn 2003/87/EG?

5)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, wegens schending van artikel 10 bis, lid 5, van richtlijn 2003/87/EG en artikel 9 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG, alsmede wegens ontoereikend onderzoek en een onjuiste beoordeling, gelet op het feit dat de berekening van de maximumhoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten (een belangrijk gegeven voor de bepaling van de uniforme transsectorale correctiefactor) is gemaakt op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens die onderling incoherent zijn omdat zij zijn gebaseerd op uiteenlopende uitleggingen van artikel 9 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG?

6)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ten slotte ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, wegens schending van de procedurele voorschriften van de artikelen 10 bis, lid 1, en 23, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG?


(1)  Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 240, blz. 27).

(2)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 18 augustus 2014 — Dalmine SpA/Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE e.a.

(Zaak C-393/14)

2014/C 372/13

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Dalmine SpA

Verwerende partijen: Comitato nazionale per la gestione della Direttiva 2003/87/CE, Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare, Ministero dello Sviluppo Economico

Prejudiciële vragen

1)

Is besluit 2013/448/EU (1) van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig omdat daarin in de berekening van de kosteloos toe te wijzen emissierechten geen rekening is gehouden met het aandeel van de emissies in verband met de verbranding van afvalgassen — of van hoogovenprocesgassen — noch van de emissies in verband met door warmtekrachtkoppeling geproduceerde warmte, wat leidt tot schending van artikel 290 VWEU en van artikel 10 bis, leden 1, 4 en 5, van richtlijn 2003/87/EG (2), doordat de grenzen van de bij de richtlijn toegekende bevoegdheden zijn overschreden en wordt ingegaan tegen de doelen van de richtlijn (stimulering van meer energie-efficiënte technologieën en inachtneming van de vereisten van economische ontwikkeling en werkgelegenheid)?

2)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig in het licht van artikel 6 VEU, wegens strijdigheid met artikel 1 van het aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met artikel 17 van dat verdrag, doordat daarbij afbreuk is gedaan aan verzoeksters’ gerechtvaardigd vertrouwen om in het bezit te blijven van het goed bestaande in de hoeveelheid voorlopig toegewezen emissierechten die hun toekwam op basis van hetgeen was voorzien in de richtlijn, zodat hun het aan dat goed verbonden economisch nut is ontnomen?

3)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 voorts ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, daar dat besluit artikel 296, lid 2, VWEU en artikel 41 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie] schendt omdat het ontoereikend is gemotiveerd?

4)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, daar het besluit artikel 10 bis, lid 5, van richtlijn 2003/87/EG en het in artikel 5, lid 4, VEU vervatte evenredigheidsbeginsel schendt en het voorts onrechtmatig is wegens ontoereikend onderzoek en onjuiste beoordelingen, gelet op het feit dat in de berekening van de maximumhoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten (een belangrijk gegeven voor de bepaling van de uniforme transsectorale correctiefactor) geen rekening is gehouden met de gevolgen van de wijzigingen in de uitlegging van het begrip „verbrandingsinstallatie” die zich hebben voorgedaan tussen de eerste fase (2005-2007) en de tweede fase (2008-2012) van de uitvoering van richtlijn 2003/87/EG?

5)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, wegens schending van artikel 10 bis, lid 5, van richtlijn 2003/87/EG en artikel 9 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG, alsmede wegens ontoereikend onderzoek en een onjuiste beoordeling, gelet op het feit dat de berekening van de maximumhoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten (een belangrijk gegeven voor de bepaling van de uniforme transsectorale correctiefactor) is gemaakt op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens die onderling incoherent zijn omdat zij zijn gebaseerd op uiteenlopende uitleggingen van artikel 9 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG?

6)

Is besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 ten slotte ongeldig voor zover daarin de transsectorale correctiefactor is bepaald, wegens schending van de procedurele voorschriften van de artikelen 10 bis, lid 1, en 23, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG?


(1)  Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 240, blz. 27).

(2)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Rüsselsheim (Duitsland) op 18 augustus 2014 — Sandy Siewert e.a./Condor Flugdienst GmbH

(Zaak C-394/14)

2014/C 372/14

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Rüsselsheim

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Sandy Siewert, Emma Siewert, Nele Siewert

Verwerende partij: Condor Flugdienst GmbH

Prejudiciële vragen

1.

Moeten de buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1) direct de geboekte vlucht betreffen?

