ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2013.178.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 178

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

56e jaargang
22 juni 2013


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2013/C 178/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese UniePB C 171 van 15.6.2013

1

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2013/C 178/02

Zaak C-142/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona (Spanje) op 20 maart 2013 — Bright Service, S.A./Repsol Comercial de Productos Petrolíferos, S.A.

2

2013/C 178/03

Zaak C-144/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 21 maart 2013 — VDP Dental Laboratory NV, Staatssecretaris van Financiën

2

2013/C 178/04

Zaak C-153/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Bardejov (Slowakije) op 26 maart 2013 — Pohotovosť s.r.o./Ján Soroka

3

2013/C 178/05

Zaak C-154/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 27 maart 2013 — Staatssecretaris van Financiën, andere partij: X BV

3

2013/C 178/06

Zaak C-155/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Regionale del Veneto — Sede di Mestre-Venezia (Italië) op 27 maart 2013 — SICES e.a./Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Venezia

4

2013/C 178/07

Zaak C-160/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 28 maart 2013 — Staatssecretaris van Financiën, andere partij: X BV

4

2013/C 178/08

Zaak C-171/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 8 april 2013 — Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen M.S. Demirci e.a.

4

2013/C 178/09

Zaak C-192/13 P: Hogere voorziening ingesteld op 15 april 2013 door het Koninkrijk Spanje tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 31 januari 2013 in zaak T-235/11, Spanje/Commissie

5

2013/C 178/10

Zaak C-197/13 P: Hogere voorziening ingesteld op 16 april 2013 door het Koninkrijk Spanje tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 31 januari 2013 in zaak T-540/10, Spanje/Commissie

5

2013/C 178/11

Zaak C-204/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 18 april 2013 — Finanzamt Saarlouis/Heinz Malburg

6

2013/C 178/12

Zaak C-219/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) op 25 april 2013 — K Oy

6

 

Gerecht

2013/C 178/13

Zaak T-579/10: Arrest van het Gerecht van 7 mei 2013 — macros consult/BHIM — MIP Metro (makro) (Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Gemeenschapsbeeldmerk makro — Firmanaam macros consult GmbH — Vóór aanvraag tot inschrijving van gemeenschapsmerk verworven recht dat houder ervan recht verleent om gebruik van aangevraagde gemeenschapsmerk te verbieden — Niet-ingeschreven tekens die naar Duits recht worden beschermd — § 5 Markengesetz — Artikelen 8, lid 4, 53, lid 1, sub c, en 65 van verordening (EG) nr. 207/2009)

8

2013/C 178/14

Zaak T-249/11: Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Sanco/BHIM — Marsalman (Afbeelding van een kip) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk dat kip weergeeft — Ouder nationaal beeldmerk dat kip weergeeft — Relatieve weigeringsgrond — Soortgelijke waren en diensten — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

8

2013/C 178/15

Zaken T-321/11 en T-322/11: Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Morelli/BHIM — Associazone nazionale circolo del popolo della libertà en Brambilla (PARTITO DELLA LIBERTA') (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvragen voor gemeenschapswoordmerk PARTITO DELLA LIBERTA' en gemeenschapsbeeldmerk Partito della Libertà — Oudere nationale domeinnaam partitodellaliberta.it — Artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 207/2009 — Geen bewijs van gebruik van oudere domeinnaam partitodellaliberta.it in economisch verkeer)

9

2013/C 178/16

Zaak T-393/11: Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Masottina/BHIM — Bodegas Cooperativas de Alicante (CA’ MARINA) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk CA’ MARINA — Ouder gemeenschapswoordmerk MARINA ALTA — Relatieve weigeringsgrond — Overeenstemming van tekens — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

9

2013/C 178/17

Zaak T-19/12: Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Fabryka Łożysk Tocznych-Kraśnik/BHIM — Impexmetal (IKFŁT KRAŚNIK) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk IKFŁT KRAŚNIK — Ouder gemeenschapsbeeldmerk FŁT — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

10

2013/C 178/18

Zaak T-244/12: Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Unister/BHIM (fluege.de) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk fluege.de — Absolute weigeringsgronden — Beschrijvend karakter — Ontbreken van onderscheidend vermogen — Onderscheidend vermogen verkregen door gebruik — Artikel 7, leden 1, sub b en c, 2 en 3, van verordening (EG) nr. 207/2009)

10

2013/C 178/19

Zaak T-45/13: Beroep ingesteld op 29 januari 2013 — Rose Vision en Seseña/Commissie

10

2013/C 178/20

Zaak T-177/13: Beroep ingesteld op 18 maart 2013 — TestBioTech e.a./Commissie

11

2013/C 178/21

Zaak T-209/13: Beroep ingesteld op 12 april 2013 — Olive Line International/BHIM (OLIVE LINE)

11

2013/C 178/22

Zaak T-212/13: Beroep ingesteld op 15 april 2013 — Madaus/BHIM — Indena (ECHINAMID)

12

2013/C 178/23

Zaak T-215/13: Beroep ingesteld op 15 april 2013 — Deutsche Rockwool Mineralwoll/BHIM — Recticel (Lambda)

12

2013/C 178/24

Zaak T-225/13: Beroep ingesteld op 12 april 2013 — T&L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie

13

2013/C 178/25

Zaak T-227/13: Beroep ingesteld op 17 april 2013 — Bayer Intellectual Property/BHIM — Interhygiene (INTERFACE)

15

2013/C 178/26

Zaak T-230/13: Beroep ingesteld op 22 april 2013 — HTC Sweden/BHIM — Vermop Salmon (TWISTER)

15

2013/C 178/27

Zaak T-255/13: Beroep ingesteld op 7 mei 2013 — Italië/Commissie

16

2013/C 178/28

Zaak T-256/13: Beroep ingesteld op 7 mei 2013 — Italië/Commissie

17

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/1


2013/C 178/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 171 van 15.6.2013

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 164 van 8.6.2013

PB C 156 van 1.6.2013

PB C 147 van 25.5.2013

PB C 141 van 18.5.2013

PB C 129 van 4.5.2013

PB C 123 van 27.4.2013

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/2


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona (Spanje) op 20 maart 2013 — Bright Service, S.A./Repsol Comercial de Productos Petrolíferos, S.A.

(Zaak C-142/13)

2013/C 178/02

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Audiencia Provincial de Barcelona

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bright Service, S.A.

Verwerende partij: Repsol Comercial de Productos Petrolíferos, S.A.

