ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2013.044.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 44

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

56e jaargang
15 februari 2013


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

485e plenaire zitting op 12 en 13 december 2012

2013/C 044/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de uitstippeling van een macro-regionale strategie in het Middellandse Zeegebied — Voordelen voor eiland-lidstaten (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap)

1

2013/C 044/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: De energie-eilanden van de EU verbinden: groei, concurrentievermogen, solidariteit en duurzame ontwikkeling op de interne Europese energiemarkt (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap)

9

2013/C 044/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over toekomstige ontwikkelingen in de sector persoonsgebonden dienstverlening op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied: trends en gevolgen (initiatiefadvies)

16

2013/C 044/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het partnerschapsbeginsel bij de tenuitvoerlegging van de onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallende fondsen — Elementen voor een Europese gedragscode inzake partnerschap SWD(2012) 106 final (initiatiefadvies)

23

2013/C 044/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de tenuitvoerlegging en monitoring van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap door de EU-instellingen en de rol van het Europees Economisch en Sociaal Comité (initiatiefadvies)

28

2013/C 044/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Europees Jaar van de geestelijke gezondheid — Beter werk en meer levenskwaliteit (initiatiefadvies)

36

2013/C 044/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over sociale landbouw: groene zorgverlening en sociaal en gezondheidsbeleid (initiatiefadvies)

44

2013/C 044/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de kwaliteit van de spoorwegdiensten in de Europese Unie (initiatiefadvies)

49

2013/C 044/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over wat op het spel staat bij de omschrijving van sociale huisvesting als dienst van algemeen economisch belang (initiatiefadvies)

53

2013/C 044/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de opkomst van een maatschappelijk middenveld in China — De bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan het jaar van de interculturele dialoog EU-China en de langetermijneffecten daarvan (initiatiefadvies)

59

2013/C 044/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Rio+20: balans en vooruitzichten (vervolgadvies)

64

 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

485e plenaire zitting op 12 en 13 december 2012

2013/C 044/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 82/891/EG, 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG en 2011/35/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (COM(2012) 280 final — 2012/0150 (COD))

68

2013/C 044/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (COM(2012) 496 final — 2011/0276 (COD))

76

2013/C 044/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Verslag over het mededingingsbeleid 2011 (COM(2012) 253 final)

83

2013/C 044/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een Europese strategie voor sleuteltechnologieën — Een brug naar groei en banen (COM(2012) 341 final)

88

2013/C 044/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende verzekeringsbemiddeling (herschikking) (COM(2012) 360 final — 2012/0175 (COD))

95

2013/C 044/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (COM(2012) 369 final — 2012/0192 (COD))

99

2013/C 044/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt (COM(2012) 372 final — 2012/0180 (COD))

104

2013/C 044/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 443/2009 teneinde de modaliteiten vast te stellen voor het bereiken van de 2020-doelstelling om de CO2-emissies van nieuwe personenauto's te verminderen (COM(2012) 393 final — 2012/0190 (COD)) en over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 510/2011 tot vaststelling van de modaliteiten voor het halen van de 2020-doelstelling inzake de reductie van de CO2-emissies van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen (COM(2012) 394 final — 2012/0191 (COD))

109

2013/C 044/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — De EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016 (COM(2012) 286 final)

115

2013/C 044/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het Europees Innovatiepartnerschap Productiviteit en duurzaamheid in de landbouw(COM(2012) 79 final)

119

2013/C 044/22

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (COM(2012) 498 final)

125

2013/C 044/23

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het technische-controlepakket, dat de volgende drie documenten omvat: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EC(COM(2012) 380 final — 2012/0184 (COD)),Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen(COM(2012) 381 final — 2012/0185 (COD)) en Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Unie aan het verkeer deelnemen en tot intrekking van Richtlijn 2000/30/EG(COM(2012) 382 final — 2012/0186 (COD))

128

2013/C 044/24

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Hernieuwbare energie: een belangrijke speler op de Europese energiemarkt (COM(2012) 271 final)

133

2013/C 044/25

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement inzake de volledige risico- en veiligheidsevaluatie (stresstests) van kerncentrales in de Europese Unie (COM(2012) 571 final)

140

2013/C 044/26

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende het Europees innovatiepartnerschap inzake water (COM(2012) 216 final)

147

2013/C 044/27

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank — Actie voor stabiliteit, groei en werkgelegenheid (COM(2012) 299)

153

2013/C 044/28

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont (COM(2012) 591 final — 2012/0285 (COD))

157

2013/C 044/29

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de wijziging van voorstel COM(2011) 626 final/3 van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (COM(2012) 535 final — 2012/0281 (COD))

158

2013/C 044/30

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de wijziging van voorstel COM(2011) 625 final/3 van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (COM(2012) 552 final — 2011/0280 (COD))

159

2013/C 044/31

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de wijziging van voorstel COM(2011) 627 final/3 van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (COM(2012) 553 final — 2012/0282 (COD))

160

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

485e plenaire zitting op 12 en 13 december 2012

15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de uitstippeling van een macro-regionale strategie in het Middellandse Zeegebied — Voordelen voor eiland-lidstaten (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap)

2013/C 44/01

Rapporteur: de heer DIMITRIADIS

Op 22 mei 2012 heeft de heer MAVROYIANNIS, adjunct-minister van de president van Cyprus, belast met Europese aangelegenheden, namens het Cypriotische voorzitterschap van de Raad van de EU, het Europees Economisch en Sociaal Comité om advies verzocht over de

Uitstippeling van een macro-regionale strategie in het Middellandse Zeegebied — voordelen voor eiland-lidstaten.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 21 november 2012 goedgekeurd

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 485e zitting van 12 en 13 december 2012 (vergadering van 12 december) het volgende advies met 147 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, goedgekeurd:

1.   Conclusies

1.1

Ondanks de uiterst delicate en voorlopig onbesliste situatie in het Middellandse Zeegebied is volgens het EESC aan de voorwaarden (1) voldaan om een veelzijdige dialoog te beginnen tussen de Commissie, de lidstaten, de staten die zich hebben aangesloten bij de euromediterrane samenwerking, regionale en lokale overheden en het maatschappelijk middenveld voor de formulering van een mediterrane, macro-regionale strategie (bestaande uit twee delen) die voorziet in de behoeften van de regio en haar internationale concurrentiepositie versterkt.

