ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 177

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

57e jaargang
11 juni 2014


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

495e zitting van het EESC van 21 en 22 januari 2014

2014/C 177/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De deel- en ruileconomie: een duurzaamheidsmodel voor de XXIe eeuw (initiatiefadvies)

1

2014/C 177/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een strategie ter bestrijding van de grijze economie en zwartwerk (initiatiefadvies)

9

2014/C 177/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Toegankelijkheid als mensenrecht voor personen met een handicap (initiatiefadvies)

15

2014/C 177/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de betaalbaarheid van diensten van algemeen economisch belang: definitie, meetinstrumenten, uitdagingen en Europese initiatieven (initiatiefadvies)

24

2014/C 177/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (EUSAIR) (verkennend advies)

32

2014/C 177/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten COM(2013) 803 final — 2013/0392 (NLE)

40

2014/C 177/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 260/2012 ten aanzien van de migratie naar uniale overmakingen en automatische afschrijvingen (COM(2013) 937 final — 2013/0449 (COD))

41


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

495e zitting van het EESC van 21 en 22 januari 2014

2014/C 177/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende indices die als benchmarks worden gebruikt voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten (COM(2013) 641 final — 2013/0314 (COD))

42

2014/C 177/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing van een aantal basisbesluiten waarin wordt verwezen naar de regelgevingsprocedure met toetsing, aan de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (COM(2013) 751 final — 2013/0365 (COD))

48

2014/C 177/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe psychoactieve stoffen COM(2013) 619 final — 2013/0305 (COD) COM(2013) 618 final — 2013/0304 (COD)

52

2014/C 177/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Naiades II-pakket, dat de volgende drie documenten omvat: voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 718/1999 van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren COM(2013) 621 final — 2013/0303 (COD) voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad COM(2013) 622 final — 2013/0302 (COD) en mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Naar een hoogwaardige binnenvaart — Naiades II COM(2013) 623 final

58

2014/C 177/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over nieuwe maatregelen voor de Europese interne telecommunicatiemarkt bestaande uit de volgende twee documenten: voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maatregelen inzake de Europese interne markt voor elektronische communicatie en om een connectief continent tot stand te brengen alsmede tot wijziging van Richtlijnen 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG en Verordeningen (EG) nr. 1211/2009 en (EU) nr. 531/2012 COM(2013) 627 final — 2013/0309 (COD) en mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de eengemaakte telecommunicatiemarkt COM(2013) 634 final

64

2014/C 177/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het Europese hoger onderwijs in de wereld (COM(2013) 499 final)

71

2014/C 177/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Consultatieve mededeling over duurzaam gebruik van fosfor COM(2013) 517 final

78

2014/C 177/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventie en beheer van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (COM(2013) 620 final — 2013/0307 (COD))

84

2014/C 177/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, met het oog op de tenuitvoerlegging tegen 2020 van een internationale overeenkomst die op emissies van de internationale luchtvaart wereldwijd één marktgebaseerde maatregel toepast (COM(2013) 722 final — 2013/0344 (COD))

88


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

495e zitting van het EESC van 21 en 22 januari 2014

11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De deel- en ruileconomie: een duurzaamheidsmodel voor de XXIe eeuw (initiatiefadvies)

(2014/C 177/01)

Rapporteur: Bernardo HERNÁNDEZ BATALLER

Op 14 februari 2013 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité, op grond van artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, besloten een initiatiefadvies op te stellen over

De deel- en ruileconomie: een duurzaamheidsmodel voor de XXIe eeuw.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 december 2013 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 121 stemmen vóór en 2 tegen, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De deel- en ruileconomie is overal ter wereld aan een opmars bezig: steeds meer gemeenschappen en steden maken gebruik van technologische netwerken om op een nooit eerder geziene schaal producten en diensten te (ver)huren, (uit) te lenen, uit te wisselen, te ruilen, weg te geven of te delen, om zo meer te doen met minder.

1.2

Dit fenomeen heeft niet alleen een economische impact (1) maar gaat ook gepaard met een nieuwe kijk op arbeid: dankzij de deel- en ruileconomie zouden er de komende jaren heel wat banen kunnen bijkomen.

1.3

We mogen dus zeker spreken van innovatie: de gebruikseconomie zal meer gewicht krijgen t.o.v. de productie-economie, wat economische, sociale en milieuvoordelen biedt. Bovendien wordt hiermee een uitweg geboden uit de economische en financiële crisis: waar nodig kunnen producten en diensten worden uitgewisseld.

1.4

De opkomst van de deel- en ruileconomie is een complex en ingrijpend proces. De bevoegde instanties moeten dan ook, op basis van de nodige studies, regels vastleggen voor het functioneren van deze economie, zodat de rechten en plichten van alle betrokkenen duidelijk worden afgebakend. Enerzijds is er de niet-commerciële kant van deze economie, die beantwoordt aan sociale behoeften, anderzijds zijn er de op winst gerichte activiteiten die banen creëren en voldoen aan de voorschriften op het vlak van belastingen, veiligheid, verantwoordelijkheid, consumentenbescherming en wat dies meer zij.

1.5

De Commissie zou de deel- en ruileconomie dan ook op haar agenda moeten zetten en daarbij als volgt te werk moeten gaan:

Als eerste zou zij de basisrechten en -beginselen ter bescherming van de burger die al in het EU-recht zijn vastgelegd bijeen moeten brengen, naar analogie van de Code van EU-onlinerechten.

Vervolgens dienen de nodige studies te worden opgesteld — nieuw beleid van de Commissie moet steeds worden onderbouwd — zodat eventuele obstakels en problemen in kaart kunnen worden gebracht en de meerwaarde van actie op Europees niveau duidelijk wordt. Zowel DG SANCO als DG Justitie dienen daartoe de nodige financiële middelen vrij te maken.

Tevens dient een gegevensbank voor de deel- en ruileconomie te worden opgericht, die de uitwisseling van ervaringen en goede praktijkvoorbeelden mogelijk maakt en toegankelijk is voor alle consumenten. Tegelijk kunnen voorlichtings- en bewustwordingscampagnes over de deel- en ruileconomie worden opgezet.

Ten slotte moet aan de hand van de opgedane ervaring worden overgegaan tot harmonisatie van de wetgeving inzake de grensoverschrijdende problemen en de aspecten met een Europese meerwaarde.

2.   Inleiding

2.1

Het huidige systeem kan niet eeuwig standhouden en beantwoordt niet aan de individuele en collectieve wensen van de burgers. Er moet dus worden gezocht naar alternatieven die zijn afgestemd op de behoeften en uitdagingen van een toekomst waarin digitale netwerken centraal staan.

2.2

Dit initiatiefadvies sluit aan bij de Europa 2020-strategie, die uitgaat van een consumptiemodel voor goederen en diensten dat beantwoordt aan de eisen van slimme, duurzame en inclusieve groei en bovendien bijdraagt aan werkgelegenheid, productiviteit en economische, sociale en territoriale samenhang. Er zijn overigens nog andere EU-strategieën die al dan niet direct betrekking hebben op de deeleconomie. Denken we maar aan de mededeling over het Actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid (2), het Initiatief voor sociale innovatie en de Digitale Agenda voor Europa.

2.3

Dankzij de deel- en ruileconomie kunnen de gevolgen van de huidige economische en financiële situatie beter worden opgevangen en kan de toenemende onzekerheid die voortvloeit uit de economische crisis, worden weggenomen. Hier ligt een kans om weer het pad in te slaan van duurzame economische, menselijke en sociale ontwikkeling, zonder de grenzen van de planeet en het milieu te overschrijden.

2.4

De uitwassen van hyperconsumptie hebben ertoe bijgedragen dat een bres is geslagen tussen productie- en consumptieregio's, waardoor paradoxaal genoeg fenomenen als sociale uitsluiting en obesitas of verspilling en armoede, naast elkaar kunnen bestaan. De leen- en ruileconomie kan worden ingezet om de interne markt een nieuwe impuls te geven door scheve situaties weer recht te trekken en te zorgen voor meer evenwicht en duurzaamheid, op voorwaarde dat er sprake is van een stevige structuur.

2.5

Overproductie en overconsumptie zijn niet langer houdbaar, dat staat als een paal boven water. In een deel- en ruileconomie daarentegen worden coöperatieve waarden en solidariteit gekoesterd. Volgens een recente analyse in het tijdschrift Forbes zullen de inkomsten uit de deeleconomie dit jaar oplopen tot meer dan 3,5 miljard dollar, wat neerkomt op een stijging van ruim 25 %.

2.6

Aanbod en consumptie zijn in de deeleconomie immers niet langer meer gebaseerd op het bezit van goederen, maar op gedeeld gebruik, waarbij wordt uitgegaan van reële behoeften en zelfontplooiing, wat haaks staat op symbolische consumptie en het najagen van kunstmatig opgewekte verlangens.

2.7

De traditionele consumptiemaatschappij is gericht op individueel bezit; producten worden snel opgebruikt en voortijdig weer afgedankt. Kenmerkend voor de deel- en ruileconomie is juist dat producten duurzaam zijn en bedoeld voor intensief en langdurig gebruik, hetzij door één, hetzij door meerdere gebruikers. Het feit dat de levensduur van producten wordt verlengd maakt deze vorm van consumptie milieuvriendelijker. Uit de nieuwe technologieën (peer to peer en sociale netwerken) blijkt maar al te duidelijk het belang van de virtuele en reële gemeenschap.

2.8

Door de economische crisis zijn mensen meer geneigd om minder te kopen en uit te geven, bewuster te kijken naar wat dingen echt waard zijn en zich af te vragen of zij iets echt nodig hebben; zij gaan beseffen dat meer bezit niet gelijkstaat aan geluk.

2.9

Basisgedachte is dat mensen die een product of dienst nodig hebben in contact worden gebracht met anderen, die het gevraagde zelf niet gebruiken en bijv. kunnen uitlenen, weggeven, ruilen of verhuren. Dit soort relatie moet steunen op een gevoel van verbondenheid en de bereidheid tot delen en participatie; vertrouwen is onmisbaar om gebruikers met elkaar in contact te brengen, alternatieve vormen van consumptie te ontwikkelen en het netwerk op termijn in stand te houden. Transparantie is daarbij een onontbeerlijke voorwaarde, met name wat betreft de financiële kant van de zaak en de verantwoordelijkheid voor de platforms waarop de deeleconomie gegrondvest is.

2.10

Naar verwachting zullen deze vormen van samenwerken en delen via technologische hulpmiddelen uiteindelijk leiden tot een nieuwe kijk op eigendom en handel (3). Producten — en ook diensten — worden niet alleen meer gekocht maar verhuurd, doorgegeven of gedeeld.

2.11

Consumenten willen minder bezitten maar meer gebruik kunnen maken van producten en diensten. Rationeel gezien liggen de voordelen op het vlak van minderen en zijn zij van praktische aard, maar ook de emotionele kant speelt een rol: mensen krijgen een sterker gevoel van eigenwaarde en verbondenheid (4). De deel- en ruileconomie biedt handige en vaak goedkope oplossingen: er wordt gebruik gemaakt van middelen die al beschikbaar zijn, zodat niet onnodig nieuwe producten hoeven te worden gemaakt. Delen is kortom een voordelige en duurzame oplossing.

2.12

De ervaring met digitale inhoud (foto's, muziek, video's, boeken, enz.) heeft veel mensen doen inzien dat het niet zozeer de cd zelf is die we in ons bezit willen hebben, maar wel de muziek die erop staat. Het is voldoende te weten dat we wanneer we maar willen toegang hebben tot de content in kwestie, en nog mooier is het dat we zo ook meer ruimte vrijhouden.

2.13

In het licht van de huidige sociale situatie is de deel- en ruileconomie bovendien ook een uitweg voor de meest kwetsbare groepen, in het bijzonder gezinnen met financiële problemen of die misschien geen gebruik meer kunnen maken van de traditionele kredietmogelijkheden om de producten te kopen die zij nodig hebben. Daarnaast echter zijn er ook diegenen die wel normaal toegang hebben tot de markt voor goederen en diensten maar daar op grond van hun persoonlijke overtuigingen juist van afzien.

2.14

Duurzame consumptie wordt al sinds 1999 door de Verenigde Naties beschouwd als een basisrecht van de consument, terwijl de EU, die toch al eerder wetgeving over consumentenbescherming heeft opgesteld, nog niet zover is. Het EESC (5) heeft er in het verleden al op gewezen dat die erkenning er moet komen en heeft al uitdrukkelijk aangedrongen op een verdragswijziging, die onder meer inhoudt dat „het beleid inzake duurzame ontwikkeling moet worden uitgewerkt”.

Daarnaast heeft het EESC al een aantal adviezen uitgebracht over de groene economie (6) en een advies over geplande veroudering (7). In zijn resolutie over de Europese Consumentenagenda heeft het EP de Commissie onlangs verzocht zich over deze problematiek te buigen.

3.   De deel- en ruileconomie: een conceptuele benadering

3.1

Doorgaans wordt de deel- en ruileconomie omschreven als een hedendaagse versie van de traditionele manier van delen, ruilen, lenen, huren en weggeven, waarbij gebruikt wordt gemaakt van moderne technologie en gemeenschapsnetwerken.

Hieruit blijkt dat de deel- en ruileconomie geen nieuw concept is, maar teruggrijpt op bestaande gebruiken om met behulp van moderne technologie een vorm van dienstverlening te ontwikkelen die veel efficiënter is en op veel ruimere schaal kan worden toegepast. Tegelijkertijd zal de deel- en ruileconomie gebaseerd moeten zijn op eigen initiatief en vrijwillige deelname.

3.2

Er wordt wel gezegd dat de deel- en ruileconomie de derde internetgolf is: mensen ontmoeten elkaar online om offline te delen. Ook wordt terecht opgemerkt dat de deel- en ruileconomie al wat bestaat doet circuleren.

3.3

Duidelijk is dat er drie factoren ten grondslag liggen aan het ontstaan van de deel- en ruileconomie, te weten de economische crisis, die ook een waardencrisis is, de uitbreiding van de sociale netwerken en de internetmogelijkheden op het vlak van uitwisselen en delen. Toch had deze vorm van consumptie nooit ingang gevonden in onze ontwikkelde economieën als niet aan de volgende voorwaarden was voldaan: vertrouwen in het algemeen belang, onbenutte capaciteit en technologie (8).

3.4

Het vertrouwen dat onbekenden in elkaar stellen is misschien wel de meest cruciale factor voor het succes van de deel- en ruileconomie. Dankzij de technologie krijgen mensen toegang tot onlinediensten om zo een vertrouwensbasis te creëren voor offlinecontacten.

3.5

Het delen van middelen veronderstelt vertrouwen en een goede reputatie, vooral wanneer nieuwe gebruikers moeten worden aangetrokken. Initiatieven in het kader van de deel- en ruileconomie moeten de gebruikers zekerheid bieden.

3.6

Zo kan worden gesteld dat mensen die onlinedelen ook meer genegen zullen zijn offline te delen. In de reële wereld is de beste manier om vertrouwen te wekken te werken met kleine groepen of met een bestaande gemeenschap waarbinnen al gevoelens van vertrouwen en verwantschap heersen. Voor bepaalde projecten in het kader van de deel- en ruileconomie kunnen gesloten groepen worden opgericht, die eenvoudiger te beheren zijn en waar in vertrouwen wordt ingespeeld op de behoeften van de gebruikers.

3.7

Als de gebruikers het gevoel hebben tot dezelfde gemeenschap te behoren versterkt dat ook het vertrouwen in de dienst en tussen gebruikers onderling. De gebruikers zorgen ervoor dat zij zich in hun optreden en contacten aan de regels houden, om zo een goede reputatie te kunnen opbouwen en die te beschermen; zoals op alle markten is het immers op grond van hun reputatie dat zij deel kunnen uitmaken van een gemeenschap en gebruik maken van het systeem.

3.8

Het volledig uitbannen van alle risico's is een utopie. Belangrijk is in elk geval dat de gebruikers van uitwisselingsplatforms op de hoogte zijn van de risico's en over de nodige informatie beschikken om daar verstandig mee om te gaan.

3.9

Technologie is een onmisbare factor om de zoektocht naar goederen en diensten zo efficiënt mogelijk te maken, mensen met gemeenschappelijke interesses samen te brengen en gemeenschappen op te richten. Mobiele en real-timetechnologie verhogen de snelheid en het gebruiksgemak, niet alleen waar het gaat om het toevoegen van informatie over de locatie, maar ook bij het eventuele gebruik van eenvoudige betaalsystemen.

3.10

Wat de opzet van de dienstenstroom aangaat moet worden gestreefd naar toegankelijkheid en gebruiksgemak; daarnaast is het belangrijk dat een vertrouwensrelatie tussen gebruiker en dienstverlener ontstaat, dat wordt gezorgd voor een afdoend niveau van beveiliging, zodat gebruikers zich geen zorgen hoeven te maken, en moet worden geput uit de ervaringen van de gebruikers om via centrale gegevensbanken feedbackprofielen op te stellen.

3.11

Het aspect reputatie is van bijzonder belang omdat het fungeert als katalysator voor economische en maatschappelijke veranderingen. Het zogenoemde „reputatiekapitaal” (9) wordt inmiddels beschouwd als een alternatieve munt, waarvan de waarde in het geboden vertrouwen ligt. In feite kan dit reputatiekapitaal worden gezien als cruciale schakel in de economie van de XXIe eeuw: de kracht van de vroegere mond-tot-mondreclame is nu vervangen door de virale mogelijkheden van de netwerkmaatschappij.

3.12

Burgers laten al duidelijk blijken wat hun behoeften zijn en waar hun belangstelling naar uitgaat door een relevanter en transparanter (koop)gedrag: zij houden bij hun aankopen rekening met uitgesproken sociale criteria en baseren hun beslissingen ook op emotionele overwegingen.

3.13

Ten slotte kan de geëngageerde consument invloed uitoefenen en merken ondersteunen door actief bij te dragen tot het succes van initiatieven op het vlak van delen, waardoor dit proces wordt versterkt en verbeterd.

3.14

Het is kortom zaak tot een nieuwe formule te komen: de formule „krediet + reclame + individueel bezit = hyperconsumptie”, die de tijdsgeest van de XXe eeuw weergeeft, moet worden omgezet in: "reputatie + gemeenschap + gedeelde toegang = deel- en ruileconomie, het model waar we nu naartoe willen.

Image

3.15

Dit model heeft overigens heel wat doelstellingen gemeen met het EU-beleid, met name het internemarktbeleid. Voorbeelden zijn een efficiënter gebruik van middelen, meer sociale innovatie, en bevordering van werkgelegenheid en economische welvaart. Veel nieuwe ondernemingen die zich toeleggen op de deel- en ruileconomie zijn actief op het grondgebied van de Unie, die dan ook zou kunnen uitgroeien tot een kweekvijver voor nieuwe bedrijfsmodellen die gericht is op duurzame economische ontwikkeling.

3.16

De deel- en ruileconomie staat voor een belangrijke economische, sociale en culturele omwenteling: het is daarom de taak van de Commissie alle mogelijke belemmeringen voor de ontwikkeling van deze activiteit op Europees niveau uit de weg te ruimen en regelgeving in te voeren om de sector zekerheid te bieden op lange termijn.

4.   De deel- en ruileconomie: goede praktijkvoorbeelden

4.1

Er bestaat wereldwijd al een hele keur aan voorstellen en ervaringen op het gebied van de deel- en ruileconomie waaruit zonneklaar blijkt dat een alternatieve vorm van consumptie niet alleen mogelijk is maar dat we daarmee ook een betere wereld een stuk dichterbij brengen, en, belangrijker nog, de toekomst van de volgende generaties veiligstellen.

4.2

De economische crisis heeft mensen ertoe gebracht platforms op te richten voor bijvoorbeeld het kopen en verkopen van tweedehands bruidsjurken en -accessoires, het verhuren van gastenkamers, voertuigen of galakleding, inclusief kleding van grote ontwerpers en luxe-accessoires. Een ander voorbeeld zijn de gemeenschappen voor de uitwisseling van diensten: deelnemers laten weten dat ze bijvoorbeeld iemand zoeken om een meubel in elkaar te zetten of een pakje af te halen, en aangeven wat zij daarvoor willen betalen.

4.3

De waarde van de deel- en ruileconomie wordt duidelijk geïllustreerd door het vele dure gereedschap dat we maar zelden gebruiken of, wat in feite op hetzelfde neerkomt, de producten waar we geen of niet optimaal gebruik van maken. Typische voorbeelden zijn de aanschaf van een boormachine die we vervolgens één keer in ons leven twintig minuten gebruiken, of van een auto die voornamelijk in de garage blijft staan.

4.4

55 % van de Europeanen is voorstander van duurzame consumptie, ook al moeten zij daarvoor dieper in de beurs tasten. De voornemens van consumenten die zich de volgende jaren willen gaan toeleggen op alternatieve vormen van consumptie kunnen als volgt in cijfers worden weergegeven (10):

Ruilen (19 %).

Huren (22 % in het geval van gereedschap).

Groepsaankopen (19 %).

Doe het zelf (12 % wil gaan naaien).

Kopen van streekproducten (nul-kilometerproducten) (75 % wil te lange afzetkanalen vermijden).

Kopen van tweedehandsgoederen (19 %).

4.5

Hoewel allerhande initiatieven onder de noemer deel- en ruileconomie kunnen vallen, hebben zij zoals al eerder opgemerkt wel steeds één ding gemeen: het gaat om initiatieven die erop gericht zijn mensen die over onderbenutte middelen beschikken in contact te brengen met anderen die juist op zoek zijn naar die bepaalde middelen. De roep om milieuvriendelijker producten klinkt steeds luider, maar is het niet nog beter voor het milieu om meer gebruik te maken van wat we al hebben? Het belang van de deel- en ruileconomie wordt hiermee perfect geïllustreerd.

4.6

Naast de mogelijke indirecte effecten is de deeleconomie ook direct van invloed op een aantal gebieden (we denken aan een beperkter gebruik van hulpbronnen, minder CO2-uitstoot, meer vraag naar kwaliteitsproducten die kunnen worden uitgeleend, verhuurd en gerepareerd; meer ecologische ontwerpen: de producten zijn immers bestemd voor diverse gebruikers, moeten duurzaam zijn en telkens worden aangepast aan de behoeften van de gebruiker; meer sociale interactie, gemeenschapszin en vertrouwen tussen burgers; betere toegang tot kwaliteitsproducten voor de groepen met de laagste inkomens, enz.).

4.7

Vanuit de optiek van de EU-wetgeving kan de deel- en ruileconomie worden beschouwd als een vorm van dienstverlening in de zin van artikel 57 VWEU, maar er rijzen in dit verband nog heel wat vragen. Hoe dan ook zou in het kader van de deeleconomie onderscheid moeten worden gemaakt tussen activiteiten zonder en mét winstoogmerk, waarvan alleen de laatste in aanmerking zouden komen voor EU- regelgeving.

4.8

In een poging tot onderverdeling van de initiatieven in het kader van de deel- en ruileconomie, die steeds uiteenlopender vormen gaan aannemen, onderscheiden we vier categorieën: transacties tussen consumenten (C2C), handelstransacties tussen consumenten (C2B), tussen bedrijf en consument (B2C) en tussen bedrijven (B2B).

4.9

Daarnaast kan een andere onderverdeling worden gehanteerd (11): systemen die gebaseerd zijn op een bepaald product, markten die uitgaan van herverdeling en groepen van mensen die hun leven inrichten rond samenwerking.

4.10

Het zij duidelijk dat de deel- en ruileconomie in alle aspecten van het dagelijkse leven een rol kan spelen (12):

mobiliteit (autodelen, waarbij auto's, taxi's, fietsen en parkeerplaatsen verhuurd of gezamenlijk gebruikt worden, en carpooling, waarbij vrije plaatsen in een auto worden opgevuld door passagiers die dezelfde richting uitgaan);

energie-efficiëntie (gezamenlijk gebruik van huishoudapparaten);

woonruimte en moestuinen (verhuur van gastenkamers, gedeeld gebruik van woningen en (stads)tuinen);

bedrijfsleven (coworking of het delen van kantoorruimte);

communicatie (mobiele platforms voor het kopen en verkopen van goederen en diensten door leden van eenzelfde gemeenschap);

werk (micro-opdrachten, het aanwerven van mensen voor bepaalde taken, aanwerven van klusjesmannen, waarbij de beste bieder het werk mag uitvoeren, gaande van het ophangen van schilderijen tot het in elkaar zetten van meubels);

cultuur (bookcrossing en ruilen van boeken, bevordering van culturele uitwisselingen tussen jongeren uit verschillende landen);

onderwijs (digitale gemeenschappen om talen te leren);

tijd en vaardigheden (tijdskrediet);

vrije tijd (delen van digitale inhoud);

financiën (leningen tussen particulieren, directe leningen van particulieren aan kleine en middelgrote ondernemingen, crowdfunding of collectieve financiering, crowdfunding for crowdbenefits);

toerisme (etentjes bij particulieren en peer to peer ruilen van voedingsmiddelen);

kunst, beurzen waar kleding en spullen voor kinderen kunnen worden geruild of weggegeven, reparatie en recycling, en nog talloze andere initiatieven; een uitputtende analyse hiervan valt echter buiten het bestek van dit advies.

aanmoedigen van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen: het is immers mogelijk overtollige energie te delen via slimme netwerken.

4.11

Het volstaat in feit te kijken welke goederen, kennis en diensten niet ten volle worden benut en kunnen worden gedeeld in een context waarin een deel- of ruileconomie gemakkelijk wortel zou kunnen schieten, bij voorbeeld als er tegelijk sprake is van een permanente ongunstige economische situatie, een toenemende vraag naar ethische en duurzame ontwikkeling en een dagelijkse realiteit waarin de burgers steeds nauwer met elkaar verbonden zijn. Op dit moment is aan al deze voorwaarden voldaan.

5.   Voorstellen voor initiatieven en een strategie

5.1

Het Comité verzoekt de Commissie om met het oog op het voorgaande de nodige maatregelen op het vlak van consumentenbescherming te nemen, zodat werk kan worden gemaakt van de hier beschreven initiatieven — nadat de nodige studies zijn uitgevoerd.

5.2

Hieronder volgt een kort overzicht van de actiemaatregelen die deel zouden moeten uitmaken van een strategie voor een doelgerichte ontwikkeling van de deel- en ruileconomie. Bedoeling is hiermee het nationale beleid voor consumentenbescherming te ondersteunen en aan te vullen en daarop toezicht uit te oefenen.

a)

Definiëren van een wettelijk en fiscaal kader om de activiteiten in het kader van de deel- en ruileconomie in goede banen te leiden en waar nodig regels in te voeren voor aspecten zoals de wettelijke aansprakelijkheid, verzekeringen, gebruiksrechten, bescherming tegen geplande veroudering (13), eigendomsbelasting, kwaliteitsnormen, de afbakening van rechten en plichten, het opheffen van mogelijke beperkingen en verdoken obstakels voor de intracommunautaire handel en de aanpak van mogelijke vormen van ontduiking van de wetgeving.

b)

Bekendheid geven aan initiatieven op het vlak van de deel- of ruileconomie; er moeten voorlichtings- en bewustwordingscampagnes worden opgezet, zodat de bevolking de individuele en collectieve voordelen hiervan gaat inzien. Ook moeten mensen op de hoogte worden gebracht van de wettelijke verplichtingen voor gedeelde producten (o.m. wat betreft recycling, hergebruik, aanpassing en duurzaamheid).

c)

Zorgen voor voorlichting en begeleiding zodat consumenten en gebruikers op een verantwoorde manier aan dergelijke initiatieven kunnen deelnemen: daartoe moet steun worden verleend aan proefprojecten op dit gebied.

d)

Stimuleren van de deel- en ruileconomie via initiatieven als ShareableCities, autodelen, en andere projecten die verband houden met voeding, wonen, en zelfs coworking.

e)

Promoten van stabiele structuren via de oprichting van platforms voor de ontwikkeling van de deel- en ruileconomie; daarbij moet vooral worden gedacht aan technologieën en netwerken.

f)

Uitbreiden en versterken van de deel- en ruileconomie door de opgerichte netwerken nieuwe impulsen te geven.

g)

Betrekken van de Europese instellingen bij initiatieven op het vlak van de deel- en ruileconomie, niet alleen als gebruiker maar ook als financier.

h)

Uitbouwen van gedeelde, collectieve infrastructuur door het maatschappelijk middenveld, dat er op die manier toe kan bijdragen dat de hele samenleving optimaal gebruik maakt van de openbare goederen.

i)

Voorts wordt voorgesteld de actiestrategie met name op de volgende gebieden toe te spitsen:

Onderwijs: hier is proactief optreden geboden; kinderen moet al vroeg gedrag, gewoonten en waarden worden aangeleerd die aansluiten bij de beginselen van de deel- en ruileconomie.

Consumentenverenigingen: netwerkorganisaties van consumenten en gebruikers kunnen in twee opzichten een rol spelen, nl. proactief, door initiatieven op te zetten, en reactief, door daaraan deel te nemen.

Coöperaties: coöperaties delen de beginselen en waarden van de deel- en ruileconomie, en zouden dan ook een belangrijke bondgenoot kunnen blijken te zijn. De coöperatieve beweging kan de initiatieven in het kader van de deel- en ruileconomie zowel proactief als reactief ondersteunen, en zou bovendien netwerken van deze economie onder haar hoede kunnen nemen, wat de wederzijdse doelstellingen ongetwijfeld ten goede zou komen (14). Consumentencoöperaties en de zogenoemde „nul kilometer”-coöperaties (15) tonen overigens aan dat een en ander al lang een feit is.

Burgerschap: volwassenen en burgers in het algemeen die deelnemen aan initiatieven in het kader van de deel- en ruileconomie die aansluiten bij hun behoeften, worden hiermee aangezet tot reactief handelen, wat bovendien een gunstige uitwerking kan hebben op hun persoonlijke ontplooiing en integratie. Het delen van gemeenschappelijke goederen levert ten slotte ook een bijdrage aan de sociale samenhang.

Brussel, 21 januari 2014.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  http://www.web-strategist.com/blog/2013/07/27/collaborative-economy-industry-stats.

(2)  COM(2008) 397 final.

(3)  Botsman, Rachel. What's Mine is Yours: The Rise of Collaborative Consumption.

(4)  Studie opgesteld door Carbonview Research voor Campbell Mithun, 2012.

(5)  PB C 185 van 8.8.2006, blz.71.

(6)  PB C 271 van 19.9.2013, blz.18.

(7)  CESE 1904/2013 „Levensduur van producten en consumentenvoorlichting” (nog niet gepubliceerd in het PB).

(8)  Albert Cañigueral www.consumocolaborativo.com.

(9)  Rachel Bosman verwijst naar „reputatiekapitaal” als de waarde van de reputatie in een gemeenschap of op een markt, uitgedrukt in bedoelingen, bekwaamheid en waarden.

(10)  Studie „Los Consumidores Europeos en modo alternativo”. Observatorio Cetelem, 2013.

(11)  Rachel Botsman.

(12)  Een greep uit de voorbeelden:

http://www.collaborativeconsumption.com/directory/

http://www.consumocolaborativo.com/directorio-de-proyectos/

http://consocollaborative.com/1704-100-sites-de-consommation-collaborative.html

http://collaboriamo.org/

http://www.kokonsum.org/plattformen

http://www.gsara.tv/~ouishare/

(13)  Programmering van het einde van de levensduur van een product of dienst; een product wordt zo ontworpen dat het minder lang dan normaal meegaat of kan worden gebruikt.

(14)  Salcedo Aznal, Alejandro — „Cooperativismo 3.0”100 años de cooperativismo de consumidores y usuarios: historia y futuro (blz. 65 — 68). UNCCUE, 2013.

(15)  Coöperaties die zich richten op producten of activiteiten van de lokale economie en de impact van distributie en vervoer over lange afstanden zo veel mogelijk beperken.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/9


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een strategie ter bestrijding van de grijze economie en zwartwerk (initiatiefadvies)

(2014/C 177/02)

Rapporteur: Stefano PALMIERI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 14 februari 2013 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Een strategie ter bestrijding van de grijze economie en zwartwerk.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 19 december 2013.

Het EESC heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 129 stemmen vóór en geen tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC wijst er andermaal op dat het van belang is de grijze economie en zwartwerk een halt toe te roepen zoals overigens ook door de Europese Commissie, gespecialiseerde instellingen als Eurofound en internationale organisaties als met name de Wereldbank wordt bepleit.

1.2

Gelet op de aanslepende zware economische crisis in Europa hebben deze fenomenen een schadelijke invloed op de dynamiek en groei van ondernemingen en de mogelijkheden voor innovatie en ontplooiing van het menselijk kapitaal. Door bedrijven en zwartwerkers uit de grijze zone te halen zou daarentegen een bijdrage kunnen worden geleverd aan het economisch herstel en zouden de grondslagen kunnen worden gelegd voor een duurzamere ontwikkeling.

1.3

Hoewel een en ander onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, wordt algemeen aangenomen dat slechts doeltreffend te werk kan worden gegaan als informatie, gegevens en evaluaties systematisch op Europees niveau worden uitgewisseld, met medewerking van de bevoegde overheden en de betrokken sociale partners.

1.4

Het EESC is van nature de aangewezen instantie om de uitwisseling van instrumenten, maatregelen en goede praktijken te bevorderen en aan te moedigen, teneinde zowel de economische factoren als de culturele en sociale context te beïnvloeden in het kader van de door de EU vastgestelde strategie ter bestrijding van illegale arbeid en belastingontduiking, die gebaseerd is op een inclusieve formele arbeidsmarkt.

1.5

Het is volgens het EESC eerst zaak een kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling te maken van de genoemde fenomenen, die in de diverse lidstaten sterk uiteenlopen, alsook van hun negatieve economische en sociale gevolgen, die op hun beurt in de lidstaten ook verschillend inwerken omdat de situaties en de structurele omstandigheden nu eenmaal niet dezelfde zijn. Zonder samenhangende gegevens en informatie van de lidstaten houdt de bestrijdingsstrategie geen steek, daar zij het niet kan stellen zonder maatregelen om de omvang van het probleem in kaart te brengen en de impact van de getroffen maatregelen te evalueren.

1.6

Aangezien de omvang en de ontwikkeling van de grijze economie en het zwartwerk tot dusver niet volledig kunnen worden ingeschat en er over deze schattingen ook onenigheid bestaat, stelt het EESC voor dit methodologische probleem op te lossen door zich te baseren op informatie over de beroepsbevolking die op uniforme wijze in alle lidstaten is verzameld. Deze methode is met name ontwikkeld door het Italiaanse instituut voor de statistiek en werd dus beproefd in een land dat bijzonder te lijden heeft onder de genoemde fenomenen en op dat gebied bovendien ook grote regionale verschillen vertoont.

1.7

De verschillen betreffen vooral de omvang van de grijze economie, die in sommige lidstaten en regio's tot 30% van de totale productie voor haar rekening neemt en dus niet zozeer een residuaal probleem vormt maar integrerend deel uitmaakt van het productiesysteem. Het EESC blijft er daarom op hameren dat moet worden voorzien in een gediversifieerde mix van bestrijdingsmaatregelen — afgestemd op de verschillende regio's, de verschillende productiesectoren en de verschillende soorten activiteiten — teneinde een doeltreffende aanpak te verzekeren van de specifieke factoren die de grijze economie en het zwartwerk in stand houden en die niet alleen van economische maar ook van culturele en sociale aard zijn.

1.8

De sociale partners kunnen een bijdrage leveren om de „ondergrondse” economie aan de oppervlakte te brengen, met name in regio's waar deze grijze economie niet een louter middeltje is om de productiekosten te drukken maar integrerend deel uitmaakt van de productiestructuur. In het kader van deze bestrijdingsmaatregelen moet immers een beroep kunnen worden gedaan op een netwerk van Europese, nationale en lokale actoren die zich van het probleem bewust zijn en in staat zijn acties te bevorderen die ervoor zorgen dat zwartwerk niet langer voordelig is. Dit kan door degenen die zich met zwartwerk inlaten de wind uit de zeilen te nemen via doeltreffende afschrikkingsmaatregelen, en door te stimuleren dat zwartwerk wordt vervangen door witwerk via preventieve en corrigerende maatregelen. Gelet op de huidige economische crisis zijn deze laatste waarschijnlijk het nuttigst.

1.9

Het EESC pleit ervoor dat op regionaal niveau waarnemingscentra voor zwartwerk in het leven worden geroepen, met medewerking van vertegenwoordigers van werkgevers, vakbonden en bevoegde overheden. Deze waarnemingscentra moeten onderzoeken hoe het probleem zich in de loop van de tijd ontwikkelt, de belangrijkste kenmerken ervan identificeren, evalueren welke bestrijdingsmaatregelen het doeltreffendst zijn en de concrete tenuitvoerlegging ervan monitoren.

1.10

De bestrijding mag niet beperkt zijn tot zwartwerk binnen de EU maar er moet ook een beroep worden gedaan op de sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen om te zorgen voor fatsoenlijke minimumarbeidsnormen in derde landen die toeleveren aan de EU. Deze praktijken zijn immers niet alleen schadelijk voor de concurrentie tussen ondernemingen, maar zetten ook de poort open voor kinderarbeid, waarbij de veiligheid van deze werknemers in het gedrang komt wanneer zelfs de meest elementaire veiligheidsmaatregelen in de wind worden geslagen, zoals recent nog bij het instorten van een fabriek in Bangladesh is gebleken.

2.   Bestrijding van de grijze economie en zwartwerk door de Europese Unie

2.1

In het kader van de Europa 2020-strategie — die gericht is op slimme, duurzame en inclusieve groei — worden de richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten gekoppeld aan richtsnoeren voor maatregelen op werkgelegenheidsgebied, waaronder bestrijding van de grijze economie en zwartwerk, niet-regulier of informeel werk, die evenwel onder de bevoegdheid van de lidstaten blijven vallen (1). Onder het algemene begrip „grijze economie” vallen verschillende werkzaamheden, waaronder zowel illegale activiteiten als legale werkzaamheden die op een illegale manier worden verricht. Zwartwerk wordt omschreven als „alle betaalde werkzaamheden die op zichzelf wettig zijn, maar niet aan de overheid worden gemeld, waarbij echter wel rekening moet worden gehouden met verschillen in de wetgeving van de lidstaten. Deze definitie (...) heeft betrekking op diverse werkzaamheden, die variëren van informele huishoudelijke diensten tot zwart werk door mensen zonder verblijfspapieren, maar criminele activiteiten worden ervan uitgesloten” (2).

2.1.1

De grijze economie beïnvloedt de goede uitvoering van productieactiviteiten en de kwaliteit van het personeelsbestand, staat op groei gerichte economische, sociale en begrotingsmaatregelen in de weg en zet de inspanningen ter verwezenlijking van de ambitieuze economische en werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie op de helling. Deze negatieve impact wordt nog versterkt door de gevolgen van de economische crisis op sociaal en werkgelegenheidsgebied, want hiermee worden de kansen op werk immers beperkt en komen de vooruitzichten op winst en inkomsten voor bedrijven en werknemers in het gedrang.

2.1.2

Dankzij de Europese werkgelegenheidsstrategie is de aandacht de laatste jaren toegenomen voor deze fenomenen (3), die nu ofwel rechtstreeks worden aangepakt, ofwel in het kader van algemenere overwegingen over de noodzakelijke hervorming van de arbeidsmarkt, of in samenhang met daaraan gerelateerde thema's als illegale immigratie naar de EU en fatsoenlijk werk in derde landen.

2.1.3

De grijze economie en zwartwerk zijn thema's die aan bod zijn gekomen in het werkgelegenheidspakket dat in april 2012 werd bepleit, in de jaarlijkse groeianalyses van 2012 en 2013, en in de aanbevelingen aan tal van lidstaten m.b.t. de bestrijding van zwartwerk en belastingontduiking. In het werkprogramma van de Commissie (4) is als een van de in 2014 te realiseren wetgevingsinitiatieven het „Europees platform ter bestrijding van zwartwerk” opgenomen, dat de samenwerking tussen de betrokken overheden in de lidstaten moet verbeteren, goede praktijken moet helpen verspreiden en daarbij ook een aantal gemeenschappelijke beginselen vaststelt.

2.2

Er wordt op gewezen dat de deelname van werkgevers- en vakbondsorganisaties aan het besluitvormingsproces van cruciaal belang is: „Op nationaal niveau spelen de sociale partners een belangrijke rol bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden” (5). Ook het EESC heeft het Europees beleid ter bestrijding van de grijze economie en zwartwerk onder de loep genomen en de ontwikkeling van dergelijk beleid bepleit in twee adviezen van 1999 en 2005 (6).

2.2.1

In het eerste advies heeft het EESC zich positief uitgelaten over de bestrijdingsstrategie die gebaseerd is op integratie in de formele arbeidsmarkt en op een mix van maatregelen die op de verschillende wetgevings- en productiesituaties in de lidstaten kunnen worden afgestemd. Ook werd gewezen op een aantal aspecten die dubbelzinnig zijn of niet de nodige aandacht krijgen. Dit geldt bijv. voor de definitie van zwartwerk, het onderscheid tussen degenen die gedwongen zijn zwartwerk te blijven verrichten en anderen die er vrijwillig voor kiezen om hun positie niet in overeenstemming te brengen met de voorschriften, de administratieve en fiscale lasten voor kleine, middelgrote en ambachtelijke ondernemingen, het beheer van illegale migranten, de regulering van nieuwe arbeidsvormen, het heterogene karakter van de diverse zwartwerkers, en het mogelijke gebrek aan doeltreffendheid van sommige geplande bestrijdingsmaatregelen.

2.2.2

In het tweede, in 2005 door het EESC goedgekeurde initiatiefadvies (7) werden de in het eerdere advies vermelde heikele punten andermaal onderstreept en aangevuld met nieuwe elementen. Zo werd bijv. gewezen op de noodzaak van betere stimuli om werkgelegenheid in overeenstemming te brengen met de voorschriften, vermindering van de rompslomp bij de oprichting van nieuwe ondernemingen, bijzondere aandacht voor vrouwelijke werknemers met een laag inkomen, bevordering van voorlichtings- en vormingscampagnes voor ondernemingen en werknemers, tenuitvoerlegging van een doeltreffend systeem van ontmoedigende controles en sancties, aandacht voor arbeidsnormen in derde landen, en op het verband met werkloosheid.

3.   Algemene opmerkingen: actie is geboden!

3.1

De grijze economie is niet alleen te wijten aan de buitensporig geachte kosten (met name van arbeid) en is dus niet alleen gericht op een illegale vermindering van de productiekosten via belasting- of socialezekerheidsfraude, maar komt tevens voort uit de onwil om de wetgeving en de arbeidsnormen (minimumloon, maximumarbeidsduur, veiligheid, certificeringen) in acht te nemen. Hierbij moet niet worden gedacht aan criminele activiteiten, of aan legale activiteiten die door illegale werknemers worden verricht, maar wel aan informele bezigheden die occasioneel in familieverband of door kennissen worden verricht en die doorgaans ook sociaal aanvaard zijn.

3.1.1

De complexiteit van het fenomeen blijkt uit het feit dat hierbij zeer diverse soorten werknemers betrokken zijn (8): zelfstandigen die zich niet willen aanpassen aan de voorschriften, werknemers die buiten de sociale zekerheid vallen, geen contract hebben of „onder couvert” uitbetaald worden, meehelpende gezinsleden, werknemers die hun tweede of derde baantje niet aangeven, illegale immigranten, werknemers die zonder fatsoenlijke minimale arbeidsnormen in derde landen werken als toeleveranciers voor de EU.

3.2

Er moet terdege werk worden gemaakt van bestrijding van de grijze economie en zwartwerk omdat deze tal van gevolgen hebben voor ondernemingen en werknemers, alsook voor de overheidsbegroting:

de concurrentie tussen ondernemingen raakt verstoord door de oneerlijke concurrentie tussen degenen die de voorschriften naleven en degenen die dat niet doen en aldus activiteiten in stand houden die anders waarschijnlijk uit de markt verdrongen zouden worden. Voorts is het voor de economische dynamiek inefficiënt als ondernemingen niet groeien en in de grijze economie ondergedoken blijven alsook geen passende toegang tot financiering hebben;

voor de werknemers geldt dat zij onzekere voorwaarden genieten op het gebied van fysieke veiligheid, inkomen en sociale zekerheid, met alle gevolgen van dien, niet alleen vanuit ethisch oogpunt wat hun waardigheid betreft, maar ook vanuit productief oogpunt, daar er hun aldus geen mogelijkheden worden geboden tot voortgezette opleiding, bijscholing, herkwalificering van functies, productieprocessen en producten;

de overheid heeft te maken met inkomstenderving omdat ze belastingen en premies misloopt (tax gap); gevolg is ook dat de kosten van overheidsdiensten en van de verzorgingsstaat onevenwichtig worden verdeeld (free riding).

3.3

Het economisch globaliseringsproces en de sociaaldemografische veranderingen creëren overigens — althans in beginsel — meer mogelijkheden voor de grijze economie en zwartwerk. Het bestrijdingsbeleid moet zich dan ook navenant kunnen ontwikkelen en zich aanpassen aan de veranderde omstandigheden en nieuwe verschijnselen. Hierbij valt te denken aan de grotere vraag naar gezinshulp en zorgdiensten, de afname van standaard-arbeidsvormen en de groeiende flexibiliteit van de arbeidsverhoudingen, de toename van het aantal zelfstandigen en outsourcing, en de versterking van multinationals. Er dient dan ook meer aandacht te worden besteed aan de vaststelling van voorschriften, aan monitoring- en controle-instrumenten en aan internationale coördinatie.