Prejudiciële vraag

Moet bij de beoordeling van een verticale overeenkomst — met een niet-concurrentiebeding — die op 31 mei 2000 reeds van kracht was, aan de in verordening nr. 1984/1983 (1) vastgestelde voorwaarden voldoet en niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van verordening nr. 2790/1999 (2) voldoet omdat de leverancier die partij is bij de overeenkomst, een marktaandeel van meer dan 30 % heeft (artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2790/1999) en omdat de duur van het niet-concurrentiebeding vijf jaar overschrijdt en de contractgoederen door de afnemer worden verkocht in lokaliteiten en op terreinen die geen eigendom van de leverancier zijn (artikel 5, sub a, van verordening nr. 2790/1999), artikel 12, lid 2, van verordening nr. 2790/1999 aldus worden uitgelegd:

a)

dat vanaf 1 januari 2002 de overeenkomst, en in het bijzonder het niet-concurrentiebeding, niet onder de vrijstellingen van deze verordeningen (nr. 1984/1983 en nr. 2790/1999) valt en er per geval moet worden nagegaan of de overeenkomst en het niet-concurrentiebeding in overeenstemming zijn met artikel 81, lid 1, EG, dan wel

b)

dat op die overeenkomst de maximale duur van vijf jaar moet worden toegepast die in artikel 5, sub a, van verordening nr. 2790/1999 is vastgelegd voor de looptijd van het niet-concurrentiebeding, zodat voor de overeenkomst, en in het bijzonder het niet-concurrentiebeding, vanaf 1 januari 2002 een nieuwe termijn van vijf jaar geldt die eindigt op 31 december 2006, dan wel

c)

dat voor de overeenkomst die een niet-concurrentiebeding bevat, vanaf 1 januari 2002 een nieuwe termijn van vijf jaar geldt, die eindigt op 31 december 2006, wanneer de resterende geldigheidsduur van het niet-concurrentiebeding op 1 januari 2002 niet meer dan vijf jaar bedraagt, maar dat die overeenkomst niet onder de vrijstellingen valt en er per geval moet worden nagegaan of zij in overeenstemming is met artikel 81, lid 1, EG wanneer de resterende geldigheidsduur van het niet-concurrentiebeding op 1 januari 2002 meer dan vijf jaar bedraagt?


(1)  Verordening (EEG) van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve-afnameovereenkomsten (PB L 173, blz. 5, en rectificatie PB 1984, L 79, blz. 38).

(2)  Verordening (EG) van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, blz. 21).


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/2


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 21 maart 2013 — VDP Dental Laboratory NV, Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-144/13)

2013/C 178/03

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: VDP Dental Laboratory NV, Staatssecretaris van Financiën

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn (1) zo worden uitgelegd dat, indien een nationale wettelijke bepaling in strijd met de richtlijn voorziet in een vrijstelling (waarvoor het recht op aftrek is uitgesloten), de belastingplichtige met een beroep op artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn recht op aftrek toekomt?

2)

Moeten artikel 143, aanhef en letter a, en artikel 140, aanhef en letters a en b, van BTW-richtlijn 2006 (2) zo worden uitgelegd dat de in deze bepalingen opgenomen vrijstellingen van btw niet gelden voor de invoer en de intracommunautaire verwerving van tandprothesen? Zo nee, is dan aan de toepassing van de vrijstellingen de voorwaarde verbonden dat de tandprothesen vanuit het buitenland zijn geleverd door een tandarts of tandtechnicus en/of zijn geleverd aan een tandarts of tandtechnicus?


(1)  Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Bardejov (Slowakije) op 26 maart 2013 — Pohotovosť s.r.o./Ján Soroka

(Zaak C-153/13)

2013/C 178/04

Procestaal: Slowaaks

Verwijzende rechter

Okresný súd Bardejov

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pohotovosť s.r.o.

Verwerende partij: Ján Soroka

Prejudiciële vragen

1)

Moet richtlijn 93/13/EEG (1) van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, in samenhang met de artikelen 47 en 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een regeling van een lidstaat zoals in de onderhavige zaak, op grond waarvan een rechtspersoon die zich ten doel stelt de rechten van consumenten te beschermen, niet mag interveniëren in de tenuitvoerleggingsprocedure aan de zijde van een consument jegens wie een executoriale titel ten uitvoer wordt gelegd voor de terugvordering van een krediet uit een consumentenovereenkomst, terwijl die consument niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd?

2)

Moet de in de eerste vraag aangehaalde regeling van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het grondrecht van de consument op rechterlijke bescherming en op interventie in de procedure in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten wordt geschonden, indien een rechtspersoon die zich ten doel stelt de rechten van consumenten te beschermen, niet wordt toegelaten tot interventie in de tenuitvoerleggingsprocedure en de consument niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd?


(1)  PB L 95, blz. 29.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 27 maart 2013 — Staatssecretaris van Financiën, andere partij: X BV

(Zaak C-154/13)

2013/C 178/05

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Staatssecretaris van Financiën

Andere partij: X BV

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 140, aanhef en letters a en b, van BTW-richtlijn 2006 (1) zo worden uitgelegd dat de in deze bepaling opgenomen vrijstelling van btw niet geldt voor de intracommunautaire verwerving van tandprothesen? Zo nee, is dan aan de toepassing van de vrijstelling de voorwaarde verbonden dat de tandprothesen vanuit het buitenland zijn geleverd door een tandarts of tandtechnicus en/of zijn geleverd aan een tandarts of tandtechnicus?

2)

Zo de in artikel 140, aanhef en letters a en b, van BTW-richtlijn 2006 opgenomen vrijstelling van btw (al dan niet onder de in vraag 1) omschreven voorwaarden) geldt voor de intracommunautaire verwerving van tandprothesen: geldt in lidstaten als Nederland die zich hebben geconformeerd aan de vrijstelling van artikel 132 van BTW-richtlijn 2006, de vrijstelling dan ook voor de intracommunautaire verwerving van tandprothesen afkomstig uit een lidstaat die gebruik heeft gemaakt van de afwijkings- en overgangsregeling van artikel 370 van BTW-richtlijn 2006?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Regionale del Veneto — Sede di Mestre-Venezia (Italië) op 27 maart 2013 — SICES e.a./Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Venezia

(Zaak C-155/13)

2013/C 178/06

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Commissione Tributaria Regionale del Veneto — Sede di Mestre-Venezia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Società Italiana Commercio e Servizi Srl, in liquidatie (SICES) e.a.

Verwerende partij: Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Venezia

Prejudiciële vraag

Moet artikel 6 van verordening (EG) nr. 341/2007 van 29 maart 2007 (1) aldus worden uitgelegd dat sprake is van onrechtmatige overdracht van certificaten voor invoer tegen verlaagd tarief in het kader van het GATT-contingent voor Chinese knoflook indien een certificaathouder deze knoflook — na betaling van het verschuldigde douanerecht — op de markt brengt door overdracht aan een andere marktdeelnemer en houder van invoercertificaten, van wie hij deze knoflook vóór invoer had gekocht?


(1)  Verordening (EG) nr. 341/2007 van de Commissie van 29 maart 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten en instelling van een stelsel van invoercertificaten en certificaten van oorsprong voor uit derde landen ingevoerde knoflook en bepaalde andere landbouwproducten (PB L 90, blz. 12).


