ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2013.327.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 327

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

56e jaargang
12 november 2013


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

491e plenaire zitting op 10 en 11 juli 2013

2013/C 327/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Nog niet onderzocht economisch potentieel voor het concurrentievermogen van de EU — hervorming van overheidsondernemingen (verkennend advies)

1

2013/C 327/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Servië

5

 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

491e plenaire zitting op 10 en 11 juli 2013

2013/C 327/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek over langetermijnfinanciering van de Europese economie COM(2013) 150 final/2

11

2013/C 327/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over douanerisicobeheer en beveiliging van de toeleveringsketen COM(2012) 793 final

15

2013/C 327/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Een Europees actieplan inzake detailhandel COM(2013) 36 final

20

2013/C 327/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek inzake oneerlijke handelspraktijken in de food- en non-food toeleveringsketen tussen ondernemingen in Europa COM(2013) 37 final

26

2013/C 327/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Slimme regelgeving - Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen COM(2013) 122 final

33

2013/C 327/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en –monitoring — COM(2013) 107 final — 2013/0064 (COD)

38

2013/C 327/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (Herschikking) COM(2013) 162 final — 2013/0089 (COD)

42

2013/C 327/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen — COM(2013) 207 final — 2013/0110 (COD)

47

2013/C 327/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het vrije verkeer van burgers en bedrijven door vereenvoudigde aanvaarding van bepaalde openbare akten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 COM(2013) 228 final — 2013/119 (COD)

52

2013/C 327/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaaleconomische resultaten COM(2012) 669 final

58

2013/C 327/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten COM(2012) 788 final — 2012/0366 (COD)

65

2013/C 327/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel - Actualisering van de mededeling van de Commissie over het industriebeleid (COM(2012) 582 final)

82

2013/C 327/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen COM(2013) 106 final — 2013/0063 (COD)

90

2013/C 327/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de volgende documenten: Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren COM(2012) 673 final Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water (2000/60/EG) – Stroomgebiedbeheerplannen COM(2012) 670 final Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Verslag over de toetsing van het Europese beleid inzake waterschaarste en droogten COM(2012) 672 final

93

2013/C 327/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot maatregelen om de kosten van de aanleg van elektronische hogesnelheidscommunicatienetwerken te verlagen COM(2013) 147 final — 2013/0080 (COD)

102

2013/C 327/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over meerjarenfinanciering voor acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging en door olie- en gasinstallaties veroorzaakte mariene verontreiniging COM(2013) 174 final

108

2013/C 327/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees parlement en de raad tot vaststelling van een kader voor de toegang tot de markt voor havendiensten en de financiële transparantie van havens COM(2013) 296 final — 2013/0157 (COD)

111

2013/C 327/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers (lopend programma) COM(2013) 130 final

115

2013/C 327/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het 4e spoorwegpakket, dat de volgende zeven documenten omvat: Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende "Het vierde spoorwegpakket – voltooiing van de Europese spoorwegruimte ter bevordering van het concurrentievermogen en de groei in Europa" COM(2013) 25 final Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1192/69 van de Raad betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen COM(2013) 26 final — 2013/0013 (COD) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 COM(2013) 27 final — 2013/0014 (COD) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007 met betrekking tot openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor COM(2013) 28 final — 2013/0028 (COD) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur COM(2013) 29 final — 2013/0029 (COD) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (Herschikking) COM(2013) 30 final — 2013/0015 (COD) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake spoorwegveiligheid (Herschikking) COM(2013) 31 final — 2013/0016 (COD)

122

2013/C 327/22

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten COM(2013) 195 final/2 — 2013/0105 (COD)

133

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

491e plenaire zitting op 10 en 11 juli 2013

12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Nog niet onderzocht economisch potentieel voor het concurrentievermogen van de EU — hervorming van overheidsondernemingen” (verkennend advies)

2013/C 327/01

Rapporteur: Raymond HENCKS

Vytautas LEŠKEVIČIUS, viceminister van Buitenlandse Zaken, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) op 15 april 2013 namens het toekomstige Litouwse EU-voorzitterschap om een verkennend advies gevraagd over

"Nog niet onderzocht economisch potentieel voor het concurrentievermogen van de EU – hervorming van overheidsondernemingen".

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, keurde haar advies goed op 27 juni 2013.

Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 170 stemmen vóór en 10 stemmen tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Achtergrond

1.1

In onderhavig verkennend advies gaat het EESC na welke specifieke bijdrage overheidsondernemingen aan het concurrentievermogen van de EU kunnen leveren. De bedoeling daarvan is nauwkeurig uit te zoeken welke specifieke belangen daarbij op het spel staan voor politici en instellingen van de EU.

1.2

Uitgangspunt voor dit advies zijn de Verdragen waarin de lidstaten ruime discretionaire bevoegdheid wordt toegekend bij de bepaling, organisatie en financiering van hun diensten van algemeen belang (DAB). Ook zijn de lidstaten volgens de Verdragen bevoegd om zelf ondernemingen uit te kiezen die met de uitvoering van hun DAB worden belast en te bepalen welke statuut (particuliere onderneming, staatsbedrijf of publiek-privaat partnerschap) die ondernemingen krijgen (1).

1.3

Een overheidsinstantie kan voor haar optreden beslissen om een beroep te doen op een overheidsonderneming. Zo'n besluit wordt per geval genomen, met inachtneming van de analyse van een sector, de doelstellingen en taken die zijn vastgelegd en de koers die voor de lange termijn is uitgezet.

1.4

Richtlijn 80/723/EEG van 25 juni 1980 van de Commissie betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven behelst de volgende definitie van het begrip "openbaar bedrijf": elk bedrijf waarop overheden rechtstreeks of middellijk een dominerende invloed kunnen uitoefenen uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of de desbetreffende voorschriften.

Een overheersende invloed wordt vermoed aanwezig te zijn, wanneer de overheidsdiensten, al dan niet rechtstreeks, ten aanzien van een bedrijf:

a)

de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de onderneming bezitten, of

b)

over de meerderheid van de stemmen beschikken die aan de door de onderneming uitgegeven aandelen zijn verbonden, of

c)

meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de onderneming kan aanwijzen.

1.5

Historisch gezien hebben alle lidstaten ooit een staatsbedrijf opgezet, ofwel door zo'n onderneming op te richten, ofwel door een bestaand particulier bedrijf te nationaliseren of tot gemeentebedrijf te maken. De redenen daartoe waren velerlei:

verwezenlijking van strategische doeleinden (omwille van de binnenlandse of externe veiligheid of van de continuïteit van de voorziening van bepaalde basisgoederen of -diensten);

aanleg van voor de economie en de samenleving noodzakelijke infrastructuur;

vrijmaking van middelen voor grote investeringen (vooral na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog);

bevordering van nieuwe activiteiten die niet noodzakelijkerwijs rendabel zijn op de korte termijn;

ondervanging van het falen van de markt (natuurlijk monopolie, uitbesteding) of van particuliere initiatieven;

aanreiking van oplossingen in het geval van financiële, economische, sociale of milieucrises;

vervulling van taken van de overheid.

1.6

De gebruikelijke indicatoren voor de rentabiliteit van economische bedrijvigheid volstaan niet om de maat op te nemen van de doeltreffend- en doelmatigheid van overheidsondernemingen en/of van de noodzaak om die ondernemingen te hervormen. Daartoe moeten ook de door de overheid voor die ondernemingen vastgelegde doelstellingen en taken in aanmerking worden genomen.

1.7

Volgens de officiële Europese definitie is concurrentievermogen het vermogen om de levensstandaard van zijn inwoners duurzaam te verbeteren en hun een hoge mate van werkgelegenheid en sociale samenhang te bieden.

1.8

De EU verliest ieder jaar wat terrein als het gaat om productiviteit. Terreinverlies en verlies aan concurrentievermogen gaan gelijk op. Tekenend voor die achteruitgang is dat er niet genoeg wordt geïnnoveerd en dat investeringen in infrastructuur, technologie en menselijk kapitaal uitblijven.

1.9

Het concurrentievermogen en de aantrekkingskracht van de EU zijn dus afhankelijk van investeringen in infrastructuur, onderwijs en opleiding, onderzoek en ontwikkeling, gezondheidszorg, sociale en milieubescherming enz. - kortom, op tal van gebieden waar de overheid overheidsondernemingen kan inzetten als een instrument voor haar optreden.

1.10

Alleen zijn de staat en overheidsinstanties niet per se smetteloos in hun optreden. Overheidsondernemingen kunnen ook tekort schieten vanwege:

administratieve, bureaucratische of "politieke" controle;

ontbrekende verantwoordelijkheid voor de overheidsinstantie, die zich ertoe kan beperken om uitsluitend financiële doelstellingen of vermogensvermeerdering na te streven;

uitbuiting van de overheidsonderneming voor andere doeleinden dan de bestaansreden ervan.

1.11

Een overheidsonderneming kan deel uitmaken van een defensieve of offensieve strategie van de bevoegde overheid:

"defensief" omdat wordt getracht om de gevolgen van de crisis zoveel mogelijk te beperken, te redden wat er te redden valt als een bedrijf over de kop gaat, werkgelegenheid in stand te houden, een bedrijf in afwachting van een opkoper tijdelijk te nationaliseren, duidelijk misbruik door een particuliere onderneming te bestraffen enz.;

"offensief" omdat een industriebeleid of nieuwe technologie wordt gepromoot, een beleidsmaatregel van de overheid ten uitvoer wordt gelegd, nieuwe beleidsdoeleinden worden uitgewerkt, nieuwe doelstellingen worden nagestreefd (biodiversiteit, hernieuwbare energie, omschakeling van de energievoorziening) of een nieuw ontwikkelingsmodel (duurzaam of inclusief) wordt toegepast.

1.12

Een en ander impliceert dat de overheid haar verantwoordelijkheid niet uit de weg gaat en een strategische koers uitzet zonder afbreuk te doen aan de hoge mate van autonomie van ondernemingen bij hun eigen bedrijfsvoering. Desalniettemin moet de overheid erop toezien dat voorzieningen worden getroffen voor een daadwerkelijke controle en echte regulering van overheidswege, hetgeen met zich meebrengt dat hun overheidsondernemingen moeten worden bestuurd volgens het beginsel van participatie door alle betrokken partijen en door de vertegenwoordigers van de werknemers in die ondernemingen.

1.13

Om de diensten van algemeen economisch belang (DAEB) waarvoor ze door de lidstaten zijn opgericht, te verlenen, houden overheidsondernemingen zich bezig met industriële en handelsactiviteiten waardoor ze vaak rechtstreekse concurrenten worden voor andere ondernemingen.

1.14

Met name ondernemingen die netwerken bedienen (netwerken voor stroom, gas, elektronische communicatie, vervoer, post), behoren tot de staatsbedrijven die actief zijn in een geliberaliseerde en aan concurrentie onderhevige omgeving en waarvoor het beslist noodzakelijk is dat de burgers, maar ook het merendeel van de particuliere ondernemingen voortdurend toegang hebben tot hun dienstverlening en leveringen en dat die verstrekte diensten en geleverde producten van hoge kwaliteit en betaalbaar zijn. Om al die redenen spelen dergelijke overheidsondernemingen een doorslaggevende rol voor de nationale economie en het concurrentievermogen van een lidstaat. Idem dito voor andere sectoren, zoals die van de audiovisuele industrie, huisvesting, gezondheidszorg en sociale bijstand, waar burgers bij marktfalen niet altijd hun grondrechten kunnen laten gelden.

2.   Wat in onderhavig verkennend advies wordt onderzocht

2.1

Het toekomstige Litouwse EU-voorzitterschap heeft in haar brief met name gevraagd om een verkennend advies over mogelijke verbeteringen van de efficiëntie van overheidsondernemingen en over hun belang voor het concurrentievermogen van een lidstaat. Kortom, het toekomstige Litouwse EU-voorzitterschap vraagt om een analyse van de huidige situatie en van voorbeelden van geslaagde (of mislukte) methoden op dit gebied. Die analyse ontbreekt vooralsnog in de EU, net zo goed als een structurele hervorming met betrekking tot de beoordeling van de doeltreffendheid van dit soort ondernemingen in de context van de coördinatie van economisch beleid en de impact daarvan op de eengemaakte markt.

2.2

Ook al bestrijkt de EU-wetgeving slechts enkele specifieke actiegebieden van overheidsondernemingen (staatssteun en DAEB), toch stelt het toekomstige Litouwse EU-voorzitterschap voor om, met het oog op de hervorming van de overheidsondernemingen, in EU-verband alleen niet-wetgevende maatregelen te nemen en voor het nieuwe wetgevingskader geen doelstellingen vast te leggen. Ook de mogelijke privatisering van overheidsondernemingen zou tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten moeten blijven behoren.

2.3

Het toekomstige Litouwse EU-voorzitterschap betreurt dat er noch in de lopende of geplande initiatieven, noch in documenten die de Commissie tot dusverre heeft uitgevaardigd, ruimte is ingelast voor een algemene discussie over de hervorming van overheidsondernemingen, hun beheer, de verbetering van hun doeltreffendheid en hun bijdrage aan het concurrentievermogen en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Vooralsnog hebben de Commissie en het Europees Parlement zich op slechts twee aspecten geconcentreerd: naleving van de regels inzake staatssteun en naleving van de regels inzake de verlening van DAEB.

3.   Voorstellen van het EESC

3.1

Het EESC kan alleen maar instemmen met het verzoek van het toekomstige Litouwse EU-voorzitterschap om een analyse van de huidige situatie en van voorbeelden van geslaagde (of mislukte) methoden op dit gebied. Die analyse ontbreekt vooralsnog in de EU, evenals de analyse van een structurele hervorming met betrekking tot de beoordeling van de doeltreffendheid van dit soort ondernemingen in de context van de coördinatie van economisch beleid en de impact daarvan op de eengemaakte markt.

3.2

Krachtens de Verdragen hebben de EU en de lidstaten een geconsolideerde verplichting om toe te zien op de goede werking van DAEB en moeten zij daaraan met name voldoen door geleidelijk aan een dynamisch systeem te ontwikkelen waardoor de prestaties van die diensten kunnen worden geëvalueerd. Zolang daarvan nog geen sprake is, voldoen die evaluaties nog niet aan de behoeften van de burgers en bieden zij niet wat nodig is voor de nationale en Europese economie.

3.3

De evaluatie van de prestaties van DAEB moet zodanig zijn dat daardoor de doeltreffend- en doelmatigheid ervan kunnen worden vergroot en DAEB kunnen worden aangepast aan de veranderende behoeften van burgers en ondernemingen. Ook moet die evaluatie de overheid van de informatie voorzien die nodig is om de meest steekhoudende keuzen te kunnen maken. Een andere cruciale rol van die evaluatie bestaat erin om de voorwaarden te scheppen voor een harmonische schikking tussen markt en algemeen belang en tussen economische, sociale en milieudoelstellingen.

3.4

Het EESC heeft al eerder, nl. in zijn advies over "Een onafhankelijke evaluatie van de diensten van algemeen belang" (2), concrete voorstellen gedaan voor de wijze waarop DAB in de EU kunnen worden uitgewisseld, tegenover elkaar gesteld, vergeleken en gecoördineerd. Anders gezegd wordt het de taak van de EU om, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en de in het bij de herziene Verdragen gevoegde protocol vastgelegde beginselen, vaart te zetten achter de totstandbrenging van een dergelijke onafhankelijke evaluatie. Met het oog daarop moet de EU, in overleg met de vertegenwoordigers van alle betrokkenen, een voor Europa geharmoniseerde beoordelingsmethode uitwerken waarvoor van gemeenschappelijke indicatoren wordt uitgegaan, en de instrumenten voor de werking daarvan in het leven roepen.

3.5

Het EESC heeft zich al in eerdere adviezen afgevraagd hoe overheidsondernemingen nog meer zouden kunnen bijdragen aan het economisch herstel en het concurrentievermogen van de EU. In het licht van die vraagstelling heeft het zich gebogen over de kwestie van Europese DAEB.

3.6

Er bestaat al sinds 8 oktober 2011 een statuut van de Europese vennootschap. Dit statuut, waarvan sinds 8 oktober 2004 gebruik kan worden gemaakt, maakt het mogelijk voor ondernemingen die in meer dan één lidstaat werkzaam zijn, om één enkele EU-rechtelijke vennootschap te vormen en dus om overal dezelfde regels toe te passen, d.w.z. één systeem voor de bedrijfsvoering en de bekendmaking van financiële informatie. Ondernemingen die daarvoor kiezen, behoeven zich niet langer te houden aan de nationale wetgeving van iedere lidstaat waarin zij een dochteronderneming hebben, wat leidt tot een vermindering van hun administratieve kosten.

3.7

Er zou dan ook moeten worden nagedacht over de invoering van een "statuut van een Europese overheidsonderneming", waarop in 2011 is gezinspeeld door de Commissie n.a.v. Galileo (3), een onderneming die inmiddels de facto een "Europese overheidsonderneming" is.

3.8

Zo kan met name worden overwogen om Europese overheidsondernemingen in het leven te roepen voor grote trans-Europese netwerken van infrastructuur (wat volgens de Verdragen als "gemeenschappelijk beleid" moet worden beschouwd) op het gebied van energievoorziening en vervoer, waarbij zou moeten worden samengewerkt met nationale of lokale bedrijven die werkzaam zijn in deze sectoren. Dan kunnen de nieuwe bepalingen en bevoegdheden uit het Verdrag van Lissabon worden toegepast, vooral als het gaat om het beleid van de EU op het gebied van de energievoorziening (artikel 194 van het VWEU).

3.9

Het EESC pleit in zijn advies over het Groenboek Naar een Europees energienetwerk voor een continue, duurzame en concurrerende energievoorziening  (4) voor een bezinning op de wenselijk- en haalbaarheid van een Europese DAB om de burgers van energie te voorzien, met een gemeenschappelijke aanpak van prijsstelling, belastingen, financiële regels, veiligheidsvoorschriften, continuïteit, economische ontwikkeling en klimaatbehoud.

3.10

De Commissie spreekt zich in dit Groenboek uit voor een Europees beheerder van het gastransmissiesysteem. Met het oog daarop zou geleidelijk aan een onafhankelijke onderneming moeten worden opgericht die met het beheer van een eengemaakt gastransmissienetwerk voor de hele EU wordt belast.

3.11

Een dergelijke dienstverlening voor de hele EU zou, los van het statuut van de verlener van die diensten (overheidsonderneming, particulier bedrijf, ppp), een meerwaarde bieden op gebieden die van doorslaggevend belang zijn en een multi- of transnationaal karakter hebben (continuïteit van de energievoorziening, veiligstelling van de waterreserves, instandhouding van de biodiversiteit, handhaving van de luchtkwaliteit, interne en externe veiligheid enz.), omdat het daarbij gaat om diensten die op EU-niveau efficiënter kunnen worden verleend dan op nationaal of lokaal niveau.

3.12

Daarom is het EESC voorstander van publiek(EU en lidstaten)-private partnerschappen om de continuïteit van de energievoorziening te vergroten en aan onderling verbonden energienetwerken (gas, elektriciteit, olie) een geïntegreerde sturing te geven. Ook het netwerk van windmolens op zee zou volgens het EESC verder moeten worden ontwikkeld en dergelijke windmolenparken zouden vaker moeten worden aangesloten bij netwerken op het land. Op die manier kunnen de kosten van de uitbating van die parken, alsook de investeringen daarin, beduidend worden verlaagd. Ook kan daarvan een stimulans uitgaan om in nieuwe netwerkprojecten te investeren (5).

3.13

In het licht van de bevoegdheden die iedere lidstaat - bijvoorbeeld op het gebied van de energiemix - heeft, zijn sociale en maatschappelijke kwesties (beheer en benutting van natuurlijke hulpbronnen, kernenergie, klimaatverandering, duurzaam beheer en veiligheid) niet gebonden aan de traditionele landsgrenzen. Daarvoor kunnen veel bevredigendere oplossingen worden gevonden als wordt uitgegaan van een Europese zienswijze op begrippen als "algemeen belang" en "adequate dienstverlening".

3.14

Daarnaast kan worden nagedacht over de economische activiteiten van Europese uitvoerende agentschappen.

3.15

Daarvan zijn er momenteel zes (6), die samen voor 2007-2013 programma's vertegenwoordigen ter waarde van zo'n 28 miljard euro. Het leeuwendeel van die programma's bestrijkt gebieden waar de EU bevoegd is om de lidstaten te ondersteunen.

3.16

Aan de ene kant kunnen deze agentschappen worden gezien als een vorm van onderaanbesteding van bepaalde functies van de Commissie, waarop de vraag kan worden gesteld in hoeverre die agentschappen dus wel echt onafhankelijk zijn; aan de andere kant grijpen deze agentschappen vanwege hun taken en verantwoordelijkheden regelrecht in in economische en sociale activiteiten. Zijn we wel zo ver af van de ruime definitie die het Europese Hof van Justitie aan de begrippen "economische activiteit" en "sociale activiteit" heeft gegeven?

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  De Verdragen laten de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet. In artikel 345 van het VWEU is bepaald dat de EU geen uitsluitsel geeft over de publieke of particuliere aard van houders van aandelen in ondernemingen en de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet laat.

(2)  PB C 162 van 25 juni 2008, blz. 42

(3)  Effectbeoordeling van het Voorstel voor een verordening houdende verdere toepassing van het Europese satellietnavigatieprogramma (2014-2020) (SEC(2011) 1446)

(4)  PB C 306 van 16 december 2009, blz. 51

(5)  PB C 128 van 18 mei 2010, blz. 65

(6)  Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-TEA), Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERC), Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA), Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie (EACI), Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten (EAHC), Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA).


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/5


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Servië

2013/C 327/02

Rapporteur: Ionuț SIBIAN

Corapporteur: Christoph LECHNER

Europees commissaris Šefčovič heeft in een brief van 12 december 2012 het Europees Economisch en Sociaal Comité, op grond van art. 262 van het Verdrag en art. 9 van het Samenwerkingsprotocol tussen het EESC en de Commissie, verzocht een verkennend advies op te stellen over

De rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Servië.

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 25 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli 2013) het volgende advies uitgebracht, dat met 171 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met de inspanningen die de Servische regering zich de afgelopen tien jaar heeft getroost om de economie en instellingen van het land te hervormen. Het proces in aanloop naar de toetreding tot de EU moet door het land worden aangegrepen om de hervormingen te consolideren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen. Participatie van het maatschappelijk middenveld bij de afstemming van de Servische wetgeving op het EU-acquis is daarbij van het grootste belang. Het roept de Servische regering en de EU-instellingen op het maatschappelijk middenveld sterker te ondersteunen en nauw te betrekken bij de volgende stappen in het EU-toetredingsproces.

1.2

Het EESC toont zich verheugd over het besluit van de Europese Raad om het groene licht te geven voor toetredingsonderhandelingen met Servië, die uiterlijk in januari 2014 van start zullen gaan. Het feliciteert Belgrado en Priština met de ondertekening van het "Eerste akkoord over de principes voor een normalisering van de betrekkingen" (Brussel, 19 april 2013) en het in mei goedgekeurde implementatieplan, en roept beide partijen op om, met steun van de EU, over te gaan tot uitvoering ervan. Het maatschappelijk middenveld dient in de uitvoering te worden betrokken, aangezien het als geen ander ertoe kan bijdragen de verschillende partijen met elkaar te verenigen.

1.3

Het dringt erop aan dat de Servische overheidsinstanties meer openbare hoorzittingen en raadplegingen organiseren met het maatschappelijk middenveld, vanaf de eerste stadia in de beleidsvorming tot de fase van uitvoering. Het is uitermate belangrijk dat het maatschappelijk middenveld betrokken wordt bij cruciale beleidsonderdelen van het hervormingsproces, zoals de rechtsstaat, regionale samenwerking en verzoening, sociaaleconomische ontwikkeling, milieu, landbouw, rechten van minderheden en bestrijding van discriminatie.

1.4

De regering dient bijzondere aandacht te besteden aan de bestrijding van mensenhandel, georganiseerde criminaliteit en corruptie. De veiligheid van mensenrechtenactivisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld die betrokken zijn bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit dient daarbij voorop te staan en door de regering te worden gewaarborgd.

1.5

Hoewel aanzienlijke vooruitgang is geboekt om tot een meer een inclusieve samenleving te komen, moet er nog hard worden gewerkt aan de opbouw van een samenleving waarin iedereen gelijk is ongeacht zijn of haar geslacht, seksuele geaardheid, afkomst of godsdienst. Het EESC roept de regering op geen moment te verliezen met de tenuitvoerlegging van de anti-discriminatiestrategie die in juni 2013 is goedgekeurd. Het beveelt de Commissie aan middels het jaarverslag, in nauwe samenwerking met het maatschappelijk middenveld, toe te zien op de implementatie van deze strategie.

1.6

Een goede zaak is de dienst voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld (Office for Cooperation with Civil Society (OCCS)), die is ondergebracht bij de deskundigengroep van de minister-president van het coördinatieorgaan voor de toetreding tot de EU. Positief is ook de deelname van het maatschappelijk middenveld, waaronder vertegenwoordigers van de sociale partners, aan de Raad voor EU-integratie van de minister-president. Het zou goed zijn als deze succesvolle praktijken nog verder worden uitgebouwd: overwogen zou kunnen worden om maatschappelijke organisaties, waaronder vertegenwoordigers van de sociale partners, op te nemen in het toekomstige onderhandelingsteam van Servië voor toetreding tot de EU. Hoe dan ook dient op regelmatige basis breed overleg met het maatschappelijk middenveld plaats te vinden om vast te stellen wat de belangrijkste gemeenschappelijke standpunten en aanbevelingen zijn. Voor subgroepen van de deskundigengroep van het coördinatieorgaan is het belangrijk mensen met expertise uit het maatschappelijk middenveld uit te nodigen.

1.7

Het EESC roept de Commissie op het pretoetredingsinstrument IPA II te gebruiken om de capaciteitsopbouw van het maatschappelijk middenveld (m.i.v. de sociale partners) sterker te ondersteunen en daarbij meer de nadruk te leggen op de bevordering van partnerschappen tussen maatschappelijke organisaties onderling maar ook tussen maatschappelijke organisaties en de overheid. De middelen uit de faciliteit voor het maatschappelijk middenveld (DG Uitbreiding) dienen te worden verhoogd en meer ten goede te komen aan projecten die door de sociale partners zijn opgezet. Wil het Servisch maatschappelijk middenveld een volwaardige bijdrage kunnen leveren aan het EU-integratieproces, dan dient capaciteitsopbouw een prioriteit te blijven en moet er worden gewerkt aan een vereenvoudiging van de procedures voor de selectie en uitvoering van projecten en aan de toekenning van institutionele subsidies en indirecte steun. Behalve financiële ondersteuning is het wenselijk dat mechanismen worden ondersteund waarmee de dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en de overheid kan worden versterkt.

1.8

Het EESC dringt erop aan dat de EU-delegatie in Servië doorgaat met het verstrekken van indirecte steun aan kleinere maatschappelijke organisaties via grotere maatschappelijke organisaties om de fondsen toegankelijk te maken voor het hele maatschappelijke middenveld.

1.9

Transparantere overheidsuitgaven zijn en blijven één van de voornaamste punten in de strategie ter ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld. Daarnaast moeten er betere mechanismen komen voor de planning en uitkering van cofinancieringsmiddelen voor EU-projecten die door maatschappelijke organisaties worden uitgevoerd en moeten er meer middelen worden vrijgemaakt voor cofinanciering.

1.10

Het EESC roept de Servische regering op extra inspanningen te doen om een institutioneel en juridisch bestel op te bouwen dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld. Om de particuliere liefdadigheid te bevorderen (op basis van het bestaande model in Midden- en Oost-Europese landen) pleit het EESC ervoor de invoering van een wettelijke regeling voor de fiscale aftrek van giften te overwegen, die de burger de kans geeft een deel van zijn inkomstenbelasting ten goede te laten komen aan maatschappelijke organisaties (de zgn. "percentage law"). Daarnaast stelt het EESC voor belastingprikkels in te voeren om donaties van burger en bedrijfsleven aan te moedigen.

1.11

De recentelijk goedgekeurde wet inzake overheidsaanbestedingen heeft het voor maatschappelijke organisaties alleen maar moeilijker gemaakt om mee te dingen naar overheidsopdrachten. Het EESC zou graag willen dat wordt bekeken of deze wet niet kan worden aangepast. Met deze wet worden namelijk verplichte financiële waarborgen ingevoerd, die voor maatschappelijke organisaties onhaalbaar zijn, wat hen ervan kan weerhouden mee te doen aan een openbare aanbesteding (voor sociale dienstverlening, maar net zo goed voor dienstverlening op het gebied van de gezondheidszorg en onderwijs).

1.12

Het EESC roept de Servische regering op een alomvattende strategie uit te werken om de grijze economie tegen te gaan en in te perken. Dit zou de financiële positie van het land ten goede komen en oneerlijke mededinging helpen tegengaan, waardoor een gunstiger ondernemingsklimaat wordt gecreëerd en de sociale rechten van werknemers geen dode letter blijven. Het zou tevens het vertrouwen in de instellingen helpen herstellen en de rechtsstaatgedachte bevorderen.

1.13

Het EESC onderstreept het belang van de sociale dialoog en roept de belanghebbende partijen op optimaal gebruik te maken van de bestaande instellingen, in de eerste plaats de sociaaleconomische raad (SER). Het roept de regering op de positie van de sociaaleconomische raad verder te versterken en de raad systematischer te raadplegen over alle beleidsonderdelen en vraagstukken waarbij werkgevers en werknemers legitieme belangen hebben. De dialoog dient regelmatig en gestructureerd en niet ad hoc van aard te zijn, en moet ook doeltreffender en meer gericht op resultaat zijn.

1.14

Het EESC zou graag zien dat bevordering van de sociale dialoog onderdeel wordt van de prioriteiten van de EU-instellingen m.b.t. Servië en een navenante plaats krijgt in de programma's van de Commissie voor Servië. Dit betekent o.m. een grotere rol voor de sociaaleconomische raad, die officieel dient te worden betrokken bij en geraadpleegd in elk stadium van de toekomstige toetredingsonderhandelingen en mee dient toe te zien op de naleving van de toekomstige stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Servië. De sociaaleconomische raad dient de mogelijkheid te krijgen EU-instellingen van commentaar en advies te voorzien bij de evaluatie van de door Servië geboekte vorderingen op weg naar het EU-lidmaatschap.

1.15

Verder moet de sociale dialoog op regionaal en gemeenteniveau worden aangemoedigd, voortbouwend op de regionale structuren die door de sociaaleconomische raad zijn opgezet. Ook op sectorniveau dient de dialoog stelselmatiger te worden ontwikkeld, m.n. in het bedrijfsleven. Voor evenwichtigere betrekkingen tussen werkgevers en werknemers in Servië zou het goed zijn collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten (en ten uitvoer te leggen) voor zo veel mogelijk bedrijfstakken. De lokale en regionale overheden dienen onophoudelijk herinnerd te worden aan de voordelen en het belang van de sociale dialoog.

1.16

Het EESC neemt nota van de tripartiete werkgroep die is opgezet om de arbeidswetgeving, m.i.v. de stakingswetgeving, de wetgeving inzake de registratie van vakbonden en de wetgeving inzake de representativiteit van de sociale partners, te herzien. Het roept de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en de Europese Commissie op deze werkzaamheden te ondersteunen teneinde de Servische wetgeving en praktijk volledig op één lijn te brengen met de internationale en Europese normen.

1.17

Capaciteitsopbouw van de sociale partners voor een actieve deelname aan de sociale dialoog dient deel uit te maken van de prioriteiten van de EU-steunprogramma's. De ontwikkeling van de sociale partners dient te worden ondersteund, opdat ze doeltreffender kunnen participeren in economische, sociale en juridische aangelegenheden, m.i.v. de EU-toetredingsonderhandelingen. O.m. hun organisatiestructuren, hun interne communicatie en hun capaciteit om de belangen van hun leden te behartigen moeten worden versterkt.

1.18

Het EESC wijst erop dat de grondrechten van werknemers nog steeds regelmatig worden geschonden in Servië en dat de mechanismen om dergelijke schendingen te voorkomen en te bestraffen niet afdoende zijn. Het dringt erop aan dat de Servische regering de werkwijze van het agentschap voor de vreedzame beslechting van arbeidsgeschillen herziet. Gedacht zou kunnen worden aan de oprichting van rechtbanken voor arbeidsgeschillen. Daarnaast verzoekt het EESC de Commissie in haar jaarverslag een hoofdstuk op te nemen waarin, in nauwe samenwerking en consultatie met de nationale en Europese vakbonden en de ILO, aandacht wordt besteed aan de fundamentele werknemers- en vakbondsrechten.

1.19

Vrouwelijke ondernemers uit Servië spelen een belangrijke rol in de Balkanregio en beschikken over efficiënte netwerken. Momenteel wordt gewerkt aan een samenhangende regionale aanpak om het vrouwelijk ondernemerschap op lokaal niveau te ontwikkelen. Het EESC pleit ervoor de Europese, regionale en nationale steun uit te breiden om vaart te zetten achter dit proces en sneller de sociaaleconomische vruchten hiervan te kunnen plukken. Fundamenteel is dat wordt erkend hoe belangrijk het vanuit sociaaleconomisch oogpunt is om vrouwelijke ondernemers in Servië te ondersteunen.

1.20

Het EESC beveelt aan dat er een gemengd raadgevend comité (GRC) EU-Servië wordt opgericht voor het EESC en het Servisch maatschappelijk middenveld. Dit gezamenlijke orgaan voor het maatschappelijk middenveld zou moeten worden opgericht zodra de toetredingsonderhandelingen met Servië officieel zijn geopend. Via dit orgaan kunnen maatschappelijke organisaties van weerszijden diepgaander met elkaar in dialoog treden en de politieke autoriteiten bijdragen vanuit het veld aanreiken m.b.t. de hoofdstukken in de toetredingsonderhandelingen.

2.   Achtergrond van het advies

2.1

Servië heeft de afgelopen tien jaar aanzienlijke inspanningen gedaan om zijn institutioneel bestel, rechtskader en economische regulering te hervormen, teneinde te voldoen aan de internationale en Europese normen en een open en doeltreffende markteconomie te bevorderen.

2.2

Met de ondertekening in 2008 van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de EU en Servië hebben de Servische autoriteiten duidelijk voor EU-lidmaatschap gekozen en kreeg het hervormingsproces een nieuwe impuls. In 2010 is een tussentijdse overeenkomst inzake handel en handelsgerelateerde zaken (onderdeel van de SAO) in werking getreden.

2.3

De nieuwe regering, die in 2012 aantrad, heeft de door Servië aangegane verbintenis tot het EU-lidmaatschap bevestigd. De regering heeft concrete stappen genomen om de hervormingen voort te zetten, waarbij zij zich in de eerste plaats heeft gericht op corruptiebestrijding, consolidering van de rechtsstaat, bescherming van de rechten van minderheden en economisch herstel. Daarnaast heeft zij inspanningen gedaan om de regionale samenwerking te bevorderen.

2.4

In december 2012 heeft de Raad de Commissie verzocht in het voorjaar van 2013 verslag uit te brengen over de vorderingen van Belgrado in de dialoog met Priština en de hervormingen die het land heeft ondernomen met het oog op toetreding tot de EU. Op basis van dit verslag heeft de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van 28 juni 2013 besloten dat de voorwaarden zijn vervuld om de toetredingsonderhandelingen te beginnen met Servië.

2.5

Op 19 april 2013 zijn Belgrado en Priština het in de tiende ronde van de door de EU geleide besprekingen uiteindelijk eens geworden over de toekomst van het door Servië geleide Noord-Kosovo, wat geresulteerd heeft in de ondertekening van het "Eerste akkoord over de principes voor een normalisering van de betrekkingen". In mei is door beide partijen een implementatieplan goedgekeurd. Met steun van de EU hebben ze een comité opgericht dat belast wordt met de tenuitvoerlegging van dit akkoord.

3.   Politieke en sociaaleconomische ontwikkelingen

3.1

Servië verkeert nog volop in een transitieproces. Er heeft al enige privatisering plaatsgevonden, maar de economie berust nog voor een groot deel op overheidsbedrijven, die dringend geherstructureerd moeten worden. De werkloosheid is aanzienlijk gestegen (24 % van de beroepsbevolking in 2012). Jongeren proberen te emigreren. De bevolking vergrijst. Een groot deel van de bevolking is nog steeds werkzaam in de landbouw en woont op het platteland, waar de ontwikkeling achterblijft bij gebrek aan investeringen. De informele economie is wijdverspreid, wat de ontwikkeling van de economie in haar totaliteit ondermijnt, de overheidsbegroting uitholt en werknemers in een positie plaatst zonder enige sociale bescherming. Corruptie, al dan niet verbonden met georganiseerde criminaliteit, remt niet alleen de economische ontwikkeling af maar ook de ontwikkeling van degelijke instellingen. Verder moet het justitiesysteem dringend op de schop, wil de eerbiediging van de rechten van burgers en organisaties ook echt kunnen worden gewaarborgd.

3.2

Het EESC heeft deze problemen belicht in zijn advies "De rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Servië" van 29 mei 2008. Het wijst hierin echter ook op de inspanningen van de overheid om de noodzakelijke hervormingen door te voeren. Er is veel nieuwe regel- en wetgeving ingevoerd. Nieuwe instellingen, m.n. voor de sociale dialoog met de sociale partners en andere actoren uit het maatschappelijk middenveld, zijn opgericht, en de rechten van minderheden worden officieel erkend. Hoewel het proces nog niet is voltooid, is het in praktijk brengen van al deze institutionele en juridische veranderingen het grootste probleem.

3.3

Servië heeft 77 verdragen en conventies van de Raad van Europa (RvE) ondertekend, met als belangrijkste het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de Conventie voor de bescherming van nationale minderheden, de Conventie ter voorkoming van foltering, het Verdrag inzake de bescherming van kinderen, het Verdrag ter bestrijding van corruptie en het Europees Sociaal Handvest. Het heeft daarnaast acht conventies ondertekend die nog geratificeerd moeten worden, waaronder het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Op internationaal niveau heeft Servië 75 ILO-Verdragen ondertekend (waarvan er inmiddels 73 in werking zijn getreden).

3.4

Zoals ook de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa heeft benadrukt zijn voor veel van deze conventies bijkomende maatregelen nodig om erop toe te zien dat ze naar behoren ten uitvoer worden gelegd (1). Hij noemde o.m. nadrukkelijk het probleem van de vermiste personen en de mensen die tijdens de oorlog verdreven zijn uit het gebied waar ze woonden, de welig tierende discriminatie van Roma, het geweld tegen vrouwen en de wijdverspreide homohaat.

3.5

Hoewel de regering in oktober 2011 een mediastrategie heeft goedgekeurd, komen geweld en bedreigingen tegen journalisten nog steeds voor. Economische en politieke inmenging in de media zijn eveneens een realiteit, hetgeen de onafhankelijkheid van de media in het gedrang brengt en het voor journalisten moeilijk maakt hun werk te doen. Vakbondsactivisten worden nog steeds lastiggevallen of ontslagen omwille van het feit dat ze lid van een vakbond zijn.

3.6

Het EESC stelt nadrukkelijk dat consolidering van het hervormingsproces, hervorming van het justitiële apparaat en eerbiediging van de burger-, sociale en mensenrechten prioriteit zijn voor Servië. De betrekkingen tussen de EU en Servië dienen zich onmiskenbaar hierop te richten. Ook voor de maatschappelijke organisaties hebben deze punten prioriteit. Hun actieve participatie dient dan ook op alle manieren te worden aangemoedigd.

4.   Huidige situatie en rol van het maatschappelijk middenveld

4.1

De vrijheid van vergadering en vereniging zijn grondwettelijk gewaarborgd en worden over het algemeen geëerbiedigd. De vrijheid van vereniging staat niettemin onder druk door toenemende bedreigingen van gewelddadige nationalistische groeperingen.

4.2

Het Servisch maatschappelijk middenveld is voornamelijk in de steden gevestigd en ongelijk vertegenwoordigd over de regio's. Op het platteland zijn de maatschappelijke organisaties dun gezaaid en laten hun capaciteiten nog te wensen over. Meer steun is nodig om de ontwikkeling van verenigingen en organisaties aan te moedigen en de capaciteitsopbouw en oprichting van netwerken van maatschappelijke organisaties die in plattelandsgebieden en/of in kleine steden gevestigd zijn te bevorderen.

4.3

Bijzondere aandacht dient daarbij uit te gaan naar de landbouwsector, de ontwikkeling van agrarische belangenverenigingen en de participatie van de landbouwsector in de sociale dialoog. De sector neemt nog steeds een cruciale plaats in Servië in: bijna een kwart van de beroepsbevolking werkt in de landbouw en ook economisch is het één van de belangrijkste sectoren. In het toekomstige toetredingsproces zullen de landbouwsector en het landbouwbeleid dan ook cruciale punten zijn. Het aanpassen van de wet- en regelgeving aan het EU-acquis zal daarbij nog een bijzonder grote uitdaging worden voor de Servische landbouwsector.

4.4

Goed georganiseerde en gestructureerde belangengroepen zouden niet alleen bevorderlijk zijn voor het verdedigen van de agrarische belangen, maar bovenal ook een nuttige bijdrage kunnen leveren aan het aankomende integratieproces door specifieke steunprogramma's uit te werken en ten uitvoer te leggen voor de landbouwsector en voor plattelandsgebieden en de mensen die er wonen.

4.5

Het maatschappelijk middenveld kent verscheidene actieve partnerschappen en samenwerkingsverbanden, maar bij gebrek aan middelen en steun blijven hun actieradius en invloed beperkt. Op het gebied van privaat-publieke partnerschappen zouden de SECO (2) en KOCD (3) kunnen uitgroeien tot succesvolle praktijken, mits hun bijdragen ook echt in aanmerking worden genomen in de beschouwingen en er sprake is van duurzame en systematische financiering en ondersteuning.

4.6

De belangrijkste factoren die een duurzame ontwikkeling van maatschappelijke organisaties in de weg staan, zijn onvoldoende en niet op welomlijnde prioriteiten gebaseerde overheidssteun, gebrek aan sponsoring door het bedrijfsleven, gebrek aan individuele donaties, internationale donoren die zich terugtrekken, gebrekkige samenwerking met de lokale overheden en de gebrekkige verantwoordingsplicht van beleidsmakers in het algemeen. Gewerkt moet worden aan een versterking van de ledenbasis van de maatschappelijke organisaties. Daarvoor moet in de nodige steunmaatregelen worden voorzien. Een kleine ledenbasis is niet goed voor hun imago en erkenning. Ook de overheidsmiddelen zijn nog steeds niet goed geregeld op alle niveaus. Over het algemeen kunnen de maatschappelijke organisaties maar weinig invloed uitoefenen op de sociale en politieke agenda, m.u.v. een twaalftal machtige organisaties, waarvan de meeste in Belgrado gevestigd zijn.

4.7

Het EESC juicht de inspanningen toe om het rechtskader voor verenigingen en stichtingen te verbeteren, o.a. in de vorm van de Wet inzake verenigingen (oktober 2009), de Wet inzake stichtingen (november 2010), de Wet inzake vrijwilligerswerk (mei 2010) en de Vereenvoudigde boekhoudingsprocedures voor kleine verenigingen en stichtingen (nog niet goedgekeurd). Daarnaast zijn er andere belangrijke wetten goedgekeurd, maar nog niet ten uitvoer gelegd, zoals de in 2011 goedgekeurde bijstandswet. Het EESC ondersteunt de ontwikkeling van een wettelijk geregeld kader dat ervoor moet zorgen dat maatschappelijke organisaties eerlijke toegang krijgen tot publieke middelen ten behoeve van de ondersteuning van de sociale dienstverlening.

4.8

Het EESC juicht de wijzigingen in art. 41 (hoorzittingen) van het reglement van orde van de regering toe. In dit artikel worden de criteria voor verplichte openbare hoorzittingen vastgelegd, die de regel i.p.v. de uitzondering worden, en redelijke tijdspannes vastgelegd voor de duur ervan. Nu moet ervoor worden gezorgd dat dit mechanisme adequaat wordt toegepast. In de eerste plaats moeten de overheidsinstanties bewust worden gemaakt van de voordelen van samenwerking met maatschappelijke organisaties, zowel in de eerste stadia van beleidsvorming als later bij de beleidsuitvoering. Verder dient te worden overwogen om procedures voor de aanwijzing van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties in verschillende overheidsorganen op nationaal en lokaal niveau in te voeren en te bevorderen, met inachtneming van succesvolle praktijken in de buurlanden en voorstellen vanuit het maatschappelijk middenveld.

4.9

De dienst voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld (OCCS) is in 2011 in werking getreden. Hoofddoelstellingen in het uitvoeringsplan voor 2013-2014 zijn:

uitwerking van een strategie voor het creëren van een klimaat dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld in Servië en oprichting van een nationale raad voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld;

bevordering van nieuwe financieringsbronnen als basis voor een duurzame ontwikkeling: institutionele subsidies, maatschappelijk verantwoord ondernemen, charitatieve activiteiten van het bedrijfsleven, sociaal ondernemerschap, uitwerking van criteria voor het gebruik van de openbare ruimte door maatschappelijke organisaties enz.,

verder werken aan een institutioneel bestel dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld door speciale eenheden of taken te creëren binnen de desbetreffende ministeries van de regering, de mogelijkheden bekijken voor de oprichting van een fonds voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld en de mechanismen versterken voor samenwerking tussen het maatschappelijk middenveld en het Servische nationale parlement.

4.10

Het EESC neemt met voldoening kennis van de inspanningen van de OCCS om middels de publicatie van een jaaroverzicht van de aan verenigingen en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld uit de Servische overheidsbegroting toegekende middelen meer transparantie te brengen in de financiering van maatschappelijke organisaties van overheidswege. Om volledigheid van de verzamelde gegevens en een jaarlijkse publicatie te verzekeren is het echter nodig dat de dienst meer beslissingsbevoegdheid krijgt teneinde de respons van de overheidsinstanties op de verschillende bestuursniveaus te vergroten. Het EESC vindt het dan ook een goede zaak dat de EU-delegatie de OCCS middels een driejarig programma voor technische bijstand, dat in december 2012 (4) van start is gegaan, ondersteunt.

4.11

Cijfers van 2011 hebben aangetoond dat er, ondanks het feit dat hier vanuit het maatschappelijk middenveld grote behoefte aan is, maar weinig middelen zijn toegewezen en daadwerkelijk zijn uitgekeerd voor de cofinanciering van programma's en projecten, ook als de steun van sponsoren verzekerd was.

5.   Sociale dialoog

5.1

De sociale dialoog is een fundamentele voorwaarde voor economische ontwikkeling en onontbeerlijk om de sociale samenhang in Servië te verzekeren. In 2008 is een Algemene Collectieve Arbeidsovereenkomst ondertekend. In april 2011 heeft de Servische sociaaleconomische raad een nieuwe sociaaleconomische overeenkomst goedgekeurd, ondertekend door de voorzitters van de werkgevers- en werknemersorganisaties en de Servische minister-president, waarin de partijen zich verplichten tot een aantal belangrijke maatregelen. In deze overeenkomst wordt bevestigd dat de sociale dialoog een basisvoorwaarde is om gedeelde ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, succesvolle oplossingen te vinden voor problemen die uit de crisis voortvloeien en op sociaaleconomisch vlak vooruitgang te boeken in Servië. In 2012 heeft de sociaaleconomische raad een akkoord ondertekend over het minimumloon. Op sectorniveau zijn er in 2011 en 2012 vier sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten (cao's) ondertekend voor de landbouwsector, de bouwsector, de chemische industrie en de metaalindustrie. De minister van arbeid heeft deze cao's uitgebreid tot alle overheidsbedrijven. Ook voor het grootste deel van de overheidssector gelden cao's. Ambtenaren die werkzaam zijn in de gezondheidszorg vallen hieronder, maar ook alle ambtenaren die werkzaam zijn bij de lokale en nationale overheid, in de culturele sector, in het onderwijs en bij de politie.

5.2

De sociaaleconomische raad, die in 2005 officieel werd opgericht, vormt het institutionele platform voor tripartiet overleg. Daarnaast zijn er inmiddels 18 lokale sociaaleconomische raden, maar minder dan de helft daarvan is volledig operationeel, wat vooral te wijten is aan de vrijblijvende houding van de regionale overheden. De sociaaleconomische raad kampt met verschillende problemen die hem in zijn werking belemmeren. Het voornaamste probleem is het gebrek aan financiële en personele middelen. De raad is er evenwel in geslaagd permanente werkgroepen op te richten voor economische zaken, wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten en gezondheid en veiligheid op de werkplek. Vertegenwoordigers van de sociale partners nemen tegenwoordig regelmatig deel aan de vergaderingen van de sociaaleconomische raad, in tegenstelling tot de regering, die dikwijls vertegenwoordigd wordt door ambtenaren. Sinds de heroprichting van de raad in september 2012 nemen laatstgenoemden echter actiever deel aan de werkzaamheden. Zelfs de minister-president is nu lid van de raad. Het blijft evenwel moeilijk voor de raad om zittingen te houden.

5.3

Hoewel de sociale dialoog al succesvol is gebleken, zou hij een stevigere inbedding moeten krijgen en moeten worden uitgebreid. Met name in het bedrijfsleven hebben de sociale partners weinig te zeggen. Er worden wel cao's ondertekend, maar dat betekent nog niet dat ze ook worden omgezet, en hele terreinen maken nog geen deel uit van de sociale dialoog. Op nationaal niveau wordt de sociaaleconomische raad nog steeds niet systematisch geraadpleegd over alle zaken die binnen zijn bevoegdheidsterrein vallen, of de raadpleging is puur formeel: maar al te vaak doet de regering niets met zijn aanbevelingen. Een positieve uitzondering is het ministerie van arbeid, dat alle wetsvoorstellen en ontwerpstrategieën aan de raad voorlegt. Ditzelfde ministerie heeft onlangs bovendien voorgesteld een tripartiete werkgroep op te richten voor de herziening van de arbeidswetgeving. Ook de onderwijswetgeving is op een aantal punten verbeterd met drie wetsvoorstellen, die door het ministerie van Onderwijs ter consultatie zijn voorgelegd aan de Raad. Deze positieve signalen ten spijt krijgt de sociaaleconomische raad nog steeds nauwelijks gehoor als het gaat om het algemeen economisch beleid of maatregelen die van directe invloed zijn op de activiteiten van ondernemingen en werknemers.

5.4

In 2005 is het agentschap voor de vreedzame beslechting van arbeidsgeschillen opgericht, dat individuele en collectieve arbeidsgeschillen moet helpen slechten. Het agentschap richt zich in de eerste plaats op individuele casussen waarbij de arbiter een bindend besluit kan nemen en over dezelfde rechtsmiddelen beschikt als een rechtbank. In de praktijk is het agentschap er echter niet echt in geslaagd een echt alternatief te vormen. De meeste conflicten worden nog steeds voor het gerecht gebracht, dat, zoals alom bekend, overbelast is. Bij collectieve arbeidsgeschillen heeft het agentschap de rol van bemiddelaar en kan het de strijdende partijen dus niet dwingen tot een akkoord te komen, maar moet het proberen de partijen ervan te overtuigen vrijwillig een vreedzame oplossing accepteren.

5.5

In 2013 zal Servië als alles goed gaat een "nationaal programma voor fatsoenlijk werk" ondertekenen met de ILO. De bedoeling is dat Servië met behulp van dit programma de sociale wetgeving en procedures in al hun aspecten herziet en volledig in overeenstemming brengt met de internationale normen, en met steun van de EU-fondsen en programma's de capaciteit van de sociale partners versterkt zodat zij doeltreffend kunnen bijdragen aan de sociale dialoog.

5.6

Niet in de laatste plaats met het oog op de EU-toetredingsonderhandelingen is het van essentieel belang dat de sociale partners nauwer worden betrokken bij het economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid van de regering. Ze dienen ook betrokken te worden bij de voorbereidingen die ervoor moeten zorgen dat Servië aan de criteria voldoet om in aanmerking te komen voor steun uit het Europees Sociaal Fonds en andere EU-fondsen. Alleen dan zullen ze hun toekomstige rol in de fora voor de participatiedemocratie op EU-niveau naar behoren kunnen vervullen.

