ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 194

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

57e jaargang
24 juni 2014


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2014/C 194/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2014/C 194/02

Zaak C-238/12 P: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 30 april 2014 — FLSmidth & Co. A/S/Europese Commissie (Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Sector industriële zakken uit kunststof — Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld — Volledige rechtsmacht van het Gerecht — Motiveringsplicht — Toerekening aan moedermaatschappij van door dochteronderneming gepleegde inbreuk — Aansprakelijkheid van moedermaatschappij voor betaling van aan dochteronderneming opgelegde geldboete — Evenredigheid — Procedure voor het Gerecht — Redelijke procestermijn)

2

2014/C 194/03

Zaak C-390/12: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 april 2014 [verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesverwaltungsgericht Oberösterreich (voorheen Unabhängiger Verwaltungssenat des Landes Oberösterreich) — Oostenrijk] — Procedures ingesteld door Robert Pfleger, Autoart a.s., Mladen Vucicevic, Maroxx Software GmbH, Ing. Hans-Jörg Zehetner (Artikel 56 VWEU — Vrij verrichten van diensten — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikelen 15 tot en met 17, 47 en 50 — Vrijheid van beroep en recht te werken, vrijheid van ondernemerschap, recht op eigendom, recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een onpartijdig gerecht, beginsel ne bis in idem — Artikel 51 — Werkingssfeer — Ten uitvoer brengen van Unierecht — Kansspelen — Beperkende regeling van lidstaat — Bestuurlijke en strafrechtelijke sancties — Dwingende vereisten van algemeen belang — Evenredigheid)

3

2014/C 194/04

Zaak C-475/12: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 30 april 2014 [verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék (voorheen Fővárosi Bíróság) — Hongarije] — UPC DTH Sàrl/Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Elnökhelyettese (Telecommunicatiesector — Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten — Vrij verrichten van diensten — Artikel 56 VWEU — Richtlijn 2002/21/EG — Grensoverschrijdende aanbieding van pakket radio- en televisieprogramma’s — Voorwaardelijke toegang — Bevoegdheid van nationale regelgevende instanties — Registratie — Vestigingsverplichting)

3

2014/C 194/05

Zaak C-26/13: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria — Hongarije) — Árpád Kásler, Hajnalka Káslerné Rábai/OTP Jelzálogbank Zrt (Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen verkopers en consumenten — Artikelen 4, lid 2, en 6, lid 1 — Beoordeling van oneerlijk karakter van contractuele bedingen — Uitsluiting van bedingen betreffende eigenlijk voorwerp van overeenkomst of betreffende gelijkwaardigheid van prijs of vergoeding mits zij duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd — In vreemde valuta opgestelde kredietovereenkomsten — Bedingen betreffende wisselkoers — Verschil tussen aankoopkoers, van toepassing bij vrijgave van lening, en verkoopkoers, van toepassing bij aflossing ervan — Bevoegdheden van nationale rechter in geval van als oneerlijk gekwalificeerd beding — Vervanging van oneerlijk beding door nationaal voorschrift van aanvullend recht — Toelaatbaarheid)

5

2014/C 194/06

Zaak C-209/13: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 30 april 2014 — Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland/Raad van de Europese Unie (Gemeenschappelijk stelsel van belasting op financiële transacties — Toestemming voor nauwere samenwerking krachtens artikel 329, lid 1, VWEU — Besluit 2013/52/EU — Beroep tot nietigverklaring wegens schending van artikelen 327 VWEU en 332 VWEU alsook van internationaal gewoonterecht)

6

2014/C 194/07

Zaak C-250/13: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg — Duitsland) — Birgit Wagener/Bundesagentur für Arbeit — Familienkasse Villingen-Schwenningen [Prejudiciële verwijzing — Sociale zekerheid — Overeenkomst tussen Europese Gemeenschap en Zwitserse Bondsstaat — Verordening (EEG) nr. 574/72 — Artikel 107, leden 1 en 6 — Verordening (EG) nr. 987/2009 — Artikel 90 — Migrerende werknemers — Valutaomrekening — Inaanmerkingneming van in Zwitserland ontvangen gezinsbijslag bij berekening door lidstaat van kinderbijslag — Aanvullende toeslag — Peildatum voor omrekening van Zwitserse gezinsbijslag naar euro]

7

2014/C 194/08

Zaak C-267/13: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Nutricia NV/Staatssecretaris van Financiën (Gecombineerde nomenclatuur — Tariefposten — Geneesmiddelen in de zin van post 3004 — Begrip — Voedingspreparaten die uitsluitend bestemd zijn om onder medisch toezicht enteraal te worden toegediend aan personen die medisch worden behandeld — Dranken in de zin van postonderverdeling 2202 — Begrip — Vloeibare voedingsmiddelen die niet bestemd zijn om te worden gedronken maar om enteraal te worden toegediend)

8

2014/C 194/09

Zaak C-280/13: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 4 de Palma de Mallorca — Spanje) — Barclays Bank SA/Sara Sánchez García en Alejandro Chacón Barrera (Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 93/13/EEG — Dertiende overweging van de considerans — Artikel 1, lid 2 — Consumentenovereenkomsten — Hypothecaire lening — Hypothecaire executie — Nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen — Contractueel evenwicht)

8

2014/C 194/10

Zaak C-365/13: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — België) — Orde van Architecten/Belgische staat (Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2005/36/EG — Artikelen 21 en 49 — Erkenning van beroepskwalificaties — Toegang tot beroep van architect — Vrijstelling van beroepsstage)

9

2014/C 194/11

Zaak C-34/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht München (Duitsland) op 24 januari 2014 — Puma SE/Hauptzollamt Nürnberg

10

2014/C 194/12

Zaak C-105/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Cuneo (Italië) op 5 maart 2014 — Strafzaak tegen Ivo Taricco, e.a.

10

2014/C 194/13

Zaak C-131/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 21 maart 2014 — Malvino Cervati, Società Malvi Sas di Cervati Malvino/Agenzia delle Dogane, Agenzia delle Dogane — Ufficio delle Dogane di Livorno

11

2014/C 194/14

Zaak C-139/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg (Duitsland) op 24 maart 2014 — Mineralquelle Zurzach AG/Hauptzollamt Singen

12

2014/C 194/15

Zaak C-147/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van beroep te Brussel (België) op 28 maart 2014 — Loutfi Management Propriété intellectuelle SARL tegen AMJ Meatproducts NV en Halalsupply NV

12

2014/C 194/16

Zaak C-152/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 1 april 2014 — AEEG/Antonella Bertazzi e.a.

13

2014/C 194/17

Zaak C-153/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 3 april 2014 — Minister van Buitenlandse Zaken, andere partijen: K en A

14

2014/C 194/18

Zaak C-156/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 3 april 2014 — Tamoil Italia/Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare

15

2014/C 194/19

Zaak C-158/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 4 april 2014 — A e.a., andere partij: Minister van Buitenlandse Zaken

15

2014/C 194/20

Zaak C-184/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 14 april 2014 — A/B

16

2014/C 194/21

Zaak C-185/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 14 april 2014 — EasyPay AD, Finance Engineering AD/Ministerski savet na Republika Balgaria, Natsionalen osiguritelen institut

17

2014/C 194/22

Zaak C-196/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Aachen (Duitsland) op 18 april 2014 — Horst Hoeck/Helleense Republiek

17

 

Gerecht

2014/C 194/23

Zaak T-468/08: Arrest van het Gerecht van 30 april 2014 — Tisza Erőmű/Commissie (Staatssteun — Steun toegekend door Hongaarse autoriteiten aan bepaalde elektriciteitsproducenten — Stroomafnameovereenkomsten gesloten tussen publieke onderneming en bepaalde elektriciteitsproducenten — Beschikking waarbij steun onverenigbaar wordt verklaard met gemeenschappelijke markt en terugvordering ervan wordt gelast — Motiveringsplicht — Begrip staatssteun — Voordeel — Selectief karakter — Staatsmiddelen — Toerekenbaarheid aan staat — Negatieve invloed op handel tussen lidstaten — Rechten van verdediging — Rechtszekerheid — Gewettigd vertrouwen — Gelijke behandeling — Evenredigheid — Bevoegdheidsoverschrijding — Artikel 10 van het Verdrag inzake het Energiehandvest)

19

2014/C 194/24

Zaak T-179/09: Arrest van het Gerecht van 3 april 2014 — Dunamenti Erőmű/Commissie (Staatssteun — Steun toegekend door Hongaarse autoriteiten aan bepaalde elektriciteitsproducenten — Stroomafnameovereenkomsten gesloten tussen publieke onderneming en bepaalde elektriciteitsproducenten — Beschikking waarbij steun onverenigbaar wordt verklaard met gemeenschappelijke markt en terugvordering ervan wordt gelast — Begrip staatssteun — Voordeel — Nieuwe steun — Werkingssteun — Gewettigd vertrouwen — Rechtszekerheid)

19

2014/C 194/25

Zaak T-637/11: Arrest van het Gerecht van 30 april 2014 — Euris Consult/Parlement [Overheidsopdrachten voor diensten — Aanbestedingsprocedure — Vertalingen in Maltees — Voorschriften inzake wijze van mededeling van offertes — Afwijzing van offerte van inschrijver — Niet-naleving van indieningsvoorschriften tot waarborging van vertrouwelijke behandeling van inhoud van offertes vóór opening — Exceptie van niet-toepasselijkheid — Evenredigheid — Gelijke behandeling — Rechten van verdediging — Motiveringsplicht — Artikel 41 van Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 98, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 — Artikel 143 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002]

20

2014/C 194/26

Zaak T-17/12: Arrest van het Gerecht van 30 april 2014 — Hagenmeyer en Hahn/Commissie [Consumentenbescherming — Verordening (EG) nr. 1924/2006 — Gezondheidsclaims voor levensmiddelen — Weigering van vergunning voor claim inzake ziekterisicobeperking — Vermelding van risicofactor — Wettigheid van procedure tot vergunning voor gezondheidsclaims inzake ziekterisicobeperking — Beroep tot nietigverklaring — Procesbelang — Directe en individuele geraaktheid — Ontvankelijkheid — Evenredigheid — Motiveringsplicht]

21

2014/C 194/27

Zaak T-170/12: Arrest van het Gerecht van 30 april 2014 — Beyond Retro/BHIM — S&K Garments (BEYOND VINTAGE) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Internationale inschrijving waarin Europese Gemeenschap wordt aangewezen — Woordmerk BEYOND VINTAGE — Ouder gemeenschapswoordmerk BEYOND RETRO — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 — Motiveringsplicht — Artikel 75 van verordening nr. 207/2009]

21

2014/C 194/28

Zaak T-327/12: Arrest van het Gerecht van 8 mei 2014 — Simca Europe/BHIM — PSA Peugeot Citroën (Simca) [Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Gemeenschapswoordmerk Simca — Kwade trouw — Artikel 52, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009]

22

2014/C 194/29

Zaak T-575/12: Arrest van het Gerecht van 8 mei 2014 — Pyrox/BHIM — Köb Holzheizsysteme (PYROX) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk PYROX — Oudere nationale woordmerken PYROT — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009]

23

2014/C 194/30

Zaak T-38/13: Arrest van het Gerecht van 8 mei 2014 — Pedro Group/BHIM — Cortefiel (PEDRO) [Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PEDRO — Ouder gemeenschapsbeeldmerk Pedro del Hierro — Gedeeltelijke weigering van inschrijving — Relatieve weigeringsgronden — Normaal gebruik van ouder merk — Groot onderscheidend vermogen van ouder merk — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009]

23

2014/C 194/31

Zaak T-303/09: Beschikking van het Gerecht van 2 april 2014 — CIVR e.a./Commissie (Staatssteun — Kaderregeling voor acties door in Frankrijk erkende brancheorganisaties ten behoeve van leden van vertegenwoordigde landbouwsectoren — Financiering door verplicht gestelde vrijwillige bijdragen — Besluit waarbij steunregeling verenigbaar met gemeenschappelijke markt is verklaard — Intrekking van besluit — Afdoening zonder beslissing)

24

2014/C 194/32

Zaak T-263/12: Beschikking van het Gerecht van 14 april 2014 — Manufacturing Support & Procurement Kala Naft/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie — Bevriezing van tegoeden — Kracht van gewijsde — Motiveringsplicht — Verplichting tot individuele kennisgeving — Rechten van verdediging — Recht op effectieve rechterlijke bescherming — Eigendomsrecht — Evenredigheid — Bevoegdheid van Raad — Misbruik van bevoegdheid — Onjuiste rechtsopvatting — Begrip ‚aan nucleaire proliferatie verleende steun’ — Onjuiste beoordeling — Beroep kennelijk rechtens ongegrond)

25

2014/C 194/33

Zaak T-680/13: Beroep ingesteld op 20 december 2013 — K. Chrysostomides & Co. e.a./Raad e.a.

