ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2013.123.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 123

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

56e jaargang
27 april 2013


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2013/C 123/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese UniePB C 114 van 20.4.2013

1

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2013/C 123/02

Zaak C-547/10 P: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 maart 2013 — Zwitserse Bondsstaat/Europese Commissie, Bondsrepubliek Duitsland, Landkreis Waldshut (Hogere voorziening — Externe betrekkingen — Overeenkomst tussen Europese Gemeenschap en Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer — Verordening (EEG) nr. 2408/92 — Toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes — Artikelen 8 en 9 — Werkingssfeer — Uitoefening van vervoersrechten — Beschikking 2004/12/EG — Duitse maatregelen met betrekking tot aanvliegen van luchthaven van Zürich — Motiveringsplicht — Non-discriminatie — Evenredigheid — Bewijslast)

2

2013/C 123/03

Zaak C-127/11: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeidshof te Antwerpen — België) — Aldegonda van den Booren/Rijksdienst voor Pensioenen (Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Artikel 46 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 — Nationale anticumulatiebepalingen — Ouderdomspensioen — Verhoging van door lidstaat uitgekeerd bedrag — Overlevingspensioen — Vermindering van door andere lidstaat betaald bedrag)

2

2013/C 123/04

Zaak C-275/11: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — GfBk Gesellschaft für Börsenkommunikation mbH/Finanzamt Bayreuth (Fiscale bepalingen — Belasting over toegevoegde waarde — Richtlijn 77/388/EEG — Vrijstelling voor beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen — Draagwijdte)

3

2013/C 123/05

Zaak C-358/11: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — Lapin elinkeino-, liikenne- ja ympäristökeskuksen liikenne ja infrastruktuuri -vastuualue (Milieu — Afvalstoffen — Gevaarlijke afvalstoffen — Richtlijn 2008/98/EG — Voormalige telefoonpalen die met CCA-oplossingen (koper-chroom-arseen) zijn behandeld — Registratie, beoordeling en autorisatie van chemische stoffen — Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) — Overzicht in bijlage XVII bij REACH-verordening van toepassingen van behandeld hout — Voormalige telefoonpalen die als structuur voor smalle bruggen zijn gebruikt)

4

2013/C 123/06

Zaak C-424/11: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Verenigd Koninkrijk) — Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd e.a./Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs (Belasting over de toegevoegde waarde — Richtlijn 77/388/EEG — Vrijstelling voor beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen — Draagwijdte — Bedrijfspensioenregelingen)

5

2013/C 123/07

Zaak C-577/11: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel — België) — DKV Belgium/Belgische vereniging voor consumentenbescherming Test-Aankoop VZW (Vrijheid van dienstverrichting — Vrijheid van vestiging — Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG — Direct verzekeringsbedrijf, met uitzondering van levensverzekeringsbranche — Tariefvrijheid — Andere dan beroepsgebonden ziektekostenverzekeringsovereenkomsten — Beperkingen — Dwingende redenen van algemeen belang)

5

2013/C 123/08

Zaak C-607/11: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) — Verenigd Koninkrijk) — ITV Broadcasting Limited e.a./TV Catch Up Limited (Richtlijn 2001/29/EG — Artikel 3, lid 1 — Uitzending door derde via internet van uitzendingen van commerciële televisiezenders — Live streaming — Mededeling aan publiek)

6

2013/C 123/09

Zaak C-19/12: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — Efir OOD/Direktor na Direktsia Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto Plovdiv (Belasting over toegevoegde waarde — Richtlijn 2006/112/EG — Artikelen 62, 63, 65, 73 en 80 — Vestiging van opstalrecht door natuurlijke personen ten gunste van onderneming in ruil voor door deze onderneming aan die natuurlijke personen verstrekte bouwdiensten — Ruilovereenkomst — Btw over bouwdiensten — Belastbaar feit — Verschuldigd worden — Opneming van zowel belastbare als vrijgestelde handelingen in begrip belastbaar feit — Vervroegde betaling van volledige tegenprestatie — Vooruitbetaling — Maatstaf van heffing van handeling indien tegenprestatie uit goederen of diensten bestaat — Rechtstreekse werking)

7

2013/C 123/10

Zaak C-182/12: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Székesfehérvári Törvényszék — Hongarije) — Gábor Fekete/Nemzeti Adó- és Vámhivatal Közép-dunántúli Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága (Communautair douanewetboek — Artikel 137 — Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek — Artikel 561, lid 2 — Voorwaarden voor volledige vrijstelling van invoerrechten — Invoer in lidstaat van voertuig waarvan eigenaar in derde land is gevestigd — Door eigenaar anderszins dan door arbeidsovereenkomst met gebruiker gemachtigd gebruik van voertuig voor particuliere doeleinden — Geen vrijstelling)

7

2013/C 123/11

Zaak C-39/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof Amsterdam (Nederland) op 25 januari 2013 — Inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen tegen SCA Group Holding BV

8

2013/C 123/12

Zaak C-40/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof Amsterdam (Nederland) op 25 januari 2013 — X AG e.a. tegen Inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam

9

2013/C 123/13

Zaak C-41/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof Amsterdam (Nederland) op 25 januari 2013 — Inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam tegen MSA International Holdings BV, MSA Nederland BV

9

2013/C 123/14

Zaak C-43/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 28 januari 2013 — Hauptzollamt Köln/Kronos Titan GmbH

10

2013/C 123/15

Zaak C-44/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 28 januari 2013 — Hauptzollamt Krefeld/Rhein-Ruhr Beschichtungs-Service GmbH

10

2013/C 123/16

Zaak C-52/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 31 januari 2013 — Posteshop SpA — Divisione Franchising Kipoint/Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato, Presidenza del Consiglio dei Ministri

11

2013/C 123/17

Zaak C-76/13: Beroep ingesteld op 12 februari 2013 — Europese Commissie/Portugese Republiek

11

2013/C 123/18

Zaak C-77/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal d’instance de Quimper (Frankrijk) op 14 februari 2013 — CA Consumer Finance/Francine Weber, echtgenote Crouan, Tual Crouan

12

2013/C 123/19

Zaak C-86/13: Beroep ingesteld op 20 februari 2013 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie

12

2013/C 123/20

Zaak C-104/13: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākās tiesas Senāts (Letland) op 4 maart 2013 — AS Olainfarm/Latvijas Republikas Veselības ministrija en Zāļu valsts aģentūra

13

2013/C 123/21

Zaak C-109/13: Beroep ingesteld op 6 maart 2013 — Europese Commissie/Republiek Finland

13

2013/C 123/22

Zaak C-111/13: Beroep ingesteld op 7 maart 2013 — Europese Commissie/Republiek Finland

14

2013/C 123/23

Advies 1/12: Verzoek om advies, krachtens artikel 218, lid 11, VWEU, ingediend door Europese Commissie

14

 

Gerecht

2013/C 123/24

Zaak T-587/08: Arrest van het Gerecht van 14 maart 2013 — Fresh Del Monte Produce/Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Bananenmarkt — Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG — Systeem van informatie-uitwisseling — Begrip onderling afgestemde feitelijke gedragingen met mededingingsbeperkend doel — Causaal verband tussen afstemming en marktgedrag van ondernemingen — Eén enkele inbreuk — Toerekening van inbreuk — Rechten van verdediging — Geldboeten — Zwaarte van inbreuk — Medewerking — Verzachtende omstandigheden)

15

2013/C 123/25

Zaak T-588/08: Arrest van het Gerecht van 14 maart 2013 — Dole Food en Dole Germany/Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Bananenmarkt — Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG — Begrip onderling afgestemde feitelijke gedragingen met mededingingsbeperkend doel — Systeem van informatie-uitwisseling — Motiveringsplicht — Rechten van verdediging — Richtsnoeren voor berekening van geldboeten — Zwaarte van inbreuk)

15

2013/C 123/26

Zaak T-553/10: Arrest van het Gerecht van 13 maart 2013 — Biodes/BHIM — Manasul Internacional (FARMASUL) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk FARMASUL — Ouder Spaans beeldmerk MANASUL — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Onderscheidend vermogen van ouder merk — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

16

2013/C 123/27

Gevoegde zaken T-229/11 en T-276/11: Arrest van het Gerecht van 13 maart 2013 — Inglewood e.a./Parlement (Regeling kosten en vergoedingen van leden van het Europees Parlement — Aanvullende pensioenregeling — Besluiten houdende afwijzing van verzoeken om toepassing van vóór wijziging van regeling voor aanvullend pensioen in 2009 geldende bepalingen — Exceptie van onwettigheid — Verkregen rechten — Gewettigd vertrouwen — Evenredigheid — Gelijke behandeling)

16

2013/C 123/28

Zaak T-85/13: Beroep ingesteld op 14 februari 2013 — K-Swiss/BHIM — Künzli SwissSchuh (Sportschoen met vijf strepen)

17

2013/C 123/29

Zaak T-90/13: Beroep ingesteld op 12 februari 2013 — Herdade de S. Tiago II/BHIM — Polo/Lauren (V)

17

2013/C 123/30

Zaak T-96/13: Beroep ingesteld op 22 februari 2013 — Rot Front/BHIM — Rakhat (Macka)

18

2013/C 123/31

Zaak T-102/13: Beroep ingesteld op 14 februari 2013 — Heli-Flight/EASA

18

2013/C 123/32

Zaak T-112/13: Beroep ingesteld op 19 februari 2013 — Cadbury Holdings/BHIM — Société des produits Nestlé (Vorm van een chocoladereep met vier vingers)

19

2013/C 123/33

Zaak T-122/13: Beroep ingesteld op 21 februari 2013 — Laboratoires Polive/BHIM — Arbora & Ausonia (dodie)

20

2013/C 123/34

Zaak T-123/13: Beroep ingesteld op 21 februari 2013 — Laboratoires Polive/BHIM — Arbora & Ausonia (dodie)

20

2013/C 123/35

Zaak T-128/13: Beroep ingesteld op 1 maart 2013 — Vicente Gandía Plá/BHIM — Tesco Stores (MARQUES DE CHIVÉ)

21

2013/C 123/36

Zaak T-132/13: Beroep ingesteld op 4 maart 2013 — Deweerdt e.a./Rekenkamer

21

2013/C 123/37

Zaak T-133/13: Beroep ingesteld op 4 maart 2013 — Pro-Aqua International/BHIM — Rexair (WET DUST CAN’T FLY)

22

2013/C 123/38

Zaak T-136/13: Beroep ingesteld op 11 maart 2013 — Hanwha SolarOne e.a./Parlement e.a.

22

2013/C 123/39

Zaak T-142/13: Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Jinko Solar e.a./Parlement e.a.

