ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 253

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

57e jaargang
4 augustus 2014


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2014/C 253/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2014/C 253/02

Zaak C-547/11: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 5 juni 2014 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek (Niet-nakoming — Staatssteun — Beschikkingen 2006/323/EG en 2007/375/EG — Accijnsvrijstelling voor bij productie van aluminiumoxide in Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën — Terugvordering — Beslissingen van nationale rechterlijke instantie om tenuitvoerlegging van uitnodiging tot betaling op te schorten)

2

2014/C 253/03

Gevoegde zaken C-24/12 en C-27/12: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 juni 2014 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — X BV (C-24/12), TBG Limited (C-27/12)/Staatssecretaris van Financiën (Vrij verkeer van kapitaal — Beperkingen — Dividenduitkering van een lidstaat naar een gebied overzee van dezelfde staat — Werkingssfeer van het recht van de Unie — Bijzondere regeling EU-LGO)

3

2014/C 253/04

Zaak C-35/12 P: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 22 mei 2014 — Plásticos Españoles, SA (ASPLA)/Europese Commissie (Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt voor industriële kunststofzakken — Eén enkele voortdurende inbreuk)

3

2014/C 253/05

Zaak C-36/12 P: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 22 mei 2014 — Armando Álvarez, SA/Europese Commissie (Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt voor industriële kunststofzakken — Toerekenbaarheid aan moedermaatschappij van door dochteronderneming gepleegde inbreuk — Motiveringsplicht)

4

2014/C 253/06

Zaak C-198/12: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 5 juni 2014 — Europese Commissie/Republiek Bulgarije [Niet-nakoming — Interne markt voor energie — Gastransport — Verordening (EG) nr. 715/2009 — Artikelen 14, lid 1, en 16, lid 1 en lid 2, sub b — Verplichting om maximale capaciteit te garanderen — Virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting — Ontvankelijkheid]

5

2014/C 253/07

Zaak C-356/12: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 22 mei 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgerichtshof — Duitsland) — Wolfgang Glatzel/Freistaat Bayern (Prejudiciële verwijzing — Vervoer — Richtlijn 2006/126/EG — Punt 6.4 van bijlage III — Geldigheid — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikelen 20, 21, lid 1, en 26 — Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap — Rijbewijs — Lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor besturen gemotoriseerd voertuig — Minimumnormen — Gezichtsscherpte — Gelijke behandeling — Geen afwijkingsmogelijkheid — Evenredigheid)

5

2014/C 253/08

Zaak C-360/12: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — Coty Germany GmbH, voorheen Coty Prestige Lancaster Group GmbH/First Note Perfumes NV [Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordeningen (EG) nrs. 40/94 en 44/2001 — Gemeenschapsmerk — Artikel 93, lid 5, van verordening (EG) nr. 40/94 — Internationale bevoegdheid ter zake van inbreuk — Bepaling van plaats waar schadebrengende feit zich heeft voorgedaan — Grensoverschrijdende deelneming van meerdere personen aan eenzelfde onrechtmatige daad]

6

2014/C 253/09

Zaak C-398/12: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Fermo — Italië) — Strafzaak tegen M (Overeenkomst ter uitvoering van Schengenakkoord — Artikel 54 — Beginsel ne bis in idem — Werkingssfeer — Beschikking door rechterlijke instantie van overeenkomstsluitende staat houdende ontbreken van grond voor verwijzing naar vonnisgerecht wegens onvoldoende bezwaren — Mogelijkheid tot heropening van gerechtelijk vooronderzoek in geval van nieuwe bezwaren — Begrip persoon die bij onherroepelijk vonnis [...] is berecht — Strafvervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten in andere overeenkomstsluitende staat — Beëindiging van strafvervolging en toepassing van beginsel ne bis in idem)

7

2014/C 253/10

Zaak C-539/12: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 mei 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Employment Tribunal, Leicester — Verenigd Koninkrijk) — Z. J. R. Lock/British Gas Trading Limited (Sociale politiek — Organisatie van arbeidstijd — Richtlijn 2003/88/EG — Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon — Samenstelling van beloning — Basisloon en van gerealiseerde omzet afhankelijke provisie)

8

2014/C 253/11

Zaak C-557/12: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — KONE AG, Otis GmbH, Schindler Aufzüge und Fahrtreppen GmbH, Schindler Liegenschaftsverwaltung GmbH, ThyssenKrupp Aufzüge GmbH/ÖBB Infrastruktur AG [Artikel 101 VWEU — Vergoeding van schade die wordt veroorzaakt door bij dit artikel verboden kartel — Schade die voortvloeit uit toepassing door onderneming van hogere prijs wegens bestaan van verboden kartel waaraan deze onderneming niet deelneemt (Umbrella pricing) — Causaal verband]

9

2014/C 253/12

Zaak C-56/13: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 22 mei 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szegedi Ítélőtábla — Hongarije) — Érsekcsanádi Mezőgazdasági Zrt/Bács-Kiskun Megyei Kormányhivatal (Richtlijnen 92/40/EEG en 2005/94/EG — Beschikkingen 2006/105/EG en 2006/115/EG — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikelen 16, 17 en 47 — Maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza — Vergoeding van schade)

9

2014/C 253/13

Zaak C-105/13: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven — Nederland) — P. J. Vonk Noordegraaf/Staatssecretaris van Economische Zaken [Landbouw — Gemeenschappelijk landbouwbeleid — Bedrijfstoeslagregeling — Verordening (EG) nr. 73/2009 — Artikelen 34, 36 en 137 — Toeslagrechten — Berekeningsgrondslag — Premies betaald voor vee en percelen waarover landbouwer tijdens de referentieperiode beschikte — Wijziging van de wijze waarop de oppervlakte van percelen landbouwgrond wordt vastgesteld — Verlaging van het aantal subsidiabele hectaren — Verzoek van landbouwer om verlaging van diens aantal toeslagrechten en verhoging van het bedrag per toeslagrecht — Verordening (EG) nr. 796/2004 — Artikel 73 bis, lid 2 bis — Toelaatbaarheid]

10

2014/C 253/14

Zaak C-255/13: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Ireland — Ierland) — I/Health Service Executive [Prejudiciële verwijzing — Sociale zekerheid — Verordening (EG) nr. 883/2004 — Artikelen 19, lid 1, en 20, leden 1 en 2 — Verordening (EG) nr. 987/2009 — Artikel 11 — Staatsburger van lidstaat die in woonstaat is verzekerd — Ernstige en plotselinge ziekte ingetreden tijdens vakantie in andere lidstaat — Betrokkene genoodzaakt gedurende elf jaar in deze tweede staat te blijven wegens ziekte en beschikbaarheid van gespecialiseerde medische zorg in nabijheid van plaats waar hij woont — Verstrekkingen in deze tweede staat — Begrippen woonplaats en verblijfplaats]

11

2014/C 253/15

Zaak C-339/13: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 22 mei 2014 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 1999/74/EG — Artikelen 3 en 5, lid 2 — Verbod van houden van legkippen in niet-aangepaste kooien — Houden van legkippen in kooien die niet in overeenstemming zijn met vereisten van deze richtlijn)

12

2014/C 253/16

Zaak C-360/13: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom — Verenigd Koninkrijk) — Public Relations Consultants Association Ltd/Newspaper Licensing Agency Ltd e.a. (Auteursrechten — Informatiemaatschappij — Richtlijn 2001/29/EG — Artikel 5, leden 1 en 5 — Reproductie — Beperkingen en restricties — Maken van kopieën van internetsite op scherm en in cachegeheugen van harde schijf tijdens surfen op internet — Tijdelijke reproductiehandeling — Handeling van voorbijgaande of incidentele aard — Integraal en essentieel onderdeel van technisch procedé — Rechtmatig gebruik — Zelfstandige economische waarde)

13

2014/C 253/17

Zaak C-129/14 PPU: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 27 mei 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Nürnberg — Duitsland) — Strafzaak tegen Zoran Spasic (Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Handvest van grondrechten van Europese Unie — Artikelen 50 en 52 — Beginsel ne bis in idem — Schengenuitvoeringsovereenkomst — Artikel 54 — Begrippen straf die is ondergaan en straf die daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd)

13

2014/C 253/18

Zaak C-146/14 PPU: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — in de procedure tegen Bashir Mohamed Ali Mahdi (Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen — Richtlijn 2008/115/EG — Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders — Artikel 15 — Bewaring — Verlenging van bewaring — Verplichtingen van administratieve of rechterlijke autoriteit — Rechterlijke controle — Derdelander zonder identiteitsdocumenten — Belemmeringen voor uitvoering van verwijderingsbesluit — Weigering van ambassade van betrokken derde land om identiteitsdocument af te geven voor terugkeer van onderdaan van dat land — Risico op onderduiken — Redelijk vooruitzicht op verwijdering — Geen medewerking — Eventuele verplichting van betrokken lidstaat om voorlopig document betreffende status van betrokkene af te geven)

14

2014/C 253/19

Zaak C-520/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy w Płocku (Polen) op 30 september 2013 — Urszula Leśniak — Jaworska, Małgorzata Głuchowska — Szmulewicz/Prokuratura Okręgowa w Płocku

15

2014/C 253/20

Zaak C-177/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo (Spanje) op 10 april 2014 — María José Regojo Dans/Consejo del Estado

16

2014/C 253/21

Zaak C-183/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Cluj (Roemenië) op 11 april 2014 — Radu Florin Salomie, Nicolae Vasile Oltean/Direcția Generală a Finanțelor Publice Cluj

16

2014/C 253/22

Zaak C-216/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Laufen (Duitsland) op 30 april 2014 — Strafzaak tegen Gavril Covaci

17

2014/C 253/23

Zaak C-244/14: Beroep ingesteld op 20 mei 2014 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk

18

2014/C 253/24

Zaak C-250/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 26 mei 2014 — Air France — KLM/Ministère des finances et des comptes publics

18

2014/C 253/25

Zaak C-254/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Općinski sud u Velikoj Gorici (Kroatië) op 26 mei 2014 — VG Vodoopskrba d.o.o. za vodoopskrbu i odvodnju/Đuro Vladika

19

2014/C 253/26

Zaak C-265/14 P: Hogere voorziening ingesteld op 2 juni 2014 door Cemex S.A.B. de C.V. e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 14 maart 2014 in zaak T-292/11, Cemex e.a./Commissie

19

2014/C 253/27

Zaak C-272/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Vestre Landsret (Denemarken) op 5 juni 2014 — Skatteministeriet/Baby Dan A/S

21

2014/C 253/28

Zaak C-286/14: Beroep ingesteld op 11 juni 2014 — Europees Parlement/Europese Commissie

21

2014/C 253/29

Zaak C-296/14 P: Hogere voorziening ingesteld op 13 juni 2014 door de Helleense Republiek tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 9 april 2014 in zaak T-150/12, Griekenland/Commissie

22

2014/C 253/30

Zaak C-592/12: Beschikking van de president van het Hof van 4 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Madrid — Spanje) — Compañía Europea de Viajeros España, S.A./Tribunal Económico Administrativo Regional de Madrid (Ministerio de Economía y Hacienda)

22

2014/C 253/31

Gevoegde zaken C-215/13 P en C-216/13 P: Beschikking van de president van het Hof van 31 maart 2014 — Acron OAO, Dorogobuzh OAO/Raad van de Europese Unie, Europese Commissie, Fertilizers Europe

22

2014/C 253/32

Zaak C-283/13 P: Beschikking van de president van het Hof van 3 april 2014 — Henkel AG & Co. KGaA, Henkel France/Europese Commissie, Denemarken

23

 

Gerecht

2014/C 253/33

Zaak T-595/10: Arrest van het Gerecht van 18 juni 2014 — Cantina Broglie 1/BHIM — Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona (RIPASSA) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk RIPASSA — Ouder nationaal woordmerk VINO DI RIPASSO — Relatieve weigeringsgrond — Artikel 75 van verordening (EG) nr. 207/2009 — Motiveringsplicht]

24

2014/C 253/34

Zaak T-260/11: Arrest van het Gerecht van 18 juni 2014 — Spanje/Commissie (Visserij — Instandhouding van visbestanden — Overschrijding door Spanje van voor 2010 toegewezen vangstquotum voor makreel in gebieden VIIIc, IX en X en in wateren van Europese Unie van CECAF 34.1.1 — Op voor 2011-2015 toegewezen vangstquota toegepaste verlagingen — Rechten van verdediging — Rechtszekerheid — Gewettigd vertrouwen — Gelijke behandeling)

24

2014/C 253/35

Zaak T-273/12: Arrest van het Gerecht van 24 juni 2014 — Unister/BHIM (Ab in den Urlaub) [Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Ab in den Urlaub — Merk bestaande uit reclameslogan — Absolute weigeringsgrond — Geen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 — Geen bewijs van door gebruik verkregen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009]

25

2014/C 253/36

Zaak T-330/12: Arrest van het Gerecht van 24 juni 2014 — Hut.com/BHIM — Intersport France (THE HUT) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk THE HUT — Ouder nationaal woordmerk LA HUTTE — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009]

26

2014/C 253/37

Zaak T-382/12: Arrest van het Gerecht van 19 juni 2014 — Kampol/BHIM — Colmol (Nobel) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Nobel — Ouder nationaal woordmerk NOBEL — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009]

26

2014/C 253/38

Zaak T-523/12: Arrest van het Gerecht van 24 juni 2014 — Rani Refreshments/BHIM — Global-Invest Bartosz Turek (Sani) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Sani — Oudere gemeenschapsbeeldmerken Hani of llani en RANI — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Overeenstemmende tekens — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009]

27

2014/C 253/39

Zaak T-207/13: Arrest van het Gerecht van 24 juni 2014 — 1872 Holdings/BHIM — Havana Club International (THE SPIRIT OF CUBA) [Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Gemeenschapswoordmerk THE SPIRIT OF CUBA — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009]

27

2014/C 253/40

Zaak T-305/09: Beschikking van het Gerecht van 2 april 2014 — Unicid/Commissie (Staatssteun — Kaderregeling voor acties van in Frankrijk erkende sectorale organisaties in landbouwsector ten behoeve van leden van vertegenwoordigde landbouwsectoren — Financiering middels verplicht gestelde vrijwillige bijdragen — Beschikking waarbij steunregeling verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard — Intrekking van beschikking — Afdoening zonder beslissing)

28

2014/C 253/41

Zaak T-526/12: Beschikking van het Gerecht van 4 juni 2014 — Axa Versicherung/Commissie [Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Stilzwijgende weigering tot toegang — Na instelling van beroep vastgesteld uitdrukkelijk besluit — Verdwijnen van procesbelang — Afdoening zonder beslissing]

29

2014/C 253/42

Zaak T-239/13: Beschikking van het Gerecht van 5 juni 2014 — Atmeh/BHIM — Fretier (MONTALE MTL MONTALE Dezign) (Gemeenschapsmerk — Vordering tot nietigverklaring — Intrekking van vordering tot nietigverklaring — Afdoening zonder beslissing)

29

2014/C 253/43

Zaak T-427/13: Beschikking van het Gerecht van 10 juni 2014 — Gruppo Norton/BHIM — Marín Nicolás (Gruppo Norton S.r.l.) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Gruppo Norton S.r.l. — Ouder nationaal beeldmerk NORTON HISPAŃO — Regel 49, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 en artikel 60 van verordening (EG) nr. 207/2009 — Niet-ontvankelijkheid van beroep bij de kamer van beroep — Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is]

30

2014/C 253/44

Zaak T-252/14: Beroep ingesteld op 14 april 2014 — Chemo Ibérica/BHIM — Novartis (EXELTIS)

30

2014/C 253/45

Zaak T-253/14: Beroep ingesteld op 14 april 2014 — Chemo Ibérica/BHIM — Novartis (EXELTIS)

31

2014/C 253/46

Zaak T-256/14: Beroep ingesteld op 23 april 2014 — Giuntoli/BHIM — Société des produits Nestlé (CREMERIA TOSCANA)

32

2014/C 253/47

Zaak T-269/14: Beroep ingesteld op 28 april 2014 — City Index/BHIM — Citigroup en Citibank (CITY INDEX)

32

2014/C 253/48

Zaak T-273/14: Beroep ingesteld op 30 april 2014 — Lithomex/BHIM — Glaubrecht Stingel (LITHOFIX)

33

2014/C 253/49

Zaak T-278/14: Beroep ingesteld op 27 april 2014 — Dairek Attoumi/BHIM — Diesel (riem)

34

2014/C 253/50

Zaak T-335/14: Beroep ingesteld op 13 mei 2014 — Davó Lledó/BHIM — Administradora y Franquicias América en Inversiones Ged (DoggiS)

35

2014/C 253/51

Zaak T-339/14: Beroep ingesteld op 15 mei 2014 — Kurchenko/Raad

36

2014/C 253/52

Zaak T-346/14: Beroep ingesteld op 14 mei 2014 — Yanukovych/Raad

37

2014/C 253/53

Zaak T-347/14: Beroep ingesteld op 14 mei 2014 — Yanukovych/Raad

39

2014/C 253/54

Zaak T-348/14: Beroep ingesteld op 14 mei 2014 — Yanukovych/Raad

40

2014/C 253/55

Zaak T-354/14: Beroep ingesteld op 19 mei 2014 — Comercializadora Eloro/BHIM — Zumex Group (zumex)

41

2014/C 253/56

Zaak T-356/14: Beroep ingesteld op 23 mei 2014 — CareAbout/BHIM — Florido Rodríquez (Kerashot)

42

2014/C 253/57

Zaak T-357/14: Beroep ingesteld op 23 mei 2014 — Experience Hendrix/BHIM — JH Licence (Jimi Hendrix)

43

2014/C 253/58

Zaak T-358/14: Beroep ingesteld op 23 mei 2014 — Hoteles Catalonia/BHIM — Caixa d’Estalvis de Catalunya (HOTEL CATALONIA LA PEDRERA)

44

2014/C 253/59

Zaak T-359/14: Beroep ingesteld op 27 mei 2014 — Federación Nacional de Cafeteros de Colombia/BHIM — Accelerate (COLOMBIANO COFFEE HOUSE)

44

2014/C 253/60

Zaak T-360/14: Beroep ingesteld op 21 mei 2014 — Švyturys-Utenos Alus/BHIM — Nordbrand Nordhausen (KISS)

45

2014/C 253/61

Zaak T-363/14: Beroep ingesteld op 2 juni 2014 — Secolux/Commissie

46

2014/C 253/62

Zaak T-365/14: Beroep ingesteld op 27 mei 2014 — CBM Creative Brands Marken/BHIM — Aeronautica Militare — Stato Maggiore (TRECOLORE)

47

2014/C 253/63

Zaak T-366/14: Beroep ingesteld op 28 mei 2014 — August Storck/BHIM (2good)

48

2014/C 253/64

Zaak T-369/14: Beroep ingesteld op 29 mei 2014 — Sequoia Capital Operations/BHIM — Sequoia Capital (SEQUOIA CAPITAL)

49

2014/C 253/65

Zaak T-385/14: Beroep ingesteld op 4 juni 2014 — Volkswagen/BHIM (ULTIMATE)

49

2014/C 253/66

Zaak T-386/14: Beroep ingesteld op 24 mei 2014 — Fih Holding en Fih Erhversbank/Commissie