3.4

Vanuit statistisch oogpunt maakt zwartwerk integrerend deel uit van het bbp en zijn er dan ook passende methodes geboden om het in te schatten. Betrouwbare en vergelijkbare informatie over de omvang en de structuur ervan in de EU is evenwel moeilijk te krijgen om minstens drie redenen: i) de fenomenen zijn van nature niet meteen waarneembaar; ii) de lidstaten nemen verschillende standpunten in zodat de nationale wetgevingen ook sterk uiteenlopen; iii) er wordt gebruikgemaakt van verschillende berekeningsmethoden. Verschillende benaderingen leiden uiteraard tot verschillende kwantificeringen, die ook binnen hetzelfde land aanzienlijk kunnen uiteenlopen (zie tabel 1). In cijfers die door officiële nationale bronnen worden gepubliceerd, wordt het fenomeen doorgaans onderschat in vergelijking met studies van deskundigen en internationale organisaties.

3.4.1

Voor de beoordeling van de omvang van zwartwerk bestaan er drie methoden, die overigens ook t.a.v. andere onderzoeksonderwerpen (toegevoegde waarde, werkgelegenheid) kunnen worden toegepast:

directe enquêtes op micro-economisch niveau (bijv. Eurobarometer en European Social Survey) middels sporadische of periodieke steekproeven, waarbij aan de ondervraagden naar enkele kenmerken van hun arbeidsverhouding wordt gevraagd (9).

indirecte ramingen op macro-economisch niveau, op basis van andere bekende gegevens die steevast samenhangen met de grijze economie zoals nationale rekeningen, de dynamiek van de arbeidsmarkt, de consumptie, de geldvraag;

econometrische modellen die zwartwerk beschouwen als een theoretische variabele, op basis van de belangrijkste factoren die het fenomeen in de hand werken en de indicatoren voor onregelmatige activiteiten.

3.5

In een Europese studie werd aanbevolen om, met het oog op homogene en tussen de lidstaten vergelijkbare ramingen, zich te baseren op de indirecte methodologie die is ontwikkeld door het Italiaanse instituut voor de statistiek en die is gestoeld op ruim toegankelijke en betrouwbare gegevens over arbeidsinput (10). Op de middellange termijn zou dit de EU een gemeenschappelijk overeengekomen grondslag kunnen bieden voor onderzoek, vergelijking en evaluatie, los van hetgeen door onderzoekscentra of externe organisaties wordt geproduceerd.

3.6

Thans zijn voor alle lidstaten vergelijkbare gegevens afkomstig van econometrische modellen over zwartwerk en van directe steekproefenquêtes over het aantal arbeidskrachten (werknemers en zelfstandigen) dat op informele wijze is tewerkgesteld. Daaruit worden deels tegenstrijdige gegevens gehaald, aangezien verschillende aspecten worden geanalyseerd (zie tabel 2). Bovendien zijn er slechts weinig lidstaten met periodieke nationale gegevens over het fenomeen.

3.6.1

Op basis van de econometrische methode worden de hoogste waarden waargenomen in enkele landen in Midden- en Oost-Europa (tot ruim 30% in Bulgarije), naast hoge waarden in Zuid-Europa, middelmatige waarden in de rest van Midden- en Oost-Europa en in de noordelijke landen, en lage waarden in de continentale en Angelsaksische lidstaten (11).

3.6.2

De directe methode daarentegen laat een meer gediversifieerd beeld zien, met de hoogste waarden in het zuiden (met name Cyprus en Griekenland) maar ook in Ierland en Polen, en de laagste waarden in enkele lidstaten in Midden- en Oost-Europa, alsook in de noordelijke en continentale lidstaten (12).

4.   Bijzondere opmerkingen: impact van de crisis en beleidsoriëntaties

4.1

De impact van de crisis en het bezuinigingsbeleid is niet meteen duidelijk. Aan de aanbodzijde zou de recessie moeten leiden tot een (zelfs onwettige) verlaging van de productiekosten om het verlies aan winst en inkomsten te compenseren, terwijl er meer werklozen beschikbaar zijn om niet-regulier werk aan te nemen. Aan de vraagzijde zijn de kansen op een baan voor laaggeschoolden evenwel beperkt, omdat er minder wordt geconsumeerd en geïnvesteerd in sectoren als bouw, handel, horeca en huishoudelijke diensten.

4.1.1

Uit de empirische gegevens kunnen m.a.w. geen sluitende conclusies worden getrokken (13). De econometrische modellen wijzen op een recente algemene neerwaartse tendens, met uitzondering van een lichte stijging in 2009 midden in de economische crisis, die daarna echter snel is teruggedraaid tussen 2010 en 2012 (zie tabel 3). Uit de directe enquêtes komt evenwel een ander beeld naar voren, met enkele lidstaten waar een vermindering van de informele werkgelegenheid bij werknemers valt waar te nemen, terwijl andere lidstaten een stijging van het zwartwerk bij zelfstandigen laten zien.

4.2

Behalve de omvang verschilt ook de structuur van de grijze economie en het zwartwerk in de lidstaten, wegens de diversiteit van zowel de productiestructuur als de socialezekerheidsstelsels (14). De arbeidskrachten die bij deze fenomenen het meest betrokken zijn — en wier economische omstandigheden reeds minder gunstig zijn dan gemiddeld — hebben het meest te lijden onder de recessie en hebben slechtere inkomensvooruitzichten (15).

4.3

De dynamische ontwikkeling van de grijze economie en het zwartwerk — met name ingevolge de crisis — heeft dus voor de arbeidskrachten verschillende gevolgen, die zowel tussen de lidstaten als binnen de afzonderlijke economieën uiteenlopen. Met dit heterogene effect moet rekening worden gehouden bij het uitstippelen van maatregelen ter bestrijding van de grijze economie en het ten uitvoer leggen van anticyclische sociale maatregelen.

4.4

Gelet op het complexe en uiteenlopende karakter van de grijze economie en het zwartwerk wordt aangenomen dat er gebruik moet worden gemaakt van een mix van bestrijdingsmaatregelen, gaande van afschrikking, controles en sancties, tot stimuli om de wet na te leven. Het EESC steunt de toenemende inspanningen van de laatste jaren om preventieve en corrigerende maatregelen te treffen die de factoren aan de basis van zwartwerk moeten wegnemen, of om te stimuleren dat zwartwerk wordt vervangen door witwerk, wat waarschijnlijk het nuttigst is om de economische crisis te boven te komen (16) (zie tabel 4).

4.5

Over het algemeen worden verscheidene maatregelen voorgesteld die op verschillende aspecten van invloed zijn:

de naleving van de wetgeving voor bedrijven goedkoper en gemakkelijker maken, door de administratieve en belastingprocedures te hervormen en te vereenvoudigen;

de pakkans vergroten door de controles te verscherpen — met name via tripartiete inspecties met vertegenwoordigers van bevoegde overheden (17), werkgevers en vakbonden — en door de reeds bestaande sancties doeltreffender en doelmatiger te maken;

de groei van kleine en middelgrote bedrijven aanmoedigen en het industriebeleid stimuleren om productiesectoren met een hoge intensiteit aan gekwalificeerde arbeid te bevorderen;

zwartwerk voor werknemers minder aantrekkelijk maken via gerichte inkomenssteun en een duidelijker verband tussen bijdragen en sociale uitkeringen;

nieuwe arbeidsvormen reguleren zodat ze geen aanleiding geven tot misbruik maar het mogelijk maken de behoeften van bedrijven en werknemers op elkaar af te stemmen;

in de gaten houden of de socialezekerheidsbijdragen zijn betaald, aan de hand van met de sociale partners afgesproken indicatoren voor arbeidskosten (18) (die per sector, soort bedrijf en regio verschillen).

de sociale aanvaardbaarheid van de grijze economie verminderen en een belastingmoraal ingang doen vinden door de publieke opinie te bewerken en bewustwording te bevorderen; daarbij moet ook worden gestreefd naar een billijker verdeling van de fiscale lasten en moet meer vertrouwen worden gewekt in de overheid en de politiek;

regelmatig monitoringverslagen opstellen waarin de lopende ontwikkelingen worden bekeken, samen met de doeltreffendheid van de getroffen maatregelen;

de samenwerking tussen lidstaten m.b.t. multinationals versterken, ook via agentschappen of specifieke institutionele structuren (19).

4.6

Al deze maatregelen hebben echter een gemeenschappelijk doel: ervoor zorgen dat de kosten voor de bedrijven op het vlak van economische sancties of sociale reputatie groter zijn dan de mogelijke voordelen die ze zouden kunnen halen uit fraude of niet-regulier werk, die hun aldus het risico niet meer zullen lonen. Voorts moet er voor de werknemers voor worden gezorgd dat regulier werk beter beloond wordt dan zwartwerk, zowel wat het maandelijks salaris als de vooruitzichten voor de toekomst betreft. Om zwartwerk in witwerk om te zetten, zijn zonder meer ook begeleidende maatregelen nodig.

Brussel, 21 januari 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  „Naar een banenrijk herstel”, COM(2012) 173 final, par. 1.1; Besluit 2010/707/EU van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, richtsnoer 7.

(2)  COM(2007) 628 final. Een vergelijkbare definitie wordt door de OESO gehanteerd. De Wereldbank stelt echter voor ook werknemers zonder contract en zelfstandigen met vijf of minder werknemers zonder beroepsbezigheid in aanmerking te nemen.

(3)  

2013 IAO-werkdocument „Labour Inspection and Undeclared Work in the EU

Databank en verslag van Eurofound 2013 „Tackling undeclared work in 27 European Union Member States and Norway. Approaches and measures since 2008”

„Werkgelegenheidspakket 2012”: Mededeling van de Commissie „Naar een banenrijk herstel”

Mededelingen van de Commissie van 2012 en 2013 „Jaarlijkse groeianalyse”

Landenspecifieke aanbevelingen 2012 en 2013

2012 PROGRESS peer review van het programma voor wederzijds leren „Combatting undeclared work as a growing challenge in the context of high unemployment

Mededeling van de Commissie van 2010 „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid”, COM(2010) 682 final

Besluit van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

Mededeling van de Commissie van 2007 „Intensievere bestrijding van zwartwerk”, COM(2007) 628 final

Bijzonder Eurobarometer-enquête van 2007 over zwartwerk

Mededeling van de Commissie „De resultaten van de openbare raadpleging over het groenboek van de Commissie”De modernisering van het arbeidsrecht met het oog op de uitdagingen van de 21e eeuw", COM(2007) 627 final

Groenboek „De modernisering van het arbeidsrecht met het oog op de uitdagingen van de 21ste eeuw”, COM(2006) 708

2010 „Feasibility of establishing a European platform for cooperation between labour inspectorates, and other relevant monitoring and enforcement bodies with the aim of preventing and fighting undeclared work” (Regioplan-studie).

(4)  COM(2012) 629 final

(5)  COM(2012) 173 final, par. 3.2.

(6)  PB C 101 van 12 april 1999, blz. 30-37, als reactie op het document COM(98) 219; PB C 255 van 14 oktober 2005, blz. 61-66. De kwestie is evenwel ook aan de orde in andere adviezen die meer algemeen de arbeidsmarkt behandelen alsook fenomenen die verband houden met de grijze economie. De meest recente daarvan zijn: PB C 175 van 27 juli 2007, blz. 65-73 en PB C 204 van 9 augustus 2008 , blz. 70-76.

(7)  Op basis van de resolutie van de Raad over zwartwerk nr. 13538/1/03 en het Besluit van de Raad van 22 juli 2003 over de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid.

(8)  IAO, Labour Inspection and Undeclared Work in the EU, werkdocument nr. 29, Genève, 2013, hfst. 1.

(9)  Hoewel het gevaar bestaat dat zwartwerk hierin ondervertegenwoordigd is omdat niet naar waarheid wordt geantwoord, heeft deze methode het voordeel dat ze tal van sociaaleconomische details oplevert.

(10)  Ciccarone G. et al., Study on indirect measurement methods for undeclared work in the EU, GHK & Fondazione G. Brodolini, Eindverslag voor de Europese Commissie — DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie, december 2009.

(11)  Schneider F., The Shadow Economy and Work in the Shadow: What Do We (Not) Know?, IZA-discussiedocument, nr. 6423, maart 2012; Schneider F., Size and Development of the Shadow Economy of 31 European and 5 other OECD Countries from 2003 to 2012: Some New Facts, werkdocument, 2012.

(12)  Hazans M., Informal Workers across Europe. Evidence from 30 European Countries, werkdocument beleidsonderzoek, nr. 5912, Wereldbank, december 2011; Packard T. — Koettl J. — Montenegro C.E., In From the Shadow. Integrating Europe's Informal Labor, Wereldbank 2012, hfst. 1.

(13)  Schneider F., cit.; Hazans M., cit., Packard T. — Koettl J. — Montenegro C.E., op. cit.

(14)  In de noordelijke landen die meer uitgeven voor arbeidsmarktbeleid, sociale bescherming en herverdeling van rijkdom, en waar bijgevolg ook meer inkomensnivellering is, is de invloed van zwartwerk ook geringer en betreft dat zwartwerk meestal mensen met een tweede baan die hun inkomen willen aanvullen. In Zuid-Europa speelt de grijze economie daarentegen een vervangende rol, gelet op het gebrek aan actief arbeidsmarktbeleid en sociale bescherming, wat met name van belang is voor werklozen en mensen die van de formele arbeidsmarkt zijn uitgesloten. Eurofound, Tackling undeclared work in 27 European Union Member States and Norway. Approaches and measures since 2008, juni 2013, hfst. 1 en 4.

(15)  Hazans M., blz. 22-39.

(16)  Eurofound, hfst. 2 en 3.

(17)  IAO, op. cit., hfst. 3.

(18)  Deze maken het mogelijk zwartwerk aan het licht te brengen als uit de boekhouding blijkt dat de arbeidskosten (loon plus socialezekerheidsbijdragen) lager zijn dan de geraamde minimumwaarden. Deze zijn in COM(2007) 628 final als goede praktijk aangemerkt.

(19)  Dekker H. et al., Joining up the fight against undeclared work in Europe, Regioplan, eindverslag voor de Europese Commissie — DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie, december 2010, hfst. 5.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Toegankelijkheid als mensenrecht voor personen met een handicap” (initiatiefadvies)

(2014/C 177/03)

Rapporteur: de heer VARDAKASTANIS

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 februari 2013 besloten overeenkomstig art. 29, lid 2, van het reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over:

Toegankelijkheid als mensenrecht voor personen met een handicap.

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 november 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) het volgende advies uitgebracht, dat met 152 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC roept de EU-instellingen op om te erkennen dat artikel 9 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: VN CRPD) een mensenrecht op zich vormt en dat de volledige tenuitvoerlegging ervan middels wettelijke en beleidsmaatregelen moet leiden tot de invoering van de basisvoorwaarden waardoor mensen met een handicap toegang krijgen tot allerlei locaties en aspecten van het leven. Dit is essentieel willen zij optimaal kunnen genieten van hun burger- en politieke rechten, evenals van hun sociale, economische en culturele rechten. Toegankelijkheid komt de hele samenleving ten goede.

1.2

Het EESC roept alle EU-instellingen, politieke organen en agentschappen op om, in overleg met de Europese gehandicaptenbeweging, een concreet plan op te stellen dat het mogelijk maakt om gehandicapten onder andere toegankelijkheid te verlenen tot hun gebouwen, websites en documenten.

1.3

Het beschouwt toegankelijkheid als een basisvereiste voor duurzaamheid en voor de sociale dimensie ervan, voor de bestrijding van armoede en marginalisering en de bevordering van sociale cohesie.

1.4

Het erkent dat er het laatste decennium belangrijke stappen zijn gezet op het gebied van transport en telecommunicatie (bijv. de digitale agenda), maar dat er meer maatregelen nodig zijn, ook voor de interne markt.

1.5

Gebrek aan toegankelijkheid is een vorm van discriminatie op zich, die om Europese non-discriminatiewetgeving vraagt. Het Comité roept de Raad er derhalve toe op om de onderhandelingen over het Voorstel voor een richtlijn tot toepassing van het beginsel van gelijke behandeling op andere gebieden dan arbeid 2008/426 (art. 19 van het VWEU) weer op gang te brengen.

1.6

Het dringt er bij de Commissie op aan om werk te maken van het voornemen dat ze al sinds lange tijd heeft om een bindend Europees wetsbesluit inzake toegankelijkheid voor te leggen.

1.7

Het Comité roept verder het Europees Parlement en de Raad van de EU ertoe op om het huidige voorstel voor een richtlijn inzake de toegankelijkheid van de websites van overheidsinstanties af te maken, en daarbij het EESC-advies over de Toegankelijkheid van de websites van overheidsinstanties (1) en de voorstellen van het Europees Gehandicaptenforum in aanmerking te nemen.

1.8

De EU-instellingen zouden overeenstemming moeten bereiken over de opname van dwingende voorwaarden vooraf inzake toegankelijkheid en handicaps in de huidige verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de structuurfondsen, en in externe hulpinstrumenten en andere financieringsinstrumenten.

1.9

Het EESC is van mening dat de crisis en de daaruit voortvloeiende bezuinigingsmaatregelen niet als excuus mogen worden gebruikt door de EU en de lidstaten om maatregelen inzake toegankelijkheid als een mensenrecht te verwaarlozen.

1.10

Het herinnert aan een aantal fundamentele beginselen die in aanmerking moeten worden genomen bij de handhaving van toegankelijkheid als een mensenrecht: de vrijheid om keuzes te maken en mobiel te zijn, zelfstandig leven, fatsoenlijke huisvesting, participatie, universal design en de anticiperende verplichting.

1.11

Het Comité roept de EU en de lidstaten op om monitoring- en handhavingsmechanismen in te voeren, en om daarbij gehandicaptenorganisaties te betrekken.

1.12

Het wijst erop dat toegankelijkheid op de volgende EU-beleidsterreinen in aanmerking moeten worden genomen: wettelijke capaciteit, politieke deelname, werkgelegenheid, staatssteun, vervoer, onderwijs, toegang tot goederen en diensten, onderzoek, buitenlands beleid en huisvesting.

1.13

Ook is het van mening dat de EU-instellingen bij de tenuitvoerlegging van de VN CRPD-bepalingen een aantal instrumenten ter verbetering van de toegankelijkheid moeten opnemen, zoals standaardisering, harmonisering, technische normen, belastingmaatregelen voor bedrijven, vakbondsbeleid en cao's.

1.14

Het wijst erop dat bewustmakingsstrategieën cruciaal zijn om, in overeenstemming met artikel 8 van het VN CRPD, respect voor toegankelijkheid als een mensenrecht te genereren in de samenleving, zowel onder burgers als onder belangrijke actoren als scholen en de massamedia.

1.15

Het EESC is van mening dat toegankelijkheid moet worden opgenomen in de curricula van wetenschappelijke disciplines (bv. architectuur, engineering, computerwetenschappen, enz.).

1.16

Er bestaan zijns inziens nog te weinig statistische instrumenten om de naleving van toegankelijkheid als een mensenrecht te waarborgen, en roept Eurostat derhalve op om deze te ontwikkelen.

1.17

Zoals ook is benadrukt in eerdere adviezen, is het Comité voornemens om een stuurgroep op te richten terwille van de monitoring van de tenuitvoerlegging van het VN-CRPD-verdrag.

2.   Inleiding

2.1

Een mensenrechtenaanpak van gehandicapten betekent dat de EU als partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, alsmede alle burgers, de verantwoordelijkheid hebben om een samenleving op te bouwen waarin alle mensen kunnen genieten van hun burger-, politieke, economische, sociale en culturele rechten.

2.2

In het VN-Verdrag wordt gekozen voor een definitie van gehandicapten met een sociale dimensie: Personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen, in wisselwerking met diverse belemmeringen, kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.

2.3

De EU heeft tijdens de ondertekening van dit Verdrag een lijst van bevoegdheden bijgesloten, waarvan toegankelijkheid integraal deel uitmaakt. Het VN-CRPD-verdrag is het enige door de Europese Unie geratificeerde mensenrechtenverdrag.

2.4

In het World Disability Report (2011) van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldbank wordt benadrukt dat de gebouwde omgeving, transport, informatie en communicatie vaak ontoegankelijk zijn voor mensen met een handicap (2).

2.5

Toegang tot de fysieke omgeving en het openbaar vervoer is absoluut noodzakelijk om mensen met een handicap vrijheid van verkeer te kunnen waarborgen, zoals neergelegd in artikel 13 van de Universele verklaring van de mensenrechten, en artikel 12 van het Internationaal convenant inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR). Toegang tot informatie en communicatie werd daarnaast aangeduid als een eerste voorwaarde voor vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 19 van de Universele verklaring van de mensenrechten en artikel 19, lid 2 van het ICCPR (3).

2.6

Het VN CPRD-steunpunt (binnen de EC) heeft een fundamentele rol te spelen in de tenuitvoerlegging van het VN CPRD en dit dient op een zeer proactieve manier te worden gedaan.

2.7

De Raad van de EU heeft zich op 29 oktober 2012 achter de oprichting van een structuur voor bescherming, bevordering en monitoring geschaard waarvan de Europese ombudsman, de commissie voor verzoekschriften van het Europees Parlement, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, het Europese gehandicaptenforum en de Europese Commissie deel van zouden moeten uitmaken.

2.8

Het Comité is ingenomen met de actieve deelname van het Europese gehandicaptenforum in dit kader, maar benadrukt dat de maatschappelijke organisaties nauw bij dit proces moet worden betrokken.

2.9

Het VN CRPD erkent toegankelijkheid als een recht in de artikelen 9, 3 en 21.

2.10

Met de VN CRPD-artikelen over toegankelijkheid is een belangrijke wettelijke en beleidsagenda geformuleerd. Toegankelijkheid kan dus niet meer los van de andere rechten worden gezien, omdat dit juist de basis vormt voor het garanderen van toegang tot alle andere economische, sociale, culturele en burgerrechten.

2.11

Toegankelijkheid heeft de afgelopen jaren meer aandacht gekregen van de wetgever en het is o.m. opgenomen in beleidsterreinen als openbare aanbestedingen, structuur- en andere fondsen, passagiersrechten, technische standaardisering (TSI-PRM) en werkgelegenheid. Dit is met name belangrijk gezien de vergrijzing van de Europese bevolking.

2.12

Dankzij de Europese strategie voor gehandicapten (EDS), het belangrijkste beleidsinstrument voor gehandicapten, zijn er concrete EU-doelstellingen geformuleerd op dit terrein. Via de EDS heeft de EC zich ertoe verbonden om wettelijk bindende maatregelen te nemen om de toegankelijkheid te verbeteren, met inbegrip van toegankelijkheid tot het web en het Europese wetsbesluit inzake toegankelijkheid (4).

2.13

De Digitale agenda voor Europa is een goed model voor de introductie van algemene beleidsstrategieën, en biedt ook ruimte voor specifieke maatregelen om de toegankelijkheid voor personen met een handicap te garanderen. Vooruitgang inzake toegankelijkheid heeft ook voordelen voor de samenleving en de economie in het algemeen, creëert nieuwe banen en zorgt voor meerwaarde. De volledige tenuitvoerlegging van deze agenda zou moeten resulteren in een digitaal Europa dat vrij is van belemmeringen voor mensen met een handicap.

2.14

Het potentieel van de toegankelijkheid dient te worden benut voor de interne markt, aangezien dit de transnationale mobiliteit in Europa zal stimuleren en de mobiliteit van werknemers en mensen met een handicap zal vereenvoudigen. Ook de toegang tot de regelingen voor levenslang leren dienen te worden gewaarborgd. In de Europese werkgelegenheidsstrategieën dient ook aandacht te worden geschonken aan de mogelijkheid tot behoud van banen en het omscholen van mensen die gehandicapt zijn geraakt tijdens hun werkzame bestaan.

2.15

In de Europa 2020-strategie zou een meer alomvattende benadering moeten worden gezocht voor gehandicapten, met inbegrip van toegankelijkheid en de deelname van personen met een handicap en van hun organisaties. Het gebrek aan alomvattende indicatoren voor handicaps in deze strategie heeft geleid tot een gebrek aan middelen, gebrek aan aandacht voor en voorlichting over gehandicapten. Het creëren van banen is een goede strategie om de sociale integratie te bevorderen.

2.16

Er is nog altijd veel werk aan de winkel en het Comité verwelkomt derhalve de Richtlijn van de EC over de toegankelijkheid van overheidswebsites.

2.17

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om zich te houden aan haar afspraak om zonder verder uitstel met een wettelijk bindend Europees wetsbesluit inzake toegankelijkheid te komen.

2.18

De impact van de economische crisis op de grondrechten van mensen met een handicap is dramatisch, met inbegrip van het aspect toegankelijkheid. Toegankelijkheidsniveaus zijn achteruit aan het gaan, en samenlevingen worden daardoor ontoegankelijker. Er dient op te worden gewezen dat alle gezinnen door de economische crisis worden getroffen, maar dat gezinnen met kinderen met een handicap naar verhouding nog harder worden getroffen (5).

2.19

De EU dient een specifiek programma goed te keuren om ervoor te zorgen dat kinderen met een handicap toegang hebben tot alle aspecten van het leven.

2.20

Toegankelijkheid is een basisvereiste om duurzaamheid te realiseren en met name voor de verwezenlijking van de sociale dimensie ervan, ter bestrijding van armoede en marginalisering en de bevordering van de maatschappelijke integratie van mensen met een handicap.

3.   Toegankelijkheid als mensenrecht

3.1

Het EESC benadrukt dat „toegankelijkheid als een mensenrecht” moet worden getransformeerd tot een politiek en operationeel concept. Het is een concept dat van kracht moet zijn voor heel de samenleving en niet alleen voor mensen met een handicap.

3.2

Het EESC benadrukt dat het recht op toegankelijkheid als een mensenrecht en in relatie tot de beleidsagenda op twee manieren zou moeten worden begrepen:

als een mensenrecht op zichzelf, verwijzend naar de mogelijkheid om deel te nemen, te handelen, te communiceren en om autonoom en veilig op de hoogte te worden gesteld; en

als een mensenrecht dat inherent is aan de tenuitvoerlegging van andere mensenrechten, en dat dus de basis vormt voor het garanderen van toegang tot alle andere rechten.

3.3

Het EESC onderschrijft de richtsnoeren van de VN CRPD wat de ontwikkeling van het concept van toegankelijkheid betreft en is van mening dat er bij de formulering van beleid op dit gebied op de volgende punten moet worden gelet:

mensen met een handicap de mogelijkheid bieden om onafhankelijk te leven en volop te kunnen deelnemen aan alle aspecten van het leven; en

de goedkeuring van maatregelen als het voorkomen, identificeren en verwijderen van obstakels en belemmeringen voor toegankelijkheid.

3.4

Het EESC staat achter de noodzaak om zelfstandig leven (d.w.z. deelname aan de gemeenschap en deel zijn van de gemeenschap) te waarborgen, zoals weergegeven in artikel 19 van het VN CRPD, middels de volgende drie acties:

erop toezien dat mensen met een handicap zelf kunnen kiezen voor een woonplek;

het bieden van steun aan mensen met een handicap zodat ze dezelfde rechten als andere leden van de samenleving kunnen genieten; en

erop toezien dat mensen met een handicap op voet van gelijkheid toegang hebben tot de openbare dienstverlening.

3.5

Het EESC wijst erop dat mensen met een handicap in staat moeten worden gesteld om, op voet van gelijkheid met andere burgers, in alle vrijheid onafhankelijke en autonome keuzes te kunnen maken.

3.6

Het EESC neemt nota van het door Inclusion International opgestelde rapport „Global Report on living and being included in the community  (6)”, waarin erop wordt gewezen dat aan mensen met intellectuele handicaps basisrechten op toegankelijkheid worden ontkend, zoals het bezitten van huissleutels, het recht op toegang tot commerciële diensten, het recht om zelf te beslissen waar een wandeling te maken of het recht om met medestudenten naar een speelterrein te gaan.

3.7

Het EESC deelt het standpunt dat het plaatsen van gehandicapten in een instelling een extreme schending van mensenrechten is — en het onfortuinlijke gevolg van de ontwikkeling van sociale diensten in Europa, vergeleken met andere regio's in de wereld. Dit is het geval in alle lidstaten van de EU, ongeacht de levensstandaard. Er dient aandacht te worden gegeven aan strategieën om deze praktijken terug te dringen middels de ontwikkeling van alternatieve, gemeenschapsgebaseerde dienstverlening, aangezien dit essentieel is voor verbetering. Gebeurt dit niet, dan worden mensen met een handicap daklozen.

3.8

Belemmeringen dienen niet alleen te worden gezien in de zin van fysieke belemmeringen, maar kunnen ook voortkomen uit een houding van de samenleving, uit wetgeving en beleid, uit gedrag en gewoonten, gebrek aan bewustzijn en culturele discriminatie. Het EESC wijst erop dat het wegnemen van deze belemmeringen heel de samenleving ten goede komt.

3.9

Er dient verder meer aandacht uit te gaan naar de erkenning van gebarentaal en andere vormen van communicatie voor doven, evenals speech-to-text formaten voor slechthorenden. Ook dienen er faciliteiten voorhanden te zijn voor het aanmaken van brailledocumenten en van screenlezers voor blinden, en eenvoudig te begrijpen informatie voor mensen met een mentale en gedragshandicap.

3.10

Het EESC wijst erop dat tekens, toegankelijke informatie en communicatie, ondersteunende diensten en aanwijzingen voor oriëntatie en verplaatsing binnen gebouwen, cruciaal zijn voor veel mensen met een handicap, met name voor mensen die een kampen met cognitieve vermoeidheid.

3.11

Het EESC wijst op twee fundamentele instrumenten die in aanmerking moeten worden genomen bij de analyse van toegankelijkheid als een mensenrecht:

„Redelijke aanpassingen” betekenen: „noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen” (art. 2 van het CRPD-verdrag). Redelijke aanpassingen mogen de verantwoordelijke instanties in geen geval ontslaan van de verplichting om de toegang tot infrastructuur, tot de gebouwde omgeving en diensten en goederen volgens de principes van universal design te waarborgen. Met redelijke aanpassingen wordt gestreefd naar individuele rechtvaardigheid, in de zin dat gezorgd wordt voor non-discriminatie en gelijkheid, waarbij de waardigheid, autonomie en keuzes van de personen in kwestie in aanmerking worden genomen. Het EESC is van mening dat een algemene verbetering van de toegankelijkheidsstandaarden tot betere aanpassingen kan leiden;

Het EESC is van mening dat het principe van „onevenredige of onnodige last” moet worden doorgevoerd in overeenstemming met de huidige regelgeving en roept de publieke overheden derhalve op om toe te zien op en steun te geven aan de tenuitvoerlegging van redelijke aanpassing via alternatieve middelen (middelen, aanbestedingen, enz.). Dit zou een effectbeoordeling moeten inhouden waarbij het recht van de burger zwaarder moet wegen dan de behoeften van de provider. Er dienen zo min mogelijk uitzonderingen te worden toegestaan bij de toepassing van het principe van redelijke aanpassing.

3.12

Universal design zou als richtsnoer moeten fungeren om volledige toegang te krijgen tot de samenleving en zou een vereiste moeten zijn in het proces van beleidsformulering, bijvoorbeeld door deze op te nemen in de bepalingen van een verordening (7). Meer in het algemeen dient het design te worden vergezeld van de ontwikkeling van aanvullende hulpmiddelen en technologieën.

3.13

Door de anticiperende verplichting inzake toegankelijkheid in aanmerking te nemen en dus al in te spelen op hun behoeften voordat deze zich voordoen, kunnen er enorme voordelen worden geboden aan mensen met een handicap. Voor het product of de dienstverlening betekent dit dat dergelijke potentiële noden al tijdens de ontwerpfase in aanmerking worden genomen.

3.14

Er zou onderscheid moeten worden gemaakt tussen de verplichting om toegang te garanderen tot alle nieuw ontworpen en geproduceerde of gebouwde voorwerpen, infrastructuur, goederen, producten en diensten enerzijds, en anderzijds de verplichting om alle belemmeringen weg te nemen en de toegang tot de bestaande fysieke omgeving, vervoersinfrastructuur, informatie en communicatie en dienstverlening voor het algemene publiek te garanderen. De verdragsluitende staten hebben de verplichting om voor beiden te zorgen, maar aangezien het voorgaande geleidelijk aan moet worden gerealiseerd, zouden de verdragsluitende staten definitieve, vaste termijnen moeten bepalen en passende middelen moeten toekennen voor het wegnemen van de belemmeringen (8).

3.15

Persoonlijke begeleiding (met inbegrip van „begeleiding door personen” (live assistance) zoals vermeld in het VN CRPD) is een belangrijk streven om ervoor te zorgen dat personen met een handicap toegang krijgen tot een aantal rechten.

3.16

Het EESC erkent dat non-discriminatie een essentieel instrument is om respect voor mensenrechten af te dwingen, maar dit is niet voldoende tenzij deze bepaling door andere maatregelen begeleid wordt, zoals positieve actie en standaardisering, evenals training en het bevorderen van de rechten van mensen met een handicap onder werkgevers, burgerlijk ingenieurs, architecten, advocaten, economen, enz. Deze training zou deel moeten gaan uitmaken van de onderwijscurricula. Het EESC is van mening dat er voortuitgang moet worden geboekt wat het huidige voorstel voor een richtlijn inzake de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op andere gebieden dan arbeid betreft (art. 19 van het VWEU).

3.17

Een daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de toegankelijkheidsnormen als mensenrecht is alleen maar mogelijk indien er een substantiële en zinvolle deelname van gehandicaptenorganisaties bij de tenuitvoerlegging van artikel 4, lid, 3 en 33 inzake het verwezenlijken van toegankelijkheid is. Deelname kan worden gegarandeerd als gehandicaptenorganisaties de nodige financiële middelen krijgen om hun eigen lobby-activiteiten te ontwikkelen. Het EESC pleit ervoor dat het programma grondrechten, dat het programma PROGRESS zal vervangen, evenveel financiële steun toekent aan overkoepelende en specifieke gehandicaptenorganisaties.

3.18

De mate waarin personen met een handicap hun mensenrechten gewaarborgd zien is ook afhankelijk van de vraag of ze op het platteland of in de stad wonen; dit onevenwicht dient te worden aangepakt middels doeltreffend beleid op nationaal en regionaal niveau.

3.19

Bedrijven en werkgevers in de EU zouden toegankelijkheid in hun diversiteitsbeleid moeten verankeren en het opstellen van diversiteitsplannen moeten bevorderen.

3.20

Toegankelijkheid heeft veel invloed op de sociale cohesie en deze vereiste zou derhalve moeten worden opgenomen in de EU-duurzaamheidsstrategieën, als een middel om hun doelstellingen ten uitvoer te leggen.

3.21

Het EESC wijst erop dat vrouwen met een handicap extra belemmeringen kennen bij de uitoefening van hun rechten, op het vlak van volksgezondheid, sociale integratie, onderwijs en werkgelegenheid. Deze beperkingen resulteren in slechtere levensomstandigheden, gezondheidsproblemen, werkloosheid en armoede. Hetzelfde geldt voor andere kwetsbare groepen mensen met een handicap, zoals kinderen, ouderen en mensen die veel bijstand nodig hebben; zij worden allemaal geconfronteerd met ernstige belemmeringen bij het uitoefenen van hun rechten.

3.22

De jongeren van nu zijn de toekomst van morgen en toegankelijkheid dient te worden gewaarborgd om ervoor te zorgen dat jonge gehandicapten hun rechten volledig kunnen uitoefenen. Het EESC roept de EU ertoe op om in haar jeugdbeleid specifieke aandacht te besteden aan de steun voor jongeren met een handicap.

4.   Invloed op de EU-wetgeving en de beleidsformulering

4.1

Gezien de ondertekening van het VN CRPD door de Unie zou bij elk proportioneel beleids- of wettelijk initiatief in de EU moeten worden nagegaan of het zelfstandig leven voor mensen met een handicap, volledige deelname aan de samenleving en het wegnemen van belemmeringen en obstakels kan garanderen. Dit concept zou van invloed moeten zijn op de bestaande EU-verordeningen, waarvan enkele specifiek vermeld zijn in de verklaring van de bevoegdheden.

4.2

Bij de ontwikkeling van de interne markt zou rekening moeten worden gehouden met handicaps, standaardisering en harmonisering van de toegankelijkheid, als een manier om deze te moderniseren, en concurrerender en inclusiever te maken binnen de wereldwijde economie. Er bestaat een economie voor gehandicapten.

4.3

Het EESC pleit voor de formulering van een EU-agenda die op twee factoren is gebaseerd:

toegankelijkheid als mensenrecht; en

het integreren van toegankelijkheid in andere hoofdbeleidsterreinen.

4.4

Toegankelijkheid is volgens het EESC een grondrecht, dat om een specifieke beleidsagenda vraagt; het dringt er bij de EC dan ook op aan om een voorstel te formuleren voor een agenda inzake toegankelijkheidsrechten in het kader van de beleidsformulering.

4.5

Het EESC wijst op de volgende twee terreinen die in aanmerking moeten worden genomen als het gaat om toegankelijkheid als een mensenrecht:

om bepaalde diensten en sociale beleidsmaatregelen toegankelijk te maken, moet er volledige handelingsbevoegdheid zijn. De EU dient voor harmonisering van de principes van handelingsbevoegdheid voor mensen met een handicap te zorgen.

politieke deelname en stemrechten van mensen met een handicap in alle verkiezingen (lokaal en nationaal), met name in de Europese verkiezingen, zouden wettelijk gegarandeerd moeten worden door te zorgen voor toegankelijke stembureaus, stemhokjes en informatie van de politieke partijen;

burgerrechten (eigendom, recht op leven, autonomie, veiligheid, enz.). Toegang tot deze basisburgerrechten dient middels Europese maatregelen te worden gegarandeerd, met inbegrip van de persoonlijke begeleiding om mensen met een handicap vrijheid van keuze te bieden wat het gebruik van de toegankelijkheid betreft.

4.6

Wat toegankelijkheid als een mensenrecht betreft, zijn er op de volgende terreinen concrete maatregelen nodig: preventie tegen de impact van de economische crisis op de toegankelijkheidsnormen en zelfstandig leven voor mensen met een handicap; het bieden van toegang tot onderwijs (9); een programma voor toegang tot sociale en culturele (10) rechten (sociale contacten, vrijetijdsbesteding, toerisme); internationale samenwerking, financiële en handelsovereenkomsten en het EU-standpunt op gebieden als natuurrampen en ontwikkelingssamenwerking, MDG's, asielzoekers en de VN en het IMF; op het gebied van onderzoek zou Horizon 2020 moeten worden bekeken; toegang tot huisvesting, met inbegrip van sociale woningen; bevordering van sport als een middel tot sociale integratie, met inbegrip van de toegang tot gebouwen, programma's, enz.

4.7

Inclusie kan o.a. worden bereikt middels collectieve maatregelen van alle stakeholders die betrokken zijn bij de volgende grondrechten:

De politieke partijen van de EU moeten erop toezien dat hun interne procedures mensen met een handicap in staat stellen om deel te nemen. De sociale partners dienen erop toe te zien dat hun cao's mensen met een handicap in staat stellen om toegang te krijgen tot werkgelegenheid en redelijke aanpassingen. Het EESC verwelkomt de EU-kaderovereenkomst over inclusieve arbeidsmarkten en roept op tot de volledige tenuitvoerlegging van deze overeenkomst op nationaal niveau.

Maatschappelijke organisaties zouden in hun algemene maatschappelijke vragen maatregelen moeten bevorderen die toegang voor personen met een handicap mogelijk maken.

Alle in deze paragraaf vernoemde stakeholders zouden erop moeten toezien dat hun gebouwen, websites, interne procedures en aanwervingsbeleid toegankelijk zijn.

4.8

Bij de ontwikkeling van technologie dient eveneens gestreefd te worden naar de ontwikkeling en verbetering van een strategie voor standaardisering en toegankelijkheid.

4.9

Om het aspect toegankelijkheid in aanmerking te kunnen nemen in nieuwe sectoren, en met name in de ICT, moet een beroep worden gedaan op nieuwe vaardigheden, hetgeen nieuwe banen met zich mee kan brengen. Mensen met een handicap moeten in staat worden gesteld om de digitale kloof te overbruggen met behulp van doelgericht EU-beleid.

4.10

Ook is er capaciteitsopbouw nodig voor alle stakeholders: openbare overheden, particuliere organisaties, het maatschappelijk middenveld en organisaties van personen met een handicap. Er dient speciale aandacht uit te gaan naar kmo's.

4.11

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om werk te maken van het voornemen dat ze al sinds lange tijd heeft om een bindend Europees wetsbesluit inzake toegankelijkheid voor te leggen.

4.12

Het verwelkomt de presentatie van het voorstel op toegankelijkheid van overheidswebsites en herhaalt zijn in advies over de Toegankelijkheid van de websites van overheidsinstanties (11) uiteengezette aanbevelingen:

het beroep doen op internet (m.i.v. diensten en inhoud) is tot een tweede natuur geworden bij het zoeken naar een baan, verkrijgen van informatie, toegang tot onderwijs, winkelen en het leggen van sociale contacten;

de internetinhoud en -diensten zouden toegankelijk moeten worden gemaakt voor alle operatoren (bedrijven of overheidssector).

4.13

Het EESC verwelkomt de opname van de voorwaarde van toegankelijkheidscriteria en handicaps in de verordeningen rond de structuurfondsen en op andere gebieden zoals vervoer en passagiersrechten.

4.14

Het EESC is van mening dat er, zoals aangekondigd, van tijd tot tijd een bijeenkomst van de EU-voorzitters rond mensen met een handicap, evenals van de DG's van de Europese Commissie inzake de tenuitvoerlegging van het VN CRPD moet zijn, met de deelname van de vertegenwoordigers van de Europese gehandicaptenbeweging, terwille van de beleidsmonitoring en de bevordering van de tenuitvoerlegging van het VN CRPD, met inbegrip van de toegankelijkheidsbepalingen.

4.15

Er zijn duidelijk onvoldoende middelen voor toegankelijkheid, en hier zou enige verbetering in kunnen komen door toegankelijkheid in aanmerking te nemen als criterium voor de huidige financieringsmechanismen: structuurfondsen, pakket sociale investeringen, toekomstige algemene groepsvrijstellingen op overheidssteun voor werkgelegenheid, TEN-T-richtsnoeren.

4.16

Ook zou de toegang tot de media en de zichtbaarheid van de behoeften van de mensen met een handicap moeten worden bevorderd.

5.   Monitoring

5.1

Het EESC roept op tot de ontwikkeling van een strategie van burgerempowerment, omdat dit essentieel is om toegankelijkheid te kunnen realiseren. Er zijn bewustwordingscampagnes nodig, en mensen met een handicap en alle andere burgers dienen te worden voorgelicht over hun toegankelijkheidsrechten.

5.2

Het EESC betreurt het gebrek aan indicatoren en roept Eurostat op om deze te ontwikkelen, gebaseerd op de indicatoren van het Bureau van de Hoge Commissaris voor mensenrechten (OHCHR) en op het Ontwerp van algemeen commentaar op artikel 9 van de VN CRPD-commissie.

5.3

Het roept verder op tot het opnemen van normen voor duidelijke toegankelijkheidscriteria en monitoringsmechanismen (gebouwde omgeving, infrastructuur, moderne ICT, o.a. besturingssystemen voor tablets en smartphones en het mandaat M/376 van de Commissie inzake toegankelijkheidsvereisten voor ICT-producten en -diensten). Mensen met een handicap zouden moeten worden betrokken bij alle stadia van ontwikkeling van deze normen.

5.4

Ook dienen er krachtige mechanismen voor de tenuitvoerlegging moeten worden ingevoerd, aangezien deze momenteel ontoereikend zijn in Europa.

5.5

Het EESC wijst erop dat de in de toekomstige verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de structuurfondsen opgenomen monitoringsmechanismen dienen te worden toegepast, teneinde erop toe te zien dat de dwingende voorwaarden vooraf inzake toegankelijkheid en handicaps worden nageleefd en dat de sociale partners en de gehandicaptenorganisaties volledig bij deze monitoring worden betrokken.

5.6

Europese en nationale onderwijsstrategieën zouden ook gericht moeten zijn op opname van toegankelijkheid voor personen met een handicap in de studiecurricula van scholen en universiteiten.

5.7

Zoals al is benadrukt in eerdere adviezen, is het EESC voornemens om een stuurgroep op te richten terwille van de monitoring van de tenuitvoerlegging van het VN-CRPD-verdrag en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden, en de ontwikkeling ervan tot een politiek orgaan.

5.8

Er dient gewerkt te worden aan een Europees systeem voor certificeringsmechanismen voor toegankelijkheid. Gehandicaptenorganisaties dienen daarbij te worden betrokken.

5.9

De dimensie van toegankelijkheid zou moeten worden opgenomen in de wettelijke en politieke effectbeoordelingen van de EU. Verder dienen er instrumenten te worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat dit in alle lidstaten op dezelfde manier gebeurt.

5.10

Het EESC roept op tot monitoring van de tenuitvoerlegging van de Europese strategie voor gehandicapten door alle EU-instellingen (met inbegrip van het EESC) en wil erop wijzen dat de toegankelijkheid tot de gebouwen, tot aanwervingsbeleid en informatie over aanwerving (op papier of in elektronische vorm) gegarandeerd moet worden. Bij de herziening van deze strategie in 2015 dient met name met dit beleidsterrein rekening te worden gehouden.

Brussel, 21 januari 2014,

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 271 van 19.9.2013, blz. 116-121.

(2)  World Disability Report, Summary, p. 10.

(3)  In artikel 25, lid c van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten staat dat iedere burger het recht heeft op toegankelijkheid, op voet van gelijkheid, tot de openbare dienstverlening in zijn/haar land. Bepalingen uit dit artikel zouden als grondslag kunnen dienen om het recht op toegankelijkheid op te nemen in de mensenrechtenverdragen. Onderdelen 2 en 3.