2.

Indien ook buitengewone omstandigheden bij vorige vluchten voor een latere vlucht relevant zijn: moeten de redelijke maatregelen die de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, volgens artikel 5, lid 3, van de verordening moet treffen, alleen ertoe strekken buitengewone omstandigheden te voorkomen dan wel ook beogen een langere vertraging te vermijden?

3.

Moeten schadelijke handelingen van op eigen verantwoordelijkheid handelende derden, die opdrachten hebben gekregen, die deel uitmaken van de exploitatie van een luchtvaartonderneming, worden beschouwd als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5, lid 3, van de verordening?

4.

Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: is het voor de beoordeling van belang van wie (luchtvaartmaatschappij, luchthavenexploitant, enz.) de derde de opdracht heeft gekregen?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) op 19 augustus 2014 — Vodafone GmbH/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-395/14)

2014/C 372/15

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesverwaltungsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Vodafone GmbH

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Prejudiciële vraag

Moet artikel 7, lid 3, van richtlijn 2002/21/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PB L 108, blz. 33; hierna: „kaderrichtlijn”) aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie die een exploitant met aanzienlijke marktmacht heeft verplicht diensten inzake mobiele gespreksterminatie te verrichten en de terminatietarieven heeft onderworpen aan de inachtneming van de in dat artikel van de richtlijn genoemde procedure inzake vergunningsplicht, is gehouden de procedure van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2002/21 voor de vergunning van elk concreet gevraagd tarief opnieuw toe te passen?


(1)  PB L 108, blz. 33.


Gerecht

20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/13


Arrest van het Gerecht van 5 september 2014 — Éditions Odile Jacob/Commissie

(Zaak T-471/11) (1)

((„Mededinging - Concentraties - Markt van uitgifte van boeken - Beschikking waarbij de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard onder voorwaarde dat activa worden afgestoten - Besluit houdende goedkeuring van de overnemer van de afgestoten activa - Besluit dat is vastgesteld na de nietigverklaring door het Gerecht van de oorspronkelijke beschikking betreffende dezelfde procedure - Procesbelang - Schending van artikel 266 VWEU - Niet-nakoming van de verbintenissen die zijn opgelegd bij de voorwaardelijke goedkeuringsbeschikking - Onderscheid tussen voorwaarden en verplichtingen - Verbod van terugwerkende kracht - Beoordeling van kandidatuur van verkrijger - Onafhankelijkheid van verkrijger ten opzichte van vervreemder - Misbruik van bevoegdheid - Motiveringsplicht”))

2014/C 372/16

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Éditions Odile Jacob SAS (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk O. Fréget, M. Struys en L. Eskenazi, vervolgens O. Fréget, L. Eskenazi en D. Béranger en ten slotte O. Fréget en L. Eskenazi, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Giolito, O. Beynet en S. Noë, gemachtigden)

Interveniëntes aan de zijde van verwerende partijn: Lagardère SCA (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Winckler, F. de Bure, J.-B. Pinçon en L. Bary, advocaten); en Wendel (Parijs) (vertegenwoordigers: M. Trabucchi, F. Gordon en A. Gosset-Grainville, advocaten)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring van besluit C (2011) 3503 van de Commissie van 13 mei 2011 in zaak COMP/M.2978 — Lagardère/Natexis/VUP, dat is vastgesteld ingevolge het arrest van 13 september 2010, Éditions Odile Jacob/Commissie (T-452/04, Jurispr., EU:T:2010:385), en waarbij de Commissie Wendel Investissement opnieuw goedkeurt als overnemer van de activa die worden afgestoten overeenkomstig de verbintenissen die zijn opgelegd bij de beschikking van de Commissie van 7 januari 2004 houdende goedkeuring van de concentratie Lagardère/Natexis/VUP

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Éditions Odile Jacob SAS wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen die van de kortgedingprocedure.