6.   Sociale partners – actuele situatie

6.1

De werkgeversorganisatie SAE (Serbian Association of Employers) is de belangrijkste nationale belangenvereniging van werkgevers in Servië en vertegenwoordigt de Servische ondernemers in de sociaaleconomische Raad. Het feit dat het merendeel van Serviës grootste ondernemingen alsook andere organisaties, zoals de Vereniging van het midden- en kleinbedrijf (Association of Small and Medium-sized Entrepreneurs, ASME), geen lid zijn, zwakt haar legitimiteit als deelnemer aan de sociale dialoog echter af.

6.2

De Servische kamer van koophandel en industrie, die de grootste vereniging van ondernemingen is, kon vanwege een systeem van verplicht lidmaatschap in het verleden niet meedoen aan de werkzaamheden van de sociaaleconomische raad. Op 1 januari 2013 is echter het systeem van vrij lidmaatschap goedgekeurd in Servië en de Kamer zet zich actief in om ten volle bij te dragen tot de sociale dialoog, zeker als het gaat om zaken als het beroepsonderwijs, bevordering van de buitenlandse handel en regionale ontwikkeling. De Kamer zet zich in voor een versterking van de positie van de Servische Werkgeverscentrale in de sociaaleconomische raad om ervoor te zorgen dat deze met deelname van alle werkgeversorganisaties in een goed functionerend raadplegingsproces het gehele spectrum van werkgeversbelangen kan vertegenwoordigen.

6.3

Met het oog op de hoge werkloosheidscijfers zouden werkgevers meer invloed moeten kunnen uitoefenen op de ontwikkeling van een gunstig ondernemingsklimaat. Ondernemerschap en de snellere oprichting van ondernemingen, m.n. kleine en middelgrote ondernemingen (kmo), die één van de belangrijkste bronnen voor nieuwe arbeidsplaatsen vormen, dienen te worden bevorderd. De grootste belemmeringen voor een gunstiger ondernemingsklimaat zijn: gebrek aan transparantie en voorspelbaarheid van het juridisch kader, een onaantrekkelijk belastingstelsel, m.i.v. parafiscale heffingen, toegang tot financiering, de registratieprocedures voor ondernemingen, de administratieve formaliteiten voor buitenlandse handel enz. Het Servische bedrijfsleven voelt zich over het algemeen onvoldoende betrokken bij het wetgevingsproces en de effectbeoordelingen, m.n. wat de impact op het midden- en kleinbedrijf betreft.

6.4

De vakbonden zijn versnipperd en zwak. De meeste zijn aangesloten bij de twee grootste vakverenigingen, het Verbond van onafhankelijke vakverenigingen (SSSS) en de Onafhankelijke vakcentrale (Nezavisnost). Daarnaast zijn er twee andere vakcentrales die claimen representatief te zijn, nl. de Verenigingen van vrije en onafhankelijke vakbonden van Servië (ASNS) en de Confederatie van vrije vakbonden (KSSS). Deze representativiteit moet getoetst worden aan een nieuwe wet ter zake die thans op tafel ligt. Volgens het ministerie van arbeid zijn er zo'n 2 000 bedrijfsvakbonden die geen lid zijn van een nationaal vakverbond. Alle relevante werknemersorganisaties dienen nauwer te worden betrokken bij de besluitvorming aan werknemerszijde. De Servische vakbonden spelen een fundamentele rol bij de versterking van de sociale dialoog.

6.5

Het moeizame transitieproces en de economische crisis hebben de vakbonden nog sterker verdeeld en verzwakt. De omslachtige registratieprocedure voor vakbonden, het gebrek aan steun en de intimidatie, in sommige gevallen, van managers die niet bereid zijn tot een sociale dialoog op ondernemingsniveau staan een normale ontwikkeling van werknemersvertegenwoordiging in de weg en ondermijnen de sociale dialoog. Positief is in dit licht echter de efficiënte samenwerking die de laatste jaren van de grond is gekomen tussen de SSSS en Nezavisnost.

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Thomas Hammarbergh. Mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa. Verslag over zijn bezoek aan Servië van 12-15 juni 2011. CommDH(2011)29.

(2)  SECO is gericht op netwerkvorming en capaciteitsopbouw op het gebied van EU-integratie en participatie van het maatschappelijk middenveld aan het programmeringsproces van IPA.

(3)  KOCD's zijn netwerken van organisaties op het gebied van de sociale bescherming van benadeelde groepen die een gemeenschappelijk front vormen in de dialoog met de bevoegde beleidsmakers.

(4)  Voor het technische bijstandsprogramma is 1,2 miljoen euro uitgetrokken. De nadruk ligt op steun voor verdere wijzigingen in het rechtskader voor maatschappelijke organisaties, de invoering van een regelgevingskader voor transparante overheidssteun en het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij het besluitvormingsproces.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

491e plenaire zitting op 10 en 11 juli 2013

12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/11


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek over langetermijnfinanciering van de Europese economie

COM(2013) 150 final/2

2013/C 327/03

Rapporteur: Michael SMYTH

De Europese Commissie heeft op 25 maart 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Groenboek over langetermijnfinanciering van de Europese economie

COM(2013) 150 final/2.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 juni 2013 goedgekeurd

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 151 stemmen vóór en 3 tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Eén van de belangrijkste onderdelen van een strategie om Europa terug op de weg naar duurzame groei te krijgen, is ervoor zorgen dat er voldoende langetermijnfinanciering beschikbaar is tegen redelijke kosten. De Commissie heeft er goed aan gedaan om nu een raadplegingsdocument over dit thema uit te brengen.

1.2

Het EESC is verheugd dat het Groenboek zich op productieve investeringen en de vorming van materieel en immaterieel kapitaal met een lange levensduur richt, maar dringt er wel bij de Commissie op aan meer aandacht te schenken aan de noodzaak om meer kapitaalinvesteringen met "maatschappelijk nut" te financieren.

1.3

Ervan uitgaande dat banken in de toekomst een minder prominente rol als verstrekkers van langetermijnfinanciering zullen spelen, zullen er kansen ontstaan voor andere intermediairs, zoals nationale en multilaterale ontwikkelingsbanken, institutionele beleggers, staatsfondsen en - van cruciaal belang - obligatiemarkten. Het is daarbij echter wel zaak dat er geen belemmeringen worden gecreëerd voor de banken om hun rol als belangrijkste leveranciers van langetermijnfinanciering te vervullen. En ook moeten er regelingen komen om te voorkomen dat financiers en kapitaal de gereguleerde sector de rug toekeren.

1.4

Het EESC is ingenomen met de recente herkapitalisatie van de EIB, die daardoor beter als hefboom voor aanvullende private financiering voor investeringen zal kunnen fungeren en een krachtigere anticyclische rol bij de financiering van investeringen en bij de kredietverstrekking aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) zal kunnen vervullen. Hoewel een kapitaalinjectie van 10 miljard EUR aanzienlijk is, is volgens het EESC onder de huidige omstandigheden nog meer nodig.

1.5

Ook de invoering van EU 2020-projectobligaties valt te verwelkomen, al gaat het nog om een testfase. Deze projectobligaties zijn door de Commissie samen met de EIB ontwikkeld. Er zou ook overwogen moeten worden om soortgelijke samenwerkingsverbanden aan te gaan in het geval van staatsfondsen.

1.6

Indien het met initiatieven als projectobligaties lukt om de markt voor obligatiefinanciering te verruimen, dan zouden ze uitgebreid moeten worden als de testfase eenmaal afgerond en geëvalueerd is.

1.7

In het Groenboek wordt de rol van spaartegoeden bij het aanbod aan langetermijnfinanciering voor investeringen nader bekeken. Sommige lidstaten hebben speciale regelingen opgezet om gebruik te maken van langetermijnspaargelden voor bredere maatschappelijke investeringen. Het valt echter ook te overwegen om een breed opgezet spaarinstrument - op het niveau van de EU of de eurozone - in te voeren waarbij eventueel een extra hoge rente wordt geboden.

1.8

Sommige lidstaten slagen er tamelijk goed in om pensioen- en anders gerelateerd sparen te stimuleren door slim gebruik van het fiscale stelsel. Burgers hebben er vaak bezwaar tegen dat zij eerst belasting moeten betalen over het inkomen dat zij verdienen, en vervolgens nog eens over langetermijnspaargelden uit het inkomen dat na belasting overblijft. Het zou in het kader van maatschappelijk verantwoord investeren mogelijk moeten zijn om adequate producten te ontwerpen en op de markt te brengen waarbij mensen binnen een bepaalde jaarlijkse limiet zelfs belastingvrij of tegen een laag belastingtarief kunnen sparen, om op die manier financiële langetermijnplanning aan te moedigen.

1.9

Kortetermijndenken binnen het financiële stelsel heeft het aanbod van voldoende langetermijnkapitaal sterk belemmerd en houdt nauw verband met de corporate governance. Het is niet eenvoudig de stimulansen dusdanig te veranderen dat prestaties op langere termijn meer aandacht krijgen. Het EESC is ingenomen met de suggesties van de Commissie met betrekking tot uitgebreid stemrecht en dividend voor langetermijninvesteerders en wijzigingen op de richtlijn inzake de rechten van aandeelhouders. Daarnaast zou overwogen kunnen worden op gecoördineerde wijze belastingvoordelen te verlenen over vermogenswinsten om fondsbeheerders ertoe aan te sporen aandelen langer aan te houden.

1.10

Het Groenboek bevat ook enkele interessante suggesties ten aanzien van durfkapitaal. Het EESC heeft al voorgesteld dat de rol van het EIF zich niet beperkt tot het verstrekken van leningen, maar ook de verschaffing van durfkapitaal omvat. Dat stond de oprichters ervan in 1994 aanvankelijk ook voor ogen. Als het EIF net als de EIB geherkapitaliseerd zou worden, dan zou het kunnen uitgroeien tot één van de grootste verstrekkers van durfkapitaal voor kmo's.

1.11

Aangezien nationale en regionale overheden kmo's al proberen te helpen het hoofd boven water te houden en op termijn te groeien via organen voor regionale ontwikkeling, ligt het voor de hand dat deze organen een rol gaan spelen in het beheer van zulke handelsplatformen voor de sector. Dit kan variëren van het beoordelen van de kredietwaardigheid van kmo's als klant tot het verstrekken van beperkte garanties aan institutionele beleggers.

1.12

Het EESC zou graag zien dat meer nadruk wordt gelegd op maatschappelijk verantwoord investeren en stelt voor een waarnemingspost op te richten die de voorwaarden voor langetermijninvesteringen in het oog houdt.

2.   Het Groenboek: inleiding en achtergrond

2.1

De belangrijkste reden van de Europese Commissie om dit Groenboek uit te brengen, is de noodzaak om Europa terug op de weg naar slimme, duurzame en inclusieve groei te krijgen. Europa wordt geconfronteerd met grote investeringsbehoeften op lange termijn om de basis voor duurzame groei te kunnen leggen. Pogingen om in deze behoeften te voorzien worden ernstig bemoeilijkt doordat huishoudens en ondernemingen momenteel niet bereid zijn om risico's te nemen en veel regeringen begrotingsconsolidatiemaatregelen moeten treffen, waardoor het financieringsaanbod voor investeringen op langere termijn wordt beperkt.

2.2

De traditionele kanalen voor financiële bemiddeling schieten momenteel ernstig tekort. Banken zijn van oudsher de belangrijkste financieringsbronnen in de EU voor investeringen, maar veel van hen zijn nu vooral bezig met hefboomwerkingafbouw (deleveraging) en dus niet in staat hun normale taak te vervullen. In het Groenboek wordt verder gekeken dan de huidige crisis en wordt getracht manieren te vinden om de noodzakelijke langetermijnfinanciering voor investeringen te kunnen verschaffen.

2.3

De Commissie richt zich op productieve investeringen en de vorming van materieel en immaterieel kapitaal met een lange levensduur, dat minder procyclisch neigt te zijn dan kapitaal met een kortere levensduur. De Commissie definieert langetermijnfinanciering als het proces door middel waarvan het financiële stelsel de financiering verstrekt voor de betaling van investeringen die zich over een lange projecttermijn uitstrekken.

2.4

Europa heeft een programma ter hervorming van de financiële sector uitgevoerd om de stabiliteit op en het vertrouwen in de financiële markten te vergroten. Stabiliteit van het financiële stelsel is een noodzakelijke voorwaarde voor het bevorderen van langetermijnfinanciering, maar er is meer nodig. De Commissie geeft aan op welke andere terreinen actie ondernomen moet worden:

de capaciteit van financiële instellingen om langetermijnfinanciering te kanaliseren;

de efficiëntie en effectiviteit van financiële markten om langetermijnfinancieringsinstrumenten aan te bieden;

beleid ter aanmoediging van langetermijnsparen -investeringen; en

het gemak waarmee kmo's toegang krijgen tot bancaire en niet-bancaire financiering.

3.   Opmerkingen over de voorstellen

3.1   Capaciteit van financiële instellingen om langetermijnfinanciering te kanaliseren

3.1.1

Commerciële banken. De analyse die de Commissie maakt van de problemen met het veiligstellen van langetermijnfinanciering in Europa is in essentie juist. De vooraanstaande rol die banken altijd hebben gespeeld bij het verstrekken van langlopende kredieten is aan het veranderen. In de toekomst zouden ze wat dit betreft weleens minder belangrijk kunnen worden. Het is duidelijk dat sommige van de nieuwe regels voor het bankwezen de met het Groenboek beoogde stimulering van langetermijninvesteringen in de weg kunnen zitten. In het Groenboek wordt er slechts op gewezen dat banken door recente en waarschijnlijk nog in het verschiet liggende hervormingen een minder actieve rol zullen krijgen in de bemiddelingsketen. De prudentiële vereisten van Basel III en de stimulansen voor banken om langetermijnfinanciering te blijven verstrekken moeten beter op elkaar worden afgestemd. Hoe dan ook dienen zich waarschijnlijk kansen aan voor andere intermediairs zoals nationale en multilaterale ontwikkelingsbanken, voor institutionele beleggers, voor een ruimer gebruik van obligatiemarkten en voor staatsfondsen.

3.1.2

Nationale en multilaterale ontwikkelingsbanken. Deze instellingen delen het risico van particuliere investeerders en actoren bij de ontwikkeling van belangrijke projecten en helpen aldus marktfalen voorkomen. Met hun op de langere termijn gerichte strategische maatregelen spelen zij bovendien een anticyclische rol. De EIB en het EIF zijn als het op risicodeling aankomt steeds meer op de voorgrond getreden. Dankzij haar recente herkapitalisatie, die volgens het EESC weliswaar niet voldoende was, zal de EIB beter als hefboom voor aanvullende private financiering voor investeringen kunnen fungeren. De EIB zou meer moeten doen ter ondersteuning van grote grensoverschrijdende infrastructuurprojecten waarvoor de financiering moeilijk is rond te krijgen.

3.1.3

Het Comité is ingenomen met de EU 2020-projectobligaties, die momenteel worden getest in een aantal PPP-projecten voor investeringen in energie-, vervoers- en ICT-infrastructuur (1). De Commissie bespreekt de mogelijke rol die is weggelegd voor staatsfondsen bij de financiering van langetermijninvesteringen. Net als de projectobligaties, die de Commissie en de EIB gezamenlijk hebben ontwikkeld, zouden zij nu ook samen met staatsfondsen een initiatief kunnen ontwikkelen dat de beschikbare hoeveelheid financiën voor langetermijninvesteringen zou vergroten.

3.1.4

Wat institutionele beleggers betreft wordt er in het Groenboek op gewezen dat de noodzaak van een effectieve regulering van activarisico's bij verzekeringsondernemingen en de noodzaak om hen tot het financieren van langetermijninvesteringen aan te zetten weleens op gespannen voet met elkaar zouden kunnen staan. Tussen de Commissie en de Europese verzekeringsautoriteiten is hierover momenteel overleg gaande. Om voor verschillende soorten institutionele beleggers een aantal risicodelingsmechanismen in het leven te helpen roepen wil de Commissie met voorstellen komen over langetermijninvesteringsfondsen. Dat zou een goede zaak zijn. Pensioenfondsen zouden wat langetermijninvesteringen betreft een prominentere rol kunnen gaan spelen, maar zij zien een aantal belemmeringen van institutionele, regelgevende en politieke aard in de weg staan. Ze zijn vooral bang dat beleidsmakers hen ertoe proberen te dwingen om bepaalde soorten projecten te financieren die niet in het belang van hun leden zijn. Pensioenfondsen moeten worden geraadpleegd over de vraag hoe deze belemmeringen gereduceerd of overwonnen kunnen worden. Oprichting van een bankenunie zou in dit verband een goede zaak kunnen zijn.

3.1.4.1

Ook door middel van belastingprikkels voor vennootschappen zouden institutionele beleggers een grotere rol kunnen gaan spelen in de verstrekking van langetermijnfinanciering. Een systeem van degressieve belastingvoordelen voor investeringen in grote infrastructuurprojecten zou institutionele beleggers tot een grotere participatie kunnen aanzetten.

3.2   De efficiëntie en de effectiviteit van de financiële markten om langetermijnfinancieringsinstrumenten aan te bieden

3.2.1

Om de beschikbare middelen voor langetermijnfinancieringen uit te breiden moeten sommige kapitaalmarkten zich volgens het Groenboek ontwikkelen en tot wasdom komen. Obligatiemarkten in de EU blijven in ontwikkeling achter bij die in de VS en worden door kleine en middelgrote ondernemingen als verboden terrein beschouwd. Zelfs over projectobligaties waren de ratingbureaus slechts gematigd positief, waaruit wel blijkt dat het nog heel wat voeten in de aarde zal hebben om een obligatiemarkt van enige omvang van de grond te krijgen. Indien het met initiatieven als projectobligaties, die tot 4,6 miljard euro voor nieuwe infrastructuurprojecten kunnen opleveren, lukt om de markt voor obligatiefinanciering uit te breiden, dan zouden ze een extra impuls moeten krijgen als de testfase eenmaal afgerond en geëvalueerd is.

3.3   Beleid ter aanmoediging van langetermijnsparen en -investeringen

3.3.1

Er is veel nagedacht over de factoren die langetermijnsparen in financiering beïnvloeden. Sommige lidstaten hebben geprobeerd het aanbod van langetermijnsparen te stimuleren, maar er moet nog veel meer gedaan worden. Het Groenboek bevat de optie om spaarinstrumenten voor de hele EU in te voeren die meer langtermijnsparen moeten opleveren voor maatschappelijke doeleinden. Deze suggestie is misschien voordelig in het kader van de toenemende grensoverschrijdende infrastructuur. Het kan ook leiden tot meer arbeidsmobiliteit en pensioenplanning in de interne markt. Wellicht moeten er nieuwe spaarproducten worden aangeboden tegen hoge of wisselende tarieven om langetermijnsparen te bevorderen.

3.3.2

Belasting. Het verband tussen belasting, langetermijnsparen en langetermijninvesteringen is tamelijk nauwkeurig onderzocht. De toepassing van de vennootschapsbelasting op investeringen lijkt gunstiger voor schuldfinanciering dan voor financiering met eigen vermogen. Als geschikte hervorming om meer gebruik te maken van eigen vermogen om langetermijninvesteringen te financieren, kan worden gedacht aan degressieve belastingvoordelen. Zulke systemen worden op grote schaal gebruikt bij de belasting van kapitaalwinst en zij kunnen zo opgezet worden dat zij opwegen tegen sommige van de huidige fiscale voordelen van de schuldfinanciering.

3.3.3

Wat het langetermijnsparen en het belastingstelsel betreft, wijst de Commissie op het belang van een stabiel, geschikt aanbod van spaargelden en van de prikkels die vereist zijn om dit aanbod mogelijk te maken. Sommige lidstaten slagen er tamelijk goed in om pensioen- en anders gerelateerd sparen te stimuleren door slim gebruik van het fiscale stelsel. Burgers hebben er vaak bezwaar tegen dat zij eerst belasting moeten betalen over het inkomen dat zij verdienen, en vervolgens nog eens over langetermijnspaargelden uit het inkomen dat na belasting overblijft. Het zou mogelijk moeten zijn om adequate producten te ontwerpen en op de markt te brengen waarbij mensen binnen een bepaalde jaarlijkse limiet zelfs belastingvrij of tegen een laag belastingtarief kunnen sparen, om op die manier financiële langetermijnplanning aan te moedigen.

3.3.4

Aan het gebruik van belastingprikkels om gewenste langetermijnresultaten te bereiken kleven nadelen. Ernstige zaken als "deadweight losses" en arbitrage moeten ook aan de orde komen. Desondanks is het gebruik van fiscale stimuli binnen een consistente en solide langetermijnplanning geboden om het gewenste investeringsniveau tot stand te brengen.

3.3.5

Bedrijfsbestuur. Kortetermijndenken staat centraal binnen langetermijninvesteringen en is nauw verbonden met corporate governance. Tot nu toe waren de stimuli voor fondsbeheerders, investeringsbankiers en bedrijfsmanagers voor de korte termijn gedacht. Het veranderen van deze prikkels om aan te zetten tot een hoger niveau van langetermijnprestaties zal zeker niet eenvoudig zijn. Het Groenboek bevat een aantal interessante opties, waaronder uitgebreid stemrecht en dividend voor langetermijninvesteerders en wijzigingen op de richtlijn inzake de rechten van aandeelhouders. Misschien is een proactiever gebruik van belastingvoordelen voor kapitaalwinst een middel om deelneming voor langere termijn door fondsbeheerders te stimuleren.

3.4   Het gemak waarmee kleine en middelgrote ondernemingen toegang krijgen tot bancaire en niet-bancaire financiering

3.4.1

In het Groenboek staat dat kmo's in veel lidstaten steeds moeilijker aan financiering kunnen komen om te overleven en om te groeien. Los van de gevolgen van het verminderen van de schulden staan kmo's voor een gefragmenteerde en onsamenhangende set alternatieve financieringsbronnen. Lokale banken zijn de binding met de regio meestal kwijt of deze is veel zwakker geworden. De verzwakte relatie tussen banken en kmo's moet opnieuw opgebouwd of versterkt worden. Er zijn diverse initiatieven genomen om kmo's niet-bancaire financieringsbronnen te verschaffen, waaronder toegang tot enkele durfkapitaalfondsen, het gebruik van activafinanciering (2), aanbodketenfinanciering en crowd funding. Er moet veel meer worden gedaan. Verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen zijn bereid een prominentere rol te spelen, maar dat vereist passende stimuli, waarvan de Commissie nu werk zou moeten maken. Bij toekomstige maatregelen voor kmo's moet ervoor worden gezorgd dat die bedrijven volledig van die maatregelen, in de geplande vorm en omvang, kunnen profiteren. Zulks zonder dat, voor zover die maatregelen via de banken gestalte krijgen, deze bijkomende lasten kunnen opleggen.

3.4.2

Durfkapitaal. De Commissie stelt een "paraplufonds" voor om een kritieke massa aan financiering met durfkapitaal te vormen. Verder zou het voorgestelde fonds van waarborgen voor institutionele beleggers de markt kunnen verruimen. Het EESC heeft al voorgesteld dat de rol van het EIF verder gaat dan het verstrekken van leningen en ook de verschaffing van durfkapitaal omvat (3). Dat stond de oprichters ervan in 1994 aanvankelijk voor ogen. Als het EIF, net als de EIB, geherkapitaliseerd zou worden, dan zou het tot één van de grootste verstrekkers van durfkapitaal voor kmo's kunnen uitgroeien.

3.4.2.1

Meer durfkapitaal voor kmo's gaat gelijk op met de uitbreiding van bestaande of het scheppen van nieuwe handelsplatformen voor financiering via eigen vermogen ten behoeve van kmo's. Het Groenboek bevat dienaangaande een aantal zinvolle voorstellen. Aangezien nationale en regionale overheden al bezig zijn om via organen voor regionale ontwikkeling het overleven en de groei van kmo's te bevorderen, ligt het voor de hand dat deze organen een rol gaan spelen in het beheer van zulke handelsplatformen. Dit kan variëren van het beoordelen van de kredietwaardigheid van cliënten onder kmo's tot het verstrekken van beperkte garanties aan institutionele beleggers.

3.4.3

Het EESC had graag gezien dat in het Groenboek meer steun werd uitgesproken voor beleggingen in maatschappelijk verantwoorde fondsen door middel van invoering van passende financiële en fiscale regelgeving, alsook door aanbestedingsbeleid. In dit verband valt er iets te zeggen voor de oprichting van een Europese Waarnemingspost voor langetermijninvesteringen. Dit orgaan zou, samen met de actieve deelname van maatschappelijke organisaties, de ontwikkelingen kunnen volgen in de vraag en het aanbod van langetermijninvesteringen en -sparen en kunnen bijdragen aan een adequaat aanbod van informatie die van belang is voor economische actoren om weloverwogen besluiten te nemen inzake langetermijninvesteringen.

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Zie bijvoorbeeld COM(2009) 615 final.

(2)  Zie bijvoorbeeld het Funding for Lending Scheme http://www.hm-treasury.gov.uk/ukecon_fundingforlending_index.htm.

(3)  PB C 143, 22.5.2012, blz. 10.


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over douanerisicobeheer en beveiliging van de toeleveringsketen

COM(2012) 793 final

2013/C 327/04

Rapporteur: de heer PEZZINI

De Europese Commissie heeft op 18 maart 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over douanerisicobeheer en beveiliging van de toeleveringsketen

COM(2012) 793 final.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 168 stemmen vóór en 1 stem tegen is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Volgens het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is een gemeenschappelijke aanpak van de douanerisico's en de veiligheid van de toeleveringsketen geboden om een uniforme en niet-discriminerende toepassing van de Europese regelgeving door de betrokken autoriteiten te waarborgen op het hele grondgebied van de douane-unie, die krachtens artikel 3 VWEU uitsluitend onder de bevoegdheid van de Europese Unie valt.

1.2

Het is een krachtig voorstander van de voorstellen van de Commissie, die erop gericht zijn een grotere doeltreffendheid en efficiëntie van het risicobeheer en de goederenstromen over de grenzen van de EU heen te garanderen aan de hand van een gemeenschappelijke strategie en passende informatiesystemen voor risicobeheer op EU-niveau.

1.3

Het is erg bezorgd over het feit dat de douane-unie – die is opgericht bij het Verdrag van Rome in 1957 en sinds 1968 ten uitvoer wordt gelegd als gemeenschappelijk beleid ter waarborging van één handelsruimte van vrij verkeer van personen en goederen, waarbij een één-loket-systeem wordt gehanteerd voor de douanepraktijken van alle marktdeelnemers die in de hele EU op gelijke wijze worden behandeld – nog op uiteenlopende wijze wordt geïnterpreteerd en ten uitvoer wordt gelegd, hetgeen een doeltreffend en efficiënt beheer van douanerisico's verhindert, en aldus ook de handelsstromen en het vrije verkeer van goederen in de EU vertraagt.

1.4

Het is van cruciaal belang dat de douanecapaciteiten overal op het Europese grondgebied worden verbeterd om een hoog niveau van risicobeheer in de hele douane-unie te garanderen. Een en ander betreft de uniforme toepassing van definities, classificaties, gegevensverzameling en –overdracht aan de EU-databank, aan de hand van ondubbelzinnige gemeenschappelijke criteria, die via één systeem ter waarborging van de kwaliteit worden geverifieerd en gemonitord, en waarbij overtreders worden gestraft.

1.5

Het EESC zou graag zien dat gemeenschappelijke bindende technische normen worden ontwikkeld zodat aan alle buitengrenzen van de Unie een kwaliteitsvol risicobeheer op uniforme wijze wordt toegepast. Een en ander moet gepaard gaan met communautaire inspanningen ter ontwikkeling van een hoge deskundigheid, waarbij ook rekening wordt gehouden met de verschillende verplichtingen die gekoppeld zijn aan de specifieke situatie op nationaal vlak.

1.6

Tussen de verschillende databanken van het Europese systeem voor markttoezicht moet volledige interoperabiliteit worden verzekerd, op basis van een gemeenschappelijke strategie en via krachtige ondersteuning van de communautaire programma's voor technologische ontwikkeling, zodat de autoriteiten op de verschillende niveaus realtime-uitwisseling van informatie wordt gegarandeerd en het mogelijke gevaar van dumping op gezondheids-, milieu- en sociaal gebied krachtiger kan worden bestreden.

1.7

De communautaire inspanningen ter ontwikkeling van gekwalificeerd personeel en ter versterking van de beheerscapaciteit moeten worden opgevoerd, ook via maatregelen om het evenwicht in de verdeling van de controletaken te herstellen en door de oprichting van een gemeenschappelijke centrale douane-taskforce die, op verzoek, snel kan optreden in probleemsituaties.

1.8

Volgens het EESC is het zaak het partnerschap tussen de douaneautoriteiten, de vervoerders en de geautoriseerde marktdeelnemers te versterken, door de status en de voordelen ervan kracht bij te zetten, teneinde optimale samenwerking bij het risicobeheer te verzekeren, via uitwisseling van data vanuit één centraal punt, zonder nutteloze bureaucratische overlappingen.

1.9

Er moet werk worden gemaakt van een vernieuwd governancesysteem, waarbij alle nationale en communautaire autoriteiten, Europese agentschappen, waarschuwings- en informatiesystemen worden betrokken, teneinde een beter gestructureerde en systematische samenwerking tussen douane- en andere relevante autoriteiten op de interne markt te verzekeren.

1.10

Het pakket maatregelen dat in het meerjarenplan voor markttoezicht is vastgesteld moet op samenhangende en gecoördineerde wijze ten uitvoer worden gelegd, om een eind te maken aan dubbele controles, verschillen in toegepaste criteria, herhaling van verzoeken om dezelfde gegevens, uiteenlopende interpretaties door de verschillende autoriteiten voor controle en markttoezicht, en gebrekkige interoperabiliteit.

2.   Inleiding

2.1

De douane-unie valt krachtens artikel 3 VWEU onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie.

2.2

Reeds in 2004 heeft het EESC de noodzaak van een heroriëntering als volgt geformuleerd: "Terecht wordt aan de strategische zijde van het beleid inzake de douanediensten de laatste tijd extra nadruk gelegd op het feit dat de Unie na de uitbreiding nieuwe buitengrenzen zal hebben, met alle uitdagingen voor het gemeenschappelijke douanebeleid van dien. Daarnaast is ook de context van het douanebeleid veranderd, doordat er sinds de 11-septemberaanslagen een grotere bezorgdheid bestaat over de veiligheidsprocedures om burgers in de Unie te beschermen." (1)

2.3

Gelet op de ernstige werkingsproblemen waarmee de douane-unie door de uiteenlopende toepassing van de communautaire wetgeving te kampen heeft, die de algemene efficiëntie in het gedrang dreigen te brengen door ondoeltreffendheid, verspilling en gebrek aan afstemming tussen behoeften en beschikbare middelen, wijst het EESC erop dat er "één douanebeleid moet worden gevoerd op basis van uniforme, actuele, transparante, doeltreffende en vereenvoudigde procedures waarmee kan worden bijgedragen tot een Europese Unie die wereldwijd de economische concurrentie aankan …" (2).

2.4

Dankzij de douane-unie, die de operationele arm is voor een groot deel van de maatregelen van het EU-handelsbeleid, worden tal van internationale overeenkomsten die verband houden met de handelsstromen van de EU geïmplementeerd. Via de administraties van de lidstaten ontwikkelen zich belangrijke horizontale processen voor gegevensbeheer, beheer van de marktdeelnemers en "risicobeheer, met inbegrip van het in kaart brengen, evalueren, analyseren en inperken van de talloze verschillende soorten risico's en risiconiveaus die samenhangen met de internationale handel in goederen" (3).

2.5

De invoering van een gemeenschappelijke benadering voor geïntegreerd risicobeheer, op de plaatsen van binnenkomst en vertrek, zou kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake:

een betere toewijzing van personele en financiële middelen door ze, waar nodig, te concentreren;

volledige en uniforme toepassing van de communautaire douanewetgeving;

een geïntegreerd samenwerkingssysteem voor overheden-bedrijven-vervoerders;

stroomlijning van praktijken en vermindering van transactietijden en –kosten.

3.   Rol van de douane op veiligheidsgebied

3.1

Zoals in de Commissiemededeling over de stand van de douane-unie eind 2012 is aangegeven, "is de douaneadministratie de enige openbare overheid die bevoegd is voor het toezicht en de controle van alle goederen die de buitengrenzen van de EU overschrijden en die, eenmaal zij door de douaneautoriteiten op een bepaalde plek in de EU zijn toegelaten, vrij kunnen circuleren over het hele grondgebied van de Unie" (4).

3.2

Vanuit deze unieke positie hebben de douaneautoriteiten voornamelijk als opdracht toezicht te houden op het internationale handelsverkeer van de EU en dragen zij bij tot de uitvoering van de externe aspecten van de interne markt, van het gemeenschappelijk handelsbeleid en van andere maatregelen die verband houden met de handel en de veiligheid van de hele toeleveringsketen.

3.3

Het EESC beklemtoont dat "een goed functionerende douane-unie een conditio sine qua non is voor het Europese integratieproces, die op uniforme wijze op het hele grondgebied van de EU moet zorgen voor een efficiënt, veilig en transparant vrij verkeer van goederen, een optimale bescherming van de consument en het milieu, en een doeltreffende aanpak van fraude en vervalsing" (5). Het pleit dan ook voor één douanebeleid op basis van uniforme, bijgewerkte, transparante, doeltreffende en vereenvoudigde procedures.

3.4

Hoewel de operationele werking van de douane-unie gebaseerd is op gemeenschappelijke wetgeving en beleid, is ze toch erg complex en wordt ze nog ten uitvoer gelegd door 27 verschillende administratieve diensten in de EU. Een en ander vergt de inzet van zowel menselijke, technische als financiële middelen op verschillende niveaus, wat de toepassing van douaneafhandelings- en controleprocedures betreft maar ook voor het beheer en de verwerking van de gegevens en de marktdeelnemers, de beheersing van de verschillende niveaus van risico's die verbonden zijn met internationaal goederenverkeer en met de veiligheid van de toeleveringsketen.

3.5

Er moet worden vermeden dat de lidstaten in een "keurslijf" worden gedwongen wat de toepassing van de douanewetgeving betreft, zodat zij kunnen blijven rekening houden met de grootte van de betrokken handelsstromen. De lidstaten hebben in dit verband de voorzieningen uitgebreid om het handelsverkeer te vergemakkelijken: dematerialisatie van de formaliteiten, vereenvoudigde procedures en toepassing van de status van geautoriseerde marktdeelnemer.

3.6

Iedere harmonisatie moet gebaseerd zijn op "beste praktijken" en niet op het Europese gemiddelde niveau.

3.7

Wil men de kosten rationaliseren, de werkzaamheden richten op het behalen van resultaten, ook wat het financieel aspect, de inkomsten betreft, en concrete vooruitgang boeken, dan moet volgens het EESC bij de controles niet zozeer gebruik worden gemaakt van een methodologie voor afzonderlijke acties maar wel van een "systemische methodologie" (systems-based approach) op basis van risicobeoordeling.

4.   Risicobeheer van de toeleveringsketen

4.1

In een context van voortdurend groeiende handelsstromen en steeds complexere nieuwe modellen die in een steeds hoger tempo opgang maken, staat de operationele werking van de douane-unie ook onder steeds toenemende druk, daar er steeds meer taken moeten worden verricht en de betrokken partijen steeds meer verwachtingen creëren. Voor de modernisering van de operationele taken in een geïnformatiseerde douanecontext wordt uitgegaan van:

de toepassing van nieuwe procedures op Europese schaal;

grotere investeringen in nieuwe informatietechnologie;

nieuwe vaardigheden van het betrokken personeel.

4.2

Met het oog op doeltreffende gemeenschappelijke strategieën voor analyse, controle en beheer van risico's is in alle betrokken administraties een culturele heroriëntatie nodig naar gemeenschappelijke strategische doelstellingen en methodes, in een kader van gezamenlijke risicobeheersing met andere internationale agentschappen en partners, vooral op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu.

4.3

Met het oog op een doeltreffend risicobeheer is nauwere samenwerking geboden tussen de douaneautoriteiten en de autoriteiten voor markttoezicht op nationaal en Europees niveau, zo niet zal het erg moeilijk zijn gemeenschappelijke risicocriteria en specifieke risicoprofielen op te stellen.

4.4

Bij de invoering van een gemeenschappelijke aanpak van het risicobeheer op plaatsen van binnenkomst en vertrek moet ermee rekening worden gehouden dat de controlebevoegdheid thans krachtens ruim 60 rechtshandelingen (6) aan de douanediensten gedelegeerd is, terwijl de markttoezichtautoriteiten een gedelegeerde bevoegdheid hebben voor een reeks van onderling afhankelijke processen, gaande van steekproefsgewijze inspectie, laboratoriumproeven, interpretatie van resultaten, beoordeling van risico's tot corrigerende en bestraffende maatregelen, teneinde de veiligheid van de producten op de markt te verbeteren, zoals is voorgeschreven in de Single Market Act I (7) en II (8).

4.5

Voor het uitstippelen van de methodologie voor de risicobeoordeling zou er een gemeenschappelijk systeemplatform - ook via administratieve samenwerkingsgroepen - van douaneautoriteiten en markttoezichtautoriteiten op verschillende niveaus moeten komen, dat profijt moet kunnen trekken van de verschillende gegevensbanken die in uiteenlopende contexten actief zijn.

4.6

De douane- en markttoezichtautoriteiten zouden hun middelen en vaardigheden moeten bundelen om "kmo-vriendelijke methoden toe te passen" (9), ook door richtsnoeren aan te reiken vanwege de twee autoriteiten. Tegelijkertijd is een versterking nodig van de coördinatie en de samenwerking, de uitwisseling van informatie en gemeenschappelijke activiteiten, teneinde zendingen met een verhoogd veiligheidsrisico op gerichte wijze te beheren.

5.   Rol van het partnerschap douane-marktdeelnemers-vervoerders

5.1

Het partnerschap tussen douaneautoriteiten, marktdeelnemers en vervoerders is van cruciaal belang om de integriteit van de toeleveringsketen te waarborgen voor burgers, bedrijven en overheden.

5.2

Een dergelijk partnerschap moet gebaseerd zijn op solide mechanismen van wederzijds vertrouwen waarbij ervan wordt uitgegaan dat:

de algemene verplichtingen van de marktdeelnemers op elkaar worden afgestemd, teneinde de veiligheid van de producten en duidelijke verantwoordelijkheden van fabrikanten, invoerders en distributeurs te waarborgen, aan de hand van doortastende maatregelen met het oog op de beveiliging van de toeleveringsketen;

de marktdeelnemers gecodificeerde kwaliteitsgegevens meedelen, ten behoeve van alle overheden die betrokken zijn bij het risicobeheer, waarbij goederen en betrokken reële personen identificeerbaar en traceerbaar zijn;

de marktdeelnemers in de hele Unie en op gelijk welke plek aan haar buitengrenzen gegarandeerd gelijk behandeld worden wat risicobeheer betreft, zodat verschillen in behandeling vermeden worden;

er nauwer wordt samengewerkt met bedrijven die goederen over de grenzen vervoeren;

de administratieve, procedurele en bureaucratische lasten voor de marktdeelnemers en met name de kmo's beperkt worden gehouden.

5.3

Reeds in de overeenkomst van Kyoto van de Werelddouaneorganisatie (WDO) (10) betreffende de (herziene) vereenvoudiging van de douanecontrole is voorzien in een beperking van hinderlijke controles, zoals dat ook het geval was bij de WTO-onderhandelingen over de facilitering van het handelsverkeer (11), ook al is er na de gebeurtenissen van 11 september 2001 een tendens ontstaan om systematische controles te verscherpen.

5.4

Er moet een eind worden gemaakt aan de versnippering van de informatiestromen en een oplossing worden gevonden voor de problemen die samenhangen met de capaciteitsverschillen tussen de lidstaten op het gebied van risicobeheer, teneinde een gelijk niveau van elektronisch beheer en risicoanalyse te garanderen. Fundamenteel gaat het erom een gemeenschappelijke Europese cultuur inzake risicobeheer en beveiliging van de toelevering te ontwikkelen.

6.   Nieuwe technologieën: interoperabiliteit van de systemen en informatie-uitwisseling

6.1

De meerjarige O&O-programma's van de Europese Unie - met name het zevende kaderprogramma, maar ook IDABC (12) en ISA (13) voor de interoperabiliteit van overheidsadministraties - hebben de grondslag gelegd voor de ontwikkeling van verschillende gemeenschappelijke projecten op het gebied van risicobeheer, aan de hand van nieuwe instrumenten waarmee kan worden voorkomen dat nationale processen en domeinen van de informatica-infrastructuur of -toepassingen van de ene tot de andere lidstaat sterk verschillen.

6.2

Het is van essentieel belang dat de inspanningen op het gebied van innovatie en O&O ten aanzien van risicobeheer en beveiliging van de toeleveringsketen door de EU worden gecoördineerd, om ervoor te zorgen dat de technologieën snel worden verspreid en op de markt worden gebracht. Met name demonstratieprojecten ("proof-of-concept") en proefproductielijnen vormen een onontbeerlijke voorwaarde om technologieën op industriële schaal te kunnen verspreiden. Dergelijke initiatieven kunnen worden gefinancierd door publiek-private partnerschappen via de structuurfondsen, Horizon 2020 of andere EU-programma's.

7.   Gestructureerde en systematische samenwerking en coördinatie tussen douane- en andere overheden

7.1

Kort geleden nog heeft het EESC beklemtoond dat het "een nauwere samenwerking tussen de douanediensten, de markttoezichtautoriteiten, de diensten van de Commissie en de Europese agentschappen noodzakelijk acht, zodat er meer controle kan worden uitgeoefend op de kwaliteit van de ingevoerde goederen" (14). Daarbij wees het ook op de noodzaak passende informatie en daarmee samenhangende opleiding te verstrekken.

7.2

Volgens de Commissie "moeten de capaciteit en de middelen van de lidstaten beter worden samengevoegd om de EU-doelstellingen inzake risicobeheer effectiever te verwezenlijken aan de hele buitengrens", ook via "het gebruik van een realtime elektronisch risicosysteem … om de nationale technische capaciteit aan te vullen".

7.3

De kwestie van de samenwerking en de coördinatie op het gebied van risicobeheer is volgens het EESC een van de heikele punten in het Commissievoorstel, niet alleen wat de systematische coördinatie van de overheden van de lidstaten betreft, maar ook op het niveau van de Unie zelf, tussen de verschillende directoraten-generaal en operationele agentschappen.

8.   Algemene opmerkingen

8.1

Het EESC juicht het initiatief van de Commissie toe om de efficiëntie en doeltreffendheid van het risicobeheer en de handelsstromen over de EU-grenzen heen te waarborgen, middels een gelaagde gemeenschappelijke strategie om de aard en het niveau van het risico en de verschillende mogelijke oplossingen vast te stellen, binnen een Europees kader van coördinatie tussen verschillende instanties en op basis van een uniforme aanpak en vooraf vastgestelde en overeengekomen criteria.

8.2

Het EESC is ervan overtuigd dat het noodzakelijk is het proces van elektronische douaneafhandeling te centraliseren en de Commissie passende computersystemen voor Europees risicobeheer ter beschikking te stellen, op basis van een netwerk van interoperabele gegevensbanken en met systematisch gebruik van gestandaardiseerde werkmethoden die de werknemers, de consumenten en de bedrijven beschermen tegen de risico's van dumping op sociaal, milieu- en gezondheidsgebied.

8.3

Volgens het EESC moet de douanecapaciteit absoluut worden versterkt, zodat op gelijk welke plaats van het Europese grondgebied een passend niveau van risicobeheer wordt gegarandeerd op basis van ondubbelzinnige gemeenschappelijke criteria, die aan de hand van een gemeenschappelijk systeem voor kwaliteitsbewaking worden geverifieerd en gemonitord en waarbij inbreuken worden bestraft.

8.4

Een en ander moet correct worden ingepast in het meerjarig actieplan voor markttoezicht waarbij 20 concrete acties  (15) worden voorgesteld die tegen 2015 moeten worden uitgevoerd en die met name betrekking hebben op het:

ondersteunen door de douane- en de markttoezichtautoriteiten van de uitvoering van de richtsnoeren in de lidstaten (actie 17);

verbeteren van de efficiëntie van grensveiligheids- en conformiteitscontroles (actie 18);

in kaart brengen van de verschillen in aanpak van veiligheids- en conformiteitscontroles voor producten die in de Unie binnenkomen (actie 19);

ontwikkelen van een gemeenschappelijke risicobenadering van douanecontroles op het gebied van productveiligheid en –conformiteit (actie 20).

8.5

Het EESC is van mening dat het beheer van de douanecontroles en van het markttoezicht niet afzonderlijk kunnen worden benaderd en dat gezamenlijk moet worden gestreefd naar een gemeenschappelijke Europese aanpak, volledige interoperabiliteit van de instrumenten voor analyse, verzameling en verwerking van online gegevens, door de verschillende betrokken overheden.

8.6

Het is voorstander van een systeem ter versterking van de capaciteit van de lidstaten op het gebied van risicobeheer, teneinde uniforme kwaliteitsstandaarden te waarborgen aan de hand van een gemeenschappelijk verificatie-, controle-, monitoring- en eventueel bestraffingsmechanisme, maar ook via een grotere gemeenschappelijke inspanning voor de opleiding van deskundig personeel, dat vooral daar nodig is waar het werk het zwaarst en de kosten het hoogst zijn, bv. aan de grenzen van de Schengen-zone.

8.7

De communautaire inspanningen ter ontwikkeling van gekwalificeerd personeel en ter versterking van de beheerscapaciteit moeten in dit verband worden opgevoerd, ook door de oprichting van een gemeenschappelijke centrale douane-taskforce voor snelle interventie in probleemsituaties.

8.8

Om duidelijke en samenhangende communautaire normen in de hele interne markt en overeenkomstige veiligheidsniveaus te garanderen moet absoluut nauwer worden samengewerkt en moet informatie worden uitgewisseld - op basis van hoge gemeenschappelijke standaarden - tussen douane-administraties, markttoezichtautoriteiten, de Commissiediensten en de Europese agentschappen, teneinde de kwaliteit van de goederen die de grenzen overschrijden beter te controleren.

8.9

Het EESC onderschrijft de conclusies van de Raad betreffende de vorderingen die zijn gemaakt in het kader van de strategie voor de ontwikkeling van de douane-unie (16) ten aanzien van de verbetering van de governance van die douane-unie, van haar capaciteit haar eigen impact te meten en uniforme toepassing van de wetgeving te bevorderen, samenwerking tussen de agentschappen te verbeteren en vooral "een bredere aanpak van de internationale toevoerketen te hanteren", het handelsverkeer te faciliteren en "reële en tastbare voordelen te bieden voor geautoriseerde marktdeelnemers".

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 110 van 30.4.2004, blz. 72.

(2)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 68.

(3)  COM(2012) 791 final.

(4)  COM(2012) 791 final.

(5)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 68.

(6)  Bijlage 2 van SEC(2011) 1317 final "Impact Assessment of an action programme for customs and taxation in the European Union for the period 2014-2020" (programma FISCUS).

(7)  COM(2011) 206 final.

(8)  COM(2012) 573 final.

(9)  COM(2013) 76 final, actie 9.

(10)  WDO 2003.

(11)  Art. III van de GATT ter beperking van de noodzakelijke procedures voor invoer- en uitvoeracties.

(12)  Interoperable Delivery of Pan-European e-Government Services to Public Administrations, Businesses and Citizens (interoperabele levering van pan-Europese e-overheidsdiensten aan overheidsdiensten, ondernemingen en burgers). IDABC draagt bij aan het i2010-initiatief ter modernisering van de Europese overheidssector.

(13)  Interoperability Solutions for European Public Administrations Program (Interoperabiliteitsoplossingen voor Europese overheidsdiensten) 2010–15.

(14)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 68.

(15)  COM(2013) 76 final.

(16)  PB C 80 van 19.3.2013, blz. 11.


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/20


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Een Europees actieplan inzake detailhandel

COM(2013) 36 final

2013/C 327/05

Rapporteur: mevrouw RONDINELLI

De Europese Commissie heeft op 18 maart 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Een Europees actieplan inzake detailhandel

COM(2013) 36 final.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 174 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) steunt de holistische aanpak van het Actieplan en heeft reeds zijn mening gegeven over veel van de 11 voorgestelde maatregelen. De uitvoering hiervan vergt echter nog heel wat tijd en ondersteuning, ook economische ondersteuning.

1.2

Het EESC is van mening dat sommige maatregelen niet aan de verwachtingen zullen voldoen of niet volledig kunnen worden uitgevoerd, omdat geen rekening wordt gehouden met de gevolgen van de economische crisis op de sector, vooral in de landen die het hardst door de bezuinigingsmaatregelen worden getroffen.

1.3

Bij de uitvoering van het Actieplan zou rekening moeten worden gehouden met de diversiteit, die vaak tot uiting komt in de verschillende vormen van de kmo's (kleine en middelgrote ondernemingen) en micro-ondernemingen.

1.4

Het EESC stemt in met het voorstel om een permanente groep voor het concurrentievermogen van de detailhandel op te richten en hoopt dat de Europese sociale partners, de vertegenwoordigers van de consumentenorganisaties en van de kmo's hiervan deel kunnen uitmaken.

1.5

De consument zou volgens het EESC niet alleen de beschikking moeten hebben over relevante en waarheidsgetrouwe informatie, maar hij zou hiervan ook echt kennis moeten kunnen nemen. De presentatie ervan moet dan ook overzichtelijk en gemakkelijk te begrijpen zijn (de taal mag niet te technisch of juridisch zijn).

1.6

De lidstaten moeten worden aangemoedigd om vast te stellen welke vormen van detailhandel onder het algemeen (sociaal of cultureel) belang vallen, dat in de dienstenrichtlijn wordt genoemd.

1.7

Het EESC dringt erop aan dat ondernemingen worden gestimuleerd om de online- en offlinehandel, die nu nog vaak als elkaars tegenpolen worden beschouwd, te integreren. Zo kan een einde worden gemaakt aan problemen in verband met openingstijden en sluitingsdagen van winkels.

1.8

De overmatige concentratie van de distributiehandel veroorzaakt verschillende problemen, zoals objectieve moeilijkheden om echte concurrentie tot stand te brengen.

1.9

De praktijk van onjuiste verrekeningsprijzen (transfer pricing), waarbij de handelsprijzen binnen dezelfde groep worden bepaald op basis van beoordelingscriteria die verband houden met de belastingplichtigheid van de betrokken groep en niet met de normale marktwerking, moet volgens het EESC op Europees niveau worden aangepakt, zoals in een ander advies reeds werd bepleit (1).

1.10

Het EESC beveelt aan duurzame handel na te streven en verspillingen terug te dringen, onder meer door het systeem van bulkverkoop te bevorderen, waarbij er minder vervuilend verpakkingsmateriaal wordt gebruikt.

1.11

De Commissie moet actief streven naar innovatie en verandering, met alle instrumenten waarover zij beschikt, omdat concurrentie een voorwaarde voor verandering is maar deze niet zelf op gang brengt.

1.12

Het EESC acht het van fundamenteel belang dat de gevraagde bekwaamheden matchen met de vaardigheden van de werknemers. De betrokkenheid van het bedrijfsleven mag niet beperkt blijven tot de inhoud van de opleidingen, maar moet ook gerichte investeringen omvatten.

1.13

Op basis van de ervaringen van de Europese vaardighedenraad voor de handel spoort het EESC de lidstaten aan om bilaterale organismen op te zetten tussen de sociale partners ter ontwikkeling van de beroepsopleiding (afstemming van vaardigheden, opleidingsplannen, financiering, in kaart brengen van de opleidingsbehoefte, uitvoering en feedback van opleidingen).

1.14

Het EESC steunt het initiatief van de Commissie om een dialoog met alle belanghebbenden op gang te brengen, teneinde doeltreffende maatregelen op EU-niveau vast te stellen voor de bestrijding van de informele economie en zwartwerk. Het hoopt dat de lidstaten een sterke politieke bereidheid aan de dag zullen leggen, die de Commissie zou kunnen coördineren via een versterkt partnerschap.

2.   Totstandbrenging van een interne markt voor distributiehandel

2.1

Om een interne markt voor de distributiehandel tot stand te brengen in het kader van de Europa 2020-strategie bevat het Actieplan een routekaart met 5 prioriteiten en 11 maatregelen die tegen 2014 moeten zijn uitgevoerd. De Commissie zal toezien op de ontwikkelingen en zal in 2015 verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang.

2.2

Binnen de EU speelt de distributiehandel een essentiële rol in het stimuleren van groei, het scheppen van werkgelegenheid en de totstandkoming van innovatieve en duurzamere consumptiemodellen. De sector is goed voor 11 % van het BBP van de EU en voor bijna 15 % van de werkgelegenheid, wat neerkomt op circa 36 miljoen werknemers in meer dan 6 miljoen ondernemingen of 29 % van alle ondernemingen, waarvan een hoog percentage bestaat uit kmo's en micro-ondernemingen.