Het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie garandeert iedereen het recht op toegankelijkheid tot elke plek of vorm van openbare dienstverlening, zoals vervoer, hotels, restaurants, cafés, theaters en parken (ICERD, artikel 5, paragraaf (f)). Langs deze weg is toegankelijkheid als een op zichzelf staand recht vastgelegd in het kader van een internationaal mensenrechtenverdrag. (Ontwerp van algemeen commentaar op artikel 9 — VN CRPD commissie).

(4)  Zoals aangegeven in punt 99 van het EC-werkprogramma voor 2012.

(5)  De commissie over de Rechten van het Kind heeft een algemeen commentaar (nr. 9 — 2006) goedgekeurd over de rechten van kinderen met een handicap. Het belang van de toegankelijkheid werd door deze commissie nogmaals herhaald in een algemeen commentaar (nr. 17 — 2013) over de rechten van het kind op rust, vrije tijd en spel, recreatie, cultureel leven en kunstzinnige activiteiten (artikel 31).

(6)  http://inclusion-international.org/living-in-community/.

(7)  Het toegankelijk maken van een gebouw bij het begin van het bouwproces kan tot 0,5% extra kosten leiden (en in veel gevallen zelfs geen), terwijl de kosten van aanpassingen wel kunnen oplopen. Toegankelijkheid van informatie en communicatie, met inbegrip van ICT, zou ook vanaf het begin moeten worden beoogd, aangezien dergelijke aanpassingen later tot hogere kosten leiden; het is dus economischer om de verplichte toegankelijkheidskenmerken van de ICT in een zo vroeg mogelijk stadium van design en bouw te integreren. (Ontwerp van algemeen commentaar op artikel 9 — VN CRPD commissie). De gemiddelde levensduur van een gebouw of van andere fysieke infrastructuur is meer dan 50 jaar, terwijl dat voor digitale infrastructuur maar 3 à 4 jaar is. Er zij ook op gewezen dat de bouwkosten veel lager liggen.

(8)  (Ontwerp van algemeen commentaar op artikel 9 — VN CRPD commissie).

(9)  Zonder toegankelijk vervoer naar scholen, zonder toegankelijke scholen en toegankelijke informatie en communicatie wordt mensen met een handicap de mogelijkheid ontzegd om te genieten van hun recht op onderwijs (artikel 24 van het VN CRPD). Scholen dienen dus toegankelijk te zijn, zoals expliciet is bepaald in artikel 9, lid 1 van het CRPD. Maar het algehele proces van inclusief onderwijs dient toegankelijk te zijn, en dat betreft dus niet alleen gebouwen maar ook informatie en communicatie, ondersteunende diensten en redelijke aanpassingen in scholen (Ontwerp van algemeen commentaar op artikel 9 — VN CRPD commissie).

(10)  In artikel 30 van het CRPD wordt bepaald dat de staten die partij zijn, het recht van personen met een handicap erkennen om op voet van gelijkheid met anderen deel te nemen aan het culturele leven en alle passende maatregelen moeten nemen om te waarborgen dat personen met een handicap:

(a)

toegang hebben tot cultuuruitingen in toegankelijke vorm;

(b)

toegang hebben tot televisieprogramma’s, films, theater en andere culturele activiteiten in toegankelijke vorm;

(c)

toegang hebben tot plaatsen voor culturele uitvoeringen of diensten, zoals theaters, musea, bioscopen, bibliotheken en dienstverlening op het gebied van toerisme en zo veel mogelijk toegang tot monumenten en plaatsen van nationaal cultureel belang.

Het verlenen van toegang tot culturele en historische monumenten dat tot het erfgoed behoort kan in sommige gevallen inderdaad lastig zijn; de verdragsluitende partijen hebben echter de verplichting om ernaar te streven om deze plaatsen zo goed mogelijk toegankelijk te maken. Veel monumenten en plaatsen van nationaal cultureel belang zijn toegankelijk gemaakt zonder dat dat afbreuk heeft gedaan aan de culturele en historische identiteit en uniciteit van de plek. (Ontwerp van algemeen commentaar op artikel 9 — VN CRPD commissie).

Het in juni 2013 goedgekeurde internationale WIPO copyright -verdrag voor de toegang tot openbare stukken zou toegang tot cultureel materiaal moeten verlenen zonder onredelijke of discriminerende belemmeringen voor mensen met een handicap, met name voor diegenen die moeite hebben om toegang te krijgen tot het traditionele materiaal op papier.

(11)  PB C 271 van 19.9.2013, blz. 116-121


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/24


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de betaalbaarheid van diensten van algemeen economisch belang: definitie, meetinstrumenten, uitdagingen en Europese initiatieven (initiatiefadvies)

(2014/C 177/04)

Rapporteur: Raymond HENCKS

Op 14 februari 2013 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten om, overeenkomstig artikel 29, lid 2 van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over het thema

Betaalbaarheid van DAEB: definitie, maatregelen, situatie, Europese initiatieven

(initiatiefadvies).

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 november 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari 2014) het volgende advies uitgebracht, dat met 135 stemmen vóór en 19 tegen, bij 12 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Een groot aantal burgers in sommige lidstaten van de Europese Unie ondervindt ernstige economische moeilijkheden om toegang te krijgen tot essentiële diensten, onder meer op het vlak van huisvesting, energie, elektronische communicatie, vervoer, water, gezondheidszorg en sociale dienstverlening.

1.2

Betaalbare goede toegankelijkheid van diensten van algemeen economisch belang (DAEB) vormt een van de gemeenschappelijke waarden, d.w.z. dat iedere lidstaat van de Unie die omarmt, die vermeld worden in Protocol 26 betreffende de diensten van algemeen belang (Protocol bij de Verdragen), waarmee de EU en haar lidstaten, ieder voor wat zijn bevoegdheid betreft, volledig rekening dienen te houden bij de tenuitvoerlegging van hun beleid ter zake.

1.3

Op Unieniveau wordt de betaalbaarheid of de economische toegankelijkheid van DAEB niet eenduidig gedefinieerd of benaderd, terwijl het op dit vlak ook aan een meetinstrument ontbreekt. Feit is namelijk dat de lidstaten DAEB kunnen invoeren en daarbij over veel discretionaire bevoegdheid beschikken.

1.4

Het EESC stelt dus voor, enerzijds, dat de EU het concept van voor iedereen betaalbare DAEB duidelijker definieert en het op één lijn brengt met de vereisten neergelegd in het Verdrag van Lissabon (Protocol 26) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en, anderzijds, dat ze in het afgeleide recht wetgevingsmaatregelen tot stand brengt om de lidstaten te verplichten:

indicatoren vast te leggen om de betaalbaarheid van een dienst te meten en een onafhankelijk mechanisme in te voeren ter beoordeling van de prestaties van de DAEB, waarbij ook de economische toegankelijkheid in aanmerking wordt gebracht;

een pakket basisdiensten te definiëren waarvoor de inspanningsratio voor een gezin binnen aanvaardbare grenzen wordt vastgesteld, rekening houdend met het beschikbare inkomen. Via een maximumniveau voor de uitgaven voor deze essentiële diensten moet een objectieve grondslag worden gelegd om het begrip betaalbaarheid te definiëren en het algemene percentage te bepalen van kosten binnen een gezin waarbij vanaf een zekere drempel sprake is van bijkomende kosten, wat in voorkomend geval tot overheidssteun moet leiden;

de categorieën „kwetsbare personen” en „benadeelde groepen” duidelijker te omschrijven. Hierbij dient de Commissie over te gaan tot een herziening van haar beschikkingspraktijk inzake het toezicht op kennelijke beoordelingsfouten betreffende staatssteun.

1.5

Om de sociale dimensie van de EU en haar markt te versterken — vooral in tijden van crisis — is het nodig dat binnen het Europees semester de belangrijkste gegevens inzake diensten van algemeen belang in aanmerking worden genomen, met volledige inachtneming van de verantwoordelijkheid en de bevoegdheid van de lidstaten.

2.   Inleiding

2.1

Bij diensten van algemeen belang, of het nu om economische (DAEB) of niet-economische diensten (DANEB) gaat, moet elke inwoner van het desbetreffende land toegang gegarandeerd worden tot die diensten, alsook tot bescherming van grondrechten; ze hangen nauw samen met de doelstelling die de Europese Unie inzake economische, sociale en territoriale samenhang nastreeft.

2.1.1

De lidstaten beschikken over ruime beslissingsbevoegdheid om op basis van en met het oog op een maatschappelijke taak de diensten van algemeen belang (DAB) te definiëren, organiseren en financieren, teneinde zo aan de behoeften van de gebruikers te beantwoorden. Bij DAEB wordt uitgegaan van een marktlogica: ze zijn onderworpen aan de gemeenschapsregels inzake mededinging en interne markt, tenzij deze regels verhinderen dat de specifieke doelstellingen worden bereikt. DANEB zijn per definitie niet aan de wetmatigheid van een markt gebonden en behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten, op basis van Protocol 26.

2.1.2

„De Europese Unie erkent en eerbiedigt overeenkomstig de Verdragen de toegang tot diensten van algemeen economisch belang”, aldus het Handvest van de grondrechten, dat een bijlage bij het Verdrag van Lissabon vormt. Daarin worden expliciet de nationale wetgevingen en praktijken genoemd als grondslag. In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat de EU in zijn geheel heeft geratificeerd, worden minimumnormen vastgelegd voor de bescherming en vrijwaring van een volledige waaier aan burgerlijke, politieke, sociale en economische rechten van personen met een handicap. Hierbij gaat het onder meer over de toegang tot DAEB.

2.1.3

In veel lidstaten wordt dit recht op toegang verbonden aan de voorwaarde dat een dienst verleend wordt aan „voorwaarden die voor iedereen economisch haalbaar zijn”. Om dit doel te verwezenlijken voorzien lidstaten, in verschillende mate, in programma's voor individuele en collectieve maatschappelijke bijstand.

In de praktijk ondervinden een groot aantal burgers in de Unie echter ernstige moeilijkheden om toegang te krijgen tot essentiële diensten, met name op het vlak van huisvesting, energie, elektronische communicatie, vervoer, water, gezondheidszorg en sociale dienstverlening.

2.2

Beperkte toegang tot DAEB kan aan verschillende oorzaken te wijten zijn, met name aan grote verschillen in de nationale tradities, waarbij sociale stelsels en diensten uiteenlopen van lidstaat tot lidstaat. De factoren zijn soms ook economisch (onbetaalbare dienstverlening), geografisch (afwezigheid van een dienst in een bepaald gebied), sociaal (ongelijke behandeling) of fysiek (handicaps) van aard, ofwel zijn de diensten niet aangepast aan de behoeften en/of de technische vooruitgang (onaangepast/onvoldoende kwaliteits- en/of veiligheidsniveau).

2.3

Wat DAEB betreft, vormen „een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid, gelijke behandeling en de bevordering van de algemene toegang en van de rechten van de gebruiker” zes van de 14 gemeenschappelijke waarden die in Protocol 26 betreffende de diensten van algemeen belang zijn opgenomen (gevoegd bij het Verdrag van Lissabon, het VEU en het VWEU). Hiermee dienen de EU en haar lidstaten, ieder binnen zijn bevoegdheid en binnen het toepassingsgebied van de Verdragen, volledig rekening te houden bij de tenuitvoerlegging van het beleid inzake DAEB zoals bedoeld in art. 14 VWEU.

2.3.1

Deze 14 waarden, gerangschikt in drie groepen, zijn, binnen de groep maar ook tussen de groepen, onderling afhankelijk, zodat ze niet hiërarchisch kunnen worden gerangschikt.

2.3.2

Zo beantwoordt een volledig betaalbare DAEB niet aan de vereisten van Protocol 26 indien er geen hoog niveau van kwaliteit of veiligheid wordt gegarandeerd, of indien de toegang niet algemeen voor de burger van de lidstaat in kwestie bevorderd wordt, maar ook als er nationaal geen verschil wordt gemaakt bij onderscheiden geografische, sociale of culturele situaties, of indien bijvoorbeeld de nationale autoriteit een DAEB onmogelijk maakt terwijl een regionale of lokale autoriteit volgens de nationale wet of gebruik het recht heeft die bepaalde DAEB in te stellen, daarmee hun essentiële rol en ruime discretionaire bevoegdheid schendend.

2.4

De bepalingen van het Protocol zijn uitdrukkelijk „interpretatief” van aard, om de 14 EU-waarden inzake DAEB te verduidelijken. De eerder relatieve omschrijving van sommige waarden, met name het bereiken van „ een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid” of „de bevordering van de algemene toegang en van de rechten van de gebruiker”, kan een groot aantal vragen doen rijzen m.b.t. de juridische waarde, bindende kracht en gevolgen van deze bepalingen. Maar het antwoord daarop is bij alle interpretaties, zo ook Protocol 26, lid 1, eenvoudig en vanzelfsprekend, nl. hetzelfde als van het geïnterpreteerde artikel, in casu is de desbetreffende nationale, regionale of lokale autoriteit bevoegd de verschillende relativiteit voor diverse DAEB's te bepalen.

3.   Het begrip 'betaalbaarheid' in de Europese wetgeving

3.1

Op Unieniveau wordt de betaalbaarheid of de economische toegankelijkheid van DAEB niet op samenhangende wijze gedefinieerd of eenduidig benaderd, terwijl het op dit vlak ook aan een meetinstrument ontbreekt. Betaalbaarheid hangt vaak samen met het subjectieve idee dat de gebruiker heeft van de kostprijs en de positieve gevolgen die de dienst heeft voor het welzijn van de burger.

3.2

In het algemeen is een dienst betaalbaar als elke burger hem op eenvoudige wijze kan bekostigen (Groenboek over de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten (1)).

3.3

Een dienst is betaalbaar als de burger er gratis toegang tot heeft, zoals in sommige steden of regio's die gratis stadsvervoer aanbieden.

3.4

Om aan te tonen dat betaalbaarheid een ingewikkeld begrip is dat niet op eenvoudige of eenvormige wijze in de praktijk kan worden gebracht, past het EESC het in wat volgt toe op de sectoren huisvesting, telecommunicatie en elektriciteit en gas. Bovendien benadrukt het dat de toegang tot gezondheidszorg in veel lidstaten op losse schroeven is komen te staan omdat mensen vaak te weinig geld hebben om zich te kunnen laten verzorgen. In het rapport over de EU-strategie inzake solidariteit op het gebied van gezondheidszorg en vermindering van de desbetreffende ongelijkheden (2009) wordt gewezen op het zeer sterke verband tussen geldgebrek en de daardoor veroorzaakte gezondheidsproblemen.

3.5

Het vereiste van betaalbaarheid werd ingevoerd in de wetgeving inzake de liberalisering van de netwerkindustrieën, als een onlosmakelijk onderdeel van de universele telecommunicatie-, elektriciteits- en postdiensten, dat bovendien nauw samenhangt met de doelstelling die de EU inzake sociale en territoriale samenhang.

3.6

De EU-benadering berust op twee opvattingen van wat een „betaalbare prijs” is: enerzijds kan hieraan een algemene betekenis worden gegeven, anderzijds kan dit begrip worden beperkt tot weinig verdienende, benadeelde of kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals gehandicapten of personen met bijzondere sociale behoeften. Deze tweede benadering is slechts zinvol indien ze, in overeenstemming met Protocol 26, op de „bevordering van de algemene toegang” is gericht.

3.7

Hoewel betaalbaarheid in de Europese Unie een wijd verspreide waarde is geworden waar door de lidstaten rekening mee moet worden houden, kan enkel maar worden vastgesteld dat prijzen voor bv. energie, roaming, vervoer en het kopen of huren van een woning, nog steeds niet in verhouding staan tot het inkomen van een steeds grotere bevolkingsgroep. Bovendien lopen de definities van betaalbaarheid in de verschillende communautaire regelgevende teksten erg uiteen en zijn ze vooral in erg vage bewoordingen gesteld. In wat volgt, geeft het EESC een niet-uitputtend overzicht.

3.8

Huisvesting

3.8.1

Uit het onderzoek naar het gezinsbudget (EU-SILC) dat in alle lidstaten wordt gevoerd, komt inzake huisvesting een maximale inspanningsratio van 40 % van het beschikbare gezinsinkomen naar voren. Boven deze drempel kan huisvesting als niet-betaalbaar worden beschouwd.

3.8.2

Inzake het functioneren van de huisvestingsmarkt treden lidstaten, wat het verschaffen van een fatsoenlijke en betaalbare woning voor iedereen betreft erg uiteenlopend en in erg verschillende mate op, waarbij soms huisvestingsubsidies worden verstrekt. Het merendeel van de lidstaten voorziet in sociale of fiscale steunmechanismen om een invloed uit te oefenen op deze belangrijke en verplichte uitgavenpost van de gezinnen, terwijl ze ook subsidies uittrekken voor een parallel aanbod aan „sociale” woningen, naast het gewone aanbod op de particuliere markt.

3.8.3

Sociale huisvesting is een antwoord van de overheid op het niet door een markt gedekte deel van de huisvestingsbehoeften: bedoeling is aan alle huisvestingsbehoeften tegemoet te komen en ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot een fatsoenlijke woning aan een betaalbare (huur)prijs. 25 miljoen Europese gezinnen genieten sociale huisvesting.

3.8.4

Ondanks deze maatregelen is de toegang tot degelijke huisvesting voor veel burgers in de Europese Unie niet meer betaalbaar. In 2011 woonde 15 % van de Europeanen in overbevolkte of ongeschikte woningen, terwijl 17 % van de gezinnen in vergelijking met hun beschikbaar inkomen voor hun woning een te hoge prijs moesten betalen (2).

3.8.5

In haar Besluit van 20 december 2011 over de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen, beperkt de Commissie het verstrekken van gesubsidieerde sociale huisvesting tot benadeelde personen of duidelijk als minder gegoed gedefinieerde maatschappelijke groepen, die om financiële redenen niet in staat zijn een woning aan marktvoorwaarden te vinden. In het licht van de in Protocol 26 opgesomde waarden roept dit vragen op.

3.9

Telecommunicatie

3.9.1

Hoewel de interne markt en de vrije mededinging tot lagere tarieven voor telecommunicatie van een gegarandeerde minimumkwaliteit hebben bijgedragen, zijn deze lagere tarieven ook te danken, ten minste gedeeltelijk, aan de technologische evolutie en de inperking van de roamingkosten door de gemeenschapsinstellingen.

3.9.2

Volgens de wetgeving inzake telecommunicatie (3) houdt betaalbaarheid verband met de „in het licht van de specifieke nationale omstandigheden betaalbare prijs” van het telefoongebruik en het vermogen van gebruikers om hun uitgaven te beheersen. In de methodologische nota van de Commissie voor de horizontale evaluatie van DAEB (4) geldt als indicator de „prijs van diensten in verhouding tot het inkomen van consumenten met laag/gemiddeld inkomen (voor consumenten met verschillende inkomensniveaus)”.

3.10

Elektriciteit en gas

3.10.1

Wat de elektriciteits- en gassector betreft, is de Commissie van mening dat subsidies of regulering gericht op een algemene verlaging van de energietarieven de prikkels voor energie-efficiënt gedrag verzwakken, niet specifiek gericht zijn op hen die er behoefte aan hebben en de mededinging kunnen vervalsen (5).

3.10.2

De lidstaten worden dan ook uitgenodigd om maatregelen te nemen om kwetsbare consumenten een passende bescherming te bieden (6). Overheden mogen gebruikers enkel rechtstreekse subsidies toekennen wanneer er een duidelijk definitie van het begrip energiearmoede voorhanden is en er op nationaal vlak duidelijk wordt bepaald wie de kwetsbare personen zijn. Gebruikers die financiële moeilijkheden doormaken en hun rekening een periode niet kunnen betalen, moeten toch gedurende een zekere periode op een continue energielevering kunnen rekenen.

3.10.3

Er moet worden opgemerkt dat het concept energiearmoede enkel op de gas- en elektriciteitssector van toepassing is, maar niet op de andere brandstoffen die met name voor stadsverwarming worden gebruikt.

3.10.4

De EU zet in haar energiebeleid in op de vermindering van het energieverbruik. Daarvoor doet ze een beroep op maatregelen inzake energie-efficiëntie of thermische isolatie van woningen, waardoor de economische toegankelijkheid van energiediensten wordt verbeterd. Voor betere energieprestaties zijn echter aanzienlijke investeringen nodig die slechts op lange termijn, dankzij lagere energie-uitgaven, economisch rendabel zijn. In zijn initiatiefadvies „Pleidooi voor een gecoördineerde Europese actie om energiearmoede te voorkomen en te bestrijden” (CESE 2517/2013) heeft het EESC ter zake concrete voorstellen uitgewerkt.

4.   Meting van betaalbaarheid

4.1

In 2004 heeft de Commissie in het kader van de beoordeling van de prestaties van DAEB in de netwerkindustrieën de betaalbaarheid van de gehanteerde tarieven gemeten, aan de hand van een indicator die gebaseerd is op het percentage van het jaarlijkse bedrag dat een gebruiker moet uitgeven om van een bepaalde korf diensten gebruik te maken.

4.2

Uit de Eurobarometer-ondervraging over de tevredenheid van de Europese burgers m.b.t. de diensten van netwerkindustrieën kan enkel een subjectieve beoordeling van de betaalbaarheid van de betrokken diensten worden afgeleid, die hoogstens een idee kan geven van een algemene tendens.

4.3

Er bestaan geen officiële communautaire criteria om de economische betaalbaarheid van de DAEB te bepalen. In communautaire teksten wordt meer aandacht besteed aan geharmoniseerde beginselen en regels voor een prijszetting die „kosten georiënteerd” is, die „meer aan de kosten beantwoordt” of „de kosten dekt” (zoals in de Kaderrichtlijn Water), terwijl er tegelijk voor gezorgd wordt dat diensten aan de volledige bevolking kunnen worden geleverd.

4.4

Kostengeoriënteerde prijzen, zelfs zonder winstmarge voor de dienstverlener, zijn echter geen synoniem voor economische toegankelijkheid en garanderen niet dat de diensten voor iedereen betaalbaar zijn.

4.5

Volgens het Groenboek over diensten van algemeen belang uit 2003 dienen de lidstaten een definitie te geven van een aantal van de criteria om de betaalbaarheid van een dienst te beoordelen. Uit de vastgestelde criteria moet blijken dat een geheel aan rechten van consumenten en gebruikers in aanmerking wordt genomen, onder meer de toegankelijkheid van DAEB voor personen met een handicap. Daarnaast moet ook een controlemechanisme inzake prijzen worden ingevoerd en/of dienen er aan de betrokkenen subsidies te worden verleend. De criteria kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de prijs van een korf door de lidstaten te definiëren basisdiensten, waarvan de maximumprijs (grens voor inspanningen) in functie van het aanvaardbare wordt vastgelegd, rekening houdend met het beschikbare inkomen van de kwetsbaarste personen.

5.   De rol van de Europese Unie

5.1

In het Groenboek over diensten van algemeen belang wordt gesteld dat „waar sprake is van een effectieve concurrentie, [...] marktmechanismen het verrichten van betaalbare diensten van een adequate kwaliteit [kunnen] waarborgen, zodat de noodzaak tot regulerend ingrijpen grotendeels overbodig is”.

5.2

Wel wijst de Commissie in haar Mededeling Een kwaliteitskader voor diensten van algemeen belang in Europa (COM(2011) 900 final) naar aanleiding van de nieuwe Verdragcontext erop dat „dit (= één kwaliteitskader) ervoor moet zorgen "dat de komende jaren het wet- en regelgevingskader op EU-niveau de sociale dimensie van de interne markt verder versterkt, beter rekening houdt met het specifieke karakter van die diensten en tegelijk een antwoord biedt op de uitdaging om bij het verrichten van deze diensten rekening te houden met de in het[...] Protocol 26 erkende waarden als een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid, gelijke behandeling en de bevordering van de algemene toegang en van de rechten van de gebruiker”.

5.3

In de Europese wetgeving hebben de verplichtingen van de overheid op het vlak van dienstverlening ook betrekking op de toegang en de betaalbaarheid voor alle consumenten, met bijzondere voorzieningen voor kwetsbare of gehandicapte consumenten.

5.4

In het licht van het voorafgaande zal de Commissie dus enerzijds betere coördinatie tussen haar eigen diensten moeten bewerkstelligen en een echt statistisch instrument tot stand moeten brengen door gegevens te verzamelen en aan elkaar te koppelen, met volledige inachtneming van hun vertrouwelijke karakter. Vervolgens zal ze het concept van voor iedereen betaalbare DAEB duidelijker moeten definiëren en het op één lijn brengen met de vereisten neergelegd in het Verdrag van Lissabon (Protocol 26) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, terwijl ze in het afgeleide recht ook wetgevingsmaatregelen tot stand brengt om de lidstaten te verplichten:

indicatoren vast te leggen om de betaalbaarheid van een dienst te meten en een onafhankelijk mechanisme in te voeren ter beoordeling van DAEB, waarbij ook de economische toegankelijkheid in aanmerking wordt gebracht;

een pakket basisdiensten te definiëren waarvoor de maximale inspanningsratio voor een gezin in functie van het beschikbare inkomen wordt vastgesteld. Om te bepalen wat voor een korf diensten een betaalbare prijs is, komt het er niet op neer de betrokken diensten sector per sector met het beschikbare inkomen te vergelijken. Daarentegen zal het nodig zijn uit te gaan van het geheel van de als fundamenteel beschouwde diensten (zoals — overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel — door de lidstaten wordt bepaald) en moet worden vastgelegd welk algemeen percentage van kosten binnen een gezin de drempel is om van bijkomende kosten te spreken (zoals bij huisvesting het geval is). In dit geval is het noodzakelijk overeenkomstig art. 14 VWEU te voorzien in financieringsmechanismen die iedereen toegang tot DAEB garanderen;

de categorieën „kwetsbare personen” en „benadeelde groepen” duidelijker te omschrijven. Hierbij dient de Commissie over te gaan tot een herziening van haar beschikkingspraktijk inzake het toezicht op kennelijke beoordelingsfouten betreffende staatssteun. De Commissie moet de lidstaten de verantwoordelijkheid laten om de toegangsvoorwaarden tot betaalbare prijzen te bepalen, rekening houdend met de behoeften van de burgers en de nationale of lokale voorkeuren, evenals met de daadwerkelijke noden waarin benadeelde burgers of minder gegoede bevolkingsgroepen zich bevinden. Hierbij dienen de bepalingen van Protocol 26 inzake diensten van algemeen belang in acht te worden genomen.

5.5

Om de sociale dimensie van de EU en haar markt te versterken — met name in tijden van crisis — is het nodig dat binnen het Europees semester de belangrijkste gegevens inzake diensten van algemeen belang in aanmerking worden genomen, met volledige inachtneming van de verantwoordelijkheid en de bevoegdheid van de lidstaten.

Brussel, 21 januari 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(1991) 476 final.

(2)  Eurofound: Third European Quality of Life Survey — Quality of life in Europe: impacts of the crisis 2012 et Household debt advisory services in the Europe Union.

(3)  Richtlijn 2002/22/EG.

(4)  COM(2002) 331 final.

(5)  COM(2012) 663 final — De interne energiemarkt doen werken

(6)  Richtlijnen 2009/72/EG (elektriciteit) en 2009/73/EG (gas).


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende wijzigingsvoorstellen, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden tijdens de beraadslaging verworpen:

Paragraaf 1.4

Als volgt wijzigen:

1.4

Het EESC stelt dus voor, enerzijds, dat de EU het concept van voor iedereen betaalbare DAEB duidelijker definieert en het op één lijn brengt met de vereisten neergelegd in het Verdrag van Lissabon (Protocol 26) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en, anderzijds, dat ze in het afgeleide recht wetgevingsmaatregelen tot stand brengt om de lidstaten te verplichten:

indicatoren vast te leggen om de betaalbaarheid van een dienst te meten en een onafhankelijk mechanisme in te voeren ter beoordeling van de prestaties van de DAEB, waarbij ook de economische toegankelijkheid in aanmerking wordt gebracht;

een pakket basisdiensten te definiëren waarvoor de inspanningsratio voor een gezin binnen aanvaardbare grenzen wordt vastgesteld, rekening houdend met het beschikbare inkomen. Via een maximumniveau voor de uitgaven voor deze essentiële diensten moet een objectieve grondslag worden gelegd om het begrip betaalbaarheid te definiëren en het algemene percentage te bepalen van kosten binnen een gezin waarbij vanaf een zekere drempel sprake is van bijkomende kosten, wat in voorkomend geval tot overheidssteun moet leiden;

de categorieën „kwetsbare personen” en „benadeelde groepen” duidelijker te omschrijven, zodat . Hierbij dient de Commissie, indien nodig, over kan te gaan tot een herziening van haar beschikkingspraktijk inzake het toezicht op kennelijke beoordelingsfouten betreffende staatssteun.

Motivering

Par 1.4: eerste alinea:

 

Het is niet aan het Parlement, de Raad of de Commissie om definities van waarden ex artikel 14 en geïnterpreteerd door Protocol 26, te maken (zie ook amendement en motivatie over par 3.9.2). Het genoemde VN verdrag (rechten handicap) komt terug in amendment par 5.4 derde bolletje.

Par 1.4 tweede bolletje:

 

Schrapping van het tweede bolletje, want het is niet aan de Commissie om de lidstaten een bepaald pakket met betrekking tot DAEB waarden te doen laten vaststellen. Voor alle duidelijkheid zij hier nogmaals de argumentatie in zijn geheel herhaald: In het Europees primair recht betekent „openbare diensten” niet hetzelfde als „DAEB”. Al in het Verdrag van Rome worden DAEB genoemd in art. 90 lid 2 (nu in het Verdrag van Lissabon art. 106, lid 2); in art. 77 (nu art. 93) over vervoer gaat het over het „begrip openbare dienst”. Dit begrip is een politieke benaming voor een bepaalde vorm van vervoersbeleid en heeft als dusdanig niets te maken met een specifieke concrete dienstverrichting, wat een existentiële voorwaarde is om uitsluitend door een lidstaat of haar afgeleide autoriteiten tot DAEB, uitsluitend geldend in dat land, regio of lokaliteit, benoemd te worden. Daarbij komt dat de wijzigingen met het Verdrag van Lissabon in de EU-DAEB-regeling eerder de Europese invalshoek hebben verzwakt dan verstevigd ten opzichte van de nationale bevoegdheden (1). Immers de nieuwe regelgevende bevoegdheid van Raad en Parlement ex artikel 14 heeft enkel betrekking op „beginselen en, met name economische en financiële, voorwaarden” om „de DAEB's te laten functioneren”, een bevoegdheid die daarvoor grotendeels al bij de Europese Commissie, hoedster van de Verdragen, lag. Uitdrukkelijk dus geen bevoegdheid van Raad en Parlement met betrekking tot de „gedeelde waarden”, waarvan betaalbaarheid er een van de veertien is. De regeling daarvan is en blijft een, bij uitsluiting van anderen, nationale bevoegdheid. Om alle Europese inwoners een kwalitatief acceptabel leven te kunnen bieden ligt het dan ook voor de hand om niet de weg van de nationale DAEB's te bewandelen, maar via sectorenwetgeving alle lidstaten tot het gewenste minimumniveau te bewegen. Daar zouden de EESC adviezen zich op moeten richten, dan zal dat zeker gebeuren met instemming en wat meer geldt, actie van de Europese Commissie, die de al eerdere drie initiatiefadviezen, pleitend voor de weg van de DAB's, heeft afgewezen.

Par 1.4: derde bolletje:

 

Er is geen logica tussen de eerste en tweede zin van het derde bolletje. De voorgestelde wijzigingen brengt dat er wel in. Het genoemde VN verdrag (rechten handicap) komt terug in amendment par 5.4 derde bolletje.

Paragraaf 5.4

Als volgt wijzigen:

5.4

In het licht van het voorafgaande zal de Commissie dus enerzijds met een betere coördinatie tussen haar eigen diensten moeten bewerkstelligen en een echt statistisch instrument tot stand moeten brengen door gegevens te verzamelen en aan elkaar te koppelen, met volledige inachtneming van hun vertrouwelijke karakter. Vervolgens zal ze het concept van voor iedereen betaalbare DAEB duidelijker moeten definiëren en het op één lijn brengen met de vereisten neergelegd in het Verdrag van Lissabon (Protocol 26) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, Terwijl ze anderzijds in het afgeleide recht ook wetgevingsmaatregelen tot stand zou kunnen brengen brengt om de lidstaten te verplichten:

indicatoren vast te leggen om de betaalbaarheid van een dienst te meten en een onafhankelijk mechanisme in te voeren ter beoordeling van DAEB, waarbij ook de economische toegankelijkheid in aanmerking wordt gebracht;

een pakket basisdiensten te definiëren waarvoor de maximale inspanningsratio voor een gezin in functie van het beschikbare inkomen wordt vastgesteld. Om te bepalen wat voor een korf diensten een betaalbare prijs is, komt het er niet op neer de betrokken diensten sector per sector met het beschikbare inkomen te vergelijken. Daarentegen zal het nodig zijn uit te gaan van het geheel van de als fundamenteel beschouwde diensten (zoals — overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel — door de lidstaten wordt bepaald) en moet worden vastgelegd welk algemeen percentage van kosten binnen een gezin de drempel is om van bijkomende kosten te spreken (zoals bij huisvesting het geval is). In dit geval is het noodzakelijk overeenkomstig art. 14 VWEU te voorzien in financieringsmechanismen die iedereen toegang tot DAEB garanderen;

de categorieën „kwetsbare personen” en „benadeelde groepen” duidelijker te omschrijven, zodat . Hierbij dient de Commissie, indien nodig, over kan te gaan tot een herziening van haar beschikkingspraktijk inzake het toezicht op kennelijke beoordelingsfouten betreffende staatssteun. De Commissie moet de lidstaten de verantwoordelijkheid laten om de toegangsvoorwaarden tot betaalbare prijzen te bepalen, rekening houdend met de behoeften van de burgers en de nationale of lokale voorkeuren, evenals met de daadwerkelijke noden waarin benadeelde burgers of minder gegoede bevolkingsgroepen zich bevinden. Hierbij dienen ook de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap Protocol 26 inzake diensten van algemeen belang in acht te worden genomen.

Motivering

Par 5.4 eerste alinea:

In de eerste zin wordt hetzelfde eerder bereikt door het op een elegantere manier te zeggen (het is niet aan het EESC om zich over de interne organisatie van de Europese Commissie uit te laten);

Het is niet aan de Commissie om definities van waarden ex artikel 14 en geïnterpreteerd door Protocol 26, te maken (zie ook amendement en motivatie bij par 3.9.2).

Het gestelde over het Verdrag van de Verenigde Naties krijgt hierna bij de „bolletjes” in deze paragraaf zijn plaats.

Par 5.4 tweede bolletje:

 

Het derde bolletje is in tegenspraak met het hier gestelde; schrapping van het tweede bolletje heeft de voorkeur, want het is niet aan de Commissie om de lidstaten een bepaald pakket met betrekking tot DAEB waarden te doen laten vaststellen. Voor alle duidelijkheid zij hier nogmaals de argumentatie in zijn geheel herhaald: In het Europees primair recht betekent „openbare diensten” niet hetzelfde als „DAEB”. Al in het Verdrag van Rome worden DAEB genoemd in art. 90 lid 2 (nu in het Verdrag van Lissabon art. 106, lid 2); in art. 77 (nu art. 93) over vervoer gaat het over het „begrip openbare dienst”. Dit begrip is een politieke benaming voor een bepaalde vorm van vervoersbeleid en heeft als dusdanig niets te maken met een specifieke concrete dienstverrichtin, wat een existentiële voorwaarde is om uitsluitend door een lidstaat of haar afgeleide autoriteiten tot DAEB, uitsluitend geldend in dat land, regio of lokaliteit, benoemd te worden. Daarbij komt dat de wijzigingen met het Verdrag van Lissabon in de EU-DAEB-regeling eerder de Europese invalshoek hebben verzwakt dan verstevigd ten opzichte van de nationale bevoegdheden (2). Immers de nieuwe regelgevende bevoegdheid van Raad en Parlement ex artikel 14 heeft enkel betrekking op „beginselen en, met name economische en financiële, voorwaarden” om „de DAEB's te laten functioneren”, een bevoegdheid die daarvoor grotendeels al bij de Europese Commissie, hoedster van de Verdragen, lag. Uitdrukkelijk dus geen bevoegdheid van Raad en Parlement met betrekking tot de „gedeelde waarden”, waarvan betaalbaarheid er een van de veertien is. De regeling daarvan is en blijft een, bij uitsluiting van anderen, nationale bevoegdheid. Om alle Europese inwoners een kwalitatief acceptabel leven te kunnen bieden ligt het dan ook voor de hand om niet de weg van de nationale DAEB's te bewandelen, maar via sectorenwetgeving alle lidstaten tot het gewenste minimum niveau te bewegen. Daar zouden de EESC adviezen zich op moeten richten, dan zal dat zeker gebeuren met instemming en wat meer geldt, actie van de Europese Commissie, die de al eerdere drie initiatiefadviezen, pleitend voor de weg van de DAB's, heeft afgewezen.

Par 5.4 derde bolletje:

Er is geen logica tussen de eerste en tweede zin van het derde bolletje. De voorgestelde wijzigingen brengt dat er wel in

Protocol 26 heeft geen bepalingen over „benadeelde burgers of minder gegoede bevolkingsgroepen”. Een extra oproep om een VN-Verdrag na te leven is echter nooit weg.

Stemuitslag

Voor:

:

110

Tegen:

:

44

Onthoudingen:

:

12


(1)  Daar de teksten van de Nederlandse Regering afkomstig zijn is voor het ontstaan en bedoeling ervan allereerst de Nederlandse parlementaire geschiedenis op dit punt aan te houden: Eerste en Tweede Kamerstukken serie 31384 (R 1850) C resp nr 4, vergaderjaar 2007-2008.

(2)  Daar de teksten van de Nederlandse Regering afkomstig zijn is voor het ontstaan en bedoeling ervan allereerst de Nederlandse parlementaire geschiedenis op dit punt aan te houden: Eerste en Tweede Kamerstukken serie 31384 (R 1850) C resp nr 4, vergaderjaar 2007-2008.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/32


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (EUSAIR) (verkennend advies)

(2014/C 177/05)

Algemeen rapporteur: de heer DIMITRIADIS

Algemeen corapporteur: de heer PALMIERI

Maroš Šefčovič, vicevoorzitter van de Europese Commissie, heeft op 20 november 2013 het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht een verkennend advies op te stellen over:

De EU-strategie voor de Adriatisch-Ionische regio (EUSAIR).

Het bureau van het Comité heeft op 15 oktober 2013 besloten de afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang met de voorbereidende werkzaamheden ter zake te belasten.

Gezien de urgente aard van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) besloten de heer Dimitriadis aan te wijzen als algemeen rapporteur en de heer Palmieri als algemeen corapporteur, en heeft het met 150 stemmen vóór en geen stemmen tegen, bij 3 onthoudingen, het volgende advies uitgebracht.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is blij met de speciale aandacht die wordt besteed aan het opstellen van een EU-strategie voor de Adriatisch-Ionische regio (EUSAIR), die de cohesie en het concurrentievermogen beoogt te ondersteunen in het licht van de uitdagingen die door individuele regio's of landen niet afdoende met de gebruikelijke middelen kunnen worden aangepakt.

1.2

Het EESC constateert dat de strategische waarde van samenwerking in het Middellandse Zeegebied niet aan de orde komt in de discussienota. Het EESC zou willen beklemtonen dat samenwerking in de Adriatisch-Ionische regio weliswaar van fundamenteel belang is voor de ondersteuning van de landen van de Westelijke Balkan in de pretoetredingsfase, alsook voor het versterken van de band met de macroregio's Donaugebied en Oostzeeregio, maar dat het ook essentieel is dat de Adriatisch-Ionische ruimte wordt gezien als een functioneel onderdeel van het Middellandse Zeegebied.

1.3

Het EESC is van mening dat in het kader van EUSAIR een uitgebreid programma van actiegerichte projecten en plannen moet worden opgezet. In deze strategie zou gebruik moeten worden gemaakt van de goede praktijkvoorbeelden van andere macroregionale strategieën (Oostzee, Donau, Atlantische Oceaan), de Unie voor het Middellandse Zeegebied (1), de Europa 2020-strategie, bestaande EU-programma's en financieringsmaatregelen (2) en EU-initiatieven als INTERACT voor het verstrekken van technische bijstand en opleidingen (3). De nieuwe strategie zou ook functioneel gerelateerd moeten worden aan ander EU-beleid, zoals het cohesiebeleid, het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie, het programma Horizon 2020, de Digitale Agenda, het programma COSME, het geïntegreerd maritiem beleid en het beleid voor het CEAS (4). Het resultaat zou een praktische lijst van maatregelen, programma's en plannen moeten zijn om meer cohesie tot stand te brengen voor de bevolking in de regio.

1.4

Het EESC constateert dat er in de discussienota met geen woord wordt gerept over de particuliere sector en onderstreept de belangrijke rol van deze sector als motor voor groei en werkgelegenheid. Belanghebbenden uit zowel de particuliere sector als het maatschappelijk middenveld zouden actiever moeten worden betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de EUSAIR-strategie. Het wordt ten zeerste aangeraden beter gebruik te maken van het potentieel van de particuliere sector om (zowel lokale als internationale) investeringen aan te trekken en zakelijke kansen te creëren.

1.5

Het EESC vindt dat de strategie een grotere sociale dimensie zou moeten hebben, zodat inclusieve groei in de Adriatisch-Ionische regio beter kan worden ondersteund. Het is ook van essentieel belang dat de vertegenwoordigers van „uitgesloten” sociale groepen, zoals migrantengemeenschappen, gehandicapten en vrouwenorganisaties, bij de sociale dialoog worden betrokken en dat EU-beleid ter voorkoming van discriminatie op grond van ras of etnische herkomst, handicap, leeftijd, seksuele geaardheid of geslacht alle steun krijgt.

1.6

Het EESC betreurt dat de problemen in verband met niet-reguliere en illegale migratiestromen in de discussienota onvoldoende aandacht krijgen. De EU moet meer moeite doen om de Adriatisch-Ionische regio te helpen de uitdaging van migratie aan te gaan en de integratie van immigranten in de samenleving te bevorderen.

1.7

Het EESC is van oordeel dat politiebewaking en veiligheid van groot belang zijn voor de vooruitgang en welvaart van de Adriatisch-Ionische regio en verzoekt de Raad om FRONTEX meer geld en bevoegdheden te geven (5).

1.8

Hoewel de laatste jaren verschillende partnerschapsinitiatieven en -projecten met betrekking tot macroregionale aangelegenheden zijn gelanceerd in het betreffende samenwerkingsgebied („Adriatische Euregio”, „Forum van de Adriatische en Ionische Kamers van Koophandel”, „Forum van de Adriatische en Ionische steden”, Uniadrion enz.), zou het EESC er ook op willen wijzen dat het lang geduurd heeft voordat deze strategie er eindelijk was, ondanks het feit dat de discussies over het „Adriatisch-Ionisch initiatief” al in oktober 1999, op aandringen van de Italiaanse regering, begonnen en in mei 2000 een officiële status kregen met de „Verklaring van Ancona”. Na al deze vertraging moest er op heel korte termijn een strategie worden goedgekeurd, waardoor het voor de leden van het EESC buitengewoon moeilijk was om het standpunt van het Comité goed uit te werken.

2.   EU-strategie voor de Adriatisch-Ionische regio (EUSAIR): achtergrond en problemen

2.1

De eerste samenwerkingsinspanning in de Adriatisch-Ionische regio, het Stabiliteitspact voor Zuid-Europa, dateert van 1999 en had tot doel de vrede, democratie, mensenrechten en economie in de landen van Zuidoost-Europa in de periode 1999-2008 te versterken. In het kader hiervan presenteerde de Italiaanse regering tijdens de EU-top in Tampere (Finland) in oktober 1999 het Adriatisch-Ionisch Initiatief, dat in mei 2000 officieel werd gelanceerd in Ancona (Italië) met de ondertekening van de Verklaring van Ancona. Deze verklaring was de hoeksteen van het beleid dat de Adriatisch-Ionische territoriale samenwerking beoogt te versterken en de politieke en economische stabiliteit wil bevorderen, om aldus een stevige basis te leggen voor het proces van Europese integratie. Aanvankelijk werd het initiatief alleen ondertekend door de ministers van Buitenlandse Zaken van Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Griekenland, Italië en Slovenië; later kwamen daar ook de confederatie Servië en Montenegro bij.

2.1.1

Naar aanleiding van de Verklaring van Ancona werden diverse institutionele netwerken voor samenwerking in het leven geroepen om de cohesie in en de concurrentiekracht van de Adriatisch-Ionische regio te bevorderen: de Adriatisch-Ionische Euregio, het Forum van Adriatisch-Ionische steden, het Forum van Adriatisch-Ionische Kamers van Koophandel, Uniadrion en het Adriatisch-Ionisch initiatief.

2.2

Op 19 november 2012, tijdens de bijeenkomst van de Commissie en de ministers van Buitenlandse Zaken uit de Adriatisch-Ionische regio, werd het volgende besloten:

de nieuwe strategie moet kunnen rekenen op krachtige steun van alle partijen;

bij de nieuwe strategie wordt gebruik gemaakt van de goede praktijkvoorbeelden en ervaringen van de macroregionale strategieën voor het Donaugebied (6) en de Oostzeeregio (7);

de maatregelen mogen de maritieme strategie niet overlappen;

voor de strategie worden de noodzakelijke personele middelen ter beschikking gesteld, en een gepast aantal personeelsleden houdt zich bezig met het uitstippelen en uitvoeren van de strategie;

in het actieplan worden concrete maatregelen en projecten vastgesteld;

in een later stadium kan uitbreiding tot andere terreinen en leden worden overwogen.