25

2014/C 194/34

Zaak T-75/14: Beroep ingesteld op 23 januari 2014 — USFSPEI/Parlement en Raad

26

2014/C 194/35

Zaak T-189/14: Beroep ingesteld op 24 maart 2014 — Deza/ECHA

27

2014/C 194/36

Zaak T-216/14: Beroep ingesteld op 4 april 2014 — Volkswagen/BHIM (EXTRA)

28

2014/C 194/37

Zaak T-218/14: Beroep ingesteld op 8 april 2014 — Mabrouk/Raad

29

2014/C 194/38

Zaak T-229/14: Beroep ingesteld op 11 april 2014 — Norma Lebensmittelfilialbetrieb/BHIM — Yorma’s (Yorma Eberl)

30

2014/C 194/39

Zaak T-250/14: Beroep ingesteld op 22 april 2014 — EEB/Commissie

30

2014/C 194/40

Zaak T-254/14: Beroep ingesteld op 18 april 2014 — Warenhandelszentrum/BHIM — Baumarkt Max Bahr (NEW MAX)

31

2014/C 194/41

Zaak T-257/14: Beroep ingesteld op 24 april 2014 — Novomatic/BHIM — Berentzen Mally Marketing plus Services (BLACK JACK TM)

32

2014/C 194/42

Zaak T-264/14: Beroep ingesteld op 22 april 2014 — Hansen/BHIM (WIN365)

33

2014/C 194/43

Zaak T-267/14: Beroep ingesteld op 23 april 2014 — Zehnder Group International/BHIM — Stiebel Eltron (comfotherm)

33

2014/C 194/44

Zaak T-277/14: Beroep ingesteld op 30 april 2014 — Mabrouk/Raad

34

2014/C 194/45

Zaak T-290/14: Beroep ingesteld op 29 april 2014 — Portnov/Raad

34

2014/C 194/46

Zaak T-311/14: Beroep ingesteld op 5 mei 2014 — Seca Benelux e.a./Parlement

35

2014/C 194/47

Zaak T-312/14: Beroep ingesteld op 28 april 2014 — Federcoopesca e.a./Commissie

36

2014/C 194/48

Zaak T-276/08: Beschikking van het Gerecht van 9 april 2014 — Al-Aqsa/Raad

37

2014/C 194/49

Zaak T-503/11: Beschikking van het Gerecht van 9 april 2014 — Al-Aqsa/Raad

37

2014/C 194/50

Zaak T-139/12: Beschikking van het Gerecht van 7 mei 2014 — Adler Mode/BHIM — Cluett, Peabody (Fairfield)

37

2014/C 194/51

Zaak T-447/12: Beschikking van het Gerecht van 30 april 2014 — Visa Europe/Commissie

38

2014/C 194/52

Zaak T-132/13: Beschikking van het Gerecht van 28 april 2014 — Deweerdt e.a./Rekenkamer

38

2014/C 194/53

Zaak T-175/13: Beschikking van het Gerecht van 28 april 2014 — Omega/BHIM — Omega Engineering (Ω OMEGA)

38

2014/C 194/54

Zaak T-644/13: Beschikking van het Gerecht van 11 april 2014 — Serco Belgium e.a./Commissie

38

2014/C 194/55

Zaak T-156/14: Beschikking van het Gerecht van 5 mei 2014 — Volkswagen/BHIM (StartUp)

38

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2014/C 194/56

Zaak F-140/12: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 14 mei 2014 — Alexandrou/Commissie (Openbare dienst — Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/231/12 — Toegang tot documenten — Afwijzing van bevestigend verzoek om toegang tot meerkeuzevragen die in toelatingstoetsen zijn gesteld)

39

2014/C 194/57

Zaak F-11/13: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 14 mei 2014 — Delcroix/EDEO (Openbare dienst — Ambtenaar — EDEO — Hoofd van delegatie in derde land — Overplaatsing naar hoofdkantoor van EDEO — Voortijdige beëindiging van functie van hoofd van delegatie)

39

2014/C 194/58

Zaak F-17/13: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 14 mei 2014 — Cocco/Commissie (Openbare dienst — Arbeidscontractant — Aanwerving — Oproep voor het indienen van blijken van belangstelling EPSO/CAST/02/2010)

40

2014/C 194/59

Zaak F-34/13: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 14 mei 2014 — Alexandrou/Commissie (Openbare dienst — Algemeen vergelijkend onderzoek — Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/231/12 — Uitsluiting van deelneming aan beoordelingstoetsen — Toegang tot documenten)

40

2014/C 194/60

Zaak F-50/13: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 8 mei 2014 — A/Commissie (Openbare dienst — Sociale zekerheid — Ongeval of beroepsziekte — Artikel 73 van het Statuut — Blijvende gedeeltelijke invaliditeit — Verzoek om schadevergoeding — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

41

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

2014/C 194/01

Laatste publicatie

PB C 184 van 16.6.2014

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 175 van 10.6.2014

PB C 159 van 26.5.2014

PB C 151 van 19.5.2014

PB C 142 van 12.5.2014

PB C 135 van 5.5.2014

PB C 129 van 28.4.2014

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/2


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 30 april 2014 — FLSmidth & Co. A/S/Europese Commissie

(Zaak C-238/12 P) (1)

((Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Sector industriële zakken uit kunststof - Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld - Volledige rechtsmacht van het Gerecht - Motiveringsplicht - Toerekening aan moedermaatschappij van door dochteronderneming gepleegde inbreuk - Aansprakelijkheid van moedermaatschappij voor betaling van aan dochteronderneming opgelegde geldboete - Evenredigheid - Procedure voor het Gerecht - Redelijke procestermijn))

2014/C 194/02

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: FLSmidth & Co. A/S (vertegenwoordiger: M. Dittmer, advokat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre en V. Bottka, gemachtigden, bijgestaan door M. Gray, barrister)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 6 maart 2012, FLSmidth/Commissie (T-65/06), houdende gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2005) 4634 van de Commissie van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG-Verdrag (zaak COMP/F/38.354 — Industriële zakken), betreffende een mededingingsregeling inzake vaststelling van verkoopprijzen en -quota per geografisch gebied, verdeling van de bestellingen van de grote klanten, organisatie van onderling afgestemde inschrijvingen op bepaalde offerteaanvragen en toepassing van werkwijzen voor informatie-uitwisseling over verkoopvolumes op de markt van industriële zakken uit kunststof, en verlaging van verzoeksters geldboete — Toerekenbaarheid van inbreuk makend gedrag

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

FLSmidth & Co. A/S wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 303 van 6.10.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/3


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 april 2014 [verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesverwaltungsgericht Oberösterreich (voorheen Unabhängiger Verwaltungssenat des Landes Oberösterreich) — Oostenrijk] — Procedures ingesteld door Robert Pfleger, Autoart a.s., Mladen Vucicevic, Maroxx Software GmbH, Ing. Hans-Jörg Zehetner

(Zaak C-390/12) (1)

((Artikel 56 VWEU - Vrij verrichten van diensten - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 15 tot en met 17, 47 en 50 - Vrijheid van beroep en recht te werken, vrijheid van ondernemerschap, recht op eigendom, recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een onpartijdig gerecht, beginsel ne bis in idem - Artikel 51 - Werkingssfeer - Ten uitvoer brengen van Unierecht - Kansspelen - Beperkende regeling van lidstaat - Bestuurlijke en strafrechtelijke sancties - Dwingende vereisten van algemeen belang - Evenredigheid))

2014/C 194/03

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesverwaltungsgericht Oberösterreich (voorheen Unabhängiger Verwaltungssenat des Landes Oberösterreich)

Partijen in het hoofdgeding

Robert Pfleger, Autoart a.s., Mladen Vucicevic, Maroxx Software GmbH, Ing. Hans-Jörg Zehetner

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Unabhängiger Verwaltungssenat des Landes Oberösterreich — Uitlegging van artikel 56 VWEU alsmede de artikelen 15 tot en met 17, 47 en 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Kansspelen — Regeling van een lidstaat waarbij de exploitatie van kansspelautomaten met geringe prijzen („kleines Glücksspiel”) zonder vergunning van de bevoegde autoriteit strafbaar is gesteld — Evenredigheidsbeginsel

Dictum

Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in de hoofdgedingen, voor zover die regeling niet werkelijk beoogt de speler te beschermen of criminaliteit te bestrijden en niet daadwerkelijk beantwoordt aan het streven op samenhangende en stelselmatige wijze de gelegenheden tot spelen te verminderen of de aan deze spelen verbonden criminaliteit te bestrijden.


(1)  PB C 343 van 10.11.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/3


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 30 april 2014 [verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék (voorheen Fővárosi Bíróság) — Hongarije] — UPC DTH Sàrl/Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Elnökhelyettese

(Zaak C-475/12) (1)

((Telecommunicatiesector - Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten - Vrij verrichten van diensten - Artikel 56 VWEU - Richtlijn 2002/21/EG - Grensoverschrijdende aanbieding van pakket radio- en televisieprogramma’s - Voorwaardelijke toegang - Bevoegdheid van nationale regelgevende instanties - Registratie - Vestigingsverplichting))

2014/C 194/04

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Törvényszék (voorheen Fővárosi Bíróság)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: UPC DTH Sàrl

Verwerende partij: Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Elnökhelyettese

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Fővárosi Törvényszék (voorheen Fővárosi Bíróság) — Uitlegging van artikel 56 VWEU en artikel 2, sub c, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (PB L 337, blz. 37) — Onderneming gevestigd in een lidstaat die per satelliet radio- en televisieprogrammapakketten aanbiedt en diensten verleent ten behoeve van in andere lidstaten van de Unie wonende klanten — Nationale regeling van de lidstaat van de ontvangers van de dienst op grond waarvan slechts op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen deze diensten mogen verrichten — Bevoegdheid van de nationale regelgevende instanties van de lidstaat van de ontvangers van de dienst

Dictum

1)

Artikel 2, sub c, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een dienst die bestaat in het onder bezwarende titel voorwaardelijke toegang verlenen tot een via de satelliet overgebracht programmapakket dat radio- en televisieprogramma’s omvat, onder het begrip „elektronischecommunicatiedienst” in de zin van die bepaling valt.

Dat die dienst een systeem voor voorwaardelijke toegang inhoudt in de zin van artikel 2, sub e bis en f, van richtlijn 2002/21, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, is in dit verband niet van belang.

De exploitant die een dienst aanbiedt als die in het hoofdgeding, moet worden aangemerkt als een aanbieder van elektronischecommunicatiediensten in de zin van richtlijn 2002/21, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140.

2)

In omstandigheden als in het hoofdgeding is een dienst die bestaat in het onder bezwarende titel voorwaardelijke toegang verlenen tot een via de satelliet overgebracht programmapakket dat radio- en televisieprogramma’s omvat, een dienst in de zin van artikel 56 VWEU.

3)

Procedures van toezicht op elektronischecommunicatiediensten als in het hoofdgeding vallen onder de bevoegdheid van de autoriteiten van de lidstaat waar de afnemers van die diensten wonen.

4)

Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het:

zich niet ertegen verzet dat lidstaten ondernemingen die op hun grondgebied elektronischecommunicatiediensten als in het hoofdgeding aanbieden, de verplichting opleggen om die diensten te registreren, mits zij voldoen aan de eisen van artikel 3 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, maar

zich ertegen verzet dat ondernemingen die in een andere lidstaat dan die waar zij zijn gevestigd elektronischecommunicatiediensten als in het hoofdgeding willen aanbieden, daar een filiaal of een juridische entiteit die onderscheiden is van die in de lidstaat van uitzending moeten oprichten.