23

2013/C 123/40

Zaak T-143/13: Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Zhejiang Heda Solar Technology/Commissie

23

2013/C 123/41

Zaak T-144/13: Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Hangzhou Zhejiang University Sunny Energy Science and Technology/Commissie

24

2013/C 123/42

Zaak T-145/13: Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Ningbo Qixin Solar Electrical Appliance/Commissie

24

2013/C 123/43

Zaak T-146/13: Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Zhejiang Sunflower Light Energy Science & Technology/Commissie

25

2013/C 123/44

Zaak T-147/13: Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Zhejiang Yuhui Solar Energy Source/Commissie

25

2013/C 123/45

Zaak T-148/13: Beroep ingesteld op 14 maart 2013 — Spanje/Commissie

26

2013/C 123/46

Zaak T-149/13: Beroep ingesteld op 14 maart 2013 — Spanje/Commissie

26

2013/C 123/47

Zaak T-153/13: Beroep ingesteld op 14 maart 2013 — Et Solar Industry e.a./Commissie

27

2013/C 123/48

Zaak T-154/13: Beroep ingesteld op 14 maart 2013 — Jiangsu Jiasheng Photovoltaic Technology/Commissie

27

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2013/C 123/49

Zaak F-125/11: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 13 maart 2013 — Mendes/Commissie (Openbare dienst — Algemeen vergelijkend onderzoek — Niet-toelating tot beoordelingstoetsen — Verplichting van administratie om klachten met openheid van geest uit te leggen — Wijziging van kennisgeving van vacature na houden van toelatingstoetsen — Beginsel van gewettigd vertrouwen — Rechtszekerheid)

28

2013/C 123/50

Zaak F-63/08: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 14 maart 2013 — Christoph e. a./Commissie (Openbare dienst — Tijdelijk personeel — Artikelen 2, 3 bis en 3 ter RAP — Tijdelijke functionarissen — Arbeidscontractanten — Arbeidscontractanten voor hulptaken — Duur van overeenkomst — Artikelen 8 en 88 RAP — Besluit van Commissie van 28 april 2004 betreffende maximumduur van gebruikmaking van tijdelijk personeel in diensten van Commissie — Richtlijn 1999/70/EG — Toepasselijkheid op instellingen)

28

2013/C 123/51

Zaak F-5/13: Beroep ingesteld op 15 januari 2013 — ZZ/Commissie

29

2013/C 123/52

Zaak F-11/13: Beroep ingesteld op 4 februari 2013 — ZZ/EDEO

29

2013/C 123/53

Zaak F-17/13: Beroep ingesteld op 15 februari 2013 — ZZ/Commissie

30

2013/C 123/54

Zaak F-19/13: Beroep ingesteld op 19 februari 2013 — ZZ/Commissie

30

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/1


2013/C 123/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 114 van 20.4.2013

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 108 van 13.4.2013

PB C 101 van 6.4.2013

PB C 86 van 23.3.2013

PB C 79 van 16.3.2013

PB C 71 van 9.3.2013

PB C 63 van 2.3.2013

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/2


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 maart 2013 — Zwitserse Bondsstaat/Europese Commissie, Bondsrepubliek Duitsland, Landkreis Waldshut

(Zaak C-547/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Externe betrekkingen - Overeenkomst tussen Europese Gemeenschap en Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer - Verordening (EEG) nr. 2408/92 - Toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes - Artikelen 8 en 9 - Werkingssfeer - Uitoefening van vervoersrechten - Beschikking 2004/12/EG - Duitse maatregelen met betrekking tot aanvliegen van luchthaven van Zürich - Motiveringsplicht - Non-discriminatie - Evenredigheid - Bewijslast)

2013/C 123/02

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Zwitserse Bondsstaat (vertegenwoordiger: S. Hirsbrunner, Rechtsanwalt)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. van Rijn, K. Simonsson en K.-P. Wojcik, gemachtigden); Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze, gemachtigde en T. Masing, Rechtsanwalt); Landkreis Waldshut (vertegenwoordiger: M. Núñez Müller, Rechtsanwalt)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 september 2010, Zwitserland/Commissie (T-319/05), houdende verwerping van het door de Zwitserse Bondsstaat ingestelde beroep tot nietigverklaring van beschikking 2004/12/EG van de Commissie van 5 december 2003 inzake een procedure betreffende de toepassing van artikel 18, lid 2, eerste zin, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, en van verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (PB 1993, L 15, blz. 33) — Maatregelen door Duitsland vastgesteld met betrekking tot het aanvliegen van de luchthaven van Zürich — Onjuiste beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 9, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2408/92 op de litigieuze maatregelen — Onjuiste opvatting van de omvang van de op de Commissie rustende motiveringsplicht — Verzuim rekening te houden met de rechten van de exploitanten van de luchthaven en van de omwonenden daarvan — Schending van het discriminatieverbod en van het evenredigheidsbeginsel

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

De Zwitserse Bondsstaat wordt behalve in zijn eigen kosten, ook verwezen in de kosten die voor de Commissie in eerste aanleg en in het kader van de hogere voorziening zijn opgekomen.

3)

De Bondsrepubliek Duitsland en de Landkreis Waldshut dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 30 van 29.1.2011.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/2


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeidshof te Antwerpen — België) — Aldegonda van den Booren/Rijksdienst voor Pensioenen

(Zaak C-127/11) (1)

(Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Artikel 46 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 - Nationale anticumulatiebepalingen - Ouderdomspensioen - Verhoging van door lidstaat uitgekeerd bedrag - Overlevingspensioen - Vermindering van door andere lidstaat betaald bedrag)

2013/C 123/03

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Arbeidshof te Antwerpen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Aldegonda van den Booren

Verwerende partij: Rijksdienst voor Pensioenen

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Arbeidshof te Antwerpen — Uitlegging van de artikelen 10 EG, 39 EG en 42 EG (thans respectievelijk de artikelen 4, lid 3, EU, 45 VWEU en 48 VWEU) en van artikel 46 bis, lid 3, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2) –Uitkeringen — Nationale regels inzake anticumulatie — Verlaging van bedrag van het door een lidstaat uitgekeerde overlevingspensioen wegens de verhoging van het door een andere lidstaat uitgekeerde ouderdomspensioen

Dictum

Artikel 46 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de toepassing van een regeling van een lidstaat waarvan een bepaling erin voorziet dat een in deze lidstaat uitgekeerd overlevingspensioen wordt verminderd na de verhoging van een krachtens de wetgeving van een andere lidstaat ontvangen ouderdomspensioen, mits met name de bij lid 3, sub d, van bedoeld artikel 46 bis gestelde voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich evenmin verzet tegen de toepassing van een dergelijke nationale regeling voor zover deze regeling voor de belanghebbende niet leidt tot een nadeliger situatie dan die waarin een persoon wiens situatie geen enkel grensoverschrijdend element vertoont, zich bevindt en, mocht worden vastgesteld dat van een dergelijk nadeel sprake is, of die regeling wordt gerechtvaardigd door objectieve overwegingen en evenredig is aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel, waarbij het aan de verwijzende rechterlijke instantie staat om na te gaan of dit het geval is.


(1)  PB C 152 van 21.5.2011.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/3


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — GfBk Gesellschaft für Börsenkommunikation mbH/Finanzamt Bayreuth

(Zaak C-275/11) (1)

(Fiscale bepalingen - Belasting over toegevoegde waarde - Richtlijn 77/388/EEG - Vrijstelling voor beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen - Draagwijdte)

2013/C 123/04

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: GfBk Gesellschaft für Börsenkommunikation mbH

Verwerende partij: Finanzamt Bayreuth

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen — Draagwijdte

Dictum

Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat diensten van adviesverlening inzake de belegging van effecten die een derde verricht ten behoeve van een beheermaatschappij van een gemeenschappelijk beleggingsfonds, voor de vrijstelling van deze bepaling onder het begrip „beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds” vallen, ook al heeft de derde niet gehandeld op grond van een lastgeving, zoals bedoeld in artikel 5 octies van richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002.


(1)  PB C 269 van 10.9.2011.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/4


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — Lapin elinkeino-, liikenne- ja ympäristökeskuksen liikenne ja infrastruktuuri -vastuualue

(Zaak C-358/11) (1)

(Milieu - Afvalstoffen - Gevaarlijke afvalstoffen - Richtlijn 2008/98/EG - Voormalige telefoonpalen die met CCA-oplossingen (koper-chroom-arseen) zijn behandeld - Registratie, beoordeling en autorisatie van chemische stoffen - Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) - Overzicht in bijlage XVII bij REACH-verordening van toepassingen van behandeld hout - Voormalige telefoonpalen die als structuur voor smalle bruggen zijn gebruikt)

2013/C 123/05

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein hallinto-oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Lapin elinkeino-, liikenne- ja ympäristökeskuksen liikenne ja infrastruktuuri -vastuualue

Andere belanghebbenden: Lapin luonnonsuojelupiiri ry en Lapin elinkeino-, liikenne- ja ympäristökeskuksen ympäristö ja luonnonvarat -vastuualue

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein hallinto-oikeus — Uitlegging van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312, blz. 3) en van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie — Registratie, beoordeling en autorisatie van chemische stoffen — Stof waarvoor overeenkomstig bijlage XVII bij die verordening een beperking geldt — Gebruik van voormalige telefoonpalen die voor de fundering van een pad met CCA-oplossingen (koper-chroom-arsenicum) zijn behandeld

Dictum

1)

Het Unierecht sluit in beginsel niet uit dat een als gevaarlijk aangemerkte afvalstof niet langer een afvalstof is in de zin van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, wanneer zij door middel van een behandeling voor nuttige toepassing bruikbaar kan worden gemaakt zonder dat dit gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid en nadelige gevolgen heeft voor het milieu, en voorts niet wordt geconstateerd dat de houder van het betrokken voorwerp zich ervan ontdoet dan wel voornemens of verplicht is zich ervan te ontdoen in de zin van artikel 3, punt 1, van die richtlijn, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

2)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 552/2009 van de Commissie van 22 juni 2009, met name bijlage XVII erbij, moet, voor zover zij het gebruik van met een zogenaamde „CCA”-oplossing (koper-chroom-arseen) behandeld hout onder bepaalde voorwaarden toestaat, aldus worden uitgelegd dat zij in omstandigheden als die van het hoofdgeding relevant is om te bepalen of dergelijk hout mogelijkerwijs niet langer een afvalstof is omdat de houder ervan, wanneer aan die voorwaarden is voldaan, niet is gehouden zich ervan te ontdoen in de zin van artikel 3, punt 1, van richtlijn 2008/98.

3)

De artikelen 67 en 128 van verordening nr. 1907/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 552/2009, moeten aldus worden uitgelegd dat het Unierecht een harmonisatie tot stand brengt van de voorwaarden inzake de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik van stoffen zoals arseenverbindingen, waarvoor overeenkomstig bijlage XVII bij deze verordening een beperking geldt.

4)

Nr. 19, punt 4, sub b, van bijlage XVII bij verordening nr. 1907/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 552/2009, waarin is opgesomd voor welke toepassingen met een zogenaamde „CCA”-oplossing (koper-chroom-arseen) behandeld hout bij wijze van uitzondering kan worden gebruikt, moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling opgenomen opsomming een limitatief karakter heeft en dat deze uitzondering bijgevolg niet kan worden toegepast op andere dan de daarin genoemde gevallen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of het gebruik van de litigieuze telefoonpalen ter ondersteuning van smalle bruggen in omstandigheden als die van het hoofdgeding wel degelijk onder de in die bepaling opgesomde toepassingen valt.

5)

Nr. 19, punt 4, sub d, tweede streepje, van bijlage XVII bij verordening nr. 1907/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 552/2009, volgens hetwelk met een zogenaamde „CCA”-oplossing (koper-chroom-arseen) behandeld hout niet mag worden gebruikt voor toepassingen waarbij gevaar voor herhaald huidcontact bestaat, moet aldus worden uitgelegd dat het betrokken verbod geldt voor alle situaties waarin de huid naar alle waarschijnlijkheid herhaaldelijk met het behandelde hout in aanraking komt. Het staat aan de verwijzende rechter om op basis van de concrete omstandigheden van het normale gebruik van de toepassing waarvoor dat hout is gebruikt, te beoordelen of van een dergelijke waarschijnlijkheid sprake is.


(1)  PB C 269 van 10.9.2011.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/5


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Verenigd Koninkrijk) — Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd e.a./Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs

(Zaak C-424/11) (1)

(Belasting over de toegevoegde waarde - Richtlijn 77/388/EEG - Vrijstelling voor beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen - Draagwijdte - Bedrijfspensioenregelingen)

2013/C 123/06

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

First-tier Tribunal (Tax Chamber)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd, National Association of Pension Funds Ltd, Ford Pension Fund Trustees Ltd, Ford Salaried Pension Fund Trustees Ltd, Ford Pension Scheme for Senior Staff Trustee Ltd

Verwerende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Uitlegging van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Uitlegging van artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Vrijstellingen — Draagwijdte van de vrijstelling voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen — Bedrijfspensioenregelingen daaronder begrepen

Dictum

Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moeten aldus worden uitgelegd dat een beleggingsfonds waarin de activa van een pensioenregeling zijn samengebracht, niet onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepalingen valt waarvan het beheer, gelet op het doel van deze richtlijnen en het beginsel van fiscale neutraliteit, van belasting over de toegevoegde waarde kan worden vrijgesteld aangezien de leden niet het risico dragen dat met het beheer van dat fonds gepaard gaat en de bijdragen van de werkgever aan de pensioenregeling voor hem een middel zijn om zijn wettelijke verplichtingen jegens zijn werknemers na te komen.