1.2

Het Middellandse Zeegebied is een bijzonder uitgestrekt gebied met uiteenlopende economische, sociale, politieke en culturele kenmerken, en landen met verschillende structuren en infrastructuren (EU-lidstaten, lidstaten met de status van „toetredingsland”, niet-EU-lidstaten die deelnemen aan de euromediterrane samenwerking). Daarom pleit het EESC voor de formulering van twee vormen van subregionaal beleid (voor het westelijk en oostelijk deel van de regio in kwestie), die elkaar onderling dekken en aanvullen, maar ook stroken met de macro-regionale strategie voor de Ionische en Adriatische Zee.

1.3

Het EESC neemt kennis van de besluiten van de Raad en de uitdrukkelijke instemming van het Parlement, nl. dat een macroregionale strategie geen extra financiering, wetsvoorschriften en nieuwe bestuursorganen met zich mee mag brengen (driemaal nee); wèl is financiering geboden voor technische hulp, het verzamelen van gegevens en het bevorderen van de vereiste structurele projecten.

1.4

Het EESC beschouwt de aanzienlijke middelen die de EU al uitgetrokken heeft voor de financiering van acties en programma's uit de structuurfondsen en financieringsinstrumenten van de EIB bevredigend. Zij moeten transparant, maar ook flexibel worden ingezet. Het EESC steunt voorts de oprichting van een euromediterrane investeringsbank via de EIB, maar ook een open financieringsbeleid van verschillende financiële instellingen (KfW, EBWO, Wereldbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en de Islamitische Ontwikkelingsbank).

1.5

Er is onmiddellijk behoefte aan versterking van de subregionale samenwerking, via verbetering van de handels-, toeristische en industriële betrekkingen tussen de landen in het zuidelijke Middellandse Zeegebied.

1.6

De Raad dient de nodige politieke besluiten te nemen voor het onmiddellijk opheffen van knelpunten zodat de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ) kan uitgroeien tot een forum voor strategische planning en uitvoering van het nieuwe macroregionale beleid.

1.7

Het EESC meent dat de onmiddellijke goedkeuring door de Raad van de strategie voor de Adriatische en de Ionische regio (conclusies van 23/24 juni 2011) de deur opent naar de invoering van de macroregionale strategie voor het Middellandse Zeegebied.

1.8

Van bijzonder belang acht het EESC de rol van Cyprus en Malta in elke nieuwe strategie die de EU zal uitwerken, maar ook van de andere eilanden in het Middellandse Zeegebied, die in een zeer ongunstige situatie verkeren vanwege hun gebrekkige verbindingen en communicatie met de EU-lidstaten op het vasteland.

1.9

Van groot belang voor het bredere Middellandse Zeegebied acht het EESC de stimulering van de landbouwproductie.

1.10

De scheep- en luchtvaartverbindingen van de landen van het Middellandse Zeegebied onderling en met de rest van de EU zijn volgens het EESC algemeen aan verbetering toe.

1.11

Volgens het EESC kan dit advies de dialoog openen voor de nieuwe macrostrategie van het Middellandse Zeegebied; het Comité biedt de belangrijkste aspecten hiervan ter discussie aan. Het verklaart dat het zich voor dit bijzonder belangrijke thema zal blijven inzetten met nieuwe adviezen, die alle onderwerpen die in dit advies aan de orde komen, nader uiteen zullen zetten en verdiepen.

2.   Inleiding

2.1

Cyprus, dat in de tweede semester van 2012 het voorzitterschap van de EU op zich heeft genomen, heeft prioriteit gegeven aan de voorbereiding van een advies, getiteld: „Macro-regionale strategie voor het Middellandse Zeegebied”, met als speciale invalshoek „Welke voordelen biedt zij voor kleine eiland-staten?”

2.2

De keuze voor het EESC vloeit voort uit de rol die het vervult in de formulering van adviezen met standpunten van maatschappelijke organisaties van de lidstaten, en die aldus de participatieve democratie in de EU versterken.

2.3

De keuze voor het onderwerp volgt op de geslaagde formuleringen van macro-strategische benaderingen voor het Oostzeegebied (2), en op macro-strategieën voor de Donau-regio, voor de Adriatische en de Ionische regio, en de Atlantische Oceaan – aangezien het Middellandse Zeegebied een regio met bijzondere kenmerken en navenante eisen vormt.

2.4

Deze strategie moet uitmonden in samenhangend beleid ter ondersteuning van de landen in de regio bij het aanhalen van hun economische en sociale banden en bij het samenwerken om gemeenschappelijke problemen op te lossen om de regio internationaal concurrerend, welvarend, veilig en ecologisch leefbaar te maken. Een dergelijke macro-strategie moet ook zorgen voor coördinatie van het beleid, de doelstellingen en de acties van de Europese instellingen in samenspraak met de lidstaten, de regio's, plaatselijke sociaaleconomische raden, alsook degenen die zich bezighouden met het Middellandse Zeegebied en met name de kleine en geïsoleerde eiland-staten in de regio.

2.5

Voorts wordt van de strategie een oplossing verwacht van de problemen van de huidige internationale economische crisis, door een hoger ontwikkelingstempo, het scheppen van kansen op werk en de terugdringing van de werkloosheid.

2.6

Daarom wordt in dit advies de als volgt luidende definitie van de Commissie (3) gebruikt voor de macro-regionale strategie: de macroregionale strategie verwijst naar de strategie voor een regio die gebieden in diverse landen omvat of regio's die gemeenschappelijke kenmerken hebben, zoals dezelfde zee- of ander gebied of die met dezelfde kwesties te kampen hebben (ontwikkeling, klimaatverandering, beperkte economische en culturele uitwisseling, enz.) De macro-regionale strategieën omvatten benaderingen die gebruikmaken van reeds bestaande instrumenten, programma's en financiering; deze worden toegepast voor de verwezenlijking van speciale doelstellingen van de macro-strategie van de regio. De macro-regionale strategie is erop gericht om bij de planning publieke en particuliere bronnen te betrekken, zodat het beleid in brede zin afgestemd wordt op de beschikbare financiering (Europees, nationaal of regionaal). Voorts maken de strategieën de convergentie mogelijk van middelen van de regio's en de diverse lidstaten door middel van een gecoördineerd „bestuur” en aan de hand van „wederzijdse voordelen” voor alle betrokken partijen.