(1)  PB C 305 van 15.10.2011.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/13


Arrest van het Gerecht van 9 september 2014 — MasterCard e.a./Commissie

(Zaak T-516/11) (1)

([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten betreffende een studie over de kosten en baten voor handelaars van het aanvaarden van verschillende betaalmiddelen - Documenten van een derde - Weigering van toegang - Uitzondering betreffende de bescherming van het besluitvormingsproces - Uitzondering betreffende de bescherming van de commerciële belangen van een derde”])

2014/C 372/17

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: MasterCard, Inc. (Wilmington, Delaware, Verenigde Staten), MasterCard International, Inc. (New York, New York, Verenigde Staten) en MasterCard Europe (Waterloo, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Amory, V. Brophy en S. McInnes, vervolgens B. Amory en V. Brophy, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Clotuche-Duvieusart en V. Bottka, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 12 juli 2011 waarbij aan verzoeksters de toegang is geweigerd tot bepaalde documenten die door een derde zijn opgesteld in het kader van een studie over de kosten en baten voor handelaars van het aanvaarden van verschillende betaalmiddelen

Dictum

1)

De beschikking van de Europese Commissie van 12 juli 2011 waarbij aan MasterCard, Inc., MasterCard International, Inc. en MasterCard Europe de toegang is geweigerd tot bepaalde documenten die door een derde zijn opgesteld in het kader van een studie over de kosten en baten voor handelaars van het aanvaarden van verschillende betaalmiddelen, wordt nietig verklaard voor zover hierbij toegang wordt geweigerd tot documenten met betrekking tot:

de kosten en baten voor handelaars van het aanvaarden van verschillende betaalmiddelen (oorspronkelijk rapport van 2 juni 2009);

de kosten en baten voor handelaars van het aanvaarden van verschillende betaalmiddelen — deel 1 van het rapport over de methodologie van 28 september 2009 [herziene versie waarin rekening is gehouden met de opmerkingen van de belanghebbenden en van het directoraat-generaal (DG) „Mededinging” van de Commissie];

resultaten van de diepgaande interviews over de kosten van de betalingen: analyses van de diepgaande interviews die zijn gehouden in Hongarije, Nederland en het Verenigd Koninkrijk (15 januari 2010; versie verstrekt op 9 maart 2010);

ontwerp van een onlinevragenlijst van 8 maart 2010;

resultaten en conclusies van de haalbaarheidstest op internet: ontwerprapport van 24 mei 2010.

2)

De Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 347 van 26.11.2011.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/14


Arrest van het Gerecht van 10 september 2014 — Micrus Endovascular/BHIM — Laboratorios Delta (DELTA)

(Zaak T-218/12) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk DELTA - Oudere internationale en nationale beeldmerken DELTA PORTUGAL en firmanaam LABORATORIOS DELTA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 372/18

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Micrus Endovascular LLC (Wilmington, Delaware, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: B. Brandreth, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Laboratórios Delta Lda (Queluz, Portugal) (vertegenwoordiger: J. Sena Mioludo, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 6 maart 2012 (zaak R 244/2011-2) inzake een oppositieprocedure tussen Laboratórios Delta Lda en Micrus Endovascular Corp.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Micrus Endovascular LLC wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 217 van 21.7.2012.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/15


Arrest van het Gerecht van 9 september 2014 — Hansestadt Lübeck/Commissie

(Zaak T-461/12) (1)

([„Staatsteun - Luchthavenheffingen - Luchthaven van Lübeck - Besluit om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU te openen - Artikel 107, lid 1, VWEU - Kennelijk onjuiste beoordeling - Artikel 10 van verordening (EG) nr. 659/1999”])

2014/C 372/19

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Hansestadt Lübeck (Duitsland), die in de rechten van Flughafen Lübeck GmbH is getreden (vertegenwoordigers: M. Núñez Müller, J. Dammann de Chapto en T. Becker, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C (2012) 1012 final van de Commissie van 22 februari 2012 betreffende de staatssteunmaatregelen SA.27585 en SA.31149 (2012/C) (ex NN/2012, ex CP 31/2009 en CP 162/2010) — Duitsland, voor zover dit betrekking heeft op het in 2006 vastgestelde besluit betreffende het tarief van de heffingen op de luchthaven van Lübeck (Duitsland)

Dictum

1)

Besluit C (2012) 1012 final van de Commissie van 22 februari 2012 betreffende de staatssteunmaatregelen SA.27585 en SA.31149 (2012/C) (ex NN/2012, ex CP 31/2009 en CP 162/2010) — Duitsland, wordt nietig verklaard voor zover het betrekking heeft op het in 2006 vastgestelde besluit betreffende het tarief van de heffingen op de luchthaven van Lübeck.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten alsmede de helft van de aan Hansestadt Lübeck opgekomen kosten dragen.