(1)  PB C 311 van 22.10.2011.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/5


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel — België) — DKV Belgium/Belgische vereniging voor consumentenbescherming Test-Aankoop VZW

(Zaak C-577/11) (1)

(Vrijheid van dienstverrichting - Vrijheid van vestiging - Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG - Direct verzekeringsbedrijf, met uitzondering van levensverzekeringsbranche - Tariefvrijheid - Andere dan beroepsgebonden ziektekostenverzekeringsovereenkomsten - Beperkingen - Dwingende redenen van algemeen belang)

2013/C 123/07

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Hof van Beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: DKV Belgium NV

Verwerende partij: Belgische vereniging voor consumentenbescherming Test-Aankoop VZW

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Beroep te Brussel — Uitlegging van de artikelen 49 VWEU en 56 VWEU, de artikelen 29, tweede alinea, en 39, lid 3, van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) (PB L 228, blz. 1) en artikel 8, lid 3, van richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228, blz. 3) — Nationale regeling die in het kader van andere dan beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomsten enkel een jaarlijkse aanpassing van de premie, de vrijstelling en de prestatie toestaat en zullen alleen op grond van specifieke criteria — Stelsel van voorafgaande goedkeuring van de tarieven — Beperking van de beginselen van de vrijheid van vestiging en van vrijheid van dienstverrichting — Dwingende redenen van algemeen belang

Dictum

De artikelen 29 en 39, leden 2 en 3, van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) en artikel 8, lid 3, van de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/49, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat die, in het kader van andere dan beroepsgebonden ziektekostenverzekeringsovereenkomsten, bepalingen vaststelt krachtens welke de premie, de vrijstelling en de prestatie op de jaarlijkse premievervaldag enkel mogen worden aangepast:

op grond van het indexcijfer der consumptieprijzen;

op grond van een zogeheten „medisch” indexcijfer, indien en voor zover de evolutie van dat indexcijfer het indexcijfer der consumptieprijzen overstijgt;

na toestemming van een overheidsinstantie die toeziet op de activiteiten van de verzekeringsondernemingen en die door de betrokken verzekeringsonderneming daarom wordt verzocht, indien deze instantie vaststelt dat de toepassing van het tarief van deze onderneming, ondanks de op grond van die twee soorten indexcijfers berekende tariefaanpassingen, verlieslatend is of dreigt te worden.

De artikelen 49 VWEU en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een dergelijke regeling, voor zover er geen minder ingrijpende maatregel bestaat waarmee onder dezelfde voorwaarden het doel van bescherming van de consument tegen aanzienlijke en onverwachte verhogingen van de verzekeringspremies kan worden verwezenlijkt. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.


(1)  PB C 32 van 4.2.2012.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/6


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) — Verenigd Koninkrijk) — ITV Broadcasting Limited e.a./TV Catch Up Limited

(Zaak C-607/11) (1)

(Richtlijn 2001/29/EG - Artikel 3, lid 1 - Uitzending door derde via internet van uitzendingen van commerciële televisiezenders - „Live streaming” - Mededeling aan publiek)

2013/C 123/08

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court of Justice (Chancery Division)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: ITV Broadcasting Limited, ITV 2 Ltd, ITV Digital Channels Ltd, Channel 4 Television Corporation, 4 Ventures Ltd, Channel 5 Broadcasting Ltd en ITV Studios Ltd

Verwerende partij: TV Catch Up Limited

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Justice (Chancery Division) — Uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10) — Begrip „mededeling aan het publiek” — Toestemming van rechthebbenden voor televisie-uitzending van hun werken via het gratis grondnetwerk, hetzij op het gehele grondgebied van een lidstaat, hetzij in een beperkt deel ervan — Permanente uitzending door een derde omroeporganisatie voor de individuele abonnees die kijk- en luistergeld betalen en die aldus de uitzendingen live via videostreams op internet kunnen ontvangen

Dictum

1)

Het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een wederdoorgifte van de werken die zijn opgenomen in een via zendmasten uitgezonden televisie-uitzending

door een andere organisatie dan de oorspronkelijke omroeporganisatie,

door middel van een internetstream die ter beschikking wordt gesteld van de abonnees van deze organisatie, die deze wederdoorgifte kunnen ontvangen door op de server van deze organisatie in te loggen,

hoewel deze abonnees zich in het ontvangstgebied van deze via zendmasten uitgezonden televisie-uitzending bevinden en gerechtigd zijn om deze uitzending op een televisieontvanger te ontvangen.

2)

Voor het antwoord op de eerste vraag is het niet van belang dat een wederdoorgifte als in het hoofdgeding door reclame wordt gefinancierd en dus een winstoogmerk heeft.

3)

Voor het antwoord op de eerste vraag is het niet van belang dat een wederdoorgifte als in het hoofdgeding gebeurt door een organisatie die rechtstreeks concurreert met de oorspronkelijke omroeporganisatie.


(1)  PB C 65 van 3.3.2012.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/7


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — Efir OOD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” Plovdiv

(Zaak C-19/12) (1)

(Belasting over toegevoegde waarde - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 62, 63, 65, 73 en 80 - Vestiging van opstalrecht door natuurlijke personen ten gunste van onderneming in ruil voor door deze onderneming aan die natuurlijke personen verstrekte bouwdiensten - Ruilovereenkomst - Btw over bouwdiensten - Belastbaar feit - Verschuldigd worden - Opneming van zowel belastbare als vrijgestelde handelingen in begrip belastbaar feit - Vervroegde betaling van volledige tegenprestatie - Vooruitbetaling - Maatstaf van heffing van handeling indien tegenprestatie uit goederen of diensten bestaat - Rechtstreekse werking)

2013/C 123/09

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Efir OOD

Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” Plovdiv

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Varhoven administrativen sad — Uitlegging van artikel 62, punten 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Plaatsvinden van het belastbaar feit — Nationale wetgeving die het begrip belastbaar feit zowel op belastbare als vrijgestelde handelingen toepast — Vestiging van een opstalrecht door natuurlijke personen ten gunste van een onderneming in ruil voor door deze onderneming aan die natuurlijke personen verstrekte bouwdiensten

Dictum

1)

De artikelen 63 en 65 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin met het oog op de oprichting van gebouwen opstalrechten worden toegekend aan een onderneming die in ruil voor die rechten bepaalde onroerende goederen optrekt en zich ertoe verbindt om die goederen sleutelklaar op te leveren aan degenen die deze opstalrechten hebben verleend, niet ertegen verzetten dat de belasting over de toegevoegde waarde over die bouwdiensten verschuldigd wordt vanaf het tijdstip waarop de opstalrechten worden gevestigd, met andere woorden vóór die diensten worden verricht, indien op het tijdstip waarop die rechten worden gevestigd alle relevante bestanddelen van deze toekomstige dienstverrichtingen reeds bekend zijn en dus in het bijzonder de diensten in kwestie nauwkeurig zijn omschreven, en de waarde van die rechten kan worden uitgedrukt in geld, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of dat het geval is.

In omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin de handelingen niet plaatsvinden tussen personen met onderlinge banden in de zin van artikel 80 van richtlijn 2006/112, waarbij het evenwel aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of dat het geval is, moeten de artikelen 73 en 80 van die richtlijn aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de maatstaf van heffing van een handeling de normale waarde van de geleverde goederen of de verrichte diensten is wanneer de tegenprestatie voor die handeling volledig uit goederen of diensten bestaat.

2)

De artikelen 63, 65 en 73 van richtlijn 2006/112 hebben rechtstreekse werking.


(1)  PB C 89 van 24.3.2012.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/7


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 maart 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Székesfehérvári Törvényszék — Hongarije) — Gábor Fekete/Nemzeti Adó- és Vámhivatal Közép-dunántúli Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága

(Zaak C-182/12) (1)

(Communautair douanewetboek - Artikel 137 - Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek - Artikel 561, lid 2 - Voorwaarden voor volledige vrijstelling van invoerrechten - Invoer in lidstaat van voertuig waarvan eigenaar in derde land is gevestigd - Door eigenaar anderszins dan door arbeidsovereenkomst met gebruiker gemachtigd gebruik van voertuig voor particuliere doeleinden - Geen vrijstelling)

2013/C 123/10

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Székesfehérvári Törvényszék

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Gábor Fekete

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Közép-dunántúli Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Székesfehérvári Törvényszék — Uitlegging van artikel 561, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1) — Voorwaarden voor totale vrijstelling van invoerrechten — Gebruik voor particuliere doeleinden van vervoermiddel — Begrip arbeidsverhouding — Invoer in lidstaat van voertuig dat toebehoort aan een in een derde land gevestigde stichting door de voorzitter van de raad van bestuur van deze stichting — Machtiging door de betrokken stichting van de voorzitter van de raad van bestuur om het betrokken voertuig te gebruiken en besturen

Dictum

Artikel 561, lid 2, van de verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 993/2001 van de Commissie van 4 mei 2001, moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling voorziene volledige vrijstelling van invoerrechten voor een vervoermiddel dat wordt gebruikt voor particuliere doeleinden door een op het douanegebied van de Europese Unie gevestigde persoon, enkel kan worden verleend wanneer dat particuliere gebruik is vastgelegd in een arbeidsovereenkomst tussen die persoon en de buiten dat gebied gevestigde eigenaar van het voertuig.


(1)  PB C 217 van 21.7.2012.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/8


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof Amsterdam (Nederland) op 25 januari 2013 — Inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen tegen SCA Group Holding BV

(Zaak C-39/13)

2013/C 123/11

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Gerechtshof Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen

Verweerster: SCA Group Holding BV

Prejudiciële vragen

1)

Is sprake van een beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 43 EG juncto artikel 48 EG, doordat aan belanghebbende de toepassing van de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid op de werkzaamheden en het vermogen van de in Nederland gevestigde (achter)kleindochtervennootschappen Alphabet Holding, HP Holding en Alpha Holding wordt onthouden?

Is, in dat kader, in het licht van de met de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid nagestreefde doelstellingen (…), de situatie van de (achter)kleindochtervennootschappen Alphabet Holding, HP Holding en Alpha Holding objectief vergelijkbaar (…) met (i) de situatie van in Nederland gevestigde vennootschappen die (klein)dochter zijn van een in Nederland gevestigde tussenhoudstervennootschap welke niet ervoor heeft gekozen dat zij met haar in Nederland gevestigde moedervennootschap in een fiscale eenheid is gevoegd en die derhalve als kleindochtervennootschappen evenmin als Alphabet Holding, HP Holding en Alpha Holding toegang tot de regeling van de fiscale eenheid met — uitsluitend — haar grootmoedervennootschap hebben, dan wel met (ii) de situatie van in Nederland gevestigde kleindochtervennootschappen die er tezamen met haar in Nederland gevestigde moeder/tussenhoudstervennootschap voor hebben gekozen een fiscale eenheid met hun in Nederland gevestigde (groot)moedervennootschap te vormen en wier werkzaamheden en vermogen derhalve, anders dan die van Alphabet Holding, HP Holding en Alpha Holding, fiscaal worden geconsolideerd?

2)

Maakt het bij de beantwoording van vraag 1), eerste volzin, nog verschil (…) of de betrokken binnenlandse vennootschappen worden gehouden door één tussenhoudstervennootschap (op één hoger niveau van de concernstructuur) in de andere lidstaat dan wel, zoals in casu Alphabet Holding, HP Holding en Alpha Holding, door twee (of meer) — weliswaar binnen die andere lidstaat gelegen — tussenhoudstervennootschappen (op twee of meer hogere niveaus van de concernstructuur)?