2.7

Tegen de achtergrond van het veranderde en bijzonder instabiele politieke en sociale klimaat in de landen van het zuidelijke Middellandse Zeegebied na de opstanden, hanteert de EU jegens hen een nieuwe benadering, „Partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart”, die de landen die met behulp van concrete en meetbare doelstellingen werk maken van de vereiste hervormingen, zal belonen (4).

3.   De problemen in het Middellandse Zeegebied

3.1

Gezien de vele, reeds bestaande programma's en initiatieven, zowel voor het Middellandse Zeegebied in brede zin (Europees mediterraan partnerschap, ook bekend als het „Barcelona-proces”), als voor specifiekere regio's in dit gebied, zoals de Ionische en Adriatische Zee (Territoriale samenwerking in het Middellandse Zeegebied via de Adriatisch-Ionische macroregio), dient de nieuwe macrostrategie betrekking te hebben op alle landen in het mediterrane gebied, dat wil zeggen de lidstaten (Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië, Griekenland, Cyprus, Slovenië, Malta), en derde landen (Kroatië, Montenegro, Albanië, Turkije, Libanon, Syrië, Palestina, Jordanië, Israël, Egypte, Libië, Algerije, Tunesië en Marokko).

3.2

Alvorens echter het kader van doelstellingen en beleid te beschrijven, moeten de problemen in kaart gebracht worden waarmee de regio kampt.

3.2.1

Op de eerste plaats is het Middellandse Zeegebied, en dan vooral het oostelijk deel daarvan, al eeuwenlang van groot historisch belang; het omvat zowel EU-lidstaten als derde landen die zich in verschillende ontwikkelingsstadia bevinden. Vanwege de eeuwenlange bewoning, exploitatie en intensief verkeer van goederen, personen en vaartuigen (koopvaardij) wordt dit gebied gekenmerkt door grote commerciële en menselijke mobiliteit, maar de economische betrekkingen tussen de landen in de regio blijven heel beperkt; zo zijn er geen directe lucht- en scheepvaartverbindingen tussen de landen van het oostelijke deel van het gebied. Zij die menen dat de Euromediterrane samenwerking helaas beperkt is tot samenwerking tussen de landen van het zuidelijke Middellandse Zeegebied en de EU of tot bilateraal niveau met bepaalde lidstaten, hebben geen ongelijk.

3.2.2

Ten tweede: wegens de economische onevenwichtigheden, de verschillende niveaus van ontwikkeling en welvaart, alsook de frequente spanningen van tegenwoordig, is de mobiliteit van personen uitgegroeid tot permanente economische migratie (al dan niet legaal) (5), met negatieve gevolgen, zowel in de landen van herkomst als de landen van bestemming, met als zeer ernstig aspect de mobiliteit van asielzoekers.

3.2.3

Ten derde blijft het Middellandse Zeegebied een haard van politieke onrust en militaire conflicten vormen, met ongewenst verlies van mensenlevens, vernietiging van eigendom en gevolgen voor economie en handel, alsook voor het milieu. Verder is er, na het uitbreken van de Arabische opstanden, directe behoefte aan een strategie voor het aanhalen van de economische en sociale betrekkingen in de landen in de regio, die, op initiatief van de EU, moet uitgaan van een democratische dialoog met de staten, maar ook met het maatschappelijk middenveld (6), en die aantoont dat de EU daadwerkelijk de volken van het zuidelijke Middellandse Zeegebied (7) ter zijde staat.

3.2.4

Ten vierde is de regio rijk aan vele kostbare grondstoffen, met name energiereserves in de bredere regio van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Belangrijk feit is de recente ontdekking van nieuwe aardgasreserves, die voor de EU naar verwachting een nieuwe bron van energie kunnen worden die stabieler is. Het is echter zaak om de veiligheid van de zee-, luchtvaart- en andere routes tussen de landen van het Middellandse Zeegebied en de rest van de wereld te garanderen en uit te breiden, met nadruk op de koopvaardij, die voor de regio een belangrijke economische activiteit vormt.

3.2.5

Ten vijfde: eeuwenlange exploitatie van grondstoffen, landbouw, de recente en frequente droogte, overbevissing, alsook druk scheepvaartverkeer hebben geleid tot vervuiling, met schadelijke gevolgen voor het mariene milieu en de kuststreek, en met negatieve gevolgen voor het toerisme. Het boerenbedrijf levert allengs minder producten op van geringere kwaliteit (8), terwijl de rijkdommen van de zee stilaan zijn uitgeput en er sprake is van achteruitgang in de visserij-opbrengst.

3.2.6

Ten zesde: in alle landen van het Middellandse Zeegebied speelt de toerismesector een belangrijke rol voor de werkgelegenheid en de groei; daarom moet bevordering van de samenwerking in de toerismesector tussen de landen in de regio uitgangspunt van de ontwikkelingsstrategie zijn voor het oplossen van grote problemen, met name de seizoensgebondenheid.

3.2.7

Ten zevende: er is sprake van gering gebruik van internettoepassingen, vooral aan de zuidelijke kant van het Middellandse Zeegebied, terwijl onderzoek en innovatie ontbreken. Deze sectoren zijn echter noodzakelijk voor de hedendaagse economie. De connectiviteit tussen de landen in het gebied is zeer beperkt.

3.3

Opgemerkt zij dat de economische, politieke en sociale betrekkingen tussen de landen in Noord-Afrika slecht ontwikkeld zijn; de zogenaamde Euromediterrane samenwerking blijft in de praktijk dus beperkt tot samenwerking met slechts enkele landen. Tegelijk zijn de programma's die de EU in de regio heeft proberen uit te voeren, slechts deels gelukt, vanwege een tekort aan geschikte lokale partners, corruptie (9), alsook vanwege een verkeerde beoordeling van plaatselijke gewoonten, tradities, en maatschappelijke perceptie. Het in 1995 gelanceerde proces van Barcelona heeft povere resultaten opgeleverd, terwijl het MEDA-programma, noch de Unie voor het Middellandse Zeegebied tot nu toe tot de verwachte resultaten hebben geleid wat betreft een solide bevordering van de samenwerking tussen de EU en de landen in de betrokken regio.