(1)  PB C 26 van 26.1.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/5


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria — Hongarije) — Árpád Kásler, Hajnalka Káslerné Rábai/OTP Jelzálogbank Zrt

(Zaak C-26/13) (1)

((Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen verkopers en consumenten - Artikelen 4, lid 2, en 6, lid 1 - Beoordeling van oneerlijk karakter van contractuele bedingen - Uitsluiting van bedingen betreffende eigenlijk voorwerp van overeenkomst of betreffende gelijkwaardigheid van prijs of vergoeding mits zij duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd - In vreemde valuta opgestelde kredietovereenkomsten - Bedingen betreffende wisselkoers - Verschil tussen aankoopkoers, van toepassing bij vrijgave van lening, en verkoopkoers, van toepassing bij aflossing ervan - Bevoegdheden van nationale rechter in geval van als „oneerlijk” gekwalificeerd beding - Vervanging van oneerlijk beding door nationaal voorschrift van aanvullend recht - Toelaatbaarheid))

2014/C 194/05

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Kúria

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Árpád Kásler, Hajnalka Káslerné Rábai

Verwerende partij: OTP Jelzálogbank Zrt

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Kúria — Uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29) — Beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen — In vreemde valuta opgestelde kredietovereenkomst met hypothecaire zekerheid tussen een particulier en een bank krachtens welke de lening moet worden betaald en terugbetaald in de nationale valuta — Schuld berekend bij de sluiting van de overeenkomst tegen de verkoopkoers van de vreemde valuta — Beding krachtens hetwelk de aflossingen worden vastgesteld tegen de geldende aankoopkoers van de valuta en niet tegen de verkoopkoers

Dictum

1)

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, moet aldus worden uitgelegd dat:

de bewoordingen „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” alleen dan een beding omvatten dat is opgenomen in een in vreemde valuta opgestelde leningsovereenkomst tussen een verkoper en een consument en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding, krachtens hetwelk de verkoopkoers van die valuta wordt gebruikt voor de berekening van de aflossingen van de lening, voor zover is vastgesteld dat genoemd beding een wezenlijke prestatie van die overeenkomst vastlegt die als dusdanig de kern ervan uitmaakt. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan, rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de overeenkomst, alsmede met de juridische en feitelijke context ervan;

een dergelijk beding, voor zover het de consument een betalingsverplichting oplegt, te weten de verplichting om in het kader van de aflossingen van de lening de bedragen te betalen die voortvloeien uit het verschil tussen de verkoopkoers en de aankoopkoers van de vreemde valuta, niet kan worden aangemerkt als een „vergoeding” waarvan de gelijkwaardigheid als tegenprestatie voor de door de kredietverlener verrichte prestatie krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 niet mag worden beoordeeld op het oneerlijke karakter ervan.

2)

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat wat betreft een contractueel beding als dat wat in het hoofdgeding aan de orde is, het vereiste dat een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is opgesteld aldus moet worden verstaan dat het niet alleen gebiedt dat het litigieuze beding voor de consument grammaticaal begrijpelijk is, maar ook dat in de overeenkomst de concrete werking van het wisselkoersmechanisme van de vreemde valuta waarnaar het betrokken beding verwijst alsmede de verhouding tussen dit mechanisme en het mechanisme dat is voorgeschreven door andere bedingen betreffende de vrijgave van de lening, transparant zijn gespecificeerd, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem aan zijn verbonden, kan voorzien.

3)

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een overeenkomst tussen een verkoper en een consument niet kan blijven voortbestaan na de schrapping van een oneerlijk beding, die bepaling zich niet verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan de nationale rechter de nietigheid van dat beding kan verhelpen door het te vervangen door een nationaal voorschrift van aanvullend recht.


(1)  PB C 156 van 1.6.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/6


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 30 april 2014 — Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-209/13) (1)

((Gemeenschappelijk stelsel van belasting op financiële transacties - Toestemming voor nauwere samenwerking krachtens artikel 329, lid 1, VWEU - Besluit 2013/52/EU - Beroep tot nietigverklaring wegens schending van artikelen 327 VWEU en 332 VWEU alsook van internationaal gewoonterecht))

2014/C 194/06

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: E. Jenkinson en S. Behzadi-Spencer, gemachtigden, bijgestaan door M. Hoskins en P. Baker, QC, en V. Wakefield, barrister)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A.-M. Colaert, F. Florindo Gijón en A. de Gregorio Merino, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van de verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: J.-C. Halleux en M. Jacobs, gemachtigden), Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze, J. Möller en K. Petersen, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: D. Colas en J.-S. Pilczer, gemachtigden), Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: C. Pesendorfer, gemachtigde), Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes, J. Menezes Leitão en A. Cunha, gemachtigden), Europees Parlement (vertegenwoordigers: A. Neergaard en R. van de Westelaken, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal, B. Smulders en W. Mölls, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring — Nietigverklaring van besluit 2013/52/EU van de Raad van 22 januari 2013 houdende machtiging om een nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van belasting op financiële transacties (PB L 22, blz. 11) — Schending van de artikelen 327 VWEU en 332 VWEU

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.

3)

Het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, het Europees Parlement en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 171 van 15.6.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/7


Arrest van het Hof (Negende kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg — Duitsland) — Birgit Wagener/Bundesagentur für Arbeit — Familienkasse Villingen-Schwenningen

(Zaak C-250/13) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Sociale zekerheid - Overeenkomst tussen Europese Gemeenschap en Zwitserse Bondsstaat - Verordening (EEG) nr. 574/72 - Artikel 107, leden 1 en 6 - Verordening (EG) nr. 987/2009 - Artikel 90 - Migrerende werknemers - Valutaomrekening - Inaanmerkingneming van in Zwitserland ontvangen gezinsbijslag bij berekening door lidstaat van kinderbijslag - Aanvullende toeslag - Peildatum voor omrekening van Zwitserse gezinsbijslag naar euro])

2014/C 194/07

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Baden-Württemberg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Birgit Wagener

Verwerende partij: Bundesagentur für Arbeit — Familienkasse Villingen-Schwenningen

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht Baden-Württemberg — Uitlegging van de artikelen 10, lid 1, sub a, en 107, leden 1, 2, 4 en 6, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB L 74, blz. 1), artikel 90 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284, blz. 1), en besluit nr. H3 van 15 oktober 2009 betreffende de in aanmerking te nemen datum voor het bepalen van de omrekeningskoersen als bedoeld in artikel 90 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2010, C 106, blz. 56) — Staatsburger van een lidstaat die met zijn familie in zijn land van herkomst woont en werkt in de Zwitserse Bondsstaat — Cumulatie van gezinsbijslagen — Inaanmerkingneming van de in Zwitserland ontvangen gezinsbijslagen bij de berekening van de uitkeringen door de lidstaat van verblijf („Differenzkindergeld”) — Toepasselijke wisselkoers

Dictum

1)

In omstandigheden als in het hoofdgeding moet de valutaomrekening van gezinsbijslag plaatsvinden overeenkomstig artikel 107, lid 6, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001.

2)

Artikel 107, lid 6, van verordening nr. 574/72, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1386/2001, moet aldus worden uitgelegd dat de valutaomrekening van gezinsbijslag als in het hoofdgeding voor de berekening van de aanvullende gezinsbijslag krachtens artikel 10, lid 1, sub a, van die verordening moet plaatsvinden tegen de officiële wisselkoers van de dag van betaling van die bijslag door de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken werknemer werkzaamheden in loondienst uitoefent.


(1)  PB C 260 van 7.9.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/8


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Nutricia NV/Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-267/13) (1)

((Gecombineerde nomenclatuur - Tariefposten - Geneesmiddelen in de zin van post 3004 - Begrip - Voedingspreparaten die uitsluitend bestemd zijn om onder medisch toezicht enteraal te worden toegediend aan personen die medisch worden behandeld - Dranken in de zin van postonderverdeling 2202 - Begrip - Vloeibare voedingsmiddelen die niet bestemd zijn om te worden gedronken maar om enteraal te worden toegediend))

2014/C 194/08

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Nutricia NV

Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Gecombineerde Nomenclatuur — Tariefposten — Geneesmiddelen in de zin van post 3004 — Begrip — Voedingspreparaten die uitsluitend zijn bestemd om onder medisch toezicht enteraal te worden toegediend aan personen die wegens ziekte medisch worden behandeld — Dranken in de zin van postonderverdeling 2202 — Begrip — Vloeibare voedingsmiddelen die niet zijn bestemd om te worden gedronken maar om enteraal te worden toegediend

Dictum

Tariefpost 3004 van de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006, moet aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „geneesmiddelen” in de zin van die post mede zijn begrepen voedingspreparaten die uitsluitend bestemd zijn om onder medisch toezicht enteraal (door middel van een maagsonde) te worden toegediend aan personen die medisch worden verzorgd, wanneer deze producten in het kader van de bestrijding van de ziekte of de aandoening van deze personen worden toegediend om ondervoeding te voorkomen of bestrijden.


(1)  PB C 207 van 20.7.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/8


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 4 de Palma de Mallorca — Spanje) — Barclays Bank SA/Sara Sánchez García en Alejandro Chacón Barrera

(Zaak C-280/13) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 93/13/EEG - Dertiende overweging van de considerans - Artikel 1, lid 2 - Consumentenovereenkomsten - Hypothecaire lening - Hypothecaire executie - Nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen - Contractueel evenwicht))

2014/C 194/09

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de Primera Instancia no 4 de Palma de Mallorca

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Barclays Bank SA

Verwerende partijen: Sara Sánchez García en Alejandro Chacón Barrera

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Juzgado de Primera Instancia de Palma de Mallorca — Uitlegging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29) — Bescherming van de consument bij hypotheek — Contractueel evenwicht — Beginsel van consumentenbescherming — Nationale civielprocesrechtelijke regeling voor hypothecaire executie

Dictum

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en de Unierechtelijke beginselen van consumentenbescherming en contractueel evenwicht moeten aldus worden uitgelegd dat daaronder niet vallen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, wanneer geen sprake is van een contractueel beding dat de reikwijdte of werkingssfeer van die bepalingen wijzigt.


(1)  PB C 226 van 3.8.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/9


Arrest van het Hof (Negende kamer) van 30 april 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — België) — Orde van Architecten/Belgische staat

(Zaak C-365/13) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2005/36/EG - Artikelen 21 en 49 - Erkenning van beroepskwalificaties - Toegang tot beroep van architect - Vrijstelling van beroepsstage))

2014/C 194/10

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Orde van Architecten

Verwerende partij: Belgische staat

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Raad van State (België) — Uitlegging van de artikelen 21, 46 en 49 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22) — Toegang tot en uitoefening van beroep van architect — Inschrijving bij de Orde van Architecten — Nationale regelgeving die deze inschrijving voor houders van een in België afgegeven opleidingstitel afhankelijk maakt van het doorlopen van een beroepsstage van twee jaar — Verbod om het doorlopen van een dergelijke stage of gelijkwaardige ervaring te eisen van houders van een in een andere lidstaat verkregen diploma van architect

Dictum

De artikelen 21 en 49 van richtlijn 2005/36 van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 279/2009 van de Commissie van 6 april 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de ontvangende lidstaat de houder van een in de lidstaat van oorsprong verworven beroepskwalificatie zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.7.1, of VI bij deze richtlijn, ertoe verplicht een stage te lopen of te bewijzen dat hij over een gelijkwaardige beroepservaring beschikt om het beroep van architect te mogen uitoefenen.


(1)  PB C 274 van 21.9.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht München (Duitsland) op 24 januari 2014 — Puma SE/Hauptzollamt Nürnberg

(Zaak C-34/14)

2014/C 194/11

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht München

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Puma SE

Verwerende partij: Hauptzollamt Nürnberg

Prejudiciële vragen

1)

Zijn verordening (EG) nr. 1472/2006 (1) van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam, alsmede uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 (2) van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 384/96 (3) van de Raad, in hun geheel gezien geldig voor zover zij niet zijn nietig verklaard bij de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 februari 2012, Brosmann Footwear e.a./Raad (C-249/10 P), en 15 november 2012, Zhejiang Aokang Shoes/Raad (C-247/10 P)?

2)

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de genoemde verordeningen echter niet in hun geheel ongeldig zijn:

a)

Voor welke exporteurs en producenten in de Volksrepubliek China en in Vietnam, waarvan verzoekster de jaren 2006 tot en met 2011 producten heeft gekocht, zijn verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam, alsmede uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad ongeldig?

b)

Moet de volledige of gedeeltelijke ongeldigverklaring van de genoemde verordeningen worden beschouwd als toeval of overmacht in de zin van artikel 236, lid 2, tweede alinea, van het communautair douanewetboek?


(1)  PB L 275, blz. 1.

(2)  PB L 352, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Cuneo (Italië) op 5 maart 2014 — Strafzaak tegen Ivo Taricco, e.a.