50

2014/C 253/67

Zaak T-401/14: Beroep ingesteld op 10 juni 2014 — Duro Felguera/Commissie

51

2014/C 253/68

Zaak T-406/14: Beroep ingesteld op 10 juni 2014 — Promoinmo/Commissie

52

2014/C 253/69

Zaak T-407/14: Beroep ingesteld op 10 juni 2014 — Gres La Sagra/Commissie

53

2014/C 253/70

Zaak T-408/14: Beroep ingesteld op 10 juni 2014 — Venatto Design/Commissie

53

2014/C 253/71

Zaak T-415/14: Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Embutidos Rodríguez/Commissie

54

2014/C 253/72

Zaak T-416/14: Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Grup Maritim TCB/Commissie

55

2014/C 253/73

Zaak T-417/14: Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Afar 4/Commissie

55

2014/C 253/74

Zaak T-426/14: Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Distribuidores y Transportistas de Productos Petrolíferos/Commissie

56

2014/C 253/75

Zaak T-427/14: Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Almoauto/Commissie

56

2014/C 253/76

Zaak T-428/14: Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Gasiber 2000/Commissie

57

2014/C 253/77

Zaak T-429/14: Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Uriinmuebles/Commissie

57

2014/C 253/78

Zaak T-432/14: Beroep ingesteld op 13 juni 2014 — Remolcadores Nosa Terra en Hospital Povisa/Commissie

58

2014/C 253/79

Zaak T-433/14: Beroep ingesteld op 13 juni 2014 — Superficies de Alimentación/Commissie

58

2014/C 253/80

Zaak T-435/14: Beroep ingesteld op 9 juni 2014 — Tose’e Ta’avon Bank/Raad

59

2014/C 253/81

Zaak T-436/14: Beroep ingesteld op 9 juni 2014 — Neka Novin/Raad

60

2014/C 253/82

Zaak T-442/14: Beroep ingesteld op 16 juni 2014 — Metalúrgica Galaica/Commissie

60

2014/C 253/83

Zaak T-443/14: Beroep ingesteld op 16 juni 2014 — Aprovechamientos Energéticos JG/Commissie

61

2014/C 253/84

Zaak T-452/14: Beroep ingesteld op 17 juni 2014 — Laboratoires CTRS/Commissie

62

2014/C 253/85

Zaak T-461/14: Beroep ingesteld op 20 juni 2014 — Arocasa/Commissie

63

2014/C 253/86

Zaak T-465/14: Beroep ingesteld op 24 juni 2014 — Vego Supermercados/Commissie

63

2014/C 253/87

Zaak T-467/14: Beroep ingesteld op 24 juni 2014 — Fonditel Pensiones/Commissie

64

2014/C 253/88

Zaak T-469/14: Beroep ingesteld op 24 juni 2014 — Dordal/Commissie

64

2014/C 253/89

Zaak T-479/14: Beroep ingesteld op 26 juni 2014 — Kendrion/Hof van Justitie van de Europese Unie

65

2014/C 253/90

Gevoegde zaken T-433/11 en T-98/12: Beschikking van het Gerecht van 10 juni 2014 — Makhlouf/Raad

66

2014/C 253/91

Zaak T-109/13: Beschikking van het Gerecht van 10 juni 2014 — Othman/Raad

66

2014/C 253/92

Zaak T-477/13: Beschikking van het Gerecht van 5 juni 2014 — Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad

66

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2014/C 253/93

Zaak F-24/12: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 19 juni 2014 — BN/Parlement (Openbare dienst — Ambtenaren — Beroep tot nietigverklaring — Ambtenaar van de rang AD 14 die ambt van hoofd van een eenheid vervult — Bewering van psychisch geweld door directeur-generaal — Uitoefening van mobiliteit — Weigering om aanstelling in post van adviseur te accepteren in ander directoraat-generaal met verlies van de hogere bezoldiging van hoofd van een eenheid — Besluit tot voorlopige overplaatsing naar een ander ambt van adviseur — Dienstbelang — Regel van overeenstemming tussen rang en ambt — Beroep tot schadevergoeding — Schade als gevolg van gedraging die geen besluit vormt)

67

2014/C 253/94

Zaak F-119/12: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Sumberaz Sotte-Wedemeijer/Europol (Openbare dienst — Personeel van Europol — Europol overeenkomst — Statuut van personeelsleden van Europol — Besluit 2009/371/JAI — Toepassing van de RAP op Europol functionarissen — Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd — Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd)

67

2014/C 253/95

Zaak F-120/12: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Coutureau/Europol (Openbare dienst — Personeel van Europol — Europol overeenkomst — Statuut van personeelsleden van Europol — Besluit 2009/371/JAI — Toepassing van de RAP op Europol functionarissen — Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd — Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd)

68

2014/C 253/96

Zaak F-121/12: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Maynard/Europol (Openbare dienst — Personeel van Europol — Europol overeenkomst — Statuut van personeelsleden van Europol — Besluit 2009/371/JAI — Toepassing van de RAP op Europol functionarissen — Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd — Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd)

69

2014/C 253/97

Zaak F-66/13: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Molina Solano/Europol (Openbare dienst — Personeel van Europol — Europol overeenkomst — Statuut van personeelsleden van Europol — Besluit 2009/371/AJ — Toepassing van de RAP op functionarissen van Europol — Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd — Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd)

69

2014/C 253/98

Zaak F-67/13: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Rihn/Europol (Openbare dienst — Personeel van Europol — Europol overeenkomst — Statuut van de personeelsleden van Europol — Besluit 2009/371/JAI — Toepassing van de RAP op functionarissen van Europol — Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd — Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd)

70

2014/C 253/99

Zaak F-56/14: Beroep ingesteld op 18 juni 2014 — ZZ/Commissie

70

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

2014/C 253/01

Laatste publicatie

PB C 245 van 28.7.2014

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 235 van 21.7.2014

PB C 223 van 14.7.2014

PB C 212 van 7.7.2014

PB C 202 van 30.6.2014

PB C 194 van 24.6.2014

PB C 184 van 16.6.2014

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/2


Arrest van het Hof (Negende kamer) van 5 juni 2014 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

(Zaak C-547/11) (1)

((Niet-nakoming - Staatssteun - Beschikkingen 2006/323/EG en 2007/375/EG - Accijnsvrijstelling voor bij productie van aluminiumoxide in Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën - Terugvordering - Beslissingen van nationale rechterlijke instantie om tenuitvoerlegging van uitnodiging tot betaling op te schorten))

2014/C 253/02

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Stromsky en D. Grespan, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, bijgestaan door F. Varrone, avvocato dello Stato)

Voorwerp

Niet-nakoming — Staatssteun — Verzuim om binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de artikelen 5 en 6 van beschikking 2006/323/EG van de Commissie van 7 december 2005 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio-Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën (PB 2006, L 119, blz. 12) en aan de artikelen 4 en 6 van beschikking 2007/375/EG van de Commissie van 7 februari 2007 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio-Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën (PB L 147, blz. 29) — Schending van artikel 288 VWEU en van artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB L 83, blz. 1) — Vereiste van onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van beschikkingen van de Commissie — Ontoereikendheid van de procedure tot terugvordering van de betrokken onrechtmatige steun

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk zijn voor de terugvordering van de staatssteun die onwettig en met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is verklaard door beschikking 2006/323/EG van de Commissie van 7 december 2005 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio-Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën en door beschikking 2007/375/EG van de Commissie van 7 februari 2007 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio-Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën [C 78/2001 (ex NN 22/01), C 79/2001 (ex NN 23/01), C 80/2001 (ex NN 26/01)], is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5 van beschikking 2006/323, artikel 4 van beschikking 2007/375 en artikel 249, vierde alinea, EG.

Door niet binnen de gestelde termijn de in artikel 6, lid 1, van beschikking 2006/323 en artikel 6, lid 2, van beschikking 2007/375 bedoelde informatie te hebben verstrekt, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens deze twee bepalingen en artikel 249, vierde alinea, EG.

2)

De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 13 van 14.1.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/3


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 juni 2014 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — X BV (C-24/12), TBG Limited (C-27/12)/Staatssecretaris van Financiën

(Gevoegde zaken C-24/12 en C-27/12) (1)

((Vrij verkeer van kapitaal - Beperkingen - Dividenduitkering van een lidstaat naar een gebied overzee van dezelfde staat - Werkingssfeer van het recht van de Unie - Bijzondere regeling EU-LGO))

2014/C 253/03

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: X BV (C-24/12), TBG Limited (C-27/12)

Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën

Voorwerp

Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van de artikelen 63 en 64 VWEU — Territoriale werkingssfeer — Kapitaalverkeer vanuit een lidstaat naar een van zijn gebieden overzee — Gebied overzee al dan niet als een derde staat te beschouwen

Dictum

Het recht van de Unie moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een belastingmaatregel van een lidstaat waardoor het kapitaalverkeer tussen deze lidstaat en zijn eigen land en gebied overzee wordt beperkt, in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.


(1)  PB C 98 van 31.3.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/3


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 22 mei 2014 — Plásticos Españoles, SA (ASPLA)/Europese Commissie

(Zaak C-35/12 P) (1)

((Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt voor industriële kunststofzakken - Eén enkele voortdurende inbreuk))

2014/C 253/04

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Plásticos Españoles, SA (ASPLA) (vertegenwoordigers: E. Garayar Gutiérrez, M. Troncoso Ferrer en E. Abril Fernández, abogados)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castilla Contreras en F. Castillo de la Torre, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 november 2011, ASPLA/Commissie (T-76/06), houdende verwerping van een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2005) 4634 definitief van de Commissie van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/F/38.354 — Industriële zakken), betreffende een mededingingsregeling op de markt van industriële kunststofzakken, alsook, subsidiair, een verzoek tot verlaging van de aan ASPLA opgelegde geldboete

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Plásticos Españoles SA (ASPLA) wordt verwezen in de kosten van de hogere voorziening.


(1)  PB C 89 van 24.3.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/4


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 22 mei 2014 — Armando Álvarez, SA/Europese Commissie

(Zaak C-36/12 P) (1)

((Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt voor industriële kunststofzakken - Toerekenbaarheid aan moedermaatschappij van door dochteronderneming gepleegde inbreuk - Motiveringsplicht))

2014/C 253/05

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Armando Álvarez, SA (vertegenwoordigers: M. Troncoso Ferrer, E. Garayar Gutiérrez en C. Ruixo Claramunt, abogados)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castilla Contreras en F. Castillo de la Torre, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 november 2011, Álvarez/Commissie (T-78/06), houdende verwerping van een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2005) 4634 definitief van de Commissie van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/F/38.354 — Industriële zakken), betreffende een mededingingsregeling op de markt van industriële kunststofzakken, alsook, subsidiair, een verzoek tot verlaging van de aan Armando Álvarez opgelegde geldboete

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Armando Álvarez SA wordt verwezen in de kosten van de hogere voorziening.


(1)  PB C 89 van 24.3.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/5


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 5 juni 2014 — Europese Commissie/Republiek Bulgarije

(Zaak C-198/12) (1)

([Niet-nakoming - Interne markt voor energie - Gastransport - Verordening (EG) nr. 715/2009 - Artikelen 14, lid 1, en 16, lid 1 en lid 2, sub b - Verplichting om maximale capaciteit te garanderen - Virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting - Ontvankelijkheid])

2014/C 253/06

Procestaal: Bulgaars

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Herrmann, S. Petrova, O. Beynet en T. Scharf, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Bulgarije (vertegenwoordigers: D. Drambozova, E. Petranova en Y. Atanasov, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 14, lid 1, en 16, lid 1 en lid 2, sub b, van verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1775/2005 (PB L 211, blz. 36) — Verplichting om aan alle marktspelers maximale capaciteit te verzekeren — Geen fysieke verbinding tussen het transitsysteem en het nationale gastransportsysteem — Intergouvernementele overeenkomsten die een hinderpaal vormen voor de naleving van de verplichting om maximale capaciteit ter beschikking te stellen — Reikwijdte van de in artikel 351, tweede alinea, VWEU neergelegde verplichting

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 194 van 30.6.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/5


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 22 mei 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgerichtshof — Duitsland) — Wolfgang Glatzel/Freistaat Bayern

(Zaak C-356/12) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Vervoer - Richtlijn 2006/126/EG - Punt 6.4 van bijlage III - Geldigheid - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 20, 21, lid 1, en 26 - Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap - Rijbewijs - Lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor besturen gemotoriseerd voertuig - Minimumnormen - Gezichtsscherpte - Gelijke behandeling - Geen afwijkingsmogelijkheid - Evenredigheid))

2014/C 253/07

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bayerischer Verwaltungsgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Wolfgang Glatzel

Verwerende partij: Freistaat Bayern

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bayerischer Verwaltungsgerichtshof — Geldigheid van punt 6.4 van bijlage III bij richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB L 403, blz. 18), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/113/EG van de Commissie van 25 augustus 2009 (PB L 223, blz. 31) — Uitlegging van de artikelen 20, 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Minimumnormen voor de fysieke en mentale geschiktheid om een motorvoertuig te besturen van de categorieën C, CE, C1, C1E, D, DE, D 1 en D1E — Vereiste van een gezichtsscherpte, zo nodig met optische correctie, van minstens 0,1 voor het minder goede oog

Dictum

Bij onderzoek van de vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van punt 6.4 van bijlage III bij richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/113/EG van de Commissie van 25 augustus 2009, kunnen aantasten in het licht van de artikelen 20, 21, lid 1, of 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


(1)  PB C 9 van 12.1.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/6


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — Coty Germany GmbH, voorheen Coty Prestige Lancaster Group GmbH/First Note Perfumes NV

(Zaak C-360/12) (1)

([Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordeningen (EG) nrs. 40/94 en 44/2001 - Gemeenschapsmerk - Artikel 93, lid 5, van verordening (EG) nr. 40/94 - Internationale bevoegdheid ter zake van inbreuk - Bepaling van plaats waar schadebrengende feit zich heeft voorgedaan - Grensoverschrijdende deelneming van meerdere personen aan eenzelfde onrechtmatige daad])

2014/C 253/08

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Coty Germany GmbH, voorheen Coty Prestige Lancaster Group GmbH

Verwerende partij: First Note Perfumes NV

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesgerichtshof — Uitlegging van artikel 93, lid 3, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1) en van artikel 5, sub 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) — Gemeenschapsmerk — Internationale bevoegdheid ter zake van inbreuk — In een eerste lidstaat verrichte handeling die bestaat in de bijstand aan de op het grondgebied van een tweede lidstaat gepleegde inbreuk — Bepaling van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan

Dictum

1)

Het begrip „lidstaat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden” als bedoeld in artikel 93, lid 5, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een inbreukmakende waar op het grondgebied van een lidstaat is verkocht en geleverd en vervolgens door de verkrijger ervan op het grondgebied van een andere lidstaat is doorverkocht, op grond van deze bepaling geen rechterlijke bevoegdheid kan worden vastgesteld om kennis te nemen van een vordering betreffende inbreuk tegen de oorspronkelijke verkoper die zelf niet heeft gehandeld in de lidstaat van de aangezochte rechter.

2)

Artikel 5, sub 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer wordt aangevoerd dat er sprake is van ongeoorloofde vergelijkende reclame of slaafse nabootsing van een door een gemeenschapsmerk beschermd teken, die volgens de wet inzake oneerlijke mededinging (Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb) van de lidstaat van de aangezochte rechter verboden zijn, op grond van deze bepaling uit de plaats van de gebeurtenis die de uit schending van deze wet voortvloeiende schade heeft veroorzaakt, geen bevoegdheid kan worden afgeleid van een rechterlijke instantie van die lidstaat wanneer diegene van de veronderstelde veroorzakers die voor die instantie wordt opgeroepen, daar zelf niet heeft gehandeld. Daarentegen kan in een dergelijk geval op grond van die bepaling uit de plaats waar de schade is ingetreden, rechterlijke bevoegdheid worden afgeleid om kennis te nemen van een aansprakelijkheidsvordering die is gebaseerd op die nationale wet en wordt ingesteld tegen een in een andere lidstaat gevestigde persoon van wie wordt beweerd dat hij in laatstgenoemde lidstaat een handeling heeft gesteld die schade heeft veroorzaakt of kan veroorzaken in het rechtsgebied van de aangezochte rechter.


(1)  PB C 343 van 10.11.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/7


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Fermo — Italië) — Strafzaak tegen M

(Zaak C-398/12) (1)

((Overeenkomst ter uitvoering van Schengenakkoord - Artikel 54 - Beginsel ne bis in idem - Werkingssfeer - Beschikking door rechterlijke instantie van overeenkomstsluitende staat houdende ontbreken van grond voor verwijzing naar vonnisgerecht wegens onvoldoende bezwaren - Mogelijkheid tot heropening van gerechtelijk vooronderzoek in geval van nieuwe bezwaren - Begrip persoon die „bij onherroepelijk vonnis [...] is berecht” - Strafvervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten in andere overeenkomstsluitende staat - Beëindiging van strafvervolging en toepassing van beginsel ne bis in idem))

2014/C 253/09

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Fermo

Partij in de strafzaak

M

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale di Fermo — Uitlegging van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst — Beginsel ne bis in idem — Begrip persoon die „bij onherroepelijk vonnis [...] is berecht” — Onherroepelijke beslissing tot buitenvervolgingstelling van een rechterlijke instantie van een lidstaat

Dictum

Artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, ondertekend te Schengen (Luxemburg) op 19 juni 1990, moet aldus worden uitgelegd dat een beschikking houdende dat er geen grond is om de verdachte naar een vonnisgerecht te verwijzen die, in de overeenkomstsluitende staat waar deze beschikking is gegeven, in de weg staat aan hernieuwde vervolging van de persoon op wie de beschikking betrekking heeft ter zake van dezelfde feiten, tenzij nieuwe bezwaren tegen hem aan het licht komen, moet worden beschouwd als een beslissing die een onherroepelijk vonnis in de zin van dat artikel inhoudt en dientengevolge in de weg staat aan hernieuwde vervolging van dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat


(1)  PB C 355 van 17.11.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/8


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 mei 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Employment Tribunal, Leicester — Verenigd Koninkrijk) — Z. J. R. Lock/British Gas Trading Limited

(Zaak C-539/12) (1)

((Sociale politiek - Organisatie van arbeidstijd - Richtlijn 2003/88/EG - Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon - Samenstelling van beloning - Basisloon en van gerealiseerde omzet afhankelijke provisie))

2014/C 253/10

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Employment Tribunal, Leicester

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Z. J. R. Lock

Verwerende partij: British Gas Trading Limited

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Employment Tribunal, Leicester — Verenigd Koninkrijk — Uitlegging van artikel 7 van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 (PB L 299, blz. 9) — Consultant die een basisloon ontvangt gecombineerd met een maandelijkse provisie die afhankelijk is van de gerealiseerde omzet en van het aantal gesloten verkoopovereenkomsten, en die achteraf wordt betaald — Behoud van het basisloon tijdens de jaarlijkse vakantie, maar niet van de provisie, met uitzondering van die welke verbonden is met prestaties verricht vóór de vakantie

Dictum

1)

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale voorschriften en praktijken op grond waarvan een werknemer wiens beloning bestaat uit ten eerste een basisloon en ten tweede een provisie waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van de overeenkomsten die door de werkgever worden gesloten naar aanleiding van door deze werknemer tot stand gebrachte verkopen, uit hoofde van zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts recht heeft op een beloning die uitsluitend bestaat uit zijn basisloon.