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 28 maart 2013 — Staatssecretaris van Financiën, andere partij: X BV

(Zaak C-160/13)

2013/C 178/07

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Staatssecretaris van Financiën

Andere partij: X BV

Prejudiciële vraag

Moet artikel 140, aanhef en letters a en b, van BTW-richtlijn 2006 (1) zo worden uitgelegd dat de in deze bepaling opgenomen vrijstelling van btw niet geldt voor de intracommunautaire verwerving van tandprothesen? Zo nee, is dan aan de toepassing van de vrijstelling de voorwaarde verbonden dat de tandprothesen vanuit het buitenland zijn geleverd door een tandarts of tandtechnicus en/of zijn geleverd aan een tandarts of tandtechnicus?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 8 april 2013 — Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen M.S. Demirci e.a.

(Zaak C-171/13)

2013/C 178/08

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Centrale Raad van Beroep

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Verweerders: M.S. Demirci, D. Cetin, A.I. Önder, R. Keskin, M. Tüle, A. Taskin

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 3/80 (1) met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol (2) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a van de TW (3), die de op grond van de nationale wetgeving toegekende aanvullende prestatie intrekt als de begunstigden van deze prestatie niet meer op het grondgebied van deze staat wonen, ook indien deze begunstigden, onder behoud van de Turkse nationaliteit, de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst hebben verkregen?

2)

Indien het Hof bij de beantwoording van de eerste vraag tot het oordeel komt dat betrokkenen zich kunnen beroepen op artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 3/80, maar dat dit beroep wordt beperkt door de werking van artikel 59 van het Aanvullend Protocol: moet artikel 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen voortzetting van de aanvullende prestatie van Turkse onderdanen als betrokkenen met ingang van het moment waarop onderdanen van de Unie op grond van het recht van de Unie daarop geen aanspraak meer kunnen maken, ook indien onderdanen van de Unie bedoelde prestatie op grond van het nationale recht gedurende langere tijd behielden?


(1)  Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (PB 1983 C 110 van 25.4.1983, blz. 60).

(2)  Aanvullend protocol, op 23 november 1970 te Brussel ondertekend en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1).

(3)  Toeslagenwet.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/5


Hogere voorziening ingesteld op 15 april 2013 door het Koninkrijk Spanje tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 31 januari 2013 in zaak T-235/11, Spanje/Commissie

(Zaak C-192/13 P)

2013/C 178/09

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirant: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Rubio González, gemachtigde)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de hogere voorziening gegrond verklaren en het arrest van het Gerecht van 31 januari 2013 in zaak T-235/11, Spanje/Commissie, vernietigen;

besluit C(2011) 1023 def. van de Commissie van 18 februari 2011 tot vermindering van de financiële steun uit het Cohesiefonds voor de projectfasen „Levering en installatie van spoorwegmaterieel op de hogesnelheidslijn Madrid-Zaragoza-Barcelona-Franse grens. Traject Madrid-Lleida” (CCI 1999.ES.16.CPT.001), „Hogesnelheidslijn Madrid-Barcelona. Traject Lleida-Martorell (aardebaan, fase 1)” (CCI 2000.ES.16.C.PT.001), „Hogesnelheidslijn Madrid-Zaragoza-Barcelona-Franse grens. Spooraansluitingen van het nieuwe station Zaragoza” (CCI 2000.ES.16.C.PT.003), „Hogesnelheidslijn Madrid-Zaragoza-Barcelona-Franse grens. Traject Lleida-Martorell. Deeltraject X-A (Olérdola-Avinyonet del Penedés)” (CCI 2001.ES.16.C.PT.007) en „Nieuwe hogesnelheidslijnverbinding met de Levante. Deeltraject La Gineta-Albacete (aardebaan)” (CCI 2004.ES.16.C.PT.014) nietig verklaren;

de verwerende partij verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Onjuiste rechtsopvatting wat betreft de werking van de termijn in artikel H, lid 2, van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds (1): na afloop van die termijn kan de Commissie geen financiële correcties meer vaststellen, zodat zij tot betaling moet overgaan en de toegepaste correctie in strijd is met het recht.

Onjuiste rechtsopvatting wat betreft het begrip plaatsen van een opdracht in de zin van richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (2): artikel 20, lid 2, sub e en f, van richtlijn 93/38 is niet in het algemeen van toepassing op iedere tijdens de uitvoering van overheidsopdrachten overeengekomen wijziging, maar alleen op wezenlijke wijzigingen. Van een wezenlijke wijziging die een nieuwe plaatsing vormt, is slechts sprake indien is voldaan aan de voorwaarden van het arrest pressetext Nachrichtenagentur (3).


(1)  PB L 130, blz. 1.

(2)  PB L 199, blz. 84.

(3)  Arrest van 19 juni 2008, pressetext Nachrichtenagentur (C-454/06, Jurispr. blz. I-4401).


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/5


Hogere voorziening ingesteld op 16 april 2013 door het Koninkrijk Spanje tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 31 januari 2013 in zaak T-540/10, Spanje/Commissie

(Zaak C-197/13 P)

2013/C 178/10

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirant: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Rubio González, gemachtigde)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de onderhavige hogere voorziening in elk geval gegrond verklaren en het arrest van het Gerecht van 31 januari 2013 in zaak T-540/10, Spanje/Commissie, vernietigen;

besluit C(2010) 6154 van de Commissie van 13 september 2010 tot vermindering van de financiële steun uit het Cohesiefonds voor de projectfasen „Hogesnelheidslijn Madrid-Zaragoza-Barcelona-Franse grens. Traject Lleida-Martorell (aardebaan). Deeltraject IX-A” (CCI 2001.ES.16.C.PT.005), „Hogesnelheidslijn Madrid-Zaragoza-Barcelona-Franse grens. Traject Lleida-Martorell (aardebaan). Deeltraject X-B (Avinyonet del Penedés-Sant Sadurní d’Anoia)” (CCI 2001.ES.16.C.PT.008), „Hogesnelheidslijn Madrid-Zaragoza-Barcelona-Franse grens. Traject Lleida-Martorell (aardebaan). Deeltrajecten XI-A en XI-B (Sant Sadurní d’Anoia-Gelida)” (CCI 2001.ES.16.C.PT.009) en „Hogesnelheidslijn Madrid-Zaragoza-Barcelona-Franse grens. Traject Lleida-Martorell (aardebaan). Deeltraject IX-C” (CCI 2001.ES.16.C.PT.010) nietig verklaren;

de verwerende partij in elk geval verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Onjuiste rechtsopvatting wat betreft de werking van de termijn in artikel H, lid 2, van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds (1): na afloop van die termijn kan de Commissie geen financiële correcties meer vaststellen, zodat zij tot betaling moet overgaan en de toegepaste correctie in strijd is met het recht.