(1)  PB C 379 van 8.12.2012.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/16


Arrest van het Gerecht van 9 september 2014 — Biscuits Poult/BHIM — Banketbakkerij Merba (Biscuit)

(Zaak T-494/12) (1)

([„Gemeenschapsmodel - Nietigheidsprocedure - Ingeschreven gemeenschapsmodel in vorm van gebroken koekje - Nietigheidsgrond - Geen eigen karakter - Artikelen 4, 6 en 25, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 6/2002”])

2014/C 372/20

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Biscuits Poult SAS (Montauban, Frankrijk) (vertegenwoordiger: C. Chapoullié, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Banketbakkerij Merba BV (Oosterhout, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Abello, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het BHIM van 2 augustus 2012 (zaak R 914/2011-3) inzake een nietigheidsprocedure tussen Banketbakkerij Merba BV en Biscuits Poult SAS

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Biscuits Poult SAS zal haar eigen kosten dragen alsook die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en van Banketbakkerij Merba BV.


(1)  PB C 26 van 26.1.2013.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/16


Arrest van het Gerecht van 10 september 2014 — DTM Ricambi/BHIM — STAR (STAR)

(Zaak T-199/13) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk STAR - Ouder internationaal beeldmerk STAR LODI - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 372/21

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: DTM Ricambi Srl (Bologne, Italië) (vertegenwoordigers: V. Catelli en A. Loffredo, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: L. Rampini en P. Bullock, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Società trasporti automobilistici regionali SpA (STAR) (Lodi, Italië) (vertegenwoordiger: F. Caricato, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 24 januari 2013 (zaak R 0124/2012-1) inzake een oppositieprocedure tussen Società trasporti automobilistici regionali SpA (STAR) en DTM Ricambi Srl

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

DTM Ricambi Srl wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 156 van 1.6.2013.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/17


Beroep ingesteld op 25 juli 2014 — Estland/Commissie

(Zaak T-555/14)

2014/C 372/22

Procestaal: Ests

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Estland (vertegenwoordiger: N. Grünberg, gemachtigde)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van besluit C(2014) 3271 def. van de Europese Commissie van 14 mei 2014, dat de schorsing van de tussentijdse betalingen aan Estland uit het Europese visserijfonds (EVF) in het kader van het operationele steunprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 betreft;

verwijzing van verweerster in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster baseert haar beroep op vijf middelen.

1.

Eerste middel: de Commissie heeft artikel 25, lid 2, en artikel 89 van verordening nr. 1198/2006 (1) onjuist toegepast.

De door de Commissie aan artikel 25 gegeven uitlegging dat investeringen slechts mogen worden ondersteund, wanneer met de overeenkomstige investeringen de betrokken technische kenmerken van een vissersvaartuig verdergaand worden verbeterd dan herstel van het vaartuig in de oorspronkelijke staat, strookt niet met tekst, strekking en doel van dit artikel. De tekst van artikel 25, lid 2, verleent een ruime beoordelingsvrijheid om te beslissen welke investeringen in het kader van de EVF kunnen worden ondersteund. Voorts zijn de toepassing van artikel 89 en de schorsing van de tot bevordering van de eerste prioriteit van het operationele programma te verrichten tussentijdse betalingen niet ter zake dienend, daar verzoekster artikel 25, lid 2, in acht heeft genomen.

2.

Tweede middel: schending door de Commissie van artikel 88 van verordening nr. 1198/2006.

Verzoekster verwijt de Commissie niet binnen zes maanden na de mededeling over de stuiting van de termijn voor de tussentijdse betaling een beslissing over de schorsing van de betalingen te hebben genomen. Zij heeft dus artikel 88 van verordening nr. 1198/2006 geschonden en haar eigen richtlijnen voor de stuiting van de betalingstermijn, voor de schorsing van de betalingen en voor financiële correcties niet in acht genomen.

3.

Derde middel: schending door de Commissie van het beginsel van behoorlijk bestuur.

De vaststelling door de Commissie van het bestreden besluit schendt het beginsel van behoorlijk bestuur, daar zij in de eerste plaats niet alle door verzoekster verstrekte gegevens zorgvuldig heeft beoordeeld en in acht genomen, in de tweede plaats niet is nagegaan of was voldaan aan alle voor de vaststelling van haar besluit vereiste voorwaarden, in de derde plaats alle tot verbetering van de staat van afgeschreven visserijvaartuigen overwogen investeringen automatisch bij de lopende instandhoudingskosten heeft gerekend en in de vierde plaats abusievelijk heeft aangenomen dat deze investeringen niet mede hielpen om de doelstellingen van artikel 25, lid 2, te bereiken.