2.3

In het Actieplan wordt benadrukt dat de distributiehandel steeds meer is geïntegreerd met andere economische sectoren en dat het onderscheid daartussen steeds vager wordt. Er wordt op gewezen dat er belemmeringen blijven bestaan voor de totstandbrenging van een efficiënte, concurrerende en geïntegreerde interne markt voor de distributiehandel. Het is dan ook zaak het concurrentievermogen en de productiviteit van de sector te verbeteren en de economische, ecologische en sociale prestaties ervan te versterken, rekening houdend met de verscheidenheid in het algemeen en met de situatie van kmo's en micro-ondernemingen in het bijzonder.

2.4

Ondanks de modernisering die zich de afgelopen 20 jaar in de sector heeft voltrokken, dreigen veel commerciële kmo's momenteel failliet te gaan, niet alleen als gevolg van de grotere prijsconcurrentie en de erosie van de winstmarges, maar ook wegens de economische crisis, die een aanzienlijke daling van de consumptie en de aankoopbereidheid heeft veroorzaakt.

2.5

De financiële crisis, de stijging van de grondstoffenprijzen, de vergrijzing, de vraag naar duurzamere oplossingen en de technologische innovatie (zoals elektronische betalingen en selfscanning) zorgen voor een ingrijpende verandering van de bedrijfsprocessen en -modellen, zowel van de grote distributieketens als van kmo's.

2.6

Het EESC stemt in met het voorstel om een permanente groep voor het concurrentievermogen van de detailhandel op te richten (bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, belanghebbende partijen en kmo's), die de problemen van de sector op de Europese politieke agenda zal zetten, mogelijkheden voor ontwikkeling zal aanwijzen, zal toezien op de geboekte vooruitgang en aanbevelingen zal formuleren. Het EESC dringt erop aan dat de Europese sociale partners van de sector (UNI-Europa commerce en Eurocommerce), die sinds eind jaren '80 een constructieve sociale dialoog hebben gevoerd, deel gaan uitmaken van deze groep, naast vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met name consumentenorganisaties en organisaties van kmo's.

2.7

Het EESC dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle eerlijke en evenwichtige vormen van handelsvereniging en samenwerking tussen zelfstandige detailhandelaren en tussen de grote distributieketens enerzijds en zelfstandige detailhandelaren anderzijds te stimuleren en te bevorderen, op basis van contracten met duidelijke en evenwichtige garanties.

3.   Meer rechten voor de consument (maatregelen 1 en 2)

3.1

Rechten zijn pas echt rechten wanneer zij worden uitgeoefend, en om te worden uitgeoefend moeten zij gekend zijn. Informatie staat niet gelijk aan kennis, wat het eerste recht van consumenten is, en hen de vrijheid geeft hun aankoopbeslissingen zelf te bepalen en daarbij het welzijn en zowel het individuele als het collectieve belang na te streven. Tegenwoordig wordt de consument bij zijn aankopen overstelpt met een enorme hoeveelheid informatie.

3.2

Een van de grootste problemen waar de sector momenteel mee kampt is het feit dat de marketing van de grote distributieketens bijna uitsluitend is gericht op de verkoopprijs, en dat er nauwelijks aandacht is voor de prijs-kwaliteitverhouding. Het gevolg hiervan is dat de kwaliteit van levensmiddelen in veel lidstaten achteruit gaat, mede omdat natuurlijke ingrediënten worden vervangen door andere stoffen. Dit beperkt de keuze voor de consument, die vaak wel bereid is meer te betalen voor een kwaliteitsproduct maar dat niet kan vinden in het aanbod.

3.3

Kennis van de productkenmerken stelt de consument in staat bewuste aankopen te doen, waardoor er in het aanbod meer ruimte komt voor kwaliteit, diversifiëring en dienstverlening. Maar dat er meer informatie beschikbaar is betekent niet dat er ook meer kennis is. Vaak is zelfs het tegenovergestelde waar: geconfronteerd met een overdaad aan informatie verkiest de consument deze vaak niet te lezen, wegens gebrek aan tijd of omdat het taalgebruik te technisch of onbegrijpelijk is.

3.4

Naast richtsnoeren voor goede praktijken en gedragscodes (maatregel 1) (2) zou de Commissie doeltreffende en bindende instrumenten in het leven moeten roepen, zodat producenten en distributeurs worden gedwongen om consumenten toegankelijke informatie te geven over alle kenmerken van hun producten, diensten en prijzen die essentieel zijn voor andere sociale, milieu-, territoriale en economische doeleinden. Bovendien zou alle noodzakelijke informatie moeten worden vervat in korte en begrijpelijke teksten. Zo kunnen consumenten vrij besluiten of zij een bepaald kenmerk belangrijker vinden dan een ander, en hoeven zij niet uitsluitend af te gaan op reclameboodschappen.

3.5

Het aanbodsysteem geeft veel nuttige kennis waarop de consument zijn keuzes kan baseren, maar concentreert zich voornamelijk op productaspecten die verband houden met de aankoop en het gebruik gedurende de eerste periode, met de nadruk op de aanvankelijke tevredenheid en zonder aandacht voor het verdere gebruik van het product (de recycleerbaarheid van de verpakking, de levensduur, de beschikbaarheid van ondersteuning en reserveonderdelen, de eventuele tweedehandswaarde en de aftersales-dienstverlening).

3.6

Naast het voorstellen van methoden voor het meten van en communiceren over de algemene milieueffecten van producten en organisaties (maatregel 2) (3), zou de Commissie de taak op zich moeten nemen om de kennis op grond waarvan de consumenten hun aankoopbeslissingen nemen, aan te vullen (4). Hiervoor zou zij duidelijke aanwijzingen moeten geven inzake:

de mate van recycleerbaarheid van de producten en hun verpakkingen;

de hoeveelheid verpakking die strikt noodzakelijk is (om te worden vervoerd, om nuttige informatie te bevatten, om het product te bewaren, om hygiënische redenen, en om de houdbaarheid tijdens de hele gebruiksperiode te waarborgen) ten opzichte van het verpakkingsmateriaal dat als overbodig kan worden beschouwd;

de mate waarin de productie- en distributieketens beantwoorden aan de voorschriften op het gebied van productie, milieubescherming en de rechten van werknemers;

de toegankelijkheid van de aftersales-dienstverlening.

3.7

Het EESC stelt dan ook voor deze maatregel op doeltreffende en realistische wijze uit te voeren, om de consumenten beter te beschermen en om ondernemingen, met name kmo's, te helpen deze in de praktijk te brengen.

4.   Een betere toegang tot duurzamere en concurrerendere detailhandelsdiensten (maatregelen 3, 4 en 5)

4.1

De dienstenrichtlijn, die bepaalde vereisten verbiedt, maakt een uitzondering voor "planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang", en "doet geen afbreuk aan de vrijheid van de lidstaten om in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vast te stellen wat zij als diensten van algemeen economisch belang beschouwen". Als "dwingende redenen van algemeen belang" noemt de richtlijn onder meer expliciet "behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid".

4.2

Er zijn vormen van detailhandel die karakteristiek zijn voor de cultuur en levensstijl in een bepaald gebied. Deze vormen - en alleen deze - moeten kunnen concurreren in een systeem van vergelijkbare ondernemingen, dat voortdurend streeft naar verbetering van de kwaliteit en efficiëntie, en waar de consument profijt bij heeft. Wanneer deze handelsondernemingen worden weggedrukt door grote organisaties is, op korte termijn, het vrijemarktbeginsel misschien wel gerealiseerd, maar gaat een deel van het cultureel erfgoed en van de levensstijlen voorgoed verloren, terwijl de gemeenschap en het grondgebied er ook nog eens economisch op achteruitgaan.

4.3

De concurrentie heeft de detailhandelszaken ertoe aangezet de kwaliteit van hun diensten te verbeteren en efficiënter te werk te gaan. De Commissie moet absoluut een onderscheid maken tussen een gezonde concurrentie tussen gelijkwaardige ondernemingen, die aanzet tot een voortdurende verbetering van de kwaliteit en de efficiëntie in het voordeel van de consumenten, en andere vormen van economische en handelsconflicten tussen ondernemingen.

4.4

Het is dus belangrijk dat er binnen een regio een gezonde concurrentie is tussen ondernemingen van een bepaalde sector, ongeacht hun omvang, niet om andere ondernemingen te kunnen wegconcurreren maar omdat zij zo een opwaartse spiraal op gang kunnen brengen. Dit betekent betere diensten, een groter assortiment, praktischere structuren, betere prijzen en instandhouding van de identiteit van de lokale gemeenschap.

4.5

Het feit dat grote ketens de traditionele winkels verdrukken, dankzij hun economische kracht, brengt schade toe aan het cultureel erfgoed, de levensstijlen en het sociaaleconomisch weefsel dat kenmerkend is voor een bepaald gebied en de lokale gemeenschap. Er staat dus meer op het spel dan het assortiment en de prijzen die de consument moet betalen.

4.6

Wat de maatregelen 3 en 4 betreft zou de Commissie, overeenkomstig de dienstenrichtlijn, de lidstaten moeten stimuleren om na te gaan of en welke vormen van detailhandel de doelstellingen van sociaal en cultureel beleid kunnen helpen verwezenlijken. De traditionele en onafhankelijke lokale detailhandel zou dus onder het algemeen belang moeten worden geschaard wanneer deze kenmerkend is voor een bepaald gebied. Wel moet worden voorkomen dat lokale gevestigde belangen zich doen gelden onder het mom van algemene belangen van de samenleving, zoals milieu en stadsplanning. Daarom is het zaak dat de Commissie ondubbelzinnig aangeeft welke algemene belangen aanvaardbaar zijn in een bepaald gebied, en dat zij iedere regio/ieder gebied vraagt om zelf een rangorde van drie prioritaire belangen vast te stellen die moeten worden nagestreefd bij de beoordeling van nieuwe handelsvestigingen.

4.7

De online-detailhandel kan de fysieke detailhandel niet vervangen, maar de twee modellen moeten met elkaar worden geïntegreerd, vooral omdat de detailhandel een essentiële sociale functie vervult, die verder gaat dan het leveren van goederen en diensten tegen de laatste prijs.

4.8

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om in overleg met de lidstaten en in samenwerking met kmo-organisaties, opleidingen voor kmo's aan te bieden over de wijze waarop de verschillende verkoopvormen - online en traditioneel - kunnen worden geïntegreerd.

4.9

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de online-handel zijn onvoorspelbaar omdat zij afhangen van hoe de markten en de instellingen hiermee omgaan. De Commissie zou alle mogelijke maatregelen moeten nemen om non-sale diensten te bevorderen, oftewel diensten die niet rechtstreeks verband houden met een specifieke aankoop, en die door de offline-detailhandel worden verleend.

4.10

Tegenwoordig bieden winkels hun klanten veel gratis diensten (zoals de etalage - window shopping), waarvan de kosten worden terugbetaald door de verkoopmarge. Daarom ontmoedigen veel producenten online-verkopen, en dwingen zij de klanten om hun aankopen offline te doen. Steeds meer consumenten kopen echter zowel online (waar zij producten en prijzen kunnen vergelijken) als offline (waar zij de producten kunnen aanraken en uitproberen). Het EESC beveelt aan de concurrentie tussen online en offline te doorbreken door deze beter te integreren en door de dienstverlening door traditionele winkels op te waarderen, omdat er bij fysiek winkelen echte sociale contacten zijn die niet door digitale contacten kunnen worden vervangen. Er is behoefte aan integratie, niet aan vervanging.

4.11

Het EESC wijst erop dat iedere lidstaat een andere wetgeving heeft op het gebied van openingstijden van winkels, werken op zondag en nachtwerk. Ook binnen veel lidstaten staat deze wetgeving ter discussie, vanwege de concurrentie tussen zelfstandigen, kmo's en micro-ondernemingen en de gevolgen voor het personeel. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om dit obstakel voor de verwezenlijking van de eengemaakte markt en het Europees sociaal model weg te werken, mede door de online- en offline-handel met elkaar te integreren.

5.   Correctere handelsbetrekkingen in de toeleveringsketen voor de detailhandel (maatregel 5)  (5)

5.1

Het EESC wijst erop dat de sector van de distributiehandel een van de meest geconcentreerde sectoren is. In iedere lidstaat wordt de markt immers gedomineerd door 3 à 5 ondernemingen, vaak multinationals. Dit veroorzaakt een groot probleem op het stuk van de mededinging, omdat de sector te machtig is geworden ten aanzien van de leveranciers, die veel talrijker zijn.

6.   Een duurzamere toeleveringsketen voor de detailhandel ontwikkelen (maatregelen 6 en 7)

6.1

Het EESC steunt maatregel 6 die erop is gericht detailhandelaren te steunen om maatregelen uit te voeren ter beperking van het levensmiddelenafval (6), en is ingenomen met het besluit om in 2013 een mededeling over duurzame levensmiddelen goed te keuren.

6.2

Ook steunt het EESC maatregel 7 van de Commissie om "toeleveringsketens milieuvriendelijker en duurzamer te maken" door het energieverbruik en de productie van verontreinigende materialen terug te dringen. Wat de verontreinigende materialen betreft stelt het EESC onder meer voor om voor de verkoop massaconsumptiegoederen een op bulkverkoop gebaseerd distributiemodel te bevorderen, als alternatief voor verpakte producten. Voor de concrete uitvoering van deze maatregel, die is bedoeld om de productie van te verwerken verpakkingsmateriaal terug te dringen, beveelt het EESC de Commissie aan om alle betrokken actoren te raadplegen.

6.3

Deze praktijk wordt tegenwoordig op zeer beperkte schaal en voor zeer weinig producten toegepast, maar kan aanzienlijk worden uitgebreid. De voordelen zijn:

Minder verpakkingsmateriaal. Wanneer consumenten het product uit een dispenser moeten halen worden zij gestimuleerd om geen nieuwe verpakking te kopen maar om een oude, lege verpakking te hergebruiken.

Veiligheid en hygiëne. De dispenser biedt een doeltreffender bescherming van het product, omdat het niet wordt aangeraakt door mensen die het product toch niet kopen.

Minder verspilling. Wanneer producten in bulk worden gekocht kan de hoeveelheid beter worden gedoseerd, en wordt voorkomen dat er meer moet worden gekocht dan men nodig heeft, wat de belangrijkste oorzaak van verspilling is.

Betere communicatie voor merken. Dispensers voor bulkverkoop hebben meestal een groter formaat dan losse verpakkingen, zodat een groter oppervlakte kan worden gebruikt voor het geven van informatie dan op een klein etiket.

6.4

Dit model wordt nu al toegepast op kleine schaal, bijvoorbeeld voor de verkoop van verse melk. De verkoop van benzine is daarentegen een voorbeeld van een product dat nu al op zeer grote schaal in bulk wordt verkocht. Dit is op zich geen milieuvriendelijk product, maar bij de distributie ervan wordt geen gram plastic gebruikt en er wordt niets verspild.

6.5

Dit model vraagt een structurele aanpassing van de verkooppunten, die moeten worden uitgerust met vulpijpen tussen het magazijn en het winkelrek of tenminste met systemen voor het bijvullen van de dispensers. In ieder geval zouden winkelrekken geen statische en ongedifferentieerde dragers meer zijn.

6.6

Om een reële kans van slagen te hebben zou dit nieuwe model moeten worden gestimuleerd door de grote distributeurs die het leeuwendeel van de consumptieproducten verdelen, omdat zij de nodige capaciteiten en middelen hebben om deze grote transformatie in gang te zetten. Hierbij is tevens een sleutelrol weggelegd voor de kmo's.

6.7

De Commissie zou deze verandering kunnen helpen stimuleren door te wijzen op de sociale en milieuvoordelen en door alle instrumenten - ook economische en financiële - te gebruiken waarover zij beschikt, om concrete initiatieven en projecten te bevorderen.

7.   Innovatievere oplossingen (maatregelen 8, 9 en 10)

7.1

Het herstel van de reële economie is mede afhankelijk van de innovatie (maatregel 8) waartoe de sector in staat zal zijn, en het is dan ook van cruciaal belang dat kmo's meer en gemakkelijker geld kunnen lenen van de banken om innovatieve projecten en activiteiten op te starten.

7.2

Anders dan in de VS is het van essentieel belang dat bedrijfsinvesteringen in innovatie vergezeld gaan van maatregelen ten behoeve van de bescherming van werknemers en de kwaliteit van de werkgelegenheid.

7.3

De Commissie lijkt ervan uit te gaan dat deze veranderingen zullen voortkomen uit het toegenomen "concurrentievermogen van de detailhandel", wat de enige doelstelling van de in de mededeling voorgestelde maatregelen lijkt te zijn. Maar terwijl het gebrek aan concurrentie een obstakel voor verandering is, biedt concurrentie op zich geen garantie dat de verandering zal plaatsvinden.

7.4

De Commissie omschrijft detailhandelaren als "innovatieversterkers". Zij erkent dat kmo's - omdat zij in meer rechtstreeks contact staan met de consumenten - beter aanvoelen wat de nieuwe behoeften zijn en dus - omdat zij bovendien flexibeler zijn - hun aanbod beter kunnen aanpassen aan de variabele en heterogene vraag.

7.5

Sommige veranderingen van het systeem of model vragen echter een projectcapaciteit en, vooral, een sterke onderhandelingspositie, die maken dat grote ondernemingen hierbij een niet te verwaarlozen rol spelen. De Commissie moet alles in het werk stellen om alle bedrijven - kleine, middelgrote en grote - te betrekken bij de innovatie- en veranderingsprocessen.

7.6

Het EESC is ingenomen met het voorstel om een databank op te zetten met alle etiketteringsregels van de EU en de lidstaten inzake levensmiddelen (maatregel 9) (7).

7.7

Het EESC steunt de maatregelen van de Commissie om een betere integratie van de markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen te garanderen (maatregel 10) (8) en hoopt dat deze betalingen snel meer ingeburgerd raken.

8.   Een betere werkomgeving (maatregel 11)

8.1

Het matchen van de vaardigheden is van fundamenteel belang voor een kwalitatieve verbetering van de werkgelegenheid (9) in deze sector, waarin mensen vaak hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten als starter of herintreder, en die niet altijd wordt beschouwd als een aantrekkelijke of interessante sector om carrière te maken.

8.2

Om het concurrentievermogen en de productiviteit van de detailhandel te vergroten is het van fundamenteel belang dat er een betere afstemming is tussen de gevraagde bekwaamheden en de vaardigheden van de werknemers (maatregel 11), die de mogelijkheid moeten krijgen om hun eigen prestaties te verbeteren, mede gezien de toegenomen automatisering.

8.3

De Commissie wil de samenwerking tussen de sociale partners versterken, om het beleid op het gebied van opleiding en omscholing te verbeteren, onder meer in het kader van de Europese raad voor sectorale vaardigheden.

8.4

Ondanks de maatregelen van technologische innovatie blijft de productiviteit van de sector vrij laag en hebben kmo's moeite om te investeren in nieuwe technologieën, innovatie en de beroepsopleiding van de eigen werknemers.

8.5

Het Actieplan mag er echter niet aan voorbijgaan dat de sector, binnen de interne markt, de gevolgen ondervindt van sociale dumping en oneerlijke concurrentie tussen handelsondernemingen, ongeacht hun omvang. De arbeidsverhoudingen en de stelsels van collectieve onderhandelingen verschillen immers per lidstaat, wat verschillende ontwikkelingsmodellen en investeringsstrategieën oplevert.

8.6

De analyse zou niet alleen betrekking moeten hebben op de afstemming tussen de gevraagde en de aanwezige vaardigheden, maar ook op alle andere problemen die de totstandkoming van een echt geïntegreerde en concurrerende Europese eengemaakte markt voor de detailhandel in de weg staan, zoals de arbeidsomstandigheden, de arbeidsorganisatie, de lage salarissen, de flexibiliteit, precair werk en het hoge percentage schijnzelfstandigen.

8.7

In de mededeling wordt voorgesteld te investeren in opleiding, wat onder de gedeelde verantwoordelijkheid valt van overheden, particulieren en de onderwijssector. Ook schrijft de Commissie dat ondernemingen een belangrijke rol moeten spelen bij het vormgeven van nieuwe studie- en opleidingsprogramma's en het organiseren van stages. Het EESC vindt dat de betrokkenheid van de ondernemingen niet beperkt mag blijven tot het vaststellen van de opleidingsbehoeften, maar dat zij ook proactief moeten kunnen deelnemen met gerichte investeringen met het oog op de verwerving van de vereiste vaardigheden (10).

8.8

Deze overheids- en particuliere investeringen, die elkaar moeten aanvullen, zouden niet alleen jongeren moeten helpen om toe te treden tot de arbeidsmarkt maar ook de categorieën die het moeilijker hebben om terug werk te vinden (langdurig werklozen, oudere werknemers, immigranten en gehandicapten). Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar de werkgelegenheid voor vrouwen, die bij reorganisaties meer risico lopen hun baan te verliezen en die het moeilijker hebben om werk en privéleven te combineren.

8.9

Het matchen van de vaardigheden en de versterking van de partnerschappen tussen scholen en bedrijven en van het leerlingwezen zullen niet leiden tot een grotere mobiliteit van werknemers en een toename van de productiviteit als er niet tegelijkertijd werk wordt gemaakt van de Europese erkenning van diploma's, stages, leerlingplaatsen en verworven vaardigheden.

8.10

Ondanks de nationale inspanningen is zwartwerk nog altijd een hardnekkig probleem, waardoor ondernemingen te maken hebben met een oneerlijke concurrentie voor wat de arbeidskosten betreft. Werknemers die in de informele economie werken ontberen niet alleen een ziektekostenverzekering en sociale bescherming, maar hebben ook geen toegang tot opleidingen en stages, met alle negatieve gevolgen van dien voor hun mogelijkheden om professionele vaardigheden op te doen.

8.11

Het valt dan ook toe te juichen dat de Commissie een dialoog met alle belanghebbenden wil voeren om na te gaan welke effecten de informele economie heeft op de arbeidsomstandigheden, en om doeltreffende EU-maatregelen vast te stellen ter bestrijding ervan. Het EESC is van mening dat dit initiatief des te doeltreffender zal zijn wanneer de lidstaten blijk geven van een sterke politieke wil, die de Commissie dan kan coördineren in een versterkt partnerschap.

8.12

Het EESC acht het van essentieel belang dat de maatrelen ter bestrijding van zwartwerk en de informele economie een vast onderwerp van discussie worden voor de sociale partners in het kader van de Europese sociale dialoog (11).

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  EESC-advies over "Financiële en belastingparadijzen", parr. 3.25 en 3.26, PB C 229 van 31.7.2012, blz. 7.

(2)  Het verslag over de "Comparison Tools" is gepresenteerd tijdens de Europese consumententop van 18 maart 2013.

(3)  De "Interne markt voor milieuvriendelijke producten", op 9 april 2013 goedgekeurd door de Commissie.

(4)  Voorbeelden van informatie die kennis is geworden: de herkomst van vlees en de toeleveringsketen; het territoriaal bereik van het GSM-signaal; "nul kilometer"-producten in de agrolevensmiddelenindustrie.

(5)  EESC-advies over "Oneerlijke handelspraktijken in de toeleveringsketen" (Zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad)

(6)  EESC-advies over "Preventie en beperking van voedselverspilling", rapporteur: Somville, PB C 161 van 6.6.2013, blz. 46.

(7)  PB C 198 van 10.7.2013, blz. 77 en PB C 204 van 9.8.2008, blz. 47.

(8)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 52.

(9)  32 % van de werknemers is niet of nauwelijks gekwalificeerd, tegen een gemiddelde van 27 %; 15 % van de werknemers in deze sector is jonger dan 24 jaar, gemiddeld is dat 9 %; 60 % van de werknemers zijn vrouwen.

(10)  In sommige landen, zoals Italië en Frankrijk, zijn in het kader van bilaterale lichamen of paritaire commissies belangrijke initiatieven ontwikkeld dankzij de interprofessionele fondsen voor opleiding.

(11)  Gemeenschappelijk standpunt UNI-Europa Commerce en Eurocommerce, 24 april 2012.


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/26


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek inzake oneerlijke handelspraktijken in de food- en non-food toeleveringsketen tussen ondernemingen in Europa

COM(2013) 37 final

2013/C 327/06

Rapporteur: Igor ŠARMÍR

De Europese Commissie heeft op 18 maart 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Groenboek inzake oneerlijke handelspraktijken in de food- en non-food toeleveringsketen tussen ondernemingen in Europa

COM(2013) 37 final.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli 2013) het volgende advies uitgebracht, dat met 140 stemmen vóór en 1 tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC heeft nota genomen van de publicatie van het Groenboek door de Europese Commissie en is van mening dat dit document een duidelijke positieve ontwikkeling inhoudt wat betreft het Commissiestandpunt inzake oneerlijke handelspraktijken.

1.2

Voor het EESC zijn oneerlijke handelspraktijken niet enkel "onfair" of "onethisch", maar ook strijdig met de fundamentele rechtsbeginselen, maar ook met de belangen van zowel de vraag- als de aanbodzijde. Aangezien deze praktijken eigenlijk neerkomen op misbruik van een dominante positie, stelt het EESC voor hier over "handelswanpraktijken" te spreken, zoals ook in de Franse of Engelse terminologie gebruikelijk is.

1.3

Naar de mening van het EESC zijn de huidige omvang en intensiteit van oneerlijke handelspraktijken het rechtstreeks gevolg van de bedrijfsconcentraties van de afgelopen 30 jaar.

1.4

Volgens het EESC heeft het forum op hoog niveau voor een beter functionerende voedselvoorzieningsketen tot nog toe onduidelijke resultaten opgeleverd en volstaan de voorgestelde oplossingen niet om het probleem van oneerlijke handelspraktijken op te lossen. Het EESC roept de Commissie dan ook op verdere initiatieven te nemen.

1.5

Het EESC twijfelt er niet aan dat oneerlijke handelspraktijken in alle contractuele verhoudingen voorkomen, maar is ervan overtuigd dat de situatie bijzonder ernstig is bij supermarktketens en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in de landbouw- en levensmiddelensector. In deze sectoren nemen de oneerlijke handelspraktijken immers vormen en dimensies aan die elders ongezien zijn.

1.6

Het EESC is bijzonder ermee ingenomen dat de Commissie zich in haar Groenboek uitdrukkelijk afvraagt of er daadwerkelijk van contractuele vrijheid sprake is in betrekkingen die in aanzienlijke mate onevenwichtig zijn. Dit is ook het EESC-standpunt ter zake.

1.7

Naar de mening van het EESC geeft het Groenboek van de Commissie erg goed de essentie en de belangrijkste vormen van oneerlijke handelspraktijken weer. Anderzijds is het EESC er echter van overtuigd dat de Europese Commissie een eenduidige definitie van oneerlijke handelspraktijken zou moeten aanreiken, in de lijn van de definitie die al in Richtlijn 2005/29/EG wordt gehanteerd: er bestaat immers enige gelijkenis tussen de praktijken die in het Groenboek worden behandeld en "misleidende handelspraktijken" (1).

1.8

Oneerlijke handelspraktijken zijn nog belangrijker in een "klimaat van angst" waarin de zwakkere contractpartij vreest de samenwerking met de sterkere contractpartij te verliezen. Dit is o.a. het geval wanneer grootwinkelbedrijven onredelijke druk uitoefenen op hun toeleveranciers en/of wanneer zij te hoge prijzen aanrekenen aan de detailhandelaren en bijgevolg aan de consumenten.

1.9

Volgens het EESC hebben oneerlijke handelspraktijken niet enkel negatieve gevolgen in verhoudingen tussen handelaars en zijn niet enkel de zwakkere contractpartijen er het slachtoffer van. Dit geldt ook voor de consument en de "economische belangen van de lidstaten", wat in het Groenboek niet voldoende wordt benadrukt.

1.10

Het EESC is van mening dat de wetten die in alle lidstaten worden aangenomen om oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan, het gevolg zijn van het onhoudbare karakter van de huidige situatie. Hoewel deze wetten om verschillende redenen nog niet tot een bevredigende oplossing hebben geleid, kan niet worden beweerd dat ze nergens toe hebben geleid. Positieve resultaten zijn bijvoorbeeld een hogere transparantie bij de winstverdeling en stopzetting van de meest schandalige misbruiken.

1.11

Ofschoon het EESC niet over informatie beschikt die erop zou wijzen dat de hierboven vermelde nationale wetten een negatieve impact hebben op het vrij verkeer van goederen in de EU, kunnen ze tot zekere beperkingen leiden. Geen enkele van deze wetten is echter protectionistisch van aard: ze zijn evenzeer van toepassing op lokale ondernemingen als op ondernemingen uit andere lidstaten.

1.12

Het EESC beveelt aan dat er in alle verdere voorstellen om het probleem van oneerlijke handelspraktijken op te lossen wordt uitgegaan van het feit dat contractuele vrijheid in een aantal relaties niet bestaat.

1.13

Het EESC raadt aan om in toekomstige voorstellen voor reglementering betreffende onevenwichtige handelsrelaties rekening te houden met het bestaan van een "angstfactor". Er moet worden gezorgd voor het onvermijdelijk noodzakelijke evenwicht tussen contractanten zodat ze eerlijk met elkaar omgaan. Daarom mag regelgeving inzake oneerlijke praktijken er niet uitsluitend op zijn gericht om de zwakste contractpartij te beschermen, maar zou ze ook de bescherming van het "economische belang van de lidstaten" tot doel moeten hebben, zodat de benadeelde leveranciers van levensmiddelen bijvoorbeeld niet actief moeten deelnemen aan administratieve en gerechtelijke procedures.

1.14

Het EESC roept de Commissie op een wetgevingsvoorstel goed te keuren waarin oneerlijke handelspraktijken worden verboden. Basis hiervoor zou een indicatieve lijst moeten zijn van de meest typische vormen van oneerlijke handelspraktijken waarbij de sterkere contractpartij haar eigen gebruikelijke kosten en risico's op de zwakkere partij probeert af te wentelen.

1.15

Het EESC roept de Commissie op om in samenwerking met de nationale mededingingsautoriteiten en op basis van de concrete ervaring van de afgelopen decennia over te gaan tot een radicale herziening van de bestaande - duidelijk verouderde – mededingingsregels teneinde tot faire mededinging te komen en tot faire uitwisseling van relevante informatie in deze sector om alle daadwerkelijke machtsposities aan te pakken.

2.   Inleiding

2.1

In het Groenboek wordt een onderscheid gemaakt tussen de toeleverings- en distributieketen voor levensmiddelen en de toeleverings- en distributieketen voor andere producten. Dit is volkomen gerechtvaardigd, aangezien de voedselvoorzieningsketen in vergelijking met andere erg specifieke kenmerken vertoont.

2.2

De afgelopen twee decennia hebben de bedrijven in de toeleverings- en distributieketens een aanzienlijke consolidering gekend, wat in de praktijk tot oligopolies heeft geleid. Wat levensmiddelen betreft, is dit zeker het geval in de distributiesector, iets minder in de verwerkingsindustrie en het minst in de primaire landbouwproductie. Ten gevolge hiervan zijn er grote onevenwichtigheden in de voedselvoorzieningsketen ontstaan, aangezien oligopolies over een reusachtige onderhandelingspositie beschikken ten opzichte van hun handelspartners, die veel meer gefragmenteerd zijn.

2.3

Het EESC is ervan overtuigd dat de ontstane structurele onevenwichtigheden in sommige gevallen tot oneerlijke handelspraktijken hebben geleid en dat deze praktijken niet enkel onfair, oneerlijk of onethisch zijn, maar ook ingaan tegen fundamentele rechtsbeginselen.

2.4

Het klopt niet, zoals in het Groenboek wordt beweerd, dat oneerlijke handelspraktijken voor het eerst in 2009 op EU-niveau werden besproken. 2009 is het jaar dat het onderwerp voor de eerste maal op de agenda van de Commissie stond. Reeds in 2005 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité echter al een belangrijk advies (2) uitgebracht waarin een aantal negatieve aspecten van het gedrag van distributieketens erg kritisch werden benaderd, op een ogenblik dat het thema oneerlijke handelspraktijken nog taboe was. Er moet ook worden gewezen op de schriftelijke verklaring van een aantal Europees Parlementsleden uit 2007 (3), waarin de Commissie rechtstreeks werd opgeroepen om de nodige stappen te zetten om het probleem te verhelpen.

2.5

Volgens het EESC heeft het forum op hoog niveau voor een beter functionerende voedselvoorzieningsketen tot nog toe nogal onduidelijke resultaten opgeleverd, aangezien het voorgestelde kader voor de tenuitvoerlegging van goede praktijken niet tot eensgezindheid heeft geleid inzake de aanpak van oneerlijke handelspraktijken, iets wat onder meer door drie Europese commissarissen is betreurd (4).

2.6

In het verslag van het Europees mededingingsnetwerk wordt bevestigd dat oneerlijke handelspraktijken een realiteit vormen, met name in de voedingssector. Dit bevestigt de overtuiging van het EESC dat het misbruik dat supermarkten maken van hun sterkere economische positie ten opzichte van kleine en middelgrote levensmiddelenproducenten en -verwerkers vele malen erger is dan in andere contractuele betrekkingen. Dit blijkt ook uit het feit dat de afgelopen jaren enkel de levensmiddelenleveranciers van de grote distributieketens hierover hebben geklaagd, en niemand anders.

2.7

Het EESC neemt er nota van dat de Commissie bevestigt dat de schadelijke gevolgen van het gebruik van oneerlijke handelspraktijken de volledige EU-economie betreffen en de loutere contractuele betrekkingen tussen bedrijven overschrijden.

3.   Definitie van "oneerlijke handelspraktijken"

3.1   Het begrip "oneerlijke handelspraktijken"

3.1.1

Tot nog toe werd de contractuele vrijheid in handelsrelaties nooit officieel in vraag gesteld, zelfs niet in de betrekkingen tussen distributieketens en kleine en middelgrote levensmiddelenproducenten. Tot voor kort was de contractuele vrijheid één van de belangrijkste argumenten die distributieketens en overheden aanvoerden tegen reglementering van oneerlijke handelspraktijken, omdat de contractuele vrijheid daardoor zou worden aangetast. Volgens het EESC is het een teken aan de wand dat dit standpunt in het Groenboek verlaten is en dat er expliciet wordt aangegeven dat er geen contractuele vrijheid bestaat in het geval van een duidelijk onevenwicht tussen de economische machtposities van twee contractpartijen.

3.1.2

Voor het EESC is de erkenning van de afwezigheid van contractuele vrijheid de basisvoorwaarde om op een efficiënte manier te zoeken naar omvattende oplossingen voor de problemen die voortvloeien uit de bestaande onevenwichtigheden in de toeleverings- en distributieketen, vooral met betrekking tot levensmiddelen.

3.1.3

In dit deel van het Groenboek geeft de Commissie erg goed de essentie en de belangrijkste vormen van oneerlijke handelspraktijken weer. Met name in de verhouding tussen distributeurs en levensmiddelenproducenten beschikt de zwakkere partij niet over een daadwerkelijk alternatief, aangezien de markt slechts een erg beperkt aantal grote afnemers telt, die dan nog een erg gelijkaardige houding tegenover de producenten aannemen.

3.1.4

Uit verschillende oneerlijke handelspraktijken die in het Groenboek worden vermeld, blijkt duidelijk dat sommige afnemers er niet voor terugdeinzen alle mogelijke middelen te gebruiken om ten koste van de andere partij extra voordelen te bekomen die hoegenaamd niet te verantwoorden vallen. Dit is met name het geval bij het aanrekenen van diensten die een fictief karakter hebben, voor de andere partij zonder waarde zijn of door haar niet werden gevraagd.

3.1.5

Met betrekking tot de vragen die in dit deel van het Groenboek worden gesteld, neemt het EESC de volgende standpunten in.

Vraag 1 - Het EESC is van mening dat de definitie van oneerlijke handelspraktijken in het Groenboek in de lijn zou moeten liggen van de definitie in Richtlijn 2005/29/EG. In het Groenboek worden volgens het EESC echter wel de juiste beginselen en parameters van oneerlijke handelspraktijken geïdentificeerd.

Vraag 3 - Het concept oneerlijke handelspraktijken mag niet louter worden beperkt tot de contractuele onderhandelingsfase, maar zou moeten worden toegepast voor de volledige duur van de handelsrelatie.

Vraag 4 - In theorie kunnen oneerlijke handelspraktijken in alle stadia van de toeleverings- en distributieketenvoorkomen, maar in de hier besproken vorm komen ze enkel voor in de verhouding tussen distributieketens en kleine en middelgrote levensmiddelensproducenten en -verwerkers. Het is bijvoorbeeld niet bewezen dat levensmiddelenmultinationals, die ook een oligopoliepositie innemen, hun leveranciers vergoedingen aanrekenen voor opname van hun producten in het assortiment of voor fictieve diensten. Toch moeten er ook gevallen worden vermeld waarbij levensmiddelenmultinationals voor levering van hun producten (waar veel vraag naar is) als voorwaarde stellen dat er geen gelijkaardige producten bij hun concurrenten worden betrokken.

Vraag 5 - De "angstfactor" is algemeen bekend, vooral in de betrekkingen tussen distributieketens en kleine en middelgrote levensmiddelenproducenten. De oorzaak ervan ligt in de expliciete of impliciete dreiging om de samenwerking met de leverancier stop te zetten, met alle ernstige economische gevolgen van dien. In elke poging om de oneerlijke handelspraktijken te reglementeren moet met deze angstfactor rekening worden gehouden, omdat deze erop neerkomt dat de leverancier er bij eventuele administratieve of gerechtelijke procedures wellicht van zal afzien klacht zal in te dienen of zelfs bewijzen aan te voeren.

3.2   Voorbeelden van oneerlijke handelspraktijken

3.2.1

Het EESC is ermee ingenomen dat de Commissie gebruik maakt van informatie die bij een aantal nationale mededingingsautoriteiten is ingewonnen. Het EESC beveelt aan dat niet alleen met de vermelde organen zou worden samengewerkt, maar inzonderheid ook met de Franse en Tsjechische autoriteiten, die directe ervaring hebben met de tenuitvoerlegging van nationale wetgeving ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken. Bij inspecties hebben die antimonopolie-autoriteiten het recht om boekhoudkundige documenten (contracten, facturen, bankafschriften enz.) te onderzoeken waaruit het gebruik van oneerlijke handelspraktijken rechtstreeks kan blijken.

3.2.2

Uit de voorbeelden van de Britse, Spaanse en Ierse mededingingsautoriteiten blijkt dat het niet aangewezen is een groot deel van de aangewende praktijken louter als "onethisch" te bestempelen, aangezien ze duidelijk de grenzen van de legaliteit overschrijden (zeker als er sprake is van "bullying en intimidatie").

3.3   Mogelijke gevolgen van oneerlijke handelspraktijken

3.3.1

Het lijdt geen twijfel dat oneerlijke handelspraktijken door de sterkere contractpartij een negatieve weerslag hebben op de zwakkere contractpartij, met als logisch gevolg een afremming van de investeringen en innovatie op productieniveau. Naar de mening van het EESC wordt de impact hiervan op de consument echter onvoldoende beklemtoond, aangezien het duidelijk om meer gaat dan om het verhinderen van innovatie. In dit deel van het Groenboek wordt echter met geen woord gerept over de risico's voor de nationale economische belangen, die in de voorafgaande onderdelen van het Groenboek wel gedeeltelijk ter sprake worden gebracht. Deze risico's zijn het duidelijkst aanwezig in de Centraal- en Oost-Europese landen, waar de distributie van levensmiddelen volledig in handen is van ondernemingen uit andere lidstaten. Aangezien lokale producenten, voor het overgrote deel kmo's, er niet in staat zijn om aan de vaak veel te ver gaande voorwaarden te voldoen, dreigt de hele agrolevensmiddelensector in deze landen in te storten, waarbij landen die traditioneel zelf voor hun basisvoedselproductie konden instaan, nu in grote mate hun voedselzekerheid verloren zijn. Daarbij wordt de lokale productie vervangen door invoer van producten van een vaak erg twijfelachtige kwaliteit.

3.3.2

Met betrekking tot de vragen die in dit deel van het Groenboek worden gesteld, neemt het EESC de volgende standpunten in.

Vraag 6 - In de levensmiddelensector komen oneerlijke handelspraktijken frequent voor in de dagelijkse praktijk. Ze gaan vooral uit van distributieketens.

Vraag 7 - Leveranciers van andere producten dan levensmiddelen zijn duidelijk veel minder vaak het slachtoffer van oneerlijke handelspraktijken vanwege distributieketens. Wellicht is dit te wijten aan hun geringere afhankelijkheid van grote distributienetwerken, aangezien leveranciers van speelgoed, sportartikelen of kleding over een veel groter koperspotentieel beschikken dan levensmiddelenproducenten. Oneerlijke handelspraktijken komen voor in de franchiserelaties zowel in de food- als in de non-fooddetailhandelssector, waar in wezen dezelfde problematiek speelt als deze beschreven in het advies inzake de toeleveringsketen van levensmiddelen, daar er eveneens sprake is van dezelfde onevenwichtige relatie tussen een sterke partij (franchisegever/keten) en een veel zwakkere partij (franchisenemer) en waar bijgevolg hetzelfde uitgangspunt van het ontbreken van contractuele (onderhandelings)vrijheid van toepassing is. De franchisenemer tekent een toetredingscontract aan de voorwaarden opgelegd door de franchisegever en heeft geen andere keuze indien hij het contract wil binnenhalen. De gemaakte opmerkingen inzake de angstfactor, de aanrekening van kosten eigen aan de distributeur (franchisegever) aan de toeleverancier (franchisenemer), zonder tegenprestatie/meerwaarde voor de franchisenemer, gelden ook voor franchiserelaties. Tijdens de uitvoering van het contract legt de franchisegever vaak eenzijdig wijzigingen op aan de gemaakte afspraken via “handleidingen”, dus buiten contract.

Vraag 8 - Oneerlijke handelspraktijken hebben een grote impact op de investerings- en innovatiemogelijkheden van kmo's in de landbouw- en levensmiddelensector. Ondernemingen investeren minder in de bescherming van bepaalde aspecten die van algemeen belang zijn, zoals leefmilieu, arbeidsvoorwaarden, dierenwelzijn en klimaat, omdat ze door hun afhankelijkheid van een klein aantal afnemers in een onzekere situatie verkeren.

Vraag 9 - De invloed van oneerlijke handelspraktijken in B2B-betrekkingen wordt uitvoerig onderzocht in een specifieke studie (5). Het huidige systeem is inzonderheid op lange termijn nadelig voor de consument, aangezien er geen plaats is voor investeringen in duurzame productie en innovatie. Uiteindelijk betaalt de consument weer het gelag ten gevolge van marktfalen op het vlak van leefmilieu, klimaat, arbeidsvoorwaarden en dierenwelzijn. Om dit tegen te gaan lijkt het redelijker dat consumenten nu iets meer voor hun levensmiddelen zouden betalen, aangezien de mededinging tussen de distributieketens momenteel enkel rond de laagst mogelijke consumentenprijs draait en alles daaraan opgeofferd wordt.

Vraag 10 - Oneerlijke handelspraktijken hebben een averechts effect op de werking van de eengemaakte markt, aangezien ze het kmo's aanzienlijk moeilijker maken om er een plaats te veroveren. Het zijn immers de grote distributieketens die beslissen wat waar wordt verkocht, waarbij het vaak niet de beste prijs-kwaliteitverhouding is die als criterium wordt gehanteerd, maar eerder de "bereidheid" of "mogelijkheid" om oneerlijke handelspraktijken te aanvaarden.

4.   Wettelijke kaders inzake oneerlijke handelspraktijken

4.1

Uit een analyse van de bestaande wettelijke kaders op nationaal en EU-niveau komen twee gegevens naar voren. In de eerste plaats is het gebruik van oneerlijke handelspraktijken door sommige sterke economische actoren tegenwoordig een algemeen bekend en vaststaand feit, wat de bevoegde autoriteiten in verschillende lidstaten heeft doen besluiten dat de huidige situatie om een regelgeving vraagt.

4.2

De huidige omvang van oneerlijke handelspraktijken, met name in de contacten tussen grote detailhandelsketens en levensmiddelenproducenten, laat vooral zien dat de bestaande mededingingswetgeving verouderd is. Sommige vormen van oneerlijke handelspraktijken duiden op een ernstige distorsie van het mededingingsklimaat en op het bestaan van echte machtsposities, die door de bestaande wetgeving inzake monopolies onaangeroerd worden gelaten.

4.3

Behalve een herziening van de mededingingswetgeving denkt het EESC dat het volledig legitiem is om het gebruik van bepaalde oneerlijke handelspraktijken op EU-niveau te verbieden en te zorgen voor de noodzakelijke harmonisatie van de ongelijke juridische randvoorwaarden. Wel moet er een logisch verband zijn tussen de regulering van oneerlijke handelspraktijken en de herziene wetgeving inzake monopolies, zodat uitsluitend de initiatiefnemers van oneerlijke handelspraktijken - oftewel de partijen die in een machtspositie verkeren - worden gestraft.

4.4

Om doeltreffend te zijn moet deze geharmoniseerde wetgeving rekening houden met de "dreiging om uit het assortiment te worden geschrapt" en dus met het onvermogen van de zwakkere contractpartners, met name kmo's die aan supermarkten leveren, om een klacht in te dienen. Deze wetgeving moet meer doen dan alleen maar de problemen in B2B-betrekkingen aanpakken.

4.5

Hieronder volgen de antwoorden van het EESC op de vragen die in het Groenboek worden gesteld:

Vraag 11 - De door sommige lidstaten goedgekeurde regelgeving inzake oneerlijke handelspraktijken heeft vooralsnog geen bevredigende resultaten opgeleverd. Dit is volgens het EESC deels te wijten aan het feit dat het grootste deel van deze regelgeving pas recent is goedgekeurd (in Italië, Slowakije, de Tsjechische republiek, Hongarije en Roemenië), maar ook aan het feit dat de rechtsgrondslag niet expliciet gelegen is in het ontbreken van de contractvrijheid, hoewel de erkenning van het bestaan van oneerlijke handelspraktijken impliceert dat er iets niet helemaal in orde is met die contractvrijheid. Het zou echter verkeerd zijn te stellen dat deze nationale wetten helemaal niets hebben opgeleverd. In landen die een regelgeving hebben goedgekeurd worden de meest buitensporige contractvoorwaarden niet meer opgelegd, en moeten supermarkten meer geavanceerde methoden gebruiken als zij voordelen wensen te behalen waarop zij geen recht hebben. De grootste vooruitgang is geboekt in Frankrijk, waar de kortingen die door grootwinkelbedrijven worden opgelegd aan leveranciers onder druk van de wetgeving en de handhavingsmaatregelen tot een aanvaardbaar niveau zijn gedaald (10 à 15 % in plaats van de 50 à 60 % zoals in het verleden) (6). Het gevolg is een veel grotere transparantie in de verdeling van de voordelen binnen de voedselvoorzieningsketen.

Vraag 12 - Hoe dringend het is om een specifieke wetgeving goed te keuren hangt onder meer af van de mate waarin oneerlijke handelspraktijken voorkomen, maar dit verschilt van land tot land. Er zijn verschillende situaties in Zuid-Europa, in de landen in Midden- en Oost-Europa en in Noord-Europa. Bovendien heeft ook iedere regio zijn eigen cultuur en traditie. Daarom hebben sommige landen nu al een regelgevingskader (of zelfreguleringskader), en andere niet.

Vraag 14 - Het EESC is ervan overtuigd dat nieuwe harmoniseringsmaatregelen op EU-niveau noodzakelijk zijn (zie par. 4.2, 4.3 en 4.4).

Vraag 15 - Een bepaald positief effect van de regelgeving is nu al merkbaar (zie hierboven). Er zijn enkele bezwaren in verband met de invoering van regelgeving op dit gebied, maar deze vertrekken vanuit de veronderstelling dat er contractvrijheid heerst. Aangezien hiervan geen sprake is in de contractuele betrekkingen waarover het hier gaat, zijn deze bezwaren ongegrond.

5.   Handhavingsregels ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken

5.1   Handhavingsmechanismen op nationaal niveau

5.1.1

Het EESC is het eens met de Commissie dat de huidige handhavingsmechanismen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken over het algemeen niet afdoende zijn. Er wordt onvoldoende erkend dat er geen echte contractvrijheid is en dat ondernemingen bang zijn iets te ondernemen tegen oneerlijke praktijken uit vrees van de leverancierslijst geschrapt te worden. Frankrijk, waar de toezichthoudende autoriteit op basis van inofficiële informatie en op eigen initiatief kan optreden, is tot nu toe het meest efficiënt in de aanpak van deze problemen. Het punt is daarnaast dat de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken vooral gericht is op het beschermen van de nationale economische belangen en niet zozeer op het beschermen van de zwakkere contractpartner.

5.1.2

In sommige lidstaten is er wetgeving om perk en paal te stellen aan de praktijk van oneerlijke contractvoorwaarden, maar in andere lidstaten niet. Bovendien zijn er grote verschillen tussen de onderscheiden wetgevingen. Het staat buiten kijf dat deze twee factoren een zekere belemmering vormen voor de grensoverschrijdende handel (vraag 16).

5.1.3

De enige zinvolle manier om gemeenschappelijk een einde te maken aan de verschillen in de toepasselijke wetgeving en de schadelijke gevolgen die hieruit voortvloeien is volgens het EESC de goedkeuring van harmonisatiewetgeving ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken (vraag 17).

5.2   Handhavingsmechanismen op EU-niveau

5.2.1

Het EESC onderschrijft de vaststelling van de Commissie dat er op dit moment geen specifiek handhavingsmechanisme op EU-niveau is dat oneerlijke handelspraktijken tegengaat. De bevoegde nationale autoriteiten moeten 's zijns inziens absoluut de bevoegdheid krijgen om ambtshalve maatregelen te nemen, anonieme klachten in behandeling te nemen en sancties op te leggen, wil er iets aan de angstfactor kunnen worden gedaan (vraag 18).

6.   Soorten oneerlijke handelspraktijken

6.1

Het EESC gaat akkoord met de vaststelling dat er binnen de hele food- en non-foodtoeleveringsketen sprake is van oneerlijke handelspraktijken, maar acht, in overeenstemming met wat het hierboven uiteen heeft gezet, de situatie het meest zorgwekkend bij de supermarkten en kleine en middelgrote producenten.

6.2

Zo is in het geheel niet duidelijk waar de vergoeding voor dient die een aspirant-leverancier moet betalen voor opname op de leverancierslijst. In het merendeel van de gevallen biedt betaling van deze vergoeding, die vooraf te betalen is om überhaupt tot enige commerciële overeenkomst te komen, de leverancier geen enkele waarborg dat de koper ook daadwerkelijk de betrokken goederen afneemt en hem niet, zonder opgave van redenen, weer van de lijst haalt.

6.3

Het opleggen van kortingen aan de leverancier is in het grootwinkelbedrijf schering en inslag. Het EESC heeft vraagtekens bij het algemeen nut daarvan, om het zachtjes uit te drukken. Enerzijds wijzen de kortingen op misbruik van een dominante positie, aangezien er vaak ongevraagde en fictieve diensten achter schuilgaan, anderzijds zorgen ze voor een zeer ondoorzichtige winstverdeling. Door de kortingen hebben leveranciers (en waarnemers) er nauwelijks zicht op hoeveel hun daadwerkelijk is betaald voor de geleverde waar. In de praktijk komt het erop neer dat de leverancier om te mogen leveren akkoord moet gaan met diensten die de koper hem verleent. Naar de mening van het EESC moeten vergoedingen van dergelijke diensten van de koper aan de leverancier, mits daadwerkelijk geleverd en gerechtvaardigd, worden doorberekend in de levensmiddelenprijs.

6.4

Hieronder volgen de antwoorden van het EESC op de vragen die in het Groenboek m.b.t. dit onderwerp worden gesteld:

Vraag 19 - Het EESC zou de betaling voor fictieve en ongevraagde diensten, buitensporig hoge vergoedingen voor daadwerkelijk geleverde diensten en de overdracht van bedrijfsrisico's en marketingkosten op de leverancier toevoegen aan de lijst van oneerlijke handelspraktijken.