Onjuiste rechtsopvatting wat betreft het begrip plaatsen van een opdracht in de zin van richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (2): artikel 20, lid 2, sub e en f, van richtlijn 93/38 is niet in het algemeen van toepassing op iedere tijdens de uitvoering van overheidsopdrachten overeengekomen wijziging, maar alleen op wezenlijke wijzigingen. Van een wezenlijke wijziging die een nieuwe plaatsing vormt, is slechts sprake indien is voldaan aan de voorwaarden van het arrest pressetext Nachrichtenagentur (3).


(1)  PB L 130, blz. 1.

(2)  PB L 199, blz. 84.

(3)  Arrest van 19 juni 2008, pressetext Nachrichtenagentur (C-454/06, Jurispr. blz. I-4401).


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 18 april 2013 — Finanzamt Saarlouis/Heinz Malburg

(Zaak C-204/13)

2013/C 178/11

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Finanzamt Saarlouis

Verwerende partij: Heinz Malburg

Prejudiciële vraag

Dienen artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 17, lid 2, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), gelezen in samenhang met het neutraliteitsbeginsel, aldus te worden uitgelegd dat een vennoot van een burgerrechtelijke vennootschap van belastingconsulenten, die van de vennootschap een deel van de clientèle verkrijgt met als enig doel de clientèle onmiddellijk daarop om niet voor bedrijfsgebruik ter beschikking te stellen van een nieuw opgerichte burgerrechtelijke vennootschap van belastingconsulenten waarin deze vennoot meerderheidsaandeelhouder is, aanspraak kan maken op aftrek van de voorbelasting over de verkrijging van de clientèle?


(1)  Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) op 25 april 2013 — K Oy

(Zaak C-219/13)

2013/C 178/12

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein hallinto-oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: K Oy

Andere partijen in de procedure: Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö, Valtiovarainministeriö

Prejudiciële vragen

Verzetten artikel 98, lid 2, eerste alinea, van en bijlage III, punt 6, bij richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/47/EG (2), zich, gelet op het neutraliteitsbeginsel, tegen een nationale regeling volgens welke op gedrukte boeken een verlaagd btw-tarief van toepassing is, op boeken op andere fysieke dragers, zoals cd’s, cd-roms of USB-sticks, echter het normale tarief?

Is het voor het antwoord op bovenstaande vraag van belang

of het boek bedoeld is om te worden gelezen of te worden beluisterd (luisterboek),

of van het luister- of e-boek op cd, cd-rom, USB-stick of een soortgelijke fysieke drager een gedrukt boek bestaat met dezelfde inhoud,

dat in het boek op een andere fysieke drager dan papier technische kenmerken van de drager kunnen worden benut, zoals een zoekfunctie?


(1)  PB L 347, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2009/47/EG van de Raad van 5 mei 2009 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat verlaagde btw-tarieven betreft (PB L 116, blz. 18).


Gerecht

22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/8


Arrest van het Gerecht van 7 mei 2013 — macros consult/BHIM — MIP Metro (makro)

(Zaak T-579/10) (1)

(Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapsbeeldmerk makro - Firmanaam macros consult GmbH - Vóór aanvraag tot inschrijving van gemeenschapsmerk verworven recht dat houder ervan recht verleent om gebruik van aangevraagde gemeenschapsmerk te verbieden - Niet-ingeschreven tekens die naar Duits recht worden beschermd - § 5 Markengesetz - Artikelen 8, lid 4, 53, lid 1, sub c, en 65 van verordening (EG) nr. 207/2009)

2013/C 178/13

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: macros consult GmbH — Unternehmensberatung für Wirtschafts- und Finanztechnologie (Ottobrunn, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Raible, vervolgens M. Daubenmerkl, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Manea, vervolgens G. Schneider, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: MIP Metro Group Intellectual Property GmbH & Co. KG (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: J.-C. Plate en R. Kaase, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 18 oktober 2010 (zaak R 339/2009-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen macros consult GmbH — Unternehmensberatung für Wirtschafts- und Finanztechnologie en MIP Metro Group Intellectual Property GmbH & Co. KG

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Macros consult GmbH — Unternehmensberatung für Wirtschafts- und Finanztechnologie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 55 van 19.2.2011.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/8


Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Sanco/BHIM — Marsalman (Afbeelding van een kip)

(Zaak T-249/11) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk dat kip weergeeft - Ouder nationaal beeldmerk dat kip weergeeft - Relatieve weigeringsgrond - Soortgelijke waren en diensten - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2013/C 178/14

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Sanco, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: A. Segura Roda, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Marsalman, SL (Barcelona, Spanje)

Voorwerp

Beroep tot vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 17 februari 2011 (zaak R 1073/2010-2) inzake een oppositieprocedure tussen Sanco, SA en Marsalman, SL

Dictum

1)

De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 17 februari 2011 (zaak R 1073/2010-2) wordt vernietigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het BHIM wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 204 van 9.7.2011.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/9


Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Morelli/BHIM — Associazone nazionale circolo del popolo della libertà en Brambilla (PARTITO DELLA LIBERTA')

(Zaken T-321/11 en T-322/11) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvragen voor gemeenschapswoordmerk PARTITO DELLA LIBERTA' en gemeenschapsbeeldmerk Partito della Libertà - Oudere nationale domeinnaam „partitodellaliberta.it” - Artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Geen bewijs van gebruik van oudere domeinnaam „partitodellaliberta.it” in economisch verkeer)

2013/C 178/15

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Raffaello Morelli (Rome, Italië) (vertegenwoordiger: G. Brenelli, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)

Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Associazone nazionale circolo del popolo della libertà (Milaan, Italië) (zaak T-321/11); en Michela Vittoria Brambilla (Milaan) (zaak T-322/11) (vertegenwoordigers: P. Tarchini, G. Sena en C. M. Furlani, advocaten)

Voorwerp

Beroepen tegen de beslissingen van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 17 maart 2011 (zaken R 1303/2010-1 en R 1304/2010-1) inzake oppositieprocedures tussen Raffaello Morelli enerzijds en Associazione nazionale circolo del popolo della libertà respectievelijk Michela Vittoria Brambilla anderzijds

Dictum

1)

De zaken T-321/11 en T-322/11 worden gevoegd voor het arrest.

2)

De beroepen worden verworpen.