4.

Vierde middel: schending door de Commissie van het vertrouwensbeginsel.

Ongeacht het in de brief van de Commissie duidelijk en nauwkeurig gegeven en dus gewettigde verwachtingen wekkend standpunt, dat uitgaven voor de vernieuwing/instandhouding van een motor binnen artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1198/2006 konden vallen, wanneer de visserijcapaciteit van een vissersvaartuig daarmee niet wordt vergroot, besliste de Commissie achteraf dat dergelijke uitgaven niet tot verbetering van de technische kenmerken van het vaartuig, maar veeleer tot herstel en behoud van het vaartuig in zijn oorspronkelijke staat bijdroegen, zodat zij niet voor steun in aanmerking kwamen. Verzoekster kreeg daarvan geen kennis; dat valt niet uit artikel 25 van verordening nr. 1198/2006 en evenmin uit de antwoordbrief van de Commissie op een overeenkomstige vraag van verzoekster af te leiden.

5.

Vijfde middel: schending door de Commissie van het rechtszekerheidsbeginsel.

Dat de Commissie een definitief besluit over de schorsing van een gevraagde tussentijdse betaling meer dan drie jaar na de stuiting van de termijn voor het eerste verzoek om tussentijdse betalingen neemt en dus de in artikel 88, lid 1, van verordening nr. 1198/2006 gestelde termijn van zes maanden niet in acht neemt, schendt duidelijk het rechtszekerheidsbeginsel. Dit gedrag van de Commissie is voor de ontvanger van de steun uit het EVF niet voorzienbaar.


(1)  Verordening (EG) n r. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PB L 223, blz. 1).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/18


Beroep ingesteld op 1 augustus 2014 — Group OOD/BHIM — Kosta Iliev (GROUP Company TOURISM & TRAVEL)

(Zaak T-567/14)

2014/C 372/23

Taal van het verzoekschrift: Bulgaars

Partijen

Verzoekende partij: Group OOD (Sofia, Bulgarije) (vertegenwoordigers: Dragia Dragiev en Andrey Andreev, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Kosta Iliev (Sofia, Bulgarije) (vertegenwoordiger: octrooi- en merkenbureau Zlatarevi)

Conclusies

beslissing R 1587/2013-4 van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 2 juni 2014 vernietigen op grond van artikel 65, lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009,

het BHIM en in het geval dat zij intervenieert in de procedure voor het Gerecht de betrokken partij verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Kosta Iliev

Betrokken gemeenschapsmerk: gemeenschapsbeeldmerk in kleur met de woordelementen „GROUP Company TOURISM & TRAVEL” voor waren en diensten van de klassen 35, 39 en 43

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Group OOD

Oppositiemerk of -teken: niet-ingeschreven merk dat bestaat in materiële rechten op een teken met de woordelementen „Group company”.

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep als ongegrond

Aangevoerde middelen:

schending van artikel 76, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009 (de inhoud van de Bulgaarse wet is op onjuiste wijze ambtshave vastgesteld);

schending van artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 (de overgelegde bewijzen zijn niet in hun geheel en juist beoordeeld);

schending van artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 207/2009 (de overgelegde bewijzen en juridische argumenten zijn niet aan de hand van de voorwaarden van deze bepaling onderzocht).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/19


Beroep ingesteld op 4 augustus 2014 — Slovenië/Commissie

(Zaak T-585/14)

2014/C 372/24

Procestaal: Sloveens

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Slovenië (vertegenwoordiger: L. Bembič, staatsadvocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietig verklaren het in brief nr. BUDG/B/03MV D (2014) 1782918 van de Europese Commissie, directoraat-generaal Begroting, van 2 juni 2014 besloten liggende besluit waarbij, enerzijds, is vastgesteld dat verzoekende partij financieel aansprakelijk is voor het verlies van eigen middelen van de Unie als gevolg van het feit dat een bepaalde hoeveelheid suiker buiten het systeem van invoertariefcontingenten is ingevoerd en dat de op die invoer betrekking hebben middelen niet zijn bepaald, en anderzijds, verzoekende partij wordt gelast een bedrag ter beschikking van de begroting van de Unie te stellen dat overeenkomt met het verlies aan eigen middelen, verlies dat in het onderhavige geval, waarin het invoercertificaat ten volle is benut, 1 2 57  000,00 EUR beloopt;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij zes middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan kennelijk onjuiste beoordeling

In de betrokken brief heeft de Commissie verkeerdelijk geoordeeld dat het verlies van eigen middelen voortvloeit uit een vergissing van de importeur in zijn aanvraag voor een invoercertificaat, die door de Sloveense autoriteiten niet volgens de regels is rechtgezet.