4.   Doelstellingen van de macrostrategie voor het Middellandse Zeegebied

4.1

Tegen de achtergrond van de hiervoor beschreven uitdagingen worden de volgende doelstellingen voorgesteld voor een macrostrategie voor het Middellandse Zeegebied.

4.1.1

Totstandbrenging van een duurzame ontwikkeling, met een sterker concurrentievermogen van de economieën van de landen in de regio voor de aanpak van de huidige internationale economische crisis en het creëren van banen en vermindering van de werkloosheid.

4.1.2

Aanhalen van de betrekkingen tussen de landen van het Middellandse Zeegebied en hen omvormen tot een communicatiekanaal tussen de EU, het Midden-Oosten en Afrika, met als doel de totstandbrenging van vrede, welvaart en regionale cohesie.

4.1.3

Uitwerking van een ambitieus energiebeleid ten dienste van de landen in de regio en van de EU – aangezien de Unie behoefte heeft aan diversificatie van energieleveranciers en haar afhankelijkheid van Rusland wil terugdringen.

4.1.4

Uitbreiding van het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen tussen de niet-EU-landen in het Middellandse Zeegebied.

4.1.5

Verbetering van verbindingen voor een snelle en onbelemmerde toegang tot goederen, personen en diensten, met de nadruk op veilig vervoer van energieproducten.

4.1.6

Uitbreiding van de rol van de kleine EU-eilandlidstaten in het Middellandse Zeegebied, d.w.z. Cyprus en Malta, aan de hand van initiatieven voor betere betrekkingen tussen de partners in de mediterrane regio, met name door verbetering van de internetverbindingen tussen deze landen en de rest van de wereld.

4.1.7

Bevordering van programma's die nieuwe banen opleveren voor groepen die speciale aandacht behoeven (vrouwen (10) jongeren, gehandicapten, enz.).

4.2

De macroregionale strategie voor het Middellandse Zeegebied (verdeeld in een subregionale strategie voor het oostelijk en westelijk deel van het gebied) moet de regio toonaangevend maken op het gebied van handel, toerisme, cultuur, ideeën, innovatie, onderzoek, onderwijsactiviteiten, en haar veranderen in een vreedzame regio voor een geslaagde sociale ontwikkeling en welvaart.

5.   Strategische benadering voor de mediterrane macroregio

5.1

De voorgaande analyse kan dienen voor het in kaart brengen van de belangrijkste onderdelen van een strategie, die gebaseerd kunnen worden op de volgende zes pijlers en verenigbaar zijn met de strategie Europa-2020 (11).

5.1.1

De eerste pijler betreft economische samenwerking en ontwikkeling, gecombineerd met de duurzaamheidsdoelstellingen en met ingrijpende maatregelen voor de economie, zoals:

vaststelling, binnen het kader van het GLB, van een langetermijnstrategie voor duurzame landbouwactiviteit mogelijk maakt, die berust op scholing, technologie, innovatie en onderzoek;

toepassing van beleid voor uitbreiding van de visteelt;

ondersteuning van middelgrote en kleine ondernemingen, die de ruggengraat van de lokale economieën vormen;

liberalisering van de handel tussen de landen in de regio;

bestrijding van corruptie, die economische en sociale structuren vernietigt en het concurrentievermogen aantast;

bevordering van toerisme en de culturele ontwikkeling, met de nadruk op transnationale samenwerking, het aantrekken van buitenlandse investeringen, het stimuleren van cruisetoerisme met vele bestemmingen, opwaardering van het cultureel erfgoed en van de stranden door het toekennen van een kwaliteitsvlag.

5.1.2

De tweede pijler betreft milieubescherming en de aanpak van klimaatverandering, en meer in het bijzonder:

bescherming van mariene (ook onderzeese) rijkdom door het vernieuwen van visbestanden, het nemen van initiatieven voor het minimaliseren van de problemen in verband met de komende klimaatverandering;

het treffen van aanvullende maatregelen ter bescherming van kuststreken;

uitbreiding van de samenwerking tussen de landen in de regio ter bescherming en billijke distributie van de beperkte watervoorraden;

toepassing van het duurzaamheidsbeginsel in het zeevervoer, door gebruik van nieuwe technologieën voor scheepsbewegingen, voor lagere exploitatiekosten en een lagere CO2-uitstoot.

5.1.3

De derde pijler: betreft de transportverbindingen om de lucht- en scheepvaartverbindingen en de veiligheid te waarborgen bij het vervoer van goederen en personen. In dit verband wordt gestreefd naar:

versterking en verbetering van de koopvaardijvaart via samenwerking tussen de landen in het Middellandse Zeegebied, waarborging van veiligheid voor internationale, kustvaart- en luchtvaartroutes;

verbetering van de lucht- en scheepvaartverbindingen tussen de landen binnen de regio, alsook tussen het oostelijke en westelijke Middellandse Zeegebied, en tot slot met de rest van de EU;

uitstippeling van nieuwe of verbetering van bestaande scheepvaartroutes, ten behoeve van veilige en concurrerende verbindingen met de eiland-lidstaten.

5.1.4

De vierde pijler betreft de samenwerking op energiegebied (12), voor koolwaterstoffen, aardgas, hernieuwbare energiebronnen en het veilig vervoer van energie vanuit de producerende landen naar de EU en elders. De langetermijndoelstelling, het oprichten van een Energiegemeenschap tussen de EU en het zuidelijke Middellandse Zeegebied, is zeer gedurfd maar noodzakelijk. Dit vergt de uitwerking van een energiebeleid voor het Middellandse Zeegebied op diverse niveaus voor:

exploitatie van nieuwe aardgasbronnen die momenteel ontdekt worden, alsmede van hernieuwbare energiebronnen als zonne- en windenergie;

lokalisatie en exploitatie van nieuwe aardgasvoorraden;

ontwikkeling van duurzame-energiebronnen via regionale initiatieven zoals het mediterraan plan voor zonne-energie, Dii-Renewable energy bridging continents, Medgrid, e.a.;

toetreding van het zuidelijk Middellands Zeegebied tot de interne energiemarkt van de EU.