(Zaak C-105/14)

2014/C 194/12

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Cuneo

Partijen in de strafzaak

Ivo Taricco,

Ezio Filippi,

Isabella Leonetti,

Nicola Spagnolo,

Davide Salvoni,

Flavio Spaccavento,

Goranco Anakiev

Prejudiciële vragen

a)

Is inbreuk gemaakt op het voorschrift ter bescherming van de mededinging van artikel 101 VWEU door de wijziging van artikel 160, laatste alinea, van het Italiaanse wetboek van strafrecht bij wet nr. 251/2005, voor zover daarbij de termijn voor de verjaring na een stuitingshandeling met slechts een kwart wordt verlengd, zodat strafbare feiten ondanks tijdige vervolging kunnen verjaren en daders ongestraft blijven?

b)

Heeft de Italiaanse Staat een door artikel 107 VWEU verboden vorm van steun ingevoerd door de wijziging van artikel 160, laatste alinea, van het Italiaanse wetboek van strafrecht bij wet nr. 251/2005, voor zover daarbij de termijn voor de verjaring na een stuitingshandeling met slechts een kwart wordt verlengd, zodat strafbare feiten gepleegd door onscrupuleuze ondernemers zonder strafrechtelijke gevolgen blijven?

c)

Heeft de Italiaanse Staat onrechtmatig een vrijstelling toegevoegd aan de vrijstellingen die door artikel 158 van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad van 28 november 2006 uitputtend zijn opgesomd door de wijziging van artikel 160, laatste alinea, van het Italiaanse wetboek van strafrecht bij wet nr. 251/2005, voor zover daarbij de termijn voor de verjaring na een stuitingshandeling met slechts een kwart wordt verlengd, zodat zij die de gemeenschapsrichtlijn te eigen bate aanwenden, ongestraft blijven?

d)

Is het beginsel van gezonde overheidsfinanciën van artikel 119 VWEU geschonden door de wijziging van artikel 160, laatste alinea, van het Italiaanse wetboek van strafrecht bij wet nr. 251/2005, voor zover daarbij de termijn voor de verjaring na een stuitingshandeling met slechts een kwart wordt verlengd, en door aldus af te zien van het bestraffen van gedragingen die de Staat de middelen ontnemen die noodzakelijk zijn om onder meer zijn verplichtingen jegens de Europese Unie na te komen?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 21 maart 2014 — Malvino Cervati, Società Malvi Sas di Cervati Malvino/Agenzia delle Dogane, Agenzia delle Dogane — Ufficio delle Dogane di Livorno

(Zaak C-131/14)

2014/C 194/13

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte suprema di cassazione

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Malvino Cervati, Società Malvi Sas di Cervati Malvino

Verwerende partijen: Agenzia delle Dogane, Agenzia delle Dogane — Ufficio delle Dogane di Livorno

Prejudiciële vraag

Moeten verordening nr. 1047/2001 (1) en verordening nr. 2988/95 (2) aldus worden uitgelegd dat als verboden onrechtmatige praktijken en rechtsmisbruik ter ontduiking van douanerechten moeten worden beschouwd, de verrichtingen waarmee communautaire marktdeelnemer A (Malvi sas), die niet over een invoercertificaat beschikte of zijn eigen contingentenaandeel reeds had gebruikt, bepaalde hoeveelheden goederen kocht van communautaire marktdeelnemer B (Tonini Roberto & C. sas), die deze goederen op zijn beurt van de niet in de Unie gevestigde leverancier (Bananaservice srl) had verkregen en vervolgens in een derde land had overgedragen aan een andere communautaire marktdeelnemer C (L’Olivo Maria), aan wie, aangezien hij de ter zake gestelde voorwaarden vervulde, een nieuw invoercertificaat krachtens de GATT-tariefcontingentenregeling is afgegeven, zonder dat hij zijn eigen certificaat overdroeg, en die de betrokken goederen in de Europese Unie in het vrije verkeer heeft gebracht om deze goederen in ruil voor een passende vergoeding, zodra de douaneformaliteiten waren vervuld, door te verkopen, tegen een lagere kostprijs dan de specifieke heffing die op invoer buiten de contingentenregeling wordt toegepast, aan voornoemde communautaire marktdeelnemer B (Tonini Roberto & C. sas), die ten slotte tot de wederverkoop van de goederen aan communautaire marktdeelnemer A (Malvi sas) overging?


(1)  Verordening (EG) nr. 1047/2001 van de Commissie van 30 mei 2001 tot invoering van een stelsel van invoer- en oorsprongscertificaten en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten, voor uit derde landen ingevoerde knoflook (PB L 145, blz. 35).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg (Duitsland) op 24 maart 2014 — Mineralquelle Zurzach AG/Hauptzollamt Singen

(Zaak C-139/14)

2014/C 194/14

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Baden-Württemberg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Mineralquelle Zurzach AG

Verwerende partij: Hauptzollamt Singen

Prejudiciële vragen

1)

Moet een alcoholvrije drank, die overwegend uit water bestaat, met evenwel 12 % vruchtensap alsook naast suiker een vitaminemengsel, dat het vitaminegehalte van natuurlijke vruchtensappen in het aandeel sap duidelijk te boven gaat, onder onderverdeling 2202 10 00 van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld?

2)

Wanneer het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt:

is een dergelijke drank dan een met water verdund vruchtensap van codenummer 2202 90 10 11 TARIC?

3)

Wanneer de eerste twee vragen ontkennend worden beantwoord:

is een dergelijk product dan een product van codenummer 2202 90 10 19 TARIC?


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van beroep te Brussel (België) op 28 maart 2014 — Loutfi Management Propriété intellectuelle SARL tegen AMJ Meatproducts NV en Halalsupply NV

(Zaak C-147/14)

2014/C 194/15

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Loutfi Management Propriété Intellectuelle SARL

Verweersters: AMJ Meatproducts NV, Halalsupply NV

Prejudiciële vraag

Dient artikel [9, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 (1) van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk], mede gelet op de bepalingen van de artikelen 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Unie (2), aldus te worden uitgelegd dat, bij de beoordeling van het verwarringsgevaar tussen een gemeenschapsmerk waarin een Arabisch woord dominant is en een teken waarin een ander maar visueel overeenstemmend Arabisch woord dominant is, het verschil in uitspraak en betekenis tussen deze woorden door de bevoegde rechterlijke instanties van de lidstaten mag of zelfs moet worden onderzocht en in rekening gebracht, ook al is het Arabisch geen officiële taal van de Unie en van de lidstaten?


(1)  PB L 78, blz. 1.

(2)  PB 2000, C 364, blz. 1.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 1 april 2014 — AEEG/Antonella Bertazzi e.a.

(Zaak C-152/14)

2014/C 194/16

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Autorità per l’energia elettrica e il gas (AEEG)

Verwerende partijen: Antonella Bertazzi, Annalise Colombo, Maria Valeria Contin, Angela Filippina Marasco, Guido Guissani, Lucia Lizzi, Fortuna Peranio

Prejudiciële vragen

1)

Is de nationale bepaling in artikel 75, lid 2, van decreto legge nr. 112/2008, waarbij de anciënniteit die is opgebouwd bij onafhankelijke autoriteiten uit hoofde van overeenkomsten voor bepaalde tijd geheel buiten beschouwing wordt gelaten wanneer de arbeidsverhouding van de betrokken werknemers bij wijze van uitzondering wordt geconsolideerd op basis van selectietests die weliswaar niet geheel kunnen worden gelijkgesteld aan het strengere vergelijkend onderzoek dat door andere werknemers is afgelegd, maar hoe dan ook een wettelijke basis hebben en als middel voor de vaststelling van de geschiktheid voor de toe te wijzen taken in overeenstemming zijn met artikel 97, derde alinea, van de Italiaanse grondwet, in beginsel — bij ongewijzigde taken die volkomen identiek zijn voor personeel met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en personeel in vaste dienst — in overeenstemming met clausule 4, lid 4, van richtlijn 1999/70/EG (1)?

2)

a)

Mocht de voornoemde regeling, wat de betrokken werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft, niet in overeenstemming zijn met de gemeenschapsbeginselen, zijn er dan objectieve redenen om af te wijken van het beginsel dat deze werknemers op dezelfde manier worden behandeld als werknemers in vaste dienst, omwille van „doelstellingen van sociaal beleid”, ingeval moet worden voorkomen dat geconsolideerde werknemers parallel worden aangesteld aan de werknemers die al als ambtenaar zijn aangesteld op grond van de algemene regel die een vergelijkend onderzoek als voorwaarde stelt voor toegang tot de overheidsdienst (voorgeschreven door het genoemde artikel 97, derde alinea, van de grondwet, waarvan enkel bij wet kan worden afgeweken, zoals bij de wet in kwestie, die enkel een selectietest voorschrijft), en is aan deze redenen in het licht van de opmerkingen van het Hof in [punt] 47 van de beschikking van 7 maart 2013 [beschikking Bertazzi e.a., C-393/11, EU:C:2013:143] tegemoet gekomen, uit oogpunt van evenredigheid, als werknemers wier arbeidsverhouding is geconsolideerd, louter een toeslag ad personam wordt toegekend die niet cumuleerbaar is met toekomstige salarisverhogingen en niet kan worden herzien, terwijl de normale salarisontwikkeling en toegang tot hogere rangen wordt onderbroken?

b)

Kan, vice versa, het evenwicht tussen de positie van geconsolideerde werknemers en de positie van werknemers aangesteld op basis van een vergelijkend onderzoek adequaat worden hersteld — na gebleken geschiktheid voor bepaalde taken — door periodieke beoordelingen van de uitvoering van de taken met het oog op eventuele salarisverhogingen en bevorderingen en de mogelijkheid van overgang naar andere loopbaancategorieën op basis van een aanvullend vergelijkend onderzoek, zonder dat de anciënniteit en de bereikte salaristrap van de personeelsleden in de eerste groep buiten beschouwing hoeft te worden gelaten (overigens zonder enig merkbaar voordeel voor de tweede groep uit hoofde van het hiervoor beschreven stelsel voor loopbaanontwikkeling van de AEEG), zodat in casu, met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden in deze bijzondere context, geen sprake is van objectieve redenen in de vereiste termen van objectiviteit en transparantie om af te wijken van richtlijn 1999/70/EG?

3)

Is het hoe dan ook — zoals schijnbaar kan worden afgeleid uit de punten 47 en 54 van de beschikking van 7 maart 2013 — onevenredig en discriminerend dat de opgebouwde anciënniteit geheel buiten beschouwing wordt gelaten (zodat de nationale regeling ter zake buiten toepassing moet worden gelaten), zonder dat de bescherming van de positie van kandidaten die geslaagd zijn voor een vergelijkend onderzoek, wordt aangetast, onverminderd de bevoegdheid van de overheidsdienst om op grond van billijkheid maatregelen te treffen (in de vorm van een „bonus” of voorrang voor de geslaagde kandidaten van een vergelijkend onderzoek bij de toegang tot hogere rangen, of andere middelen die binnen de discretionaire marge van de nationale autoriteiten voor de organisatie van hun eigen overheidsdiensten vallen)?


(1)  Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 3 april 2014 — Minister van Buitenlandse Zaken, andere partijen: K en A

(Zaak C-153/14)

2014/C 194/17

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Minister van Buitenlandse Zaken

Andere partijen: K, A

Prejudiciële vragen

1)

a.

Kan de term „integratievoorwaarden” — vervat in artikel 7, tweede lid, van richtlijn 2003/86/EG […] van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB L 251, [blz. 12] met rectificatie in PB 2012, L 71, [blz. 55]) — zo worden geïnterpreteerd dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van een gezinslid van een gezinshereniger mogen verlangen dat dit gezinslid aantoont te beschikken over kennis van de officiële taal van die lidstaat op een niveau dat overeenstemt met niveau A1 van het Europees Referentiekader van Moderne Vreemde Talen, alsmede over kennis op basisniveau van de samenleving van die lidstaat, alvorens deze autoriteiten aan dit gezinslid toestemming voor toegang en verblijf verlenen?

b.

Is voor het antwoord op deze vraag van belang dat, mede in het kader van de evenredigheidstoets zoals omschreven in het Groenboek van de Europese Commissie van 15 november 2011 (1) inzake het recht op gezinshereniging [van onderdanen van derde landen die in de Europese Unie verblijven], volgens nationale regelgeving waarin het onder 1) a. vermelde vereiste is vervat, de aanvraag om toestemming voor toegang en verblijf, behoudens de omstandigheid dat het gezinslid heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke beperking blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen af te leggen, slechts niet wordt afgewezen indien een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden zich voordoet die de aanname rechtvaardigt dat het gezinslid blijvend niet in staat is om aan de integratievoorwaarden te voldoen?

2)

Staat het doel van richtlijn 2003/86/EG en in het bijzonder artikel 7, tweede lid ervan, gelet op de evenredigheidstoets zoals omschreven in voormeld Groenboek, eraan in de weg dat de kosten van het examen waarbij wordt getoetst of het gezinslid aan voormelde integratievoorwaarden voldoet € 350,- bedragen voor iedere keer dat het examen wordt afgelegd en dat de eenmalige kosten voor het pakket om het examen voor te bereiden € 110,- bedragen?


