ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.CE2013.239.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 239E

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

56e jaargang
20 augustus 2013


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement
ZITTING 2012-2013
Vergadering van 2 februari 2012
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 114 E van 19.4.2012
AANGENOMEN TEKSTEN

 

Donderdag 2 februari 2012

2013/C 239E/01

Het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRICS-landen en andere opkomende wereldmachten
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRICS-landen en andere opkomende wereldmachten: doelstellingen en strategieën (2011/2111(INI))

1

2013/C 239E/02

Consistent beleid ten aanzien van regimes waartegen de EU restrictieve maatregelen heeft vastgesteld
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 2 februari 2012 betreffende een consistent beleid ten aanzien van autoritaire regimes waartegen de EU restrictieve maatregelen heeft vastgesteld wanneer deze persoonlijke en commerciële belangen in lidstaten van de Unie uitoefenen (2011/2187(INI))

11

2013/C 239E/03

Grensoverschrijdende overdracht van vennootschapszetels
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende een 14e richtlijn inzake het vennootschapsrecht betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van zetels van vennootschappen (2011/2046(INI))

18

BIJLAGE

21

2013/C 239E/04

Begrotingscontrole van de humanitaire hulpverlening van de EU
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de begrotingscontrole van de door ECHO beheerde humanitaire hulpverlening van de EU (2011/2073(INI))

23

2013/C 239E/05

Op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over "Op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen" (2011/2089(INI))

32

2013/C 239E/06

Voedingsclaims
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen

39

2013/C 239E/07

Conclusies van de informele bijeenkomst van de Europese Raad van 30 januari 2012
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de Europese Raad van 30 januari 2012

41

2013/C 239E/08

Iran en zijn nucleaire programma
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over Iran en zijn nucleaire programma

43

2013/C 239E/09

De Europese dimensie van de sport
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de Europese dimensie van de sport (2011/2087(INI))

46

2013/C 239E/10

Toepassing van de afvalstoffenrichtlijn
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de in verzoekschriften opgeworpen vragen betreffende de toepassing van de afvalstoffenrichtlijn en aanverwante richtlijnen in de lidstaten van de Europese Unie (2011/2038(INI))

60

2013/C 239E/11

Het Daphne-programma
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het Daphne-programma: verwezenlijkingen en toekomstperspectieven (2011/2273(INI))

69

2013/C 239E/12

De situatie van vrouwen in oorlogen
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de situatie van vrouwen in oorlogen (2011/2198(INI))

74

2013/C 239E/13

Ontwikkelingsamenwerking van de EU met het oog op universele toegang tot energie tegen 2030
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over EU-ontwikkelingssamenwerking met het oog op universele toegang tot energie tegen 2030 (2011/2112(INI))

83

2013/C 239E/14

Jaarverslag over belastingen
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het jaarverslag over belastingen (2011/2271(INI))

89

2013/C 239E/15

Mededingingsbeleid van de Europese Unie
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het Jaarverslag inzake het mededingingsbeleid van de EU (2011/2094(INI))

97

Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

**I

Samenwerkingsprocedure, eerste lezing

**II

Samenwerkingsprocedure, tweede lezing

***

Instemmingsprocedure

***I

Medebeslissingsprocedure, eerste lezing

***II

Medebeslissingsprocedure, tweede lezing

***III

Medebeslissingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de door de Commissie voorgestelde rechtsgrondslag)

Politieke amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

Technische correcties en aanpassingen door de diensten: nieuwe of vervangende tekst staat in cursief, schrappingen zijn met het symbool ║ aangegeven.

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement ZITTING 2012-2013 Vergadering van 2 februari 2012 De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 114 E van 19.4.2012 AANGENOMEN TEKSTEN

Donderdag 2 februari 2012

20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/1


Donderdag 2 februari 2012
Het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRICS-landen en andere opkomende wereldmachten

P7_TA(2012)0017

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRICS-landen en andere opkomende wereldmachten: doelstellingen en strategieën (2011/2111(INI))

2013/C 239 E/01

Het Europees Parlement,

gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name letter h), waarin wordt vastgesteld dat de Unie een gemeenschappelijk beleid en optreden bepaalt en voert en zich beijvert voor een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen, met de doelstelling goed mondiaal bestuur en een internationaal bestel te bevorderen dat gebaseerd is op intensievere multilaterale samenwerking,

gezien Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (1),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2010 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) in 2008, aan het Europees Parlement gepresenteerd overeenkomstig deel II, sub G, punt 43, van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 (2),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 16 september 2010 waarin wordt gewezen op de betrekkingen van de EU met haar strategische partners,

gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over migratiestromen als gevolg van instabiele omstandigheden: reikwijdte en rol van het buitenlands beleid van de EU (3),

gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 8 juni 2011 over de 66e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (4),

gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over een doeltreffende grondstoffenstrategie voor Europa (5),

gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie (6),

gezien de mededeling van de Commissie over het financieel kader 2014-2020, met de titel "Een begroting voor Europa 2020" (COM(2011)0500),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0010/2012),

A.

overwegende dat het groeiende politieke en economische gewicht van Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika (de BRICS-landen) zorgt voor een grotere relevantie van deze landen op het vlak van het buitenlands beleid;

B.

overwegende dat de BRICS-landen en andere opkomende economieën op het gebied van het buitenlands beleid een relevantere rol in de wereld zouden kunnen spelen, indien hun economische groei verder wordt geconsolideerd;

C.

overwegende dat volgens voorspellingen de gezamenlijke economie van zeven landen in opkomst (Brazilië, Rusland, India, China, Indonesië, Mexico en Turkije) in 2050 groter zal zijn dan die van de G7-landen (VS, Japan, Canada, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en Italië); overwegende dat China volgens voorspellingen vóór 2020 de grootste economie van de wereld zal zijn, uitgedrukt in bruto binnenlands product; overwegende dat India vóór 2050 de snelst groeiende economie van de wereld zou kunnen worden; overwegende dat China, de VS en India in 2050 samen 50% van de wereldeconomie zouden kunnen uitmaken; overwegende dat de EU een vergelijkbare omvang als deze landen zou kunnen hebben als het als eendrachtige en sterke politieke eenheid optreedt; overwegende dat een vergelijkbare omvang wezenlijk is om politieke invloed te behouden en in staat te zijn om in het nieuwe multipolaire bestuursstelsel verder universele waarden te kunnen bevorderen; overwegende dat dit in het kader van een buitenlands beleid moet worden gedaan dat gericht is op bevordering van partnerschap, samenwerking en gezamenlijk bestuur op de grondslag van gemeenschappelijke waarden;

D.

overwegende dat er met de consolidatie van sterke mogendheden op het gebied van economie en buitenlands beleid, zoals de BRICS-landen, een multipolair systeem is ontstaan waarin het mondiale leiderschap in toenemende mate wordt gedeeld door verschillende landen en regionale groepen landen; overwegende dat een dergelijk multipolair systeem een geleidelijke verschuiving van de mondiale economische macht naar de BRICS-landen en andere opkomende economieën met zich meebrengt, alsook een mogelijke verschuiving van leiderschap en invloed op het vlak van het buitenlands beleid van de gevestigde naar de opkomende wereldmachten; overwegende dat de huidige economische crisis deze overgang naar een multipolair systeem heeft versneld; overwegende dat de opkomst van nieuwe wereldspelers een belangrijke mogelijkheid kan zijn voor een constructief partnerschap tussen de bestaande en de opkomende mogendheden en voor een gezamenlijke aanpak van mondiale kwesties en uitdagingen;

E.

overwegende dat voor transnationale uitdagingen – zoals klimaatverandering, mondiale regelgevingskwesties, de toegang tot grondstoffen en zeldzame aardmetalen, terrorisme, de bestrijding van grensoverschrijdende radicale bewegingen, duurzame ontwikkeling, mondiale politieke stabiliteit en veiligheid – een op regels gebaseerde alomvattende aanpak nodig is, op de grondslag van partnerschap, gemeenschappelijke waarden, overeenstemming, nauw overleg en samenwerking met de nieuwe opkomende mogendheden; is van mening dat indien werkelijk wordt samengewerkt doeltreffende oplossingen zullen worden gevonden voor die transnationale uitdagingen; overwegende dat de EU hierbij het initiatief zou kunnen en moeten nemen;

F.

overwegende dat er zonder een nieuw, meer alomvattend stelsel voor mondiale beleidsaansturing, dat gebaseerd is op nauw overleg en samenwerking met de BRICS-landen en andere opkomende economieën weinig motivatie is voor internationale samenwerking en afstemming van hun beleid inzake belangrijke mondiale kwesties, met het potentiële risico op i) politieke en economische fragmentatie en de opkomst van concurrerende wereldagenda's en afzonderlijke regionale gebieden, ii) het uiteenvallen van mondiale economische structuren en investeringsstromen en iii) de totstandkoming van regionale machtsblokken met zeer beperkte internationale coördinatie, zonder de mogelijkheid van een gezamenlijke oplossing voor grensoverschrijdende uitdagingen;

G.

overwegende dat de enorme demografische omvang van de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden, vergeleken met de dalende demografische cijfers van het Westen, deze landen meer gewicht zal geven in internationale fora, aangezien de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden met recht kunnen beweren dat ze een overgrote meerderheid van de wereldbevolking vertegenwoordigen; overwegende dat dit de noodzaak tot hervorming van het mondiale bestuursstelsel en de beheersstructuur van internationale organisaties met zich meebrengt, zodat deze de nieuwe economische en politieke verhoudingen beter weergeven en een centrale rol behouden bij het tot stand brengen van mondiale overeenkomsten en in de besluitvormingsprocessen;

H.

overwegende dat er gezien de huidige economische crisis en de beperkte begrotingsmiddelen van de EU en de VS dringend behoefte is aan een bundeling van de middelen met andere opkomende mogendheden, om op basis van gemeenschappelijke doelstellingen en gecoördineerde strategieën en inspanningen te zorgen voor een coherente en doeltreffende mondiale architectuur voor veiligheid en stabiliteit en doeltreffende interventies op gevoelige gebieden;

I.

overwegende dat een succesvolle overgang naar een middeninkomenseconomie onder bepaalde omstandigheden bevorderlijk kan zijn voor een moderaat en op stabiliteit gericht buitenlands beleid; overwegende echter dat de consolidatie van de economische en politieke invloed in bepaalde BRICS-landen en andere opkomende landen niet altijd niet altijd tot een dergelijke overgang heeft geleid;

J.

overwegende dat de BRICS-landen momenteel weliswaar een spectaculaire economische groei beleven, maar dat ze ook de grootste armoedeconcentratie ter wereld kennen; overwegende dat dit aantoont dat een snelle economische groei zonder armoedebestrijding en sociale vangnetten bijna altijd tot meer ongelijkheid kan leiden;

K.

overwegende dat de BRICS-landen en huidige opkomende economieën geen formele groep van landen vormen die voornemens is om een nader bepaalde rol op het gebied van internationale betrekkingen te spelen, en de EU daarom met ieder van deze landen afzonderlijk betrekkingen moet onderhouden, rekening houdende met hun bijzondere rol en de specifieke doelstellingen van hun buitenlands beleid; overwegende dat de EU in strategische partnerschappen met ieder BRICS-land en andere opkomende economieën dient te investeren, aangezien deze landen een steeds grotere rol zullen spelen in de internationale arena, met name in internationale organisaties, om zodoende gemeenschappelijke doelen te bereiken, namelijk vrede en mondiale veiligheid, de rechtsstaat in binnen- en buitenland, de bevordering van de mensenrechten, democratie, duurzame ontwikkeling en mondiale regelgeving op financieel gebied;

L.

overwegende dat de BRICS-landen en andere opkomende economieën behoefte hebben aan stabiele buitenlandse betrekkingen en een stabiel wetgevings- en beleidskader om voor aanhoudende belangstelling voor en investeringen in hun economieën en maatschappijen te zorgen; overwegende dat de BRICS-landen en andere opkomende economieën moeten investeren in en moeten worden ondersteund bij de consolidering van democratische, politieke, economische en sociale stabiliteit;

M.

overwegende dat de EU een belangrijke rol moet spelen bij de machtsoverdracht in de wereld als bevorderaar van partnerschap en goed bestuur voor allen, maar dat zij snel dient te handelen als zij haar invloed wil behouden (en anders strategisch op een zijspoor zou worden gezet); overwegende dat hiervoor zowel strategische veranderingen binnen de EU als van haar buitenlands beleid nodig zijn, onder andere de invoering van een coherenter beleid;

N.

overwegende dat de regeringsleiders van de BRICS-landen na afloop van hun derde bijeenkomst op 14 april 2011 een gezamenlijke verklaring hebben afgegeven waarin zij opriepen tot meer internationale samenwerking en een versterking van het mondiale bestuur, en hun steun uitspraken voor multilaterale diplomatie met de Verenigde Naties en de G20; overwegende dat alle vijf de BRICS-landen in 2011 gelijktijdig lid waren van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat de BRICS-landen om de veranderingen in de wereldeconomie te weerspiegelen en de mondiale uitdagingen beter te kunnen aanpakken hebben opgeroepen tot een verandering van de bestuursstructuren van de internationale financiële instellingen en de VN;

O.

overwegende dat er tussen de BRICS-landen aanzienlijke verschillen bestaan betreffende hun politieke en economische stelsels, demografische en sociale trends, en de vooruitzichten voor het buitenlands beleid;

P.

overwegende dat in de conclusies van de Europese Raad van 16 september 2010 werd benadrukt dat de EU en haar lidstaten, overeenkomstig het Verdrag van Lissabon en in lijn met de Europese veiligheidsstrategie, strategischer zullen handelen om het daadwerkelijke gewicht van Europa te doen gelden op het wereldtoneel, en dat de strategische partnerschappen van de EU met belangrijke wereldspelers een nuttig instrument zijn om Europese doelen en belangen na te streven;

Q.

overwegende dat de huidige handelsovereenkomsten tussen de EU en de BRICS-landen niet alleen in economische zin, maar ook in politiek opzicht gunstig zijn voor beide partijen;

R.

overwegende dat de EU een proactieve rol zou moeten spelen in de totstandbrenging van een alomvattend, representatief en op partnerschap gebaseerd VN-systeem, dat daadwerkelijk kan bijdragen aan mondiale beleidsaansturing en oplossingen, vrede en veiligheid, democratie, mensenrechten en een internationale orde die gebaseerd is op de beginselen van de rechtsstaat; overwegende dat de EU, overeenkomstig artikel 21 van het VEU, er officieel toe gehouden is zich in te zetten voor een doeltreffend multilateralisme met een sterke VN als kern;

S.

overwegende dat de EU in de loop der jaren bilaterale strategische partnerschappen met de BRICS-landen heeft ontwikkeld op de grondslag van gemeenschappelijke waarden en belangen, teneinde de betrekkingen en de samenwerking op alle niveaus te verbeteren; overwegende dat deze strategische partnerschappen vaak niet het juiste instrument waren, met name wat betreft het bevorderen van de democratie, het versterken van de rechtsstaat, en het vastleggen van een gemeenschappelijke aanpak voor het oplossen van conflicten;

T.

overwegende dat dringend methoden moeten worden gevonden om de samenwerking en coördinatie tussen de Verenigde Naties en instellingen zoals de G7 en G20 te versterken;

U.

overwegende dat de G20 – waarvan de lidstaten 88% van het wereldwijde bnp voor hun rekening nemen en 65% van alle inwoners van de aarde vertegenwoordigen – een belangrijk forum voor internationale samenwerking is geworden, maar dat de representativiteitskwestie moet worden opgelost en haar exacte rol in het multilaterale stelsel moet worden vastgesteld;

1.

benadrukt dat de huidige economische crisis heeft aangetoond dat de opgekomen wereldmachten, de BRICS-landen en andere opkomende landen onderling afhankelijk zijn; wijst op het diepe, onderlinge verband tussen stabiele economische groei van de ontwikkelingslanden en stabiele economische groei van de opkomende economieën; benadrukt de positieve aard van dit soort onderlinge onafhankelijkheid en het wederzijds voordeel voor de politieke en economische banden tussen ontwikkelde en opkomende economieën; meent dat de EU en haar lidstaten zich in een geest van partnerschap moeten inzetten voor verdere politieke dialoog en overeenstemming met de BRICS-landen en andere opkomende landen, ook met ieder land afzonderlijk, teneinde een alomvattend nieuw bestuursstelsel te bereiken; gelooft bovendien dat regelmatige ontmoetingen op hoog niveau tussen de EU en de BRICS-landen afzonderlijk uitstekend kunnen worden benut om vertrouwensbanden te ontwikkelen, standpunten dichter bij elkaar te brengen en de BRICS-landen medeverantwoordelijk te maken voor het mondiaal bestuur en hen te overtuigen van de voordelen van een meer eensgezinde zienswijze en beter gecoördineerde maatregelen; is van oordeel dat strategische partnerschappen waardevolle synergieën kunnen opleveren voor het verwezenlijken van dergelijke doelstellingen;

2.

is van oordeel dat de betrekkingen tussen de opgekomen wereldmachten enerzijds en de BRICS-landen en andere opkomende machten anderzijds een belangrijk economisch aspect inhouden, maar op de eerste plaats van politieke aard zijn en dus in een politiek kader moeten worden geplaatst, aangezien alle betrokken landen belang hebben bij een doeltreffend mondiaal bestuursstelsel en bij de gezamenlijke aanpak, in een geest van samenwerking en overleg, van de wereldwijde stabiliteits- en veiligheidsrisico's die duurzame economische groei wereldwijd en het mondiale groeipotentieel in de weg kunnen staan; roept daarom op tot versterkte samenwerking tussen de EU en de BRICS-landen, onder meer in het kader van partnerschappen met de afzonderlijke BRICS-landen, bij alle kwesties van internationaal belang;

3.

benadrukt dat de BRICS-landen dan wel soortgelijke standpunten kunnen aanhangen op het vlak van het buitenlands beleid, maar dat zij gekenmerkt worden door grote politieke, economische en sociale verschillen; onderstreept met name dat hun politieke stelsels uiteenlopen van sterk autoritaire bewindsvormen tot geloofwaardige en stabiele democratieën; verzoekt de EU in dit opzicht de betrekkingen aan te halen en synergieën te ontwikkelen, met name met de BRICS-landen die echt achter de democratische waarden staan en deze eerbiedigen en een sociale markteconomie nastreven;

4.

is van oordeel dat de EU met de opkomst van nieuwe wereldmachten op het gebied van economie en buitenlands beleid niet aan invloed zal inboeten, maar dat er een belangrijke rol voor haar is weggelegd bij het bevorderen van een gemeenschappelijke visie op politieke keuzen en dat zij leiderschap moet tonen bij de aanpak van mondiale uitdagingen; meent dat de EU en haar trans-Atlantische partners zich moeten richten op het behalen van de nodige schaalvoordelen en het initiatief moeten nemen voor gezamenlijke inspanningen met het oog op een constructieve en doeltreffende wisselwerking met de opkomende mogendheden, zowel bilateraal als multilateraal, en in een geest van echt partnerschap en goede samenwerking; wijst erop dat er een alomvattend stelsel voor mondiaal bestuur moet worden ontwikkeld dat gebaseerd is op samenwerking en coördinatie met de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden, naar gelang het geval, ten voordele van alle partijen; wijst voorts op de sleutelrol van de EU en haar trans-Atlantische partners in het bevorderen van een alomvattend stelsel voor mondiaal bestuur; onderstreept dat de EU strategischer dient te handelen om zodoende het werkelijke gewicht van Europa op internationaal vlak te doen gelden, met name door het beheer van de uitwerkingen van de wederzijdse afhankelijkheid, het op gang brengen van hervormingen van het mondiaal bestuur, en het teweegbrengen van een gemeenschappelijk optreden op gebieden als de rechtsstaat, duurzaam milieu en regionale veiligheid door middel van constructieve wisselwerking met de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden;

5.

is ingenomen met het concept van bilaterale strategische partnerschappen en verzoekt de Raad en de EDEO om dit concept tot uitvoering te brengen; is van mening dat strategische partnerschappen een veelbelovend en transformatief instrument zijn om de betrekkingen van de EU met belangrijke spelers in de wereld te organiseren en te verbeteren, ook met de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden; verzoekt dat dit instrument door de EU wordt gebruikt om zowel multilaterale als bilaterale agenda's na te streven en om zinvolle verbindingen tussen deze twee soorten agenda's te ontwikkelen; onderstreept dat interne coherentie van wezenlijk belang is voor de EU om als echte strategische partner van de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden te worden beschouwd en dienovereenkomstig te handelen;

6.

merkt op dat de BRICS-landen hun standpunten op het vlak van het buitenlands beleid op bepaalde momenten onderling leken af te stemmen in de VN-Veiligheidsraad, met name aan het begin van de Libische en Syrische crises, en door de stemming over de rol van de EU in de Algemene Vergadering van de VN uit te stellen en door overeenkomstige standpunten in te nemen inzake Ivoorkust en Soedan; merkt in dit verband op dat de BRICS-landen het huidige internationale beleidsstelsel lijken uit te dagen, maar dat democratisch overleg, politiek engagement, ook van land tot land, en daadwerkelijk partnerschap mogelijk positieve synergieën tot stand brengen en een nieuw alomvattend mondiaal bestuursstelsel kunnen helpen bewerkstelligen; is van oordeel dat de EU voldoende rekening dient te houden met het nieuwe gewicht op politiek en economisch vlak van de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden, aangezien dit zou kunnen bijdragen tot een ordelijke hervorming van het mondiaal bestuur, op basis van een convergent platform en zonder enige destabiliserende effecten;

7.

merkt op dat de BRICS-landen in staat zijn tot regionale integratie en dus over het vermogen beschikken om aan multipolaire bestuursstelsels deel te nemen; is van mening dat dit aantoont dat de BRICS-landen mogelijk belangstelling hebben om een bijdrage aan het mondiaal bestuur te leveren; is derhalve van mening dat de BRICS-landen en andere opkomende landen bezig zijn met het vastleggen van hun strategische koers op het gebied van het buitenlands beleid, en daardoor partners van de wereldmachten en ondersteuners van een mondiaal bestuursstelsel worden op de grondslag van universele waarden, partnerschap en inclusiviteit;

8.

gelooft dat de BRICS-landen gezien hun politieke en economische belangen en hun omvang, regionale rol en ambities zouden kunnen trachten om op het gebied van het buitenlands beleid als groep op te treden, maar geeft toe dat de afzonderlijke dimensies ook relevant zijn; meent in dit verband dat de EU, behalve de BRICS-landen als een potentieel samenhangende landengroep op het vlak van het buitenlands beleid te beschouwen, zich ook met de afzonderlijke BRICS-landen moet bezighouden, waarbij zij altijd moet vasthouden aan een systemische en gecoördineerde aanpak; is in dit opzicht van mening dat deze aanpak de EU in staat zal stellen om schaalvoordelen te behalen met behulp van partnerschappen met afzonderlijke BRICS-landen, haar belangen en rol in de verscheidene regio's te maximaliseren en een bijdrage te leveren aan de consolidatie van een multipolaire wereldorde met een politiek en economisch evenwicht tussen de opgekomen en opkomende economieën op de grondslag van een inclusief stelsel dat gebaseerd is op overleg, partnerschap en bilaterale of multilaterale partnerschappen;

9.

gelooft voorts dat de aanzienlijke verschillen in de politieke en economische stelsels, de demografische en sociale trends, en het geplande buitenlands beleid van de BRICS-landen, die de basis moeten zijn voor en hun weerspiegeling moeten vinden in een genuanceerd EU-beleid ten opzichte van deze landen, dat gericht is op het creëren van synergieën met de afzonderlijke BRICS-landen en andere opkomende landen en op het ontmoedigen van de vorming of versterking van potentieel samenhangende alternatieve landengroepen op het vlak van het buitenlands beleid; dringt er in dit verband bij de EU en haar lidstaten op aan om de verschansing van en de strategische concurrentie tussen de blokken van de opgekomen respectievelijk opkomende mogendheden te voorkomen; betoogt dat de EU, om internationaal gezamenlijk optreden en een hervorming van het mondiaal bestuur te bevorderen, haar invloed moet laten gelden door middel van een verscheidenheid aan bilaterale, multilaterale en niet-overheidsinteracties, en van geval tot geval coalities moet smeden die de kloof tussen de opgekomen en opkomende wereld kunnen overbruggen;

10.

meent dat de EU zijn standpunt over nauwere betrekkingen met de BRICS-landen moet formuleren, ook al bestaat de kans dat de EU en de BRICS-landen niet noodzakelijk altijd op dezelfde lijn zullen zitten wat bindende toezeggingen en geïnstitutionaliseerde systemen betreft; meent daarnaast dat de BRICS-landen in ruil voor hun inspanningen om tot een doeltreffend multilateralisme te komen mogelijk rekenen op een betere vertegenwoordiging in relevante internationale instellingen; benadrukt dat de groei van de BRICS-landen moet worden gezien als een kans en niet als een probleem;

11.

gelooft dat de betrekkingen met de BRICS-landen op bilaterale dialogen moeten stoelen die zijn gericht op de verdere democratisering en de consolidering van de rechtsstaat, goed bestuur, convergentie op regelgevingsgebied, coördinatie van gemeenschappelijke standpunten in internationale fora en geïntensiveerde relaties met de EU en dit bevorderen;

12.

onderstreept het belang van Brazilië als leidende mogendheid van het regionale integratieproces Mercosur; is ingenomen met het hernieuwde strategisch partnerschap en het gezamenlijke actieplan EU-Brazilië 2012-2014, en de wederzijdse verplichtingen op gebieden als de bevordering van democratie en de hervormingen van het multilaterale bestuursstelsel; dringt er bij beide partijen op aan om zich aan hun verplichtingen te houden en hun bijdrage te leveren aan de hervorming van de financiële architectuur van de wereld; herinnert aan het aanbod van president Rousseff inzake ondersteuning voor de EU om haar staatsschuldencrisis te overwinnen, en erkent de onderlinge betrekkingen tussen beide partijen; steunt een evenwichtige en eerlijke afsluiting van de Ontwikkelingsagenda van Doha en de samenwerkingsovereenkomst EU-Mercosur, die de belangrijkste samenwerkingsovereenkomst zal zijn die ooit door de EU is ondertekend, en 750 miljoen mensen en een handelswaarde van 125 miljard dollar per jaar omvat; neemt kennis van het verzoek van Brazilië om volledige visumvrijstelling en verzoekt de Commissie om een desbetreffend voorstel in te dienen;

13.

benadrukt de onontbeerlijke rol van het strategische partnerschap EU-Rusland voor het handhaven van vrede en veiligheid in Europa, het verbeteren van de handel en de economische ontwikkeling, het behoud van energiezekerheid en het aanpakken van transnationale uitdagingen; is de mening toegedaan dat het op één lijn brengen van de belangen en een nauwere strategische samenwerking tussen de EU en Rusland op de lange termijn waarschijnlijk verder zal worden vereenvoudigd door de opkomst van Aziatische mogendheden; is van mening dat een dergelijke samenwerking wezenlijk is om vooruitgang te boeken bij kwesties van mondiaal belang, zoals nucleaire proliferatie, terrorisme, klimaatverandering of illegale migratie;

14.

onderstreept het belang en het potentieel van het strategische partnerschap EU-India; is van mening dat gedurende de huidige mondiale economische crisis kwesties als de sociale crisis, klimaatverandering, migratiestromen en mondiale veiligheid moeten worden aangepakt in een omvattende overeenkomst tussen India en de EU; merkt verder op dat de lopende onderhandelingen inzake een vrijhandelsovereenkomst de betrekkingen tussen de EU en India versterken; is echter van mening dat deze betrekkingen niet mogen worden beperkt tot de handel; zou ingenomen zijn met de herinvoering van een tegenhanger van de delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met India, na de ervaringen met de vriendschapsgroep India-Europese Unie, die in het Indiase Parlement bestond vóór zijn verkiezingen van 2009;

15.

onderstreept het belang van China als economische wereldmacht en benadrukt de wezenlijke rol van dit land voor het mondiale economisch herstel; herinnert er in dit verband aan dat China, tien jaar na toetreding tot de WHO, aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen dient te voldoen; verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten en China voorts om de gemeenschappelijke uitdagingen en gevaren voor de internationale vrede en veiligheid aan te pakken, met name door een betere samenwerking bij het zoeken naar een diplomatieke oplossing voor de nucleaire crisis in Iran; dringt bij beide partijen aan op een evenwichtigere onderlinge handel, met name door het versterken van de inspanningen tot afsluiting van een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, zodat binnen dit kader kan worden voldaan aan het potentieel van het strategische partnerschap EU-China;

16.

onderstreept het strategische karakter van de betrekkingen tussen de EU en Zuid-Afrika; is verheugd over het positieve resultaat van de vierde top EU-Afrika van september 2011, met name de overeenstemmende meningen over de situatie in Libië; dringt er bij de EU en Zuid-Afrika op aan om zo snel mogelijk de onderhandelingen inzake een nieuwe economische en partnerschapsovereenkomst af te sluiten; betoogt dat Zuid-Afrika, gezien de afgesloten succesvolle en vreedzame overgang naar democratie en de rol van het land als regionale mogendheid, een belangrijke kracht kan zijn voor het bevorderen van democratie en goed bestuur, het stimuleren van regionale economische integratie, en het ondersteunen van nationale verzoening in geheel Afrika, en een belangrijke partner voor de EU bij deze inspanningen; benadrukt het belang van nauwe samenwerking tussen de EU en Zuid-Afrika inzake klimaatverandering, duurzame ontwikkeling en hervormingen van internationale instellingen;

17.

gelooft dat de G20, gezien de toenemende relevantie van de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden en het zich vormende multipolaire bestuursstelsel, een nuttig en bijzonder geschikt forum zou kunnen zijn voor het bereiken van overeenstemming en voor een alomvattend besluitvormingsproces op basis van partnerschap, dat in staat is toenadering te bevorderen, ook op het gebied van regelgeving; is van oordeel dat de G7, ondanks de toenemende relevantie van de G20, een sleutelrol kan spelen als een raadgevend en coördinerend forum voor consensusvorming voor de gevestigde mogendheden met het oog op een dialoog tussen de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden, voorafgaand aan de G20-bijeenkomsten; is van mening dat de G8 tevens moet worden gebruikt om nader tot Rusland te komen, teneinde de gemeenschappelijke uitdagingen op gecoördineerde en doeltreffende wijze het hoofd te bieden; steunt de parlementaire dimensie van de G20 en gelooft dat zij moet worden versterkt en bij het besluitvormingsproces moet worden betrokken teneinde een betere democratische dialoog en controle te kunnen waarborgen; ondersteunt tevens de oprichting van een raadplegend forum naast de G20 dat niet-gouvernementele organisaties en leidende vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en het zakenleven uit de G20-staten samenbrengt;

18.

gelooft dat de huidige staatsschuldencrisis een belangrijke test zal zijn voor de G20 die zal uitwijzen of zij een doeltreffend forum is voor een strategische politieke dialoog en of zij in staat is een echt mondiaal economisch en financieel bestuursstelsel tot stand te brengen dat de onderlinge onafhankelijkheid tussen ontwikkelde en opkomende economieën weerspiegelt, en zo de basis kan leggen voor de verwijdering van systemische onevenwichtigheden die bijzonder schadelijk kunnen zijn voor ontwikkelde – en op de lange termijn ook voor opkomende – economieën, en voor de bevordering van solidariteit in internationale financiële fora zoals het Internationaal Monetair Fonds;

19.

verzoekt de EU de politieke dialoog en de samenwerking met de BRICS-landen te versterken met het oog op de verdere hervorming van de mondiale financiële en economische bestuursorganen, d.w.z. de Bretton Woods-instellingen, om te komen tot een brede vertegenwoordiging van alle landen die er lid van zijn en tot een correcte afspiegeling van de nieuwe economische verhoudingen;

20.

is van mening dat de opgekomen mogendheden regionale organisaties moeten ondersteunen, ook in de BRICS-landen en in andere opkomende landen zoals de Asean- of Mercosur-landen, bij hun institutionele en capaciteitsopbouw, en dat zij bij de vergaderingen van dergelijke organisaties voor een diplomatieke aanwezigheid op hoog niveau moeten zorgen;

21.

merkt op dat het mogelijk is dat zowel de Verenigde Staten als de EU, gezien de groeiende mondiale en regionale relevantie van China, India en andere opkomende landen in Azië, hun aandacht en middelen in toenemende mate zullen verplaatsen naar het gebied langs de Stille Oceaan en deze regio bovenaan de agenda zullen zetten voor politieke investeringen, en de Noord-Atlantische dimensie en onderlinge samenwerking uiteindelijk als minder strategisch zullen beschouwen; merkt tevens op dat Azië een belangrijkere rol moet spelen in het buitenlandse beleid van de EU en haar lidstaten; roept op tot meer coördinatie tussen de Verenigde Staten en de EU in hun beleid ten opzichte van China, India en andere opkomende landen in Azië, om een ontkoppeling van het Amerikaanse en het Europese beleid met betrekking tot deze landen te vermijden; is er volledig van overtuigd dat de VS en de EU de nodige politieke synergie zullen bereiken door een doeltreffende positieve en constructieve dialoog met de BRICS-landen en andere opkomende landen aan te gaan; meent dat regelmatige EU-VS-toppen, zonder af te doen aan de G7-bijeenkomsten, de gelegenheid zouden bieden gemeenschappelijke doelstellingen vast te stellen en strategieën te coördineren inzake kwesties met mondiale relevantie, waaronder economische beleidsaansturing, om tot een gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot de opkomende mogendheden te komen; herinnert eraan dat de trans-Atlantische betrekkingen zowel economisch als politiek uiterst belangrijk zijn en benadrukt de sterke economische betrekkingen tussen de Verenigde Staten en de EU; is van mening dat de Trans-Atlantische Economische Raad en de Dialoog van de trans-Atlantische wetgevende instanties ook mogelijkheden bieden tot overleg en om de balans op te maken en dat in deze fora het strategisch engagement van de EU en de VS voor de BRICS-landen en andere relevante opkomende landen ter sprake moet komen en de wijze waarop regelgevende toenadering met deze landen kan worden bevorderd; herinnert eraan dat er een Trans-Atlantische Politieke Raad moet worden opgezet als ad-hocorgaan voor systematische raadpleging en coördinatie op hoog niveau ten aanzien van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en de VS;

22.

benadrukt dat bij kwesties van mondiale reikwijdte of die verband houden met het mondiaal bestuur, de EU en niet haar lidstaten de onderhandelingspartner van de opgekomen mogendheden, de BRICS-landen en andere opkomende landen dient te zijn; acht het, om tot een coherent beleidsstandpunt ten opzichte van de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden te komen, van wezenlijk belang dat de lidstaten uiterst transparant omgaan met hun bilaterale betrekkingen en rekening houden met de mogelijke gevolgen van dergelijke betrekkingen voor het beleid en standpunt van de EU; is van mening dat de EU naar meer politieke en economische cohesie en groei dient te streven om haar politieke invloed en sleutelrol in het zich vormende multipolaire stelsel te behouden en om door de BRICS-landen en de nieuwe opkomende landen als een noodzakelijke waardevolle tegenspeler te worden gezien;

23.

onderstreept dat de algemene coördinatie van het buitenlandse beleid van de EU met betrekking tot de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid / vicevoorzitter van de Commissie moet worden gewaarborgd, in overeenstemming met artikel 18, lid 4, en artikel 21, lid 3, VEU; gelooft dat de EU onder coördinatie van de hoge vertegenwoordiger moet streven naar een betere aansluiting van het buitenlandse en veiligheidsbeleid op het sectorale beleid van de EU, bijvoorbeeld op het gebied van ontwikkeling, energiezekerheid, handel, toegang tot ruwe materialen en zeldzame aardmetalen, klimaatverandering en migratie, zodat de synergie kan worden versterkt en er een coherente en systemische benadering van het buitenlands beleid kan worden gewaarborgd dat gericht is op de universele eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten en het democratisch bestuur; is van mening dat het concept van de "strategische partners" van de EU opgevoerd en beter uitgerust dient te worden om dergelijke fundamentele doelstellingen te weerspiegelen; wijst op de conclusies van de 17e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en onderstreept de aanhoudende noodzaak voor een coherente en gecoördineerde inspanning samen met de BRICS-landen om een vooruitstrevende overeenkomst te behalen;

24.

is van mening dat een coherente benadering van het buitenlands beleid op EU-niveau ook een nauwere coördinatie inhoudt tussen de voorzitter van de Europese Raad, de hoge vertegenwoordiger, de Raad, het Parlement en de Commissie met betrekking tot de agendapunten van de G7, G8 en G20;

25.

merkt op dat de EU over de capaciteit moet beschikken om haar interne bestuursstructuren aan te passen en te hervormen met het oog op een besluitvormingsproces dat haar pluraliteit weerspiegelt en consensus bevordert; benadrukt dat een coherente benadering van het buitenlands beleid van de EU met betrekking tot de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden ook naar voren moet komen in het functioneren van de EDEO; gelooft dat de EDEO, in nauw overleg met het Parlement, de strategische partnerschappen met de afzonderlijke BRICS-landen dient te herzien en te versterken, en hun kenmerkende eigenschappen en potentieel voor synergie en samenwerking met de EU daarbij optimaal moet benutten; verzoekt de EDEO om horizontale en verticale coördinatiemechanismen te ontwikkelen die ervoor zullen zorgen dat het buitenlands beleid van de EU kan profiteren van de synergieën van de instellingen van de EU en van de uitgebreide en nauwe bilaterale banden die de lidstaten met strategische partners hebben aangeknoopt, onder andere met de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden; gelooft dat de EDEO ten aanzien van de BRICS-landen, naast zijn organisatie langs geografische en thematische lijnen, een ad-hoccoördinatiemechanisme in het leven zou moeten roepen om ervoor te zorgen dat alle afzonderlijke beleidsmaatregelen met betrekking tot de BRICS-landen vanuit systemisch oogpunt onderling verenigbaar zijn en dat de aangenomen beleidslijnen worden weerspiegeld in de EU-dialoog met huidige wereldmachten als de VS, Canada en Japan; meent dat de EU-delegaties in de BRICS-landen en andere relevante opkomende mogendheden nauwere onderlinge verbindingen moeten onderhouden om doorlopend toezicht op de betrekkingen tussen de BRICS-landen en relevante gevoeligheden te houden en deze te analyseren, om zo een systemischer aanpak mogelijk te maken; is in dit verband van oordeel dat de EU-delegaties in de BRICS-landen onderzoek moeten doen naar het standpunt van elk BRICS-land ten aanzien van mondiaal bestuur, mondiale uitdagingen en zijn betrekkingen met de andere BRICS-landen; is van oordeel dat de EU haar inspanningen en middelen opnieuw moet richten op het leiden van het hervormingsproces van een mondiaal bestuursstelsel en van internationale organisaties met het oog op een meer alomvattend forum voor consensusvorming en een besluitvormingsproces op mondiaal niveau, met name de hervorming van de VN-Veiligheidsraad en het wereldwijde financiële multilateralisme;

26.

gelooft dat bij het versterken van de partnerschappen met de BRICS-landen de focus moet blijven liggen op "doeltreffend multilateralisme" en op een betere coördinatie van mondiale bestuurskwesties op multilaterale fora; vraagt dat de EU blijft proberen om de BRICS-landen ervan te overtuigen dat deze lijn de juiste is;

27.

is van mening dat het Parlement moet deelnemen aan de bilaterale topbijeenkomsten tussen de EU en haar strategische partners;

28.

is de mening toegedaan dat contactambtenaren van het Parlement deel zouden moeten uitmaken van het personee'l van de EU-delegaties in de BRICS-landen, met het oog op een beter begrip van de nationale parlementaire dimensie in elk van deze landen afzonderlijk en een nauwere samenwerking en dialoog op bilaterale basis tussen het Europees Parlement en nationale parlementen, teneinde meer democratische verantwoordingsplicht in het besluitvormingsproces van internationale fora als de G8 en de G20 te bevorderen; is voorts van oordeel dat – naast de bestaande delegaties voor de betrekkingen met respectievelijk Rusland, India, China en Zuid-Afrika – ook een delegatie voor de betrekkingen met Brazilië kan worden overwogen;

29.

meent dat het desbetreffende personeel van het Parlement, om een doeltreffende democratische controle van de EU-beleidsvorming jegens de BRICS-landen en andere opkomende mogendheden te kunnen waarborgen en om een nauwere interparlementaire dialoog met dergelijke landen mogelijk te maken, deskundigheid ter zake moet ontwikkelen en dus moet beschikken over passende analyse-instrumenten en toezichtscapaciteiten, en daarnaast leden moet kunnen steunen bij het bevorderen van een resultaatgerichte dialoog; is ook van mening dat een stelsel voor personeelsuitwisseling tussen het Parlement en de EDEO in het leven moet worden geroepen om synergieën, de dialoog en de samenwerking tussen de instellingen te maximaliseren en de uitwisseling van deskundigheid te bevorderen;

30.

onderstreept dat elke verdieping van de betrekkingen en elke versterking van de politieke samenwerking met de BRICS-landen op regeringsniveau gepaard moet gaan met een voortgezette dialoog tussen organisaties uit het maatschappelijk middenveld; verzoekt de EDEO en de delegaties van de EU in dit verband om een kader tot vereenvoudiging en bevordering van interpersoonlijke contacten en van culturele en academische uitwisseling te scheppen op basis van bestaande en ad-hocprogramma's om het onderling begrip te verbeteren en gemeenschappelijke acties en initiatieven te ontwikkelen;

31.

dringt aan op meer politieke dialoog met de BRICS-landen over de inachtneming van de mensenrechten en van sociale en milieunormen; herinnert er in dit verband aan dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling enkel kunnen worden verwezenlijkt als de fundamentele arbeidsnormen en de agenda van de IAO voor waardig werk worden nageleefd, aangezien deze de economie van een land ten goede komen doordat zij voor sociaal-politieke stabiliteit zorgen en het competentieniveau van de beroepsbevolking in de hand te werken;

32.

is ingenomen met de eerdergenoemde mededeling van de Commissie over een begroting voor Europa 2020, welke een voorstel bevat voor de opzet van financiële instrumenten en programma's voor het volgende meerjarige financiële kader 2014-2020; onderstreept dat het nieuwe partnerschapsinstrument voor het behartigen van de politieke en economische belangen van de EU in de rest van de wereld en voor het ondersteunen van activiteiten die niet in aanmerking komen voor officiële ontwikkelingshulp een instrument voor buitenlands beleid moet zijn; meent dat een dergelijk partnerschapsinstrument de politieke banden kan versterken en zodoende ook bevorderlijk kan zijn voor de economische banden met bepaalde landen, en juicht toe dat de harmonisering van de regelgeving een van de doelstellingen is van dit instrument; is verder van mening dat het partnerschapsinstrument over financieringslijnen voor overheidsdiplomatie moet beschikken om de betrekkingen van de afzonderlijke landen met de EU te consolideren en invloed, partnerschap en verbondenheid te bevorderen; gelooft echter dat ook aan aanvullende financieringslijnen moet worden gedacht ter ondersteuning van de democratie, consolidering van de rechtsstaat, beter onderwijs en vermindering van de sociale ongelijkheden; is van oordeel dat bij de nieuwe opzet van financiële instrumenten en programma's bijzondere aandacht moet worden besteed aan de samenwerking met opkomende mogendheden en potentiële opkomende mogendheden bij de opbouw van democratische structuren en de ontwikkeling van een goed bestuur en de rechtsstaat, maatschappelijke organisaties, goede onderwijssystemen en een progressieve sociale insluiting; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het beginsel van voorwaardelijkheid op te nemen in alle programma's en instrumenten van de EU, en gelooft dat dit van essentieel belang is voor het bereiken van betere resultaten bij de bevordering van mensenrechten, democratie en goed bestuur als universele waarden;

33.

vraagt de BRICS-landen in de internationale ontwikkelingssamenwerking een rol op zich te nemen die beter aansluit bij hun aandeel in het mondiale bbp;

34.

verzoekt de EU en de lidstaten om initiatieven in het kader van de zuid-zuid-samenwerking te ondersteunen, en om deel te nemen aan driehoekssamenwerkingsprojecten waarin ook de BRICS-landen actief zijn;

35.

acht het van bijzonder groot belang om de samenwerking tussen de EU, de BRICS-landen en andere opkomende economieën binnen het stelsel van mondiaal bestuur en internationale organisaties te bevorderen; meent dat de EU en de VS een strategische dialoog met de BRICS-landen moeten aangaan over de hervormingsmogelijkheden van internationale organisaties; is verder van mening dat op EU-niveau aandacht moet worden besteed aan de wijze waarop in internationale fora de rol, de stem en het stemgewicht van de EU kan worden gemaximaliseerd en een meer gestroomlijnde coördinatie onder de lidstaten van de EU in dergelijke fora kan worden bereikt en daarmee een coherenter beleid ten aanzien van positief overleg, partnerschap en samenwerking met de BRICS-landen;

36.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, het Poolse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, de Commissie en het ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS.


(1)  PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30.