2)

De methoden voor de berekening van de provisie waarop een werknemer als de verzoeker in het hoofdgeding recht heeft uit hoofde van zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon, moeten door de nationale rechter worden beoordeeld op basis van de in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geformuleerde regels en criteria en in het licht van het met artikel 7 van richtlijn 2003/88 nagestreefde doel.


(1)  PB C 46 van 16.2.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/9


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — KONE AG, Otis GmbH, Schindler Aufzüge und Fahrtreppen GmbH, Schindler Liegenschaftsverwaltung GmbH, ThyssenKrupp Aufzüge GmbH/ÖBB Infrastruktur AG

(Zaak C-557/12) (1)

([Artikel 101 VWEU - Vergoeding van schade die wordt veroorzaakt door bij dit artikel verboden kartel - Schade die voortvloeit uit toepassing door onderneming van hogere prijs wegens bestaan van verboden kartel waaraan deze onderneming niet deelneemt („Umbrella pricing”) - Causaal verband])

2014/C 253/11

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberste Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: KONE AG, Otis GmbH, Schindler Aufzüge und Fahrtreppen GmbH, Schindler Liegenschaftsverwaltung GmbH, ThyssenKrupp Aufzüge GmbH

Verwerende partij: ÖBB Infrastruktur AG

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberste Gerichtshof — Uitlegging van artikel 101 VWEU — Vergoeding van schade die door een krachtens dit artikel verboden mededingingsregeling is veroorzaakt — Schade door hogere prijs die in het zog van een verboden mededingingsregeling is toegepast door een onderneming die daaraan niet heeft deelgenomen

Dictum

Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een uitlegging en toepassing van het interne recht van een lidstaat volgens welke het om juridische redenen categorisch is uitgesloten dat de ondernemingen die bij een kartel zijn betrokken, civielrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor schade die voortvloeit uit het feit dat een niet aan dit kartel deelnemende onderneming, gelet op de praktijken van dat kartel, hogere prijzen heeft toegepast dan de prijzen die zij zonder kartel had kunnen hanteren.


(1)  PB C 71 van 9.3.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/9


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 22 mei 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szegedi Ítélőtábla — Hongarije) — Érsekcsanádi Mezőgazdasági Zrt/Bács-Kiskun Megyei Kormányhivatal

(Zaak C-56/13) (1)

((Richtlijnen 92/40/EEG en 2005/94/EG - Beschikkingen 2006/105/EG en 2006/115/EG - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 16, 17 en 47 - Maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza - Vergoeding van schade))

2014/C 253/12

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Szegedi Ítélőtábla

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Érsekcsanádi Mezőgazdasági Zrt

Verwerende partij: Bács-Kiskun Megyei Kormányhivatal

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Szegedi Ítélőtábla — Uitlegging van richtlijn 92/40/EEG van de Raad van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza (PB L 167, blz. 1) en van richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van richtlijn 92/40/EEG (PB L 10, blz. 16) — Veeteeltbedrijf dat zich onder meer bezighoudt met het vetmesten van kalkoenen, waaraan de toestemming is geweigerd om mestkalkoenen over te brengen naar een opfoklokaal dat is gelegen in een bij administratief besluit tegen aviaire influenza afgebakend beschermings- en toezichtsgebied — Vergoeding van de schade die particulieren hebben geleden ten gevolge van de tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen ter uitvoering van rechtshandelingen van het Unierecht

Dictum

1)

De beschikkingen 2006/105/EG van de Commissie van 15 februari 2006 tot vaststelling van bepaalde tijdelijke beschermende maatregelen in verband met vermoede gevallen van hoogpathogene aviaire influenza onder wilde vogels in Hongarije, en 2006/115/EG van de Commissie van 17 februari 2006 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met hoogpathogene aviaire influenza bij wilde vogels in de Gemeenschap en tot intrekking van de beschikkingen 2006/86/EG, 2006/90/EG, 2006/91/EG, 2006/94/EG, 2006/104/EG en 2006/105/EG, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan nationale maatregelen zoals de administratieve handelingen van 15 en 21 februari 2006, waarbij de instelling van een beschermingsgebied voor het administratieve grondgebied van Csátalja en Nagybaracska (Hongarije) werd gelast en de doorvoer van pluimvee in dat gebied werd verboden, en evenmin aan een administratief advies als dat van 23 februari 2006, waarbij een onderneming zoals verzoekster in het hoofdgeding de toelating werd geweigerd om kalkoenen onder te brengen in haar kwekerij te Nagybaracska.

2)

In de eerste plaats moeten de beschikkingen 2006/105 en 2006/115 aldus worden uitgelegd dat zij noch voorzien in noch verwijzen naar bepalingen waarmee wordt beoogd een regeling in te voeren voor de vergoeding van schade ten gevolge van de daarin neergelegde maatregelen, en in de tweede plaats is het Hof niet bevoegd om te beoordelen of een nationale wettelijke regeling zoals die in het hoofdgeding, die niet voorziet in volledige vergoeding van de schade — de gederfde winst daaronder begrepen — die is geleden ten gevolge van de vaststelling, overeenkomstig het Unierecht, van nationale beschermingsmaatregelen tegen aviaire influenza, rechtsgeldig is in het licht van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap.


(1)  PB C 147 van 25.5.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/10


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven — Nederland) — P. J. Vonk Noordegraaf/Staatssecretaris van Economische Zaken

(Zaak C-105/13) (1)

([Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Bedrijfstoeslagregeling - Verordening (EG) nr. 73/2009 - Artikelen 34, 36 en 137 - Toeslagrechten - Berekeningsgrondslag - Premies betaald voor vee en percelen waarover landbouwer tijdens de referentieperiode beschikte - Wijziging van de wijze waarop de oppervlakte van percelen landbouwgrond wordt vastgesteld - Verlaging van het aantal subsidiabele hectaren - Verzoek van landbouwer om verlaging van diens aantal toeslagrechten en verhoging van het bedrag per toeslagrecht - Verordening (EG) nr. 796/2004 - Artikel 73 bis, lid 2 bis - Toelaatbaarheid])

2014/C 253/13

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: P. J. Vonk Noordegraaf

Verwerende partij: Staatssecretaris van Economische Zaken

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — College van Beroep voor het bedrijfsleven — Uitlegging van de artikelen 34, 36 en 137 van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30, blz. 16) — Regelingen inzake rechtstreekse steunverlening — Bedrijfstoeslagregeling — Landbouwer die in 2006 toeslagrechten heeft verkregen op basis van zijn niet-grondgebonden productie en zijn percelen — Latere wijziging van methode voor de identificatie van de percelen — Verlaging van subsidiabele hectaren

Dictum

Artikel 73 bis, lid 2 bis, van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers en controlesysteem waarin is voorzien bij de verordeningen (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad, en inzake de randvoorwaarden waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 380/2009 van de Commissie van 8 mei 2009, moet aldus worden uitgelegd dat de toeslagrechten van een landbouwer opnieuw moeten worden berekend wanneer het referentiebedrag van die landbouwer bij de aanvankelijke vaststelling van zijn toeslagrechten door een te groot aantal hectaren is gedeeld als gevolg van de toen in de betrokken lidstaat toegepaste wijze van vaststelling van de oppervlakte van percelen landbouwgrond. Artikel 137 van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003, is niet van toepassing op een correctie op grond van artikel 73 bis, lid 2 bis, van verordening nr. 796/2004.


(1)  PB C 147 van 25.5.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/11


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Ireland — Ierland) — I/Health Service Executive

(Zaak C-255/13) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Sociale zekerheid - Verordening (EG) nr. 883/2004 - Artikelen 19, lid 1, en 20, leden 1 en 2 - Verordening (EG) nr. 987/2009 - Artikel 11 - Staatsburger van lidstaat die in woonstaat is verzekerd - Ernstige en plotselinge ziekte ingetreden tijdens vakantie in andere lidstaat - Betrokkene genoodzaakt gedurende elf jaar in deze tweede staat te blijven wegens ziekte en beschikbaarheid van gespecialiseerde medische zorg in nabijheid van plaats waar hij woont - Verstrekkingen in deze tweede staat - Begrippen „woonplaats” en „verblijfplaats”])

2014/C 253/14

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court of Ireland

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: I

Verwerende partij: Health Service Executive

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Ireland — Uitlegging van de artikelen 19, lid 1, en 20, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1) — Begrip „verblijven” in een andere lidstaat dan de bevoegde lidstaat — Burger van een lidstaat die sinds elf jaar aan ernstige medische aandoening lijdt die voor het eerst is opgetreden tijdens een vakantie in een tweede lidstaat — Burger genoodzaakt om op het grondgebied van de tweede lidstaat te blijven wegens zijn medische toestand

Dictum

Artikel 1, sub j en k, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels moet voor de toepassing van de artikelen 19, lid 1, of 20, leden 1 en 2, van die verordening aldus worden uitgelegd dat een burger van de Unie die in een eerste lidstaat woonde en tijdens vakantie in een tweede lidstaat plotseling een ernstige aandoening krijgt waardoor hij genoodzaakt is gedurende elf jaar in die lidstaat te blijven wegens deze ziekte en de beschikbaarheid van gespecialiseerde medische zorg in de nabijheid van de plaats waar hij feitelijk woont, moet worden geacht in deze tweede lidstaat te „verblijven” wanneer het gewone centrum van zijn belangen zich in de eerste lidstaat bevindt. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie het gewone centrum van de belangen van deze staatsburger te bepalen aan de hand van een beoordeling van alle relevante feiten en rekening houdend met de wil van de betrokkene zoals deze blijkt uit die feiten, waarbij de enkele omstandigheid dat die staatsburger gedurende een lange periode in de tweede lidstaat is gebleven, als zodanig en op zichzelf niet volstaat om te oordelen dat hij in die staat woont.


(1)  PB C 189 van 29.6.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/12


Arrest van het Hof (Negende kamer) van 22 mei 2014 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

(Zaak C-339/13) (1)

((Niet-nakoming - Richtlijn 1999/74/EG - Artikelen 3 en 5, lid 2 - Verbod van houden van legkippen in niet-aangepaste kooien - Houden van legkippen in kooien die niet in overeenstemming zijn met vereisten van deze richtlijn))

2014/C 253/15

Procestaal: Italiaans.

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Bianchi en B. Schima, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, F. Urbani Neri, avvocato dello Stato)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 3 en 5, lid 2, van richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PB L 203, blz. 53)

Dictum

1)

Door er niet op toe te zien dat legkippen vanaf 1 januari 2012 niet meer worden gehouden in niet-aangepaste kooien, is de Republiek Italië de krachtens de artikelen 3 en 5, lid 2, van richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 252 van 31.8.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/13


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom — Verenigd Koninkrijk) — Public Relations Consultants Association Ltd/Newspaper Licensing Agency Ltd e.a.

(Zaak C-360/13) (1)

((Auteursrechten - Informatiemaatschappij - Richtlijn 2001/29/EG - Artikel 5, leden 1 en 5 - Reproductie - Beperkingen en restricties - Maken van kopieën van internetsite op scherm en in cachegeheugen van harde schijf tijdens surfen op internet - Tijdelijke reproductiehandeling - Handeling van voorbijgaande of incidentele aard - Integraal en essentieel onderdeel van technisch procedé - Rechtmatig gebruik - Zelfstandige economische waarde))

2014/C 253/16

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Supreme Court of the United Kingdom

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Public Relations Consultants Association Ltd

Verwerende partijen: Newspaper Licensing Agency Ltd e.a.

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Supreme Court of the United Kingdom –Uitlegging van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10) — Reproductierecht — Uitzonderingen en beperkingen — Begrip tijdelijke reproductiehandelingen die van voorbijgaande of incidentele aard zijn en die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procedé — Kopie van webpagina die automatisch in het cache-internetgeheugen wordt opgeslagen en op het scherm wordt weergegeven

Dictum

Artikel 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat kopieën op het computerscherm van de gebruiker en kopieën in het internetcachegeheugen van de harde schijf van die computer die door een eindgebruiker bij het raadplegen van een internetsite worden gemaakt, voldoen aan de voorwaarden tijdelijk te zijn, van voorbijgaande of incidentele aard te zijn en een integraal en essentieel onderdeel te vormen van een technisch procedé, alsook aan de voorwaarden van artikel 5, lid 5, van die richtlijn, en derhalve zonder toestemming van de houders van auteursrechten mogen worden gemaakt.


(1)  PB C 260 van 7.9.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/13


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 27 mei 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Nürnberg — Duitsland) — Strafzaak tegen Zoran Spasic

(Zaak C-129/14 PPU) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Handvest van grondrechten van Europese Unie - Artikelen 50 en 52 - Beginsel ne bis in idem - Schengenuitvoeringsovereenkomst - Artikel 54 - Begrippen straf die „is ondergaan” en straf die „daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd”))

2014/C 253/17

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Nürnberg

Partij in de strafzaak

Zoran Spasic

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Nürnberg — Uitlegging van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst gelezen in samenhang met artikel 50 van het Handvest van de grondrechten — Beginsel „ne bis in idem” — Voorwaarde dat de straf reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer kan worden gelegd — Persoon die voor dezelfde feiten in een andere lidstaat is veroordeeld en is bestraft met een vrijheidsstraf en een geldstraf, maar die zijn gevangenisstraf niet heeft uitgezeten

Dictum

1)

Artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, ondertekend te Schengen op 19 juni 1990 en in werking getreden op 26 maart 1995, dat de toepassing van het beginsel ne bis in idem afhankelijk stelt van de voorwaarde dat in geval van veroordeling de straf „is ondergaan” of „daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd”, is verenigbaar met artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin dat beginsel wordt gewaarborgd.

2)

Artikel 54 van die overeenkomst moet aldus worden uitgelegd dat niet kan worden aangenomen dat een straf is ondergaan of ten uitvoer wordt gelegd in de zin van die bepaling, wanneer een persoon, die bij eenzelfde beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat is veroordeeld tot een geldstraf en tot een vrijheidsstraf, alleen de hem opgelegde geldstraf betaalt, terwijl de vrijheidsstraf niet ten uitvoer is gelegd.


(1)  PB C 151 van 19.5.2014.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/14


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — in de procedure tegen Bashir Mohamed Ali Mahdi

(Zaak C-146/14 PPU) (1)

((Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen - Richtlijn 2008/115/EG - Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders - Artikel 15 - Bewaring - Verlenging van bewaring - Verplichtingen van administratieve of rechterlijke autoriteit - Rechterlijke controle - Derdelander zonder identiteitsdocumenten - Belemmeringen voor uitvoering van verwijderingsbesluit - Weigering van ambassade van betrokken derde land om identiteitsdocument af te geven voor terugkeer van onderdaan van dat land - Risico op onderduiken - Redelijk vooruitzicht op verwijdering - Geen medewerking - Eventuele verplichting van betrokken lidstaat om voorlopig document betreffende status van betrokkene af te geven))

2014/C 253/18

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Sofia-grad

Partij in het hoofdgeding

Bashir Mohamed Ali Mahdi

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Sofia-grad — Uitlegging van artikel 15, leden 1, sub a en b, 3, 4 en 6 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98) en van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU — Verwijdering van een illegaal verblijvende derdelander — Inbewaringstelling — Verlenging van een dergelijke bewaring — Eventuele toelaatbaarheid van een overschrijding van de maximumduur van inbewaringstelling wegens het ontbreken van identiteitsdocumenten — Belemmeringen voor de uitvoering van de verwijderingsbeslissing — Redelijk vooruitzicht op verwijdering — Weigering door de ambassade van het land van herkomst van de betrokkene om het voor de terugreis vereiste document af te geven — Eventuele verplichting voor de betrokken lidstaat om een voorlopig document betreffende de status van de betrokkene af te geven

Dictum

1)

Artikel 15, leden 3 en 6, van richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, gelezen in het licht van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat elk besluit dat door een bevoegde autoriteit aan het eind van de maximale duur van de aanvankelijke bewaring van een derdelander wordt vastgesteld over het vervolg dat aan deze bewaring moet worden gegeven, een schriftelijk besluit moet zijn waarin de feitelijke en juridische gronden ter rechtvaardiging van dit besluit zijn opgenomen.

2)

Artikel 15, leden 3 en 6, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat bij de controle die moet worden verricht door de rechterlijke autoriteit waarbij een verzoek tot verlenging van de bewaring van een derdelander is ingediend, die autoriteit per geval ten gronde moet kunnen beslissen over de verlenging van de bewaring van de betrokken derdelander, over de mogelijkheid de bewaring te vervangen door een minder dwingende maatregel of over de invrijheidsstelling van de betrokkene, en dat deze autoriteit aldus bevoegd is om zich te baseren op de feiten en de bewijzen die zijn aangevoerd door de administratieve autoriteit die haar heeft geadieerd en op de feiten, bewijzen en opmerkingen die haar eventueel tijdens deze procedure ter kennis zijn gebracht.

3)

Artikel 15, leden 1 en 6, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een aanvankelijk bewaringstijdvak van zes maanden kan worden verlengd op de enkele grond dat de betrokken derdelander niet over identiteitsdocumenten beschikt. Het staat enkel aan de verwijzende rechter om per geval de feitelijke omstandigheden van de zaak in kwestie te beoordelen teneinde te bepalen of een minder dwingende maatregel doeltreffend aan deze derdelander kan worden opgelegd, dan wel of er ten aanzien van hem een risico op onderduiken bestaat.

4)

Artikel 15, lid 6, sub a, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat een derdelander die, in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding, geen identiteitsdocument heeft verkregen waarmee hij uit de betrokken lidstaat had kunnen worden verwijderd, enkel kan worden geacht „niet mee [te] werk[en]” in de zin van deze bepaling, indien uit het onderzoek van het gedrag van deze onderdaan tijdens het bewaringstijdvak blijkt dat hij niet heeft meegewerkt aan de uitvoering van de verwijdering en deze verwijdering wegens dat gedrag wellicht meer tijd zal vergen dan voorzien, waarbij het aan de verwijzende rechter staat dit te verifiëren.

5)

Richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat niet ertoe kan worden verplicht aan een derdelander die niet over identiteitsdocumenten beschikt en die dergelijke documenten niet van zijn land van herkomst heeft verkregen, een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te verstrekken indien een nationale rechter deze derdelander in vrijheid heeft gesteld wegens het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op verwijdering in de zin van artikel 14, lid 4, van deze richtlijn. In een dergelijk geval moet die lidstaat deze derdelander echter wel een schriftelijke bevestiging van zijn situatie verstrekken.


(1)  PB C 159 van 26.5.2014.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy w Płocku (Polen) op 30 september 2013 — Urszula Leśniak — Jaworska, Małgorzata Głuchowska — Szmulewicz/Prokuratura Okręgowa w Płocku

(Zaak C-520/13)

2014/C 253/19

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Rejonowy w Płocku

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Urszula Leśniak — Jaworska, Małgorzata Głuchowska — Szmulewicz

Verwerende partij: Prokuratura Okręgowa w Płocku

Bij beschikking van 27 maart 2014 heeft het Hof zich kennelijk onbevoegd verklaard om de door de Sąd Rejonowy w Płocku voorgelegde vraag te beantwoorden.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo (Spanje) op 10 april 2014 — María José Regojo Dans/Consejo del Estado

(Zaak C-177/14)

2014/C 253/20

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: María José Regojo Dans

Verwerende partij: Consejo del Estado

Prejudiciële vragen

1)

Valt de „tijdelijk medewerker” zoals momenteel omschreven in artikel 12 van wet 7/2007 van 12 april 2007 op het basisstatuut betreffende de ambtenaar, en de „tijdelijk medewerker” zoals eerder omschreven in artikel 20, lid 2, van wet 30/1984 van 2 augustus 1984 op maatregelen voor de herziening van overheidsfuncties, binnen de definitie van „werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd” zoals opgenomen in clausule 3, punt 1, van de Raamovereenkomst van het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad (1) van 28 juni 1999?