3)

Raffaello Morelli wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 238 van 13.8.2011.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/9


Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Masottina/BHIM — Bodegas Cooperativas de Alicante (CA’ MARINA)

(Zaak T-393/11) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk CA’ MARINA - Ouder gemeenschapswoordmerk MARINA ALTA - Relatieve weigeringsgrond - Overeenstemming van tekens - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2013/C 178/16

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Masottina SpA (Conegliano, Italië) (vertegenwoordiger: N. Schaeffer, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Bodegas Cooperativas de Alicante, Coop. V. (Petrel, Spanje)

Voorwerp

Beroep tot vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 4 mei 2011 (zaak R 518/2010-1) inzake een oppositieprocedure tussen Bodegas Cooperativas de Alicante, Coop. V. en Masottina SpA

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Masottina SpA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 282 van 24.9.2011.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/10


Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Fabryka Łożysk Tocznych-Kraśnik/BHIM — Impexmetal (IKFŁT KRAŚNIK)

(Zaak T-19/12) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk IKFŁT KRAŚNIK - Ouder gemeenschapsbeeldmerk FŁT - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2013/C 178/17

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Fabryka Łożysk Tocznych-Kraśnik S.A. (Kraśnik, Polen) (vertegenwoordiger: J. Sieklucki, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Impexmetal S.A. (Warschau, Polen) (vertegenwoordigers: W. Trybowski en K. Pyszków, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 27 oktober 2011 (zaak R 2475/2010-1) inzake een oppositieprocedure tussen Impexmetal S.A. en Fabryka Łożysk Tocznych-Kraśnik S.A.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Fabryka Łożysk Tocznych-Kraśnik S.A. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 109 van 14.4.2012.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/10


Arrest van het Gerecht van 14 mei 2013 — Unister/BHIM (fluege.de)

(Zaak T-244/12) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk fluege.de - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Ontbreken van onderscheidend vermogen - Onderscheidend vermogen verkregen door gebruik - Artikel 7, leden 1, sub b en c, 2 en 3, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2013/C 178/18

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Unister GmbH (Leipzig, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Hug en A. Kessler-Jensch, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 14 maart 2012 (zaak R 2149/2011-1) inzake een aanvraag tot inschrijving als gemeenschapsmerk van het woordteken fluege.de

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Unister GmbH zal haar eigen kosten alsook die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) dragen.


(1)  PB C 217 van 21.7.2012.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/10


Beroep ingesteld op 29 januari 2013 — Rose Vision en Seseña/Commissie

(Zaak T-45/13)

2013/C 178/19

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Rose Vision, S.L. (Seseña, Spanje) en Julián Seseña (Pozuelo de Alarcón, Spanje) (vertegenwoordigers: M. Muñiz Bernuy en Á. Alonso Villa, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de besluiten tot opschorting van overeengekomen betalingen;

doorhaling van Rose Vision, S.L. in de centrale gegevensbank van uitsluitingen en het systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS);

veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een schadevergoeding van 5 000 624 EUR.

Middelen en voornaamste argumenten

Een van de twee verzoekende partijen, een onderneming die zich voornamelijk bezighoudt met telecommunicatie, speur- en ontwikkelingswerk en advisering in telecommunicatie, onderzoek en innovatie, heeft sinds 2002 met de Commissie aan een groot aantal projecten gewerkt.

Het onderhavige beroep vloeit voort uit twee audits die tussen februari en april 2011 bij de verzoekende onderneming zijn uitgevoerd. Volgens de auditrapporten heeft de verzoekende onderneming zich schuldig gemaakt aan een aantal overtredingen en onregelmatigheden, die tot opschorting van de betaling van nog te betalen bedragen hebben geleid.

De verzoekende partijen stellen dat die beschuldigingen niet stroken met de realiteit. Volgens hen blijkt uit een zorgvuldige lezing van een van de twee hiervoor genoemde auditrapporten immers dat het de bedoeling van het rapport was hen zonder reden aan te vallen om hen in diskrediet te brengen. Zo is het auditrapport vooral gebaseerd op niet-geverifieerde informatie. De aanpak van de Commissie lijkt meer op een onderzoek, controle of inspectie dan op een audit waarbij gegevens worden geverifieerd en sprake is van betrouwbare bronnen.

Door dit alles heeft de verzoekende onderneming ernstige schade geleden, niet alleen op financieel gebied, maar ook wat haar reputatie en geloofwaardigheid betreft.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/11


Beroep ingesteld op 18 maart 2013 — TestBioTech e.a./Commissie

(Zaak T-177/13)

2013/C 178/20

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: TestBioTech eV (München, Duitsland), European Network of Scientists for Social and Environmental Responsibility eV (Braunschweig, Duitsland), en Sambucus eV (Vahlde, Duitsland) (vertegenwoordigers: K. Smith, QC, J. Stevenson, Barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het beroep ontvankelijk verklaren;

het besluit van de Commissie van 8 januari 2013 houdende verwerping van verzoeksters’ verzoeken tot interne herziening van besluit nr. 2012/347/EU van de Commissie van 28 juni 2012 tot verlening van een vergunning aan Monsanto Europe SA voor het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde soja „MON 87701 × MON 89788” overeenkomstig verordening nr. 1829/2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in verzoeksters’ kosten, en

alle andere dienstig geachte maatregelen gelasten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.

1)

Eerste middel: EFSA’s beoordeling dat soja „in wezen gelijkwaardig” is aan de relevante referentieproducten ervan is onrechtmatig, gebaseerd op een wetenschappelijke beoordeling die niet overeenkomstig haar eigen richtsnoeren is uitgevoerd, en/of gebaseerd op een kennelijke beoordelingsfout.

2)

Tweede middel: het feit dat EFSA niet of niet naar behoren rekening houdt met de mogelijke synergetische/combinatorische effecten tussen soja en andere factoren, en/of niet verlangd dat een gepaste beoordeling van de toxiciteit wordt uitgevoerd, is strijdig met haar eigen richtsnoeren, wettelijke verplichtingen en/of vormt een kennelijke beoordelingsfout.

3)

Derde middel: het feit dat EFSA niet verlangd dat een gepaste immunologische beoordeling wordt uitgevoerd, is strijdig met haar eigen richtsnoeren, wettelijke verplichtingen en/of vormt een kennelijke beoordelingsfout.