3)

Indien en voor zover vraag 1), eerste volzin, bevestigend moet worden beantwoord, kan een dergelijke beperking dan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, meer in het bijzonder door de noodzaak tot behoud van de fiscale coherentie, daaronder begrepen de voorkoming van unilaterale en van bilaterale dubbele verliesverrekening (…)?

Maakt het in dit kader nog verschil dat in het concrete geval vaststaat dat zich het gevaar van een dubbele verliesverrekening niet voordoet (…)?

4)

Indien en voor zover de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord, is een dergelijke beperking dan aan te merken als proportioneel (…)?


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof Amsterdam (Nederland) op 25 januari 2013 — X AG e.a. tegen Inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam

(Zaak C-40/13)

2013/C 123/12

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Gerechtshof Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeksters: X AG, X1 Holding GmbH, X2 Holding GmbH, X3 Holding BV, D1 BV, D2 BV, D3 BV

Verweerder: Inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam

Prejudiciële vragen

1)

Is sprake van een beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 43 EG juncto artikel 48 EG, doordat aan belanghebbenden de toepassing van de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid op de werkzaamheden en het vermogen van de in Nederland gevestigde zustervennootschappen X3 Holding, D1 en D2, wordt onthouden?

Is, in dat kader, in het licht van de met de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid nagestreefde doelstellingen (…), de situatie van X3 Holding, D1 en D2 objectief vergelijkbaar (…) met (i) de situatie van in Nederland gevestigde zustervennootschappen die niet ervoor gekozen hebben dat zij met hun gemeenschappelijke in Nederland gevestigde moedervennootschap(pen) in een fiscale eenheid zijn gevoegd en die derhalve als gezamenlijke zustervennootschappen evenmin als belanghebbenden toegang tot de regeling van de fiscale eenheid hebben, dan wel met (ii) de situatie van in Nederland gevestigde zustervennootschappen die er, tezamen met hun gemeenschappelijke in Nederland gevestigde moedervennootschap(pen), voor hebben gekozen een fiscale eenheid met hun moedervennootschap(pen) te vormen en wier werkzaamheden en vermogen derhalve, anders dan die van belanghebbenden, fiscaal worden geconsolideerd?

2)

Maakt het bij de beantwoording van vraag 1), eerste volzin, nog verschil (…) of de betrokken vennootschappen (i), zoals in casu D1 en D2, een gemeenschappelijke (rechtstreekse) moedervennootschap hebben in de andere lidstaat dan wel (ii), zoals in casu enerzijds X3 Holding, anderzijds D1 en D2, verschillende (rechtstreekse) moedervennootschappen hebben in de andere lidstaat zodat pas op een hoger — weliswaar binnen die andere lidstaat gelegen — niveau van de concernstructuur sprake is van een gemeenschappelijke (middellijke) moedervennootschap van die onderscheiden vennootschappen?

3)

Indien en voor zover vraag 1), eerste volzin, bevestigend moet worden beantwoord, kan een dergelijke beperking dan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, meer in het bijzonder door de noodzaak tot behoud van de fiscale coherentie, daaronder begrepen de voorkoming van unilaterale en van bilaterale dubbele verliesverrekening (…)?

4)

Indien en voor zover de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord, is een dergelijke beperking dan aan te merken als proportioneel (…)?


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof Amsterdam (Nederland) op 25 januari 2013 — Inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam tegen MSA International Holdings BV, MSA Nederland BV

(Zaak C-41/13)

2013/C 123/13

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Gerechtshof Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam

Verweersters: MSA International Holdings BV, MSA Nederland BV

Prejudiciële vragen

1)

Is sprake van een beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 43 EG juncto artikel 48 EG, doordat aan belanghebbenden de toepassing van de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid op de werkzaamheden en het vermogen van de in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap/belanghebbende (MSA Nederland) wordt onthouden?

Is, in dat kader, in het licht van de met de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid nagestreefde doelstellingen (…), de situatie van de kleindochtervennootschap/belanghebbende (MSA Nederland) objectief vergelijkbaar (…) met (i) de situatie van een in Nederland gevestigde vennootschap die dochter is van een in Nederland gevestigde tussenhoudstervennootschap welke niet ervoor heeft gekozen dat zij met haar in Nederland gevestigde moedervennootschap in een fiscale eenheid is gevoegd en die derhalve als kleindochtervennootschap evenmin als belanghebbende (MSA Nederland) toegang tot de regeling van de fiscale eenheid met — uitsluitend — haar grootmoedervennootschap heeft, dan wel met (ii) de situatie van een in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap die er tezamen met haar in Nederland gevestigde moeder/tussenhoudstervennootschap voor heeft gekozen een fiscale eenheid met hun in Nederland gevestigde (groot)moedervennootschap te vormen en wier werkzaamheden en vermogen derhalve, anders dan die van belanghebbende (MSA Nederland), fiscaal worden geconsolideerd?

2)

Maakt het bij de beantwoording van vraag 1), eerste volzin, nog verschil (…) of de betrokken buitenlandse tussenhoudstervennootschap, indien zij in Nederland niet door middel van een dochtervennootschap zou opereren, maar via een vaste inrichting, wel ervoor zou hebben kunnen kiezen om — wat het vermogen en de werkzaamheden van die Nederlandse vaste inrichting betreft — met haar in Nederland gevestigde moedervennootschap een fiscale eenheid te vormen?

3)

Indien en voor zover vraag 1), eerste volzin, bevestigend moet worden beantwoord, kan een dergelijke beperking dan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, meer in het bijzonder door de noodzaak tot behoud van de fiscale coherentie, daaronder begrepen de voorkoming van unilaterale en van bilaterale dubbele verliesverrekening (…)?

4)

Indien en voor zover de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord, is een dergelijke beperking dan aan te merken als proportioneel (…)?


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 28 januari 2013 — Hauptzollamt Köln/Kronos Titan GmbH

(Zaak C-43/13)

2013/C 123/14

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verweerder en verzoeker tot Revision: Hauptzollamt Köln

Verzoekster en verweerster in Revision: Kronos Titan GmbH

Prejudiciële vraag

Vereist artikel 2, lid 3, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (1), bij de belasting van andere energieproducten dan die waarvoor in de richtlijn een belastingniveau is vastgesteld, dat een belastingtarief wordt toegepast dat naar nationaal recht geldt voor het gebruik van een energieproduct als verwarmingsbrandstof, voor zover elk ander energieproduct ook als verwarmingsbrandstof wordt gebruikt? Of kan, wanneer het andere energieproduct bij gebruik als verwarmingsbrandstof gelijkwaardig is aan een bepaald energieproduct, het naar nationaal recht voor dit energieproduct geldende belastingtarief worden toegepast ook al gaat het om een uniform belastingtarief dat geldt ongeacht of dit energieproduct als motorbrandstof dan wel als verwarmingsbrandstof wordt gebruikt?


(1)  PB L 283, blz. 51.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 28 januari 2013 — Hauptzollamt Krefeld/Rhein-Ruhr Beschichtungs-Service GmbH

(Zaak C-44/13)

2013/C 123/15

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verweerder en verzoeker tot Revision: Hauptzollamt Krefeld

Verzoekster en verweerster in Revision: Rhein-Ruhr Beschichtungs-Service GmbH

Prejudiciële vraag

Vereist artikel 2, lid 3, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (1), bij de belasting van andere energieproducten dan die waarvoor in de richtlijn een belastingniveau is vastgesteld, dat een belastingtarief wordt toegepast dat naar nationaal recht geldt voor het gebruik van een energieproduct als verwarmingsbrandstof, voor zover elk ander energieproduct ook als verwarmingsbrandstof wordt gebruikt? Of kan, wanneer het andere energieproduct bij gebruik als verwarmingsbrandstof gelijkwaardig is aan een bepaald energieproduct, het naar nationaal recht voor dit energieproduct geldende belastingtarief worden toegepast ook al gaat het om een uniform belastingtarief dat geldt ongeacht of dit energieproduct als motorbrandstof dan wel als verwarmingsbrandstof wordt gebruikt?


(1)  PB L 283, blz. 51.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 31 januari 2013 — Posteshop SpA — Divisione Franchising Kipoint/Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato, Presidenza del Consiglio dei Ministri

(Zaak C-52/13)

2013/C 123/16

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Posteshop SpA — Divisione Franchising Kipoint

Verwerende partijen: Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato, Presidenza del Consiglio dei Ministri

Prejudiciële vraag

Moet richtlijn 2006/114/EG (1) aldus worden uitgelegd dat zij, wat de bescherming van handelaren betreft, betrekking heeft op reclame die tegelijkertijd misleidend en ongeoorloofd vergelijkend is, dan wel op twee onderscheiden onrechtmatige gedragingen, die ook elk op zich relevant zijn, te weten misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame?


(1)  Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB L 376, blz. 21).


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/11


Beroep ingesteld op 12 februari 2013 — Europese Commissie/Portugese Republiek

(Zaak C-76/13)

2013/C 123/17

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Guerra e Andrade, G. Braun en L. Nicolae, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Portugese Republiek het arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2010 in zaak C-154/06 (1), Europese Commissie/Portugese Republiek, niet heeft uitgevoerd;

de Portugese Republiek veroordelen tot betaling aan de Commissie van een dwangsom van 43 264,64 EUR per dag vertraging in de uitvoering van het uit te voeren arrest, vanaf de datum van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot de datum waarop het declaratoire arrest van 7 oktober 2010 volledig is uitgevoerd;

de Portugese Republiek veroordelen tot betaling aan de Commissie van een forfaitaire geldboete van 5 277,30 EUR per dag vertraging in de uitvoering, vanaf de datum van uitspraak van het declaratoire arrest van 7 oktober 2010, tot:

de datum van uitvoering van het declaratoire arrest van 7 oktober 2010, ingeval het Hof van Justitie verklaart dat de Portugese Republiek dat arrest heeft uitgevoerd vóór de datum van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak;

de datum van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak ingeval het Hof van Justitie verklaart dat het declaratoire arrest niet daadwerkelijk is uitgevoerd vóór de datum van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak;

de Portugese Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De ondernemingen die belast zijn met de universeledienstverlening, zijn nog niet vastgesteld op basis van een procedure overeenkomstig de artikelen 3, lid 2, en 8, lid 2, van de universeledienstenrichtlijn (2). Bovendien is in de Lei das Comunicações Eletrónicas (Portugese wet inzake elektronische communicatie) nog steeds bepaald dat alle verplichtingen gehandhaafd blijven welke zien voorzien in de basisregeling betreffende de concessie voor het verstrekken van openbare telecommunicatiediensten zoals goedgekeurd bij Decreto-Lei nr. 31/2003, krachtens welke de universeledienstverlening in concessie is gegeven aan PT Comunicações overeenkomstig een concessieovereenkomst die tot 2025 van kracht blijft. Voor de bepaling van de geldboete stelt de Commissie aan het Hof een factor 7 voor op een schaal van 1 tot en met 20.

Door deze niet-uitvoering loopt de verwezenlijking van essentiële doelstellingen van het mededingingsrecht gevaar, met name de doelstellingen die verband houden met de liberalisering van de telecommunicatiemarkt en bovendien worden fundamentele beginselen van het Unierecht geschonden, zoals het non-discriminatiebeginsel. Voorts loopt door de niet-uitvoering de doeltreffendheid van de universeledienstverlening gevaar, die een van de wezenlijke doelstellingen van de telecommunicatierichtlijn vormt. In casu werd aan Portugal Telecom een concessie verleend zonder een beroep te doen op de mededinging, in de vorm van een openbare of beperkte aanbestedingsprocedure, en dus zonder dat is gewaarborgd dat voor de universeledienstverlening de beste voorwaarden inzake kostenefficiëntie gelden en zonder dat de mededinging speelt doordat verboden marktverstoringen worden beperkt.


(1)  Jurispr. blz. I-127.

(2)  Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51).