(2)  PB C 349 E van 22.12.2010, blz. 51.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0121.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0255.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0364.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0334.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/11


Donderdag 2 februari 2012
Consistent beleid ten aanzien van regimes waartegen de EU restrictieve maatregelen heeft vastgesteld

P7_TA(2012)0018

Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 2 februari 2012 betreffende een consistent beleid ten aanzien van autoritaire regimes waartegen de EU restrictieve maatregelen heeft vastgesteld wanneer deze persoonlijke en commerciële belangen in lidstaten van de Unie uitoefenen (2011/2187(INI))

2013/C 239 E/02

Het Europees Parlement,

gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door Graham Watson namens de ALDE-Fractie, over een consistent beleid ten aanzien van autoritaire regimes waartegen de EU restrictieve maatregelen heeft vastgesteld wanneer deze persoonlijke en commerciële belangen in lidstaten van de Unie uitoefenen (B7-0235/2011),

gezien het Handvest van de VN en in het bijzonder de artikelen 1 en 25 en, in Hoofdstuk VII, de artikelen 39 en 41,

gezien de mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de facultatieve protocollen,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de twee facultatieve protocollen,

gezien het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Europees Mensenrechtenverdrag),

gezien resolutie 1674 van de VN-Veiligheidsraad van 28 april 2006, waarin de conclusies van het slotdocument van de Wereldtop van 2005 met betrekking tot de verantwoordelijkheid om bevolkingen tegen genocide, oorlogsmisdaden, etnische zuivering en misdaden tegen de menselijkheid te beschermen, worden bekrachtigd,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) getiteld "Een veilig Europa in een betere wereld", door de Europese Raad vastgesteld op 12 december 2003,

gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 1267 (1999) over de situatie in Afghanistan en 1371 (2001) over de situatie in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

gezien artikel 21, lid 2, en de artikelen 22 en 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (1),

gezien het Raadsdocument "Invoering van een „sanctie-samenstelling”" van de Werkgroep raden buitenlandse betrekkingen (RELEX/Sancties) van 22 januari 2004 (5603/2004),

gezien het Raadsdocument "Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties)" van 7 juni 2004 (10198/1/2004),

gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak Yusuf en Al Barakaat International Foundation versus Raad en Commissie (ECR 11-3533(2005)),

gezien Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (2),

gezien het Raadsdocument "Beste praktijken van de EU inzake een doeltreffend gebruik van restrictieve maatregelen" van 9 juli 2007 (11679/2007),

gezien het Raadsdocument "Uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB" van 21 juli 2007 (10826/1/2007),

gezien het Raadsdocument "Actualisering van de beste praktijken van de EU voor de doeltreffende implementatie van restrictieve maatregelen" van 24 april 2008 (08666/1/2008),

gezien gemeenschappelijk standpunt 2009/67/GBVB van de Raad van 26 januari 2009 inzake de actualisering van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en houdende intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2008/586/GBVB (3),

gezien het Raadsdocument "Richtsnoeren inzake de implementatie en evaluatie van restrictieve maatregelen (sancties) in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU", in de laatste bijgewerkte versie van 15 december 2009 (17464/2009),

gezien zijn resolutie van 4 september 2008 over de evaluatie van sancties van de EU als deel van optreden en beleid van de EU op het gebied van mensenrechten (4),

gezien Richtlijn 2005/60/EG tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (5),

gezien de middelen voor buitenlands beleid van de lidstaten,

gezien artikel 121, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0007/2012),

Algemene opmerkingen over de houding van de EU ten aanzien van autoritaire leiders

A.

overwegende dat het nieuwe artikel 21, lid 2, van het EU-Verdrag, zoals ingevoerd bij artikel 1, punt 24, van het Verdrag van Lissabon, bepaalt dat het optreden van de Unie in het teken staat van "de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht";

B.

overwegende dat sancties worden opgelegd met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB als vervat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die onder meer bevordering van de internationale vrede en veiligheid, eerbiediging van de mensenrechten, fundamentele vrijheden en de rechtsstaat, en consolidering van de democratie en behoorlijk bestuur omvatten;

C.

overwegende dat sancties of restrictieve maatregelen in het kader van het GBVB worden beschouwd als geweldloze dwangmaatregelen, bv. wapenembargo's, handelssancties, financiële en economische sancties, het bevriezen van tegoeden, vluchtverboden, toelatingsbeperkingen, diplomatieke sancties, boycots van sportieve en culturele evenementen en de opschorting van samenwerking met een derde land;

D.

overwegende dat de toepassing van sancties of restrictieve maatregelen alleen doeltreffend is in het kader van een coherente en alomvattende strategie van de Europese Unie en haar lidstaten op het gebied van de mensenrechten;

E.

overwegende dat er gerichte sancties bestaan in de vorm van persoonlijke sancties of selectieve economische en diplomatieke maatregelen zoals een visumverbod, het bevriezen van tegoeden, een embargo op de uitvoer of invoer van bepaalde goederen, een luchtverbod, investeringsverbod of beperking van officiële contacten;

F.

overwegende dat restrictieve maatregelen ingevolge onenigheid tussen de lidstaten vaak niet consequent worden toegepast, hetgeen de geloofwaardigheid van de EU ondergraaft en de doeltreffendheid van de maatregelen in het gedrang brengt;

G.

overwegende dat het sanctiebeleid van de EU vaak inconsequent wordt toegepast en dat derde landen met een vergelijkbare staat van dienst als het gaat om mensenrechten en democratie verschillend worden behandeld, wat aanleiding heeft gegeven tot de kritiek dat er met twee maten wordt gemeten;

H.

overwegende dat nationale grenzen door de vooruitgang in de informatietechnologie steeds minder betekenis hebben, en dat het in deze geglobaliseerde wereld dan ook veel moeilijker is om een land of de elite van een land te isoleren;

I.

overwegende dat de meeste landen waaraan sancties worden opgelegd ook de landen zijn die het meest geïsoleerd zijn van de internationale gemeenschap en waar de maatschappij het meeste baat zou hebben bij intensievere internationale contacten met het oog op verandering; overwegende dat restrictieve maatregelen en met name maatregelen tegen specifieke individuen echter in bepaalde gevallen een ontradend en psychologisch effect kunnen hebben;

J.

overwegende dat besluiten over EU-sancties pas mogen worden genomen na een zorgvuldige evaluatie van de meest doeltreffende manier om democratische veranderingen in het betrokken land te bewerkstelligen; overwegende dat elk besluit vergezeld moet gaan van een overeenkomstige motivering;

K.

overwegende dat de Europese Unie voor veel autoritaire leiders en met hen geassocieerde personen aantrekkelijk is voor investeringen, eigendom, bankdiensten en medische verzorging, en als regio waar het hun vrij staat te reizen en hun vaak op twijfelachtige wijze vergaarde fortuin te spenderen;

L.

overwegende dat de mogelijkheid voor autoritaire leiders om hun macht om te zetten in persoonlijke rijkdom, vaak ook door ontvreemding van of persoonlijke controle over staatseigendommen, een stimulans en een middel is om zich de macht toe te eigenen of aan de macht te blijven; overwegende dat verdere studies nodig zijn om te voorkomen dat buitenlandse steun voor ontwikkeling of andere doeleinden dient tot verrijking van autoritaire leiders en hun naaste getrouwen;

M.

overwegende dat het zonder gezamenlijke actie moeilijk is juiste informatie te verkrijgen over de tegoeden die autoritaire leiders in de EU bezitten, maar dat de EU zich hiervoor moet blijven inspannen;

N.

overwegende dat sancties effect zullen hebben wanneer leiders persoonlijk pressie ondervinden door een beperking van hun mogelijkheden om toegang te krijgen tot hun financiële tegoeden of deze te verplaatsen of te investeren, een beperking van hun reisvrijheid of een beperking van hun toegang tot bepaalde goederen en diensten of diplomatieke representatie;

O.

overwegende dat gezien het grote aantal internationale en regionale actoren een permanente dialoog en formele zowel als informele mechanismen voor overleg tussen deze actoren noodzakelijk zijn;

P.

overwegende dat het voor een doeltreffend beleid ten aanzien van autoritaire regimes van essentieel belang is om diplomatieke dwangmaatregelen, met inbegrip van restrictieve maatregelen, te combineren met duidelijke communicatie en een geweldloze, constructieve aanpak, en in de instrumenten van het buitenlands beleid van de EU en de lidstaten een kritische en progressieve dialoog te verkiezen boven isolement;

Q.

overwegende dat de herzieningsprocedure waarbij sancties ingevolge de veranderde houding van betrokken leiders kunnen worden uitgebreid, verlicht of opgeheven, van cruciaal belang is om de doeltreffendheid van restrictieve maatregelen te verzekeren en derhalve een nauwgezette en strategische aanpak vereist;

R.

overwegende dat alle restrictieve maatregelen in overeenstemming moeten zijn met de mensenrechten, het internationale humanitaire recht, een eerlijke rechtsbedeling, het beginsel van proportionaliteit en het recht op adequate rechtsbescherming, en in geen geval ten koste mogen gaan van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen van het land waaraan deze maatregelen worden opgelegd;

1.

beveelt de Raad het volgende aan:

Duidelijker definities

a)

duidelijk te bepalen onder welke voorwaarden restrictieve maatregelen moeten worden toegepast, met welk doel dit gebeurt en in welke vorm sancties worden toegepast, en richtsnoeren op te stellen voor de periodieke evaluatie van de maatregelen en de te volgen herzieningsprocedure, in overleg met het Europees Parlement; de voorwaarden aldus vast te stellen dat de samenhang en de geloofwaardigheid van de EU-sancties worden verbeterd, maar dat de Unie voldoende handelingsvrijheid behoudt om dergelijke maatregelen op doeltreffende wijze als instrument in haar extern optreden te kunnen inzetten;

b)

duidelijk en uitdrukkelijk vast te stellen op wie de sancties moeten worden toegepast in geval van mislukte staten of niet-gouvernementele actoren, wel wetend dat de structuren vaak ondoorzichtig zijn;

c)

de sancties toe te passen in het kader van een ruimer beleid met duidelijk omschreven doelstellingen op korte en lange termijn, met het oog op een duurzaam democratiseringsproces;

d)

te erkennen dat sancties nooit een doel op zich zijn en bij de toepassing ervan duidelijke en haalbare criteria voor opheffing van de sancties te hanteren;

e)

de werkzaamheden van het Internationaal Strafhof systematisch te ondersteunen door ervoor te zorgen dat de procedures en uitspraken van het hof in het EU-sanctiebeleid naar behoren worden toegepast;

f)

de EU-lidstaten aan te sporen om het beginsel van universele jurisdictie toe te passen ter bestrijding van straffeloosheid en misdaden tegen de menselijkheid, met het oog op de verbetering van het internationale strafrechtsysteem;

Een doeltreffend sanctiebeleid

g)

te streven naar maximale samenwerking en synergie tussen de 27 EU-lidstaten en hen ertoe aan te zetten een eensgezind en consequent standpunt in te nemen wanneer het gaat om de veroordeling van autoritaire regimes, op grond van een geïntegreerde EU-aanpak;

h)

te erkennen dat sancties die niet op internationaal niveau worden gecoördineerd ondoeltreffend en contraproductief kunnen zijn voor het bereiken van de beoogde doelen, de transparantie, geloofwaardigheid en samenhang van het Europese sanctiebeleid kunnen ondermijnen en bovendien het regime in kwestie kunnen versterken of de geloofwaardigheid en onderhandelingsruimte van de EU en de lidstaten met de betrokken staat kunnen beperken; te zorgen voor betere coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten aan de hand van duidelijke procedures;

i)

bestaande sanctieregelingen strikt en consequent toe te passen en daarbij te voorkomen dat met twee maten wordt gemeten, alsook het toepassingsgebied van de regelingen uit te breiden tot schendingen van de fundamentele vrijheden, inzonderheid de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting; ervoor te zorgen dat landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte en kandidaat-lidstaten van de Europese Unie de restrictieve maatregelen eveneens toepassen en relevante informatie uitwisselen met de Unie;

j)

alleen sancties of restrictieve maatregelen toe te passen die gericht zijn op en in verhouding staan tot het nagestreefde doel, om pressie uit te oefenen op de verantwoordelijke kopstukken van repressieve of misdadige regimes en de verantwoordelijke niet-gouvernementele actoren van mislukte staten, en daarbij de negatieve gevolgen voor de burgerbevolking, met name de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, zoveel mogelijk te beperken;

k)

ervoor te zorgen dat buitenlandse steun voor ontwikkeling of andere doeleinden niet dient tot verrijking van autoritaire leiders en hun naaste getrouwen;

l)

er waar mogelijk voor te zorgen dat het sanctiebeleid vergezeld gaat van steun voor het maatschappelijk middenveld in het betrokken land; de kwaliteit en transparantie van de rapportage te verbeteren, zodat de toegekende steun nauwkeurig kan worden berekend en juist kan worden beoordeeld in hoeverre de steun aan de behoeften van het maatschappelijk middenveld beantwoordt;

m)

ervoor te zorgen dat bij de vaststelling van restrictieve maatregelen en sancties niet met twee maten wordt gemeten, en dat deze worden toegepast ongeacht politieke, economische of veiligheidsbelangen;

n)

ervoor te zorgen dat restrictieve maatregelen die de marktactiviteiten van Europese ondernemingen in de betrokken landen beperken, niet ten goede komen aan concurrenten uit derde landen;

o)

ervoor te zorgen dat de lidstaten en de leiders van EU-missies en delegaties nauw betrokken worden bij het uitwerken, toepassen, controleren en evalueren van restrictieve maatregelen en de praktische gevolgen daarvan door gegevens voor de effectbeoordeling te verstrekken, waarvoor EU-aanwezigheid ter plaatse van essentieel belang is; ervoor te zorgen dat de relevante informatie onverwijld wordt toegestuurd aan het Europees Parlement;

p)

erop toe te zien dat de belangrijkste actoren die zich inzetten voor democratie en mensenrechten in het land waarop de restrictieve maatregelen worden toegepast, nauw bij de vaststelling, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van deze maatregelen worden betrokken;

q)

de bestaande structuren binnen de EDEO en de Commissie te belasten met een grondige situatieanalyse van de economische en maatschappelijke structuur van het betrokken land, zowel vóór als na de vaststelling van sancties, waarbij de directe en indirecte gevolgen van alle specifieke maatregelen op de politieke en sociaaleconomische situatie in de betrokken maatschappij worden onderzocht, en waarbij rekening wordt gehouden met de impact op de zakelijke elite, organisaties van het maatschappelijk middenveld, de politieke oppositie en zelfs hervormingsgezinde elementen binnen de regering;

r)

de toezegging te verkrijgen dat RELEX/Sancties zijn taken - onderzoek naar het vaststellen van sancties, de evaluatie van bestaande sanctieregelingen en de ontwikkeling van beste praktijken ten aanzien van de toepassing en uitvoering van restrictieve maatregelen - zal vervullen en over zijn bevindingen regelmatig verslag zal uitbrengen bij de Raad en het Europees Parlement;

s)

de juridische en andere bevoegde diensten van de EU om advies te verzoeken over de voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen om te voorkomen dat op een lijst geplaatste personen de hun opgelegde sancties omzeilen;

t)

de EDEO en de Commissie te bewegen tot een geïntegreerde aanpak en uitwisseling van expertise en kennis bij het vaststellen, ten uitvoer leggen en controleren van sancties;

u)

erop aan te dringen dat de Raad en de Commissie voor de analyses die voorafgaan aan de vaststelling van sancties en voor de evaluatie van de doeltreffendheid van de sancties voldoende tijd en middelen uittrekken en een beroep doen op ervaren nationale deskundigen en personeelsleden die gespecialiseerd zijn in mensenrechten;

v)

de Commissie en de lidstaten te vragen de toepassing van wapenembargo's, die een bevoegdheid van de lidstaten zijn, te coördineren;

w)

de Commissie en de lidstaten te verzoeken jaarlijks verslag uit te brengen over de toepassing en doeltreffendheid van sanctiemaatregelen;

x)

Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en andere niet-permanente EU-leden van de VN-Veiligheidsraad te verzoeken hun invloed aan te wenden om ervoor te zorgen dat resoluties van de VN-Veiligheidsraad strikt en volledig worden toegepast;

y)

indien nodig in het kader van de bilaterale handel een beroep te doen op de clausules inzake essentiële elementen die het voor de EU mogelijk maken sancties op te leggen in geval van schendingen van de mensenrechten en de democratische beginselen, en werk te maken van een samenhangend Europees buitenlands beleid om de maatregelen ten aanzien van autoritaire regimes te ondersteunen;

Een coherent beleid binnen de EU-grenzen

z)

de lidstaten te verzoeken de EU in kennis te stellen wanneer personen die op de sanctielijst staan materiële of financiële tegoeden hebben op hun grondgebied, met vermelding van de geraamde waarde van de tegoeden en de plaats waar zij zich bevinden; de lidstaten te verzoeken samen te werken bij de uitwisseling van relevante informatie, bv. via de bestaande nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen en via het Camden Assets Recovery Inter-Agency Network (CARIN); de samenwerking tussen de lidstaten bij het opsporen en in beslag nemen van deze tegoeden te bevorderen;

aa)

bij alle EU-lidstaten aan te dringen op de strikte toepassing van gerichte financiële sancties en restrictieve maatregelen zoals:

de uitbreiding van Richtlijn 2005/60/EG tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme zodat deze verplicht van toepassing is op alle pogingen van aan sancties onderworpen dictators of met hen geassocieerde natuurlijke en rechtspersonen en instanties om rekeningen te openen of tegoeden te plaatsen, daar deze middelen voortkomen uit misdaad, diefstal en verduistering; onderzoek naar mogelijke andere preventieve mechanismen om te voorkomen dat ontvreemde overheidsgelden of -tegoeden bij financiële instellingen in de EU worden geplaatst,

het weigeren van leningen, strakkere voorwaarden voor de terugbetaling van leningen en het bevriezen van tegoeden, zodat de maatregelen de betrokken personen en instanties in de praktijk de toegang tot alle financiële diensten in het rechtsgebied van de EU ontzeggen;

ab)

ervoor te zorgen dat restrictieve economische en financiële maatregelen, met inbegrip van gerichte financiële sancties, toegepast worden door alle fysieke en rechtspersonen die in de Unie actief zijn, met inbegrip van onderdanen van derde landen, alsook door burgers van de Unie of economische entiteiten die buiten de grenzen van de Unie actief zijn, maar die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat of van de Unie zijn ingeschreven of opgericht;

ac)

ervoor te zorgen dat het aan sancties onderworpen autoritaire leiders en duidelijk met hen geassocieerde natuurlijke en rechtspersonen en instanties streng verboden is tegoeden en andere eigendommen te bezitten binnen de EU;

ad)

van EU-lidstaten de verzekering te verkrijgen dat het scholen en universiteiten, denktanks en andere academische instellingen wordt verboden om financiering, subsidies of schenkingen van aan sancties onderworpen leiders en met hen geassocieerde natuurlijke en rechtspersonen te aanvaarden en dat wordt gezorgd voor transparantie in de particuliere financiering van deze instellingen;

ae)

van EU-lidstaten de verzekering te verkrijgen dat het sportverenigingen (met inbegrip van voetbalclubs) en liefdadigheidsorganisaties wordt verboden om financiering, subsidies of schenkingen van aan sancties onderworpen leiders en met hen geassocieerde natuurlijke en rechtspersonen te aanvaarden;

af)

EU-lidstaten te vragen om reisbeperkingen waarbij het aan sancties onderworpen leiders of met hen geassocieerde personen verboden is om andere dan humanitaire redenen binnen de EU te reizen, strikt toe te passen;

(ag)

EU-lidstaten te verzoeken om onderzoek en in voorkomend geval vervolging in te stellen tegen natuurlijke of rechtspersonen in Europa die aan sancties onderworpen leiders of met hen geassocieerde personen hebben geholpen om wettelijk opgelegde sancties te ontduiken of te omzeilen;

Een bredere internationale aanpak

(ah)

ervoor te zorgen dat de EU internationale steun en medestanders vindt voor haar beleid, met name bij invloedrijke actoren in de betrokken regio en internationale organisaties, en het Europees Parlement ten volle bij dit proces te betrekken;

(ai)

ervoor te zorgen dat de EU de legitimiteit versterkt en zowel binnen de Unie als op internationaal niveau brede publieke en politieke steun zoekt voor haar beleid, met inbegrip van restrictieve maatregelen en sancties, met name in de betrokken landen, en het Europees Parlement ten volle bij dit proces te betrekken;

(aj)

de EU aan te sporen om, indien sancties of restrictieve maatregelen van de VN-Veiligheidsraad ontbreken, samen te werken met de andere staten die sancties opleggen, informatie te delen en haar acties te coördineren om op internationaal niveau zoveel mogelijk effect te sorteren en de doeltreffendheid van de toegepaste EU-sancties te maximaliseren;

(ak)

de HR/VP, de leiders van missies en delegaties en de EDEO te verzoeken om aan sancties onderworpen leiders uitdrukkelijk duidelijk te maken wat van hen wordt verwacht, en precieze en realistische doelen te stellen om veranderingen ten goede aan te moedigen en passende technische bijstand te verlenen;

(al)

de lidstaten te verzoeken om informatie over op een lijst geplaatste personen te delen met andere staten, bevoegde EU-instanties en internationale organisaties, voor zover dat wettelijk mogelijk is;

(am)

de lidstaten te verzoeken om informatie over op nationaal niveau genomen restrictieve maatregelen binnen redelijke grenzen toegankelijk te maken voor het publiek;

(an)

grondig overleg te plegen met het Europees Parlement bij het toezicht op de sancties en een beroep te doen op het Parlement voor het vaststellen van politieke richtsnoeren en het uittekenen van een breder EU-sanctiebeleid;

(ao)

in gedachten te houden dat diplomatieke dwangmaatregelen steeds vergezeld moeten gaan van positieve maatregelen zoals ontwikkelingshulp, duurzame economische samenwerking en steun voor het maatschappelijk middenveld;

(ap)

sancties en de evaluatie daarvan vergezeld te doen gaan van maatregelen gebaseerd op samenwerking en dialoog met het maatschappelijk middenveld en met de volkeren in de betrokken landen, om in deze landen een cultuur van eerbiediging van democratie en mensenrechten te ontwikkelen of te versterken;

(aq)

zich in te zetten om bevroren en in beslag genomen tegoeden te mobiliseren, zodat zij zo spoedig mogelijk ten goede kunnen komen aan de bevolking van hun land van herkomst;

*

* *

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en - ter informatie - aan de Commissie, alsmede aan de EDEO.


(1)  PB L 196 van 2.8.2003, blz. 45.

(2)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 59.

(3)  PB L 23 van 27.1.2009, blz. 37.

(4)  PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 49.

(5)  PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/18


Donderdag 2 februari 2012
Grensoverschrijdende overdracht van vennootschapszetels

P7_TA(2012)0019

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende een 14e richtlijn inzake het vennootschapsrecht betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van zetels van vennootschappen (2011/2046(INI))

2013/C 239 E/03

Het Europees Parlement,

gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de artikelen 50 en 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de mededeling van de Commissie van 21 mei 2003 getiteld "Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie – Een actieplan" (COM(2003)0284),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

gezien de mededeling van de Commissie van 27 oktober 2010 met als titel "Naar een Single Market Act - Voor een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen - 50 voorstellen om beter samen te werken, te ondernemen en zaken te doen" (COM(2010)0608),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011 getiteld "Single Market Act – Twaalf hefbomen om de groei aan te jagen en het vertrouwen te versterken – 'Samenwerken om nieuwe groei te creëren' " (COM(2011)0206),

gezien Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (1),

gezien Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (2),

gezien Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen (3),

gezien de arresten van het Hof van Justitie in de zaken Daily Mail  (4), Centros  (5), Überseering  (6), Inspire Art  (7), SEVIC Systems  (8), Cadbury Schweppes  (9) en Cartesio  (10),

gezien zijn resolutie van 4 juli 2006 over recente ontwikkelingen en vooruitzichten in het vennootschapsrecht (11),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2007 over de Europese besloten vennootschap en de veertiende richtlijn over vennootschapsrecht inzake verplaatsing van de maatschappelijke zetel (12),

gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de toepassing van Richtlijn 2002/14/EG tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (13),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2009 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende grensoverschrijdende overplaatsingen van zetels van vennootschappen (14),

gezien zijn resolutie van 23 november 2010 over de civielrechtelijke, handelsrechtelijke, familierechtelijke en internationaal-privaatrechtelijke aspecten van het actieplan tot uitvoering van het programma van Stockholm (15),

gezien de artikelen 42 en 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0008/2012),

A.

overwegende dat artikelen 49 en 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de vrijheid van vestiging voor alle vennootschappen en ondernemingen waarborgen; overwegende dat grensoverschrijdende verhuizing van vennootschappen een van de cruciale elementen voor de voltooiing van de interne markt is; overwegende dat moet worden gewezen op het gebrek aan uniformiteit in de wetgeving betreffende de verplaatsing, en de procedures voor het verplaatsen, van de statutaire zetel of het hoofdkantoor van een bestaande naar nationaal recht opgerichte vennootschap van de ene naar de andere lidstaat in het kader van de interne markt, alsmede op de hieraan verbonden risico's voor de werkgelegenheid, alsook op de administratieve problemen, de veroorzaakte kosten, de sociale consequenties en de afwezigheid van rechtszekerheid;

B.

overwegende dat de meeste deelnemers aan de op 15 april 2004 afgesloten openbare raadpleging voorstander waren van de goedkeuring van een richtlijn inzake het vennootschapsrecht betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van zetels van vennootschappen;

C.

overwegende dat, gezien de verschillen tussen de in de lidstaten geldende vereisten voor de migratie van vennootschappen, het Hof van Justitie in het arrest in de zaak Cartesio heeft bevestigt dat er behoefte bestaat aan een geharmoniseerde regeling voor de grensoverschrijdende verplaatsing van zetels van vennootschappen;

D.

overwegende dat het Hof van Justitie in zijn arrest in de zaak Cartesio niet de nodige duidelijkheid heeft verschaft omtrent de verplaatsing van de zetel van een vennootschap die de Commissie in haar effectbeoordeling van 2007 had verwacht (16);

E.

overwegende dat het aan de wetgevers staat, en niet aan het Hof van Justitie, om op grond van het Verdrag de nodige maatregelen te nemen waarmee de vrijheid van een vennootschap om haar zetel te verplaatsen moet worden gerealiseerd;

F.

overwegende dat de mobiliteit van vennootschappen nog steeds op hoge administratieve lasten alsmede sociale en fiscale kosten stuit, als gevolg van de houding van de Commissie die in haar effectbeoordeling van 2007 verklaarde "geen actie" als beste optie te beschouwen omdat verder optreden van de EU niet nodig zou zijn (17);

G.

overwegende dat in de effectbeoordeling van de Commissie van 2007 niet is ingegaan op de gevolgen voor het sociaal en werkgelegenheidsbeleid, met uitzondering van de participatie van werknemers;

H.

overwegende dat misbruik van brievenbusmaatschappijen om wettelijke, sociale en fiscale verplichtingen te omzeilen moet worden voorkomen;

I.

overwegende dat de grensoverschrijdende zetelverplaatsing van een vennootschap belastingneutraal dient te zijn;

J.

overwegende dat bij de zetelverplaatsing de rechtspersoonlijkheid van de betrokken onderneming behouden moet blijven, in het belang van het goede functioneren daarvan;

K.

overwegende dat de verplaatsing geen gevolgen mag hebben voor de rechten van belanghebbenden (minderheidsaandeelhouders, werknemers en schuldeisers) die dateren van vóór de overdracht;

L.

overwegende dat voor de procedure voor de verplaatsing duidelijke regels moeten gelden betreffende transparantie en de informatie die voorafgaand aan de overdracht aan belanghebbenden moet worden verstrekt;

M.

overwegende dat aan de inspraakrechten van de werknemers groot belang toekomt wanneer de zetel van een vennootschap wordt verplaatst;

N.

overwegende dat moet worden gezorgd voor coherentie van de procedures betreffende inspraak van de werknemers in de verschillende wetgevingsbepalingen in de vennootschapsrichtlijnen;

1.

verzoekt de Commissie op korte termijn, op basis van artikel 50, lid 1, en lid 2, onder g), van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, een voorstel voor een richtlijn betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van zetels van vennootschappen voor te leggen, rekening houdend met de gedetailleerde aanbevelingen in de bijgevoegde bijlage;

2.

wijst erop dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en het subsidiariteitsbeginsel;

3.

is van oordeel dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen heeft;

4.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.


(1)  PB L 294 van 10.11.2001, blz. 1.

(2)  PB L 294 van 10.11.2001, blz. 22.

(3)  PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1.

(4)  Zaak 81/87, Daily Mail, Jurispr. 1988, blz. 5483.

(5)  Zaak C-212/97, Centros, Jurispr. 1999, blz. I-1459.

(6)  Zaak C-208/00, Überseering, Jurispr. 2002, blz. I-9919.

(7)  Zaak C-167/01, Inspire Art, Jurispr. 2003, blz. I-10155.

(8)  Zaak C-411/03, SEVIC Systems, Jurispr. 2005, blz. I-10805.

(9)  Zaak C-196/04, Cadbury Schweppes, Jurispr. 2006, blz. I-7995.

(10)  Zaak C-210/06, Cartesio, Jurispr. 2008, blz. I-9641.

(11)  PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 114.

(12)  PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 671.

(13)  PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 11.

(14)  PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 5.

(15)  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0426.

(16)  Werkdocument van de diensten van de Commissie: Effectbeoordeling voor richtlijn betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van de zetel van vennootschappen, SEC(2007)1707, punt 3.5.2, blz. 24-25.

(17)  Werkdocument van de diensten van de Commissie: Effectbeoordeling voor richtlijn betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van de zetel van vennootschappen, SEC(2007)1707, punt 6.2.4, blz. 39.


Donderdag 2 februari 2012
BIJLAGE

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1 (over het toepassingsgebied van de goed te keuren richtlijn)

De richtlijn moet van toepassing zijn op vennootschappen zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2005/56/EG.

Het toepassingsgebied moet een passende oplossing bieden voor de kwestie van de scheiding tussen de statutaire zetel en de bestuurszetel van een vennootschap.

Aanbeveling 2 (over de effecten van een grensoverschrijdende verplaatsing)

De richtlijn moet vennootschappen de mogelijkheid geven hun vestigingsrecht uit te oefenen door naar een lidstaat van ontvangst te verhuizen zonder verlies van hun rechtspersoonlijkheid maar door omzetting in een vennootschap waarop de wetgeving van de lidstaat van ontvangst van toepassing is, zonder te hoeven worden opgeheven.

De verplaatsing mag er niet toe leiden dat wettelijke, sociale en fiscale bepalingen worden omzeild.

De verplaatsing gaat in op de dag van registratie in de lidstaat van ontvangst. Vanaf de datum van registratie in de lidstaat van ontvangst valt de vennootschap onder de wetgeving van deze lidstaat.

De verplaatsing mag geen invloed hebben op de juridische betrekkingen van de vennootschap met derde partijen.

De verplaatsing moet belastingneutraal zijn, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 90/434/EEG (1).

Aanbeveling 3 (over transparantie en informatieregels voorafgaand aan het besluit tot verplaatsing)

De directie of het bestuur van een vennootschap die een verplaatsing overweegt, moet een rapport en een verplaatsingsplan opstellen. Voordat de directie een besluit over het rapport en het verplaatsingsplan neemt, moeten de vertegenwoordigers van de werknemers of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, de werknemers zelf worden geïnformeerd en geraadpleegd met betrekking tot de geplande verplaatsing, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van Richtlijn 2002/14/EG (2).

Het rapport moet ter beschikking worden gesteld van de aandeelhouders en de vertegenwoordigers van de werknemers of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, de werknemers zelf.

Het rapport moet een beschrijving en motivering van de economische, juridische en sociale aspecten van de verplaatsing bevatten, en een uitleg van de gevolgen van de verplaatsing voor de aandeelhouders, de crediteuren en de werknemers, die het verslag mogen bestuderen gedurende een nader te bepalen termijn van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden vóór de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de zetelverplaatsing moet worden goedgekeurd.

Het verplaatsingsplan bevat:

a)

de rechtsvorm, naam en statutaire zetel van de vennootschap in de lidstaat van oorsprong;

b)

de rechtsvorm, naam en statutaire zetel van de vennootschap in de lidstaat van ontvangst;

c)

de ontwerpstatuten van de vennootschap in de lidstaat van ontvangst;

d)

het tijdsschema van de verplaatsing;

e)

de datum vanaf welke de transacties van de vennootschap die haar statutaire zetel wil verplaatsen voor boekhoudkundige doeleinden worden geacht plaats te vinden in de lidstaat van ontvangst;

f)

gedetailleerde informatie over de verplaatsing van de hoofdzetel of de hoofdvestiging;

g)

de rechten die de aandeelhouders van de vennootschap, de werknemers en de schuldeisers worden gegarandeerd, of de relevante voorgestelde maatregelen en het adres waar alle informatie daarover - gratis - kan worden verkregen;

h)

informatie over de procedures voor het vaststellen van de regelingen voor werknemersmedezeggenschap, indien de vennootschap op basis van werknemersmedezeggenschap wordt geleid en indien de nationale wetgeving van de lidstaat van ontvangst niet in een dergelijke regeling voorziet.

Het rapport en het verplaatsingsplan worden binnen een redelijke termijn voorafgaand aan de datum van de algemene aandeelhoudersvergadering ter bestudering aan de aandeelhouders en de vertegenwoordigers van de werknemers van de vennootschap voorgelegd.

Het verplaatsingsplan moet gepubliceerd worden overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2009/101/EG (3).

Aanbeveling 4 (over het besluit van de aandeelhoudersvergadering)

De algemene aandeelhoudersvergadering hecht haar goedkeuring aan het verplaatsingsvoorstel in overeenstemming met de daarvoor geldende regels en met de meerderheid die is vereist voor een verandering van de statuten krachtens de wetgeving die van toepassing is op de vennootschap in de lidstaat van oorsprong.

Indien de vennootschap op basis van werknemersmedezeggenschap wordt geleid, kan de aandeelhoudersvergadering aan de uitvoering van de verplaatsing de voorwaarde verbinden dat zij haar uitdrukkelijke goedkeuring moet geven aan de regelingen voor werknemersmedezeggenschap.

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben bepalingen vast te stellen die een passende bescherming waarborgen van minderheidsaandeelhouders die tegen de verplaatsing gekant zijn, bijvoorbeeld het recht om zich uit de vennootschap terug te trekken volgens de in de lidstaat van oorsprong geldende wetgeving.

Aanbeveling 5 (over verificatie van de wettelijkheid van de verplaatsing)

De lidstaat van oorsprong verifieert de wettelijkheid van de verplaatsingsprocedure in overeenstemming met zijn eigen wetgeving.

De bevoegde instantie die door de lidstaat van oorsprong is aangewezen, geeft een certificaat af waarin zij verklaart dat alle vereiste handelingen en formaliteiten vóór de verplaatsing zijn vervuld.

Het certificaat, een afschrift van de ontwerpstatuten van de vennootschap in de lidstaat van ontvangst en een afschrift van het verplaatsingsvoorstel worden binnen een redelijke termijn ingediend bij de instantie die verantwoordelijk is voor de registratie in de lidstaat van ontvangst. Deze documenten moeten volstaan voor de vennootschap om zich te laten registreren in de lidstaat van ontvangst. De autoriteit die in de lidstaat van ontvangst voor registratie bevoegd is, verifieert dat is voldaan aan de inhoudelijke en formele voorwaarden voor de verplaatsing, met inbegrip van de in de lidstaat van ontvangst toepasselijke voorwaarden voor de oprichting van zo'n vennootschap.

De bevoegde instantie in de lidstaat van ontvangst stelt de respectieve autoriteit in de lidstaat van oorsprong onmiddellijk in kennis van de registratie. Daarna verwijdert de autoriteit van de lidstaat van oorsprong de vennootschap uit zijn register.

Met het oog op de bescherming van derde partijen moet de registratie in de lidstaat van ontvangst en de verwijdering uit het register in de lidstaat van oorsprong in voldoende mate worden bekendgemaakt.

Aanbeveling 6 (over beschermende maatregelen)

Het uitvoeren van een grensoverschrijdende zetelverplaatsing mag niet worden toegestaan aan een vennootschap waartegen een procedure voor ontbinding, liquidatie, insolvabiliteit of surseance van betalingen of andere soortgelijke procedures zijn gestart.

In het kader van lopende gerechtelijke of administratieve procedures die vóór de verplaatsing van de zetel zijn gestart, wordt de vennootschap geacht haar zetel in de lidstaat van oorsprong te hebben. Bestaande schuldeisers hebben recht op een borgstelling.

Aanbeveling 7 (over werknemersrechten)

De medezeggenschapsrechten van de werknemers mogen door de verplaatsing niet worden aangetast. De medezeggenschapsrechten vallen onder de wetgeving van de lidstaat van ontvangst.

De wetgeving van de lidstaat van ontvangst geldt echter niet indien:

a)

deze niet voorziet in tenminste hetzelfde niveau van medezeggenschap als hetwelk geldt in de lidstaat van oorsprong, of

b)

deze de werknemers van vestigingen van de vennootschap in andere lidstaten niet hetzelfde recht op de uitoefening van de medezeggenschapsrechten geeft als hetwelk vóór de verplaatsing gold.

Bovendien moeten de wetgevingsbepalingen inzake de rechten van de werknemers in overeenstemming zijn met het acquis.


(1)  Richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten (PB L 225 van 20.8.1990, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).

(3)  Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 258 van 1.10.2009, blz. 11).


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/23


Donderdag 2 februari 2012
Begrotingscontrole van de humanitaire hulpverlening van de EU

P7_TA(2012)0020

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de begrotingscontrole van de door ECHO beheerde humanitaire hulpverlening van de EU (2011/2073(INI))

2013/C 239 E/04

Het Europees Parlement,

gezien artikel 214 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over humanitaire hulp,

gezien het Financieel Reglement (1) en zijn uitvoeringsvoorschriften (2),

gezien Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (3),

gezien zijn resolutie van 27 september 2011 "Naar een krachtigere Europese respons bij rampen: de rol van civiele bescherming en humanitaire hulp" (4), zijn resolutie van 19 januari 2011 over de situatie in Haïti een jaar na de aardbeving: humanitaire hulp en wederopbouw (5), zijn resolutie van 10 februari 2010 over de recente aardbeving op Haïti (6), zijn resolutie van 29 november 2007 over de Europese consensus betreffende humanitaire hulp, en zijn resolutie van 18 januari 2011 over de tenuitvoerlegging van de Europese consensus betreffende humanitaire hulp: tussentijdse balans van het actieplan en toekomstperspectieven (7),

gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008 (8) en van 10 mei 2011 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009 (9),

gezien de jaarverslagen van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2008 (10) en over het begrotingsjaar 2009 (11), vergezeld van de antwoorden van de instellingen,

gezien de volgende speciale verslagen van de Europese Rekenkamer: nr. 3/2006 over de humanitaire hulp van de Europese Commissie naar aanleiding van de tsunami, nr. 6/2008 over de rehabilitatiehulp van de Europese Commissie na de tsunami en orkaan Mitch, nr. 15/2009 over EU-hulp die wordt verleend via organisaties van de Verenigde Naties: besluitvorming en toezicht, en nr. 3/2011 over de efficiëntie en doeltreffendheid van EU-bijdragen, verstrekt in door conflicten getroffen landen via organisaties van de Verenigde Naties,

gezien de jaarverslagen en de jaarlijkse activiteitenverslagen over de begrotingsjaren 2009 en 2010 van het directoraat-generaal Humanitaire hulp en civiele bescherming (DG ECHO) en de bijlagen daarbij,

gezien het jaarverslag 2009 over het beleid inzake humanitaire hulp en de uitvoering daarvan (COM(2010)0138) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2011)0398),

gezien het jaarverslag over het EU-beleid inzake humanitaire hulp en civiele bescherming en de uitvoering daarvan in 2010 (COM(2011)0343) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2011)0709),

gezien de financiële en administratieve kaderovereenkomst tussen de Europese Commissie en de Verenigde Naties (FAKO),

gezien de partnerschapskaderovereenkomst tussen de Commissie en humanitaire organisaties (PKO),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0444/2011),

A.

overwegende dat het aantal, de frequentie, de omvang en de ernst van humanitaire rampen dramatisch is toegenomen, waarbij meer regio's in de wereld getroffen zijn;

B.

overwegende dat de wereldwijde leidersrol van de EU als humanitaire actor, de stijging van het aantal interventies binnen en buiten de EU en de frequentie ervan, in combinatie met de huidige begrotingsbeperkingen, het belang benadrukken van goed financieel beheer op basis van de beginselen zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

C.

overwegende dat de enorme rampen in Haïti en Pakistan eens te meer hebben aangetoond dat de instrumenten waarover de EU beschikt om rampen te bestrijden, moeten worden verbeterd op het gebied van doeltreffendheid, snelheid en coördinatie;

Efficiëntie en doeltreffendheid van het controle-, monitoring- en toezichtsysteem van ECHO

1.

wijst op de vastberadenheid van ECHO en op de getroffen maatregelen om de efficiëntie en de doeltreffendheid van de humanitaire hulp van de EU te verbeteren;

2.

herinnert eraan dat de Europese Rekenkamer in haar jaarverslagen van mening is dat de globale systemen voor controle vooraf, monitoring en toezicht, de controleactiviteiten achteraf en de interne controlefuncties van DG ECHO over het algemeen doeltreffend zijn; benadrukt echter dat er bij al deze elementen ruimte voor verbetering is;

Partnerschapskaderovereenkomst (PKO) met ngo's

3.

wijst erop dat de betrekkingen tussen ECHO en zijn partner-ngo's worden geregeld door de PKO, terwijl de methode voor de uitvoering van de begroting direct gecentraliseerd beheer is;

4.

is ingenomen met de grotere flexibiliteit en efficiëntie in de PKO 2008 ten opzichte van die van 2005, zoals een resultaatgerichtere aanpak, de invoering van de A- en P-controlemechanismen, meer vereenvoudiging en minder dubbelzinnigheid door de invoering van richtsnoeren; verzoekt de Commissie de maatregelen die de efficiëntie van de samenwerking met de PKO-partners zullen verbeteren, verder te verfijnen in de PKO voor na 2012; benadrukt dat efficiëntere samenwerking en minder administratieve rompslomp voor de PKO-partners belangrijk zijn en tegelijk een hoge mate van verantwoording en transparantie waarborgt;

5.

verzoekt de Commissie de methoden en praktijk te verbeteren om te beoordelen of een potentiële partner al dan niet in aanmerking komt voor de PKO; herinnert eraan dat uit de ervaring die vóór de ondertekening van de PKO 2008 is opgedaan, blijkt dat de oorspronkelijke beoordeling ten gunste van partners onder het P-controlemechanisme, op grond van de betrouwbaarheid van hun interne controlesystemen en financiële draagkracht, te optimistisch was; merkt op dat na toekenning van deze status op grond van de oorspronkelijke beoordeling, partners onder het P-controlemechanisme minder vaak controles van hun interne controlesystemen ondergaan, hun eigen plaatsingsprocedures mogen toepassen en hun acties niet onderworpen zijn aan contractuele financieringslimieten; herinnert eraan dat na de beoordeling onder de PKO 2008 velen van hen moesten worden gedegradeerd tot A-partners, d.w.z. dat ze onder het A-controlemechanisme vielen;

6.

verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de zwakke punten die bij regelmatige controles van de systemen van de partners aan het licht komen, door hen tijdig worden aangepakt en dat de nodige maatregelen worden getroffen indien zij dit niet doen; herinnert eraan dat de externe controleurs moeten blijven werken aan de verbetering van de kwaliteit van hun aanbevelingen aan de partners, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke structuren van de partners om ervoor te zorgen dat deze aanbevelingen worden aanvaard en kunnen worden toegepast; benadrukt dat de beoordeling van voorstellen voor humanitaire hulpacties verder moet worden gestroomlijnd en gestandaardiseerd teneinde een globale vergelijking mogelijk te maken;

7.

meent dat er dankzij de bestaande controle- en monitoringmechanismen meer verantwoording is inzake de beoordeling van de efficiëntie en doeltreffendheid van de PKO-partners dan bij de VN-partners; wijst er evenwel op dat een internationale organisatie zoals de VN niet kan worden vergeleken met PKO-partners;

Internationale organisaties, VN

8.

wijst erop dat de betrekkingen tussen ECHO en zijn VN-partners worden geregeld door de financiële en administratieve kaderovereenkomst (FAKO), terwijl de betrekkingen met de Rode-Kruisfamilie en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) worden geregeld door de PKO met internationale organisaties (IO's); herinnert eraan dat de methode voor de uitvoering van de begroting in beide gevallen gezamenlijk beheer is;

9.

wijst erop dat er bij de bepalingen betreffende en de uitvoering van de controle en de follow-up van EU-middelen onder gezamenlijk beheer sprake is van ernstige zwakke punten; dringt er bij de Commissie op aan om, met name met de VN-agentschappen, de nodige maatregelen af te spreken om op de door VN-organen verrichte controlewerkzaamheden te kunnen vertrouwen, en de betrouwbaarheid van de bestaande controles, met inbegrip van verificaties, te vergroten;

10.

herinnert eraan dat bij de huidige herziening van het Financieel Reglement (FR) wordt voorgesteld de EU-middelen die via de VN en IO's worden verstrekt, onder de voorschriften voor indirect beheer te laten vallen;

11.

benadrukt dat de controle-eisen voor indirect beheer van EU-middelen even streng moeten zijn als deze voor gedeeld beheer; dringt erop aan dat voor het indirect beheer van EU-middelen door ECHO-partners dezelfde mate van verantwoording wordt ingevoerd als bedoeld in artikel 57, lid 5, van het Commissievoorstel voor het FR; benadrukt dat toegang tot de controleverslagen van ECHO-partners van essentieel belang is om het goed financieel beheer van uit de EU-begroting gefinancierde acties te kunnen verifiëren;

12.

dringt erop aan dat controleresultaten tijdig aan de kwijtingsautoriteit worden overgelegd, en dat dit geen afbreuk doet aan de bevoegdheden van de Rekenkamer of OLAF;

13.

betreurt het algemeen karakter van VN-verslagen, die onvoldoende informatie over de resultaten bevatten; wijst erop dat, gezien het VN-beginsel van slechts één controle en gezien het feit dat de controletaak van de Commissie beperkt is tot verificaties en monitoring, de VN-verslagen evenwel een belangrijke informatiebron zijn om verantwoording en transparantie te waarborgen;

14.

verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de VN-verslagen voldoende informatie bevatten over de resultaten van projecten, d.w.z. de output en de gevolgen, en dit binnen het vastgestelde tijdschema voor rapportering; benadrukt dat meetbare output- en impactindicatoren integraal deel moeten uitmaken van de rapporteringscriteria; betreurt dat in meer dan 70% van de antwoorden van ECHO op de vragenlijsten van de Rekenkamer voor haar speciaal verslag nr. 15/2009 blijkt dat de VN-verslagen te laat waren; verzoekt de Commissie de jongste stand van zaken op dit gebied te schetsen;

15.