Vraag 20 - Het opstellen van een lijst van verboden oneerlijke handelspraktijken, die regelmatig wordt bijgewerkt, is een eerste vereiste om de strijd tegen dergelijke praktijken aan te binden, maar is niet genoeg. Er moet een definitie van oneerlijke handelspraktijken worden uitgewerkt die breed genoeg is om die gevallen te dekken die niet onder de brede definitie vallen van "goed handelsgedrag" overeenkomstig de criteria van "goede trouw" en "contractueel evenwicht" en de gemeenschappelijke regels van ondernemingen in de betrokken economische sectoren.

Vraag 21 - Het EESC is van mening dat elke schakel in de toeleveringsketen zijn eigen kosten en risico's moet dragen om een eerlijk aandeel in de algehele winstmarge te krijgen. M.a.w. de producent moet de kosten en risico's dragen die verbonden zijn met de productie en de leverancier de kosten en risico's die verbonden zijn met de verkoop.

Vraag 23 - Het EESC is van mening dat eerlijke praktijken neergelegd moeten worden in een regeling op EU-niveau.

Vraag 24 - Het EESC zou graag zien dat de zaken op EU-niveau geregeld worden via een bindend wetgevingsinstrument, d.w.z. in de vorm van een verordening.

Vraag 25 - Naar de mening van het EESC wordt in het groenboek niet voldoende aandacht besteed aan de gevolgen die oneerlijke handelspraktijken tussen ondernemingen hebben voor de consument en het nationale economische belang.

Brussel, 11 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Zie het advies van het EESC over Misleidende handelspraktijken (PB C 271 van 19.9.2013, blz. 61-65).

(2)  Zie PB C 255 van 14.10.2005, blz. 44.

(3)  Schriftelijke verklaring 0088/2007 van Europees Parlementsleden over het onderzoek naar en het optreden tegen misbruik van machtsposities door grote, in de Europese Unie werkzame supermarkten

(4)  Europese Commissie, persbericht, Brussel, 5 december 2012Improving the functioning of the food supply chain.

(5)  Consumers International, «The relationship between supermarkets and suppliers: What are the implications for consumers?», 2012.

(6)  Informatie afkomstig van het Franse directoraat-generaal voor de mededinging, de consumptie en de fraudebestrijding.


BIJLAGE

Bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Het volgende wijzigingsvoorstel, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werd tijdens de beraadslaging verworpen:

Paragraaf 1.10

Als volgt wijziging:

"Het EESC is van mening dat de wetten die in alle lidstaten worden aangenomen om oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan, het gevolg zijn van het onhoudbare karakter van de huidige situatie. Hoewel deze wetten om verschillende redenen nog niet tot een bevredigende oplossing hebben geleid, kan niet worden beweerd dat ze nergens toe hebben geleid. Toch zijn we nog ver weg van Positieve resultaten zijn bijvoorbeeld een hogere transparantie bij de prijsstelling winstverdeling en stopzetting van de meest schandalige misbruiken."

Motivering

Volgt mondeling.

Stemuitslag:

Voor

:

54

Tegen

:

63

Onthoudingen

:

27


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/33


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Slimme regelgeving - Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen

COM(2013) 122 final

2013/C 327/07

Rapporteur: mevrouw DARMANIN

Corapporteur: de heer BURNS

De Europese Commissie heeft op 18 april 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Slimme regelgeving - Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen

COM(2013) 122 final.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 156 stemmen vóór en 2 tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC vindt het een goede zaak dat de Commissie het streven naar slimme regelgeving hoog op de agenda zet. Regelgeving is noodzakelijk, maar moet wel goed worden ontworpen zodat EU-beleidsdoelen tegen zo laag mogelijke kosten worden verwezenlijkt. Het EESC prijst de inspanningen die de Europese Commissie zich sinds jaar en dag getroost om het ontwerpen en toepassen van betere regelgevingsinstrumenten te bevorderen, waarbij het ook gaat om effectbeoordelingen (EB's) en inschakeling van belanghebbenden.

1.2

In dit verband wijst het EESC op het volgende:

a)

Slimme regelgeving is voor het gehele bedrijfsleven noodzakelijk, maar vooral voor kleine en met name micro-ondernemingen, die door rompslomp extra zwaar worden getroffen.

b)

Alle diensten van de Commissie zij eraan herinnerd dat de test voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) integrerend onderdeel uitmaakt van EB's. De Europese wetgever wordt verzocht om bij het opstellen van effectbeoordelingen en wetgevingsteksten rekening te houden met de specifieke kenmerken van kleine en micro-ondernemingen binnen de mkb-groep.

c)

Het EESC is ingenomen met het REFIT-programma, bedoeld om lasten en inefficiënte maatregelen voor het mkb in kaart te brengen. Dit programma zou gebruikt moeten worden om bestaande regelgeving die niet langer doelmatig is op te sporen en om voor te stellen deze in te trekken, alsook om bestaande wetgeving te versterken. Het EESC zou graag zien dat de Commissie zo snel mogelijk met nieuwe fitness checks (gezondheidstests) komt, waarbij de prioriteit moet uitgaan naar teksten die deel uitmaken van de in de mededeling genoemde top 10 van meest belastende wetgevingsteksten, met speciale nadruk op micro-ondernemingen.

d)

Een beginsel van het REFIT-programma is dat EB's gebruiksvriendelijker worden gemaakt door een standaardformaat te hanteren en een duidelijke samenvatting te verschaffen waarin de belangrijkste kwesties worden benadrukt, inclusief de implementatiekosten voor met name micro-ondernemingen.

e)

Het EESC is er voorstander van dat er op termijn één enkel, onafhankelijk effectbeoordelingscomité (Impact Assessment Board, IAB) in het leven wordt geroepen voor alle EU-instellingen. Deze onafhankelijke IAB zou externe deskundigen moeten inschakelen om Commissievoorstellen nader onder de loep te nemen, teneinde te garanderen dat de verschillende betrokken concepten goed worden begrepen.

f)

Het EESC onderschrijft dat micro-ondernemingen geen groepsvrijstellingen moeten krijgen, maar dat er bij wetgevingsvoorstellen veeleer moet worden uitgegaan van een benadering per geval, nadat er een grondige effectbeoordeling is gemaakt.

g)

De Commissie zou in een bijlage gedetailleerd moeten aangeven welke wijzigingen er n.a.v. de raadpleging zijn aangebracht en wat daarvoor de redenen zijn.

h)

De Commissie zou voortdurend moeten toezien op het mkb-scorebord, dat via een centrale coördinerende dienst in nauwe samenwerking met mkb-organisaties is opgezet.

i)

Het EESC pleit voor een nieuw programma om onnodige regelgevingsdruk te verminderen en ervoor te zorgen dat slimmere regelgeving er niet toe leidt dat bedrijven ervan vrijgesteld worden om de regels inzake bescherming van werknemers, gendergelijkheids- of milieunormen toe te passen. In dit verband dringt het er sterk op aan om de groep Stoiber een nieuw mandaat te geven voor de periode tot 2020, zodat deze, in samenwerking met mkb-organisaties, beleidsmaatregelen die met name op kleine en micro-ondernemingen betrekking hebben, in de gaten kan houden en ten uitvoer kan leggen.

j)

Het EESC verzoekt Raad en Parlement om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven ook te beperken bij de beleidsvorming rond EU-wetgeving.

k)

Het EESC stelt voor dat de lidstaten op het vlak van slimme regelgeving goede praktijken uitwisselen teneinde overregulering (goldplating) te voorkomen.

2.   Commissievoorstel

2.1

In november 2011 heeft de Commissie een verslag gepubliceerd, getiteld "Regeldruk voor het mkb verminderen – EU-regelgeving aanpassen aan de behoeften van micro-ondernemingen (1)", waarin maatregelen worden voorgesteld die specifiek voor het mkb zijn bedoeld. In dit verslag wordt ingegaan op het "denk eerst klein"-beginsel uit de Small Business Act (2) (SBA), dat inhoudt dat bij het opstellen van wetgeving rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het mkb en dat de bestaande regelgeving moet worden vereenvoudigd. Ook toonde de Commissie zich bereid om de mkb-regeldruk aan te pakken via het nieuwe programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Regulatory Fitness and Performance Programme - REFIT) (3), dat in december 2012 is gelanceerd.

2.2

De voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad bedoelde Commissiemededeling "Slimme regelgeving - Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen (4)", die op 7 maart 2013 is goedgekeurd, bevat een overzicht van alle maatregelen die de Commissie sinds 2011 heeft genomen betreffende de regeldruk voor het mkb. In deze mededeling wordt bekeken welke vooruitgang er is geboekt op het vlak van:

het bespreken van de rol van effectbeoordelingen voor mkb-regelgeving;

de invoering van een jaarlijks mkb-scorebord;

de waarborging van gezonde regelgeving te zorgen via check-ups.

3.   Opmerkingen

3.1   Het opstellen van slimme regelgeving is voor het mkb, en met name voor micro-ondernemingen, van cruciaal belang.

3.1.1

Initiatieven voor betere regelgeving worden door het EESC altijd gesteund en aangemoedigd, zoals uit zijn adviezen duidelijk blijkt (5). Slimme regelgeving is voor het gehele bedrijfsleven noodzakelijk, maar vooral voor kleine en micro-ondernemingen, die door rompslomp onevenredig zwaar worden getroffen. Bij het opstellen van nieuwe wetgeving en in het gehele besluitvormingsproces dient toepassing van het "denk eerst klein"-beginsel dan ook als leidraad te fungeren.

3.1.2

Middelgrote en kleine ondernemingen lopen uiteen naargelang van hun omvang, werkterrein, doelstellingen, financiering, management, geografie en rechtspositie (6). Bij het opstellen van regelgeving voor deze bedrijven moeten beleidsmakers deze verschillen in aanmerking nemen. Ze moeten in het achterhoofd houden dat afzonderlijke wetgevingsteksten misschien niet bijzonder veel druk veroorzaken, maar dat kleine of micro-ondernemingen die van plan zijn om nieuwe ideeën uit te werken, bestaande markten te vergroten of meer personeel in dienst te nemen, door met name de opeenstapeling van regels en wetgeving worden ontmoedigd.

3.1.3

Dit heeft tot gevolg dat vele bedrijven uit het mkb, met name kleine en micro-ondernemingen, wetgeving veeleer zien als iets waardoor bedrijven in hun ontwikkeling worden gesmoord in plaats van als een middel om groei in de hand te werken. Volgens het EESC zal slimmere regelgeving op EU-niveau geen effect sorteren tenzij bij wetgeving duidelijk wordt aangegeven welke bedrijven men ermee tracht te helpen en welke vrijstellingen (indien daarvan al sprake is) deze bedrijven krijgen of mogen claimen. Het EESC dringt er derhalve sterk op aan om volledig werk te maken van de mkb-test gedurende alle effectbeoordelingen die in de verschillende DG's worden gemaakt. Het EESC is van mening dat in de mkb-test ook moet worden gekeken naar de kosten en baten die voorstellen kunnen hebben in het licht van de bedrijfsgrootte, waarbij een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. Wordt er geen behoorlijke mkb-test uitgevoerd, dan krijgt het voorstel een negatief advies van de Impact Assessment Board.

3.2   De rol van effectbeoordelingen

3.2.1

Effectbeoordelingen (7) spelen volgens het EESC dan ook een belangrijke rol in de Europese beleidsvorming in mkb-aangelegenheden. Het Comité dringt erop aan dat de Commissie met uitgebreide, doelgerichte en logische effectbeoordelingen komt. Het EESC herinnert de Commissie eraan dat het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen. In effectbeoordelingen moet ook een kostenanalyse worden gemaakt. Door de hogere kosten waarmee bedrijven als gevolg van regulering worden geconfronteerd, worden sommige activiteiten die zonder regulering winstgevend zouden zijn, onrendabel. Hierdoor worden bepaalde marginale bedrijven uit de markt gedrukt, hetgeen een negatieve weerslag heeft op het potentieel aan particuliere economische activiteiten. Het EESC verzoekt de Commissie om jaarlijks een door onafhankelijke derden geverifieerde verklaring uit te geven waarin wordt aangegeven wat de totale nettokosten zijn voor bedrijven als gevolg van de regelgevingsvoorstellen. In deze verklaring moet ook melding worden gemaakt van belangrijke wijzigingen van beleidsvoorstellen als gevolg van effectbeoordelingen.

3.2.2

Effectbeoordelingen zijn weliswaar technische documenten, maar door hun omvang en taalgebruik kunnen zij ontoegankelijk worden, vooral voor kleine ondernemingen die een bijdrage willen leveren. Het Comité raadt aan de effectbeoordelingen gebruiksvriendelijker te maken (8) door een standaardmodel te gebruiken en er een duidelijke samenvatting aan toe te voegen waarin de hoofdpunten worden opgesomd en aandacht wordt besteed aan elke mkb-subgroep.

3.2.3

Het EESC pleit voor een onafhankelijk en transparant onderzoek van ontwerpeffectbeoordelingen door belanghebbenden, met inbegrip van bedrijfsorganisaties die kleine, middelgrote en micro-ondernemingen vertegenwoordigen, om ervoor te zorgen dat zij van hoge kwaliteit zijn en volgens de richtsnoeren zijn opgesteld (9).

3.2.4

In effectbeoordelingen moet tot in detail worden nagegaan hoe en in welke mate gebruik moet worden gemaakt van speciale maatregelen en modellen (zoals vrijstellingen, vereenvoudigingen, enz.) om de regeldruk voor het mkb te verminderen. Het EESC juicht het toe dat de mkb-toets vaker wordt toegepast, maar wijst erop dat grondig en per geval moet worden nagegaan welke impact de regelgeving heeft op de drie verschillende subgroepen en dat vervolgens moet worden onderzocht in hoeverre micro-ondernemingen een vrijstelling kunnen krijgen voor nieuwe regelgeving of in aanmerking komen voor een 'light versie' daarvan.

3.2.5

Het EESC constateert dat de Commissie lijkt af te stappen van haar plannen om micro-ondernemingen algemene vrijstelling te verlenen van EU-regelgeving bij de uitvoering van effectbeoordelingen. Het EESC juicht deze stap toe en onderstreept het feit dat slimme wetgeving moet worden afgestemd op de kenmerken en de omvang van het bedrijf en niet te gecompliceerd mag zijn. Mits aan deze voorwaarden wordt voldaan, kunnen bedrijfseigenaren hier gemakkelijk op reageren door passende interne procedures te ontwikkelen die aan de doelstellingen van slimme wetgeving voldoen.

3.2.6

Micro- en kleine ondernemingen erkennen dat zij dichter bij hun klanten staan dan grote multinationals. Zij erkennen ook dat klanten steeds vaker gebruik willen maken van lokale bedrijven die ethisch verantwoord bezig zijn en de lokale omgeving een warm hart toedragen. Het EESC wijst de Commissie erop dat het daarom essentieel is dat bedrijven zich aan de kwaliteitsnormen en -regels houden die voor ondernemingen, hun producten en hun diensten gelden, als zij succesvol willen zijn en op verschillende markten willen blijven concurreren. Als micro-ondernemingen worden vrijgesteld van regelgeving inzake consumenten- en milieubescherming, bijvoorbeeld, is het mogelijk dat zij daar later schade van ondervinden (10).

3.2.7

Onverminderd het bovenstaande vindt het EESC dat met effectbeoordelingen ook zorgvuldig dient te worden gemeten welk domino-effect er kan uitgaan van maatregelen die bedoeld zijn om de rompslomp te verminderen door de regelgeving voor het mkb te wijzigen. Ze kunnen namelijk neveneffecten veroorzaken die het sociale evenwicht en de betrekkingen met de overheidsadministratie (zwartwerk, kennis van fiscale gegevens, sociale bijdragen, kwalificatie en aard van arbeidsovereenkomsten, enz.) kunnen aantasten.

Slimme regelgeving voor het mkb moet er van nature voor zorgen dat er geen of in ieder geval geen negatieve externe effecten mee gepaard gaan. Het EESC herinnert de Commissie er dan ook aan dat slimme regelgeving de rechten van werknemers (11) niet mag ondermijnen en hun basisniveau van bescherming, uit het oogpunt van met name gezondheid en veiligheid op het werk, niet mag verminderen.

3.3   Het scorebord voor het mkb

3.3.1

Het EESC is blij met de invoering van een jaarlijks scorebord voor het mkb, waardoor het mogelijk wordt specifieke maatregelen in het hele besluitvormingsproces te volgen. Wij zijn benieuwd naar de implementatie en resultaten ervan.

3.3.2

Het EESC vindt dat de Commissie het scorebord voor het mkb voortdurend in de gaten moet houden door middel van een gecentraliseerde coördinatiedienst, in nauwe samenwerking met de verschillende instellingen en organen van de EU. Ook de lidstaten en mkb-organisaties worden uitgenodigd om hieraan deel te nemen.

3.4   Verbetering van de raadpleging van het mkb

3.4.1

Het EESC is ingenomen met het feit dat belanghebbenden tijdens de voorbereidings- en raadplegingsfase kunnen beschikken over routekaarten die informatie verschaffen over eventuele initiatieven van de Commissie. Raadplegingen van belanghebbenden moeten op grote schaal bekend worden gemaakt zodat zij tijdig kunnen reageren. Zij moeten echter niet op kwantiteit, maar op kwaliteit zijn gebaseerd en worden onderbouwd door empirisch bewijs verkregen tijdens interviews met echte bedrijfsmensen, inclusief werknemers, en ondernemingsorganisaties, bezoeken of observatie van micro- en kleine ondernemingen. Het EESC wijst de Commissie erop dat routekaarten altijd een eerste ruwe schatting van de verwachte kosten moeten bevatten zodat belanghebbenden de mogelijke effecten op hun reikwijdte kunnen checken. Het Comité herinnert de Commissie eraan dat uitgebreide raadpleging van belanghebbenden cruciaal is voor het verzamelen van gegevens van hoge kwaliteit, evenals voor het opstellen van voorstellen voor slimme regelgeving.

3.4.2

Nadat de raadpleging heeft plaatsgevonden blijven veel bedrijfsverenigingen en hun leden achter met de vraag of hun pogingen om mogelijke problemen en mogelijke oplossingen in kaart te helpen brengen wel nut hebben gehad. Het EESC pleit ervoor dat sommigen van hen officieel als externe deskundigen zouden moeten worden ingeschakeld door de IAB om Commissievoorstellen nader onder de loep te nemen, teneinde te garanderen dat goed wordt begrepen wat er allemaal op het spel staat.

3.4.3

Het EESC heeft geconstateerd dat het aantal gedelegeerde handelingen dat door wetgevers wordt vastgesteld de laatste jaren relatief is toegenomen. Veel van de besluiten die via gedelegeerde handelingen worden genomen, hebben aanzienlijke gevolgen voor het mkb. Daarom vindt het Comité dat ook bepaalde belangrijke gedelegeerde handelingen, die wellicht substantiële economische, sociale en/of milieueffecten hebben voor een specifieke sector of voor de belangrijkste stakeholders, tijdens de raadpleging aan bod moeten komen.

3.4.4

Het EESC breekt een lans voor een echte, structurele "mkb-dialoog" met verschillende partijen bij het opstellen van wetgeving. Dit partnerschap moet ervoor zorgen dat alle kleine en middelgrote ondernemingen en hun organisaties, met name bedrijfsverenigingen van kleine ondernemers die het "denk eerst klein"-beginsel en het "only once"-beginsel van de Small Business Act  (12) toepassen, hieraan deelnemen om maximale efficiency te bereiken.

3.4.5

Het EESC is in principe voorstander van het Enterprise Europe Network (EEN). Het betreurt dat het potentieel van dit netwerk nog niet is benut omdat veel Europese kleine en middelgrote ondernemingen kennelijk niet weten dat het bestaat. De diensten die door het EEN worden aangeboden, moeten in nauwe samenwerking met mkb-organisaties worden afgestemd op de reële wensen en behoeften van het mkb.

Het Comité is van mening dat gastorganisaties van het Enterprise Europe Network ertoe moeten worden aangemoedigd om meer middelen uit te trekken voor de behoeften van het mkb in de contacten met de overheid. Het Comité is van mening dat deze ondersteuning vooral gericht moet zijn op de kleinste ondernemingen, die rechtstreeks moeten worden geraadpleegd door hun lokale Enterprise Europe Network Center in het geval van regelgevingskwesties. De resultaten van het persoonlijk contact en de input van mkb-organisaties moeten door alle diensten van de Commissie in overweging worden genomen teneinde het "denk eerst klein"-beginsel in praktijk te brengen.

3.4.6

Het EESC is verheugd dat het mandaat van de Groep van onafhankelijke deskundigen op hoog niveau inzake administratieve lasten (13) (de groep Stoiber) is verlengd. Het EESC zou vooral graag zien dat de groep een nieuwe belangrijke rol krijgt en de Commissie gaat helpen met de voorbereiding, monitoring en uitvoering van het beleid inzake micro- en kleine ondernemingen, in nauwe samenwerking met mkb-organisaties en vakbonden.

3.4.7

Het EESC neemt kennis van de top 10 van meest belastende EU-wetgeving voor het mkb (14). Het Comité verzoekt de Commissie zo snel mogelijk op zijn bevindingen te reageren met de publicatie van specifieke vereenvoudigingsvoorstellen.

3.5   Rekening houden met de behoeften van het mkb

3.5.1

Het EESC is er voorstander van om de totstandkoming van mkb-beleid te onderwerpen aan een gezondheidstest voor de regelgeving (15) (het zogenaamde REFIT-programma). Het EESC kijkt met belangstelling uit naar de resultaten van de proefevaluaties (16), en dringt er bij de Commissie op aan om nieuwe gezondheidstests op te nemen in haar programma voor 2014 op gebieden die van cruciaal belang zijn voor het genereren van groei en werkgelegenheid. De Commissie zou alle uitgevoerde en geplande gezondheidstests op haar website moeten publiceren.

3.5.2

Daarnaast stelt het EESC voor een alomvattende gezondheidstest uit te voeren voor EU-regelgeving waar bedrijven mee te maken krijgen wanneer zij handel drijven met derde landen. Het EESC is van mening dat de regeldruk voor deze bedrijven hoog is en dat een gezondheidstest een aanzienlijke bijdrage zou kunnen leveren aan het EU-beleid voor slimme regelgeving, groei en handel.

3.5.3

De Commissie zou het REFIT-programma moeten gebruiken om zo snel mogelijk aan te geven welke regelgeving en welke hangende voorstellen kunnen worden ingetrokken omdat ze achterhaald zijn, en verder te gaan met de consolidatie van de bestaande regelgeving, in het kader van de vereenvoudiging. Alle doelstellingen voor vermindering van de regeldruk moeten meetbaar zijn en gericht zijn op tastbare, positieve veranderingen voor het bedrijfsleven.

3.5.4

Het EESC is van mening dat een betere keuze van rechtsinstrumenten moet worden gebruikt, waaronder mechanismen voor zelf- en coregulering (17).

3.6   Naar betere governance en een coördinatiemechanisme voor de totstandkoming van mkb-beleid

3.6.1

Het EESC wijst erop dat slimme regelgeving de gedeelde verantwoordelijkheid is van eenieder die betrokken is bij de EU-beleidsvorming op zowel Europees als nationaal niveau.

3.6.2

Op Europees niveau:

Terwijl de Commissie toezegt dat zij de administratieve kosten voor bedrijven zo laag mogelijk wil houden, zouden ook de Raad en het Parlement vergelijkbare stappen moeten nemen om de administratieve rompslomp voor bedrijven terug te dringen of te beperken tot het niveau van de Commissievoorstellen.

Als de Raad en het Parlement dit niveau overstijgen, dienen zij hiervoor een rechtvaardiging te geven. Het EESC roept het Parlement en de Raad dan ook op zich ertoe te verbinden om voor fundamentele wijzigingen van Commissievoorstellen effectbeoordelingen uit te voeren.

3.6.3

Op nationaal niveau:

Het EESC is van mening dat het beginsel van slimme regelgeving alleen zal werken indien er ook een slimme toepassing is. De lidstaten moeten voorkomen dat vereenvoudigingsmaatregelen die op EU-niveau worden genomen bij omzetting in nationale wetgeving worden tenietgedaan. Overregulering belemmert de ontwikkeling van de ondernemingszin. Het EESC stelt dan ook voor om een specifieke opleiding verplicht te stellen voor politici, departementale ambtenaren en anderen die betrokken zijn bij de omzetting van EU-regelgeving in nationale wetten.

Dit neemt echter niet weg dat lidstaten desgewenst hogere normen kunnen hanteren.

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om de lidstaten ondersteuning te bieden in de vorm van vergaderingen en workshops voor overheidsambtenaren, om het uitvoeringsproces te stroomlijnen. Voorts zou de Commissie de follow-up van de uitvoering zorgvuldig moeten coördineren, in nauwe samenwerking met de verschillende DG's en met de lidstaten.

Het EESC stelt voor dat de Commissie en de lidstaten nauwer gaan samenwerken om voorbeelden van beste praktijken op het gebied van effectbeoordelingen uit te wisselen, ten einde vergelijkbare, transparante en flexibele procedures te ontwikkelen. Ook dringt het er bij de lidstaten op aan om meer voorbeelden van beste praktijken als het gaat om de vereenvoudiging van mkb-regelgeving uit te wisselen (18) (zoals -e-government oplossingen voor ondernemingen, om te kunnen voldoen aan de regelgeving en deze te begrijpen (19)).

Brussel, 11 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  http://ec.europa.eu/dgs/secretariat_general/simplification/sme/sme_en.htm.

(2)  Zie het advies van rapporteur Lannoo Evaluatie van de "Small Business Act" voor Europa, PB C 376 van 22.12.2011, blz. 51

(3)  http://ec.europa.eu/governance/better_regulation/documents/1_EN_ACT_part1_v8.pdf

(4)  http://ec.europa.eu/governance/better_regulation/documents/1_EN_ACT_part1_v4.pdf

(5)  Zie het advies van rapporteur Pegado Liz Slimme regelgeving, PB C 248 van 25.8.2011, blz. 87.

(6)  Zie het advies van rapporteur Cabra de Luna Diversiteit van ondernemingsvormen (initiatiefadvies), PB C 318 van 23.12.2009, blz. 22.

Voorbeeld: Beoefenaars van vrije beroepen moeten als groep strenge beroepsregels in acht nemen om de belangen van hun cliënten en het algemeen belang te dienen.

(7)  Zie paragraaf 4 A van het advies van rapporteur Pegado Liz Slimme regelgeving, PB C 248, 25.8.2011, blz. 87.

(8)  De recente effectbeoordeling over het Pakket inzake technische controles omvatte 102 pagina's, en die over gegevensbescherming maar liefst 241.

(9)  Zie paragraaf 4 B van het advies van rapporteur Pegado Liz Slimme regelgeving, PB C 248, 25.8.2011, blz. 87.

(10)  BEUC – Smart regulation - BEUC response to the stakeholder consultation http://ec.europa.eu/governance/better_regulation/smart_regulation/consultation_2012/docs/registered_organisations/beuc_en.pdf

(11)  http://www.etuc.org/IMG/pdf/our_priorities_soc_dial_in_smes.pdf.

(12)  Idem, par. 2

(13)  http://ec.europa.eu/dgs/secretariat_general/admin_burden/ind_stakeholders/ind_stakeholders_en.htm.

(14)  http://europa.eu/rapid/press-release_MEMO-13-168_en.htm?locale=FR.

(15)  http://ec.europa.eu/governance/better_regulation/documents/1_NL_ACT_part1_v2.pdf.

(16)  http://ec.europa.eu/dgs/secretariat_general/evaluation/docs/fitness_check_en.pdf.

(17)  http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.self-and-co-regulation

(18)  http://ec.europa.eu/dgs/secretariat_general/admin_burden/best_practice_report/best_practice_report_en.htm

Zie het volgende voorbeeld: http://www.bru.gov.mt/15-6-reduction-in-administrative-burden-registered_news-posted-on-17th-december-2012. Malta heeft begin 2006 een Better Regulation Unit (BRU) opgericht, nadat de regering had toegezegd de voorwaarden te zullen scheppen voor een betere regelgeving.

(19)  http://www.irma-international.org/viewtitle/21237/ Ron Craig "E-government and SMEs".


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/38


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en –monitoring

COM(2013) 107 final — 2013/0064 (COD)

2013/C 327/08

Rapporteur: de heer IOZIA

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 14 en 20 maart 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en -monitoring

COM(2013) 107 final — 2013/0064 (COD).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 165 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 7 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) beseft dat het voor Europa belangrijk is om te beschikken over een eigen ruimtebewakingssysteem ter bescherming van zijn ruimtevaartinfrastructuur en de lancering van ruimtevaartmaterieel. Het staat dan ook positief tegenover het initiatief van de Europese Commissie, die voor het eerst dit onderwerp behandelt en voorstellen doet om ook op dit terrein de Europese samenwerking en integratie te bevorderen.

1.2

Het is een goed idee van de Commissie om de lidstaten operationele voorstellen aan haar ter goedkeuring te laten voorleggen als de verwachte informatie in kwalitatief en kwantitatief opzicht duidelijk van Europees belang is en als iedereen er baat bij heeft dat kennis over o.a. methodes en data-analysecapaciteiten wordt uitgewisseld.

1.3

Het EESC is zich ervan bewust dat het lastig is om oplossingen uit te werken waar alle lidstaten zich in kunnen vinden. Het ziet het Commissievoorstel dan ook als een eerste belangrijke stap op weg naar ambitieuzere samenwerkingsdoelen. Met dit programma zijn grote militaire belangen gemoeid, wat de oprichting van een gemeenschappelijke infrastructuur zeer complex maakt. Het EESC hoopt echter dat juist met behulp van dit initiatief zo'n infrastructuur zo snel mogelijk kan worden gerealiseerd. Het is in ieder geval positief dat nu de basis wordt gelegd voor samenwerking tussen civiele en militaire belanghebbenden. Ook het ESA, het Europees defensieagentschap en het directoraat Crisisbeheersing en Planning zouden hierbij moeten worden betrokken.

1.4

Het budget dat gedurende de zeven jaar dat het programma zal lopen, voor ruimtebewaking en -monitoring wordt uitgetrokken, zou prioritair moeten worden benut om de fundamenten te leggen voor een onafhankelijke Europese capaciteit, waarnaar een deel van de capaciteit die nu binnen de defensieapparaten van de lidstaten aanwezig is, zou moeten worden overgeheveld. Zo'n Europese capaciteit moet vorm krijgen door gebruik te gaan maken van de al in Europa aanwezige optische telescopen (Canarische Eilanden) en minstens één Europese radar te bouwen van hetzelfde type als de radars waarover defensie beschikt. Aldus zou sprake zijn van een duurzame investering, die met andere capaciteiten en kennis op civiel vlak zou kunnen worden aangevuld ter verbetering van de levenskwaliteit van de Europese burgers.

1.5

Voor de zeven jaar dat het programma zal lopen, moet met behulp van specifieke bepalingen het dienstverleningsniveau worden vastgelegd dat van de nationale partners wordt verwacht t.a.v. hoeveelheid te verschaffen gegevens, typologie, frequentie, kwaliteit en beschikbaarheid, en wel op zo'n manier dat de noodzakelijke instrumenten voorhanden zijn om die dienstverlening te beoordelen, op soortgelijke wijze als bij de onderzoeksprogramma's van het zevende kaderprogramma, waarvoor duidelijke en coherente criteria bestaan.

1.6

Het EESC beveelt aan om ruime criteria te hanteren voor de deelname aan het programma. De tekst van artikel 7, lid 1, onder a, zou in dit opzicht moeten worden verduidelijkt. Cruciaal is dat aan het programma niet alleen landen kunnen deelnemen die al over een onafhankelijke capaciteit beschikken (bijv. Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk), maar alle lidstaten die capaciteit voor gegevensverwerking kunnen leveren. Het voorstel zou wat dit betreft moeten worden herzien.

1.7

Het geheel van ruimtebewakingsactiviteiten, onder de noemer omgevingsbewustzijn in de ruimte (Space Situational Awareness - SSA), omvat behalve ruimtebewaking en -monitoring ook ruimteweer (zonmagnetische activiteit) en de monitoring van aardscheerders (Near Earth Objects - NEO).

1.8

Algemeen wordt erkend dat zonneactiviteit een minstens even groot gevaar vormt voor ruimtevaartinfrastructuur als ruimteschroot, zo niet een veel groter gevaar als de effecten van zeer intense zonneactiviteiten in aanmerking worden genomen. Met name daarom vindt het EESC dat beide zaken, zoals de oorspronkelijke definitie van SSA impliceert, tegelijkertijd moeten worden gemonitord. Het verzoekt de Commissie dan ook een alomvattend en geïntegreerd kader vast te stellen voor de vele aspecten van de bescherming van ruimtevaartinfrastructuur. Daarbij zou zij in het bijzonder moeten samenwerken met het ESA, dat al actief betrokken is bij een programma ter bescherming tegen zonnestraling. In de conclusies van de conferentie over veiligheid in de ruimte (Madrid, 10 en 11 maart 2011, genoemd in de effectbeoordeling) wordt duidelijk gesproken over meer samenwerking in dit verband tussen alle betrokkenen, met name EU, ESA en de lidstaten.

1.9

Het EESC staat achter het voorstel van de Commissie om de samenwerking aan te halen met de VS en andere landen die geïnteresseerd zijn om deel te nemen aan een gezamenlijk project ter bescherming van ruimtevaartinfrastructuur en ter voorkoming van gevaarlijke en soms rampzalige botsingen van die infrastructuur met ruimteschroot, ook zeer kleine brokstukken, waardoor dure en onmisbare satellieten kapot kunnen gaan.

2.   Het Commissiedocument

2.1

In de voorliggende mededeling wordt een nieuw Europees programma voorgesteld voor ruimtebewaking en monitoring van objecten in de baan van de aarde (Space Surveillance and Tracking - SST).

2.2

Dit programma wordt ingesteld omdat de Europese ruimtevaartinfrastructuur (specifiek die voor de programma's Galileo en Copernicus/GMES) en de Europese lanceringen van ruimtevaartmaterieel moeten worden beschermd tegen botsingen met ruimteschroot.

2.3

In de mededeling worden ook het rechtskader van het programma en de financiering ervan voor de periode 2014-2020 vastgesteld.

2.4

Bij de mededeling is een verslag (1) gevoegd waarin met name vijf financierings- en beheersregelingen voor het programma worden besproken (kenmerken, kosten en baten).

2.5

De eigenlijke wetgevingstekst wordt voorafgegaan door een toelichting op de achtergrond van het programma.

2.6

De indicatieve totale bijdrage van de Unie aan de implementatie van SST bedraagt 70 miljoen euro voor de periode 2014-2020.

2.7

Die kosten omvatten een bijdrage in het functioneren van de sensoren waarover de deelnemende lidstaten al beschikken - meestal als onderdeel van hun militaire infrastructuur - en een waarschuwingsdienst, die gebruikmaakt van gegevens die worden aangeleverd door de deelnemende lidstaten en die wordt verzorgd door het satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC).

2.8

Deelname aan het programma is facultatief. Landen die willen meedoen, dienen te beschikken over al functionerende sensoren (telescopen, radars) en voldoende technische en personele middelen of capaciteit voor gegevensverwerking.

2.9

Volgens de samenvatting van de bij het voorstel gevoegde effectbeoordeling bedragen de kosten van botsingen tussen ruimteschroot en operationele Europese satellieten minimaal 140 miljoen euro per jaar in Europa. Geschat wordt dat dit bedrag zal oplopen tot 210 miljoen euro, omdat het aantal satellietdiensten de komende jaren naar verwachting met 50 % zal groeien. Deze cijfers vormen een erg voorzichtige raming en omvatten niet de kosten "op het terrein", d.w.z. de economische verliezen doordat de dienstverlening die van de satellieten afhankelijk is, wordt onderbroken.

2.10

Bijna al deze kosten komen niet zozeer door het fysieke verlies van satellieten, maar veeleer door een vermindering van hun operationele levensduur ten gevolge van de manoeuvres die worden uitgevoerd om botsingen te vermijden.

2.11

Diverse lidstaten beschikken momenteel over eigen ruimtebewakingsdiensten. De Commissie is echter van mening dat de betrokkenheid van de EU nodig is om de vereiste investeringen voor de financiering van het project bijeen te brengen, om de benodigde beheerstructuren in te stellen, om een gegevensbeleid te formuleren en om te waarborgen dat de bestaande en toekomstige capaciteiten op een gecoördineerde manier worden benut.

2.12

Tot nu toe vormt het Space Surveillance Network (SSN) van de VS, dat wordt beheerd door het Amerikaanse ministerie van defensie, de informatiebron voor alle waarschuwingsdiensten. De samenwerking tussen EU en VS op dit vlak, die wordt gekenmerkt door het gratis ter beschikking stellen van gegevens door de Amerikanen, schiet tekort, omdat de verstrekte gegevens niet nauwkeurig genoeg zijn en worden beheerd op een wijze waarop de EU geen invloed heeft.

2.13

De instelling van Europese ruimtebewaking en -monitoring sluit dan ook goed aan op de strategie van de EU om op als cruciaal beschouwde gebieden, waaronder toegang tot de ruimte, onafhankelijk te zijn.

2.14

Naar schatting wordt momenteel 65 % van de sensoren voor satellieten met lage omloopbaan (LEO) geheel of gedeeltelijk beheerd door defensieorganisaties (2).

2.15

Het Europees Ruimteagentschap (ESA) is niet de geschikte instantie om het programma uit te voeren omdat het niet is toegerust om vertrouwelijke gegevens te verwerken, zoals de data afkomstig van sensoren van militaire eenheden.

2.16

De Europese organisatie die zou moeten worden belast met de operationele activiteiten voor de coördinatie van de dienstverlening, is het satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC). Het EUSC is een agentschap van de EU dat bij het Gemeenschappelijk Optreden van de Raad van 20 juli 2001 is ingesteld en dat geospatiale beeldinformatiediensten en -producten aan civiele en militaire gebruikers levert op diverse classificatieniveaus. Dit agentschap zou de verstrekking van SST-diensten kunnen faciliteren en zal (in samenwerking met de deelnemende lidstaten) werken aan de oprichting en exploitatie van de SST-dienstenfunctie, een van de doelstellingen van het ondersteuningsprogramma voor SST. Momenteel voorziet het statuut van het EUSC echter niet in optreden op het gebied van SST.

2.17

Er wordt van uitgegaan dat voor het beheer van het programma een organisatieschema met 50 personeelsposten nodig is (m.i.v. de medewerkers die door de deelnemende lidstaten, het EUSC en de Commissie ter beschikking worden gesteld).

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Volgens het EESC creëert het voorstel onvoldoende instrumenten en capaciteit op Europees niveau om gegevens te verzamelen en te analyseren. Daarom zal de EU zich na de vijfjarige financieringsperiode van het programma zich in dezelfde situatie bevinden als vijf jaar daarvoor en zou zij dan waarschijnlijk het programma moeten verlengen om ervoor te zorgen dat de defensieorganisaties van de deelnemende lidstaten de gewenste gegevens blijven aanleveren.

3.2

Wat de voorgestelde financiering van 70 miljoen euro betreft, worden geen eisen gesteld aan de beschikbaarheid, kwaliteit en relevantie van de gegevens die de nationale instanties moeten verstrekken. Daardoor is het lastig criteria te formuleren voor de beoordeling van de dienstverlening. Dat zal pas kunnen als de Commissie de nog op te stellen uitvoeringshandelingen heeft vastgelegd.

3.3

De lidstaten vinden dat het ESA onvoldoende garanties biedt voor de verwerking van vertrouwelijke gegevens. Daarom wordt het EUSC daarmee belast. In de lidstaten echter die over een dienst voor ruimtebewaking en -monitoring beschikken (bijv. het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland), zijn ruimtevaart- en defensieorganisaties gezamenlijk daarvoor verantwoordelijk. In de praktijk kunnen beide organisaties op dit vlak dus blijkbaar efficiënt samenwerken. Het is dan ook onduidelijk waarom het ESA niet bij de dienstverlening wordt betrokken, temeer omdat dit agentschap al deelneemt aan een mondiaal initiatief om te waarschuwen tegen rampen en die te beheersen (International Charter on Space and Major Disasters).

3.4

Ruimtebewaking en -monitoring is een van de drie pijlers van het voorbereidingsprogramma voor omgevingsbewustzijn in de ruimte (Space Situational Awareness - SSA), waarvan het ESA sinds 2009 de preoperationele fase leidt. De twee andere zijn ruimteweer en aardscheerders.

3.5

Het SSA-voorbereidingsprogramma van het ESA kent een budget van 55 miljoen euro. De relatie tussen dit programma en het nu voorgestelde is niet helder. Vooral onduidelijk is hoe de SST-dienstverlening zich zou verhouden tot een soortgelijke dienstverlening voor de uitvaardiging en het beheer van waarschuwingen over zonneactiviteit.

3.6

De ernst van de schade aan ruimtevaartinfrastructuur veroorzaakt door botsingen met ruimteschroot zou moeten worden vergeleken met die ten gevolge van zonmagnetische activiteit. Volgens onderzoek van het Amerikaanse NOAA-agentschap (3) zijn de economische verliezen ten gevolge van de beschadiging van satellieten door zonnestormen zeer aanzienlijk. In 2003 werd door intense zonneactiviteit de Japanse satelliet ADEOS 2 met een waarde van 640 miljoen dollar vernield. In 1997 veroorzaakte een magnetische storm het uitvallen van de 270 miljoen dollar kostende telecommunicatiesatelliet Telstar en in 1989 leidde een magnetische storm in Canada tot een negen uur durende algehele stroomonderbreking met een geraamde schade van 6 miljard dollar.

3.7

Men denkt dat een superzonnestorm zoals die zich in 1859 heeft voorgedaan, vandaag de dag zal leiden tot een schade van alleen al 30 miljard dollar aan geostationaire satellieten en dat de aan het elektriciteitsnet veroorzaakte schade het totale schadebedrag zal kunnen laten oplopen tot 1 à 2 triljoen dollar, waarbij het 4 tot 10 jaar zou duren om dat net volledig te herstellen (4).

3.8

Zonneactiviteit vormt minstens een even groot risico voor ruimtevaartinfrastructuur als ruimteschroot. Beide zaken zouden derhalve tegelijkertijd moeten worden gemonitord, zoals ook tijdens de conferentie in Madrid van maart 2011 werd aanbevolen. Uit de mededeling blijkt echter niet duidelijk wie zorg zal dragen voor de uitvoering van operationele dienstverlening voor waarschuwingen over zonneactiviteit.

3.9

In het voorstel voor de bescherming van de Europese ruimtevaartinfrastructuur zou ook moeten worden ingegaan op een aanvullende activiteit, nl. de monitoring van het ruimteweer, alsmede op uitvoeringstermijnen en de integratie tussen beide soorten activiteiten.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Op grond van artikel 5, lid 2, wordt geen nieuwe capaciteit gecreëerd, maar wordt slechts de bestaande capaciteit van de lidstaten opnieuw benut. In hoofdstuk 2 van de toelichting echter wordt expliciet opgemerkt dat de huidige middelen onvoldoende zijn. Het is dus totaal onduidelijk wat voor soort systeem de Commissie precies voor ogen heeft, ook niet met een blik op de vijf regelingen die in de bijgevoegde effectbeoordeling worden besproken.

4.2

De technische kenmerken van het systeem voor ruimtebewaking en -monitoring zijn niet expliciet vastgelegd. Weliswaar worden de doelstellingen ervan beschreven, maar de lidstaten zullen tijdens toekomstige besprekingen bepalen hoe het systeem eruit komt te zien.

4.3

Verhouding militair/civiel. Qua opzet is er sprake van een civiel systeem. De meeste informatie is echter van militaire oorsprong. Er bestaan geen duidelijke regels of protocollen op grond waarvan het leger verplicht is de desbetreffende gegevens aan civiele partijen te verstrekken. Ook hierover zou op een later tijdstip meer duidelijkheid moeten komen.

4.4

Verhouding lidstaten/EU. In het voorstel valt te lezen dat alle sensoren in het bezit zijn van afzonderlijke lidstaten en dat ook blijven. Er lijken geen expliciete eisen te zijn om een minimale informatie-uitwisseling te garanderen.

4.5

Definitie van de dienstverlening. In het voorstel wordt de dienstverlening niet duidelijk omschreven. Het EESC kan dus niet inschatten of die voldoende is voor de projecten die deel uitmaken van het programma.

4.6

De Raad heeft in zijn resolutie "Vooruitgang boeken met het Europees ruimtevaartbeleid" van 26 september 2008 gewezen op de noodzaak "een capaciteit te ontwikkelen die […] beantwoordt aan de behoeften van de Europese gebruikers inzake omgevingsbewustzijn in de ruimte".

4.7

Het is belangrijk door te gaan met de ontwikkeling van zowel het SST-programma als de huidige SSA-programma's.

4.8

De in paragraaf 1.4.4 genoemde "resultaat- en effectindicatoren" lijken op elkaar en bieden operationeel gezien weinig mogelijkheden om de doeltreffendheid van het programma achteraf te beoordelen.

4.9

Los van de beschrijving van de governance van het systeem, is niet goed uitgewerkt hoe het in de praktijk moet gaan werken. Deelname van de lidstaten is niet verplicht. Het EESC vraagt zich af wat er minimaal nodig is om de dienstverlening te laten functioneren.

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Werkdocument van de diensten van de Commissie Impact Assessment [effectbeoordeling], SWD(2013) 55 final.

(2)  Study on Capability Gaps concerning Space Situational Awareness, ONERA, 2007.

(3)  Value of a Weather-Ready Nation, 2011, NOAA.

(4)  Zie: National Research Council. (2008), Severe Space Weather Events. Understanding Societal and Economic Impacts: A Workshop Report. Washington, DC, The National Academies Press.


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/42


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (Herschikking)

COM(2013) 162 final — 2013/0089 (COD)

2013/C 327/09

Algemeen rapporteur: Bernardo HERNÁNDEZ BATALLER

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 15 en 16 april 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (Herschikking)

COM(2013) 162 final — 2013/0089 (COD).

Op 16 april 2013 heeft het bureau de afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie met de voorbereidende werkzaamheden belast.

Tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli 2013) heeft het Comité wegens de urgentie van de werkzaamheden de heer Hernández Bataller als algemeen rapporteur aangewezen en onderstaand advies uitgebracht, dat met 116 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Gezien het onbetwistbare economische belang van merken en de positieve impact daarvan op de werking van de interne markt, is het huidige rechtskader voor supranationale bescherming duidelijk ontoereikend. Met dit voorstel voor een richtlijn wordt echter een stap vooruitgezet ten opzichte van de huidige situatie, die wordt gekenmerkt door grote verschillen tussen de regelingen voor gemeenschapsmerken en die voor nationale merken.

1.2

Het EESC pleit derhalve voor een betere bescherming van de intellectuele eigendomsrechten die zijn verbonden aan het rechtmatig gebruik van een handelsmerk, alsook, voor zover mogelijk, voor een Europese registratie van merken. Tevens moedigt het EESC de Commissie ertoe aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) te steunen bij het toezicht op de naleving van deze rechten.

1.3

Volgens het recht van de Unie beschikt de houder van een merk zowel over het uitsluitende recht om het merk voor winstgevende doeleinden te gebruiken (ius utendi) als over de mogelijkheid om te voorkomen dat het gebruik ervan wordt gehinderd door acties van derden door middel van imitatie of wederrechtelijke toeëigening van de onderscheidende kenmerken (ius prohibendi). Het EESC zou graag zien dat er preventieve en herstelmaatregelen worden genomen tegen piraterij, waardoor de concurrentiepositie van Europese bedrijven wordt ondermijnd.

1.4

Maar in de huidige regelgeving wordt niet duidelijk aangegeven wanneer de houder van een merk de nodige actie mag ondernemen om een dergelijk gebruik te voorkomen.

1.5

Dit hele harmoniseringsproces zou de komende jaren moeten leiden tot de onderlinge afstemming van het merkenrecht en uiteindelijk tot Europese regelgeving voor merken in het kader waarvan o.a. een flexibele, uniforme en kostenefficiënte procedure zou moeten worden ingesteld die het voor de belanghebbenden gemakkelijker maakt om vrijwillig een handelsmerk te registreren en een eind maakt aan de bestaande verschillen in wetgeving.

1.6

Het EESC zou een actieve rol moeten spelen in de wetgevingsprocedure voor goedkeuring van alle handelingen betreffende intellectuele eigendom; het betreurt derhalve dat het niet is geraadpleegd over het voorstel tot wijziging van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk.

1.7

Het EESC hoopt dat er in de toekomst een regeling bestaat die een uniforme bescherming van merken voor bedrijven en consumenten waarborgt.

2.   Inleiding

2.1

Op internationaal niveau wordt het merkenrecht geregeld door het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en gewijzigd op 28 september 1979 (1) (hierna: "Verdrag van Parijs").

2.2

Overeenkomstig artikel 19 van het Verdrag van Parijs behouden de staten waarop het van toepassing is, zich het recht voor afzonderlijk onderling bijzondere overeenkomsten te treffen tot bescherming van de industriële eigendom.

2.3

Deze bepaling heeft gediend als rechtsgrondslag voor het vaststellen van de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten voor de inschrijving van merken, die door de diplomatieke conferentie van Nice is aangenomen op 15 juni 1957, laatstelijk herzien te Genève op 13 mei 1977 en gewijzigd op 28 september 1979 (2). De classificatie van Nice wordt om de vijf jaar door een comité van deskundigen herzien.

2.4

Volgens de database van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) zijn enkel de Republiek Cyprus en de Republiek Malta geen partij bij de Overeenkomst van Nice; wel gebruiken zij de classificatie van Nice.

2.5

Merkenrechtelijke bescherming is in wezen territoriaal. Een merk is immers een eigendomsrecht dat een teken in een bepaald gebied beschermt.

2.5.1

De bescherming van intellectuele eigendom is opgenomen in artikel 17, lid 2, van het Europees Handvest van de grondrechten, dat tot het primaire recht van de Unie behoort.

2.5.2

Ook wordt in artikel 118 VWEU bepaald dat het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, in het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt de maatregelen vaststellen voor de invoering van Europese titels om een eenvormige bescherming van de intellectuele eigendomsrechten in de hele Unie te bewerkstelligen, en voor de instelling van op het niveau van de Unie gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen.

2.6

In de Europese Unie bestaan bescherming van nationale merken en bescherming van gemeenschapsmerken naast elkaar. Een houder van een nationaal merk kan de aan dit merk verbonden rechten uitoefenen op het grondgebied van de lidstaat krachtens het nationale recht, dat het merk bescherming biedt. Een houder van een gemeenschapsmerk kan hetzelfde doen op het grondgebied van de achtentwintig lidstaten omdat het merk op dit hele grondgebied wordt beschermd.

2.7

Het merkenrecht van de lidstaten is gedeeltelijk geharmoniseerd door Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988, later gecodificeerd als Richtlijn 2008/95/EG.

2.8

Naast en gekoppeld aan de nationale systemen voor handelsmerken, werd bij Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 zake het Gemeenschapsmerk, gecodificeerd als Verordening (EG) nr. 207/2009, een op zichzelf staand systeem ingevoerd voor de registratie van unitaire rechten die in de hele EU gelijke werking hebben. In deze context werd het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) opgericht, dat verantwoordelijk is voor de inschrijving en het beheer van gemeenschapsmerken.

2.9

In de afgelopen jaren heeft de Commissie een openbare discussie over intellectuele eigendom aangezwengeld, waaraan is deelgenomen door het EESC, en in 2011 heeft zij een herziening van het stelsel van merken in Europa aangekondigd, teneinde dit stelsel, zowel op EU- als op nationaal niveau te moderniseren door het in zijn geheel effectiever, efficiënter en consistenter te maken.

2.10

In zijn resolutie van 25 september 2008 betreffende een algemeen Europees plan ter bestrijding van namaak en piraterij heeft de Raad gepleit voor herziening van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (3). Het EESC hoopt dat het rechtskader op bepaalde punten wordt verbeterd om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door douaneautoriteiten te versterken en passende rechtszekerheid te garanderen.

2.11

Het Europese merkenstelsel is gebaseerd op het beginsel van coëxistentie en complementariteit tussen nationale bescherming van merken en bescherming van merken op het niveau van de Unie.

2.12

Terwijl de verordening betreffende het Europees merk voorziet in een algeheel stelsel waarin alle kwesties van materieel en formeel recht worden bestreken, is het huidige niveau van onderlinge aanpassing van wetgevingen waarin de richtlijn voorziet, beperkt tot een aantal welbepaalde materiële regels, en daarom wil de Commissie er met dit voorstel voor zorgen dat de materiële regels wezenlijk overeenstemmen en de voornaamste procedureregels ten minste verenigbaar zijn.