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal d’instance de Quimper (Frankrijk) op 14 februari 2013 — CA Consumer Finance/Francine Weber, echtgenote Crouan, Tual Crouan

(Zaak C-77/13)

2013/C 123/18

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal d’instance de Quimper

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: CA Consumer Finance

Verwerende partij: Francine Weber, echtgenote Crouan, Tual Crouan

Prejudiciële vraag

Verzet richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1) zich ertegen dat het nationale recht aldus wordt uitgelegd dat bedingen inzake eenzijdige wijziging van de rentevoet in kredietovereenkomsten geldig zijn en de redenen voor de wijziging van de rentevoet en de wijze van berekening van de rentevoet aan het oordeel van de kredietgever worden overgelaten wanneer in de overeenkomst geen geldige redenen worden genoemd, voor zover deze bedingen in overeenstemming zijn met een bij wet vastgestelde formulering en de kredietgever tijdens de uitvoering van de overeenkomst de wettelijke voorschriften inzake kennisgeving aan de kredietnemer heeft nageleefd?


(1)  PB L 95, blz. 29.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/12


Beroep ingesteld op 20 februari 2013 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-86/13)

2013/C 123/19

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall, D. Martin, J.-P. Keppenne, gemachtigden)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van de Raad van 20 december 2012 waarbij de vaststelling wordt geweigerd van het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad houdende aanpassing, met ingang van 1 juli 2012, van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die op die bezoldigingen en pensioenen worden toegepast;

verwijzing van de Raad van de Europese Unie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter onderbouwing van haar beroept voert de Commissie drie middelen aan.

Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 65 van het Ambtenarenstatuut en van de artikelen 1, 3 en 10 van bijlage XI bij het Statuut, aangezien de Raad, daar de Commissie hem niet had voorgesteld om de uitzonderingsclausule van artikel 10 van bijlage XI toe te passen, vóór 31 december 2012 het voorstel had moeten aannemen voor de jaarlijkse aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en personeelsleden van de Unie dat de Commissie krachtens artikel 3 van bijlage XI had gedaan. De Raad is onbevoegd om een besluit te nemen tot toepassing van artikel 10, zonder adequaat voorstel van de Commissie en zonder het Parlement, de medewetgever volgens artikel 10, daarbij te betrekken.

Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 64 van het Statuut en van de artikelen 1 en 3 van bijlage XI, aangezien de Raad niet de nieuwe aanpassingscoëfficiënten voor de bezoldigingen en de pensioenen heeft vastgesteld, ofschoon hij verplicht was dit te doen en welke de Commissie had voorgesteld teneinde de gelijke behandeling van ambtenaren en gepensioneerden te verzekeren, ongeacht hun eventuele stand- of woonplaats.

Het derde middel is ontleend aan het volledig ontbreken van motivering, daar de Raad slechts heeft vastgesteld dat er geen gekwalificeerde meerderheid was om het voorstel van de Commissie volgens artikel 3 van bijlage XI aan te nemen, zonder uiteen te zetten waarom hij afweek van dat voorstel. Dit middel betreft zowel de aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen alsook de vaststelling van de nieuwe aanpassingscoëfficiënten.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākās tiesas Senāts (Letland) op 4 maart 2013 — AS „Olainfarm”/Latvijas Republikas Veselības ministrija en Zāļu valsts aģentūra

(Zaak C-104/13)

2013/C 123/20

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Augstākās tiesas Senāts

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: AS „Olainfarm”

Verwerende partijen: Latvijas Republikas Veselības ministrija en Zāļu valsts aģentūra

Interveniërende partij: AS „Grindeks”

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 10 of een andere bepaling van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (1) aldus worden uitgelegd dat de producent van een referentiegeneesmiddel een subjectief recht heeft op het instellen van beroep tegen het besluit van de bevoegde autoriteit waarbij een generiek geneesmiddel van een andere geneesmiddelenproducent wordt geregistreerd en als referentiegeneesmiddel het door de producent van het referentiegeneesmiddel geregistreerde geneesmiddel wordt gebruikt? Anders gezegd, heeft de producent van het referentiegeneesmiddel krachtens deze richtlijn het recht zich tot de rechter te wenden om te doen nagaan of de producent van het generieke geneesmiddel rechtmatig en deugdelijk naar het door de producent van het referentiegeneesmiddel geregistreerde geneesmiddel heeft verwezen overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van de richtlijn?

2)

Zo ja, moeten de artikelen 10 en 10 bis van de richtlijn dan aldus worden uitgelegd dat een geneesmiddel dat overeenkomstig artikel 10 bis van de richtlijn is geregistreerd als geneesmiddel dat reeds in de medische praktijk wordt gebruikt, kan worden gebruikt als referentiegeneesmiddel in de zin van artikel 10, lid 2, sub a?


(1)  PB L 311, blz. 67.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/13


Beroep ingesteld op 6 maart 2013 — Europese Commissie/Republiek Finland

(Zaak C-109/13)

2013/C 123/21

Procestaal: Fins

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Hetsch, O. Beynet en I. Koskinen)

Verwerende partij: Republiek Finland

Conclusies

vaststellen dat de Republiek Finland de krachtens artikel 49, lid 1, van richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (1) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door voor het Finse vasteland niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om artikel 2, leden 1, 2, 5, 7, 8, 9, 11, 13, 14, 17, 18, 19, 21, 22, 24, 28 tot en met 35, artikel 3, lid 5, sub a, en lid 9, sub c, artikel 9, leden 1, 2, 3, 7, 9, 10 en 12, de artikelen 10 en 11, artikel 12, sub d en h, de artikelen 13 en 14, artikel 16, lid 1, tweede en derde volzin, en leden 2 en 3, de artikelen 17 tot en met 23, artikel 25, lid 1, artikel 26, lid 2, sub c, derde en vierde volzin, sub d, tweede en vierde volzin en lid 3, artikel 29, artikel 35, leden 4 en 5, artikel 36, sub a tot en met e, g en h, artikel 37, lid 1, sub b tot en met u, lid 3, lid 4, sub b en d, leden 5 en 9, artikel 38, lid 1, artikel 39, leden 1, 4 en 8, artikel 40, leden 1, 2, 3, 6 en 7, alsmede bijlage I, lid 1, sub a, zesde en achtste streepje, sub d, f en j, van deze richtlijn in nationaal recht om te zetten of deze in elk geval niet aan de Commissie mee te delen en door de provincie Åland niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de omzetting van de genoemde richtlijn in nationaal recht of in elk geval deze niet aan de Commissie mee te delen;

de Republiek Finland overeenkomstig artikel 260, lid 3, VWEU veroordelen tot betaling van een dwangsom van 32 140,80 EUR per dag, die vanaf de dag van de uitspraak in de onderhavige zaak van toepassing wordt;

de Republiek Finland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 3 maart 2011 verstreken.


(1)  PB L 211, blz. 55.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/14


Beroep ingesteld op 7 maart 2013 — Europese Commissie/Republiek Finland

(Zaak C-111/13)

2013/C 123/22

Procestaal: Fins

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Hetsch, O. Beynet en I. Koskinen)

Verwerende partij: Republiek Finland

Conclusies

vaststellen dat de Republiek Finland de krachtens artikel 54, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (1) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door voor het Finse vasteland niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om artikel 2, leden 1, 2, 4 tot en met 18, 20, 22 tot en met 36, artikel 3, lid 3, eerste tot en met derde volzin, en lid 6, sub b, artikel 12, artikel 13, leden 1, 2 en 5, artikel 15, leden 1 en 2, artikel 16, lid 1, tweede volzin, leden 2 en 3, artikel 25, lid 1, artikel 33, artikel 36, lid 4, sub 2 en 4, leden 6 en 8, lid 9, lid 3, artikel 39, lid 4, sub a en b, lid 5, sub 1-a en -b, en sub 2, tweede volzin, artikel 40, sub a tot en met e, g en h, artikel 41, lid 1, sub b, c tot en met f, h tot en met q, en s tot en met u, lid 4, sub b en d, lid 6, sub a, leden 7, 9, 10, 11 en 12, artikel 42, lid 1, artikel 43, leden 1, 4 en 8, artikel 44, leden 1, 2, 3, 6 en 7, alsmede bijlage I, lid 1, sub a, zesde tot en met achtste streepje, sub b, d, f en h, en lid 2, van deze richtlijn in nationaal recht om te zetten of in elk geval door deze niet aan de Commissie mee te delen;

de Republiek Finland overeenkomstig artikel 260, lid 3, VWEU veroordelen tot betaling van een dwangsom van 28 569,60 EUR per dag, die vanaf de dag van de uitspraak in de onderhavige zaak van toepassing wordt;

de Republiek Finland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 3 maart 2011 verstreken.


(1)  PB L 211, blz. 94.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/14


Verzoek om advies, krachtens artikel 218, lid 11, VWEU, ingediend door Europese Commissie

(Advies 1/12)

2013/C 123/23

Procestaal: alle officiële talen

Verzoekende partij

Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Hermes en H. Krämer, gemachtigden)

Advies 1/12 wordt doorgehaald in het register van het Hof.


Gerecht

27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/15


Arrest van het Gerecht van 14 maart 2013 — Fresh Del Monte Produce/Commissie

(Zaak T-587/08) (1)

(Mededinging - Mededingingsregelingen - Bananenmarkt - Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG - Systeem van informatie-uitwisseling - Begrip onderling afgestemde feitelijke gedragingen met mededingingsbeperkend doel - Causaal verband tussen afstemming en marktgedrag van ondernemingen - Eén enkele inbreuk - Toerekening van inbreuk - Rechten van verdediging - Geldboeten - Zwaarte van inbreuk - Medewerking - Verzachtende omstandigheden)

2013/C 123/24

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Fresh Del Monte Produce, Inc. (George Town, Kaaimaneilanden, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Meyring, advocaat, en E. Verghese, solicitor, vervolgens B. Meyring)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Kellerbauer, A. Biolan en X. Lewis, vervolgens M. Kellerbauer, A. Biolan en P. Van Nuffel, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Rinne, advocaat, C. Humpe en S. Kon, solicitors, en C. Vajda, QC)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2008) 5955 definitief van de Commissie van 15 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/39.188 — Bananen) en, subsidiair, verzoek tot verlaging van de geldboete

Dictum

1)

Het bedrag van de geldboete die is opgelegd bij artikel 2, sub c, van beschikking C(2008) 5955 definitief van de Commissie van 15 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/39.188 — Bananen), wordt vastgesteld op 8,82 miljoen EUR.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Fresh Del Monte Produce, Inc. draagt haar eigen kosten, alsook drie vierde van de kosten van de Europese Commissie. De Commissie draagt een vierde van haar eigen kosten.