5.1.5

De vijfde pijler betreft innovatie en concurrentievermogen. De strategie moet de mogelijkheden aangrijpen die de bestaande EU-initiatieven bieden op het gebied van onderzoek en innovatie, ter verbetering van het concurrentievermogen, wat zal bijdragen aan de welvaart van de bevolking in het brede Middellandse Zeegebied door:

bevordering van onderwijshervormingen en de aanpassing van onderwijsstelsels aan de huidige ontwikkelingsvereisten, met nadruk op het opleidings- en bijscholingsbeleid voor personeel;

nauwere samenwerking tussen universiteiten, ondernemingen en onderzoeksinstellingen, ter wille van onderzoek en technologie;

bevordering van uitwisselingsprogramma's voor wetenschappers en studenten (programma's als ERASMUS, Leonardo da Vinci en dergelijke);

versterking van de samenwerking tussen de landen voor de verbetering van elektronische verbindingen en van de toegang tot internet.

5.1.6

De zesde pijler betreft migratie en mobiliteit (13), gericht op de bevordering van wettelijkheid, het in goede banen leiden van de migratie, handhaving van de internationale asielwetgeving, terugdringing van illegale migratie, de bestrijding van criminele netwerken van mensenhandel, en de bescherming van de rechten van de mens bij grensbewaking.

Nauwere samenwerking voor controle op migratie en mobiliteit tussen de landen van herkomst, de landen van doortocht en de landen van opvang, die doorgaans EU-lidstaten zijn.

Verbetering van de mobiliteit, veilige doortocht, alsook uitwerking van een nieuw en gedegen EU-asielbeleid, dat berust op

de prioriteiten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel;

verbetering van de politionele samenwerking voor het voorkomen en bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit.

6.   Voorwaarden voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie voor macroregionale ontwikkeling in het Middellandse Zeegebied

6.1

De macrostrategie voor het Middellandse Zeegebied (verdeeld in twee subregionale strategieën) moet uitgevoerd worden in het kader van de Europa 2020-strategie en bestaande programma's en financieringsfaciliteiten van de EU (14) en op basis van Europese initiatieven zoals INTERACT voor de verlening van technische hulp en opleiding (15) Dit vereist wel dat er een nieuwe beheersinfrastructuur komt en dat de instellingen beter gaan werken. De macroregionale strategie moet een nieuwe aanpak aanbieden die de betrokken landen van nut is en voorzien in praktische maatregelen en beleid dat doeltreffend kan worden toegepast

6.2

De strategie voor het Middellandse Zeegebied (oostelijk en westelijk deel) moet gebruik maken van alle bestaande middelen en gerelateerd worden aan aspecten van de benadering voor het Middellandse Zeegebied die buitenlandse betrekkingen betreffen. De sleutel hiertoe biedt effectievere coördinatie van acties en maatregelen van de Commissie met die van de lidstaten, regio's, lokale overheden en andere betrokkenen, met het oog op goede resultaten.

6.3

In het besef van de cruciale rol van het Middellandse Zeegebied besloot de EU in 2008, tijdens de top van Parijs over dit gebied, om de samenwerking direct uit te breiden door de oprichting van een permanent orgaan, genaamd Unie voor het Middellandse Zeegebied (16). Het orgaan, met hoge verwachtingen in Barcelona gelanceerd, kreeg specifieke taken toegewezen in verband met de vervuiling op zee, maritieme veiligheid, energie en ontwikkeling van de economische betrekkingen tussen alle landen die deel uitmaken van het Euromediterrane partnerschap. Helaas kan de Unie voor het Middellandse Zeegebied tot nu toe slechts zeer teleurstellende resultaten voorleggen.

6.4

Macroregio's hebben geen strikt vastgelegde grenzen; de kwesties die zij willen bevorderen, moeten dus gebaseerd zijn op overeengekomen uitdagingen en gemeenschappelijke kwesties die kunnen worden aangepakt en gerelateerd kunnen worden aan andere macroregionale strategieën, zoals de EU ze heeft vastgesteld, aan de hand van een beperkte combinatie van beleid en acties, gekozen door de deelnemende landen.

7.   Vereiste maatregelen voor de uitvoering van de nieuwe strategie

7.1

Binnen het hierboven geschetste kader dient de macroregionale strategie voor het Middellandse Zeegebied de volgende specifieke maatregelen te bevatten:

7.1.1

uitwerking van een relevant mechanisme voor coördinatie en governance ter uitvoering van de macroregionale strategie, dat kan zorgen voor coördinatie van de talrijke EU-organen, alsmede betrokken lokale overheden. Daartoe wordt het volgende voorgesteld:

toewijzing van de coördinatie van de acties van de macroregionale strategie aan de Commissie (DG REGIO, in samenwerking met de EDEO) zodat dit officieel EU-beleid wordt.

Uitwerking van twee subregionale strategieën voor het Middellandse Zeegebied, één voor het oostelijk en één voor het westelijk deel, vanwege de bijzondere economische, sociale, geografische en culturele aspecten. Beide strategieën dekken, samen met de strategie voor de Adriatische en de Ionische regio, het gehele Middellandse Zeegebied.

Voorgesteld wordt om als werkmodel de structuren te gebruiken die bij de strategie voor de Atlantische Oceaan zijn gekozen (DG MARE), te weten:

1.

de oprichting, op initiatief van DG REGIO, van twee forums voor het Middellandse Zeegebied (oostelijk en westelijk), die de heersende situatie in elke regio beschrijven en die actieplannen voorstellen. De forums dienen te bestaan uit vertegenwoordigers van de Europese instellingen (Commissie, Parlement, EESC, CvdR), vertegenwoordigers van de landen in het Middellandse Zeegebied, van regionale en lokale overheden en van maatschappelijke organisaties.

2.

De forums worden bijgestaan door twee stuurgroepen (Steering Committees).

3.

De Commissie en de regeringen zullen de definitieve voorstellen van beide forums beoordelen.

7.1.2

De uitvoering van het EU-beleid voor goed nabuurschap. De aanpak van macroregionale strategieën is tot nu toe beperkt gebleven tot de uitvoering van binnenlands beleid van de EU. Om doeltreffend te zijn, moet zo'n strategie in het Middellandse Zeegebied, waar het om veel niet-EU-landen gaat, ook elementen van buitenlands beleid ten uitvoer leggen, natuurlijk met de nadruk op het EU-beleid voor goed nabuurschap.