2.3

Naar aanleiding van het besluit van de Europese Raad van 14 december 2012 (8) om vóór eind 2014 een nieuwe macroregionale strategie voor de Adriatische en de Ionische Zee op te stellen en overeenkomstig het ontvangen mandaat zou de Commissie beginnen met het opstellen van een mededeling en een actieplan, dat tegen het eind van het Italiaanse voorzitterschap goedgekeurd zou moeten zijn.

2.4

Op 22 oktober 2013 stelde de Raad voor het eerst strategische criteria vast voor de algemene kenmerken van de macroregionale strategieën. Deze strategieën moeten:

de samenwerking tussen de betrokken lidstaten onderling, met geïnteresseerde niet-betrokken landen en met geïnteresseerde derde landen op terreinen van gemeenschappelijk belang verbeteren;

ervoor zorgen dat er allerlei financiële middelen worden vrijgemaakt en dat de desbetreffende belanghebbenden worden aangezet tot het ontwikkelen van beter beleid en het uitvoeren van verschillend Europees, nationaal en regionaal beleid;

de bestaande samenwerkingsmechanismen en netwerken verbeteren;

bijdragen tot de ontwikkeling van nieuwe projecten van hoogstaande kwaliteit en een betere financiering daarvan.

2.5

De Adriatisch-Ionische strategie „leeft” enorm in de politiek en onder de bevolking van de betrokken landen. Voor de EU is zij niet alleen een uitdaging, maar ook een grote kans. Doel van de strategie is „verbinden en beschermen”. Buiten de grenzen van de EU zal worden gewerkt aan versterking van de cohesie op een gebied dat buitengewoon belangrijk is voor de stabiliteit van het continent.

2.6

De Adriatisch-Ionische strategie is politiek en praktisch complementair aan de macroregionale strategie voor het Donaugebied (waaronder verschillende landen vallen die ook zijn betrokken bij de Adriatisch-Ionische strategie) en aan die voor de Oostzeeregio.

2.7

De Adriatisch-Ionische regio staat voor een aantal grote uitdagingen, waaronder ecologische en milieuproblematiek, inefficiënte vervoersverbindingen en inadequate samenwerking waar het gaat om het stimuleren van cohesie, concurrentiekracht en innovatie. Om dit succesvol aan te pakken moeten de moderne bedrijfscultuur en ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf (mkb) in de regio worden gestimuleerd door de samenwerking tussen deze bedrijven en de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden te bevorderen.

2.8

Een strategie die gebaseerd is op een macroregionale aanpak, kan een bijzondere impuls geven aan het bevorderen van de integratie van de Balkan- en Oost-Europese landen in de EU, aan het stimuleren van een geïntegreerd ontwikkelingsbeleid en een beter gebruik van Europese en nationale fondsen, en aan het promoten van uitwisselingen en partnerschappen tussen de maatschappelijke organisaties van de betrokken landen.

2.8.1

Macroregionale samenwerking zorgt ervoor dat de EU-normen — het „acquis communautaire” — sneller worden overgenomen en heeft een positieve impact op de toenadering tot Europa en op de stabiliteit van de Adriatisch-Ionische landen en van de hele regio. Een macroregionale strategie is bovendien van essentieel belang voor de bevordering van de cohesie en sociaaleconomische integratie tussen gebieden.

2.8.2

Een effectieve macroregionale aanpak ter versterking van de synergieën tussen verschillende EU-beleidslijnen en ter coördinatie van de inspanningen van een groot aantal belanghebbenden in de Adriatisch-Ionische regio moet gebaseerd zijn op een „driewerf ja”: ja tegen meer aanvullende financiering, ja tegen meer institutionele coördinatie en ja tegen meer nieuwe projecten. Hierbij zou de particuliere sector een belangrijke rol toebedeeld krijgen.

2.8.3

Een goed gestructureerde macroregionale strategie kan een gemeenschappelijk Europees kader bieden voor de bevordering van culturele verrijking en empowerment van nationale maatschappelijke organisaties op regionaal niveau. Dit is vooral belangrijk voor regio's als Oost-Europa of de Balkan, waar de consolidatie van democratische praktijken hand in hand gaat met de ontwikkeling van een bloeiende en dynamische publieke ruimte.

2.8.4

Met behulp van een macroregionale strategie kan infrastructuurontwikkeling op een transnationale geografische schaal worden gepland. Aldus kan de ontwikkeling van ICT-netwerken, snelwegen, spoorwegen en havens worden bevorderd en worden gezorgd voor territoriale cohesie en concurrentievermogen zonder belemmeringen of knelpunten.

2.9

Ondanks de lange aanlooptijd wordt er sinds kort enorme vaart gezet achter het project en moet het op stel en sprong worden afgerond; dat komt het eindresultaat niet ten goede.

3.   De discussienota: reikwijdte en doelstellingen

3.1

In de EUSAIR is de Ionische Zee een gemeenschappelijke en cruciale factor. De strategie moet gericht zijn op terreinen van gemeenschappelijk regionaal belang, die van grote betekenis zijn voor de Adriatische en Ionische landen, en moet duidelijkheid verschaffen over allerlei praktische zaken (pijlers, governance, enz.). De prioritaire terreinen en doelstellingen van het actieplan moeten een weerspiegeling zijn van door de regeringen en vertegenwoordigers van de sociale partners gedeelde ambities en duurzame oplossingen voor gemeenschappelijke problemen, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan maritieme en mariene investeringen voor groei en werkgelegenheid.

3.2

Het algemene doel van EUSAIR is om via groei en werkgelegenheid de duurzame economische en sociale welvaart van de Adriatisch-Ionische regio te bevorderen. Daartoe moeten de aantrekkelijkheid, het concurrentievermogen en de bereikbaarheid van de regio worden verbeterd, en moeten het milieu van het achterland alsook de ecosystemen op zee en in kustgebieden worden beschermd.

3.3

Dit doel zal worden bereikt via activiteiten die in vier groepen (pijlers) worden ingedeeld (9): innovatieve maritieme en mariene groei; connectiviteit van de regio; behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu; verhoging van de aantrekkelijkheid van de regio.

3.3.1

Eerste pijler: innovatieve maritieme en mariene groei. De visserij (10) is een zeer belangrijke economische activiteit voor de Adriatische en Ionische kustgebieden en hun inwoners. Kerndoel van deze pijler is een sterke visserij- en aquacultuursector van hoge kwaliteit ontwikkelen die in ecologisch en economisch opzicht duurzaam is en nieuwe banen oplevert.

3.3.2

Tweede pijler: connectiviteit van de regio. De regio ligt in een zeer belangrijk geostrategisch gebied op de noord-zuid- en de oost-westas van Europa. De Adriatische en Ionische Zee zijn een belangrijke doorvoerroute voor goederen, passagiers en energie. Verschillende Europese landen zijn in hoge mate afhankelijk van deze gebieden voor hun import en export. Via de Adriatische „snelwegen op zee” zullen goederen en passagiers op praktische, betrouwbare en concurrerende wijze kunnen worden vervoerd. Het aantal passagiersschepen en olie- en gastransporten stijgt elk jaar. Helaas worden de Adriatische en Ionische Zee niet alleen gebruikt voor commercieel maritiem vervoer, maar ook voor mensensmokkel door criminele netwerken.

3.3.3

Derde pijler: behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. Het Adriatisch-Ionische kust- en zeemilieu biedt een grote verscheidenheid aan habitats en soorten. De optelsom van hoge antropogene druk en topografische kenmerken zorgt ervoor dat deze habitats zeer gevoelig zijn voor verontreiniging. Samenwerking tussen de bij het kustgebied betrokken partijen vindt plaats binnen de volgende regelgevingskaders: de kaderrichtlijn mariene strategie, het Verdrag van Barcelona en de protocollen daarbij, en de Gemengde Commissie voor de bescherming van de Adriatische Zee en haar kustgebieden. Rivieruitstroom en maritiem transport hebben beide een aanzienlijk effect op de Adriatische Zee.

3.3.4

Vierde pijler: verhoging van de aantrekkelijkheid van de regio. De toeristische sector is, als een van de belangrijkste en snelst groeiende maritieme activiteiten, van groot economisch belang. In veel gevallen is toerisme de economische ruggengraat van kustregio's en, in toenemende mate, ook van het achterland. Alleen al de cruisesector heeft een groot groeipotentieel. De vraag naar cruises is de afgelopen tien jaar wereldwijd vrijwel verdubbeld. De cruisesector in het Adriatisch-Ionische gebied maakt inmiddels een snelle groei door. Bovendien is het cultureel en archeologisch erfgoed in de regio een sterke troef, die volledig moet worden uitgespeeld. De nieuwe macroregionale strategie moet belanghebbenden uit de toeristische sector helpen interne en externe uitdagingen, zoals toenemende concurrentie van andere bestemmingen evenals seizoenschommelingen, het hoofd te bieden en nieuwe markten aan te boren die tot dusver door de toerisme-industrie zijn genegeerd, zoals toeristen met een handicap en oudere toeristen. Een macroregionale aanpak van kustgebonden, maritiem en andere vormen van toerisme kan een stimulans zijn voor het bevorderen van goed bestuur en het betrekken van particuliere spelers en internationale financiële instellingen.

4.   Specifieke opmerkingen over de discussienota

4.1

Het EESC stelt vast dat niet alle inwoners van de landen in de regio zich evenveel bewust zijn van de kwesties die hier aan de orde worden gesteld. De sterk uiteenlopende ervaringen, met vier lidstaten en vier niet-lidstaten, die allemaal een zeer verschillende niveau van kennis en ontwikkeling hebben, vergen een regionale strategie die goed is afgestemd op het territoriale potentieel van elk land.

4.1.1

Daarom moet de Commissie helpen ervoor te zorgen dat het bewustzijn toeneemt en dat de particuliere sector en de maatschappelijke organisaties rechtstreeks bij een en ander worden betrokken. Dat is hoe dan ook een grote uitdaging.

4.2

Het EESC schaart zich in grote lijnen achter de discussienota, die een gedetailleerde analyse biedt van de basisbestanddelen die nodig zijn voor de ondersteuning van slimme, duurzame en inclusieve groei van de Adriatisch-Ionische regio. Onder de vier pijlers worden de belangrijkste problemen, uitdagingen en doelstellingen adequaat beschreven.

4.3

Het EESC is zeer te spreken over de inspanningen die zijn geleverd om een strategie op te stellen voor de Adriatische en Ionische Zee. In de discussienota worden zwakke punten en synergieën in kaart gebracht, en worden behalve een gemeenschappelijke visie en een aantal voorstellen, die een solide basis vormen voor de ontwikkeling van een strategie, ook diverse realistische maatregelen gepresenteerd; daarnaast wordt de actieve betrokkenheid van alle stakeholders bepleit.

4.3.1

Het EESC gelooft in de cruciale rol die de macroregionale strategieën kunnen spelen voor de landen van de regio. Een goed doordachte strategie kan een algemeen referentiekader leveren en als stabiliteit bevorderende exercitie worden beschouwd, hetgeen altijd een voorwaarde is om particuliere investeerders van binnen en buiten de regio aan te trekken.

4.3.2

Het EESC onderschrijft de prioriteiten die als de sterke punten van de regio zijn aangemerkt: zo is de regio belangrijk als 'hub' voor de verplaatsing van goederen, personen en energie, en biedt zij concurrentievoordelen voor 'blauwe' activiteiten en toerisme. Het lijkt erop dat deze sectoren echte aanjagers van investeringen, groei en werkgelegenheid kunnen worden.

4.3.3

Het EESC stemt ook in met de conclusies van de ontwerpstrategie, nl. dat synergieën voor samenwerking in de regio moeten worden versterkt. Daarom is het EESC van mening dat in het actieplan de nadruk moet worden gelegd op het belang van de totstandbrenging van cluster- en netwerkplatforms, waaruit gezamenlijke initiatieven moeten voortvloeien om gemeenschappelijke zwakheden aan te pakken, en een gezamenlijke visie moet vaststellen voor de ontwikkeling van duurzame, zeer concurrerende economieën in de regio.

4.3.4

Het EESC stelt vast dat bepaalde belangrijke aspecten met betrekking tot territoriale, sociale en economische cohesie in de nota niet naar behoren aan de orde komen.

4.3.5

Het EESC zou graag zien dat belangrijke kwesties als onderzoek, innovatie en de ontwikkeling van het mkb en capaciteitsopbouw niet alleen als horizontale aspecten worden aangeduid, maar een prominentere rol krijgen, zodat zij echte aanjagers van regionale cohesie en concurrentiekracht kunnen worden.

4.3.6

In de discussienota wordt geen melding gemaakt van de strategische waarde van samenwerking in het Middellandse Zeegebied. Hoewel samenwerking in de Adriatisch-Ionische regio van fundamenteel belang is voor de ondersteuning van de landen van de Westelijke Balkan in de pretoetredingsfase, alsook voor het versterken van de band met de macroregio's Donaugebied en Oostzeeregio, is het ook essentieel dat de Adriatisch-Ionische ruimte wordt gezien als een functioneel onderdeel van het Middellandse Zeegebied.

4.3.7

De problemen in verband met onregelmatige migratiestromen worden niet adequaat aangepakt. Gezien de betrokkenheid van de Zuid-Italiaanse regio's (Apulië, Basilicata, Calabrië en Sicilië) bij de Adriatisch-Ionische strategie moet meer aandacht worden besteed aan humanitaire en veiligheidskwesties in verband met migratie vanuit Noord-Afrikaanse landen.

4.3.8

Het EESC is van mening dat de strategie in haar huidige vorm een relatief lange lijst van probleemgebieden, structurele zwakheden en doelstellingen bevat. De uitgebreide lijst dient geen enkel doel en moet worden teruggebracht tot een beter hanteerbaar overzicht van realistische maatregelen. Het raadt dan ook aan om de inhoud van de strategie te beperken tot de belangrijkste actieterreinen of de activiteiten in te delen in korte-, middellange- en langetermijnacties, en te beginnen met de belangrijkste kwesties.

4.3.9

Als bewijs dat de strategie de beginselen van multilevel governance en actief burgerschap hoog in het vaandel draagt zouden alle stakeholders — waaronder regeringen, regionale en lokale overheden, universiteiten, onderzoeksinstellingen, particuliere bedrijven en mkb, sociale partners, ngo's en het maatschappelijk middenveld — nauw moeten worden betrokken bij de Adriatisch-Ionische strategie (11).

4.3.10

Het EESC neemt kennis van de besluiten van de Raad die ertoe strekken dat een macroregionale strategie niet meer geld mag kosten of tot meer regelgeving of nieuwe beheersinstanties mag leiden (de regel van „drie keer nee”), maar vindt dat er meer geld nodig is voor technische ondersteuning, zodat de succesvolle uitvoering van de strategie in de toekomst kan worden gegarandeerd.

4.3.11

Het EESC vindt ook dat het aanzienlijke budget dat de EU reeds via de structuurfondsen ter beschikking heeft gesteld voor regionale programma's, adequaat is en efficiënt moet worden gebruikt voor de uitvoering van de strategie via meer gecoördineerde actie en bovenal via een eenvormige strategische aanpak.

5.   Meer specifieke opmerkingen ten aanzien van de vier pijlers

5.1

Innovatieve maritieme en mariene groei: het EESC constateert dat de zee terecht wordt aangeduid als een fundamenteel element dat de betrokken landen kan helpen bij de ontwikkeling van dynamische economische sectoren en mensen kan helpen lonend werk te vinden. Het acht het essentieel dat nieuwe programmeringsmodellen worden opgezet, die voor de integratie en complementariteit van de waardeketens van de blauwe economie (Blue Food, Blue Tourism, Blue Industry, Blue Logistics en Blue Resources) kunnen zorgen.

5.1.1

In de strategie worden blauwe activiteiten correct aangeduid als sectoren waarop de aandacht moet worden gericht, aangezien aquacultuur al omvangrijke investeringen heeft aangetrokken in de grote landen in de regio en anderen daaraan een voorbeeld kunnen nemen. Van nieuwe investeringen in faciliteiten en extra activiteiten wordt dan ook verwacht dat zij snel rendement kunnen opleveren, hetgeen financiering via de EIB en particuliere lokale en buitenlandse investeerders aantrekkelijk maakt.

5.1.2

Het EESC vindt ook dat er behoefte is aan een „bedrijfsmiddelenefficiënte cultuur”, als middel om managementpraktijken op de belangrijkste activiteitenterreinen te verbeteren. Landen in de regio, vooral de niet-EU-landen, worden geconfronteerd met beperkingen en met een restrictieve bedrijfsfilosofie die enorm zou kunnen profiteren van nauwe samenwerking bij het aanvaarden van een nieuwe bedrijfscultuur. Het EESC is van mening dat particuliere bedrijven de motor moeten zijn achter het welslagen van deze inspanning.

5.1.3

Het EESC zou graag zien dat de gedachte dat deze regio een centrum moet worden voor „innovatieve” activiteiten, een doelstelling voor de zeer lange termijn is. Op dit moment heeft de regio slechts beperkte capaciteit. Daarom moet de strategie streven naar de totstandbrenging van synergieën en verbetering van de onderwijs- en opleidingsinfrastructuur, teneinde geleidelijk blauwe activiteiten te ontwikkelen en onevenwichtigheden in de vraag naar en het aanbod van gekwalificeerde, geschoolde arbeidskrachten te verminderen. De EU kan, met hulp van het bedrijfsleven, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, een belangrijke rol spelen bij de overdracht en ondersteuning van goede praktijken en expertise in de regio.

5.1.4

Het EESC is van mening dat de visserij een belangrijke sociale en economische rol speelt in de Adriatische en Ionische Zee, maar dat de basisinfrastructuur in sommige landen ontoereikend is. Daarom moet de situatie zorgvuldig worden bestudeerd in het actieplan en moet er een realistisch plan worden gepresenteerd. Ook worden niet-EU-landen ertoe aangemoedigd, zich meer te richten naar de Europese visserijwetgeving.

5.2

Connectiviteit van de regio: Het EESC is van mening dat er tot dusver sprake is geweest van een uitgesproken gebrek aan effectieve, kostenefficiënte connectiviteit tussen de landen van de regio, vooral waar het gaat om het dekken van de energiebehoefte. Bovendien zijn de vervoersverbindingen met het achterland en de eilanden ontoereikend. Het EESC deelt de mening dat de lucht- en zeeverbindingen binnen en buiten de regio nodig moeten worden verbeterd en acht het derhalve essentieel dat de maritieme strategie voor de Adriatische en de Ionische Zee (12), die in november 2012 is goedgekeurd, een van de belangrijkste onderdelen van EUSAIR wordt, zodat er efficiënte vervoersverbindingen kunnen worden ontwikkeld, vooral voor niet aan zee grenzende en afgelegen gebieden.

5.2.1

Het EESC steunt de voorgestelde zeesnelweg voor de Adriatische en de Ionische Zee, die een oplossing kan bieden voor het fileprobleem, de concurrentiekloof voor eilanden en het achterland kan helpen dichten en de verbindingen met andere mediterrane vervoerscorridors kan verbeteren.

5.2.2

Het EESC heeft de indruk dat in de discussienota niet de nodige prioriteit wordt toegekend aan energiekwesties, terwijl de EU voortdurend op zoek is naar alternatieve energiebronnen en nieuwe routes voor olie- en gasexporterende landen. Er zijn grote nieuwe pijplijnen gepland, die Europa met de energieproducenten verbinden en die kennelijk door de Adriatisch-Ionische regio gaan lopen. Een voorbeeld hiervan is de overeenkomst tussen Azerbeidzjan, Griekenland en Italië over TAP.

5.2.3

Het EESC is van mening dat, gezien de voor de regio kenmerkende problemen (drugssmokkel, illegale migratie), de Adriatisch-Ionische regio behoefte heeft aan een nieuw bestuursmodel, doeltreffende politiediensten en een nauwere samenwerking tussen regionale en EU-overheden. Het doet dan ook een beroep op de Europese Raad om FRONTEX meer geld en bevoegdheden te geven.

5.3

Behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu: voor de EUSAIR-strategie zijn ambitieuze doelstellingen vastgesteld, die aansluiten bij het strenge milieubeleid van de EU. Het EESC staat achter deze aanpak, gezien het belang van biodiversiteit en het bestaan van habitats die zeer vatbaar zijn voor vervuiling. Het steunt de voorstellen voor nauwere samenwerking tussen kuststaten, zulks binnen het regelgevend kader van de kaderrichtlijn mariene strategie, het Verdrag van Barcelona en de Gemengde Commissie voor de bescherming van de Adriatische Zee en haar kustgebieden. Het EESC is van mening dat sommige landen in deze regio wellicht niet klaar zijn voor een dergelijk ambitieus beleid en nog wel enige aanmoediging kunnen gebruiken, en dat ook ondernemingen financiële steun kunnen gebruiken om hun productie milieuvriendelijk te maken.

5.3.1

Wat in het kader van deze pijler vooral moet gebeuren, is de uitvoering van de bepalingen van de kaderrichtlijn water (13), zodat de uitstoot van nitraat wordt beperkt en het mariene milieu wordt verbeterd.

5.3.2

Ook moeten geavanceerde beheerstechnieken voor verkeer worden ingevoerd, om zwerfvuil en het overboord gooien van ballast te verminderen en om projecten voor afvalbeheer bij kustactiviteiten te bevorderen.

5.3.3

Het EESC steunt de uitvoering van maatregelen voor de ruimtelijke ordening van het mariene milieu, beschermde mariene zones, Natura 2000 en geïntegreerd beheer van kustgebieden.

5.3.4

Het EESC wil erop wijzen dat naleving niet alleen voor EU-lidstaten maar ook, en vooral, voor niet-EU-landen belangrijk is, omdat hun toetreding tot de Unie hierdoor wordt vergemakkelijkt.

5.3.5

Het EESC gelooft ook dat meer samenwerking en uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden tussen de overheden van beschermde mariene zones een efficiënte manier is om het milieu te beschermen.

5.4   Verhoging van de aantrekkelijkheid van de regio

5.4.1

Het EESC is een groot voorstander van de rol van het toerisme, die naar verwachting in de toekomst nog groter zal worden (14), zodat het de grootste economische activiteit van de kustregio wordt. Toerisme heeft grote Europese bedrijven aangetrokken die in kwaliteitstoerisme investeren en een flinke stijging van het toeristenverkeer mogelijk maken. Het levert veel economische voordelen op, stimuleert groei en zorgt voor goedbetaalde banen, vooral voor jonge mensen. Maar zodra het toerisme intensief wordt, moeten verzachtende maatregelen worden genomen om eventuele negatieve effecten op het kust- en mariene milieu, waarvan het zo sterk afhankelijk is, te verminderen.

5.4.2

Het EESC pleit voor een strak geleide toeristische sector, om het toerisme milieuvriendelijker en inclusiever te maken. Het Comité wil erop wijzen dat het bedrijfsleven, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld hierbij steun van onschatbare waarde kunnen verlenen.

5.4.3

Het EESC vindt dat de cruisesector een grotere rol moet krijgen, beter moet worden beheerd en deel moet gaan uitmaken van het toeristisch product, en is voorstander van meer aandacht voor maritiem toerisme d.m.v. nieuwe beleidsinitiatieven en de Europa 2020-doelstellingen, zulks in het kader van de pogingen van de Commissie om een geïntegreerde strategie voor kust- en maritiem toerisme te ontwikkelen.

5.4.4

Het EESC zou graag zien dat culturele en archeologische aspecten beter worden geïntegreerd in toeristische activiteiten. Het toerisme moet worden gediversifieerd en moet ook andere activiteiten omvatten, zoals conferenties, eco- en agrotoerisme, themaproducten en -reizen, alsook academische, zaken- en creatieve reizen. Het EESC is stellig van mening dat bij alle toeristische activiteiten moet worden uitgegaan van de beginselen van het „universeel ontwerp”.

5.4.5

Het EESC is van oordeel dat de macroregionale strategie belanghebbenden uit de toeristische sector moet helpen interne en externe uitdagingen, zoals toenemende concurrentie van andere bestemmingen en seizoenschommelingen, het hoofd te bieden en nieuwe markten aan te boren die tot dusver door de toerisme-industrie zijn genegeerd, zoals toeristen met een handicap en oudere toeristen, door bij het uitwerken van regionale geïntegreerde actieplannen voor territoriale ontwikkeling uit te gaan van goede praktijkvoorbeelden.

Brussel, 21 januari 2014.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Verkennend advies van het EESC over De uitstippeling van een macroregionale strategie in het Middellandse Zeegebied — voordelen voor eiland-lidstaten, PB C 44 van 15.2.2013, blz. 1.

(2)  Zie Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, PB L 310 van 9.11.2006, blz. 1.

(3)  http://www.interact-eu.net/about_us/about_interact/22/2911;

http://www.interact-eu.net/ipvalencia/ipvalencia/117/619 (speciale antenne voor het Middellandse Zeegebied in Valencia).

(4)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Asielbeleidsplan — Een geïntegreerde aanpak van bescherming in de hele EU, COM(2008) 360 final.

(5)  Initiatiefadvies van het EESC over Niet-reguliere immigratie over zee in de Euromediterrane regio, PB C 67 van 6.03.2014, blz. 32.

(6)  COM(2010) 715 final.

(7)  COM(2009) 248 final.

(8)  Conclusies van de Europese Raad EUCO 205/12/, 14 december 2012.

(9)  Four pillars: an indicative structure for action, overeengekomen door acht ministers van Buitenlandse Zaken en eurocommissaris Hahn in november 2012.

(10)  Europees Parlement: Verslag over een visserijstrategie voor de Adriatische en Ionische Zee, (2012/2261 (INI), A7-0234/2013.

(11)  COM(2011) 884 final.

(12)  COM (2012) 713 final.

(13)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000.

(14)  Volgens de UNWTO zal de toeristenstroom wereldwijd met gemiddeld 3,3% per jaar toenemen tot het jaar 2030. Voor meer conclusies uit het UNWTO-verslag voor 2012, zie WWW.UNWTO.org. Meer dan de helft van de internationale toeristen doet Europa aan, dat hiermee de snelst groeiende toeristische regio ter wereld is.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/40


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

COM(2013) 803 final — 2013/0392 (NLE)

(2014/C 177/06)

De Raad heeft op 25 november 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 148, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

COM(2013) 803 final — 2013/0392 (NLE).

Het Comité heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) met 150 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 21 januari 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/41


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 260/2012 ten aanzien van de migratie naar uniale overmakingen en automatische afschrijvingen

(COM(2013) 937 final — 2013/0449 (COD))

(2014/C 177/07)

De Raad heeft op 14 januari 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 260/2012 ten aanzien van de migratie naar uniale overmakingen en automatische afschrijvingen

(COM(2013) 937 final — 2013/0449 (COD)).

Het Comité kan zich volledig in dit voorstel vinden. Het heeft bovendien reeds een standpunt over dit onderwerp ingenomen in een op 5 mei 2011 verschenen advies (1) (CESE 794/2011 — 2010/0373 (COD)). Daarom heeft het tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) met 159 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 4 onthoudingen, besloten een positief advies over de voorgestelde tekst uit te brengen en daarin te verwijzen naar zijn eerder geformuleerde standpunt ter zake.

Brussel, 21 januari 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Advies van het EESC over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van technische vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PB C 218 van 23 juli 2011, blz. 74).


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

495e zitting van het EESC van 21 en 22 januari 2014

11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/42


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende indices die als benchmarks worden gebruikt voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten

(COM(2013) 641 final — 2013/0314 (COD))

(2014/C 177/08)

Rapporteur: IOZIA

De Raad en het Europees Parlement hebben op respectievelijk 18 en 10 oktober 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende indices die als benchmarks worden gebruikt voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten

(COM(2013) 641 final — 2013/314 (COD)).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 december 2013 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 140 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Financiële benchmarks spelen een belangrijke rol in de financiële sector, zowel voor de prijsstelling van diverse producten als voor de correcte bepaling van risico en kapitaal. Voor een efficiënte werking van de financiële markten is het dus cruciaal dat benchmarks geloofwaardig en betrouwbaar zijn.

1.2

De diverse vormen van manipulering van de benchmarks hebben wereldwijd tot twijfel en zorg geleid over de integriteit van de benchmarks, en de integriteit van het systeem en de veiligheid van de handel aangetast. Het EESC is bezorgd over de ernst van de gevolgen van dit gedrag. De manipulering kan immers leiden tot aanzienlijke verliezen voor investeerders, ongelijke verhoudingen in de reële economie, en in het algemeen tot de volledige ondermijning van het vertrouwen in de markten. Daarom bepleit en beveelt het EESC aan dat de nieuwe voorstellen zo snel mogelijk worden goedgekeurd.

1.3

In april 2013 is in het Verenigd Koninkrijk de Financial Conduct Authority (FCA) opgericht, een orgaan dat toezicht houdt op het gedrag van financiële instellingen. De FCA heeft de activiteiten voor de samenstelling van de LIBOR gereguleerd, door nieuwe eisen te stellen ter versterking van het bestuur en de controles en door sancties in te voeren voor degenen die de LIBOR manipuleerden.

1.4

Door verbetering van de bestaande voorstellen voor een verordening inzake marktmisbruik (Market Abuse Regulation, MAR) en een richtlijn inzake strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (Criminal Sanctions for Market Abuse Directive, CSMAD) heeft de Commissie de illegaliteit van manipulering van financiële benchmarks bekrachtigd via administratieve of strafrechtelijke sancties. Hoewel noodzakelijk is het mechanisme voor sancties echter onvoldoende om het gevaar van nieuwe manipulering in de toekomst te bezweren.

1.5

Daarom stemt het EESC in met het Commissievoorstel voor een verordening en meent het dat hiermee de wetgeving wordt verbeterd: zij garandeert de vereiste integriteit van de markt en de waarden waar de benchmarks voor staan. De waarden komen niet in het gedrang door enig belangenconflict, geven de economische realiteit weer en worden correct toegepast. Het is duidelijk dat de publieke economische orde hiermee gediend is.

1.6

Van bijzonder belang zijn de maatregelen ter bescherming van klokkenluiders (whistle blowers). Aanbevolen wordt in de regelgeving te verwijzen naar het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/6/EG inzake marktmisbruik, dat lidstaten uitdrukkelijk verplicht om normen uit te vaardigen ten behoeve van deze bijzondere bescherming.

1.7

Het EESC stelt met genoegen vast dat het voorstel strookt met de principes die de IOSCO de afgelopen zomer na tal van raadplegingen heeft bepaald, die de uitvoeringskosten aanzienlijk verminderen.

1.8

De bekende schandalen omtrent manipulering met de LIBOR en de EURIBOR en daarna, in verband met de benchmarks voor wisselkoersen, prijzen voor ruwe olie, aardolieproducten en biobrandstoffen, tonen aan dat tal van benchmarks gereguleerd moeten worden, met inbegrip van de benchmarks voor energiederivaten en grondstoffen. Het EESC is het roerend eens met de brede doelstelling van het verordeningsvoorstel, die strookt met het evenredigheidsbeginsel, en beveelt deze sterk aan.

1.9

De onderhavige verordening vergroot de markttransparantie en bevat maatregelen die de fragmentatie tegengaan. Een uniforme toepassing van de regels vermijdt het risico — dat zeer groot is op de financiële markten — van regelgevingsarbitrage, en de eindgebruikers zullen daarom gebaat zijn bij uniforme grensoverschrijdende referentiewaarden.

1.10

Het EESC, waar de bescherming van de consument sinds jaar en dag hoog in het vaandel staat, meent dat de verordening op passende wijze de vigerende regels integreert over een onderwerp waarvoor anders geen enkele maatregel gepland zou zijn die kan zorgen voor een geschikte en adequate evaluatie van de referentiecriteria. Investeerders hebben er recht op dat hun effecten (leningen, derivaten, enz.) beschermd worden tegen verlies door marktvervalsing.

1.11

Het EESC spreekt opnieuw zijn teleurstelling uit over het frequente gebruik van gedelegeerde handelingen die ook in dit voorstel voor een verordening niet lijken te stroken met de verdragsbepalingen. Veel zaken die als gedelegeerde handelingen zijn ingevoegd, zouden in de verordening omschreven moeten worden. In dit verband heeft het EESC een eigen advies (1) uitgebracht. De Commissie zou het Comité op de hoogte moeten stellen van alle maatregelen die zij op dit terrein via gedelegeerde handelingen wil treffen.

2.   Samenvatting van de voorgestelde verordening

2.1

De Commissie stelt voor een verordening in te voeren die normen oplegt voor de benchmarks van financiële instrumenten en overeenkomsten in de EU.

2.2

Het voorstel is in het algemeen gericht op waarborging van de integriteit van de waarden van de benchmarks, om ervoor te zorgen dat zij a) niet worden beïnvloed door conflictenbelangen; b) de economische realiteit weergeven die zij moeten vertegenwoordigen en meten en c) adequaat worden toegepast.

2.3

De belangrijkste kenmerken van het voorstel voor een verordening kunnen als volgt beknopt worden samengevat en beogen:

het verbeteren van het beheer van en de controles op het proces van vorming van benchmarks. Gepland is een preventieve vergunning en permanente bewaking van de levering van benchmarks. Dit geldt zowel voor het nationale als het Europese niveau.

Het voorstel voorziet ook dat beheerders van benchmarks conflictenbelangen, indien mogelijk, vermijden of deze ten minste adequaat benaderen als ze onvermijdelijk zijn;

het verbeteren van de kwaliteit van de door beheerders van benchmarks gebruikte gegevens en methoden. Volgens het voorstel moeten bij het bepalen van de benchmarks voldoende en nauwkeurige gegevens worden gebruikt die de daadwerkelijke markt of de reële economie vertegenwoordigen die de benchmark moet meten. De gegevens moeten uit betrouwbare bron stammen en de benchmark moet op solide en betrouwbare wijze worden bepaald. De gegevens voor de berekening van de referentiewaarden moeten gepubliceerd worden of beschikbaar zijn voor het publiek, evenals de informatie over hoe elke benchmark gemeten wordt, behalve als dit zeer negatieve gevolgen kan hebben.

Om de referentiewaarden te bepalen moeten indien mogelijk gegevens over transacties gebruikt worden. Ontbreken deze, dan moet men zich baseren op controleerbare ramingen;

ervoor zorgen dat degenen die de gegevens verstrekken voor de referentiewaarden passende gegevens aanleveren en adequaat gecontroleerd worden. De beheerder van de referentiewaarde moet een wettelijk verplichte gedragscode opstellen met verplichtingen en verantwoordelijkheden voor de contribuant van gegevens die voor de bepaling van de referentiewaarde worden gebruikt. De verplichtingen betreffen ook de aanpak van belangenconflicten;

het verzekeren van adequate bescherming van consumenten en beleggers die de referentiewaarden toepassen. Het voorstel verbetert de transparantie van data die gebruikt worden voor de berekening van de referentiewaarde, de wijze waarop deze tot stand komt, de berekening van wat de waarden meten en hoe ze moeten worden gebruikt. De banken moeten verder nagaan of de gebruikte benchmark correct is, alvorens een financiële overeenkomst voor te stellen en de klant waarschuwen als dat niet het geval is (bijv. in contracten voor hypothecaire leningen);

het toezicht op en de toepasbaarheid van cruciale referentiewaarden coördineren. Het toezicht op cruciale referentiewaarden wordt toevertrouwd aan speciale toezichthoudende colleges, onder leiding van de toezichthoudende autoriteit van de beheerder van de benchmark en andere toezichthoudende autoriteiten van andere geïnteresseerde rechtsgebieden. Ook de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) maakt hiervan deel uit. Is het college het onderling niet eens, dan besluit de ESMA via bindende bemiddeling. De als cruciaal beschouwde benchmarks zijn aangevuld met „speciale” vereisten: de bevoegde autoriteiten mogen bijv. de verstrekking van gegevens verplicht stellen.

2.4

De centrale banken vallen niet onder het toepassingsgebied van de normen omdat zij al over garantie- en reguleringssystemen beschikken.

2.5

De bijlagen bij het voorstel bevatten gedetailleerde bepalingen over de benchmarks voor grondstoffen en voor het bepalen van de rentevoeten.

2.6

Om dubbele regelgeving te voorkomen, zijn de benchmarks waarvan de gegevens afkomstig zijn van gereguleerde instanties vrijgesteld van bepaalde verplichtingen, als deze onder andere Europese wettelijke bepalingen en toezichtsverplichtingen vallen.

3.   Opmerkingen

3.1

Het EESC erkent, steunt en waardeert de inzet van de Commissie, die met een fors werkprogramma met korte termijnen werkt aan de verbetering van de stabiliteit en efficiëntie van de markt voor financiële dienstverlening. Het EESC herhaalt daarom dat dit een voorwaarde is om te garanderen dat de financiële sector de reële economie van dienst kan zijn.

3.2

Volgens het EESC sluit deze verordening aan op het streven om een financieel stabiel klimaat te bevorderen, met toezicht en meer verantwoordelijkheid; dat klimaat sluit dus beter aan op de eisen van de consumenten en de economie in het algemeen.

3.3

Het EESC vreest dat de verordening niet bijtijds wordt goedgekeurd, wat fnuikend is voor de verwachtingen van de Europese burger, die vastbesloten en strenge actie wil tegen de manipuleringen van de markt en instrumenten die het verloop tonen van effecten en (referentie)waarden, die enorme schade veroorzaken tegen de achtergrond van omvangrijke en complexe moeilijkheden. Het hoopt daarom op een snelle goedkeuring, zodat we niet het volgende financiële schandaal hoeven af te wachten dat ons aanspoort tot goede wetgeving. Het EESC tekent aan dat de complexiteit en de omvang van de doelstellingen van de voorgestelde regulering het traject van goedkeuring kunnen vertragen.

3.4

De diverse op de financiële markten aanwezige benchmarks (bijv. LIBOR, EURIBOR, voor de tussen banken berekende rentevoeten of beursindexen) zijn een belangrijk onderdeel van het financiële stelsel.

3.5

De integriteit van referentiewaarden is fundamenteel voor het bepalen van de prijs van tal van financiële instrumenten, zoals renteswaps en rentetermijncontracten, (niet-)commerciële contracten, overeenkomsten voor levering, lening en hypotheken. Omdat van deze parameters de waarde van financiële instrumenten en betalingen van financiële overeenkomsten afhangt, is hun verloop van aanzienlijke invloed op beleggers en consumenten.

3.6

Volgens de ECB was in maart 2012 gemiddeld bijna 60% van het totaal aan leningen in de niet-financiële sector in de eurozone gebaseerd op variabele rentevoeten; tegelijk bedroeg het percentage leningen met variabele rentevoet aan huishoudens 40%.

3.7

De recente schandalen met de manipulering van LIBOR en EURIBOR (maar later waren er ook schandalen, met manipulering van referentiewaarden voor wisselkoersen of energieprijzen) hebben overal ter wereld tot bezorgdheid geleid over de betrouwbaarheid van de referentiewaarden. De Commissie streeft volgens het EESC terecht naar reglementering van elke potentiële vorm van manipulering van indices.

3.8

Maar als vertekende benchmarks, omdat ze gemanipuleerd of onbetrouwbaar zijn, niet weergeven wat ze moeten meten, schaadt dat beleggers en consumenten, die het vertrouwen in de markt verliezen.

3.9

Terwijl sommige referentiewaarden nationaal zijn, is de referentiesector als geheel internationaal. De EU-markt voor financiële diensten moet dus de vruchten plukken van een gemeenschappelijk, betrouwbaar in de diverse lidstaten correct toegepast referentiekader.

3.10

Dankzij de wijzigingsvoorstellen van de Commissie voor de richtlijn inzake marktmisbruik (2) en de voorstellen voor strafrechtelijke sancties wordt elk misbruik correct gestraft. Het Comité herhaalt zijn steun voor deze herhaaldelijk bepleite oplossing, met name in verband met zijn advies over sancties in de financiële sector (3).

3.11

Zoals de Commissie echter zelf stelt, zal alleen het wijzigen van de sanctieregeling de manier waarop benchmarks worden gemaakt en gebruikt, niet verbeteren. Het opleggen van sancties neemt immers niet de kans op manipulering weg die voortvloeit uit het gebrekkig beheer van het benchmarkproces waarbij sprake is van belangenconflicten en keuzevrijheid. Het EESC is sterk voorstander van dit standpunt en meent dat een normenstelsel dat transparantie garandeert, noodzakelijk is.

3.12

Voorts moeten benchmarks om beleggers en consumenten te beschermen solide en betrouwbaar zijn en geschikt zijn voor hun doel.

3.13

Het EESC, waar uitgebreide bescherming van de beleggers- en consumentenbelangen al lang hoog in het vaandel staat, beseft het probleem en is het dan ook roerend met deze eis eens. De beleggers kunnen hierbij gebaat zijn omdat ze zeker weten dat de benchmarks die gebruikt worden voor het financieel instrument dat zij bezitten, solide en vrij van manipulering zijn.

Daarom herinnert het EESC aan zijn herhaaldelijk geuite wens tot oprichting van een Europees agentschap voor de bescherming van de consument van financiële diensten, vergelijkbaar met wat in de VS gedaan is via de Dodd-Franck Act.

3.14

In verband hiermee acht het EESC het uiterst belangrijk dat de verordening de bescherming van de belegger via speciale bepalingen inzake transparantie wil uitbreiden. Het transparantiebeginsel behelst immers dat eigendomsinformatie niet wordt verspreid en niet aan concurrenten wordt overgedragen. De transparantie garandeert daarentegen een duidelijke en veilige context waar de concurrentie beter kan functioneren.

3.15

Volgens het EESC is het voorstel ten aanzien van de passende bescherming van beleggers en consumenten voor verbetering vatbaar door duidelijke en toegankelijke klachtenrechten en opeisbare schadevergoeding te garanderen. Deze kunnen worden onderverdeeld in:

klachtenrecht voor de consument voor het/de aangeschafte product of dienst met flexibele en snelle procedures;

klachtenrecht voor de beheerder, overeenkomstig artikel 5, sub d), van het voorstel en bijlage II, deel 5a. In dit geval moet voor het beroep van de beheerder een formule worden gevonden waarbij de klachten behandeld worden door onafhankelijke derden die de procedure objectief kunnen onderzoeken en erover oordelen. In het voorstel van de Commissie lijken de termijnen van 6 maanden eerlijk gezegd overdreven.

3.16

In de richtlijn over consumentenkrediet wordt de consument beschermd via normen voor correcte informatie; deze worden ook voorbereid voor de richtlijn voor hypothecair krediet, die binnenkort zal worden goedgekeurd. Maar deze EU-normen ter bescherming van de consument gaan voorbij aan de geschiktheid van benchmarks in financiële contracten: het voorstel moet aansluiten op de rest van het juridisch bestel van de Unie.

3.17

Het EESC benadrukt dat in artikel 18 verduidelijkt moet worden dat de beoordeling of de aan de consument voorgestelde benchmark juist is, verplicht is (vergelijkbaar met het bepaalde in de MiFID-richtlijn); zo niet dan moet de aan toezicht onderworpen entiteit een andere, meer geschikte benchmark voorstellen.

3.18

In het verlengde van de aanbevelingen van de IOSCO steunt het EESC het streven van de Commissie om een „objectiever” systeem voor de samenstelling van benchmarks te gebruiken, uitgaande van feitelijke transacties in plaats van officiële enquêtes.

3.19

Het EESC onderschrijft het brede toepassingsgebied van de beginselen van de verordening, die aansluiten op de door de IOSCO voorgestelde en in juli 2013 gepubliceerde beginselen. De verordening strekt zich in potentie uit tot een brede reeks referentiewaarden.

3.20

Tegelijk zou het EESC graag zien dat er uitvoeringsbepalingen komen die ook het evenredigheidsbeginsel waarborgen. De benchmarks lopen onderling sterk uiteen wat betreft verspreiding, betekenis en gevoeligheid voor manipulering. Daarom acht het EESC het zaak dat men rekening houdt met de specifieke kenmerken van de afzonderlijke benchmarks, de samenstelling ervan en met de beheerder.

3.21

De beoordelingsmarge van de beheerder om eigen methoden te kiezen voor de samenstelling van benchmarks is misschien ontoereikend om de toepassing van evenredigheid te waarborgen. Het EESC pleit er daarentegen voor om de aanpak die al in de verordening is opgenomen, te verbeteren met speciale normen voor „cruciale” referentiewaarden, door naast de beginselen van algemene strekking gedetailleerdere principes te hanteren die in kunnen spelen op de diverse categorieën referentiewaarden en de eventuele risico's hiervan.

3.22

Volgens het EESC kan de laatstgenoemde suggestie eventuele lacunes beter opvullen, doordat gepaste beginselen worden ingevoerd, zonder evenwel afbreuk te doen aan de brede toepasbaarheid van de normen.

3.23

Het is van belang onderscheid te maken tussen de benchmarks, ook gezien mogelijke gevolgen die op opkomende markten kunnen plaatsvinden, waar benchmarks belangrijke criteria zijn voor de transparantie bij overdracht van informatie. Het EESC beveelt dus aan om de regelgeving aan te passen op basis van de vraag of de benchmark al dan niet systeemrelevant is. Dit is bedoeld om de ontwikkeling van enkele markten niet te belemmeren.

3.24

Het EESC acht het juist dat voor de procedures voor de samenstelling van de benchmarks in geval van manipulering zowel civiel- als strafrechtelijke sanctieregelingen gelden.