(1)  COM(2011)735 def.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 3 april 2014 — Tamoil Italia/Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare

(Zaak C-156/14)

2014/C 194/18

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Tamoil Italia SpA

Verwerende partij: Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare

Prejudiciële vraag

Verzetten de milieubeginselen van de Europese Unie in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in richtlijn 2004/35/EG (1) van 21 april 2004 (artikelen 1 en 8, lid 3, punten 13 en 24 van de considerans) — dat wil zeggen het beginsel „de vervuiler betaalt”, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden — zich tegen een nationale regeling als die vervat in de artikelen 244, 245 en 253 van decreto legislativo nr. 152 van 3 april 2006, volgens welke, indien in een gebied milieuvervuiling is geconstateerd en niet kan worden vastgesteld wie voor de vervuiling verantwoordelijk is of de verantwoordelijke persoon geen herstelwerkzaamheden uitvoert, de bestuursrechtelijke autoriteit een eigenaar die niet voor de verontreiniging verantwoordelijk is, niet kan gelasten spoedeisende maatregelen voor beveiliging en sanering te nemen, en de aansprakelijkheid van laatstgenoemde wordt beperkt tot de waarde van het gebied na de sanering?


(1)  Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143, blz. 56).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 4 april 2014 — A e.a., andere partij: Minister van Buitenlandse Zaken

(Zaak C-158/14)

2014/C 194/19

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: A, B, C, D

Andere partij: Minister van Buitenlandse Zaken

Prejudiciële vragen

1)

Zouden de appellanten in de onderhavige procedure, mede gelet op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (1), zonder twijfel ontvankelijk zijn geweest in een op eigen naam op grond van artikel 263 van het VWEU ingesteld beroep bij het Gerecht tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening 610/2010 (2), voor zover daarbij de LTTE [Liberation Tigers of Tamil Eelam] is geplaatst op de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening 2580/2001? (3)

2)

a.

Kunnen handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht, mede gelet op punt 11 van de preambule van kaderbesluit 2002/475/JBZ (4), terroristische misdrijven zijn in de zin van dat kaderbesluit?

b.

Kunnen handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht, indien het antwoord op vraag 2) a. bevestigend luidt, terroristische daden zijn in de zin van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB (5) en verordening 2580/2001?

3)

Zijn de handelingen die ten grondslag zijn gelegd aan uitvoeringsverordening 610/2010, voor zover daarbij de LTTE op de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening 2580/2001, is geplaatst, handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht?

4)

Is, mede gelet op het antwoord op vraag 1), 2) a., 2) b. en 3, uitvoeringsverordening 610/2010, voor zover daarbij de LTTE op de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening 2580/2001, is geplaatst, ongeldig?

5)

Indien het antwoord op vraag 4) bevestigend luidt, geldt deze ongeldigheid dan ook voor de eerdere en latere besluiten van de Raad tot actualisering van de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening 2580/2001, voor zover daarbij de LTTE op die lijst is geplaatst?


(1)  PB 2000, C 364, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 610/2010 van de Raad van 12 juli 2010 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1285/2009 (PB L 178, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB L 344, blz. 70).

(4)  Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (PB L 164, blz. 3).

(5)  Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB L 344, blz. 93).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 14 april 2014 — A/B

(Zaak C-184/14)

2014/C 194/20

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte suprema di cassazione

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: A

Verwerende partij: B

Prejudiciële vraag

Kan een vordering in verband met het onderhoud van de kinderen die in het kader van een procedure tot scheiding van tafel en bed tussen echtgenoten is ingesteld en daaraan bijkomstig is, op basis van het preventiebeginsel zowel worden beslecht door de rechter die bevoegd is voor de scheidingsprocedure als door de rechter bij wie de vordering inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, of moet zij noodzakelijkerwijs door laatstbedoelde rechter worden beslecht en zijn de twee onderscheiden criteria in de punten c en d van [artikel 3 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (1)] dus twee alternatieven (in die zin dat het ene noodzakelijkerwijs het andere uitsluit)?


(1)  PB 2009, L 7, blz. 1.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 14 april 2014 — EasyPay AD, Finance Engineering AD/Ministerski savet na Republika Balgaria, Natsionalen osiguritelen institut

(Zaak C-185/14)

2014/C 194/21

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: EasyPay AD, Finance Engineering AD

Verwerende partijen: Ministerski savet na Republika Balgaria, Natsionalen osiguritelen institut

Prejudiciële vragen

1)

Valt een postdienst als de postgirodiensten, waarbij een opdrachtgever, in casu de Staat, geld overmaakt aan de ontvanger — rechthebbende op sociale uitkeringen — buiten het toepassingsgebied van richtlijn 97/67 (1), zoals gewijzigd bij richtlijnen 2002/39 (2) en 2008/6 (3), zodat deze dienst valt onder de artikelen 106 VWEU en 107 VWEU?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten de artikelen 106 VWEU en 107 VWEU dan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een beperking van de vrije mededinging bij de verrichting van een postdienst als hierboven beschreven, wanneer die beperking is gebaseerd op dwingende overwegingen in verband met de garantie van een constitutioneel recht van de burger en de sociale politiek van de Staat en wanneer de dienst naar zijn aard als dienst van algemeen economisch belang kan worden gekwalificeerd voor zover de door de aanbieder van de dienst ontvangen vergoeding een compensatie vormt die niet hoger is dan het compensatiebedrag overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub a, van besluit 2012/21/EU [van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen]?


(1)  Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1998, L 15, blz. 14).

(2)  Richtlijn 2002/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging (PB L 176, blz. 21).

(3)  Richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap (PB L 52, blz. 3).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Aachen (Duitsland) op 18 april 2014 — Horst Hoeck/Helleense Republiek

(Zaak C-196/14)

2014/C 194/22

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landgericht Aachen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Horst Hoeck

Verwerende partij: Helleense Republiek

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 1 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (1) aldus worden uitgelegd dat dit voorschrift zich verzet tegen de vordering die verzoeker voor het Landgericht Aachen heeft ingesteld tegen de Helleense Republiek (verweerster) en waarmee hij van verweerster rente voor de jaren 2011/12 verlangt op door verweerster uitgegeven en door verzoeker in juli 2011 verworven schuldinstrumenten (staatsleningen), waarvoor eind februari 2012 een ruilaanbod is uitgebracht dat verzoeker ter kennis is gebracht en door hem is afgewezen, waarna verweerster de door verzoeker aangehouden schuldinstrumenten (staatsleningen) toch voor nieuwe schuldinstrumenten heeft omgeruild?

2)

Moet artikel 1 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken aldus worden uitgelegd dat dit voorschrift zich verzet tegen de vordering die verzoeker voor het Landgericht Aachen heeft ingesteld tegen de Helleense Republiek (verweerster) en waarmee hij subsidiair — naar aanleiding van de in de eerste vraag beschreven gedwongen omruiling — betaling vordert van het nominale bedrag van de door verweerster uitgegeven en door verzoeker verworven schuldinstrumenten (staatsleningen), vermeerderd met de niet-voldane rente?

3)

Moet het bij het Landgericht Aachen aanhangig gemaakte hoofdgeding (12 O 177/13) geacht worden onder het burgerlijk of het handelsrecht te vallen, zodat de artikelen 2 en 3 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken van toepassing zijn?

4)

Of gaat het in casu om een bestuursrechtelijke zaak, dan wel om een zaak betreffende de aansprakelijkheid van de staat, waarop de in de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag aangehaalde voorschriften niet van toepassing zijn?


(1)  PB L 324, blz. 79.


Gerecht

24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/19


Arrest van het Gerecht van 30 april 2014 — Tisza Erőmű/Commissie

(Zaak T-468/08) (1)

((„Staatssteun - Steun toegekend door Hongaarse autoriteiten aan bepaalde elektriciteitsproducenten - Stroomafnameovereenkomsten gesloten tussen publieke onderneming en bepaalde elektriciteitsproducenten - Beschikking waarbij steun onverenigbaar wordt verklaard met gemeenschappelijke markt en terugvordering ervan wordt gelast - Motiveringsplicht - Begrip staatssteun - Voordeel - Selectief karakter - Staatsmiddelen - Toerekenbaarheid aan staat - Negatieve invloed op handel tussen lidstaten - Rechten van verdediging - Rechtszekerheid - Gewettigd vertrouwen - Gelijke behandeling - Evenredigheid - Bevoegdheidsoverschrijding - Artikel 10 van het Verdrag inzake het Energiehandvest”))

2014/C 194/23

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Tisza Erőmű kft, voorheen AES-Tisza Erőmű kft (Tiszaújváros, Hongarije) (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Ottervanger en E. Henny, vervolgens T. Ottervanger, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn, N. Khan en K. Talabér-Ritz, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2009/609/EG van de Commissie van 4 juni 2008 betreffende de door Hongarije toegekende steunmaatregel C 41/05 in het kader van de stroomafnameovereenkomsten (PB 2009, L 225, blz. 53)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Tisza Erőműkft wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen die van de procedure in kort geding.


(1)  PB C 6 van 10.1.2009.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/19


Arrest van het Gerecht van 3 april 2014 — Dunamenti Erőmű/Commissie

(Zaak T-179/09) (1)

((„Staatssteun - Steun toegekend door Hongaarse autoriteiten aan bepaalde elektriciteitsproducenten - Stroomafnameovereenkomsten gesloten tussen publieke onderneming en bepaalde elektriciteitsproducenten - Beschikking waarbij steun onverenigbaar wordt verklaard met gemeenschappelijke markt en terugvordering ervan wordt gelast - Begrip staatssteun - Voordeel - Nieuwe steun - Werkingssteun - Gewettigd vertrouwen - Rechtszekerheid”))

2014/C 194/24

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Dunamenti Erőmű Zrt (Százhalombatta, Hongarije) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Lever, QC, A. Nourry, R. Griffith en S. Spence, solicitors, vervolgens J. Philippe en F.-H. Boret, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn en K. Talabér-Ritz, gemachtigden)

Voorwerp

In wezen, verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2009/609/EG van de Commissie van 4 juni 2008 betreffende de door Hongarije toegekende steunmaatregel C 41/05 in het kader van de stroomafnameovereenkomsten (PB 2009, L 225, blz. 53) en, subsidiair, verzoek tot nietigverklaring van de artikelen 2 en 5 van deze beschikking

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Dunamenti Erőmű Zrt draagt haar eigen kosten alsook die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 167 van 18.7.2009.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/20


Arrest van het Gerecht van 30 april 2014 — Euris Consult/Parlement

(Zaak T-637/11) (1)

([„Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - Vertalingen in Maltees - Voorschriften inzake wijze van mededeling van offertes - Afwijzing van offerte van inschrijver - Niet-naleving van indieningsvoorschriften tot waarborging van vertrouwelijke behandeling van inhoud van offertes vóór opening - Exceptie van niet-toepasselijkheid - Evenredigheid - Gelijke behandeling - Rechten van verdediging - Motiveringsplicht - Artikel 41 van Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 98, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 - Artikel 143 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002”])

2014/C 194/25

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Euris Consult Ltd (Floriana, Malta) (vertegenwoordiger: F. Moyse, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. Darie en F. Poilvache, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van de verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal en F. Dintilhac, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 18 oktober 2011, houdende afwijzing van verzoeksters offerte in het kader van de interinstitutionele aanbestedingsprocedure MT/2011/EU betreffende vertalingen in het Maltees

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Euris Consult Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 32 van 4.2.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/21


Arrest van het Gerecht van 30 april 2014 — Hagenmeyer en Hahn/Commissie

(Zaak T-17/12) (1)

([„Consumentenbescherming - Verordening (EG) nr. 1924/2006 - Gezondheidsclaims voor levensmiddelen - Weigering van vergunning voor claim inzake ziekterisicobeperking - Vermelding van risicofactor - Wettigheid van procedure tot vergunning voor gezondheidsclaims inzake ziekterisicobeperking - Beroep tot nietigverklaring - Procesbelang - Directe en individuele geraaktheid - Ontvankelijkheid - Evenredigheid - Motiveringsplicht”])

2014/C 194/26

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partijen: Moritz Hagenmeyer (Hamburg, Duitsland) en Andreas Hahn (Hannover, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Teufer, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Pignataro-Nolin en S. Grünheid, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: I. Šulce, Z. Kupčová en M. Simm, gemachtigden)

Voorwerp

Gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EU) nr. 1170/2011 van de Commissie van 16 november 2011 tot weigering van een vergunning voor bepaalde gezondheidsclaims voor levensmiddelen die over de ziekterisicobeperking gaan (PB L 299, blz. 1)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Moritz Hagenmeyer en Andreas Hahn zullen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen.