wijst erop dat de Commissie en de FAKO-ondertekenaars de FAKO-verificatieclausule verschillend interpreteren, met name wat het verrichten van controles betreft; is ingenomen met de goedkeuring van een standaardomschrijving voor verificaties in juli 2009, omdat deze zorgt voor begeleiding bij en verduidelijking van de toepassing van de verificatieclausule; herinnert eraan dat volgens de laatste bevindingen van de externe auditsector (EAS) van DG ECHO en de Rekenkamer in het kader van de jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring, er ruimte is voor verdere verduidelijking van de overeengekomen standaardomschrijving en de verificatieclausule;

16.

wijst erop dat de Dienst externe audit nauwelijks geprofiteerd heeft van de personeelsverhoging op de zetel van DG ECHO in 2010 (stijging van 247 tot 289 personeelsleden);

17.

betreurt de moeilijkheden die de Rekenkamer heeft ondervonden om toegang te krijgen tot informatie over door VN-partners uitgevoerde acties; herinnert eraan dat, overeenkomstig de FAKO-verificatieclausule, de EU en bijgevolg de Rekenkamer financiële controles ter plaatse mogen verrichten en dat de VN alle relevante financiële informatie moet verstrekken; benadrukt dat de VN de Rekenkamer de nodige toegang tot informatie moet verlenen en bijgevolg de FAKO-verificatieclausule moet naleven;

18.

is verheugd over de positieve resultaten van de gesprekken met het Wereldvoedselprogramma (WVP) en het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF), naar aanleiding waarvan het WVP en UNICEF hun regels hebben gewijzigd om hun interne controleverslagen beschikbaar te maken voor DG ECHO; verzoekt DG ECHO onverwijld gelijkaardige onderhandelingen te voeren met de andere VN-agentschappen om gemakkelijke en onbureaucratische toegang tot hun interne controleverslagen te waarborgen; verzoekt de Commissie de bevoegde commissies van het Parlement om de zes maanden in te lichten over de voortgang van deze onderhandelingen; benadrukt dat alle interne controleverslagen in elektronische vorm ter beschikking moeten worden gesteld van de Commissie, en niet enkel op het adres van de desbetreffende VN-agentschappen;

19.

herinnert eraan dat in 2010 met het WVP gesprekken werden aangeknoopt om een gemeenschappelijke methode af te spreken voor controles van door de EU gefinancierde projecten door het WVP; verzoekt de Commissie deze opdracht met succes af te ronden en gelijkaardige onderhandelingen te voeren met de andere VN-partners;

20.

is ingenomen met de huidige inspanningen van de werkgroep "Verantwoording en controle van steunverlening bij rampen", die is ingesteld in het kader van de Internationale Organisatie van hoge controle-instanties (INTOSAI) en die wordt geleid door een lid van de Europese Rekenkamer; herinnert aan de twee belangrijkste doelstellingen van deze werkgroep: i) advies verstrekken en goede praktijken verspreiden om uiteindelijk te komen tot één geïntegreerd rapporteringsmodel, en ii) advies verstrekken en goede praktijken verspreiden op het gebied van controle van steunverlening bij rampen;

21.

is van mening dat dit een belangrijke stap in de goede richting is om samen met de VN en andere internationale organisaties de uitdagingen op het gebied van transparantie en verantwoording aan te gaan; moedigt de werkgroep aan haar mandaat binnen het vastgestelde tijdschema te voltooien;

22.

wijst erop dat, sinds de onthulling eind 2006 van misbruik van VN-middelen voor humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking door de regering van Noord-Korea, er veel kritiek is gekomen op het gebrek aan transparantie, verantwoording, efficiëntie en doeltreffendheid van het beheer van middelen door de VN; betreurt dat de VN-hervorming op het gebied van transparantie en verantwoording nog niet echt ver gevorderd is; benadrukt dat de EU-lidstaten meer politieke wil, vastberadenheid en samenhang moeten tonen om de hervorming vooruit te helpen en meer verantwoording te waarborgen; verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van deze kwestie een prioriteit te maken en deze te bevorderen;

Efficiëntie en doeltreffendheid van de uitvoering van de door DG ECHO beheerde humanitaire hulp van de EU

23.

vindt het nuttig dat DG ECHO samen met zijn partners naar nieuwe mechanismen voor het verstrekken van financiering zoekt; roept tegelijkertijd op tot eerbiediging van de diversiteit van de spelers in het kader van de financiering en tenuitvoerlegging van de internationale humanitaire programma's - Verenigde Naties, Internationale Rode Kruis-Rode Halve Maan, ngo's - aangezien deze rampen vaak een transnationale dimensie hebben en vragen om een gecoördineerde, multilaterale respons; is voor verdere versterking van de capaciteiten van de lokale spelers en wil het beoordelings- en reactievermogen ter plaatse opvoeren door een beroep te doen op ter plaatse aanwezige experts en op de diensten van DG ECHO;

24.

wijst erop dat een nauwkeurige en samenhangende beoordeling van de behoeften een fundamentele voorwaarde is voor de uitvoering van humanitaire hulp; erkent dat, dankzij de algemene beoordeling van de behoeften en de beoordeling van vergeten crises, de door ECHO beheerde humanitaire hulp voldoet aan het fundamentele criterium dat de hulp strikt op behoeften gebaseerd moet zijn; benadrukt dat de Commissie haar inspanningen moet voortzetten om een debat aan te gaan over de invoering van een beter gecoördineerde en samenhangendere beoordeling van de behoeften; is ingenomen met de desbetreffende dialoog tussen de Commissie en de VN;

PKO-partners

25.

wijst op de kwaliteit van het werk van de partners van DG ECHO, die op een doeltreffende manier – met name via de KPO – geselecteerd worden en moeten beantwoorden aan de voor de hulpsector vastgestelde normen en waarden; onderstreept tevens het belang van de controles op de aanwending van de aan de partners verleende middelen, die door particuliere auditbureaus op een doeltreffende manier worden uitgevoerd en bijdragen tot de legitimatie van de sector; wil echter ook de diversiteit van de partners en de toegang van kleine en middelgrote ngo's tot de fondsen waarborgen, wijst in dat verband op de complexiteit van de administratieve toegangsprocedures, op de torenhoge administratieve kosten waar de ngo's mee worden geconfronteerd en op het gebrek aan personeel dat de sector voor moeilijkheden plaatst ten aanzien van audits, en pleit ervoor om de gehanteerde werkmethoden af te stemmen op de eigenheid van de hulpsector en op de plaatselijke behoeften, opdat de humanitaire hulp op passende wijze gestuurd wordt en de activiteiten van de aanwezige hulporganisaties van bij het begin gecoördineerd worden;

26.

is verheugd over de inspanningen van DG ECHO ter bevordering van innovatieve benaderingen zoals de "cash-based approach", met in het bijzonder de onvoorwaardelijke transfers die gericht zijn op de meest kwetsbare groepen; stelt vast dat deze benaderingen, door gebruik te maken van de lokale markten, doeltreffender kunnen zijn en niet per se een hoger fiduciair risico inhouden dan bijstand in natura; moedigt DG ECHO daarom aan om de "cash-based approach" verder uit te bouwen en om de partners aan te sporen er gebruik van te maken;

27.

herinnert aan de conclusies na de drie cycli controles op het hoofdkantoor door de externe auditsector (EAS) van DG ECHO over de aard en de betrouwbaarheid van de financiële betrekkingen tussen DG ECHO en zijn partners, waaruit blijkt dat de door de Commissie ter beschikking gestelde middelen over het algemeen met redelijke zorg en overeenkomstig de geldende regels en voorschriften zijn gebruikt;

28.

wijst erop dat de meeste aanbevelingen van de EAS-audits over de PKO-partners betrekking hebben op de plaatsingsprocedures van de partners; vestigt de aandacht op een van de belangrijkste bevindingen van de EAS-audits, namelijk dat niet alle PKO-partners (zowel onder het A- als het P-controlemechanisme) over procedures beschikken die volledig in overeenstemming zijn met de beginselen van bijlage IV van PKO 2008; wijst erop dat een aantal punten betrekking heeft op het verstrekken van volledige plaatsingsdossiers en op de invoering van beter gedocumenteerde en betrouwbare plaatsingsprocedures;

29.

wijst erop dat de PKO-partners de volgende punten moeten aanpakken: de invoering van passende interne controlemechanismen, de verbetering van hun financiële kostentoewijzingssystemen en deze transparanter maken, de verbetering van zwakke punten in hun boekhoudsystemen en van de verbintenis van hun management inzake kwaliteitsnormen, de invoering van een risicobeheersingsproces voor de hele organisatie en bewustmaking voor de gevaren van fraude en corruptie;

30.

wijst erop dat ECHO-partners aan uitvoerende partners activiteiten ter ondersteuning van humanitaire acties kunnen uitbesteden; betreurt het gebrek aan degelijke procedures, overzicht en degelijk beheer door PKO-partners met betrekking tot hun uitvoerende partners; verzoekt de Commissie bijgevolg dit punt aan te pakken, waarbij rekening wordt gehouden met het mogelijke risico bij fraude, met het gebrek aan toegang tot onderliggende documenten en met het feit dat ECHO niet over mechanismen beschikt om de uitvoerende partners in onderaanneming te identificeren;

31.

is van mening dat werkelijke en continue betrokkenheid van de begunstigden bij de planning en het beheer van de hulp een van de noodzakelijke voorwaarden is voor de kwaliteit en de snelheid van humanitaire interventies, met name bij langdurige crises; wijst erop dat er vaak geen formele mechanismen bestaan om klachten of feedback van de begunstigde aan de betrokken partner te bezorgen, en evenmin duidelijke regels voor de bescherming van klokkenluiders; benadrukt dat dit een belangrijke maatregel is om de doeltreffendheid en de verantwoording te verbeteren en om mogelijk misbruik van hulp te voorkomen; verzoekt DG ECHO onverwijld dergelijke mechanismen in te voeren;

32.

herinnert aan de aanbeveling van EAS, namelijk dat de monitoring moet worden verbeterd van de verdeling en van de periode daarna door personeel dat niet bij het proces zelf betrokken is, om na te gaan of de behoeftenbeoordeling alle eisen heeft geïdentificeerd en of aan deze eisen is voldaan; verzoekt de Commissie de getrokken lessen uit deze monitoringactiviteiten toe te passen;

VN-partners

33.

herinnert aan het standpunt van de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 15/2009, namelijk dat de strategische en juridische eisen om objectief en transparant partners te selecteren, onvoldoende vertaald zijn in praktische criteria om het nemen van besluiten in het geval van VN-partners te staven; verzoekt de Commissie stelselmatig een formele vergelijkende beoordeling te verrichten van de hulpverleningsmechanismen van de VN en andere partners, en dit te documenteren;

34.

wijst erop dat de Commissie naast haar bijdrage aan de indirecte kosten (tot 7% van de begroting voor een actie), d.w.z. kosten die niet rechtstreeks verband houden met de uitvoering van een specifiek project, tal van kosten financiert die rechtstreeks verband houden met het project (directe kosten), onder meer de ondersteuningskosten voor lokale kantoren, personeel en vervoer die rechtstreeks verband houden met de activiteiten; wijst erop dat de ondersteuningskosten, onder meer voor vervoer, opslag en verhandeling (bijvoorbeeld van voedselhulp), sterk kunnen variëren; erkent dat de reden hiervoor landgebonden kan zijn afhankelijk van de omstandigheden, maar wijst erop dat dit ook kan zijn omdat de operaties efficiënter op de kosten moeten worden afgestemd; stelt voor dat de Commissie het niveau van de ondersteuningskosten vergelijkt met een normaal peil of normale benchmark voor het desbetreffende soort project, om na te gaan of dit redelijk is;

Diverse andere kwesties

35.

benadrukt dat naast essentiële criteria zoals ervaring en expertise, eerdere prestaties, coördinatie, dialoog en snelheid, ook kostenefficiëntie een belangrijk criterium moet zijn om partners te selecteren; is verheugd over het feit dat ECHO momenteel werkt aan de ontwikkeling van een vergelijkend kosteninformatiesysteem ("cost observed for results") op basis van vergelijkende eenheidskosten; benadrukt dat het belangrijk is de door dit instrument verstrekte informatie te gebruiken om de kostenefficiëntie van projectvoorstellen te analyseren;

36.

vestigt de aandacht op het feit dat de begroting van DG ECHO regelmatig wordt aangevuld, hetzij door gebruik te maken van de reserve voor noodhulp, hetzij via overschrijvingen van andere begrotingslijnen uit de rubriek externe steun van het EOF; is van mening dat aanvullingen op de begroting een structureel probleem zijn; benadrukt dat het noodzakelijk is een realistische begroting op te stellen, waarbij middelen worden opgenomen voor natuurrampen of humanitaire interventies op basis van opgedane ervaringen in voorgaande begrotingsjaren;

37.

onderstreept dat de Europese Unie haar reactievermogen ten aanzien van het stijgende aantal zware natuurrampen moet versterken; herinnert er in dit verband aan dat het Parlement al jaren pleit voor een meer realistische begroting voor humanitaire hulp om een einde te stellen aan de chronische onderfinanciering van de betrokken begrotingslijnen en gedurende het hele begrotingsjaar een zekere financiële bewegingsruimte te kunnen behouden, alsook om een consistent evenwicht te bewaren tussen enerzijds steun voor initiatieven ter preventie van humanitaire rampen en anderzijds steun voor initiatieven die focussen op een snelle reactie in noodsituaties, los van de vraag of die een natuurlijke dan wel menselijke oorzaak hebben;

38.

is verheugd over de recente mededeling van de Europese Commissie over het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 dat voorziet in een verhoging van de begroting van het Instrument voor humanitaire hulp tot 6,4 miljard euro, wat neerkomt op een gemiddelde van 915 miljoen euro per jaar (tegenover 813 miljoen euro per jaar voor de periode 2007-2013); stelt tot haar tevredenheid ook vast dat de reserve voor noodhulp voor deze periode opgetrokken wordt tot 2,5 miljard euro en dat voorgesteld wordt de niet-aangewende steun over te dragen naar de reserve voor het volgende jaar, en dringt er bij de Commissie op aan dat dit bedrag in hoofdzaak bestemd blijft voor dringende humanitaire hulp;

39.

vraagt dat de EU in haar begroting ruimte voorziet voor initiatieven die beogen rampen te voorkomen, erop te anticiperen, er zich op voor te bereiden en er zo snel mogelijk op te reageren, alsook maatregelen om de obstakels weg te nemen die een vlotte activering van ontwikkelingshulp in crisissituaties verhinderen; betreurt dat nog steeds weinig concrete vorderingen gemaakt zijn op het gebied van de samenhang van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling, ondanks de vele politieke initiatieven die de laatste jaren zijn genomen;

40.

vraagt daarom dat meer middelen worden ingezet en dat ze beter worden beheerd teneinde de continuïteit van de hulp te garanderen tijdens de overgangsfase tussen noodsituatie en ontwikkeling en dat er gestreefd wordt naar meer flexibiliteit en complementariteit van de bestaande financiële voorzieningen, meer bepaald in het kader van de beleidsdocumenten per land/regio van het Europees Fonds voor ontwikkeling en van het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking; vraagt dat kinderen, zwangere vrouwen en moeders van jonge kinderen in de bestaande financieringsinstrumenten als prioritaire doelgroep gelden ten aanzien van voedselvoorziening, kleding, ontruiming en overbrenging, en pleit daarnaast voor medische voorzieningen die ongewenste zwangerschappen en seksueel overdraagbare aandoeningen kunnen voorkomen;

41.

beveelt aan om in deze op rehabilitatie gerichte fase die de overgang tussen noodsituatie en ontwikkeling uitmaakt in de eerste plaats op capaciteitsontwikkeling in plaatselijke instellingen te focussen, en in de plannings- en uitvoeringsfase op een grote betrokkenheid van plaatselijke ngo's en verenigingen, ter bevordering van en als basis voor kwaliteitsvolle en doeltreffende programma's voor menselijke ontwikkeling;

42.

is van mening dat de door ECHO gefinancierde acties voldoende zichtbaar zijn; erkent het belang van maatregelen om de zichtbaarheid in termen van verantwoording te waarborgen en om het risico op dubbele financiering te helpen verminderen; benadrukt dat humanitaire agentschappen zichtbaarheid niet mogen misbruiken om hun eigen "merk" te promoten en dat de concurrentie om zichtbaarheid niet ten koste mag gaan van het lenigen van de echte behoeften van de begunstigden;

43.

is van mening dat de steeds grotere rol van consortia een positieve invloed kan hebben om de humanitaire respons op te drijven en de coördinatie te verbeteren; verzoekt de Commissie duidelijker advies te verstrekken om transparantie te waarborgen en ervoor te zorgen dat consortia geen negatieve invloed hebben op de diversiteit van het ngo-landschap, met name die van kleine en middelgrote organisaties;

Behoefte aan duurzaamheid, samenhang en complementariteit

44.

wijst op het belang van samenhang van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling (linking relief, rehabilitation and development – LRRD) om de samenhang tussen noodhulp, herstel en ontwikkeling te versterken en een vlotte overgang van humanitaire hulp naar ontwikkelingshulp te waarborgen; benadrukt dat er nog veel werk moet worden verricht om te komen tot een betere coördinatie, efficiëntie, doeltreffendheid en samenhang van LRRD;

45.

is verheugd over het feit dat DG ECHO de beperking van risico's bij rampen bevordert via het DIPECHO-programma en als een integraal onderdeel van humanitaire acties;

46.

verzoekt DG ECHO meer aandacht te besteden aan de duurzaamheid van humanitaire acties; dringt er bij DG ECHO en andere betrokken diensten van de Commissie op aan meer nadruk te leggen op de beperking van risico's bij rampen en rampenparaatheid, het herstellingsvermogen van de bedreigde bevolking te vergroten via capaciteitsopbouw, training, publieke bewustmaking en de invoering van vroegtijdige waarschuwingssystemen in rampgevoelige en door crises getroffen landen, om hen in staat te stellen gepast te reageren;

47.

is van mening dat kennis van en oog hebben voor de lokale cultuur een essentiële factor is om doeltreffende humanitaire hulp te verlenen; benadrukt bijvoorbeeld dat tijdens humanitaire acties verstrekte producten geschikt en aanvaardbaar moeten zijn voor de lokale bevolking;

48.

verzoekt DG ECHO de mogelijke negatieve gevolgen van humanitaire hulp zorgvuldig te onderzoeken; wijst er bijvoorbeeld op dat te veel voedselhulp lokale voedselproductie kan ontmoedigen, negatieve gevolgen kan hebben voor de lokale markten en bijgevolg de voedselzekerheid op de lange termijn in gevaar kan brengen;

49.

dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor meer samenhang en complementariteit tussen humanitaire hulp en ontwikkelingshulp, zowel op beleidsniveau als in de praktijk;

50.

is van mening dat de huidige acute voedselcrisis in de Hoorn van Afrika tevens het tragische gevolg is van een gebrek aan samenhang en complementariteit tussen internationale humanitaire hulp en ontwikkelingshulp; wijst erop dat, in tegenstelling tot natuurrampen, dit een traag begonnen crisis is die geleidelijk geëscaleerd is tot een humanitaire ramp; herinnert eraan dat droogte en voedseltekort in de Hoorn van Afrika helaas chronisch van aard geworden zijn; betreurt dat ondanks deze realiteit en ondanks de enorme hoeveelheid ontwikkelingshulp die de afgelopen decennia naar deze regio is gegaan, er geen zichtbare resultaten zijn die wijzen op meer zelfvoorziening van de lokale boeren en dus op het garanderen van duurzaamheid;

Haïti en Pakistan

51.

betreurt dat 2010 zal worden herinnerd als het jaar van twee enorme rampen: de verwoestende aardbeving in Haïti met de daaropvolgende cholera-epidemie, en de nooit eerder geziene overstromingen in Pakistan;

52.

wijst erop dat ECHO in 2010 122 miljoen euro heeft uitgetrokken voor Haïti en 150 miljoen voor Pakistan, en dat de humanitaire hulp die ECHO aan Pakistan heeft toegekend de grootste interventie was die ooit in één jaar heeft plaatsgevonden;

53.

erkent dat door de omvang van de rampen en de ermee gepaard gaande moeilijkheden, met inbegrip van materiële toegang en veiligheidsoverwegingen, de omstandigheden bijzonder complex waren; wijst erop dat beide rampen gelijkaardige problemen aan het licht hebben gebracht;

54.

wijst erop dat efficiënte internationale coördinatie een essentiële voorwaarde is voor efficiënte en doeltreffende humanitaire hulp, en erkent de meerwaarde en de noodzaak van werken onder de vleugels van het VN-Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) tijdens humanitaire hulpoperaties;

55.

wijst erop dat de Commissie het OCHA aanzienlijke steun verleent; betreurt dat de ervaring in Haïti en Pakistan heeft aangetoond dat het OCHA momenteel over onvoldoende coördinatievermogen beschikt; benadrukt dat het vermogen van het OCHA om zijn coördinerende rol te vervullen werd ondermijnd door geringe capaciteit, een ongeschikte beoordeling van de behoeften en slechts gedeeltelijk werkende elektronische instrumenten voor informatieverwerking;

56.

wijst erop dat de Commissie de VN aanzienlijke steun heeft verleend bij haar inspanningen om het clustersysteem te ontwikkelen en toe te passen; benadrukt dat uit beide rampen blijkt dat er nog veel werk moet worden verricht om te komen tot een betere doeltreffendheid, efficiëntie en coördinatie en tot meer verantwoordelijkheid en verantwoording;

57.

wijst erop dat de Commissie de rapporteur van het Parlement het inhoudelijke eindverslag en de financiële verslagen van de ECHO-partners over de uitvoering van humanitaire acties na de rampen in Haïti en Pakistan in 2010 niet heeft verstrekt omdat ze gevoelige informatie over ECHO-partners zouden bevatten; benadrukt dat het Parlement toegang moet hebben tot dergelijke verslagen, of op zijn minst tot de hoofdpunten betreffende de efficiëntie en doeltreffendheid van de uitvoering van de acties, om het goed financieel beheer ervan te kunnen beoordelen;

58.

wijst erop dat de Commissie begrotingscontrole een delegatie naar Haïti zal sturen gezien de gemelde problemen in verband met de aan Haïti toegekende steun;

59.

verzoekt de Commissie de punten betreffende de VN op te nemen met de betrokken VN-organen;

*

* *

60.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.

(3)  PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0404.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0018.

(6)  PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 5.

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0005.

(8)  PB L 252 van 25.9.2010, blz. 1.

(9)  PB L 250 van 27.9.2011, blz. 1.

(10)  PB C 269 van 10.11.2009, blz. 1.

(11)  PB C 303 van 9.11.2010, blz. 1.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/32


Donderdag 2 februari 2012
Op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen

P7_TA(2012)0021

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over "Op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen" (2011/2089(INI))

2013/C 239 E/05

Het Europees Parlement,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie d.d. 4 februari 2011, Openbare raadpleging: "Op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen" (SEC(2011)0173),

gezien de ontwerpleidraad "Kwantificering van de schade in schadevergoedingsacties n.a.v. overtreding van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie", door de Commissie gepubliceerd in juni 2011,

gezien Richtlijn 2009/22/EG betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (1),

gezien de discussienota van de Commissie over de follow-up van het Groenboek over "Collectief verhaal voor consumenten", door de Commissie gepubliceerd in 2009,

gezien zijn resolutie van 26 maart 2009 over het Witboek betreffende schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels (2),

gezien het Groenboek van de Commissie van 27 november 2008 over collectief verhaal voor consumenten (COM(2008)0794),

gezien zijn resolutie van 20 januari 2011 over het verslag over het mededingingsbeleid 2009 (3),

gezien het Witboek van de Commissie van 2 april 2008 betreffende schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels (COM(2008)0165),

gezien het verslag-Monti van 9 mei 2010 over een nieuwe strategie voor de interne markt,

gezien de mededeling van de Commissie van 13 maart 2007, getiteld "EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013: consumenten mondig maken, hun welzijn verbeteren en hun effectief bescherming bieden" (COM(2007)0099),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over alternatieve geschillenbeslechting in burgerlijke, handels- en familiezaken (4),

gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende bemiddeling in de lidstaten, impact op de bemiddeling en toepassing door de rechtbanken (5),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0012/2012),

A.

overwegende dat in de Europese rechtsruimte burgers en bedrijven niet alleen rechten genieten, maar ook in de gelegenheid moeten worden gesteld deze rechten daadwerkelijk en doeltreffend geldend te maken;

B.

overwegende dat recent aangenomen EU-wetgeving erop gericht is partijen in grensoverschrijdende zaken de mogelijkheid te bieden hetzij hun rechten daadwerkelijk (6) geldend te maken hetzij via bemiddeling hun geschil buitengerechtelijk te laten beslechten (7);

C.

overwegende dat alternatieve geschillenbeslechting ontegenzeglijk voordelen biedt en dat de reële gelegenheid om de rechter in te schakelen voor alle EU-burgers behouden moet blijven;

D.

overwegende dat volgens de in maart 2011 gepubliceerde Flash Eurobarometer "de houding van de consument tegenover grensoverschrijdende handel en consumentenbescherming" 79% van de Europese consumenten aangeeft eerder naar de rechtbank te stappen als zij samen met anderen een collectieve zaak zouden kunnen aanspannen;

E.

overwegende dat consumenten die door een rechtsinbreuk worden getroffen en in een rechtszaak individueel verhaal willen halen zich in termen van toegankelijkheid, effectiviteit en betaalbaarheid vaak voor grote hindernissen geplaatst zien vanwege de soms hoge proceskosten, de mogelijke psychische belasting, ingewikkelde en langdurige procedures en gebrek aan informatie over de beschikbare verhaalsmogelijkheden;

F.

overwegende dat wanneer een groep burgers het slachtoffer is van dezelfde rechtsinbreuk, individueel verhaal wellicht geen effectief middel is om de onwettige praktijken in kwestie een halt toe te roepen of schadeloosstelling te verkrijgen, met name als het persoonlijke verlies klein is ten opzichte van de kosten;

G.

overwegende dat de bestaande verhaalsmogelijkheden voor consumenten en de EU-instrumenten voor handhaving in sommige lidstaten over het algemeen als ontoereikend worden beschouwd of onvoldoende bekendheid genieten, waardoor er nog te weinig gebruik van wordt gemaakt;

H.

overwegende dat de integratie van de Europese markten en de daardoor ontstane toename van grensoverschrijdende activiteiten duidelijk maken dat er behoefte is aan een coherente EU-aanpak voor zaken waarbij consumenten met lege handen naar huis gaan, aangezien de procedures voor de collectieve vordering van compensatiebetalingen die in een aantal lidstaten zijn ingevoerd niet voorzien in grensoverschrijdende oplossingen;

I.

overwegende dat de nationale en Europese autoriteiten een centrale rol spelen bij de handhaving van EU-wetgeving en dat particuliere handhaving openbare handhaving weliswaar moet aanvullen, maar niet vervangen;

J.

overwegende dat openbare handhaving door beëindiging van overtredingen en het opleggen van boetes op zich de consument niet schadeloosstelt voor geleden schade;

K.

overwegende dat het samenvoegen van de vorderingen in één enkele procedure voor collectief verhaal, of de indiening van de vordering door een vertegenwoordigende entiteit of door een orgaan dat handelt in het openbaar belang, het proces zou kunnen vereenvoudigen en de kosten voor de betrokken partijen zou terugbrengen;

L.

overwegende dat een collectief verhaalsysteem een nuttige aanvulling kan vormen op individuele rechtsbescherming, maar daarvoor niet in de plaats kan treden;

M.

overwegende dat de Commissie bij elk voorstel dat niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen;

1.

juicht bovengenoemde horizontale raadpleging toe en benadrukt dat slachtoffers van onrechtmatige praktijken - of dit nu burgers of bedrijven zijn – de gelegenheid moeten krijgen hun geleden verlies of schade terug te vorderen, met name wanneer zij verspreide of verstrooide schade hebben geleden, omdat het kostenrisico in dergelijke gevallen geen gelijke tred met de geleden schade kan houden;

2.

constateert dat het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten zich inspant om lichtvaardig aangespannen rechtsgedingen en misbruik van collectieve schadevergoedingsacties ("class actions") (8) in te dammen en onderstreept dat Europa ervan af moet zien een class action-systeem naar Amerikaans model of om het even welk systeem in te voeren dat geen recht doet aan de Europese rechtstraditie;

3.

juicht het toe dat de lidstaten de rechten van slachtoffers van onrechtmatig gedrag trachten te versterken door wetgeving in te voeren dan wel voornemens zijn wetgeving in te voeren die het gelaedeerden makkelijk maakt een eis tot schadevergoeding in te stellen en tegelijkertijd de verwerpelijke trend om bij het minste geringste een rechtszaak aan te spannen, te keren, doch beseft eveneens dat nationale collectieve verhaalmechanismen sterk uiteenlopen, met name voor wat betreft reikwijdte en procedurele kenmerken, hetgeen het genot van de rechten van burgers kan ondermijnen;

4.

is verheugd over de werkzaamheden van de Commissie met het oog op een coherente Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen en verzoekt de Commissie in haar effectbeoordeling aan te tonen dat overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel maatregelen op EU-niveau noodzakelijk zijn om het huidige EU-regelgevingskader te verbeteren ten einde ervoor te zorgen dat slachtoffers van inbreuken op EU-regelgeving schadeloosstelling kunnen krijgen voor de schade die zij lijden en aldus een bijdrage wordt geleverd aan het consumentenvertrouwen en een soepeler functioneren van de interne markt;

5.

beklemtoont dat een collectieve procedure mogelijk voordelen biedt in termen van lagere kosten en meer rechtszekerheid voor eisers en gedaagden en het rechtsstelsel, doordat wordt voorkomen dat er gelijktijdig gelijksoortige procedures lopen;

6.

is van oordeel dat afdwinging van de mededingingsregels van overheidswege essentieel is om uitvoering te kunnen geven aan de bepalingen van de Verdragen, om de doelstellingen van de EU volledig te kunnen verwezenlijken en ervoor te zorgen dat het Europese mededingingsrecht door de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten wordt gehandhaafd;

7.

wijst er eens te meer op dat momenteel alleen de lidstaten bevoegd zijn om nationale regels vast te stellen ter bepaling van het schadeloosstellingsbedrag dat kan worden toegekend; merkt voorts op dat de handhaving van het nationale recht de uniforme toepassing van het Europese recht niet in de weg mag staan;

8.

verzoekt de Commissie grondig na te gaan wat de juiste rechtsgrond voor maatregelen op het gebied van collectief verhaal is;

9.

merkt op dat volgens de tot dusverre beschikbare informatie, met name een in 2008 in opdracht van DG SANCO uitgevoerde studie ("Evaluation of the effectiveness and efficiency of collective redress mechanisms in the EU") geen van de in de EU bestaande collectieve verhaalmechanismen onevenredige economische gevolgen heeft gehad;

Vigerende EU-wetgeving en dwangmaatregelen tot rechtsherstel

10.

merkt op dat sommige handhavingsmechanismen voor afzonderlijke gevallen, zoals Richtlijn 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken en Verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, reeds op EU-niveau bestaan en is van oordeel dat met name Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen gelaedeerden toegang tot de rechter biedt door het eenvoudiger te maken grensoverschrijdende geschillen over vorderingen van minder dan 2 000 euro te beslechten, doch wijst erop dat deze wetgeving niet bedoeld is om effectieve toegang tot de rechter te bieden ingeval een groot aantal gelaedeerden dezelfde schade hebben geleden;

11.

is van oordeel dat dwangmaatregelen tot rechtsherstel ook een belangrijk middel kunnen zijn om de rechten die burgers en bedrijven uit hoofde van het EU-recht genieten, te beschermen en dat de mechanismen die zijn ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (9) en Richtlijn 2009/22/EG betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen aanzienlijk verbeterd kunnen worden door de samenwerking en dwangmaatregelen tot rechtsherstel in grensoverschrijdende geschillen te bevorderen;

12.

is van oordeel dat er met name in de milieusector grote behoefte is aan betere dwangmaatregelen tot rechtsherstel; verzoekt de Commissie na te gaan hoe het rechtsherstel tot die sector kan worden uitgebreid;

13.

is van oordeel dat dwangmaatregelen tot rechtsherstel gericht moeten zijn op de belangen van zowel de individu als het openbaar belang en dat voorzichtigheid moet worden betracht bij het verruimen van de toegang tot de rechter voor organisaties, aangezien het voor organisaties niet gemakkelijker moet zijn om naar de rechter te stappen dan voor de gewone burger;

14.

verzoekt de Commissie de effectiviteit van Richtlijn 98/27/EG betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming, verder te versterken om een passende openbare handhaving van de consumentenrechten in de EU te waarborgen; onderstreept evenwel dat noch Richtlijn 98/27/EG, noch Verordening (EG) nr. 2006/2004 voorziet in schadeloosstelling van door consumenten geleden schade;

Juridisch bindend horizontaal kader en waarborgen

15.

is van oordeel dat toegang tot de rechter middels collectief verhaal onder het procesrecht valt en vreest dat ongecoördineerde EU-initiatieven op het gebied van collectief verhaal tot een versnippering van het nationale procesrecht en aansprakelijkheidsrecht zullen leiden, zodat toegang tot de rechter in de EU niet versterkt maar juist verzwakt wordt; wenst dat, indien na rijp beraad besloten wordt dat een EU-regeling voor collectief verhaal noodzakelijk en wenselijk is, eventuele voorstellen voor collectief verhaal de vorm van een horizontaal kader krijgen, met inbegrip van een reeks gemeenschappelijke beginselen dat binnen de EU een uniforme toegang tot de rechter waarborgt en alle schendingen van de rechten van de consument gericht, doch niet uitsluitend aanpakt;

16.

onderstreept dat het noodzakelijk is naar behoren rekening te houden met de rechtstraditie en de rechtsorde van de afzonderlijke lidstaten en de coördinatie van goede praktijken tussen de lidstaten op te voeren en is van oordeel dat de werkzaamheden met het oog op een EU-regeling voor daadwerkelijk verhaal van zowel consumenten als het MKB niet mogen leiden tot vertragingen bij de vaststelling van het horizontaal kader;

17.

onderstreept dat een juridisch bindend horizontaal kader de kernaspecten van collectieve schadevergoedingsacties moet dekken; onderstreept voorts dat met name formele en internationale privaatrechtelijke regels op collectieve acties in hun algemeenheid van toepassing moeten zijn, ongeacht de betrokken sector, terwijl een beperkt aantal regels betreffende consumentenbescherming of mededingingsrecht die gaan over aangelegenheden zoals de juridisch bindende kracht van besluiten van de nationale mededingingsautoriteiten bijvoorbeeld in aparte artikelen of hoofdstukken van dit horizontale instrument of in aparte rechtsinstrumenten gelijktijdig met of na de vaststelling van het horizontaal instrument kunnen worden opgenomen;

18.

is de mening toegedaan dat geleden individuele schade of verlies doorslaggevend zijn om al dan niet te besluiten een rechtsgeding aan te spannen, aangezien er uiteraard altijd een vergelijking wordt gemaakt met de eventuele proceskosten; herinnert de Commissie er bijgevolg aan dat het horizontaal kader voor collectief verhaal een doeltreffend en kostenefficiënt instrument voor alle partijen dient te zijn en is van mening dat de lidstaten bij de vaststelling van hun nationale regelgeving met betrekking tot collectieve verhaalprocedures kunnen terugvallen op Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen, voor zover het bedrag van de vordering niet hoger ligt dan in die verordening is voorzien;

19.

is van oordeel dat collectief verhaal in het kader van een horizontaal kader het meest zal opleveren in gevallen waarin de verwerende en eisende partij niet in dezelfde lidstaat woonachtig zijn (grensoverschrijdende dimensie) en de rechten die geschonden zouden zijn door EU-wetgeving worden gewaarborgd (schending van EU-recht); wenst dat verder onderzoek wordt verricht naar verbetering van de verhaalsmogelijkheden in geval van schending van nationale wetgeving met mogelijke grote, grensoverschrijdende gevolgen;

20.

herhaalt dat er in het kader van het horizontaal instrument voor moet worden gezorgd dat lichtvaardig procederen en misbruik van collectief verhaal moeten worden voorkomen, zodat er een eerlijk proces kan plaatsvinden en onderstreept dat hierbij onder meer de volgende punten in acht moeten worden genomen:

Procesbevoegdheid

wil een vordering representatief en ontvankelijk zijn, dan dient er sprake te zijn van een duidelijk afgebakende groep en dienen de leden van deze groep geïdentificeerd te zijn alvorens de vordering wordt ingesteld;

de Europese aanpak van collectief verhaal moet worden gebaseerd op het "opt-in"-beginsel, hetgeen impliceert dat de slachtoffers duidelijk moeten worden geïdentificeerd en alleen aan de procedure mogen deelnemen, wanneer zij daartoe uitdrukkelijk de wens te kennen hebben gegeven, ten einde potentieel misbruik te voorkomen; onderstreept dat de bestaande nationale stelsels in acht dienen te worden genomen conform het subsidiariteitsbeginsel; verzoekt de Commissie zich te beraden over een stelsel waarbij alle potentieel betrokken slachtoffers van relevante informatie worden voorzien, dat de representativiteit van collectieve rechtszaken vergroot, dat een zo groot mogelijk aantal slachtoffers kans op schadeloosstelling biedt en dat garant staat voor een eenvoudige, betaalbare en effectieve toegang tot de rechter voor EU-burgers, zodat buitensporig procederen en onnodige individuele of collectieve acties die met dezelfde inbreuk samenhangen worden voorkomen; roept de lidstaten ertoe op doeltreffende mechanismen op te zetten om zoveel mogelijk slachtoffers te informeren en bewust te maken van hun rechten en verplichtingen, met name als deze in verschillende lidstaten wonen, waarbij tegelijkertijd moet worden voorkomen dat de reputatie van de betrokken partij ten onrechte wordt geschaad, ten einde het beginsel van vermoeden van onschuld na te leven;

een collectief verhaalstelsel in het kader waarvan de gelaedeerden niet worden geïdentificeerd alvorens een uitspraak wordt gedaan, dient te worden verworpen op grond van het feit dat het tegen de rechtsorde van diverse lidstaten indruist en de rechten schendt van een gelaedeerde die onwetend is van het feit dat hij bij de procedure betrokken is maar toch aan de rechterlijke beslissing gebonden is;

de lidstaten dienen er zorg voor te dragen dat voor een rechter of soortgelijke instantie de discretionaire bevoegdheden behouden blijven om een potentiële collectieve vordering voorafgaand op ontvankelijkheid te toetsen ten einde te verzekeren dat aan de gestelde criteria wordt voldaan en de vordering voor een proces in aanmerking komt;

de lidstaten dienen instanties aan te wijzen die bevoegd zijn representatieve acties in te stellen en er dienen op Europees niveau criteria te worden vastgesteld die deze bevoegde entiteiten duidelijk definiëren; deze criteria kunnen worden gebaseerd op artikel 3 van Richtlijn 2009/22/EG betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen, doch moeten nader worden gespecificeerd om ervoor te zorgen dat enerzijds wordt voorkomen dat zaken van gering belang voor de rechter worden gebracht en anderzijds de toegang tot de rechter wordt gewaarborgd; de criteria moeten onder meer betrekking hebben op de financiële en personele middelen van de bevoegde instanties;

het moet gelaedeerden in elk geval vrijstaan bij een bevoegde rechtbank het alternatief van individuele schadevergoeding te vorderen;

Volledige vergoeding van daadwerkelijk geleden schade

het horizontaal kader is alleen bestemd voor vergoeding van daadwerkelijk geleden schade en hoge schadevergoedingen moeten worden verboden; uit hoofde van het schadevergoedingsconcept moet de toegewezen schadevergoeding naar gelang van de door de individu geleden schade over de gelaedeerden worden verdeeld; resultaatafhankelijke beloningen komen in Europa nauwelijks voor en horen niet thuis in het verplichte horizontale kader;

Toegang tot bewijsmateriaal

collectieve eisers mogen zich met betrekking tot inzage in het bewijsmateriaal van de verweerder niet in een betere positie bevinden dan individuele eisers en iedere eiser moet zijn eis tot schadevergoeding gedegen onderbouwen; de verplichting om documenten aan de eiser ter inzage te geven ("inzagerecht") is in Europa nauwelijks bekend en hoort niet thuis in het horizontale kader;

Principe dat de verliezer betaalt

geen enkel rechtsgeding is zonder financiële risico's en de lidstaten moeten hun eigen regels vaststellen voor de verdeling van de kosten in die zin dat de verliezende partij de kosten van de andere partij draagt ten einde te voorkomen dat zaken van gering belang in het kader van een EU-collectief verhaalmechanisme voor de rechter worden gebracht;

Geen financiering door derden

de Commissie moet geen voorwaarden stellen aan of richtsnoeren geven voor de financiering van schadevergoedingsprocedures, aangezien het in de meeste lidstaten niet gebruikelijk is dat derden rechtsprocedures financieren om vervolgens bijvoorbeeld aanspraak te maken op een aandeel in de toegewezen schadevergoeding; een en ander mag de lidstaten niet beletten voorwaarden te stellen aan of richtsnoeren te geven voor de financiering van schadevergoedingsprocedures;

21.

stelt voor dat, mocht de Commissie met een voorstel voor een horizontaal kader voor collectief verhaal komen, daarvoor in beginsel een vervolgbeleid wordt vastgesteld waarbij particuliere afdwinging op grond van collectieve verhaalmechanismen kan worden ingesteld, wanneer er sprake is van een voorafgaand niet-nalevingsbesluit van de Commissie of van een nationale mededingingsautoriteit; merkt op dat het in principe toestaan van vervolgvorderingen in de regel niet uitsluit dat er zowel losstaande als vervolgvorderingen kunnen worden ingeleid;

22.

verzoekt de Commissie naar wegen te zoeken om de consument bewuster te maken van de beschikbaarheid van collectieve verhaalmechanismen en de samenwerking tussen voor de inleiding van collectieve vorderingen bevoegde entiteiten te vergemakkelijken; wijst in dit opzicht op de bepalende rol die consumentenorganisaties en de Europese centra voor de consument (ECC-Net) kunnen spelen om dergelijke informatie aan zoveel mogelijk gelaedeerden van overtredingen van EU-wetgeving te verstrekken;

23.

beklemtoont dat vele van de door de Commissie vastgestelde schendingen van het EU-consumentenrecht de roep om meer dwangmaatregelen tot rechtsherstel rechtvaardigen (10), doch beseft dat dat ontoereikend is wanneer gelaedeerden schade hebben geleden en recht op vergoeding hebben; verzoekt de Commissie de EU-wetgeving in kaart te brengen waar dwangmaatregelen tot rechtsherstel niet tot nauwelijks haalbaar zijn;

24.

is van oordeel dat dit moet gebeuren ten einde de gebieden te identificeren waarop het horizontale kader kan voorzien in collectieve dwangmaatregelen tot rechtsherstel bij overtreding van deze wetgeving alsook bij schending van de EU-mededingingsregels; wenst dat de relevante EU-wetgeving in een bijlage bij het horizontale instrument wordt opgenomen;

Alternatieve geschillenbeslechting (ADR)

25.

merkt op dat mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting vaak afhankelijk zijn van de bereidheid tot medewerking van de handelaar en is van oordeel dat een doeltreffend juridisch verhaalsysteem een sterke prikkel voor de partijen kan vormen om hun geschil buitengerechtelijk te schikken, waardoor een aanzienlijk aantal zaken zonder tussenkomst van de rechter zou kunnen worden opgelost; spoort aan tot de invoering van ADR-regelingen op Europees niveau zodat geschillen snel en op goedkope wijze kunnen worden beslecht en daardoor een aantrekkelijker optie dan gerechtelijke procedure zullen vormen en stelt voor dat de rechters die de voorafgaande ontvankelijkheidstoets voor een collectieve vordering uitvoeren tevens de bevoegdheid krijgen om partijen te verplichten eerst naar een voor alle partijen bevredigende oplossing te zoeken alvorens een collectieve schadevergoedingsactie voor de rechtbank in te stellen; is van oordeel dat de door het Hof vastgestelde criteria (11) een goed uitgangspunt vormen voor het invoeren van deze bevoegdheid; benadrukt echter dat dergelijke mechanismen, zoals de naam het al aangeeft, alleen bij wijze van alternatief voor een gerechtelijke verhaalprocedure mogen worden ingezet, en daarvoor geen voorwaarde mogen vormen;

Rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk recht

26.

onderstreept dat in het horizontale kader regels moeten worden opgenomen om "forum shopping" te voorkomen zonder dat de toegang tot de rechter in het gedrang komt en dat Brussel I als uitgangspunt moet dienen om vast te stellen welke rechtbank bevoegd is;

27.

wenst dat verder wordt onderzocht hoe de collisieregels kunnen worden gewijzigd; meent dat één oplossing eruit bestaat de wettelijke voorschriften toe te passen van het land waar de meeste gelaedeerden woonachtig zijn, met dien verstande dat individuele gelaedeerden het recht moeten behouden niet aan de collectieve vordering deel te nemen, doch in plaats daarvan zelf een eis tot schadevergoeding kunnen instellen, overeenkomstig de algemene regels van het internationaal privaatrecht zoals bedoeld in de verordeningen Brussel I, Rome I en Rome II;

28.

benadrukt dat ingevolge het arrest van het Hof in Zaak C-360/09, Pfleiderer, de Commissie erop moet toezien dat collectief verhaal niet ten koste gaat van de effectiviteit van het in het kader van het mededingingsrecht gehanteerde clementiebeleid, noch van de afwikkelingsprocedure;

Gewone wetgevingsprocedure

29.

dringt erop aan dat het Europees Parlement in het kader van de gewone wetgevingsprocedure wordt betrokken bij alle wetsvoorstellen inzake collectieve dwangmaatregelen tot rechtsherstel en dat alle voorstellen dienaangaande op een gedetailleerde effectbeoordeling worden gebaseerd;

*

* *

30.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de sociale partners op EU-niveau.


(1)  PB L 110 van 1.5.2009, blz. 30.

(2)  PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 161.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0023.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0449.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0361.

(6)  Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1); Verordening (EG) nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399 van 30.12.2006, blz. 1); Verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 15).

(7)  Richtlijn 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3).

(8)  Wal-Mart Stores Inc. v. Dukes et al. 564 U. S. xxx (2011).

(9)  PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1.