7.1.3

Uitstippeling van beleid voor

7.1.3.1

onderwijs en opleiding van personeel

7.1.3.2

verbetering van internet- en IT-communicatie; permanente verbetering van online diensten van e-government

7.1.3.3

een gemeenschappelijke programmering van onderzoek, innovatie, duurzame ontwikkeling en beroepsopleidingen

7.1.3.4

waarborging van een vrije doortocht over zee en van het verkeer van goederen, personen en energie, aan de hand van een beleid voor veilige en goedkope verbindingen, de invoering van nieuwe zeevaartroutes en verbetering van de koopvaardij

7.1.3.5

doeltreffende scheep- en luchtvaartverbindingen tussen alle regio's van het Middellandse Zeegebied en de rest van de wereld

7.1.3.6

uitbreiding van de handels- en politieke betrekkingen, door de oprichting van vrijhandelszones op basis van bestaande euromediterrane overeenkomsten, opheffing van invoerrechten en gecoördineerde acties, zoals convergentie van de regelgeving

7.1.3.7

het nemen van maatregelen betreffende concurrentie, overheidsopdrachten, bescherming van investeringen en sanitaire en fytosanitaire kwesties.

7.1.4

Grensoverschrijdende en interregionale samenwerkingsprojecten kunnen worden gefinancierd uit bestaande bronnen (17), te weten de EU-Structuurfondsen, via bijdragen van lidstaten, bijdragen van andere donorlanden (bijv. Noorwegen en Zwitserland), de Europese Investeringsbank (EIB) (18), via FEMIP (19) (de Europese mediterrane investerings- en partnerschapsfaciliteit), inzet van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), en uit toewijzingen voor de Unie voor het Middellandse Zeegebied, waaraan lokale overheden, particuliere organisaties en ngo's kunnen deelnemen.

7.1.5

De nieuwe macroregionale strategie moet functioneel gerelateerd worden aan ander EU-beleid, zoals de Europa 2020-strategie, het cohesiebeleid, het nieuwe gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en de trans-Europese netwerken voor vervoer, telecommunicatie en energie, het programma „Horizon 2020”, de Digitale Agenda, het programma COSME, en met name het geïntegreerd maritiem beleid, alsook het beleid voor het CEAS (20).

8.   De rol van de eilanden in de nieuwe macroregionale strategie

8.1

Het staat als een paal boven water dat er tot nu toe op EU-niveau geen geïntegreerde vaste strategie is vastgesteld, met speciale aandacht voor de eiland-lidstaten, met name Cyprus en Malta, die te kampen hebben met problemen op het gebied van vervoer en energie. De gebrekkige toegankelijkheid staat de voltooiing van de interne markt in de weg.

8.2

Via een nieuwe macroregionale strategie voor het Middellandse Zeegebied zullen de connectiviteitsmogelijkheden voor Cyprus en Malta worden vastgesteld en kunnen de juiste voorwaarden worden gecreëerd voor de inzet van Europese middelen.

8.3

Cyprus (oostelijk) en Malta (westelijk Middellandse Zeegebied) kunnen een concrete rol spelen in de toepassing en het beheer van de nieuwe macroregionale strategie als plaatsen waar uitvoeringsorganen voor de regio kunnen worden gevestigd of overgebracht.

9.   Potentiële rol van het EESC in de nieuwe macroregionale strategie voor het Middellandse Zeegebied

9.1

In samenwerking met de SER's van de lidstaten in het Middellandse Zeegebied en met gelijkwaardige instanties (indien aanwezig) in de landen van Noord-Afrika, alsook met representatieve maatschappelijke organisaties, heeft het EESC besloten een bijeenkomst te organiseren van Euromediterrane sociaaleconomische raden, die binnenkort zou moeten plaatsvinden.

9.2

Het EESC beschikt over de ervaring en de kennis om lid te worden de Forums voor het Middellandse Zeegebied, eenmaal ze zullen zijn opgericht.

9.3

Het EESC is voornemens verder te gaan met het uitbrengen van specifieke adviezen voor de verdieping van de macroregionale strategie voor het Middellandse Zeegebied.

Brussel, 12 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Verslag van het Europees Parlement over de ontwikkeling van de macroregionale strategieën van de EU: huidige praktijk en vooruitzichten, vooral in het Middellandse Zeegebied, Commissie regionale ontwikkeling, rapporteur: François Alfonsi (A7-0219/2012).

Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2012 over de ontwikkeling van de macroregionale strategieën van de EU: huidige praktijk en vooruitzichten, vooral in het Middellandse Zeegebied (2011/2179/INI).

(2)  EESC-advies over macro-regionale samenwerking. „Uitbreiding van de Oostzeestrategie naar andere macroregio's in Europa”, PB C 318 van 23.12.2009, blz. 6, alsook

EESC-advies over de „Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied”, (COM 2009) 248 final, PB C 339 van 14.12.2010, blz. 29.

(3)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied, (CΟΜ )2009) 248 final, PB C 339 van 14.12.2010).

(4)  Gezamenlijke mededeling aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied, COM(2011) 200 final, van 8.3.2011.

(5)  ΕESC-advies over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Mededeling inzake migratie COM (2011) 248 final, PB C 248 van 25.8.2011, blz. 135.

(6)  EESC-advies: “Ondersteuning van representatieve maatschappelijke organisaties in de Euromed-regio”, PB C 376 van 22.12.2011, blz. 32, alsmede

EESC-advies: “De Oostzeeregio: rol van het maatschappelijk middenveld bij het verbeteren van de regionale samenwerking en het vaststellen van een strategie voor de regio” – PB C 277 van 17.11.2009, blz. 42.

(7)  EESC-advies over de gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden, PB C 43 van 15.2.2012, blz. 89

EESC-advies over „De rol van vredesopbouw in de externe betrekkingen van de EU: geslaagde methoden en vooruitzichten”, PB C 68 van 6.3.2012, blz. 21.

(8)  EESC-advies over „Landbouw in de Euromed-regio (met inbegrip van het belang van het werk van vrouwen in de landbouw en de rol van coöperaties)”, PB C 347 van 18.12.2010, blz. 41.