4)

Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 44 van 21.2.2009.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/15


Arrest van het Gerecht van 14 maart 2013 — Dole Food en Dole Germany/Commissie

(Zaak T-588/08) (1)

(Mededinging - Mededingingsregelingen - Bananenmarkt - Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG - Begrip onderling afgestemde feitelijke gedragingen met mededingingsbeperkend doel - Systeem van informatie-uitwisseling - Motiveringsplicht - Rechten van verdediging - Richtsnoeren voor berekening van geldboeten - Zwaarte van inbreuk)

2013/C 123/25

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Dole Food Company, Inc. (Westlake Village, Californië, Verenigde Staten); en Dole Germany OHG (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordiger: J.-F. Bellis, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk X. Lewis en M. Kellerbauer, vervolgens M. Kellerbauer en P. Van Nuffel, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2008) 5955 definitief van de Commissie van 15 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/39.188 — Bananen)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Dole Food Company, Inc. en Dole Germany OHG worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 44 van 21.2.2009.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/16


Arrest van het Gerecht van 13 maart 2013 — Biodes/BHIM — Manasul Internacional (FARMASUL)

(Zaak T-553/10) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk FARMASUL - Ouder Spaans beeldmerk MANASUL - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Onderscheidend vermogen van ouder merk - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2013/C 123/26

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Biodes, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: E. Manresa Medina, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Manasul Internacional, SL (Ponferrada, Spanje) (vertegenwoordiger: M. I. Escudero Pérez, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 3 september 2010 (zaak R 1034/2009-1) inzake een oppositieprocedure tussen Manasul Internacional, SL en Biodes, SL

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Biodes, SL wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 30 van 29.1.2011.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/16


Arrest van het Gerecht van 13 maart 2013 — Inglewood e.a./Parlement

(Gevoegde zaken T-229/11 en T-276/11) (1)

(Regeling kosten en vergoedingen van leden van het Europees Parlement - Aanvullende pensioenregeling - Besluiten houdende afwijzing van verzoeken om toepassing van vóór wijziging van regeling voor aanvullend pensioen in 2009 geldende bepalingen - Exceptie van onwettigheid - Verkregen rechten - Gewettigd vertrouwen - Evenredigheid - Gelijke behandeling)

2013/C 123/27

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Lord Inglewood (Penrith, Verenigd Koninkrijk) en de tien andere verzoekers wier namen in de bijlage worden genoemd (zaak T-229/11) en Marie-Arlette Carlotti (Marseille, Frankrijk) (zaak T-276/11) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, É. Marchal en D. Abreu Caldas, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: N. Lorenz, M. Windisch en K. Pocheć, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoeken tot nietigverklaring van de besluiten van het Europees Parlement houdende weigering om verzoekers hun vrijwillig aanvullend pensioen hetzij vervroegd, hetzij op de leeftijd van 60 jaar, hetzij gedeeltelijk in de vorm van een forfaitair bedrag toe te kennen

Dictum

1)

De beroepen worden verworpen.

2)

Lord Inglewood en de tien andere verzoekers wier namen in de bijlage worden genoemd, alsmede Marie-Arlette Carlotti, worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 211 van 16.7.2011.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/17


Beroep ingesteld op 14 februari 2013 — K-Swiss/BHIM — Künzli SwissSchuh (Sportschoen met vijf strepen)

(Zaak T-85/13)

2013/C 123/28

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: K-Swiss, Inc. (Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: R. Niebel en K. Tasma, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Künzli SwissSchuh AG (Windisch, Zwitserland)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 30 oktober 2012 in zaak R 174/2011-2 te vernietigen;

het Bureau en, in voorkomend geval, interveniënte te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: het beeldmerk dat vijf strepen op een sportschoen weergeeft — gemeenschapsmerkinschrijving nr. 4 771 978

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: de nietigheidsgronden van artikel 52, lid 1, sub a, juncto artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009

Beslissing van de nietigheidsafdeling: toewijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/17


Beroep ingesteld op 12 februari 2013 — Herdade de S. Tiago II/BHIM — Polo/Lauren (V)

(Zaak T-90/13)

2013/C 123/29

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Herdade de S. Tiago II-Sociedade Agrícola, SA (Lissabon, Portugal) (vertegenwoordigers: I. de Carvalho Simões en J. Pimenta, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: The Polo/Lauren Company, LP (New York, Verenigde Staten)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 28 november 2012 in zaak R 1436/2010-2 te vernietigen;

het Bureau te verwijzen in de kosten van de beroepsprocedure voor het Gerecht, de kosten van verzoekster daaronder begrepen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat een paardrijdende polospeler weergeeft en het woordelement „V” bevat, voor waren en diensten van de klassen 3, 18, 25, 28, 41 en 43 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 5 791 835

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsmerkinschrijving, merkinschrijving in het Verenigd Koninkrijk en Benelux-merkinschrijving van het beeldmerk dat een polospeler weergeeft, voor waren van de klassen 9, 18, 20, 21, 24, 25 en 28

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, en lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/18


Beroep ingesteld op 22 februari 2013 — Rot Front/BHIM — Rakhat (Macka)

(Zaak T-96/13)

2013/C 123/30

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Rot Front OAO (Moskou, Rusland) (vertegenwoordiger: B. Térauda, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Rakhat AO (Almaty, Kazachstan)

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „Macka” bevat voor waren van de klassen 29 en 30 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 9 556 135

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: niet-ingeschreven beeldmerk dat een afbeelding van een zak met het woordelement „Macka” omvat voor suikergoed in Griekenland en Duitsland

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 van de Raad


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/18


Beroep ingesteld op 14 februari 2013 — Heli-Flight/EASA

(Zaak T-102/13)

2013/C 123/31

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Heli-Flight GmbH & Co. KG (Reichelsheim, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Kittner, advocaat)

Verwerende partij: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

verweerders besluit van 13 januari 2012 waarbij verzoeksters verzoek om goedkeuring van de vluchtvoorwaarden voor helikopter Robinson R66 (serienr. 0034) is afgewezen, nietig te verklaren;

vast te stellen dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te beslissen op verzoeksters verzoeken om goedkeuring van de vluchtvoorwaarden voor helikopter Robinson R66 (serienr. 0034) van 11 juli 2011 en 10 januari 2012;

vast te stellen dat verweerder verplicht is om verzoekster te vergoeden voor alle schade die zij heeft geleden doordat verweerder de verzoeken om goedkeuring van de vluchtvoorwaarden voor helikopter Robinson R66 (serienr. 0034) van 11 juli 2011 en 10 januari 2012 heeft afgewezen en/of ten onrechte heeft nagelaten een beslissing te nemen inzake de goedkeuring van de vluchtvoorwaarden voor deze helikopter;

verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar eerste vordering voert verzoekster in wezen het volgende aan:

1)

Volgens verzoekster is de beslissing inzake de goedkeuring van de vluchtvoorwaarden geen discretionaire beslissing. In dit verband wordt onder meer aangevoerd dat verweerder en niet verzoekster het bewijs moet leveren dat het betrokken luchtvaartuig onder bepaalde voorwaarden veilig kan vliegen.

2)

Voorts voert verzoekster aan dat indien verweerders beslissing inzake de goedkeuring van de vluchtvoorwaarden een discretionaire beslissing is, verweerder zijn beoordelingsbevoegdheid niet of in elk geval onjuist heeft uitgeoefend. Volgens verzoekster maakt verweerder een beoordelingsfout wanneer hij zich beroept op veiligheidsinzichten die zijn verkregen uit het typecertificeringsproces waarin verzoekster geen partij was. Bovendien wordt aangevoerd dat verweerder in de onderhavige procedure de vermeende veiligheidsrisico’s niet voldoende heeft gespecificeerd. In dit verband stelt verzoekster dat zij niet de mogelijkheid heeft gekregen om haar standpunt over de vermeende risicobronnen kenbaar te maken. Verzoekster stelt ook dat verweerders betoog kennelijk tegenstrijdig is.

3)

Subsidiair voert verzoekster aan dat zij het bewijs heeft geleverd dat het betrokken luchtvaartuig onder bepaalde voorwaarden veilig kan vliegen.

4)

Tot slot betoogt verzoekster dat verweerder, wat haar verzoek tot nietigverklaring betreft, inbreuken heeft gemaakt op de verplichting tot behoorlijk bestuur. Volgens verzoekster heeft verweerder zijn onderzoeksplicht geschonden, zich ten onrechte op de vertrouwelijkheid inzake het typecertificeringsproces beroepen, inbreuk gemaakt op verzoeksters recht om te worden gehoord en de motiveringsplicht geschonden.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/19


Beroep ingesteld op 19 februari 2013 — Cadbury Holdings/BHIM — Société des produits Nestlé (Vorm van een chocoladereep met vier vingers)

(Zaak T-112/13)

2013/C 123/32

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Cadbury Holdings Ltd (Uxbridge, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: T. Mitcheson, barrister, P. Walsh en S. Dunstan, solicitors)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Société des produits Nestlé SA (Vevey, Zwitserland)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep in zaak R 513/2011-2 van 11 december 2012 vernietigen, behalve voor zover de kamer van beroep heeft vastgesteld dat het merk intrinsiek onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, mist;

het BHIM verwijzen in de kosten van dit beroep en interveniënte verwijzen in de kosten van de procedures voor de nietigheidsafdeling en de kamer van beroep.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: driedimensionaal merk in de vorm van een chocoladereep met vier vingers voor waren van klasse 30 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 2 632 529

Houder van het gemeenschapsmerk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: De vordering tot nietigverklaring is gebaseerd op de gronden van artikel 52, lid 1, sub a, juncto artikel 7, lid 1, sub b, c, d en e-ii, van verordening nr. 207/2009 van de Raad

Beslissing van de nietigheidsafdeling: nietigverklaring van het gemeenschapsmerk

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing

Aangevoerde middelen: schending van artikel 52, lid 1, sub a, juncto artikel 7, lid 1, sub b, c, d, en e-ii, van verordening nr. 207/2009 van de Raad


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/20


Beroep ingesteld op 21 februari 2013 — Laboratoires Polive/BHIM — Arbora & Ausonia (dodie)

(Zaak T-122/13)

2013/C 123/33

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Laboratoires Polive (Levallois Perret, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. Sion, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Arbora & Ausonia, SL (Barcelona, Spanje)

Conclusies

de bestreden beslissing van de tweede kamer van beroep van 28 november 2012 vernietigen;

het BHIM verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk (in kleur) „dodie” voor waren van de klassen 3, 5, 8, 9, 10, 11, 16, 18, 21, 25 en 28 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 9 037 821

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Spaanse en Portugese merken van het woordmerk „DODOT” voor waren van de klassen 3, 5, 10, 12, 16, 18, 20, 21, 24, 25, 28 en 44

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing, toewijzing van de oppositie en weigering van het aangevraagde merk voor bepaalde waren van de klassen 3, 5, 8, 10, 11, 16, 18, 21, 25 en 28

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/20


Beroep ingesteld op 21 februari 2013 — Laboratoires Polive/BHIM — Arbora & Ausonia (dodie)

(Zaak T-123/13)

2013/C 123/34

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Laboratoires Polive (Levallois Perret, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. Sion, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Arbora & Ausonia, SL (Barcelona, Spanje)

Conclusies

de bestreden beslissing van de tweede kamer van beroep van 28 november 2012 vernietigen;

het BHIM verwijzen in de kosten

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „dodie” voor waren van de klassen 3, 5, 8, 9, 10, 11, 16, 18, 21, 25 en 28 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 9 037 821

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Spaanse en Portugese merken van het woordmerk „DODOT” voor waren van de klassen 3, 5, 10, 12, 16, 18, 20, 21, 24, 25, 28 en 44

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing, toewijzing van de oppositie en weigering van het aangevraagde merk voor bepaalde waren van de klassen 3, 5, 8, 10, 11, 16, 18, 21, 25 en 28

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/21


Beroep ingesteld op 1 maart 2013 — Vicente Gandía Plá/BHIM — Tesco Stores (MARQUES DE CHIVÉ)

(Zaak T-128/13)

2013/C 123/35

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Vicente Gandía Plá, S.A. (Chiva, Spanje) (vertegenwoordiger: I. Temiño Ceniceros, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Tesco Stores Ltd (Cheshunt, Verenigd Koninkrijk)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het onderhavige beroep en de bijlagen ontvankelijk te verklaren;

de beslissing van de kamer van beroep te vernietigen;

het BHIM en interveniënte te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekende partij

Betrokken gemeenschapsmerk: het onder nr. 9 571 415 ingeschreven gemeenschapsbeeldmerk „MARQUES DE CHIVÉ” voor waren van de klassen 29, 32 en 33

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: het in het Verenigd Koninkrijk onder nr. 1 520 720 ingeschreven woordmerk „MARQUES DE CHIVE” voor waren van klasse 33

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie tegen de aanvraag voor waren van klasse 33 wegens ontbreken van normaal gebruik

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de aanvraag voor waren van klasse 33

Aangevoerde middelen: schending van artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009 van de Raad


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/21


Beroep ingesteld op 4 maart 2013 — Deweerdt e.a./Rekenkamer

(Zaak T-132/13)

2013/C 123/36

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Sonja Deweerdt (Rulles, België); Didier Lebrun (Luxemburg, Luxemburg); en Margot Lietz (Mensdorf, Luxembourg) (vertegenwoordigers: A. Coolen, J.-N. Louis, E. Marchal en D. Abreu Caldas, advocaten)

Verwerende partij: Rekenkamer van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

vast te stellen en voor recht te verklaren,

artikel 4 van het reglement van orde van de Rekenkamer is onwettig, voor zover het tot gevolg heeft dat een lid dat zich schuldig heeft gemaakt aan geweld ongestraft blijft;

het besluit van de Rekenkamer van 13 december 2012 om geen beroep in te stellen bij het Hof van Justitie met het verzoek om te onderzoeken of S., destijds lid van de Rekenkamer, niet meer voldeed aan de vereiste voorwaarden of aan de uit haar ambt voortvloeiende verplichtingen en, indien haar ambtstermijn reeds was afgelopen, te verklaren dat haar haar pensioenrecht werd ontnomen, wordt nietig verklaard;

de Rekenkamer wordt verwezen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vier middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan de onwettigheid van artikel 4 van het reglement van orde van de Rekenkamer, voor zover daardoor een lid dat zich schuldig zou hebben gemaakt aan geweld ongestraft blijft.