4)

Vierde middel: EFSA’s beslissing dat de consumptie van soja na de vergunning voor het in de handel brengen niet moet worden gecontroleerd, is kennelijk onjuist en/of aangetast door de in de eerste drie middelen vastgestelde gebreken.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/11


Beroep ingesteld op 12 april 2013 — Olive Line International/BHIM (OLIVE LINE)

(Zaak T-209/13)

2013/C 178/21

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Olive Line International, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: M. Aznar Alonso, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 31 januari 2013 in zaak R 1447/2012-1 vernietigen;

het BHIM verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk bestaande in de weergave van een vierhoekige groene fles met de vermelding „OLIVE LINE” voor waren van klasse 29 — internationale inschrijving nr. 1 088 753 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/12


Beroep ingesteld op 15 april 2013 — Madaus/BHIM — Indena (ECHINAMID)

(Zaak T-212/13)

2013/C 178/22

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Madaus GmbH (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordigers: V. Töbelmann en A. Späth, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Indena SpA (Milaan, Italië)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 24 januari 2013 in zaak R 27/2012-1 te vernietigen;

het BHIM te verwijzen in zijn eigen kosten alsook in de kosten van verzoekster;

Indena SpA te verwijzen in haar eigen kosten ingeval zij in de onderhavige procedure zou tussenkomen als interveniënte.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „ECHINAMID” voor waren van klasse 1 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 6 830 103

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: het Griekse woordmerk „ECHINACIN” voor waren van klasse 5

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/12


Beroep ingesteld op 15 april 2013 — Deutsche Rockwool Mineralwoll/BHIM — Recticel (Lambda)

(Zaak T-215/13)

2013/C 178/23

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Deutsche Rockwool Mineralwoll GmbH & Co. OHG (Gladbeck, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. Krenzel, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Recticel NV (Brussel, België)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

verweerders beslissing in zaak R 112/2012-5 te vernietigen, en

verweerder te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan vervallenverklaring is gevorderd: het onder nr. 2 960 789 ingeschreven rood-witte gemeenschapsbeeldmerk dat de Griekse letter lambda weergeeft

Houder van het gemeenschapsmerk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Partij die vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster

Beslissing van de nietigheidsafdeling: gedeeltelijke vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk

Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 207/2009 van de Raad


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/13


Beroep ingesteld op 12 april 2013 — T&L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie

(Zaak T-225/13)

2013/C 178/24

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: T&L Sugars Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) en Sidul Açúcares, Unipessoal Lda (Santa Iria de Azóia, Portugal) (vertegenwoordigers: D. Waelbroeck, advocaat, en D. Slater, solicitor)

Verwerende partijen: Europese Commissie en de Europese Unie, in casu vertegenwoordigd door de Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

(i) verordeningen (EU) nrs. 131/2013 (1) en 281/2013 (2) tot vaststelling van buitengewone maatregelen inzake het tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie brengen van buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose in het verkoopseizoen 2012/2013; (ii) verordeningen (EU) nrs. 194/2013 (3) en 332/2013 (4) tot vaststelling van een toewijzingscoëfficiënt voor beschikbare hoeveelheden buiten het quotum geproduceerde suiker die tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie moeten worden verkocht; (iii) verordening (EU) nr. 36/2013 (5) tot opening van een permanente openbare inschrijving voor het verkoopseizoen 2012/2013 voor de invoer van suiker van de GN-codes 1701 14 10 en 1701 99 10 tegen een verlaagd douanerecht; en (iv) verordening (EU) nr. 67/2013 (6) inzake het minimumdouanerecht voor suiker dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de eerste deelinschrijving, en verordening (EU) nr. 178/2013 (7) inzake het minimumdouanerecht voor suiker dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de tweede deelinschrijving;

subsidiair, de tegen de verordeningen (EU) nrs. 131/2013, 281/2013 en 36/2013 krachtens artikel 277 VWEU opgeworpen exceptie van onwettigheid ontvankelijk en gegrond verklaren;

de artikelen 186, sub a, en 187 van verordening (EG) nr. 1234/2007 (8) krachtens artikel 277 VWEU onwettig verklaren voor zover zij geen juiste uitvoering vormen van de relevante bepalingen van verordening (EG) nr. 318/2006 (9);

de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, veroordelen alle schade te vergoeden die verzoeksters ten gevolge van de schending door de Commissie van de op haar rustende wettelijke verplichtingen hebben geleden en het bedrag van deze vergoeding voor de door verzoeksters in de periode van 25 juni 2012 tot en met 31 maart 2013 geleden schade vast te stellen op 184 725 960 EUR, vermeerderd met alle aanhoudende verliezen die verzoeksters na die datum hebben geleden of op enig ander bedrag dat overeenstemt met de door verzoeksters geleden of nog te lijden schade die hierna in de loop van deze procedure door hen zal worden bewezen, met name teneinde rekening te houden met toekomstige schade, waarbij al deze bedragen moeten worden vermeerderd met rente, zulks vanaf de datum van het arrest van het Gerecht tot de daadwerkelijke betaling;

de betaling van rente over het verschuldigde bedrag te gelasten ter hoogte van de door de Europese Centrale Bank vastgestelde voet voor de voornaamste herfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten, of een andere door het Gerecht vast te stellen gepaste rentevoet, zulks vanaf de datum van het arrest van het Gerecht tot de daadwerkelijke betaling;

de Commissie te verwijzen in de kosten van onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen acht middelen aan.

1)

Eerste middel: schending van het verbod van discriminatie, aangezien enerzijds verordeningen (EU) nrs. 131/2013 en 281/2013 voorzien in een vaste algemeen toepasselijke overschotheffing van 224 EUR en 172 EUR per ton — dit is minder dan de helft van de gebruikelijke bedrag van 500 EUR per ton — die van toepassing is op een specifieke hoeveelheid (300 000 ton) suiker, welke op voet van gelijkheid uitsluitend wordt verdeeld tussen de suikerbietentelers die een aanvraag indienen. Anderzijds voorziet verordening (EU) nr. 36/2013 in een onbekend en onvoorspelbaar douanerecht dat enkel van toepassing is op geselecteerde inschrijvers (dit kunnen rietsuikerraffinaderijen, suikerbietenverwerkers of om het even welke derden zijn) en waarvan het totaalbedrag niet is gepreciseerd.

2)

Tweede middel: schending van verordening (EG) nr. 1234/2007 en ontbreken van een passende rechtsgrondslag aangezien de Commissie, wat verordeningen nrs. 131/2013 en 281/2013 betreft, niet bevoegd is tot verhoging van de quota en integendeel verplicht is om hoge, ontmoedigende heffingen vast te stellen op het op de markt van de Unie brengen van buiten het quotum geproduceerde suiker. Wat de fiscale gunningsprocedures betreft, is het duidelijk dat de Commissie niet gemachtigd is tot of bevoegd is voor de vaststelling van een dergelijke, niet in de basiswetgeving voorgenomen maatregel.

3)

Derde middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de Commissie een stelsel heeft ingevoerd waarin de douanerechten niet voorspelbaar zijn en evenmin aan de hand van consistente en objectieve criteria worden vastgesteld, maar veeleer op basis van de subjectieve betalingsbereidheid (van bovendien marktdeelnemers waarop druk wordt uitgeoefend en waaraan stimulansen worden gegeven die zeer onderscheiden zijn), zonder werkelijk verband met de effectief geïmporteerde producten.

4)

Vierde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel voor zover de Commissie gemakkelijk minder beperkende maatregelen had kunnen vaststellen om het voorzieningstekort te verhelpen, die niet uitsluitend ten nadele van importerende raffinaderijen zouden zijn genomen.