De importeur heeft zijn aanvraag echter tijdig aangevuld en rechtgezet en de vergissing is in feite gebeurd bij de registratie van de gegevens in het kader van het toesturen — door het bureau Landbouwmarkt en landbouwontwikkeling van de Republiek Slovenië aan de Commissie — van de invoercertifcaataanvragen via het computerprogramma AMIS-quota en dus uitsluitend als gevolg van de ontoereikendheid van het computerprogramma AMIS-quota.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de regels inzake de besluitvorming van de Commissie

De betrokken brief is ondertekend door de directeur van het directoraat-generaal Begroting, ofschoon de Commissie als college bevoegd is voor de in die brief aan de orde zijnde kwesties betreffende de financiële aansprakelijkheid van verzoekende partij voor het verlies van eigen middelen van de Unie.

3.

Derde middel, ontleend aan onvoldoende motivering en een onjuiste rechtsgrondslag

De Commissie heeft de betrokken brief, waarin het besluit over de financiële aansprakelijkheid van verzoekende partij besloten ligt, onvoldoende gemotiveerd, zodat niet kan worden uitgemaakt of die brief legitiem en in overeenstemming met het materiële recht is, hetgeen een schending van artikel 296 VWEU van het reglement van orde van de Commissie oplevert.

Bovendien heeft de Commissie niet meegedeeld welke regels ten grondslag liggen aan haar besluit volgens hetwelk er in het onderhavige geval sprake is van een verlies van eigen middelen en verzoekende partij daarvoor ipso facto aansprakelijk is.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het recht om te worden gehoord

De Commissie heeft verzoekende partij vóór de opstelling van de betrokken brief niet laten weten op welke feitelijke en juridische elementen haar besluit was gebaseerd, hetgeen een schending oplevert van de rechten van de verdediging en van het recht om te worden gehoord.

5.

Vijfde middel, ontleend aan onvoldoende controle door de Commissie

De vergissing van verzoekende partij bij de indiening van de aanvraag voor een invoercertificaat is een gevolg van gebreken in het door de Commissie ingestelde en beheerde elektronisch computersysteem AMIS-quota; bijgevolg is verzoekende partij niet aansprakelijk voor de vergissing.

6.

Zesde middel, ontleend aan schending het evenredigheidsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het verbod van verrijking zonder oorzaak

Volgens verzoekende partij leidt, gelet op feit dat een verlies van eigen middelen niet is gebleken, de toewijzing van financiële aansprakelijkheid voor een vergissing bij de registratie van de gegevens in het gebrekkige computersysteem van de Commissie tot een ongerechtvaardigde verrijking van de Unie.

Verder is ook het rechtszekerheidsbeginsel zijn geschonden, omdat niet is voorzien in een procedure van rechtzetting van de vergissing voor situaties die aanleiding kunnen geven tot een verrijking zonder oorzaak.

Bovendien is verzoekende partij van mening dat een regeling in het kader waarvan administratieve vergissingen begaan in het kader van de procedure van afgifte van invoercertificaten niet kunnen worden rechtgezet, ofschoon die administratieve vergissing aan geen enkele belanghebbende op markt schade berokkent — en in het kader waarvan dus noodzakelijkerwijs de lidstaat financieel aansprakelijk is –, ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Ten slotte heeft de Commissie, door de procedure van vaststelling van de financiële aansprakelijkheid niet binnen een redelijke termijn tot een goed einde te brengen, ook het beginsel van het gewettigd vertrouwen geschonden.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/20


Beroep ingesteld op 7 augustus 2014 — Xinyi PV Products (Anhui) Holdings/Commissie

(Zaak T-586/14)

2014/C 372/25

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd (Anhui, Volksrepubliek China) (vertegenwoordigers: Y. Melin en V. Akritidis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Gerecht om:

uitvoeringsverordening (EU) nr. 470/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 (1) tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China nietig te verklaren voor zover zij Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd betreft, en

de Commissie, en elke partij die wordt toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie, te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Eerste middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling in feite en in rechte, door in strijd met artikel 2, lid 7, sub c, derde streepje, van de antidumpingbasisverordening te oordelen dat verzoeksters productiekosten en financiële situatie onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie.