2)

Tweede middel, ontleend aan onsamenhangendheid van het bestreden besluit, aangezien de Rekenkamer de gebreken van S. uitdrukkelijk heeft erkend, doch haar niet voor het Hof van Justitie heeft gebracht.

3)

Derde middel, ontleend aan het volledig ontbreken van een relevante motivering op grond waarvan de verzoekende partijen de gegrondheid van het bestreden besluit kunnen beoordelen.

4)

Vierde middel, ontleend aan schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen en misbruik van recht, aangezien de Rekenkamer pas één jaar en één dag na de indiening van het rapport van de externe onderzoeker de mogelijkheid heeft onderzocht om S. voor het Hof van Justitie te brengen.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/22


Beroep ingesteld op 4 maart 2013 — Pro-Aqua International/BHIM — Rexair (WET DUST CAN’T FLY)

(Zaak T-133/13)

2013/C 123/37

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pro-Aqua International GmbH (Ansbach, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Raible, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Rexair LLC (Troy, Verenigde Staten van Amerika)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 17 december 2012 (in zaak R 211/2012-2) vernietigen;

het BHIM verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure voor het BHIM en voor de kamer van beroep van het BHIM.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: woordmerk „WET DUST CAN’T FLY” voor waren en diensten van de klassen 3, 7 en 37 (gemeenschapsmerkinschrijving nr. 6 668 073)

Houder van het gemeenschapsmerk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: artikel 52, lid 1, sub a, juncto artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 207/2009 van de Raad

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 207/2009 van de Raad


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/22


Beroep ingesteld op 11 maart 2013 — Hanwha SolarOne e.a./Parlement e.a.

(Zaak T-136/13)

2013/C 123/38

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Hanwha SolarOne (Qidong) Co. Ltd (Qidong, China); Hanwha SolarOne Technology Co. Ltd (Lianyungang, China); Hanwha SolarOne Solar Technology (Shanghai) Co. Ltd (Shanghai, China); en Hanwha Solar Electric Power Engineering Co. Ltd (Qidong) (vertegenwoordiger: F. Graafsma, advocaat)

Verwerende partijen: Europees Parlement, Europese Commissie en Raad van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 344, blz. 1) nietig te verklaren, voor zover deze op verzoeksters is toegepast;

het besluit van de Commissie van 3 januari 2013 houdende de weigering om over te gaan tot onderzoek van het verzoek van verzoeksters om als marktgerichte onderneming te worden behandeld (BMO), nietig te verklaren; en

verweerders te verwijzen in verzoeksters kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters een enkel middel aan.

Verzoeksters verzoeken verordening (EU) nr. 1168/2012 nietig te verklaren voor zover deze is toegepast op verzoeksters en op de BMO-verzoeken die verzoeksters hebben ingediend bij de Europese Commissie, als vereist krachtens artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening, in de antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers), van oorsprong uit de Volksrepubliek China (Bericht van inleiding van procedure gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 6 september 2012, PB C 269, blz. 5). Verzoeksters verzoeken ook de nietigverklaring van het besluit van 3 januari 2013 houdende de weigering van de Commissie om over te gaan tot onderzoek van het BMO-verzoek van verzoeksters, dat zij in het kader van eerdergenoemd onderzoek hadden ingediend.

Verzoeksters voeren aan dat verordening (EU) nr. 1168/2012, zoals toegepast door de Commissie op verzoeksters bij besluit van 3 januari 2013, en het besluit van 3 januari 2013 waarin werd vermeld dat de Commissie niet zal overgaan tot onderzoek van verzoeksters’ BMO-verzoeken, het gewettigd vertrouwen van verzoeksters schendt en dat deze besluiten zonder geldige redenen met terugwerkende kracht worden toegepast ten nadele van verzoeksters. Dientengevolge zijn verordening (EU) nr. 1168/2012, zoals toegepast door de Commissie op verzoeksters bij besluit van 3 januari 2013, en het besluit van 3 januari 2013 een duidelijke schending van de grondbeginselen van de rechtszekerheid en de goede trouw.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/23


Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Jinko Solar e.a./Parlement e.a.

(Zaak T-142/13)

2013/C 123/39

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Jinko Solar Co. Ltd (Shangrao, China); Zhejiang Jinko Solar Co. Ltd (Haining City, China); Jiangxi Jinko Photovoltaic Materials Co. Ltd (Shangrao); Jinko Solar Import and Export Co. Ltd (Shangrao, China); en Zhejiang Jinko Trading Co. Ltd (Haining City) (vertegenwoordigers: K. Adamantopoulos en J. Cornelis, advocaten)

Verwerende partijen: Europees Parlement, Europese Commissie en Raad van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 344, blz. 1) nietig te verklaren, voor zover deze op verzoeksters is toegepast;

het besluit van de Commissie van 3 januari 2013 houdende de weigering om over te gaan tot onderzoek van het verzoek van verzoeksters om als marktgerichte onderneming te worden behandeld, nietig te verklaren; en

verweerders te verwijzen in verzoeksters kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters een enkel middel aan. Verordening (EU) nr. 1168/2012, zoals toegepast door de Commissie op verzoeksters bij besluit van 3 januari 2013, en het besluit van 3 januari 2013 waarin werd vermeld dat de Commissie niet zal overgaan tot onderzoek van het verzoek van verzoeksters om als marktgerichte onderneming te worden erkend, schenden het gewettigd vertrouwen van verzoeksters en deze instrumenten worden zonder geldige redenen met terugwerkende kracht toegepast ten nadele van de verzoekende partijen. Dientengevolge zijn verordening (EU) nr. 1168/2012, zoals toegepast door de Commissie op verzoeksters bij besluit van 3 januari 2013, en het besluit van 3 januari 2013 een duidelijke schending van de grondbeginselen van de rechtszekerheid en de goede trouw.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/23


Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Zhejiang Heda Solar Technology/Commissie

(Zaak T-143/13)

2013/C 123/40

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Zhejiang Heda Solar Technology Co. Ltd (Fuyang, China) (vertegenwoordigers: V. Akritidis en Y. Melin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het bij brief van 3 januari 2013 met nr. H4/JN/Ref.t13.000011 meegedeelde besluit van de Europese Commissie, waarbij verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat de Commissie niet zal overgaan tot onderzoek van het door haar krachtens artikel 2, lid 7, sub b, van verordening nr. 1225/2009 van de Raad gedane verzoek om als marktgerichte onderneming te worden erkend in het kader van de op 6 september 2012 (AD 590) ingeleide antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China, nietig te verklaren;

krachtens artikel 277 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te verklaren dat verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 344, blz. 1), op verzoekster niet toepasselijk is in het kader van het onderhavige verzoekschrift;

dientengevolge de Commissie en eventuele interveniënten te verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij een enkel middel aan, ontleend aan schending van de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en evenredigheid, omdat met het bestreden besluit met terugwerkende kracht haar reeds verworven recht op behandeling van haar verzoek om erkenning als marktgerichte onderneming door de Commissie zou worden ontnomen zonder dat er een dwingend belang is die de intrekking rechtvaardigt.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/24


Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Hangzhou Zhejiang University Sunny Energy Science and Technology/Commissie

(Zaak T-144/13)

2013/C 123/41

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Hangzhou Zhejiang University Sunny Energy Science and Technology Co. Ltd (Hangzhou, China) (vertegenwoordigers: V. Akritidis en Y. Melin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het bij brief van 3 januari 2013 met nr. H4/JN/Ref.t13.000011 meegedeelde besluit van de Europese Commissie, waarbij verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat de Commissie niet zal overgaan tot onderzoek van het door haar krachtens artikel 2, lid 7, sub b, van verordening nr. 1225/2009 van de Raad gedane verzoek om als marktgerichte onderneming te worden erkend in het kader van de op 6 september 2012 (AD 590) ingeleide antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China, nietig te verklaren;

krachtens artikel 277 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te verklaren dat verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 344, blz. 1), op verzoekster niet toepasselijk is in het kader van het onderhavige verzoekschrift;

dientengevolge de Commissie en eventuele interveniënten te verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij een enkel middel aan, hetzelfde als in zaak T-143/13, Zhejiang Heda Solar Technology/Commissie.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/24


Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Ningbo Qixin Solar Electrical Appliance/Commissie

(Zaak T-145/13)

2013/C 123/42

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Ningbo Qixin Solar Electrical Appliance Co. Ltd (Zhejiang, China) (vertegenwoordigers: V. Akritidis en Y. Melin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het bij brief van 3 januari 2013 met nr. H4/JN/Ref.t13.000011 meegedeelde besluit van de Europese Commissie, waarbij verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat de Commissie niet zal overgaan tot onderzoek van het door haar krachtens artikel 2, lid 7, sub b, van verordening nr. 1225/2009 van de Raad gedane verzoek om als marktgerichte onderneming te worden erkend in het kader van de op 6 september 2012 (AD 590) ingeleide antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China, nietig te verklaren;

krachtens artikel 277 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te verklaren dat verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 344, blz. 1), op verzoekster niet toepasselijk is in het kader van het onderhavige verzoekschrift;

dientengevolge de Commissie en eventuele interveniënten te verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij een enkel middel aan, hetzelfde als in zaak T-143/13, Zhejiang Heda Solar Technology/Commissie.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/25


Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Zhejiang Sunflower Light Energy Science & Technology/Commissie

(Zaak T-146/13)

2013/C 123/43

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Zhejiang Sunflower Light Energy Science & Technology LLC (Shaoxing, China) (vertegenwoordigers: V. Akritidis en Y. Melin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het bij brief van 3 januari 2013 met nr. H4/JN/Ref.t13.000011 meegedeelde besluit van de Europese Commissie, waarbij verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat de Commissie niet zal overgaan tot onderzoek van het door haar krachtens artikel 2, lid 7, sub b, van verordening nr. 1225/2009 van de Raad gedane verzoek om als marktgerichte onderneming te worden erkend in het kader van de op 6 september 2012 (AD 590) ingeleide antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China, nietig te verklaren;

krachtens artikel 277 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te verklaren dat verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 344, blz. 1), op verzoekster niet toepasselijk is in het kader van het onderhavige verzoekschrift;

dientengevolge de Commissie en eventuele interveniënten te verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij één enkel middel aan, hetzelfde als in zaak T-143/13, Zhejiang Heda Solar Technology/Commissie.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/25


Beroep ingesteld op 13 maart 2013 — Zhejiang Yuhui Solar Energy Source/Commissie

(Zaak T-147/13)

2013/C 123/44

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Zhejiang Yuhui Solar Energy Source Co. Ltd (Jiashan, China) (vertegenwoordigers: V. Akritidis en Y. Melin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het bij brief van 3 januari 2013 met nr. H4/JN/Ref.t13.000011 meegedeelde besluit van de Europese Commissie, waarbij verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat de Commissie niet zal overgaan tot onderzoek van het door haar krachtens artikel 2, lid 7, sub b, van verordening nr. 1225/2009 van de Raad gedane verzoek om als marktgerichte onderneming te worden erkend in het kader van de op 6 september 2012 (AD 590) ingeleide antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China, nietig te verklaren;

krachtens artikel 277 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te verklaren dat verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 344, blz. 1), op verzoekster niet toepasselijk is in het kader van het onderhavige verzoekschrift;

dientengevolge de Commissie en eventuele interveniënten te verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij een enkel middel aan, hetzelfde als in zaak T-143/13, Zhejiang Heda Solar Technology/Commissie.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/26


Beroep ingesteld op 14 maart 2013 — Spanje/Commissie

(Zaak T-148/13)

2013/C 123/45

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: S. Centeno Huerta)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AST/125/12 — Assistenten (AST 3) nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het Koninkrijk Spanje vecht krachtens artikel 263 VWEU de genoemde aankondiging van een algemeen vergelijkend onderzoek aan wegens schending van artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 342 VWEU, de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 1 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385), de artikelen 1 quinquies en 27 van het Ambtenarenstatuut en de rechtspraak die is ontwikkeld in arrest C-566/10 P, Italië/Commissie.