2)

Is het non-discriminatiebeginsel van clausule 4, lid 4, van de genoemde Raamovereenkomst van het EVV, de UNICE en het CEEP van toepassing op deze „tijdelijk medewerker”, in die zin dat de bezoldigingen die gezien het begrip van anciënniteit worden uitbetaald aan ambtenaren in vaste dienst, aan niet nader gespecificeerde arbeidskrachten, aan ambtenaren in tijdelijke dienst en aan werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, ook aan deze „tijdelijk medewerker” moeten worden toegekend en uitbetaald?

3)

Is het stelsel van onbelemmerde aanstelling en ontslag, gebaseerd op de gronden van vertrouwen, zoals van toepassing op dergelijke „arbeidskrachten” ingevolge de twee eerdergenoemde Spaanse wetten, verenigbaar met de objectieve gronden die een andere behandeling rechtvaardigen als bedoeld in clausule 4?


(1)  PB L 175, blz. 43.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Cluj (Roemenië) op 11 april 2014 — Radu Florin Salomie, Nicolae Vasile Oltean/Direcția Generală a Finanțelor Publice Cluj

(Zaak C-183/14)

2014/C 253/21

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curtea de Apel Cluj

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Radu Florin Salomie, Nicolae Vasile Oltean

Verwerende partij: Direcția Generală a Finanțelor Publice Cluj

Prejudiciële vragen

1)

Kan een natuurlijke persoon die zich bij overeenkomst met andere natuurlijke personen heeft verenigd, welk maatschap, dat geen rechtspersoonlijkheid heeft en fiscaal niet is aangemeld noch is geregistreerd, is gesloten met het oog op de oprichting van een nog te bouwen onroerend goed (bouwverrichtingen) op een perceel dat tot het privévermogen van enkele contractanten behoort, in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding als een btw-plichtige in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn (1) worden aangemerkt, indien de overdrachten van de gebouwen, die op tot het privévermogen van sommige medecontractanten behorende percelen zijn opgericht, op fiscaal gebied door de belastingadministratie aanvankelijk zijn beschouwd als verkopen die tot het beheer van het privévermogen van deze personen behoren?

2)

Dienen het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen en de andere algemene rechtsbeginselen zoals die uit de btw-richtlijn voortvloeien, in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding aldus te worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale praktijk waarmee de belastingadministratie ten aanzien van de betrokken natuurlijke persoon eerst de inkomstenbelasting met betrekking tot de overdracht van tot het privévermogen behorende goederen toepast, om vervolgens, zonder dat sprake is van enige wijziging van de toepasselijke basisregeling, haar standpunt twee jaar later op basis van dezelfde feiten te wijzigen en diezelfde verrichtingen als een aan de btw onderworpen economische activiteit te kwalificeren waarvoor zij met terugwerkende kracht aanvullende rechten berekent?

3)

Dienen de artikelen 167, 168 en 213 van de btw-richtlijn, gelet op het vereiste van belastingneutraliteit, aldus te worden uitgelegd dat zij in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding eraan in de weg staan dat de belastingautoriteiten weigeren te erkennen dat een belastingplichtige recht heeft op aftrek van de voorbelasting die op de door hem met het oog op de belastbare transacties verkregen goederen en diensten drukt, op de enkele grond dat de betrokkene op het tijdstip waarop die diensten zijn verleend, niet voor btw-doeleinden was geregistreerd?

4)

Dient artikel 179 van de btw-richtlijn aldus te worden uitgelegd dat het in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding in de weg staat aan een nationale regeling die een belastingplichtige op wie de uitzonderingsregeling van toepassing is en die tardief de registratie voor btw-doeleinden heeft aangevraagd, de verplichting oplegt om de belasting te betalen die had moeten worden toegepast, zonder dat hem het recht wordt verleend om de voorbelasting af te trekken die voor elke belastbare periode aftrekbaar was, welk recht van aftrek nadien zal worden uitgeoefend via de btw-aangifte die wordt ingediend nadat de belastingplichtige is geregistreerd voor btw-doeleinden, wat mogelijkerwijs gevolgen heeft voor de berekening van de extra rechten?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Laufen (Duitsland) op 30 april 2014 — Strafzaak tegen Gavril Covaci

(Zaak C-216/14)

2014/C 253/22

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Laufen

Partijen in de strafzaak

Gavril Covaci

Andere partij: Staatsanwaltschaft Traunstein

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de artikelen 1, lid 2, en 2, leden 1 en 8, van richtlijn 2010/64/EU (1) aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een rechterlijke beschikking die op grond van § 184 het Duitse Gerichtsverfassungsgesetz van beklaagden verlangt dat zij, op straffe van niet-ontvankelijkheid, enkel in de procestaal, in casu het Duits, rechtsmiddelen instellen?

2)

Moeten de artikelen 2, 3, lid 1, sub c, en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU (2) aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een beklaagde een ontvangstgemachtigde moet aanwijzen, indien de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen reeds begint te lopen vanaf de betekening aan de ontvangstgemachtigde en het uiteindelijk irrelevant is of de beklaagde überhaupt verneemt welke feiten hem ten laste zijn gelegd?


(1)  Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB L 280, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142, blz. 1).


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/18


Beroep ingesteld op 20 mei 2014 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk

(Zaak C-244/14)

2014/C 253/23

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Braun en J. Hottiaux, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Oostenrijk

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Hof:

vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk niet heeft voldaan aan de krachtens richtlijn 2004/49/EG op haar rustende verplichtingen, aangezien zij de artikelen 3, sub k, 10, lid 5, 11, lid 2, 17, lid 1, 19, lid 2, 22, lid 3, en 25, lid 3, van deze richtlijn niet volledig in nationaal recht heeft omgezet;

de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie heeft naar aanleiding van een controle van de regelgeving van de Republiek Oostenrijk bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop bepaalde voorschriften van richtlijn 2004/49/EG (1) in nationaal recht zijn omgezet. Dat bezwaar betreft in wezen voorschriften over de veiligheidscertificering en de veiligheidsvergunning, de nationale veiligheidsinstantie, de onderzoeken, het onderzoeksorgaan en de veiligheidsaanbevelingen.


(1)  PB L 164, blz. 44.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 26 mei 2014 — Air France — KLM/Ministère des finances et des comptes publics

(Zaak C-250/14)

2014/C 253/24

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Air France — KLM

Verwerende partij: Ministère des finances et des comptes publics

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de artikelen 2, lid 1, en 10, lid 2, van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 (1) aldus worden uitgelegd dat de afgifte van een ticket kan worden gelijkgesteld met de daadwerkelijke verrichting van de vervoersdienst en belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is op de bedragen die een luchtvaartmaatschappij voor zich houdt wanneer de houder van een vliegtuigticket zijn ticket niet heeft gebruikt en dit is vervallen?

2)

Zo ja, moet de geïnde belasting dan aan de staatskas worden doorgestort vanaf de ontvangst van de prijs, ook al vindt de reis mogelijk niet plaats door toedoen van de klant?


(1)  Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Općinski sud u Velikoj Gorici (Kroatië) op 26 mei 2014 — VG Vodoopskrba d.o.o. za vodoopskrbu i odvodnju/Đuro Vladika

(Zaak C-254/14)

2014/C 253/25

Procestaal: Kroatisch

Verwijzende rechter

Općinski sud u Velikoj Gorici

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: VG Vodoopskrba d.o.o. za vodoopskrbu i odvodnju

Verwerende partij: Đuro Vladika

Prejudiciële vraag

Op grond van welke beginselen betaalt de consument volgens het Unierecht voor zijn watervoorziening? Moet hij slechts het waterverbruik betalen, zoals dat van de meter kan worden afgelezen, en tegen het geldende watertarief, of dient hij voor het water een prijs te betalen waarin de kosten zijn doorberekend die verband houden met de door de verrichters van gemeentelijke diensten uitgeoefende activiteiten (exploitatie, normale onderhoudswerkzaamheden, infrastructuurbeheer, personeelskosten, enz.)?


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/19


Hogere voorziening ingesteld op 2 juni 2014 door Cemex S.A.B. de C.V. e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 14 maart 2014 in zaak T-292/11, Cemex e.a./Commissie

(Zaak C-265/14 P)

2014/C 253/26

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirantes: Cemex S.A.B. de C.V., New Sunward Holding BV, Cemex España, S.A., Cemex Deutschland AG, Cemex UK, Cemex Czech Operations s.r.o., Cemex France Gestion en Cemex Austria AG (vertegenwoordigers: J. Folguera Crespo, P. Vidal Martínez, H. González Durántez en B. Martínez Corral, abogados)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht van 14 maart 2014;

uitspraak ten gronde op het bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring en nietigverklaring van het litigieuze besluit;

verwijzing van de Commissie in de kosten die door Cemex en haar dochterondernemingen zijn gemaakt in eerste aanleg voor het Gerecht en in de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

1.   Onjuiste beoordeling van de motivering van het litigieuze besluit

Rekwirantes betogen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling van de motivering van het litigieuze besluit waarbij om inlichtingen werd verzocht, welke motivering in heel algemene bewoordingen was gesteld. Het Gerecht heeft bij zijn beoordeling geen rekening gehouden met de omstandigheden van het geval of met de inhoud van het litigieuze besluit, en heeft geen toetsing van de evenredigheid uitgevoerd op basis van de praktische mogelijkheden van de Commissie, de technische omstandigheden en de termijn waarbinnen het litigieuze besluit is vastgesteld.

2.   Onjuiste beoordeling van de vraag of de inlichtingen noodzakelijk zijn

Het Gerecht heeft tevens blijk gegeven van een onjuiste beoordeling van de vraag of de in het litigieuze besluit gevraagde inlichtingen noodzakelijk waren, aangezien die inlichtingen reeds gedeeltelijk door de Commissie waren verkregen of geen band hadden met het onderwerp van het onderzoek.

3.   Onjuiste motivering van het bestreden arrest en onjuiste beoordeling van de schending van artikel 18, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003  (1) wat de aard van de gevraagde inlichtingen betreft

Rekwirantes stellen voorts dat het bestreden arrest onjuist is gemotiveerd, nu het Gerecht zich niet heeft uitgesproken over een aantal door hen aangevoerde argumenten met betrekking tot de aard van de gevraagde inlichtingen. Voor het verstrekken van de gevraagde inlichtingen zouden waardeoordelen over hypothetische scenario’s nodig zijn geweest. Het Gerecht heeft bovendien blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat geen sprake was van schending van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003, aangezien in het litigieuze besluit van rekwirantes werd verlangd dat zij vragen beantwoordden die geen betrekking hadden op feiten en geen verband hielden met feitelijke omstandigheden.

4.   Onjuiste beoordeling van het evenredigheidsvereiste

Volgens rekwirantes heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting door de verwerping van hun beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit waarbij om inlichtingen werd verzocht, aangezien het van oordeel was dat de Commissie bij de vaststelling van het besluit en de daarin gestelde termijn voor het verstrekken van de inlichtingen geen blijk had gegeven van een onredelijke of onevenredige handelwijze. Daarnaast voeren rekwirantes aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat het verzoek om inlichtingen van de Commissie gerechtvaardigd was, hoewel het verstrekken van de gevraagde inlichtingen voor rekwirantes een zeer hoge werklast met zich bracht.

5.   Onjuiste beoordeling van de inbreuk op artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1  (2)

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de Commissie, die het litigieuze besluit uitsluitend in het Spaans had toegezonden, geen inbreuk had gemaakt op artikel 3 van verordening nr. 1.

6.   Onjuiste beoordeling van de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur

Ten slotte stellen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat verschillende gedragingen van de Commissie weliswaar laakbaar waren, doch geen schending van het beginsel van behoorlijk bestuur opleverden.


(1)  Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).

(2)  Verordening van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385).


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Vestre Landsret (Denemarken) op 5 juni 2014 — Skatteministeriet/Baby Dan A/S

(Zaak C-272/14)

2014/C 253/27

Procestaal: Deens

Verwijzende rechter

Vestre Landsret

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Skatteministeriet

Verwerende partij: Baby Dan A/S

Prejudiciële vraag

Moeten bouten met de betrokken specifieke kenmerken worden ingedeeld onder GN-post 7318 of GN-post 8302?


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/21


Beroep ingesteld op 11 juni 2014 — Europees Parlement/Europese Commissie

(Zaak C-286/14)

2014/C 253/28

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. G. Knudsen, A. Troupiotis en M. Menegatti, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

gedelegeerde verordening (EU) nr. 275/2014 (1) van de Commissie van 7 januari 2014 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert het Parlement één middel tot nietigverklaring aan. Zij betoogt namelijk dat de Commissie de haar bij artikel 21, lid 3, van verordening (EU) nr. 1316/2013 (2) verleende bevoegdheden heeft overschreden. De bestreden gedelegeerde verordening wijzigt immers bijlage I bij de basisverordening door er een nieuw deel VI aan toe te voegen dat betrekking heeft op de financieringsprioriteiten voor vervoer in het kader van meerjarige en jaarlijkse werkprogramma’s. Volgens het Parlement heeft de Commissie de haar door de basisverordening verleende bevoegdheden overschreden door een gedelegeerde handeling vast te stellen die deze basisverordening „wijzigt” in plaats van deze handeling alleen maar „aan te vullen”, zoals haar door artikel 21, lid 3, is opgelegd.


(1)  PB L 80, blz. 1.

(2)  PB L 348, blz. 129.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/22


Hogere voorziening ingesteld op 13 juni 2014 door de Helleense Republiek tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 9 april 2014 in zaak T-150/12, Griekenland/Commissie

(Zaak C-296/14 P)

2014/C 253/29

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: I. Chalkias en A. Vasilopoulou)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de hogere voorziening toewijzen, het bestreden arrest van het Gerecht in zijn geheel vernietigen op de nader uiteengezette gronden, het beroep van de Helleense Republiek toewijzen, het besluit van de Europese Commissie nietig verklaren en de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het middel van de hogere voorziening betoogt de Helleense Republiek dat het Unierecht is geschonden omdat het Gerecht artikel 107, leden 1 en 3, sub b, VWEU verkeerd heeft uitgelegd en toegepast met betrekking tot het bestaan van de uitzonderlijke omstandigheden waarin de Griekse economie zich in het tijdvak van de feiten bevond.

Meer in het bijzonder wordt met het eerste onderdeel van het middel betoogd dat, gegeven de uitzonderlijke omstandigheden waarin de Griekse economie zich op dat moment bevond, het Gerecht op basis van een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU heeft geoordeeld dat de betrokken maatregelen een selectief economisch voordeel voor de begunstigden vormde dat de mededinging kon vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten dreigde te beïnvloeden. Met het tweede onderdeel van het middel wordt betoogd dat het Gerecht artikel 107, lid 3, sub b, VWEU verkeerd heeft uitgelegd en toegepast omdat het de werkingssfeer van die bepaling, niettegenstaande de uitzonderlijke omstandigheden waarin de Griekse economie zich op dat moment bevond, heeft beperkt tot de voorwaarden van de mededeling over het communautair bestek voor bijstandsverlening.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/22


Beschikking van de president van het Hof van 4 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Madrid — Spanje) — Compañía Europea de Viajeros España, S.A./Tribunal Económico Administrativo Regional de Madrid (Ministerio de Economía y Hacienda)

(Zaak C-592/12) (1)

2014/C 253/30

Procestaal: Spaans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 79 van 16.3.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/22


Beschikking van de president van het Hof van 31 maart 2014 — Acron OAO, Dorogobuzh OAO/Raad van de Europese Unie, Europese Commissie, Fertilizers Europe

(Gevoegde zaken C-215/13 P en C-216/13 P) (1)

2014/C 253/31

Procestaal: Engels

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaken gelast.


(1)  PB C 171 van 15.6.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/23


Beschikking van de president van het Hof van 3 april 2014 — Henkel AG & Co. KGaA, Henkel France/Europese Commissie, Denemarken

(Zaak C-283/13 P) (1)

2014/C 253/32

Procestaal: Engels

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 215 van 27.7.2013.


Gerecht

4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/24


Arrest van het Gerecht van 18 juni 2014 — Cantina Broglie 1/BHIM — Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona (RIPASSA)

(Zaak T-595/10) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk RIPASSA - Ouder nationaal woordmerk VINO DI RIPASSO - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 75 van verordening (EG) nr. 207/2009 - Motiveringsplicht”])

2014/C 253/33

Procestaal: Italiaans.

Partijen

Verzoekende partij: Cantina Broglie 1 Srl (Peschiera del Garda, Italië) (vertegenwoordigers: A. Rizzoli, advocaat, die toestemming heeft verkregen om in de plaats te treden van A. Zenato)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona (Verona, Italië)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 30 september 2010 (zaak R 63/2010-1) inzake een oppositieprocedure tussen de Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Verona et Alberto Zenato.

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 30 september 2010 (zaak R 63/2010—1) wordt vernietigd.

2)

Het BHIM wordt verwezen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure voor de kamer van beroep.


(1)  PB C 72 van 5.3.2011.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/24


Arrest van het Gerecht van 18 juni 2014 — Spanje/Commissie

(Zaak T-260/11) (1)

((„Visserij - Instandhouding van visbestanden - Overschrijding door Spanje van voor 2010 toegewezen vangstquotum voor makreel in gebieden VIIIc, IX en X en in wateren van Europese Unie van CECAF 34.1.1 - Op voor 2011-2015 toegewezen vangstquota toegepaste verlagingen - Rechten van verdediging - Rechtszekerheid - Gewettigd vertrouwen - Gelijke behandeling”))

2014/C 253/34

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: aanvankelijk N. Díaz Abad en L. Banciella Rodríguez-Miñón, vervolgens M. Sampoll Pucurull en Banciella Rodríguez-Miñón, abogados del Estado)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Bouquet, F. Jimeno Fernández en D. Nardi, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 165/2011 van de Commissie van 22 februari 2011 tot verlaging van bepaalde aan Spanje toegewezen makreelquota in 2011 en de daaropvolgende jaren wegens overbevissing in 2010 (PB L 48, blz. 11)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen.