3)

De Raad van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 89 van 24.3.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/21


Arrest van het Gerecht van 30 april 2014 — Beyond Retro/BHIM — S&K Garments (BEYOND VINTAGE)

(Zaak T-170/12) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving waarin Europese Gemeenschap wordt aangewezen - Woordmerk BEYOND VINTAGE - Ouder gemeenschapswoordmerk BEYOND RETRO - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Motiveringsplicht - Artikel 75 van verordening nr. 207/2009”])

2014/C 194/27

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Beyond Retro Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: S. Malynicz, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: I. Harrington, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: S&K Garments, Inc. (New York, Verenigde Staten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 30 januari 2012 (gevoegde zaken R 493/2011-4 en R 548/2011-4) inzake een oppositieprocedure tussen Beyond Retro Ltd en S&K Garments, Inc.

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 30 januari 2012 (gevoegde zaken R 493/2011-4 en R 548/2011-4) wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de door het woordmerk BEYOND VINTAGE aangeduide waren van de klassen 18 en 25 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Beyond Retro Ltd wordt verwezen in een derde van de kosten van partijen voor het Gerecht. Het BHIM zal twee derde van deze kosten dragen.


(1)  PB C 194 van 30.6.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/22


Arrest van het Gerecht van 8 mei 2014 — Simca Europe/BHIM — PSA Peugeot Citroën (Simca)

(Zaak T-327/12) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapswoordmerk Simca - Kwade trouw - Artikel 52, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 194/28

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Simca Europe Ltd (Birmingham, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: N. Haberkamm, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Schifko, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: GIE PSA Peugeot Citroën (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: P. Kotsch, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 12 april 2012 (zaak R 645/2011-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen GIE PSA Peugeot Citroën en Simca Europe Ltd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Simca Europe Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 287 van 22.9.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/23


Arrest van het Gerecht van 8 mei 2014 — Pyrox/BHIM — Köb Holzheizsysteme (PYROX)

(Zaak T-575/12) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk PYROX - Oudere nationale woordmerken PYROT - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 194/29

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Pyrox GmbH (Oberhausen, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Eigen, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: G. Marten en G. Schneider, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Köb Holzheizsysteme GmbH (Wolfurt, Oostenrijk)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 4 oktober 2012 (gevoegde zaken R 2187/2011-1 en R 2507/2011-1) inzake een oppositieprocedure tussen Köb Holzheizsysteme GmbH en Pyrox GmbH

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Pyrox GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 55 van 23.2.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/23


Arrest van het Gerecht van 8 mei 2014 — Pedro Group/BHIM — Cortefiel (PEDRO)

(Zaak T-38/13) (1)

([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PEDRO - Ouder gemeenschapsbeeldmerk Pedro del Hierro - Gedeeltelijke weigering van inschrijving - Relatieve weigeringsgronden - Normaal gebruik van ouder merk - Groot onderscheidend vermogen van ouder merk - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

2014/C 194/30

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pedro Group Pte Ltd (Singapore, Singapore) (vertegenwoordiger: B. Brandreth, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: M. Vuijst en J. Crespo Carillo, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Cortefiel, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk H. Mosback, P. López Ronda, G. Macias Bonilla en G. Marín Raigal, vervolgens P. López Ronda, G. Macias Bonilla en G. Marín Raigal, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 26 november 2012 (zaak R 271/2011-4) inzake een oppositieprocedure tussen Cortefiel, SA en Pedro Group Pte Ltd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Pedro Group Pte Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 101 van 6.4.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/24


Beschikking van het Gerecht van 2 april 2014 — CIVR e.a./Commissie

(Zaak T-303/09) (1)

((„Staatssteun - Kaderregeling voor acties door in Frankrijk erkende brancheorganisaties ten behoeve van leden van vertegenwoordigde landbouwsectoren - Financiering door verplicht gestelde vrijwillige bijdragen - Besluit waarbij steunregeling verenigbaar met gemeenschappelijke markt is verklaard - Intrekking van besluit - Afdoening zonder beslissing”))

2014/C 194/31

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Conseil interprofessionnel des vins du Roussillon à appellation d’origine contrôlée (CIVR) (Perpignan, Frankrijk); Comité national des interprofessions des vins à appellation d’origine et à indication géographique (CNIV) (Parijs, Frankrijk); en Interprofession nationale porcine (Inaporc) (Parijs) (vertegenwoordigers: H. Calvet, O. Billard en Y. Trifounovitch, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Stromsky en C. Urraca Caviedes, vervolgens B. Stromsky en S. Thomas, en ten slotte B. Stromsky, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van besluit C(2008) 7846 def. van de Commissie van 10 december 2008, betreffende staatssteun N 561/2008 inzake de kaderregeling voor acties door in Frankrijk erkende brancheorganisaties ten behoeve van leden van vertegenwoordigde landbouwsectoren.

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

De Europese commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 244 van 10.10.2009.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/25


Beschikking van het Gerecht van 14 april 2014 — Manufacturing Support & Procurement Kala Naft/Raad

(Zaak T-263/12) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie - Bevriezing van tegoeden - Kracht van gewijsde - Motiveringsplicht - Verplichting tot individuele kennisgeving - Rechten van verdediging - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Eigendomsrecht - Evenredigheid - Bevoegdheid van Raad - Misbruik van bevoegdheid - Onjuiste rechtsopvatting - Begrip ‚aan nucleaire proliferatie verleende steun’ - Onjuiste beoordeling - Beroep kennelijk rechtens ongegrond”))

2014/C 194/32

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Manufacturing Support & Procurement Kala Naft Co., Tehran (Teheran, Iran) (vertegenwoordigers: F. Esclatine en S. Perrotet, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bishop en R. Liudvinaviciute-Cordeiro, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Cujo en M. Konstantinidis, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1).

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk rechtens ongegrond verklaard.

2)

Manufacturing Support & Procurement Kala Naft Co., Tehran draagt haar eigen kosten alsmede die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 258 van 25.8.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/25


Beroep ingesteld op 20 december 2013 — K. Chrysostomides & Co. e.a./Raad e.a.

(Zaak T-680/13)

2014/C 194/33

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: K. Chrysostomides & Co. LLC (Nicosia, Cyprus) en 50 andere verzoekende partijen (vertegenwoordiger: P. Tridimas, barrister)

Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie, Europese Unie (vertegenwoordigd door de Europese Commissie), Eurogroep (vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie), Europese Centrale Bank

Conclusies

Verzoekers verzoeken het Gerecht:

verweerders te gelasten om hun de bedragen te betalen die zijn vermeld in de aan het verzoekschrift gehechte tabel, vermeerderd met rente voor de periode van 26 maart 2013 tot de uitspraak van het Gerecht;

verweerders te verwijzen in de kosten.

Subsidiair verzoeken zij het Gerecht:

vast te stellen dat de Europese Unie en/of de verwerende instellingen op niet-contractuele basis aansprakelijk zijn;

de procedure vast te stellen om de voor vergoeding in aanmerking komende schade te bepalen die verzoekers daadwerkelijk hebben geleden;

verweerders te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekers (51 in totaal) zijn depositohouders en/of aandeelhouders van Bank of Cyprus Public Company Ltd en/of Cyprus Popular Bank Public Co. Ltd. Op grond van de artikelen 268 en 340, leden 2 en 3, VWEU, die betrekking hebben op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, vorderen zij vergoeding van de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de door de verwerende instellingen genomen maatregelen waarbij aan de Republiek Cyprus een bail-in-regeling is opgelegd.

Verzoekers stellen dat de verwerende instellingen een bail-in-regeling voor de Republiek Cyprus hebben vastgesteld, die er rechtstreeks toe heeft geleid dat zij hun deposito’s en aandelen zijn verloren. Verzoekers betogen dat de door de Republiek Cyprus genomen bail-in-maatregelen een zuivere uitvoering van de door verweerders getroffen maatregelen vormen en dat de verwerende instellingen deze bail-in-maatregelen hebben goedgekeurd.

Verzoekers voeren aan dat de bail-in-regeling in strijd is met het eigendomsrecht, zoals dat wordt beschermd door artikel 17, lid 1, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voorts betogen zij dat de bail-in-regeling in strijd is met evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het discriminatieverbod.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/26


Beroep ingesteld op 23 januari 2014 — USFSPEI/Parlement en Raad

(Zaak T-75/14)

2014/C 194/34

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Union syndicale fédérale des services publics européens et internationaux (Brussel, België) (vertegenwoordigers: J.-N. Louis en D. de Abreu Caldas, advocaten)

Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie en Europees Parlement

Conclusies

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

bijgevolg de punten 27, 32, 46, 64, sub b, 65, sub b, en 67, sub d, van verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 nietig verklaren;

verweerders veroordelen tot betaling aan USF van het symbolische bedrag van 1 EUR ter vergoeding van geleden immateriële schade, en hen verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster betoogt dat de punten 27, 32, 46, 64, sub b, 65, sub b, en 67, sub d, van verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 (1) onwettig zijn, voor zover zij voorzien in een wijziging van, met name, de artikelen 5 (instelling van functiegroep SC), 6 (afschaffing van het beginsel van gelijkwaardigheid van loopbanen), 40, lid 2, (beperking van het CCP tot 12 jaar), 43, tweede alinea, (advies over de mogelijkheden om een functie van administrateur te vervullen vanaf rang AST 5 in plaats van rang AST), 44, lid 1, (nieuwe voorwaarden voor bevordering in salaristrap), 51 (procedure bij onvoldoende geschiktheid), 52 (verlof in het belang van de dienst), 77 (pensioenopbouwpercentage van 1,8 %) en bijlage VIII, artikel 9, lid 2, (vervroegd pensioen zonder verlaging) van het Statuut.

Ter ondersteuning van haar beroep voert zij schending aan van de door de OSP en de wetgever gesloten overeenkomst inzake de wijziging van 2004, met name inzake de wijziging van de loopbanen, alsook schending van de beginselen van lineaire loopbaan en gelijkwaardigheid van loopbanen.

Voorts voert zij schending aan van artikel 27 van het Handvest van de grondrechten, van artikel 21 van het Europees Sociaal Handvest, van het beginsel van verworven rechten, van het evenredigheidsbeginsel en van het non-discriminatiebeginsel.


(1)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB L 287, blz. 15).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/27


Beroep ingesteld op 24 maart 2014 — Deza/ECHA

(Zaak T-189/14)

2014/C 194/35

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Deza, a.s. (Valašské Meziříčí, Tsjechië) (vertegenwoordiger: P. Dejl, advocaat)

Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van het Europees Agentschap voor chemische stoffen van 24 januari 2014, vervat in mededelingen AFA-C-0000004274-77-09/F, AFA-C-0000004280-84-09/F, AFA-C-0000004275-75-09/F en AFA-C-0000004151-87-08/F,

verwijzing van de verwerende partij in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1) juncto artikel 118 van verordening (EG) nr. 1907/2006 (2) en schending van het recht op bescherming van rechtmatige commerciële belangen en van intellectuele eigendom.

In dat verband betoogt de verzoekende partij dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 juncto artikel 118 van verordening nr. 1907/2006, aangezien de openbaarmaking van de betrokken informatie aan een derde zou leiden tot ondermijning van de bescherming van hun commerciële belangen en van intellectuele-eigendomsrechten, er geen hoger openbaar belang is dat de openbaarmaking van de betrokken informatie gebiedt, en de verwerende partij in haar besluit niet eens heeft verklaard dat er een openbaar belang is dat voorrang heeft boven de noodzaak om die rechten van de verzoekende partij te beschermen.

2.

Tweede middel: schending van de verbintenissen die voor de Europese Unie voortvloeien uit de TRIPS-Overeenkomst (3) en daarmee verband houdende aantasting van het recht op bescherming van vertrouwelijke informatie.

De verzoekende partij betoogt dienaangaande dat het bestreden besluit in strijd is met de internationale verplichtingen welke voor de Europese Unie voortvloeien uit artikel 39, lid 2, van de TRIPS-Overeenkomst, volgens hetwelk de partijen bij de Overeenkomst dienen te verzekeren dat natuurlijke personen en rechtspersonen de mogelijkheid hebben te beletten dat informatie waarover zij rechtmatig beschikken zonder hun toestemming wordt openbaar gemaakt aan, verworven door of gebruikt door anderen op een wijze die strijdig is met eerlijke handelsgebruiken, zolang deze informatie: a) geheim is in de zin dat zij, globaal dan wel in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie; b) handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en c) is onderworpen aan, gezien de omstandigheden, redelijke maatregelen door de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, om deze geheim te houden.

3.

Derde middel: schending van de verbintenissen die voor de Europese Unie voortvloeien uit artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en schending van artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en daarmee verband houdende aantasting van het eigendomsrecht en de bescherming daarvan.

In dat verband wordt aangevoerd dat het bestreden besluit inbreuk maakt op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien het het recht van de verzoekende partij op ongestoord genot van eigendom beperkt.

4.

Vierde middel: schending van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001.