3.25

Procedures voor de samenstelling van benchmarks kunnen uitsluitend solide en veilig mits zij berusten op een degelijke governancestructuur. Het EESC staat in dit verband achter het idee om de beheerder de verantwoordelijkheid voor de benchmark toe te kennen en is het met de Commissie eens dat de toegepaste bestuursstructuren wat rol en procedures betreft, worden aangepast aan eventuele belangenconflicten.

3.26

Ter verbetering van dit idee suggereert het EESC voor deze aspecten verplichte transparantie toe te voegen.

3.27

In aansluiting op standpunten die uit de IOSCO-raadplegingen naar voren kwamen, ziet ook het EESC het belang in van brede deelname aan de samenstelling van benchmarks, juist om de meer dan eens vermelde transparantie en representativiteit van de referentiewaarden te garanderen. De in de verordening vermelde vrijwillige verstrekking van gegevens is een stap in de juiste richting, maar het Comité stelt voor nauwkeurige regels in te voeren voor het verstrekken van gegevens om de veiligheid en betrouwbaarheid van benchmarks te waarborgen.

3.28

Ten aanzien van artikel 8, lid 3, inzake de interne procedures voor het melden van inbreuken op de verordening, moet volgens het EESC voorzien worden in flexibele, snelle en vlotte procedures voor de rapportage van vermelde inbreuken.

3.29

Van bijzonder belang zijn de maatregelen ter bescherming van klokkenluiders (whistle blowers). Aanbevolen wordt in de normen te verwijzen naar het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/6/EG inzake marktmisbruik, dat werknemers van bedrijven verplicht tot het melden van geconstateerd illegaal gedrag, met een uitdrukkelijke verplichting voor de lidstaten om normen uit te vaardigen ten behoeve van deze bijzondere bescherming.

3.30

Het EESC acht het zinvol normen in te voeren die aanzetten tot gefundeerde meldingen van misstanden en die degenen die justitie helpen, belonen.

3.31

Het EESC onderschrijft de bepaling voor voorafgaand overleg met degenen die eventueel van methode willen veranderen indien zulks nodig wordt geacht. Deze benadering staat vooral voor benchmarks die regelmatig worden herzien, garant voor ononderbroken toepassing van de benchmark.

3.32

In die zin is het nuttig te voorzien in gepaste instrumenten voor een brede verspreiding en bekendheid van de methoden voor de berekening van de referentiewaarde (bijv. publicatie op website). De richtsnoeren van de ESMA zouden in adhocnormen kunnen voorzien.

3.33

Het EESC beveelt de Commissie aan om de eventuele overgangsfase naar nieuwe en andere benchmarks behoedzaam te behandelen. Deze kwestie ligt gevoelig omdat zij tot onzekerheid omtrent bestaande contracten kan leiden, met geschillen en een slecht werkende markt tot gevolg. In die omstandigheden is een oplossing de handhaving van de af te schaffen benchmark, terwijl de nieuwe alleen voor nieuwe contracten geldt.

3.34

Het is belangrijk dat de verklaring van de beheerder omtrent naleving van de gedragscode van de verordening ook aangeeft of die naleving door derden is bevestigd. Deze laatste informatie kan immers enerzijds helpen om doeltreffender na te gaan of de code adequaat is, en anderzijds om eventueel later toegekende taken in geval van inbreuk op de beginselen van de verordening te beheren.

Brussel, 21 januari 2014.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 67 van 6.3.2014, blz. 104.

(2)  COM(2011) 651 final en COM(2011) 654 final.

(3)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 108.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/48


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing van een aantal basisbesluiten waarin wordt verwezen naar de regelgevingsprocedure met toetsing, aan de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

(COM(2013) 751 final — 2013/0365 (COD))

(2014/C 177/09)

Algemeen rapporteur: Antonello PEZZINI

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 10 december 2013 en 18 november 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing van een aantal basisbesluiten waarin wordt verwezen naar de regelgevingsprocedure met toetsing, aan de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

(COM(2013) 751 final — 2013/0365 (COD)).

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting de heer Pezzini als rapporteur aangewezen en vervolgens het volgende advies met 112 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité kan zich in het voorstel van de Europese Commissie vinden omdat zij daarmee zekerheid verschaft over de regelgeving van de Unie, naar vereenvoudiging en meer efficiëntie streeft, ervoor zorgt dat de democratische controle volledig tot zijn recht komt en alle betrokkenen helder worden geïnformeerd.

1.2

Ook stemt het tot tevredenheid dat de Commissie in haar voorstel rekening heeft gehouden met de opmerkingen uit eerdere adviezen van het Comité.

1.3

De Commissie stelt voor om zo'n 80 verordeningen en richtlijnen te wijzigen. Het Comité kan zich evenwel niet over ieder wijzigingsvoorstel uitspreken want het gaat om een zeer breed scala aan onderwerpen betreffende:

netwerken;

inhoud en communicatietechnologie;

klimaatmaatregelen;

energie;

ondernemingen en industrie;

milieu;

statistieken;

interne markt en diensten;

mobiliteit en vervoer;

gezondheid en consumenten;

humanitaire hulp.

1.4

Het Comité beveelt aan om in een later stadium over te gaan tot een diepgaande evaluatie van doelstellingen, inhoud, strekking en duur van de delegatie. Zulks in het kader van de integrale uitoefening van democratische controle op Europees niveau, waarbij niet mag worden getornd aan de prerogatieven en taken die in het Europees wetgevingsproces aan de nationale parlementen zijn gegarandeerd. Verder herhaalt het dat de noties „niet-essentiële maatregelen” en „gedelegeerde bevoegdheden” op ondubbelzinnige wijze en in het licht van de interpretaties van het Hof van Justitie moeten worden gedefinieerd.

1.5

Het Comité benadrukt dat het van belang is:

dat het EP hieraan volledig deelneemt;

dat de comitologieprocedures worden gestroomlijnd en vereenvoudigd;

dat hierover beter wordt geïnformeerd, zowel wat betreft de bevoegdheden van de comités, als wat betreft de maatregelen die tijdens alle stadia van de procedure worden vastgesteld;

dat de burgers en het maatschappelijk middenveld volledig toegang tot die informatie hebben.

1.6

Voorts hamert het Comité er opnieuw op dat de comitéprocedures voor de inwoners van de EU en met name voor de directe betrokkenen zo transparant en begrijpelijk mogelijk moeten zijn.

1.7

Ook wijst het erop dat volledig uitvoering moet worden gegeven aan artikel 8A van het Verdrag van Lissabon, inhoudende dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers moeten worden genomen, en dat de volledige toegankelijkheid tot informatie voor burgers en maatschappelijk middenveld gewaarborgd moet zijn.

1.8

Het Comité dringt er ten slotte op aan dat de impact van de toepassing van het nieuwe regelgevingskader wordt geëvalueerd aan de hand van een periodiek rapport over de doeltreffendheid, de transparantie en de verspreiding van informatie dat aan het Europees Parlement, de Raad en het Comité wordt voorgelegd.

2.   Inleiding

2.1

In het Verdrag van Lissabon werd het onderscheid ingevoerd tussen de bevoegdheid die aan de Commissie kan worden overgedragen om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling (de delegatieprocedure/gedelegeerde bevoegdheden van artikel 290 VWEU), en de bevoegdheid die aan de Commissie kan worden overgedragen om uitvoeringshandelingen te verrichten ten behoeve van eenvormige voorwaarden van juridisch bindende handelingen van de Unie (de procedure van artikel 291 VWEU).

2.1.1

Deze zogeheten gedelegeerde handelingen worden geregeld via een aantal niet-dwingende instrumenten zoals:

de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (1);

het interinstitutionele akkoord over gedelegeerde handelingen van 2006;

de artikelen 87 bis en 88 van het reglement van orde van het EP, zoals gewijzigd bij het Besluit van 10 mei 2012 (2).

2.2

Zoals het Comité opmerkte in zijn advies van 2008 (3) had de Raad reeds in juli 2006 (4) zijn besluit over de aan de Commissie toegekende uitvoeringsbevoegdheden (5) gewijzigd door een nieuwe procedure in te voeren: de regelgevingsprocedure met toetsing (RPMT).

2.2.1

Dankzij deze procedure kan de wetgever zich verzetten tegen de goedkeuring van „quasi-wetgevende” maatregelen — d.w.z. algemene maatregelen die de niet-essentiële onderdelen van volgens de medebeslissingsprocedure goedgekeurde basisinstrumenten wijzigen — telkens als hij van oordeel is dat de voorgenomen maatregelen de in het basisbesluit vervatte uitvoeringsbevoegdheden te boven gaan, niet verenigbaar zijn met het doel of de inhoud van het besluit of niet stroken met het subsidiariteits- of evenredigheidsbeginsel.

2.2.2

Het gaat hier om typische comitologieprocedures, die zijn geregeld in Raadsbesluit 1999/468/EG zoals gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG, waarin de Commissie de verplichting werd opgelegd om ontwerpen van aanpassingsmaatregelen voor te leggen aan uit functionarissen van de nationale overheden samengestelde comités en zulks volgens een van de volgende vijf comitologieprocedures: met betrekking tot raadpleging, beheer, regelgeving, regelgeving met toetsing en vrijstelling. In december 2006 reeds heeft de Commissie de 25 desbetreffende besluiten goedgekeurd (6), waarover het Comité een advies heeft uitgebracht (7).

2.3

De RPMT werd gebruikt voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen tot wijziging van „niet-essentiële onderdelen van een basisbesluit”. Artikel 5 bis van het Comitologiebesluit en de RPMT golden tussen 2009 en 2014 als overgangsregeling in afwachting van aanpassing aan het stelsel van gedelegeerde handelingen via wijziging van een reeks verordeningen, richtlijnen en besluiten.

2.4

Onlangs nog heeft het Comité advies uitgebracht over twee omnibusverordeningen (8) die betrekking hadden op 12 beleidsgebieden. Het steunde de Commissievoorstellen „want de rechtszekerheid van EU-regelgeving, vereenvoudiging en doeltreffendheid zijn erbij gebaat.” Wel beval het Raad en EP aan om „zeer nauwgezet toe te zien op alle handelingen die in dit verband verricht zullen worden”. Het gaat immers om de verhuizing van maar liefst 165 wetgevingshandelingen van de RPMT naar de nieuwe regeling aangaande gedelegeerde handelingen.

2.5

Er zij herinnerd aan het recent uitgebrachte gedetailleerde rapport van het Comité over de delegatieprocedure en lezing daarvan draagt zeker bij tot begrip van dit advies.

3.   Voorstellen van de Commissie

3.1

De voorstellen weerspiegelen de „klassieke” methode en bevatten een regelgevingskader.

3.2

De Commissie stelt voor om 76 rechtsinstrumenten (verordeningen en richtlijnen die op verscheidene terreinen betrekking hebben) te wijzigen. Met het oog op aansluiting bij het VWEU stelt zij onder meer schrappingen voor in de Verordeningen (EG) 66/2010 en (EG) 1221/2009 inzake milieu; in Verordening (EG) 1333/2008 en Richtlijn 2002/46/EG inzake gezondheid en consumenten (9); en in Verordening (EG) 1257/96 van de Raad inzake humanitaire hulp.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het Comité kan zich in het voorstel van de Commissie vinden omdat zij daarmee zekerheid verschaft over de EU-regelgeving, naar vereenvoudiging en meer efficiëntie streeft en ervoor zorgt dat EP en Raad hun democratische controlerechten volledig kunnen uitoefenen.

4.2

Het Comité is uiteraard tevreden over het feit dat een aantal van zijn aanbevelingen uit eerdere adviezen in de voorstellen zijn terug te vinden. Wel herhaalt het „dat de duur van de bevoegdheidsdelegatie krachtens artikel 290 VWEU uitdrukkelijk in het basisbesluit moet worden afgebakend. Ook is het zo dat, een enkele uitzondering daargelaten, er in principe voor bepaalde tijd wordt gedelegeerd, waarbij er, na het uitbrengen van een uitvoeringsverslag, verlengd kan worden.” (10)

4.3

Het Comité herinnert eraan dat het EP in zijn resolutie van 5 mei 2010 over bevoegdheidsdelegatie erop wees dat bevoegdheidsdelegatie een delicate zaak is en dat „de doelstellingen, inhoud, strekking en duur van een bevoegdheidsdelegatie overeenkomstig artikel 290 VWEU uitdrukkelijk en uiterst nauwkeurig in elke basishandeling moeten worden vastgelegd”. Volgens het Comité moet dit tevens gelden met het oog op de aan de nationale parlementen gegarandeerde prerogatieven en taken in het Europese wetgevingsproces.

4.4

Verder is het van mening dat uitsluitend tot delegatie mag worden overgegaan „om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bestaande niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling” in de zin van artikel 290 VWEU. Voorts dient voor uitvoeringshandelingen de procedure van artikel 291 VWEU te worden gevolgd, waarbij in geen geval tot delegatie mag worden overgegaan van handelingen die essentiële onderdelen van een beleidsgebied betreffen. Daarnaast moet de notie „niet-essentiële onderdelen” nog worden gedefinieerd en dient er een nauwkeurige evaluatie te komen van het functioneren van een dergelijk mechanisme.

4.5

Ook herhaalt het Comité zijn aanbeveling aan de Commissie „om bij haar grootscheepse operatie meer rekening te houden met de specificiteiten van bepaalde basisbesluiten” (11) en rekening te houden met de interpretatie van het Hof van Justitie van de noties „niet-essentiële maatregel” en „gedelegeerde bevoegdheden van de Commissie”.

4.6

Het Comité benadrukt dat het van belang is dat:

het EP hieraan volledig deelneemt, en dus het recht heeft om een besluit uiteindelijk te verwerpen;

het EP en de Raad hierover beter wordt geïnformeerd, zowel wat betreft de comités, als wat betreft de maatregelen die zij tijdens alle stadia van de procedure voorgelegd krijgen;

het EP een grotere rol krijgt dankzij een overlegprocedure met de Raad in geval van een negatief advies van het EP.

4.7

Het Comité herhaalt nogmaals „dat de comitéprocedures transparanter en begrijpelijker zouden moeten zijn voor iedereen die in de EU verblijft en in het bijzonder voor degenen voor wie zij zijn bestemd. Bij comitéprocedures zijn slechts vertegenwoordigers van de Commissie en regeringen van de lidstaten betrokken en deze procedures hebben — naar gelang van de aard van het ingestelde comité — betrekking op het beheren, de raadpleging of de reglementering die voor de uitvoering van de bijbehorende wetgevingsbesluiten vereist is”. (12)

4.8

Het Comité dringt er ook op aan dat de impact van de toepassing van de nieuwe procedure wordt geëvalueerd door het Europees Parlement, de Raad en het Comité een periodiek rapport voor te leggen over de doeltreffendheid, de transparantie en de verspreiding van gebruikersvriendelijke en toegankelijke informatie over alle gedelegeerde communautaire handelingen. Zo kan een monitoring van deze procedure worden uitgevoerd, waarin regelgeving en daadwerkelijke uitvoering worden gecombineerd.

4.9

Het Comité wijst er ten slotte nogmaals op dat volledig uitvoering moet worden gegeven aan artikel 8A van het Verdrag van Lissabon, inhoudende dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers moeten worden genomen, en dat de volledige toegankelijkheid tot informatie voor burgers en maatschappelijk middenveld gewaarborgd moet zijn.

Brussel, 21 januari 2014.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Henri MALOSSE


(1)  COM(2009) 673 final van 9.12.2009.

(2)  Doc. A7-0072/2012.

(3)  PB C 224 van 30.8.2008, blz. 35.

(4)  Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006).

(5)  Beschikking 1999/468/EG (PB L 184 van 17.7.1999).

(6)  COM(2006) 901 final t/m 926 final.

(7)  PB C 161 van 13.7.2007, blz. 45.

(8)  PB C 67 van 6.3.2014, blz. 104.

(9)  Zo zou de duidelijkheid zijn gediend met schrapping van artikel 29, onder i, („een communautaire procedure voor het melden van ernstige ongewenste voorvallen en bijwerkingen en de wijze van melding”) van Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong.

(10)  Zie voetnoot 8.

(11)  Zie voetnoot 8.

(12)  Zie voetnoot 7.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/52


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe psychoactieve stoffen

COM(2013) 619 final — 2013/0305 (COD)

COM(2013) 618 final — 2013/0304 (COD)

(2014/C 177/10)

Rapporteur: David SEARS

De Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 4, 7 en 8 oktober 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe psychoactieve stoffen

COM(2013) 619 final — 2013/0305 (COD) — COM(2013) 618 final — 2013/0304 (COD).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 december 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari 2014) het volgende advies uitgebracht, dat met 148 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Samenvatting en aanbevelingen

1.1

Het EESC is het ermee eens dat het Besluit van de Raad van 2005 (1) over nieuwe psychoactieve stoffen nodig moet worden aangepast. Het vindt ook dat het optreden van de betrokken EU-agentschappen beter moet worden gecoördineerd, dat er een strakker tijdschema voor gegevensverzameling moet komen en dat er meer nuance moet kunnen worden aangebracht in de interne classificatie van stoffen die een gering, gematigd of ernstig risico inhouden. Eventuele maatregelen om het aanbod aan banden te leggen moeten tijdig en op evenredige wijze uitgaan van deze classificatie.

1.2

Het EESC constateert ook dat er vaak geen basisgegevens voor de bijbehorende effectbeoordeling voorhanden waren, dat het gebruik van nieuwe psychoactieve stoffen varieert binnen de EU en dat er grote verschillen zijn in de algemeen heersende opvattingen en de reacties van de politiek. De Commissie wijst terecht op wat politiek haalbaar is volgens het EU-Verdrag en rekening houdend met de huidige financiële beperkingen, maar zou los hiervan moeten aangeven wat werkelijk nodig is.

1.3

Het EESC is van mening dat er ook lering kan worden getrokken uit de ontwikkelingen in landen buiten de EU, en dat hieraan in eventuele volgende effectbeoordelingen aandacht moet worden besteed. Ondertussen is het van essentieel belang dat het verzamelen van gegevens in de EU over alle factoren (beschikbaarheid van stoffen, aanvoerroutes, economische kansen en sociale behoefte), communicatiekanalen (internet en sociale media) en gevolgen (meetbare ziekte en andere schade) wordt verbeterd en beter gefinancierd wordt.

1.4

Er is een aantal technische aspecten dat moet worden verduidelijkt als dit voorstel voor een verordening blijft zoals het is; deze aspecten worden besproken in paragraaf 5 van dit advies. Het succes staat of valt met politieke steun, beschikbaarheid van gegevens en financiering door de lidstaten. Er moeten praktische doelstellingen worden afgesproken. Onderzoek moet doorgaan en er moeten goede (en slechte) praktijkvoorbeelden van controle en behandeling worden vastgesteld. De plannen voor en resultaten van onderzoeksprogramma's die door de EU worden gefinancierd, zoals eSBIRTes, Orion en ALICE-RAP, moeten regelmatig worden gedeeld met andere betrokkenen en moeten meer aandacht krijgen in effectbeoordelingen en in eventuele latere wetgevingsvoorstellen. Gegevensverzameling, risicobeoordeling en kennisoverdracht moeten in realtime worden voortgezet via het EU-drugsforum (of misschien via een breder „platform voor nieuwe psychoactieve stoffen”), waarbij alle stakeholders, vooral de direct betrokken ngo's en steungroepen, worden betrokken. Dit moet voor alle nieuwe psychoactieve stoffen gelden, ook voor de reeds aangemelde stoffen die los, in mengsels of als versnijdingsmiddel in andere nieuwe psychoactieve stoffen worden gebruikt. Er moeten vaker afspraken worden gemaakt met lidstaten over prioriteiten en eventuele maatregelen. Ook moet worden gedacht aan alternatieven voor of aanvullingen op een uniforme EU-regeling die alleen op vermindering van het aanbod is gericht.

2.   Inleiding

2.1

Onder „psychoactieve” stoffen worden stoffen verstaan die in de natuur voorkomen of met opzet voor bepaalde, legale dan wel illegale, doeleinden zijn vervaardigd, en die behalve hun fysische, chemische, toxicologische en ecologische kenmerken het vermogen hebben om, als zij door mensen om wat voor reden dan ook worden geconsumeerd, in te werken op hun centrale zenuwstelsel en stimulerend of deprimerend werken, alsook hallucinaties en/of veranderingen in hun motorische functies, denken, gedrag of stemming veroorzaken.

2.2

Deze effecten kunnen als nuttig worden beschouwd wanneer de stoffen onder gecontroleerde omstandigheden worden bereid, voorgeschreven en gebruikt als geneesmiddelen om specifieke aandoeningen te behandelen, dan wel als nutteloos en mogelijk of feitelijk gevaarlijk tot zeer gevaarlijk indien zij puur omwille van de verwachte voordelen van voornoemde effecten worden toegediend. Deze risico's nemen sterk toe als de stoffen ook verslavend werken en als het gebruik ervan economisch exploiteerbaar is.

2.3

Daarom zijn stoffen als morfine, heroïne, cocaïne, ecstasy en cannabis en hun vele afgeleiden en precursoren, evenals een reeks amfetamines, barbituraten, benzodiazepines en andere „psychedelische” drugs, in de hele wereld met wisselend succes onderworpen aan toezicht in het kader van twee VN-Verdragen (2) (1961, 1971) en een Protocol (3) (1972), die door landen in de wereld in uiteenlopende mate ten uitvoer zijn gelegd.

2.4

Alle psychoactieve stoffen die niet zoals hierboven omschreven in kaart zijn gebracht en onder toezicht staan, worden met het oog op (o.m.) de EU-regelgeving als „nieuw” aangemerkt, ongeacht de tijd dat zij al bekend zijn of voor andere, vaak legitieme, doeleinden zijn aangewend. Zij worden alleen „nieuwe psychoactieve stoffen” genoemd wanneer bekend is (of aangenomen wordt) dat zij uitsluitend vanwege hun psychoactieve eigenschappen worden verhandeld of verspreid, om zonder medisch of ander toezicht te worden gebruikt door individuele consumenten.

2.5

Alcohol, tabak en cafeïne, die in verschillende doseringen aan alle bovengenoemde criteria voor nieuwe psychoactieve stoffen en langdurige schade voldoen, vallen uitdrukkelijk buiten de definities van de VN en de EU. Dat is niet zo gemakkelijk „op straat” of in wetenschappelijk onderzoek, waar alcohol, tabak en cafeïne tezamen worden gebruikt, met de gecombineerde effecten van dien, gegeven het feit dat de sociale en gezondheidseffecten van alcohol en tabak groter zijn dan die van de meeste nieuwe psychoactieve stoffen. Maar onderzoekers en regelgevers zijn het hierover niet altijd eens en het is de hoogste tijd dat op een algemeen aanvaarde wijze op kwantitatieve basis wordt nagegaan wat de omvang van de eventuele schade en risico's is.

2.6

Gebleken is dat er meer dan 300 nieuwe psychoactieve stoffen zijn die in de hele EU af en toe of gedurende langere tijd worden (of zijn) gebruikt. Bijna elke week wordt er wel een nieuwe stof aangemeld door een lidstaat. Omdat er geen toezicht wordt uitgeoefend op deze stoffen, zijn ze niet illegaal en kunnen ze dus worden omschreven als „legaal”, wat ten onrechte ook impliceert dat ze ook „veilig” of „goedgekeurd” zijn. In veel gevallen zijn er weinig wetenschappelijke gegevens voorhanden om deze veronderstellingen te bevestigen of te ontkrachten. Nieuwe moleculen kunnen, soms in opdracht van georganiseerde groepen of individuen in de EU, snel als varianten van moleculen die specifiek worden verboden, worden gesynthetiseerd in en worden geïmporteerd uit China of India. Ook binnen de EU kunnen bestaande moleculen voor andere dan legitieme doeleinden worden aangewend. In de meeste gevallen is geld verdienen de drijfveer; in andere gevallen staat het omzeilen van de wet voorop. Nationale contactpunten binnen het Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving („Reitox”) zorgen voor vroegtijdige waarschuwing en delen informatie over recent ontdekte, nieuwe psychoactieve stoffen.

2.7

Nieuwe psychoactieve stoffen worden verhandeld onder veel niet-systematische, verkorte en/of exotische handelsnamen, vaak in combinatie met andere verboden, nieuwe of niet-toegestane producten, waaronder kruidenproducten, medicinaal werkzame stoffen, levensmiddelenadditieven, tabak, cafeïne en inerte vulstoffen. De inhoud varieert en wordt niet gecontroleerd; veiligheidswaarschuwingen ontbreken of worden alleen gegeven om de verkoop mogelijk te maken („niet voor menselijke consumptie”). Etiketten bevatten soms opzettelijk misleidende informatie („badzout” of „wierook” voor producten die waarschijnlijk worden geïnhaleerd, gerookt of geïnjecteerd).

2.8

De verkoop vindt plaats via gespecialiseerde verkooppunten of kleinhandelaren (head-, smart- of smokeshops, samen met „tabakstoebehoren”) en via het internet (op sites waar met een kredietkaart kan worden betaald, beoordelingen van het product en de aanbieder kunnen worden achtergelaten, en snelle levering aan huis wordt gewaarborgd). Anonieme websites leveren bijzondere problemen op. De prijzen voor een dosis zijn doorgaans laag ten opzichte van illegale drugs. Sociale media moedigen nieuwe trends aan en helpen ervaringen uit te wisselen. Het gebruik ervan (als „legal highs”, club-, party-, recreatieve of chemische drug) varieert sterk binnen de EU en lijkt gestaag toe te nemen; vooral het gebruik in Ierland, Polen, Letland en het Verenigd Koninkrijk is kennelijk bovengemiddeld. Het aantal mensen dat als direct gevolg van druggebruik in een ziekenhuis wordt opgenomen, blijft relatief laag (de vraag is in hoeverre dit, bij gebrek aan betrouwbare gegevens, een reële maatstaf is voor de werkelijke schade die wordt aangericht).

2.9

In overeenstemming met het bovenstaande, en in vergelijking met regelmatige, verslaafde, gebruikers van illegale drugs, zijn gebruikers van nieuwe psychoactieve stoffen (met name in het VK, waar ook veel gegevens voorhanden zijn) tot dusver eerder jong, redelijk welgesteld, niet-crimineel en sneller geneigd om, indien nodig, zich voor een medische behandeling aan te melden. Vaak komen zij daar goed uit, omdat zij hun gezins- en beroepsleven nog op de rails hebben. Wanneer zich ongevallen voordoen of wanneer er doden vallen, wordt dit meestal als een onverwacht persoonlijk drama gezien, dat veel aandacht in de media en, om dezelfde redenen, in de politiek krijgt.

2.10

Gezien het bovenstaande wekt het nauwelijks verbazing dat er grote verschillen bestaan tussen hoe bevolking en overheid in de EU-lidstaten en overal ter wereld denken over het toezicht op nieuwe psychoactieve stoffen. Uruguay heeft cannabis onlangs gelegaliseerd. Nieuw-Zeeland zal psychoactieve stoffen met een „aanvaardbaar” laag risico die op kwaliteit worden gecontroleerd, toelaten. Ierland heeft het aantal verkooppunten drastisch teruggebracht; Nederland en Canada overwegen hetzelfde. Het VK heeft altijd gekozen voor een verbod op bepaalde of hele groepen verdovende middelen, maar bekijkt nu alternatieve strategieën. België is van plan een verbod op bepaalde groepen verdovende middelen in te voeren. Er zijn pogingen ondernomen om de onlineverkoop van illegale drugs via anonieme sites aan banden te leggen; de kans is echter groot dat de legale verkoop floreert.

3.   Samenvatting van het Commissievoorstel

3.1

In 2005 stelde de Raad (4) bij besluit het kader vast voor de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen. Maar de praktijk bleek weerbarstig: er werd weinig informatie ingewonnen, risico's werden nauwelijks in kaart gebracht en er waren weinig opties voor restrictieve maatregelen. In 2011 verzocht de Raad de Commissie het desbetreffende besluit te herzien.

3.2

Dit voorstel bevat de maatregelen die nodig worden geacht, alsook een voorstel voor een richtlijn tot wijziging van het kaderbesluit van de Raad (5) betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften op het gebied van de illegale drugshandel. Hiermee wordt de definitie van „drug” verruimd, hetgeen betekent dat nieuwe psychoactieve stoffen die ernstige gezondheids-, sociale en veiligheidsrisico's inhouden en die daarom in de EU aan permanente marktbeperkingen zijn onderworpen, in dezelfde categorie worden ondergebracht als de reeds door de VN gereglementeerde stoffen.

3.3

Ter aanvulling van het voorstel voor een verordening speciaal over nieuwe psychoactieve stoffen heeft de Commissie een beoordeling van de effecten uitgevoerd. De conclusie luidt dat er in de hele EU verschillen bestaan qua beschikbaarheid van gegevens, werkelijk gebruik, kosten van gezondheidszorg en reacties van het publiek en de overheid. Waar gegevens ontbreken, worden aannames gedaan. Beleidsopties worden beoordeeld aan de hand van de mate waarin zij doelstellingen verwezenlijken, economische, financiële en sociale impact teweegbrengen, en evenredig en acceptabel voor stakeholders zijn.

3.4

Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 VWEU, dat een goede werking van de interne markt beoogt met een hoog beschermingsniveau op het gebied van volksgezondheid, veiligheid en consumentenbescherming. Het maakt sneller EU-ingrijpen mogelijk, effent het pad voor gericht en adequaat optreden, pakt problemen in verband met tweeledig gebruik aan, biedt een oplossing voor het gebrek aan rechtszekerheid voor legale marktdeelnemers en verbindt de markt voor nieuwe psychoactieve stoffen met de ruimere interne markt.

3.5

Het voorstel bevat een tijdpad voor het verzamelen van gegevens voor een gezamenlijk verslag van de Commissie, het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD), Europol en andere Europese agentschappen die hier nauw bij betrokken zijn (Europees Geneesmiddelenbureau, Europees Agentschap voor chemische stoffen en Europese Autoriteit voor voedselveiligheid) op basis van vroegtijdige waarschuwingen van de lidstaten voor pas ontdekte nieuwe psychoactieve stoffen.

3.6

Dit verslag kan de aanzet geven tot een officiële risicobeoordeling door het EWDD, als basis voor actie door de Commissie. Er worden criteria voorgesteld om onderscheid te maken tussen geringe, gematigde en ernstige gezondheids-, sociale en veiligheidsrisico’s. Waar de risico's laag worden ingeschat, worden er geen maatregelen genomen. In het geval van gematigde of ernstige risico's kan de Commissie een tijdelijk of permanent verbod op de verkoop — en, in bepaalde gevallen, op de productie, distributie, import of export — van specifieke nieuwe psychoactieve stoffen opleggen.

3.7

Het voorstel bevat een bepaling aangaande heronderzoek van risiconiveaus in het licht van nieuwe informatie en aangaande regelmatige verslaglegging en evaluatie van de uitvoering, toepassing en doeltreffendheid van de verordening. Onderzoek en analyse worden voortgezet. De lidstaten worden verplicht om regels vast te stellen inzake de administratieve sancties die van toepassing zijn op inbreuken op marktbeperkingen en om te waarborgen dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Het voorstel heeft volgens de Commissie geen directe gevolgen voor de EU-begroting.

3.8

De verordening treedt 20 dagen na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking en is verbindend voor alle lidstaten. Het oorspronkelijke besluit van de Raad (6) wordt ingetrokken en vervangen.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het EESC was ingenomen met de mededeling van de Commissie uit 2011, getiteld „Naar een sterker Europees antwoord op de drugsproblematiek” en het voorstel voor een verordening betreffende drugsprecursoren uit 2012. Het EESC keek uit naar voorstellen inzake „nieuwe psychoactieve stoffen” en stelde voor globale richtsnoeren voor effectief optreden op Europees en nationaal niveau op te stellen.

4.2

In het geval van drugsprecursoren werd met name stilgestaan bij de vraag in hoeverre de betrokken partijen (de Commissie en een beperkt aantal erkende fabrikanten, handelaren en eindgebruikers) zich strikt hadden gehouden aan de bepalingen van artikel 12 van het VN-Verdrag van 1988 (7) en nauw hadden samengewerkt om hun doelstellingen te bereiken. In het geval van de kleine hoeveelheden azijnzuuranhydride die worden gebruikt voor de productie van heroïne konden deze vrij precies worden vastgesteld.

4.3

Dit is nog niet het geval met nieuwe psychoactieve stoffen omdat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten, en ook op internationaal niveau, in het feitelijke gebruik ervan en in de wijze waarop het publiek en de politiek hierop reageert. Belangrijke gegevens worden vaak niet verzameld of gebundeld; individuele tragedies trekken media-aandacht; politieke reacties worden niet altijd geschraagd door, en kunnen rechtstreeks indruisen tegen, wetenschappelijk en professioneel advies; andere complicerende factoren, waaronder het op veel grotere schaal verspreide en schadelijke gebruik van alcohol en tabak, worden te gevoelig geacht om aan uniforme regelgeving te onderwerpen; er bestaat een duidelijke generatiekloof op het gebied van internetmarketing en de rol van sociale media in perceptievorming, het nemen van risico's en het recreatieve gebruik van psychoactieve stoffen, zowel oude als nieuwe.

4.4

In deze, duidelijk erg moeilijke, context voor iedereen die probeert op te treden tegen nieuwe psychoactieve stoffen lijken twee opmerkingen uit eerdere adviezen van het EESC hier van toepassing te zijn, nl. dat „de staat geen grotere risico's en schade mag veroorzaken dan die waartegen hij beoogt te beschermen”  (8) en dat „het beleid gebaseerd dient te zijn op gegevens en bewijs — en niet omgekeerd”  (9), wat overigens ook voor veel andere, voor de wetgever belangrijke, gevallen geldt. Maar dat is wellicht gemakkelijker gezegd dan gedaan.

4.5

Het punt met de huidige voorstellen is zeker niet dat ze nadelige gevolgen zullen hebben, maar dat ze misschien onvoldoende gunstige gevolgen zullen hebben, en dat ze een brede maatschappelijke en multidisciplinaire, op feiten gebaseerde, aanpak in de weg zullen staan, die nodig is om alleen al eens te worden over de huidige situatie en over de langetermijndoelstellingen voor bepaalde bevolkingsgroepen. Als hierover vooraf geen akkoord kan worden bereikt, en hiervoor geen politieke en financiële steun kan worden verkregen, dan moet dit in een voorstel voor een verordening op EU-niveau worden erkend.

4.6

Het EESC constateert dat het voorstel andere bedoelingen heeft, waaronder het aanpakken van problemen in verband met tweeledig gebruik, het misbruik van legale stoffen binnen de EU en het gebrek aan rechtszekerheid voor „legale marktdeelnemers”. Deze worden echter niet gekwantificeerd in de effectbeoordeling en krijgen weinig aandacht in het voorstel. Andere mogelijkheden om lacunes te dichten die in andere regelgeving zijn blijven bestaan, komen helemaal niet aan bod. Het is daarom moeilijk te beoordelen of de gekozen rechtsgrondslag (artikel 114 VWEU) de juiste is of niet. Statistische gegevens over de 300 stoffen die tot dusver in kaart zijn gebracht kunnen worden gebruikt om dit en andere punten te verduidelijken.

4.7

Het EESC is stellig van mening, en heeft herhaaldelijk verklaard, dat regulering van het aanbod slechts een deel van de oplossing is en op zich waarschijnlijk geen nuttige of meetbare resultaten oplevert. Er moet meer aandacht worden besteed aan het doorgronden van de vraag en er moeten betere oplossingen worden bedacht om ervoor te zorgen dat hieraan met zo min mogelijk risico kan worden voldaan. Zoals altijd kan risico nooit volledig worden uitgesloten, maar het kan wel aanzienlijk worden verminderd. Betere gegevens, die op de juiste wijze worden verspreid, moeten daarbij helpen.

4.8

Het EESC constateert ook dat waar strafrechtelijke sancties worden toegepast, deze beperkt moeten zijn tot degenen die een slag willen slaan uit de verkoop van stoffen die al op een zwarte lijst staan of die waarschijnlijk een groot gevaar vormen voor de menselijke gezondheid. Dat geldt met name voor nieuwe psychoactieve stoffen, waarvan de risico's tot dusver kleiner lijken dan voor „oude” of niet-toegestane psychoactieve stoffen; in dit geval zou inhechtenisneming van de gebruikers, en hun onvermijdelijke blootstelling aan „oude” psychoactieve stoffen, zowel voor de personen zelf als voor de samenleving de slechtst mogelijke oplossing zijn. Dit moet in het voorstel duidelijk worden vermeld als de maatregelen geloofwaardig moeten overkomen bij de betreffende bevolkingsgroepen, vooral de direct betrokken jongeren, in de EU.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1

Het voorstel bevat definities van sommige, maar niet van alle belangrijke begrippen die worden gebruikt. Het legt echter niet uit hoe zij van toepassing zouden moeten zijn op deze ongebruikelijk gestructureerde, snel groeiende, deels legale, deels criminele, deels transparante, deels gereguleerde markt voor producten die grotendeels buiten de EU worden vervaardigd. Een „marktdeelnemer” wordt niet gedefinieerd en kan vermoedelijk legaal (iemand die nieuwe psychoactieve stoffen direct, of via een headshop of via het internet verkoopt) of illegaal (een dealer in verboden verdovende middelen) zijn. Wat betekent „op de markt brengen” in het kader van internationale onlineverkoop? Waarom zou een „mengsel” slechts twee of meer nieuwe psychoactieve stoffen bevatten, en bijvoorbeeld niet een nieuwe psychoactieve stof plus wisselende hoeveelheden tabak, cafeïne, kruiden en vulstoffen? Is het beter om de aandacht vooral te richten op „gebruikers” in de zin van „iedereen die zonder medisch toezicht nieuwe psychoactieve stoffen gebruikt” in plaats van op de grotere groep „consumenten” („personen die handelen voor andere doeleinden dan hun handels-, ondernemings- of beroepsactiviteit”), die hiervan weinig gevolgen ondervinden? Als het voorstel proactief beoogt te zijn, in plaats van reactief, moet het dan ook niet gericht zijn op nieuwe psychoactieve stoffen „waarvan op basis van wetenschappelijke beoordelingen redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij zullen worden ontwikkeld”? En vooral: Waarom is de bewijslast verschoven van de aanbieders, die zouden moeten aantonen dat hun producten een „gering risico” hebben, naar het EWDD en de Commissie, zodat het lijkt alsof die goedkeuring verlenen?

5.2

„Nieuwe psychoactieve stoffen” kunnen ook duidelijker worden gedefinieerd; misschien kan in plaats van over „nieuwe” — waarvan alleen sprake is in verband met de bestaande VN-Verdragen — beter over „in het kader van dit EU-voorstel aangemelde” stoffen worden gesproken. Aangezien stoffen niet routinematig op hun psychoactieve eigenschappen (kunnen en zouden mogen) worden getest in het kader van REACH of andere regelgeving betreffende stoffen, is er weinig informatie over hoeveel moleculen deze effecten uiteindelijk in meerdere of mindere mate vertonen (of naar verluidt vertonen). Aangezien de term „psychoactieve stoffen” alleen wordt gebruikt wanneer de effecten worden ervaren door mensen, ligt het voor de hand dat niet of nauwelijks op dieren kan worden getest.

5.3

Het EESC constateert enigszins verontrust dat het voorstel op individuele stoffen is gericht, en niet op de veel verkochte mengsels. Er is een termijn vastgesteld voor de reactie van de agentschappen, maar niet voor de Commissie; het is niet bekend wanneer zij met het gezamenlijk verslag of de risicobeoordeling moet beginnen. Het proces begint als „verschillende” lidstaten dezelfde nieuwe psychoactieve stof opsporen; waarom is één lidstaat niet voldoende, als het een groot probleem betreft? Hoeveel is „verschillend”? Het is onduidelijk wat de Commissie zal besluiten bij (het vermoedelijke) gebrek aan verdere informatie van de agentschappen en, vooral ook, bij gebrek aan politieke input uit de lidstaten. Andere Europese of nationale regelgeving bevat geen bepaling op grond waarvan actie kan worden ondernomen, bijv. wetgeving inzake benamingen, warenwetgeving, algemene consumentenbescherming of andere wetgeving inzake chemische stoffen, geneesmiddelen of gezondheid en veiligheid van voedsel. Voor headshops, als die al mogen blijven bestaan, moet het huidige consumentenrecht gaan gelden.

5.4

Het EESC maakt zich vooral zorgen over het gebrek aan extra middelen voor deze werkzaamheden. Als deze exercitie begrotingsneutraal kan worden uitgevoerd, waarom wordt dat nu dan nog niet gedaan? Kunnen er zonder dergelijke financiering wel tastbare resultaten worden bereikt? Is een verordening (die tot de lidstaten is gericht) noodzakelijk om te beschrijven hoe de verschillende EU-agentschappen moeten samenwerken of kan deze interne gang van zaken sneller en in onderling overleg, in het licht van de ervaring, worden aangepast?

5.5

Het EESC constateert dat de effectbeoordeling waarop dit voorstel is gebaseerd onvoldoende vergelijkbare gegevens bevat van alle lidstaten over het gebruik, de effecten en de gezondheidskosten van nieuwe psychoactieve stoffen. Als kan worden aangetoond dat deze algemeen en aanzienlijk zijn, dan kan optreden door de EU-agentschappen een kostenefficiënte oplossing zijn. Het baart het EESC zorgen dat het voorstel geen minimumnormen voor verslaglegging bevat, waardoor mogelijk meer erkenning en steun voor de grotendeels op basis van vrijwilligheid werkende nationale contactpunten, die via „Reitox” essentiële gegevens leveren, geboden is.

5.6

Het EESC vindt ook dat nieuwe psychoactieve stoffen aan de hand van eerder overeengekomen criteria intern geclassificeerd moeten worden als stoffen die, volgens het thans beschikbare bewijsmateriaal, een gering, gematigd of ernstig risico inhouden. Dat wil echter niet zeggen dat daarmee de verkoop legaal of veilig wordt verklaard, en dit moet ook duidelijk blijken uit alle openbaar gemaakte lijsten van stoffen. Gezien het gebrek aan beschikbare gegevens en de moeilijkheden van kwantitatieve risicobeoordeling, ligt herclassificatie op basis van verder bewijs in de lijn der verwachting.

5.7

Het EESC vindt het ook een goede zaak dat in de huidige EWDD-richtsnoeren inzake risicobeoordeling van nieuwe psychoactieve stoffen staat dat andere „oude” of niet-toegestane maar op grote schaal gebruikte en meer bekende psychoactieve stoffen — waaronder bijvoorbeeld heroïne, cocaïne, cannabis, ecstasy, alcohol en tabak — als markers op dezelfde schaal moeten worden opgenomen. Als dit met al het beschikbare bewijsmateriaal niet kan worden gedaan, dan kan het ook niet worden gedaan voor nieuwe psychoactieve stoffen, waarvoor het bewijs schaars, onvolledig en vaak tegenstrijdig is; nieuwe, pas op de markt gebrachte psychoactieve stoffen hebben misschien weinig sociale, strafrechtelijke of milieu-impact, maar kunnen nog altijd zeer gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid als zij op deze manier worden gebruikt.

5.8

Het EESC is ervan overtuigd dat deze meer holistische aanpak van de verslaving aan en afhankelijkheid van drugs ook de financiering van preventieve maatregelen en behandelingen op nationaal niveau ten goede kan komen. Begrip voor het gedrag en de houding van verschillende leeftijdsgroepen (10-18, 18-25 en 25+) is daarbij essentieel. Sociale media en online marketing- en adviesdiensten spelen al een belangrijke rol in de trendvorming en het verspreiden van waarschuwingen en zullen een nog grotere invloed krijgen op de persoonlijke besluitvorming op dit gebied. Pogingen om dit in de gaten te houden verdienen alle steun en financiële middelen. Een goede bescherming van de gezondheid zou voorrang moeten krijgen op justitie en interne markt.

5.9

Het EESC ziet in dat regelgeving te zijner tijd wellicht geboden is, maar het is allesbehalve duidelijk hoe ver deze regelgeving moet gaan en in welke vorm zij moet worden gegoten. Lidstaten zien verschillende problemen, prefereren verschillende oplossingen en moeten binnen een verschillend tijdsbestek actie kunnen ondernemen. Overal ter wereld bestaan grote verschillen tussen wat verboden is en wat toegestaan wordt. Het is nuttig om de ontwikkelingen te volgen in twee vlakbij elkaar gelegen, economisch en cultureel vergelijkbare landen op het zuidelijk halfrond, nl. Australië en Nieuw-Zeeland. Nauwe samenwerking met de VS en andere landen die voor internettoevoer zorgen zal essentieel zijn. Maatregelen om de productie en verkoop van oude, niet-toegestane en nieuwe psychoactieve stoffen te beperken moeten aan bod komen in de handelsbesprekingen met China en India.

5.10

Het gaat hier vooral om een probleem van werkelijk wereldwijde omvang en hiermee moet rekening worden gehouden bij elke volgende effectbeoordeling en elk voorstel voor regelgeving; daarom moet er ook een breder scala aan opties in overweging worden genomen, zelfs al wordt hiervan aanvankelijk gedacht dat zij moeilijker zijn uit te voeren op EU-niveau. Het EWDD zal hierbij een grote rol spelen. Als er meer financiële middelen nodig zijn, dan moet daarvoor worden gezorgd. Onderzoeksprogramma's op dit terrein moeten beter worden gecoördineerd en de resultaten ervan moeten op een grotere schaal worden verspreid. Wanneer regelgeving, op welk niveau dan ook, geboden is, zal er hopelijk meer bewijs voorhanden zijn om de bovenvermelde problemen op te lossen.

Brussel, 21 januari 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  2005/387/JBZ, PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.

(2)  Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961.

(3)  VN-Protocol tot wijziging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1972.

(4)  Zie voetnoot 1.