(1)  PB C 211 van 16.7.2011.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/25


Arrest van het Gerecht van 24 juni 2014 — Unister/BHIM (Ab in den Urlaub)

(Zaak T-273/12) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Ab in den Urlaub - Merk bestaande uit reclameslogan - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Geen bewijs van door gebruik verkregen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009”])

2014/C 253/35

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Unister GmbH (Leipzig, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Hug en A. Kessler-Jensch, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: D. Walicka en R. Pethke, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 3 april 2012 (zaak R 2150/2011-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Ab in den Urlaub als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Unister GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 243 van 11.8.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/26


Arrest van het Gerecht van 24 juni 2014 — Hut.com/BHIM — Intersport France (THE HUT)

(Zaak T-330/12) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk THE HUT - Ouder nationaal woordmerk LA HUTTE - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 253/36

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: The Hut.com Ltd (Northwich, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: S. Malynicz, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: V. Melgar, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Intersport France (Longjumeau, Frankrijk)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 27 april 2012 (zaak R 814/2011-2) inzake een oppositieprocedure tussen Intersport France en The Hut.com Ltd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

The Hut.com Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 295 van 29.9.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/26


Arrest van het Gerecht van 19 juni 2014 — Kampol/BHIM — Colmol (Nobel)

(Zaak T-382/12) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Nobel - Ouder nationaal woordmerk NOBEL - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 253/37

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Kampol sp. z o.o. (Świdnica, Polen) (vertegenwoordiger: J. Kępiński, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Geroulakos, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Colmol-Colchões, SA (Oliveira de Azeméis, Portugal)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 21 juni 2012 (zaak R 2286/2011-4) inzake een oppositieprocedure tussen Colmol — Colchões, SA en Kampol-K. Humiński & syn sp. z o.o.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Kampol sp. z o.o. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 355 van 17.11.2012.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/27


Arrest van het Gerecht van 24 juni 2014 — Rani Refreshments/BHIM — Global-Invest Bartosz Turek (Sani)

(Zaak T-523/12) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Sani - Oudere gemeenschapsbeeldmerken Hani of llani en RANI - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 253/38

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Rani Refreshments FZCO (Jebel Ali, Verenigde Arabische Emiraten) (vertegenwoordiger: M. Chapple, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Geroulakos, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Global-Invest Bartosz Turek (Poczesna, Polen)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 27 september 2012 (zaak R 236/2012-4) inzake een oppositieprocedure tussen Aujan Industries Co. (S J C) en Global-Invest Bartosz Turek

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Rani Refreshments FZCO wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 32 van 2.2.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/27


Arrest van het Gerecht van 24 juni 2014 — 1872 Holdings/BHIM — Havana Club International (THE SPIRIT OF CUBA)

(Zaak T-207/13) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapswoordmerk THE SPIRIT OF CUBA - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 253/39

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: 1872 Holdings vof (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Antoine-Lalance, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: V. Melgar, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Havana Club International, SA (Havana, Cuba) (vertegenwoordiger: M. Pomares Caballero, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 31 januari 2013 (zaak R 684/2012-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Havana Club International SA en 1872 Holdings vof

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

1872 Holdings vof wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 171 van 15.6.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/28


Beschikking van het Gerecht van 2 april 2014 — Unicid/Commissie

(Zaak T-305/09) (1)

((„Staatssteun - Kaderregeling voor acties van in Frankrijk erkende sectorale organisaties in landbouwsector ten behoeve van leden van vertegenwoordigde landbouwsectoren - Financiering middels verplicht gestelde vrijwillige bijdragen - Beschikking waarbij steunregeling verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Intrekking van beschikking - Afdoening zonder beslissing”))

2014/C 253/40

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Union nationale interprofessionnelle cidricole (Unicid) (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: V. Ledoux en B. Néouze, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Stromsky en C. Urraca Caviedes, vervolgens B. Stromsky en S. Thomas, en ten slotte B. Stromsky, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van beschikking C (2008) 7846 definitief van de Commissie van 10 december 2008 betreffende steunmaatregel nr. 561/2008 aangaande de kaderregeling voor acties van de in Frankrijk erkende sectorale organisaties in de landbouwsector ten behoeve van de leden van de vertegenwoordigde landbouwsectoren

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep hoeft niet meer te worden beslist.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 244 van 10.10.2009.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/29


Beschikking van het Gerecht van 4 juni 2014 — Axa Versicherung/Commissie

(Zaak T-526/12) (1)

([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Stilzwijgende weigering tot toegang - Na instelling van beroep vastgesteld uitdrukkelijk besluit - Verdwijnen van procesbelang - Afdoening zonder beslissing”])

2014/C 253/41

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Axa Versicherung AG (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordigers: C. Bahr, S. Dethof en A. Malec, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Krämer en F. Clotuche-Duvieusart, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van de Commissie houdende afwijzing van een verzoek om toegang tot documenten van het dossier in zaak COMP/39.125 (Autoglas).

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Op het verzoek tot interventie van AGC Glass Europe SA, AGC Automotive Europe SA en AGC Glass Germany GmbH behoeft niet te worden beslist.

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en die van AXA Versicherung AG.

4)

AGC Glass Europe, AGC Automotive Europe en AGC Glass Germany dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 32 van 2.2.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/29


Beschikking van het Gerecht van 5 juni 2014 — Atmeh/BHIM — Fretier (MONTALE MTL MONTALE Dezign)

(Zaak T-239/13) (1)

((„Gemeenschapsmerk - Vordering tot nietigverklaring - Intrekking van vordering tot nietigverklaring - Afdoening zonder beslissing”))

2014/C 253/42

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Ammar Atmeh (Diera-Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) (vertegenwoordiger: A. Berthet, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Sylvie Fretier (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: T. Cuche, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 14 februari 2013 (gevoegde zaken R 1482/2011-4 en R 1571/2011-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Ammar Atmeh en Sylvie Fretier

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Verzoeker en interveniënte dragen hun eigen kosten en worden elk verwezen in de helft van de kosten van verweerder.


(1)  PB C 207 van 20.7.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/30


Beschikking van het Gerecht van 10 juni 2014 — Gruppo Norton/BHIM — Marín Nicolás (Gruppo Norton S.r.l.)

(Zaak T-427/13) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Gruppo Norton S.r.l. - Ouder nationaal beeldmerk NORTON HISPAŃO - Regel 49, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 en artikel 60 van verordening (EG) nr. 207/2009 - Niet-ontvankelijkheid van beroep bij de kamer van beroep - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”])

2014/C 253/43

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Gruppo Norton Srl (Carini, Italië) (vertegenwoordiger: M. García Lirola, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: V. Melgar, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Victoriano Marín Nicolás (Alcantarilla, Spanje) (vertegenwoordiger: M. Ruiz Vázquez, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 31 mei 2013 (zaak R 341/2013-4) inzake een oppositieprocedure tussen Victoriano Marín Nicolás en Gruppo Norton Srl

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Gruppo Norton Srl wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 313 van 26.10.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/30


Beroep ingesteld op 14 april 2014 — Chemo Ibérica/BHIM — Novartis (EXELTIS)

(Zaak T-252/14)

2014/C 253/44

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Chemo Ibérica, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: I. Escudero Pérez, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Novartis AG (Bazel, Zwitserland)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 10 februari 2014 in zaak R 936/2013-4 vernietigen en derhalve de inschrijving van gemeenschapsmerk „EXELTIS” (nr. 10 248 367) in klasse 5 van de internationale classificatie aanvaarden;

verweerder en/of de andere partij in de procedure verwijzen in de kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „EXELTIS” voor waren van klasse 5 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 2 48  367

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Novartis AG

Oppositiemerk of -teken: woordmerk „EXELON” voor waren van klasse 5

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/31


Beroep ingesteld op 14 april 2014 — Chemo Ibérica/BHIM — Novartis (EXELTIS)

(Zaak T-253/14)

2014/C 253/45

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Chemo Ibérica, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: I. Escudero Pérez, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Novartis AG (Bazel, Zwitserland)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 10 februari 2014 in zaak R 1022/2013-4 vernietigen en derhalve de inschrijving van het gemeenschapsbeeldmerk „EXELTIS” (nr. 1 0 2 49  035) in klasse 5 van de internationale classificatie aanvaarden;

verweerder en/of de andere partij in de procedure verwijzen in de kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk met het woordelement „EXELTIS” voor waren van klasse 5 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 2 49  035

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Novartis AG

Oppositiemerk of -teken: woordmerk „EXELON” voor waren van klasse 5

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/32


Beroep ingesteld op 23 april 2014 — Giuntoli/BHIM — Société des produits Nestlé (CREMERIA TOSCANA)

(Zaak T-256/14)

2014/C 253/46

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Andrea Giuntoli (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: A. Canela Giménez, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Société des produits Nestlé SA (Vevey, Zwitserland)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 12 februari 2014 in zaak R 886/2013-2 vernietigen;

het BHIM en diegenen die zich tegen dit beroep verzetten, verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekende partij

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk met de woordelementen „CREMERIA TOSCANA” voor waren en diensten van de klassen 30, 35 en 43 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 9 549 346

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Société des produits Nestlé SA

Oppositiemerk of -teken: internationaal beeldmerk met het woordelement „la Cremeria”

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing, toewijzing van de oppositie en gedeeltelijke afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag.

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/32


Beroep ingesteld op 28 april 2014 — City Index/BHIM — Citigroup en Citibank (CITY INDEX)

(Zaak T-269/14)

2014/C 253/47

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: City Index Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: B. Brandreth, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep: Citigroup, Inc. en Citibank, NA (New York, Verenigde Staten)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 19 februari 2014 in zaak R 172/2013-2, waarbij de oppositie is toegewezen voor goederen en diensten van klassen 9, 16 en 36, gedeeltelijk vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten van verzoekster in de procedure voor de kamer van beroep en voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „CITY INDEX” voor goederen en diensten van klassen 9, 16, 36 en 41 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 7 458 094

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Citigroup, Inc. en Citibank, NA

Oppositiemerk of -teken: het beeldmerk dat het woordbestanddeel „citi” bevat voor goederen en diensten van klassen 9, 16, 36 en 42, de communautaire en nationale beeldmerken die de woordbestanddelen „citifinancial” en „citibank” bevatten, alsook de communautaire en nationale woordmerken „CITICAPITAL”, „CITIMONEY”, „CITIFINANCIAL”, „CITI”, „CITIBOND”, „CITICONNECT”, „CITIBANK” en „CITICARD”

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling en gedeeltelijke afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/33


Beroep ingesteld op 30 april 2014 — Lithomex/BHIM — Glaubrecht Stingel (LITHOFIX)

(Zaak T-273/14)

2014/C 253/48

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Lithomex ApS (Langeskov, Denemarken) (vertegenwoordiger: L. Ullmann, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Glaubrecht Stingel GmbH & Co.KG (Wendlingen, Duitsland)

Conclusies

beslissing R 2280/2012-5 van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 17 februari 2014 vernietigen;

de bestreden beslissing aldus wijzigen dat het beroep tegen beslissing nr. 5589 C van de nietigheidsafdeling van 21 november 2012 wordt verworpen;

interveniënte verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de beroepsprocedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: woordmerk LITHOFIX voor waren van de klassen 19 en 31 — gemeenschapsmerkinschrijving nr. 7 5 04  368

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Glaubrecht Stingel GmbH & Co. KG

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: artikel 53, lid 1, sub a, en artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 — Internationale en nationale woordmerken „LITHOFIN” voor waren van klasse 1

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: toewijzing van het beroep en nietigverklaring van het gemeenschapsmerk voor alle waren van klasse 19

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/34


Beroep ingesteld op 27 april 2014 — Dairek Attoumi/BHIM — Diesel (riem)

(Zaak T-278/14)

2014/C 253/49

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Mansour Dairek Attoumi (Badalona, Spanje) (vertegenwoordigers: E. Manresa Medina en J. M. Manresa Medina, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Diesel SpA (Breganze, Italië)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het dossier terug te plaatsen in de toestand waarin het zich bevond op het tijdstip in de procedure waarop de CD met facturen aan de verzoeker om nietigverklaring werd toegezonden, en de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 18 februari 2014 in de zaak R 855/2012-3 te vernietigen;

subsidiair, het dossier terug te plaatsen in de toestand waarin het zich bevond op het tijdstip voorafgaand aan de beslissing van de kamer van beroep, door de bestreden beslissing te vernietigen en de procedure te schorsen tot de beslechting van de gerechtelijke procedure die de houder van dit gemeenschapsmodel heeft ingesteld tegen het internationale merk nr. 608 499;

subsidiair, de onderhavige vordering toe te wijzen en vast te stellen dat de verzoeker om nietigverklaring van het gemeenschapsmodel het gebruik van zijn merk niet heeft aangetoond en bijgevolg de vordering tot nietigverklaring om die reden af te wijzen;

subsidiair, deze vordering toe te wijzen en de vordering tot nietigverklaring op grond van de uiteengezette argumenten af te wijzen;

verweerder en de eventuele interveniënten aan zijn zijde te verwijzen in de kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmodel waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: afbeelding van een riem met het woordelement „DIESEL” — ingeschreven gemeenschapsmodel nr. 1044150-0003

Houder van het gemeenschapsmodel: verzoeker

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmodel vordert: Diesel SpA

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: communautaire en internationale woordmerken „DIESEL” voor waren van de klassen 3, 9, 14, 16, 18, 24 en 25

Beslissing van de nietigheidsafdeling: toewijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen:

niet-overlegging aan verzoeker van de CD met de facturen

niet-schorsing van de procedure

verzoeker is houder van het Spaanse merk nr. 2 585 042 „S.D.D. SUPER DIESEL DAIREK”

het overige bewijs van het gebruik dat de verzoeker om nietigverklaring heeft voorgelegd, is ontoereikend;

de verschillen tussen de tekens.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/35


Beroep ingesteld op 13 mei 2014 — Davó Lledó/BHIM — Administradora y Franquicias América en Inversiones Ged (DoggiS)

(Zaak T-335/14)

2014/C 253/50

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: José-Manuel Davó Lledó (Cartagena, Spanje) (vertegenwoordiger: J. V. Gil Martí, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep: Administradora y Franquicias América, SA en Inversiones Ged Ltda (Santiago de Chile, Chili)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht om de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 13 maart 2014 in de zaak R 824/2013-1 te vernietigen en bijgevolg de aanvankelijke beslissing van de nietigheidsafdeling van 18 juli 2013 houdende afwijzing van de door Administradora y Franquicias América SA en Inversiones Ged Ltda ingestelde vordering tot nietigverklaring van gemeenschapsmerk nr. 8 894 826 „DoggiS” te bevestigen en Administradora y Franquicias América SA en Inversiones Ged Ltda te gelasten in die uitspraak en de daaraan inherente gevolgen te berusten, en de verwerende en de tussenkomende partijen in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: beeldmerk met het woordelement „DoggiS” voor waren en diensten van de klassen 29, 30 en 43 — gemeenschapsmerk nr. 8 894 826

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoeker

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Administradora y Franquicias América, SA en Inversiones Ged Ltda

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: het merk is te kwader trouw aangevraagd

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: toewijzing van het beroep, waarbij zowel de beslissing van de nietigheidsafdeling als de inschrijving van het litigieuze gemeenschapsmerk volledig worden vernietigd

Aangevoerde middelen:

Schending van artikel 76 van verordening nr. 207/2009;

Schending van artikel 52, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/36


Beroep ingesteld op 15 mei 2014 — Kurchenko/Raad

(Zaak T-339/14)

2014/C 253/51

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Serhiy Vitaliyovych Kurchenko (Chuhuiv, Oekraïne) (vertegenwoordigers: B. Kennelly en J. Pobjoy, Barristers, M. Drury en A. Swan, Solicitors)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

Besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 26), en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 1), nietig verklaren voor zover zij verzoeker betreffen; en

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: de Raad heeft geen passende rechtsgrondslag genoemd. Artikel 29 VEU vormde geen passende rechtsgrondslag voor het besluit, daar de klacht tegen verzoeker hem niet identificeerde als een persoon die de rechtstaat of de mensenrechten (in de zin van de artikelen 21, lid 2, en 23 VEU) in Oekraïne heeft ondermijnd. Aangezien het besluit ongeldig was, kon de Raad artikel 215, lid 2, VWEU niet gebruiken als rechtsgrondslag voor de verordening. Op het ogenblik dat de beperkende maatregelen werden opgelegd, was er bij geen enkele rechterlijke instantie tegen hem een tenlastelegging of vordering ingesteld waarin werd aangevoerd dat zijn activiteiten de rechtsstaat dreigden te ondermijnen in Oekraïne of de mensenrechten daar schonden.

2.

Tweede middel: de Raad heeft verzuimd te voldoen aan het vereiste voor plaatsing op de lijst, namelijk dat de persoon als „verantwoordelijk geïdentificeerd [is]” voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen of voor het schenden van mensenrechten in Oekraïne, of een persoon is die banden heeft met enig persoon die als zodanig is geïdentificeerd. Als reden voor de plaatsing van verzoeker op de lijst is enkel aangevoerd dat tegen hem in Oekraïne een „onderzoek” loopt wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan naar het buitenland. Derhalve is er zelfs geen bewering (onder toepassing van de redenering van het Hof in arrest T-256/11 Ezz) dat verzoeker verantwoordelijk was voor de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen of het schenden van de mensenrechten in Oekraïne, of banden had met een persoon die naar behoren als zodanig is geïdentificeerd.

3.

Derde middel: de Raad heeft verzoekers recht van verdediging en zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming geschonden. Verzoeker heeft op geen enkel ogenblik gedetailleerde informatie ontvangen over het „onderzoek” dat beweerdelijk zijn plaatsing op de lijst rechtvaardigt, en al helemaal geen „ernstig en geloofwaardig” of „concreet” bewijs daarvoor. Ondanks verzoeken daartoe heeft de Raad die informatie niet verstrekt.

4.

Vierde middel: de Raad heeft de plaatsing van verzoeker op de lijst onvoldoende gemotiveerd. De motivering was onvoldoende gedetailleerd en precies. Geen details zijn verstrekt over de aard van verzoekers gedrag waardoor hij beweerdelijk „betrokken” was bij „misdrijven”, of over hoe dergelijke „betrokkenheid bij misdrijven” op enige wijze in verband staat met „de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen” en „de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne”. Geen details zijn verstrekt aangaande het „onderzoek”, de instantie die het onderzoek voert, de aard ervan, of de datum waarop het zou zijn ingesteld.

5.

Vijfde middel: de Raad heeft ernstig verzoekers grondrecht op eigendom en op zijn goede naam geschonden. De beperkende maatregelen waren niet „bij wet gesteld”. Zij zijn opgelegd zonder behoorlijke waarborgen die verzoeker in staat moeten stellen zijn zaak voor de Raad toe te lichten. Zij zijn niet beperkt tot een specifieke eigendom die beweerdelijk verduisterde overheidsmiddelen vertegenwoordigt of zelfs niet beperkt tot het bedrag aan overheidsmiddelen die beweerdelijk zijn verduisterd.

6.

Zesde middel: de Raad is uitgegaan van materieel onnauwkeurige feiten. Anders dan moet blijken uit de enige reden voor zijn plaatsing op de lijst, is er geen informatie of bewijs dat tegen verzoeker in Oekraïne een „onderzoek” loopt van het soort als bedoeld in het besluit en de verordening.

7.