Ter ondersteuning van zijn beroep voert het Koninkrijk Spanje aan dat de bestreden aankondiging:

kandidaten wier eerste taal niet het Engels, het Frans of het Duits is, discrimineert;

de beperking van het aantal talen niet objectief en concreet rechtvaardigt ten aanzien van de functies waarop de aankondiging betrekking heeft. In dit verband kan niet worden volstaan met een algemene verwijzing naar het belang van de dienst;

geen garantie biedt dat wordt voldaan aan het doel om de kandidaten te selecteren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen, en

het evenredigheidsbeginsel schendt doordat geen evenwicht tot stand wordt gebracht tussen de efficiency van de dienst en de eerbiediging van het beginsel van de taalkundige verscheidenheid van de Unie.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/26


Beroep ingesteld op 14 maart 2013 — Spanje/Commissie

(Zaak T-149/13)

2013/C 123/46

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: S. Centeno Huerta)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AST/126/12 — Assistenten (AST 3), sector onderzoek, nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten zijn dezelfde als die welke in zaak T-148/13, Spanje/Commissie, zijn aangevoerd.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/27


Beroep ingesteld op 14 maart 2013 — Et Solar Industry e.a./Commissie

(Zaak T-153/13)

2013/C 123/47

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Et Solar Industry Ltd (Taizhou City, China); Et Energy Co. Ltd (Taizhou City); en Dotec Electric Co. Ltd (Taizhou City) (vertegenwoordiger: R. MacLean, Solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

het beroep ontvankelijk te verklaren

het in de brief van 3 januari 2013 vervatte besluit van de Commissie dat het verzoek van verzoeksters om als marktgerichte onderneming te worden behandeld („BMO”) niet langer zal worden onderzocht, nietig te verklaren;

de verweerder en eventuele interveniënten te verwijzen in de kosten van het geding.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voeren de verzoekende partijen twee middelen aan.

1)

Het eerste middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit nietig zou moeten worden verklaard omdat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling en daardoor verzoeksters recht op bescherming van gewettigd vertrouwen en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden en niet heeft geëerbiedigd, en daarmee zonder geldige redenen en op onrechtmatige wijze het onderzoek van het verzoek van verzoeksters om als marktgerichte onderneming in de context van een antidumpingprocedure te worden behandeld, heeft beëindigd.

2)

Het tweede middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit nietig zou moeten worden verklaard omdat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling en daardoor het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van de toepassing van Unierecht met terugwerkende kracht heeft geschonden, en daarmee zonder geldige redenen en op onrechtmatige wijze het onderzoek van het verzoek van verzoeksters om als marktgerichte onderneming in de context van een antidumpingprocedure te worden behandeld, heeft beëindigd.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/27


Beroep ingesteld op 14 maart 2013 — Jiangsu Jiasheng Photovoltaic Technology/Commissie

(Zaak T-154/13)

2013/C 123/48

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Jiangsu Jiasheng Photovoltaic Technology Co., Ltd (Yixing, China) (vertegenwoordiger: R. MacLean, Solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het beroep ontvankelijk te verklaren

het in de brief van 3 januari 2013 vervatte besluit van de Commissie dat het verzoek van verzoekster om als marktgerichte onderneming te worden behandeld („BMO”) niet langer zal worden onderzocht, nietig te verklaren;

de verweerder en eventuele interveniënten te verwijzen in de kosten van het geding.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.

1)

Het eerste middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit nietig zou moeten worden verklaard omdat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling en daardoor verzoeksters recht op bescherming van gewettigd vertrouwen en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden en niet heeft geëerbiedigd, en daarmee zonder geldige redenen en op onrechtmatige wijze het verzoek van verzoekster om als marktgerichte onderneming in de context van een antidumpingprocedure te worden behandeld, heeft beëindigd.

2)

Het tweede middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit nietig zou moeten worden verklaard omdat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling en daardoor het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van de toepassing van Unierecht met terugwerkende kracht heeft geschonden, en daarmee zonder geldige redenen en op onrechtmatige wijze het onderzoek van het verzoek van verzoekster om als marktgerichte onderneming in de context van een antidumpingprocedure te worden behandeld, heeft beëindigd.


Gerecht voor ambtenarenzaken

27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/28


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 13 maart 2013 — Mendes/Commissie

(Zaak F-125/11) (1)

(Openbare dienst - Algemeen vergelijkend onderzoek - Niet-toelating tot beoordelingstoetsen - Verplichting van administratie om klachten met openheid van geest uit te leggen - Wijziging van kennisgeving van vacature na houden van toelatingstoetsen - Beginsel van gewettigd vertrouwen - Rechtszekerheid)

2013/C 123/49

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Isabel Mendes (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Blot, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordiger: J. Currall, gemachtigde)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit om de verzoekende partij niet toe te laten tot de beoordelingstoetsen van vergelijkend onderzoek EPSO/AST/111/10

Dictum

1)

Het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AST/111/10 van 7 april 2011 om verzoekster niet toe te laten tot de beoordelingstoetsen wordt nietig verklaard.

2)

De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van 2 000 EUR aan verzoekster.

3)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

4)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 65 van 3.3.2012, blz. 21.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/28


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 14 maart 2013 — Christoph e. a./Commissie

(Zaak F-63/08) (1)

(Openbare dienst - Tijdelijk personeel - Artikelen 2, 3 bis en 3 ter RAP - Tijdelijke functionarissen - Arbeidscontractanten - Arbeidscontractanten voor hulptaken - Duur van overeenkomst - Artikelen 8 en 88 RAP - Besluit van Commissie van 28 april 2004 betreffende maximumduur van gebruikmaking van tijdelijk personeel in diensten van Commissie - Richtlijn 1999/70/EG - Toepasselijkheid op instellingen)

2013/C 123/50

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Eugen Christoph e.a. (Leggiuno, Italië) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en É. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en D. Martin, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Bauer en K. Zieleśkiewicz, gemachtigden, vervolgens M. Bauer en J. Herrmann, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van de besluiten houdende vaststelling van verzoekers’ aanstellingsvoorwaarden, voor zover de duur van hun overeenkomst of de verlenging daarvan voor beperkte tijd is

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk rechtens ongegrond verklaard.

2)

Verzoekers dragen hun eigen kosten en worden verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

3)

De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten.


(1)  PB C 247 van 27.9.2008, blz. 25.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/29


Beroep ingesteld op 15 januari 2013 — ZZ/Commissie

(Zaak F-5/13)

2013/C 123/51

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J. Grayston, G. Pandey, M. Gambardella, advocaten)

Verwerende partij: Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit om verzoeker niet te plaatsen op de reservelijst van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/205/10

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het namens EPSO meegedeelde besluit van de jury en van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) van 9 maart 2012, waarin werd bevestigd dat verzoekers naam niet werd opgenomen op de reservelijst van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/205/10 (douanegebied), dat het antwoord vormde op verzoekers verzoek om „een nieuw onderzoek van de toets voor het redeneervermogen”;

nietigverklaring van het namens EPSO meegedeelde besluit van de jury en van EPSO van 23 december 2011, waarbij verzoeker werd meegedeeld dat zijn naam niet was opgenomen op de „reservelijst” (de databank van geslaagde kandidaten), aangezien hij niet het vereiste minimum voor de test van het verbale redeneervermogen had behaald;

nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van EPSO en de jury, dat verzoeker nooit is betekend, om hem niet de stukken toe te zenden waar hij om had gevraagd bij brief van 31 december 2011 (verzoek om een nieuw onderzoek);

nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van EPSO tot afwijzing van verzoekers klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie;

nietigverklaring van de aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/205/10 (douanegebied) van EPSO, bekendgemaakt in PB C 292 A/1 van 28 oktober 2010;

nietigverklaring van de volledige „reservelijst van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/205/10 (douanegebied)”, bekendgemaakt in PB C 22 A/1 van 27 januari 2012;

verwijzing van de Commissie in verzoekers kosten.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/29


Beroep ingesteld op 4 februari 2013 — ZZ/EDEO

(Zaak F-11/13)

2013/C 123/52

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: D. Abreu Caldas, S. Orlandi, A. Coolen en E. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit om verzoeker over te plaatsen naar een ambt in het hoofdkantoor van EDEO en zijn tewerkstelling bij een delegatie van de EU te beëindigen

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van 8 maart 2012 om verzoeker met ingang van 1 september 2012 over te plaatsen naar een ambt in het hoofdkantoor en zijn tewerkstelling voortijdig te beëindigen;

veroordeling van EDEO tot betaling van een bedrag bestaande in het verschil tussen hetgeen hij ontvangt sinds zijn terugplaatsing naar het hoofdkantoor op 1 september 2012 en zijn oude salaris, en wel tot 1 september 2013, de datum waarop hij in het kader van het programma van rotatie van ambten van delegatiehoofden had kunnen worden teruggeplaatst naar het hoofdkantoor;

voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn klacht van 24 oktober 2012;

verwijzing van EDEO in de kosten.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/30


Beroep ingesteld op 15 februari 2013 — ZZ/Commissie

(Zaak F-17/13)

2013/C 123/53

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: A. Salerno, B. Cortese, advocaten)

Verwerende partij: Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van het door het Bureau voor Infrastructuur en Logistiek ingediende verzoek om verzoekster aan te werven

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het bestreden besluit;

veroordeling van de verwerende partij tot vergoeding van de materiële schade die verzoekster door het bestreden besluit heeft geleden en welke moet worden begroot op het bedrag bestaande in het verschil, vanaf de maand oktober 2011 en tot het moment waarop zij zal worden aangesteld in de functiegroep III, tussen de bezoldiging van de functiegroep III en de bezoldiging die zij is blijven ontvangen als arbeidscontractante van de functiegroep II, vermeerderd met de bijbehorende rente vanaf de vervaldatum van elke maandelijkse betaling en tot en met de datum van daadwerkelijke betaling ervan;

verwijzing van de verwerende partij in alle kosten.


27.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 123/30


Beroep ingesteld op 19 februari 2013 — ZZ/Commissie

(Zaak F-19/13)

2013/C 123/54

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: D. Abreu Caldas, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Verzoek om nietigverklaring van het besluit om de extra vóór indiensttreding verkregen pensioenrechten te berekenen op basis van de nieuwe AUB

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van 2 juli 2012 tot berekening van de extra pensioenrechten die vóór de indiensttreding bij de Commissie zijn verkregen;

voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht van 7 december 2012, strekkende tot toepassing van de AUB en de actuariële waarden die op het moment van het verzoek om overdracht van pensioenrechten golden;

verwijzing van de Commissie in de kosten.