(10)  Studie over de problemen waarmee de consument wordt geconfronteerd bij het halen van verhaal in geval van overtredingen van de wetgeving inzake consumentenbescherming en de economische gevolgen van zulke problemen, Deel I, Hoofdverslag, 26 augustus 2008, blz. 21 e.v.

(11)  Arrest van 18 maart 2010 in de gevoegde zaken C-317/08, C-318/08, C-319/08 en C-320/08, Alassini, nog niet in de Jurisprudentie gepubliceerd.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/39


Donderdag 2 februari 2012
Voedingsclaims

P7_TA(2012)0022

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen

2013/C 239 E/06

Het Europees Parlement,

gezien Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (1),

gezien het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen,

gezien het advies dat het in artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1924/2006 bedoelde comité op 13 oktober 2011 heeft uitgebracht,

gezien de richtsnoeren van de Commissie inzake de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1924/2006 die het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid op 14 december 2007 (2) heeft goedgekeurd,

gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten (3),

gezien artikel 5 bis, lid 3, onder b), van Besluit van de Raad 1999/468/EG van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (4),

gelet op artikel 88, lid 2 en lid 4, onder b), van zijn Reglement,

A.

overwegende dat overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 gebruikte voedings- en gezondheidsclaims niet onjuist, dubbelzinnig of misleidend mogen zijn;

B.

overwegende dat in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 is bepaald dat voedings- en gezondheidsclaims alleen mogen worden gebruikt als kan worden aangenomen dat de gemiddelde consument de heilzame effecten die in de claim worden beschreven, begrijpt;

C.

overwegende dat in artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 staat dat vergelijkende voedingsclaims de samenstelling van het betrokken levensmiddel vergelijken met die van een reeks levensmiddelen van dezelfde categorie, met inbegrip van levensmiddelen van andere merken;

D.

overwegende dat overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1169/2011 voedselinformatie voor de consument niet misleidend mag zijn ten aanzien van de aard, de eigenschappen en de kenmerken van levensmiddelen;

E.

overwegende dat, gezien de hierboven genoemde beginselen die ten grondslag liggen aan de keuze van toegestane voedingsclaims voor levensmiddelen, de nieuwe voedingsclaim die de Commissie voor opneming in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1924/2006 voorstelt, namelijk "het product bevat nu X% minder [nutriënt]", haaks staat op het doel en de inhoud van het basisinstrument, omdat deze claim dubbelzinnig, misleidend en verwarrend voor de gemiddelde consument is;

F.

overwegende dat de nieuwe claim "het product bevat nu X% minder [nutriënt]" is strijd is met het beginsel van vergelijkende claims, zoals verankerd in artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1924/2006; overwegende dat deze claim het mogelijk maakt de voedingswaarden van een product met een eerdere versie van dat product te vergelijken, ongeacht het uitgangsniveau voor de betreffende nutriënt, dat wellicht buitensporig hoog is in vergelijking met andere producten op de markt; overwegende dat producten waarvan de samenstelling niet is gewijzigd, maar die toch minder van een nutriënt bevatten dan een wel opnieuw geformuleerd product van een ander merk, niet van een voedingsclaim mogen worden voorzien, hetgeen onvermijdelijk misleidend voor de consument is;

G.

overwegende dat de claim "het product bevat nu X% minder [nutriënt]" tot oneerlijke concurrentie zou kunnen leiden met bestaande claims als "verlaagd gehalte aan [nutriënt]" en "light/lite"; overwegende dat een product voor laatstgenoemde claim ten minste 10% minder micronutriënten, 25% minder natrium of 30% minder suikers/vetten moet bevatten dan andere soortgelijke producten; overwegende dat een consument ervan zou kunnen uitgaan dat de gekwantificeerde vermelding in de claim "het product bevat nu X% minder [nutriënt]" een grotere verlaging inhoudt dan gesuggereerd met de claim "verlaagd gehalte aan [nutriënt]" of "light", hoewel voor deze claims veel strengere eisen worden gesteld dan voor de claim "het product bevat nu X% minder [nutriënt]", waarvoor een minimumverlaging met slechts 15% vereist is;

H.

overwegende dat de claim "het product bevat nu X% minder [nutriënt]" het voor producenten minder aantrekkelijk zou kunnen maken om de samenstelling van hun producten ingrijpender te wijzigen om te voldoen aan de vereisten voor de claims "verlaagd gehalte aan [nutriënt]" of "light", omdat het gemakkelijker is het gehalte aan een nutriënt met 15% te verlagen dan met 30%;

I.

overwegende dat de Commissie in overweging 4 van de ontwerpmaatregel duidelijk erkent dat "wanneer het gehalte aan suikers wordt verlaagd, (…) de consumenten een verlaging van de energie" verwachten; overwegende dat de Commissie met de voorgestelde wijziging in de claim "verlaagd gehalte aan vetten/suikers" in punt 2 van de bijlage bij de ontwerpmaatregel ook wil toestaan dat deze claim wordt gebruikt wanneer de hoeveelheid energie in het product waarvoor de claim wordt gedaan, nog steeds "gelijk is aan" de hoeveelheid energie in een soortgelijk product;

1.

verzet zich tegen goedkeuring van het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1924/2006 wat betreft de lijst van voedingsclaims;

2.

is van mening dat het ontwerp van verordening van de Commissie niet verenigbaar is met het doel en de inhoud van het basisinstrument;

3.

verzoekt de Commissie een gewijzigd ontwerp van maatregelen aan het comité voor te leggen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.

(2)  http://ec.europa.eu/food/food/labellingnutrition/claims/guidance_claim_14-12-07.pdf

(3)  PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.

(4)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/41


Donderdag 2 februari 2012
Conclusies van de informele bijeenkomst van de Europese Raad van 30 januari 2012

P7_TA(2012)0023

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de Europese Raad van 30 januari 2012

2013/C 239 E/07

Het Europees Parlement,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 30 januari 2012,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 9 en 10 december 2011,

gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 9 december 2011,

gezien het standpunt van de Britse regering,

gezien het "sixpack" en de twee Commissievoorstellen voor verdere versterking van de begrotingsdiscipline (1),

gezien de verklaring die de voorzitter van de Commissie heeft afgelegd op haar vergadering van 18 januari 2012,

gezien de uitkomst van de onderhandelingen in de ad hoc-eurowerkgroep en de eurogroep,

gezien de noodzaak om de eenheid te bewaren tussen partijen die wel en partijen die niet bij de eurozone zijn aangesloten,

gezien de inbreng die het Parlement via zijn vertegenwoordigers heeft gehad in de ad hoc-werkgroep,

gezien zijn resolutie van 18 januari 2012 over de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad (8-9 december 2011) over een ontwerp van internationale overeenkomst over een unie van begrotingsstabiliteit (2),

gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

1.

bekrachtigt zijn resolutie van 18 januari 2012 en neemt tegelijk kennis van de definitieve tekst van de overeenkomst over stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie en herhaalt zijn opvatting dat het beter zou zijn geweest als een akkoord in het kader van het EU-recht tot stand was gekomen; betreurt het dat als gevolg van de bezwaren van de Britse premier geen akkoord tussen alle lidstaten kon worden bereikt;

2.

merkt evenwel op dat vrijwel alle onderdelen van de nieuwe overeenkomst kunnen worden verwezenlijkt, en ook al grotendeels zijn verwezenlijkt binnen het bestaande rechtskader van de EU en via secundaire wetgeving, met uitzondering van de gulden regel, de omkering van het beginsel van stemming met gekwalificeerde meerderheid en de inschakeling van het Europees Hof van Justitie;

3.

is van mening dat de definitieve tekst op diverse punten een verbetering inhoudt ten opzichte van de oorspronkelijke tekst en dat een aantal van de door het Parlement voorgestelde wijzigingen erin is opgenomen, met name:

een toezegging dat de Gemeenschapsmethode volledig zal worden toegepast;

dat ten aanzien van stabiliteit, coördinatie en bestuur secundaire wetgeving zal worden vastgesteld, waarbij het Parlement ten volle wordt betrokken;

een grotere, zij het onvolledige coherentie tussen het "sixpack" en de nieuwe overeenkomst;

erkenning van het recht van de overeenkomstsluitende partijen die niet de euro als munt hebben, om deel te nemen aan de onderdelen van de eurotoppen waar het gaat om concurrentievermogen, de globale opzet van de eurozone en de fundamentele regels die daarvoor in de toekomst zullen gelden;

dat gepland is dat het Europees Parlement en de nationale parlementen op een onderling overeengekomen basis en in overeenstemming met het Verdrag zullen samenwerken;

toevoeging van een verwijzing naar de doelstellingen duurzame groei, werkgelegenheid, concurrentievermogen en sociale samenhang;

een toezegging dat de inhoud van de overeenkomst binnen vijf jaar wordt opgenomen in het rechtskader van de EU;

4.

erkent dat begrotingsstabiliteit een belangrijk onderdeel vormt bij het bestrijden van de huidige crisis; stelt evenwel met klem dat economisch herstel maatregelen vereist die de solidariteit versterken en duurzame groei en de werkgelegenheid bevorderen; juicht het toe dat de Europese Raad dit inmiddels erkent, maar wijst op de noodzaak van concrete, vergaande maatregelen;

5.

herhaalt zijn oproep om op korte termijn een aflossingsfonds in het leven te roepen, uitgaande van het voorstel van de Duitse Raad van economische deskundigen; dringt aan op opneming van de wetgeving die nodig is om een aflossingsfonds op te zetten, bij voorkeur in het kader van het lopende wetgevingsproces over het "twopack"; betreurt het dat daartoe nog geen stappen zijn ondernomen; verzoekt de Commissie met krachtige maatregelen te komen ter bevordering van de groei en de werkgelegenheid;

6.

verzoekt nu, als vervolg op de reeks maatregelen om begrotingsstabiliteit te garanderen, om invoering van projectobligaties, een routekaart voor stabiliteitsobligaties en de invoering van een belasting op financiële transacties op Europees niveau, waarvoor de Commissie al een voorstel heeft gedaan;

7.

wijst er voorts op dat in de nieuwe overeenkomst enkele andere belangrijke onderdelen ontbreken:

voorkomen moet worden dat er discrepanties ontstaan tussen de normen in de overeenkomst en die in het Verdrag van Lissabon en het acquis communautaire;

alle bij de overeenkomst aangesloten partijen, huidige en toekomstige leden van de eurozone, dienen hetzelfde recht te hebben op volwaardige deelname aan alle eurotoppen;

8.

betreurt het dat het verzoek van het Parlement om volwaardige deelname van zijn Voorzitter aan informele eurotoppen, in de definitieve tekst niet is gehonoreerd; staat erop dat door de volgende voorzitter van de eurotoppen altijd een uitnodiging wordt verstuurd met het oog op volwaardige deelname;

9.

dringt erop aan dat de overeenkomstsluitende partijen zich geheel houden aan hun toezegging om het verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur binnen maximaal vijf jaar in de EU-Verdragen te integreren, en wenst dat bij die gelegenheid de resterende zwakke punten in het Verdrag van Lissabon worden aangepakt;

10.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de staatshoofden en regeringsleiders, de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de eurogroep, de nationale parlementen, de Commissie en de Europese Centrale Bank.


(1)  Verordening betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten (COM(2011)0819) en Verordening betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen (COM(2011)0821).

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0002.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/43


Donderdag 2 februari 2012
Iran en zijn nucleaire programma

P7_TA(2012)0024

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over Iran en zijn nucleaire programma

2013/C 239 E/08

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Iran,

gezien de verklaring van 22 januari 2011 van de hoge vertegenwoordiger van de EU namens de E3+3-landen naar aanleiding van de besprekingen met Iran in Istanbul op 21 en 22 januari 2011,

gezien de brief van 21 oktober 2011 van de hoge vertegenwoordiger van de EU aan Saeed Jalili, secretaris van de Hoge Raad voor de nationale veiligheid van de Islamitische Republiek Iran,

gezien het rapport van de directeur-generaal van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) van 8 november 2011 over de tenuitvoerlegging van de waarborgovereenkomst van het NPV en de desbetreffende bepalingen van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad in de Islamitische Republiek Iran,

gezien de resolutie van de raad van bestuur van het IAEA van 18 november 2011,

gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de EU van 18 november 2011 over de resolutie van de raad van bestuur van het IAEA,

gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de EU van 29 november 2011 over de bestorming en plundering van de Britse ambassade te Teheran,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 9 december 2011,

gezien de conclusies van de Raad van 14 november 2011, 1 december 2011 en 23 januari 2012 over Iran,

gezien de toezeggingen van Iran in het kader van het Verdrag ter voorkoming van de verspreiding van kernwapens (non-proliferatieverdrag, NPV), en gezien het feit dat alle landen die partij zijn bij het NPV al hun verplichtingen volledig moeten nakomen, maar ook het recht hebben om overeenkomstig artikel I en II van het NPV voor vreedzame doeleinden en zonder discriminatie onderzoek te doen naar kernenergie en kernenergie te produceren en te gebruiken,

gezien de aanbeveling van zijn Commissie buitenlandse zaken aan de Raad betreffende een consistent beleid ten aanzien van regimes waartegen de EU restrictieve maatregelen hanteert, wanneer hun leiders binnen de grenzen van de EU gebruik maken van hun persoonlijke en commerciële belangen,

gezien artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Iran met de ratificatie van het NPV het bezit van kernwapens heeft afgezworen en wettelijk verplicht is om al zijn nucleaire activiteiten en kernmateriaal te melden bij en onder toezicht te stellen van het IAEA;

B.

overwegende dat Iran nog altijd moet voldoen aan zijn verplichtingen in het kader van alle desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, waarvan resolutie 1929 (2010) de meest recente is, en aan alle eisen van de raad van bestuur van het IAEA, die neerkomen op onbeperkte en onvoorwaardelijke toegang van het agentschap tot alle locaties, al het materiaal, alle mensen en documenten, zodat het Iraanse kernprogramma werkelijk kan worden gecontroleerd en het IAEA zijn rol als nucleaire toezichthouder kan vervullen;

C.

overwegende dat in het IAEA-rapport van november 2011 "ernstige bezorgdheid wordt geuit ten aanzien van de mogelijke militaire dimensies van het kernprogramma van Iran", aangezien "bepaalde activiteiten" die "van belang zijn voor de ontwikkeling van een nucleair explosief" "wellicht nog worden voortgezet";

D.

overwegende dat de Iraanse vicepresident, Reza Rahimi, op 27 december 2011 heeft gedreigd de Straat van Hormuz met militaire middelen af te sluiten als er sancties worden uitgevaardigd tegen de olie-export van Iran; overwegende dat er in antwoord op deze dreiging extra Europese en Amerikaanse marine-eenheden zijn ingezet, en de strijdkrachten overal in de regio in hoge staat van paraatheid zijn gebracht;

E.

overwegende dat Iran heimelijk een verrijkingsinstallatie in Fordow nabij Qom heeft gebouwd en dit pas lang na het begin van de bouw bij de IAEA heeft gemeld, waarmee het zijn verplichtingen uit hoofde van het NPV niet is nagekomen; overwegende dat een dergelijke heimelijke aanpak het vertrouwen in de Iraanse garanties over het louter civiele karakter van zijn kernprogramma verder ondermijnt;

F.

overwegende dat de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Ahmet Davutoğlu, op 5 januari 2012 een uitnodiging van de hoge vertegenwoordiger van de EU om de nucleaire gesprekken met de E3+3 te hervatten, aan Iran heeft overgebracht; overwegende dat de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Ali Akbar Salehi, tijdens het bezoek van de Turkse minister van Buitenlandse Zaken heeft verklaard dat Iran bereid is de gesprekken te hervatten;

G.

overwegende dat de EU-ministers van Buitenlandse Zaken hebben besloten tot bijkomende restrictieve maatregelen tegen Iran in de energiesector, inclusief een gefaseerd embargo op de invoer van Iraanse aardolie in de EU, in de financiële sector, onder meer tegen de Centrale Bank van Iran, en in de vervoerssector, alsook tot verdere uitvoerbeperkingen, met name wat betreft goud en gevoelige goederen en technologie voor tweeërlei gebruik, en tot toevoeging van verdere personen en entiteiten op de EU-lijst, waaronder verscheidene die onder zeggenschap van het Korps van de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) staan;

H.

overwegende dat de Raad nogmaals heeft bevestigd zich in te zetten voor een diplomatieke oplossing van het Iraanse nucleaire probleem overeenkomstig de tweesporenaanpak;

I.

overwegende dat de Raad opnieuw heeft bevestigd dat de EU blijft streven naar een alomvattende regeling op lange termijn die internationaal vertrouwen wekt in het uitsluitend vreedzame karakter van het nucleaire programma van Iran en tegelijk het legitieme recht van Iran op vreedzaam gebruik van kernenergie overeenkomstig het NPV eerbiedigt;

1.

herhaalt dat het proliferatiegevaar in verband met het Iraanse nucleaire programma nog steeds een bron is van grote bezorgdheid voor de EU, en is diep verontrust over de volgens het IAEA-verslag plausibele informatie die "erop wijst dat Iran activiteiten heeft ontplooid die van belang zijn voor de ontwikkeling van een nucleair explosief";

2.

betreurt ten zeerste de opvoering van de verrijkingsactiviteiten van Iran in weerwil van zes resoluties van de VN-Veiligheidsraad en elf resoluties van de raad van bestuur van het IAEA, hetgeen blijkt uit de onlangs begonnen werkzaamheden in verband met uraniumverrijking tot 20% in de ondergrondse faciliteit in Fordow nabij Qom;

3.

herhaalt zijn verzoek aan Iran om de ontwikkeling van verrijkingstechnologie stop te zetten die veel verder gaat dan wat nodig is om de brandstofvoorziening voor civiele doeleinden te waarborgen en de internationale bezorgdheid over clandestiene militaire bedoelingen negeert;

4.

onderschrijft de door de Raad aangenomen bijkomende restrictieve maatregelen tegen Iran in zowel de energie- als de financiële sector, alsook de extra sancties tegen personen en entiteiten, waaronder verscheidene die onder zeggenschap van het Korps van de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) staan; erkent dat sancties en diplomatieke maatregelen kunnen helpen om de Iraanse regering de VN-resoluties te doen aanvaarden en eerbiedigen en zo een verdere escalatie te voorkomen; merkt op dat de sancties geen doel op zich zijn en dat de sancties van de EU tegen Iran tot dusverre het beoogde doel niet hebben bereikt;

5.

herhaalt het standpunt dat de EU al lang inneemt, namelijk dat de openstaande kwesties met betrekking tot het Iraanse kernprogramma vreedzaam moeten worden opgelost en dat er geen militaire oplossing voor het conflict bestaat;

6.

wijst erop dat het embargo op de uitvoer van Iraanse aardolie naar de EU gefaseerd zal gelden, en dat reeds afgesloten contracten nog tot 1 juli 2012 kunnen worden nagekomen; vraagt de Raad te beslissen over de maatregelen die nodig zijn om de consequenties van het embargo voor de verschillende lidstaten op te vangen;

7.

dringt erop aan alleen sancties of restrictieve maatregelen toe te passen die gericht zijn op en in verhouding staan tot het nagestreefde doel, en tot doel hebben pressie uit te oefenen hoofdzakelijk op de verantwoordelijke kopstukken van repressieve of misdadige regimes en de verantwoordelijke niet-gouvernementele actoren van mislukte staten, en daarbij de negatieve gevolgen voor de burgerbevolking, met name de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, zoveel mogelijk te beperken;

8.

steunt de Raad in zijn streven naar een diplomatieke oplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie volgens de tweesporenbenadering, en de doelstelling van de EU om tot een alomvattende regeling te komen voor de lange termijn; roept de Iraanse autoriteiten op positief te reageren op het aanbod van inhoudelijke onderhandelingen, zoals vervat in de brief van de hoge vertegenwoordiger van de EU van 21 oktober 2011, door duidelijke bereidheid te tonen om vertrouwenwekkende maatregelen te entameren en - zonder voorwaarden vooraf - zinvolle gesprekken te beginnen om de bestaande zorgen omtrent de nucleaire kwestie serieus te bespreken;

9.

dringt er bij de Iraanse autoriteiten nogmaals op aan de verplichtingen van Iran in het kader van het NPV na te komen; dringt er bij de regering en het parlement van Iran op aan het Aanvullend Protocol te ratificeren en ten uitvoer te leggen en de bepalingen van de alomvattende waarborgovereenkomst (Comprehensive Safeguard Agreement) volledig te implementeren;

10.

juicht het toe dat Iran ermee heeft ingestemd een hoge IAEA-delegatie voor inspecties onder leiding van plaatsvervangend directeur-generaal Herman Nackaerts van 29 tot 31 januari 2012 te ontvangen;

11.

dringt er met klem op aan dat Iran ten volle met het IAEA samenwerkt bij alle openstaande kwesties, met name waar deze aanleiding geven tot bezorgdheid over de mogelijke militaire dimensies van het Iraanse kernprogramma, onder meer door onverwijld volledige en onvoorwaardelijke toegang te verlenen tot alle locaties, uitrusting, personen en documenten waarom het IAEA verzoekt, en geen bezwaar maakt tegen de benoeming van inspecteurs; benadrukt dat het belangrijk is te waarborgen dat het IAEA over alle nodige middelen en het gezag beschikt om zijn werkzaamheden in Iran te verrichten;

12.

ondersteunt de inspanningen van het IAEA om toezicht te houden op het Iraanse nucleaire programma om de internationale gemeenschap een nauwkeurig beeld van de situatie te geven;

13.

onderkent dat de dialoog en de samenwerking met Turkije een belangrijke rol kunnen spelen bij het bereiken van een regeling;

14.

spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de Iraanse dreiging met afsluiting van de Straat van Hormuz; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan van een blokkade van de Straat van Hormuz af te zien; meent dat een dergelijke stap zou kunnen leiden tot een regionaal conflict en vergeldingsmaatregelen van de internationale gemeenschap zou kunnen uitlokken;

15.

betreurt de permanente weigering van China en Rusland in de VN-Veiligheidsraad om sancties tegen Iran te steunen; doet een beroep op Rusland om zijn hulp voor de nucleaire ontwikkeling in Iran te staken zolang Iran niet volledig aan zijn verplichtingen krachtens de desbetreffende VN-resoluties voldoet;

16.

spreekt zijn scherpe veroordeling uit over de bestorming van de Britse ambassade in Teheran op 29 november 2011; roept de Iraanse regering op zijn internationale verplichtingen, waaronder het verdrag van Wenen, na te leven en buitenlandse diplomaten en ambassades te beschermen;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Turkije, de regering en het parlement van de Volksrepubliek China, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de directeur-generaal van het IAEA, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en het kabinet van de hoogste leider en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/46


Donderdag 2 februari 2012
De Europese dimensie van de sport

P7_TA(2012)0025

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de Europese dimensie van de sport (2011/2087(INI))

2013/C 239 E/09

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 18 januari 2011 met de titel "Ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport" (COM(2011)0012),

gezien het door de Commissie ingediende Witboek Sport (COM(2007)0391),

gezien de mededeling van de Commissie over "Corruptiebestrijding in de EU" (COM(2011)0308),

gezien de Europese Overeenkomst inzake gewelddadigheden gepleegd door en wangedrag van toeschouwers rond sportevenementen van 19 augustus 1985 en de Overeenkomst ter bestrijding van doping van de Raad van Europa van 19 augustus 1990,

gezien zijn resolutie van 5 juni 2003 over vrouwen en sport (1),

gezien zijn resolutie van 22 april 2004 over de eerbiediging van de fundamentele arbeidsrechten bij de productie van sportartikelen voor de Olympische Spelen (2),

gezien zijn resolutie van 14 april 2005 over doping in de sport (3),

gezien zijn verklaring van 14 maart 2006 over de aanpak van racisme in het voetbal (4),

gezien zijn resolutie van 15 maart 2006 over gedwongen prostitutie in het kader van internationale sportevenementen (5),

gezien zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van het beroepsvoetbal in Europa (6),

gezien zijn resolutie van 13 november 2007 over de rol van sport in het onderwijs (7),

gezien zijn resolutie van 8 mei 2008 over het witboek over sport (8),

gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie (9),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2009 over de integriteit van online gokken (10),

gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over het vijfde cohesieverslag van de Commissie en de strategie voor het cohesiebeleid na 2013 (11),

gezien zijn verklaring van 16 december 2010 over meer steun aan de amateursporten (12),

gezien Beschikking 2010/37/EG van de Raad van 27 november 2009 over het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk ter bevordering van actief burgerschap (2011),

gezien de conclusies van de Raad van 18 november 2010 over de rol van sport als bron en motor van actieve sociale insluiting (13),

gezien de conclusies van de Raad van 17 juni 2010 over de nieuwe strategie voor groei en werkgelegenheid,

gezien de resolutie van de Raad van 1 juni 2011 over een werkplan van de Europese Unie voor sport voor 2011-2014 (14),

gezien de Verklaring van Punta de l'Este van december 1999 en op de rondetafelbijeenkomst van de Unesco over traditionele sporten en spelen (TSG) (15), over de erkenning van traditionele sporten en spelen als onderdeel van een onaantastbaar erfgoed en een symbool van culturele verscheidenheid,

gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Gerecht alsook de beschikkingen van de Commissie op het gebied van sport,

gezien het Europees Handvest van vrouwenrechten in de sport (Jump in Olympia – Strong(er) Women through Sport),

gezien het handvest voor actie ter beëindiging van discriminatie jegens lesbiennes, homo's, biseksuelen en transseksuelen in de sport,

gezien de artikelen 6, 19 en 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 11-12 oktober 2011 (16) en het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26-27 oktober 2011 met de titel "Ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport" (17),

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie juridische zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0385/2011),

A.

overwegende dat sport bijdraagt aan de verwezenlijking van strategische doelstellingen van de Unie, dat sport fundamentele pedagogische en culturele waarden van de Unie op de voorgrond stelt en een wapen in de strijd voor integratie is, aangezien sport gericht is op alle burgers, onafhankelijk van hun geslacht, etnische afkomst, godsdienst, leeftijd, nationaliteit, sociale omstandigheden of seksuele geaardheid;

B.

overwegende dat de specifieke aard van sport doorslaggevend moet zijn in het oordeel van het EHvJ en de besluiten van de Commissie in sportzaken;

C.

overwegende dat alle belanghebbenden, met inbegrip van beleidsmakers, rekening moeten houden met de specifieke kenmerken van sport, haar op vrijwilligerswerk berustende structuren en haar sociale en educatieve functie;

D.

overwegende dat het geheel van eigen, essentiële kenmerken van de sector sport deze sector een specifiek karakter verleent, waarmee sport zich onderscheidt van alle andere sectoren, waaronder economische activiteiten; overwegende dat sport waar dit passend en noodzakelijk is en in bepaalde individuele gevallen evenwel onderworpen dient te zijn aan Europese wetgeving;

E.

overwegende dat bij het EU-optreden op sportgebied steeds rekening moet worden gehouden met de bijzondere kenmerken van sport en haar maatschappelijke, opvoedkundige en culturele aspecten;

F.

overwegende dat sport volgens het Verdrag van Lissabon een bevoegdheid is van de EU die erop gericht is de eerlijkheid en de openheid van sportcompetities en de samenwerking tussen de verantwoordelijke sportorganisaties te bevorderen en de fysieke en morele integriteit van sportlieden te beschermen door de sociale, culturele, economische en gezondheidsvoordelen van sport te vergroten, en die adequate financiële en beleidssteun vergt;

G.

overwegende dat sport een geweldige bijdrage levert tot positieve waarden zoals eerlijk spel, respect en maatschappelijke integratie;

H.

overwegende dat miljarden mensen over de hele wereld sporten beoefenen die in Europa zijn bedacht, van spelregels voorzien en verspreid, en merkt voorts op dat de moderne Olympische beweging in Frankrijk in het leven is geroepen door baron Pierre De Coubertin;

I.

overwegende dat er een sportbeleid van de EU moet worden ontwikkeld dat zich richt op de verwezenlijking en ondersteuning van de algemene en specifieke doelstellingen van de beroeps- en amateursport;

J.

overwegende dat steun aan en bevordering van sport voor mensen met een geestelijke of lichamelijke handicap voor de EU voorrang zou moeten hebben, gezien de belangrijke rol die sport speelt bij de waarborging van maatschappelijke integratie, volksgezondheid en grensoverschrijdend vrijwilligerswerk;

K.

overwegende dat vrijwilligerswerk de hoeksteen vormt van de meeste amateursport in Europa;

L.

overwegende dat 35 miljoen vrijwilligers bijdragen aan de ontwikkeling van de amateurport en de verbreiding van sportieve idealen, daarbij bijgestaan door sportclubs en non-profit sportorganisaties;

M.

overwegende dat sport dankzij haar rol in het formele en niet-formele onderwijs bepalend is voor de gezondheid van burgers in onze moderne samenleving, een essentieel element is van goed onderwijs, en goed is voor de zelfontplooiing van ouderen;

N.

overwegende dat de bevordering van lichaamsbeweging en sport leidt tot aanzienlijke besparingen op de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg;

O.

overwegende dat burgers sport en andere lichamelijke activiteiten beoefenen om hun persoonlijke gezondheid en welzijn te verbeteren;

P.

overwegende dat het gebruik van doping in de sport in strijd is met de met de waarden van sport en sporters blootstelt aan ernstige gevaren en leidt tot ernstige blijvende gezondheidsschade;

Q.

overwegende dat topsport bepaalde fundamentele waarden van de sport extra benadrukt en inspirerend werkt voor de maatschappij omdat ook andere mensen daardoor tot sporten worden aangezet;

R.

overwegende dat veel topsporters aan het einde van hun sportcarrière een onzekere toekomst tegemoet gaan;

S.

overwegende dat het belangrijk is sporters voor te bereiden op een loopbaanverandering door ze naast hun sportopleiding ook algemeen onderwijs of een beroepsopleiding te laten volgen;

T.

overwegende dat de grondrechten van sporters gewaarborgd en beschermd moeten worden;

U.

overwegende dat tijdens sportcompetities sprake kan zijn van verbaal of fysiek geweld of van discriminerende uitingen;

V.

overwegende dat sportbeoefening door vrouwen niet voldoende gewaardeerd wordt en dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de besluitvormingsorganen van sportorganisaties;

W.

overwegende dat er voor sportactiviteiten specifieke en passende faciliteiten, materiaal en apparaten nodig zijn en dat ook scholen moeten beschikken over geschikte faciliteiten om lichamelijke opvoeding te bevorderen;

X.

overwegende dat sport een belangrijke plaats inneemt in de Europese economie in die zin dat hier direct of indirect ongeveer 15 miljoen banen mee gemoeid zijn, dat wil zeggen 5,4% van de beroepsbevolking, en een jaarlijkse toegevoegde waarde van rond de 407 miljard EUR, ofwel 3,65% van het Europese bbp, en dat een economisch sterke sportsector aldus bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

Y.

overwegende dat de schending van de intellectuele-eigendomsrechten van sportorganisaties en digitale piraterij, met name het zonder toestemming rechtsreeks uitzenden van sportevenementen, de economie van de hele sportsector in het gedrang brengt;

Z.

overwegende dat sport anders werkt dan andere economische sectoren doordat de tegenstanders van elkaar afhankelijk zijn en door het wedstrijdevenwicht dat noodzakelijk is om de uitslagen onvoorspelbaar te houden;

AA.

overwegende dat sport zich niet gedraagt als een typische economische bedrijvigheid door haar specifieke kenmerken en haar organisatorische opzet die steunt op bonden die anders functioneren dan commerciële bedrijven, en dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen sportief belang en commercieel belang;

AB.

overwegende dat de Europese sociale dialoog een belangrijke rol kan spelen en daarom bevorderd dient te worden;

AC.

overwegende dat sport een belangrijke rol speelt voor en vreugde schenkt aan tal van burgers als deelnemers, supporters of toeschouwers;

AD.

overwegende dat grote sportevenementen en -toernooien zeer goede kansen bieden voor het benutten van mogelijkheden om het toerisme in Europa te ontwikkelen en dat op die manier een bijdrage kan worden geleverd aan de verbreiding van de waarden en beginselen die inherent zijn aan sport;

AE.

overwegende dat het Europese sportmodel berust op een bond per sportdiscipline en dat de mechanismen voor sportieve en financiële solidariteit, zoals het beginsel van promotie en degradatie en van open competities waarin clubs en nationale teams naast elkaar bestaan, worden gekenmerkt door een autonome, democratische, territoriale en piramidevormige organisatie, voortkomend uit een lange democratische traditie;

AF.

overwegende dat de transparantie en de democratische controleerbaarheid bij sportclubs kan worden verbeterd door supporters te betrekken bij de eigendom en bestuursstructuur van hun club;

AG.

overwegende dat traditionele en amateursportorganisaties een sleutelrol vervullen bij versteviging van cultuur, bevordering van maatschappelijke integratie en consolidatie van gemeenschappen;

AH.

overwegende dat de nationale ploegen een essentiële rol spelen, dat internationale competities een referentiemodel moeten blijven en dat moet worden opgetreden tegen opportunistische naturalisaties;

AI.

overwegende dat de eigen aard van competities tussen nationale ploegen met zich meebrengt dat de bonden en de sportclubs de opleiding van nationale sporters kunnen verbeteren;

AJ.

overwegende dat zowel de professionele als de amateursport kwetsbaar is voor en ernstig te lijden heeft onder financiële instabiliteit, en dat het de taak van de betrokken bonden is de clubs aan te sporen tot goed plannen en verantwoord investeren;

AK.

overwegende dat internationale transfers voor jonge sporters gevaarlijk kunnen zijn omdat het te vroeg uit huis gaan van jonge sporters onder meer mislukking op sportief gebied, gezinsontwrichting en maatschappelijke buitensluiting tot gevolg kan hebben;

AL.

overwegende dat de sportbonden niet beschikken over de structurele en wettelijke middelen om op efficiënte wijze op te treden tegen wedstrijdvervalsing;

AM.

overwegende dat gokdiensten wegens hun specifieke karakter niet vallen onder het toepassingsgebied van de dienstenrichtlijn (2006/123/EG) en de nieuwe richtlijn inzake consumentenrechten (2011/83/EU);

AN.

overwegende dat de amateursport alleen over de nodige financiële middelen kan beschikken als de houders van de noodzakelijke nationale gokvergunningen, die belasting betalen en andere algemeen nuttige voorzieningen in de lidstaten financieren, wettelijk worden verplicht om belastingen voor het algemeen nut te betalen en effectief tegen illegale concurrentie worden beschermd;

AO.

overwegende dat de regelgeving inzake spelersmakelaars gecoördineerd optreden vereist van bestuursorganen en overheidsinstanties, zodat doeltreffend kan worden opgetreden tegen makelaars en/of bemiddelaars die de regels overtreden;

AP.

overwegende dat sport een rol kan spelen op verschillende gebieden van de buitenlandse betrekkingen van de EU, onder meer via diplomatie;

De maatschappelijke rol van sport

1.

verzoekt de Commissie, gezien de positieve effecten van sport op de volksgezondheid en op sociaal, cultureel en economisch gebied, in het kader van het toekomstige MFK specifieke en omvangrijke financiële middelen voor het sportbeleid voor te stellen;

2.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat sport een vak wordt binnen alle schooltypes en benadrukt het belang van het aanmoedigen van sportbeoefening op ieder niveau van onderwijs, vanaf zeer jonge leeftijd, op scholen, universiteiten, en in plaatselijke gemeenschappen die aangemoedigd moeten worden sportfaciliteiten met passend materiaal te realiseren;

3.

verzoekt de lidstaten met klem heldere richtsnoeren op te stellen om sport en beweging deel te laten uitmaken van onderwijs op alle niveaus in alle lidstaten;

4.

wijst op het belang van opvoeding via sport en de mogelijkheid die sport biedt om sociaal kwetsbare jongeren weer op het rechte pad te brengen, en vraagt de lidstaten, de nationale bonden, de liga's en de clubs om dienaangaande initiatieven te formuleren en te steunen;

5.

verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen scholen en sportclubs te ondersteunen; is van mening dat de Commissie in dit verband gebruik moet maken van haar coördinerende functie op sportgebied en voorbeelden van goede praktijken in de lidstaten moet verzamelen en die via een centrale gegevensbank aan alle belangstellenden in Europa ter beschikking moet stellen;

6.

beveelt aan dat de Commissie sportbeoefening door ouderen aanmoedigt, aangezien dat hun sociale contacten en hun gezondheid ten goede komt;

7.

wijst erop dat door sport in iedere fase van het leven het algehele gezondheidspeil van Europeanen kan worden verbeterd en verzoekt de EU en de lidstaten dan ook de deelname aan sport te vergemakkelijken en een gezonde leefwijze, met alle mogelijkheden die sport daarvoor biedt, te bevorderen en op die manier de kosten voor gezondheidszorg naar beneden te brengen;

8.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de rol van gezondheidswerkers in de bevordering van sportparticipatie sterker te ondersteunen en na te gaan hoe ziektekostenverzekeraars stimulansen kunnen geven om mensen aan te moedigen om aan sport te gaan doen;

9.

wijst erop dat het belangrijk is om sport voor alle burgers toegankelijk te maken in tal van verschillende omgevingen, school, werk, als ontspannende activiteit of via clubs en verenigingen;

10.

waardeert de werkzaamheden van organisaties die het mogelijk maken dat mensen met een geestelijke of lichamelijke handicap in de hele EU sport kunnen beoefenen; verzoekt de Commissie, de lidstaten en sportorganisaties met passende financiële middelen sportactiviteiten en -competities voor mensen met een handicap te bevorderen en ontwikkelen, met name door te zorgen voor gelijke toegang tot sport en gratis sportfaciliteiten die aan hun behoeften voldoen;

11.

benadrukt de bindende sociale kracht van sport op tal van gebieden, zoals maatschappelijke betrokkenheid en democratische gezindheid, bevordering van een goede gezondheid, stedelijke ontwikkeling, maatschappelijke integratie, arbeidsmarkt, werkgelegenheid, beroepskwalificatie en opleiding;

12.

verzoekt de lidstaten en de communautaire instellingen om meer steun te verlenen aan organisaties die zich inzetten voor de integratie van met sociale uitsluiting bedreigde personen door middel van sport, alsook aan organisaties die sportbeoefening voor lichamelijk of geestelijk gehandicapten bevorderen;

13.

moedigt de lidstaten ertoe aan om sport een vast onderdeel te maken van programma's en diensten die zicht richten op de integratie van groepen die het slachtoffer dreigen te worden van discriminatie en wenst dat sportverenigingen voor hun beroepskrachten en vrijwilligers passende opleidingsprogramma's opzetten ter bestrijding en voorkoming van alle vormen van discriminatie en racisme;

14.

wijst op de voorbeeldfunctie van sport in de maatschappij en dringt er bij bestuursorganen in de sportsector op aan het voortouw te nemen bij de bestrijding van institutionele discriminatie;

15.

herinnert eraan dat discriminatie op grond van geslacht in de sport niet geoorloofd is en dringt erop aan dat het Olympisch Handvest wordt toegepast bij alle sportevenementen, met name Europese sportevenementen;

16.

vraagt de Raad, de Commissie, de lidstaten en de nationale sportbondsbesturen zich in te zetten voor bestrijding van homofobie en transfobie, en behoorlijke uitvoering te geven aan wetgeving en antidiscriminatiebeleid ten behoeve van met name lesbische, biseksuele, homoseksuele en transgender sporters;

17.

verzoekt de lidstaten meer nadruk te leggen op het belang van goede lichamelijke opvoeding voor beide geslachten en stelt voor dat zij de nodige strategieën ontwikkelen om deze kwestie aan te pakken;

18.

benadrukt dat de samenstelling van bestuursorganen van sportorganisaties de samenstelling van de algemene ledenvergadering en de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen daarin moet weerspiegelen, aangezien mannen en vrouwen - ook op transnationaal niveau - gelijke toegang moeten hebben tot leidinggevende functies;

19.

spoort de Commissie en de lidstaten aan om rekening te houden met het belang van sport als middel om vrede, economische ontwikkeling, interculturele dialoog, volksgezondheid, integratie en emancipatie van de vrouw te bevorderen;

20.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij het Internationaal Olympisch Comité aan te dringen op naleving van de eigen regels in het Olympisch Handvest die elke demonstratie of politieke, godsdienstige of racistische propaganda bij sportevenementen verbieden, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er geen politieke druk wordt uitgeoefend op vrouwen om deze regel te overtreden en dat landen deze regel niet omzeilen door vrouwen niet af te vaardigen naar wedstrijden;

21.

verzoekt sportorganisaties sportbeoefening door vrouwen en deelname van vrouwen in besluitvormende en bestuursorganen van sportorganisaties verder aan te moedigen door meisjes en vrouwen, met name uit kansarme milieus, gelijke toegang te bieden tot sportactiviteiten, de deelname van vrouwen aan sport te stimuleren en aan mannen- en vrouwensport en sportresultaten evenveel waarde toe te kennen en zichtbaarheid te geven; verzoekt de lidstaten maatregelen te ontwikkelen die vrouwelijke sporters in staat stellen hun gezin te combineren met een professionele loopbaan in de sport, en in het regeringsbeleid inzake sport de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen; verzoekt de Commissie de uitwisseling van informatie en goede praktijken op het gebied van gelijke kansen voor vrouwen en mannen in de sport aan te moedigen;

22.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de Europese organisaties te steunen bij de bevordering en tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het Europees Handvest van de rechten van vrouwen in de sport;

23.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in alle activiteiten die verband houden met sport te streven naar genderevenwicht en daarbij bijzondere nadruk te leggen op toegang tot sport voor allochtone vrouwen en vrouwen uit etnische minderheden, toegang van vrouwen tot leidinggevende functies in de sportsector en media-aandacht voor vrouwen in de sport, en ervoor te zorgen dat in het beleid en de wetgeving op het gebied van sport de gelijkheid van geslachten als uitgangspunt geldt;

24.

roept de Commissie en de lidstaten op tot het ondersteunen en stimuleren van Europees onderzoek naar de specifieke kenmerken van vrouwensport, de redenen waarom vrouwen en meisjes stoppen met sporten en de redenen voor de blijvende ongelijke toegang van vrouwen tot sport;

25.

moedigt de oprichting van vrouwennetwerken op sportgebied aan om de uitwisseling van beste praktijken en informatie te bevorderen;

26.

onderstreept dat niet kan worden getolereerd of om culturele of religieuze redenen toegestaan, dat immigranten hun dochters verbieden op school aan gymmen of zwemmen deel te nemen;

27.

wijst erop dat veel meisjes die op jeugdige leeftijd sport bedrijven, in hun adolescentiejaren de sport opgeven; verwijst in dit verband naar onderzoek waaruit blijkt dat meisjes openlijke of verkapte druk van leeftijdgenoten en familieleden ondervinden om zich „vrouwelijker” te gedragen of verantwoordelijkheden op zich te nemen die aan verdere sportbeoefening in de weg staan; spoort de lidstaten en de nationale bestuursorganen in de sportsector aan om strategieën te ontwikkelen voor programma’s en begeleiding om met name meisjes die in sport geïnteresseerd zijn te helpen zich als sporter verder te ontwikkelen;

28.

onderstreept de noodzaak om door middel van preventie- en voorlichtingscampagnes, met name gericht op jonge sporters, de strijd tegen doping aan te gaan en daarbij de fundamentele rechten van sporters te eerbiedigen; moedigt de lidstaten aan de handel in prestatiebevorderende stoffen in de sportsector op dezelfde wijze te behandelen als de handel in illegale drugs en hun nationale wetgeving in die zin aan te passen en aldus bij te dragen tot meer Europese coördinatie op dit gebied; verzoekt het Internationaal Agentschap voor de bestrijding van doping een gebruikersvriendelijk systeem van verblijfplaatsregistratie in het leven te roepen in overeenstemming met de EU-wetgeving en benadrukt dat er statistieken moeten komen over het gebruik van doping en gemiste dopingtests, teneinde in de strijd tegen doping een aanpak op maat te kunnen realiseren;

29.

is van mening dat toetreding van de EU tot het Verdrag van de Raad van Europa tegen doping een noodzakelijke stap is om een eenvormiger toepassing van de WADA-code in de lidstaten te verwezenlijken;

30.

is voorstander van meer harmonisatie van wetgeving om te bereiken dat politie en rechterlijke macht effectief samenwerken bij de bestrijding van doping en andere soorten manipulatie van sportevenementen;

31.

verzoekt de lidstaten zich te buigen over gokverslaving en de bescherming van minderjarigen tegen de gevaren van het gokken;

32.

pleit voor duidelijke regels inzake de bescherming van minderjarigen in de wedstrijdsport en voor het uitwerken van verdere ingrijpende beschermingsmaatregelen in overleg met de sportbonden;

33.

wijst op het grote belang van een gelijktijdige sport- en beroepsopleiding voor jonge sporters; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom om samen met alle betrokken actoren en met inachtneming van de in de verschillende lidstaten bestaande beste praktijken op dit gebied richtsnoeren op te stellen om ervoor te zorgen dat jonge sporters naast hun sportopleiding ook een reguliere school of beroepsopleiding kunnen volgen; moedigt de lidstaten in dit kader aan gebruik te maken van de ervaringen van voormalige beroepssporters die voor het beroep van trainer kiezen en speciale loopbaantrajecten op te zetten voor topsporters die hoger onderwijs willen volgen, en hun ervaringen op dit gebied te benutten ten gunste van de sport in het algemeen;

34.

verzoekt de lidstaten onderwijsprogramma’s op te zetten om het voor beroepssporters gemakkelijker te maken scholing en training te combineren;

35.

stelt voor in het Europees kader voor kwalificaties en in de programma's voor levenslang leren een opleidings- en kwalificatiekader voor trainers en trainersopleidingen op te nemen om op die manier bij te dragen aan de kennismaatschappij en aan de ontwikkeling van topkwaliteit op het gebied van training in de amateur- en beroepssport;

36.

wijst erop dat trainers een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling en opvoeding van jongeren, niet alleen op het gebied van sportieve vaardigheden, maar tevens op het gebied van sociale vaardigheden; stelt vast dat trainers jongeren kunnen leiden bij het ontwikkelen van een gezonde manier van leven;

37.