5)

Vijfde middel: schending van het gewettigd vertrouwen, aangezien bij verzoeksters een gewettigd vertrouwen werd gewekt dat de Commissie zou gebruikmaken van de instrumenten waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1234/2007 om ervoor te zorgen dat er weer ruwe rietsuiker beschikbaar komt voor raffinage. Bij verzoeksters werd tevens een gewettigd vertrouwen gewekt dat de Commissie het evenwicht tussen de importerende raffinaderijen en suikerproducenten van de Unie zou bewaren.

6)

Zesde middel: schending van de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur, aangezien de Commissie bij het beheer van de suikermarkt herhaaldelijk fundamentele fouten heeft gemaakt en zichzelf heeft tegengesproken, wat op zijn minst getuigt van een gebrek aan inzicht in fundamentele marktmechanismen. Zo was haar balans — die een van de belangrijkste instrumenten voor de inhoud en het tijdstip van marktinterventie vormt — kennelijk onjuist en op een onjuiste methode gebaseerd. Voorts waren de maatregelen van de Commissie kennelijk ongeschikt in het licht van het voorzieningstekort.

7)

Zevende middel: schending van artikel 39 VWEU, aangezien de Commissie twee van de in deze Verdragsbepaling vermelde doelstellingen niet heeft verwezenlijkt.

8)

Achtste middel: schending van verordening (EU) nr. 1006/2011 (10), aangezien de voor witte suiker geldende douanerechten slechts een fractie hoger zijn dan die voor ruwe suiker; het verschil bedraagt slechts 20 EUR per ton. Dit steekt sterk af tegen het verschil van 80 EUR tussen het in verordening (EU) nr. 1006/2011 vastgestelde normale invoerrecht voor geraffineerde suiker (419 EUR) en voor ruwe raffinagesuiker (339 EUR).

Ter ondersteuning van hun schadevordering voeren verzoeksters bovendien aan dat de Commissie door haar stilzitten en met haar ongeschikte maatregelen de grenzen van de haar bij verordening (EG) nr. 1234/2007 verleende beoordelingsmarge ernstig en kennelijk heeft overschreden. Voorts maakt het verzuim van de Commissie om passende maatregelen vast te stellen kennelijk inbreuk op een rechtsregel „waarbij rechten worden toegekend aan particulieren”. De Commissie heeft met name inbreuk gemaakt op de algemene Unierechtelijke beginselen van rechtszekerheid, non-discriminatie, evenredigheid, gewettigd vertrouwen, zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 131/2013 van de Commissie van 15 februari 2013 tot vaststelling van buitengewone maatregelen inzake het tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie brengen van buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose in het verkoopseizoen 2012/2013 (PB L 45, blz. 1).

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 281/2013 van de Commissie van 22 maart 2013 tot vaststelling van buitengewone maatregelen inzake het tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie brengen van buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose in het verkoopseizoen 2012/2013 (PB L 84, blz. 19).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 194/2013 van de Commissie van 6 maart 2013 tot vaststelling van een toewijzingscoëfficiënt voor beschikbare hoeveelheden buiten het quotum geproduceerde suiker die tijdens het verkoopseizoen 2012/2013 tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie moeten worden verkocht (PB L 64, blz. 3).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 332/2013 van de Commissie van 10 april 2013 tot vaststelling van een toewijzingscoëfficiënt voor beschikbare hoeveelheden buiten het quotum geproduceerde suiker die tijdens het verkoopseizoen 2012/2013 tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie moeten worden verkocht (PB L 102, blz. 18).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 36/2013 van de Commissie van 18 januari 2013 tot opening van een permanente openbare inschrijving voor het verkoopseizoen 2012/2013 voor de invoer van suiker van de GN-codes 1701 14 10 en 1701 99 10 tegen een verlaagd douanerecht (PB 2013 L 16, blz. 7).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 67/2013 van de Commissie van 24 januari 2013 inzake het minimumdouanerecht voor suiker dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de eerste deelinschrijving in het kader van de bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 36/2013 geopende openbare inschrijving (PB L 22, blz. 9).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 178/2013 van de Commissie van 28 februari 2013 inzake het minimumdouanerecht voor suiker dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de tweede deelinschrijving in het kader van de bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 36/2013 geopende openbare inschrijving (PB L 58, blz. 3).

(8)  Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (PB L 299, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 58, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) nr. 1006/2011 van de Commissie van 27 september 2011 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 2011, L 282, blz. 1)


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/15


Beroep ingesteld op 17 april 2013 — Bayer Intellectual Property/BHIM — Interhygiene (INTERFACE)

(Zaak T-227/13)

2013/C 178/25

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Bayer Intellectual Property GmbH (Monheim am Rhein, Duitsland) (vertegenwoordiger: E. Armijo Chávarri, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Interhygiene GmbH (Cuxhaven, Duitsland)

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen wegens strijdigheid met de wet voor zover daarbij wordt verklaard dat de aanvraag voor het gemeenschapsmerk INTERFACE onverenigbaar is met het oudere merk Interfog;

het BHIM uitdrukkelijk verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „INTERFACE” voor waren van klasse 5 — gemeenschapsmerkaanvraag 8 133 977

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapswoordmerk „Interfog” voor waren van klasse 5

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/15


Beroep ingesteld op 22 april 2013 — HTC Sweden/BHIM — Vermop Salmon (TWISTER)

(Zaak T-230/13)

2013/C 178/26

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: HTC Sweden AB (Söderköping, Zweden) (vertegenwoordigers: G. Hasselblatt en D. Kipping, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Vermop Salmon GmbH (Gilching, Duitsland)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissingen van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 31 januari 2013 in de gevoegde zaken R 1873/2011-1 en R 1881/2011-1 te vernietigen;

het BHIM te verwijzen in zijn eigen kosten alsook in de kosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring is gevorderd: het beeldmerk „TWISTER” voor waren van de klassen 3, 7 en 21 — gemeenschapsmerkinschrijving nr. 4 617 932

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: de vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op de artikelen 53, lid 1, sub a, en 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009

Beslissing van de nietigheidsafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 207/2009.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/16


Beroep ingesteld op 7 mei 2013 — Italië/Commissie

(Zaak T-255/13)

2013/C 178/27

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: M. Salvatorelli, avvocato dello Stato, en G. Palmieri, gemachtigde)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

besluit C(2013) 981 van de Commissie van 26 februari 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) nietig te verklaren, voor zover daarbij forfaitaire financiële correcties worden opgelegd betreffende de onderzoeken AC/2005/44, XC/2007/0107 en XC/2007/030 (forfaitaire financiële correctie inzake de randvoorwaarden voor de aanvraagjaren 2005, 2006 en 2007 ten bedrage van 48 095 235,86 EUR), de onderzoeken FV/2007/315 en FV/2007/355 (forfaitaire financiële correctie inzake de verwerking van citrusvruchten voor de begrotingsjaren 2005, 2006 en 2007 ten bedrage van 17 913 976,32 EUR) en de onderzoeken FA/2008/64, FA/2008/103, FA/2009/064 en FA/2009/104 (forfaitaire financiële correctie inzake de inachtneming van de erkenningscriteria voor de begrotingsjaren 2007, 2008 en 2009 ten bedrage van 6 354 112,39 euro).