(5)  2004/757/JBZ, PB L 335 van 11.11.2004, blz. 8.

(6)  Zie voetnoot 1.

(7)  Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, 1988.

(8)  Zie EESC-advies, PB C 229 van 31.7.2012, blz. 85.

(9)  Zie EESC-advies, PB C 76 van 14.3.2013, blz. 54.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/58


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Naiades II-pakket, dat de volgende drie documenten omvat: voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 718/1999 van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren

COM(2013) 621 final — 2013/0303 (COD)

voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad

COM(2013) 622 final — 2013/0302 (COD)

en mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Naar een hoogwaardige binnenvaart — Naiades II

COM(2013) 623 final

(2014/C 177/11)

Rapporteur: Jan SIMONS

De Commissie, de Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 10 september 2013, 7 en 31 oktober 2013, en 8 en 22 oktober 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig de artikelen 91, lid 1, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), te raadplegen over het

NAIADES II-pakket,

dat de volgende drie documenten omvat:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 718/1999 van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren

COM(2013) 621 final — 2013/0303 (COD);

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad

COM(2013) 622 final — 2013/0302 (COD);

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Naar een hoogwaardige binnenvaart — NAIADES II

COM(2013) 623 final.

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 december 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) het volgende advies uitgebracht, dat met 140 stemmen vóór en 2 tegen, bij 10 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité verwelkomt en staat achter de actievoorstellen van de Commissie in de mededeling en de twee wetsvoorstellen, met inachtneming van de volgende aanbevelingen:

1.2

Het Comité ziet de oorzaak van het feit dat het aandeel in de vervoersmarkt niet is vergroot, met name gelegen in onvoldoende beleidsmatige en financiële steun voor de binnenvaart gedurende de afgelopen jaren.

1.3

Het Comité roept de Commissie derhalve op om voldoende middelen — het Comité verwacht logischerwijs ten minste 20 % — uit het financiële budget van de Connecting Europe Facility (CEF) en bepaalde luiken, met name die voor innovatie, van Horizon 2020 voor vaarwegen en de binnenvaartsector beschikbaar te stellen om de doelstellingen in haar programma te realiseren, alsmede om de lidstaten te ondersteunen en te motiveren bij het onderhoud en de uitbreiding van de infrastructuur. Tevens dienen nieuwe financieringsmechanismen te worden ontwikkeld.

1.4

Onder verwijzing naar het grote belang van infrastructuur bij de realisatie van de doelstellingen van de Commissie roept het Comité de lidstaten op, hun verantwoordelijkheid onder deze competentie te nemen. In dat opzicht verwijst het Comité onder meer naar de „Donaustrategie” ter bevordering van de ontwikkeling van de Donaulanden (2010) en een in het verlengde daarvan in juni 2012 ondertekende verklaring.

1.5

Het Comité ondersteunt de Donaustrategie, constateert echter dat tot op heden onvoldoende uitvoering aan deze strategie en de in 2012 ondertekende verklaring wordt gegeven. Zij roept de Commissie derhalve op om een werkgroep in te richten die op de naleving van de afspraken binnen deze strategie en verklaring toeziet.

1.6

Het Comité ondersteunt krachtig het NAIADES Staff Working Document voor de implementatie van vergroeningsmaatregelen op sectorniveau. Het wenst ook hier dat er voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld, mede om de gemiste kans uit het NAIADES I programma te repareren.

1.7

Onder verwijzing naar zijn eerdere advies over de sociale zekerheid in de sector roept het Comité alle betrokkenen op om verdere initiatieven op dat terrein te ontplooien. De beoogde, op de sociale dialoog gebaseerde, harmonisatie van beroepsprofielen en de Europese afstemming van beroepskwalificaties spelen daarbij een voorname rol, waaraan de Commissie in nauwe samenwerking met rivierencommissies, met name de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, uitwerking zal geven.

1.8

Het Comité beschouwt de voorstellen ten aanzien van de institutionele samenwerking tussen de Europese Unie en de rivierencommissies als een belangrijke ontwikkeling. Het roept de betrokken instellingen op om de diverse juridische regimes nauw op elkaar af te stemmen en daarmee de beoogde harmonisatie te realiseren.

2.   Inleiding

2.1

De binnenvaart vervoert jaarlijks ca. 500 miljoen ton lading wat gelijk staat aan 25 miljoen vrachtwagens en neerkomt op 140 miljard ton/km vervoersprestatie. Tevens speelt de binnenvaart een belangrijke rol op het gebied van personenvervoer, zowel in het toerisme (cruiseschepen en dagtochten) als ook in toenemende mate in het stads- en streekvervoer (bijv. veerdiensten).

2.2

Traditionele vervoersmarkten, zoals van bulkgoederen op lange afstand, worden uitgebreid met nieuwe innovatieve diensten waarbij de binnenvaart ook op korte afstanden een steeds belangrijkere rol speelt.

2.3

Vanwege haar schaalvoordeel en energie-efficiëntie kenmerkt de binnenvaart zich door de laagste externe kosten op het gebied van CO2-emissie, geluid, ongevallen en files. Op grond van de wereldwijd hoogste veiligheidsstandaard is deze transportmodaliteit de grootste vervoerder van gevaarlijke goederen in Europa.

2.4

In de binnenvaartsector zijn ca. 44 000 mensen werkzaam en zijn er ca. 12 000 banen indirect hieraan gelinkt. De binnenvaart kampt met een tekort aan gekwalificeerd personeel en biedt daarmee aan werkzoekenden kansen op de arbeidsmarkt. Met de nieuwe opleidingsprogramma’s en carriereperspectieven biedt de binnenvaart aan jonge mensen uitdagende banen.

2.5

De binnenvaart opereert in een volledig geliberaliseerde markt, leidt echter sinds 2008 aan de gevolgen van de economische crisis. Op grond van de economische recessie zijn de transportvolumes in de afgelopen jaren gedaald, wat in de binnenvaart heeft geleid tot een overcapaciteit en daarmee gepaard gaande lage vervoersprijzen. In diverse studies wordt aangenomen dat deze situatie pas over enkele jaren zal verbeteren.

2.6

Op het uitgebreide Europese vaarwegennet, dat ca. 37 000 km aan rivieren en kanalen omvat, bestaat nog voldoende capaciteit om meer transportstromen te absorberen. Dit veronderstelt echter een goed onderhouden vaarwegenstelsel. Ook tijdens de looptijd van het actieprogramma van NAIADES I (2006-2014) werden vaarwegen onvoldoende onderhouden en ontbrekende schakels niet gerealiseerd, veelal op grond van gekorte nationale budgetten. Daarnaast wordt de realisatie van infrastructuurprojecten op vaarwegen belemmerd door lange en trage procedures en te vermijden administratieve lasten.

3.   Inhoud van de mededeling

3.1

De Commissie heeft op 10 september 2013 de mededeling „Naar een hoogwaardige binnenvaart — NAIADES II” uitgebracht. De Commissie constateert dat de voorganger NAIADES I een momentum heeft gecreëerd, maar dat de economische en ecologische vooruitzichten voor de binnenvaart slechter worden en nauwelijks vooruitgang op het gebied van verbetering van de infrastructuur is geboekt. Tevens verkeert de sector in een economische crisis met overcapaciteit tot gevolg.

3.2

De kansen en uitdagingen van deze vervoermodaliteit hebben de Commissie doen besluiten om haar eerdere binnenvaartactieprogramma voort te zetten. Met NAIADES II beoogt de Commissie op lange termijn structurele veranderingen in de binnenvaartsector te bevorderen zonder in de vrije markt in te grijpen.

3.3

Onder NAIADES worden concrete acties op volgende terreinen voorgesteld:

kwaliteitsinfrastructuur, waaronder ook wordt verstaan de betere verbinding en integratie van binnenvaart met andere modaliteiten. Daarbij spelen de havens (zee- en binnenhavens) als connectors een belangrijke rol;

innovatie;

een goed functionerende markt;

verbetering van de milieubelasting door middel van lagere emissies;

gekwalificeerde werknemers en hoogwaardige arbeidsplaatsen;

integratie van de binnenvaart in de multimodale logistieke keten.

3.4

Dit actieprogramma gaat vergezeld van twee wetgevende voorstellen, een op het gebied van de technische voorschriften voor binnenschepen en een ter aanpassing van de capaciteitsverordening in de binnenvaart. Beide rechtsinstrumenten zijn reeds lange tijd van kracht in de binnenvaart. Met de nieuwe voorstellen van de Commissie wordt een modernisering van deze rechtsinstrumenten beoogd. Daarnaast maakt een uitgebreid werkdocument van de diensten van de Commissie ten aanzien van de vergroening van de vloot deel uit van de mededeling.

3.4.1

Het Commissievoorstel voor een nieuwe technische richtlijn ter vervanging van Richtlijn 2006/87 beoogt een betere afstemming van de diverse regelgevende instanties op elkaar en voorziet in een mechanisme om dit te bevorderen. Dit is een eerste concretisering van de beoogde institutionele samenwerking op regelgevend niveau.

3.4.2

Het Commissievoorstel voor de aanpassing van de capaciteitsverordening 718/1999 voorziet in een verruiming van de mogelijkheden waarvoor de middelen uit het reservefonds door de representatieve organisaties in de binnenvaart ingezet kunnen worden, met name voor ecologische doeleinden. Dit voorstel past in het kader van het gehele pakket van voorgestelde maatregen.

3.5

Ter implementatie van de acties uit de mededeling wijst het voorstel verschillende actoren aan. De realisatie van een kwaliteitsinfrastructuur behoort tot de verantwoordelijkheid van de EU en de lidstaten. Dit geldt ook voor de realisatie van een beter juridisch kader dat een level playing field op de interne markt moet creëren. De verantwoordelijkheid voor markttransparantie en innovatie wordt bij de sector gelegd.

3.6

Onderdeel van de mededeling is tevens een beter bestuur. Binnenvaart valt historisch onder diverse juridische regimes. De vrijheid van verkeer op de grote Europese rivieren is verankerd in internationale verdragen en daaruit resulterende regelgeving. Daarnaast heeft ook de EU competenties op het gebied van de binnenvaart. Om deze deels overlappende bevoegdheden en werkzaamheden te voorkomen stelt de Commissie een nieuwe aanpak voor. Deze beoogt een nauwe samenwerking met de Centrale Commissie voor de Rijnvaart waarvoor een overeenkomst is getekend.

3.7

NAIADES II heeft geen eigen budget ter financiering van de voorgestelde maatregelen. De mededeling verwijst daarvoor op EU niveau naar de Connecting Europe Facility (CEF) ten aanzien van infrastructuurmaatregelen en naar HORIZON 2020 ter financiering van onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Daarnaast zouden beide instrumenten financiële steun moeten bieden voor beleidsondersteuning en vergroening van de vloot.

3.8

De Commissie wil haar ambitie ten behoeve en bevordering van de binnenvaart verhogen door zich te concentreren op de gebieden met de hoogste toegevoegde waarde. Zij verwacht daarbij tevens een bijdrage van de lidstaten en de sector.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het Comité is een groot voorstander van de betere benutting van de capaciteiten van de binnenvaart, zeker gezien de immense voordelen die deze vervoermodaliteit biedt op het gebied van vervoersprestatie, duurzaamheid en externe kosten. Het belang en potentieel van de binnenvaart biedt grote perspectieven voor zowel het goederenvervoer als het personenvervoer. Naast de cruisevaart wordt de rol van vervoer over water in toenemende mate onderkend in dichtbevolkte stedelijke gebieden waar veerdiensten worden onderhouden.

4.2

Het Comité deelt de observaties van de Commissie ten aanzien van een te geringe benutting van de binnenvaart en steunt de Commissie in het streven naar verhoging van het aandeel van deze sector in het totale vervoer. In zijn streven om de binnenvaart beter te integreren en daarvoor de randvoorwaarden te creëren geeft de Commissie zich echter onvoldoende rekenschap van het belang van concrete financiële onderbouwing van het actieprogramma. Het Comité constateert dat met NAIADES II een ambitieus nieuw plan wordt voorgesteld, waarvoor echter tot dusver nog onvoldoende duidelijkheid over de financiering bestaat. Het Comité ziet dan ook met belangstelling uit naar het Commission Staff Working Document over de financiering ervan en roept de Commissie op rekening te houden met de eerdere tekortkomingen.

4.3

In de balance die door de Commissie in de tussenbeoordeling van NAIADES I is opgemaakt, wordt geconstateerd dat NAIADES I een momentum heeft gecreëerd en tot een beter bewustzijn van het potentieel van deze sector — met name bij beleidsmakers op nationaal niveau — heeft geleid.

4.4

Daarnaast doet de ervaring met NAIADES I en de jongste TEN-T richtsnoeren inzien dat de lidstaten bij het onderschrijven van de doelstellingen van deze mededeling niet zonder verbintenis kunnen blijven. Het Comité dringt er dan ook bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op aan dit helder en concreet vast te leggen.

4.5

Het is het Comité duidelijk dat, om de binnenvaart te bevorderen, een goede en nauwe samenwerking tussen de Europese Commissie en de rivierencommissies gerealiseerd moet worden. Het Comité steunt de desbetreffende voorstellen en wijst in dat opzicht op de belangrijke rol die de Centrale Commissie voor de Rijnvaart speelt ten aanzien van de ontwikkeling van de binnenvaart en de hoge technische en veiligheidsstandaard.

4.6

Het Comité wijst op het grote belang van infrastructuur bij de realisatie van de doelstellingen van de Commissie. Om een betere integratie van de binnenvaart te bevorderen en haar betrouwbaarheid te waarborgen is een goed onderhouden vaarwegstelsel zonder knelpunten en ontbrekende verbindingen van essentieel belang. Het Comité roept de lidstaten op hun verantwoordelijkheid onder deze competentie te nemen.

4.7

Gezien de beperkte budgetten in de Connecting Europe Facility verwacht het Comité dat de Commissie ten minste 20 % van de beschikbare middelen voor vaarwegen beschikbaar stelt en de lidstaten ondersteunt en motiveert bij het onderhoud en de uitbreiding van deze infrastructuur. De vaarwegen in Europa beschikken in tegenstelling tot het weg- en spoorvervoer nog over voldoende capaciteit om een veelvoud van het huidige transportvolume te absorberen, zodat met investeringen in waterwegen een maximale return on investment gerealiseerd kan worden.

4.8

Het Comité heeft kennis genomen van het voornemen om een consultatie over de infrastructuurbeprijzing te starten met het oog op de internalisering van de externe kosten in de binnenvaart. Het Comité wijst erop dat het onderwerp van de internalisering van de externe kosten in de binnenvaart met de grootste zorgvuldigheid dient te worden behandeld en dat dit instrument alleen ingezet zou mogen worden om de transportvolumes van de binnenvaart te vergroten en haar concurrentiepositie te verbeteren.

4.9

NAIADES II beoogt onder meer de attractiviteit van de sector op de arbeidsmarkt te verhogen en kwalitatief hoogstaande arbeidsplaatsen te creëren, alsmede de arbeidsmobiliteit te stimuleren. Daarvoor bestaat het voornemen om tot een harmonisatie van beroepsprofielen en Europese afstemming van beroepskwalificaties te komen. Dit kan bijdragen tot het oplossen van het tekort aan gekwalificeerd personeel in de binnenvaart.

4.10

Ten aanzien van de sociale zekerheid verwijst het Comité naar zijn advies uit het jaar 2005 (TEN/200), waarin werd opgeroepen tot het opbouwen van een communautair sociaal beleid voor de binnenvaart. Daaraan is in de afgelopen jaren in het kader van de Sociale Dialoog nader uitwerking gegeven en een en ander heeft inmiddels geleid tot de totstandkoming van een specifieke regeling op het gebied van de arbeidstijden in de binnenvaart, waarvoor de sociale partners een overeenkomst hebben getekend. Verdere initiatieven binnen de sociale dialoog die de attractiviteit van het beroep verhogen, worden door het Comité aangemoedigd.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1

Ten aanzien van de nieuwe TEN-T-richtsnoeren roept het Comité de Commissie op, bij de implementatie van de nieuwe multimodale corridoraanpak op een sterke verankering van de vaarwegen toe te zien. De multimodale corridorplannen dienen ervoor te zorgen dat alle modaliteiten op voldoende wijze aan bod komen. Voor de binnenvaartsector zal bij de totstandkoming van deze plannen een belangrijke rol moeten worden ingeruimd.

5.2

Het Comité acht het van groot belang dat alle vaarwegen van klasse IV en hoger zijn opgenomen in het TEN-T kernnetwerk. Hiermede hebben de lidstaten de verplichting op zich genomen om de instandhouding en verbetering van deze vaarwegen te garanderen en alle steun voor de verwijdering van knelpunten te verlenen, teneinde de vrije capaciteiten op de Europese vaarwegen ten volle te benutten. Het Comité wil de aandacht vestigen op rivieren die nog over ruime capaciteiten beschikken om transporten te absorberen, zoals de Donau en de Elbe. Het roept de lidstaten op om met steun van de Commissie het oplossen van knelpunten op deze rivieren en de totstandkoming van ontbrekende schakels — zoals de Seine-Escaut-verbinding — onverwijld te realiseren.

5.3

De Donau speelt in het kader van de ontwikkeling van het vervoer in Midden- en Oosteuropese landen een bijzondere rol. Dit is door de Commissie onderkend in de „Donaustrategie” ter bevordering van de ontwikkeling van de Donaulanden (2010). Transport op de Donau vormt één van de pijlers van deze strategie en is bedoeld om bij te dragen aan de groei van de binnenvaart op deze belangrijke rivier. In het verlengde daarvan hebben de Donaulanden — helaas op één uitzondering na — in juni 2012 een verklaring ondertekend waarin zij zich tot onderhoud van de Donau op basis van de relevante standaards verplichten om toekomstige blokkades van de binnenvaart op grond van onvoldoende diepte te voorkomen.

5.4

Het Comité ondersteunt deze strategie van de Commissie, constateert echter dat tot op heden onvoldoende uitvoering aan deze strategie en de in het jaar 2012 ondertekende verklaring wordt gegeven. Zij roept de Commissie derhalve op om een werkgroep in te richten die op de naleving van de afspraken binnen deze strategie en verklaring toeziet, en om de geconstateerde problemen onverkort op te lossen, teneinde de beoogde ontwikkeling van de binnenvaart op deze belangrijke corridor niet in gevaar te brengen.

5.5

De Commissie constateert dat de binnenvaart achterloopt bij andere modaliteiten op het gebied van innovatie. Dit is o.a. op de lange levensduur van de bedrijfsmiddelen terug te voeren. Daarnaast zou er onvoldoende innovatiecultuur in de sector heersen. De Commissie roept de sector op, een leidende rol op dit gebied te spelen en een innovatiebeleid te ontwikkelen.

5.6

Het Comité deelt deze observaties, maar wijst tevens op zowel de lange levensduur van de uitrusting in de binnenvaart als het hoge investeringsniveau waardoor innovatie in deze sector langzamer verloopt. Vanwege de hoge investeringskosten moet innovatie gestimuleerd worden door voldoende financiële en economische incentives en een betere toegang tot financiering, waarin het programma tot dusver onvoldoende voorziet.

5.7

Het Comité wijst erop dat de sector zelf met de introductie van LNG-schepen reeds zeer vooruitstrevende initiatieven ten aanzien van innovatie heeft ontplooid. Het Comité roept de verantwoordelijke instellingen op om daarvoor, alsmede voor alternatieve brandstofvoorzieningen, zo spoedig mogelijk het juridische kader te scheppen en de infrastructuur te ontwikkelen, nodig om deze innovatie breed te implementeren en verder te stimuleren.

5.8

De Commissie laat haar mededeling vergezeld gaan van een werkdocument van haar diensten over vergroening van de vloot. Daarin benoemt de Commissie scenario’s t.a.v. de wijze waarop de emissiereductie ten aanzien van luchtvervuilers gerealiseerd zou kunnen worden. Het is het Comité bekend dat binnenvaart een veel lagere CO2-uitstoot heeft dan het weg- en spoorvervoer, die echter in dit document niet worden meegenomen.

5.9

Vanwege de focus op andere luchtvervuilers dan CO2 komt de Commissie tot de conclusie dat de binnenvaart op dat gebied thans de grootste vervuiler dreigt te worden. Het Comité constateert in dat opzicht dat bij de ontwikkeling van toekomstige emissiestandaarden concurrentievervalsing moet worden voorkomen en rekening moet worden gehouden met een passend aanbod aan geschikte motoren voor de binnenvaartsector.

5.10

Het Comité is van oordeel dat de Commissie bij het stimuleren van de sector tot innovatie en vergroening een belangrijke rol kan spelen en substantiële financiële steun zou moeten bieden. Gezien het maatschappelijke profijt dat een verbetering van de milieuprestatie van de binnenvaart tot gevolg heeft, is steun daarvoor uit Europese en nationale fondsen gerechtvaardigd. Deze kan een sterk katalyserende werking hebben.

5.11

Het Comité roept de Commissie derhalve op om na de vaststelling van de meerjarenbegroting van de Europese Unie alle mogelijkheden te benutten om de middelen uit de Connecting Europe Facility (CEF) en HORIZON 2020 voor de implementatie van vergroening aan boord van schepen en andere maatregelen uit het NAIADES voorstel vrij te maken.

5.12

Tevens roept het Comité de sector op om de beschikbare middelen in het reservefonds in het belang van het imago van de bedrijfstak ook te benutten voor vergroeningsdoeleinden. Met de voorgestelde aanpassing van de capaciteitsverordening, die deel uitmaakt van het NAIADES II pakket, wordt de mogelijkheid hiertoe gecreëerd.

5.13

Professionalisering en nauwere samenwerking in en door de sector zijn zeker een bijdrage tot een structurele verbetering van zijn economische positie, nu de economische crisis in de binnenvaart recentelijk weer heeft geleid tot een structurele overcapaciteit in de sector

Brussel, 21 januari 2014,

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/64


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over nieuwe maatregelen voor de Europese interne telecommunicatiemarkt bestaande uit de volgende twee documenten: voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maatregelen inzake de Europese interne markt voor elektronische communicatie en om een connectief continent tot stand te brengen alsmede tot wijziging van Richtlijnen 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG en Verordeningen (EG) nr. 1211/2009 en (EU) nr. 531/2012

COM(2013) 627 final — 2013/0309 (COD)

en mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de eengemaakte telecommunicatiemarkt

COM(2013) 634 final

(2014/C 177/12)

Rapporteur: Anna NIETYKSZA

De Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 23 september 2013 en 12 september 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over

Nieuwe maatregelen voor de Europese interne telecommunicatiemarkt bestaande uit de volgende twee documenten: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maatregelen inzake de Europese interne markt voor elektronische communicatie en om een connectief continent tot stand te brengen alsmede tot wijziging van Richtlijnen 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG en Verordeningen (EG) nr. 1211/2009 en (EU) nr. 531/2012

COM(2013) 627 final — 2013/0309 (COD)

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de eengemaakte telecommunicatiemarkt

COM(2013) 634 final.

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 december 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) het volgende advies uitgebracht, dat met 152 stemmen vóór en 2 tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) staat achter de verordening en de concrete maatregelen die door de Europese Commissie worden voorgesteld, waarvan het de bedoeling is dat meer vaart wordt gezet achter de totstandkoming van de interne markt voor elektronische communicatie, die de grondslag moet leggen voor een dynamische en duurzame groei in alle economische sectoren en voor nieuwe werkgelegenheid. Een en ander zal ook ten goede komen aan de consumentenbescherming.

1.2

Het EESC is van mening dat de voorgestelde vermindering van de obstakels voor Europese aanbieders van elektronische communicatiediensten via:

de invoering van een uniforme Europese machtiging die overal in de EU geldig is, en

de harmonisatie van de regelgevingsvoorwaarden en van het beheer van het spectrum,

positief zal bijdragen tot het aanbod van concurrerende en veilige elektronische communicatiediensten voor particulieren, ondernemingen en instellingen overal in de EU.

1.3

Het EESC vindt dat de Commissie haar voorstel om breedbanddiensten onder de draagwijdte van de levering van de universele dienst te laten vallen, zou moeten heroverwegen.

1.4

Tegelijkertijd wil het EESC benadrukken dat vermindering van de regelgevende obstakels zal leiden tot openstelling van de markten voor kleinere aanbieders van elektronische communicatiediensten. De belangrijkste stimuli voor de ontwikkeling van providers zijn:

de uniforme machtiging;

de versimpeling van de procedures voor netwerkinvesteringen;

de mogelijkheid om grensoverschrijdend in alle lidstaten van de EU diensten te verlenen, en

de investeringsprikkels.

1.5

Het EESC wijst erop dat de verordeningen en algemene stimuleringsmaatregelen van de Commissie dienen te voorkomen dat er een nog sterker gefragmenteerde markt ontstaat, omdat hierdoor de ontwikkeling van grensoverschrijdende diensten zou worden belemmerd en de internationale concurrentiepositie van de EU zou verslechteren.

1.6

Het EESC is van mening dat een betere toegang tot snelle netwerken en lagere kosten voor de aanleg en exploitatie ervan:

zullen zorgen voor nieuwe arbeidsplaatsen in Europese bedrijven, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen (mkb-sector) en start-ups die innovatieve producten en diensten ontwikkelen en op de internationale markt aanbieden;

nieuwe impulsen zullen geven aan de ontwikkeling van moderne diensten op het gebied van e-commerce en e-leren en van geavanceerde openbare diensten als e-overheid en e-gezondheid;

vaart zullen zetten achter de ontwikkeling van moderne Europese diensten op basis van cloud computing, zoals beschreven in het EESC-advies „Het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa” (TEN/494), en

de voorwaarden zullen scheppen voor het benutten van de enorme mogelijkheden voor nieuwe diensten die er liggen op gebieden welke zich naar verwachting snel zullen gaan ontwikkelen, zoals het Internet van de Dingen (IoT) en de communicatie van machine naar machine (M2).

1.7

Het EESC beseft dat harmonisatie van de regelgevingsvoorwaarden bevorderlijk zal zijn voor investeringen in Europese bedrijven die diensten verlenen op het gebied van elektronische communicatie.

1.8

Het EESC steunt de voorgestelde harmonisatie van de garanties voor naleving van de consumenten- en gebruikersrechten, die er o.a. op neerkomen dat:

er gemakkelijker een keuze kan worden gemaakt tussen dienstverleners en van dienstverlener kan worden veranderd, en

de hoge kosten van roaming bij mobiele verbindingen en van vaste telefoonverbindingen tussen lidstaten van de EU worden teruggedrongen (vgl. informatief rapport van het EESC getiteld „Stop roamingtarieven nu”, CES5263-2013, rapporteur Hencks).

1.9

Het EESC is voorstander van een harmonisatie van de contractvoorwaarden voor eindgebruikers van elektronische communicatiediensten in alle lidstaten.

1.10

Het EESC is van mening dat een open toegang tot het net en de mogelijkheid om overal in de EU gebruik te maken van geavanceerde elektronische communicatiediensten de mobiliteit van consumenten en ondernemers zal vergroten en ook het Europese cultuurgoed toegankelijker zal maken en zal bijdragen tot de ontwikkeling van de creatieve industrieën.

1.11

De toekomstige verordening zal de exploitanten meer financiële en juridische zekerheid moeten verschaffen. Van zijn kant zou het EESC willen aanbevelen om ook de gebruikers meer juridische zekerheid te bieden door meer oog te hebben voor hun rechten.

1.12

Het EESC hecht belang aan het recht op een adequate bescherming van persoonsgegevens, het recht om vergeten te worden en andere rechten van eindgebruikers van elektronische communicatiediensten, zoals reeds onder de aandacht gebracht in eerdere adviezen van het Comité (1).

1.13

Het EESC wijst erop dat informatie- en communicatietechnologieën (ICT) een bron van duurzame economische groei zijn en ertoe bijdragen dat de productiviteit in alle sectoren waar hier gebruik van wordt gemaakt, met de helft toeneemt. Zelfs als de toepassing ervan hier en daar zou leiden tot een verslechtering van de werkgelegenheid, dan nog staan er tegenover elke twee verloren arbeidsplaatsen vijf nieuwe (vgl. voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad, COM(2013) 627 final 2013/0309 (COD), blz. 2). Er moet worden voorzien in opleiding, herscholing en levenslang leren voor alle betrokkenen m.b.v. nieuwe onderwijsmechanismen.

1.14

Het EESC benadrukt dat de hand moet worden gehouden aan de mededingingsregels en het beginsel van netneutraliteit, vooral met het oog op de positie van kleine en middelgrote aanbieders van elektronische communicatiediensten, omdat het sterker worden van de grootste dienstverleners in deze sector en consolidering van de spectrumruimte een gevaar kan inhouden voor de concurrentieverhoudingen op de markten in de lidstaten.

1.15

Voorbarig lijkt regelgeving betreffende virtuele breedbandtoegangsproducten (een soort groothandelstoegang tot breedbandnetwerken die wordt gerealiseerd in de vorm van een virtuele toegangslink in om het eender welke vaste of draadloze toegangsnetwerkarchitectuur, met uitzondering van fysieke ontbundeling, samen met een transmissiedienst naar een bepaalde reeks overdrachtspunten, met inbegrip van specifieke netwerkelementen, specifieke netwerkfunctionaliteiten en ondersteunende IT-systemen). Het EESC vindt dat eerst moet worden gewacht tot de voorwaarden voor het verlenen van deze diensten en de prijzen hiervoor gereguleerd worden door de markt. Daarentegen dient de verplichting om een connectiviteitsproduct met gegarandeerde servicekwaliteit (ASQ) te leveren, zodanig te worden geregeld dat de lasten voor de grote operatoren en de kleinere dienstverleners uit de mkb-sector op een evenwichtige wijze worden verdeeld.

1.16

Het EESC heeft ernstige bezwaren tegen de gedetailleerde oplossingen inzake de lokale netwerken voor radiotoegang, in het bijzonder het voorstel dat eindgebruikers radionetten ter beschikking kunnen stellen aan andere, onbekende en anonieme gebruikers.

1.17

Het EESC waarschuwt dat met de voorgestelde verordening wel erg ambitieuze doelstellingen worden nagestreefd. De korte termijn waarbinnen een en ander van kracht moet worden (vanaf juli 2014), zal grote inspanningen vergen van de belangrijkste betrokken partijen: de Commissie, de nationale regelgevende instanties die verantwoordelijk zijn voor elektronische communicatie, de mededingingsautoriteiten en de Europese aanbieders van elektronische communicatiediensten.

1.18

Gezien de noodzaak om de bevoegdheden en procedures voor de uitgifte van Europese machtigingen evenals de reservering van radiofrequentiebanden en de voorwaarden voor het gebruik ervan te coördineren, beveelt het EESC aan om de rol van het BEREC te versterken, zolang er geen beslissing is genomen over het instellen van één enkele Europese regelgevende instantie.

2.   Inleiding en achtergrond

2.1

Grote operatoren in de Verenigde Staten, Japan en Zuid-Korea hebben enorme investeringen gedaan in de infrastructuur van snelle breedbandinternetverbindingen, zowel vaste als draadloze. Voor de Europese Unie is het een kwestie van uitzonderlijk belang dat ze haar mondiale concurrentiepositie op het gebied van elektronische communicatie behoudt.

2.2

Een betrouwbare en snelle breedbandtoegang is van buitengewoon groot belang voor de verlening van innovatieve elektronische communicatiediensten, waaronder cloud-computingdiensten. Als het de communicatiesector voor de wind gaat en als deze zelf over de middelen beschikt om een moderne dienstverlening aan de burger te verzekeren en voldoende mogelijkheden bezit om eigen instrumenten, oplossingen en elektronische communicatiediensten te ontwikkelen, is dit strategisch in het belang van de EU.

2.3

De digitale economie en haar producten nemen een steeds groter aandeel van het bbp voor hun rekening. De elektronische communicatiediensten zijn van cruciaal belang voor de groei van de productiviteit in alle economische sectoren: van de gezondheidszorg tot de energievoorziening en overheidsdiensten. Een andere factor die een sleutelrol speelt bij de ontwikkeling, is de mogelijkheid om te investeren in draadloze communicatienetwerken (bijv. de vierde en daaropvolgende generaties mobiele communicatietechnologie die een snelle mobiele internettoegang verzekeren) en in snelle vaste netwerken (zoals FTTH-glasvezelnetwerken, waarbij FTTH staat voor fiber-to-the-home).

2.4

De elektronische communicatienetwerken kunnen alleen goed renderen als er op voldoende grote schaal gebruik van wordt gemaakt. De markt voor elektronische communicatie in de lidstaten van de EU is echter erg versnipperd: hierop zijn meer dan duizend operatoren voor vaste verbindingen en enkele honderden operatoren voor mobiele netwerken actief. Zelfs de grootste groepen operatoren beperken zich tot dienstverlening op het niveau van individuele lidstaten en bieden de consumenten en kleinere eindgebruikers geen grensoverschrijdende diensten aan (alleen de allergrootste bedrijven krijgen als cliënt grensoverschrijdende diensten aangeboden). Geen enkele operator is in meer dan de helft van de lidstaten actief. Op de kabeltelevisiemarkt zijn meer dan 1500 operatoren actief, dus ook daar is sprake van versnippering.

2.5

De versnipperde markt komt tot uiting in hoge prijzen, vooral voor de verbindingen tussen de lidstaten (roamingkosten op mobiele netwerken en kosten voor internationale verbindingen via vaste netwerken).

2.6

Het aantal beschikbare radiofrequenties is beperkt. Als hier effectief gebruik van wordt gemaakt, heeft dit een grote invloed op de implementatie van de Europese Digitale Agenda en op de exploitatievoorwaarden voor dienstverleners. De voorwaarden voor het gebruik van frequenties, zoals de regels voor toekenning ervan, de geldigheidsduur van reserveringen, de mogelijkheden van refarming (veranderingen in het frequentiebeheer, o.a. om te voldoen aan de eisen van de markt of om het spectrumgebruik efficiënter te maken) en deling van het spectrum, lopen op dit moment nog sterk uiteen in de verschillende lidstaten. Er zijn verschillen t.a.v. de toekenningsvoorwaarden, de vervaldata en de mogelijkheden om reserveringen te verlengen. Deze verschillen vormen een hinderpaal voor investeringen en de totstandkoming van geïntegreerde grensoverschrijdende netwerken voor draadloze communicatie.

2.7

Hoewel Europa in de jaren '90 nog wereldleider was op het gebied van mobiele telefonie, loopt het nu achter bij de eerder genoemde landen als het gaat om de toepassing van de meest geavanceerde technologieën voor mobiele datatransmissie.

2.8

De laatste jaren heeft de ICT-sector zich in Europa lang niet zo dynamisch ontwikkeld als in de VS en de toonaangevende Aziatische landen (groei van 0,3 % tegenover resp. 15 % en 26 %).

2.9

De voorgestelde veranderingen hebben betrekking op terreinen die worden gereguleerd door wetgevingsinstrumenten waarop de regelgeving inzake de elektronische communicatie in de EU is gebaseerd, te weten: de Richtlijnen 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn), 2002/21/EG (kaderrichtlijn), 2002/22/EG (richtlijn inzake de universele dienst en gebruikersrechten) en 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie); de Verordeningen nr. 1211/2009 (tot oprichting van het BEREC) en nr. 531/2012 (betreffende roaming), en het Besluit nr. 243/2011/EU (programma voor het radiospectrumbeleid) (2).

3.   Algemene doelstelling van de verordening van de Commissie

3.1

Uitgangspunt van de verordening van de Commissie is het streven om een interne markt voor elektronische communicatie tot stand te brengen, waarin:

burgers, instellingen en bedrijven overal in de EU op gelijke voorwaarden, onbeperkt en zonder extra kosten toegang hebben tot elektronische communicatiediensten;

operatoren en aanbieders van elektronische communicatiediensten onder concurrentiële voorwaarden diensten kunnen verlenen buiten de lidstaat waar ze zijn gevestigd, en toegang kunnen verkrijgen tot consumenten in de gehele EU, en

de noodzakelijke voorwaarden voor de digitalisering van de economie worden ontwikkeld, wat zou moeten leiden tot herstel en behoud van economische groei, een algehele verbetering van de concurrentiepositie van de EU-lidstaten en het ontstaan van nieuwe werkgelegenheid in de digitale economie, de creatieve industrieën en alle economische sectoren waarvoor elektronische communicatie van vitaal belang is.

3.2

In de ontwerpverordening van de Commissie worden de volgende oplossingen voorgesteld:

een uniforme machtiging voor Europese aanbieders van elektronische telecommunicatie, gebaseerd op het systeem van één offerte in de lidstaat waar zich de hoofdzetel van de aanbieder bevindt;

harmonisering van de regels voor toegankelijkheid, de termijnen voor het toekennen van machtigingen en de duur van de rechten voor het gebruik van het beschikbare spectrum;

invoering van virtuele breedbandtoegangsproducten en geharmoniseerde connectiviteitsproducten met een gegarandeerde kwaliteit van dienstverlening (ASQ);

harmonisering van de voorschriften op het gebied van consumenten- en eindgebruikersrechten (verplichte transparantie van informatie en contracten, nauwkeurig omschreven principes bij het afsluiten en opzeggen van contracten, netneutraliteit, garanties voor een adequate kwaliteit van de dienstverlening, vereenvoudiging van de procedure om van aanbieder te veranderen en overdraagbaarheid van nummers);

versterking van de sanctiebevoegdheden van de bevoegde nationale autoriteiten en betere regels voor de bevoegdheid van de Commissie om gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen;

regels op het gebied van roaming bij verbindingen via mobiele netwerken;

verlaging van de tarieven voor gesprekken via vaste lijnen binnen de EU, die niet hoger mogen zijn dan de tarieven voor interlokale gesprekken binnen lidstaten, en

consolidatie van de werkzaamheden van het BEREC als adviesorgaan van de Commissie op het gebied van elektronische communicatie.

3.3

Zoals de Europese Raad in zijn conclusies van 24—25 oktober 2013 heeft benadrukt, is het voor de sociaaleconomische ontwikkeling van de lidstaten van cruciaal belang dat d.m.v. een voorspelbaar en stabiel juridisch kader een einde wordt gemaakt aan de versnippering van de markt voor elektronische communicatie, echte concurrentie wordt bevorderd en particuliere investeringen worden aangetrokken, waarbij tegelijkertijd een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gegarandeerd en tevens de regels voor toewijzing van frequenties worden geharmoniseerd (document van de Europese Raad van 25 oktober 2013 (EUCO 169/13, CO EUR CONCL 7), punten 5 en 9).

3.4

Een betere toegankelijkheid en lagere kosten voor het gebruik van snelle verbindingen geven alle dienstverleners, waaronder Europese mkb-bedrijven, de mogelijkheid om innovatieve producten en diensten te ontwikkelen en aan te bieden op de wereldmarkt.

4.   Specifieke opmerkingen over de verordening van de Commissie

4.1   Een uniforme Europese machtiging

4.1.1

Het EESC wijst erop dat het verlenen van grensoverschrijdende diensten op dit ogenblik wordt bemoeilijkt door administratieve formaliteiten die het gevolg zijn van de fragmentatie van de nationale regelingen voor de toekenning van machtigingen, de verdeling van het radiospectrum, de regulering van de toegangsproducten en voor consumentenbescherming.

4.1.2

De operatoren profiteren van de versnippering van de markt ten koste van de eindgebruikers door hogere tarieven voor grensoverschrijdende diensten aan te rekenen.

4.1.3

Het EESC is van mening dat de ontwerpverordening zal bijdragen tot een consolidatie van de positie van de operatoren en tot de opkomst van pan-Europese aanbieders van diensten op het gebied van elektronische communicatie. Dit proces is gunstig voor de economische concurrentiepositie van de EU-lidstaten op de internationale markten.

4.1.4

Dankzij de versterking van de positie van aanbieders van elektronische communicatiediensten en het uniforme rechtskader zal het voor institutionele financiële investeerders, zoals 'private equity'-fondsen, aantrekkelijker worden om geld te steken in deze aanbieders. Door dit soort kapitaalinjecties zullen de operatoren hun eigen investeringscapaciteit kunnen vergroten.

4.1.5

Het EESC verwelkomt de invoering van een uniforme Europese machtiging want dat is een essentiële voorwaarde voor een betere werking van het systeem. De samenwerkingsprocedures en -beginselen zullen nauwkeurig moeten worden omschreven.

4.1.6

Het EESC zou graag hebben gewild dat in het voorstel een lans was gebroken voor één enkele Europese regelgevende instantie, zoals het in eerdere adviezen heeft aanbevolen en bepleit.

4.2   Coördinatie van het gebruik van het radiospectrum

4.2.1

De harmonisatie van het spectrumbeheer op basis van een uniformering van de voorwaarden voor het gebruik van frequenties (toekenningsregels, geldigheidsduur van reserveringen, mogelijkheden voor refarming en deling van het spectrum) zal het gemakkelijker maken om nieuwe draadloze breedbandtechnologieën (4G en daaropvolgende generaties) in te voeren.

4.2.2

Naar de mening van het EESC komt de voorgestelde verordening te vroeg, gelet op de voor 2016 voorziene evaluatie van de doelmatigheid van de tot nu toe van kracht zijnde regelgeving inzake roaming alsmede gelet op de besluiten betreffende het toekennen van frequentiebanden, zoals die naar verwachting in 2015 zullen worden genomen op de Wereldradiocommunicatieconferentie (WRC 2015) van de ITU-R (sector radiocommunicatie van de ITU, een van de drie sectoren/eenheden van de Internationale Telecommunicatie-Unie (ITU), die bevoegd is voor radiocommunicatie).

4.3   Europese virtuele toegangsproducten

4.3.1

Het EESC vestigt er de aandacht op dat het voorstel voor de regulering van virtuele breedbandtoegang is gedaan tegen de achtergrond van grote onzekerheid betreffende de regulering van NGN/NGA-netwerken (snelle Next Generation Networks/Next Generation Access) en van verschillen in de regelgevingspraktijken tussen de lidstaten. Stabiele regelgevende voorwaarden die operatoren ertoe aanzetten om te investeren in dure NGN/NGA-infrastructuur, zullen heel omzichtig moeten worden ingevoerd, omdat de regelgevende praktijk op dit gebied nog maar net gestalte aan het krijgen is. Groothandelsproducten moeten worden ontwikkeld met het oog op de behoeften van de afnemers op de afzonderlijke nationale markten en niet worden ontworpen voor een typisch „gemiddeld Europees land”.

4.4   Connectiviteitsproduct met gegarandeerde kwaliteit van dienst (ASQ)

4.4.1

De invoering van een connectiviteitsproduct met gegarandeerde kwaliteit van dienst (ASQ) kan zeer positieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling en verlening van gespecialiseerde en geavanceerde digitale diensten.

4.4.2

Naar de mening van het EESC dient de verplichting om ASQ-producten aan te bieden dusdanig gerealiseerd te worden dat de lasten evenwichtig worden verdeeld tussen de grote operatoren en de kleinere dienstenaanbieders (uit het mkb).

4.5   Geharmoniseerde rechten van eindgebruikers

4.5.1

Het EESC is ervan overtuigd dat de harmonisatie van de rechten van de eindgebruiker, de verplichtingen op het gebied van transparantie en een voor de consument begrijpelijke uitleg omtrent voorwaarden, kwaliteit, rechten en tarieven, alsmede de bepalingen betreffende het gemakkelijker veranderen van aanbieder veel voordelen zullen opleveren voor de afnemers van elektronische communicatiediensten. Hierdoor zal hun positie t.o.v. de dienstenaanbieders worden versterkt en de informatieasymmetrie worden verminderd.

4.5.2

Het EESC gaat akkoord met de verschaffing van specifieke informatie en de contractuele verplichtingen t.a.v.:

de dienstverlening voor gehandicapte eindgebruikers en de details van de producten en diensten die voor hen ontworpen zijn;

de aard van de maatregelen die door de aanbieder genomen kunnen worden als reactie op beveiligings- en integriteitsincidenten of bedreigingen en kwetsbaarheden, en

de controle door de eindgebruiker van de omvang van zijn verbruik van elektronische diensten.

4.5.3

Het EESC gaat akkoord met het voorstel om verleners van elektronische diensten te verplichten informatie van algemeen belang te verschaffen over:

het meest voorkomende gebruik van elektronische communicatiediensten voor onwettige activiteiten of de verspreiding van schadelijke inhoud en de juridische gevolgen hiervan, en

de beschermingsmaatregelen tegen risico's voor de persoonlijke veiligheid en onrechtmatige toegang tot persoonsgegevens bij het gebruik van elektronische communicatiediensten.

4.5.4

Het EESC betreurt bepaalde inconsequenties in de hoofdstukken IV en V van de ontwerpverordening, vooral het feit dat de naleving van een aantal consumentenrechten afhankelijk blijft van bepaalde subjectieve factoren. Zeker m.b.t. de artikelen 23 (3), 27, 28 en 30 van het voorstel had het EESC gehoopt dat hier bindende bepalingen zouden worden opgelegd.

4.6   Roaming en internationale verbindingen

4.6.1

De roamingtarieven in Europa zijn nog steeds veel te hoog, en aanzienlijk hoger dan de tarieven die binnen een land in rekening worden gebracht voor dezelfde dienst, terwijl de Digitale Agenda voor Europa toch als uiteindelijk doel heeft om het verschil tussen binnenlandse tarieven en roamingtarieven weg te werken en zo een interne markt voor mobielecommunicatiediensten te creëren.

4.6.2

Er zijn op EU-niveau maximumprijzen vastgesteld, maar de gemiddelde door de exploitanten toegepaste prijzen verschillen slechts weinig van de gereglementeerde plafonds, waardoor gezonde concurrentie wordt belemmerd. Daarom heeft de Commissie het noodzakelijk geacht, in het kader van een nieuw wetgevingspakket voor te stellen om vanaf 2014 een eind te maken aan de kosten van inkomende roaminggesprekken, terwijl het de bedoeling is de andere roamingkosten op termijn ook af te schaffen. Zo moet de concurrentie tussen exploitanten, of althans tussen groepen exploitanten, worden gestimuleerd.