verzoekt de lidstaten in nauw overleg met de betrokken bonden supporters die gewelddadig of discriminerend gedrag hebben vertoond de toegang tot stadions te ontzeggen en een gecoördineerde aanpak te volgen bij het bepalen en opleggen van sancties tegen dergelijke supporters, nauw samen te werken om ervoor te zorgen dat stadionverboden ook gehandhaafd worden bij internationale wedstrijden in andere lidstaten dan die waar het stadionverbod aanvankelijk werd opgelegd, en een Europees informatiesysteem voor de uitwisseling van gegevens op te zetten - waarbij evenwel de individuele rechten en vrijheden worden geëerbiedigd - alsmede de samenwerking te versterken via een verbeterd waarschuwingssysteem voor wedstrijden met een hoog risico;

38.

is er voorstander van dat de lidstaten in overleg met de Europese sportbonden minimumnormen opstellen voor de veiligheid van stadions en alle nodige maatregelen nemen om de veiligheid van sporters en supporters optimaal te waarborgen;

39.

wijst erop dat wanneer sport wordt beoefend in een natuurlijke omgeving, er een evenwicht moet worden gewaarborgd tussen maatschappelijke voordelen en de gezondheid van de omgeving waarin de sport wordt beoefend;

40.

benadrukt de mogelijkheden die sportieve manifestaties bieden voor het toerisme op lokaal of nationaal niveau en verzoekt de lidstaten de ontwikkeling van deze tak van economische en commerciële activiteit te bevorderen;

De economische dimensie van sport

41.

is van mening dat de bijzondere aard van sport op het gebied van de interne markt en het mededingingsrecht moet worden erkend en verzoekt de Commissie derhalve andermaal om richtsnoeren vast te stellen voor de toepassing van het EU-recht op sport, zodat een eind wordt gemaakt aan de talrijke bestaande rechtsonzekerheden;

42.

stelt vast dat sponsoring als belangrijke financiële reddingsboei fungeert en sport veel mogelijkheden biedt, mits de hand wordt gehouden aan de beginselen van financiële fair-play;

43.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om aan vrijwilligerswerk in de sport een hoge status toe te kennen; herhaalt het belang van vrijwilligers in de sport en benadrukt de noodzaak om een kader voor sociale erkenning te creëren en vrijwilligers een goede opleiding te geven; is voorstander van de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten voor de bevordering van vrijwilligerswerk in de sport en van onderzoek naar de haalbaarheid van een wettelijk en fiscaal kader dat toegespitst is op de activiteiten van sportorganisaties;

44.

vraagt de Commissie en de lidstaten een systeem in het leven te roepen voor erkenning van de door vrijwilligers verworven kwalificaties en de voor gereguleerde sportgerelateerde beroepen vereiste kwalificaties;

45.

benadrukt dat de wederzijdse erkenning van opleidingen en beroepskwalificaties in Europees verband voor personen die beroepsmatig als specialist werkzaam zijn in de sportsector (scheidsrechters, trainers) van groot belang is, omdat daarmee hun concurrentiepositie blijvend kan worden verbeterd en grote terugvallen in inkomsten voorkomen kunnen worden;

46.

moedigt de lidstaten aan te zorgen voor hoger onderwijs voor sporters en geharmoniseerde erkenning van hun sport- en onderwijskwalificaties om hun mobiliteit op de arbeidsmarkt te vergroten;

47.

spoort de lidstaten tevens aan om de structuren voor de terugkeer van voormalige sporters op de arbeidsmarkt en hun beroepsintegratie na hun loopbaan als profsporter te verbeteren;

48.

verzoekt de lidstaten te onderzoeken op welke manier de financiële lasten van de laagstbetaalde professionele sporters met veelal een korte en onzekere sportcarrière kunnen worden verlicht; herhaalt dat profsporters, die aangemerkt worden als sporters, en van wie het grootste deel van het inkomen afkomstig is van sport, dezelfde socialezekerheidsrechten moeten kunnen genieten als werknemers;

49.

acht sociale dialoog in de sport een belangrijk middel om een evenwicht te vinden tussen de grondrechten en werknemersrechten van sporters en de specifieke aard van sport;

50.

is van mening dat er in de economische dimensie van de sportsector, die voortdurend in beweging is, onmiddellijke verbeteringen nodig zijn met betrekking tot sportgerelateerde problemen op cruciale gebieden als het vrije verkeer van werknemers en diensten, vrijheid van vestiging, erkenning van beroepskwalificaties, intellectuele-eigendomsrechten en regels voor staatssteun, om ervoor te zorgen dat de sportsector de voordelen van de interne markt ten volle kan benutten;

51.

benadrukt dat het van wezenlijk belang is dat de commerciële exploitatie van audiovisuele rechten van sportcompetities op een collectieve, exclusieve en territoriale basis berust, teneinde te waarborgen dat de inkomsten daaruit eerlijk worden verdeeld over zowel topsport als amateursport;

52.

is van mening dat sportevenementen die van groot maatschappelijk belang worden geacht voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk moeten zijn; verzoekt lidstaten die dit nog niet hebben gedaan ervoor te zorgen dat omroeporganisaties die onder hun rechtsbevoegdheid vallen dergelijke evenementen niet op exclusieve grondslag uitzenden;

53.

erkent dat journalisten het recht hebben georganiseerde sportevenementen van openbaar belang te bezoeken en er verslag van te doen, om het recht van de burger te waarborgen onafhankelijk nieuws en informatie over sportgebeurtenissen te verwerven en te ontvangen;

54.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de intellectuele-eigendomsrechten ten aanzien van sportgerelateerde inhoud te beschermen, met inachtneming van het recht van het publiek op informatie;

55.

is van mening dat sportweddenschappen een vorm van commerciële exploitatie van sportwedstrijden zijn en verzoekt de Commissie en de lidstaten deze te beschermen tegen elk niet-toegestaan gebruik, tegen uitbaters zonder vergunning en tegen verdenkingen van wedstrijdmanipulatie, in het bijzonder door de erkenning van eigendomsrechten van organisatoren voor hun competitie, de garantie van een aanzienlijke bijdrage van uitbaters van sportweddenschappen aan de financiering van amateursport en de bescherming van de integriteit van competities met de nadruk op onderwijs voor sporters; meent echter dat deze eigendomsrechten niet het recht op korte verslagen mogen aantasten dat is vastgelegd in Richtlijn 2007/65/EG (richtlijn Audiovisuele mediadiensten);

56.

verzoekt de Commissie opnieuw om richtsnoeren op te stellen inzake staatssteun en daarin aan te geven welke soort overheidssteun geoorloofd is voor het verwezenlijken van de sociale, culturele en educatieve doelstellingen van de sport;

57.

verzoekt de lidstaten de corruptie in de sport doeltreffend te bestrijden en toe te zien op naleving van de sportethiek; acht het derhalve absoluut noodzakelijk dat er in elk land strenge regels worden ingevoerd inzake financieel toezicht op sportclubs;

58.

moedigt sportverenigingen aan met wetshandhavingsinstanties samen te werken en onder meer informatie uit te wisselen om wedstrijdmanipulatie en andere vormen van fraude in de sportsector adequaat en doelmatig te kunnen aanpakken;

59.

verzoekt de Commissie concrete maatregelen voor te stellen om de door loterijen gegenereerde financiering van sport veilig te stellen;

60.

wijst erop dat de door de Commissie ingevoerde "satellietrekeningen" in de sportsector op een bijzonder goed moment komen, daar sportgerelateerde activiteiten op die manier op nationaal niveau volgens uniforme normen kunnen worden beoordeeld, waardoor afwijkingen kunnen worden ontdekt en waarde wordt toegevoegd aan de Europese economie en de interne markt;

61.

verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete maatregelen te nemen om de uitwisseling van goede praktijken en een nauwe samenwerking met betrekking tot technische aspecten en onderzoek op het gebied van de sport te stimuleren;

62.

acht de rol van lokale en regionale overheden in de ontwikkeling van de Europese dimensie van sport essentieel, aangezien dienstverlening op sportgebied aan het publiek en de toewijzing van financiële middelen voor sportactiviteiten en de daarvoor benodigde faciliteiten tot hun institutionele taken behoren;

63.

benadrukt dat amateursport in aanmerking zou moeten komen voor steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds om zo investeringen in sportinfrastructuur mogelijk te maken en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de Unie een specifiek begrotingsprogramma voor sport krijgt, hetgeen thans op grond van artikel 165 VWEU mogelijk is;

De organisatie van de sport

64.

wijst erop dat de structuren op het gebied van sport in Europa gebaseerd zijn op de beginselen van nationaliteit en territorialiteit;

65.

benadrukt dat het wil vasthouden aan het Europese sportmodel, waarbinnen de bonden een centrale rol spelen en waarvan de basis wordt gevormd door verschillende actoren, zoals supporters, spelers, clubs, liga's, verenigingen en vrijwilligers die een belangrijke rol spelen bij het overeind houden van de hele sportstructuur;

66.

dringt erop aan de belemmeringen voor vrijwilligerswerk in de sportsector in de hele EU weg te nemen;

67.

wijst op de belangrijke rol van plaatselijke instanties bij de maatschappelijke bevordering van sport voor iedereen en beveelt aan dat die instanties actief deelnemen aan voor de sportwereld bestemde Europese fora en debatten;

68.

herinnert eraan dat een goed bestuur in de sport een voorwaarde is voor de autonomie en de zelfregulering van sportorganisaties, in overeenstemming met de beginselen van transparantie, verantwoordingsplicht en democratie, en wijst op de noodzaak van een beleid van nultolerantie met betrekking tot corruptie in de sport; benadrukt de behoefte aan een juiste vertegenwoordiging van alle belanghebbenden in het besluitvormingsproces;

69.

verzoekt de lidstaten en bestuursorganen in de sportsector de maatschappelijke en democratische rol van sportliefhebbers die de beginselen van eerlijk spel steunen actief aan te moedigen, door hun betrokkenheid bij de eigendom en bestuursstructuren in hun sportclub te bevorderen, en hun rol als belangrijke betrokkenen in bestuursorganen in de sportsector te stimuleren;

70.

is van oordeel dat spelers die worden opgeroepen voor de nationale ploeg door hun clubs beschikbaar moeten worden gesteld, en erkent dat clubs een belangrijke bijdrage leveren aan het succes van grote internationale sporttoernooien, onder meer door te zorgen voor een adequate verzekering, en benadrukt dat niet op alle sporten een standaardbenadering kan worden toegepast;

71.

benadrukt dat opleidingen voor spelers op lokaal niveau en investeringen in sportonderwijs noodzakelijk zijn voor een duurzame ontwikkeling van de sport in Europa en de verspreiding van de positieve invloed daarvan op burgers en samenleving; acht het derhalve noodzakelijk ervoor te zorgen dat topsport de ontwikkeling van jonge sporters, de amateursport en de belangrijke rol van amateursportorganisaties niet negatief beïnvloedt; wijst erop dat sportdiploma’s en -kwalificaties gelijkgeschakeld en erkend moeten worden;

72.

verklaart nogmaals de "home grown"-regel te steunen en is van mening dat deze regel als voorbeeld kan dienen voor andere profliga's in Europa; steunt verdere inspanningen van bestuursorganen in de sportsector gericht op het aanmoedigen van de opleiding van jonge plaatselijke spelers binnen de grenzen van het EU-recht, om het wedstrijdevenwicht in competities en de gezonde ontwikkeling van het Europese sportmodel te versterken;

73.

is van mening dat de ontwikkeling van nieuw talent een van de kernactiviteiten van sportclubs is, en dat een te grote afhankelijkheid van de verkoop van spelers sportieve waarden kan ondermijnen;

74.

benadrukt het belang van opleidingstoelagen, aangezien deze een efficiënt beschermingsmechanisme voor opleidingscentra vormen en zorgen voor een redelijk rendement op investeringen;

75.

is van mening dat het beroep van spelersmakelaar een gereglementeerde beroepsactiviteit dient te zijn waarvoor passende beroepskwalificaties dienen te gelden, en dat spelersmakelaars met het oog op de transparantie hun fiscale zetel op het grondgebied van de Unie moeten hebben; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de sportbonden, spelersverenigingen en spelersmakelaarsorganisaties een Europees licentie- en registratiestelsel op te zetten en uit te voeren, inclusief een gedragscode en een sanctieregeling;

76.

stelt voor dat de sportbonden een niet-openbaar Europees register van spelersmakelaars opstellen, waarin spelersmakelaars aangeven welke spelers zij vertegenwoordigen, om sporters, en met name sporters jonger dan 18 jaar, te beschermen en het gevaar van belangenconflicten zo klein mogelijk te maken; is van mening dat spelersmakelaars hun honorarium voor transfers in termijnen moeten ontvangen, gedurende de hele duur van het door de sporter in het kader van de transfer getekende contract, waarbij pas tot volledige betaling kan worden overgegaan als het hele contract is uitgediend;

77.

verzoekt de lidstaten bestaande regelgevende bepalingen inzake spelersmakelaars/bemiddelaars aan te vullen met afschrikkende strafmaatregelen en deze straffen strikt toe te passen;

78.

verzoekt bestuursorganen in de sportsector te zorgen voor meer transparantie met betrekking tot de werkzaamheden van spelermakelaars en met de autoriteiten in de lidstaten samen te werken om corrupte praktijken uit te roeien;

79.

is ingenomen met de op verzoek van de Commissie uitgevoerde studie over de economische en juridische gevolgen van spelerstransfers; is bovendien van mening dat de initiatieven van de sportbonden met het oog op de verbetering van de transparantie bij internationale transfers ondersteuning verdienen;

80.

is van mening dat door bestuursorganen in de sportsector ten uitvoer gelegde systemen die zorgen voor een grotere transparantie van de internationale spelerstransfers een stap in de goede richting vormen, daar zij het beginsel van behoorlijk bestuur dienen en gericht zijn op waarborging van de integriteit in sportcompetities;

81.

getuigt duidelijk van zijn steun aan licentiesystemen en financiële fair play, aangezien daardoor clubs worden aangemoedigd om deel te nemen op basis van hun werkelijke financiële capaciteit;

82.

is van mening dat deze maatregelen bijdragen tot een beter bestuur, herstel van de financiële stabiliteit op lange termijn, duurzaamheid van clubs en financiële eerlijkheid in de Europese competities, en verzoekt de Commissie dan ook te erkennen dat deze voorschriften verenigbaar zijn met de EU-wetgeving;

83.

is ingenomen met de pogingen van sportbonden om te verbieden dat meerdere clubs die in eenzelfde competitie spelen in handen zijn van eenzelfde eigenaar; is van mening dat het exploitanten van gokspelen verboden moet worden een meerderheidsbelang te hebben in een instantie die competities organiseert of daaraan deelneemt, en dat het instanties die competities organiseren of daaraan deelnemen verboden moet worden om een meerderheidsbelang te hebben in een exploitant die weddenschappen aanbiedt op de evenementen die zij organiseren of waaraan zij deelnemen;

84.

moedigt de lidstaten aan alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om illegale activiteiten die de integriteit van de sport aantasten te voorkomen en te bestraffen, en dergelijke activiteiten strafbaar te stellen, vooral als deze activiteiten plaatsvinden in het kader van een weddenschap en inhouden dat de uitslagen van een competitie of een onderdeel daarvan opzettelijk en frauduleus worden gemanipuleerd om een voordeel te behalen, zonder dat dat berust op een normale sportbeoefening en de daarmee samenhangende onzekere uitkomst;

85.

verzoekt sportbonden nauw met de lidstaten samen te werken om de integriteit van de sport te beschermen;

86.

verzoekt de Europese Commissie om, overeenkomstig hetgeen zij in haar EU-anticorruptiestrategie reeds heeft aangekondigd, de ondoorzichtigheid van transfers en wedstrijdmanipulatie aan te pakken door minimumregels op te stellen voor de omschrijving van strafbare feiten op dit gebied;

87.

is ernstig verontrust over de ernstige misdrijven die zich in de sport voltrekken, zoals het witwassen van geld, en verzoekt de lidstaten nauwer samen te gaan werken om deze verschijnselen aan te pakken en te zorgen voor meer transparantie bij financiële transacties die deel uitmaken van de transfers van spelers en de activiteiten van spelersmakelaars;

88.

is van oordeel dat er instrumenten moeten worden gecreëerd ter bevordering van de samenwerking tussen overheid, sportautoriteiten en gokorganisaties bij de behandeling van fraudezaken in de sport, en dat daarbij zou kunnen worden gedacht aan samenwerking met Europol en Eurojust;

89.

erkent de legitimiteit van sportrechtbanken voor de oplossing van geschillen op het gebied van sport, mits deze het recht van burgers op een rechtvaardig proces eerbiedigen; verzoekt het Hof van Arbitrage voor de Sport (CAS) bij de beslechting van geschillen binnen de EU op het gebied van sport bepalingen van EU-recht te laten meewegen;

90.

verzoekt de Commissie om uiterlijk 2012 met een voorstel te komen waarmee het mogelijk wordt gemaakt om de specifieke behoeften van de sportsector beter te begrijpen en praktische maatregelen te nemen om daarop in te spelen, met volledige inachtneming van artikel 165 VWEU;

De samenwerking met derde landen en internationale organisaties

91.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om met derde landen samen te werken op het gebied van bijvoorbeeld internationale transfers van spelers, uitbuiting van minderjarige spelers, wedstrijdmanipulatie en illegale weddenschappen; wijst eveneens op het belang van versterking van de internationale samenwerking met het oog op de bevordering van sport in ontwikkelingslanden;

92.

kijkt uit naar de resultaten van systemen die zijn ingesteld voor het bewaken van transparantie, ethisch optreden op financieel gebied, en voor de bestrijding van corruptie en mensenhandel; wijst erop dat deze systemen in overeenstemming moeten zijn met de EU-wetgeving en de voorschriften inzake gegevensbescherming; verzoekt de bestuursorganen in de sportsector TMS-gegevens te koppelen aan andere anticorruptiesystemen ten behoeve van een doeltreffender toezicht ter bestrijding van wedstrijdmanipulatie;

93.

wijst erop dat in en buiten de EU gevestigde niet-toegelaten gokorganisaties moeten worden aangepakt, aangezien deze de systemen voor het toezicht op sportfraude kunnen omzeilen;

94.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in volledige samenwerking met derde landen de algemene eerbiediging van Olympische voorschriften en regelgeving te bevorderen;

95.

verzoekt de clubs erop toe te zien dat de wetgeving op het gebied van immigratie bij het aantrekken van jongeren uit derde landen wordt nageleefd en ervoor te zorgen dat alle contractvoorwaarden in overeenstemming zijn met de wet; wenst dat jonge sporters desgewenst onder goede omstandigheden naar hun land van herkomst kunnen terugkeren als hun sportcarrière niet van de grond komt; wijst er in dit verband op dat effectieve handhaving van de wetgeving essentieel is;

96.

wijst op de noodzaak minderjarigen bij internationale transfers beter te beschermen; meent dat internationale transfers gevaarlijk kunnen zijn voor jonge sporters die, door het feit dat ze hun familie en hun land al op jonge leeftijd verlaten hebben, bijzonder kwetsbaar zijn en dus door de sportorganisaties met voortdurende aandacht moeten worden gevolgd;

97.

vraagt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om te propageren dat zowel mannen als vrouwen – ongeacht regels of verplichtingen die op grond van culturele, traditionele, historische of religieuze factoren voor vrouwen gelden – de absolute vrijheid toekomt om elke tak van sport te bedrijven;

Europese identiteit door sport

98.

verzoekt de Commissie de bestaande programma’s ter bevordering van sport uit te breiden als instrument van haar ontwikkelingsbeleid en in deze sector nieuwe initiatieven op gang te brengen;

99.

verzoekt de Commissie:

jaarlijks een "Europese dag van de sport" te organiseren, waardoor de maatschappelijke en culturele rol van amateur- en beroepssport en de voordelen van sport op het gebied van volksgezondheid worden bevorderd;

elk jaar de benoeming van een "Europese sporthoofdstad", op initiatief van de vereniging van Europese sporthoofdsteden (ACES), financieel en met de nodige controles te ondersteunen;

plaatselijke, traditionele, inheemse sporten die deel uitmaken van de rijke culturele en historische verscheidenheid van de EU en die symbool staan voor het motto “Verenigd in verscheidenheid” te steunen door deze spelen meer bekendheid te geven via onder meer bevordering van een Europese kaart en Europese festivals;

een mobiliteitsprogramma voor jonge amateursporters en trainers op te zetten, teneinde hen in staat te stellen nieuwe trainingsmethoden aan te leren, optimale werkmethoden vast te stellen en via sport Europese waarden te ontwikkelen zoals eerlijk spel, respect en maatschappelijke integratie en de interculturele dialoog te bevorderen;

te helpen een mobiliteitsprogramma mogelijk te maken om sporttrainers uit te wisselen;

met lidstaten en sportorganisaties samen te werken om de fundamentele integriteit van de amateursport te beschermen;

de werkzaamheden van de lidstaten op het gebied van gegevensverzameling en onderzoek te steunen om optimale werkmethoden uit te wisselen;

100.

beveelt aan bij grote internationale sportevenementen die op Europees grondgebied worden georganiseerd de Europese vlag te hijsen en vraagt de sportbonden zich te buigen over het idee om op de shirts van de sporters uit de verschillende lidstaten niet alleen de nationale vlag maar tevens de Europese vlag af te beelden; wijst erop dat het volkomen vrijwillig en ter beoordeling van de lidstaten en sportorganisaties is te besluiten of zij van deze mogelijkheid gebruik maken;

*

* *

101.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Europese, internationale en nationale sportbonden.


(1)  PB C 68 E van 18.3.2004, blz. 605.

(2)  PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 1067.

(3)  PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 590.

(4)  PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 143.

(5)  PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 292.

(6)  PB C 27 E van 31.1.2008, blz. 232.

(7)  PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 131.

(8)  PB C 271 E van 12.11.2009, blz. 51.

(9)  PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 16.

(10)  PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 30.

(11)  P7_TA(2011)0316.

(12)  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0498.

(13)  PB C 326 van 3.12.2010, blz. 5.

(14)  PB C 162 van 1.6.2011, blz. 1.

(15)  Almaty, Kazakhstan, 5-6 november 2006.

(16)  CdR 66/2011 fin.

(17)  CESE 1594/2011 – SOC /413.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/60


Donderdag 2 februari 2012
Toepassing van de afvalstoffenrichtlijn

P7_TA(2012)0026

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de in verzoekschriften opgeworpen vragen betreffende de toepassing van de afvalstoffenrichtlijn en aanverwante richtlijnen in de lidstaten van de Europese Unie (2011/2038(INI))

2013/C 239 E/10

Het Europees Parlement,

gezien het in artikel 227 van het VWEU verankerde petitierecht,

gezien de ontvangen verzoekschriften opgenomen in de bijlage van het verslag van de Commissie verzoekschriften (A7-0335/2011),

gezien Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (1),

gezien Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (2),

gezien Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (3),

gezien Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (4),

gezien Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (5) (SMB),

gezien Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (6),

gezien Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (7) (MER),

gezien het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Aarhus, Denemarken, 25 juni 1998),

gezien de studie van deskundigen "Afvalbeheer in Europa: voornaamste problemen en beste praktijken" van juli 2011,

gezien artikel 202, lid 2, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A7-0335/2011),

A.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften in de periode 2004-2010 114 verzoekschriften heeft ontvangen en ontvankelijk verklaard die betrekking hadden op vermeende inbreuken op dit regelgevend kader door de volgende lidstaten: Italië, Griekenland, Frankrijk, Spanje, Ierland (meer dan 10 verzoekschriften), Bulgarije, het VK, Polen, Roemenië, Duitsland (3-10 verzoekschriften), Oostenrijk, Hongarije, Litouwen, Malta, Portugal en Slowakije (elk 1 verzoekschrift);

B.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften vijf verslagen heeft opgesteld over onderzoeksmissies met betrekking tot verzoekschriften inzake afval naar Ierland (8), Fos-sur-Mer (Frankrijk) (9), de stortplaats van Path Head (VK) (10), Campania (Italië) (11) en Huelva (Spanje) (12);

C.

overwegende dat verzoekschriften over milieukwesties steeds de grootste groep van ontvangen verzoekschriften uitmaken en verzoekschriften over afval daarvan een belangrijk onderdeel vormen, en overwegende dat afvalkwesties zeer directe gevolgen hebben voor burgers in de hele EU, met name wat betreft de vergunningsprocedure voor nieuwe afvalbeheerinstallaties of de werking van bestaande installaties, gevolgd door kwesties inzake het algemeen beheer van afval;

D.

overwegende dat een grote meerderheid van verzoekschriften inzake afval betrekking heeft op afvalbeheerinstallaties, waarbij ongeveer 40% betrekking heeft op de vergunningsprocedure voor geplande nieuwe installaties en 40% op de werking van bestaande installaties; daarvan gaat 75% over stortplaatsen en 25% over verbrandingsinstallaties, terwijl de rest van deze verzoekschriften problemen van algemeen afvalbeheer aansnijden;

E.

overwegende dat uit de meest recente cijfers van Eurostat (2009) blijkt dat de EU-burgers gemiddeld 513 kg afval per jaar produceren, waarbij vele nieuwe lidstaten ver onder het gemiddelde zitten en de meest geïndustrialiseerde landen op kop liggen;

F.

overwegende dat de landen die het meeste afval produceren de hoogste percentages vertonen voor het recyclen, composteren en verbranden van afval voor energie terwijl ze niet of bijna niet storten, terwijl daarentegen de lidstaten die het minste afval produceren bij de eersten zijn inzake storten en achteraan bengelen inzake recyclen en zelfs voor verbranden van afval;

G.

overwegende dat het bij sommige verbrandingsinstallaties schort aan goede voorzieningen voor de scheiding en behandeling van afval; overwegende dat er geen duidelijke limieten zijn voor de soorten afval die mogen worden verbrand en er onverminderd bezorgdheid is over de toxische assen die bij de verbranding vrijkomen;

H.

overwegende dat Richtlijn 2008/98/EG inzake afval (de kaderrichtlijn afvalstoffen (KRA)) maatregelen vaststelt ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid door preventie of beperking van de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen, beperking van de algemene gevolgen van het gebruik van hulpbronnen en efficiënter gebruik van die hulpbronnen, wat voordelen biedt voor de EU-burgers op het gebied van gezondheid en welzijn en tegelijk zorgt voor een milieuvriendelijke methode van afvalverwijdering;

I.

overwegende dat Richtlijn 2008/99/EG inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht een minimum aantal ernstige milieudelicten definieert en van de lidstaten verlangt dat er meer afschrikkende sancties worden gesteld op dit soort misdrijven wanneer ze opzettelijk of uit grove nalatigheid worden begaan;

J.

overwegende dat een afvalstrategie die in overeenstemming is met de KRA, moet waarborgen dat alle afval wordt verzameld en naar een netwerk van geschikte afvalverwerkingsinstallaties wordt gebracht voor toepassing en uiteindelijk verwijdering, en ook maatregelen moet inhouden om de productie van afval bij de bron te verminderen;

K.

overwegende dat in sommige regio's, bijv. Fos-sur-Mer (Frankrijk – 2008), Path Head (VK – 2009), Huelva (Spanje – 2009) en Campanië (Italië – 2011), met het reduceren van de totale hoeveelheid afval en het recycleren van huishoudelijk afval nauwelijks vooruitgang is geboekt, en dat huishoudelijk en ander afval nog altijd zonder selectie wordt gestort, waarbij het soms kennelijk gemengd wordt met verschillende soorten industrieel afval;

L.

overwegende dat de termijn voor omzetting van de KRA december 2010 was, maar dat nog slechts zes lidstaten deze verplichting zijn nagekomen en dat de Commissie actieve maatregelen neemt om te verzekeren dat de overige lidstaten snel de richtlijn omzetten en met de uitvoering ervan beginnen;

M.

overwegende dat huishoudelijk afval moet worden beheerd in overeenstemming met de afvalstoffenhiërarchie, die gebaseerd is op preventie, vermindering, hergebruik, recycling, terugwinning (bijv. van energie) en verwijdering, overeenkomstig artikel 4 van de KRA;

N.

overwegende dat een hulpbronnenefficiënt Europa een van de voornaamste doelstellingen is van de Europa 2020-strategie en dat de KRA voor het recyclen van stedelijk afval een streefcijfer van 50% heeft geïntroduceerd, dat tegen 2020 door alle lidstaten moet worden bereikt, vanuit de overtuiging dat omvorming van de EU tot een groene kringloopeconomie waarin afval als grondstof wordt gebruikt, een belangrijk element van de doelstelling op het gebied van hulpbronnenefficiëntie vormt;

O.

overwegende dat er diverse redenen zijn waarom er geen afvalbeheerplannen in overeenstemming met de KRA tot stand zijn gekomen; overwegende dat het onder meer ontbreekt aan implementatie en handhaving, terdege opgeleid personeel op plaatselijk en regionaal niveau en coördinatie op nationaal niveau, dat er onvoldoende controle is op EU-niveau, er niet voldoende middelen worden uitgetrokken en er geen boeteregeling is, waardoor kansen worden verspeeld voor een goed afvalbeheer om broeikasgasemissies en ander milieugevolgen terug te dringen en om de Europese afhankelijkheid van ingevoerde grondstoffen te verminderen;

P.

overwegende dat een belangrijk, vaak verwaarloosd, argument is dat de recyclingindustrie een potentieel biedt van bijna een half miljoen banen, aangezien bepaalde soorten afval een productieve grondstof vormen die kan bijdragen tot een grotere duurzaamheid van het milieu en tot stappen in de richting van een groene economie;

Q.

overwegende dat het beheer van bioafval in de EU nog min of meer in zijn kinderschoenen staat en dat de huidige wetgevingsinstrumenten verder moeten worden uitgewerkt en de technieken efficiënter moeten worden gemaakt;

R.

overwegende dat het halen van de EU-streefcijfers voor inzameling, recycling en voorkomen van het storten van afval een prioriteit moet blijven;

S.

overwegende dat de lidstaten, op nationaal, regionaal en lokaal niveau, de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van de EU-wetgeving en overwegende dat de EU door de burgers verantwoordelijk wordt gehouden voor het garanderen van de uitvoering van het afvalstoffenbeleid, maar niet de adequate middelen heeft om de wetgeving handhaven;

T.

overwegende dat burgers volgens het Verdrag van Aarhus het recht hebben te worden geïnformeerd over de stand van zaken op hun eigen grondgebied en dat de autoriteiten verplicht zijn informatie te verschaffen en de burgers te stimuleren zich verantwoordelijk te gedragen; overwegende dat de lidstaten er krachtens Richtlijn 2003/35/EG voor moeten zorgen dat de burgers in een vroeg stadium daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld te participeren in de opstelling en wijziging of herziening van de te ontwikkelen plannen of programma's;

U.

overwegende dat de burgers via de verzoekschriftenprocedure uitdrukking geven aan hun gevoel dat de autoriteiten de situatie niet in de hand hebben, dat zij soms niet bereid zijn de nodige inspanningen te ondernemen om bij te dragen aan oplossingen, dat het vertrouwen is beschadigd en dat er sprake is van een situatie die steeds verder verslechtert en in sommige gevallen leidt tot openlijke confrontatie en verlamming waardoor optreden onmogelijk wordt;

V.

overwegende dat in een recente studie (13) die in opdracht van de Commissie werd uitgevoerd om de haalbaarheid van de oprichting van een EU-agentschap voor afvalbeheer te onderzoeken, benadrukt werd dat vele lidstaten niet over voldoende capaciteit beschikken om afvalbeheerplannen voor te bereiden, of voor inspecties, controles of andere maatregelen om de afvalwetgeving naar behoren te handhaven;

W.

overwegende dat in de studie ook wordt gewezen op een hoge mate van niet-naleving, illegaal storten en vervoeren van afvalstoffen, een groot aantal klachten van burgers en inbreukzaken voor het Europees Hof van Justitie en bijgevolg onvoldoende bescherming van de volksgezondheid en het milieu, terwijl die bescherming een centrale doelstelling van de EU-afvalwetgeving is;

X.

overwegende dat illegaal lozen of storten van afval een van de activiteiten van de georganiseerde misdaad is geworden, hetgeen te denken geeft over de rol van de verantwoordelijke autoriteiten en, waar het om industrieel afval gaat, over medeplichtigheid van de industrie;

Y.

overwegende dat de huidige toezichts- en controleprocedures om te verzekeren dat huishoudelijk afval niet door giftig afval wordt besmet, soms zwak of onbestaande zijn, hetgeen leidt tot verontreiniging van stortplaatsen en verbrandingsovens; overwegende dat moet worden onderstreept dat het verwijderen van afval door middel van verbranding in installaties die bedoeld zijn voor het verbranden van huishoudelijk afval, volstrekt verboden is;

Z.

overwegende dat een diepgaande analyse van de verzoekschriften bevestigt dat de wetgeving voor een goed werkend en milieuvriendelijk afvalbeheersysteem grotendeels voorhanden is en dat de voornaamste problemen zich voordoen op het gebied van implementatie en handhaving, waarbij 95% van de verzoekschriften betrekking hebben op tekortkomingen op het lokaal of regionaal bestuursniveau;

AA.

overwegende dat een gebrek aan informatie en bewustwording, aan administratieve capaciteit en aan financiële en andere middelen op lokaal niveau wordt aangewezen als een van de cruciale factoren voor deze situatie;

AB.

overwegende dat de Commissie de steun heeft opgevoerd, onder meer 4,1 miljard euro in 2005-2006, om de tenuitvoerlegging en handhaving van het EU-afvalacquis op nationaal niveau te verbeteren; overwegende dat eind 2009 toch 20% van alle inbreukzaken met betrekking tot milieuwetgeving, met afval te maken had;

AC.

overwegende dat de kosten van slecht afvalbeheer zeer hoog zijn en dat een territoriaal systeem dat de gehele cyclus omvat, aanzienlijke besparingen kan opleveren;

AD.

overwegende dat de toepassing van de afvalwetgeving in de EU wel een taak van de overheid is, maar dat particuliere en multinationale ondernemingen 60% van het huishoudelijk afval en 75% van het industrieel afval verwerken en een jaarlijkse omzet hebben van 75 miljard euro (14);

AE.

overwegende dat de instelling van nieuwe stortplaatsen en verbrandingsovens onder bijlage I, punt 9, van de richtlijn inzake milieueffectrapportage (MER) (15) valt, waarbij een MER overeenkomstig artikel 4, lid 1, vereist is of ten minste een doorlichting overeenkomstig artikel 4, lid 2, indien de stortplaats onder bijlage II, punt 11, letter b, valt;

AF.

overwegende dat vergunningen voor stortplaatsen onder bijlage II van de MER-richtlijn vallen indien zij aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, en onderworpen zijn aan drempelcriteria die zijn vastgesteld door de lidstaten;

AG.

overwegende dat in artikel 6, lid 4, van de MER-richtlijn het volgende wordt bepaald: "Het betrokken publiek dient in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures te krijgen en heeft daartoe het recht, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen";

AH.

overwegende dat de EU-richtlijnen en het Verdrag van Aarhus specifiek verwijzen naar toegang tot informatie en inspraak bij besluitvorming in milieuaangelegenheden;

AI.

overwegende dat in vele verzoekschriften wordt aangevoerd dat de vergunningsprocedure voor afvalbeheerinstallaties niet volledig in overeenstemming was met de EU-wetgeving, met name wat betreft de MER en de openbare raadpleging;

AJ.

overwegende dat indien een vergunning beantwoordt aan de vereisten van de richtlijn en een MER is uitgevoerd, de Commissie niet bevoegd is om zich te mengen in besluiten van de nationale autoriteiten; overwegende dat een aantal lidstaten evenwel geen grondige MER's hebben uitgevoerd vooraleer vergunningen af te geven voor het openen of het uitbreiden van stortplaatsen of het bouwen van verbrandingsovens;

AK.

overwegende dat juridische stappen pas kunnen worden genomen als een project door de lidstaten is goedgekeurd; overwegende dat het voor burgers moeilijk te begrijpen is dat de EU niet doeltreffend kan ingrijpen totdat de volledige procedure is afgerond en het project door de lidstaten is goedgekeurd;

AL.

overwegende dat de opmerkingen van burgers tijdens de openbare raadpleging en de milieueffectbeoordeling betreffende geprojecteerde stortplaatsen veelal betrekking hebben op vermeende aantastingen van beschermde gebieden, zoals in het geval van de stortplaats in het nationaal park van de Vesuvius, of een uiting zijn van ongerustheid over de negatieve effecten op gezondheid en welzijn;

AM.

overwegende dat geplande locaties voor nieuwe stortplaatsen op verzet stuiten omdat de tegenstanders vinden dat zij een op ecologische of culturele gronden beschermd gebied aantasten, zoals blijkt uit de verzoekschriften over het plan om een nieuwe stortplaats te openen in het nationaal park van de Vesuvius, en dat het van mening is dat de aanleg van stortplaatsen in gebieden die deel uitmaken van het Natura 2000-netwerk onverenigbaar moet worden geacht met het milieurecht van de EU;

AN.

overwegende dat de richtlijn betreffende het storten van afval (de "stortrichtlijn") de vergunningverlening voor de exploitatie van stortplaatsen en de gemeenschappelijke controleprocedures gedurende de exploitatie- en nazorgfasen regelt en overwegende dat stortplaatsen die zijn gesloten vóór de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht, niet onderworpen zijn aan de bepalingen ervan; overwegende dat de in de richtlijn genoemde criteria betrekking hebben op de ligging van stortplaatsen, de watercontrole en het percolaatbeheer, de bodem- en waterbescherming, de controle van gasuitstoot, overlast en gevaren, de stabiliteit van de afvalmassa en de omheining rond stortplaatsen;

AO.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften verscheidene verzoekschriften heeft ontvangen, met name het verzoekschrift dat aanleiding heeft gegeven tot het studiebezoek aan Path Head (VK), betreffende stortplaatsen die zeer dicht bij woningen zijn gelegen en waar de bevolking te kampen heeft met stankoverlast, verhoogde luchtverontreiniging en ongedierte in de nabijheid van hun huis; overwegende echter dat, aangezien de EU-wetgeving niet voorziet in meer nauwkeurige voorschriften inzake de nabijheid van stortplaatsen bij woningen, scholen en ziekenhuizen, de precieze voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu onderworpen zijn aan het in de Verdragen verankerde subsidiariteitsbeginsel;

AP.

overwegende dat in verzoekschriften inzake stortplaatsen vaak bezorgdheid wordt geuit over mogelijke grondwaterverontreiniging, omdat oudere stortplaatsen soms geen waterafdichting hebben die voorkomt dat percolatiewater in de waterhoudende grondlaag lekt of omdat de waterafdichting gescheurd lijkt, wat voor lekkage doet vrezen, dan wel omdat ze in geologisch instabiele bodem of te dicht bij grond-/drinkwatervoorraden liggen;

AQ.

overwegende dat de Commissie meldt dat sedert 2001 177 inbreukprocedures op de stortrichtlijn zijn ingeleid en dat in een recente inventaris minstens 619 illegale stortplaatsen in de EU zijn geteld;

AR.

overwegende dat uit de verzoekschriften en de klachten aan de Commissie blijkt dat er tal van illegale stortplaatsen zijn die werken zonder vergunning, ook al is het exacte aantal niet gekend omdat er geen adequaat toezicht is;

AS.

overwegende dat eraan wordt herinnerd dat storten van afval als een laatste redmiddel moet gelden; overwegende dat de overheden in bepaalde lidstaten die achterop hinken inzake het voorkomen, recyclen en hergebruik van afval, misschien onder druk staan om bestaande, zelfs niet-conforme, stortplaatsen uit te breiden of nieuwe stortplaatsen te openen als kortetermijnoplossing voor het wegwerken van afval;

AT.

overwegende dat het gebruik van verbrandingsovens, die laag staan in de afvalhiërarchie, algemeen erkend en aanvaard wordt door de burgers in sommige landen die geacht worden de KRA goed na te leven, omdat deze ovens energie terugwinnen in het proces en dat landen die tot nu toe geen gebruik hebben gemaakt van verbranding, kunnen besluiten dit toch te doen om hun opgestapelde achterstand weg te werken;

AU.

overwegende dat dit enkel kan gebeuren indien de relevante EU-wetgeving strikt gecontroleerd en nageleefd wordt en met dien verstande dat dergelijke maatregelen waarschijnlijk begrijpelijk verzet zullen uitlokken bij de meest direct betrokken bevolking in de omgeving, die bezorgd is over de gevolgen ervan voor hun gezondheid;

AV.

overwegende dat erkend moet worden dat nieuwe technologieën de emissies van verbrandinginstallaties aanzienlijk hebben verminderd; overwegende dat in bepaalde lidstaten, met name de landen waar een hoog percentage van het afval wordt verbrand, de acceptatiegraad van de lokale bevolking kennelijk hoger ligt, wellicht omdat men zich ervan bewust is dat verbrandingsinstallaties ook warmte en energie leveren en ook omdat de informatie over de werking ervan transparant en toegankelijk is;

AW.

overwegende dat vergunningen voor de bouw van verbrandingsinstallaties op evenveel verzet stuiten als vergunningen voor stortplaatsen en om gelijke redenen, vooral vanwege de vrees voor luchtverontreiniging en negatieve gezondheidseffecten en/of gevolgen voor op milieugronden beschermde gebieden;

AX.

overwegende dat overheden voor de bouw van verbrandingsinstallaties vaak gebieden kiezen waar al veel luchtvervuiling is, dat niet mag worden voorbijgegaan aan de cumulatieve effecten op de gezondheid van de bewoners van het gebied en dat vaak geen aandacht wordt besteed aan het zoeken naar alternatieve methodes voor afvalverwijdering en energieproductie door middel van methanisering;

AY.

overwegende dat de nadruk op verbranding voor energieproductie als eerste keuze toch een minder efficiënte methode van afvalbeheer vormt dan voorkoming, recycling en hergebruik, die dan ook voorrang moeten krijgen, overeenkomstig de afvalhiërarchie van de KRA;

AZ.

overwegende dat een actieve participatie van de maatschappelijke organisaties, een betere participatie van belanghebbenden en - middels publiekscampagnes via de media - meer bewustwording nodig is om de wettelijk vastgestelde doelstellingen voor recycling en preventie te halen;

BA.

overwegende dat alle verslagen over onderzoeksmissies van de Commissie verzoekschriften betreffende afvalkwesties melding maken van het feit dat er tussen burgers en autoriteiten weinig of geen communicatie bestaat, wat in bepaalde gevallen kan leiden tot gespannen situaties en burgerdemonstraties waarover vaak in de pers wordt bericht;

BB.

overwegende dat de wereldbevolking toeneemt en de totale consumptie aanzienlijk zal stijgen, waardoor het afvalbeheer sterker onder druk zal komen te staan; overwegende dat het voor een oplossing van dit probleem onder meer nodig is dat de mensen dit beseffen en dat het beginsel van de afvalhiërarchie in praktijk wordt gebracht;

BC.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften geen preventieve of rechterlijke bevoegdheden heeft, maar de belangen van de burgers kan verdedigen, met name waar zich problemen voordoen met de toepassing van het EU-recht, door samen te werken met de bevoegde autoriteiten om oplossingen of verklaringen te zoeken voor de in verzoekschriften voorgelegde kwesties;

1.

roept de lidstaten op de KRA onverwijld om te zetten en ervoor te zorgen dat alle voorschriften van deze richtlijn volledig worden nageleefd, met name de opstelling en uitvoering van geïntegreerde afvalbeheerplannen, met inbegrip van de tijdige omzetting van alle doelstellingen in het kader van de Europese wetgeving;

2.

vraagt de Commissie nauwlettend te controleren of de lidstaten gevolg geven aan de EU-richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en erop toe te zien dat de richtlijn tijdig en doelmatig wordt geïmplementeerd; verzoekt de Commissie haar aandacht te richten op de rol die de georganiseerde misdaad in al zijn vormen speelt bij milieudelicten;

3.

wijst erop dat afval en vervuiling een ernstige bedreiging voor volksgezondheid en milieu vormen en dringt er daarom bij de lidstaten op aan snel werk te maken van de introductie van een geavanceerde afvalbeheerstrategie overeenkomstig de KRA;

4.

vraagt de overheden te erkennen dat forse investeringen nodig zijn om behoorlijke strategieën, infrastructuur en installaties voor afvalbeheer op te zetten in de meeste lidstaten en meent dat zij moeten overwegen een passend deel van de middelen van het Cohesiefonds voor dit doel te bestemmen of directe financiering te vragen aan de Europese Investeringsbank;

5.

meent dat de capaciteit voor inspectie ter plaatse en handhaving op nationaal en EU-niveau moet worden versterkt om te zorgen voor een betere naleving van de afvalwetgeving en dringt er daarom bij de lidstaten op aan hun capaciteit voor inspecties, toezicht en andere maatregelen in alle stadia van de afvalbeheerketen te versterken met het oog op een betere handhaving van de afvalwetgeving, en verzoekt de Commissie specifieke procedures in te voeren voor de volledige en effectieve toepassing van het subsidiariteitsbeginsel ingeval de lidstaten ernstig in gebreke blijven;

6.

verzoekt de Commissie om specifieke richtsnoeren voor de bevoegde overheden om hen te helpen met de correcte implementatie van het afvalacquis, maar merkt op dat de beschikbare middelen op Europees niveau momenteel ontoereikend zijn; vindt dan ook dat aanvullende financiële en administratieve maatregelen moeten worden genomen om te voorzien in een betere begeleiding en opleidingsfaciliteiten voor functionarissen die in de afvalsector werken;

7.

vraagt de Commissie dat zij zoekt naar en zich concentreert op de meer systemische zwakheden in de implementatie van de afvalrichtlijnen door de lidstaten, zoals inadequate netwerken van afvalbeheerinstallaties, een bovenmatig beroep op stortplaatsen, een toenemende hoeveelheid afval per hoofd van de bevolking of een laag aandeel van recycling;

8.

meent dat de oprichting van een nieuw EU-agentschap voor afvalbeheer niet wenselijk is en vindt dat de huidige institutionele structuur op EU-niveau, die gebaseerd is op het DG Milieu van de Commissie en het Europees Milieuagentschap als expertise- en kenniscentrum, meer kosteneffectief is ofschoon deze diensten nog verder versterkt moeten worden met het oog op een meer actief toezicht en handhaving;

9.