2.13

Het doel van dit voorstel is het bevorderen van innovatie en economische groei door de stelsels voor merken in de hele EU voor bedrijven toegankelijker en efficiënter te maken in de zin van lagere kosten en grotere eenvoud, snelheid, voorspelbaarheid en rechtszekerheid.

2.14

Het initiatief om de richtlijn te herschikken is ingegeven door de volgende doelstellingen:

modernisering en verbetering van de bestaande bepalingen van de richtlijn door het wijzigen van verouderde bepalingen, het vergroten van de rechtszekerheid en het verduidelijken van merkenrechten wat betreft de werkingssfeer en de grenzen daarvan;

grotere harmonisatie van nationale merkenwetgevingen en -procedures om deze beter verenigbaar te maken met het stelsel van Gemeenschapsmerken, door:

a)

verdere materiële regels toe te voegen;

b)

in de richtlijn belangrijke procedurele regels op te nemen in overeenstemming met de bepalingen van de verordening, vooral regels die gericht zijn op bestaande verschillen die uit het oogpunt van de gebruikers aanzienlijke problemen veroorzaken en waar stroomlijning absoluut noodzakelijk wordt geacht om in Europa een harmonieus, complementair systeem van merkenbescherming tot stand te brengen;

bevorderen van samenwerking tussen de bureaus van de lidstaten en het BHIM teneinde de convergentie van praktijken en de ontwikkeling van gemeenschappelijke instrumenten te bevorderen, door aan deze samenwerking een rechtsgrond te bieden.

2.15

Het voorstel voor een richtlijn beoogt verbeteringen aan te brengen in de bepalingen betreffende:

de definitie van een merk, door te voorzien in de mogelijkheid zaken te registreren die kunnen worden voorgesteld met technische middelen die voldoende waarborgen bieden;

de rechten die verbonden zijn aan het merk, zoals omschreven in de artikelen 10 en 11 inzake onverminderd oudere rechten verleende rechten; gevallen van dubbele gelijkheid; gebruik als handelsnaam of maatschappelijke benaming; gebruik voor vergelijkende reclame; verzendingen van commerciële aanbieders; in het douanegebied binnengebrachte waren, voorbereidende handelingen en beperking van de aan het merk verbonden rechtsgevolgen.

2.16

Voorts beoogt het voorstel een grotere harmonisering van het materiële recht, middels de bescherming van geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen, de bescherming van bekende merken, aandacht voor het recht van merken als vermogensbestanddelen, zoals overdracht of zakelijke rechten, en regulering van collectieve merken.

2.17

Wat het op één lijn brengen van de voornaamste procedureregels betreft, komen zaken aan de orde als de aanduiding en classificatie van waren en diensten, ambtshalve onderzoek, cijfers, de oppositieprocedure, het niet-gebruiken als verweer in een oppositieprocedure, de vordering tot vervallen- of nietigverklaring, en het niet-gebruiken als verweer in een procedure tot nietigverklaring.

2.18

Ook wordt gestreefd naar de bevordering van de samenwerking tussen diensten en biedt artikel 52, in aanvulling op het rechtskader voor samenwerking dat bij de herziening van de verordening, een rechtsgrond voor de bevordering van de samenwerking tussen het BHIM en de diensten voor intellectuele eigendom van de lidstaten.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC is ingenomen met het voorstel voor een richtlijn van de Commissie, dat zeer gelegen komt op een moment dat de wereldeconomie gekenmerkt wordt door felle concurrentie en door economische terugval in Europa.

3.1.1

Een merk zorgt enerzijds voor het creëren van bedrijfswaarde en voor klantenbinding en anderzijds voor bescherming van de consument.

3.1.2

Dit laatste is erg belangrijk, en wel om verschillende redenen:

ten eerste, omdat de bescherming van merken de consument zoekkosten bespaart;

ten tweede, omdat een merk de consument een constant kwaliteitsniveau garandeert, waardoor de producent verplicht is zorg te besteden aan het product of de dienst;

ten derde, omdat investeringen in verbetering en innovatie noodzakelijk zijn, waardoor het vertrouwen van consumenten in ondernemingen toeneemt.

3.2

Met dit voorstel voor een richtlijn wordt het huidige juridische kader voor merken in de lidstaten op de volgende drie punten aanzienlijk verbeterd:

het registreren van merken wordt in de hele EU gemakkelijker, en dus goedkoper, en neemt minder tijd in beslag;

de rechtszekerheid neemt toe omdat de interne en supranationale regels op dit vlak beter op elkaar aansluiten en de bevoegde autoriteiten hun werkzaamheden beter coördineren;

de bescherming van de intellectuele eigendom wordt op een hoger niveau gebracht, met name doordat de regeling voor goederen in doorvoer duidelijker wordt, er nieuwe criteria worden opgenomen voor de registratie van bijvoorbeeld klankmerken en er bepaalde eisen worden gesteld aan de bescherming van o.a. geografische aanduidingen of van niet-EU-talen.

3.3

Het voorstel bevat eveneens, in het licht van de economische, commerciële en juridische ontwikkelingen, belangrijke nieuwe elementen als de definitie van een merk, op grond waarvan een merk ook door andere dan grafische middelen kan worden weergegeven en nauwkeuriger kan worden aangeduid; dit biedt de mogelijkheid merken te registreren die kunnen worden voorgesteld met technische middelen die voldoende waarborgen bieden.

3.4

Het is een goede zaak dat het voorstel een grotere harmonisering van het materiële recht beoogt, middels de bescherming van geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen, de bescherming van bekende merken, de behandeling van merken als vermogensbestanddelen, zoals overdracht, en de belangrijkste aspecten van de commerciële exploitatie van merken. De invoering van collectieve en garantiemerken door middel van dit voorstel is een hele belangrijke stap voor zowel ondernemingen als consumenten.

3.5

Tot slot is het EESC blij dat de belangrijkste procedures op elkaar worden afgestemd omdat hiermee gemeenschappelijke regels worden vastgesteld voor de aanduiding en classificatie van goederen en diensten, overeenkomstig de door het Hof vastgestelde beginselen, alsook voor het ambtshalve onderzoek en voor de procedures voor oppositie en vervallen- en nietigverklaring.

3.6

Het EESC is ook verheugd over het feit dat het opstellen van dit voorstel voor een richtlijn met veel publiciteit gepaard is gegaan en dat de desbetreffende sectoren van het maatschappelijk middenveld erbij zijn betrokken.

3.7

Toch plaatst het EESC enkele vraagtekens bij het onderwerp en de inhoud van dit voorstel, zonder afbreuk te doen aan het voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 207/2009 waarin een op zichzelf staand systeem werd ingevoerd voor de registratie van unitaire rechten, dat samen met het voorstel voor een richtlijn één wetgevingspakket vormt.

3.8

In verband hiermee is het EESC verbaasd dat het niet is geraadpleegd over het voorstel COM(2013) 161 final van 27 maart 2013 tot wijziging van de genoemde verordening inzake het Gemeenschapsmerk.

3.9

Aangezien dit voorstel rechtstreeks van invloed is op de werking van de interne markt (artikel 118 VWEU) en op het niveau van consumentenbescherming (artikel 169 VWEU), moet het EESC - volgens een contextuele en samenhangende interpretatie van de verdragsbepalingen, die het EESC uitdrukkelijk een adviserende rol toewijzen op dit gebied - absoluut worden betrokken bij de wetgevingsprocedure tot goedkeuring van dit voorstel.

3.10

Volgens het recht van de Unie beschikt de houder van een merk zowel over het uitsluitende recht om het merk voor winstgevende doeleinden te gebruiken (ius utendi) als over de mogelijkheid om te voorkomen dat het gebruik ervan wordt gehinderd door acties van derden door middel van imitatie of wederrechtelijke toeëigening van de onderscheidende kenmerken (ius prohibendi), artikel 9 van Verordening (EG) nr. 207/2009.

3.11

Maar in de huidige regelgeving wordt niet duidelijk aangegeven wanneer de houder van een merk de nodige actie mag ondernemen om een dergelijk gebruik te voorkomen.

3.11.1

Hoewel het aantal gevallen waarin de houder van een merk het gebruik daarvan door derden kan verbieden, flink wordt uitgebreid in het voorstel voor een richtlijn (artikel 10) en hiervoor zelfs een nieuwe bepaling wordt ingevoerd, nl. over inbreuk op de rechten van de houder via een aanbiedingsvorm, verpakking of andere middelen (artikel 11) of over het gebruik van het merk dat op naam van een gemachtigde of vertegenwoordiger ingeschreven is (artikel 13), komt het de bevoegde rechter toe de juiste reikwijdte van het recht te bepalen, wanneer de belanghebbende een gerechtelijke procedure aanspant.

3.11.2

Daarom is het de taak van elk gerechtelijk orgaan om na te gaan of er al dan niet sprake is van een risico van verwarring of wederrechtelijke toeëigening van het beschermde merk door derden, en mocht dit zo zijn, dan moet dit orgaan de compensatie vaststellen voor de houder overeenkomstig de vordering.

3.11.3

Bijgevolg wordt in het voorstel voor een richtlijn geen uniforme bescherming geboden voor de rechten van houders om hun merken te gebruiken noch voor consumenten wanneer zij worden getroffen door het onrechtmatige of frauduleuze gebruik van een handelsmerk.

3.12

Het complementaire karakter van het supranationale systeem en de nationale systemen voor bescherming van de rechten van merkhouders houdt derhalve een duidelijk risico in en werpt de vraag op of deze bescherming wel de meest doeltreffende en snelle oplossing is die met het voorstel voor een richtlijn wordt beoogd.

3.12.1

Zo is er bijvoorbeeld geen garantie dat de verschillen tussen landen, die het gevolg zijn van de incorrecte omzetting van de bepalingen van Richtlijn 2004/48/EG (betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten), worden weggewerkt waar het gaat om maatregelen betreffende:

het doen staken van inbreuken, met inbegrip van de mogelijkheid tot vernietiging van de goederen en de desbetreffende productiemiddelen of het opleggen van dwangsommen;

schadeloosstelling of de mogelijkheid dat de desbetreffende uitspraak wordt gepubliceerd.

3.12.2

Deze rechtsonzekerheid wordt nog groter als de rechten van de merkhouder in meerdere lidstaten worden geschonden,

3.13

om nog maar te zwijgen over het feit dat het voorstel een aantal bepalingen bevat die deze bescherming complexer maken.

3.13.1

In lid 3 van artikel 4 (absolute gronden voor weigering of nietigheid) staat bijvoorbeeld dat "een merk nietig kan worden verklaard wanneer de aanvrage om inschrijving van het merk te kwader trouw is ingediend" en dat "een lidstaat ook kan bepalen dat een dergelijk merk niet wordt ingeschreven".

3.14

Aangezien, volgens de BHIM, het ontbreken van het voornemen tot gebruik geen grond is voor het vaststellen van kwader trouw, vragen wij ons af welke autoriteit uniforme criteria gaat opstellen aan de hand waarvan de bevoegde instanties kunnen vaststellen of er andere aanwijzingen zijn voor kwade trouw?

3.15

Deze lacune in de wetgeving is paradoxaal gezien de nieuwe bepaling in artikel 10, lid 5, van het voorstel voor een richtlijn, waarin staat dat de houder van een ingeschreven merk het recht heeft derden te verhinderen waren binnen te brengen die afkomstig zijn uit landen die niet tot de douane-unie behoren zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht. Dit voorstel strookt dus niet met de geldende jurisprudentie van het Hof van Justitie over goederen in doorvoer (zaak C-466/09 en C-495/09, Philips/Nokia) en maakt elk vermoeden of bewijs van goede trouw jegens derden ongeldig (4).

3.16

Anderzijds zou dit soort illegale handelspraktijken gemakkelijker kunnen worden tegengegaan en aangepakt als het voorstel een specifieke rechtsgrond zou bevatten op basis waarvan de Commissie actie zou kunnen ondernemen en samen zou kunnen werken met instanties in derde landen waar deze handelspraktijken op grote schaal en systematisch voorkomen.

3.17

Er schort ook het een en ander aan artikel 45, lid 1, van het voorstel, waarin in algemene zin wordt bepaald dat de lidstaten een doeltreffende en snelle administratieve procedure moeten invoeren om bij hun diensten oppositie in te stellen tegen de inschrijving van een aanvrage op de in artikel 5 bedoelde gronden. Er zou meer informatie voorhanden moeten zijn over de aard van deze procedure en er zou een redelijke termijn moeten worden vastgesteld waarbinnen de bevoegde nationale instanties actie kunnen ondernemen, overeenkomstig artikel 41, lid 1, van het Europees Handvest van de grondrechten (recht op goed bestuur).

3.18

Om redenen van efficiency en voorspelbaarheid die eigen zijn aan de supranationale bescherming van merkhouders moet ook de inhoud van andere bepalingen van het voorstel, zoals de artikelen 44 en 52, worden herzien. In artikel 44 staat dat bij de inschrijving en vernieuwing van een merk een (algemene) aanvullende taks moet worden betaald voor elke klasse van waren en diensten buiten de eerste klasse; daarvoor zou een maximum moeten worden vastgesteld.

3.19

Wat artikel 52 betreft, waarin wordt bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de diensten onderling en met het Agentschap samenwerken om convergentie van praktijken en instrumenten te bevorderen en om samenhangende resultaten te bereiken in het onderzoek en de inschrijving van merken, zou een specifieke bepaling moeten worden opgesteld die de Commissie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 291, lid 2, de bevoegdheid geeft om een dwingende "gedragscode" in te voeren.

3.20

Administratieve samenwerking tussen de BHIM en de bevoegde nationale diensten moet als een zaak van gemeenschappelijk belang worden beschouwd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 197 VWEU. In verband hiermee zou het bijzonder nuttig zijn om informatie en medewerkers uit te wisselen en opleidingsprogramma's te bevorderen, alsook hiervoor overheidsmiddelen te voorzien.

3.21

Dit hele harmoniseringsproces zou de komende jaren moeten leiden tot de onderlinge afstemming van het merkenrecht en uiteindelijk tot Europese regelgeving voor merken in het kader waarvan o.a. een flexibele, uniforme en kostenefficiënte procedure zou moeten worden ingesteld die het voor de belanghebbenden gemakkelijker maakt om vrijwillig een handelsmerk te registreren.

Brussel, 11 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Recueil des traités des Nations Unies, deel 828, nr. 11851.

(2)  Recueil des traités des Nations Unies, deel 818, nr. I-11849.

(3)  PB L 196 van 2.8.2003, blz. 7.

(4)  Artikel 10, lid 5, van het voorstel luidt als volgt: "De houder van een merk heeft eveneens het recht derden te verhinderen waren binnen te brengen in het douanegebied van de lidstaat waar het merk is ingeschreven zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht, wanneer deze waren, met inbegrip van verpakking, uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven merk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden." Het gaat er, kortom, dus om dat er een doeltreffend mechanisme tot stand moet worden gebracht om vervalsing van buiten de EU geproduceerde goederen aan te pakken en te voorkomen dat belanghebbenden gebruik maken van de juridische fictie dat goederen in doorvoer het douanegebied van de EU niet binnenkomen.


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/47


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen”

COM(2013) 207 final — 2013/0110 (COD)

2013/C 327/10

Rapporteur: mevrouw PICHENOT

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 2 en 21 mei 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 50, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

"Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen"

COM(2013) 207 final — 2013/0110 (COD).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli 2013) het volgende advies uitgebracht, dat met 95 stemmen vóór en 31 tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het Comité is ingenomen met de voorstellen van de Commissie tot wijziging van de jaarrekeningenrichtlijnen, zowel m.b.t. de bekendmaking van niet-financiële informatie als m.b.t. de diversiteit in de managementorganen. Deze beperkte wijzigingen maken deel uit van de verbetering van het EU-kader van inzake corporate governance (1).

1.2

Het Comité beveelt het Europees Parlement en de Raad aan om het evenwicht dat is bereikt met deze wijzigingen, die de transparantie op sociaal, maatschappelijk, milieu- en bestuursvlak (MVO) vergroten, in aanmerking te nemen. Het voorstel van de Commissie vormt een flexibele en adequate regeling om de communicatie richting aandeelhouders, investeerders, personeel en andere belanghebbenden te verbeteren. Om te voorkomen dat kleinere bedrijven extra verplichtingen opgelegd krijgen, is het voorstel uitsluitend gericht tot grote ondernemingen.

2.   Aanbevelingen

2.1

Het Comité erkent dat er met een evenwichtige combinatie van onderstaande elementen voor kan worden gezorgd dat de aandeelhouders tijdens de algemene vergadering niet-financiële informatie wordt verstrekt en de belanghebbende partijen van grote ondernemingen worden geïnformeerd. De regeling zorgt voor de beoogde transparantie en samenhang.

In het jaarverslag zal substantiële niet-financiële informatie worden opgenomen;

deze informatie heeft met name betrekking op milieu-, maatschappelijke en personeelsaangelegenheden, naleving van mensenrechten en bestrijding van corruptie;

deze informatie heeft betrekking op het beleid dat de onderneming op deze terreinen heeft gevoerd, op de resultaten van dat beleid, op de risico's en onzekerheden die met deze aangelegenheden zijn verbonden en op de manier waarop de onderneming deze risico's beheert;

de regeling is van toepassing op alle naamloze vennootschappen die onder het toepassingsgebied van de huidige jaarrekeningenrichtlijnen vallen;

de verplichting geldt echter alleen voor ondernemingen met meer dan 500 werknemers en een balanstotaal van meer dan 20 miljoen EUR of een netto-omzet van meer dan 40 miljoen EUR, en dus niet voor kleine en middelgrote ondernemingen;

de ondernemingen kunnen zich baseren op nationale, EU- of internationale kaderregelingen waarin beginselen of indicatoren alsook richtsnoeren voor de verslaglegging gedefinieerd worden;

de onderneming geeft voorrang aan de informatie die voor haar relevant is;

met het "report or explain"-model zijn ondernemingen verplicht om de informatie te verstrekken, maar behouden zij een zekere manoeuvreerruimte indien er volgens hen een goede reden is om dat niet te doen;

dankzij de flexibiliteit van de regeling, met name de mogelijkheid om een afzonderlijk verslag op te blijven stellen dat aan dezelfde eisen voldoet en dat deel uitmaakt van het jaarverslag, nemen de administratieve lasten niet toe.

2.2

Gezien de evenwichtige aard van de regeling vindt het Comité dat de goedkeuring van de richtlijn tot wijziging van de jaarrekeningenrichtlijnen op een gelegen moment zou komen:

in een tijd waarin het maatschappelijk middenveld steeds alerter is op het effect dat ondernemingen op de gemeenschap sorteren, waarin van landen en het bedrijfsleven een grotere transparantie wordt geëist en waarin maatschappelijk verantwoorde investeringen volop in ontwikkeling zijn (2);

in een context waarin de nationale wetgevingen en aanbevelingen van de lidstaten inzake niet-financiële gegevens nog steeds verschillen maar wel naar elkaar toegroeien, waarin het afgelopen decennium de internationale referentieregelingen, zoals die van de OESO en de IAO, werden herzien en de ISO 26000 werd uitgewerkt, en waarin de instrumenten voor de bekendmaking van niet-financiële gegevens, zoals die van het Global Reporting Initiative (GRI), de European Federation of Financial Analysts Societies (EFFAS), ratingbureaus en organisaties voor maatschappelijke analyse, sectorspecifieke referentieregelingen, verder verfijnd zijn;

nu door de lessen die uit de financiële, economische, sociale en milieucrises zijn getrokken, zowel in Europees als in internationaal verband een grotere behoefte ontstaat aan transparantie (3) op het vlak van investeringen, belastingen en corruptiebestrijding, met name in de winningsindustrie;

nu instrumenten worden opgezet om de gevolgen van productieactiviteiten voor het milieu te meten, zoals de levenscyclusanalyse van producten, de ecologische voetafdruk en de berekening van de kosten van negatieve externe effecten;

en nu sommige ondernemingen gehoor geven aan de bezorgdheid van verantwoorde consumenten door duurzamere goederen en diensten te bieden, bijvoorbeeld door geplande veroudering te voorkomen en fair trade te bevorderen.

2.3

Het Comité is verheugd dat deze wijzigingen in de jaarrekeningenrichtlijnen nieuwe perspectieven bieden doordat zij:

tot doel hebben kwesties op het vlak van milieuvriendelijk en maatschappelijk verantwoord ondernemen te integreren in de strategie en de communicatie van de onderneming;

de rol van de algemene vergadering van aandeelhouders en de beginselen van verantwoorde investeringen belangrijker maken;

garanties en flexibiliteit bieden in die zin dat alle ondernemingen die MVO als de micro-economische invulling van duurzame ontwikkeling beschouwen, in staat worden gesteld deze stap voorwaarts te zetten;

de aanzet geven tot een nieuwe wijze van presentatie en besluitvorming in de ondernemingsstrategie, die gericht is op lange termijn en de betrekkingen tussen dochtermaatschappijen en het hoofd van de groep versterkt.

2.4

Het Comité vraagt de aandacht van het Europees Parlement en de Raad voor de volgende aanbevelingen:

ondernemingen zouden moeten laten zien welke – positieve of negatieve – effecten hun activiteiten op de samenleving hebben;

ondernemingen zouden in hun verslagen moeten melden of er werknemersvertegenwoordigers in het bestuur zetelen;

de vertegenwoordigers van het personeel zouden tijdens het opstellen van het jaarverslag geïnformeerd en geraadpleegd moeten worden;

het gedeelte van het jaarverslag over milieuvriendelijk en maatschappelijk verantwoord ondernemen zou opgesteld moeten worden door mensen met kennis van zaken, met name op sociaal en milieugebied;

opdrachtgevende ondernemingen zouden informatie moeten verstrekken over hun betrekkingen met hun toeleverings- of waardeketen, met name wat arbeidsrechtkwesties en mensenrechten betreft;

ondernemingen die niet onder de richtlijn vallen, zouden dit dynamische transparantieproces vrijwillig moeten aangrijpen om hun manier van zakendoen te verbeteren;

de lidstaten zouden de kwaliteit van de rapportage van niet-financiële informatie in hun nationale MVO-strategie moeten opnemen;

bij de omzetting van de richtlijn zouden lidstaten die dat wenselijk achten, de vereiste drempel moeten kunnen verlagen om ervoor te zorgen dat een aanzienlijk aantal nationale ondernemingen onder de regels valt;

de Commissie zou verzocht moeten worden om een "multistakeholder"-proces (4) in gang te zetten of te bevorderen om leidende beginselen en referentienormen vast te stellen die de vergelijkbaarheid en op langere termijn ook de harmonisatie zullen vergemakkelijken;

in het kader van haar eigen beleid ter bevordering en bewustmaking van MVO, zoals vastgelegd in de mededeling van oktober 2011, zou de Commissie de desbetreffende ondernemingen moeten aanbevelen gebruik te maken van die internationale referentieregelingen als richtsnoer voor de bekendmaking van niet-financiële informatie die het best aansluiten op haar nieuwe definitie van MVO.

2.5

Het Comité kan zich vinden in de voorgestelde wijziging van de vierde richtlijn waarbij ondernemingen worden verplicht informatie over hun beleid inzake de diversiteit van hun raad van bestuur te verstrekken.

2.6

Het onderstreept dat het hierbij niet alleen om de raad van bestuur of de raad van commissarissen gaat; wellicht is het zinvol om het diversiteitsbeleid ook te laten gelden voor de comités van de raad van bestuur en met name voor het auditcomité.

2.7

Het Comité herinnert eraan dat de doelstellingen m.b.t. de positie van vrouwen binnen de raden in de meeste lidstaten niet verwezenlijkt zijn (5).

2.8

Het Comité is van mening dat men in het kader van de diversiteit ook het criterium zou moeten hanteren dat de raad van bestuur mede bestaat uit leden die afkomstig zijn van de werkvloer, bijvoorbeeld uit de Europese ondernemingsraad, en die afgevaardigd zijn door de vakbonden.

2.9

Tot slot beveelt het Comité de Commissie aan om deze herziening vergezeld te laten gaan van een non-regressieclausule en binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn over te gaan tot beoordeling van de effecten van deze wijzigingen van de jaarrekeningenrichtlijnen op de bekendmaking van niet-financiële informatie door ondernemingen.

3.   Achtergrond

3.1

Met dit voorstel tot wijziging van de jaarrekeningenrichtlijnen worden de inspanningen die sinds het Groenboek van 2001 over MVO (6), aangevuld door de mededeling van 2006 (7), zijn ondernomen voortgezet en worden de toezeggingen die in het werkprogramma van de mededeling van 2011 (8) zijn aangekondigd, nagekomen. Aanleiding voor deze noodzakelijke wijziging is het feit dat de effectbeoordeling heeft uitgewezen dat de niet-financiële informatie die door ondernemingen wordt gepubliceerd, niet effectief genoeg is - dit is ook tijdens openbare raadplegingen duidelijk naar voren gekomen. Er zijn verschillen in de kwaliteit van de informatie. Te weinig ondernemingen publiceren niet-financiële informatie.

3.2

De Commissie heeft in haar mededeling "Akte voor de interne markt" van april 2011 aangekondigd dat de transparantie van ondernemingen op sociaal en milieugebied vergroot zal worden.

3.3

Sinds zijn advies over informatie- en meetinstrumenten (2005) (9) heeft het Comité rekening gehouden met de vierde richtlijn betreffende de jaarrekening, waarin een bepaling is opgenomen over niet-financiële informatie, die ondernemingen de mogelijkheid biedt om bepaalde informatie over de sociale en milieuaspecten van hun activiteiten openbaar te maken. In 2012 sprak het Comité zijn steun uit voor het streven van de Commissie om de diversiteit binnen de raden van bestuur of commissarissen te vergroten. In zijn advies van 2012 (10) over de Mededeling betreffende MVO verklaarde het Comité zich opnieuw voorstander van een verplicht verslag over niet-financiële informatie.

3.4

Het Verenigd Koninkrijk was in 1992 de eerste lidstaat die op het vlak van corporate governance een wet invoerde (de Cadbury Code) (11) waarmee het "report or explain"-model (ondernemingen die geen verslag uitbrengen, moeten aangeven waarom zij dat niet doen) zijn intrede deed. Soortgelijke bepalingen zijn ook door andere landen, waaronder Duitsland en Denemarken, ingevoerd. Het model is flexibel in die zin dat ondernemingen zich het recht kunnen voorbehouden om geen informatie te verstrekken op sommige gevoelige terreinen, zoals corruptiebestrijding, waarop een zekere discretie of vertrouwelijkheid vereist kan zijn.

3.5

Diverse lidstaten, waaronder Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Spanje, hebben het afgelopen decennium wetten aangenomen om met het oog op de harmonisatie van de Europese normen een nationaal rapportagekader tot stand te brengen.

3.6

Onder Iers voorzitterschap is een Europees akkoord over de transparantie van de winningsindustrie gesloten, waarmee de jaarrekeningenrichtlijn wordt herzien. Voortaan vereist de richtlijn transparantie (op landen- en op projectbasis) van alle betalingen door ondernemingen in de winningsindustrie of houtkap aan overheden van de landen waar zij actief zijn.

3.7

In zijn resolutie van februari 2013 (12) heeft het Europees Parlement erkend dat het belangrijk is dat het bedrijfsleven informatie over duurzaamheid, zoals sociale en milieufactoren, verspreidt teneinde de risico’s met betrekking tot duurzaamheid te identificeren en het vertrouwen van investeerders en consumenten te vergroten. Het EP heeft de Commissie verzocht een voorstel over de bekendmaking van niet-financiële informatie door ondernemingen voor te leggen.

3.8

In de context van de huidige crisis, waarin de publieke opinie in Europa het bedrijfsleven oproept zich op een ethisch meer verantwoorde wijze te gedragen, wordt ingezien dat MVO kan bijdragen aan het handelsbeleid van de Europese Unie, aan haar ontwikkelingsbeleid en aan de tenuitvoerlegging van de EU 2020-strategie. MVO bevordert de sociale en de maatschappelijke dialoog en dient ook een beter inzicht in de werkelijke omstandigheden in de gehele onderaannemingsketen op te leveren. Het is noodzakelijk dat naar de verantwoordelijkheid van de opdrachtgevers wordt gekeken, zoals de ramp met het Rana Plaza-gebouw in Bangladesh onlangs nog eens duidelijk heeft gemaakt.

Brussel, 11 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 91.

(2)  PB C 21 van 21.1.2011, blz. 33.

(3)  EESC-advies "Europees vennootschapsrecht en corporate governance" (nog niet in het PB gepubliceerd).

(4)  PB C 161 van 6.6.2013, blz. 35.

(5)  PB C 133 van 9.5.2013, blz. 68.

(6)  COM(2001) 366 final.

(7)  COM(2006) 136 final, PB C 286 van 17.11.2005, blz. 12.

(8)  COM(2011) 681 final, PB C 229 van 31.7.2012, blz. 77.

(9)  PB C 286 van 17.11.2005, blz. 12.

(10)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 77.

(11)  "The financial aspects of corporate governance" 1.12.1992.

(12)  Resolutie 2012/2098 (INI), rapporteur: Raffaele Baldassarre.


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Onderstaand wijzigingsvoorstel werd verworpen, maar kreeg minstens een kwart van de uitgebrachte stemmen: (artikel 54, lid 3, rvo):

De tekst van advies CES3548-2013_00_00_TRA_AS door de als volgt luidende tekst vervangen:

1.   Algemene opmerkingen

1.1

Het EESC beschouwt het richtlijnvoorstel als overbodig (met name wat betreft de verplichte bekendmaking van gegevens inzake het „diversiteitsbeleid”), aangezien het van mening is dat er op dit vlak geen verder optreden van de Europese wetgever nodig is. Globaal genomen ziet het EESC geen wezenlijke toegevoegde waarde in vergelijking met de geldende bepalingen. Het vreest echter voor een mogelijke verzwaring van de administratieve rompslomp.

1.2

Het EESC beschouwt transparantie als een onderdeel van modern bedrijfsbeheer. Europese bedrijven hebben aangetoond dat ze binnen het huidige wetgevende kader voldoende transparant zijn. In Europa is maatschappelijk verantwoord ondernemen een zaak van bedrijven: het maakt deel uit van hun bedrijfsstrategie en gebeurt op vrijwillige basis. Zelfs in tijden van crisis hebben de Europese bedrijven niet aan transparantie of verantwoordelijkheid ingeboet.

1.3

Het EESC neemt nota van het feit dat enkele betrokken partijen en het grote publiek behoefte hebben aan meer transparantie in het optreden van bedrijven, vooral wat betreft de bekendmaking van informatie over sociale en milieugebonden thema's, met name bij bedrijven die in derde landen actief zijn. Hierbij gaat het onder meer om mijnbouwondernemingen in Afrika (milieurisico's, corruptie), kledingindustrieën in Azië (sociale vraagstukken, mensenrechten) enz.

1.4

De enige mogelijke toegevoegde waarde die men in het voorstel zou kunnen zien, zou erin bestaan dat het gericht is op de problematiek van risico's, met name de definitie en aanpak ervan en de noodzaak om ze te rapporteren. Dit zou bedrijven kunnen helpen deze risico's en kansen beter te beheren, zodat ze ook beter de verantwoordelijkheid kunnen opnemen voor de gevolgen die hun activiteiten op niet-financieel vlak hebben. Daarbij moet het echter ook het bedrijf in kwestie blijven dat beslist of de betrokken aanpak wordt gevolgd of niet.

2.   Niet-financiële informatie

2.1

Het EESC is zich ervan bewust dat de verhoging van de transparantie gewoonlijk van belang is voor de doeltreffende werking van de interne markt. De beschikbaarheid van beter vergelijkbare informatie over het optreden van bedrijven kan gevolgen hebben voor de doeltreffendheid van het nemen van beslissingen door investeerders en aandeelhouders.

2.2

Naar de mening van het EESC zijn het huidige formaat en de huidige draagwijdte van de gepubliceerde niet-financiële informatie kwalitatief en voldoende om het beoogde doel te bereiken. De nieuwe voorstellen voor de bekendmaking van informatie zouden een buitensporige last betekenen, wat ingaat tegen het proportionaliteitsbeginsel. Het EESC zou dan ook liever zien dat in het voorstel enkel de bekendmaking wordt vereist van daadwerkelijk pertinente informatie, waar duidelijk iets uit af te leiden valt, zodat aan ondernemingen niet onnodig buitensporige administratieve lasten worden opgelegd. Het voorstel zou dan ook de grootst mogelijke toegevoegde waarde moeten inhouden voor hen die de informatie gebruiken (investeerders, aandeelhouders, werknemers).

2.3

Het EESC zou liever zien dat ondernemingen niet-financiële informatie louter op vrijwillige basis ter beschikking stellen. Het stelt dan ook voor om de artikelen 1 en 2 van het richtlijnvoorstel in die zin aan te passen.

2.4

In het voorstel worden kleine en middelgrote ondernemingen niet verplicht om niet-financiële informatie bekend te maken, in overeenstemming met de langetermijndoelstelling van de Europese Unie om de administratieve rompslomp voor ondernemers te verminderen.

2.5

In het voorstel zijn de bepalingen inzake de opname van niet-financiële informatie in het jaarverslag en de controle ervan door de auditeur, ingewikkeld en moeilijk te begrijpen. Het zal nodig zijn om hierbij in een praktische handleiding te voorzien. Krachtens de Europese wetgeving dient de auditeur een advies te geven over de samenhang tussen het jaarverslag en de jaarrekening, waarbij krachtens de Europese wetgeving het jaarverslag reeds de jaarrekening en het auditverslag dient te bevatten, naast eventuele andere documenten. Toch zou de controle van niet-financiële informatie aanzienlijk problematisch en duur zijn. Het is nodig precies aan te geven hoe de vereiste informatie in het jaarverslag dient te worden opgenomen, zodat de gebruikers van het jaarverslag niet worden overstelpt met niet-pertinente informatie. Het EESC zal de bekendmaking promoten van niet-financiële informatie in documenten waarvoor geen audit vereist is.

3.   Diversiteit

3.1

Volgens het EESC vormt de verplichte bekendmaking van het „diversiteitsbeleid” een overdreven administratieve last die niet te verantwoorden valt en geen tastbare positieve gevolgen heeft. Het opleggen van een „diversiteitsbeleid” aan particuliere subjecten, en meer bepaald de verplichting om een „diversiteitsbeleid” van het bedrijf bekend te maken of het niet-bestaan ervan te verantwoorden, vormen een onverantwoorde inmenging op de vrijheid van ondernemen en op de beslissingsvrijheid van de bedrijfseigenaars. Het EESC verwerpt deze inmenging dan ook categoriek. De bekendmaking van bedrijfsinformatie moet op volledig vrijwillige basis blijven gebeuren, naargelang deze bekendmaking voor het bedrijf al dan niet een concurrentievoordeel oplevert. Het EESC kant zich ook tegen de voorlegging van details inzake het „diversiteitsbeleid”, en dit om verschillende redenen.

3.2

Eerst en vooral heeft de bekendmaking van een „diversiteitsbeleid” in de bedrijfsorganisatie geen weerslag op het bedrijfsbeheer noch op de prestaties ervan, niettegenstaande de foutieve beweringen in de toelichting. Het EESC is van mening dat de eigenaar(s) of de aandeelhouders van de onderneming zouden moeten beslissen wie deze zal leiden, welke de toezichtmechanismen op het bedrijfsbeheer zullen zijn en welke rol de leden van de toezicht- en beheersorganen bij deze processen zullen spelen. Het optreden van een onderneming valt eerst en vooral onder de verantwoordelijkheid van haar eigenaar of aandeelhouder, met inbegrip van de risico's op verliezen door slechte bedrijfsbeslissingen. Door op kunstmatige wijze in te grijpen in de samenstelling van toezicht- en beheersorganen kan de bestaande en goed werkende stand van zaken alleen maar worden verstoord.

3.3

De Europese Commissie zou zich in geen geval mogen mengen in de beslissingsprocessen in ondernemingen (o.m. wat betreft het aantal leden in de raad van bestuur, hun opleiding, leeftijd en geslacht). Uit de analyse van de Europese Commissie blijkt niet dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen leeftijd, geslacht en andere kenmerken enerzijds en de bedrijfsprestaties anderzijds. Zelfs indien dat het geval was, zou autoritaire inmenging in de samenstelling van raden van bestuur of van commissarissen niet kunnen worden verantwoord.

4.   Conclusie

In het licht van de hierboven uiteengezette argumenten zal het EESC

1)

er de voorkeur aan geven dat, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, de bekendmaking van de in het voorstel vereiste niet-financiële informatie, wordt overgelaten aan de vrije wil van de ondernemingen zelf of aan de nationale wetgever die de informatiebehoeften bepaalt;

2)

aanbevelen in artikel 1, lid 2 van het richtlijnvoorstel de bepalingen inzake het „diversiteitsbeleid” te schrappen; mocht het onmogelijk blijken om aan deze eis tegemoet te komen, dient de bekendmaking van informatie over het diversiteitsbeleid, met inbegrip van de toelichting bij het niet-voeren ervan, te worden overgelaten aan de vrije beslissing van de onderneming zelf of van de nationale wetgever.

Stemuitslag

Vóór

:

37

Tegen

:

96

Onthoudingen

:

2


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/52


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het vrije verkeer van burgers en bedrijven door vereenvoudigde aanvaarding van bepaalde openbare akten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012

COM(2013) 228 final — 2013/119 (COD)

2013/C 327/11

Algemeen rapporteur: de heer FARRUGIA

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 13 en 21 mei 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het vrije verkeer van burgers en bedrijven door vereenvoudigde aanvaarding van bepaalde openbare akten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012.

COM(2013) 228 final — 2013/119 (COD).

Het bureau van het Comité heeft op 21 mei 2013 de afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie belast met de voorbereidende werkzaamheden ter zake.

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli) de heer Farrugia aangewezen als algemeen rapporteur en vervolgens onderstaand advies met 96 stemmen vóór en 2 tegen, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De burger staat in de Europese integratie centraal. In het verslag over het EU-burgerschap wordt benadrukt dat het EU-burgerschap de burgers nieuwe rechten en kansen biedt. Het recht dat de inwoners van de lidstaten volgens dit verslag het meest associëren met het EU-burgerschap, is het recht om zich vrij binnen de EU te verplaatsen en er vrij te wonen. De mogelijkheid dus om hun land voor kortere of langere perioden te verlaten en naar andere EU-lidstaten te gaan om te werken, te studeren en een opleiding te volgen, zaken te doen of om te winkelen (1).

1.2

In het verslag over het EU-burgerschap 2013 worden op de volgende zes belangrijke gebieden twaalf nieuwe maatregelen voorgesteld om nog meer obstakels uit de weg te ruimen die beletten dat de burgers hun EU rechten ten volle genieten, waaronder het recht om zich vrij tussen de lidstaten te bewegen (2):

(01)

Obstakels voor werknemers, studenten en stagiairs in de EU uit de weg ruimen, waardoor de EU-arbeidsmarkt naar behoren gaat functioneren en deze personen aan de slag kunnen gaan in andere EU-lidstaten en bij kunnen dragen aan de Europese economie.

(02)

De administratieve rompslomp verminderen t.a.v. het recht van vrij verkeer. Burgers die van dit recht gebruikmaken, ondervinden problemen, vaak als gevolg van lange of onduidelijke administratieve procedures.

(03)

De meer kwetsbaren in de EU beschermen. Uit raadplegingen blijkt dat mensen met een handicap moeilijkheden ondervinden wanneer zij zich binnen de EU verplaatsen.

(04)

De belemmeringen voor onlinewinkelen in de EU wegnemen. Deze vorm van winkelen neemt gestaag toe, maar burgers ondervinden daarbij nog altijd problemen.

(05)

Gerichte en toegankelijke informatie in de EU om de burgers (meer) bewust te maken van hun EU-rechten.

(06)

Burgers aan het democratisch proces van de EU laten deelnemen.

1.3

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het vrije verkeer van burgers en bedrijven door vereenvoudigde aanvaarding van bepaalde openbare akten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (COM(2013) 228 final — 2013/0119 (COD)).

1.4

Dit voorstel sluit aan op het verslag over het EU-burgerschap, aangezien er maatregelen in worden voorgesteld die het voor de EU-burgers gemakkelijker zullen maken om daadwerkelijk te genieten van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten.

1.5

In het Verdrag van Lissabon en het EU Handvest van de grondrechten zijn de rechten van de EU-burgers die in het Verdrag van Maastricht waren gedefinieerd, steviger verankerd, waaronder het recht zich vrij binnen de EU te verplaatsen en er vrij te verblijven. Maar de administratieve procedures ter ondersteuning van de uitoefening van deze rechten, werden niet dienovereenkomstig gewijzigd. Zo past de voorlegging van een apostille - een formaliteit uit het pretechnologietijdperk op basis van de Conventie van Den Haag van 1961 om internationaal grensoverschrijdend verkeer te vereenvoudigen - niet meer bij een EU zonder grenzen en belemmert daardoor veeleer de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de EU dan dat het dit vergemakkelijkt.

1.6

Het vereenvoudigen van de aanvaarding van bepaalde openbare akten in de EU, zoals in de ontwerpverordening wordt voorgesteld, is een belangrijke maatregel die zal leiden tot een consistenter rechtskader en daarmee de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de EU ten goede zal komen.

 

Openbare akten van EU-burgers

Akten van de burgerlijke stand (bijv. akten inzake geboorte, overlijden, naam, huwelijk, geregistreerd

partnerschap, ouderschap en adoptie)

Akten inzake woonplaats, burgerschap en nationaliteit

Akten inzake vastgoed

Akten inzake intellectuele-eigendomsrechten

Akten ter staving van de afwezigheid van een strafblad

 

Openbare akten van EU-bedrijven (vennootschappen of andere rechtsvormen van ondernemingen)

Akten inzake rechtsvorm en vertegenwoordiging

Akten inzake vastgoed

Akten inzake intellectuele-eigendomsrechten

Akten ter staving van de afwezigheid van een strafblad

De vereenvoudiging van deze openbare akten zal het vrije verkeer van burgers en bedrijven absoluut helpen bevorderen, aangezien daardoor de handel op de interne markt zal toenemen en het voor de burgers van de lidstaten gemakkelijker zal worden dergelijke akten te verzamelen.

1.7

De invoering van een vereenvoudigd kader voor de aanvaarding van bepaalde openbare akten tot op het niveau van de lokale overheden moet als een belangrijk beleidsinstrument worden beschouwd, omdat zo'n kader onder meer:

de kosten drukt voor bedrijven en overheden: bijna 30 % van de kleine en middelgrote ondernemingen is betrokken bij import- en exportactiviteiten en 2 % heeft directe investeringen in het buitenland (cijfers van 2010). Bovendien is ongeveer 7 % van het Europese mkb betrokken bij internationale onderaannemingsactiviteiten en heeft circa 26 % klanten in een andere lidstaat (3);

het voor burgers en bedrijven gemakkelijker en goedkoper maakt met overheden te communiceren: de gemiddelde jaarlijkse kosten voor een apostille bedragen 13,20 euro. Naar schatting zijn burgers en bedrijven in de EU meer dan 25 miljoen euro kwijt aan apostilles voor gebruik binnen de EU. Verder is de prijs voor de legalisatie van openbare akten die niet onder het Apostilleverdrag vallen, aanzienlijk: gemiddeld 16,50 euro. Bovendien kosten gewaarmerkte vertalingen gemiddeld 30 euro per pagina: in de meeste lidstaten zijn burgers bij een grensoverschrijdend huwelijk tot wel 120 euro kwijt aan gewaarmerkte vertalingen (4);

leidt tot nettokostenbesparingen voor de lidstaten van 5 à 7 miljoen euro door de afschaffing van het apostillevereiste en van nog eens een half tot 1 miljoen euro door de afschaffing van legalisatie (5);

een einde maakt aan indirecte discriminatie van onderdanen van andere lidstaten tegenover onderdanen van de betrokken lidstaat in grensoverschrijdende situaties omdat nationale overheidsinstanties in het algemeen niet vertrouwd zijn met de vereisten die in andere lidstaten voor openbare akten gelden (zoals t.a.v. handtekeningen, zegels en stempels).

1.8

Het EESC vindt het jammer dat de hervormingen die in de ontwerpverordening worden voorgesteld om burgers en bedrijven hun recht van vrij verkeer gemakkelijker te laten uitoefenen, pas 20 jaar na de lancering van het EU-burgerschap en 42 jaar na het Verdrag van Den Haag zijn geformuleerd. De EU heeft met andere woorden geen gelijke tred gehouden met de technologische ontwikkeling, die eerder benut had kunnen worden om de rompslomp voor burgers en bedrijven bij de uitoefening van hun recht van vrij verkeer te verlichten of weg te nemen. Het EESC benadrukt dat het informatiesysteem interne markt (IMI) een belangrijk instrument is, waarvan proactiever gebruik zou moeten worden gemaakt om EU-burgers in staat te stellen hun grondrechten te genieten.

1.9

Het EESC komt dan ook tot de conclusie dat de door de Commissie gepresenteerde beleidsaanbeveling voor:

een wettelijke regeling die het vrije verkeer van burgers en bedrijven bevordert door de administratieve formaliteiten te vereenvoudigen voor het gebruik en de aanvaarding van bepaalde openbare akten in de EU;

in combinatie met betere administratieve samenwerking tussen de lidstaten op basis van het IMI; en

geschraagd met optionele meertalige modelformulieren die overheden in grensoverschrijdende situaties zelfstandig kunnen gebruiken,

een uitstekend voorstel vormt. Een aantal bepalingen uit dit voorstel kan echter nog worden aangescherpt om het recht van EU-burgers op vrij verkeer verder te verstevigen, een recht dat o.a. bedrijven en burgers wederzijdse economische voordelen oplevert.

1.10

Het EESC doet daarom de volgende aanbevelingen:

1.10.1

Toekomstige vereenvoudigingen op het vlak van openbare akten zouden zich moeten richten op belangrijke openbare akten zoals die i.v.m. de mobiliteit van werknemers in de EU (fundamenteel voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende handel) of kwetsbare personen, onder wie gehandicapten, voor zover de desbetreffende openbare akten niet het voorwerp zijn van andere EU-richtlijnen.

1.10.2

Burgers en bedrijven moeten maximale zekerheid hebben over de mate waarin de voorgelegde openbare akten vrijgesteld zijn van alle vormen van legalisatie of vergelijkbare formaliteiten. In het voorstel zou daarom de definitie van "gegronde twijfel" als volgt moeten worden gewijzigd:

"2.

De in lid 1 bedoelde gegronde twijfel heeft betrekking op:

a)

de echtheid van de handtekening,

b)

de hoedanigheid waarin de persoon die de akte heeft ondertekend, heeft gehandeld,

c)

de identiteit van het zegel of het stempel."

1.10.3

Als een lidstaat gegronde twijfel heeft en daarom een officieel verzoek richt tot de betrokken autoriteit van de lidstaat waar een document is afgegeven, zou de persoon of het bedrijf in kwestie expliciet moeten worden geïnformeerd over de reden van dat verzoek.

1.10.4

Er is een evenwichtige verantwoordingsregeling nodig. Daartoe zou de Commissie jaarlijks m.b.v. benchmarks moeten nagaan in hoeverre de lidstaten het voorstel daadwerkelijk implementeren.

1.10.5

Als het IMI stabiel functioneert en de verwachte voordelen zich voordoen, zou de uiterste termijn voor een antwoord in het kader van de administratieve samenwerking moeten worden teruggebracht tot twee weken. Dat zou een duidelijke boodschap zijn voor burgers en bedrijven dat de EU echt concreet werk maakt van het Europees burgerschap en in haar beleid de burger centraal stelt.

1.10.6

De uitwisseling en doorgifte van informatie en documenten door de lidstaten uit hoofde van het voorstel zou de EU-beginselen voor gegevensbescherming moeten weerspiegelen.

2.   Inleiding

2.1

In het programma van Stockholm van 2009 "Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger" (6) wordt erop gewezen hoe belangrijk het is concrete invulling te geven aan het burgerschap van de Unie en de burgers centraal te stellen in het EU-beleid op het gebied van justitie. In het bijbehorende actieplan (7) wordt dit bevestigd en wordt verklaard dat een goed functionerende Europese rechtsruimte "ten dienste van burgers en ondernemingen (moet) staan zodat de economische activiteit in de interne markt wordt ondersteund (…)". De Commissie schreef daarop in haar verslag over het EU-burgerschap van 2010 dat zij zich zou blijven inzetten voor het vrije verkeer van openbare akten, en presenteerde in december 2010 een concrete visie in het groenboek "Minder administratieve formaliteiten voor burgers: De bevordering van het vrije verkeer van openbare documenten en de erkenning van de gevolgen van akten van de burgerlijke stand" (8).

2.2

Tegelijkertijd werd de Akte voor de interne markt (9) goedgekeurd, die het vertrouwen van de burgers in de interne markt moest versterken en ervoor moest zorgen dat de mogelijkheden van die markt als drijvende kracht achter de groei van de Europese economie optimaal werden benut. Daarvoor moest onder andere worden gewerkt aan het wegnemen van onevenredige hindernissen die tot gevolg hadden dat burgers en bedrijven niet goed gebruik konden maken van de vrijheden van de interne markt. Het bevorderen van de mobiliteit van burgers en ondernemingen in de EU is ook een van de hoekstenen van de Akte voor de interne markt II (10).

2.3

Het actieplan van de Commissie voor vennootschapsrecht en corporate governance (11) richt zich op het ondersteunen van Europese ondernemingen, met name om hun meer rechtszekerheid te bieden bij grensoverschrijdende transacties. In de Digitale agenda voor Europa (12) wordt gewezen op de voorgestelde wetgeving inzake elektronische identificatie en elektronische handtekeningen (13), waaronder de invoering van een rechtskader voor algemene administratieve faciliteiten in verband met de elektronische identificatie van burgers en ondernemingen.

2.4

In het recente Actieplan Ondernemerschap 2020 (14) wordt benadrukt dat het verminderen van de overmatige regeldruk hoog op de beleidsagenda van de Commissie blijft staan. In dit actieplan staat dat bureaucratie overal waar mogelijk moet worden uitgebannen of afgebouwd voor alle bedrijven, met name voor micro-ondernemingen. Vermindering van de bureaucratie, vereenvoudiging van de procedures voor het grensoverschrijdend gebruiken en aanvaarden van openbare akten, en harmonisatie van de desbetreffende regels: het draagt allemaal bij tot de vorming van een Europa van de burger en tot een goed werkende interne markt voor EU-ondernemingen.

2.5

In het verslag over het EU-burgerschap wordt benadrukt dat dit burgerschap de burgers nieuwe rechten en kansen biedt. Het recht dat de inwoners van de lidstaten volgens dit verslag het meest associëren met het EU-burgerschap, is het recht om zich vrij binnen de EU te verplaatsen en er vrij te wonen. De mogelijkheid dus om hun land voor kortere of langere perioden te verlaten en naar andere EU-lidstaten te gaan om te werken, te studeren en een opleiding te volgen, zaken te doen of om te winkelen. In het verslag over het EU-burgerschap 2013 worden op de volgende zes belangrijke gebieden twaalf nieuwe maatregelen voorgesteld om nog meer obstakels uit de weg te ruimen die beletten dat de burgers hun EU rechten ten volle genieten, waaronder het recht om zich vrij tussen de lidstaten te bewegen en overal in de EU een bedrijf op te richten (15):

(01)

Obstakels voor werknemers, studenten en stagiairs in de EU uit de weg ruimen

(02)

De administratieve rompslomp verminderen

(03)

De meer kwetsbaren in de EU beschermen

(04)

De belemmeringen voor onlinewinkelen in de EU wegnemen

(05)

Gerichte en toegankelijke informatie

(06)

Burgers aan het democratisch proces van de EU laten deelnemen

2.6

In het Verdrag van Lissabon en het EU Handvest van de grondrechten zijn de rechten van de EU-burgers die in het Verdrag van Maastricht waren gedefinieerd, steviger verankerd, waaronder het recht zich vrij binnen de EU te verplaatsen en er vrij te verblijven. Maar de administratieve procedures ter ondersteuning van de uitoefening van deze rechten, werden niet dienovereenkomstig gewijzigd. Het rechtskader in de EU is nog steeds versnipperd omdat de lidstaten blijven doorgaan met administratieve formaliteiten zoals het vereisen van een apostille om kopieën en vertalingen te waarmerken - een formaliteit op basis van de Conventie van Den Haag van 1961 om internationaal grensoverschrijdend verkeer te vereenvoudigen. Deze formaliteit past niet meer bij een EU zonder grenzen en belemmert daardoor veeleer de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de EU dan dat het dit vergemakkelijkt.