Volgens verzoekster maakt het bestreden besluit inbreuk op artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001, aangezien de openbaarmaking van de betrokken informatie het besluitvormingsproces van de Europese Commissie en van de verwerende partij ter zake van de aanvraag om de betrokken stof te gebruiken, ernstig zou ondermijnen, er geen hoger openbaar belang is dat de openbaarmaking van de betrokken informatie gebiedt, en de verwerende partij in haar besluit niet eens heeft verklaard dat er een openbaar belang is dat voorrang heeft boven de noodzaak om die rechten van de verzoekende partij te beschermen.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).

(2)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396, blz. 1).

(3)  Overeenkomst inzake handelsaspecten van intellectueel eigendom (TRIPS) van 15 april 1994 (PB L 336, blz. 214).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/28


Beroep ingesteld op 4 april 2014 — Volkswagen/BHIM (EXTRA)

(Zaak T-216/14)

2014/C 194/36

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Volkswagen AG (Wolfsburg, Duitsland) (vertegenwoordiger: U. Sander, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 6 februari 2014 in zaak R 1788/2013-1 vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „EXTRA” voor waren en diensten van de klassen 12, 28, 35 en 37 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 1 7 69  155

Beslissing van de onderzoeker: weigering van inschrijving

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/29


Beroep ingesteld op 8 april 2014 — Mabrouk/Raad

(Zaak T-218/14)

2014/C 194/37

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Mohamed Marouen Ben Ali Bel Ben Mohamed Mabrouk (Carthago, Tunesië) (vertegenwoordigers: J. Farthouat, J. Mignard, N. Boulay, advocaten, en S. Crosby, Solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit 2014/49/GBVB van de Raad van 30 januari 2014 tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB L 28, blz. 38) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 81/2014 van de Raad van 30 januari 2014 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 101/2011 betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Tunesië (PB L 28, p. 2 ) nietig verklaren voor zover deze maatregelen, die de bevriezing van tegoeden in de Europese Unie betreffen, van toepassing zijn op verzoeker, en

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: door de bestreden handelingen vast te stellen, ondersteunt verweerder een strafrechtelijk onderzoek in Tunesië en neemt hij dus binnen een strafrechtelijke context een rechterlijke hoedanigheid aan, terwijl de rechtsgrondslag waarop verweerder zich heeft gebaseerd, namelijk artikel 29 VEU en artikel 215, lid 2, VWEU, verweerder niet de bevoegdheid verleent om op die manier op te treden.

2.

Tweede middel: de bestreden handelingen zijn vastgesteld om de gerechtelijke autoriteiten in Tunesië bij te staan en niet om de redenen die ter ondersteuning van de gekozen rechtsgrondslag zijn vermeld. Dit levert schending op van de rechtsgrondslag.

3.

Derde middel: (a) kennelijke beoordelingsfout voor zover verweerder stelt dat er een verband bestaat tussen verzoekers tegoeden in de EU en het voorwerp van het gerechtelijk onderzoek in Tunesië, (b) kennelijke beoordelingsfout voor zover verweerder stelt dat het dispositief van de bestreden handelingen rechtvaardigt dat verzoekers naam wordt gehandhaafd op de lijst van personen van wie de vermogensbestanddelen moeten worden bevroren, en (c) kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten die verweerder ter rechtvaardiging van de bestreden handelingen aanvoert.

4.

Vierde middel: schending van verzoekers rechten van verdediging en grondrechten, namelijk: het vermoeden van onschuld, het recht op inzage van het bewijsmateriaal waarop verweerder zich ten aanzien van verzoeker baseert, het recht om te worden gehoord, het recht op equality of arms, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het evenredigheidsbeginsel en het eigendomsrecht.

5.

Vijfde middel: gebrekkige motivering.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/30


Beroep ingesteld op 11 april 2014 — Norma Lebensmittelfilialbetrieb/BHIM — Yorma’s (Yorma Eberl)

(Zaak T-229/14)

2014/C 194/38

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Norma Lebensmittelfilialbetrieb Stiftung & Co. KG (Nürnberg, Duitsland) (vertegenwoordiger: A. Parr, advocate)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Yorma’s AG (Deggendorf, Duitsland)

Conclusies

Vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 11 februari 2014 in zaak R 532/2013-4;

verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Yorma’s AG

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „Yorma Eberl” voor waren en diensten van de klassen 3, 5, 21, 24, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 40 en 43 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 9 9 40  289

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: de in de handel gebruikte handels- en firmanaam, alsmede de nationale en gemeenschapswoordmerken NORMA voor waren en diensten van de klassen 3, 5, 8, 9, 11, 16, 18, 21, 22, 23, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 38, 39, 41 en 42

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen:

schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009

schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/30


Beroep ingesteld op 22 april 2014 — EEB/Commissie

(Zaak T-250/14)

2014/C 194/39

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: European Environmental Bureau (EEB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: C. Stothers, solicitor, M. Van Kerckhove en C. Simphal, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoeker verzoekt het Gerecht:

het stilzwijgend besluit van de Europese Commissie van 13 februari 2014, dat op basis van artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1) wordt geacht een afwijzend antwoord te zijn waarbij wordt geweigerd om volledige en onbewerkte afschriften over te leggen van de briefwisseling met twee lidstaten betreffende hun voorgestelde Nationale Plannen voor de Overgangsfase (NPO’s), waarin bepaalde stookinstallaties worden vrijgesteld van nieuwe emissiegrenswaarden tussen 2016 en 2020;

verweerster te verwijzen in verzoekers kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

Verweerster heeft een onrechtmatigheid begaan door zich te baseren op artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001 in een geval waarin artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006 (2) dit uitdrukkelijk verbiedt.

2.

Verweerster heeft een onrechtmatigheid begaan door de uitzonderingen van artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 niet restrictief uit te leggen, hoewel dit wordt vereist door artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006 en artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Aarhus.

3.

Verweerster heeft een onrechtmatigheid begaan door op grond van artikel 4, lid 4, van verordening (EG) nr. 1049/2001 derden te raadplegen in een geval waarin het duidelijk was dat het document openbaar moest worden gemaakt, en door die raadpleging te gebruiken als een manier om haar antwoordtermijn te verlengen.

4.

Verweerster heeft een onrechtmatigheid begaan door na laten om op grond van artikel 4, lid 6, van verordening (EG) nr. 1049/2001 vast te stellen welke delen van de documenten onder de uitzonderingen vallen en de overige delen vrij te geven.

5.

Door de toegang uit te stellen heeft verweerster een onrechtmatigheid begaan, aangezien zij het publiek niet vroegtijdig en effectief inspraak heeft gegeven tijdens de voorbereiding, wijziging of herziening van de NPO’s op een ogenblik dat alle opties nog open waren, zoals door artikel 9 van verordening (EG) nr. 1367/2006 wordt vereist.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).

(2)  Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264, blz. 13).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/31


Beroep ingesteld op 18 april 2014 — Warenhandelszentrum/BHIM — Baumarkt Max Bahr (NEW MAX)

(Zaak T-254/14)

2014/C 194/40

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Warenhandelszentrum Ltd. (Neu-Ulm, Duitsland) (vertegenwoordiger: F. Hirschel, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Baumarkt Max Bahr GmbH & Co. KG (Hamburg, Duitsland)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 29 januari 2014 in zaak R 2035/2012-1 te vernietigen en de door verzoekster ingediende gemeenschapsmerkaanvraag toe te wijzen;

verweerder te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk bevattende de woordelementen „NEW MAX”, voor waren en diensten van de klassen 3, 5 en 37 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 1 06  474

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Baumarkt Max Bahr GmbH & Co. KG

Oppositiemerk of -teken: het beeldmerk bevattende het woordelement „MAX”, voor diensten van klasse 35

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling en volledige afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag

Aangevoerde middelen: tussen de conflicterende merken bestaat geen gevaar voor verwarring.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/32


Beroep ingesteld op 24 april 2014 — Novomatic/BHIM — Berentzen Mally Marketing plus Services (BLACK JACK TM)

(Zaak T-257/14)

2014/C 194/41

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Novomatic AG (Gumpoldskirchen, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: W. Mosing, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Berentzen Mally Marketing plus Services GmbH (Meerbusch, Duitsland)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 18 februari 2014 in zaak R 329/2012-4 te vernietigen, zodat het BHIM, gelet op het feit dat het noch om soortgelijke waren noch om overeenstemmende tekens gaat en evenmin sprake is van verwarringsgevaar, de oppositie in haar geheel dient af te wijzen en gemeenschapsmerkaanvraag nr. 9 4 56  278 volledig dient toe te wijzen;

het BHIM — en ingeval opposante schriftelijk intervenieert — deze laatste te verwijzen in hun eigen kosten alsook in die van verzoekster in de beroepsprocedure voor het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en in de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk bevattende de woordelementen „BLACK JACK TM”, voor waren en diensten van de klassen 9, 28 en 41 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 9 4 56  278

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Berentzen Mally Marketing plus Services GmbH

Oppositiemerk of -teken: het woord- en beeldmerk „BLACK TRACK”, voor waren van de klassen 18, 25 en 28

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling en gedeeltelijke afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag

Aangevoerde middelen: schending van de artikelen 8, lid 1, sub b, en 75 van verordening nr. 207/2009.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/33


Beroep ingesteld op 22 april 2014 — Hansen/BHIM (WIN365)

(Zaak T-264/14)

2014/C 194/42

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Robert Hansen (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Pütz-Poulalion, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 20 februari 2014 in zaak R 908/2013-4 vernietigen;

het BHIM verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk WIN365 voor waren en diensten van de klassen 9, 35, 36, 38 en 41 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 1 5 13  851

Beslissing van de onderzoeker: gedeeltelijke weigering van inschrijving

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/33


Beroep ingesteld op 23 april 2014 — Zehnder Group International/BHIM — Stiebel Eltron (comfotherm)

(Zaak T-267/14)

2014/C 194/43

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Zehnder Group International AG (Gränichen, Zwitserland) (vertegenwoordiger: J. Krenzel, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Stiebel Eltron GmbH & Co. KG (Holzminden, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van 21 februari 2014 in zaak R 1318/2013-4 vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: woordmerk „comfotherm” voor waren van de klassen 9 en 11 — gemeenschapsmerk nr. 8 8 59  472

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Stiebel Eltron GmbH & Co. KG

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: woordmerk „KOMFOTHERM” voor waren van klasse 11

Beslissing van de nietigheidsafdeling: toewijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: de bestreden beslissing doorstaat een nieuwe toets met betrekking tot de vaststelling van het bestaan van soortgelijke waren niet


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/34


Beroep ingesteld op 30 april 2014 — Mabrouk/Raad

(Zaak T-277/14)

2014/C 194/44

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Mohamed Marouen Ben Ali Bel Ben Mohamed Mabrouk (Carthago, Tunesië) (vertegenwoordigers: J. Farthouat, J. Mignard, N. Boulay, advocaten, en S. Crosby, Solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

verklaren dat verweerder artikel 265 VWEU heeft geschonden door niet in te gaan op verzoekers verzoek van 17 januari 2014 om hem inzage te verlenen in het bewijsmateriaal waarop de Raad zich baseert om verzoekers tegoeden in de Europese Unie te bevriezen, waarvan verweerder de ontvangst heeft bevestigd, en

verweerder te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker één middel aan.

Verzoeker betoogt dat verweerder wettelijk verplicht is om hem inzage te verlenen in het bewijsmateriaal waarop hij zich baseert voor de bevriezing van verzoekers tegoeden en dat verweerder formeel is verzocht om dit bewijsmateriaal vrij te geven en dus terdege is verzocht om op te treden. Door noch het bewijsmateriaal vrij te geven, noch te weigeren om dit te doen, heeft de Raad nagelaten te handelen en heeft hij bijgevolg artikel 265 VWEU geschonden.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/34


Beroep ingesteld op 29 april 2014 — Portnov/Raad

(Zaak T-290/14)

2014/C 194/45

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Andriy Portnov (Kiev, Oekraïne) (vertegenwoordiger: M. Cessieux, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het beroep van Andriy Portnov ontvankelijk verklaren;

verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne nietig verklaren voor zover zij verzoeker betreft;

besluit 2014/119/GBVB van de raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne nietig verklaren voor zover het verzoeker betreft;

de Raad van de Europese Unie overeenkomstig de artikelen 87 en 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van het recht van verdediging en van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, gewaarborgd door de grondbeginselen van het Europees recht en vervat in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.

Tweede middel: ontoereikende motivering van de bestreden handelingen.

3.

Derde middel: niet-naleving van het sanctiecriterium omschreven in artikel 1 van besluit 2014/119/GBVB en in punt 4 van de considerans van verordening (EU) nr. 208/2014.

4.