Zevende middel: de Raad heeft niet de relevantie en geldigheid verzekerd van het bewijs op basis waarvan verzoeker op de lijst is geplaatst. De Raad heeft niet onderzocht of de huidige dienstdoende procureur-generaal van Oekraïne krachtens de Oekraïense grondwet bevoegd was om een onderzoek tegen verzoeker in te stellen en de Raad heeft niet in aanmerking genomen dat tegen verzoeker niet het beweerde „onderzoek” was ingesteld.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/37


Beroep ingesteld op 14 mei 2014 — Yanukovych/Raad

(Zaak T-346/14)

2014/C 253/52

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Viktor Fedorovych Yanukovych (Kiev, Oekraïne) (vertegenwoordiger: T. Beazley, QC)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 26), zoals gewijzigd bij besluit 2014/216/GBVB van de Raad van 14 april 2014 (PB L 111, blz. 91) en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (PB L 66, blz. 1) betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 381/2014 van de Raad van 14 april 2014 (PB L 111, blz. 33), nietig verklaren voor zover zij verzoeker betreffen; en

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: voor de vaststelling van het besluit en de verordening ontbrak het de Raad van de Europese Unie (hierna: „Raad”) aan een passende rechtsgrondslag. Tot staving van dit middel worden onder meer de volgende argumenten aangevoerd: (a) het besluit voldeed niet aan de voorwaarden waaronder de Raad een beroep kon doen op artikel 29 VEU. Met name (i) kon de Raad aan de door hem uitdrukkelijk aangevoerde doelstellingen (consolidering van de rechtsstaat en naleving van de mensenrechten in Oekraïne) in werkelijkheid niet langer vasthouden, waarop hij redenen heeft aangevoerd voor de plaatsing op de lijst (in verband met een vermeende verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne, hetgeen verzoeker ontkent) die niet met de aangevoerde of met een van de andere relevante doelstellingen van artikel 21 VEU overeenstemden. (ii) Het besluit en de verordening zijn strijdig met andere relevante doelstellingen van artikel 21, daar zij de „consolidering en ondersteuning van de democratie [...] [en van] de beginselen van het internationaal recht” niet tot stand hebben gebracht, in het bijzonder door ten onrechte en in strijd met het Oekraïense en het internationale recht te beweren, en op basis daarvan te handelen, dat de rechtmatig democratisch verkozen president van Oekraïne, verzoeker, een „voormalige president” was, en door steun te verlenen aan de zogenaamde „interim president en regering”, die niet rechtmatig en democratisch zijn verkozen, en die de beperkte macht waarover zij met onderbrekingen beschikken, hebben verworven via onrechtmatig geweld, in strijd met de rechtsstaat, de democratische beginselen en het internationale recht. (b) Aan de voorwaarden om een beroep te doen op artikel 215 VWEU was niet voldaan, daar er geen geldig besluit was vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V VEU. (c) Artikel 215 VWEU kon niet tegen verzoeker worden aangevoerd daar er geen voldoende verband was.

2.

Tweede middel: de Raad heeft haar bevoegdheden misbruikt. De werkelijke doelstelling van de Raad bij zijn uitvoering van het besluit (en dus van de verordening) was in wezen in de gunst te komen bij het zogenaamde „interim regime” van Oekraïne, zodat Oekraïne verder nauwere banden met de EU zou aanknopen (nauwere banden die door de democratisch verkozen president van Oekraïne en diens regering waren afgewezen), en niet de beweegredenen die woordelijk in het besluit en de verordening zijn aangevoerd.

3.

Derde middel: de Raad heeft zijn motiveringsplicht niet nageleefd. De motivering in het besluit en de verordening voor de plaatsing van verzoeker op de lijst is (naast onjuist) formalistisch, niet passend en onvoldoende precies.

4.

Vierde middel: verzoeker voldeed destijds niet aan de vastgestelde criteria voor de plaatsing van een persoon op de lijst. De Raad heeft onder meer verzuimd relevante informatie te verstrekken, maar voor zover verzoeker weet, (a) werd hij op dat ogenblik niet door een gerechtelijke instantie of door een ander relevant orgaan verantwoordelijk gehouden voor de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen of de illegale overbrenging daarvan en (b) was hij op dat ogenblik niet een persoon tegen wie in Oekraïne een strafprocedure loopt voor misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.

5.

Vijfde middel: de Raad heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door de bestreden maatregelen op verzoeker toe te passen. De Raad had onder meer geen, en in ieder geval geen „concreet” bewijs dat de aantijgingen tegen verzoeker „materieel juist” waren, en heeft zich ten onrechte gebaseerd op beweringen van het ongewettigde, zogenaamde „interim regime”, dat erop uit was zich de macht toe te eigenen en een duidelijke drijfveer had dergelijke beweringen voor onoorbare doelstellingen te maken.

6.

Zesde middel: het recht van verdediging van verzoeker is geschonden en/of hem is effectieve rechterlijke bescherming ontzegd. De Raad heeft onder meer verzuimd om verzoeker een volledige motivering te verschaffen, waaronder het tegen hem aangevoerde bewijs, en om hem precieze informatie en elementen te verschaffen die beweerdelijk de bevriezing van zijn tegoeden rechtvaardigen, en hij diende zijn vordering binnen een onredelijk kort tijdsbestek in te stellen.

7.

Zevende middel: het recht op eigendom van verzoeker, gewaarborgd door artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is geschonden, onder meer doordat de beperkende maatregelen deze rechten onrechtmatig en onevenredig beperken.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/39


Beroep ingesteld op 14 mei 2014 — Yanukovych/Raad

(Zaak T-347/14)

2014/C 253/53

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Viktor Viktorovych Yanukovych (Kiev, Oekraïne) (vertegenwoordiger: T. Beazley, QC)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 26), zoals gewijzigd bij besluit 2014/216/GBVB van de Raad van 14 april 2014 (PB L 111, blz. 91) en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (PB L 66, blz. 1) betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 381/2014 van de Raad van 14 april 2014 (PB L 111, blz. 33), nietig verklaren voor zover zij verzoeker betreffen; en

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: voor de vaststelling van het besluit en de verordening ontbrak het de Raad van de Europese Unie (hierna: „Raad”) aan een passende rechtsgrondslag. Tot staving van dit middel worden onder meer volgende argumenten aangevoerd: (a) het besluit voldeed niet aan de voorwaarden waaronder de Raad een beroep kon doen op artikel 29 VEU. Met name (i) kon de Raad aan de door hem uitdrukkelijk aangevoerde doelstellingen (consolidering van de rechtsstaat en naleving van de mensenrechten in Oekraïne) in werkelijkheid niet langer vasthouden, waarop hij redenen heeft aangevoerd voor de plaatsing op de lijst (in verband met een vermeende verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne, hetgeen verzoeker ontkent) die niet met de aangevoerde of met een van de andere relevante doelstellingen van artikel 21 VEU overeenstemden. (ii) Het besluit en de verordening zijn strijdig met andere relevante doelstellingen van artikel 21, daar zij de „consolidering en ondersteuning van de democratie [...] [en van] de beginselen van het internationaal recht” niet tot stand hebben gebracht, in het bijzonder door ten onrechte en in strijd met het Oekraïense en het internationale recht te beweren, en op basis daarvan te handelen, dat de rechtmatig democratisch verkozen president van Oekraïne, president Yanukovych, een „voormalige president” was, en door steun te verlenen aan de zogenaamde „interim president en regering”, die niet rechtmatig en democratisch zijn verkozen, en die de beperkte macht waarover zij met onderbrekingen beschikken, hebben verworven via onrechtmatig geweld, in strijd met de rechtsstaat, de democratische beginselen en het internationale recht. (b) Aan de voorwaarden om een beroep te doen op artikel 215 VWEU was niet voldaan, daar er geen geldig besluit was vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V VEU. (c) Artikel 215 VWEU kon niet tegen verzoeker worden aangevoerd daar er geen voldoende verband was.

2.

Tweede middel: de Raad heeft haar bevoegdheden misbruikt. De werkelijke doelstelling van de Raad bij zijn uitvoering van het besluit (en dus van de verordening) was in wezen in de gunst te komen bij het zogenaamde „interim regime” van Oekraïne, zodat Oekraïne verder nauwere banden met de EU zou aanknopen (nauwere banden die door de democratisch verkozen president van Oekraïne en diens regering waren afgewezen), en niet de beweegredenen die woordelijk in het besluit en de verordening zijn aangevoerd.

3.

Derde middel: de Raad heeft zijn motiveringsplicht niet nageleefd. De motivering in het besluit en de verordening voor de plaatsing van verzoeker op de lijst is (naast onjuist) formalistisch, niet passend en onvoldoende precies.

4.

Vierde middel: verzoeker voldeed destijds niet aan de vastgestelde criteria voor de plaatsing van een persoon op de lijst. De Raad heeft onder meer verzuimd relevante informatie te verstrekken, maar voor zover verzoeker weet, (a) werd hij op dat ogenblik niet door een gerechtelijke instantie of door een ander relevant orgaan verantwoordelijk gehouden voor de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen of de illegale overbrenging daarvan en (b) was hij op dat ogenblik niet een persoon tegen wie in Oekraïne een strafprocedure loopt voor misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.

5.

Vijfde middel: de Raad heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door de bestreden maatregelen op verzoeker toe te passen. De Raad had onder meer geen, en in ieder geval geen „concreet” bewijs dat de aantijgingen tegen verzoeker „materieel juist” waren, en heeft zich ten onrechte gebaseerd op beweringen van het ongewettigde, zogenaamde „interim regime”, dat erop uit was zich de macht toe te eigenen en een duidelijke drijfveer had dergelijke beweringen voor onoorbare doelstellingen te maken.

6.

Zesde middel: het recht van verdediging van verzoeker is geschonden en/of hem is effectieve rechterlijke bescherming ontzegd. De Raad heeft onder meer verzuimd om verzoeker een volledige motivering te verschaffen, waaronder het tegen hem aangevoerde bewijs, en om hem precieze informatie en elementen te verschaffen die beweerdelijk de bevriezing van zijn tegoeden rechtvaardigen, en hij diende zijn vordering binnen een onredelijk kort tijdsbestek in te stellen.

7.

Zevende middel: het recht op eigendom van verzoeker, gewaarborgd door artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is geschonden, onder meer doordat de beperkende maatregelen deze rechten onrechtmatig en onevenredig beperken.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/40


Beroep ingesteld op 14 mei 2014 — Yanukovych/Raad

(Zaak T-348/14)

2014/C 253/54

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Oleksandr Viktorovych Yanukovych (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordiger: T. Beazley, QC)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 26), zoals gewijzigd bij besluit 2014/216/GBVB van de Raad van 14 april 2014 (PB L 111, blz. 91) en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (PB L 66, blz. 1) betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 381/2014 van de Raad van 14 april 2014 (PB L 111, blz. 33), nietig verklaren voor zover zij verzoeker betreffen; en

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: voor de vaststelling van het besluit en de verordening ontbrak het de Raad van de Europese Unie (hierna: „Raad”) aan een passende rechtsgrondslag. Tot staving van dit middel worden onder meer de volgende argumenten aangevoerd: (a) het besluit voldeed niet aan de voorwaarden waaronder de Raad een beroep kon doen op artikel 29 VEU. Met name (i) kon de Raad aan de door hem uitdrukkelijk aangevoerde doelstellingen (consolidering van de rechtsstaat en naleving van de mensenrechten in Oekraïne) in werkelijkheid niet langer vasthouden, waarop hij redenen heeft aangevoerd voor de plaatsing op de lijst (in verband met een vermeende verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne, hetgeen verzoeker ontkent) die niet met de aangevoerde of met een van de andere relevante doelstellingen van artikel 21 VEU overeenstemden. (ii) Het besluit en de verordening zijn strijdig met andere relevante doelstellingen van artikel 21, daar zij de „consolidering en ondersteuning van de democratie [...] [en van] de beginselen van het internationaal recht” niet tot stand hebben gebracht, in het bijzonder door ten onrechte en in strijd met het Oekraïense en het internationale recht te beweren, en op basis daarvan te handelen, dat de rechtmatig democratisch verkozen president van Oekraïne, president Yanukovych, een „voormalige president” was, en door steun te verlenen aan de zogenaamde „interim president en regering”, die niet rechtmatig en democratisch zijn verkozen, en die de beperkte macht waarover zij met onderbrekingen beschikken, hebben verworven via onrechtmatig geweld, in strijd met de rechtsstaat, de democratische beginselen en het internationale recht. (b) Aan de voorwaarden om een beroep te doen op artikel 215 VWEU was niet voldaan, daar er geen geldig besluit was vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V VEU. (c) Artikel 215 VWEU kon niet tegen verzoeker worden aangevoerd daar er geen voldoende verband was.

2.

Tweede middel: de Raad heeft haar bevoegdheden misbruikt. De werkelijke doelstelling van de Raad bij zijn uitvoering van het besluit (en dus van de verordening) was in wezen in de gunst te komen bij het zogenaamde „interim regime” van Oekraïne, zodat Oekraïne verder nauwere banden met de EU zou aanknopen (nauwere banden die door de democratisch verkozen president van Oekraïne en diens regering waren afgewezen), en niet de beweegredenen die woordelijk in het besluit en de verordening zijn aangevoerd.

3.

Derde middel: de Raad heeft zijn motiveringsplicht niet nageleefd. De motivering in het besluit en de verordening voor de plaatsing van verzoeker op de lijst is (naast onjuist) formalistisch, niet passend en onvoldoende precies.

4.

Vierde middel: verzoeker voldeed destijds niet aan de vastgestelde criteria om een persoon op de lijst te plaatsen. De Raad heeft onder meer verzuimd relevante informatie te verstrekken, maar voor zover verzoeker weet, (a) werd hij op dat ogenblik niet door een gerechtelijke instantie of door een ander relevant orgaan verantwoordelijk gehouden voor de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen of de illegale overbrenging daarvan en (b) was hij op dat ogenblik niet een persoon tegen wie in Oekraïne een strafprocedure loopt voor misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.

5.

Vijfde middel: de Raad heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door de bestreden maatregelen op verzoeker toe te passen. De Raad had onder meer geen, en in ieder geval geen „concreet” bewijs dat de aantijgingen tegen verzoeker „materieel juist” waren, en heeft zich ten onrechte gebaseerd op beweringen van het ongewettigde, zogenaamde „interim regime”, dat erop uit was zich de macht toe te eigenen en een duidelijke drijfveer had dergelijke beweringen voor onoorbare doelstellingen te maken.

6.

Zesde middel: het recht van verdediging van verzoeker is geschonden en/of hem is effectieve rechterlijke bescherming ontzegd. De Raad heeft onder meer verzuimd om verzoeker een volledige motivering te verschaffen, waaronder het tegen hem aangevoerde bewijs, en om hem precieze informatie en elementen te verschaffen die beweerdelijk de bevriezing van zijn tegoeden rechtvaardigen, en hij diende zijn vordering binnen een onredelijk kort tijdsbestek in te stellen.

7.

Zevende middel: het recht op eigendom van verzoeker, gewaarborgd door artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is geschonden, onder meer doordat de beperkende maatregelen deze rechten onrechtmatig en onevenredig beperken.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/41


Beroep ingesteld op 19 mei 2014 — Comercializadora Eloro/BHIM — Zumex Group (zumex)

(Zaak T-354/14)

2014/C 253/55

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Comercializadora Eloro, SA (Ecatepec, Mexico) (vertegenwoordiger: J. L. de Castro Hermida, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Zumex Group, SA (Moncada, Spanje)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

vast te stellen dat verzoekster, gelet op de in de administratieve procedure en bij het onderhavige verzoek overgelegde stukken, het gebruik van haar oudere merk „JUMEX” genoegzaam heeft bewezen voor fruitsappen van klasse 32;

inschrijving van het aangevraagde merk „ZUMEX”, gelet op het bewijs van het gebruik van het prioritaire merk door opposante en verzoekster, voor alle waren van klasse 32 te weigeren omdat wegens de vergelijkbare bewoordingen en de identieke aanwending van beide merken en hun co-existentie op de markt, bij de consument gevaar voor verwarring bestaat.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Zumex Group, SA

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk met het woordelement „zumex” voor waren van klasse 32 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 6 8 45  598

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: woordmerk „JUMEX” voor waren van klasse 32

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling en afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen:

Bewijs van het gebruik van het oudere merk;

Schending van artikel 8, leden 1, sub b, en 2, van verordening nr. 207/2009.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/42


Beroep ingesteld op 23 mei 2014 — CareAbout/BHIM — Florido Rodríquez (Kerashot)

(Zaak T-356/14)

2014/C 253/56

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: CareAbout GmbH (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: P. Mes, C. Graf von der Groeben, G. Rother, J. Bühling, A. Verhauwen, J. Künzel, D. Jestaedt, M. Bergermann, J. Vogtmeier en A. Kramer, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: José Luis Florido Rodríquez (Sevilla, Spanje)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 24 maart 2014 in zaak R 1569/2013-4 te vernietigen, wat de punten 1, 2 en 4 ervan betreft;

verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht, de kosten van de procedure voor de oppositieafdeling daaronder begrepen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „Kerashot” voor waren van de klassen 1, 3, en 21 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 6 69  571

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: José Luis Florido Rodríquez

Oppositiemerk of -teken: het nationale beeldmerk bevattende de woordelementen „K KERASOL” voor waren van klasse 3

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling en gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/43


Beroep ingesteld op 23 mei 2014 — Experience Hendrix/BHIM — JH Licence (Jimi Hendrix)

(Zaak T-357/14)

2014/C 253/57

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Experience Hendrix LLC (Tukwila, USA) (vertegenwoordigers: M. Vanhegan, barrister, en P. Gardiner, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: JH Licence GmbH (Pommelsbrunn, Duitsland)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 24 maart 2014 in zaak R 782/2012-4 te vernietigen;

het betwiste gemeenschapsmerk nietig te verklaren;

de houder van het gemeenschapsmerk te verwijzen in verzoeksters kosten in de procedure voor de nietigheidsafdeling;

verweerder te verwijzen in verzoeksters kosten in de procedure voor de kamer van beroep en in de procedure voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: het woordmerk „Jimi Hendrix” voor waren en diensten van de klassen 9 en 15 — gemeenschapsmerk nr. 4 6 26  685

Houder van het gemeenschapsmerk: JH Licence GmbH

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: schending van de artikelen 52, lid 1, sub b, en 53, lid 2, sub a, van verordening nr. 207/2009

Beslissing van de nietigheidsafdeling: toewijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de nietigheidsafdeling en afwijzing van de vordering tot nietigverklaring

Aangevoerde middelen:

schending van artikel 52, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009;

schending van de artikelen 53, lid 2, sub a, en 78 van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 53, lid 2, sub a, van verordening nr. 207/2009.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/44


Beroep ingesteld op 23 mei 2014 — Hoteles Catalonia/BHIM — Caixa d’Estalvis de Catalunya (HOTEL CATALONIA LA PEDRERA)

(Zaak T-358/14)

2014/C 253/58

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Hoteles Catalonia, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Grau Mora, A. Torrente Tomás en Y. Sastre Canet, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Caixa d’Estalvis de Catalunya (Barcelona, Spanje)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 27 februari 2014 in zaak R 1227/2013-1 vernietigen, voor zover de aanvraag is afgewezen van het gemeenschapsmerk „HOTEL CATALONIA LA PEDRERA” (nr. 1 0 1 63  814) van HOTELES CATALONIA S.A., dat bijgevolg dient te worden ingeschreven door het BHIM;

het BHIM verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „HOTEL CATALONIA LA PEDRERA” voor diensten van klasse 43 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 1 63  814

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Caixa d’Estalvis de Catalunya

Oppositiemerk of -teken: nationaal en gemeenschapswoordmerk „LA PEDRERA” voor diensten van klasse 42

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/44


Beroep ingesteld op 27 mei 2014 — Federación Nacional de Cafeteros de Colombia/BHIM — Accelerate (COLOMBIANO COFFEE HOUSE)

(Zaak T-359/14)

2014/C 253/59

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Federación Nacional de Cafeteros de Colombia (Bogotá, Colombia) (vertegenwoordigers: A. Pomares Caballero en M. Pomares Caballero, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Accelerate s.a.l. (Beiroet, Libanon)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 27 maart 2014 in de zaak R 1200/2013-5 aldus te wijzigen dat wordt vastgesteld dat in casu aan de toepassingsvoorwaarden voor de relatieve nietigheidsgrond van artikel 53, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 of de absolute nietigheidsgrond van artikel 52, lid 1, sub a, van verordening nr. 207/2009 of de nietigheidsgrond van artikel 14 van verordening nr. 510/2006 is voldaan, en zulks voor alle waren en diensten waartegen de vordering tot nietigverklaring is gericht;

subsidiair, de bestreden beslissing te vernietigen voor zover daarbij de vordering tot nietigverklaring voor de waren „rijst, tapioca, sago; meel en graanpreparaten, brood, banketbakkers- en suikerbakkerswaren, consumptie-ijs; honing, melassestroop; gist, rijsmiddelen; zout, mosterd; azijn, kruidensausen; specerijen; ijs” van klasse 30 en de waren „Restauratie (het verstrekken van voedsel en dranken); tijdelijke huisvesting” van klasse 43 is afgewezen;

het BHIM in elk geval te verwijzen in zijn eigen kosten en de kosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: beeldmerk met de woordelementen „COLOMBIANO COFFEE HOUSE” voor waren en diensten van de klassen 30 en 43 — gemeenschapsmerk nr. 4 635 55

Houder van het gemeenschapsmerk: Accelerate s.a.l.