2.7

Burgers die nu bijvoorbeeld van de ene naar de andere lidstaat verhuizen, zijn veel tijd en geld kwijt om voor authentieke openbare akten uit hun lidstaat van herkomst te zorgen. Algemeen wordt dan ook erkend dat burgers en bedrijven zonder meer zullen profteren van een consistent en transparant regelgevingskader voor bepaalde openbare akten die essentieel zijn voor het verkeer van goederen, diensten en personen in de EU en op de interne markt.

2.8

De EU heeft geen gelijke tred gehouden met de technologische ontwikkeling, die benut kan worden om de rompslomp voor burgers en bedrijven bij de uitoefening van hun recht van vrij verkeer te verlichten of weg te nemen. Het EESC ziet in dat het IMI, een webgebaseerde toepassing waarmee nationale, regionale en lokale autoriteiten snel en gemakkelijk met hun buitenlandse tegenhangers kunnen communiceren, een geschikt ICT-platform is dat de administratieve samenwerking vereenvoudigt eens het voorstel wordt uitgevoerd. Het IMI zal ook dienen als een belangrijk geheugen van modellen van de nationale openbare akten die het vaakst worden gebruikt in de EU, m.i.v. de vertalingen ervan in alle officiële EU-talen, teneinde autoriteiten met onvoldoende talenkennis te helpen bij de beoordeling van de juistheid of kwaliteit van vertalingen van openbare akten die aan hen zijn voorgelegd (16).

2.9

Het EESC vindt het jammer dat de hervormingen die in de ontwerpverordening worden voorgesteld om burgers en bedrijven hun recht van vrij verkeer gemakkelijker te laten uitoefenen, pas 20 jaar na de lancering van het EU-burgerschap en 42 jaar na het Verdrag van Den Haag zijn geformuleerd.

3.   Juridische elementen van het voorstel

Nu volgt de reactie van het EESC op de voornaamste punten uit het voorstel.

3.1   Onderwerp, toepassingsgebied en definities

3.1.1

De in artikel 3, onder (1), van het voorstel gegeven definitie van "openbare akten" omvat terecht de voornaamste openbare akten die verband houden met de rechten van EU-burgers en -bedrijven.

3.1.2

De in het voorstel genoemde openbare akten zouden echter slechts de eerste moeten vormen van een hele reeks openbare akten waarvan de aanvaarding wordt vereenvoudigd, teneinde de mobiliteit in de EU te bevorderen, grensoverschrijdende activiteiten te stimuleren en het functioneren van de interne markt te verbeteren.

3.1.3

Toekomstige vereenvoudigingen op het vlak van openbare akten zouden zich moeten richten op belangrijke openbare akten zoals die i.v.m. de mobiliteit van werknemers in de EU (fundamenteel voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende handel) of personen met een handicap, voor zover de desbetreffende openbare akten niet het voorwerp zijn van andere EU-richtlijnen. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nationale opleidings-/accrediteringscertificaten en verklaringen op het vlak van sociale zekerheid.

3.2   Vrijstelling van legalisatie, vereenvoudiging van andere formaliteiten, en verzoeken om informatie

3.2.1

De huidige regels op grond waarvan een apostille moet worden voorgelegd, weerspiegelen internationale procedures en sluiten bijgevolg niet aan op de ontwikkeling van een interne markt in de EU. Ongeveer 12,5 miljoen EU-burgers wonen in een andere lidstaat en meer dan 380 000 micro-, kleine en middelgrote ondernemingen uit de EU zijn in de Unie betrokken bij grensoverschrijdende onderaannemingsactiviteiten. Al deze burgers en ondernemingen worden voortdurend geconfronteerd met administratieve rompslomp en overbodige bureaucratie als zij zich tussen twee lidstaten bewegen of grensoverschrijdend zaken doen. Deze situatie past niet bij een Europa zonder grenzen.

3.2.2

Het is daarom een goede zaak dat het voorstel ertoe strekt om openbare akten vrij te stellen van de in de lidstaten geldende wettelijke en administratieve vereisten. Het EESC beschouwt dit als de eerste fase van een permanent programma voor de vereenvoudiging van openbare akten.

3.2.3

Er zijn inderdaad maatregelen nodig om te waarborgen dat de echtheid van documenten voldoende wordt gecontroleerd indien sprake is van gegronde twijfel. Het EESC erkent dat er zich situaties zullen voordoen waarin lidstaten administratief moeten samenwerken om zekerheid te krijgen dat een openbare akte of de gewaarmerkte kopie daarvan authentiek is.

3.2.4

Burgers en bedrijven moeten absoluut maximale zekerheid hebben over de mate waarin de voorgelegde openbare akten vrijgesteld zijn van alle vormen van legalisatie of vergelijkbare formaliteiten. Die zekerheid zal hun in staat stellen om hun activiteiten proactief te plannen. Als dat gebeurt, zullen de materiële en immateriële voordelen die de Commissie in haar effectbeoordeling noemt, daadwerkelijk worden gerealiseerd (17).

3.2.5

Aan de echtheid van 99 % van de ongeveer 1,4 miljoen apostilles die overeenkomstig de huidige regels jaarlijks voor activiteiten binnen de EU worden voorgelegd, wordt niet getwijfeld. De door de Commissie gepresenteerde beleidsoptie voor administratieve samenwerking (op basis van het IMI in geval van gegronde twijfel over de echtheid van openbare akten waarvoor meertalige formulieren bestaan) zou dan ook tot goede resultaten moeten leiden.

3.2.6

In het voorstel zou de definitie van "gegronde twijfel" eenduidig moeten worden gemaakt om onzekerheid te vermijden. Deze definitie zou daarom als volgt moeten worden gewijzigd:

"2.

De in lid 1 bedoelde gegronde twijfel heeft betrekking op:

a)

de echtheid van de handtekening,

b)

de hoedanigheid waarin de persoon die de akte heeft ondertekend, heeft gehandeld,

c)

de identiteit van het zegel of het stempel."

3.2.7

Als een lidstaat op basis van deze nieuwe definitie gegronde twijfel heeft en daarom een officieel verzoek richt tot de autoriteit in kwestie van de lidstaat waar een document is afgegeven, zou de betrokkene expliciet moeten worden geïnformeerd over de reden van dat verzoek.

3.2.8

Als het IMI eenmaal in alle lidstaten is geïmplementeerd en uit periodieke voortgangsverslagen blijkt dat dit systeem stabiel is en functioneert en het betrokken personeel in de lidstaten de noodzakelijke kennis heeft opgedaan, zullen de onderlinge verzoeken van de lidstaten om administratieve samenwerking ongetwijfeld veel sneller kunnen worden afgehandeld dan binnen de in het voorstel vastgestelde maximale termijn van één maand. Wanneer daarom in de praktijk inderdaad blijkt dat er aanzienlijke vooruitgang is geboekt, zou de Commissie deze maximale termijn moeten terugschroeven tot twee weken. Dat zou een duidelijke boodschap zijn voor burgers en bedrijven dat de EU echt concreet werk maakt van het Europees burgerschap en in haar beleid de burger centraal stelt.

3.2.9

Er is een evenwichtige verantwoordingsregeling nodig aan de hand waarvan kan worden beoordeeld in hoeverre de lidstaten het voorstel daadwerkelijk implementeren. De Commissie zou daartoe jaarlijks hun prestaties m.b.v. benchmarks moeten analyseren.

3.3   Administratieve samenwerking

Het IMI (art. 8) zou inderdaad moeten worden gebruikt wanneer de autoriteiten van een lidstaat gegronde twijfel hebben over de echtheid van een openbare akte of een gewaarmerkte kopie daarvan en deze twijfel niet op een andere manier kan worden weggenomen (art. 7). Ook is het een goede zaak dat elke lidstaat ten minste één centrale autoriteit moet aanwijzen en aan de Commissie de contactgegevens van alle aangewezen centrale autoriteiten moet doorgeven (art. 9), en dat de centrale autoriteiten bijstand moeten verlenen in verband met de in artikel 7 bedoelde verzoeken om informatie en alle maatregelen moeten nemen die nodig zijn om de toepassing van de verordening te vergemakkelijken (art. 10).

3.4   Meertalige standaardformulieren op EU-niveau

Het EESC kan zich erin vinden dat meertalige EU-modelformulieren betreffende geboorte, overlijden, huwelijk, geregistreerd partnerschap en rechtsvorm en vertegenwoordiging van een vennootschap of andere onderneming zijn vastgesteld en in de bijlagen opgenomen (art. 11). Het is ook positief dat deze formulieren, met daarop de datum van afgifte en de handtekening en het stempel van de afgevende autoriteit, op verzoek aan burgers en vennootschappen of andere ondernemingen moeten worden aangeboden als alternatief voor de equivalente openbare akten die in de betrokken lidstaat bestaan (art. 12). De Commissie doet er tevens inderdaad goed aan uitvoerige richtsnoeren op te stellen voor het gebruik van de modelformulieren (art. 13) en elektronische versies daarvan te ontwikkelen (art. 14). Het EESC juicht toe dat deze formulieren dezelfde formele bewijskracht als de equivalente openbare akten hebben en door de autoriteiten van de lidstaten zonder dat verdere formaliteiten moeten worden aanvaard (art. 15).

3.5   Verband met andere instrumenten

Het is een goede zaak dat de verordening andere EU-wetgeving en het gebruik van andere bij het EU-recht ingevoerde systemen voor administratieve samenwerking (art. 16) alsook de toepassing van internationale verdragen waarbij een of meer lidstaten partij zijn, onverlet laat, maar voorrang heeft op door de lidstaten gesloten overeenkomsten voor zover deze betrekking hebben op aangelegenheden waarop de verordening van toepassing is (art. 18). Het EESC staat ook achter de invoeging van de standaardtekst zoals opgenomen in artikel 17.

3.6   Algemene en slotbepalingen

3.6.1

Terecht is de bepaling opgenomen dat door de lidstaten alleen gegevens en documenten mogen worden uitgewisseld en doorgegeven om de echtheid van openbare akten via het IMI te kunnen controleren (art. 19). Het is ook goed dat de lidstaten de Commissie op de hoogte moeten stellen van de centrale autoriteiten die zij hebben aangewezen alsook van iedere latere wijziging in de over die autoriteiten doorgegeven informatie, en dat de Commissie deze informatie openbaar maakt (art. 20). Tot slot kan het EESC zich erin vinden dat de Commissie uiterlijk om de drie jaar bij het Europees Parlement een verslag zal indienen over de toepassing van de verordening (art. 21).

3.6.2

Artikel 19 "Gegevensbescherming" is volgens het EESC inderdaad nadrukkelijk bedoeld om ervoor te zorgen dat de uitwisseling en doorgifte van informatie en documenten door de lidstaten uit hoofde van het voorstel de EU-beginselen voor gegevensbescherming weerspiegelt.

Brussel, 11 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2013) 269 final.

(2)  Idem.

(3)  SWD(2013) 144 final.

(4)  Idem.

(5)  Idem.

(6)  PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.

(7)  COM(2010) 171 final.

(8)  COM(2010) 747 final.

(9)  COM(2011) 206 final.

(10)  COM(2012) 573 final.

(11)  COM(2012) 740 final.

(12)  COM(2012) 784 final.

(13)  COM(2012) 238 final.

(14)  COM(2012) 795 final.

(15)  Idem.

(16)  Verordening (EU) nr. 1024/2012 van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (verschenen in het Publicatieblad van 14 november 2012) biedt veel flexibiliteit voor toekomstige uitbreidingen van het IMI tot Unie-handelingen die nog niet in de bijlage zijn opgenomen (art. 4 van de IMI-verordening), op basis van door de Commissie uitgevoerde proefprojecten en evaluaties van de resultaten daarvan, inclusief aangelegenheden in verband met gegevensbescherming en effectieve vertaalfaciliteiten.

(17)  SWD(2013) 144 final.


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/58


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaaleconomische resultaten

COM(2012) 669 final

2013/C 327/12

Rapporteur: Mário SOARES

Corapporteur: Pavel TRANTINA

De Europese Commissie heeft op 20 november 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaaleconomische resultaten

COM(2012) 669 final.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 26 juni 2013 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 154 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité schaart zich achter de grote lijnen van het initiatief van de Commissie, en dan met name de maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, maar wijst erop dat de inhoud van het Commissiedocument niet beantwoordt aan de verwachtingen die door de ambitieuze titel worden gewekt.

1.2

De huidige sociaaleconomische crisis beïnvloedt de budgettaire keuzes van de EU-landen, en dat vooral in de landen die de broekriem moeten aanhalen. Bovendien wordt de situatie nu nog bemoeilijkt door de verlaging van de begroting van de Unie zelf. Het Comité waarschuwt dat besnoeiingen in de onderwijsbudgetten een aantal onmisbare initiatieven en voorstellen dreigen te doen verzanden in louter goede bedoelingen.

1.3

Het Comité is zich ervan bewust dat het onderwijs voor grote en dringende uitdagingen staat en dat de kloof tussen school en arbeidsmarkt zo snel mogelijk moet worden overbrugd, en formuleert daarom de volgende aanbevelingen:

 

Aan de Europese instellingen:

1.3.1

De mechanismen voor de verzameling, indiening en interpretatie van gegevens over onderwijs en opleiding moeten transparant en vergelijkbaar worden.

1.3.2

Ook de huidige Europese onderwijsprocedures en de diverse al bestaande instrumenten moeten worden herzien, en dan met name de Europese normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging (ESGQA).

1.3.3

De voorgestelde maatregelen moeten worden opgenomen in initiatieven die gericht zijn op de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt, in het bijzonder het actieplan "Jeugd in beweging", waarin werkgelegenheid en ondernemingszin centraal staan.

1.3.4

In de volgende EU-begroting moeten de nodige middelen worden vrijgemaakt om dit alles te realiseren; we denken dan met name aan het onlangs goedgekeurde initiatief voor werkgelegenheid voor jongeren.

 

Aan de lidstaten:

1.3.5

Het beleid inzake werkgelegenheid en openbare kwaliteitsdiensten moet worden herzien en/of met het oog op de toekomst worden geactualiseerd. Om de doelstellingen inzake onderwijs volledig te realiseren moeten investeringen in deze sector immers hand in hand gaan met beleidsmaatregelen op sociaal, economisch en werkgelegenheidsvlak die gericht zijn op duurzame groei en welzijn. De sociale partners en andere maatschappelijke organisaties moeten ten volle bij een en ander worden betrokken.

1.3.6

De verwerving van ondernemersvaardigheden moet worden opgenomen in het onderwijsbeleid en de leerplannen; het schoolprogramma kan daarbij eventueel worden aangevuld met bedrijfsstages, en ondernemingen moeten ertoe worden aangezet deel te nemen aan initiatieven van scholen.

1.3.7

Scholen moeten vaker gebruik gaan maken van duale stelsels voor onderwijs en beroepsopleiding, waarbij klassikaal leren wordt gecombineerd met praktijkervaring. Scholen en bedrijven moeten zich bewust worden van het belang van dergelijke initiatieven.

1.3.8

De verhouding tussen beroepsonderwijs en -opleiding en de arbeidsmarkt moet dringend opnieuw worden bekeken, zodat er een beter overzicht komt van eventuele lacunes en beroepsopleidingen daadwerkelijk kunnen worden afgestemd op de behoeften van de arbeidsmarkt.

1.3.9

Iedereen moet de kans krijgen een leven lang te leren en bij- of omscholing te volgen; mensen hebben immers op elk moment van hun leven recht op kwaliteitsopleiding.

1.3.10

Niet-formele opleidingen moeten via een creatieve en innovatieve aanpak erkenning en waardering krijgen; dit houdt in dat meer zichtbaarheid wordt gegeven aan vaardigheden die buiten het formele onderwijs zijn verworven, formeel en niet-formeel leren elkaar beter gaan aanvullen en tegelijk wordt gewerkt aan gelijke kansen.

1.3.11

Het is zaak gemeenschappelijke normen en beginselen vast te leggen, zodat kwaliteitscriteria kunnen worden afgebakend voor de regelingen op grond waarvan niet-formele vormen van onderwijs worden erkend en gevalideerd.

1.3.12

Er moet worden geïnvesteerd in de opleiding en aanwerving van bekwame docenten. Dat kan door de lerarenopleiding te verbeteren, te streven naar gelijke aantallen mannelijke en vrouwelijke docenten en betere arbeids- en loonvoorwaarden en carrièremogelijkheden te bieden, zodat het beroep aantrekkelijker wordt voor jongeren.

1.3.13

Het budget voor onderwijs en opleiding moet worden gezien als een investering in de toekomst, die onmisbaar is om te kunnen voldoen aan de verplichting alle burgers gepast kwaliteitsonderwijs te bieden. Besparingen waardoor het moeilijker wordt deze verplichting na te leven, zijn dan ook uit den boze.

1.3.14

Alle betrokken partijen (waaronder jeugd- en gemeenschapsverenigingen, scholen, docenten, ouders en opvoeders, bedrijven en vakverenigingen) moeten worden betrokken bij de uitstippeling en follow-up van het onderwijsbeleid en het opsporen van mogelijke problemen, alsook bij onderwijs en opleiding en het voorbereiden van jongeren op het maatschappelijk leven; daarbij is het zaak duidelijke doelstellingen af bakenen, regelmatig de balans op te maken en voldoende middelen ter beschikking te stellen om een en ander op de lange termijn te kunnen waarmaken.

 

Aan de sociale partners:

1.3.15

De sociale partners moeten hun verantwoordelijkheid opnemen en behoorlijk uitvoering geven aan het actiekader voor jeugdwerkgelegenheid dat deel uitmaakt van hun gemeenschappelijk werkprogramma voor 2012-2014. Daarbij moet worden bekeken hoe het onderwijs, de verwachtingen van jongeren en de behoeften van de arbeidsmarkt nauwer op elkaar kunnen worden afgestemd en moet aandacht uitgaan naar de overgang van school naar arbeidsmarkt, dit alles met de bedoeling de algemene arbeidsparticipatie te verhogen.

2.   Inleiding

2.1

Het Comité besteedt heel wat aandacht aan de onderwijsproblematiek, en verheugt zich er dan ook over dat de Commissie in haar mededeling bevestigt dat "investeringen in onderwijs en opleiding (…) van essentieel belang (zijn) voor het stimuleren van de groei en (…) de productiviteit" (1). Het deelt ook de bezorgdheid van de Commissie – die in de tekst doorschemert – over de ingrijpende veranderingen op de Europese arbeidsmarkten. Deze maken duidelijk dat een hervorming van het onderwijs niet langer mag worden uitgesteld en dat de tekortkomingen en gebreken dringend moeten worden aangepakt.

2.2

Het EESC heeft tal van adviezen uitgebracht waarin het erop hamert dat onderwijs op de eerste plaats gericht moet blijven op de vorming van vrije en zelfstandige burgers met een kritische geest, die de samenleving waarin zij leven mee kunnen helpen ontwikkelen en zich ervan bewust zijn dat zij dezelfde waarden en cultuur delen. Het heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de erkenning van onderwijs als fundamenteel mensenrecht (2).

2.3

Het Comité is ervan overtuigd dat tijdens de lerarenopleiding aandacht moet worden besteed aan moderne communicatietechnieken; dat zou school interessanter en nuttiger moeten maken (3).

2.4

Het Comité is het ermee eens dat dringend coherente en transversale beleidsoplossingen moeten worden gevonden voor een aantal fundamentele kwesties, met name het aanhoudende hoge aantal voortijdige schoolverlaters in Europa, het beperkte succes van bij- en nascholing, de miljoenen mannen en vrouwen die nog steeds laagopgeleid zijn, de gebrekkige leesvaardigheden van kinderen onder de vijftien en de massale jeugdwerkloosheid in een aantal EU-lidstaten.

2.5

Het Comité vreest echter dat de door de Commissie voorgestelde initiatieven in de huidige crisissituatie op niets zullen uitdraaien. De besparingen, en met name het kortwieken van de budgetten voor onderwijs en opleiding, dreigen een voortijdig einde te maken aan de pogingen om fundamentele ongelijkheden aan te pakken en iedereen kwaliteitsonderwijs te bieden (4).

2.6

Onderwijs behoort tot de bevoegdheden van de lidstaten, wat niet wegneemt dat ook voor de EU een belangrijke rol is weggelegd, hetzij via de opencoördinatiemethode waarbij de verschillende onderwijsministers gaan samenwerken, hetzij via de mechanismen voor gegevensinzameling op Europees niveau, of nog via de vele Europese onderwijsinitiatieven zoals de processen van Bologna en Kopenhagen, het Communiqué van Brugge, het Europees systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten (ECTS), het Europees systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET), het Europees kwalificatiekader (EQF), en de Europese normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging (ESGQA) (5).

2.7

Grote delen van het maatschappelijk middenveld maken zich niet alleen zorgen over de kloof tussen de vaardigheden van jongeren en de behoeften van het bedrijfsleven, maar ook over de lastige overgang van school naar werk en de moeite die het werklozen kost een baan te vinden. Dit zijn inderdaad pijnpunten waarvoor een oplossing moet worden gevonden. Bijzondere lof verdient dan ook het besluit van de Commissie om uitwisselingen tussen onderwijs en bedrijfsleven te bevorderen en meer werk te maken van gemeenschappelijke initiatieven en acties die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken, de belemmeringen voor mobiliteit binnen de EU uit de weg te ruimen, de arbeidsmarkt aanmerkelijk vlotter te doen functioneren en gelijke kansen te verzekeren. Het Comité roept de Commissie en de lidstaten op voort te gaan op de ingeslagen weg, en daarbij vast te houden aan het Europees sociaal model en de sociale samenhang te versterken.

2.8

Het Comité is ingenomen met het nieuwe actiekader voor jeugdwerkgelegenheid, dat een cruciale schakel is van het gemeenschappelijke werkprogramma van de sociale partners voor 2012-2014 en voor het eerst werd voorgesteld tijdens de tripartiete sociale top van 14 maart 2013.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Positief is dat de Commissie bijzondere aandacht besteedt aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid. De belangrijkste vier actieterreinen in dat verband zijn: onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit, praktische, op werk gebaseerde opleiding, duale vormen van leren en opleiding, en het stimuleren van partnerschappen om gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken.

3.2

De inhoud van het Commissiedocument beantwoordt niet aan de verwachtingen die door de ambitieuze titel worden gewekt, waarschijnlijk omdat de Commissie zich toespitst op één enkele doelstelling. Het Comité is van mening dat de Commissie voor een bredere benadering had moeten kiezen en had kunnen ingaan op prangende kwesties zoals de demografische situatie in Europa, de energieproblematiek, en migratie, stuk voor stuk problemen waarvoor geen eenduidige oplossing bestaat. Ook zou de Commissie in de toekomst rekening moeten houden met andere inzichten, zoals die bij voorbeeld naar voren worden gebracht in recente studies van de VN en de Unesco (6).

3.3

Het Commissievoorstel indachtig wijst het Comité erop dat we ons er niet toe mogen laten verleiden onderwijs te beschouwen als een instrument dat louter gericht is op de ontwikkeling van vaardigheden voor de arbeidsmarkt en op meer inzetbaarheid (7). Het Comité herhaalt ervan overtuigd te zijn dat inzetbaarheid niet alleen te maken heeft met het verwerven van basisvaardigheden en praktische ervaring, maar ook met kwaliteiten en attitudes zoals actief burgerschap, persoonlijke ontplooiing en welzijn. Inzetbaarheid kan weliswaar worden beschouwd als een doelstelling van de herziening van het onderwijsbeleid, maar dan op voorwaarde dat daaraan geen al te strikte interpretatie wordt gegeven.

3.4

Om de doelstellingen inzake onderwijs volledig te realiseren moeten investeringen hand in hand gaan met beleidsmaatregelen op sociaal, economisch en werkgelegenheidsvlak, die gericht zijn op duurzame groei en welzijn. Het Comité heeft de EU en de lidstaten al eerder verzocht om, met name in de context van de crisis, het beleid inzake werkgelegenheid en openbare kwaliteitsdiensten te herzien en/of met het oog op de toekomst te actualiseren, meer aandacht te besteden aan specifieke groepen (kinderen, mensen met bijzondere behoeften, migranten, enz.) en erop toe te zien dat de genderdimensie en de volledige participatie van de maatschappelijke organisaties als een rode draad door alle deze beleidsgebieden lopen (8).

3.5

Het is een feit dat de vaardigheden waarover jongeren en werknemers beschikken op dit moment nog te ver af staan van de behoeften van de arbeidsmarkt. De kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt moet dan ook dringend worden overbrugd, ook al is het natuurlijk zo dat school- en werktijden nooit gelijk kunnen lopen.

3.6

Het Comité is ingenomen met het recente besluit van de Europese Raad om een "Jeugdgarantie" in te voeren, wat inhoudt dat alle jongeren tot de leeftijd van 25 jaar binnen vier maanden nadat zij het onderwijs hebben verlaten of werkloos zijn geworden, een goede baan, voortgezet onderwijs, of een beroepsstage krijgen aangeboden.

3.7

Zorgwekkend is wel dat de huidige werkloosheid niet alleen jongeren maar ook de oudste werknemers treft. Daarom zouden deze werknemers niet alleen hun kennis en kunde moeten inzetten om jongeren te helpen bij hun integratie op de arbeidsmarkt, zij beschikken ook over een schat aan ervaring die het waard is te worden doorgegeven.

3.8

Het Comité betreurt dat de Commissie in haar mededeling nalaat op te merken dat niet-formeel leren een belangrijke aanvulling is op het formele onderwijs, en verwijst naar de oproep van de deelnemers aan het symposium van Straatsburg om zich gezamenlijk in te zetten voor de erkenning van niet-formeel leren in Europa op middellange en lange termijn (9).

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   Transversale en basisvaardigheden

4.1.1

Het Comité is het met de Commissie eens dat "de inspanningen moeten worden geconcentreerd op de ontwikkeling van transversale vaardigheden, met name ondernemersvaardigheden", maar wijst er wel op dat er als eerste voor moet worden gezorgd dat iedereen over basisvaardigheden beschikt. Ook schaart het zich achter de uitspraak van de Commissie dat het leren van talen bijzondere aandacht moet krijgen. Jongeren met goede horizontale en basisvaardigheden (met name werken in teamverband, verschillende talen kennen, gebruik kunnen maken van informaticatools, zich een mening kunnen vormen en die ook kenbaar kunnen maken, deelnemen aan besluitvorming, enz.) zullen wellicht gemakkelijker kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt en slagen in het bedrijfsleven.

4.1.2

Ondernemersvaardigheden zijn ongetwijfeld van groot belang, op voorwaarde dat zij niet alleen gericht zijn op het oprichten van bedrijven. Wie niet over ondernemingsgeest beschikt zal weinig bereiken in het leven, vooral in moeilijke tijden zoals we die nu doormaken. Het is dus een goede zaak dat de ontwikkeling van deze vaardigheden wordt opgenomen in het onderwijsbeleid en de leerplannen.

4.1.3

Het curriculum even buiten beschouwing gelaten is het voor het aankweken van ondernemingsgeest belangrijk dat jongeren de kans krijgen stage te lopen in een bedrijf of organisatie en dat ondernemingen en organisaties ertoe worden aangezet deel te nemen aan initiatieven van scholen. De Commissie en de lidstaten zouden duidelijker moeten aangeven wat wordt bedoeld met gelijke toegang tot een degelijke opleiding en programma's ter voorbereiding op het beroepsleven, en een samenhangende reeks indicatoren moeten uitwerken voor een vergelijking op de verschillende niveaus en de beoordeling van de resultaten, dit in overleg met de sociale partners en het maatschappelijk middenveld.

4.1.4

Het Comité gelooft echter dat jongeren pas ten volle profijt zullen kunnen trekken van hun ondernemersvaardigheden als zij ook in staat zijn samen te werken; het onderwijs moet dus ook de teamgeest van kinderen en jongeren ontwikkelen.

4.1.5

Het onderricht in exacte wetenschappen, technologie, ingenieurwetenschappen en wiskunde (STEM) (10) moet centraal blijven staan in een samenleving waar technologie en technologische ontwikkelingen de toon aangeven, en waar de vraag naar hoogopgeleide werknemers met een zeer gedegen wetenschappelijke kennis alleen maar zal toenemen (11). Belangrijk is echter dat deze leerstof wordt behandeld op een meer gebruiksvriendelijke en creatieve manier, zodat zij aantrekkelijker wordt en het genderevenwicht wordt verbeterd (12).

4.1.6

De Commissie verzuimt te verwijzen naar de gevolgen van de crisis en de bezuinigingsmaatregelen voor wetenschap, onderzoek en de betrokkenen (onderzoekers, academici, universiteiten). De huidige braindrain in diverse EU-landen wordt evenmin aangekaart. Het Comité heeft er al in tal van adviezen (13) op gewezen dat de Europese onderzoeksruimte volledig moet worden voltooid, en dat het vrije verkeer van onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologie moet worden uitgeroepen tot de "vijfde vrijheid" van de interne markt.

4.2   Beroepsvaardigheden

4.2.1

Het Comité deelt de bezorgdheid van de Commissie over het feit dat onderwijs en arbeidsmarkt niet op elkaar zijn afgestemd. Als het onderwijs niet aansluit op de arbeidsmarkt, kan dat er immers toe leiden dat vaardigheden onvolkomen blijven, en, erger nog, dat mensen geen werk vinden (14). Er moet meer aandacht uitgaan naar een herziening van onderwijs en beroepsopleiding en er moet meer inzicht komen in de manier waarop onderwijs, beroepsopleiding en arbeidsmarkt zich tot elkaar verhouden, zodat onderwijs en opleiding daadwerkelijk kunnen inspelen op de vraag op de arbeidsmarkt. Overigens is medewerking van de sociale partners en de maatschappelijke organisaties van groot belang willen we uiteindelijk komen tot een beroepsopleiding die echt iets betekent op de arbeidsmarkt  (15).

4.2.2

Opleiding en erkenning van vaardigheden op het gebied van ICT is voor de arbeidsmarkt enorm belangrijk. Het is daarom zaak te investeren in specifieke programma's voor het aanleren van deze vaardigheden in het beroeps- en het hoger onderwijs, met name aan jonge vrouwen. Het Comité staat achter het voorstel inzake een Europees kwaliteitslabel voor het bedrijfsleven en voor opleiding en certificatie op het gebied van ICT.

4.2.3

Het Comité herhaalt dat iedereen recht heeft op alle kennis en vaardigheden die nodig zijn voor volledige integratie in het beroepsleven en de samenleving. Niet alleen jongeren die op het punt staan de arbeidsmarkt te betreden hebben recht op beroepsopleiding, alle werknemers moeten zich kunnen bijscholen, zodat zij hun kennis kunnen bijschaven en nieuwe ontwikkelingen kunnen bijbenen. Inzetbaarheid is niet alleen een zaak van jongeren.

4.2.4

Leren op het werk, en met name de duale stelsels, waarbij klassikaal leren wordt gecombineerd met praktijkervaring, kunnen de veranderingen in gang zetten die nodig zijn om banen te creëren (16). Wel dienen dergelijke regelingen deel uit te maken van het onderwijssysteem, wat betekent dat de rol van de verschillende betrokkenen duidelijk moet worden afgebakend. Om deze manier van leren meer ingang te doen vinden is bewustmaking van scholen en bedrijven van vitaal belang (17).

4.3   Het stimuleren van open en flexibel leren

4.3.1

De samenleving verandert sneller dan ooit te voren (van industriële samenleving naar kennismaatschappij, en vervolgens naar een netwerkmaatschappij), wat ons verplicht tot een creatieve en innovatieve aanpak, waarbij verbanden worden gelegd tussen verschillende gebieden en activiteiten, de schijnwerper wordt gericht op behaalde successen, bruggen worden geslagen tussen cultuur, algemeen onderwijs en beroepsopleiding en de arbeidsmarkt, formeel en niet-formeel leren elkaar beter gaan aanvullen en tegelijk wordt gewerkt aan gelijke kansen.

4.3.2

Mensen aanzetten tot leren heeft zin als daarvoor ook de nodige voorwaarden aanwezig zijn; persoonlijke inzet is een vereiste, maar volstaat op zich niet. Wordt hieraan niet voldaan, dan zullen de groepen die vanzelf al benadeeld zijn of buiten de boot vallen, collectief op een zijspoor belanden. Het geringe succes van het volwassenenonderwijs baart het Comité dan ook steeds meer zorgen: volgens de Commissie volgt gemiddeld 8,9 % van de volwassenen bij- of nascholing; in 7 lidstaten is dat zelfs maar krap 5 %.

4.3.3

De al te strikte procedures voor de erkenning van kennis die is opgedaan buiten de school (niet-formeel leren) moeten worden verbeterd. Belangrijk daarbij is dat besluiten worden genomen in overleg met de betrokken sociale partners en andere maatschappelijke organisaties, en dat de overheid toeziet op de kwaliteit van de erkenningsprocedures. Een en ander kan ertoe bijdragen dat met name de sociale partners beter de voordelen van niet-formeel leren gaan inzien. Om ervoor te zorgen dat iedereen de vruchten kan plukken van de erkenning en validering van vaardigheden, moet de informatie over de desbetreffende procedures zo algemeen en helder mogelijk zijn.

4.3.4

In deze tijden van hoge werkloosheid, met name onder jongeren, kan Europa niet anders dan op de middellange en lange termijn gaan nadenken over een meer open en flexibele benadering van kennisverwerving. Concreet houdt dit in dat de lidstaten onder meer de volgende stappen nemen:

a)

iedereen de kans geven een leven lang te leren; op die manier kunnen mensen hun vaardigheden verbeteren en krijgen ze toegang tot beter gekwalificeerde arbeidsplaatsen, wat aansluit bij de doelstelling van "inclusieve groei" van de Europa 2020-strategie;

b)

ervoor zorgen dat jongeren die dat wensen deskundig worden begeleid bij hun beroepskeuze;

c)

samen met de sociale partners concrete, innovatieve en creatieve oplossingen bedenken om betere opleidingskansen te bieden (bijscholing en omscholing) aan al wie al werk heeft of nog werk zoekt, maar onvoldoende is opgeleid, hetzij op school hetzij daarbuiten; daarbij dient rekening te worden gehouden met de leeftijd, ervaring en kennis van de werknemers in kwestie;

d)

het recht op erkende kwaliteitsopleiding vastleggen; zo moet worden bepaald hoeveel uren elke werknemer jaarlijks aan opleiding mag besteden, onafhankelijk van zijn opleidingsniveau of soort contract;

e)

bedrijven ertoe aansporen plannen voor de ontwikkeling van vaardigheden op te stellen, waarbij werknemers en werkgevers samenwerken, rekening houden met de specifieke situatie van de onderneming in kwestie, vooral in het geval van kleine en middelgrote ondernemingen, in de geest van de op Europees niveau gesloten overeenkomsten tussen de sociale partners;

f)

initiatieven ondersteunen die bedoeld zijn om meer zichtbaarheid te geven aan vaardigheden die buiten het formele onderwijs zijn verworven, de erkenning van niet-formeel leren te vergroten en de kwaliteit van niet-formeel leren te verzekeren/verbeteren.

4.3.5

Het Comité steunt het voornemen van de Commissie om een Europese ruimte voor vaardigheden en kwalificaties op te richten, zodat onderlinge erkenning binnen de EU vlotter en transparanter verloopt.

4.4   De Europese docenten en onderwijzers ondersteunen

4.4.1

Het Comité is het met de Commissie eens dat docenten en onderwijzers een cruciale rol vervullen in het streven naar beter onderwijs. Het zijn op de eerste plaats de leerkrachten die kinderen en jongeren ertoe kunnen aanzetten de nodige vaardigheden te verwerven, zodat zij opgewassen zijn tegen de uitdagingen van de globalisering. Inzetten op het opleiden en aanwerven van bekwame docenten en onderwijzers lijkt dan ook de juiste strategie.

4.4.2

De vaststelling dat bekwame docenten en onderwijzers het verschil kunnen maken betekent niet dat enkel de manier van lesgeven het leren van de leerlingen beïnvloedt. Ook mogen we bij de beoordeling van de resultaten het belang van de sociaaleconomische context niet onderschatten.

4.4.3

In het licht van de ingrijpende economische, sociale en technologische veranderingen is het beroep van leraar een cruciale schakel in het streven naar kwaliteitsonderwijs dat is aangepast aan de behoeften van onze tijd. Het is dan ook van vitaal belang dat zowel de theoretische als de praktijkopleiding van leraren wordt verbeterd, dat degelijke voorwaarden worden geboden op het vlak van salaris en carrière en dat het beroep aantrekkelijker wordt voor jongeren. Ten slotte is het enorm belangrijk dat bij de aanwerving van docenten wordt gelet op een beter evenwicht tussen mannen en vrouwen.

4.4.4

Bij de aanwerving van docenten moet worden gestreefd naar diversiteit, met name op het vlak van etnische afkomst, cultuur, religie, leeftijd, enz. In het licht van het vrije verkeer van personen en migratie is het daarnaast bijzonder belangrijk dat zowel bij kinderen en jongeren als bij het onderwijzend personeel sterk de nadruk wordt gelegd op talenkennis en vaardigheden op het vlak van interculturele communicatie, zodat mensen beter kunnen samenwerken, ook al is hun moedertaal niet dezelfde. Docenten moeten leren om te gaan met leerlingen die de school vroegtijdig dreigen te verlaten, problemen hebben, of behoren tot met uitsluiting bedreigde of risicogroepen. We hebben met andere woorden behoefte aan docenten die zich thuis voelen in een multiculturele en veelzijdige leer- en werkomgeving (18).

4.5   De financiering van onderwijs

4.5.1

Het Comité verheugt zich erover dat de Commissie meer aandacht wil schenken aan de financiering van onderwijs en met de belangrijkste betrokkenen een debat wil opstarten over de voordelen van investeringen in onderwijs (19). Positief is ook het voornemen om samen met de sociale partners na te gaan hoe het aanbod aan kwaliteitsopleidingen op het werk kan worden vergroot.

4.5.2

Het is een goede zaak dat de lidstaten het nationale debat over duurzame financieringsmechanismen voor onderwijs en opleiding aanzwengelen. Hoewel er dus oog is voor deze problematiek wordt in veel lidstaten gesnoeid in het budget voor onderwijs en opleiding (20). Belangrijk hierbij is dat de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties voortdurend nauw betrokken worden bij dit hele proces. De inspanningen om de particuliere sector aan te zetten geld te pompen in de onderwijssector, en dan met name in beroepsonderwijs en –opleiding, zijn lovenswaardig, maar daarnaast moeten duidelijke criteria worden afgebakend om aan te geven waar in dergelijke gevallen de verantwoordelijkheden van de verschillende sectoren (de openbare, de particuliere en andere sectoren) anderzijds liggen. De nationale overheid blijft overigens verantwoordelijk voor de nationale en internationale verbintenissen die zijn aangegaan om de financiering van kwaliteitsonderwijs voor alle burgers veilig te stellen (21).

4.5.3

Het belang van programma's als Erasmus, Erasmus Mundus, en Jeugd in Beweging voor de mobiliteit van jongeren kan niet genoeg worden benadrukt. Het is immers algemeen bekend dat deze programma's bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling van jongeren en hun vaardigheden en kwalificaties ten goede komen. In het kader van het nieuw meerjarig financieel kader moeten dan ook de nodige middelen worden vrijgemaakt voor deze programma's. Daarnaast moet de selectieprocedure worden verbeterd, zodat alle kandidaten daadwerkelijk op gelijke voet worden behandeld en een eerlijke kans krijgen. Zo moeten programma's worden uitgewerkt om bepaalde risicogroepen te stimuleren deel te nemen aan dit soort initiatieven en moeten oplossingen worden geboden voor de obstakels op het vlak van financiële middelen en vaardigheden waarmee veel studenten en jongeren te maken krijgen.

4.6   Partnerschappen

4.6.1

De Commissie wijst op het belang van nauwere samenwerking tussen de verschillende betrokkenen en maatschappelijke groepen op het vlak van onderwijs en opleiding; het Comité sluit zich aan bij deze zienswijze. Partnerschappen zijn een verrijking omdat zij de uitwisseling van ervaringen mogelijk maken en de mogelijkheid bieden mensen aan te trekken die specifieke vaardigheden kunnen aanleren of verbeteren, en dan met name die vaardigheden waaraan behoefte is op de arbeidsmarkt.

4.6.2

Het is zaak alle partijen (jeugd- en gemeenschapsverenigingen, scholen en docenten, ouders en opvoeders – die de kwaliteit van het leven op school kunnen verbeteren - bedrijven en vakverenigingen, en lokale, regionale en nationale overheden) bij school te betrekken en duidelijke doelstellingen af bakenen, regelmatig de balans op te maken en voldoende middelen ter beschikking te stellen om een en ander op de lange termijn te kunnen waarmaken. Het Comité hoopt dat Erasmus voor iedereen er daadwerkelijk toe zal bijdragen dat partnerschappen die streven naar kwaliteitsonderwijs en gelijke kansen de nodige steun en stimulansen krijgen. Onderwijs is een holistisch proces: vandaar dat hoge eisen moeten worden gesteld aan loopbaanoriëntatie en dat beroepsadviesdiensten nodig zijn. Ten slotte wil het Comité pleiten voor navolging van de goede praktijken in vele scholen die na de lesuren worden omgevormd tot centra voor culturele activiteiten, waar mensen kunnen samenzijn en zich kunnen bijscholen, en die openstaan voor alle generaties en alle maatschappelijke groepen.

4.6.3

Jeugdverenigingen geven jongeren een vinger in de pap en helpen hen oplossingen uit te dokteren voor de enorme problemen waarmee zij vandaag te maken krijgen. We denken dan vanzelfsprekend aan de massale jeugdwerkloosheid, die absoluut onaanvaardbaar is. Partnerschappen met deze verenigingen met het oog op het aanleren van "zachte" vaardigheden, zoals organisatie, communicatie, leiderschap, zin voor initiatief, kennis van vreemde talen en andere, kunnen strategisch gezien een troef zijn, op voorwaarde dat hiervoor de nodige middelen worden uitgetrokken (22).

4.6.4

Het Comité staat achter de invoering in de lidstaten van een jeugdgarantie. Voor de financiering daarvan zou in het kader van het meerjarig financieel programma een specifiek fonds worden opgericht. In de ogen van het Comité is het bedrag van 6 miljard echter volstrekt ontoereikend, temeer daar een gedeelte daarvan al uit het Europees Sociaal Fonds komt.

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2012) 669 final.

(2)  PB C 161, 06.06.2013, blz. 67-72; PB C 161, 06.05.2013, blz. 27-34; PB C 11, 15.01.2013, blz. 8-15; PB C 299, 04.10.2012, blz. 97; PB C 191, 29.06.2012, blz. 103; PB C 76, 14.03.2013, blz. 1; PB C 181,21.06.2012, blz. 154; PB C 143, 22.05.2012, blz. 94; PB C 181, 21.06.2012, blz. 143; PB C 68, 06.03.2012, blz. 11; PB C 318, 29.10.2011, blz. 50; PB C 68, 06.03.2012, blz. 1; PB C 318, 29.10. 2011, blz. 142; PB C 318, 29.10.2011, blz. 1; PB C 132, 03.05. 2011, blz. 55; PB C 21, 21.01.2011, blz. 66; PB C 255, 22.09.2010, blz. 81; PB C 318, 23.12.2009, blz. 113; PB C 128, 18.05.2010, blz. 10; PB C 224, 30.08.2008, blz. 100; PB C 204, 09.08.2008, blz. 95; PB C 151, 17.06.2008, blz. 45; PB C 218, 11.09.2009, blz. 85; PB C 151, 17.06.2008, blz. 41.

(3)  Survey of Schools: ICT in Education (https://ec.europa.eu/digital-agenda/node/51275)

(4)  In het begeleidend verslag bij het UNESCO-initiatief Onderwijs voor iedereen (2012) wordt aan de alarmbel getrokken omdat de doelstellingen niet langer gehaald worden; de conclusie luidt dat alleen positieve resultaten kunnen worden voorgelegd als voldoende middelen voor de lange termijn worden uitgetrokken voor onderwijs. Ook heeft de OESO recent nog verklaard dat openbaar onderwijs dat is gestoeld op kwaliteit en gelijkheid, voor de overheid de beste manier is om tegelijk te besparen en de middelen nuttig te besteden. Er kan echter pas sprake zijn van kwaliteitsonderwijs als ook de minst bevoorrechte groepen en individuen een vinger in de pap krijgen. Education International-OESO- conferentie “Quality and dialogue key to public education”4 februari 2013.

(5)  Engelse afkortingen.

(6)  Twaalf internationale onderwijsdeskundigen hebben in de Unesco (Parijs, 12/14 februari 2013) de belangrijkste onderwijsrapporten van de organisatie uit de XXe eeuw kritisch tegen het licht gehouden en bekeken in de context van de jongste, diepgaande maatschappelijke veranderingen. Het gaat om Apprendre à être van Edgar Faure (1972) en L'éducation, un trésor est caché dedans van Jacques Delors (1996) (www.unesco.org).

(7)  "Inzetbaarheid" is niet hetzelfde als het "scheppen van werkgelegenheid"; het gaat om twee verschillende begrippen. Het scheppen van werkgelegenheid is een complex fenomeen en zowel een zaak van de overheid als van werkgevers en werknemers, waarbij sociale dialoog en onderhandelingen onmisbaar zijn; "inzetbaarheid" daarentegen hangt nagenoeg uitsluitend samen met de individuele verantwoordelijkheid van wie werk zoekt.

(8)  PB C18, 19.01.2011, blz. 18.

(9)  Dit symposium, dat plaatsvond van 14 tot 16 november 2011, werd georganiseerd door de Commissie, de Raad van Europa en een aantal jeugdverenigingen, zoals het Europees Jeugdforum, het Duitse YiA NA Jugend für Europa en SALTO training and cooperation RC (http://youth-partnership-eu.coe.int/youth-partnership/documents/EKCYP/Youth_Policy/docs/Youth_Work/Policy/STATEMENT_Symposium_participants_160312.pdf).

(10)  Engelse afkorting.

(11)  Volgens CEDEFOP zullen er in de EU tegen 2020 bijna 16 miljoen hoogopgeleide werknemers extra nodig zijn; daarnaast zal de vraag naar werknemers met een middelhoge opleiding met 3,5 miljoen stijgen, terwijl de vraag naar laagopgeleiden zal afnemen met 12 miljoen.

(12)  Proefprojecten in een aantal lidstaten tonen aan dat het wel degelijk mogelijk is het wiskundeonderwijs aantrekkelijker te maken.

(13)  PB C 95, 23.04.2003, blz. 8; PB C 218, 11.09.2009, blz. 8; PB C 306, 16.12.2009, blz. 13; PB C 132, 03.05.2011, blz. 39; PB C 318, 29.10.2011, blz. 121; PB C 181, 21.06.2012, blz. 111; PB C 299, 04.10.2012, blz. 72; PB C 229, 31.07.2012, blz. 60; PB C 44, 15.02.2013, blz. 88; PB C 76, 14.03.2013, blz. 43; PB C 76, 14.03.2013, blz. 31).

(14)  In de herziene aanbeveling van de UNESCO over technisch en beroepsonderwijs wordt opgemerkt dat gezien de razendsnelle wetenschappelijke, technologische en sociaaleconomische ontwikkelingen, die kenmerkend zijn voor onze tijd - we denken dan met name aan de globalisering en de ICT-revolutie –technisch en beroepsonderwijs overal ter wereld deel een belangrijke schakel moet zijn in het onderwijs (UNESCO, 2001).

(15)  Memorandum on Cooperation in Vocational Education and Training in Europe, Berlijn, 10-11 december 2012

(16)  De Commissie vermeldt de volgende sectoren met groeipotentieel: informatie- en communicatietechnologie (ICT), volksgezondheid, koolstofarme technologieën, gepersonaliseerde diensten en zakelijke dienstverlening, de maritieme economie, groene sectoren en sectoren die momenteel een belangrijke verandering ondergaan en waarvoor dus beter opgeleide werknemers nodig zijn.

(17)  De Oostenrijkse ervaring met het duale systeem verdient navolging: in dit verband moet nauwgezet worden nagegaan aan welke voorwaarden moet worden voldaan, en in een later stadium moeten de resultaten onder de loep worden genomen.

(18)  PB C 151, 17.6.2008, blz. 41; PB C 218, 11.9.2009, blz. 85

(19)  De UNESCO heeft een nieuwe studie gepubliceerd waarin de bijdragen van ondernemingen en particuliere stichtingen aan onderwijs onder de loep worden genomen. Daaruit blijkt dat het in totaal om een armzalige 683 miljoen US-dollar per jaar gaat. Voor een beter begrip: dit komt neer om 0,1 % van de omzet van de twee grootste oliemaatschappijen ter wereld, of de kosten van twee A380 Airbus-toestellen. Een schamele bijdrage dus in het licht van de 16 miljard die jaarlijks nodig zijn om alle kinderen lager onderwijs te bieden. Prestentatie tijdens het forum van Davos, 23 januari 2013.

(20)  Eurydice report “Funding of Education in Europe 20-2012. The Impact of the Crisis.“

(http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/documents/thematic_reports/147EN.pdf)

(21)  Het recht op kwaliteitsonderwijs voor iedereen is vastgelegd in alle nationale grondwetten en op internationaal niveau ook in de slotverklaring van de wereldconferentie inzake onderwijs, UNESCO, Jomtien, 1990, alsook in de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, VN, New York, 2000, die door alle EU-lidstaten zijn ondertekend.

(22)  Een rapport van de Universiteit van Bath/GHK uit 2012 toont aan dat formeel onderwijs van invloed is op de inzetbaarheid van jongeren, en dat jeugdorganisaties in dit verband een belangrijke rol kunnen spelen.


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/65


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten

COM(2012) 788 final — 2012/0366 (COD)

2013/C 327/13

Rapporteur: José Isaías RODRÍGUEZ GARCÍA-CARO

Het Europees Parlement en de Raad hebben op 15 januari 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten

COM(2012) 788 final — 2012/0366 (COD).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 26 maart 2013 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli 2013) onderstaand advies uitgebracht, dat met 173 stemmen vóór en 52 tegen, bij 28 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

De rechtsgrondslag van het wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (1). Er wordt met dit voorstel derhalve gestreefd naar de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen inzake tabaksproducten, teneinde toe te zien op het correct functioneren van de interne markt. In punt 3.9.1 van de toelichting bij dit voorstel voor een richtlijn wordt uitgelegd dat de keuze voor deze rechtsgrondslag door het Hof van Justitie van de Europese Unie werd bevestigd voor wat Richtlijn 2001/37/EG (2) betrof, en dat deze zelfde rechtsgrondslag dus van toepassing kan zijn voor het huidige voorstel, dat tot doel heeft om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid tot stand te brengen t.a.v. tabaksrisico's.

1.2

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) verwelkomt in principe de in het kader van de doelstellingen van het voorstel gekozen rechtsgrondslag. Het onderschrijft deze doelstellingen, die er met name op gericht zijn om mensen af te houden van roken, zeker op jonge leeftijd, ook volledig. Het EESC constateert echter dat er op bepaalde momenten, zoals in de Commissie juridische zaken van het Europees Parlement kanttekeningen zijn geplaatst bij deze rechtsgrondslag, met als argument dat de lidstaten deze doelstelling ook zelf kunnen waarmaken.

1.3

Het EESC kan zich volledig vinden in het uitgangspunt van de Europese Commissie dat het recht op gezondheid veel zwaarder moet wegen dan welke economische overweging ook. Het EESC is wat dit betreft ook een groot voorstander van educatieve en voorlichtingscampagnes over de ingrijpende gevolgen van roken voor de gezondheid. Toch blijft het de vraag of de voorgestelde maatregelen ertoe bij zullen dragen dat mensen roken in de toekomst geleidelijk helemaal opgeven. Alle onderwijsinstellingen moeten specifieke aandacht besteden aan de Europese strategieën voor voorlichting en advies. Het Comité zou derhalve graag zien dat de bedoelde maatregel aan de tekst wordt toegevoegd, zodat duidelijk de nadruk wordt gelegd op het belang van voorlichting en advies in het lager en middelbaar onderwijs in heel Europa. Elk kind en elke jongere heeft immers het recht geregeld correcte en volledige informatie te krijgen over tabak en de schadelijke gevolgen daarvan, alsook over de kankerverwekkende eigenschappen van omgevingstabaksrook (3).