meent dat het huidige Europees Milieuagentschap bij dit proces kan helpen en een meer constructieve rol kan vervullen door verslag uit te brengen over nationale afvalbeheerstrategieën en na te gaan waar de zwakke plekken zitten door te onderzoeken of de door de lidstaten opgestelde afvalbeheerplannen in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving;

10.

meent dat een nauwere samenwerking tussen de autoriteiten op lokaal, regionaal en nationaal niveau het mogelijk maakt positieve resultaten te bereiken bij het zoeken naar modellen van beste praktijken; merkt op dat het Comité van de Regio's, Europol, het Netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van het milieurecht, Municipal Waste Europe en de FEAD, de Europese federatie die de afvalbeheerindustrie vertegenwoordigt, een nuttiger rol kunnen vervullen bij het organiseren van deze uitwisseling en dat zij zo ook kunnen helpen het vertrouwen op te bouwen bij de bevolking die van de uitvoering van het afvalbeleid gevolgen ondervindt;

11.

vraagt de lidstaten die met flagrante afvalcrises geconfronteerd worden, dat zij zich bezinnen over het feit dat efficiëntere afvalbeheerstrategieën kansen bieden, zowel voor het creëren van banen als voor het verhogen van de ontvangsten, en tegelijk zorgen voor de duurzaamheid van het milieu door middel van hergebruik, recycling en het winnen van energie uit afval;

12.

wijst erop dat de afvalhiërarchie een essentieel element van Richtlijn 2008/98/EG vormt en volgens deze richtlijn de grondslag moet zijn van elke vorm van afvalbeheer; wijst er ook op dat economische argumenten voor de afvalhiërarchie pleiten en in de richting wijzen van voorkoming, gevolgd door hergebruik en recycling en dan pas verbranding voor energiewinning, en dat storten als verspillende en niet-duurzame methode zo veel mogelijk moet worden vermeden;

13.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan in dit verband te zorgen voor een groter milieubewustzijn bij de bevolking over de voordelen van efficiënt afvalbeheer, door met name informatie te verstrekken over de voordelen van gescheiden inzameling, de werkelijke kosten van de inzameling van het huishoudelijk afval, alsook over de opbrengst van benutting van het huishoudelijk afval;

14.

meent dat een hechtere samenwerking tussen de nationale overheden en de Commissie verzoekschriften wanneer deze laatste de directe problemen van de plaatselijke burgers behandelt, een uitstekende gelegenheid biedt om de dialoog tussen de bevoegde autoriteiten en de plaatselijke gemeenschappen inzake prioriteiten in verband met de uitvoering van afvalstrategieën, vlotter te doen verlopen en in sommige gevallen een doeltreffende remedie kan vormen wanneer dit nuttig kan zijn om plaatselijke conflicten op te lossen;

15.

stelt voor dat een gemeenschappelijke EU-norm wordt overeengekomen voor kleurcodering van bepaalde categorieën van afvalstoffen voor het sorteren en het recyclen, om de deelname van de burgers en het inzicht in het afvalproces te vergemakkelijken en te verbeteren, en meent dat dit kan bijdragen tot de inspanningen van de lidstaten om het aandeel van recycling aanzienlijk en snel te doen verhogen;

16.

spoort aan tot een vroegtijdige en effectieve dialoog tussen de bevoegde plaatselijke en regionale overheden en de plaatselijke burgers in de planningfasen, voordat besluiten worden genomen over de bouw van afvalverwerkingsinstallaties, in het besef dat de nimby-houding ("not in my back yard") hierbij een grote uitdaging vormt;

17.

benadrukt dat het van cruciaal belang is dat de richtlijn inzake milieueffectrapportage correct en volledig wordt uitgevoerd en dat de door de milieuwetgeving vereiste vergunningsprocedures naar behoren gecoördineerd worden;

18.

roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat een volledige milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd, vooraleer enig besluit wordt genomen inzake de oprichting of de bouw van een nieuwe afvalinstallatie, met name een verbrandingsoven of een methaniseringsinstallatie, of – als laatste redmiddel – een nieuwe afvalstortplaats; meent dat dergelijke beoordelingen verplicht moeten zijn;

19.

begrijpt dat in sommige gevallen dringende besluiten nodig zijn om acute afvalcrises te beheren, of om te voorkomen dat er een crisis uitbreekt, maar benadrukt dat zelfs in die gevallen een volledige eerbiediging van de bestaande EU-wetgeving gegarandeerd moet worden, met name omdat de gezondheid en het welzijn van plaatselijke gemeenschappen op lange termijn op het spel staan;

20.

is ervan overtuigd dat de dialoog tussen de overheden, de operatoren uit de particuliere sector en de getroffen bevolkingen verbeterd moet worden en dat burgers betere toegang moeten krijgen tot objectieve informatie, met efficiëntere mechanismen voor administratieve controle en rechterlijke toetsing waar deze noodzakelijk zijn;

21.

verzoekt de Commissie meer steun te geven aan het publiek-privatepartnerschapsnetwerk voor bewustmakingsprojecten; dringt aan op steun voor de campagne "Maak de wereld schoon", waarover een schriftelijke verklaring is opgesteld die al door ruim 400 EP-leden ondertekend is, en waarvoor volgend jaar de steun van miljoenen vrijwilligers te verwachten is;

22.

meent dat indieners moeten worden aangemoedigd om optimaal van zulke mechanismen gebruik te maken indien deze bestaan, omdat zij vaak effectiever zijn en sneller tot resultaat leiden dan maatregelen op EU-niveau, zeker wanneer het om specifieke afvalfaciliteiten gaat;

23.

dringt er bij de Commissie op aan meer duidelijke en meer specifieke criteria voor te stellen voor de ligging van stortplaatsen en verbrandingsinstallaties tegenover woningen, scholen of gezondheidszorginstellingen in de buurt, teneinde te zorgen voor solidere garanties tegen mogelijke risico's voor de gezondheid van de mens en het milieu, waarbij moet worden overwogen dat een groot aantal variabelen en plaatselijke omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen met volledige eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel;

24.

beveelt aan dat de nationale overheden samenwerken, vooral wanneer zij plannen maken voor afvalverwerkingsinstallaties in grensgebieden, en dat zij ervoor zorgen dat grensoverschrijdende effectbeoordelingen worden uitgevoerd waarin rekening wordt gehouden met informatie die voor alle burgers en betrokken partijen relevant is;

25.

spoort de Commissie ertoe aan ten volle te erkennen dat de effectieve milieuwetgeving inzake plaatsen van historisch erfgoed en inzake het behoud en de bevordering van de biodiversiteit, zoals vastgesteld in de waterkaderrichtlijn en de habitat- en vogelrichtlijnen, gekoppeld moet worden aan de MER- en SEA-richtlijnen en aan de wetgeving inzake afvalbeheer;

26.

spoort de Commissie ertoe aan om, in de gevallen waarin zij daarvoor bevoegd is, te zorgen voor de naleving van de procedurevoorschriften van de EU-wetgeving (milieueffectbeoordeling, openbare raadpleging), onder meer ook de voorschriften van de richtlijnen voor de bescherming van de natuur en plaatsen van historisch erfgoed;

27.

meent dat uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van officieel erkende stortplaatsen, die in overeenstemming zijn met de stortrichtlijn en die naar behoren afgeleverde vergunningen hebben, en dat hun ligging duidelijk moet worden aangegeven en geregistreerd, terwijl alle andere stortplaatsen illegaal moeten worden verklaard, effectief gesloten, afgesloten en gesaneerd en hun omgeving effectief moet worden gecontroleerd op mogelijke negatieve gevolgen;

28.

meent dat een openbare en duidelijke definitie van de criteria voor het aanvaarden van afvalstoffen noodzakelijk is en dat een efficiënte toezichtregeling moet worden opgezet voor, met name gevaarlijk, afval om te verzekeren dat alleen geschikte afvalstoffen naar stortplaatsen of verbrandingsovens worden getransporteerd en er worden gestort; vindt dat er systematisch regelmatige onaangekondigde bemonsterings- en testprocedures moeten worden uitgevoerd in alle lidstaten;

29.

is van oordeel dat met name in overwegend agrarische regio's het accent meer moet komen te liggen op de terugwinning van organisch afval, iets waaraan tot op heden weinig aandacht is geschonken;

30.

dringt erop aan dat gemeenschappelijke criteria worden vastgesteld voor de meting van de belangrijkste emissiewaarden van verbrandingsinstallaties en dat de metingsuitslagen online en in real time voor het publiek beschikbaar moeten zijn, om vertrouwen tot stand te brengen binnen de plaatselijke gemeenschappen en ook om te voorzien in een efficiënt alarmsysteem in geval zich onregelmatigheden voordoen;

31.

herinnert de lidstaten eraan dat zij, ook als problemen op een lager bestuursniveau rijzen, verantwoordelijk zijn voor effectief toezicht en controle op de naleving van alle EU-normen en vergunningen en spoort hen ertoe aan te zorgen voor voldoende en bekwaam personeel om deze taak uit te voeren, met inbegrip van regelmatige inspecties ter plaatse;

32.

constateert dat met spoed aandacht moet worden besteed aan het openlijk en illegaal storten van gemengd en ongeïdentificeerd afval en dringt erop aan dat het afvalbeheer aan strikte controles wordt onderworpen; herinnert de bevoegde autoriteiten eraan dat zij in volledige overeenstemming met de GPBV-richtlijn (2008/1/CE, gewijzigd bij Richtlijn 2010/75/EU) de behandeling van deze specifieke soorten afval, ongeacht de herkomst ervan, aan strikte controles moeten onderwerpen en verzoekt de Commissie alles te doen wat in haar vermogen ligt om erop toe te zien dat de bevoegde autoriteiten er daadwerkelijk voor zorgen dat afvalstoffen op de juiste wijze worden verzameld, gescheiden en behandeld, bijvoorbeeld door middel van stelselmatige inspecties, en dat de regionale autoriteiten een geloofwaardig plan voorleggen;

33.

verzoekt alle lidstaten maatregelen te nemen om de bevolking in de nabijheid van bestaande of geplande afvalbeheerinstallaties aan te sporen deze beter te accepteren, door aan te tonen dat de vergunningverlenende en goedkeurende instanties de voorschriften correct en met volledige transparantie eerbiedigen;

34.

beveelt aan dat adequate en ontradende sancties en boetes worden opgelegd voor het illegaal storten van afval, met name giftig en gevaarlijk afval, gedeeltelijk om de milieuschade te vergoeden overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt; wenst dat op het illegaal storten van chemisch of sterk radioactief afval in de natuur zeer zware sancties staan die recht doen aan de daaraan verbonden gevaren voor mens en milieu;

35.

dringt aan op doeltreffende maatregelen om infiltratie van de georganiseerde misdaad in het afvalbeheer en connecties tussen de georganiseerde misdaad en de bedrijven of de overheid tegen te gaan;

36.

beveelt aan dat, wanneer openbare middelen worden toegekend aan particuliere ondernemingen voor het beheer van afvalverwerking, moet worden gezorgd voor efficiënt financieel toezicht op het gebruik van deze middelen door de plaatselijke en/of nationale autoriteiten teneinde de naleving van de EU-wetgeving te garanderen;

37.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(2)  PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28.

(3)  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.

(4)  PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91.

(5)  PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.

(6)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.

(7)  PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17.

(8)  DT 682330.

(9)  DT 745784.

(10)  DT 778722.

(11)  DT 833560 + B7-0073/2011.

(12)  DT 820406.

(13)  Studie over de haalbaarheid van de oprichting van een agentschap voor afvalbeheer, herzien eindverslag, 7 december 2009.

(14)  FEAD "Verklaring van Brussel', 15 februari 2011.

(15)  85/337/EEG.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/69


Donderdag 2 februari 2012
Het Daphne-programma

P7_TA(2012)0027

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het Daphne-programma: verwezenlijkingen en toekomstperspectieven (2011/2273(INI))

2013/C 239 E/11

Het Europees Parlement,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien de conclusies van de Raad EPSCO van 8 maart 2010 over geweld,

gezien de strategie van de Commissie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 die op 21 september 2010 werd gepresenteerd (COM(2010)0491),

gezien het actieplan ter uitvoering van de politieke prioriteiten van het programma van Stockholm op het gebied van rechtvaardigheid, vrijheid en veiligheid voor de periode 2010-2014, ingediend op 20 april 2010 (COM(2010)0171),

gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen (1),

gezien Besluit nr. 779/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot vaststelling van een specifiek programma ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen en ter bescherming van slachtoffers en risicogroepen voor de periode 2007-2013 (het Daphne III-programma) als onderdeel van het algemene programma Grondrechten en justitie (2),

gezien Besluit nr. 803/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van een communautair actieprogramma (2004-2008) ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen en ter bescherming van slachtoffers en risicogroepen (Daphne II-programma) (3),

gezien Besluit nr. 293/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 januari 2000 tot vaststelling van een communautair actieprogramma (het programma Daphne) (2000-2003) betreffende preventieve maatregelen ter bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen (4),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 over de tussentijdse evaluatie van het Daphne III-programma (2007-2013) (COM(2011)0254),

gezien de besluiten van de Commissie over de goedkeuring van de jaarlijkse werkprogramma's voor het Daphne III-programma,

gezien de mededeling van de Commissie over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "Rechten en burgerschap" voor de periode 2014-2020 (COM(2011)0758),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0006/2012),

A.

overwegende dat het Daphne-programma sinds zijn lancering in 1997 een groot succes is, zowel wat betreft de populariteit bij de belanghebbenden (begunstigden, universitaire en overheidsinstanties, ngo's), als de doeltreffendheid van de in het kader van dit programma gefinancierde projecten;

B.

overwegende dat Daphne het enige programma in zijn soort is met het doel geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren op EU-niveau te bestrijden; overwegende dat de voorspelbaarheid van de financiering van het Daphne-programma fundamenteel is voor het behoud van de huidige maatregelen en voor de invoering van nieuwe maatregelen waarmee geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen doeltreffend kan worden bestreden;

C.

overwegende dat de voorkoming en de bestrijding van geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren vandaag nog altijd even actueel zijn als in 1997, het jaar waarin het Daphne-initiatief werd aangenomen; overwegende dat het programma sinds het werd opgericht de aandacht heeft gevestigd op nieuwe vormen van geweld, waaronder geweld op de crèche, mishandeling van bejaarden en seksueel geweld onder tieners;

D.

overwegende dat het Europees Parlement er in talloze resoluties op heeft gewezen dat de financiering van het Daphne-programma tot op heden ontoereikend is geweest, en blijk heeft gegeven van zijn intentie voldoende financiering voor het programma te waarborgen, zodat het tegemoet kan komen aan de daadwerkelijke behoeften die komen kijken bij de bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren;

E.

overwegende dat Daphne een bijzonder belangrijk instrument is om de kwestie van geweld tegen vrouwen onder de aandacht te brengen en om vrouwenorganisaties en andere belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun werkzaamheden en concrete maatregelen op dit vlak te ontwikkelen;

F.

overwegende dat er meer recentelijk, met het groeiende gebruik van sociale netwerksites, weer nieuwe vormen van geweld zijn ontstaan;

G.

overwegende dat vrouwen in de huidige omstandigheden van economische crisis en begrotingsdiscipline over minder middelen beschikken om zichzelf en hun kinderen te beschermen tegen geweld, en overwegende dat het nu des te belangrijker is de rechtstreekse financiële consequenties van geweld tegen vrouwen en kinderen voor het rechtsstelsel, de sociale dienstverlening en de gezondheidszorg te voorkomen; overwegende bovendien dat de financiële middelen voor nationale programma's en ngo's die zich richten op de behoeften van geweldsslachtoffers mogelijk worden verlaagd;

H.

overwegende dat de Commissie in haar strategie voor gendergelijkheid 2010-2015 benadrukt dat gendergerelateerd geweld een van de kernproblemen is die moet worden aangepakt om werkelijke gendergelijkheid te bewerkstelligen;

I.

overwegende dat het belangrijk is het toepassingsgebied van het Daphne III-programma uit te breiden naar de kandidaat-lidstaten, zodat het niveau van de vrouwenrechten daar dichter bij de EU-normen kan worden gebracht;

J.

overwegende dat geweld tegen vrouwen voortkomt uit hardnekkige gendergerelateerde ongelijkheden en een structureel verschijnsel is dat verband houdt met de ongelijke machtsverdeling tussen mannen en vrouwen in onze samenleving; overwegende echter dat deze vorm van geweld aanzienlijk kan worden verminderd door het combineren van gerichte maatregelen tegen genderstereotypering op het gebied van onderwijs en in de media, en door bewustmaking in de gezondheidszorg, politiediensten en het rechtsstelsel;

K.

overwegende dat geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren vele vormen van mensenrechtenschendingen omvat, zoals seksueel misbruik, verkrachting, huiselijk geweld, aanranding en intimidatie, prostitutie, mensenhandel, schending van de seksuele en reproductieve rechten, geweld tegen vrouwen en jongeren op de werkvloer, geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren in conflictsituaties, geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren in gevangenissen of zorginstellingen en diverse schadelijke traditionele praktijken zoals genitale verminking; overwegende dat elk van deze vormen van misbruik diepe psychologische littekens kan achterlaten, de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen, kinderen en jongeren kan schaden, en in sommige gevallen zelfs tot de dood kan leiden;

L.

overwegende dat de bestrijding van geweld tegen vrouwen niet wordt genoemd in de doelstellingen van het Commissievoorstel voor het nieuwe programma "Rechten en burgerschap" voor de financiële periode 2014-2020, waarin het Daphne III-programma, de onderdelen gendergelijkheid en non-discriminatie van het Progress-programma, en het programma Grondrechten en burgerschap worden samengevoegd; overwegende dat dit de zichtbaarheid en coherentie van het Daphne-programma kan ondermijnen en zijn succes op het spel kan zetten; overwegende dat het voorgestelde budget voor het nieuwe programma kleiner is dan dat voor de huidige programma's; overwegende dat het voorstel geen garanties biedt voor de voorspelbaarheid van de financiering voor zijn doelstellingen;

M.

overwegende dat er niet op stelselmatige wijze vergelijkbare gegevens over verschillende soorten geweld tegen vrouwen in de Europese Unie worden verzameld, zodat het moeilijk is de werkelijke omvang van het probleem vast te stellen en passende oplossingen te vinden; overwegende dat het verzamelen van betrouwbare gegevens bijzonder ingewikkeld is omdat vrouwen en mannen, uit angst of schaamte, huiverig zijn om melding te maken van hun ervaringen;

N.

overwegende dat huiselijk geweld extreem hoge kosten voor de samenleving met zich meebrengt; overwegende dat de kosten voor de Europese Unie van partnergeweld alleen, in het kader van een Daphne-project zijn geraamd op 16 miljard euro per jaar, met inbegrip van de rechtstreekse medische kosten (eerstehulpverlening, ziekenhuisopnamen, ambulante zorg, medicijnen), kosten van politie- en justitiediensten, maatschappelijke kosten (opvang en verschillende vormen van hulp) en economische kosten (productieverlies) (5);

O.

overwegende dat uit verschillende onderzoeken naar gendergerelateerd geweld blijkt dat naar schatting een vijfde tot een vierde van alle vrouwen in Europa minstens eenmaal in hun volwassen leven te maken heeft gehad met fysiek geweld en dat meer dan een tiende het slachtoffer is geweest van seksueel geweld; overwegende dat uit onderzoek eveneens is gebleken dat 26% van de kinderen en jongeren naar eigen zeggen in de jeugd met fysiek geweld te maken heeft gehad;

P.

overwegende dat Roma-vrouwen en -kinderen als gevolg van sociale uitsluiting en marginalisering bijzonder kwetsbaar zijn voor geweld, en dat het Daphne-programma in het verleden met succes verschillende initiatieven heeft ondersteund die erop gericht waren het verband tussen sociale uitsluiting, armoede en geweld te verduidelijken;

Q.

overwegende dat gendergerelateerd geweld overal in Europa en in de hele wereld een structureel en wijdverbreid probleem is, en dat dit verschijnsel los staat van de leeftijd, het opleidingsniveau, het inkomen of de maatschappelijke positie van de slachtoffers of de geweldplegers, en te maken heeft met een ongelijke machtsverdeling tussen mannen en vrouwen in onze samenleving;

R.

overwegende dat vrouwen in de Europese Unie als gevolg van verschillende vormen van beleid en wetgeving in de lidstaten niet hetzelfde niveau van bescherming genieten tegen geweld door mannen;

S.

overwegende dat het Daphne-programma artikel 168 van het VWEU inzake de volksgezondheid als rechtsgrond heeft, maar in het kader van het Verdrag van Lissabon over grotere bevoegdheden beschikt;

1.

heeft met grote interesse kennis genomen van de successen en populariteit alsook de verbeterpunten van het programma, zoals omschreven in het tussentijds verslag over het Daphne III-programma 2007-2013, in de vooronderzoeken waarop dit verslag is gebaseerd (6) en in de berichten van de begunstigden van Daphne-toelagen;

2.

neemt er kennis van dat het Daphne-programma voor de periode 2014-2020 zal worden opgenomen in het programma "Rechten en burgerschap", beschouwt het van essentieel belang dat de doelstellingen van het programma – en met name de bestrijding van geweld tegen vrouwen – voor de periode 2014-2020 worden gehandhaafd onder de doelstellingen van het nieuwe programma Rechten en burgerschap, blijft erbij dat de financiering ervan op een vergelijkbaar niveau moet blijven als dat van het voorgaande programma en dat de zichtbaarheid ervan binnen het programma van de nieuwe generatie moet worden gewaarborgd, gezien het succes, de doeltreffendheid en de populariteit van het programma;

3.

betreurt dat de bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen niet uitdrukkelijk wordt genoemd onder de "Specifieke doelstellingen" in artikel 4 van de mededeling van de Commissie (COM(2011)0758) betreffende het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Rechten en burgerschap voor de periode 2014-2020;

4.

is ingenomen met het feit dat de totale kredieten voor het gehele programma Rechten en burgerschap praktisch zijn gehandhaafd; meent dat een evenwichtige jaarlijkse spreiding de continuïteit van de doelstellingen en maatregelen zou waarborgen;

5.

verzoekt de lidstaten en de belanghebbende partners ook om in samenwerking met de Commissie bij te dragen aan de verspreiding van informatie over de programma's van de Europese Unie en de financieringsmogelijkheden die zij bieden, met name onder ngo's, op lokaal niveau en in lidstaten waar aan het programma wordt deelgenomen;

6.

verzoekt de Commissie oplossingen aan te dragen voor de hieronder omschreven problemen die in het tussentijdse verslag werden vastgesteld, voornamelijk met betrekking tot:

het vermijden van overlapping met andere EU-programma's om te voorkomen dat Daphne-kwesties een lagere prioriteit krijgen,

een grotere transparantie van de programma's en de bekendmaking van de resultaten,

een evenwichtige verdeling van de programma's tussen de lidstaten,

een verlaging van de administratieve lasten, een vereenvoudiging van de aanvraagprocedures voor subsidies en een verkorting van de wachttijd tussen de oproep tot het indienen van projecten en de contractsluiting, die veel ngo's ervan heeft weerhouden Daphne-projecten voor te stellen,

een grotere doeltreffendheid van exploitatietoelagen voor Europese organisaties ter versterking van multidisciplinaire, voor subsidiedoeleinden opgerichte partnerschappen in heel Europa; betere mogelijkheden voor ngo's – en met name kleinere ngo's in Midden- en Oost-Europese landen – om nationaal en Europees beleid uit te stippelen en te beïnvloeden;

7.

roept de Commissie op de effecten van het programma te vergroten door extra aandacht te besteden aan vrouwen, kinderen en jongeren die vanwege sociale uitsluiting en marginalisering een verhoogde kans lopen het slachtoffer te worden van geweld;

8.

verzoekt de Commissie de kandidaat-lidstaten in aanmerking te laten komen voor financiering in het kader van het Daphne III-programma;

9.

verzoekt de lidstaten en de belanghebbende partners ook om zich voor deze doelstelling van een betere verdeling van de programma's tussen de lidstaten in te zetten;

10.

verzoekt de Commissie meer financiële middelen beschikbaar te stellen voor projecten die erop gericht zijn jonge generaties bewust te maken van nieuwe vormen van geweld die verband houden met het groeiende gebruik van socialenetwerksites (bedreigingen, psychologische druk, pesten, kinderpornografie), die verraderlijker zijn dan andere vormen van geweld maar evenveel lichamelijk of geestelijk letsel kunnen opleveren;

11.

verzoekt de lidstaten regelmatig gegevens te verzamelen over geweld tegen vrouwen, zodat de omvang van het probleem kan worden verduidelijkt;

12.

wijst op de toegevoegde waarde van het Daphne-programma voor de EU, dat verschillende organisaties uit de lidstaten in staat stelt samen te werken om geweld tegen te gaan en kennis en optimale werkmethoden uit te wisselen; merkt ook op dat uit de door Daphne III gefinancierde projecten solide verenigingen en structuren zijn voortgekomen die de doelgroepen op langere termijn zullen blijven steunen en aanleiding hebben gegeven tot beleidswijzigingen op zowel nationaal als EU-niveau;

13.

onderstreept dat bijzondere aandacht moet worden verleend aan projecten met het doel eerwraak en genitale verminking bij vrouwen uit te bannen;

14.

verzoekt de Commissie de financiering van nationale projecten met kleine organisaties zonder winstoogmerk toe te staan en wenst dat de volledige deelname aan associatiepartnerschappen van een groot aantal kleine ngo's in de toekomst mogelijk blijft en ondersteund wordt, aangezien zij een belangrijke rol spelen in het opsporen van minder bekende, nieuwe of taboeproblemen en deze op vernieuwende wijze aanpakken, alsook in de bescherming en ondersteuning van slachtoffers;

15.

erkent de belangrijke rol van maatregelen in het kader van het Daphne III-programma ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen, maar herhaalt dat er wetgevende maatregelen moeten worden aangenomen op Europees niveau om gendergerelateerd geweld uit te bannen;

16.

verzoekt de Commissie de website van het online instrument Daphne Toolkit naar alle talen van de Europese Unie te vertalen en te actualiseren, en daarop de resultaten van projecten uit het Daphne-programma en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen bekend te maken, zodat deze website door alle belanghebbenden als een databank kan worden gebruikt; verzoekt de Commissie om op haar website speciale, gebruiksvriendelijke pagina's te creëren die exclusief gewijd zijn aan het Daphne-programma en, vanaf 2014, aan projecten uit het programma Rechten en burgerschap die gericht zijn op de bestrijding van geweld tegen vrouwen, kinderen en tieners;

17.

herinnert aan de toezegging van de Commissie in haar actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm om in 2011-2012 een mededeling te presenteren over een strategie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en genitale verminking van vrouwen, gevolgd door een EU-actieplan (7);

18.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat projecten met betrekking tot de doelstellingen van het Daphne-programma herkenbaar blijven bij de promotie van het programma Rechten en burgerschap, aangezien het Daphne-programma al veel bekendheid heeft verworven en de zichtbaarheid ervan op deze manier optimaal blijft;

19.

stelt de Commissie voor de taken van het Daphne-team van DG Justitie uit te breiden van administratie en financieel toezicht naar een meer communicatieve rol;

20.

stelt de Commissie voor de resultaten van projecten te benutten om het nationaal en Europees beleid ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren te beïnvloeden;

21.

verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te schenken aan verzoeken voor projecten die zich richten op de bevordering van gendergelijkheid vanaf jonge leeftijd en op voorkoming en onderwijs teneinde de denkwijzen te veranderen en stereotypen te bestrijden;

22.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0127.

(2)  PB L 173 van 3.7.2007, blz. 19.

(3)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 1.

(4)  PB L 34 van 9.2.2000, blz. 1.

(5)  Daphne-project 2006 "IPV EU Cost" JLS/DAP/06-1/073/WY "Estimation du coût des violences conjugales en Europe" Maïté Albagly, Sandrine Baffert, Claude Mugnier, Marc Nectoux, Bertrand Thellot.

(6)  COM(2011)0254 "Verslag van de tussentijdse evaluatie van het Daphne III-programma 2007-2013".

(7)  COM(2010)0171 Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa - Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm, blz. 13.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/74


Donderdag 2 februari 2012
De situatie van vrouwen in oorlogen

P7_TA(2012)0028

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de situatie van vrouwen in oorlogen (2011/2198(INI))

2013/C 239 E/12

Het Europees Parlement,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 10 december 1948 en gezien de verklaring en het actieprogramma van Wenen die zijn aangenomen door de Wereldconferentie over de mensenrechten op 25 juni 1993, in het bijzonder de paragrafen I 28-29 en II 38 over stelselmatige verkrachting, seksuele slavernij en gedwongen zwangerschap tijdens gewapende conflicten,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979, en gezien de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van geweld tegen vrouwen van 20 december 1993 (1),

gezien resoluties 1325 (2000) en 1820 (2008) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, gezien resolutie 1888 (2009) van de VN-Veiligheidsraad over seksueel geweld tegen vrouwen en kinderen in gewapende conflicten, gezien resolutie 1889 (2009) van de VN-Veiligheidsraad, die gericht is op een betere uitvoering en controle van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad, en gezien resolutie 1960 (2010) van de VN-Veiligheidsraad, op grond waarvan een mechanisme is ingesteld voor het verzamelen van gegevens over seksueel geweld in gewapende conflicten en het opstellen van een lijst van de daders daarvan,

gezien de benoeming in maart 2010 van een speciaal vertegenwoordiger bij de secretaris-generaal van de VN voor seksueel geweld in gewapende conflicten,

gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie werden aangenomen, alsmede de daaruit voortkomende documenten die tijdens de bijzondere zittingen van de VN-vergadering Peking +5 (2000), Peking+10 (2005) en Peking+15 (2010) werden aangenomen,

gezien resolutie 54/134 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 7 februari 2000 waarbij 25 november werd uitgeroepen tot Internationale Dag voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen,

gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Europese Raad werd aangenomen (2),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

gezien het actieplan van de Raad van de Europese Unie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen in de ontwikkelingssamenwerking (SEC(2010)0265), dat ervoor moet zorgen dat deze gelijkheid op alle niveaus van de werkzaamheden van de EU met partnerlanden een plaats krijgt,

gezien het verslag van 2011 over de indicatoren van de EU voor de alomvattende aanpak voor de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrouwen, vrede en veiligheid (3),

gezien de indicatoren van 2010 voor de alomvattende aanpak voor de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrouwen, vrede en veiligheid,

gezien de alomvattende aanpak voor de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrouwen, vrede en veiligheid (4) en het werkdocument getiteld "Uitvoering van UNSCR 1325, zoals versterkt door UNSCR 1820 in de context van het EVDB", beiden aangenomen in december 2008,

gezien de richtsnoeren van de Europese Unie over geweld tegen en discriminatie van vrouwen en meisjes,

gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2006 inzake het bevorderen van gendergelijkheid en gendermainstreaming in crisisbeheer,

gezien de door de Raad in 2005 goedgekeurde "Algemene gedragsnormen voor EVDB-operaties" (5),

gezien het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, zoals aangenomen op 17 juli 1998, in het bijzonder de artikelen 7 en 8 daarvan, waarin verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap en gedwongen sterilisatie of overige vormen van seksueel geweld worden gedefinieerd als misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden,

gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het tienjarig bestaan van resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid (6),

gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming (7),

gezien zijn resolutie van 1 juni 2006 over de situatie van de vrouw in gewapende conflicten en haar rol in de wederopbouw en het democratische proces in landen die zich in een postconflictsituatie bevinden (8),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0429/2011),

A.

overwegende dat er de laatste tien jaar, sinds resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad is aangenomen, maar weinig vooruitgang is geboekt; overwegende dat in sommige gevallen quota zijn vastgesteld voor de deelname van vrouwen aan regeringen en dat het aantal vrouwen in representatieve instellingen is toegenomen; overwegende dat er sindsdien een groter bewustzijn van genderverschillen in conflicten is ontstaan; overwegende dat ondanks alle inspanningen de deelname van vrouwen aan vredesonderhandelingen op een paar uitzonderingen na, nog altijd minder dan 10% van de formele betrokkenen bedraagt (9);

B.

overwegende dat de functie van speciaal vertegenwoordiger van de VN voor seksueel geweld in gewapende conflicten, zoals momenteel bekleed door Margot Wallström, in het leven is geroepen;

C.

overwegende dat seksueel geweld in de vorm van massaverkrachtingen, mensenhandel en andere vormen van seksueel misbruik van vrouwen en kinderen nog altijd wereldwijd in conflictregio's als oorlogstactiek wordt gebruikt, hetgeen onacceptabel is; overwegende dat het machtsvacuüm dat ontstaat in post-conflictgebieden kan leiden tot verslechtering van de rechten van vrouwen en meisjes, zoals is gebleken in Libië en Egypte;

D.

overwegende dat de fysieke gevolgen van seksueel geweld in oorlogstijd – zowel lichamelijk (risico's als steriliteit, incontinentie, seksueel overdraagbare aandoeningen enz.) als psychologisch – vernietigend zijn voor de slachtoffers, aangezien zij vaak worden gestigmatiseerd, uitgestoten en mishandeld en als onteerd worden beschouwd, en vaak uit hun gemeenschap worden uitgesloten en soms zelfs worden vermoord;

E.

overwegende dat seksueel geweld ook de families van de slachtoffers raakt, die seksueel geweld als een vernedering beschouwen; overwegende dat kinderen die voorkomen uit verkrachting kunnen worden verstoten; overwegende dat een dergelijke verstoting wreed kan zijn, bijvoorbeeld in de vorm van afstand bij de geboorte of kindermoord;

F.

overwegende dat in de Verklaring van Wenen, aangenomen op 25 juni 1993 door de VN-Wereldconferentie over Mensenrechten, wordt gesteld dat de mensenrechten van vrouwen en meisjes een onvervreemdbaar, volwaardig en ondeelbaar deel uitmaken van de universele mensenrechten;

G.

overwegende dat de daders van seksueel geweld in de meeste gevallen onbestraft blijven, zoals blijkt uit het voorbeeld van Colombia, waar seksueel geweld tegen vrouwen in een situatie van gewapend conflict een stelselmatige en heimelijke praktijk is die zo goed als straffeloos blijft, en overwegende dat deze vorm van geweld als oorlogsmisdaad moet worden beschouwd;

H.

overwegende dat vrouwen die in het leger zijn en/of samenwerken met civiele organisaties die betrokken zijn bij vredeshandhaving een belangrijke rol spelen als rolmodel, als interculturele bemiddelaars en als stimulans voor lokale vrouwen om voor zichzelf op te komen en bij lokale mannen stereotiepe opvattingen weg te nemen, en dat zij ook beter communiceren met plaatselijke vrouwen;

I.

overwegende dat gendergerelateerde acties in de meeste landen geen hoge prioriteit krijgen, omdat gender gezien wordt als een ondergeschikt thema en omdat culturele, religieuze en sociaaleconomische praktijken worden gebruikt als excuus voor het belemmeren van de voortgang op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten;

J.

overwegende dat vanaf het vroegste stadium van de opzet van civiele en veiligheidsmissies nadruk moet worden gelegd op het genderaspect; overwegende dat is gebleken dat vredesmissies een beslissende bijdrage leveren aan de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij preventie, demobilisatie en wederopbouw na conflicten;

K.

overwegende dat de geschiedenis laat zien dat oorlogvoering een sterk door mannen gedomineerde activiteit is en dat er daarom verwacht mag worden dat de bijzondere vaardigheden van vrouwen op het vlak van dialoog en geweldloosheid op zeer positieve wijze kan bijdragen aan vreedzame conflictpreventie en -beheersing;

L.

overwegende dat het belang van vrouwelijke betrokkenheid en een genderperspectief wordt onderstreept door het feit dat wanneer meer vrouwen betrokken zijn bij conflictoplossing, vredesopbouw en vredesonderhandelingen, aan meer aspecten van wederopbouw en vredesconsolidatie wordt gewerkt: marktinfrastructuur, plattelandswegen, ziekenhuizen, toegankelijke scholen, kleuterscholen enz.;

M.

overwegende dat in 2010 voor de alomvattende aanpak zeventien indicatoren (10) werden aangenomen en dat men er met succes naar heeft gestreefd het eerste controlerapport op basis van deze indicatoren in 2011 te presenteren (11); overwegende dat er behoefte is aan alomvattende EU-controleverslagen op basis van een heldere methodiek en adequate indicatoren;

N.

overwegende dat nationale actieplannen inzake vrouwen, vrede en veiligheid van cruciaal belang zijn, op voorwaarde dat zij in de gehele EU gebaseerd zijn op uniforme Europese minimumnormen ten aanzien van doelstellingen, uitvoering en controle;

O.

overwegende dat de Commissie op 31 augustus 2011 besloten heeft nog eens 300 miljoen euro voor vrede en veiligheid in Afrika uit te trekken; overwegende dat in 2011 ten minste twaalf Afrikaanse staten, met naar schatting in totaal 386,6 miljoen inwoners, op dit moment als conflictgebied beschouwd worden;

P.

overwegende dat institutionele mechanismen en toezeggingen voor gendergelijkheid in post-conflictsituaties waar wederopbouw en re-integratie plaatsvinden, doeltreffende eerste stappen zijn richting bescherming en bevordering van vrouwenrechten; overwegende dat de betrokkenheid van alle relevante actoren zoals overheids- en politieke vertegenwoordigers, het maatschappelijk middenveld en de academische wereld, maar ook de directe betrokkenheid van vrouwengroepen en -netwerken – die financiële, technische en juridische steun moeten krijgen voor de ontwikkeling van programma's voor de meest kwetsbare delen van de bevolking, waaronder vrouwelijke migranten, binnenlands ontheemden, vluchtelingen en repatrianten – de essentiële voorwaarde is voor vredesopbouw, duurzame ontwikkeling en de totstandbrenging van een democratische samenleving met respect voor vrouwenrechten en gendergelijkheid;

Q.

overwegende dat de onderliggende oorzaken van de kwetsbaarheid van vrouwen in conflictsituaties vaak gelegen zijn in hun beperkte toegang tot onder andere onderwijs en de arbeidsmarkt; overwegende dat gelijke economische participatie van vrouwen zodoende een noodzakelijke voorwaarde is voor het bestrijden van genderspecifiek geweld bij gewapende conflicten; overwegende dat de deelname van vrouwen aan het openbaar bestuur, zowel aan de onderhandelingstafel als in actieve rollen bij vreedzame transitie, beperkt blijft, hoewel dit een hoge prioriteit en een cruciaal element blijft voor het bereiken van gendergelijkheid;

Leiderschap van vrouwen op het vlak van vrede en veiligheid

1.

pleit ervoor dat deelname van vrouwen aan de internationale teams die vredesonderhandelingen leiden, een voorwaarde wordt voor EU-steun voor vredesprocessen; vraagt om meer vooruitgang ten aanzien van de permanente aanwezigheid van vrouwelijke leiders en van lokale vrouwenrechtenorganisaties en/of maatschappelijke organisaties aan de onderhandelingstafel gedurende het gehele vredesproces;

2.

onderstreept het belang van de politieke dialoog voor versterking van de positie van vrouwen en pleit ervoor dat EU-delegaties ook vraagstukken met betrekking tot vrouwen, vrede en veiligheid opnemen in hun politieke en mensenrechtendialoog met de ontvangende regering; dringt er bij de Europese Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op aan in hun betrekkingen met landen en organisaties buiten de EU actief de zeggenschap en deelname van vrouwen te bevorderen en te steunen;

3.

is verheugd over het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking en verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de EU alle nodige maatregelen te treffen opdat stafleden van EU-delegaties een adequate en doeltreffende opleiding krijgen over gendergerichtheid bij vredeshandhaving, conflictpreventie en vredesopbouw; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er passende technische en financiële steun wordt geboden aan programma's die vrouwen in staat stellen volledig deel te nemen aan vredesonderhandelingen en die vrouwen in de samenleving in het algemeen meer invloed geven;

4.

roept de EU en de lidstaten op een toename van het aantal vrouwen in militaire en civiele vredesmissies te bevorderen, met name in leidinggevende functies, en vraagt daarom om:

het opzetten van nationale campagnes waarin de krijgsmacht en de politie worden gepromoot als geschikte optie voor zowel vrouwen als mannen, teneinde mogelijke stereotypen uit te bannen; deze campagnes dienen voorlichtingsactiviteiten en opendeurdagen te omvatten waarbij op objectieve wijze voorlichting wordt gegeven over de opleidings- en beroepsmogelijkheden in het leger;

toezicht op het bevorderingsbeleid in de strijdmacht, teneinde te kunnen nagaan of vrouwen, hoewel zij ongeacht hun geslacht aan hun mannelijke collega's gelijkgesteld zijn, bij bevorderingen benadeeld worden;

het nemen van vrouwvriendelijke beleidsmaatregelen binnen de krijgsmacht, zoals de mogelijkheid van zwangerschapsverlof;

het propageren van rolmodellen – vrouwen die moed hebben getoond en verandering hebben teweeggebracht;

het opnemen van meer vrouwen, met name in civiele operaties, in hoge functies en in de interactie met de lokale gemeenschap;

intensieve scholing van mannen en vrouwen die betrokken zijn bij de interactie met burgers op het gebied van gendergerelateerde aspecten en de bescherming, bijzondere behoeften en rechten van vrouwen en kinderen in conflictsituaties en de cultuur en tradities van de ontvangende landen, teneinde de deelnemers beter te beschermen en ervoor te zorgen dat er bij de scholing geen onderscheid tussen vrouwen en mannen wordt gemaakt;

5.

vraagt om voldoende EU-financiering, onder andere uit hoofde van het stabiliteitsinstrument, om te helpen bewerkstelligen dat vrouwen effectief participeren in en bijdragen aan representatieve instellingen op nationaal en lokaal niveau, alsmede op alle beslissingsbevoegde niveaus bij conflictoplossing, vredesonderhandelingen, vredesopbouw en post-conflictplanning;

6.

wijst op de noodzaak om voor EU-personeel dat dienst doet in militaire en civiele missies een gedragscode op te stellen die duidelijk maakt dat seksuele uitbuiting niet te rechtvaardigen en misdadig is, en vraagt dat deze gedragscode strikt wordt gehandhaafd met zware administratieve en strafrechtelijke sancties in gevallen van seksuele geweldpleging door humanitaire medewerkers, vertegenwoordigers van internationale organisaties, vredestroepen en diplomaten; roept op tot zero tolerance voor seksuele uitbuiting van kinderen en vrouwen in gewapende conflicten en vluchtelingenkampen, verwelkomt in dit verband het recente VN-onderzoek naar de beschuldigingen van seksuele uitbuiting waarbij vredeshandhavers van de VN-operatie in Ivoorkust betrokken zouden zijn geweest;

De gevolgen van gewapende conflicten voor vrouwen

7.

veroordeelt sterk het voortdurend gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen als oorlogswapen dat gelijk staat met een oorlogsmisdaad; erkent de diepe lichamelijke en psychische wonden die dergelijk misbruik slaat bij de slachtoffers en de zeer ernstige gevolgen voor hun gezinnen; benadrukt dat dit verschijnsel moet worden aangepakt door middel van ondersteuningsprogramma's voor slachtoffers, en roept ertoe op dat politiek leiderschap wordt gemobiliseerd om een gecoördineerde verzameling maatregelen voor te stellen om het gebruik van seksueel geweld als wapen te voorkomen en te verminderen; wijst in dit verband op de voortdurende onstellende toestand in Congo; brengt in herinnering dat er van 30 juli tot 4 augustus 2010 een massaverkrachting plaatsvond in het mijnbouwgebied van oostelijk Congo, dat er in 2009 ten minste 8 300 verkrachtingen zijn gemeld in oostelijk Congo en dat er volgens meldingen in het eerste kwartaal van 2010 1 244 vrouwen zijn verkracht, een gemiddelde van 14 per dag; wijst erop dat deze situatie onveranderd voortduurt in 2011; verzoekt beide EU-missies in de DR Congo, Europol RD Congo en EUSEC RD Congo, om de bestrijding van seksueel geweld en de participatie van vrouwen tot hoofdprioriteiten te verheffen bij het streven naar hervorming van de Congolese veiligheidssector;

8.

onderstreept dat er, aangezien seksueel geweld, waarvan voornamelijk vrouwen en kinderen het slachtoffer worden, verergerd wordt door onder andere de genderkloof, de verspreiding van geweld – zowel in het algemeen als door militarisering van de samenleving in het bijzonder – en het afbreken van sociale structuren, bijzondere aandacht moet worden besteed aan en middelen moeten worden uitgetrokken voor de preventie van dergelijke oorlogsmisdaden;

9.

roept de lidstaten op het vaststellen van maatregelen voor gezinsbegeleiding te bevorderen, teneinde de negatieve gevolgen van gewapende conflicten voor het gezinsleven te beperken;

10.

vraagt om betere samenwerking met lokale vrouwenorganisaties teneinde een vroegtijdig waarschuwingssysteem op te zetten, zodat deze organisaties mogelijk zelf misbruik kunnen voorkomen of het aantal gevallen daarvan kunnen reduceren;

11.

verzoekt de Commissie lokale maatschappelijke organisaties – met name vrouwenorganisaties en andere groepen die zich met genderbewustzijn bezighouden – te steunen met toegankelijke financiering en capaciteitsopbouw, zodat zij hun rol als waakhond kunnen vervullen, in het bijzonder in de context van falende staten;

12.

is ontzet over het feit dat daders van seksueel geweld bij voortduring onbestraft blijven; vraagt met klem de straffeloosheid van daders van seksueel geweld te beëindigen; vraagt de nationale overheden de toepasselijke wetten inzake straffeloosheid te respecteren, en pleit ervoor rechters en aanklagers op te leiden in het voeren van onderzoek en het opleggen van straffen in zaken van seksueel geweld; vraagt dat aan rechtszaken veel zichtbaarheid en publiciteit wordt gegeven om de boodschap te verspreiden dat dergelijke praktijken ontoelaatbaar zijn;

13.

eist dat de kwestie van straffeloosheid bij vredesonderhandelingen als een principiële factor wordt beschouwd, aangezien er geen vrede zonder gerechtigheid kan bestaan en daders voor het gerecht moeten worden gebracht om de strafrechtelijke gevolgen van hun daden te ondergaan; benadrukt dat straffeloosheid niet onderhandelbaar kan zijn; herinnert eraan dat de gerechtelijke procedures voor het vervolgen van plegers van geweld tegen vrouwen in oorlogssituaties vaak te lang duren, met als gevolg nog meer ongenoegen voor de slachtoffers, en vraagt derhalve om een rechtssysteem dat betrouwbaar en voor iedereen gelijk is, met handhaving van redelijke termijnen en met respect voor de waardigheid van vrouwen die oorlogsslachtoffer zijn;