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: beschermde geografische aanduiding „Café de Colombia”

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen:

schending van artikel 14 van verordening nr. 510/2006;

schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 juncto artikel 13 van verordening nr. 510/2006;

vormgebrek wegens ontbreken van motivering;

schending van artikel 7, lid 1, sub k, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 7, lid 1, sub g, van verordening nr. 207/2009.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/45


Beroep ingesteld op 21 mei 2014 — Švyturys-Utenos Alus/BHIM — Nordbrand Nordhausen (KISS)

(Zaak T-360/14)

2014/C 253/60

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Švyturys-Utenos Alus UAB (Utena, Litouwen) (vertegenwoordigers: R. Žabolienė en I. Lukauskienė, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Nordbrand Nordhausen GmbH (Nordhausen, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 17 maart 2014 in zaak R 1302/2013-4 vernietigen; en

verweerder verwijzen in de kosten van de procedure

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk KISS voor waren van klasse 33 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 6 20  565

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Nordbrand Nordhausen GmbH

Oppositiemerk of -teken: woordmerk CRISS voor waren van klasse 33

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling en afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag

Aangevoerde middelen:

schending van regel 20, lid 7, sub c, juncto regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95 juncto artikel 55, lid 1, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/46


Beroep ingesteld op 2 juni 2014 — Secolux/Commissie

(Zaak T-363/14)

2014/C 253/61

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Secolux, Association pour le contrôle de la sécurité de la construction (Capellen, Luxemburg) (vertegenwoordiger: N. Prüm-Carré, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de besluiten van de secretaris-generaal van de Europese Commissie van 1 en 14 april 2014 houdende weigering om toegang te geven tot alle documenten met betrekking tot aanbestedingsprocedure nr. 02/2013/01L „Veiligheidscontroles” voor partij 1, met name tot de offerte van de gekozen inschrijver, de prijslijst en het evaluatieverslag van die offerte, alsook het met de begunstigde gesloten dienstencontract;

verwijzing van de Europese Commissie in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Geen antwoord op het verzoek tot mededeling van alle documenten met betrekking tot de aanbestedingsprocedure, aangezien op de verzoeken tot toegang alleen is geantwoord met betrekking tot het evaluatieverslag, de offerte van de gekozen inschrijver, de prijslijst en het met de gekozen inschrijver gesloten dienstencontract.

2.

Schending van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 (1).

weigering van toegang tot de documenten op grond van de ondermijning van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1049/2001 is geen gegronde reden, aangezien een geanonimiseerde versie had kunnen worden meegedeeld.

toepassing van de uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen in de zin van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 is niet gegrond, aangezien het evaluatieverslag en de prijslijst geen informatie bevatten over de technische of menselijke middelen en geen knowhow of bijzondere vakbekwaamheid vermelden.

geen ondermijning van het besluitvormingsproces in de zin van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001, aangezien i) het gunningsbesluit is genomen en het dienstencontract met de gekozen inschrijver is gesloten op het tijdstip van de weigering van toegang, ii) de gevraagde documenten evenmin standpunten in de zin van artikel 4, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001 zijn, en aangezien de openbaarmaking van de documenten het besluitvormingsproces van de Commissie in ieder geval niet kan ondermijnen.

bestaan van een hoger openbaar belang, namelijk het transparantiebeginsel bij de uitvoering van de begroting.

geen bewijs dat gedeeltelijke mededeling van de documenten in de zin van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001 niet mogelijk was.

3.

Geen werkelijke motivering van de bestreden besluiten.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/47


Beroep ingesteld op 27 mei 2014 — CBM Creative Brands Marken/BHIM — Aeronautica Militare — Stato Maggiore (TRECOLORE)

(Zaak T-365/14)

2014/C 253/62

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: CBM Creative Brands Marken GmbH (Zürich, Zwitserland) (vertegenwoordiger: U. Lüken, M. Grundmann en N. Kerger, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Aeronautica Militare — Stato Maggiore (Rome, Italië)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de vijfde kamer van beroep van 1 april 2014 in zaak R 411/2013-5 te vernietigen voor zover de vijfde kamer van beroep de beslissing van de oppositieafdeling heeft vernietigd, de oppositie heeft toegewezen en verzoek nr. 00 9 8 77  416 heeft afgewezen met betrekking tot waren van de klassen 18 en 25 en „Detailhandelsdiensten, waaronder via websites en teleshopping, op het gebied van kleding, schoeisel, hoofddeksels, zonnebrillen, edele metalen en legeringen daarvan, waren van edele metalen of bedekt met edele metalen, juwelen, edelstenen, tijdmeetinstrumenten, leder en kunstleder en hieruit vervaardigde producten, dierenhuiden, hutkoffers, tassen, handtassen, portefeuilles, bagage, sleuteletuis, rugzakken, buidels, paraplu’s, parasols en wandelstokken, zwepen, tuigen en zadelmakerswaren” van klasse 35;

de oppositie tegen aanvraag nr. 00 9 8 77  416 in haar geheel af te wijzen;

het BHIM te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk met het woordbestanddeel „TRECOLORE” voor waren en diensten van de klassen 18, 25 en 35 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 9 8 77  416

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Aeronautica Militare — Stato Maggiore

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapswoord- en beeldmerk en nationaal woord- en beeldmerk „FRECCE TRICOLORI” voor waren en diensten van de klassen 9, 14, 16, 18, 20, 25, 28 en 41

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie in haar geheel

Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing

Aangevoerde middelen: Schending van artikel 8, leden 1, sub b, en 5, van verordening 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/48


Beroep ingesteld op 28 mei 2014 — August Storck/BHIM (2good)

(Zaak T-366/14)

2014/C 253/63

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: August Storck KG (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: I. Rohr, A. Richter, P. Goldenbaum en T. Melchert, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 27 februari 2014 in zaak R 996/2013-1 vernietigen;

verweerder verwijzen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen van het woordmerk „2good” voor waren van klasse 30 — internationale inschrijving nr. 1 1 33  636

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/49


Beroep ingesteld op 29 mei 2014 — Sequoia Capital Operations/BHIM — Sequoia Capital (SEQUOIA CAPITAL)

(Zaak T-369/14)

2014/C 253/64

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sequoia Capital Operations LLC (Menlo Park, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: F. Delord en A. Rendle, solicitors, en G. Hollingworth, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Sequoia Capital LLP (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 18 maart 2014 in zaak R 1457/2013-4 vernietigen;

het Bureau en de andere partij voor de kamer van beroep verwijzen in de kosten die zij hebben gedragen in de procedure voor het Bureau en het Gerecht, alsook in die van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: het woordmerk „SEQUOIA CAPITAL” voor diensten van de klassen 35, 36 en 42 — gemeenschapsmerkinschrijving nr. 7 4 65  347

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Capital LLP

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: woordmerk nr. 4 1 02  141„SEQUOIA” voor goederen en diensten van klassen 9, 16 en 36

Beslissing van de nietigheidsafdeling: toewijzing van de vordering

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/49


Beroep ingesteld op 4 juni 2014 — Volkswagen/BHIM (ULTIMATE)

(Zaak T-385/14)

2014/C 253/65

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Volkswagen AG (Wolfsburg, Duitsland) (vertegenwoordiger: U. Sander, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 24 maart 2014 in zaak R 1787/2013-1 vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten van de procedure

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk ULTIMATE voor waren en diensten van de klassen 12, 28, 35 en 37

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/50


Beroep ingesteld op 24 mei 2014 — Fih Holding en Fih Erhversbank/Commissie

(Zaak T-386/14)

2014/C 253/66

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Fih Holding A/S (Kopenhagen, Denemarken) en Fih Erhversbank A/S (Kopenhagen) (vertegenwoordiger: O. Koktvedgaard, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoeksters verzoeken het Gerecht:

besluit C(2014) 1280 final van de Commissie betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.34445 (2012/C), die betrekking had op de overdracht van vastgoedgerelateerde activa van FIH naar FSC, nietig te verklaren, en

de Commissie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zes middelen aan.

1.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 107, lid 1, VWEU, voor zover de Commissie daarin heeft vastgesteld „dat geen enkele particuliere investeerder zou hebben willen investeren onder voorwaarden als die van de overeenkomst tot aankoop van aandelen” (punt 93) en dat „de maatregelen de toets aan het criterium van de particuliere investeerder derhalve niet doorstaan” (punten 93 en 99), en zij in artikel 1, eerste alinea, tot de conclusie is gekomen dat de overdracht van de activa staatssteun vormt.

2.

Vanwege de reeds bestaande verplichtingen die op FSC rusten, mag FSC niet worden vergeleken met een particuliere investeerder die zich laat leiden door de verwachting dat zijn geïnvesteerd kapitaal op lange termijn winst zal opbrengen, maar wel met een particuliere schuldeiser die betaling wil verkrijgen van de bedragen die een in financiële moeilijkheden verkerende schuldenaar hem verschuldigd is.

3.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 107, lid 1, VWEU, voor zover in punt 116 daarvan is vastgesteld dat het capital-reliefeffect van de maatregelen in totaal 375 miljoen DKK bedroeg, welk bedrag moest worden vergoed, en dat de overdrachtswaarde 254 miljoen DKK hoger lag dan de werkelijke economische waarde, welk verschil moest worden teruggevorderd, en het de goedkeuring hiervan afhankelijk heeft gesteld in artikel 1, tweede alinea, en in toezegging 6 van de Lijst van voorwaarden.

4.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 107, lid 1, VWEU, voor zover de Commissie in punt 103, sub a, heeft vastgesteld dat sprake was van „een voordeel dat verband hield met de regeling uit de overeenkomst tot aankoop van aandelen (0,73 miljard DKK)” en in punt 103, sub b, dat sprake was van een „voorafgaande vergoeding voor investeringen in aandelenkapitaal (1,33 miljard DKK)”. Ten gevolge daarvan bestaat er geen basis voor het verzoek om vergoeding van de capital relief, dat de Commissie in artikel 1, tweede alinea, en in toezegging 6 heeft geformuleerd.

5.

De Commissie heeft de voorwaarden van de Overeenkomst onjuist opgevat, aangezien het in punt 116 tot de conclusie is gekomen dat FIH 254 miljoen DKK moest terugbetalen aan FSC, welk bedrag volgens haar het verschil was tussen de overdrachtswaarde en de werkelijke economische waarde van de activa.

6.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, sub c, van het Handvest, aangezien de Commissie niet heeft voldaan aan haar fundamentele procedurele verplichting om haar besluit te motiveren.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/51


Beroep ingesteld op 10 juni 2014 — Duro Felguera/Commissie

(Zaak T-401/14)

2014/C 253/67

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Duro Felguera, SA (Gijón, Spanje) (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat in dat besluit wordt aangeduid als de „Spaanse belasting-leaseregeling”, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Het hier in geding zijnde besluit is hetzelfde als dat in zaak T-515/13, Spanje/Commissie.

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij zes middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 107 VWEU, voor zover de Spaanse belasting-leaseregeling en de maatregelen waaruit die regeling bestaat in het bestreden besluit als staatssteun worden aangemerkt. Volgens verzoekster is de algemene benaderingswijze van de Commissie onjuist, aangezien zij een samenstel van particuliere rechtshandelingen die door de belastingplichtigen zijn verricht met het oog op winstoptimalisatie, verwart met de invoering door de belastingautoriteiten van een ad hoc-regeling om fiscale voordelen te genereren.

2.

Tweede middel: onjuiste bepaling van de begunstigde van de steun door de Commissie, aangezien zij zelf erkent dat de steun — of het grootste deel daarvan — gaat naar de reder die het schip koopt, en niet naar het ESV. Hoewel de vervroegde afschrijving wordt aangevraagd door het ESV en het aanvankelijk de leden van het ESV zijn die ervan profiteren, komt 90 % van dat voordeel uiteindelijk ten goede aan de rederijen.

3.

Derde middel: schending van de artikelen 107 VWEU en 108 VWEU, voor zover het bestreden besluit de toepassing van de Spaanse tonnagebelastingregeling in bepaalde gevallen aanmerkt als nieuwe steun in plaats van als bestaande steun.

4.

Vierde middel: schending van de artikelen 107 VWEU en 296 VWEU, voor zover de Commissie ontoereikend heeft gemotiveerd waarom zij de ESV’s en de investeerders daarvan beschouwt als uiteindelijke en enige begunstigden van de staatssteun, die gehouden zijn de steun terug te betalen.

5.

Vijfde, subsidiair aangevoerde middel: terugvordering van de steun kan niet worden gelast wegens schending van de algemene beginselen van gelijke behandeling, evenredigheid en gewettigd vertrouwen.

6.

Zesde, subsidiair aangevoerde middel: schending van het beginsel van bevoegdheidstoewijzing, de artikelen 107 VWEU en 108 VWEU, artikel 14 van verordening nr. 659/1999 van de Raad en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor zover in het bestreden besluit uitspraak wordt gedaan over de rechtsgeldigheid van bepalingen in particuliere overeenkomsten naar Spaans recht die zijn gesloten tussen de investeerders en andere entiteiten.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/52


Beroep ingesteld op 10 juni 2014 — Promoinmo/Commissie

(Zaak T-406/14)

2014/C 253/68

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Promoinmo, SL (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat in dat besluit wordt aangeduid als de „Spaanse belasting-leaseregeling”, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/53


Beroep ingesteld op 10 juni 2014 — Gres La Sagra/Commissie

(Zaak T-407/14)

2014/C 253/69

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Gres La Sagra, SL [Alameda de la Sagra (Toledo), Spanje] (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat in dat besluit wordt aangeduid als de „Spaanse belasting-leaseregeling”, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/53


Beroep ingesteld op 10 juni 2014 — Venatto Design/Commissie

(Zaak T-408/14)

2014/C 253/70

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Venatto Design, SL (Toledo, Spanje) (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat in dat besluit wordt aangeduid als de „Spaanse belasting-leaseregeling”, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/54


Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Embutidos Rodríguez/Commissie

(Zaak T-415/14)

2014/C 253/71

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Embutidos Rodríguez, SL [Soto de la Vega (León), Spanje] (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat in dat besluit wordt aangeduid als de „Spaanse belasting-leaseregeling”, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/55


Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Grup Maritim TCB/Commissie

(Zaak T-416/14)

2014/C 253/72

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Grup Maritim TCB, SL (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat volgens dat besluit de „Spaanse belasting-leaseregeling” vormt, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, nietig verklaren in zijn geheel of op dusdanige wijze dat het verbod van afwenteling wordt beperkt tot de rentabiliteit van de verrichtingen, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/55


Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Afar 4/Commissie

(Zaak T-417/14)

2014/C 253/73

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Afar 4, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat volgens dat besluit de „Spaanse belasting-leaseregeling” vormt, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, nietig verklaren in zijn geheel of op dusdanige wijze dat het verbod van afwenteling wordt beperkt tot de rentabiliteit van de verrichtingen, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/56


Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Distribuidores y Transportistas de Productos Petrolíferos/Commissie

(Zaak T-426/14)

2014/C 253/74

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Distribuidores y Transportistas de Productos Petrolíferos, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. García Muñoz, J. Jiménez-Blanco en J. Corral García, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-392/14, Gutser/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/56


Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Almoauto/Commissie

(Zaak T-427/14)

2014/C 253/75

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Almoauto, SA [Alcorcón (Madrid), Spanje] (vertegenwoordigers: J. García Muñoz, J. Jiménez-Blanco en J. Corral García, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-392/14, Gutser/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/57


Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Gasiber 2000/Commissie

(Zaak T-428/14)

2014/C 253/76

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Gasiber 2000, SL [Alcorcón (Madrid), Spanje] (vertegenwoordigers: J. García Muñoz, J. Jiménez-Blanco en J. Corral García, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-392/14, Gutser/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/57


Beroep ingesteld op 12 juni 2014 — Uriinmuebles/Commissie

(Zaak T-429/14)

2014/C 253/77

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Uriinmuebles, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. García Muñoz, J. Jiménez-Blanco en J. Corral García, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-392/14, Gutser/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/58


Beroep ingesteld op 13 juni 2014 — Remolcadores Nosa Terra en Hospital Povisa/Commissie

(Zaak T-432/14)

2014/C 253/78

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Remolcadores Nosa Terra, SA (Vigo, Spanje) en Hospital Povisa, SA (Vigo) (vertegenwoordiger: J. Otero Novas, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het de terugvordering betreft van de voordelen die de verzoekende ondernemingen volgens dat besluit als leden van verschillende economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) hebben ontvangen, en

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het bestreden besluit in de onderhavige zaak komt overeen met dat in zaak T-515/13, Commissie/Spanje.

Ter ondersteuning van hun beroep baseren de verzoekende partijen zich op de volgende feitelijke overwegingen.

1.

De Spaanse belasting-leaseregeling is een samenstel van verschillende maatregelen — welke op zichzelf beschouwd rechtmatig of onrechtmatig zijn, naargelang van de beoordeling van de Commissie –, die noodzakelijk zijn voor het sluiten van scheepsbouwcontracten met Spaanse scheepswerven.

2.

Hoewel de door de Commissie als onrechtmatig aangemerkte rechtstreekse voordelen aan de deelnemende ESV’s zijn verleend, was de gehele regeling aldus opgevat en werd er aldus uitvoering aan gegeven dat alle deelnemers daaraan van die voordelen zouden profiteren: werven, ESV’s, reders, organiserende banken en voor diverse transacties ingezette tussenliggende vennootschappen.

3.

De Commissie heeft in haar besluit de Staat gelast, de toegekende onrechtmatige steun terug te vorderen, maar enkel van de ESV’s en niet van de andere deelnemers aan de regeling.

4.

De Commissie heeft niet gemotiveerd waarom in dit dossier voor terugvordering is gekozen, noch waarom de betrokken steun uitsluitend van de ESV’s dient te worden teruggevorderd.

5.