1.4

Het Comité beseft dat er in de gehele Unie en in veel sectoren een groot aantal banen op losse schroeven komen te staan. Het gaat daarbij om de totale waardeketen, variërend van landbouw, via productie en verpakking tot detailverkoop van tabaks- en aanverwante producten. Daarom roept het op tot de nodige aandacht om mogelijk banenverlies te voorkomen en beveelt het met klem aan om naar alle beschikbare overgangs- en herstructureringsmaatregelen te grijpen. Het denkt daarbij met name aan opleidingsprogramma's voor arbeidskrachten en wetenschappelijke, technische en innovatieve steun voor ondernemingen en landbouwbedrijven ten behoeve van nieuwe soorten producten die gericht zijn op het behoud van de werkgelegenheid. Er zij op gewezen dat de tabaksteelt bijdraagt aan de werkgelegenheid in plattelandsgebieden. De cohesie-, structuur-, regionale en O&O-fondsen moeten efficiënt worden ingezet in de lidstaten die de grootste herstructureringsrisico's lopen.

1.5

Er bestaat een risico op een aanzienlijke derving van belastinginkomsten, niet alleen vanwege een toename van de illegale handel, maar ook vanwege een daling van de verkoop en van de prijzen. Momenteel wordt in de Europese Unie zo'n 100 miljard euro aan tabaksbelasting geïnd.

1.6

Verder zal de illegale handel van criminele netwerken fors toenemen (smokkel en namaak), waardoor de verkoop van legale tabak evenals de hiermee samenhangende belastinginkomsten zullen dalen. De consumentenveiligheid kan niet langer worden gegarandeerd als er niet meer op kwaliteit en hygiëne wordt gecontroleerd, en minderjarigen zullen gemakkelijker beginnen met roken. Elk jaar zal er 10 miljard euro (4) minder worden geïnd in de EU (cijfers van OLAF) als gevolg van de illegale handel, aangezien de verkoop van gesmokkelde tabak in de EU momenteel zo'n 10 % bedraagt (5). Het EESC kan alleen maar toejuichen dat recentelijk in het kader van de WHO-raamovereenkomst ter bestrijding van tabaksgebruik een protocol is ondertekend om illegale handel in tabaksproducten een halt toe te roepen; stakeholders wordt daarbij gevraagd doeltreffende maatregelen ten uitvoer te leggen om een eind te maken aan de illegale productie van en handel in tabak (6).

1.7

Het onderhavige voorstel houdt een aanzienlijke aanpassing in van de voorwaarden voor markttoegang, mededinging en het noodzakelijke functioneren van de vrijhandel in een legaal product, zelfs al is deze al streng aan banden gelegd. Het EESC erkent de bekommernissen die op dit vlak in sommige effectbeoordelingen op EU- en internationaal niveau zijn verwoord. Toch roept het EESC op om oog te hebben voor de verwachte voordelen, zowel wat betreft de vermindering van de kosten voor de gezondheidszorg als wat betreft de betere volksgezondheid. De burgers van Europa kunnen immers rechtmatig verlangen dat de Europese Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid waarborgt, zoals gesteld in artikel 35 van het Handvest van de grondrechten.

1.8

Het voorstel betekent verder een inbreuk op de soevereine bevoegdheden van de lidstaten, omdat de Commissie ruime bevoegdheden zou krijgen om later via gedelegeerde handelingen essentiële aspecten van de richtlijn uit te werken. Daarmee wordt het subsidiariteitsbeginsel met voeten getreden. Het EESC kan niet instemmen met gedelegeerde handelingen indien deze niet expliciet binnen de bepalingen van artikel 290 van het VWEU vallen. Bovendien hebben acht nationale parlementen in het kader van het subsidiariteitstoezicht 14 tegenstemmen tegen het Commissievoorstel uitgebracht, vanwege niet-naleving van het subsidiariteitsbeginsel (7).

1.9

Het EESC staat achter de gedachte van risicovermindering en verzoekt de Commissie derhalve om een heldere definitie en een passend juridisch kader aan te reiken voor "producten met een verminderd risico", dat op een wetenschappelijk onweerlegbare wijze de risicovermindering in vergelijking met conventionele sigaretten vastlegt. Dat geldt met name voor producten die tabak bevatten (en geen chemische nicotine) en dus onder de richtlijn vallen.

2.   Inleiding

2.1

Het EESC is zich terdege bewust van de risico's van tabak voor de volksgezondheid. Zoals in punt 1 van de toelichting op het voorstel voor een richtlijn staat vermeld, is tabak met bijna 700 000 sterfgevallen per jaar de belangrijkste oorzaak van vroegtijdig overlijden in de EU. Het EESC staat volkomen achter de lovenswaardige doelstellingen van het voorstel, waarin de aandacht vooral uitgaat naar het begin van het tabaksgebruik, met name door jongeren, in aanmerking genomen dat 70 % van de rokers beginnen te roken voordat zij 18 jaar oud zijn en 94 % voordat zij 25 jaar oud zijn, hetgeen het alleen maar dringender maakt om maatregelen te treffen die speciaal zijn gericht op kinderen en jongeren (8).

2.2

Het EESC begrijpt dan ook dat een herziening van de richtlijn absoluut noodzakelijk is en dringend moet worden uitgevoerd. De Commissie komt hier enkele jaren te laat mee, ook al staat in het Handvest van de grondrechten van de EU dat bij de vaststelling en uitvoering van beleid en acties van de EU altijd voor een hoge mate van bescherming van de menselijke gezondheid moet worden gezorgd. Dat het recht op gezondheid zwaarder moet wegen dan welke economische overweging ook, staat buiten kijf. Bovendien zij erop gewezen dat in landen waar een zeer strikte tabakswetgeving van kracht is, de consumptie nauwelijks is veranderd. Dat is bijvoorbeeld het geval in Spanje, waar het verbruik de afgelopen drie jaar met nauwelijks twee procentpunten is gedaald ondanks de strenge wetgeving, zoals blijkt uit het onlangs gepubliceerde verslag van de Commissie over rookvrije ruimtes (9). Naast de overwogen maatregelen is het EESC dan ook een groot voorstander van educatieve en voorlichtingscampagnes over de ingrijpende gevolgen van roken voor de gezondheid, omdat de doeltreffendheid van de voorgestelde maatregelen voor de volksgezondheid op de lange termijn dan groter wordt. Immers, het is nog altijd twijfelachtig of bedoelde maatregelen rokers echt helpen om geleidelijk helemaal met roken te stoppen.

2.3

Dat neemt niet weg dat het door de Europese Commissie op 19 december 2012 voorgelegde voorstel voor een herziening van Richtlijn 2001/37/EG over tabaksproducten zonder een flankerende maatregel ingrijpende gevolgen kan hebben voor de werkgelegenheid, de economie en de belastinginkomsten in de Europese Unie. Daarmee zou het voorstel haaks komen te staan op andere basisdoelstellingen van de Unie, zoals volledige werkgelegenheid en economische groei (art. 3 van het VEU). De tabaksindustrie biedt zo'n 1,5 miljoen mensen in de EU werkgelegenheid. Hieronder vallen 400 000 boeren die tabaksplanten verbouwen en 956 000 mensen die actief zijn in de tabaksdetailhandel (10). Verder wordt er op jaarbasis bijna 100 miljard euro aan belastingen op tabaksproducten geïnd. De sector is van groot belang voor de export omdat zij als één van de weinige op zowel Europees niveau als in vele lidstaten een positieve balans houdt. Zo was de export van tabaksproducten uit de EU in 2010 goed voor een totaal van ongeveer 55 000 ton. Bulgarije stond met 13 200 ton bovenaan, gevolgd door Griekenland (11 200 ton) en Frankrijk (8 000). Daarbij is tabak een landbouwproduct dat in kansarme regio's zonder alternatieven voor meer dan 400 000 banen in de EU zorgt. Uit statistieken van UNITAB en COPA blijkt dat 96 % van de tabakstelers familiebedrijven zijn die gemiddeld tussen de 0,5 en 3 hectare akkers tot hun beschikking hebben (11).

3.   Algemene opmerkingen

3.1

In de door de Europese Commissie voorgelegde richtlijn betreffende tabaksproducten ligt het accent op zes beleidsgebieden:

etikettering en verpakking

grondstoffen

formaat

traceerbaarheid en veiligheidskenmerken

grensoverschrijdende verkoop op afstand

rookloze tabaksproducten en uitbreiding van de productomschrijving

Drie van de zes beleidsgebieden zouden een enorme impact op de werkgelegenheid en de belastinginkomsten in de EU-lidstaten hebben. Met het voorstel zouden voor de etikettering, de verpakking en de grondstoffen bepaalde gezondheidswaarschuwingen worden opgelegd die in geen enkele verhouding meer zouden staan tot de huidige, en zouden beperkingen worden opgelegd voor het formaat, de smaak en de inhoud van de tabaksproducten. Zo dienen er op alle pakjes waarschuwende teksten en foto's te worden aangebracht die zo'n 75 % van de verpakking beslaan, en dient er nieuwe informatie op de zijkanten te komen (50 % van beide kanten). Naast de verplichte accijnszegels in sommige lidstaten, dient verder ook nog het verbod van tabaksverkoop aan jongeren te worden aangebracht, en dient er ruimte over te blijven voor de nieuwe maatregelen die de traceerbaarheid en veiligheidskenmerken van de tabaksproducten garanderen. Dit alles betekent de facto dat er heel weinig ruimte overblijft voor de weergave van de wettelijk geregistreerde handelsmerken. Daarnaast dienen de pakjes van zeer kleine afmetingen te zijn, hetgeen inhoudt dat bepaalde modellen zullen verdwijnen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het "casket"-model dat in sommige landen, zoals Griekenland, veel wordt gekocht. Ook het in Portugal meest verbreide model zou verdwijnen. Deze verpakkingswijzigingen, die niet wetenschappelijk onderbouwd zijn, kunnen de werkgelegenheid in gevaar brengen in de verpakkingsindustrie, die van groot belang is in Europese lidstaten als bijvoorbeeld Duitsland, Polen, Frankrijk, het VK of Oostenrijk. Er zij op gewezen dat de minimumvereisten voor de hoogte en breedte van de tabaksproducten niet zijn meegenomen in de openbare raadpleging en evenmin deel uitmaakten van het effectbeoordelingsverslag. Verder wordt de verkoop van sigaretten met kenmerkende aroma's verboden en wordt er een nieuwe definitie van "cigarillo" (een soort kleine sigaar) vastgelegd die in tegenspraak is met de iets langer dan sinds een jaar geldende belastingwetgeving in de Unie (12).

3.2

Omdat alle pakjes hetzelfde formaat en alle producten dezelfde smaak zullen hebben, zal alleen de prijs nog het verschil tussen de merken uitmaken, hetgeen tot een verarming van de waardeketen van de hele sector zal leiden. Als de prijs overblijft als enige element waarop kan worden geconcurreerd, zal er een prijsdaling volgen die enerzijds tot inkomstenderving van de marktspelers en tot belastingderving van de lidstaten zal leiden en anderzijds tot teloorgang van de werkgelegenheid in de sector.

3.3

Als alleen de prijs nog het verschil uitmaakt, zal de kwaliteitstabak die in de EU wordt geproduceerd niet langer aantrekkelijk zijn voor bedrijven die hun fabrieken op het EU-grondgebied hebben gevestigd, aangezien de kwaliteit van het tabaksblad niet langer doorslaggevend zal zijn voor de aankoop ervan, hetgeen niet veel goeds belooft voor de werkgelegenheid van de tabakstelers, in tegenstelling tot wat de Commissie in haar effectbeoordelingsverslag beweert. Momenteel bedraagt de tabaksoogst in de EU zo'n 250 000 ton per jaar, waarbij Italië de hoofdproducent is met meer dan 89 000 ton, gevolgd door Bulgarije met 41 056 ton, Spanje met 38 400 ton en Griekenland met 24 240 ton. In deze schakel van de keten zijn zo'n 400 000 mensen werkzaam, met Bulgarije bovenaan met 110 000 tabakstelers, gevolgd door Polen met 75 100 en Italië met 59 300 tabakstelers (13).

3.4

Een ander gevolg van de standaardisering van het formaat en de smaak zou de toename van de smokkel in tabak kunnen zijn. Wanneer alle producten op elkaar gaan lijken, is dat in het voordeel van criminele bendes, aangezien zij de producten heel eenvoudig volgens de voor de consumenten bekende oude formaten en smaken kunnen ontwerpen om te voldoen aan deze vraag - via niet-reguliere kanalen en zonder ook maar een euro af te staan aan de fiscus van de lidstaten. Bovendien zouden deze producten aan alle kwaliteitscontroles ontsnappen, met alle consequenties van dien voor de gezondheid van de consumenten.

3.5

Volgens de laatste beschikbare cijfers zou de EU als gevolg van de illegale handel in tabak jaarlijks zo'n 10 miljard euro aan belastinginkomsten mislopen. Momenteel vertegenwoordigt de verkoop van gesmokkelde tabak in de EU zo'n 10 % van de totale verkoop (14). Het EESC kan dan ook alleen maar toejuichen dat op 12 november 2012 in het kader van de WHO-raamovereenkomst ter bestrijding van tabaksgebruik een protocol is ondertekend om de illegale handel in tabaksproducten een halt toe te roepen. In dat protocol, waarover de onderhandelingen werden gevoerd door de Europese Commissie namens de Unie en haar lidstaten, wordt de stakeholders gevraagd doeltreffende maatregelen te nemen om een eind te maken aan de productie van en illegale handel in tabak (15).

3.6

Naast de derving van belastinginkomsten zal door de toename van de smokkel de legale handel teruglopen, hetgeen gevolgen zal hebben voor de hele waardeketen, maar vooral voor de tabaksdetailhandel. Bijna een miljoen banen in de EU hangen direct of indirect van de tabaksdetailhandel af, zoals kleine kruideniers, kiosken of speciale winkels zoals in Frankrijk, Italië, Spanje en – heel recent – Hongarije, waar netwerken voor de verkoop van tabak en postzegels bestaan die door de respectieve lidstaten worden gereguleerd en gecontroleerd. In Griekenland alleen al creëert de tabaksdetailhandel 40 000 banen (16).

3.7

Het Comité beseft dat er in veel sectoren een groot aantal banen op losse schroeven komen te staan. Het gaat daarbij om de totale waardeketen, variërend van productie en verpakking tot detailverkoop van tabaks- en aanverwante producten, alsook om landbouwgebieden waar geen alternatieven zijn ontwikkeld en er geen GLB-subsidies meer worden verstrekt. Er zij op gewezen dat de tabaksteelt bijdraagt aan de werkgelegenheid in plattelandsgebieden. Daarom roept het Comité op tot de nodige aandacht om mogelijk banenverlies tot een minimum te beperken en beveelt het met klem aan om naar alle beschikbare overgangs- en herstructureringsmaatregelen te grijpen. Het denkt daarbij met name aan opleidingsprogramma's voor arbeidskrachten en wetenschappelijke, technische en innovatieve steun voor ondernemingen en landbouwbedrijven die nieuwe soorten producten produceren die gericht zijn op het behoud van de werkgelegenheid. De Cohesie-, Structuur-, Regionale en O&O-fondsen moeten efficiënt worden ingezet in de lidstaten die de grootste herstructureringsrisico's lopen, in het bijzonder in de context van de huidige economische crisis.

3.8

Kortom, het voorstel voor een richtlijn brengt grote risico's met zich mee. Anderzijds moeten ook de verwachte verlaging van de ziektekosten en verbetering van het gezondheidsniveau in aanmerking worden genomen. Per slot van rekening mag de Europese burger op grond van artikel 35 van het Handvest van de grondrechten een hoger niveau van bescherming van de menselijke gezondheid van de Europese Unie verwachten.

3.9

Verder zijn er in dit voorstel 16 gedelegeerde handelingen opgenomen die de Commissie bevoegdheden geeft om beslissingen te nemen over essentiële onderdelen van de richtlijn, een kwestie die in artikel 290 van het VWEU expliciet uitgesloten wordt (17). Op deze manier hebben de Raad, het Europees Parlement en de nationale parlementen bijna geen enkele speelruimte meer bij de tenuitvoerlegging van fundamentele aspecten van de richtlijn.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

De voorgestelde maatregelen zijn bijzonder restrictief en zijn gebaseerd op criteria om tabak minder aantrekkelijk te maken en zo de beoogde verbetering van de volksgezondheid te bewerkstelligen. Daarnaast vestigt het EESC er de aandacht op dat het nodig is plannen en voorlichtingscampagnes ten uitvoer te leggen die specifiek op de Europese jeugd zijn gericht. We willen er in dit verband op wijzen dat de Commissie zelf het effect van haar maatregelen op de volksgezondheid misschien bijzonder laag (2 %) lijkt in te schatten, al zal dit stapsgewijze karakter ervoor zorgen dat de economische schade niet enorm – en dus potentieel buiten verhouding zal zijn.

4.1.1

Het aanbrengen van gezondheidswaarschuwingen die 75 % van de voor- en achterzijde van de verpakking beslaan en van nieuwe informatie op 50 % van de zijkanten (artikel 9) is niet gebaseerd op onweerlegbaar wetenschappelijk bewijs. Hoewel het nut van dergelijke waarschuwingen wordt aangetoond in een studie van D. Hammond (18), bewijzen andere studies - zoals die van de Universiteit van Maastricht (19) en van de Food and Drug Administration in de VS (20) - het tegendeel, namelijk dat waarschuwende afbeeldingen het aantal rokers niet terugdringen. Volgens Eurobarometer (21) van de Commissie zelf zeggen negen op de tien rokers dat grote waarschuwingen geen stimulans zijn om te stoppen, en zijn zeven op de tien rokers van mening dat deze maatregelen evenmin invloed zullen hebben op het rookgedrag van jongeren. Ook een federale rechtbank in de VS is onlangs tot de conclusie gekomen dat het nut van dit soort grote waarschuwende afbeeldingen onvoldoende bewezen is. Zo verklaart zij dat er geen enkel aanwijzing bestaat dat dergelijke waarschuwingen direct invloed zouden hebben gehad op het aantal rokers in welk land dan ook dat deze afbeeldingen verplicht stelt, om daaraan toe te voegen dat er bijzonder weinig overtuigingskracht uitgaat van de bewijzen (22).

4.2

De disproportionele uitbreiding van de gezondheidswaarschuwingen zal bovendien ook de volgende gevolgen hebben:

de eenzijdige beëindiging van de legitieme rechten van fabrikanten op intellectuele en industriële eigendom, aangezien de geregistreerde merken niet langer gebruikt zullen kunnen worden. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (23) hebben fabrikanten het recht om hun geregistreerde handelsmerken te gebruiken en hun producten verder te voorzien van onderscheidende kenmerken;

een extra belemmering voor mededinging, in een sector waar er nog maar weinig mogelijkheden tot differentiatie bestaan;

schending van de fundamentele handelsrechten die onlosmakelijk met elke legale handelsactiviteit verbonden zijn;

een rem op de invoering van nieuwe producten op de markt; en

de stopzetting van onderzoek en het tenietdoen van de mogelijkheid om de aangeboden producten kwalitatief te verbeteren. Op een arbitraire manier wordt de toegang van nieuwe producten van de jongste generatie beperkt, zonder dat de mogelijkheid wordt geboden een duidelijk regelgevingskader vast te stellen waarin geanalyseerd kan worden hoe de risico's van deze producten voor de bevolking kunnen worden verminderd. Dit kan ook een belemmering vormen voor de totstandbrenging van welvaart en van de arbeidsplaatsen die nodig zijn voor de innovatie en het onderzoek m.b.t. deze producten. Bovendien mogen deze nieuwe producten, die misschien minder risico opleveren, niet onderworpen worden aan dezelfde beperkingen die voor gebruikelijke producten gelden.

4.3

Hetzelfde geldt voor de beperking van ingrediënten die bedoeld is om smaken of kenmerkende aroma's te weren (artikel 6); deze beperking is niet gebaseerd op wetenschappelijke bewijzen zoals de vermindering van de toxiciteit of de verslavende eigenschappen van de betrokken ingrediënten, maar door een erg subjectief criterium, namelijk de vermindering van de aantrekkingskracht van tabak en de subjectieve stereotypen m.b.t. het soort tabak dat door elke leeftijds- of gendergroep wordt geconsumeerd. Dezelfde subjectieve benadering wordt gevolgd als zonder enig argument en op arbitraire wijze sommige formaten worden verboden, zoals dunne sigaretten (die niet in de openbare raadpleging of het impactverslag waren opgenomen), korte sigaretten of het volledige gamma mentholsigaretten, terwijl ook het minimumgewicht van pakjes roltabak wordt vastgelegd, het formaat van blikken roltabak wordt gestandaardiseerd en er zelfs een nieuwe categorie "cigarillo" wordt uitgevonden, in strijd met Richtlijn 2011/64/EU (24) die sinds 1 januari 2011 van kracht is. Als dunne en mentholsigaretten, die in verschillende Europese landen erg populair zijn, verboden worden, zullen consumenten deze niet meer kunnen aanschaffen en zullen ze hun toevlucht nemen tot de zwarte markt. Bovendien gaat het hier om tabaksproducten die vooral door volwassen rokers worden gebruikt, zodat het argument dat men hiermee het tabaksgebruik onder jongeren wil voorkomen hier niet opgaat. In het geval van mentholsigaretten, bijvoorbeeld, dient erop te worden gewezen dat dit type tabak hoofdzakelijk door volwassenen wordt gebruikt en dat deze producten bovendien zelfs niet verboden zijn in landen met een zeer uitgebreide wetgeving op het vlak van de strijd tegen tabaksverslaving en erg concrete bepalingen inzake bepaalde verboden ingrediënten, zoals de Verenigde Staten of Canada. Het EESC stelt dan ook voor om het mentholverbod uit het richtlijnvoorstel te schrappen.

4.3.1

Het EESC kan zich, ten slotte, dan ook volledig vinden in het voorstel van de Commissie om nieuwe producten op de markt die naar kauwgom, piña colada, mojito, enz. smaken (candy flavored cigarettes) en mogelijk vooral op jonge consumenten zijn gericht, te verbieden.

4.3.2

Het opleggen van al te veel restricties aan de ingrediënten zou ertoe leiden dat alle sigaretten hetzelfde gaan smaken en concurrenten zich dus niet meer kunnen onderscheiden, met als gevolg dat de investeringen worden teruggeschroefd en er minder nieuwe producten op de markt worden gebracht. Dit alles gaat ten koste van de consument, die in zijn keuzemogelijkheden wordt beperkt.

4.4

Het EESC verzoekt de Commissie om een heldere definitie en een passend rechtskader aan te reiken voor "producten met een verminderd risico" waarvan wetenschappelijk vaststaat dat zij een geringer risico inhouden dan conventionele sigaretten. Met dergelijke "producten met een verminderd risico" worden producten bedoeld die conventionele sigaretten kunnen vervangen, maar veel minder schadelijk voor de gezondheid zijn; het gaat niet om producten om te stoppen met roken. Voor producten die tabak bevatten (en geen chemische nicotine) en daarmee onder de richtlijn vallen, dient een dusdanig duidelijke definitie en regulering vastgesteld te worden dat consumenten weten wat de kenmerken van deze producten zijn.

4.5

De richtlijn die de Europese Commissie voorstelt bevat ook maatregelen om de illegale tabakshandel terug te dringen. Zo worden met artikel 14 een volg- en traceersysteem en verschillende aanvullende veiligheidsmaatregelen ingevoerd, die ervoor moeten zorgen dat binnen de Europese Unie uitsluitend producten worden verkocht die aan de voorschriften in de richtlijn voldoen. Deze maatregel brengt buitensporige economische en administratieve lasten met zich mee, die veel kleine en middelgrote ondernemingen niet zullen kunnen dragen. Ook worden de lidstaten bij de controle met grotere administratieve lasten geconfronteerd, terwijl de illegale handel bij lange na niet wordt teruggedrongen. Bovendien zal dit systeem niet in staat zijn de smokkel en illegale handel aan banden te leggen; deze zullen door de andere maatregelen in de voorgestelde richtlijn juist bevorderd worden. Het EESC vindt dan ook dat de bepalingen van artikel 14 van de voorgestelde richtlijn exact hetzelfde moeten zijn als de bepalingen m.b.t. volgen en tracering in het protocol inzake de bestrijding van de illegale handel in tabaksproducten dat eind vorig jaar door de Conferentie van de Partijen van de WHO werd goedgekeurd (25).

4.6

Tot slot zorgt deze richtlijn ervoor dat de Europese Commissie door middel van gedelegeerde handelingen fundamentele aspecten kan reguleren en wijzigen, zoals bijv. het additievengehalte en de tekst, de plaats en het formaat van gezondheidswaarschuwingen. Zo hebben de lidstaten bijna geen speelruimte meer bij de omzetting van deze richtlijn, zodat hier sprake is van een extreme vorm van interventionisme zoals die nog niet vaak is vertoond in de Europese Unie. Dit is in strijd met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, hetgeen al door de nationale parlementen van acht lidstaten (26) aan de orde is gesteld (Italië, Tsjechische republiek, Griekenland, Bulgarije, Denemarken, Portugal, Roemenië en Zweden). In Italië heeft het parlement niet alleen opgemerkt dat het voorstel in strijd is met de genoemde beginselen, maar heeft het er ook op gewezen dat sommige van de verboden soorten sigaretten, zoals dunne sigaretten of sigaretten met een laag teergehalte, een nuttig instrument kunnen zijn in een beleid dat erop gericht is het tabaksverbruik te verminderen dan wel volledig uit te bannen (27).

4.6.1

Zo is de Commissie op grond van de artikelen 8, 9 en 11 van de richtlijn bevoegd om door middel van een gedelegeerde handeling de tekst alsook het ontwerp, de lay-out, het formaat en de plaats van gezondheidswaarschuwingen aan te passen. Ook is de Commissie op grond van artikel 6 bevoegd om door middel van een gedelegeerde handeling maximumgehalten en -niveaus vast te stellen voor additieven.

4.6.2

In het geval van sigaren, cigarillo's en pijptabak kunnen op grond van de richtlijn bepaalde in de tekst genoemde uitzonderingen automatisch teniet worden gedaan indien zich een "aanzienlijke verandering in de omstandigheden" voordoet en deze verandering verband houdt met een omzetstijging van minstens 10 % in minstens 10 lidstaten of een stijging van het aantal rokers jonger dan 25 jaar met 5 %. De Commissie is zich er niet van bewust dat de markt voor deze producten in 10 van de huidige 27 lidstaten buitengewoon klein is en dat zich gemakkelijk een wijziging van 10 % kan voordoen. Deze maatregel heeft dan ook weinig zin en leidt tot grote rechtsonzekerheid in deze subsector.

4.7

Hoewel bevoegdheidsdelegatie door middel van gedelegeerde handelingen in overeenstemming is met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten deze handelingen aan een reeks voorwaarden voldoen. Zo is een gedelegeerde handeling alleen toegestaan voor niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling, hetgeen hier niet het geval is.

Brussel, 11 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Artikel 114 VWEU:

“1.

Tenzij in de Verdragen anders is bepaald, zijn de volgende bepalingen van toepassing voor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 26. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen vast inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen.”

(2)  Zie zaak C-491/01, The Queen tegen Secretary of State for Health, ex parte British American Tobacco (Investments) Ltd en Imperial Tobacco Ltd.

(3)  PB C 128 van 18.5.2010, blz. 89-93

(4)  http://europa.eu/rapid/press-release_OLAF-11-5_en.htm?locale=EN

(5)  The European Tobacco Sector. An analysis of the socio-economic footprint, onderzoek van Nomisma en perscommuniqué van de Europese Commissie van 16 november 2012.

(6)  Ibid.

(7)  http://www.ipex.eu/IPEXL-WEB/dossier/dossier.do?code=COD&year=2012&number=0366&appLng=ES#

(8)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 6-11

(9)  Report on the implementation of the Council Recommendation of 30 November 2009 on Smoke-free Environments

(10)  The European Tobacco Sector. An analysis of the socio-economic footprint; een onderzoek van Nomisma

(11)  DIVTOB: Diversification for Tobacco Growing Regions in the Southern European Union. Hohenheim University. Sixth Framework Programme funded European Research and Technological Development

(12)  Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten, PB L 176 van 5.7.2011, blz. 24-36

(13)  Zie voetnoot 10.

(14)  Zie voetnoot 5.

(15)  Zie voetnoot 5.

(16)  Zie voetnoot 10.

(17)  PB C 115 van 9.5.2008, blz. 172 – 172

(18)  Hammond D. “Health warning messages on tobacco products: a review.”, Tobacco Control 2011; 20:327-3. Sambrook Research International, “A review of the science base to support the development of health warnings for tobacco packages”, Newport: Sambrook Research International; 2009.

(19)  http://www.maastrichtuniversity.nl/web/Main/Sitewide/News1/SmokersWillNotBePutOff1.htm

(20)  Nonnemaker, J., et al., Experimental Study of Graphic Cigarette Warning Labels: Final Results Report Prepared for Center for Tobacco Products, Food and Drug Administration, Contract No. HHSF-223-2009-10135G, dec. 2010.

(21)  http://ec.europa.eu/health/tobacco/docs/eurobaro_attitudes_towards_tobacco_2012_en.pdf

(22)  RJ Reynolds Tobacco Company v Food & Drug Administration, United States Court of Appeals for the District of Columbia Circuit, augustus 2012

(23)  Arrest van het Hof van 17 oktober 1990 in zaak C-10/89.

(24)  Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten, PB L 176 van 5.7.2011, blz. 24-36

(25)  http://apps.who.int/gb/fctc/PDF/cop5/FCTC_COP5(1)-en.pdf

(26)  http://www.ipex.eu/IPEXL-WEB/dossier/dossier.do?code=COD&year=2012&number=0366&appLng=EN

(27)  Advies van de commissie Sociale Zaken van het Italiaanse parlement over het voorstel van de Europese Commissie COM(2012) 788 final.


BIJLAGE

bij het Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Onderstaande wijzigingsvoorstellen werden verworpen, maar kregen ten minste een kwart van de uitgebrachte stemmen:

Tegenadvies

De volledige tekst van het advies vervangen door het volgende:

1.    Conclusies

1.1

De rechtsgrondslag van het wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (1). Er wordt met dit voorstel derhalve gestreefd naar de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten, teneinde toe te zien op het correct functioneren van de interne markt. In punt 3.9.1 van de toelichting bij het richtlijnvoorstel wordt uitgelegd dat de keuze voor deze rechtsgrondslag door het Hof van Justitie van de Europese Unie werd bevestigd voor wat Richtlijn 2001/37/EG (2) betrof, en dat deze zelfde rechtsgrondslag dus van toepassing kan zijn voor het huidige voorstel. De Richtlijn uit 2001 en de voorgestelde herziening hebben beide ten doel om voor een goed werkende interne markt te zorgen en om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid t.a.v. tabaksrisico's tot stand te brengen.

1.2

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) kan zich volledig vinden in het streven naar een betere werking van de interne markt: dit geeft de lidstaten ook een extra aanmoediging om de noodzakelijke en wenselijke stappen te zetten om de volksgezondheid te beschermen en zet hen ertoe aan om striktere maatregelen te nemen dan bij het huidige voorstel het geval is.

1.3

Het recht op gezondheid moet zwaarder wegen dan welke economische overweging ook. Zoals ook uit vele voorgaande adviezen over gezondheid en aanverwante onderwerpen moge blijken, onderschrijft het EESC dit uitgangspunt van de Europese Commissie zonder meer. Het EESC is daarom een groot voorstander van educatieve en voorlichtingscampagnes over de ingrijpende gevolgen van roken voor de gezondheid. Daarnaast zouden ook de andere voorgestelde maatregelen moeten worden ingevoerd om jonge mensen zo veel mogelijk te ontmoedigen om te beginnen met roken en om degenen die al aan nicotine verslaafd zijn te helpen om te stoppen. Alle onderwijsinstellingen moeten specifieke aandacht besteden aan de Europese strategieën voor voorlichting en advies. Het Comité zou graag zien dat deze passage aan de tekst wordt toegevoegd, zodat duidelijk de nadruk wordt gelegd op het belang van voorlichting en advies. Elk kind en elke jongere heeft immers het recht geregeld correcte en volledige informatie te krijgen over tabak en de schadelijke gevolgen daarvan, alsook over de kankerverwekkende eigenschappen van omgevingstabaksrook.  (3)

1.4

Het EESC heeft ook oog voor mogelijk banenverlies in landbouwgebieden waar geen alternatieve vormen van werkgelegenheid ontwikkeld zijn en waar niet langer GLB-productiegerelateerde tabakssubsidies worden verstrekt. Voor deze gebieden zou dringend overgangssteun moeten worden geboden, samen met wetenschappelijke en technische steun om alternatieve, even winstgevende, duurzamere, maatschappelijk aanvaardbaardere en minder schadelijke teelten te ontwikkelen, alsook - waar mogelijk - banen van betere kwaliteit. Hetzelfde geldt voor banen die, als direct gevolg van dit voorstel, elders in de productieketen op het spel staan; indien het de volksgezondheid ten goede komt, dan is overheidssteun voor fatsoenlijkere banen gerechtvaardigd en dient dit aangemoedigd te worden.

1.5

In alle gevallen dient echter voor ogen te worden gehouden waar het werkelijk om gaat: het voorkomen van door roken veroorzaakte sterf- en ziektegevallen van managers, werknemers en consumenten en van eventuele toekomstige rokers ongeacht hun leeftijd of achtergrond. Van nu af zullen zij, als deze maatregelen worden goedgekeurd, allemaal minder onder directe commerciële druk staan om te beginnen met roken. Volgens het effectbeoordelingsverslag van de Commissie ligt er een nettowinst van zo'n 4 miljoen euro voor de EU-economie in het verschiet, zullen de besparingen op de gezondheidszorg zo'n 506 miljoen euro bedragen en worden er 16,8 miljoen levensjaren gewonnen (4) Er moeten nieuwe banen worden gecreëerd door binnen de EU middelen te herverdelen en door op nationaal niveau beter gebruik te maken van de belastinginkomsten. .

1.6

Momenteel wordt in de Europese Unie zo'n 100 miljard euro aan tabaksbelasting geïnd. Het belasten van tabaksproducten is de meest efficiënte en economische manier om tabaksconsumptie terug te dringen, met name onder jongeren en lage-inkomensgroepen (m.a.w. de meest kwetsbare leden van onze samenleving) (5) Onderzoek heeft aangetoond dat de prijs van tabaksproducten de derde meest gangbare reden is om te stoppen met roken (6). Het niet aan roken uitgegeven geld kan worden besteed voor aankopen waar ook belasting op wordt geïnd. Er dient ook op te worden gewezen dat met de nu geïnde belastingen de gezondheidszorg wordt betaald voor mensen die 50 jaar geleden zijn beginnen roken; degenen die nu beginnen te roken zullen diezelfde zorg over 50 jaar ook nodig hebben. Uit de huidige ervaringen blijkt dat de regeringen van de lidstaten zich hier zeer wel bewust van zijn en de belastinginkomsten hebben kunnen verhogen ondanks de teruglopende tabaksconsumptie en –verkopen overal in Europa. Er is geen reden om aan te nemen dat dit door het onderhavige voorstel zou veranderen..

1.7

Teneinde een verdere toename van illegale handel door criminele netwerken te voorkomen (smokkel, namaak, illegale verkoop en productie), die veruit de grootste bedreiging vormt voor zowel de werkgelegenheid als de inning van belastingen in de EU, roept het EESC op tot alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat relevante wetgeving snel en daadwerkelijk in alle lidstaten wordt toegepast. Het is zaak om, in overleg met de tabaksindustrie, nog andere voorstellen te formuleren voor maatregelen die namaak en smokkel kunnen tegengaan en identificatie kunnen vereenvoudigen, bijvoorbeeld door moeilijk na te maken droogstempels of elektronische tags in de verpakking te verwerken. Het EESC beseft dat het dankzij de moderne technologie tamelijk eenvoudig is om bijna elk product of elke verpakking na te maken; daarom zal het voorzien van extra ruimte voor gezondheidswaarschuwingen waarschijnlijk weinig effect sorteren.

1.8

De ruime bevoegdheden die de Commissie zou krijgen om essentiële aspecten van de richtlijn middels gedelegeerde handelingen verder te ontwikkelen zijn aanvaardbaar zolang er wordt toegezien op een transparante besluitvorming, die wordt afgestemd op de belangen van de lidstaten. Het EESC wijst erop dat bindende maatregelen in lijn moeten zijn met artikel 290 van het VWEU.

1.9

Het EESC is een groot voorstander van het idee van risicopreventie en dringt er derhalve bij de Commissie op aan om een duidelijke definitie en een passend wetskader te formuleren voor "producten met een verminderd risico". Deze suggestie is met name van belang voor tabakshoudende producten met minder nicotine of nicotinehoudende producten zonder tabak die onder deze richtlijn vallen. Mits er voor strenge controles wordt gezorgd, kunnen dergelijke maatregelen mogelijk een stap vooruit betekenen in het terugdringen van de schadelijke langetermijneffecten van roken als gevolg van nicotineverslaving.

2.    Inleiding

2.1

Het EESC is zich terdege bewust van de risico's die tabak, in al zijn varianten, voor de volksgezondheid heeft. Tabak is, met bijna 700 000 sterfgevallen per jaar de belangrijkste oorzaak van vroegtijdig overlijden in de EU. Het voorstel moet er daarom vooral voor zorgen dat mensen, en dan met name jongeren en andere kwetsbare groepen, niet gaan roken. Volgens het voorstel beginnen 70 % van de rokers met roken voordat zij 18 jaar oud zijn en 94 % voordat zij 25 jaar oud zijn, wat maatregelen ter bescherming van kinderen en jongeren des te noodzakelijker maakt (7).

2.2

Het EESC vindt dan ook dat een herziening van de richtlijn absoluut noodzakelijk is en dringend moet worden uitgevoerd. In sommige landen blijft het tabaksverbruik onveranderd hoog, zelfs als er inmiddels strenge antitabakswetten van kracht zijn geworden. Aan de andere kant is het verbruik in de meeste landen dankzij de bestaande controles duidelijk gedaald. In Spanje is het verbruik in korte tijd met 2 % omlaag gegaan. De bedoeling van het voorstel is om in heel Europa dergelijke dalingen tot stand te brengen. Het EESC is bovendien een groot voorstander van educatieve en voorlichtingscampagnes over de ingrijpende gevolgen van roken voor de gezondheid.

2.3

Het voorstel wekt de nodige bezorgdheid over banen, belastingen en de economie in de Europese Unie. De tabaksector geeft kennelijk werk aan zo'n 1,5 miljoen mensen in de EU, van wie er ongeveer 400 000 in de tabaksteelt werken. Cijfers van onder meer de Commissie lijken erop te wijzen dat deze werknemers als seizoensarbeider dan wel tijdelijk of in deeltijd in de handelsketen van tabaksproducten werkzaam zijn. Het aantal mensen dat louter en alleen in de eigenlijke tabaksteelt werkzaam is, bedraagt waarschijnlijk minder dan 100 000. De productie van deze telers is goed voor ongeveer een kwart van de tabak die in de EU voor productie en verkoop wordt gebruikt; de rest wordt geïmporteerd, hoofdzakelijk uit de VS. Andere banen – in de verpakking, marketing, verkoop, juridische dienstverlening, onderzoek en distributie – zouden buiten schot blijven. Het is dan ook niet duidelijk waarom de voorgestelde aanpassingen van de verpakking van eindproducten zo'n groot effect zouden moeten hebben op de werkgelegenheid. Het is zelfs nog minder duidelijk waarom de voorgestelde maatregelen worden omschreven als "onbeproefd en vrijwel kansloos" en als "mogelijk rampzalig" voor de tabaksindustrie. Het EESC denkt dat eerder het tegenovergestelde het geval is: dat deze maatregelen een nuttig, waardevol en proportioneel effect zullen hebben op de volksgezondheid en slechts een klein effect op de totale groei en winstgevendheid van bedrijven. De eventuele gederfde verkoop aan nieuwe, jonge rokers wordt meer dan gecompenseerd door de daling van de veel grotere illegale verkoop, waarbij niemand behalve de betrokken criminele bendes baat heeft.

2.4

De tabaksteelt in de EU zorgt echter wel voor banen, vooral in kansarme gebieden waar vooralsnog weinig alternatieven voorhanden zijn. Nu de GLB-subsidies voor de productie van tabaksbladeren zijn afgeschaft, is er dringend behoefte aan technische en financiële ondersteuning om een overschakeling mogelijk te helpen maken op minder schadelijke, meer op de lange termijn gerichte en duurzamere inkomstenbronnen. Hetzelfde geldt voor andere banen in de handelsketen: verdwijnen deze omwille van het openbaar belang, dan moet de overheid uiteraard wel te hulp schieten.

2.5

Jaarlijks wordt bijna 100 miljard euro aan tabaksaccijnzen geïnd. Daarmee kunnen de kosten voor de gezondheidszorg van degenen die al vijftig jaar of langer roken weliswaar ten dele worden gecompenseerd, maar over vijftig jaar is eenzelfde hoeveelheid belastinggeld nodig om te zorgen voor iedereen die nu tabaksproducten begint te kopen en gebruiken. Accijnsverhogingen zullen daarom nodig zijn om eventuele dalingen in de verkoop op te vangen. De lidstaten lijken zich hiervan bewust te zijn. Ondanks de in de afgelopen jaren teruggelopen verkoop kunnen zij het algehele belastingpeil handhaven of zelfs verhogen. In het VK, bijvoorbeeld, waar de prijzen tussen 1992 en 2011 geleidelijk zijn gestegen en de accijnzen 75 % of meer van de totale verkoopprijs bedragen, is volgens een recent verschenen ‘All Party Parliamentary Group Report on Smoking and Health’ (2013) (8) de sigarettenverkoop met 51 % gedaald, terwijl de belastinginkomsten voor de regering met 44 % zijn gestegen. In dezelfde periode daalde het aantal volwassen rokers van 27 % naar 20 %.

2.6

Hoewel het gros van de in de EU vervaardigde tabaksproducten in de EU wordt verkocht, gaat er ook een gedeelte naar het buitenland. In totaal werd er in 2010 zo'n 55 000 ton aan tabaksproducten geëxporteerd, vooral naar Afrikaanse en Aziatische landen waar de levensverwachting momenteel zo droevig laag is dat een eventueel negatief effect van tabaksverbruik op de volksgezondheid niet te onderscheiden valt. Op den duur, als andere problemen worden opgelost en de levensverwachting stijgt, zal het effect van nicotineverslaving en tabaksgebruik, evenals van andere geëxporteerde kwalen, duidelijker zichtbaar worden.

2.7

Naarmate daarentegen de levensverwachting en het werkzame leven in de meer ontwikkelde landen van de EU blijven toenemen, zullen de gevolgen van roken steeds duidelijker worden op de werkplek en binnen de samenleving als geheel. Voor de aanpak van dit groeiende en meer zichtbare probleem zijn zowel werkgevers als organisaties van werkgevers en werknemers verantwoordelijk. In de huidige recessie zullen gezinnen die nu al moeilijk rondkomen, nog meer problemen krijgen door het vroegtijdige (en vermijdbare) overlijden van werknemers en het verlies van hun inkomen of pensioen.

2.8

Hoewel de tijd tussen beginnen met roken en een vorm van kanker krijgen constant blijft, neemt de levensverwachting van niet-rokers nog altijd toe. Door tabaksgebruik blijft de levensverwachting daarom dalen, van 2 à 3 jaar aan het begin van de twintigste eeuw tot 20 à 30 jaar voor wie nu, of gedurende de periode waarop het voorstel betrekking heeft, begint met roken.

3.    Algemene opmerkingen

3.1

In de door de Europese Commissie voorgelegde richtlijn betreffende tabaksproducten ligt het accent op een reeks maatregelen die tot doel hebben de werking van de interne markt te verbeteren, alsook illegale handel te verminderen, en een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, in verband met de risico's van het roken van tabak, te waarborgen. Deze maatregelen zijn:

etikettering en verpakking

grondstoffen

traceerbaarheid en veiligheidskenmerken

grensoverschrijdende verkoop op afstand

rookloze tabaksproducten en uitbreiding van de productomschrijving

3.2

Met het voorstel zouden voor de etikettering, de verpakking en de grondstoffen bepaalde gezondheidswaarschuwingen worden opgelegd met betrekking tot de ernstige gezondheidsrisico's die tabak met zich meebrengt.

3.3

Volgens het voorstel mogen fabrikanten smaakstoffen blijven gebruiken die essentieel zijn voor de merken die zij momenteel voeren, maar worden beperkingen opgelegd aan het gebruik van nieuwe, niet-tabakgerelateerde additieven die tot doel hebben een groter marktaandeel te verwerven, vooral onder jongeren. Zo dienen er op alle pakjes waarschuwende teksten en foto's te worden aangebracht die zo'n 75 % van de verpakking beslaan, en dient er nieuwe informatie op de zijkanten te komen (50 % van beide kanten). Naast de verplichte accijnszegels in sommige lidstaten, dient de verpakking verder ook nog het verbod van tabaksverkoop aan jongeren te bevatten en dient er ruimte over te blijven voor de nieuwe maatregelen die de traceerbaarheid en veiligheidskenmerken van de tabaksproducten garanderen. Dit betekent dat er weinig ruimte overblijft voor de weergave van de wettelijk geregistreerde handelsmerken en andere verkoopgerelateerde afbeeldingen. Lidstaten mogen desgewenst compleet neutraal verpakkingsmateriaal introduceren, maar dit is op grond van dit voorstel niet vereist. Er komen ook minimumvereisten voor de hoogte en breedte van de pakjes, hetgeen inhoudt dat bepaalde modellen, vooral de modellen die zijn bedoeld om jonge mensen aan te trekken, zullen verdwijnen. Dergelijke regelgeving werd in 2009 in de VS ingevoerd om het vizier minder op kinderen en jongeren te richten. Het EESC steunt al deze maatregelen.

3.4

Dit betekent dat het ontwerp van de pakjes moet worden aangepast, maar het is niet duidelijk waarom dat veel invloed zou hebben op de werkgelegenheid in de verpakkingsindustrie in landen als Duitsland, Polen, Frankrijk, de Tsjechische Republiek en Oostenrijk. De verkoop van eindproducten van tabak in alle vormen zal naar verwachting grotendeels gelijk blijven en zal zich richten op een werkelijk besloten markt van ongeveer 150 000 000 bestaande nicotineverslaafde gebruikers in de hele EU. Op het vlak van de volksgezondheid kan er flinke winst worden geboekt, niet alleen in economisch opzicht maar ook in termen van minder menselijk lijden. Dat moet beklemtoond worden, samen met het feit dat ex-rokers hun geld aan andere zaken zullen uitgeven en dus nieuwe banenkansen creëren. De jaarlijkse kosten van tabaksverbruik voor de EU bedragen naar schatting 517 miljard euro (9). Nationaal gezien bedragen de totale kosten naar schatting ongeveer 4,6 % van het bbp van de EU (10). Momenteel kost de gezondheidszorg voor ziekten die verband houden met tabaksverbruik de EU 25,3 miljard euro; productiviteitsverliezen zijn goed voor 8,3 miljard euro (11). Dat is ongeveer gelijk aan de omzet van de tabaksindustrie (exclusief belastingen), die 35 miljard euro bedraagt.

3.5

Het EESC merkt op dat de kosten die rechtstreeks worden toegeschreven aan ziekten die het gevolg zijn van het gebruik van nicotine en tabakgerelateerde producten, thans de beste schattingen zijn van de reële kosten voor de lidstaten. Deze zijn significant lager dan de theoretische "waarde van een mensenleven" (1 miljoen euro voor elk leven dat, al dan niet voortijdig, verloren is gegaan) die de Commissie in eerdere effectbeoordelingen heeft gebruikt om wetgeving te rechtvaardigen en om een idee te geven van de verwachte kosten voor bedrijven en anderen. Als hier zou worden uitgegaan van dit veel hogere bedrag, dan zouden de aangevoelde stimulansen om dit voorstel aan te nemen oplopen tot 700 miljard euro, waarbij alle andere argumenten in het niet zouden vallen.

3.6

Roken en de bijbehorende gewoonten hebben feitelijk als enige sociale of economische voordelen voor rokers dat zij de gevolgen van hun nicotineverslaving verzachten. Stoppen met roken is inderdaad moeilijk en neemt tijd in beslag, als gevolg van deze verslaving. De wetenschap dat bijna de helft van alle rokers ("klanten", "burgers" en "kwetsbare personen") voortijdig zal komen te overlijden als gevolg van deze gewoonte is op zich helaas onvoldoende om mensen van hun verslaving af te helpen; daarom moet elke stimulans om te beginnen met roken worden vermeden.

3.7

De maatregelen die hier worden ingevoerd, zijn niet bedoeld om invloed te hebben op het gedrag van huidige volwassen rokers, en hebben die invloed waarschijnlijk ook niet, maar moeten - volgens ervaringen van over de hele wereld - jonge mensen de lust ontnemen om te beginnen met roken. Als het aantal rokers afneemt, zullen de kosten van de gezondheidszorg aanzienlijk verminderen. Ook zal dat op termijn veel mensenlevens redden en menselijk lijden verminderen.

3.8

Het EESC constateert dat dit voorstel niet zo ver gaat dat het volledig gestandaardiseerde verpakkingen wil invoeren, met standaardkleuren en -letters, zoals in Australië. Fabrikanten mogen hun eigen merken, met eigen namen en specifieke tabakssmaken, blijven voeren. De productkwaliteitseisen blijven relevant omdat de consument nog steeds informatie krijgt over de fabrikant van het product dat wordt gekocht.

3.9

Er is weinig overtuigend bewijs dat deze wijzigingen van de verpakkingsregels tot een toename van de illegale handel of smokkel in tabak zullen leiden. Integendeel, het gebruik van illegale tabak door rokers hangt nauw samen met prijs en beschikbaarheid (12). Volgens de laatste cijfers uit de sector gaat er jaarlijks 10 miljard euro aan belastinginkomsten uit tabaksproducten verloren als gevolg van dergelijke illegale handel. De verkoop van gesmokkelde tabak bedraagt momenteel 10 % van het totaal voor de EU (13). Er is volop aanvoer van buiten de EU, vooral uit Rusland en China. De vraag is hoog in landen die in economische crisis verkeren en/of hoge belastingen heffen op tabaksproducten. Illegale verkoop zet banen op het spel in de EU, zet de belastinginkomsten van regeringen onder druk en verlaagt de winstgevendheid van legale verkoop. Daarom moet alles in het werk worden gesteld om de smokkel in tabak tegen te gaan, door de veiligheid te vergroten, toezicht uit te oefenen en preventieve maatregelen te nemen, en tabaksproducten aan strengere kwaliteitscontroles te onderwerpen, om slechts een paar voorbeelden te noemen. Het gebruik van droogstempels of elektronische tags moet worden overwogen, naast andere maatregelen waarover al een akkoord is bereikt met de tabaksindustrie.

3.10

Wat de uitvoering van deze voorstellen ook moge kosten, er dient in gedachten te worden gehouden dat de potentiële wereldwijde voordelen van een betere volksgezondheid als gevolg van een verminderde tabaksconsumptie veel groter zijn. Onderzoek heeft aangetoond dat overheden en werkgevers die maatregelen hebben genomen om roken op het werk te verbieden, daar onmiddellijk de vruchten van hebben geplukt in de vorm van een hogere productiviteit, minder absenteïsme, lagere onderhoudskosten van de gebouwen en lagere uitgaven voor gezondheidszorg en ziektekostenverzekering (14).

3.11

Verder zijn er in dit voorstel 16 gedelegeerde handelingen opgenomen die de Commissie bevoegdheden geven om beslissingen te nemen over specifieke onderdelen van de richtlijn, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (15).

4.    Specifieke opmerkingen

4.1

De richtlijn zou gericht moeten blijven op het bereiken van de erin vermelde doelstellingen op het vlak van zowel de interne markt als de volksgezondheid, waarbij maatregelen zowel op lange termijn als op korte termijn ten uitvoer worden gelegd. In dit verband moet erop worden gewezen dat de Commissie zelf schat dat het effect van haar maatregelen op de volksgezondheid een daling met 2 % van het aantal huidige of waarschijnlijke rokers zal zijn. De richtlijn is in de eerste plaats op een beperking van de groei gericht, eerder dan op een vermindering van de huidige gebruiksniveaus. Het gegeven percentage lijkt misschien laag, maar er is een duidelijk positieve impact op een aantal vlakken.