Vierde middel: materiële fout, aangezien in Oekraïne op de datum van vaststelling van de bestreden handelingen geen strafrechtelijk onderzoek liep tegen Portnov aangaande de hem door de Raad verweten feiten.

5.

Vijfde middel: schending van het grondrecht op eerbiediging van de eigendom, grondbeginsel van het Gemeenschapsrecht en beschermd door artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 1 van het aanvullend protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/35


Beroep ingesteld op 5 mei 2014 — Seca Benelux e.a./Parlement

(Zaak T-311/14)

2014/C 194/46

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Seca Benelux SPRL (Brussel, België); Groupe Seca SA (Valenciennes, Frankrijk); en Seca Ingénierie SAS (Valenciennes) (vertegenwoordiger: E. van Nuffel d’Heynsbroeck, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 21 februari 2014 tot afwijzing van hun inschrijving op de aanbesteding voor ondersteuning van het technisch beheer van de gebouwen van het Europees Parlement te Straatsburg (aanbesteding nr. INLO.AO-2013-003-STR-UGIMS-03) en gunning van de opdracht aan een andere inschrijver;

gelasting, vóór uitspraak, van het Parlement om de volgende stukken over te leggen:

de lijst van de voornaamste in de laatste drie jaar door de andere inschrijver verrichte gelijksoortige diensten, met vermelding van het bedrag, de datum en de publiek- of privaatrechtelijke instantie waarvoor zij bestemd waren;

het of de document(en) tot bewijs van de studie- en beroepsdiploma’s van het door de andere inschrijver voorgestelde personeel voor de uitvoering van de opdracht die de vereiste gegevens bevatten als bedoeld op de bladzijden 11 tot en met 27 van de technische specificaties van het bestek en in het verplichte verslag van het bezoek ter plaatse, alsook antwoorden op de vragen van de inschrijvers;

het of de document(en) tot bewijs dat het Parlement was nagegaan of alle studie- en beroepsdiploma’s van het door de andere inschrijver voorgestelde personeel voor de aan hem gegunde opdracht voldeden aan de aanbestedingsstukken, in het bijzonder de bladzijden 11 tot en met 27 van de technische specificaties van het bestek en het verplichte verslag van het bezoek ter plaatse, alsook antwoorden op de vragen van de inschrijvers;

verwijzing van het Parlement in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen twee middelen aan.

1.

Eerste middel: geen toetsing van de selectiecriteria, in strijd met artikel 110, lid 1, van verordening nr. 966/2012 (1) en artikel 148 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 (2), de aanbestedingsstukken en het beginsel van behoorlijk bestuur.

2.

Tweede middel: kennelijke fout bij de beoordeling van de technische bekwaamheid van de inschrijvers, in strijd met artikel 110, lid 1, van verordening nr. 966/2012, de artikelen 146, lid 2, en 148 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, de in de aanbestedingsstukken vastgestelde voorschriften, het beginsel van behoorlijk bestuur en het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers.


(1)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298, blz. 1).

(2)  Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362, blz. 1).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/36


Beroep ingesteld op 28 april 2014 — Federcoopesca e.a./Commissie

(Zaak T-312/14)

2014/C 194/47

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Federazione Nazionale delle Cooperative della Pesca (Federcoopesca) (Rome, Italië); Associazione Lega Pesca (Rome) en AGCI AGR IT AL (Rome) (vertegenwoordigers: L. Caroli en S. Ventura, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van de Commissie van 6 december 2013 houdende instelling van een actieplan om de tekortkomingen van de Italiaanse visserijcontroleregeling te verhelpen (Actieplan — C (2013) 8635 def), nietig verklaren, in het bijzonder wat betreft de punten 13, 15, 16 en 17 van het actieplan dat als bijlage bij het besluit is gevoegd;

verweerster verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het in de onderhavige procedure bestreden besluit heeft tot doel de tekortkomingen te verhelpen die zijn vastgesteld bij de toepassing door de Italiaanse autoriteiten van de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vier middelen aan.

1.

Eerste middel: motiveringsgebrek of ontoereikende motivering

In dit verband wordt aangevoerd dat de bestreden handeling is vastgesteld om een aantal onregelmatigheden te verhelpen, die zijn vastgesteld bij de toepassing van een aantal voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De handeling bevat echter geen enkele aanwijzing in verband met die onregelmatigheden zodat onmogelijk kan worden achterhaald welk logisch proces aan de vaststelling van die handeling ten grondslag lag. Deze ongeldigheidsgrond is van des te groter belang, nu die maatregelen afwijken van eerdere handelingen van de Unie.

2.

Tweede middel: schending van de Verdragen en de toepassingsregels ervan

In dit verband wordt aangevoerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is wegens schending van de Verdragen en van artikel 102, lid 4, van verordening nr. 1224/2009 alsook wegens onbevoegdheid. Het besluit heeft niet tot doel de controleregeling te versterken, maar legt nieuwe verplichtingen op die niet waren opgenomen in eerdere handelingen en zelfs in strijd zijn met die handelingen.

3.

Derde middel: schending van de beginselen van non-discriminatie, redelijkheid en evenredigheid

Dienaangaande wordt aangevoerd dat het besluit het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit schendt, aangezien het nieuwe en zwaardere verplichtingen oplegt aan Italiaanse vissers. Voorts ontbreekt ieder redelijk verband tussen de maatregelen en de nagestreefde doelstelling en zijn de maatregelen als zodanig onredelijk en onevenredig, aangezien niet kan worden bepaald welk het verband is tussen de aan de vissers opgelegde verplichtingen en de verwezenlijking van de doelstelling van het besluit.

4.

Vierde middel: onrechtmatigheid van het stelsel van ernstige inbreuken, in het bijzonder gelet op artikel 92 van verordening nr. 1224/2009, en schending van het beginsel van de gradatie en evenredigheid van sancties

In dit verband wordt aangevoerd dat, in strijd met verordening nr. 1224/2009, die een trapsgewijze sanctieregeling invoert, het bestreden besluit bepaalt dat de visvergunning in geval van ernstige inbreuk automatisch wordt geschorst en in geval van recidive definitief wordt ingetrokken. Het besluit vervangt de voorschriften van de verordening dus door een andere en veel nadeligere regeling van automatische en onherroepelijke sancties. De bij het actieplan ingevoerde sanctieregeling lijkt bovendien in ernstige mate in strijd met het beginsel van de gradatie van sancties, het beginsel van evenredigheid tussen de sanctie en de ernst van de schending en met het beginsel van het persoonlijk karakter van de sanctie, aangezien de betrokken sanctie aan de vergunninghouder wordt opgelegd, ongeacht wie de overtreding heeft begaan.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/37


Beschikking van het Gerecht van 9 april 2014 — Al-Aqsa/Raad

(Zaak T-276/08) (1)

2014/C 194/48

Procestaal: Nederlands

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 236 van 13.9.2008.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/37


Beschikking van het Gerecht van 9 april 2014 — Al-Aqsa/Raad

(Zaak T-503/11) (1)

2014/C 194/49

Procestaal: Nederlands

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 347 van 26.11.2011.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/37


Beschikking van het Gerecht van 7 mei 2014 — Adler Mode/BHIM — Cluett, Peabody (Fairfield)

(Zaak T-139/12) (1)

2014/C 194/50

Procestaal: Engels

De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 165 van 9.6.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/38


Beschikking van het Gerecht van 30 april 2014 — Visa Europe/Commissie

(Zaak T-447/12) (1)

2014/C 194/51

Procestaal: Engels

De president van de Vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 379 van 8.12.2012.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/38


Beschikking van het Gerecht van 28 april 2014 — Deweerdt e.a./Rekenkamer

(Zaak T-132/13) (1)

2014/C 194/52

Procestaal: Frans

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 123 van 27.4.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/38


Beschikking van het Gerecht van 28 april 2014 — Omega/BHIM — Omega Engineering (Ω OMEGA)

(Zaak T-175/13) (1)

2014/C 194/53

Procestaal: Frans

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 147 van 25.5.2013.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/38


Beschikking van het Gerecht van 11 april 2014 — Serco Belgium e.a./Commissie

(Zaak T-644/13) (1)

2014/C 194/54

Procestaal: Engels

De president van de Vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 24 van 25.1.2014.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/38


Beschikking van het Gerecht van 5 mei 2014 — Volkswagen/BHIM (StartUp)

(Zaak T-156/14) (1)

2014/C 194/55

Procestaal: Duits

De president van de Achtste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 135 van 5.5.2014.


Gerecht voor ambtenarenzaken

24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/39


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 14 mei 2014 — Alexandrou/Commissie

(Zaak F-140/12) (1)

((Openbare dienst - Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/231/12 - Toegang tot documenten - Afwijzing van bevestigend verzoek om toegang tot meerkeuzevragen die in toelatingstoetsen zijn gesteld))

2014/C 194/56

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Christodoulos Alexandrou (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: R. Duta, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Eggers en G. Gattinara, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van de afwijzing van het door verzoeker bij de Commissie ingediende bevestigende verzoek om toegang te verkrijgen tot een aantal vragen die hem zijn gesteld in het kader van de voorselectieprocedure van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/230 231/12

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Alexandrou zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.


(1)  PB C 26 van 26.1.2013, blz. 76.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/39


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 14 mei 2014 — Delcroix/EDEO

(Zaak F-11/13) (1)

((Openbare dienst - Ambtenaar - EDEO - Hoofd van delegatie in derde land - Overplaatsing naar hoofdkantoor van EDEO - Voortijdige beëindiging van functie van hoofd van delegatie))

2014/C 194/57

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Nicola Delcroix (Brussel, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Abreu Caldas, A. Coolen, É. Marchal en S. Orlandi, advocaten, vervolgens D. Abreu Caldas, J.-N. Louis en S. Orlandi, advocaten)

Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Metsola en S. Marquardt, gemachtigden, vervolgens S. Marquardt, gemachtigde)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoeker over te plaatsen naar een ambt in het hoofdkantoor van EDEO en zijn tewerkstelling bij een delegatie van de EU in Djibouti te beëindigen

Dictum

1)

Het besluit, waarvan kennis is gegeven bij e-mail van 8 maart 2012, om Delcroix over te plaatsen naar het hoofdkantoor van de Europese Dienst voor extern optreden en zijn tewerkstelling als hoofd van de delegatie van de Europese Unie in de Republiek Djibouti voortijdig te beëindigen, wordt nietig verklaard.

2)

De Europese Dienst voor extern optreden zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van Delcroix.


(1)  PB C 123 van 27.4.2013, blz. 29.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/40


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 14 mei 2014 — Cocco/Commissie

(Zaak F-17/13) (1)

((Openbare dienst - Arbeidscontractant - Aanwerving - Oproep voor het indienen van blijken van belangstelling EPSO/CAST/02/2010))

2014/C 194/58

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Patricia Cocco (Hunting, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Salerno en B. Cortese, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van het door het Bureau voor Infrastructuur en Logistiek ingediende verzoek om verzoekster aan te werven

Dictum

1)

Het besluit van de Europese Commissie van 25 april 2012 houdende weigering om Cocco aan te werven als arbeidscontractant van de functiegroep III wordt nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van Cocco.


(1)  PB C 123 van 27.4.2013, blz. 30.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/40


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 14 mei 2014 — Alexandrou/Commissie

(Zaak F-34/13) (1)

((Openbare dienst - Algemeen vergelijkend onderzoek - Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/231/12 - Uitsluiting van deelneming aan beoordelingstoetsen - Toegang tot documenten))

2014/C 194/59

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Christodoulos Alexandrou (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: R. Duta, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Eggers en G. Gattinara, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/231/12 om verzoeker niet toe te laten tot de beoordelingstoetsen van dat vergelijkend onderzoek

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Alexandrou zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.


(1)  PB C 207 van 20.7.2013, blz. 58.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/41


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 8 mei 2014 — A/Commissie

(Zaak F-50/13) (1)

((Openbare dienst - Sociale zekerheid - Ongeval of beroepsziekte - Artikel 73 van het Statuut - Blijvende gedeeltelijke invaliditeit - Verzoek om schadevergoeding - Kennelijke niet-ontvankelijkheid))

2014/C 194/60

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: A (vertegenwoordigers: B. Cambier en A. Paternostre, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Joris, gemachtigde, bijgestaan door C. Mélotte, advocaat)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie waarbij zij zich heeft uitgesproken over het verzoek om een aanvullende vergoeding dat verzoeker heeft ingediend op basis van artikel 90, lid 1, van het Statuut, met het oog op de verkrijging van volledige vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij zou hebben geleden als gevolg van zijn beroepsziekte en de vele onregelmatigheden bij het onderzoek van zijn op artikel 73 van het Statuut gebaseerd verzoek

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 207 van 20.7.2013, blz. 63.