14.

herinnert eraan dat onderwijs een belangrijke rol speelt in de emancipatie van vrouwen en meisjes, maar ook in het bestrijden van stereotypen en in de verandering van maatschappelijke opvattingen; pleit ervoor dat er bewustmakingscampagnes worden opgezet of uitgebreid in het kader van scholingsprogramma's waarin de waardigheid van vrouwen naar voren wordt gebracht;

15.

vraagt dat het leger vrouwenklinieken beheert om het seksueel en psychologisch geweld in oorlogsgebieden aan te pakken;

16.

eist dat vrouwelijke slachtoffers van mishandeling en geweld tijdens conflicten een klacht kunnen indienen bij een internationaal gerechtshof onder voorwaarden die hun eer niet aantasten en onder bescherming van een dergelijk gerechtshof tegen fysiek geweld en trauma vanwege het feit dat ze worden ondervraagd in traumagevoelige situaties; vraagt dat de betrokken vrouwen in dergelijke situaties zowel civiel- als in strafrechtelijke genoegdoening krijgen en dat er ondersteuningsprogramma's worden opgezet om hen te helpen opnieuw aan de samenleving deel te nemen in economische, sociale en psychologische zin;

17.

vraagt de EU en de lidstaten de tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren over geweld tegen vrouwen en meisjes effectief te ondersteunen aan de hand van specifieke maatregelen zoals:

het instellen van een effectief systeem voor het uitoefenen van toezicht op alle gerechtelijke procedures en hun opvolging met betrekking tot gevallen van dergelijk geweld;

het aannemen van maatregelen, strategieën en programma's die zich niet alleen op de beschermings- en vervolgingskant richten, maar ook op de van groter belang zijnde preventie;

het opzetten van programma's voor gratis zorg voor en psychologische bijstand aan slachtoffers van geweld in hun moedertaal en indien mogelijk conform eigen cultuur en gewoonten en, waar mogelijk, door vrouwelijke zorgverleners;

het opzetten van programma's om medische cursussen en makkelijk toegankelijke literatuur te bieden, met name inzake reproductieve en seksuele gezondheid, gericht op mannen en vrouwen, alsook bewustmakingscampagnes die aangepast zijn aan de culturen van de bevolkingen waarvoor ze bestemd zijn;

specifieke maatregelen om vrouwen een gelijkwaardige toegang tot de gezondheidszorg te garanderen (12), en in het bijzonder tot de eerstelijns gezondheidszorg, waaronder de zorg voor moeder en kind, zoals omschreven door de Wereldgezondheidsorganisatie (13) en de gynaecologische en verloskundige zorg;

het opzetten van programma's voor de bescherming van getuigen teneinde slachtoffers te beschermen en aan te moedigen om zich, onder de garantie van bescherming, aan te melden en tegen hun daders te getuigen;

18.

onderstreept dat het van essentieel belang is dat vrouwen een gelijkwaardige positie innemen in justitiële hervormingsprocessen en in grensoverschrijdende rechtsprocedures, zodat zij zich doeltreffend kunnen inzetten voor de eerbiediging van gelijke rechten in nationale rechtsstelsels;

19.

verzoekt de Commissie, de EDEO en de delegaties van het Parlement een manier te vinden om te bevorderen dat het Statuut van Rome van 1998 (inzake het Internationaal Strafhof) wordt ondertekend, geratificeerd en uitgevoerd door de ontwikkelingslanden die dat nog niet hebben gedaan, als noodzakelijke stap richting de bescherming van de seksuele rechten van vrouwen in tijden van oorlog en richting de bestrijding van de straffeloosheid van daders;

20.

veroordeelt de gijzelingen en roept op tot een zwaardere bestraffing van het gebruik van menselijke schilden tijdens conflicten;

21.

dringt erop aan dat vrouwelijke gevangenen apart worden gehuisvest van mannelijke gevangenen, met name om seksueel misbruik te voorkomen;

22.

onderstreept het belang van het recht te weten wat er met vermiste familieleden is gebeurd, en verzoekt de bij gewapende conflicten betrokken partijen alles in het werk te stellen om verslag uit te brengen over als vermist opgegeven personen;

23.

dringt aan op specifieke bepalingen die vrouwen aanvullende bescherming bieden tegen verkrachting, gedwongen prostitutie en andere vormen van aanranding van de eerbaarheid, en die daarnaast zwangere vrouwen en moeders van jonge kinderen bijzondere steun verlenen op het gebied van de voorziening in voedsel, kleding, evacuatie, vervoer en medische zorg om ongewenste zwangerschappen en seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen; is van oordeel dat dit prioritaire doelstellingen moeten zijn van het financieringsinstrument voor ontwikkeling voor de periode 2014-2020;

24.

verzoekt de Commissie te bestuderen wat de mogelijkheden zijn voor de oprichting van spoedhulpeenheden met deskundige medewerkers (zoals doktoren, psychologen, sociologen, juridisch adviseurs enz.), om de slachtoffers van gendergerelateerd geweld onmiddellijk en ter plaatse steun te kunnen verlenen;

25.

verwelkomt de goedkeuring van resolutie 1960 van de VN-Veiligheidsraad waarin wordt gevraagd om gedetailleerde gegevens over verdachten van seksueel geweld tijdens gewapende conflicten; roept de lidstaten op hun inspanningen op te voeren om resolutie 1960 ten uitvoer te leggen;

26.

vraagt om een onderzoek naar de mogelijkheid van adequate compensatie van slachtoffers, tevens rekening houdend met de psychologische gevolgen voor hun familie en kinderen, overeenkomstig de geldende internationale en nationale wetgeving;

27.

roept de Commissie en de lidstaten op om vrouwen in staat te stellen op te komen voor hun rechten, toegang tot land, erfenissen, krediet en spaartegoeden in post-conflictsituaties, met name in landen waar eigendomsrechten van vrouwen niet wettelijk afdwingbaar of sociaal erkend worden;

28.

benadrukt de noodzaak om het beeld van vrouwen als kwetsbare slachtoffers aan te vullen met een beeld van vrouwen als een zeer diverse groep sociale actoren met waardevolle hulpbronnen en vaardigheden, met hun eigen agenda; stelt dat vrouwen het verloop van de gebeurtenissen beïnvloeden en het ontwikkelingsproces moeten vormgeven; is van mening dat vrouwelijke oorlogsslachtoffers niet langer gezien moeten worden als slachtoffers maar eerder als actoren van stabilisatie en conflictoplossing; benadrukt dat vrouwen in het algemeen deze rol alleen kunnen vervullen als zij evenredig vertegenwoordigd zijn in politieke en economische besluitvorming;

29.

wijst erop dat het maatschappelijk begrip van de rol van vrouwen in post-oorlogssamenlevingen en van hun bijdrage aan wederopbouw na oorlogen verder moet gaan dan het algemene verhaal van "oorlogservaringen van vrouwen" en dat de afzonderlijke waarde en diversiteit van ervaringen van vrouwen moeten worden erkend;

Aanbevelingen

30.

vraagt om het aanstellen van een speciale EU-vertegenwoordiger inzake vrouwen, vrede en veiligheid binnen de EDEO, om het genderperspectief breed toe te passen en met als doel efficiënter samen te werken met de tegenhangers daarvan binnen de VN; pleit ervoor dat alle relevante EU-beleidsmaatregelen, taakgroepen, eenheden en contactpunten met betrekking tot genderproblematiek en veiligheid komen te vallen onder de coördinatie van, of worden aangesloten bij, deze speciale EU-vertegenwoordiger, teneinde te zorgen voor samenhang en doelmatigheid, waarbij een systematische, consequente totaalbenadering van de strategieën en maatregelen moet worden gekozen;

31.

pleit ervoor dat de informele "Taskforce vrouwen, vrede en veiligheid" wordt ondersteund en erkend;

32.

vraagt dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan gendermainstreaming in de context van vredesonderzoek, conflictpreventie en -oplossing, vredesoperaties en herstel en wederopbouw na conflicten, en vraagt dat een gendermainstreamingcomponent in de landenstrategiedocumenten wordt opgenomen;

33.

spoort de EDEO, de Commissie en de lidstaten met klem aan om hun activiteiten met betrekking tot vrouwen in conflictgebieden te richten op ontwikkelingskwesties, in het bijzonder de erkenning van het recht op bescherming en ondersteuning van moeders bij de verzorging en opvoeding van hun kinderen, alsook de gezondheid en de economische zekerheid van vrouwen, met bijzondere aandacht voor eigendomsrechten en voornamelijk ten aanzien van het bezit en de cultivatie van grond;

34.

is verheugd over het besluit van de EU om een lijst op te maken van zeventien uitvoeringsindicatoren die haar eigen verwezenlijkingen inzake genderkwesties in fragiele landen of landen in een conflict- of postconflictsituatie onder de loep nemen; benadrukt dat nog gesleuteld moet worden aan deze indicatoren, er zijn ook kwalitatieve metingen nodig; verzoekt de Commissie en de EDEO om de conclusies van dit evaluatieproces in overweging te nemen tijdens de programmerings- en uitvoeringsfases;

35.

verzoekt de EDEO, in overeenstemming met artikel 9 van Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010, te waarborgen dat de programmering, uitvoering en evaluatie van landeninitiatieven die het genderperspectief voor, tijdens en na conflictsituaties onder de aandacht brengen, op delegatieniveau worden beheerd, teneinde beter te kunnen inspelen op de bijzonderheden van iedere context en op de eventuele aanwezigheid van een regionale dimensie;

36.

roept de lidstaten op nationale actieplannen inzake vrouwen, vrede en veiligheid aan te nemen, uit te voeren en te controleren; herhaalt zijn oproep aan de EU en de lidstaten om in hun plannen en strategieën een reeks minimumnormen op te nemen met realistische doelstellingen, specifieke indicatoren, benchmarks, tijdschema's, toegewezen begrotingen en een doelmatig toezichtsmechanisme; onderstreept het belang van de betrokkenheid van ngo's bij de ontwikkeling en uitvoering van en het toezicht op de actieplannen;

37.

roept de EU op om te zorgen voor evenwichtige werving bij missies en operaties, en om een toename van vrouwen op leidinggevend niveau te bevorderen, bijvoorbeeld als hoofd van de EU-delegatie of als hoofd van de EU-missie;

38.

onderstreept de oproep van de Commissie aan de EU om derde landen te steunen bij het voldoen aan en uitvoering geven aan internationale verplichtingen, zoals het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Actieprogramma van Caïro, het Actieprogramma van Peking en de VN-millenniumverklaring;

39.

is sterk voorstander van het opnemen van genderadviseurs of gendercontactpunten binnen de missies en EU-delegaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en roept de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger op dubbele mandaten van genderadviseurs te voorkomen, en deze te voorzien van voldoende middelen en bevoegdheden;

40.

onderstreept het belang van bewustwordingscampagnes in de strijd tegen stereotypen, discriminatie (op basis van geslacht, cultuur of godsdienst) en huishoudelijk geweld, en het belang daarvan voor gendergelijkheid in het algemeen; merkt op dat deze campagnes aangevuld moeten worden met het bevorderen van een positief vrouwbeeld door middel van vrouwelijke rolmodellen in de media en reclame, educatief materiaal en op internet;

41.

roept op tot het instellen van afdoende openbare klachtenprocedures voor GVDB-missies, die met name ondersteuning geven aan het melden van seksueel en gendergeweld; verzoekt de HV/VV een gedetailleerd verslag over vrouwen, vrede en veiligheid op te nemen in de halfjaarlijkse evaluatie van GVDB-missies; herinnert eraan dat de GVDB-missies tot de belangrijkste instrumenten behoren waarover de EU beschikt om haar inzet voor de doelstellingen van de resoluties 1820 en 1325 van de VN-Veiligheidsraad in door conflicten getroffen landen en regio's te tonen;

42.

pleit voor een specifiek toegewezen begroting voor het beoordelen en controleren van gegevens die worden verzameld op basis van de op EU-niveau ontwikkelde indicatoren; vraagt om specifieke begrotingslijnen voor genderdeskundigheid en projecten en activiteiten inzake vrouwen, vrede en veiligheid in GVDB-missies;

43.

verzoekt de begrotingsautoriteit van de EU om in de toekomstige financieringsinstrumenten voor ontwikkeling voor de periode 2014-2020 te voorzien in een verhoging van de voor de promotie van gendergelijkheid en vrouwenrechten bestemde financiële middelen;

44.

verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de EU en de Commissie de nodige maatregelen te treffen met het oog op meer complementariteit en een snellere inwerkingtreding van alle financiële instrumenten voor extern EU-optreden, met name het Europees Ontwikkelingsfonds, het Financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, het Europees Nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, het Instrument voor pretoetredingssteun, het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten en het Stabiliteitsinstrument, teneinde een versnippering van de EU-acties rond de situatie van vrouwen in oorlogen te vermijden;

45.

vraagt om de specifieke steun van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) ten aanzien van het verzamelen, verwerken en verspreiden van effectieve praktijken inzake gendermainstreaming bij de tenuitvoerlegging van de indicatoren van Peking op het vlak van vrouwen en gewapende conflicten;

46.

benadrukt de belangrijke rol van het EG-VN-partnerschap inzake gendergelijkheid voor ontwikkeling en vrede, dat zich richt op het bepalen van benaderingen om gendergelijkheid en vrouwenrechten te integreren in nieuwe vormen van hulp en op steun voor de inspanningen van nationale partners om te voldoen aan de internationale verplichtingen op het gebied van gendergelijkheid, en om de toezeggingen voor gendergelijkheid vergezeld te doen gaan van afdoende financiële middelen in nationale ontwikkelingsprogramma's en budgetten; benadrukt dat dit project zich specifiek richt op de rol van vrouwen in conflict- en post-conflictsituaties en met name op de juiste toepassing van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad;

47.

vraagt de EU het opzetten van scholen te bevorderen wanneer zij bijstand aanbiedt in de wederopbouw na conflicten, ten einde te zorgen voor beter onderwijs voor jongens en meisjes;

48.

verwelkomt de verschillende initiatieven voor het opzetten van genderspecifieke vroege waarschuwings- en conflictbewakingsindicatoren, bijvoorbeeld die van UN Women, de Raad van Europa, de Fondation Suisse pour la Paix, International Alert en het Forum on Early Warning and Early Response;

49.

benadrukt dat het belangrijk is vrouwen in het middelpunt te plaatsen van beleid voor watervoorziening, sanitaire voorzieningen en hygiëne in conflict- en post-conflictgebieden, en benadrukt daarmee het belang van een betere toegang tot veilig drinkwater, afdoende sanitaire voorzieningen en water voor gebruiksdoeleinden;

*

* *

50.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.


(1)  A/RES/48/104.

(2)  Bijlage bij de conclusies van de Raad van 7 maart 2011.

(3)  Raadsdocument 09990/2011 van 11.5.2011.

(4)  Raadsdocument 15671/1/2008 van 1.12.2008.

(5)  Raadsdocument 08373/3/2005 van 18.5.2005.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0439.

(7)  PB C 212E van 5.8.2010, blz. 32.

(8)  PB C 298E van 8.12.2006, blz. 287.

(9)  "Ten-year Impact Study on Implementation of UN Security Council Resolution 1325 (2000) on Women, Peace and Security in Peacekeeping." Eindverslag aan de Verenigde Naties door de afdeling Vredesoperaties en de afdeling Veldondersteuning, 2010.

(10)  Raadsdocument 11948/2010 van 14 juli 2010.

(11)  Raadsdocument 09990/2011 van 11 mei 2011.

(12)  Overeenkomstig artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa, deel 1, beginsel 11.

(13)  56e Wereldgezondheidsvergadering, A56/27, punt 14.18 op de ontwerpagenda, 24 april 2003, Internationale conferentie over primaire gezondheidszorg, Alma Ata: 25ste verjaardag, verslag van het secretariaat.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/83


Donderdag 2 februari 2012
Ontwikkelingsamenwerking van de EU met het oog op universele toegang tot energie tegen 2030

P7_TA(2012)0029

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over EU-ontwikkelingssamenwerking met het oog op universele toegang tot energie tegen 2030 (2011/2112(INI))

2013/C 239 E/13

Het Europees Parlement,

gezien het feit dat 2012 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aangewezen als Internationaal Jaar van duurzame energie voor iedereen, waarmee zij erkent dat toegang tot energie belangrijk is voor duurzame economische ontwikkeling en voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDO's) (1),

gezien het door Ban Ki-moon, secretaris-generaal van de VN, gelanceerde initiatief inzake Duurzame Energie voor iedereen (2),

gezien de door Ban Ki-moon opgezette Adviesgroep voor energie en klimaatverandering (AGECC) en de aanbevelingen van deze groep van 28 april 2010, waarin zij de internationale doelstelling van universele toegang tot moderne energiediensten tegen 2030 en de verlaging met 40% van de wereldwijde energie-intensiteit tegen 2030 als prioriteiten hebben aangemerkt (3),

gezien de World Energy Outlook 2011 van het Internationale Energieagentschap (IEA), waarin wordt benadrukt dat ongeveer 1,3 miljard mensen wereldwijd geen toegang hebben tot elektriciteit en dat bovendien ongeveer 2,7 miljard mensen niet over schone kookvoorzieningen beschikken,

gezien de internationale conferentie op hoog niveau "Energie voor iedereen – Financiering van de toegang voor de armen", die op 10 en 11 oktober 2011 plaatsvond in Oslo, Noorwegen, en de lancering van het Internationale Energie- en Klimaatpartnerschap, oftewel het Energie+-initiatief,

gezien de conclusies van de Raad van 19 mei 2009 over de toegang tot duurzame energiebronnen op lokaal niveau in ontwikkelingslanden, waarin wordt herhaald dat "toegang tot duurzame energiebronnen en moderne energiediensten een noodzakelijke voorwaarde is voor economische groei en sociale ontwikkeling en voor het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling" en dat "door bijzondere aandacht te schenken aan duurzame energie de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling dichterbij komen en wordt bijgedragen aan de aanpak van de mondiale crisis en het verlichten van de klimaatverandering",

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 17 juli 2002 over de samenwerking op energiegebied met de ontwikkelingslanden (COM(2002)0408),

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 26 oktober 2004 betreffende de toekomstige ontwikkeling van het EU-Energie-initiatief en de voorwaarden voor de oprichting van een Energiefaciliteit voor de ACS-landen (COM(2004)0711),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2011 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met de titel "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering" (COM(2011)0637),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0442/2011),

A.

overwegende dat wereldwijd ongeveer 1,3 miljard mensen – waarvan 84% in plattelandsgebieden woont – geen toegang hebben tot elektriciteit; overwegende dat bovendien 2,7 miljard mensen niet over schone kookvoorzieningen beschikken (4) en dat dit zorgt voor rookvorming binnenshuis, wat tot meer dan 1,4 miljoen voortijdige sterfgevallen per jaar leidt en daardoor – na hiv/aids – de op één na meest voorkomende oorzaak is van voortijdige sterfgevallen wereldwijd (5); overwegende dat de huidige gebrekkige toegang tot moderne energievoorzieningen in veel arme landen tot ongelijkheid tussen mannen en vrouwen heeft geleid, en met name vrouwen en kinderen benadeelt;

B.

overwegende dat de toegang tot energie van essentieel belang is voor de uitoefening van enkele van de rechten die zijn vastgelegd in het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966, alsook in andere internationale mensenrechtenverdragen en wetsinstrumenten inzake het milieu;

C.

overwegende dat de MDO's niet zullen worden bereikt tenzij de toegang tot energie aanzienlijk wordt verbeterd, waarvoor tot 2030 een jaarlijkse investering nodig is van naar schatting 48 miljard USD, wat gelijkstaat aan circa 3% van de wereldwijde investering in energie-infrastructuur die voor de periode tot 2030 is voorzien, en tegen 2030 zou leiden tot een lichte toename van de CO2-uitstoot van 0,7% (6);

D.

overwegende dat hernieuwbare energiebronnen, en met name kleinschalige gedecentraliseerde oplossingen, enorme potentie bevatten voor het bieden van betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorzieningen voor de armen, met name in plattelandsgebieden van ontwikkelingslanden; overwegende dat ontwikkelingslanden in gebieden liggen waar hernieuwbare energiebronnen, met name wind- en zonne-energie, ruim voorhanden zijn; overwegende dat er nog veel hindernissen moeten worden overwonnen om deze energiebronnen in ontwikkelingslanden te verspreiden en om te zorgen voor financiering, capaciteitsopbouw, technologieoverdracht en hervorming van het overheidsapparaat;

E.

overwegende dat het gebruik van hernieuwbare energiebronnen essentieel is voor ontwikkelingslanden om minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen en de daaraan verbonden prijsschommelingen; overwegende echter dat grootschalige projecten voor hernieuwbare energie (bijvoorbeeld uit waterkracht of energiegewassen) ook ernstige sociale gevolgen en milieueffecten kunnen hebben voor de lokale bevolking, namelijk op het gebied van de watervoorziening of de voedselzekerheid; overwegende dat een zorgvuldige beoordeling van de milieueffecten van hernieuwbare energiebronnen daarom een belangrijke randvoorwaarde is voor donorfinanciering;

F.

overwegende dat de toegang voor iedereen tot moderne, duurzame energiediensten toegang inhoudt tot álle benodigde en gewenste energiediensten (niet alleen elektriciteit), bijvoorbeeld verlichting, warmtebronnen om te koken, warm water, verwarmings- en koelsystemen, toegang tot informatie en communicatie, energie voor productieve doeleinden en energie voor het genereren van inkomen;

G.

overwegende dat slechts 8% van de 409 miljard USD die in 2010 werd toegekend aan subsidies voor fossiele brandstoffen in ontwikkelingslanden naar de 20% van de bevolking met het laagste inkomen is gegaan (7);

H.

overwegende dat de resultaten van de ontwikkelingsindex voor energie sterk overeenkomen met die van de index voor menselijke ontwikkeling wat betreft levensverwachting, onderwijs, bbp per capita en andere maatstaven voor de levensstandaard;

I.

overwegende dat in Afrika bezuiden de Sahara bijna 70% van de totale bevolking geen toegang heeft tot elektriciteit; overwegende dat de elektrificatie is ingehaald door de bevolkingsgroei, en dat het aantal mensen zonder toegang tot elektriciteit is toegenomen;

J.

overwegende dat met name in de minst ontwikkelde landen slechts een klein gedeelte van de bevolking toegang heeft tot het elektriciteitsnetwerk; overwegende dat dit netwerk in de nabije toekomst niet beschikbaar zal worden voor de gehele bevolking, waardoor gedecentraliseerde voorzieningen zoals kleinschalige en niet aan het net gekoppelde energieoplossingen de enige haalbare manier vormen om in de komende jaren universele toegang tot energie te bieden;

K.

overwegende dat de sleutelfactoren eerbiediging van de rechtsstaat en een krachtig bestuur moeten worden bevorderd om de particuliere investeringen aan te trekken die nodig zijn voor een volledige verwezenlijking van universele toegang tot energie;

L.

overwegende dat de laatste mededelingen van de Commissie over het onderwerp energie in ontwikkelingssamenwerking uit 2002 en 2004 dateren;

1.

benadrukt dat, hoewel er geen millenniumdoelstelling voor ontwikkeling is die specifiek betrekking heeft op energie, toegang tot moderne, duurzame energiediensten voor iedereen (hierna "universele toegang tot energie") een randvoorwaarde is voor het behalen van de MDO's; gelooft daarom dat energie centraal zou moeten staan in het debat over de uitbanning van armoede, terwijl erop moet worden toegezien dat een betere toegang tot moderne energievoorzieningen niet in strijd is met duurzame ontwikkeling; dringt er bij de Commissie op aan een mededeling te publiceren over ontwikkelingssamenwerking en het streven naar universele toegang tot energie voor het jaar 2012, dat door de VN is uitgeroepen tot Jaar van duurzame energie voor iedereen;

2.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de (door de VN gestelde) internationale doelstelling van universele toegang tot energie tegen 2030 te onderschrijven en over te nemen, en om hun beleid en ontwikkelingssamenwerking op deze doelstelling af te stemmen;

3.

onderstreept dat de maximalisering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen de ideale manier is voor de internationale gemeenschap om universele toegang tot moderne energievoorzieningen te verwezenlijken, zonder de strijd tegen klimaatverandering uit het oog te verliezen; roept de Commissie op een actieplan te ontwikkelen om de doelstelling van universele toegang tot energie op te nemen in al het relevante EU-beleid, alsook in alle onderdelen van het ontwikkelingsbeleid, zoals landbouw, industrie, handel, gezondheid en water, en te zorgen voor samenhang tussen al het beleid en alle sectoren voor deze doelstelling;

4.

is ingenomen met de benoeming van energie als een centraal onderdeel van de "agenda voor verandering", en verwacht van de Commissie dat zij hiernaar zal handelen; verzoekt de Commissie toegang tot energie niet ondergeschikt te maken aan, noch te verwarren met, de eveneens genoemde onderdelen energiezekerheid en klimaatverandering;

5.

pleit voor de oprichting van een specifiek "energie- en ontwikkelingsprogramma" binnen de EU-ontwikkelingssamenwerking, met bijzondere aandacht voor universele toegang tot energie;

6.

merkt op dat uit ervaring is gebleken dat streefcijfers voor de uitbreiding van het net en gecentraliseerde elektriciteitsopwekking vaak niet hebben geleid tot betere energievoorzieningen voor de armen; benadrukt daarom dat hernieuwbare gedecentraliseerde oplossingen, zoals kleinschalige en niet aan het net gekoppelde energieoplossingen, moeten worden gesteund om alle delen van de bevolking van ontwikkelingslanden te bereiken, en met name arme bevolkingsgroepen en de plattelandsbevolking; roept de EU op haar inspanningen, zowel financieel als technisch, te richten op deze kleinschalige oplossingen voor energiearmoede in afgelegen gebieden;

7.

merkt op dat hernieuwbare energiebronnen in veel ontwikkelingslanden een enorm potentieel bieden voor het waarborgen van een duurzame energievoorziening en voor het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, waardoor deze landen minder kwetsbaar zouden worden voor energieprijsschommelingen;

8.

benadrukt dat de energiefaciliteit internationaal gezien één van de weinige financiële mechanismen is om financiering te verlenen voor kleinschalige oplossingen op het gebied van hernieuwbare energie, en roept de Commissie op de financiering voor dergelijke projecten in de volgende financieringsperiode vanaf 2014 voort te zetten en uit te breiden;

9.

roept de Commissie op het effect te beoordelen van de investeringen die worden gesteund door de energiefaciliteit op het vlak van de verbetering van de toegang tot basisdiensten op energiegebied voor mensen die in armoede leven, en de efficiëntie en effectiviteit van de opvolger van de energiefaciliteit dienovereenkomstig te verhogen in de nieuwe financieringsperiode na 2013;

10.

benadrukt dat het gebruik van hernieuwbare bronnen voor de energievoorziening – bij een goede uitvoering – in ontwikkelingslanden een voordelige oplossing kan zijn die gunstig is voor de volksgezondheid, het milieu en de lokale ontwikkeling; onderstreept echter dat rekening moet worden gehouden met de milieueffecten van het gebruik van hernieuwbare energie voor de verbetering van de universele toegang tot energie, met name in het geval van waterkracht, biomassa of biobrandstoffen;

11.

verzoekt de EU duidelijke richtsnoeren te ontwikkelen in het kader van duurzaamheidscriteria voor de financiering van hernieuwbare-energieprojecten; roept de Commissie op het gebruik van gedecentraliseerde hernieuwbare energie of duurzame koolstofarme/hoge energie-efficiëntie een prioritaire voorwaarde te maken voor de verlening van steun aan nieuwe energieprojecten;

12.

onderstreept dat particuliere ondernemingen een rol moeten spelen bij de verwezenlijking van de MDO's door ontwikkelingslanden, met name wat betreft de universele toegang tot energie; benadrukt bovendien dat het van groot belang is de ontwikkeling van financiële middelen en passende technologische kennis in lage-inkomensmarkten te ondersteunen, met name via nauwe betrokkenheid van particuliere ondernemingen bij nationale en internationale institutionele partnerschappen;

13.

verzoekt de Commissie en de lidstaten zich in te zetten voor de overdracht van technologie – met inbegrip van technische kennis, informatie en optimale werkmethoden die geschikt zijn voor de levering van moderne energiediensten aan arme mensen – tussen partnerlanden in het zuiden en tussen Europa en het zuiden via ontwikkelingssamenwerking en de energiefaciliteit, met het oog op capaciteitsontwikkeling, onder meer door middel van twinning, personeelsuitwisseling en praktijkgerichte opleiding, voor het beoordelen en opnemen van technologische mogelijkheden; is in dit verband ook voorstander van de overdracht van technologie op het gebied van energie-efficiëntie, zodat energie op de meest productieve manier kan worden gebruikt en de maximale capaciteit van een bepaalde hoeveelheid energie wordt bereikt;

14.

merkt op dat er bij de ontwikkeling en financiering van programma's en projecten bijzondere aandacht moet worden geschonken aan productief energiegebruik, als cruciaal instrument voor de sociaaleconomische opbouw en inkomensverwerving;

15.

onderstreept dat er behoefte is aan doeltreffende partnerschappen tussen de overheidssector, de privésector, gemeenschappen en lokale regeringen om de toegang tot duurzame energiediensten uit te breiden; roept de Commissie op waar mogelijk gebruik te maken van een marktbenadering voor nieuwe/innovatieve energieoplossingen, door bijvoorbeeld plaatselijke productie te stimuleren, de introductie ervan op de markt te vereenvoudigen of door marktinformatie te verstrekken, om op die manier te zorgen voor eigen plaatselijke inbreng en duurzaamheid; verzoekt de Commissie met name om de ontwikkeling van de bestuurscapaciteit en het mkb te stimuleren, zodat kleinschalige energievoorzieningsprojecten kunnen worden gereproduceerd;

16.

meent dat particuliere investeringen en de deelname van de privésector fundamenteel zijn voor een volledige verwezenlijking van universele toegang tot energie; verzoekt de Commissie zich in al haar hulpacties in te zetten voor de rechtsstaat, met name in de minst ontwikkelde landen;

17.

verzoekt de EU-delegaties om EU-bedrijven die in de energiesector willen investeren informatie te bieden over belastingen, stimuleringsmaatregelen en wettelijke voorschriften in ontwikkelingslanden;

18.

verzoekt de Europese Commissie de uitwisseling van de meest efficiënte stimuleringsmaatregelen voor de uitbreiding van energie-infrastructuur in ontwikkelingslanden te vergemakkelijken;

19.

pleit voor de ondersteuning van de ontwikkeling en bevordering van degelijke beleids- en rechtskaders en technische normen die de plaatselijke capaciteit versterken en zorgen voor vertrouwen bij de investeerders uit de privésector, met inbegrip van de mobilisering van plaatselijke investeringsbronnen;

20.

onderstreept de centrale rol die overheidsfinanciering van partnerregeringen, internationale financiële instellingen en officiële ontwikkelingshulp spelen bij het aantrekken van de nodige privé-investeringen; benadrukt ook dat EU-hulp voor de verbetering van de toegang tot energie de lokale economie, groene banen en armoedebestrijding moet stimuleren, en niet gebonden mag zijn aan bedrijven uit de EU en ook niet mag worden gebruikt om deze bedrijven te subsidiëren;

21.

erkent dat de overheidssector alleen niet in staat zal zijn in alle financiële middelen te voorzien die nodig zijn voor het uitbreiden van de toegang tot energie; wijst in dit verband op het belang van privé-investeerders en marktgerichte hervormingen in de energiesector; benadrukt echter dat de groeiende nadruk op het gebruik van partnerschappen tussen de openbare en de particuliere sector en het aantrekken van privéfinanciering lokale projecten voor hernieuwbare energie financieel minder aantrekkelijk kan maken, aangezien dergelijke projecten minder "bankabel" zijn dan grootschalige, aan het elektriciteitsnet gerelateerde projecten, die vaak de belangen dienen van grote ondernemingen; benadrukt daarom dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het verzekeren van toegang tot universele diensten, en met name tot betaalbare energie voor arme en afgelegen bevolkingsgroepen, bij de staat blijft liggen;

22.

benadrukt het feit dat er verschillende manieren bestaan voor partnerregeringen om vooruitgang te boeken op het vlak van universele toegang tot energie door middel van wetgeving, regulering, contracten of het verlenen van vergunningen door universeledienstverplichtingen op te leggen, die afgestemd zijn op de behoeften en mogelijkheden van de landen, zoals:

streefdoelen inzake dekkingsgraad in concessie- of vergunningsovereenkomsten,

een gedifferentieerde benadering van consumenten op basis van hun financiële capaciteit,

subsidies of fondsen die hoofdzakelijk gericht zijn op bepaalde categorieën consumenten en afgelegen plattelandsgebieden,

de herziening van contraproductieve subsidies, belastingen en heffingen, zoals een omschakeling van de bevoordeling van fossiele brandstoffen naar de bevoordeling van gedecentraliseerde hernieuwbare energiebronnen met het oog op de verbetering van de toegang tot energie en energie-efficiëntie,

liberalisering van de toegang van operatoren tot niet-bediende gebieden,

fiscale stimuleringsmaatregelen om de uitbreiding van de infrastructuur te vereenvoudigen,

maatregelen om ervoor te zorgen dat de beschikbare energie zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt;

23.

roept de ontwikkelingslanden op zich volledig in te zetten voor de verwezenlijking van universele toegang tot energie, en is voorstander van een grotere hulpverlening aan de ministeries van energie in ontwikkelingslanden om hen in staat te stellen te pleiten voor steun – in het kader van de nieuwe financieringsperiode – voor universele toegang tot energie, met inbegrip van de ontwikkeling van langetermijnstrategieën voor duurzame energie en verbeterde regionale samenwerking op het vlak van energie;

24.

benadrukt het belang van een transparante en democratische deelname van het maatschappelijk middenveld, plaatselijke autoriteiten en regelgevers in de energiesector, om hen in staat te stellen toezicht te houden op de verlening van universele toegang tot energie, en met het oog op goed bestuur, eerlijke concurrentie en corruptiebestrijding;

25.

dringt er bij de nationale parlementen van ontwikkelingslanden en ngo's op aan dat zij hun rol vervullen bij de waarborging en monitoring van de transparantie, de democratische processen en een stabiel juridisch kader;

26.

merkt met bezorgdheid op dat het energiepartnerschap tussen Afrika en de EU zich met name lijkt te richten op grote projecten en interconnectoren waarbij minder nadruk op lokale energieoplossingen wordt gelegd; verzoekt de EU met klem zich te weerhouden van een van bovenaf georganiseerde aanpak voor de ontwikkeling van energie-infrastructuur, aangezien grootschalige infrastructuren niet altijd binnen de economische en sociale structuur van het land passen en de armen – die meestal meer gebaat zijn bij kleinere, lokale energiebronnen – geen toegang tot energie bieden;

27.

spoort de EU aan een dialoog te starten met partnerregeringen en het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden om ervoor te zorgen dat zowel in het nationale energiebeleid als in de strategieën voor armoedebestrijding rekening wordt gehouden met universele toegang tot energie;

28.

wenst dat in de dialoog met partnerlanden en regionale organen specifiek rekening wordt gehouden met de voordelen van het opnemen van de ontwikkeling van energiediensten voor kookvoorzieningen in de nationale en regionale ontwikkelingsplannen; wenst eveneens dat de partnerlanden en regionale organen worden aangemoedigd een dialoog aan te gaan met de plaatselijke autoriteiten en niet-overheidsactoren die betrokken zijn bij energie voor huishoudelijk gebruik (koken), met als doel te bepalen hoe het best kan worden gezorgd voor een aanzienlijke schaalvergroting en een vermindering van het aantal sterfgevallen als gevolg van ademhalingsziekten; pleit voor het gebruik van efficiëntere kooksystemen, aangezien de traditionele verbranding van grote hoeveelheden biomassa op open vuur schadelijk is voor de gezondheid – met name voor vrouwen en kinderen – en bijdraagt aan de ontbossing;

29.

vraagt de Commissie jaarlijks verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang op het vlak van de verwezenlijking van de universele toegang tot energie, na betrouwbare indicatoren te hebben vastgesteld, en over de bijdrage van de EU-ontwikkelingssamenwerking op dit gebied;

30.

meent dat de steun van de Commissie en de lidstaten voor de ontwikkeling van energiediensten gebaseerd moet zijn op een beoordeling van de relatieve financiële kosten en resultaten van alle opties, rekening houdend met de geleverde bijdrage voor de verwezenlijking van de MDO's en nationale ontwikkelingsdoelstellingen, alsook met de relatieve kosten en voordelen van gedecentraliseerde en gecentraliseerde energiesystemen;

31.

benadrukt dat de MDO's – met name die op het vlak van armoede, aangezien toegang tot betaalbare energievoorzieningen alleen kan worden verwezenlijkt door het aantal mensen dat van 1 USD per dag leeft tegen 2015 te verlagen – in de nationale energiestrategieën van ontwikkelingslanden moeten worden verwerkt;

32.

vraagt de Commissie de mogelijke financieringsbronnen voor klimaatverandering en de koolstofmarkt te herzien voor investeringen in universele toegang tot duurzame koolstofarme energie voor de armen, en dienovereenkomstig te gebruiken;

33.

roept de Commissie op nieuwe resultaatgerichte methoden in de energiesector te steunen, zoals resultaatgerichte financiering, betaling bij levering of op output gebaseerde steun, die momenteel ook worden getest door andere donoren, om op die manier het belang van vraaggestuurde hulp ("op verzoek van de partner") te benadrukken in plaats van aanbodgestuurde hulp ("de donor beschikt over een deskundige");

34.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te erkennen dat energieverbruik door de armen in ontwikkelingslanden momenteel niet aanzienlijk bijdraagt (en dit in de nabije toekomst ook niet zal doen) tot de mondiale broeikasgasemissies (1,3% van de totale uitstoot tegen 2030, volgens het IEA), en dat om in die landen te zorgen voor een minimale levensstandaard het verbruik per hoofd van moderne energiediensten moet toenemen zonder gebonden te zijn aan te strenge maatregelen ter beperking van de klimaatverandering;

35.

stelt bezorgd vast dat grote infrastructuurprojecten voor waterkrachtenergie een prioriteit blijven voor de Wereldbank en de EIB; herinnert eraan dat uit ervaring is gebleken dat dergelijke projecten de toegang voor de armen niet per se verbeteren, en dat deze doelstelling beter kan worden verwezenlijkt met mini- of microwaterkrachtinstallaties die aan de plaatselijke vraag voldoen en waarmee de nadelen van grotere projecten voor de samenleving en het milieu worden voorkomen;

36.

betreurt het gebrek aan gevoeligheid en bankcapaciteit voor kleinschalige energieprojecten van de zijde van de EIB, de Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering en de internationale financiële instellingen, en wenst dat zij hun engagement in de energiesector voornamelijk richten op de universele toegang tot energie, eveneens door kleinschalige en niet aan het net gekoppelde projecten te steunen, met name in plattelandsgebieden, en door universeledienstverplichtingen voor de levering van universele toegang tot energie op te nemen in hun energieprojecten en -subsidies;

37.

roept de Commissie en de lidstaten op het gebruik van kernenergie in ontwikkelingslanden niet te steunen noch anderszins aan te moedigen, gezien de ernstige vragen die rijzen met betrekking tot veiligheid en duurzaamheid;

38.

prijst de werkzaamheden van het Energie-initiatief van de Europese Unie (EUEI), de faciliteit voor partnerschapsdialoog van het EUEI (EUEI-PDF) en het energiepartnerschap tussen Afrika en de EU; is verheugd over het Energie+-initiatief en roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor meer samenwerking en engagement in het kader van deze initiatieven, om op die manier de coördinatie van de internationale hulp op het gebied van energie te bevorderen;

39.

beschouwt de Rio+20-top in juni 2012 als een goede gelegenheid om zowel concrete doelstellingen voor de uitbanning van energiearmoede als een routekaart voor de verwezenlijking daarvan voor te stellen, in het kader van een mondiale strategie voor een groenere economie; roept de Commissie en de lidstaten op de universele toegang tot energie op te nemen in het Rio+20-proces;

40.

dringt erop aan dat de universele toegang tot energie wordt opgenomen in de – nog op te stellen – MDO's na 2015;

41.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de EDEO en de ACS-EU-Raad van Ministers.


(1)  Verenigde Naties, Algemene Vergadering, 65e zitting, door de Algemene Vergadering aangenomen resolutie 65/151, International Year for Sustainable Energy for All, New York, 21 januari 2011.

(2)  "VN, secretaris-generaal, Ban Ki-moon, My priorities as Secretary-General".

(3)  "VN, secretaris-generaal, Ban Ki-moon, My priorities as Secretary-General".

(4)  Energy for All, Financing Access for the Poor, special early excerpt from the World Energy Outlook 2011, voor het eerst gepresenteerd in oktober 2011 tijdens de "Energy for all"-conferentie in Oslo, Noorwegen; OESO/ IEA, oktober 2011; http://www.iea.org/papers/2011/weo2011_energy_for_all.pdf, blz. 3.

(5)  Ibid, blz. 28.

(6)  Ibid, blz. 27.

(7)  Ibid, blz. 40.