2.

Tweede middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een kennelijke beoordelingsfout en heeft geen coherent bewijs aangevoerd, door in strijd met artikel 2, lid 10, sub i, van de antidumpingbasisverordening van verzoeksters uitvoerprijs een handelsagentcommissie af te trekken ten belope van de marge die een verbonden onderneming in Hong Kong aan verzoekster aanrekende, zonder afdoende te bewijzen dat deze verbonden onderneming daadwerkelijk optrad als een op commissiebasis werkende agent.

3.

Derde middel: de Commissie heeft in strijd met artikel 2, leden 8 en 9, van de antidumpingbasisverordening verzoeksters uitvoerprijs niet berekend op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het product bij uitvoer naar de Unie, noch op basis van de prijs waartegen het uitgevoerde product voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer in de Unie is doorverkocht.

4.

Vierde middel: de Commissie heeft in strijd met artikel 20 van de antidumpingbasisverordening en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de voornaamste feiten en bewijzen niet meegedeeld die duidelijk maken hoe zij verzoeksters dumpingmarge en schademarge heeft berekend.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 470/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 142, blz. 1).


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/21


Beroep ingesteld op 11 augustus 2014 — Cham en Bena Properties/Raad

(Zaak T-597/14)

2014/C 372/26

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Cham Holding Co. SA en Bena Properties Co. SA (Damascus, Syrië) (vertegenwoordigers: E. Ruchat en C. Cornet d’Elzius, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

de vordering van verzoeksters ontvankelijk en gegrond verklaren;

dientengevolge de Europese Unie veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeksters hebben geleden als gevolg van het stilleggen van het project „Yasmeen Rotana”, ten belope van 4 3 0 00  000 EUR;

gelasten dat een deskundige wordt aangeduid om de totale omvang van de door verzoeksters geleden schade te bepalen;

de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan, die in wezen overeenkomen met die welke zijn aangevoerd in zaak T-592/14, Makhlouf/Raad.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/22


Beroep ingesteld op 11 augustus 2014 — Bena Properties/Raad

(Zaak T-602/14)

2014/C 372/27

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Bena Properties Co. SA (Damascus, Syrië) (vertegenwoordigers: E. Ruchat en C. Cornet d’Elzius, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

verzoeksters vordering ontvankelijk en gegrond verklaren;

dientengevolge besluit 2014/309/GBVB van 28 mei 2014 en de daaruit volgende uitvoeringshandelingen nietig verklaren, voor zover zij verzoekster betreffen;

de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan, die in wezen overeenkomen met die welke zijn aangevoerd in zaak T-432/11, Makhlouf/Raad (1).


(1)  PB C 290, blz. 13.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/22


Beroep ingesteld op 14 augustus 2014 — Fútbol Club Barcelona/BHIM (afbeelding van een schild)

(Zaak T-615/14)

2014/C 372/28

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Fútbol Club Barcelona (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: J. Carbonell Callicó, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissingen van de eerste kamer van beroep van 23 mei 2014 en van de onderzoeker van 23 mei 2013 overeenkomstig artikel 65, lid 3, van verordening nr. 207/2009 te wijzigen wegens schending van artikel 7, leden 1, sub b, en 3, van die verordening en te oordelen dat (i) het aangevraagde beeldmerk nr. 11 764 354 over onderscheidend vermogen beschikt en de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub b, van die verordening om die reden buiten toepassing moet worden gelaten, en (ii) die merkaanvraag na het doorlopen van de overige procedurestappen moet worden bekendgemaakt zodat het merk kan worden ingeschreven;

verweerder overeenkomstig artikel 87, lid 2, van verordening nr. 207/2009 te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk met afbeelding van een schild voor waren en diensten van de klassen 16, 25 en 41 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 11 764 354

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van het verzoek

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen:

schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009.


20.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 372/23


Beschikking van het Gerecht van 3 september 2014 — ANKO/Commissie en REA

(Zaak T-165/14) (1)

2014/C 372/29

Procestaal: Grieks

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 175 van 10.6.2014.