4.6.3

Het EESC is er in principe voorstander van dat àlle roamingkosten (spraak, sms, data), dus niet alleen die van ontvangen oproepen, worden afgeschaft. Om een echte interne markt voor Europese mobielecommunicatiediensten tot stand te brengen is er volgens het EESC ook een herziening nodig van de tarieven die in het kader van mobiele transitcommunicatiediensten in de EU worden gehanteerd.

4.6.4

De structurele hervormingen uit de desbetreffende verordening van 2012 zullen echter pas in juli 2014 van kracht worden. Het EESC vindt dan ook dat de roamingkosten pas mogen worden afgeschaft als er een evaluatie van deze structurele hervormingen heeft plaatsgevonden, dus nadat deze volledig zijn doorgevoerd.

4.6.5

Dit uitstel zou de regelgevende instanties de kans moeten bieden preventieve maatregelen te treffen om te voorkomen dat exploitanten de inkomstenderving als gevolg van de afschaffing van de roamingtarieven compenseren door de nationale tarieven te verhogen. Een dergelijke compensatie zou nadelig zijn voor alle consumenten, en bovenal voor burgers die om wat voor reden dan ook nooit naar het buitenland gaan en dus nooit gebruikmaken van roamingdiensten.

4.6.6

Om de prijzen en vooral de bundeltarieven transparanter te maken, zouden de regelgevende instanties er volgens het EESC bovendien goed aan doen om met de consumentenorganisaties af te spreken welke informatie over de samenstelling van de prijzen standaard dient te worden vermeld, zodat verschillende aanbiedingen met elkaar vergeleken kunnen worden en het gemakkelijker wordt om de voordeligste aanbieding te kiezen.

4.6.7

Tot slot moet de Commissie er streng op toezien dat de door haar zo sterk gewenste samenwerkingsverbanden tussen exploitanten niet resulteren in kartels of oligopolies met als gevolg dat de machtspositie op de markt wordt misbruikt.

4.7   Een nieuwe status voor het BEREC

4.7.1

Naar de mening van het EESC zijn de voorgestelde veranderingen in de status van het BEREC, zoals een voltijdse functie als voorzitter van de Raad van Regelgevers, wellicht niet toereikend, gezien de uitdagingen op het gebied van concurrentievermogen en de noodzaak om investeringsstimulansen te ontwikkelen, met name ten aanzien van breedbandcommunicatie en NGN/NGA-netwerken.

Brussel, 21 januari 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 271 van 19.9.2013, blz. 133-137, PB C 229 van 31.7.2012, blz. 1-6 en PB C 351 van 15.11.2012, blz. 31-35.

(2)  PB C 123 van 25.4.2001, blz. 55-56; PB C 123 van 25.4.2001, blz. 56-61; PB C 123 van 25.4.2001, blz. 53-54; PB C 24 van 28.1.2012, blz. 131-133; PB C 133 van 9.5.2013, blz. 22-26.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/71


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het Europese hoger onderwijs in de wereld

(COM(2013) 499 final)

(2014/C 177/13)

Rapporteur: Mário SOARES

De Commissie heeft op 11 juli 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over

Het Europese hoger onderwijs in de wereld

(COM(2013) 499 final).

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 december goedgekeurd.

Tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 158 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité staat achter de strategische prioriteiten die de Commissie voorstelt in haar mededeling over internationalisering van het hoger onderwijs, inclusief de mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers, „interne” internationalisering (het opnemen van thema's die verband houden met het wereldgebeuren in de leerprogramma's) en het belang van sterkere internationale banden tussen instellingen voor hoger onderwijs, zeker nu de massale toevloed van gratis internetcursussen de toegang tot kennis ingrijpend wijzigt.

1.2

Het is een goede zaak dat de Commissie inziet dat er een algemene strategie voor de internationalisering van het hoger onderwijs moet komen. Helaas beperkt zij zich tot een overzicht van de acties die tot nog toe in de EU in gang werden gezet, en worden geen noemenswaardige nieuwe activiteiten vermeld. Bovendien wordt nauwelijks rekening gehouden met de op dit moment geldende concurrentievoorwaarden in de sector.

1.3

De Commissie erkent ook dat de problematiek in kwestie niet louter wetenschappelijk of technisch van aard is, maar samenhangt met het politieke, economische en sociale klimaat, zowel op nationaal, Europees als internationaal niveau.

1.4

Het Comité zou graag zien dat de Commissie (actie)voorstellen formuleert die erop gericht zijn de positie van de Europese universiteiten op het internationale toneel sneller te versterken en alle obstakels uit de weg te ruimen die de uitwisseling van kennis met universiteiten uit derde landen en de mobiliteit van studenten en docenten in de weg staan; het denkt daarbij in het bijzonder aan het verkrijgen van visa en het immigratiebeleid in het algemeen.

1.5

De mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers betekent zowel voor de landen van herkomst als voor de gastlanden een meerwaarde en moet dus worden aangemoedigd; om braindrain te voorkomen moet er wel op worden toegezien dat mensen ook terugkeren. Geschoolde werknemers zijn immers onontbeerlijk voor de ontwikkeling van een samenleving.

1.6

Het Comité zou willen voorstellen om op grond van de al bestaande samenwerking tussen diverse Europese universiteiten een echte Europese school op te richten, die zou kunnen uitgroeien tot een ruimte voor academisch onderwijs en onderzoek op hoog niveau.

1.7

Het Comité heeft er al in eerdere adviezen op gewezen dat in het kader van de internationalisering van het hoger onderwijs moet worden vastgehouden aan de waarden die kenmerkend zijn voor het Europese hoger onderwijs, dat de bijdragen, de eigenheid en diversiteit van alle betrokken partijen moeten worden erkend en dat niet mag worden vergeten dat er niet alleen academische, maar ook politieke, economische en culturele belangen op het spel staan.

1.8

Ook dit is een strategische doelstelling waarvoor de nodige financiële en personele middelen moeten worden vrijgemaakt, zodat een bijdrage wordt geleverd aan de sociale en economische ontwikkeling en het welzijn van alle betrokkenen.

1.9

Het Comité sluit zich dan ook aan bij de vele instellingen voor hoger onderwijs die aangeven zich ernstig zorgen te maken over de te verwachten nefaste gevolgen die de bezuinigingsmaatregelen kunnen hebben voor het onderwijs. Het wil niet nalaten erop te wijzen dat de besnoeiingen in het onderwijs de doelstellingen die de Commissie hier uiteenzet, dreigen te ondermijnen.

1.10

In het kader van internationalisering moet worden gestreefd naar nauwere samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en het bedrijfsleven, zodat een synergie-effect ontstaat dat de ondernemingsgeest en de creativiteit van studenten en docenten aanwakkert en het gunstige innovatieklimaat tot stand brengt waar de huidige samenleving zozeer behoefte aan heeft.

1.11

Het massale en gratis gebruik van nieuwe technologieën in de internationale programma's heeft de toegang tot kennis ingrijpend veranderd en betekent een kans op mobiliteit voor de miljoenen studenten die niet over de mogelijkheden beschikken om te reizen. Wel waarschuwt het Comité in dit verband voor mogelijke problemen op technisch, pedagogisch en ethisch vlak: het denkt o.m. aan de bescherming van de intellectuele eigendomsrechten van de docenten en onderzoekers die de cursussen opstellen en aan het gevaar dat bij de erkenning van studies onderscheid zal worden gemaakt tussen de studenten die fysiek deelnemen aan de internationalisering en degenen die dat online doen.

1.12

Het Comité hamert er nogmaals op dat de internationalisering van het hoger onderwijs moet bijdragen tot de bevestiging van de cruciale waarden van de Europese cultuur, zoals de naleving van de mensenrechten, de erkenning van het culturele erfgoed van de verschillende samenlevingen en de bevordering van meer sociale samenhang.

1.13

Het Comité dringt erop aan dat de Commissie regelmatig gedetailleerde informatie verschaft over de manier waarop zij haar in de mededeling aangegane verbintenissen naleeft en zou graag zien dat dit element wordt opgenomen in de landenspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester.

1.14

Ten slotte pleit het Comité ervoor dat in de volgende EU-begrotingen meer middelen worden uitgetrokken voor deze problematiek en dat met name rekening wordt gehouden met de behoeften op het vlak van onderzoek.

2.   Inleiding

2.1

In onze huidige samenleving, waar globalisering en concurrentie de boventoon voeren, is kennis onmisbaar voor wie zich zowel sociaal en economisch als op het vlak van welzijn wil ontwikkelen. Het hoger onderwijs blijft vanzelfsprekend cruciaal voor het ontwikkelen en verspreiden van nieuwe kennis en als hefboom voor innovatie die de ontwikkeling van het individu en de samenleving in het algemeen ten goede komt. Innovatie en kennis zijn doorslaggevend voor economische groei, maar ook voor de sociale ontwikkeling en de maatschappelijke samenhang.

2.2

De verschillende vormen van kennis en de manier waarop die wordt verworven zijn altijd al erg uiteenlopend geweest, maar vandaag komt daar nog een heel nieuwe dimensie bij: niet alleen is er het feit dat steeds meer mensen onderwijs volgen, er wordt vooral ook in toenemende mate gebruik gemaakt van nieuwe technologieën, wat een enorme uitdaging betekent voor de Europese hogeronderwijsinstellingen.

2.3

Universiteiten staan centraal (of zo zou het tenminste moeten zijn) in het beleid inzake wetenschappelijk onderzoek en technologische innovatie en vormen daarnaast ook de kern van onderzoek dat gericht is op de uitwerking van innoverend sociaal beleid, sociale samenhang en ondernemingsstrategieën die efficiënter, concurrerender en duurzamer zijn.

2.4

Europa telt zo'n 4 000 instellingen voor hoger onderwijs met meer dan 19 miljoen studenten en 1,5 miljoen werknemers (docenten en anderen), die samenwerken en concurreren met universiteiten uit andere regio's en continenten en zich daarbij niet alleen richten op productiviteit en het delen van kennis, maar ook op innovatie en het creëren van waarde voor de maatschappij waarvan zij deel uitmaken.

2.5

Op dit moment zijn er op de hele wereld zowat 99 miljoen hogeronderwijsstudenten, een aantal dat in 2030 naar verwachting zal zijn gestegen tot 414 miljoen. Steeds meer studenten beginnen of voltooien hun studies in het buitenland. Zo trekt Europa nagenoeg 45 % van de mobiele studentenpopulatie, die volgens voorspellingen van de Commissie tegen het einde van dit decennium van 4 tot 7 miljoen zal zijn gestegen. Hoewel het hier al om aanzienlijke aantallen gaat, kunnen en moeten we het nog beter doen (1).

2.6

Onderwijs, en met name het hoger onderwijs, staat centraal in de Europa 2020-strategie en het streven van de Unie om haar economie op duurzame, slimme en inclusieve leest te schoeien. Fundamenteel voor een dergelijke economie is dat weer een echt industriebeleid op poten wordt gezet, waarbij wordt erkend dat opleiding cruciaal is. Mede daarom zal het belang van universiteiten alleen maar toenemen.

2.7

Internationale samenwerking is dus van uitzonderlijk belang bij het opleiden en aantrekken van nieuwe talenten die cruciaal zijn voor een wereld die grote veranderingen doormaakt.

2.8

Het is in deze context dat de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over het Europese hoger onderwijs in de wereld moet worden gezien.

3.   Beknopte inhoud van de Commissiemededeling

3.1

In het licht van het streven naar de uitwerking van een algemene strategie voor internationalisering, verklaart de Commissie dat 3 strategische prioriteiten voor de hogeronderwijsinstellingen en de lidstaten moeten worden afgebakend (2):

mobiliteit: strategieën voor internationalisering moeten in grote mate worden toegespitst op de mobiliteit van studenten, onderzoekers en docenten; daarbij moet aandacht worden besteed aan begeleiding en adviesdiensten van hoog niveau. Er moeten tweerichtingsprogramma's voor mobiliteit met derde landen worden ontwikkeld, en er moet worden gezorgd voor een correcte en formele erkenning van de kennis die de betrokken studenten, onderzoekers en docenten in het gastland hebben verworven;

„interne” internationalisering (opnemen van een mondiale dimensie in de leerprogramma's en de onderwijs/leerprocessen) en digitaal onderwijs: er moet lering worden getrokken uit de internationale ervaring en vaardigheden van het hogeronderwijspersoneel, om aan de hand daarvan internationale programma's en cursussen op te stellen die nuttig zijn voor alle leerlingen, of zij nu deelnemen aan een mobiliteitsprogramma of niet. Studenten, onderzoekers en docenten moeten de kans krijgen hun talenkennis te verbreden en met name de taal van het gastland te leren, zodat de voordelen van de taalkundige diversiteit van Europa ten volle worden benut. Daarnaast moet internationale samenwerking worden gestimuleerd via het gebruik van ICT en open leermiddelen;

partnerschappen: hoger onderwijs en onderzoek moeten meer middelen krijgen om de wereldwijde uitdagingen in kaart te brengen en internationale partnerschappen en samenwerkingsverbanden aan te gaan die zijn gebaseerd op innovatie; de obstakels op het vlak van de erkenning van gezamenlijke en dubbele graden moeten uit de weg worden geruimd en er moeten innovatieve cursussen worden aangeboden die de ondernemingsgeest aanwakkeren; zo zou een internationale opleiding met ondernemers uit de EU en derde landen tot de mogelijkheden moeten gaan behoren. Ook moet erop worden toegezien dat de strategieën voor internationalisering stroken met het ontwikkelingsbeleid van de EU.

3.2

De Commissie merkt terecht op dat door de globalisering en de technologische ontwikkelingen nieuwe landen aan het hoger onderwijs deelnemen, waaronder opkomende landen als China, India en Brazilië.

3.3

Ook beklemtoont de Commissie dat dankzij diverse al bestaande initiatieven (het Bolognaproces, programma's zoals Erasmus, Tempus, Erasmus Mundus en Marie Curie en bepaalde transparantie-instrumenten zoals het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten (ECTS) en het Europees kwalificatiekader (EQF)) binnen de EU al een aanzienlijke mate van internationalisering bereikt is.

3.4

Zoals ook al te lezen stond in de mededeling (3)„Intensivering en betere concentratie van internationale samenwerking van de EU op het gebied van onderzoek en innovatie”, herhaalt de Commissie hier dat internationale mobiliteit de hogeronderwijsinstellingen nieuwe mogelijkheden biedt bij het aangaan van strategische partnerschappen

3.5

De Commissie zal een financiële bijdrage leveren aan de internationaliseringsstrategieën door in het kader van het nieuwe programma Erasmus+ en de Marie Skłodowska-Curie-acties meer financiële steun uit te trekken om de mobiliteit van 135 000 studenten en docenten te verzekeren, 15 000 onderzoekers van buiten de EU de kans te geven hun loopbaan voort te zetten, 60 000 studiebeurzen van hoog niveau te verstrekken en 1 000 partnerschappen met het oog op capaciteitsopbouw tussen hogeronderwijsinstellingen van binnen en buiten de EU te ondersteunen.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het Comité betreurt dat in de mededeling in feite niets nieuws wordt vermeld aangaande de internationaliseringsstrategie die door tal van hogeronderwijsinstellingen in de EU immers al jaren in praktijk wordt gebracht. Positief is wel dat de Commissie in haar mededeling samenvat waarom een algemene strategie inzake internationalisering van het Europese hoger onderwijs zo belangrijk is en de hogeronderwijsinstellingen en de lidstaten ertoe aanzet die strategie voort te zetten en uit te diepen.

4.2

Het Comité heeft in een eerder advies al duidelijk gemaakt hoezeer het belang hecht aan deze problematiek: „Fundamenteel in de ogen van het Comité is de doelstelling om de Europese universiteiten aantrekkelijker te maken voor studenten uit de hele wereld, en zo het kwaliteitsniveau van het Europese hoger onderwijs en het Europese onderzoek nog op te trekken” (4).

4.3

Het aantrekken van nieuwe talenten is vandaag cruciaal om de economie nieuw leven in te blazen en de samenleving de weg van duurzaamheid te doen inslaan. Europese universiteiten moeten daarom nauwer gaan samenwerken, zodat het Europese hoger onderwijs sterk concurrerend blijft en de hele EU en alle betrokkenen voordelen oplevert (5).

4.4

Deze samenwerking kan nog worden versterkt door meer en betere coördinatie tussen de Europese instellingen voor hoger onderwijs die overal ter wereld aanwezig zijn. De oprichting van een echte Europese school die uit deze samenwerking zou kunnen voortvloeien, zou de rol van de Unie als ruimte van academische topkwaliteit bevestigen.

4.5

Belangrijk is dat in het kader van de internationaliseringsstrategie rekening wordt gehouden met de geografische diversiteit en de verschillende mogelijke benaderingen, alsook met de politieke, economische en academische belangen die hier op het spel staan. Daarnaast mag niet worden voorbijgegaan aan de belangen van de individuele faculteiten of zelfs vakgroepen, tenminste indien hun onderzoeks- of innovatiestrategie daarbij gebaat is.

4.6

In het licht van recente ervaringen waarbij werd getracht een kunstmatige hiërarchie aan te brengen tussen de verschillende wetenschappelijke disciplines, moet erop worden toegezien dat de sociale en menswetenschappen niet op een zijspoor worden gezet en ondergeschikt worden gemaakt aan andere vakgebieden.

4.7

Houden we vast aan een totaalvisie van internationalisering dan moet voorts rekening worden gehouden met de belangen van studenten, docenten en onderzoekers. In dat verband is het cruciaal dat alle obstakels die hun mobiliteit belemmeren uit de weg worden geruimd. Er moet met andere woorden bijzondere aandacht uitgaan naar de erkenning en benutting van de vaardigheden die zijn opgedaan in het kader van onderzoek, onderwijs en opleiding.

4.8

Van fundamenteel belang hierbij is een betere uitvoering van bilaterale overeenkomsten inzake de erkenning van kwalificaties en diploma's. Voorts moeten in de uitwisselingsovereenkomsten op cultureel en onderwijsgebied met derde landen en hun universiteiten bepalingen worden opgenomen waarin deze problematiek aan de orde komt. Dergelijke overeenkomsten dienen regelmatig te worden geëvalueerd, in samenwerking met de onderwijssector.

4.9

Anderzijds is het belangrijk oog te hebben voor de verschillen tussen de onderwijsstelsels in de gastlanden en de landen van oorsprong, zodat de best mogelijke oplossingen kunnen worden gevonden. Ook moet worden erkend dat de uitwisseling van docenten en onderzoekers wetenschappelijk en sociaal-cultureel van grote waarde is en een verrijking in de breedste zin van het woord van alle betrokken samenlevingen.

4.10

Het Comité onderschrijft dan ook ten volle de verwijzing naar de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Commissie, de Raad, de lidstaten, de onderwijssector en de deelnemende derde landen en universiteiten.

4.11

De samenhang tussen de strategieën van de EU, de deelnemende landen, de hogeronderwijsinstellingen, het bedrijfsleven en andere sectoren van de samenleving waar het gaat om de internationalisering van hun eigen belangen is doorslaggevend voor het welslagen van de internationalisering van het hoger onderwijs. Vandaar ook dat zo snel mogelijk de overstap moet worden gemaakt van internationale sectorale actie naar een institutionele strategie van internationalisering.

4.12

De internationalisering van het hoger onderwijs moet hand in hand gaan met kwaliteitsonderzoek dat gericht is op het algemeen belang en sociale en economische ontwikkeling. Een vereiste is voorts de participatie van docenten en onderzoekers via democratisch gekozen structuren in alle hogeronderwijsinstellingen en onderzoekscentra binnen en buiten de EU, én van andere betrokkenen (studentenverenigingen, bedrijven en hun organisaties, lokale en/of regionale overheden, enz.).

4.13

Ten slotte hamert het Comité er nogmaals op dat de internationalisering van het hoger onderwijs moet bijdragen tot de bevestiging van de cruciale waarden van de Europese cultuur, zoals de naleving van de mensenrechten, de erkenning van het culturele erfgoed van de verschillende samenlevingen en de bevordering van meer sociale samenhang.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1

Het Comité neemt kennis van het feit dat de Commissie het subsidiariteitsbeginsel (de nationale bevoegdheid) erkent maar niet de ogen sluit voor het belang van de bijdrage van de EU, met name waar het om de internationalisering van het Europese hoger onderwijs gaat.

5.2

Bij de afbakening van de prioriteiten voor de financiering van projecten beschikt de EU over de mogelijkheid om specifieke steun en bijstand te verlenen aan de nationale bureaus voor de internationalisering van het hoger onderwijs die in de verschillende Europese landen actief zijn, en om bij te dragen aan de oprichting van dergelijke bureaus in de landen waar zij nog niet bestaan. Nauwere samenwerking tussen deze bureaus zou volgens het Comité kunnen fungeren als hefboom voor nauwere samenwerking tussen Europese universiteiten.

5.3

Een van de meest relevante aspecten van de internationalisering van het Europese hoger onderwijs en het aantrekken van jonge talenten uit derde landen is het beleid inzake immigratie en de toekenning van visa aan studenten en docenten uit derde landen. De obstakels die maken dat veel studenten, docenten en onderzoekers ervan afzien voor Europa te kiezen zijn reeds lang in kaart gebracht en moeten dan ook zo snel mogelijk worden opgeruimd.

5.4

De stelling dat mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers zowel voor hun landen van herkomst als voor de gastlanden een meerwaarde betekent, is door het Comité altijd volmondig onderschreven. Belangrijk hierbij is wel dat mensen ook terugkeren naar hun land, zodat braindrain wordt voorkomen. Geschoolde werknemers zijn immers onontbeerlijk voor maatschappelijke ontwikkeling.

5.5

Voorts zijn het niet zozeer de cijfers die tellen, maar moet worden nagegaan wat de mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers oplevert. Het budget zou dan ook grotendeels moeten worden besteed aan de samenwerkingsprogramma's in het kader waarvan beurzen voor mobiliteit worden uitgereikt en die de oprichting van netwerken met een sterk hefboomeffect mogelijk maken.

5.6

Voorts vestigt het Comité de aandacht op het feit dat met name op het gebied van mobiliteit van onderzoekers meer vrouwen aan de programma's zouden moeten deelnemen. Hoewel de laatste jaren meer vrouwelijke onderzoekers hoge verantwoordelijke posten bekleden bij wetenschappelijke instellingen en universiteiten, ligt dat aantal nog steeds erg laag.

5.7

Mobiliteit moet voor de betrokkenen de deur openzetten naar culturele en zelfs taalkundige verrijking, een kans die enkel Europa — als multiculturele en meertalige ruimte — kan bieden. Vandaar dat lessen in de taal van het gastland zouden moeten worden opgenomen in de studieprogramma's van migrerende studenten, docenten en onderzoekers en dat een strategie voor hun integratie in de lokale gemeenschap zou moeten worden uitgestippeld, zodat zij hun culturele horizon kunnen verruimen en daadwerkelijk kunnen deelnemen aan het dagelijkse leven van de samenleving waarvan zij gedurende hun studies of onderzoek deel uitmaken (6).

5.8

Doorslaggevend voor een succesvolle internationalisering van het hoger onderwijs is voorts ook de erkenning, certificering en validering van verworven kwalificaties en vaardigheden. Het Comité heeft in een recent advies de volgende uitspraak gedaan: „De erkenning van beroepskwalificaties uit andere lidstaten is een essentieel instrument voor de bevordering van de mobiliteit van EU-burgers en dus ook voor de totstandkoming van de interne markt. Hierdoor wordt het concurrentievermogen van de lidstaten verbeterd, duurzame groei ondersteund en de werkloosheid verlaagd. De nationale economieën profiteren van de uiteenlopende beroepservaring die hun burgers tijdens een beroepsactiviteit in verschillende lidstaten opdoen” (7).

5.9

De Commissie beklemtoont in haar mededeling dat de opkomende landen een belangrijke rol vervullen bij de globalisering en internationalisering van het hoger onderwijs. Het Comité is het ermee eens dat terdege rekening moet worden gehouden met deze nieuwe spelers op het wereldtoneel, maar wil er ook op wijzen dat we steeds alert moeten zijn op mogelijke nieuwe „concurrenten” of andere landen en gebieden waarmee bepaalde EU-lidstaten al veel langer en om de meest uiteenlopende redenen een bijzondere band hebben.

5.10

De noodzaak van samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven wordt door de Commissie nauwelijks aangekaart, terwijl hiermee toch een belangrijke impuls kan worden gegeven aan innovatie en economische en sociale ontwikkeling. Voorwaarde is overigens dat niet wordt geraakt aan de autonomie en werkmethoden van beide sectoren.

5.11

Daarnaast is het zaak ook de samenwerking tussen hogeronderwijsinstellingen en bedrijven op internationaal niveau aan te moedigen. Het is belangrijk dat universiteiten in het kader van hun internationale activiteiten gebruik maken van onderzoeksresultaten, innovatie op pedagogisch vlak bevorderen en de creativiteit en zin voor vernieuwing van hun studenten en docenten aanmoedigen. Het Comité wil daarbij niet nalaten te wijzen op het risico dat basisonderzoek ondergeschikt wordt gemaakt aan directe wetenschappelijke toepassingen.

5.12

Positief is de erkenning dat de problematiek in kwestie niet louter wetenschappelijk of technisch van aard is, maar samenhangt met het politieke klimaat, zowel op nationaal als op Europees niveau.

5.13

De budgettaire situatie in tal van Europese landen baart het Comité dan ook grote zorgen; het denkt met name aan de landen waar de EU en het IMF maatregelen hebben opgelegd en waar enorm gesnoeid is in de budgetten voor het hoger onderwijs, wat de in de mededeling beoogde doelstellingen op de helling kan zetten. De sterkste troef van de Europese universiteiten is immers hun academische topkwaliteit.

5.14

Het Comité hamert erop dat betrouwbare en vergelijkbare Europese statistische gegevens nodig zijn, zodat de EU stevig genoeg in haar schoenen staat om de dialoog aan te gaan met derde landen en zo tot echte kennisallianties te komen.

5.15

De follow-up van de situatie op het vlak van de internationalisering van het hoger onderwijs zou moeten worden opgenomen in de specifieke landenaanbevelingen in het kader van het Europees semester.

5.16

De Commissie zelf wijst erop dat het gebruik van nieuwe technologieën in de internationale programma's een kans op mobiliteit betekent voor de miljoenen studenten die niet over de mogelijkheden beschikken om te reizen. De massale toevloed van gratis internetcursussen heeft de toegang tot kennis ingrijpend gewijzigd en nieuwe deuren geopend, maar brengt ook nieuwe pedagogische en methodologische uitdagingen mee.

5.17

Het Comité waarschuwt in dit verband voor mogelijke problemen op technisch en ethisch vlak: het denkt o.m. aan de bescherming van de intellectuele eigendomsrechten van de docenten en onderzoekers die cursussen opstellen en aan het gevaar dat onderscheid zal worden gemaakt tussen twee soorten erkenning van studies, nl. van de studenten die fysiek deelnemen aan de internationalisering en degenen die dat online doen.

5.18

De Commissie is voornemens in 2014 van start te gaan met U-MultiranK, een nieuw rangschikkingsmodel voor het hoger onderwijs dat de diversiteit van de verschillende instellingen weerspiegelt en bedoeld is om meer transparantie te bieden. Het Comité onderschrijft deze doelstellingen maar vraagt zich af of dit model echt doeltreffender is dan de al bestaande systemen en of dergelijke grote uitgaven gerechtvaardigd zijn in tijden van economische en financiële moeilijkheden.

5.19

De Groep op hoog niveau voor de modernisering van het hoger onderwijs heeft tot tevredenheid van het Comité erkend dat een specifieke opleiding voor docenten gezien de toenemende culturele, economische en sociale verscheidenheid onder studenten onmisbaar is. Tegen 2020 zou ten minste 40 % van de Europese jongeren een diploma hoger onderwijs moet bezitten. Daarnaast moeten alle hogeronderwijsdocenten tegen die datum voldoende opleiding hebben gekregen om te kunnen instaan voor de kwaliteit van onderwijs en diploma's.

5.20

Volgens het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de VN dragen de staten de volledige verantwoordelijkheid voor de financiering van het onderwijs. Zo wordt in dit verdrag bepaald dat „het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor eenieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te worden gemaakt”.

5.21

De Commissie trekt voor het begrotingskader 2014-2020 3 miljard EUR uit voor de internationaliseringsstrategie voor het hoger onderwijs (van de 16 miljard EUR die zijn bestemd voor de Erasmus+-programma's). Dat bedrag is nodig wil de Commissie haar verbintenissen inzake de mobiliteit van 135 000 studenten en docenten, 15 000 onderzoekers en 60 000 van de beste master- en doctoraalstudenten, naleven. Het Comité hoopt op gezette tijden gedetailleerde informatie te ontvangen over de naleving van deze verbintenissen en dringt erop aan dat hiervoor in de toekomst meer middelen worden uitgetrokken.

Brussel, 21 januari 2014.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Gegevens van het Unesco Institute for Statistics.

(2)  Het Litouwse voorzitterschap heeft hieraan samen met de Commissie een conferentie gewijd. Zie voor de conclusies http://ec.europa.eu/education/news/30082013-european-higher-education-confrence_en.htm

(3)  COM(2012) 497 final

(4)  PB C 191 van 29.6.2012, blz. 103

(5)  Volgens de Commissie trekt 63 % van alle studenten uit derde landen naar drie EU-lidstaten, te weten het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland.

(6)  Alle mensen hebben het recht om zich uit te drukken en hun werk te scheppen en te verspreiden in de taal van hun keuze, in het bijzonder in hun moedertaal; alle mensen hebben recht op onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit waarbij hun culturele identiteit volledig wordt gerespecteerd, Universele Verklaring van de UNESCO betreffende culturele diversiteit, 2001

(7)  PB C 204 van.8.2008, blz. 85


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/78


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Consultatieve mededeling over duurzaam gebruik van fosfor

COM(2013) 517 final

(2014/C 177/14)

Rapporteur: David SEARS

De Commissie heeft op 8 juli 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 304 van het VWEU te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Consultatieve mededeling over duurzaam gebruik van fosfor

COM(2013) 517 final.

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 7 januari 2014.

Het EESC heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 21 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 155 stemmen vóór, bij 4 onthoudingen werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en conclusies

1.1

Onderhavige consultatieve mededeling is onderdeel van een bredere discussie over de vraag hoe de EU op een kostenbesparende en milieuvriendelijke manier kan instaan voor de instandhouding van de reserves aan kritische grondstoffen, zowel ten behoeve van de industrie als in het belang van mens en dier, in een steeds dichterbevolkte, geglobaliseerde en aan concurrentie blootgestelde wereld. In deze consultatieve mededeling wordt een overzicht gegeven van de situatie m.b.t. fosforhoudende producten die voor de levensmiddelenindustrie en andere basistoepassingen worden ingevoerd en gebruikt. Dit overzicht is met kennis van zaken opgesteld, uitgebalanceerd en toereikend.

1.2

Het EESC beantwoordt de elf vragen van de Commissie en doet specifieke aanbevelingen. Het wijst op de bijdrage die het Europees Platform voor duurzame fosfor (ESPP) levert en die waarschijnlijk een resultaat is van de werkzaamheden van het Europees Innovatiepartnerschap (EIP) op het gebied van productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Het staat achter deze initiatieven en vertrouwt erop dat de resultaten ervan goed zullen worden gebruikt.

1.3

Het EESC heeft waardering voor deze benadering die — zoals de Commissie zelf aangeeft — niet noodzakelijkerwijs tot wetgeving hoeft te leiden. Wellicht verdient het de voorkeur om de goede vragen te stellen en ervoor te zorgen dat de juiste gegevens voorhanden zijn waardoor anderen met meer kennis van zaken besluiten kunnen nemen. Er moeten voorbeelden van geslaagde methoden (best practices) worden opgespoord en ter navolging bekend worden gemaakt.

1.4

Een en ander kan het noodzakelijk maken dat de markt voor nieuwe technologie op de korte termijn wordt gesteund en dat zo nodig wordt voorzien in meer op de lange termijn gerichte steun van regelgevende aard voor veranderingen die algemeen als onmisbaar worden ervaren. De kans is groot dat streefcijfers voor het beheer en de recyclage van fosfor helpen. De verwezenlijking daarvan in de lidstaten zou moeten worden overgelaten aan degenen die hier het nauwst bij zijn betrokken.

2.   Inleiding

2.1

Fosfor is een onontbeerlijke bouwsteen van het leven, dat eindeloos kan worden gerecycleerd, maar niet kan worden vervangen en dat wijd verspreid in de aardkorst wordt aangetroffen. Alleen zijn er slechts in weinig landen exploiteerbare fosfaatreserves. Behalve Finland bevinden al die landen zich buiten de EU.

2.2

Afvalproducten (waaronder vast organisch afval van planten, dieren en mensen) bevatten altijd fosfor. Al dit afval wordt in wisselende mate gerecycleerd voor bodemgebruik en als bijdrage aan afvalverwijdering en bemesting van landbouwgewassen. Sommige gebieden hebben een fosforoverschot, wat problematisch is omdat dit tot waterverontreiniging en eutrofiëring (toename van vegetatie als gevolg van een overschot aan nutriënten) kan leiden. Andere gebieden hebben een fosfortekort en kunnen geen grote oogsten leveren. Die moeilijkheden worden aangescherpt door veranderingen in de concentraties van mensen en dieren.

2.3

In de eerste vijftig jaar van het gebruik van fosfaatgesteente was er maar weinig aandacht voor bovengenoemde problemen en kansen. De bevoorrading leek toereikend, de prijzen bleven stabiel en laag en de opbrengsten van gewassen en dieren waren erg groot. In 2008 kwam plotseling het keerpunt. China dat vreesde voor een fosfortekort in eigen land, voerde toen een belasting in op de uitvoer van fosfor. De wereldprijzen rezen de pan uit, wat de voedselprijzen niet onberoerd liet. Geopperd werd dat de „fosforpiek” al was bereikt.

2.4

Twee jaar later werden de wereldreserves opnieuw geraamd en met tien vermenigvuldigd. Het probleem leek de wereld uit maar de twijfels bleven en werden alleen maar groter: hoe zat het nou echt? Hoe dan ook was het tijd om een paar belangrijke vragen te stellen.

3.   Vragen en antwoorden

3.1   Bent u van oordeel dat de vraagstukken inzake voorzieningszekerheid voor de EU ten aanzien van de verdeling van fosfaatgesteente reden zijn voor bezorgdheid? Zo ja, wat moet er gebeuren om de producerende landen erbij te betrekken om deze vraagstukken aan te pakken?

3.1.1

Fosfaatgesteente is de primaire bron van fosfor waarmee de opbrengst van gewassen wordt vergroot en de groei van dieren wordt bevorderd, waardoor steeds grotere groepen mensen van voedsel kunnen worden voorzien. De momenteel bekende reserves zijn geconcentreerd in een klein aantal landen. Landen zijn pas geneigd fosfor te gaan uitvoeren als de hoeveelheid waarover zij beschikken, groter is dan wat voor hun eigen markt nodig is. Naar het schijnt wordt slechts een gering deel van de hoeveelheid gewonnen fosfor (16%) in de handel gebracht (Rosemarin & Jensen, Europese conferentie over duurzame fosfor, maart 2013). Een groot aantal van de fosfor leverende landen wordt als politiek kwetsbaar aangemerkt. De markt is noch helemaal transparant, noch foutloos functionerend. De EU is niet zelfvoorzienend en heeft werkgelegenheid verloren doordat de fabricage van eindproducten (meststoffen en fosforhoudende chemicaliën) naar de leverende landen is verplaatst.

3.1.2

Deze vraag kan alleen worden beantwoord als de hele wereld in aanmerking wordt genomen. Als één dichtbevolkt en/of rijk land waar de vraag groot is, voor zijn leveringszekerheid wat grondstoffen betreft (waaronder voedsel) vreest, dan lopen alle van invoer afhankelijke landen of regio's gevaar. Hetzelfde geldt voor goederen die van grondstoffen worden gemaakt. Bij onderzoek moet hiermee altijd rekening worden gehouden, vooral nu de productiepatronen zijn veranderd en de primaire vraag inmiddels buiten de EU is gesitueerd.

3.1.3

Het antwoord op de eerste vraag is zonder meer: ja. De uitdaging bestaat erin om rendabele methoden te vinden waardoor de zelfvoorzieningsgraad kan worden verhoogd. De ontwikkelingen sinds de prijzen in 2008 met 700% omhoog schoten, zijn gunstig gebleken. Ook al zijn de prijzen sindsdien weer gedaald, toch heeft het besef van de risico's die worden gelopen, een stimulerende werking gehad op investeringen in de hele aanbodketen. Even belangrijk is dat meer besef wordt bijgebracht van de milieueffecten in alle stadia van de aanbodketen en dat inzicht wordt verkregen in de wijze waarop die milieueffecten zonder al te hoge kosten kunnen worden teruggedrongen. Waar het op aan komt, is dat de Commissie onderzoek gaat steunen en dat groepen belanghebbenden er via het EIP en het ESPP bij worden betrokken.

3.1.4

Van de bekende reserves bevindt 75% zich in Marokko en de Westelijk Sahara (Rosemarin & Jensen, Europese conferentie over duurzame fosfor, maart 2013). De uitvoer uit Marokko beheerst de wereldmarkt. Voorbeelden van andere landen die de EU van fosfor voorzien, zijn Tunesië en Syrië. Rusland is een belangrijke leverancier van fosfaatgesteente en eindproducten. Jordanië en Egypte voeren grote hoeveelheden uit. Kortom, er zijn overduidelijk prikkels om meer nabuurschapspacten en andere bilaterale verdragen te sluiten.

3.1.5

Op dit alles is uitgebreid ingegaan in het advies „Veiligstelling van de invoer van essentiële goederen via het huidige handelsbeleid van de EU en aanverwant beleid” (1), dat het EESC in oktober 2013 heeft uitgebracht. Overduidelijk is ook de behoefte aan een samenhang vertonende, op samenwerking gebaseerde, alomvattende, van een gegevensbasis voorziene, tijdige, politiek bewuste en tactische aanpak die door alle EU-instellingen namens de lidstaten wordt toegepast.

3.2   Is het hier geschetste beeld van vraag en aanbod accuraat? Wat zou de EU kunnen doen om de beperking van de voorzieningsrisico's aan te moedigen via bijvoorbeeld de bevordering van duurzame mijnbouw of het gebruik van nieuwe mijnbouwtechnologieën?

3.2.1

Het EESC acht het een goede zaak dat de Commissie gebruik maakt van de huidige, sinds 2010 verzamelde gegevens over de vraag, en in het algemeen ook over het aanbod, maar vindt wel dat die gegevens moeten worden aangemerkt als „indicatief” in plaats van als „accuraat”. De bekende reserves vertegenwoordigen minder dan 1 ppm van alle in de aardkorst aanwezige fosfor. Daarom is het hoogst onwaarschijnlijk dat alle samengetelde en exploiteerbare reserves al gevonden zijn, laat staan dat de technologie om fosfor (terug) te winnen, niet nog zou kunnen worden verbeterd. De vraag kan worden verminderd door fosfor uit schoonmaakmiddelen te blijven verwijderen, kunstmeststoffen efficiënter te gebruiken, minder vlees te eten of de omvang van bevolkingen te stabiliseren.

3.2.2

Hoe groot de reserves nu zijn, valt moeilijk te zeggen omdat er veel variabelen en onzekerheden zijn. Daarom lijken „Hubbert-curves” en prognoses voor „fosforpieken” niet zinvol als instrumenten voor kortetermijnvoorspellingen.

3.2.3

Het EESC is er voorstander van dat met de leverende landen wordt samengewerkt om nieuwe reserves aan te boren, de milieueffecten van mijnbouw, distributie en verwerking terug te dringen, de vereiste infrastructuur (spoorwegen, havens e.d.) aan te leggen en te bevorderen dat meststoffen vaker lokaal worden geproduceerd (wat een hogere toegevoegde waarde oplevert).

3.2.4

Dit standpunt laat de voornaamste doelen van het fosforbeleid van de EU onverlet: streven naar een hogere zelfvoorzieningsgraad in de EU en afzwakking van de gevolgen van bovenmatig gebruik. Om rendabele methoden en beleid te kunnen uitwerken, moet verbetering worden gebracht in de vergaring van gegevens over de fosforstromen in de EU, en dan vooral in lidstaten waar de vraag steeds groter wordt. Daarmee staat of valt vooruitgang op de weg naar duurzame voedselveiligheid.

3.3   Bent u van mening dat voldoende, transparante en betrouwbare informatie over vraag en aanbod van fosfaatgesteente en meststoffen op de wereldmarkt beschikbaar is? Zo nee, wat zou de beste manier zijn om transparantere en meer betrouwbare informatie op EU- en op wereldniveau te verkrijgen?

3.3.1

De beschikbare wereldwijde gegevens, vooral over reserves, zijn afkomstig van het Geological Survey van de VS, waaraan wordt meegewerkt door het International Fertilizer Development Center en andere organisaties zoals het Australische Joint Ore Resources Committee. Gezien de gebeurtenissen van de afgelopen jaren kan alleen maar worden gehoopt dat die organisaties het in de toekomst nog beter gaan doen. De FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN) heeft veel belang bij de vergaring van betrouwbare gegevens. De EU zou haar inspanningen daarop kunnen richten en zich er o.m. op kunnen toeleggen om de vraag in landen waar veel fosfor wordt gebruikt (vooral in Azië), te verminderen en steun te geven aan een herbeoordeling van de reserves in alle leverende landen.

3.3.2

Van doorslaggevend belang zijn ook verbeterde gegevens over vraagstromen en mogelijkheden om vraag en aanbod in Europa optimaal op elkaar af te stemmen. Het meest voor de hand liggend is dat het ESPP voor die gegevens zorgt. Van doorslaggevend belang blijft dat alle betrokken partijen (waaronder Fertilisers Europe) actuele informatie verstrekken.

3.4   Hoe moeten we het aan het fosforgebruik in de EU gekoppelde risico van bodemverontreiniging aanpakken?

3.4.1

Fosfaatafzettingen bevatten sporen van verschillende metalen zoals cadmium, uranium en chroom. Die sporen kunnen eruit worden gehaald voor voedsel- en technische gebruiksdoeleinden, maar de daartoe te volgen procedés zijn duur en genereren afval. Gewone sedimenten bevatten 25-150 mg Cd/kg P205. Stollingsafzettingen (in Rusland, Finland en Zuid-Afrika) bevatten ongeveer 10 mg Cd/kg P205. Typerend voor de in de EU ingevoerde fosfor is het lage cadmiumgehalte. Cadmium kan zich echter op den duur ophopen in bodem, planten en dieren en gaat dan toch een gevaar vormen voor de menselijke gezondheid. De verwijdering van cadmium werkt kostenverhogend voor landbouwers in de EU en verslechtert hun concurrentiepositie, omdat dergelijke beperkingen niet gelden voor ingevoerde gewassen. Fosfaat uit dierlijk en menselijk afval bevat weinig cadmium, maar kan op allerlei manieren verontreinigd zijn. Daarom is van belang dat voor alle verontreinigende stoffen een veiligheidsniveau wordt vastgesteld.

3.4.2

Het EESC moedigt de Commissie dan ook aan om al het lopende onderzoek voort te zetten en af te ronden, zo nodig nieuwe risicobeoordelingen uit te voeren en adequate aanbevelingen te doen, vooral t.a.v. technologie om cadmium te verwijderen, het kostenplaatje en de toepasbaarheid op verschillende productietrajecten.

3.4.3

Het ziet in dat landbouwmethoden vaak lokaal bepaald zijn en onnauwkeurig over kunnen komen. Technische advisering en de uitwisseling van geslaagd gebleken methoden (best practices) blijven zich ontwikkelen, maar de communicatie daarover is niet altijd even goed. Bij ontstentenis van financiële prikkels komt verandering meestal maar langzaam op gang. Dat er mengsels van N-, P- en K-meststoffen worden verkocht en gebruikt, gaat voorbij aan het feit dat de behoeften van veld tot veld kunnen variëren. Ook hier weer komt het aan op levenslang leren.

3.4.4

Thans is het dan ook beslist noodzakelijk dat- zowel voor natuurlijke als voor kunstmeststoffen — wordt overgegaan op „precisielandbouw” waarin meer aandacht wordt geschonken aan plaatselijke afgiftepatronen en aan wat lokaal nodig en beschikbaar is. Die precisielandbouw zou gepaard moeten gaan met prikkels om verandering teweeg te brengen. Voor de directoraten-generaal die bij de EU verantwoordelijk zijn voor resp. onderzoek en landbouw is hierin een doorslaggevende rol weggelegd.

3.5   Welke technologieën bieden de grootste kansen om duurzaam gebruik van fosfor te verbeteren? Welke kosten en voordelen brengen deze mee?

3.5.1

Fosfor is een stabiel, niet-radioactief scheikundig element en kan dan ook eindeloos worden gerecycleerd en hergebruikt. Fosfor is in de atmosfeer niet significant aanwezig, maar kan afdrijven door bodemerosie of waterstromen en komt uiteindelijk meestal op de zeebodem terecht. Er wordt al onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om fosfor terug te winnen uit binnenwatersystemen ter zuivering van het water. Terugwinning voor hergebruik ligt moeilijker.