4.2

Personen in de werkende leeftijd die stoppen met roken (net als potentiële rokers die vermijden te beginnen roken) leven langer en hebben dus een langere beroepsloopbaan. Ten gevolge van met roken verband houdende ziekten of eruit voortvloeiende complicaties sterven rokers naar schatting 14 jaar jonger dan mensen die nooit hebben gerookt. Dit verschil zal nog toenemen als de algemene levensverwachting toeneemt, in het bijzonder voor niet-rokers. Een vermindering van het tabaksgebruik met 2 % komt overeen met 2,4 miljoen personen die het roken vaarwel zeggen en 16,8 miljoen levensjaren winnen. Voor de maatschappij zou dit een winst betekenen van 10,3 miljard euro per jaar, terwijl er 506 miljoen euro minder uitgaven voor de gezondheidszorg nodig zouden zijn. De hogere productiviteit, die het resultaat is van een lager absenteïsme, vervroegde pensionering en dergelijke, zou een totale jaarlijkse winst van 165 miljoen euro opleveren (16).

4.3

Het aanbrengen van gezondheidswaarschuwingen die 75 % van de voor- en achterzijde van de verpakking beslaan en van nieuwe informatie op 50 % van de zijkanten (artikel 9) maken deel uit van een pakket maatregelen waarmee het totale aantal rokers kan worden teruggebracht. De verpakking van tabaksproducten mag geen misleidende informatie over de productinhoud bevatten. Ze moet dus een duidelijke waarschuwing bevatten met betrekking tot de gezondheidsrisico's, waaronder niet in het minst vroegtijdig overlijden. In verkooppunten zouden waarschuwingen zichtbaar moeten zijn, terwijl reclame er vanzelfsprekend zou moeten worden verboden.

4.4

De beperking van ingrediënten die bedoeld is om smaken of kenmerkende aroma's te weren (artikel 6) is, net als de visuele presentatie van de verpakkingen, van bijzonder belang. Een van de objectieve criteria, zoals de vermindering van de aantrekkingskracht van tabak, is met name relevant voor sommige leeftijds- of gendergroepen, in het bijzonder voor meisjes en jonge vrouwen, die nu een van de snelst groeiende markten in de EU uitmaken en daarom door de reclame zwaar onder druk worden gezet om te beginnen roken.

4.5

Het EESC kan zich daarom volledig vinden in het voorstel van de Commissie om nieuwe producten op de markt die naar kauwgom, piña colada, mojito, enz. smaken (candy-flavoured cigarettes) en vooral op jonge en meestal vrouwelijke potentiële consumenten zijn gericht, te verbieden. "Slimpakjes" zijn ook specifiek op jonge vrouwen gericht, in een poging om silhouet, gewicht en uitstraling te linken aan een gewoonte die uiteindelijk voor de helft van hen tot een vroegtijdige dood zal leiden. Aangezien de onontkoombare langetermijngevaren van het gebruik van nicotinehoudende tabaksproducten door iedereen onderkend en aanvaard worden, kan het EESC zich onmogelijk voorstellen dat deze marketingstrategieën zouden zijn ontwikkeld, laat staan ten uitvoer gelegd, door verantwoordelijke producenten.

4.6

Het EESC verzoekt de Commissie om een heldere definitie en een passend rechtskader aan te reiken voor "producten met een verminderd risico" waarvan wetenschappelijk vaststaat dat zij een geringer risico inhouden dan conventionele sigaretten. Met dergelijke "producten met een verminderd risico" worden producten bedoeld die conventionele sigaretten kunnen vervangen, maar veel minder schadelijk voor de gezondheid zijn; het gaat niet om producten om te stoppen met roken. Dergelijke producten die tabak met een lager nicotinegehalte of, beter nog, tabaksloze nicotine ("elektronische sigaretten") bevatten en die onder de richtlijn vallen, moeten duidelijk worden gedefinieerd en gereglementeerd, zodat consumenten kunnen worden geïnformeerd over de risico's of voordelen die deze producten op lange termijn bieden in vergelijking met conventionele tabaksproducten.

4.7

Het voorstel bevat ook maatregelen om de illegale tabakshandel terug te dringen. Zo worden met artikel 14 een volg- en traceersysteem en verschillende aanvullende veiligheidsmaatregelen ingevoerd, die ervoor moeten zorgen dat binnen de Europese Unie uitsluitend producten worden verkocht die aan de voorschriften in de richtlijn voldoen. Deze maatregelen zullen een economische en administratieve last met zich meebrengen die voor kleine en middelgrote ondernemingen moeilijk te dragen zou kunnen zijn (in tegenstelling tot de 4 à 5 grote multinationale bedrijven die de wereldhandel in tabak en met nicotine verwante producten beheersen); ook voor lidstaten die inspecties moeten uitvoeren, betekent het een grotere administratieve last. Hopelijk zullen smokkel en illegale handel in het nieuwe systeem afnemen. Het EESC vindt dan ook dat de bepalingen van artikel 14 van de voorgestelde richtlijn exact hetzelfde moeten zijn als de bepalingen m.b.t. volgen en tracering in het protocol inzake de bestrijding van de illegale handel in tabaksproducten dat eind vorig jaar door de Conferentie van de Partijen van de WHO werd goedgekeurd (17).

4.8

In het geval van sigaren, cigarillo's en pijptabak kunnen op grond van de richtlijn bepaalde in de tekst genoemde uitzonderingen automatisch teniet worden gedaan indien zich een "aanzienlijke verandering in de omstandigheden" voordoet en deze verandering verband houdt met een omzetstijging van minstens 10 % in minstens 10 lidstaten of een stijging van het aantal rokers jonger dan 25 jaar met 5 %. De markt voor deze producten in 10 van de 27 lidstaten is echter bijzonder klein, zodat een wijziging ter waarde van 10 % zich makkelijk kan voordoen zonder een significante impact op de werkgelegenheid of de belastinginkomsten te hebben.

4.9

In overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is bevoegdheidsdelegatie mogelijk door middel van gedelegeerde handelingen die aan een reeks voorwaarden voldoen. Gedelegeerde handelingen mogen enkel betrekking hebben op niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling.

Stemuitslag

Voor

:

89

Tegen

:

162

Onthoudingen

:

17

Een als volgt luidende nieuwe par. 1.4 invoegen:

"Het EESC benadrukt het belang van een gezonde bevolking en de voordelen daarvan op tal van gebieden en dringt er daarom bij de lidstaten op aan om te bevorderen dat er in scholen, ondernemingen e.d. meer rookvrije ruimtes worden ingesteld waar burgers, en dan vooral jongeren, morele steun en medische hulp kunnen krijgen. Ook zou steun moeten worden verleend aan de uitwerking en handhaving van diverse methoden om hulp te bieden en van diverse netwerken voor samenwerking die vernieuwend zijn en op educatie zijn gericht."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 1.5

Als volgt wijzigen:

"Er bestaat het risico op een aanzienlijke derving van belastinginkomsten, niet alleen vanwege een toename van de illegale handel, maar ook vanwege een daling van de verkoop en van de prijzen. Momenteel wordt in de Europese Unie zo'n 100 miljard euro aan tabaksbelasting geïnd. Belastingheffing op tabak is het doeltreffendste en goedkoopste soort maatregel om het tabakverbruik te beperken, met name bij jongeren en categorieën burgers met een laag inkomen (18) Uit onderzoek blijkt dat rokers de prijs van tabaksproducten als derde meest voorkomende reden opgeven om te stoppen met roken (19). Voorts zij opgemerkt dat het geld dat wordt uitgespaard door geen tabaksproducten meer te kopen, gebruikt wordt voor de aankoop van andere zaken, waarop ook belasting wordt betaald.."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 1.8

Wijzigen als volgt:

"Het voorstel betekent verder een inbreuk op de soevereine bevoegdheden van de lidstaten, Naast de omdat de Commissie ruime bevoegdheden die de Commissie zou krijgten om later via gedelegeerde handelingen essentiële aspecten van de richtlijn uit te werken, dient te worden gegarandeerd dat de besluitvorming op een open wijze geschiedt overeenkomstig de belangen van de lidstaten. Daarmee wordt het subsidiariteitsbeginsel met voeten getreden. Het EESC benadrukt dat dwingende maatregelen overeekomstig kan niet instemmen met gedelegeerde handelingen indien deze niet expliciet binnen de bepalingen van artikel 290 van het VWEU niet nodig zullen zijn vallen. Bovendien hebben acht nationale parlementen in het kader van het subsidiariteitstoezicht 14 tegenstemmen tegen het Commissievoorstel uitgebracht, vanwege niet-naleving van het subsidiariteitsbeginsel (20)."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 1.9

Wijzigen als volgt:

"Het EESC staat achter de gedachte van risicovermindering en verzoekt de Commissie derhalve om een heldere definitie en een passend juridisch kader aan te reiken voor "producten met een verminderd risico", dat op een wetenschappelijk onweerlegbare wijze de risicovermindering in vergelijking met conventionele sigaretten vastlegt. Dat geldt met name voor producten die tabak bevatten (en geen chemische nicotine) en dus onder de richtlijn vallen."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 3.1

Als volgt wijzigen:

"…

Drie van de zes beleidsgebieden zouden een enorme impact op de werkgelegenheid en de belastinginkomsten in de EU-lidstaten hebben. Met het voorstel zouden voor de etikettering, de verpakking en de grondstoffen bepaalde gezondheidswaarschuwingen worden opgelegd die in geen enkele verhouding meer zouden staan tot de huidige, die nog beter zichtbaar zijn en zouden beperkingen worden opgelegd voor het formaat, de smaak en de inhoud van de tabaksproducten. Zo dienen er op alle pakjes waarschuwende teksten en foto's te worden aangebracht die zo'n 75 % van de verpakking beslaan, en dient er nieuwe informatie op de zijkanten te komen (50 % van beide kanten). Naast de verplichte accijnszegels in sommige lidstaten, dient verder ook nog het verbod van tabaksverkoop aan jongeren te worden aangebracht, en dient er ruimte over te blijven voor de nieuwe maatregelen die de traceerbaarheid en veiligheidskenmerken van de tabaksproducten garanderen. Dit alles betekent de facto dat er heel weinig ruimte overblijft voor de weergave van de wettelijk geregistreerde handelsmerken. Daarnaast dienen de pakjes van zeer kleine afmetingen te zijn, hetgeen inhoudt dat bepaalde modellen zullen verdwijnen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het "casket"-model dat in sommige landen, zoals Griekenland, veel wordt gekocht. Ook het in Portugal meest verbreide model zou verdwijnen. Deze verpakkingswijzigingen, die niet wetenschappelijk onderbouwd zijn, kunnen de werkgelegenheid in gevaar brengen in de verpakkingsindustrie, die van groot belang is in Europese lidstaten als bijvoorbeeld Duitsland, Polen, Frankrijk, het VK of Oostenrijk. Er zij op gewezen dat de minimumvereisten voor de hoogte en breedte van de tabaksproducten niet zijn meegenomen in de openbare raadpleging en evenmin deel uitmaakten van het effectbeoordelingsverslag. Verder wordt de verkoop van sigaretten met kenmerkende aroma's verboden en wordt er een nieuwe definitie van "cigarillo" (een soort kleine sigaar) vastgelegd die in tegenspraak is met de iets langer dan sinds een jaar geldende belastingwetgeving in de Unie (21). Het nieuwe uiterlijk van de pakjes en de minimumvereisten voor de hoogte en breedte ervan zullen positieve resultaten opleveren, met name doordat zij niet aantrekkelijk zijn voor kinderen en jongeren, die een risicogroep vormen. Uit onderzoek is overduidelijk gebleken dat de verpakking een marketinginstrument is om producten te verkopen. De verpakking van tabaksproducten wordt tegenwoordig vaak op strategische wijze vormgegeven om een bepaald publiek aan te spreken. Zo heeft onderzoek uitgewezen dat vrouwen in Letland eerder voor producten in een lichte verpakking kiezen omdat zij denken dat het teergehalte daarvan lager is en dus minder schadelijk voor de gezondheid. Kinderen denken trouwens dat een product in een kleurrijke verpakking geen negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid (22). Met een uniforme, en bij voorkeur eenvoudige, verpakking worden consumenten dus niet op het verkeerde been gezet voor wat de werkelijke effecten van het product betreft - integendeel, studies hebben aangetoond dat een eenvoudige verpakking vooral geassocieerd wordt met eigenschappen als "saai, muf, vies of oud" (23).

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 3.2

Als volgt wijzigen:

"Omdat alle pakjes hetzelfde formaat en alle producten dezelfde smaak zullen hebben, zal alleen de prijs nog het verschil tussen de merken uitmaken, hetgeen tot een verarming van de waardeketen van de hele sector zal leiden. Als de prijs overblijft als enige element waarop kan worden geconcurreerd, zal er een prijsdaling volgen, waarop de lidstaten evenwel hogere accijnzen kunnen heffen om hun inkomsten veilig te stellen. die enerzijds tot inkomstenderving van de marktspelers en tot belastingderving van de lidstaten zal leiden en anderzijds tot teloorgang van de werkgelegenheid in de sector. "

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Nieuwe paragraaf invoegen na paragraaf 3.3

Tekst toevoegen:

" Hoewel de verpakking van tabaksproducten zal worden gestandaardiseerd en de onderscheidende kenmerken tussen de diverse fabrikanten dus zullen verminderen, zal op een daarvoor bestemde plaats op de verpakking de naam van de fabrikant en het product in gestandaardiseerde grootte, kleur en lettertype worden aangegeven. Het criterium van de kwaliteit blijft dan ook relevant daar aan de consument ook in de toekomst informatie zal worden verstrekt over wie de fabrikant van het door hem gekochte product is. "

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 3.3

Schrappen.

"Als alleen de prijs nog het verschil uitmaakt, zal de kwaliteitstabak die in de EU wordt geproduceerd niet langer aantrekkelijk zijn voor bedrijven die hun fabrieken op het EU-grondgebied hebben gevestigd, aangezien de kwaliteit van het tabaksblad niet langer doorslaggevend zal zijn voor de aankoop ervan, hetgeen niet veel goeds belooft voor de werkgelegenheid van de tabakstelers, in tegenstelling tot wat de Commissie in haar effectbeoordelingsverslag beweert. Momenteel bedraagt de tabaksoogst in de EU zo'n 250 000 ton per jaar, waarbij Italië de hoofdproducent is met meer dan 89 000 ton, gevolgd door Bulgarije met 41 056 ton, Spanje met 38 400 ton en Griekenland met 24 240 ton. In deze schakel van de keten zijn zo'n 400 000 mensen werkzaam, met Bulgarije bovenaan met 110 000 tabakstelers, gevolgd door Polen met 75 100 en Italië met 59 300 tabakstelers (24)."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 3.7

Als volgt wijzigen:

"Verder zijn er in dit voorstel 16 gedelegeerde handelingen opgenomen die de Commissie bevoegdheden geeft om beslissingen te nemen over essentiële bepaalde onderdelen van de richtlijn, overeenkomstig een kwestie die in artikel 290 van het VWEU expliciet uitgesloten wordt  (25). Op deze manier hebben de Raad, het Europees Parlement en de nationale parlementen bijna geen enkele speelruimte meer bij de tenuitvoerlegging van fundamentele aspecten van de richtlijn."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Nieuwe paragraaf 4.1.1

Nieuwe tekst:

" In landen die de afgelopen jaren door de economische crisis zijn getroffen, zoals Letland, zijn de economische en gezondheidskosten van tabaksconsumptie verbazingwekkend hoog: 25 % van het aantal sterfgevallen onder mannen en 4 % van het aantal sterfgevallen onder vrouwen houdt verband met tabaksverbruik, terwijl 12 % van het aantal ziektegevallen in Letland het gevolg is van tabaksverbruik. De kosten van de behandeling van deze ziekten belopen naar schatting 29 miljoen euro, d.w.z. 3,27 % van het totale gezondheidszorgbudget. Het productieverlies door afwezigheid als gevolg van aandoeningen die aan roken zijn toe te schrijven, bedraagt 29,5 %, hetgeen in Letland neerkomt op een schadepost van 12 miljoen euro. Zo ook leidt voortijdig overlijden als gevolg van roken tot hoge kosten, die oplopen tot zo'n 2,5 miljard euro, ofwel 9,38 % van het bbp (26). "

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 4.2

Als volgt wijzigen:

De disproportionele uitbreiding van de Deze gezondheidswaarschuwingen zal bovendien ook zullen de volgende gevolgen hebben:

de eenzijdige beëindiging het behoud van de legitieme rechten van fabrikanten op intellectuele en industriële eigendom, aangezien de geregistreerde merken niet langer gebruikt zullen kunnen worden. Volgens het Het Hof van Justitie van de Europese Unie (27) hebben fabrikanten het recht om hun geregistreerde handelsmerken te gebruiken en hun producten verder te voorzien van onderscheidende kenmerken is van mening dat deze rechten kunnen worden beperkt, aangezien het niet om absolute rechten gaat ;

een extra belemmering voor mededinging, in een sector waar er nog maar weinig mogelijkheden tot differentiatie bestaan;

schending van de fundamentele handelsrechten die onlosmakelijk met elke legale handelsactiviteit verbonden zijn; erkenning van het primordiale belang van de volksgezondheid en de daarmee samenhangende voordelen, die primeren boven de activiteiten van de tabakshandel;

een rem op de invoering van nieuwe producten op de markt; en van nieuwe producten die bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid en, bijgevolg, voor de economische groei.

de stopzetting van onderzoek en het tenietdoen van de mogelijkheid om de aangeboden producten kwalitatief te verbeteren. Op een arbitraire manier wordt de toegang van nieuwe producten van de jongste generatie beperkt, zonder dat de mogelijkheid wordt geboden een duidelijk regelgevingskader vast te stellen waarin geanalyseerd kan worden hoe de risico's van deze producten voor de bevolking kunnen worden verminderd. Dit kan ook een belemmering vormen voor de totstandbrenging van welvaart en van de arbeidsplaatsen die nodig zijn voor de innovatie en het onderzoek m.b.t. deze producten. Bovendien mogen deze nieuwe producten, die misschien minder risico opleveren, niet onderworpen worden aan dezelfde beperkingen die voor gebruikelijke producten gelden.

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 4.3

Als volgt wijzigen:

"Hetzelfde geldt voor de De beperking van ingrediënten die bedoeld is om smaken of kenmerkende aroma's te weren (artikel 6) is, net als de visuele presentatie van de verpakkingen, van bijzonder belang. Een van de objectieve criteria, zoals de vermindering van de aantrekkingskracht van tabak, is met name relevant voor sommige leeftijds- of gendergroepen ; deze beperking is niet gebaseerd op wetenschappelijke bewijzen zoals de vermindering van de toxiciteit of de verslavende eigenschappen van de betrokken ingrediënten, maar door een erg subjectief criterium, namelijk de vermindering van de aantrekkingskracht van tabak en de subjectieve stereotiepen m.b.t. het soort tabak dat door elke leeftijds- of gendergroep wordt geconsumeerd. Dezelfde subjectieve benadering wordt gevolgd als zonder enig argument en op arbitraire wijze sommige formaten worden verboden, zoals dunne sigaretten (die niet in de openbare raadpleging of het impactverslag waren opgenomen), korte sigaretten of het volledige gamma mentholsigaretten, terwijl ook het minimumgewicht van pakjes roltabak wordt vastgelegd, het formaat van blikken roltabak wordt gestandaardiseerd en er zelfs een nieuwe categorie "cigarillo" wordt uitgevonden, in strijd met Richtlijn 2011/64/EU (28) die sinds 1 januari 2011 van kracht is. Als dunne en mentholsigaretten, die in verschillende Europese landen erg populair zijn, verboden worden, zullen consumenten deze niet meer kunnen aanschaffen en zullen ze hun toevlucht nemen tot de zwarte markt. Bovendien gaat het hier om tabaksproducten die vooral door volwassen rokers worden gebruikt, zodat het argument dat men hiermee het tabaksgebruik onder jongeren wil voorkomen hier niet opgaat. In het geval van mentholsigaretten, bijvoorbeeld, dient erop te worden gewezen dat dit type tabak hoofdzakelijk door volwassenen wordt gebruikt en dat deze producten bovendien zelfs niet verboden zijn in landen met een zeer uitgebreide wetgeving op het vlak van de strijd tegen tabaksverslaving en erg concrete bepalingen inzake bepaalde verboden ingrediënten, zoals de Verenigde Staten of Canada. Het EESC stelt dan ook voor om het mentholverbod uit het richtlijnvoorstel te schrappen."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 4.3.1

De voorgestelde wijziging geldt niet voor de Nederlandse versie:

"Het EESC kan zich dan ook volledig vinden in het voorstel van de Commissie om nieuwe producten op de markt die naar kauwgom, piña colada, mojito, enz. smaken (candy flavored cigarettes) en mogelijk vooral op jonge consumenten zijn gericht, te verbieden."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 4.3.2

Als volgt wijzigen:

"Het opleggen van al te veel restricties aan de ingrediënten zou ertoe leiden dat alle sigaretten hetzelfde gaan smaken en concurrenten zich dus niet meer kunnen onderscheiden, met als gevolg dat de investeringen worden teruggeschroefd en er minder nieuwe producten op de markt worden gebracht. Dit alles gaat ten koste van de consument, die in zijn keuzemogelijkheden wordt beperkt ; hierdoor zouden de huidige en potentiële gebruikers van tabaksproducten extra aangespoord worden om meer te weten te komen over het product dat zij consumeren of om deze producten te laten staan. Zo zouden zij hun gezondheid, productiviteit en alle ander factoren die van grote invloed zijn op hun kwaliteit van leven, kunnen verbeteren."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 4.5

Schrappen:

"De richtlijn die de Europese Commissie voorstelt bevat ook maatregelen om de illegale tabakshandel terug te dringen. Zo worden met artikel 14 een volg- en traceersysteem en verschillende aanvullende veiligheidsmaatregelen ingevoerd, die ervoor moeten zorgen dat binnen de Europese Unie uitsluitend producten worden verkocht die aan de voorschriften in de richtlijn voldoen. Deze maatregel brengt buitensporige economische en administratieve lasten met zich mee, die veel kleine en middelgrote ondernemingen niet zullen kunnen dragen. Ook worden de lidstaten bij de controle met grotere administratieve lasten geconfronteerd, terwijl de illegale handel bij lange na niet wordt teruggedrongen. Bovendien zal dit systeem niet in staat zijn de smokkel en illegale handel aan banden te leggen; deze zullen door de andere maatregelen in de voorgestelde richtlijn juist bevorderd worden. Het EESC vindt dan ook dat de bepalingen van artikel 14 van de voorgestelde richtlijn exact hetzelfde moeten zijn als de bepalingen m.b.t. volgen en tracering in het protocol inzake de bestrijding van de illegale handel in tabaksproducten dat eind vorig jaar door de Conferentie van de Partijen van de WHO werd goedgekeurd (29)."

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29

Paragraaf 4.6

Als volgt wijzigen:

Tot slot zorgt deze richtlijn ervoor dat de Europese Commissie door middel van gedelegeerde handelingen fundamentele aspecten kan reguleren en wijzigen, zoals bijv. het additievengehalte en de tekst, de plaats en het formaat van gezondheidswaarschuwingen. Zo hebben de lidstaten bijna geen speelruimte meer bij de omzetting van deze richtlijn, zodat hier sprake is van een extreme vorm van interventionisme zoals die nog niet vaak is vertoond in de Europese Unie. Dit is in strijd met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, hetgeen al door de nationale parlementen van acht lidstaten (30) aan de orde is gesteld (Italië, Tsjechische republiek, Griekenland, Bulgarije, Denemarken, Portugal, Roemenië en Zweden). In Italië heeft het parlement niet alleen opgemerkt dat het voorstel in strijd is met de genoemde beginselen, maar heeft het er ook op gewezen dat sommige van de verboden soorten sigaretten, zoals dunne sigaretten of sigaretten met een laag teergehalte, een nuttig instrument kunnen zijn in een beleid dat erop gericht is het tabaksverbruik te verminderen dan wel volledig uit te bannen (31).

Stemuitslag

Voor

:

69

Tegen

:

157

Onthoudingen

:

29


(1)  Artikel 114 VWEU luidt als volgt:

"1.   Tenzij in de Verdragen anders is bepaald, zijn de volgende bepalingen van toepassing voor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 26. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen vast inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen."

(2)  Zie zaak C-491/01, The Queen tegen Secretary of State for Health, ex parte British American Tobacco (Investments) Ltd en Imperial Tobacco Ltd.

(3)  PB C 128 van 18.5.2010, blz. 89-93

(4)  Effectbeoordelingsverslag (http://ec.europa.eu/health/tobacco/docs/com_2012_788_ia_en.pdf)

(5)  Stefan Callan, Smoke Free Partnership, Making Tobacco Tax Trendy Toolkit, 2012, p. 5.,

http://www.smokefreepartnership.eu/sites/sfp.tttp.eu/files/LV%20-%20Tax%20Toolkit_4.pdf

(6)  Europese Commissie, Attitudes of Europeans Towards Tobacco,

http://ec.europa.eu/health/tobacco/docs/eurobaro_attitudes_towards_tobacco_2012_en.pdf, blz. 84.

(7)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 6-11

(8)  http://www.ash.org.uk/APPGillicit2013

(9)  Effectbeoordeling, blz. 15.

(10)  Volgens "A study on liability and the health costs of smoking", uitgevoerd door de Europese Commissie, waren de totale kosten in 2009 (in termen van gezondheidszorg, productieverliezen en mensenlevens) ongeveer 544 miljard euro

http://ec.europa.eu/health/tobacco/docs/tobacco_liability_final_en.pdf, blz. 2).

(11)  Effectbeoordeling van de Commissie.

(12)  Moodie C., Hastings G., Joossens L. Young, "Adult smokers’ perceptions of illicit tobacco and the possible impact of plain packaging on illicit tobacco purchasing behaviour". Eur J Public health, voor het eerst online gepubliceerd op 26 maart 2011. DOI:10.1093/eurpub/ckr038. in Claims that Standardised Packaging Would Increase Illicit Trade are Untrue, Smoke Free Partnership, 10 September 2012,http://www.smokefreepartnership.eu/response-to-tobacco-retailers

(13)  Zie voetnoot 5.

(14)  Carin Hakansta, International Labour Organisation, Working Paper "Workplace smoking: A Review of National and Local Practical and Regulatory Measures", maart 2004, blz. 6,

http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_protect/---protrav/---safework/documents/publication/wcms_108424.pdf

(15)  PB C 115 van 9.5.2008, blz. 172

(16)  Werkdocument van de diensten van de Commissie – Effectbeoordeling bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten (http://ec.europa.eu/health/tobacco/docs/com_2012_788_ia_en.pdf, blz.116).

(17)  http://apps.who.int/gb/fctc/PDF/cop5/FCTC_COP5(1)-nl.pdf

(18)  Stefan Callan, Smoke Free Partnership, Making Tobacco Tax Trendy Toolkit, 2012, blz. 5, http://www.smokefreepartnership.eu/sites/sfp.tttp.eu/files/LV%20-%20Tax%20Toolkit_4.pdf

(19)  European Commission, Attitudes of Europeans Towards Tobacco,

http://ec.europa.eu/health/tobacco/docs/eurobaro_attitudes_towards_tobacco_2012_en.pdf, blz. 84.

(20)  http://www.ipex.eu/IPEXL-WEB/dossier/dossier.do?code=COD&year=2012&number=0366&appLng=ET#.

(21)   Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten, PB L 176 van 5.7.2011, blz. 24-36

(22)  http://www.cancercampaigns.org.uk/ourcampaigns/theanswerisplain/moreinformation/

(23)  The Packaging of Tobacco Products, March 2012, The Centre for Tobacco Control Research Core funded by Cancer Research UK,

http://www.cancerresearchuk.org/prod_consump/groups/cr_common/@nre/@new/@pre/documents/generalcontent/cr_086687.pdf, blz. 40.

(24)  Zie voetnoot 11.

(25)   PB C 115 van 9.5.2008, blz. 172

(26)  http://ec.europa.eu/health/tobacco/docs/tobacco_liability_final_en.pdf

(27)  Arrest van het Hof van 17 oktober 1990 in zaak C-10/89.

(28)   Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten, PB L 176 van 5.7.2011, blz. 24-36

(29)  http://apps.who.int/gb/fctc/PDF/cop5/FCTC_COP5(1)-en.pdf

(30)   http://www.ipex.eu/IPEXL-WEB/dossier/dossier.do?code=COD&year=2012&number=0366&appLng=EN.

(31)  Advies van de commissie Sociale Zaken van het Italiaanse parlement over het voorstel van de Europese Commissie COM(2012) 788 final.


12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/82


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel - Actualisering van de mededeling van de Commissie over het industriebeleid

(COM(2012) 582 final)

2013/C 327/14

Rapporteur: Joost VAN IERSEL

Corapporteur: Enrico GIBELLIERI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 10 oktober 2012 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Een sterkere Europese industrie ten dienste van groei en economisch herstel. Actualisering van de mededeling over het industriebeleid

(COM(2012) 582 final).

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 18 juni 2013.

Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 132 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is zeer goed te spreken over de speciale aandacht die in de door de Commissie in oktober 2012 bijgewerkte versie van dit industriebeleid en de daaraan gehechte bijlagen (waarin het industriebeleid en de tekortkomingen in de lidstaten uitvoerig worden geanalyseerd) aan Europa's industrie - productverwerking en dienstverlening - wordt geschonken. De standpunten die daarin tot uitdrukking worden gebracht, komen in veel gevallen overeen met die van het EESC (1). De echte proef op de som wordt de wijze waarop hieraan uitvoering wordt gegeven.

1.2

Het industriebeleid, een van de zeven vlaggenschipinitiatieven van de Europa 2020-strategie, moet een hoeksteen worden van het nieuwe groei-initiatief waarover veel te doen is maar waar nog te weinig van terecht komt. Daarvoor is nodig dat een omslag wordt gemaakt naar de juiste instelling en dat samenhang wordt gebracht in de manier waarop te werk wordt gegaan. Dat dit politieke gevolgen zal hebben, spreekt voor zich. Het EESC dringt er bij de Commissie, de Raad en het Europees Parlement op aan om zich nog meer in te zetten voor (samenhangende!) initiatieven en horizontaal beleid waarmee de gigantische uitdagingen om de industriële productie overal in Europa op te voeren, worden aangegaan.

1.3

De Europese Raad zou het voortouw moeten nemen door voor het industriebeleid een agenda vast te stellen. De Commissie moet daar volledig bij worden betrokken. Tijdens de bijeenkomsten van de Raad in diverse samenstellingen – met ministers van concurrentievermogen, onderzoek, milieu en sociale zaken – maar ook bij de Commissie en het Europees Parlement moet alle aandacht doelgericht uitgaan naar de meest geavanceerde beleidsmaatregelen op dit gebied in Europa en moeten die beleidsmaatregelen in kaart worden gebracht en gepromoot.

1.4

Besluiten over aan het industriebeleid gerelateerde maatregelen, stappenplannen en termijnen kunnen alleen een drijvende kracht voor Europa worden als daaraan in brede kring bekendheid wordt gegeven. Daarmee is het vooralsnog bedroevend gesteld.

1.5

Daar komt nog bij dat de EU behoefte heeft aan optimale convergentie tussen het beleid van 27 lidstaten en het industriebeleid van de EU. Daarvan is volgens een ruime keur van analyses nog geen sprake. Verscheidenheid maakt sterk, versnippering zwakt af. Er moet een einde worden gemaakt aan het gebrek aan geopolitiek evenwicht.

1.6

Betere randvoorwaarden impliceren met name dat de eengemaakte markt van de EU tot stand wordt gebracht in een sociale markteconomie en wordt gebaseerd op nauwgezette analyses, regelgeving en toepassing daarvan overal in de EU. Bovendien moet er voor de eengemaakte markt van overheidswege worden geïnvesteerd in grensoverschrijdende verbindingen zoals wegen, water- en spoorwegen, havens en vliegvelden.

1.7

Er zijn inmiddels al ruim 26 miljoen mensen werkloos, de economie groeit nauwelijks en de begrotingen staan onder druk. Daarom is er behoefte aan stimulerende vooruitzichten en voorwaarden voor innovatie en industrie. Alleen als begrotingsconsolidatie (bezuinigingen), nationale hervormingsprogramma's en industriebeleid goed op elkaar worden afgestemd, kunnen er weer investeringen worden gegenereerd en arbeidsplaatsen worden geschapen, waardoor het vertrouwen weer toeneemt.

1.8

Maatregelen van de EU moeten altijd bevorderlijk zijn voor Europa's positie in de wereld, niet alleen als concurrent maar ook als partner. De zeer ambitieuze doelstelling om voor de verwerkende industrie in 2020 een aandeel van 20 % te behalen, vergt aanzienlijke investeringen en beleidsbijsturingen. De productiviteit moet beslist groter worden.

1.9

Het belang van "slimme" voorwaarden voor de industrie is veel groter dan dat van technische voorschriften en aanpassingen, omdat het daarbij gaat om het geheel van industriële randvoorwaarden, waaronder met name een samenhangend en voorspelbaar ondernemingsklimaat voor de lange termijn en energiebeleid waarmee de grondslag voor een concurrentiekrachtige industrie wordt gelegd. Die "slimme" voorwaarden moeten garant staan voor uitstekende prestaties en een stimulans vormen voor de opkomst van nieuwe vormen van industrie.

1.10

Beleidsmaatregelen van de EU moeten op maat gesneden en sectorgebonden zijn en worden gebaseerd op analyses van onderaf waarin de technisch-economische vaardigheden en uitdagingen het beste tot hun recht komen. Deze beginselen moeten ook worden toegepast bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het vlaggenschipinitiatief "Efficiënt gebruik van hulpbronnen", waarvan het doel is om efficiënter gebruik te maken van grondstoffen en tegelijkertijd innovatie te bevorderen en Europese ondernemingen meer veerkracht te geven.

1.11

Industriebeleid heeft een krachtige sociale dimensie met gevolgen voor alle geledingen van de samenleving: regio's en gemeenten, ondernemingen en werknemers op werkplekken waar de arbeidspatronen aan snelle verandering onderhevig zijn (digitalisering, robotisering, aan dienstverlening gerelateerde productie, ICT, onderwijs en universiteiten), consumenten en burgers. Industriebeleid komt neer op herstructurering en anticipatie en moet de meest moderne vormen van onderwijs, opleiding en voorlichting bieden en een stimulans vormen voor technologie, innovatie, creativiteit en ondernemerschap. Ook op demografische veranderingen moet naar behoren worden geanticipeerd en gereageerd.

1.12

Regio's met ambitie verhogen de prestaties van de industrie. Die regio's zouden moeten kunnen rekenen op de steun van de EU en de lidstaten voor hun werkwijzen, waaronder specialisering en bijbehorend onderzoek, kwalificaties en clusters, waarvoor ze alleen op hun eigen krachten vertrouwen. Hier valt "een wereld te veroveren".

1.13

Initiatieven en projecten evenals voorbeelden van geslaagde nationale en regionale methoden waardoor het vertrouwen van burgers en sociaaleconomische actoren weer wordt vergroot, moeten voor het voetlicht worden gebracht. Er moet nog meer worden ingezet op partnerschapsovereenkomsten tussen de EU en de lidstaten en netwerkvorming tussen de lidstaten en regio's. Het jaarlijks terugkerende Europees semester biedt legio kansen om daarop voortdurend toe te zien.

1.14

Het industriebeleid van de EU moet een proces zijn van visies en bevoegdheden die tussen de EU en de lidstaten worden gedeeld en gezamenlijk ondernomen acties waarin ondernemers en vakbonden volwaardige partners zijn. Ook andere stakeholders, zoals onderwijsinstellingen, universiteiten (onderzoek), ngo's en consumenten, moeten daar zo nodig bij worden betrokken.

1.15

Sommige lidstaten doen het economisch veel beter dan andere. Dat neemt niet weg dat alle lidstaten de vruchten moeten plukken van voorbeelden van geslaagde methoden (best practices) en de zienswijzen en benaderingen die daaraan ten grondslag liggen.

1.16

Het EESC houdt niet op voorstellen te doen voor sectorgebonden en industriebeleid (zie bijlage). Onderhavig advies gaat vooral over de samenhang tussen belangrijke vraagstukken en de vraag hoe governance door middel van coördinatie en nauwkeurige afstemming effectief kan worden gemaakt.

2.   Achtergrond

– A/   Wereldwijd

2.1

Volgens de analyse van de Commissie lijkt "het aandeel van de arbeidskosten in de totale productiekosten steeds kleiner te worden" (2). Productiviteit is een belangrijke factor. Sommige producties komen weer terug naar Europa, maar de concurrentie wordt juist groter op andere gebieden. Dat laatste heeft te maken met de verbetering van de economische infrastructuur in de BRICS-landen, het duurder worden van de euro en de stijging van de energieprijzen, wat evenzoveel prikkels zijn om in het buitenland te investeren.

2.2

Bovendien loopt Europa achter bij de VS en Japan in innovatievermogen en technologische specialisering. Europa timmert meer aan de weg dan de VS als het gaat om ondernemingen die zich bezighouden met mediumhigh- en mediumlow-technologie, maar de kloof die er altijd al tussen die continenten is geweest op het gebied van high-technologie, is de afgelopen jaren nog veel groter geworden.

2.3

In de VS zetten het Witte Huis en het Congres alles op alles voor een heropleving van hun industrie middels een nationale strategie voor meer concurrentievermogen 2014-2018 (3). In die strategie worden de rol en waarde van industrie voor economie, veiligheid en het leiderschap van de VS in de wereld als centraal vraagstuk aangemerkt.

2.4

Publiekprivate partnerschappen (ppp's) versterken er de technologische en innoverende infrastructuur. Daar zijn de ministeries van defensie, van energie en van handel regelrecht bij betrokken, maar ook de National Science Foundation en de NASA, waarbij stimulansen worden gegeven aan een groot aantal nationale onderzoekscentra en universiteiten.

2.5

Die ontwikkeling is opmerkelijk voor een land waar de postindustriële economie tot voor kort nog hoog in het vaandel werd gedragen. Het groeiende concurrentievermogen van China en andere landen heeft een wakkerschuddende werking gehad. De manier waarop tegen de werkelijkheid wordt aangekeken, verandert. Naar verwachting wordt China in 2030 het grootste economische machtsblok ter wereld, alhoewel de VS wereldleider zouden blijven. Japan en Europa zouden daar ver bij achterblijven (4).

2.6

Nieuwe olieboringen en vooral uit schalie gewonnen aardgas zullen naar verwachting de VS op den duur onafhankelijk maken van de invoer van energie. De verkenning van deze mogelijkheid wordt beschouwd als een revolutie in de energievoorziening die tot de heropleving van de Amerikaanse industrie leidt en geopolitieke verschuivingen met zich mee brengt. Wel moeten er nog oplossingen worden gevonden voor milieu- en gezondheidsproblemen (5).

2.7

China, Brazilië en India blijven aan betekenis winnen. Rusland volgt die landen op de voet. In hun kielzog zijn andere Aziatische en Zuid-Amerikaanse landen ook snel in opkomst. De groeicijfers in de opkomende landen zijn nu al jaren ver boven het gemiddelde, vooral in Azië. Nieuw opgezette onderwijsstelsels leveren in grote getalen hoogopgeleide en hooggeschoolde technici en ingenieurs af. Daarnaast worden gigantische onderzoekscentra opgezet. Goederen en innoverende procedés worden in het algemeen van steeds hogere kwaliteit. De achterstand qua vervoersfaciliteiten en diensteninfrastructuur wordt snel ingelopen.

2.8

In China is een systeem in opkomst dat een mix vormt van staatskapitalisme en vrije-marktinstrumenten (6). Dit systeem is nauw vervlochten met de heersende nationale cultuur en (politieke) tradities. De manier waarop rijkdommen worden gegenereerd, gaat niet gelijk op met democratie en mensen- en werknemersrechten. De situatie wat milieu en volksgezondheid betreft is nog steeds onderontwikkeld, maar de productie is kwalitatief beter aan het worden. Een tegenstroom is alles behalve uitgesloten. Toch kan met recht worden gesteld dat de overheid met haar kapitalistische bemoeienis zal blijven aansturen op bepaalde productievormen die aansluiten bij nationale ambities. Investeringen met middelen van de overheid kunnen, zowel in het buiten- als in het binnenland, een vergelijkbaar resultaat opleveren.

2.9

Sommige landen profiteren van een besluitvorming die vlotter verloopt dan die van de EU, omdat alle besluiten daar door één centrale overheid worden genomen en er wordt gewerkt met een gemeenschappelijk strategie en overeengekomen doelstellingen voor de publieke sector.

2.10

Bepaalde delen van Afrika zijn zich ook volop aan het ontwikkelen. China investeert daar grote bedragen zonder te letten op mogelijke gevolgen voor de samenleving.

2.11

De internationale context en geopolitieke omstandigheden zijn voortdurend aan het veranderen. Feitelijke gegevens zijn van het allergrootste belang als het erom gaat het publiek en politici zich daar bewuster van te maken. Het EESC adviseert om jaarlijks voor de EU een scorebord op te stellen waardoor een aantal sociaaleconomische, technologische en werkgelegenheidsontwikkelingen in andere relevante delen van de wereld inzichtelijk worden gemaakt.

– B/   Europa

2.12

De grondige analyses die de Commissie van de trends in Europa en per land heeft gemaakt, wijzen op een groeiend besef van de behoefte aan een verwerkende industrie.

2.13

De verschillen tussen landen zijn groot. In Duitsland bevindt zich bijna 30 % van de verwerkende industrie in Europa, terwijl andere – kleine of grote – landen veel minder verwerkende industrie hebben en soms zelf een verwaarloosbaar aandeel daarin vertegenwoordigen. In sommige lidstaten vertonen de investeringen in industrie over de afgelopen twintig jaar een sterk dalende lijn. Soms is die daling terug te voeren op grootschalige herstructureringen, maar de oorzaak kan ook een zekere mate van nalatigheid zijn (7).

2.14

De lidstaten passen zeer uiteenlopende methoden toe om betere voorwaarden te creëren. Uiteraard zijn sommige van die maatregelen succesvoller dan andere. De werkgelegenheid in de industrie blijft gestaag teruglopen. Sinds in 2008 de crisis is uitgebroken, zijn er in de verwerkende industrie meer dan vier miljoen banen verloren gegaan.

2.15

Niets wijst erop dat er tussen de lidstaten onderling over beleid, instrumenten of best practices wordt gesproken. Nationale concepten voor industrie- of innovatiebeleid worden in eerste instantie ingegeven door nationale tradities en procedures en worden ook als zodanig aangemerkt in de nationale randvoorwaarden en betrekkingen tussen overheid en particuliere sector, waartoe ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten, vakbonden e.a. behoren.

2.16

Het gevolg is dat veel beleid en bijbehorende financiële regelingen voornamelijk nationaal georiënteerd zijn, wat noch de eengemaakte markt, noch de opstarting van horizontale grensoverschrijdende projecten ten goede komt.

2.17

Afgezien van erg goede resultaten in sommige landen, is er sprake van een ongewenste versnippering van de eengemaakte markt die, zoals de Commissie terecht opmerkt, een rem zet op potentiële groeifactoren.

2.18

Verscheidenheid als inspiratiebron voor creativiteit is een belangrijk troefkaart voor Europa, maar daarvan kunnen alleen álle Europeanen profiteren als wordt gewaarborgd dat naar gemeenschappelijke doelstellingen wordt gestreefd. Er moet worden gezorgd voor een optimale dosering van enerzijds die verscheidenheid tussen de lidstaten "als inspiratiebron voor creativiteit" en anderzijds een transparante en overtuigende convergentie.

2.19

Het voorbeeld van de VS leert dat een dergelijke convergentie vooral gunstig is voor continentale netwerken van kleine en middelgrote ondernemingen met een groeipotentieel.

3.   Europa 2020-strategie: een visie en vaardigheden delen en samen acties ondernemen

3.1

De eengemaakte markt is toe aan een nieuw elan. Verkapt protectionisme is weliswaar aan het toenemen en renationalisering en versnippering dreigen nog steeds, maar het lukt de EU om de eengemaakte markt ongedeerd uit de strijd te laten komen en het beginsel van open markten onaangetast te laten, alhoewel de toepassing van regelgeving een zwak punt blijft.

3.2

De Europa 2020-strategie waarin de mogelijkheid van door de EU en de lidstaten gedeelde bevoegdheden wordt overwogen, moet de weg wijzen. Met deze strategie worden instrumenten aangereikt om profijt te trekken van de voordelen van de algemene Europese schaalvergroting zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de geheel eigen benaderingen en methoden van de lidstaten. De mogelijke voordelen van een dergelijke doelgerichte governance zijn stelselmatig onderbelicht gebleven.

3.3

Er is ook dringend behoefte aan zichtbare resultaten in de vorm van succesvolle innoverende processen en banengroei, die gelijk opgaan met de veranderende patronen in fabricage, commercialisering en dienstverlening.

3.4

Er moeten welbewuste pogingen worden gedaan om vooruit te lopen op herstructureringen, omdat daardoor het draagvlak voor aanpassingen wordt vergroot en die inspanningen bevorderlijk zijn voor de her- en bijscholing van werknemers en het aantal banen zonder arbeidszekerheid binnen de perken helpen houden (8).

3.5

De Mededeling die de Commissie in 2010 heeft uitgevaardigd, geeft nu al aanleiding tot initiatieven zoals Horizon 2020 en initiatieven op gebieden als concurrentievermogentesten, industriële innovatie, hulpbronnenefficiëntie, vaardigheden en onderwijs, toegang tot financiën, interactie tussen industrie en dienstverlening en vervagende verschillen tussen die twee en een groeiend besef van complicaties bij internationale investeringen en de overdracht van technologie.

3.6

Verbazingwekkend is dat er tot voor kort nauwelijks transparante peer reviews van lidstaten zijn gehouden. De toezichthoudende rol van de Commissie moet worden uitgebreid.

3.7

Dergelijke peer reviews zouden achterhaalde structuren in industrie en besluitvorming aan het licht brengen, zouden meer vaart zetten achter modernisering op grond van geslaagd gebleken methoden en kunnen, zowel in de overheids- als in de particuliere sector, dienen als indicatoren voor Europese convergentie "naar boven toe".

3.8

In de werkdocumenten van de diensten van de Commissie staan voor ieder land aanbevelingen die regelrecht aan de industriële ontwikkeling zijn gerelateerd (9). Aan die landspecifieke aanbevelingen moet beter gevolg worden gegeven in de hervormingsprogramma's waarover de lidstaten en de Commissie overleg plegen in het kader van het Europees semester.

3.9

Dat neemt niet weg dat de plank wel heel erg zou worden misgeslagen als alleen de Commissie hiermee wordt belast. Hierin ligt ook een vooraanstaande taak voor de bevoegde ministeries van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor beleid waarvoor geen EU-regelgeving of –maatregelen bestaan. Bovendien moeten die ministeries ook toezien op de behoorlijke toepassing van EU-regelgeving.

3.10

Financieel beleid in de eurozone leidt tot zorgvuldige coördinatie tussen EU-instellingen en nationale overheden. Er is geen reden waarom hetzelfde niet mogelijk zou zijn voor de consolidering van de randvoorwaarden voor industrie, innovatie en banengroei, waaraan een gedeelde visie ten grondslag ligt.

3.11

De documenten van de diensten van de Commissie kunnen lidstaten ook helpen om elkaar - bilateraal of trilateraal - te beoordelen op aan de industrie gerelateerde gebieden, zoals vaardigheden en onderwijs, technologie en innovatie, administratieve lasten, belastingbeleid en overheidssteun. Lidstaten kunnen daaruit moeiteloos conclusies trekken voor wenselijk binnenlands beleid in een Europees perspectief. Hoe dan ook moet een grondige beoordeling van de maatregelen die worden uitgevoerd, altijd deel uitmaken van nationale programma's.

3.12

Voor deze trends is draagvlak nodig in alle geledingen van de samenleving. Daarom is het erg belangrijk dat werkgeversorganisaties en vakbonden er als volwaardige partners aan deelnemen. Dit geldt zo nodig ook voor andere stakeholders, zoals onderwijsinstellingen, ngo's en consumentenorganisaties. Benaderingen op grond van consensus werpen vruchten af. Heel nuttig zijn sociale dialogen op nationaal of regionaal bestuursniveau of binnen bedrijfstakken en bedrijven.

4.   Vraagstukken die aan de orde moeten worden gesteld

4.1   Het EESC deelt de mening van de Commissie dat het industriebeleid van de EU staat of valt met het complementaire karakter van nationale en EU-maatregelen. Dat complementaire karakter zal de impact vergroten van zowel nationaal als EU-beleid. Ook ontstaan daardoor tal van kansen om de daad bij het woord te voegen.

4.1.1   Een algemeen concept houdt in dat een alomvattende aanpak wordt gevolgd en dat transversaal beleid wordt gevoerd. Het EESC wijst op onderstaande nauw verweven thema's die naar zijn oordeel bepalend zijn voor de toekomst van de Europese industrie.

4.2   Industriële innovatie

4.2.1

Industriële innovatie vergt een stevige Europese technologische onderbouwing, die berust op grensoverschrijdende coördinatie en samenwerking tussen onderzoeksinstellingen en universiteiten, toegepaste technologie en ondernemingen.

4.2.2

Het komt voor de EU en de nationale O&O-programma's aan op geavanceerde ontsluitings- en andere transversale technologie. Daar hebben veel downstream activiteiten en beleidsmaatregelen van overheidswege (bv. op het gebied van infrastructuur en duurzaamheid) baat bij. Van cruciaal belang is het EU-kader voor samenwerking en raadpleging tussen overheden en particuliere ondernemingen, met name middels technologie-platforms van de EU. Overheidsopdrachten moeten ook prikkels bevatten voor geavanceerde innovatie.

4.2.3

Technologie is het strijdperk van de toekomst. De Commissie en de Raad Onderzoek moeten het voortouw nemen met het oog op de consolidering van de eengemaakte technologiemarkt en grensoverschrijdende projecten, en wel door een lans te breken voor internationale (vlaggenschip)projecten. Investeringen in innovatie en hoogwaardige banen moeten worden geruggensteund door succesvolle O&O-activiteiten en Europese octrooien.

4.2.4

Het EESC wijst op het belang van subsidiëring door de EU van O&O en grensoverschrijdende projecten. Horizon 2020 moet de zich snel verder uitbreidende inspanningen van andere landen kunnen bijbenen. Europa behoort nog steeds tot de kopgroep, maar zijn traditionele leidersrol is tanende. Bezuinigingen op het budget voor Horizon 2020 hebben een averechtse werking.

4.2.5

De prominente rol van hoger onderwijs en bijbehorende onderzoeksactiviteiten behoeft geen betoog. Programma's en het beheer daarvan moeten zo nodig worden bijgestuurd.

4.2.6

Wenselijk is dat ieder jaar informatie wordt gegeven over overheids- en particuliere investeringen in hoogwaardige technologie.

4.2.7

Innovatie heeft ook invloed op tal van andere gebieden. Innovatie brengt weer vaart in ondernemingen en zorgt voor een nieuw elan op de werkplek: herijking van bestaande productiemethoden, herstructurering van achterhaalde verrichtingen, ontwikkeling van waardeketens en nieuwe "sectoren" en vervaging van de grenzen tussen industrie en dienstverlening. Innovatie staat voor modernisering en creativiteit in de samenleving en zou dan ook als zodanig voor het voetlicht moeten worden gebracht.

4.2.8

De Commissie benadrukt dat de behoefte aan technologie en innovatie voor al haar diensten een horizontale prioriteit is. Het zou een goede zaak zijn als nationale administraties die werkwijze overnemen.

4.3   Vaardigheden en kwalificaties

4.3.1

Technologie, innovatie, productieprocedés waaraan opnieuw vorm wordt gegeven, vervlechting van industrie en dienstverlening, evenals de nieuwe eisen en speerpunten zoals die voortkomen uit de samenleving, zijn zonder uitzondering redenen om adequate vaardigheden en kwalificaties, van bovenaf tot onderaan, als doorslaggevend te beschouwen.

4.3.2

Eigentijdse onderwijssystemen op alle niveaus geven de doorslag. De EU is in de loop van de tijd terecht steeds meer aandacht gaan besteden aan onderwijs, educatie en opleiding, zowel landelijk als regionaal. Onderwijs is een basisvereiste en moet binnen het bereik liggen van alle burgers.

4.3.3

Welke groei-initiatieven de EU ook neemt, het zwaartepunt moet daarin altijd bij het hele onderwijsspectrum worden gelegd. De verschillen tussen lidstaten zijn groot: daarom is de uitwisseling van voorbeelden van geslaagde methoden onontbeerlijk als middel om met name iets te doen aan de werkloosheid onder jongeren.

4.3.4

Stakeholders spelen een doorslaggevende rol. Op alle niveaus – in bedrijven (ook met ondernemingsraden) en op lok