(9)  EESC-advies over „De rol van het maatschappelijk middenveld bij de bestrijding van corruptie in de landen van het zuidelijk Middellandse Zeegebied”, PB C 351, 15.11.2012, blz. 27.

(10)  EESC-advies over de Bevordering van het ondernemerschap van vrouwen in de Euromediterrane regio, PB C 256 van 27.10.2007, blz. 144.

(11)  http://ec.europa.eu/europe2020/europe-2020-in-a-nutshell/index_nl.htm

(12)  EESC-advies over De bevordering van hernieuwbare energie en het nabuurschapsbeleid: een casestudy van het Euro-mediterrane gebied, PB C 376 van 22.12.2011, blz. 1, alsook

EESC-advies over de externe dimensie van het energiebeleid van de EU, PB C 182 van 4.8.2009, blz. 8.

(13)  Zie het EESC-advies over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Een totaalaanpak van migratie en mobiliteit”, COM(2011) 743 final, PB C 191, 29.6.2012, blz. 134, alsmede EESC-adviezen over de volgende voorstellen: „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa” COM(2011) 750 final – 2011/0365 (COD), „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor asiel en migratie” COM(2011) 751 final – 2011/0366 (COD), „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel en migratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer” COM(2011) 752 final – 2011/0367 (COD) en het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer” COM(2011) 753 final – 2011/0368 (COD), PB C 299 van 4.10.2012, blz. 108.

(14)  Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, PB L 310 van 9.11.2006.

(15)  

http://www.interact-eu.net/about_us/about_interact/22/2911

http://www.interact-eu.net/ipvalencia/ipvalencia/117/619 (betreffende de speciale antenne voor het Middellandse Zeegebied in Valencia).

(16)  http://www.eeas.europa.eu/euromed/index_en.htm

(17)  Voor de periode tot eind 2013 is circa 4 miljard euro beschikbaar aan financiering ter ondersteuning van de zuidelijke buurlanden, uit hoofde van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument.

(18)  http://www.eib.europa.eu/projects/regions/med/index.htm?lang.en

(19)  http://www.eib.europa.eu/infocentre/publications/all/femip-2011-annual-report.htm

(20)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Asielbeleidsplan - Een geïntegreerde aanpak van bescherming in de hele EU, COM(2008) 360 final.


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/9


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: „De „energie-eilanden” van de EU verbinden: groei, concurrentievermogen, solidariteit en duurzame ontwikkeling op de interne Europese energiemarkt” (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap)

2013/C 44/02

Rapporteur: M. COULON

Het Cypriotische voorzitterschap heeft op 18 juli 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over het onderwerp:

„De 'energie-eilanden' van de EU verbinden: groei, concurrentievermogen, solidariteit en duurzame ontwikkeling op de interne Europese energiemarkt” (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap).

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 26 november 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 12 en 13 december gehouden 485e zitting (vergadering van 13 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 159 stemmen vóór en 5 stemmen tegen, bij 13 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Als „energie-eilanden” kampen bepaalde landen en regio's in Europa met economische, sociale en milieuproblemen. Ze zijn namelijk vaak sterk afhankelijk van de invoer van fossiele brandstoffen. Hierdoor ontstaan forse prijsverschillen, die er mede toe leiden dat sommige gebieden minder profiteren van de Europese solidariteit en zich minder goed ontwikkelen dan andere.

1.2

Het door de Raad in februari 2011 uitgesproken streven om een eind te maken aan het fenomeen van energie-eilanden kan op instemming van het EESC rekenen. Het is in dit verband met name te spreken over initiatieven om de energieverbindingen tussen EU-landen overeenkomstig de vastgestelde prioriteiten uit te breiden. De aansluiting van energie-eilanden op de netten van derde landen kan van prioritair belang zijn als mocht blijken dat dit de beste optie is om hun energievoorziening veilig te stellen en te diversifiëren.

1.3

Als het op energieproductie of mogelijkheden om energie in te voeren aankomt zijn er verschillen waar te nemen in de situatie van lidstaten die met het fenomeen van energie-eilanden kampen. Afgezien van een uitbreiding van de verbindingen, iets waar geen van de energie-eilanden maar evenmin de andere lidstaten zonder kunnen, moeten energiemaatregelen steeds worden aangepast aan de lokale situatie.

1.4

Met name voor de Baltische staten en de landen in Midden- en Oost-Europa pleit het EESC ervoor dat de verschillen tussen Rusland en de EU in de interpretatie van de voor energiemarkten en energievoorziening geldende beginselen teniet worden gedaan. Dit zou opgenomen moeten worden in internationale overeenkomsten, bijvoorbeeld een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, waarin energie extra aandacht krijgt (zie de resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (12562/2011 – 2012/2050(INI)).

1.5

Wat de Zuidoost-Europese Energiegemeenschap betreft, pleit het EESC voor een element van overleg en integratie tegenover de buitenwereld alsook voor een nieuwe dimensie „activiteiten van het maatschappelijk middenveld”.

1.6

Bepaalde Europese eilandstaten of -regio's verkeren onmiskenbaar in een bijzondere situatie. Vanwege zijn geostrategische positie zou Cyprus zowel op het punt van duurzame energie als voor de gasstromen kunnen uitgroeien tot een waar energieknooppunt. In het algemeen dient op de eilanden de eigen productie van energie te worden ontwikkeld. Wat dat betreft lenen zij zich er bij uitstek voor om nieuwe energietechnologieën te testen en voor gebruik geschikt te maken. Voor het toekennen van financiële EU-steun voor ontwikkelings- en demonstratieactiviteiten zouden evaluatiecriteria kunnen worden gehanteerd waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken en hun behoeften. Zo'n gemeenschappelijke maatregel kan hun handicaps op energiegebied – doordat ze onvoldoende zijn aangesloten op de rest van Europa – helpen compenseren.

1.7

Tegelijkertijd verdient het aanbeveling een impuls te geven aan de uitbreiding van de verbindingen en de ontwikkeling van plaatselijk beschikbare duurzame energie. Ook zijn maatregelen nodig voor een hogere energie-efficiëntie en een betere regeling van de energievraag. De evaluatiecriteria voor de EU-programma's op dit gebied zouden moeten aansluiten bij het streven om de situatie van energie-eilanden te verbeteren, met name bij de selectie van energie-infrastructuurprojecten van algemeen belang.