de Commissie van de Europese Unie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster voert aan dat het besluit om verschillende redenen onrechtmatig is:

1)

de Commissie heeft een correctie toegepast wegens de niet-omzetting of onvolledige omzetting van richtlijnen in nationaal recht, wat hooguit kan leiden tot de inleiding van een niet-nakomingsprocedure;

2)

de Commissie is ten onrechte voorbijgegaan aan de handelwijze van de Italiaanse autoriteiten door geen rekening te houden met de noodzaak om bij een uiterst ingewikkelde regeling uit te gaan van een geleidelijke aanpak, met de relevantie van het feit dat de Unieregeling verwijst naar de door elke lidstaat te maken keuzes en met de relatieve onzekerheid inzake de uitlegging van de communautaire regeling, en heeft aldus de beginselen van rechtszekerheid, van legaliteit, van evenredigheid, van goede trouw en van bescherming van het gewettigd vertrouwen geschonden;

3)

de Commissie is volledig voorbijgegaan aan het feit dat er objectief gezien bij de betaalorganen verschillende controlesystemen bestaan;

4)

de Commissie heeft een hoog correctiepercentage — 10 % — toegepast, dat echter enkel bij ontoereikende en sporadische controles kan worden toegepast;

5)

de Commissie heeft het motiveringsbeginsel geschonden.

6)

Het besluit wordt voorts op het punt van de afzonderlijke specifieke bezwaren van de Commissie aangevochten middels een gedetailleerd feitelijk onderzoek inzake de door haar onderzochte documenten.

7)

Wat de forfaitaire correcties inzake de verwerking van citrusvruchten voor de jaren 2005, 2006 en 2007 betreft, is het besluit onrechtmatig en wordt het aangevochten voor zover daarin de aansprakelijkheid voor de in de sector geconstateerde fraudegevallen wordt toegeschreven aan het verzuim van de lidstaat om de nodige controles te verrichten. Met name wordt aangevoerd dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat de Italiaanse Staat geen enkele nalatigheid of stilzitten kan worden verweten, aangezien de frauduleuze activiteit juist kon worden toegerekend aan de overheidsambtenaren die door de van hen verlangde controles dienden te verifiëren of de verrichte activiteit regelmatig was en de bijdragen verschuldigd waren; bijgevolg was het, tot de ontdekking van voormelde strafbare handelingen, onmogelijk om controles op een andere wijze te verrichten, waarmee de fraude had kunnen worden voorkomen.

8)

Tegen de forfaitaire correcties inzake de inachtneming van de erkenningscriteria (ARBEA) voor de begrotingsjaren 2006, 2007 en 2008, die op vermeende aan de Italiaanse Staat toerekenbare organisatorische tekortkomingen zijn gebaseerd, wordt aangevoerd dat op het onderhavige geval een regeling is toegepast die ten tijde van de feiten nog niet van kracht was en dat is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de Italiaanse Staat tijdig de nodige correctiemaatregelen heeft vastgesteld.


22.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/17


Beroep ingesteld op 7 mei 2013 — Italië/Commissie

(Zaak T-256/13)

2013/C 178/28

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: W. Ferrante, avvocato dello Stato, en G. Palmieri, gemachtigde)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Gerecht om nietigverklaring van de brief van de Commissie — directoraat-generaal Onderwijs en cultuur van 22 maart 2013 [ref. Ares (2013) 237719] betreffende „Agreement N. ADEC 2007.0266 — Reimbursement. Review after appeal” verzonden op 25 februari 2013 en ontvangen door de Agenzia Nazionale per i Giovani (nationaal jeugdbureau) op 6 maart 2013 (ref. ANG/2741/AMS), waarbij is verzocht om terugstorting van in totaal 1 486 485,90 EUR, voor zover deze betrekking heeft op de bedragen van 52 036,24 EUR en 183 729,72 EUR, en van de brief van de Europese Commissie — directoraat-generaal Onderwijs en cultuur van 28 februari 2013 (ref. 267064) aan het hoofd van het Dipartimento della Gioventù e del Servizio civile nazionale (dienst jeugd en nationale burgerdienst), bureau van de voorzitter van de raad van ministers, waarbij de „Final evolution conclusions” van de „2011 Declaration of Assurance” zijn verstuurd.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep heeft betrekking op het verzoek van de Commissie enkele bedragen voor een totaal van 1 486 485,90 EUR terug te storten. Dat bedrag bestaat onder meer uit 52 036,24 EUR, dat betrekking heeft op uitgaven van de Agenzia Nazionale per i Giovani voor opleiding en beoordeling van jongeren die een vrijwillige Europese burgerdienst vervullen in het kader van het programma „Jeugd in actie” voor het jaar 2007 en die volgens de Commissie niet in aanmerking komen, en uit 183 729,72 EUR, dat betrekking heeft op bedragen die de Agenzia nog niet heeft teruggevorderd na verzoeken om teruggave ervan aan de begunstigden van het programma „Jeugd” voor de jaren 2000-2004.

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.

1)

Eerste middel: schending van artikel 3.2.1 juncto artikel 5.2.2, laatste lid, van de ‘Grant Agreement nr. 2007-0266/001 — 001 for the operational implementation of the Youth in action programme’ tussen de Europese Commissie en de Agenzia Nazionale per i Giovani.

Verzoekster stelt in dit verband dat het maximumbedrag per stagiair weliswaar is overschreden, maar het om organisatorische redenen en omwille van de beperkte tijd niet redelijk is noch in overeenstemming met de doelstelling van besluit nr. 1719/2006/EG, namelijk ontwikkeling van samenwerking op jeugdgebied in de Europese Unie, te verzoeken om teruggave van fondsen die daadwerkelijk zijn uitgegeven voor doelstellingen die onder de „Grant Agreement nr. 2007 — 0266/001 — 001” vallen.

2)

Tweede middel: schending van artikel 10.2 van bijlage II.1 van Agreement N. 2003 — 1805/001 — 001 tussen de Europese Commissie en de Agenzia Nazionale per i Giovani.

Verzoekster stelt in dit verband dat de Italiaanse autoriteiten in concreto al het mogelijke hebben gedaan om de betrokken bedragen terug te vorderen. Bovendien heeft de Commissie niet afdoende gemotiveerd waarom zij twee identieke gevallen evident ongelijk heeft behandeld, namelijk de terug te vorderen bedragen voor de jaren 2000-2004 en 2005-2006: voor de eerste periode is toestemming om af te zien van terugvordering geweigerd, voor de tweede periode is zij wel gegeven.