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/89


Donderdag 2 februari 2012
Jaarverslag over belastingen

P7_TA(2012)0030

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het jaarverslag over belastingen (2011/2271(INI))

2013/C 239 E/14

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie "Dubbele belasting op de interne markt" (COM(2011)0712), en het Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende uitkeringen van interest en royalty's (herschikking) (COM(2011)0714),

gezien de mededeling van de Commissie over het wegwerken van grensoverschrijdende fiscale obstakels voor EU-burgers (COM(2010)0769),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie bij de mededeling van de Commissie over het wegwerken van grensoverschrijdende fiscale obstakels voor EU-burgers (SEC(2010)1576),

gezien het document van de Commissie over de antwoorden die de Commissie heeft ontvangen in het kader van de raadpleging inzake verdragen ter voorkoming van dubbele belasting en de interne markt: praktijkvoorbeelden van gevallen van dubbele belasting (1),

gezien de mededeling van de Commissie over de afsluiting van het eerste Europees semester voor economische beleidscoördinatie: richtsnoeren voor nationaal beleid in 2011-2012 (COM(2011)0400),

gezien het gezamenlijk schrijven van 17 augustus 2011 van Nicolas Sarkozy, president van de Franse Republiek, en Angela Merkel, bondskanselier van Duitsland, aan Herman Van Rompuy, voorzitter van de Europese Raad,

gezien de publicatie van de OESO "Corporate Loss Utilisation through Aggressive Tax Planning" van 2011 (2),

gezien het document "How effective and legitimate is the European Semester? Increasing the role of the European Parliament" (3),

gezien de publicatie van de Commissie "Taxation Trends in the EU - 2011 edition" (4),

gezien de"Consumption Tax Trends 2010" van de OESO (5),

gezien het verslag-Monti over "Een nieuwe strategie voor de interne markt" uit 2010,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over het economische effect van de aanbeveling van de Commissie betreffende procedures voor bronbelastingvermindering en van de FISCO-voorstellen (SEC(2009)1371),

gezien de aanbeveling van de Commissie 2009/784/EG betreffende procedures voor bronbelastingvermindering,

gezien het rapport van Alain Lamassoure "Le citoyen et l'application du droit communautaire" van 8 juni 2008 (6),

gezien zijn resolutie van 2 september 2008 over een gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude (7),

gezien de mededeling van de Commissie van 10 december 2007 over antimisbruikmaatregelen op het gebied van de directe belastingen – toepassing in de EU en ten aanzien van derde landen (COM(2007)0785),

gezien de mededeling van de Commissie van 31 mei 2006 over de noodzaak om een gecoördineerde strategie te ontwikkelen ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude (COM(2006)0254),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 december 2006 over exitheffingen en de behoefte aan coördinatie van het belastingbeleid van de lidstaten (COM(2006)0825),

gezien het rapport van de Eures Channel-adviseurs over obstakels voor de mobiliteit van EU-burgers in grensoverschrijdende regio's van 2002 (8),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 mei 2001 "Fiscaal beleid in de Europese Unie: prioriteiten voor de komende jaren" (COM(2001)0260),

gezien ontwerpresolutie B7-0531/2011, ingediend overeenkomstig artikel 210 van het Reglement door Cristiana Muscardini en anderen,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0014/2012),

A.

overwegende dat de interne markt van de EU voor mobiliteit van personen, diensten, goederen en kapitaal niet ten volle functioneert en dat er nog altijd terreinen zijn waarop verbetering moet plaatsvinden;

B.

overwegende dat EU-burgers en ondernemingen die grensoverschrijdend werken en opereren te maken krijgen met fiscale belemmeringen die aanzienlijke obstakels opleveren voor de groei en de werkgelegenheid op de interne markt van de EU, en overwegende dat deze obstakels uit de weg geruimd moeten worden om een concurrerender Europa te bewerkstelligen waar groei en werkgelegenheid gewaarborgd zijn;

C.

overwegende dat de administratieve kosten die de belastingstelsels met zich meebrengen voor middelgrote ondernemingen in sommige lidstaten onnodig belastend en hoog zijn;

D.

overwegende dat de huidige economische en financiële crisis heeft geleid tot een aanzienlijke stijging van de staatschulden in Europa; overwegende dat buitensporige staats- en particuliere schulden in de lidstaten hebben geleid tot de huidige financiële crisis; overwegende dat de automatische stabilisatoren van de welvaartsstaat in dit verband van groter belang zijn dan ooit, voor het waarborgen van groei en sociale samenhang;

E.

overwegende dat een doeltreffende belastingheffing van fundamenteel belang is voor overheden, met name in Europa, om hun taken en verplichtingen te kunnen vervullen en te kunnen voldoen aan de verwachtingen van de burgers; overwegende dat landen met hoge schulden zich momenteel genoodzaakt zien maatregelen te treffen ter verhoging van hun belastingen, waarbij deze maatregelen echter niet ten koste mogen gaan van de groei;

F.

overwegende dat een deugdelijke begrotingsconsolidatie, tezamen met een eerlijker en gerichtere verdeling van de belastingdruk, onontbeerlijk is voor het waarborgen van de budgettaire geloofwaardigheid, en dat de vermindering van schulden zowel beperking van de uitgaven als belastingverhoging vereist, terwijl voorrang moet worden gegeven aan op groei gerichte aanpassingen van het belastingstelsel; overwegende dat hiermee de basis wordt gelegd voor groei op lange termijn;

Algemene overwegingen

Voorkoming van dubbele niet-belasting, belastingfraude en belastingparadijzen en vergroting van de transparantie op belastinggebied

1.

wijst erop dat de kernfuncties van de belastingstelsels bestaan uit het financieren van openbare diensten, zoals onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer en infrastructuur, de bescherming van openbare goederen, bijvoorbeeld door stimulansen te bieden voor de productie en consumptie van milieuvriendelijke producten en sociale ongelijkheden te verkleinen, door een rechtvaardiger verdeling van inkomen en welvaart te waarborgen;

2.

wijst erop dat belastingbeleid nog altijd binnen de nationale en soms de lokale bevoegdheid valt en dat de verschillende structuren van de belastingstelsels van de lidstaten daarom moeten worden gerespecteerd; wijst erop dat de besluitvorming inzake het belastingbeleid slechts door middel van een verdragswijziging overgeheveld kan worden van nationaal naar EU-niveau; wijst er daarom op dat een uitbreiding van de controle van begrotingsprocedures door de Commissie gepaard moet gaan met een sterker democratisch toezicht door het Europees Parlement;

3.

wijst erop dat verbetering van de interne markt en mogelijkerwijs enige mate van belastingharmonisatie de voornaamste factoren kunnen zijn voor het stimuleren van groei en werkgelegenheid; wijst erop dat belastingbeleid gericht moet zijn op het stimuleren van het Europese concurrentievermogen en het verlagen van de kosten voor Europese ondernemingen, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen;

4.

wijst erop dat het gebrek aan coördinatie van het belastingbeleid in de EU aanzienlijke kosten met zich mee kan brengen, alsmede administratieve lasten voor burgers en ondernemingen die grensoverschrijdend actief zijn in de EU;

5.

verzoekt de lidstaten hun belastingstelsels meer groeigericht te maken door de opzet van de stelsels te verbeteren en over te stappen op vormen van belasting die minder verstoring veroorzaken, zonder daarbij het doel van de sociale markt uit het oog te verliezen;

6.

benadrukt dat lering kan worden getrokken uit de voorbeelden van lidstaten die een goede staat van dienst hebben opgebouwd op het gebied van belastingheffing en -inning;

7.

benadrukt dat er behoefte is aan een vereenvoudiging van de BTW-regelingen teneinde dubbele belasting te voorkomen en de bureaucratie voor werkgevers te verminderen;

8.

benadrukt dat een laag belastingniveau van wezenlijk belang is, niet alleen voor het sociale welzijn van gezinnen en huishoudens, maar ook voor het concurrentievermogen en het scheppen van nieuwe banen; benadrukt de noodzaak van gecontroleerde en doeltreffende overheidsuitgaven en stabiele overheidsfinanciën;

9.

benadrukt dat voorstellen van de Commissie op belastinggebied een bijdrage moeten leveren aan het Europese concurrentievermogen door concurrentieverstoringen die het gevolg zijn van verschillen tussen de belastingstelsels uit de weg te ruimen; benadrukt tevens dat voorstellen van de Commissie niet mogen bijdragen aan een verhoging van de belastingdruk;

10.

wijst erop dat lidstaten die hoge schulden hebben of die de ergste daling van hun BBP hebben doorgemaakt grondig onderzoek moeten doen naar de achterliggende oorzaken van hun schulden en hun belastinginkomsten moeten aanvullen door middel van doeltreffende en rechtvaardige belastingen, hun uitgaven op efficiënte wijze moeten verminderen, belastingfraude moeten bestrijden en de overheidsbesparingen moeten verhogen; benadrukt dat belastinghervormingen in eerste instantie gericht moeten zijn op het dichten van mazen in de regelgeving en het verbreden van de belastinggrondslag, zonder de capaciteit van de lidstaten tot het innen van inkomsten aan te tasten;

11.

is van mening dat fiscaal federalisme een nuttig instrument kan zijn om eigen verantwoordelijkheid bij belastingbeheer op regionaal niveau te bereiken en daarmee de economische efficiëntie te verhogen;

12.

neemt kennis van de recente initiatieven van de Commissie op belastinggebied, onder meer inzake een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, een belasting op financiële transacties en het toekomstige BTW-stelstel van de EU, alsmede op het gebied van energie;

13.

verwelkomt de invoering van het Europees semester als mogelijk instrument voor het genereren van inkomsten voor de lidstaten, door middel van de uitwisseling van optimale werkwijzen met het oog op een beter gecoördineerd en duurzamer begrotingstraject;

14.

verzoekt de Commissie en de lidstaten verder samen te werken op het gebied van hun respectievelijke belastingbeleid ter bestrijding van dubbele belasting, belastingfraude en belastingontduiking, ter verhoging van de transparantie en ter vermindering van leemten en onzekerheden voor ondernemingen en burgers met betrekking tot belastinginning, met name op het gebied van hun respectievelijke administratieve procedures voor het doen van belastingaangifte; is daarom van mening dat de Commissie samen de Raad een krachtig gezamenlijk initiatief moet nemen betreffende rechtsgebieden die geheimhouding betrachten, wat beter zou zijn dan slechts bilaterale overeenkomsten tussen afzonderlijke lidstaten en rechtsgebieden die geheimhouding betrachten;

15.

is van mening dat lidstaten moeten streven naar het verlagen van de kosten van naleving van de belastingregels voor KMO's, waar mogelijk door het stroomlijnen van procedures en het verlagen van de bureaucratische kosten; wijst erop dat de lidstaten verschillende grondslagen van de vennootschapsbelasting hanteren, hetgeen in de praktijk de grensoverschrijdende handel en daarmee de groei en werkgelegenheid kan belemmeren; steunt het voorstel van de Commissie voor de invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) in de EU;

16.

benadrukt dat de CCCTB bevorderlijk zou zijn voor de groei en tot meer banen in Europa zou leiden door vermindering van administratieve kosten en bureaucratische rompslomp voor ondernemingen, met name voor kleine bedrijven die in verschillende EU-landen actief zijn;

17.

roept de lidstaten op de bestaande voorstellen snel uit te voeren en verzoekt de Commissie voorstellen te doen, in overeenstemming met de voorstellen van het Europees Parlement inzake belasting op spaartegoeden, groene en consumptieve belasting, bestrijding van belastingfraude, goed bestuur en dubbele belasting;

18.

wijst erop dat de huidige economische en financiële crisis heeft geleid tot een aanzienlijke stijging van de staatsschulden in Europa en dat zowel beperking van de uitgaven als belastingverhogingen nodig zijn om deze enorme schulden te verlagen;

19.

wijst erop dat de lidstaten die met de sterkste daling van de groei van het BBP te maken hadden de lidstaten waren die hun belastingen het sterkst moesten verhogen, terwijl over het algemeen de lidstaten die hun belastingen konden verlagen de lidstaten waren die de inkrimping van hun reële BBP beneden de 4 % konden houden (9);

20.

verzoekt de lidstaten hun belastingstelsels meer groeigericht te maken door de opzet van de stelsels te verbeteren en over te stappen op vormen van belasting die minder verstoring veroorzaken, zonder daarbij het doel van sociale rechtvaardigheid uit het oog te verliezen;

21.

is van mening dat coördinatie van belastingbeleid een belangrijk onderdeel kan vormen van een strategie voor begrotingsconsolidatie op EU-niveau en de doeltreffendheid van het nieuwe belastingbeleid van de lidstaten kan verbeteren;

Wegwerken van grensoverschrijdende fiscale obstakels voor EU-burgers

22.

wijst erop dat het wegwerken van fiscale obstakels belangrijk is ter vergroting van de mogelijkheden en het vertrouwen van de burgers om in de EU werk te zoeken, met pensioen te gaan, te winkelen en, ook voor ondernemingen, te investeren;

23.

verwelkomt het feit dat in de mededeling over het wegwerken van grensoverschrijdende fiscale obstakels voor EU-burgers de relevantste klachten van EU-burgers over grensoverschrijdende fiscale obstakels zijn aangegeven en ziet uit naar voorstellen van de Commissie op dit gebied;

24.

verwelkomt het feit dat de Commissie haar inspanningen wil verhogen om te waarborgen dat alle EU-burgers toegang hebben tot de door hen benodigde informatie en advies inzake belastingregels binnen de EU;

25.

wijst erop dat de lidstaten van mening zijn dat burgers betere toegang moeten hebben tot belastinginformatie;

26.

onderstreept dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat er geen fiscale obstakels zijn die burgers beletten de vrijheden van de interne markt uit te oefenen;

27.

verzoekt de Commissie informatie te delen over optimale werkmethodes in de lidstaten van de EU en in andere landen van de OESO betreffende voorlichting aan burgers en ondernemingen op het gebied van belasting, en verzoekt de Commissie doeltreffende instrumenten te ontwikkelen om de uitwisseling van dergelijke informatie en van optimale werkmethodes op het gebied van belastingheffing te vereenvoudigen en te stimuleren, waaronder het opzetten van proefprojecten, teneinde het Europese concurrentievermogen op de lange termijn te stimuleren; benadrukt daarnaast dat de Commissie erop moet toezien dat Eurostat statistieken verzamelt en verifieert inzake belastingontwijking en -ontduiking in de gehele EU;

28.

wijst erop dat sommige lidstaten in het kader van hun overeenkomsten inzake dubbele belastingheffing vereenvoudigde procedures hebben vastgesteld voor het vragen van teruggaaf van belasting en dat een aantal lidstaten voor niet-ingezetenen of buitenlandse belastingbetalers websites heeft opgezet met informatie en formulieren in verschillende talen;

29.

verzoekt de lidstaten de plannen van de Commissie te steunen voor het verbeteren van de coördinatie en de samenwerking met en tussen belastingdiensten van de lidstaten voor het treffen van passende maatregelen om dubbele belastingheffing en andere grensoverschrijdende fiscale obstakels te voorkomen;

30.

wijst erop dat dubbele belasting een belemmering vormt voor grensoverschrijdende activiteiten en investeringen en dat er een gecoördineerde aanpak van dit probleem moet komen;

31.

verzoekt de Commissie manieren voor te stellen om naleving van de belastingwetgeving in grensoverschrijdende situaties te vereenvoudigen;

32.

verwelkomt de openbare raadpleging door de Commissie inzake belastingen op grensoverschrijdende uitbetaling van dividenden aan portefeuille- en individuele beleggers in de EU en de aanpak van fiscale obstakels voor grensoverschrijdende successierechten in de EU, en ziet uit naar voorstellen van de Commissie op dit gebied;

33.

verzoekt de Commissie en de lidstaten manieren te vinden om fiscale obstakels voor grensoverschrijdend werk en transnationale mobiliteit zo snel mogelijk uit de weg te ruimen zodat de doelstellingen van de EU 2020-strategie, met name economische groei en de stijging van de werkgelegenheid, zo snel mogelijk verwezenlijkt kunnen worden;

34.

verzoekt de Commissie zich meer in te zetten voor de behandeling van klachten en voor een grotere transparantie en uitgebreidere informatie ten behoeve van burgers inzake de resultaten van klachten over belastingwetgeving van de lidstaten en van inbreukprocedures op belastinggebied, en de monitoring daarvan;

35.

verzoekt de Commissie haar werkzaamheden binnen de adviesdiensten voor de burgers Europe Direct en Uw Europa voort te zetten en de webportal van Europe Direct verder te ontwikkelen, zodat EU-burgers informatie kunnen vinden van de belastingdiensten van de 27 EU-landen; benadrukt dat deze informatie op gebruikersvriendelijke wijze moet worden gepresenteerd;

36.

verzoekt de Commissie de administratieve samenwerking tussen lidstaten op het gebied van dubbele belasting te versterken, onder meer door meer projecten en middelen van het programma Fiscalis te richten op de aanpak van concrete problemen van belastingbetalers;

Beëindiging van discriminatie en dubbele belasting voor burgers en ondernemingen in de EU

37.

wijst erop dat het van groot belang is problemen op te lossen als dubbele belasting voor ondernemingen en personen, strijdigheden tussen verschillende belastingstelsels en gebrek aan toegang tot informatie over nationale belastingregels;

38.

benadrukt dat ondernemingen en burgers belang hebben bij het verwezenlijken van een duidelijk, transparant en stabiel belastingklimaat op de interne markt, aangezien het ontbreken van transparantie inzake belastingregels een belemmering vormt voor grensoverschrijdende activiteiten en investeringen in de EU;

39.

benadrukt dat dubbele belasting het concurrentievermogen van de ondernemingen die ermee te maken hebben vermindert en een belemmering vormt voor de interne markt als geheel;

40.

verwelkomt de mededeling van de Commissie "Dubbele belasting op de interne markt", betreffende een strategie en maatregelen van de EU inzake grensoverschrijdende dubbele belasting;

41.

is van mening dat het Verdrag betreffende de Europese Unie de lidstaten verplicht om de kwestie van dubbele belasting op te lossen, hetgeen zij moeten doen overeenkomstig de artikelen 4, lid 3, en 26 VWEU inzake de interne markt;

42.

stelt vast dat bilaterale belastingovereenkomsten tussen lidstaten niet alle problemen oplossen op het gebied van discriminatie en dubbele belasting voor burgers en ondernemingen;

43.

verwelkomt het idee van de Commissie om een werkgroep dubbele belasting op te zetten, en daarbij belastinginstanties uit de lidstaten en, waar passend, consumentenorganisaties te betrekken; verzoekt de Commissie het gezamenlijk verrekenprijzenforum (JTPF), de werkgroep van de EU die zich bezighoudt met bepaalde kwesties op het gebied van vennootschapsbelasting, te versterken, en een dialoog aan te gaan met de zakelijke gemeenschap en consumentenrechtenorganisaties;

44.

verzoekt de Commissie een nieuw BTW-forum op te zetten, analoog aan het JTPF, waar ondernemingen kwesties op het gebied van BTW voor het bedrijfsleven en geschillen tussen lidstaten kunnen aankaarten;

45.

verzoekt de lidstaten de procedures voor het terugvragen van betaalde BTW door kleine en middelgrote ondernemingen te versnellen, om zo een kortere terugbetalingsperiode te verwezenlijken;

46.

verzoekt de Commissie een bindend mechanisme voor geschillenbeslechting op het gebied van dubbele belasting voor personen en ondernemingen voor te stellen, zoals aangeraden in het verslag-Monti;

47.

wijst erop dat administratieve belemmeringen en juridische onzekerheden het voor EU-burgers moeilijk maken om gebruik te maken van het recht op vrij verkeer voor personenauto's binnen de interne markt; verzoekt de lidstaten daarom dubbele registratiebelasting voor auto's af te schaffen;

48.

verzoekt de lidstaten om de regels inzake grensoverschrijdende verrekening voor ondernemingen te moderniseren en te actualiseren en de regels voor elektronische facturering te vereenvoudigen en te moderniseren om op termijn een uniform Europees model voor e-facturen in te voeren;

Voorkoming van dubbele niet-belasting en belastingfraude en vergroting van de transparantie op belastinggebied

49.

wijst erop dat een belastingontduiking en een gebrek aan fiscale transparantie een bedreiging vormen voor de overheidsinkomsten en miljarden euro's verlies betekenen;

50.

wijst erop dat een juist evenwicht moet worden gevonden tussen het algemeen belang van misbruikbestrijding, de behoefte om te voorkomen dat grensoverschrijdende activiteiten in de EU disproportioneel worden beperkt, en een betere coördinatie van de toepassing van antimisbruikmaatregelen met betrekking tot derde landen; betreurt dat sommige lidstaten overeenkomsten hebben gesloten met derde landen die het voortduren van belastingontduiking en fiscale geheimhouding mogelijk maken;

51.

verzoekt de lidstaten om:

doeltreffende belastingstelsels op te zetten en in te voeren om te voorkomen dat hun belastinggrondslag door onbedoelde niet-heffing en misbruik wordt uitgehold;

antimisbruikmaatregelen in te zetten tegen kunstmatige constructies die zijn opgezet om nationale wetgeving of communautaire regels die in nationale wetgeving zijn omgezet te omzeilen;

informatie te blijven delen inzake een agressieve fiscale planning voor ondernemingsverliezen en strategieën voor het opsporen en aanpakken daarvan, en manieren om de doeltreffendheid van de gebruikte strategieën te meten en vervolgens openbaar te maken;

de invoering te overwegen van programma's voor vrijwillige medewerking alsmede de invoering of herziening van bekendmakingsinitiatieven gericht op agressieve fiscale planning;

eindelijk over te gaan tot het afronden van de herziening van de richtlijn betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaartegoeden met het oog op de invoering van automatische uitwisseling van informatie, die reeds geruime tijd bij de Raad geblokkeerd is, teneinde een eerlijke en passende belastingheffing op inkomsten uit spaartegoeden in de EU te waarborgen; benadrukt dat alle betroffen rechtsgebieden administratieve samenwerking moeten invoeren die de procedurele rechten en het recht op privacy van de belastingbetalers niet schendt, door automatische uitwisseling van informatie aan te bieden, niet alleen voor individuele personen, maar ook voor ondernemingen en trusts;

belastingbeslissingen van nationale autoriteiten voor ondernemingen die grensoverschrijdend opereren bekend te maken en te publiceren;

fiscale stimulansen te bieden voor KMO's, zoals vrijstellingen en verlagingen, om ondernemerschap, innovatie en het creëren van werkgelegenheid aan te moedigen;

hervormingen te stimuleren om de mogelijkheden voor belastingontduiking te beperken door efficiënte inningsmechanismen in te voeren die de betrekkingen tussen de belastingbetaler en de belastingdienst zoveel mogelijk beperken en zoveel mogelijk gebruik maken van moderne technologieën en e-bestuur voor het registreren en controleren van economische activiteiten;

52.

verzoekt de Commissie om:

gebieden aan te wijzen waarop zowel de EU-wetgeving als de administratieve samenwerking tussen de lidstaten kunnen worden verbeterd met het oog op de vermindering van belastingfraude;

DG TAXUD te voorzien van meer middelen en personeel om EU-beleid en voorstellen te ontwikkelen op het gebied van dubbele niet-belasting, belastingontduiking en -fraude;

schadelijke belastingconcurrentie en dubbele niet-belasting van grote ondernemingen aan te pakken die de winsten kunstmatig verschuiven om de feitelijke belastingtarieven zo laag mogelijk te houden; belastingbeslissingen van nationale autoriteiten voor ondernemingen die grensoverschrijdend opereren bekend te maken en te publiceren;

belastingfraude strenger aan te pakken door middel van strafrechtelijke vervolging;

53.

verzoekt de lidstaten de hoogste prioriteit te geven aan de bestrijding van het gebruik van belastingparadijzen voor illegale doeleinden en verzoekt de Commissie in samenwerking met het Europees Parlement een definitie en lijst van de EU vast te stellen, waarbij in eerste instantie rekening wordt gehouden met de door de OESO opgestelde definitie en lijst van belastingparadijzen of rechtsgebieden die geheimhouding betrachten; dringt erop aan dat er, in afwachting van een akkoord over een mondiale definitie van dit begrip, een Europese definitie wordt overeengekomen;

54.

wijst erop dat het Wereldforum van de OESO inzake transparantie en informatie-uitwisseling voor belastingdoeleinden het belangrijkste internationale forum is voor de bestrijding van belastingontwijking en geeft derhalve zijn volledige steun aan de werkzaamheden van dit forum; wijst op de tekortkomingen van dit forum als forum van kleinste gemene delers; erkent tevens de nuttige initiatieven op nationaal, EU- en mondiaal niveau gericht op het vinden van een uitvoerbare oplossing voor dit aanhoudende probleem;

55.

verzoekt de Commissie sneller op te treden tegen belastingontduiking en -fraude;

56.

verzoekt de lidstaten om met Andorra, Monaco en San Marino overeenkomsten te sluiten betreffende fraudebestrijding en uitwisseling van fiscale informatie en met Zwitserland een nieuwe overeenkomst op dit gebied te sluiten en deze vervolgens regelmatig te actualiseren;

57.

is van mening dat een gebrek aan samenwerking en coördinatie tussen de belastingstelsels van de lidstaten kan leiden tot het onbedoeld achterwege blijven van belastingheffing en tot belastingontduiking, fiscaal misbruik en belastingfraude;

58.

verzoekt de Commissie de fiscale gevolgen van de tenuitvoerlegging van het Europees semester te analyseren en in de loop van 2012 hierover een verslag te publiceren;

59.

roept op tot het waarborgen van afdoende begrotings- en personele middelen voor de Europese Rekenkamer en OLAF, ter ontwikkeling van efficiënte controlemechanismen en een doeltreffend toezicht op de begrotingsprocedures op EU-niveau;

60.

roept de Commissie op tot het aanwijzen van en het toekennen van prioriteit aan beleidsmaatregelen met fiscale gevolgen voor de programma's voor stabiliteit en convergentie van de lidstaten en voor de nationale hervormingsprogramma's;

*

* *

61.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


(1)  http://ec.europa.eu/taxation_customs/resources/documents/common/consultations/tax/summary_report_consultation_double_tax_conventions_en.pdf

(2)  http://www.oecd.org/document/61/0,3746,en_2649_33767_48570813_1_1_1_1,00.html

(3)  http://www.bruegel.org/publications/publication-detail/publication/599-how-effective-and-legitimate-is-the-european-semester-increasing-the-role-of-the-european-parliament/

(4)  http://ec.europa.eu/taxation_customs/taxation/gen_info/economic_analysis/tax_structures/index_en.htm

(5)  http://www.oecd-ilibrary.org/taxation/consumption-tax-trends-2010_ctt-2010-en

(6)  http://www.alainlamassoure.eu/liens/817.pdf

(7)  PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 13.

(8)  http://www.eureschannel.org/en/dossiers/WEBrapport_obst_E.pdf

(9)  Publicatie van de Commissie "Taxation Trends in the EU" (Uitgave 2011)


20.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 239/97


Donderdag 2 februari 2012
Mededingingsbeleid van de Europese Unie

P7_TA(2012)0031

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over het Jaarverslag inzake het mededingingsbeleid van de EU (2011/2094(INI))

2013/C 239 E/15

Het Europees Parlement,

gezien het Commissieverslag over het mededingingsbeleid 2010 (COM(2011)0328) en het begeleidende interne werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2011)0690),

gezien Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (1),

gezien Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de "EG-concentratieverordening") (2),

gezien de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboetes die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 (3) (de boeterichtsnoeren) worden opgelegd,

gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2008 over de toepassing van de staatssteunregels op maatregelen in het kader van de huidige wereldwijde financiële crisis genomen met betrekking tot financiële instellingen (4) (de mededeling over het bankwezen),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 december 2008 over de herkapitalisatie van financiële instellingen in de huidige financiële crisis: beperking van steun tot het noodzakelijke minimum en bescherming tegen buitensporige mededingingverstoringen (5) (de mededeling over de herkapitalisatie),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2009 over de behandeling van aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa in de communautaire banksector (6) (de mededeling over aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 juli 2009 betreffende het herstel van de levensvatbaarheid en de beoordeling van de herstructureringsmaatregelen in de financiële sector in de huidige crisis met inachtneming van de staatssteunregels (7) (de herstructureringsmededeling),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2008 over een tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (8) (de oorspronkelijke tijdelijke kaderregeling),

gezien de mededeling van de Commissie van 1 december 2010 over een tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (9) (de tijdelijke kaderregeling tot vervanging van de op 31 december 2010 verstreken kaderregeling),

gezien de in juni 2011 in opdracht van het Parlement uitgebrachte studie met als titel "State aid – Crisis rules for the financial sector and the real economy" (10),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 5 oktober 2011 getiteld "De effecten van tijdelijke staatssteunregels die zijn aangenomen in de context van de financiële en economische crisis" (SEC(2011)1126),

gezien de ontwerpverordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 794/2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag met betrekking tot de vereenvoudiging van de rapportageverplichtingen van de lidstaten,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie met als titel "Openbare hoorzitting: op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen" (SEC(2011)0173),

gezien het door het DG Concurrentie uitgebrachte document met als titel "Best Practices on the conduct of proceedings concerning Articles 101 and 102 TFEU" (11),

gezien het door het DG Concurrentie uitgebrachte document met als titel "Guidance on procedures of the Hearing Officers in proceedings relating to Articles 101 and 102 TFEU" (12),

gezien het door het DG Concurrentie uitgebrachte document met als titel "Best practices for the submission of economic evidence and data collection in cases concerning the application of Articles 101 and 102 TFEU and in merger cases" (13),

gezien de kaderovereenkomst van 20 oktober 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie (14) (hierna "de kaderovereenkomst" genoemd), en met name de paragrafen 12 (15) en 16 (16) daarvan,

gezien zijn resoluties van 25 april 2007 over het Groenboek inzake schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels (17) en van 26 maart 2009 over het Witboek inzake schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels (18), en gezien het advies van de Commissie economische en monetaire zaken van 20 oktober 2011 getiteld "Op weg naar een samenhangende aanpak van collectieve verhaalmechanismen",

gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over hervorming van de EU-regels inzake staatssteun voor diensten van algemeen economisch belang (19),

gezien zijn resoluties van 22 februari 2005 over het 33ste verslag van de Commissie inzake het mededingingsbeleid 2003 (20), van 4 april 2006 over het Commissieverslag inzake het mededingingsbeleid 2004 (21), van 19 juni 2007 over het verslag inzake het mededingingsbeleid 2005 (22), van 10 maart 2009 over het verslag inzake het mededingingsbeleid 2006 en 2007 (23), van 9 maart 2010 over het verslag inzake het mededingingsbeleid 2008 (24) en van 20 januari 2011 over het verslag inzake het mededingingsbeleid 2009 (25),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid 2010 (INT/594 - CESE 1461/2011),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie vervoer en toerisme (A7-0424/2011),

A.

overwegende dat de financiële en economische crisis die in het najaar van 2008 is uitgebroken, nog niet is overwonnen; overwegende dat de financiële onrust en angst voor recessie de afgelopen maanden weer nijpend zijn geworden;

B.

overwegende dat de Commissie op een alerte en doordachte manier op het uitbreken van de crisis heeft gereageerd door een speciale regeling voor staatssteun vast te stellen en het concurrentiebeleid als een crisisbeheersingsinstrument te gebruiken; overwegende dat dit was – en nog steeds is – bedoeld als een tijdelijke oplossing hoewel de periode die hier oorspronkelijk voor was gepland, is verstreken;

C.

overwegende dat de Commissie tussen 1 oktober 2008 en 1 oktober 2010 meer dan 200 beslissingen heeft genomen over staatssteun voor de financiële sector; overwegende dat het nominale bedrag van de steun aan de financiële sector die de lidstaten in 2009 hebben ingezet 1.107 miljard EUR (9,3% van het bbp van de EU) bedroeg; overwegende dat met alle maatregelen (zowel regelingen als ad-hocmaatregelen) die de lidstaten sinds het begin van de financiële crisis tot 1 oktober 2010 hebben genomen en die door de Commissie zijn goedgekeurd, in totaal 4 588,90 miljard EUR is gemoeid;

D.

overwegende dat de Commissie de voorwaarde heeft ingevoerd - toepasselijk met ingang van 1 januari 2011 - dat iedere begunstigde van een herkapitalisatiemaatregel of een maatregel voor activaondersteuning een herstructureringsplan moet indienen, ongeacht of de bank als fundamenteel gezond of als een probleembank geldt;

E.

overwegende dat de aanzienlijke hoeveelheden staatssteun die tijdens de crisis zijn verleend, bijvoorbeeld in de vorm van garantieregelingen, herkapitalisatieregelingen en aanvullende vormen van liquiditeitssteun voor de financiering van banken, hebben bijgedragen aan ernstige verstoringen van het evenwicht in de overheidsfinanciën; overwegende dat nog steeds niet bekend is hoe verreikend het effect van deze staatssteun, in het bijzonder van de aan de banken verleende garanties, in de toekomst precies zou kunnen zijn van zodra er daadwerkelijk op een of meer van deze garanties een beroep wordt gedaan;

F.

overwegende dat protectionisme en niet-handhaving van de mededingingregels de crisis alleen maar zouden verergeren en verlengen; overwegende dat het mededingingsbeleid een essentieel instrument vormt om de EU in staat te stellen over een dynamische, efficiënte en innovatieve interne markt te beschikken en wereldwijd de concurrentie aan te gaan;

G.

overwegende dat kartelvorming, ongeacht alle inspanningen die worden ondernomen om de economische crisis te boven te komen, nog steeds de zwaarste bedreiging vormt voor de vrije concurrentie, de belangen van de consument en het correcte functioneren van de markten, en dat kartels dus zelfs in tijden van economische crisis onaanvaardbaar zijn;

Verslag van de Commissie inzake het mededingingsbeleid 2010

1.

is ingenomen met het verslag van de Commissie inzake het mededingingsbeleid 2010; wijst er ter gelegenheid van de veertigste verschijning van dit rapport op dat het EU-mededingingsbeleid tal van voordelen in termen van consumentenwelzijn heeft opgeleverd en een essentieel instrument is gebleken voor het elimineren van obstakels voor het vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal; wijst erop dat het mededingingsbeleid nog steeds een essentieel instrument is voor de instandhouding van de interne markt en de bescherming van de consumentenbelangen; onderstreept dat sommige regels moeten worden aangepast aan de nieuwe uitdagingen die zich aandienen;

2.

stelt dat dit gezamenlijke effect van rigide beginselen en flexibele processen het mogelijk heeft gemaakt dat het concurrentiebeleid een constructieve en stabiliserende factor is in het financiële stelsel van de EU en over het algemeen in de reële economie;

Aanbevelingen inzake het mededingingsbeleid

3.

gelooft dat meer prijstransparantie essentieel is om de concurrentie in de interne markt aan te zwengelen en de consument bewuster te laten kiezen;

4.

juicht toe dat de Commissie en consumentenorganisaties goede praktijken uitwisselen op het gebied van het Europees mededingingsrecht en moedigt de Commissie aan dit soort uitwisselingen verder te bevorderen, ook, indien geëigend, met andere betrokken partijen;

Toezicht op staatssteun

5.

is verheugd over het werkdocument van de diensten van de Commissie dat is opgesteld voor het evalueren van de effecten van tijdelijke staatssteunregels die zijn aangenomen in de context van de financiële en economische crisis; neemt nota van de beoordeling van de Commissie dat op mondiaal niveau staatssteun doeltreffend is geweest voor het reduceren van instabiliteit, het verbeteren van de werking van de financiële markten en het opvangen van de effecten van de crisis op de reële economie; vraagt zich evenwel af of deze optimistische analyse kan worden gehandhaafd;

6.

wijst er met nadruk op dat de tijdelijke regeling voor staatssteun als initiële reactie op de crisis positief heeft uitgepakt, maar dat zij niet onnodig mag worden verlengd; onderstreept dat tijdelijke maatregelen en uitzonderingen zo snel mogelijk, en zodra de economische situatie het toelaat, moeten worden afgeschaft;

7.

geeft aan dat er behoefte is aan een nieuw, permanent regelgevingsstelsel voor staatssteun om de manco's die zijn geconstateerd in het van voor de crisis daterende rechtssysteem te kunnen rechtzetten, met name wat betreft de financiële sector, en om tijdens de financieel-economische crisis ontstane distorsies te corrigeren;

8.

neemt kennis van de aangekondigde specifieke reddings- en herstructureringsrichtsnoeren voor de bankensector; beveelt de Commissie aan rekening te houden met het effect, in termen van verstoring van de concurrentie, van de tijdens de reddingsfase door de centrale banken verleende liquiditeitssteun en zorg te dragen voor een ordelijke herstructurering van de banken waarbij ook de aandeel- en obligatiehouders moeten worden betrokken, alvorens er tot overheidskapitaalinjecties wordt overgegaan;

9.

dringt er bij de Commissie op aan om de uitbreiding van de tijdelijke staatssteun na 2011 te koppelen aan de banksector met verbeterde en striktere voorwaarden die zijn gerelateerd aan de inperking van de samenstelling en de grootte van de balans, met inbegrip van de juiste focus op particuliere leningen alsmede strengere beperkingen van bonussen, de verdeling van dividend, en andere cruciale factoren; is van oordeel dat deze voorwaarden expliciet moeten zijn, en dat de naleving ervan ex post door de Commissie moet worden beoordeeld en samengevat;

10.

neemt nota van de tot nu toe door de Commissie genomen maatregelen ter vermindering van de balans van bepaalde instellingen die te groot of te verweven zijn om failliet te gaan en die tijdens de crisis staatssteun hebben ontvangen; is van mening dat meer maatregelen vereist zijn voor dat doel;

11.

wijst er niettemin op dat de huidige consolidatie in de banksector het marktaandeel van verscheidene grote financiële instellingen heeft doen toenemen, en vraagt de Commissie daarom met aandrang om de sector goed in het oog te houden, met als doel de concurrentie in de Europese banksectoren te bevorderen, onder meer door het opleggen van herstructureringsplannen die inhouden dat bankactiviteiten gescheiden worden wanneer het deze instellingen door middel van deposito's van particulieren mogelijk wordt gemaakt om riskantere beleggingsactiviteiten te financieren;

12.

merkt op dat de ECB diverse niet-standaard liquiditeitsinjecties heeft uitgevoerd tijdens de crisis; neemt nota van de beoordeling van de Commissie - in haar studie - dat dit soort maatregelen strikt genomen geen staatssteun zijn; onderstreept evenwel dat beleidsmaatregelen op EU-niveau moeten worden gecoördineerd en dat de Commissie bij het beoordelen van staatssteun die aan banken is toegekend die ook steun van de ECB of andere centrale banken ontvangen rekening moet houden met de effecten van steun van de ECB of andere centrale banken, en van andere overheidsinterventies;

13.

wijst erop dat in de compatibiliteitsbeoordeling van de Commissie geen rekening is gehouden met de effecten van door banken tijdens de crisis ontvangen ECB-steun en andere overheidsinterventies; verzoekt de Commissie dit soort operaties ex post te beoordelen;

14.

roept de Commissie op om snel het verwachte wetsvoorstel in te dienen om binnen een echt Europees kader de resolutie van failliet gaande banken aan te pakken, waarbij een gemeenschappelijk reglement, alsmede een gemeenschappelijke set interventie-instrumenten en -triggers worden gegarandeerd, en de betrokkenheid van belastingbetalers zo klein mogelijk wordt gehouden, namelijk via de oprichting van geharmoniseerde resolutiefondsen die door de sectoren zelf worden gefinancierd (met een op risico's gebaseerde aanpak);

15.

onderstreept dat staatssteun op zodanige wijze moet worden toegekend dat de concurrentie niet verstoord raakt en gevestigde bedrijven niet worden begunstigd ten koste van nieuw opgerichte bedrijven;

16.

is van oordeel dat staatssteun moet dienen ter ondersteuning van innovatie- en onderzoeksclusters, en derhalve ondernemerschap ten goede moet komen;

17.

roept de Commissie op om ervoor te zorgen dat de beoogde vereenvoudiging van de voorschriften inzake staatssteun voor diensten van algemeen economisch belang (DEAB) niet tot een minder goede controle op overcompensatie zal leiden;

18.

neemt kennis van de intentie van de Commissie om een "de minimis"-regeling in te voeren met betrekking tot staatssteun voor DEAB; onderstreept dat duidelijke en eenduidige criteria nodig zijn om te bepalen welke diensten hierdoor zouden worden gedekt;

19.

stelt met klem dat voor elk voorstel om voor andere categorieën van DEAB stelselmatig een ontheffing van de kennisgevingsplicht in te voeren, moet zijn aangetoond dat deze uitzondering op de regels gerechtvaardigd en noodzakelijk is en de concurrentie niet onevenredig verstoort;

20.

benadrukt hoe belangrijk het is om concurrentie in alle sectoren te bevorderen, niet in de laatste plaats in de dienstensector die 70% van de Europese economie beslaat; legt verder de nadruk op het recht om nieuwe bedrijven op te richten en nieuwe diensten te gaan verlenen;

Antitrustbeleid

21.

stelt voor dat, mocht de Commissie met een voorstel voor een horizontaal kader voor collectief verhaal komen, er indien nodig een beginsel inzake vervolgmaatregelen wordt aangenomen waarbij particuliere afdwinging op grond van collectieve verhaalmechanismen kan worden ingesteld wanneer er sprake is van een voorafgaand niet-nalevingsbesluit van de Commissie of van een nationale mededingingsautoriteit; merkt op dat het in principe toestaan van vervolgvorderingen in de regel niet uitsluit dat er zowel losstaande als vervolgvorderingen kunnen worden ingeleid;

22.

merkt op dat mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting vaak afhankelijk zijn van de bereidheid tot medewerking van de handelaar en is van oordeel dat een doeltreffend juridisch verhaalsysteem een sterke prikkel voor de partijen zou vormen om hun geschil buitengerechtelijk te schikken, waardoor waarschijnlijk een aanzienlijk aantal zaken niet langer nodig zal zijn, en het aantal gerechtelijke procedures zal afnemen; moedigt het opzetten van systemen voor alternatieve geschillenbeslechting op Europees niveau aan om te zorgen voor snelle en goedkope geschillenbeslechting als een aantrekkelijkere optie dan gerechtelijke procedures; benadrukt echter dat dergelijke mechanismen, zoals de naam het al aangeeft, alleen bij wijze van alternatief voor een gerechtelijke verhaalprocedure mogen worden ingezet, en daarvoor geen voorwaarde mogen vormen;

23.

benadrukt dat ingevolge het arrest van het Hof in Zaak C-360/09, Pfleiderer, en in Zaak C-437/08, CDC Hydrogen Peroxide, de Commissie erop moet toezien dat collectief verhaal niet ten koste gaat van de effectiviteit van het in het kader van het mededingingsrecht gehanteerde clementiebeleid, noch van de afwikkelingsprocedure;

24.

is van mening dat voldoende rekening moet worden gehouden met de specifieke problemen die zich voordoen op mededingingsgebied en dat alle instrumenten in de sfeer van collectief verhaal ten volle moeten zijn berekend op de specifieke kenmerken van de antitrustsector;

25.

wijst er nogmaals op dat er met betrekking tot collectieve verhaalmechanismen in het kader van het mededingingsbeleid voorzorgen moeten worden ingebouwd om te voorkomen dat er een systeem van collectieve schadevergoedingsacties ontstaat met kansloze vorderingen en buitensporig procederen, en dat moet worden gegarandeerd dat de partijen in een gerechtelijke procedure over dezelfde wapens beschikken; onderstreept dat daarbij o.a. de volgende punten in acht moeten worden genomen:

de eisersgroep moet reeds voor de instelling van de vordering duidelijk zijn geïdentificeerd ("opt-inprocedure");

overheden, zoals ombudsmannen of aanklagers, alsmede vertegenwoordigende organen kunnen een geding aanspannen namens een duidelijk afgebakende groep eisers;

de criteria ter bepaling van de vraag welke vertegenwoordigende organen bevoegd zijn om collectieve vorderingen in te stellen moeten op EU-niveau worden vastgesteld;

het ontstaan van een stelsel van "class action lawsuits" moet worden vermeden omdat dit buitensporig procederen in de hand werkt, strijdig kan zijn met de grondwet van sommige lidstaten en de rechten kan aantasten van gedupeerden die eventueel onbedoeld bij de procedure betrokken raken, maar niettemin onder de toepassing van de rechterlijke uitspraak zouden vallen;

a)

toestaan van individuele vorderingen:

het moet eisers onder alle omstandigheden vrij staan om bij wijze van alternatief bij een bevoegde rechtbank een vordering tot individuele schadevergoeding in te dienen;

collectieve eisers mogen zich niet in een betere positie bevinden dan individuele eisers;

b)

vergoeding van kleine en diffuse schade:

gedupeerden die kleine en diffuse schade hebben geleden, moeten over adequate middelen kunnen beschikken om via collectief verhaal toegang tot de rechter te krijgen en hebben recht op een billijke vergoeding;

c)

gevallen waarin alleen de daadwerkelijk geleden schade wordt vergoed:

slechts de daadwerkelijk geleden schade kan worden vergoed; schadeloosstellingen die bedoeld zijn als sanctie en oneerlijke verrijking moeten worden verboden;

iedere eiser moet zijn eis tot schadevergoeding onderbouwen;

de toegewezen schadevergoeding moet naar gelang de individueel geleden schade over de gedupeerden worden verdeeld;

resultaatafhankelijke beloningen zijn uit den boze omdat dit verschijnsel in Europa nauwelijks voorkomt;

d)

principe dat de verliezer betaalt:

er mag geen vordering worden ingesteld waarbij de eiser weerloos is door een gebrek aan financiële middelen; de proceskosten – en als gevolg hiervan het procesrisico – worden gedragen door de in het ongelijk gestelde partij; de vaststelling van regels betreffende de aanrekening van proceskosten valt onder de bevoegdheid van de lidstaten;

e)

geen financiering door derden:

voorafgaande financiering van het proces door derden, waarbij bijvoorbeeld de eiser een eventueel later recht op schadevergoeding aan derden afstaat, mag niet worden toegestaan;

26.

benadrukt dat elk horizontaal kader moet voldoen aan twee basisvoorwaarden:

de lidstaten passen bij collectieve vorderingszaken die voortvloeien uit inbreuken op de EU-wetgeving geen condities toe die restrictiever zijn dan de voorwaarden welke worden toegepast bij zaken die het gevolg zijn van een inbreuk op hun nationale wetgeving;

de in het horizontale kader neergelegde beginselen staan geenszins de toepassing in de weg van bijkomende maatregelen om te waarborgen dat het met de EU-wetgeving beoogde doel volledig wordt bereikt;

27.

is ingenomen met het door de Commissie in haar werkprogramma voor 2012 aangekondigde wetgevingsinstrument inzake schadevergoedingsacties voor schendingen van het mededingingsrecht; benadrukt dat hierbij rekening moet worden gehouden met eerdere resoluties van het Parlement over dit onderwerp, en onderstreept dat het instrument moet worden aangenomen in het kader van de gewone wetgevingsprocedure;

28.

is van oordeel dat het boetebeleid een belangrijk en zichtbaar instrument is voor handhaving en afschrikking;

29.

wijst erop dat gedrag niet alleen wordt bepaald door sancties, maar ook het resultaat is van maatregelen gericht op het bevorderen van naleving; is voorstander van een benadering die dient als een doeltreffende afschrikking, in combinatie met op bevordering van naleving gerichte maatregelen;

30.

benadrukt dat een beleid van hoge boetes nu en in de toekomst niet mag worden gebruikt als alternatief financieringsmechanisme voor de EU-begroting;

31.

wijst erop dat de methode voor het bepalen van de hoogte van boetes is vastgelegd in een niet-wetgevingsdocument - de boeterichtsnoeren 2006 - en verzoekt de Commissie nogmaals met klem een gedetailleerde basis voor het bepalen van de hoogte van boetes, samen met nieuwe boetebeginselen, op te nemen in Verordening (EG) nr. 1/2003;

32.

spoort de Commissie aan haar boeterichtsnoeren te herzien en daarbij in het bijzonder te kijken naar beginselen als:

het principe dat de toepassing van strikte nalevingsprogramma's voor overtreders normaliter geen negatieve consequenties zou mogen hebben anders dan een rechtsmiddel dat in verhouding staat tot de overtreding;

het met betrekking tot de hoogte van de boetes aanbrengen van een onderscheid tussen ondernemingen die opzettelijk of abusievelijk in de fout zijn gegaan;

het rekening houden met de uit de EU-antitrustwetgeving voortvloeiende wisselwerking tussen overheids- en particuliere verplichting; de Commissie moet erop toezien dat bij de vaststelling van boetes rekening wordt gehouden met eventueel reeds aan derden uitbetaalde vergoedingen; dit moet ook geschieden in het geval van ondernemingen ten aanzien waarvan soepelheid is betracht; het aansporen van overtreders om middels een buitengerechtelijke schikking tot schadevergoeding over te gaan alvorens er een definitieve beslissing over de te betalen boete wordt getroffen;

het gedetailleerd vastleggen van de voorwaarden waaronder moederbedrijven die beslissende invloed op een dochter uitoefenen maar niet rechtstreeks bij een inbreuk betrokken zijn, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor inbreuk op de antitrustregels door hun dochters;

vereisen dat er bij recidivegevallen een duidelijke koppeling wordt gelegd tussen enerzijds de inbreuk waarnaar een onderzoek gaande is en in het verleden begane inbreuken en anderzijds de betrokken onderneming; het overwegen van een maximumtermijn;

33.

neemt nota van het feit dat het aantal verzoeken tot verlaging van de opgelegde boetes wegens onvermogen om te betalen, met name van de zijde van monoproducenten en mkb-bedrijven, is toegenomen; is van mening dat een systeem van latere betaling en/of betaling in termijnen als een alternatief kan worden gezien voor verlaging van de opgelegde boetes, om te voorkomen dat ondernemingen failliet gaan;

34.

verwacht dat de boeterichtsnoeren voor monoproducenten en mkb-bedrijven zullen worden aangepast, zoals aangekondigd door ondervoorzitter Joaquín Almunia van de Commissie;

35.

is ingenomen met het feit dat bij kartelzaken met het oog op een doelmatiger procesverloop gebruik wordt gemaakt van de schikkingsprocedure;

36.

dringt er bij de Commissie op aan nauwkeuriger te kijken naar het zgn. "doorsijpeleffect" ("trickle-down economics") bij het analyseren van mogelijk misbruik van dominante posities, wanneer zij heeft ontdekt dat er geen misbruik is gemaakt van de dominante positie;

Concentratiecontrole

37.

is van oordeel dat de economische en financiële crisis geen reden mag zijn voor een versoepeling van het controlebeleid van de EU op het gebied van fusies; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat fusies, met name fusies die de redding of herstructurering van noodlijdende banken beogen, niet resulteren in nog meer instellingen die te groot zijn om failliet te gaan en systemische instellingen in meer algemene zin;