De keuze om de betrokken steun uitsluitend van de ESV’s te laten terugvorderen, dient andere doeleinden dan die welke de toekenning aan de Commissie van de bevoegdheid om terugvordering te gelasten, rechtvaardigen.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/58


Beroep ingesteld op 13 juni 2014 — Superficies de Alimentación/Commissie

(Zaak T-433/14)

2014/C 253/79

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Superficies de Alimentación, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat volgens dat besluit de „Spaanse belasting-leaseregeling” vormt, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, nietig verklaren in zijn geheel of op dusdanige wijze dat het verbod van afwenteling wordt beperkt tot de rentabiliteit van de verrichtingen, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/59


Beroep ingesteld op 9 juni 2014 — Tose’e Ta’avon Bank/Raad

(Zaak T-435/14)

2014/C 253/80

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Tose’e Ta’avon Bank (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: J.-M. Thouvenin, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het in de kennisgeving van 15 maart 2014 vermelde besluit van de Raad tot handhaving van de aan verzoekster opgelegde sanctie, nietig verklaren;

verklaren dat verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 niet op haar van toepassing is;

verklaren dat besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 niet op haar van toepassing is;

de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de reden die is aangevoerd om de beperkende maatregelen tegen verzoekster te handhaven, niet een van de redenen was op grond waarvan verweerder beperkende maatregelen mocht vaststellen.

2.

Tweede middel, ontleend aan een vergissing ten aanzien van de feiten waardoor een kennelijk onjuiste beoordeling is gemaakt, aangezien verzoekster niet door de Iraanse Staat wordt beheerd en geen financiële steun aan de Iraanse regering verleent.

3.

Derde middel, ontleend aan een motiveringsgebrek.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en van het eigendomsrecht.

5.

Vijfde middel, ontleend aan een exceptie van onwettigheid van verordening nr. 267/2012 (1) en van besluit 2010/413 (2), in uitvoering waarvan het bestreden besluit is vastgesteld, aangezien, ten eerste, zij zijn vastgesteld in strijd met de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht en met artikel 215 VWEU en, ten tweede, de relevante bepalingen ervan, op grond waarvan de tegen verzoekster vastgestelde beperkende maatregelen zijn gehandhaafd, de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie schenden.


(1)  Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012, betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1).

(2)  Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB L 195, blz. 39).


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/60


Beroep ingesteld op 9 juni 2014 — Neka Novin/Raad

(Zaak T-436/14)

2014/C 253/81

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Neka Novin (Yusef Abad, Iran) (vertegenwoordiger: L. Vidal, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het in de kennisgeving van 15 maart 2014 vermelde besluit van de Raad tot handhaving van de aan verzoekster opgelegde sanctie, nietig verklaren;

de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de reden die is aangevoerd om de beperkende maatregelen tegen verzoekster te handhaven, niet kan volstaan.

2.

Tweede middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout, aangezien verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat verzoekster gespecialiseerd materiaal had verworven dat rechtstreeks in het Iraanse nucleaire programma kan worden toegepast.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en van het eigendomsrecht.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/60


Beroep ingesteld op 16 juni 2014 — Metalúrgica Galaica/Commissie

(Zaak T-442/14)

2014/C 253/82

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Metalúrgica Galaica, SA [Narón (A Coruña) Spanje] (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat volgens dat besluit de „Spaanse belasting-leaseregeling” vormt, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, nietig verklaren in zijn geheel of op dusdanige wijze dat het verbod van afwenteling wordt beperkt tot de rentabiliteit van de verrichtingen, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/61


Beroep ingesteld op 16 juni 2014 — Aprovechamientos Energéticos JG/Commissie

(Zaak T-443/14)

2014/C 253/83

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Aprovechamientos Energéticos JG, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: A. López Gómez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket belastingmaatregelen dat volgens dat besluit de „Spaanse belasting-leaseregeling” vormt, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als enige begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast in strijd met de algemene beginselen van Unierecht;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, nietig verklaren in zijn geheel of op dusdanige wijze dat het verbod van afwenteling wordt beperkt tot de rentabiliteit van de verrichtingen, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-401/14, Duro Felguera SA/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/62


Beroep ingesteld op 17 juni 2014 — Laboratoires CTRS/Commissie

(Zaak T-452/14)

2014/C 253/84

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Laboratoires CTRS (Boulogne-Billancourt, Frankrijk) (vertegenwoordigers: K. Bacon, Barrister, M. Utges Manley en M. Vickers, Solicitors)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

artikel 1 van het bestreden besluit vernietigen, voor zover het besluit in wezen aangeeft dat voor Cholic Acid FGK een vergunning is verleend voor de indicaties van Orphacol; of subsidiair artikel 1 van het besluit in zijn geheel vernietigen; en

de Commissie verwijzen in verzoeksters kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster is houdster van de vergunning voor het in de handel brengen van het weesgeneesmiddel Orphacol, waarvoor een vergunning is verleend voor de behandeling van twee zeer zeldzame en ernstige genetische leveraandoeningen en waarvan cholzuur de werkzame stof is. Orphacol geniet sinds 16 september 2013 gedurende 10 jaar marktexclusiviteit voor deze twee indicaties, overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 141/2000 (1).

Bij het bestreden besluit van 4 april 2014 heeft de Commissie een vergunning voor het in handel brengen van een ander weesgeneesmiddel (Cholic Acid FGK) met cholzuur als werkzame stof verleend. Hoewel voor Cholic Acid FGK een vergunning werd verleend voor drie andere therapeutische indicaties dan de indicaties waarvoor voor Orphacol een vergunning werd verleend, bevatten de samenvatting van de productkenmerken en het beoordelingsrapport voor Cholic Acid FGK, die volgens verzoekster integraal deel uitmaken van het besteden besluit, uitvoerige verwijzingen naar de werkzaamheid en verwijzingen naar de veiligheid van Cholic Acid FGK voor de therapeutische indicaties waarvoor een vergunning werd verleend voor Orphacol.

Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster één enkel middel aan: schending van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 141/2000, omdat de Commissie door het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen van Cholic Acid FGK onder de in de samenvatting van de productkenmerken en het beoordelingsrapport gestelde voorwaarden verzoeksters marktexclusiviteit heeft omzeild, aangezien de voorwaarden waaronder de vergunning voor het in de handel brengen voor Cholic Acid FGK werd verleend in wezen tot gevolg hebben dat voor Cholic Acid FGK ook een vergunning is verleend voor de twee therapeutische indicaties waarvoor een vergunning is verleend voor Orphacol.


(1)  Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB 2000 L 18, blz. 1).


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/63


Beroep ingesteld op 20 juni 2014 — Arocasa/Commissie

(Zaak T-461/14)

2014/C 253/85

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Arocasa, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. García Muñoz, J. Jiménez-Blanco en J. Corral García, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, en

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die in zaak T-392/14, Gutser/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/63


Beroep ingesteld op 24 juni 2014 — Vego Supermercados/Commissie

(Zaak T-465/14)

2014/C 253/86

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Vego Supermercados, SA (La Coruña, Spanje) (vertegenwoordigers: J. L. Buendía Sierra, E. Abad Valdenebro, R. Calvo Salinero en A. Lamadrid de Pablo, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket maatregelen dat volgens dat besluit de „Spaanse belasting-leaseregeling” vormt, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast;

artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, en

de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-700/13, Bankia/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/64


Beroep ingesteld op 24 juni 2014 — Fonditel Pensiones/Commissie

(Zaak T-467/14)

2014/C 253/87

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Fonditel Pensiones, Entidad Gestora de Fondos de Pensiones, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. L. Buendía Sierra, E. Abad Valdenebro, R. Calvo Salinero en A. Lamadrid de Pablo, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket maatregelen dat volgens dat besluit de „Spaanse belasting-leaseregeling” vormt, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast;

artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, en

de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-700/13, Bankia/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/64


Beroep ingesteld op 24 juni 2014 — Dordal/Commissie

(Zaak T-469/14)

2014/C 253/88

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Dordal, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordigers: J. L. Buendía Sierra, E. Abad Valdenebro, R. Calvo Salinero en A. Lamadrid de Pablo, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover het pakket maatregelen dat volgens dat besluit de „Spaanse belasting-leaseregeling” vormt, daarin wordt aangemerkt als nieuwe en met de interne markt onverenigbare staatssteun;

subsidiair, de artikelen 1 en 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, waarin de investeerders van de economische samenwerkingsverbanden (ESV’s) worden genoemd als begunstigden van de vermeende steun en als enige adressaten van het bevel tot terugvordering;

subsidiair, artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin terugvordering van de vermeende steun wordt gelast;

artikel 4 van het bestreden besluit nietig verklaren, voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van de particuliere overeenkomsten tussen de investeerders en andere entiteiten, en

de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die welke reeds zijn aangevoerd in zaak T-700/13, Bankia/Commissie.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/65


Beroep ingesteld op 26 juni 2014 — Kendrion/Hof van Justitie van de Europese Unie

(Zaak T-479/14)

2014/C 253/89

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Kendrion NV (Zeist, Nederland) (vertegenwoordigers: P. Glazener en T. Ottervanger, advocaten)

Verwerende partij: Hof van Justitie van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht de Europese Unie te veroordelen:

wegens materiële schade tot betaling van een bedrag ad 2 3 08  463,98 EUR, althans tot een zodanig bedrag als het Gerecht in redelijkheid meent te kunnen toekennen, en

wegens immateriële schade primair tot betaling van een bedrag ad 1 1 0 50  000,00 EUR, althans subsidiair tot betaling van een bedrag ad 1 7 00  000,00 EUR, althans meer subsidiair tot betaling van een bedrag dat door partijen aan de hand van door het Gerecht te bepalen modaliteiten wordt vastgesteld, althans een bedrag dat het Gerecht in redelijkheid bepaalt, en

elk bedrag vermeerderd met een door het Gerecht in redelijkheid te bepalen vertragingsrente vanaf 26 november 2013, en

met veroordeling in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Bij arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C-50/12 P, Jurispr., EU:C:2013:771), heeft het Hof een schending vastgesteld van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de voor het Gerecht gevoerde procedure in zaak T-54/06, Kendrion/Commissie, betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2005) 4634 van de Commissie van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] (Zaak COMP/F/38.354 — Industriële zakken), voor zover zij tot verzoekster is gericht, alsook een verzoek tot nietigverklaring of, subsidiair, verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete.

Het Hof bepaalde voorts dat schending van de verplichting krachtens artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie haar bestraffing moet vinden in het kader van een beroep tot schadevergoeding dat bij het Gerecht aanhangig wordt gemaakt, aangezien een dergelijk beroep tot schadevergoeding een effectief rechtsmiddel vormt.

Verzoekster voert aan dat het Hof in onderhavig arrest reeds heeft bepaald dat aan de voorwaarden van een voldoende gekwalificeerde schending van een regel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, is voldaan.

Verder voert verzoekster aan dat nu de procedure 5 jaar en 9 maanden in beslag heeft genomen, terwijl een periode van 2 jaar en 6 maanden volgens haar als redelijk mag worden geacht, er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met een duur van 3 jaar en 3 maanden. Bij een afdoening binnen een redelijke termijn zou er dus een arrest zijn gewezen op 26 augustus 2010 in plaats van 26 november 2013.

De materiële schade welke door verzoekster als gevolg van de buitensporig lange duur zou zijn geleden, zou dan bestaan uit de extra financiële lasten die verzoekster heeft moeten dragen in de betrokken periode. Deze schade wordt gevormd door de door de Commissie over het bedrag van de boete van 3 4 0 00  000 EUR in de betrokken periode berekende rente vermeerderd met de kosten die in diezelfde periode zijn verbonden aan de bankgarantie gesteld voor de betaling van de boete met rente. Dit bedrag wordt verminderd met de kosten verbonden aan de financiering van de betaling aan de Unie van de op 26 augustus 2010 verschuldigde boete met rente indien het Gerecht op die datum een arrest zou hebben gewezen.

Als vergoeding voor de immateriële schade welke door verzoekster als gevolg van de buitensporig lange duur zou zijn geleden, vordert verzoekster een billijke vergoeding welke gelijk is aan 10 % van de boete voor elk jaar, vermeerderd met een pro-ratadeel van 10 % voor een corresponderend gedeelte van een jaar, dat de procedure voor het Gerecht de redelijke termijn heeft overschreden. Een dergelijke vergoeding zou volgens verzoekster passend zijn aangezien een bedrag ter hoogte van 10 % ten tijde dat de Commissie de beschikking vaststelde, de norm was voor strafverhoging per jaar dat de overtreding voortduurde.

Subsidiair vordert verzoekster een billijke vergoeding van de immateriële schade gelijk aan 5 % van de boete. Dit bedrag zou in lijn zijn met de vergoeding die door het Hof van Justitie passend is geacht in vergelijkbare gevallen van ernstige termijnoverschrijdingen bij de beoordeling van kartelboetes.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/66


Beschikking van het Gerecht van 10 juni 2014 — Makhlouf/Raad

(Gevoegde zaken T-433/11 en T-98/12) (1)

2014/C 253/90

Procestaal: Frans

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 290 van 1.10.2011.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/66


Beschikking van het Gerecht van 10 juni 2014 — Othman/Raad

(Zaak T-109/13) (1)

2014/C 253/91

Procestaal: Frans

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 129 van 4.5.2013.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/66


Beschikking van het Gerecht van 5 juni 2014 — Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad

(Zaak T-477/13) (1)

2014/C 253/92

Procestaal: Frans

De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 336 van 16.11.2013.


Gerecht voor ambtenarenzaken

4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/67


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 19 juni 2014 — BN/Parlement

(Zaak F-24/12) (1)

((Openbare dienst - Ambtenaren - Beroep tot nietigverklaring - Ambtenaar van de rang AD 14 die ambt van hoofd van een eenheid vervult - Bewering van psychisch geweld door directeur-generaal - Uitoefening van mobiliteit - Weigering om aanstelling in post van adviseur te accepteren in ander directoraat-generaal met verlies van de hogere bezoldiging van hoofd van een eenheid - Besluit tot voorlopige overplaatsing naar een ander ambt van adviseur - Dienstbelang - Regel van overeenstemming tussen rang en ambt - Beroep tot schadevergoeding - Schade als gevolg van gedraging die geen besluit vormt))

2014/C 253/93

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: BN (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Rodrigues, A. Tymen en A. Blot, advocaten, vervolgens S. Rodrigues en A. Tymen, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: aanvankelijk O. Caisou-Rousseau en J. F. de Wachter, vervolgens O. Caisou-Rousseau en V. Montebello-Demogeot)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de president van het Europees Parlement om de verzoekende partij binnen hetzelfde directoraat-generaal van het Parlement over te plaatsen van de post van hoofd van een eenheid naar de post van adviseur van de directeur van een directie en verzoek om schadevergoeding wegens psychisch geweld

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Europees Parlement draagt al zijn eigen kosten en wordt verwezen in alle kosten van BN.


(1)  PB C 138 van 12.5.2012, blz. 36.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/67


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Sumberaz Sotte-Wedemeijer/Europol

(Zaak F-119/12) (1)

((Openbare dienst - Personeel van Europol - Europol overeenkomst - Statuut van personeelsleden van Europol - Besluit 2009/371/JAI - Toepassing van de RAP op Europol functionarissen - Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd - Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd))

2014/C 253/94

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Stephanie Sumberaz Sotte-Wedemeijer (Voorburg, Nederland) (vertegenwoordiger: J.-J. Ghosez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden, vervolgens J. Arnould, D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van Europol om verzoeksters overeenkomst niet voor onbepaalde tijd te verlengen en verzoek om Europol te veroordelen tot betaling van het verschil tussen de bezoldiging die zij bij Europol had kunnen blijven ontvangen en elke andere vergoeding die zij daadwerkelijk heeft ontvangen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Sumberaz Sotte-Wedemeijer draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Politiedienst.


(1)  PB C 379 van 8.12.2012, blz. 36.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/68


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Coutureau/Europol

(Zaak F-120/12) (1)

((Openbare dienst - Personeel van Europol - Europol overeenkomst - Statuut van personeelsleden van Europol - Besluit 2009/371/JAI - Toepassing van de RAP op Europol functionarissen - Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd - Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd))

2014/C 253/95

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Christèle Coutureau (Rijswijk, Nederland) (vertegenwoordiger: J.-J. Ghosez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden, vervolgens J. Arnould, D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van Europol om verzoeksters overeenkomst niet voor onbepaalde tijd te verlengen en verzoek om Europol te veroordelen tot betaling van het verschil tussen de bezoldiging die zij bij Europol had kunnen blijven ontvangen en elke andere vergoeding die zij daadwerkelijk heeft ontvangen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Coutureau zal haar eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van de Europese Politiedienst.


(1)  PB C 379 van 8.8.2012, blz. 36.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/69


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Maynard/Europol

(Zaak F-121/12) (1)

((Openbare dienst - Personeel van Europol - Europol overeenkomst - Statuut van personeelsleden van Europol - Besluit 2009/371/JAI - Toepassing van de RAP op Europol functionarissen - Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd - Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd))

2014/C 253/96

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Ginny Maynard (’s-Gravenhage, Nederland) (vertegenwoordiger: J.-J. Ghosez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden, vervolgens J. Arnould, D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van Europol om verzoeksters overeenkomst niet voor onbepaalde tijd te verlengen en verzoek om Europol te veroordelen tot betaling van het verschil tussen de bezoldiging die zij bij Europol had kunnen blijven ontvangen en elke andere vergoeding die zij daadwerkelijk heeft ontvangen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Maynard draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Politiedienst.


(1)  PB C 379 van 8.12.2012, blz. 36.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/69


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Molina Solano/Europol

(Zaak F-66/13) (1)

((Openbare dienst - Personeel van Europol - Europol overeenkomst - Statuut van personeelsleden van Europol - Besluit 2009/371/AJ - Toepassing van de RAP op functionarissen van Europol - Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd - Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd))

2014/C 253/97

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Beatriz Molina Solano (’s Gravenhage, Nederland) (vertegenwoordiger: J.-J. Ghosez)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Arnould en D. Neumann, gemachtigden, vervolgens J. Arnould, D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoeksters overeenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Molina Solano draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Politiedienst.


(1)  PB C 274 van 21.9.2013, blz. 30.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/70


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 25 juni 2014 — Rihn/Europol

(Zaak F-67/13) (1)

((Openbare dienst - Personeel van Europol - Europol overeenkomst - Statuut van de personeelsleden van Europol - Besluit 2009/371/JAI - Toepassing van de RAP op functionarissen van Europol - Niet-verlenging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd - Weigering van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd))

2014/C 253/98

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Philippe Rihn (’s Gravenhage, Nederland) (vertegenwoordiger: J.-J. Ghosez, advocaat)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Arnould en D. Neumann, gemachtigden, vervolgens J. Arnould, D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoekers overeenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Rihn draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Politiedienst.


(1)  PB C 274 van 21.9.2013, blz. 31.


4.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 253/70


Beroep ingesteld op 18 juni 2014 — ZZ/Commissie

(Zaak F-56/14)

2014/C 253/99

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Casado García-Hirschfeld, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van twee berekeningsvoorstellen voor de overdracht van verzoeksters pensioenrechten aan de pensioenregeling van de Unie, waarbij toepassing wordt gegeven aan de nieuwe AUB van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van de besluiten van 20 september 2013 houdende twee berekeningsvoorstellen voor dienstjaren die in aanmerking moeten worden genomen in de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie betreffende verzoek nr. 1 A112-BE-ONP en verzoek nr. 2 BE-CPIE-1 (oude referentie), bevestigd bij afwijzend besluit van het TABG waarvan op 20 maart 2014 is kennisgegeven;

verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.