3.5.2

Duurzaam gebruik vergt een levenscyclusanalyse van „mijn” naar „boerderij” naar „vork” naar „zee”. Voor de winning van mineralen is veel energie en water nodig, vaak in gebieden waar aan beide een tekort is. Vervoer en bewerking vragen om koolwaterstoffen en genereren broeikasgassen. Momenteel wordt veel verspild: slechtst ongeveer 15% van alle gewonnen fosfor komt op onze borden terecht (Rosemarin & Jensen, Europese conferentie over duurzame fosfor, maart 2013, hebben het over 20-25%, maar volgens ESPP-cijfers zou dit slechts 15% zijn). Daarentegen is het gebruik van fosfor onontbeerlijk voor iedere vorm van leven. Dit proces kan wel worden geoptimaliseerd maar niet door een ander proces worden vervangen.

3.5.3

Het ligt anders bij gebruik van fosfor voor andere dan voedingsdoeleinden. Huishoudelijke schoonmaakmiddelen kunnen fosfaatvrij worden gemaakt en er worden dan ook al veel minder fosfaathoudende schoonmaakmiddelen gebruikt. De verschuiving van het gebruik van landbouwgewassen voor de productie van voedsel naar de productie van biobrandstoffen brengt een veel grotere dreiging met zich mee. De energiekosten en -baten in alle stadia moeten beter worden becijferd. Het EESC is gaan uitzoeken wat de sociaaleconomische gevolgen daarvan kunnen zijn. Het is hoog tijd voor een volledige levenscyclusanalyse waarin ook naar het gebruik van fosfor wordt gekeken, waarna het gevoerde beleid zo nodig moet worden bijgestuurd.

3.5.4

Hoe dan ook moet worden geprobeerd om het gebruik van primaire fosfor (nieuwe inputs, waarvoor fosfor moet worden ingevoerd in de EU) terug te dringen en het hergebruik van organische stoffen (voedsel, verwerkingsafval en compost) en de veilige recyclage van fosforrijke stoffen (die nu als „afval” worden beschouwd: uitwerpselen van mens en dier, afvalwater en rioolslib) te bevorderen. Er moeten gebruiksmogelijkheden worden ontwikkeld voor nevenproducten van verwerkingsprocessen.

3.5.5

Voor alle bovenstaande doeleinden moeten geschikte trajecten worden uitgewerkt. Ook moeten regelgevers, leveranciers, landbouwers, kleinhandelaren en hun klanten door educatie zover worden gebracht dat zij de gewenste nieuwe producten en methoden omarmen. Er wordt momenteel gezocht naar commercieel haalbare oplossingen. Het ESPP en andere organisaties werken nauw samen met de Commissie om die oplossingen in praktijk te brengen.

3.5.6

De Commissie en andere instellingen, agentschappen en adviesorganen van de EU moeten blijven nagaan welke wetgeving (in het licht van de opgedane ervaring of omwille van veranderende externe behoeften) aan herziening toe is of beter moet worden toegepast. De aanpak van de „afval”-problematiek moet worden (en wordt inmiddels ook al) heroverwogen. Volgens de Mededeling is de huidige aanpak versnipperd en nutteloos en staat deze het behalen van de gewenste resultaten van hergebruik en recyclage in de weg.

3.6   Welk verder onderzoek naar en welke verdere innovatie van duurzaam gebruik van fosfor moet de EU bevorderen?

3.6.1

De Commissie zou onderzoek in de volgende gevallen moeten stimuleren: als een bepaald resultaat wordt gewenst, maar er geen duidelijkheid bestaat over door de markt gestuwde commerciële prikkels (bv. doordat vrij goedkope primaire fosfor nog steeds beschikbaar is); als de kans groot is dat belangenconflicten onopgelost blijven (bv. in het geval van kwaliteitsnormen voor gerecycleerde versus nog niet eerder gebruikte fosfaatmeststoffen), als de werkwijzen in de lidstaten ver uiteenlopen (bv. met betrekking tot het huidige gebruik van fosfaat en consumptiepatronen), of als een voor de hand liggende synergiewerking niet gemakkelijk tot stand kan worden gebracht (bv. de overheveling van dierlijk en ander fosforrijk afval van lidstaten met een overschot naar lidstaten met een tekort).

3.6.2

Verder moet erkenning worden gegeven aan de noodzaak van een betere communicatie tussen alle betrokken sectoren, aan de omstandigheid dat verschillende wetten van toepassing zijn en aan de uiteen gehaalde en soms tegenstrijdige verantwoordelijkheden binnen de Commissie en andere regelgevende organen.

3.7   Bent u van mening dat de beschikbare informatie over de efficiëntie van fosforgebruik en het gebruik van gerecyclede fosfor in de landbouw toereikend is? Indien niet, welke verdere statistische informatie zou er nodig kunnen zijn?

3.7.1

Het antwoord op deze vraag is: nee. Er is duidelijk behoefte aan gezaghebbende, minder gefragmenteerde en uitvoerigere informatie over andere verontreinigende stoffen, hun herkomst en de mate waarin deze stoffen worden teruggevonden in voedsel. Daarbij gaat het o.m. om zware (en minder zware) metalen, geneesmiddelen en metabolieten, pathogene middelen, verwante nutriënten, beschikbaarheid, afgiftepatronen, algemene agronomische efficiëntie, recyclingtechnologie en milieueffecten.

3.7.2

Een goed begin zou al zijn als er statistische gegevens ter beschikking worden gesteld. Het komt aan op educatie, ownership en draagvlak voor verandering. Samenwerking tussen de Commissie en organisaties als het ESSP lijkt de meest aangewezen oplossing in dit verband.

3.8   Hoe kan het Europees innovatiepartnerschap (EIP) voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw helpen om duurzaam gebruik van fosfor te bevorderen?

3.8.1

Er zijn in het kader van de Europa 2020-strategie vijf EIP's opgestart. Drie van die EIP's (resp. betreffende productiviteit in de landbouw, water en grondstoffen) zullen gevolgen hebben voor de landbouw in het algemeen en fosfor in het bijzonder. Hetzelfde geldt voor de twee overige EIP's (resp. betreffende slimme steden en actief en gezond ouder worden). De fosforproblematiek is nieuw. De oplossing die wordt gevonden, kan dus een voorbeeldfunctie krijgen.

3.8.2

Er is een stuurgroep op hoog niveau opgezet en een strategisch uitvoeringsplan (SIP) overeengekomen. Die maatregelen worden een succes als alle belanghebbenden samenwerken, worden vertegenwoordigd en blijk geven van een actieve inzet. Het zwaartepunt ligt bij acties die in de EU kunnen worden ondernomen en die grofweg van „boerderij” naar „vork” gaan: sommige van de hierboven genoemde vraagstukken worden dus buiten beschouwing gelaten.

3.8.3

Het EESC stemt in met de erg brede en alomvattende inhoud van het SIP, maar betreurt dat daarin een aantal zaken ontbreken, te weten: duidelijk omschreven prioriteiten, regelingen om rechtmatige geschillen te beslechten en termijnstelling voor acties. Er wordt nauwelijks ingegaan op gebieden waar beleid van de EU of van de lidstaten (al dan niet subsidiëren of zelfs maar toestaan van specifieke activiteiten om andere doelen te verwezenlijken) in of buiten de EU een economisch onhoudbaar of ongewenst resultaat heeft opgeleverd.

3.8.4

Het EESC hoopt dat de doelstellingen van het EIP op tijd worden verwezenlijkt: dat zou bijdragen tot de oplossing van het fosforvraagstuk. In de discussie mag niet worden voorbijgegaan aan kwesties als het gebruik van nutriënten, de doeltreffendheid van meststoffen, recyclage, niveaus van verontreiniging en de behandeling, het vervoer en het gebruik van mest en ander organisch afval. Een en ander moet dienen ter onderbouwing van het werkprogramma van het ESPP. Dat er van wisselwerking tussen beide sprake moet zijn, spreekt voor zich.

3.9   Wat kunnen we doen om tot een beter beheer en een ruimere verwerking van mest te komen in gebieden waar een overschot bestaat en om het gebruik van verwerkte mest buiten deze gebieden te stimuleren?

3.9.1

Een stof wordt „afval” als degene aan wie de stof rechtstreeks toebehoort, er geen of een negatieve waarde aan hecht. Zodra er een waarde aan kan worden toegekend, wordt de stof weer verhandelbaar. Van een proces kan pas worden gezegd dat het volledig effect sorteert als alle voortbrengselen eruit waarde krijgen en worden benut. Door de globalisering is de analyse van dit fenomeen ingewikkelder geworden, maar ook des te dringender. De toevoer van vloeibaar en vast afval van dieren, planten en mensen moet voortaan worden gezien als een kans om handel te drijven in plaats van als een geldverslindend probleem.

3.9.2

Alleen is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Onderzoek en nieuwe technologie worden noodzakelijk. Regelingen moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat de inhoud voor grensoverschrijdende en interne verplaatsingen duidelijker wordt en meer zekerheid biedt. Er moet duidelijkheid worden geschapen over financiële prikkels. Lokaal toegepaste oplossingen voor al dan niet verwerkte natuurlijke mest of kunstmest hebben de grootste kans van slagen. Door de gemeenschap gedreven of regionale projecten kunnen worden vormgegeven om specifieke problemen op te lossen, met als doel om investeringen naar behoren te benutten en milieueffecten zo gering mogelijk te maken.

3.9.3

Voor belanghebbenden in het EIP en het ESPP is een gewichtige rol weggelegd: zij moeten ervoor zorgen dat algemene oplossingen worden afgestemd op de mogelijkheden die er op een gegeven tijdstip voor landbouwbedrijven, gemeenschappen, gemeenten of regio's zijn. Lidstaten en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld moeten hier volledig bij worden betrokken.

3.10   Wat kunnen we doen om de terugwinning van fosfor uit voedselafval en ander biologisch afbreekbaar afval te verbeteren?

3.10.1

De beste manier om voedselverspilling tegen te gaan, is ervoor zorgen dat voedsel wordt verdeeld en opgegeten als onderdeel van een evenwichtig en gezond eetpatroon van mensen die voedingsmiddelen nodig hebben. Van alles moet opnieuw worden bekeken: de etiketteringsvoorschriften en kleinhandelspraktijken m.b.t. „kwaliteit” (vorm, aanblik en omvang versus smaak of voedingswaarde); de omvang van porties; de uiterste gebruiksdata met als vermelding „bij voorkeur” of „verkopen vóór”; de vraag wat met onverkochte levensmiddelen wordt gedaan. Grootschalige commerciële gebruikers (voedselverwerkende bedrijven, cateringbedrijven, restaurants) moeten zo weinig mogelijk afval genereren, al was het maar om commerciële redenen, en zouden moeten worden verplicht om compost te maken van al het voedsel dat ze niet regelrecht kunnen gebruiken. De hele sector bestrijkende initiatieven waarbij ook de kleinhandel betrokken is, moeten worden aangemoedigd. Verspilling van voedsel in gezinshuishoudens kan en moet worden teruggedrongen, en wel doordat goed wordt ingekocht en voedsel tijdig wordt genuttigd. Het komt hier dus vooral neer op consumenteneducatie. Dat burgers zelf composteren, kan op het platteland, maar is moeilijker in grote steden.

3.10.2

Gescheiden inzameling van biologisch afbreekbaar afval (behalve tuinafval) komt meestal niet echt van de grond en is afhankelijk van het beschikbare budget en de gestelde prioriteiten. Het composteren van voedsel dat niet kan worden geconsumeerd, houdt fosfor in de voedselketen en vergroot, waar nodig, de kwaliteit van de bodem. Het zwaartepunt moet bij de toevoeging van waarde worden gelegd: het gaat om méér dan alleen maar de verwijdering van afval.

3.11   Moet een vorm van terugwinning van fosfor uit afvalwaterverwerking verplicht gesteld of gestimuleerd worden? Welke maatregelen kunnen we treffen om zuiveringsslib en biologisch afbreekbaar afval beter beschikbaar en aanvaardbaarder te maken voor de akkerbouw?

3.11.1

Er zijn al oplossingen gevonden voor het kleinschalige gebruik van fosfor in gezinshuishoudens, vooral omdat er iets moest worden gedaan aan het probleem van de eutrofiëring (door een overmaat aan fosfor) van niet-stromend water in afgelegen gebieden. Die oplossingen zijn echter duur en lijken moeilijk inpasbaar in steden met een grotere bevolkingsdichtheid. Wat mogelijk is, hangt vaak af van de omvang van steden.

3.11.2

Voor de verwijdering van afvalwater in steden gelden regels die betrekking hebben op de kwaliteit van het afgevoerde water en niet op de potentiële waarde van specifieke bestanddelen ervan. Een en ander moet dringend opnieuw worden bekeken. Vernieuwing van bestaande rioleringen kan veel geld kosten. Modellen creëren voor nieuwe investeringen die voor de betrokkenen toegevoegde waarde creëren, is zinvoller. Het gebruik van vast organisch afval op land moet op de optimalisering van de opbrengst van gewassen zijn gericht en niet op het halen van streefcijfers voor afvalverwijdering.

3.11.3

Er zullen nieuwe normen moeten worden uitgewerkt voor gebruik in de voedselketen (met inbegrip van akkerbouw) in combinatie met kunstmeststoffen (die gemakkelijker zijn te controleren op kwaliteit en prestaties). Een moeitelozere uitweg bieden toepassingen buiten de voedselketen (parken, golfbanen, stedelijke en industriële landschapsvorming, milieuregeneratie, bosbouw, bescherming tegen erosie, zeeweringen enz.).

3.11.4

Het blijft nodig om gericht onderzoek te verrichten en nieuwe rendabele technologieën te ontwikkelen. Iedereen heeft er baat bij als pogingen daartoe worden aangemoedigd, gefinancierd en ondersteund doordat voorbeelden van geslaagde methoden (best practices) worden opgespoord en daadwerkelijk overgedragen. Ook zou aan die pogingen bekendheid moeten worden gegeven in de EU. Succesvolle technologieën leveren banen op en helpen markten veroveren. Consumenten zijn goedkoper uit als voedsel op een efficiënte manier wordt geproduceerd, verdeeld en gebruikt en als het afval ervan op een efficiënte manier wordt beheerd. Efficiënte methoden op al die gebieden helpen ook om de streefcijfers inzake energie en klimaatverandering te halen.

3.11.5

Belemmeringen die vooruitgang in de weg staan, moeten worden opgeheven. Er moet worden gewerkt aan geharmoniseerde criteria waardoor geen enkele stof nog langer als „afval” wordt beschouwd, en aan een nieuwe benadering van de omschrijving van en controle op afval. Kaderrichtlijnen betreffende chemicaliën (REACH), bodem- en waterkwaliteit, meststoffen, voedselgebruik en afvalverwijdering moeten worden getoetst aan de vraag of de doelstellingen ervan in de wereld zoals wij die nu kennen, nog wel relevant en volledig zijn en tegemoetkomen aan de prioriteiten van de EU. Het wordt van belang dat al die richtlijnen door nationale en lokale overheden naar behoren en evenredig worden toegepast. Het EESC wil daar graag bij helpen.

Brussel, 21 januari 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 6 van, 06.03.2014, blz. 47-52.


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/84


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventie en beheer van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten

(COM(2013) 620 final — 2013/0307 (COD))

(2014/C 177/15)

Rapporteur: Georges CINGAL

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 12 en 20 september 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 192, lid 1, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventie en beheer van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten

(COM(2013) 620 final — 2013/0307 (COD)).

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 7 januari 2014 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 22 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 143 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité is ingenomen met de mededeling van de Commissie en met het streven naar goedkeuring van een Europees wetgevingsinstrument. Gezien de klimaatproblemen (natuurlijke migratie naar het noorden) is dit meer dan ooit noodzakelijk. Wel wil het erop wijzen dat deze reactie in de ogen van degenen die al een hele tijd geleden aan de alarmbel hebben getrokken, waarschijnlijk rijkelijk laat komt. De Commissie zou moeten nagaan of in de diverse taalversies van de titel de juiste wetenschappelijke terminologie gebruikt wordt. Zo zou wat het Frans betreft de voorkeur moeten worden gegeven aan de term "espèces allogènes invasives (of „envahissantes”).

1.2

Het Comité is van oordeel dat de bestrijding van invasieve soorten als prioritaire Europese doelstelling moet worden aangemerkt en is dan ook verheugd dat de Commissie een regeling wil invoeren om deze strijd aan te gaan. Het zou echter graag zien dat de Commissie nader ingaat op de oorzaken van de problemen, zodat duidelijk wordt dat alle betrokkenen de handen ineen moeten slaan om de bevoegde instanties de nodige gegevens te verstrekken. Ook zou de Commissie moeten verwijzen naar eerdere inspanningen om de verspreiding van risicovolle geïntroduceerde soorten tegen te gaan. We denken dan bijvoorbeeld aan de LIFE-programma's. Het Comité zet vraagtekens bij het feit dat het aantal op de lijst vermelde invasieve soorten beperkt is tot 50.

1.3

Het is een goede zaak dat de Commissie de burger wil betrekken bij de strijd tegen de verspreiding van de invasieve soorten die op dit moment bekend zijn. Daarnaast zou zij de burgers echter ook moeten oproepen zich vertrouwd te maken met deze problematiek en deel te nemen aan activiteiten op het gebied van preventie. Het Comité beklemtoont dat hier een belangrijke rol is weggelegd voor maatschappelijke organisaties, met name bij het beheer van natuur- en recreatiegebieden.

1.4

Het Comité verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is een Europese Waarnemingspost voor invasieve uitheemse planten op te richten, die zich zowel zou bezighouden met het Europese scorebord als met de handel met derde landen. Onder waarnemingspost verstaat het Comité een officieel contactpunt dat wetenschappers en burgers uit de EU de kans biedt gezamenlijk aan bepaalde concrete problemen te werken. Op die manier kunnen lokale initiatieven onder de aandacht worden gebracht en kunnen de overeenkomsten worden beklemtoond via een bescheiden informatiecampagne (internetsite). De inzet van alle betrokkenen — d.w.z. deskundigen, mensen uit het veld en projectverantwoordelijken — is onmisbaar, en de oprichting van een waarnemingspost die instaat voor het beheer van horizontale en vakgebiedoverschrijdende kwesties kan daar volgens het Comité toe bijdragen.

1.5

Het Comité hoopt dat het voorstel nog tijdens de huidige mandaatsperiode van het Europees Parlement kan worden ingediend, zodat de regeling nog voor 2016 in werking zal kunnen treden. De voorgestelde toezichtregeling moet de goedkeuring van de wetenschappelijke wereld kunnen wegdragen en bijdragen tot de uitwerking van een lijst van indicatoren zoals aanbevolen in het Verdrag inzake biologische diversiteit, en m.n. in doelstelling 9, waarin is bepaald dat de invasieve uitheemse soorten en hun introductiewegen tegen 2020 moeten worden geïdentificeerd en ingedeeld volgens prioriteit, dat de prioritaire soorten moeten worden beheerst of uitgeroeid en dat maatregelen moeten worden genomen om de toegangsroutes te beheren, teneinde de introductie en de vestiging van die soorten te verhinderen. Het Comité roept de Commissie op een wetenschappelijke studiegroep op te richten op grond van Verordening (EG) nr. 338/97, die de bevoegdheid zou krijgen de lijst te wijzigen.

1.6

Het is een goede zaak dat de Commissie zich in het kader van de problematiek van de invasieve uitheemse soorten ook gaat bezighouden met braakliggende terreinen (onvruchtbaar land, verlaten spoorbanen, enz.), die maar al te vaak een bron van besmetting en kolonisatie vormen en van waaruit verspreiding plaatsvindt. Het Comité hoopt dat de uitroeiing van problematische pionierssoorten de ontwikkeling van gespecialiseerde ondernemingen in de hand zal werken en banen zal creëren.

2.   Achtergrond en samenvatting van de mededeling

2.1

De effecten van invasieve uitheemse soorten (IUS) op de biodiversiteit zijn aanzienlijk. IUS zijn een van de belangrijkste oorzaken van het verlies van biodiversiteit en het uitsterven van bepaalde soorten, en hun invloed wordt steeds groter. Wat de sociale en economische gevolgen aangaat kunnen IUS ziekten overbrengen of directe gezondheidsproblemen veroorzaken (bv. astma, dermatitis en allergieën). Voorts kunnen zij infrastructuur en recreatiefaciliteiten beschadigen, de bosbouw belemmeren, en verliezen veroorzaken in de landbouw — en dat is maar een greep uit de neveneffecten. Geraamd wordt dat IUS de Unie minstens 12 miljard EUR per jaar kosten, en die rekening wordt alleen maar hoger (1).

2.2

De lidstaten nemen al een aantal maatregelen om IUS aan te pakken, maar houden het daarbij voornamelijk bij pogingen om de reeds aanwezige schade te beperken, en besteden onvoldoende aandacht aan preventie en opsporing en de aanpak van nieuwe dreigingen. De inspanningen zijn versnipperd en slecht op elkaar afgestemd, en tal van soorten worden vergeten. IUS houden geen rekening met grenzen en kunnen zich eenvoudig verspreiden van de ene naar de andere lidstaat. Nationaal optreden zal de Unie dan ook niet vermogen te beschermen tegen de dreiging van bepaalde IUS. Bovendien kan een dergelijke gefragmenteerde aanpak ertoe leiden dat de aanpak van de ene lidstaat wordt ondergraven door de nalatigheid van een andere.

2.3

Doel van dit voorstel is het creëren van een actiekader ter voorkoming, beperking en vermindering van de negatieve invloeden van IUS op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Daarnaast wordt gestreefd naar beperking van de sociale en economische schade. Hiertoe moeten acties op elkaar worden afgestemd, middelen gericht worden toegespitst op prioritaire soorten en preventieve maatregelen worden versterkt, in overeenstemming met de in het Verdrag inzake biologische diversiteit bepleite aanpak en de Europese voorschriften inzake de gezondheid van planten en dieren. Meer concreet worden maatregelen voorgesteld met betrekking tot de bewuste introductie van IUS in de Unie en de bewuste uitzetting ervan in het milieu, de onbewuste introductie en uitzetting van IUS, de behoefte aan een systeem voor vroege waarschuwing en snelle reactie en de noodzaak om de verspreiding van IUS in de hele Unie te beheersen.

2.4

De publiekssamenvatting, die na de raadpleging is opgesteld en te vinden is op de site van de Commissie, is voldoende duidelijk.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Natuurwetenschappers en -liefhebbers hebben in het verleden al herhaaldelijk alarm geslagen, en hun waarschuwingen werden vaak breed uitgemeten in alle media. De Commissie komt nu eindelijk met een antwoord hierop. Daarnaast richt zij zich tot de decentrale overheden, die op lokaal niveau al actie hebben ondernomen. De Commissie pleit ervoor het voorzorgsbeginsel nauwgezet toe te passen zodat preventiemaatregelen kunnen worden genomen wanneer nieuwe risico's of problemen opduiken. In het licht van de enorme taak waar we voor staan vindt het Comité het zeer terecht dat de lat in de Commissiemededeling hoog wordt gelegd. Op 11 juni 2009 werd het advies NAT/433 (2) zonder het minste bezwaar goedgekeurd, en ook toen al heeft het Comité een aantal zinvolle aanbevelingen geformuleerd. Het betreurt dat het zo lang heeft geduurd voordat er eindelijk actieplannen voor de biodiversiteit konden worden uitgevoerd, vooral ook omdat onze bijzondere ecosystemen de pijler vormen van diverse sociale en economische activiteiten.

3.2

De Commissie wil met de voorgestelde verordening de strijd aanbinden tegen alle vormen van biologische invasie, een fenomeen waarbij geïntroduceerde soorten zich over een heel grondgebied verspreiden en daar schade aanrichten (definitie van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur (IUCN)). We onderscheiden drie soorten schade: een bedreiging voor de biodiversiteit van onze ecosystemen, een eventuele bedreiging voor de gezondheid van bepaalde populaties, en een bedreiging voor bepaalde economische activiteiten. Gevallen van verspreiding van een soort uit een bepaalde regio die voor problemen zorgt in een andere regio, moeten rechtstreeks door de lidstaten worden aangepakt; zo moeten problemen die worden veroorzaakt door meervalpopulaties geval per geval worden aangepakt; het subsidiariteitsbeginsel is hier van toepassing.

3.3

Het Comité heeft lof voor de voorlichtingsacties van het Europees Milieuagentschap en het DG Milieu, dat onlangs een brochure heeft uitgebracht over IUS (Science For Environment Policy: Thematic issue on Invasive Alien Species, 18/09/2013).

3.4

De Commissie stelt voor om een aanvankelijk plafond voor het aantal prioritaire soorten op te leggen tot de bovenste 3 % van de ongeveer 1 500 invasieve uitheemse soorten in Europa. Deze keuze is niet wetenschappelijk onderbouwd maar ingegeven door de beperkte budgettaire middelen. Positief is dat de Commissie hiermee een internationale aanpak voorstelt en de dialoog aangaat met lidstaten die al maatregelen hebben getroffen voor het beheer van IUS. Het Comité roept de Commissie op een wetenschappelijke studiegroep (Scientific Study Group) op te richten op grond van Verordening (EG) nr. 338/97, die de bevoegdheid zou krijgen de lijst te wijzigen.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Hoewel weinig valt aan te merken op de algemene analyse van de Commissie, lijkt er een probleem te zijn met de Franse terminologie (en misschien ook met andere taalversies). Er zou duidelijk onderscheid moeten worden gemaakt tussen „espèce invasive” en „espèce envahissante”: de eerste soorten komen elders vandaan, terwijl het in het tweede geval kan gaan om inheemse soorten die zich op dusdanig grote schaal kunnen voortplanten dat zij de hele omgeving gaan domineren en daarmee verarmen. Als we uitgaan van deze definitie moet worden nagegaan of alle partijen zich kunnen vinden in de Franse titel van de mededeling. De Commissie gebruikt in haar publiekssamenvatting de term „espèces allogènes envahissantes”. We moeten er dus zeker van zijn dat de (bijvoorbeeld in Wallonië) veel gebruikte term „espèce exotique envahissante” bij ter zake bevoegde biologen geen verzet oproept. Ook moet worden bekeken of de terminologie in andere taalversies klopt.

4.2

De Commissie zou de ernst van de zaak nader moeten toelichten, temeer daar de situatie nog steeds verslechtert. Zo moet absoluut worden uitgelegd dat wildgroei voornamelijk plaatsvindt als een soort niet interessant is voor anderen (roofdieren), menselijke activiteit niet in de weg staat (stedelijke gebieden), of zich ontwikkelt in moeilijk toegankelijke gebieden. In alle gevallen gaat het om besmettingshaarden: voorbeelden in waterrijke gebieden zijn o.m. jussieua en vederkruid; Japanse duizendknoop, vlinderstruik, vederesdoorn en lakboom woekeren min of meer overal. Anderzijds vermeldt de Commissie terecht dat de introductie van sommige soorten juist bijzonder goed is onthaald. In dat verband mag niet worden vergeten dat dergelijke nieuwe soorten werden gewaardeerd omdat zij zich hebben aangepast: zo is bv. de gewone robinia (Robinia pseudoacacia) nog erg populair omdat hij wordt gebruikt voor palen, weerbestendig hout voor buitenmeubilair, honing, enz. Daarentegen is de verspreiding van berenklauw (Heracleum spp.) voor gebruik als kuilgras een foute keuze gebleken, omdat de wildgroei ervan de biodiversiteit kan aantasten en de plant een gif afscheidt dat ernstige brandwonden kan veroorzaken.

4.3

De Commissie besteedt onvoldoende aandacht aan de nochtans cruciale milieuproblemen die o.m. door de beheerders van Natura 2000-gebieden in kaart zijn gebracht. De studiegroep vraagt zich af of hier geen sprake is van een latent schuldgevoel. De ngo's zijn niet vergeten dat zij jarenlang tevergeefs hebben gesmeekt om een importverbod voor exotische schildpadden. Aan dat verzoek is pas gehoor gegeven toen was bewezen dat deze schildpadden zich in natuurlijke omgevingen voortplanten. Hoewel deze mededeling schromelijk te laat komt, is het Comité er toch mee ingenomen; het is immers nooit te laat om actie te ondernemen.

4.4

De Commissie verwijst naar de regelgeving in andere landen. Daar is niets mis mee, maar waarom niet duidelijk aangeven dat besloten is uit te gaan van goede praktijkvoorbeelden uit het buitenland? Eén internationaal initiatief in het bijzonder is zeker het vermelden waard, nl. Ragweed Day, de eerste zaterdag van de zomer, die is uitgeroepen tot de dag van de strijd tegen de wildgroei van allergene planten. „Ragweed” is Engels voor ambrosia (Ambrosia artemisiifolia L), een koloniserende plant die zich ontwikkelt in alle gebieden waar de concurrentie niet al te sterk is. In de industriesector heeft de EU een voortrekkersrol gespeeld met haar oproep aan de lidstaten om de beste beschikbare technieken (BATs — Best Available Techniques) in kaart te brengen en toe te passen.

4.5

De Commissie beklemtoont dat „IUS in de meeste optredens van de Unie niet aan de orde” komen. Het Comité betreurt deze stand van zaken evenzeer als de Commissie, en wijst er ten overvloede op dat het milieu in principe in alle sectorale beleidsgebieden in aanmerking moet worden genomen. Het Comité zou graag zien dat de Commissie o.m. aangeeft hoe in het gemeenschappelijk landbouwbeleid rekening kan worden gehouden met deze problematiek. Zo moeten bv. oplossingen worden uitgedokterd voor het probleem van de overwoekering van graslanden door jussieua (Ludwigia grandiflora).

4.6

De Commissie geeft een perfecte, maar abstracte analyse van het probleem. Het Comité vraagt zich af of ook hier geen concrete voorbeelden nodig zijn: zo zijn het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje (Harmonia axyridis) en de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) voorbeelden van soorten die vrijwillig zijn geïntroduceerd. De Caulerpa taxifolia en de Aziatische hoornaar (Vespa velutina) zijn dan weer voorbeelden van onvrijwillige introductie. En dient niet ook te worden verwezen naar de huidige onverantwoorde introductie van de meerval (bijzondere vorm van vrijwillige introductie)? Gebeurt dat niet, dan zou de Commissie toch tenminste moeten refereren aan haar eigen werkzaamheden (de uitstekende brochure van mei 2009) en een aantal links naar interessante internetpagina's moeten opnemen.

4.7

De Commissie geeft een duidelijk overzicht van de verschillende mogelijke wetgevingsinstrumenten, en het is zonneklaar waarom voor optie 2.4 is gekozen: volgens dit scenario zullen de lidstaten verplicht moeten optreden zodra duidelijk wordt dat zich een nieuw probleem voordoet (doorgeven van informatie, analyseren van de situatie, voorstellen van actiemaatregelen).

4.8

Vanuit juridisch oogpunt lijkt het voorstel passend; dankzij het nieuwe instrument kunnen zowel situaties uit het verleden als nieuwe problemen worden aangepakt. Het Comité betwijfelt of het gegrond is de lijst van invasieve uitheemse soorten die potentieel schadelijk zijn voor de Unie, tot 50 soorten te beperken.

4.9

De financiële analyse daarentegen is te optimistisch. Na de inwerkingtreding van het instrument zal het aantal gegevens immers zo sterk toenemen dat verwerking daarvan voor de bevoegde dienst ongetwijfeld lastig zal zijn. De Commissie zal in dat geval moeten zorgen dat zij niet het slachtoffer wordt van haar eigen succes.

4.10

In dit stadium zijn nog niet alle details van het voorstel geregeld. De lidstaten zullen zelf concrete oplossingen moeten aandragen voor een aantal problemen; zo zal het vaak voorkomen dat zij op eigen houtje moeten nagaan wat de beste manier is om een levende soort uit te roeien. Het Comité vreest dat een en ander tot verhitte discussies op lokaal niveau kan leiden.

4.11

Voorlichting en participatie van het publiek komen aan de orde in hoofdstuk 5 van het voorstel, waarin de horizontale aspecten van de problematiek behandeld worden. Preventie mag niet enkel een zaak zijn van deskundigen. Het Comité wil eraan herinneren dat lokale spelers al meer dan eens alarm hebben geslagen en zich daarbij rechtstreeks tot de overheid en/of DG Milieu hebben gewend. Burgers weten vaak niet hoe zij de onderzoeksinstellingen moeten bereiken — ook al doen deze laatste herhaaldelijk oproepen om gegevens te verstrekken. Het zou daarom zinvol zijn hen de kans te geven een actieve bijdrage te leveren. Het geval van de Aziatische hoornaar vormt een mooie illustratie van het probleem: het gaat om een concurrent van de Europese hoornaar, die kan steken en in de buurt van bijenkorven op bijen jaagt. Aangezien het onmogelijk bleek deze indringer uit te roeien is gezocht naar een zo schoon mogelijk chemisch bestrijdingsmiddel (SO2), tot men uiteindelijk tot de vaststelling kwam dat de bijen op een natuurlijke manier kunnen worden beschermd tegen de hoornaar door kippen bij de bijenkorven te zetten. Het Comité verzoekt de Commissie daarom om de burgers via hun organisaties (vakverenigingen, ngo's e.d.) zo veel mogelijk te betrekken bij de strijd tegen IUS.

4.12

Wat de toepassing van de verordening (artikel 27) betreft ziet het Comité geen problemen, omdat de EU in principe niet te maken zal krijgen met de termijnen die bij voorbeeld voor bepaalde chemische producten problemen hebben veroorzaakt. De bepalingen inzake de uitroeiing van soorten met weinig handelswaarde en de wijziging van de regelingen voor de andere soorten lijken goed doordacht.

Brussel, 22 januari 2014.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2013) 620 final.

(2)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité „Naar een EU-strategie ten aanzien van invasieve soorten” (PB C 306 van 16.12.2009, blz. 42).


11.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 177/88


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, met het oog op de tenuitvoerlegging tegen 2020 van een internationale overeenkomst die op emissies van de internationale luchtvaart wereldwijd één marktgebaseerde maatregel toepast

(COM(2013) 722 final — 2013/0344 (COD))

(2014/C 177/16)

Algemeen rapporteur: Jan SIMONS

Het Europees Parlement en de Raad hebben op respectievelijk 24 oktober 2013 en 18 november 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 192, lid 1 en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, met het oog op de tenuitvoerlegging tegen 2020 van een internationale overeenkomst die op emissies van de internationale luchtvaart wereldwijd één marktgebaseerde maatregel toepast

(COM(2013) 722 final — 2013/0344 (COD)).

Op 12 november 2013 besloot het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité de afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu te belasten met de voorbereiding van het advies ter zake.

Gezien de urgente aard van de werkzaamheden heeft het EESC tijdens zijn op 21 en 22 januari 2014 gehouden 495e zitting (vergadering van 22 januari) besloten de heer Simons als algemeen rapporteur aan te wijzen, en heeft het vervolgens met 173 stemmen vóór en 4 stemmen tegen, bij 7 onthoudingen, onderstaand advies uitgebracht.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité adviseert, vanwege de rechtszekerheid voor vliegtuigexploitanten en nationale autoriteiten, de voorstellen aan te nemen met betrekking tot het ook hanteren voor het jaar 2013 van het „stop the clock”-besluit en de deadline voor rapportage en inleveren van emissierechten over het jaar 2013 één jaar uit te stellen.

1.2

Ook zo zijn aan te nemen: het vrijstellen van kleine niet-commerciële vliegtuigexploitanten, die nauwelijks CO2 uitstoten alsmede kleine maatschappijen die niet onder die vrijstelling vallen de mogelijkheid te geven om gebruik te maken van versimpelde administratieve procedures.

1.3

Dat is evenwel niet het geval met de onderdelen van het voorstel die betrekking hebben op vluchten van en naar derde landen voor de periode 2014-2020. Het is in het belang van alle partijen om een luchtvaart- en/of handelsoorlog te voorkomen. Daarom moet eerst worden ingezet op onderhandelingen om tot een wereldwijde oplossing te komen.

1.4

Nu de vluchten tussen luchtvaartterreinen in de EER onder de EU-ETS-regeling voor de luchtvaart zullen blijven vallen, roept het Comité de EER-instellingen op:

om onverwijld tot de „Single European Sky” te komen om onnodige uitstoot door omleidingen en vertragingen door luchtverkeersbegeleidingen uit te bannen;

intensieve multilaterale en bilaterale besprekingen te voeren om in de wereld meer interregionale MBM-systemen dan alleen die van de EER voor 2016 te krijgen.

2.   Inleiding

2.1

De luchtvaart is, ofschoon relatief klein, één van de snelst groeiende bronnen van broeikasgasemissies: haar aandeel in de totale uitstoot bedraagt ongeveer 5 %, maar haar emissies zijn de afgelopen 20 jaar bijna verdubbeld. De luchtvaartsector beschikt daarbij slechts over beperkte technologische mogelijkheden om zijn emissies te reduceren, maar luchtvaartmaatschappijen wereldwijd kunnen en willen (1)  (2) ook met marktgebaseerde maatregelen (Market-Based Measures — MBM's) tot de emissiereductie bijdragen door hun snel toenemende emissies door middel van financiering van emissiereducties in andere sectoren, te compenseren.

2.2

Mede door toedoen van de EU, onder meer door opschorting — het zogenaamde „stop-the-clock”-besluit van begin 2013 — van Richtlijn 2008/101/EG (de luchtvaartregeling voor de handel in broeikasgasemissierechten) voor luchtvaartexploitanten waarvan de vliegtuigen de Europese Economische ruimte (EER) in- of uitvliegen, nam the International Civil Aviation Organization Assembly (ICAO) op 4 oktober 2013 het besluit om met behulp van de goedgekeurde routekaart in 2016 — wanneer de volgende driejaarlijkse vergadering van de ICAO is — een wereldwijd op de markt gebaseerd mechanisme voor de uitstoot van de internationale luchtvaart gereed te hebben en dit, als het wordt goedgekeurd, vanaf 2020 te gaan toepassen. Tot die tijd kunnen landen of groepen landen, zoals de EU, interimmaatregelen nemen, maar over het precieze hoe en wat kon geen compromis worden gevonden.

2.3

Deze ontwikkelingen zijn conform de eerdere adviezen (3) van het Comité: van „Om een systeem van verhandelbare emissierechten (EHS) wereldwijd van toepassing te maken, zou via de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) gewerkt moeten worden aan de invoering van dit systeem; als het tijdens de onderhandelingen opportuun is, zou als praktische eerste stap in die richting de invoering van een EHS voor het intra-Europese luchtverkeer een haalbare optie kunnen zijn” in 2006 via in 2007 „Door de luchtvaart in het Europese emissierechtenhandelssysteem (EHS) op te nemen wordt het systeem zelf mogelijk versterkt en kan het gaan dienen als hét model om de CO2-uitstoot op wereldwijd niveau aan te pakken” tot onlangs in 2013 „Het EESC is dan ook ingenomen met de voorgenomen opschorting van de toepassing van de EU-regeling inzake emissierechtenhandel op luchtvaartexploitanten waarvan de vliegtuigen de Europese Economische Ruimte (EER) in- of uitvliegen. Dit moratorium blijft van kracht totdat de globale onderhandelingen zijn afgerond”.

3.   Samenvatting van het Commissievoorstel

3.1

De Europese Commissie stelt voor om de geografische reikwijdte van het EU-emissiehandelssysteem (ETS) voor de luchtvaart aan te passen voor de periode tot de invoering van een mondiaal handelssysteem, gegeven de uitkomst van de Assemblee van de VN-organisatie voor burgerluchtvaart (ICAO) die plaatsvond van 24 september tot 4 oktober 2013.

3.2

Het voorstel van de Commissie beoogt een verdere impuls te geven aan de ontwikkeling van een mondiaal systeem. In het voorstel wordt geen onderscheid gemaakt tussen maatschappijen op basis van nationaliteit.

3.3

Oorspronkelijk gold het EU ETS voor luchtvaart voor de volledige afstand van vluchten van en naar luchthavens binnen de EER, inclusief vluchten van en naar derde landen. Voor het jaar 2012 gold, als gevolg van besluit nr. 377/2013/EU (bekend als het „stop the clock”-besluit), het systeem tijdelijk alleen voor vluchten binnen de EER en niet voor vluchten van en naar derde landen.

3.4

De Commissie stelt voor deze reikwijdte ook te hanteren voor 2013. Daarnaast wordt voorgesteld de deadline voor luchtvaartmaatschappijen, met betrekking tot rapportage en inleveren van emissierechten over jaar 2013, één jaar uit te stellen.

3.5

De voorgestelde reikwijdte voor de jaren 2014 tot 2020 heeft — in aanvulling op bovengenoemde reikwijdte voor 2013 — ook betrekking op vluchten van en naar landen buiten de EER voor het deel van deze vluchten dat plaatsvindt boven het territorium van landen van de EER. Het voorstel beschrijft de wijze waarop dit in de praktijk tot uitvoering kan worden gebracht.

3.6

Drie andere gevolgen van dit voorstel zouden zijn:

vluchten tussen luchtvaartterreinen in de EER blijven onder de regeling vallen, net zoals dat het geval was bij de oorspronkelijke richtlijn en bij Besluit nr. 377/2013/EU;

vluchten naar en uit derde landen die geen industrielanden zijn en die verantwoordelijk zijn voor minder dan 1 % van de wereldwijde luchtvaartemissies, zouden zijn vrijgesteld. Dit zou op een niet-discriminerende manier routes naar ongeveer 80 landen uitsluiten;

vanaf 2014 worden voor vluchten naar en uit derde landen uitsluitend de emissies in aanmerking genomen die niet buiten de EER-landen worden uitgestoten. Er wordt een vereenvoudigde procedure voorgesteld om het passende percentage emissies vast te stellen van een specifieke vlucht die onder de ETS valt. Er wordt voorgesteld dat exploitanten tussen benaderingen van de MRV-methodologie (monitoring, rapportage en verificatie) kunnen kiezen om aan de regeling te voldoen.

3.7

Tot slot stelt de Commissie voor dat kleine niet-commerciële vliegtuigexploitanten, die zeer weinig CO2 uitstoten, worden vrijgesteld voor het EU ETS voor luchtvaart. Kleine maatschappijen die niet onder die vrijstelling vallen, wordt de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van versimpelde administratieve procedures.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Met het „stop the clock”-besluit geldt het EU ETS-systeem voor de luchtvaart tijdelijk alleen voor vluchten binnen de EER en niet voor vluchten van en naar derde landen. De Commissie stelt voor deze reikwijdte ook te hanteren voor het jaar 2013. Daarnaast wordt voorgesteld de deadline voor luchtvaartmaatschappijen, met betrekking tot rapportage en inleveren van emissierechten over het jaar 2013, één jaar uit te stellen. Het Comité vindt dit vanwege de rechtszekerheid voor vliegtuigexploitanten en nationale autoriteiten zeer verstandige voorstellen en adviseert derhalve ze aan te nemen.

4.2

Nu de vluchten tussen luchtvaartterreinen in de EER onder de EU ETS-regeling voor de luchtvaart zullen blijven vallen, roept het Comité de EU- en EER- instellingen op om onverwijld tot de „Single European Sky” te komen om verdere onnodige uitstoot door omleidingen en vertragingen door luchtverkeersbegeleidingen uit te bannen.

4.3

Het Comité is er zeer mee ingenomen dat kleine niet-commerciële vliegtuigexploitanten, die nauwelijks CO2 uitstoten, worden vrijgesteld en dat kleine maatschappijen die niet onder die vrijstelling vallen de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van versimpelde administratieve procedures.

4.4

Dat is evenwel niet het geval met de onderdelen van het voorstel die betrekking hebben op vluchten van en naar derde landen voor de periode 2014-2020. Het is in het belang van alle partijen om een luchtvaart- en/of handelsoorlog te voorkomen. Daarom moet eerst worden ingezet op onderhandelingen om tot een wereldwijde oplossing te komen.

4.4.1

Zelfs al uit de in de impact assessment vermelde gegevens over de in 2013 gevoerde beraadslagingen in ICAO-verband is af te leiden dat, gezien de verhoudingen en standpunten, zeer omzichtig moet worden gemanoeuvreerd om tenslotte in 2016 het beoogde wereldwijde resultaat te bereiken. Nog nooit is het doel zo dichtbij geweest, maar vertragingen zijn in het verleden geen uitzondering geweest en er is geen garantie op succes!

4.4.2

Dan nu al de derde landen letterlijk en figuurlijk aanzeggen — want dat is de unilaterale actie van de EU in feite indien dit onderdeel van het voorstel wordt aangenomen — dat hun luchtvaartmaatschappijen dienen te betalen zou een uitdaging inhouden. Dat zou alleen moeten overwogen na bilaterale en/of multilaterale onderhandelingen overeenkomstig artikel 16 a) van de ICAO-resolutie, om het risico van een wereldwijde luchtvaart- of handelsoorlog af te wenden.

4.4.3

Alhoewel juridisch de EER tot toepassing van de voorstellen is gerechtigd, is ook de US Administration gerechtigd om op grond van de Emissions Trading Scheme Prohibition Act („Thune Bill”) in Amerika geregistreerde luchtvaartmaatschappijen te verbieden zich met de EU ETS in te laten, om nog maar te zwijgen over de Chinese en Indiase reacties gezien hun weerstanden tegen de ICAO-resolutie van 4 oktober 2013. Het is vooralsnog echter niet nodig om de inhoud van het Commissievoorstel te wijzigen.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1

Het heeft er alle schijn van dat in bijlage I — Glossary van de Impact Assessment (SWD(2013) 430 final, blz. 51 EN) de definities van extra-EEA flights en intra — EEA flights verwisseld zijn.

Brussel, 22 januari 2014.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  EC/549/2004.

(2)  EC/1070/2009.

(3)  PB C 185, 8.8.2006, blz. 97; PB C 175, 27.7.2007, blz. 47; PB C 133, 9.5.2013, blz. 30-32.