1.8

Als de EU – samen met de lidstaten, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld van de gebieden in kwestie – niet snel initiatieven neemt om stap voor stap een eind te maken aan het fenomeen van energie-eilanden, wordt het alleen maar moeilijker om de Europa 2020-strategie in haar geheel uit te voeren en volop profijt te trekken van de maatregelen die al genomen zijn voor meer groei in en een betere concurrentiepositie van de EU.

1.9

Wat dit betreft kan energiearmoede niet langer worden beschouwd als een louter nationaal of lokaal probleem dat alleen een zaak is van sociaal beleid. Aangezien de belangrijkste oorzaken van energiearmoede de nationale grenzen overstijgen, zou de EU de grote onevenwichtigheden moeten aanpakken die mede ten grondslag liggen aan dit verschijnsel. Bij de beoordeling van concrete beleidsmaatregelen zou dus voortaan moeten worden gekeken naar de mate waarin zij de energiearmoede naar verwachting zullen vergroten of verkleinen.

1.10

Het bestaan van energie-eilanden brengt voor iedereen kosten met zich mee. Deze kosten moeten in kaart worden gebracht en de maatregelen om ze terug te dringen moeten deel uitmaken van een algemene aanpak: het verdient aanbeveling om het Europese energiebeleid te voltooien en te voorzien van actiemiddelen die zijn afgestemd op de mate waarin de lidstaten onderling afhankelijk zijn en op de problemen waarop zij stuiten. Om de volledige impact van dit verschijnsel in kaart te kunnen brengen dringt het EESC er bij de Europese Commissie op aan om een uitgebreide studie te verrichten naar de „kosten van een niet-verenigd Europa op het gebied van energie” als gevolg van het bestaan van deze energie-eilanden.

1.11

Het EESC pleit voor een transparante, algehele en exacte evaluatie van de kosten – inclusief de externe kosten – van fossiele energiebronnen en van duurzame energiebronnen, waarbij ook de indirecte kosten voor uitbreiding van het net, voor de back-upcapaciteit en voor de noodzakelijke ondersteuning van groene technologieën moeten worden meegerekend. Deze evaluatie is onontbeerlijk als leidraad voor investeringen en beleidskeuzes, vooral als op sommige energie-eilanden mettertijd aanmerkelijk meer duurzame energie geproduceerd zal gaan worden voor de export naar EU-lidstaten of derde landen.

2.   Inleiding: de verschillende eilandvormen en hun geografische en politieke oorsprong

2.1

Het verzoek van het Cypriotische voorzitterschap laat nogmaals zien dat het energiebeleid op Europese leest moet worden geschoeid en dat er, zoals het EESC bepleit, een „Europese energiegemeenschap” moet worden gecreëerd (1). Dit laatste impliceert namelijk meer lokale en regionale samenhang en een homogene visie op de ontwikkeling van Europese steden en regio's. De nagestreefde verbetering van de verbindingen tussen de energie-eilanden in de EU sluit daarmee aan op de concrete oriëntaties ter verbetering van de samenwerking op energiegebied waartoe in januari 2012 in het advies „Het maatschappelijk middenveld betrekken bij de totstandbrenging van een Europese Energiegemeenschap” (2) is opgeroepen.

2.2

In de raadpleging van het Cypriotische voorzitterschap en in de op EU-niveau gevoerde discussies (zie met name punt 5 van de conclusies van de Europese Raad van 4.2.2011, EUCO 2/1/11 REV 1), wordt met de term „energie-eiland” een eiland of gebied op het vasteland bedoeld dat niet of nauwelijks eigen energiebronnen heeft, onvoldoende is aangesloten op de energienetwerken en daardoor vaak afhankelijk is van een externe energiebron of -leverancier. Door de verschillende energiebalansen van de lidstaten is er sprake van grote breuklijnen tussen hen. Het gaat bij „energie-eiland” dus om zowel een technisch als (geo)politiek begrip (afhankelijkheid van één leverancier).

2.3

Factoren die daarbij een rol spelen, zijn het gebrek aan verbindingen, de afhankelijkheid van één energiebron en/of van één leverancier, de grote afstand tot de productieplaatsen/vervoersassen van energie, de investeringskosten met betrekking tot de grootte van de markt, de moeilijkheid om het nationale energiebeleid van de lidstaten bij te sturen, en geografische/klimatologische kenmerken.

2.4

Volgens de definitie van Eurostat telt de Europese Unie honderden eilanden van verschillende grootte en met een verschillende status. Naast vier belangrijke lidstaten – Cyprus, Ierland, Malta en het Verenigd Koninkrijk – zijn er ruim 286 eilanden in Europa met meer dan 10 miljoen inwoners: in de Noord- en Oostzee, de ultraperifere regio's van drie lidstaten, d.w.z. Spanje (Canarische eilanden), Portugal (Madeira en Azoren) en Frankrijk (Réunion, Mayotte, Frans Guyana, Martinique, Guadaloupe en Saint-Martin). De bij de lidstaten horende eilanden, inclusief ultraperifere regio's, worden in dit advies niet apart behandeld.

2.5

Er is echter ook nog een soort energie-eilanden die nauw verband houden met de geschiedenis van de 20e eeuw. Het Iberische schiereiland is nog altijd min of meer een energie-eiland als gevolg van de autarkische aanpak door het Franco- en Salazar-regime van de meeste netwerken, zoals die van vervoer (met name de spoorwegen) en elektriciteit (zeer weinig externe verbindingen, met name met de rest van het Europese continent via Frankrijk). Door het vaak terugkerende lokale verzet tegen verschillende projecten voor verbetering van de aansluiting van netwerken met die aan de andere kant van de Pyreneeën heeft deze situatie de afgelopen twintig jaar kunnen voortduren. Toch is er een oplossing in de maak: binnenkort zal er dankzij een nieuwe gelijkstroomverbinding aansluiting zijn met de zuidwestelijke regio's van het Middellandse Zeegebied. Behalve een betere koppeling van de Franse en Spaanse elektriciteitsnetten (waarvan de transmissiecapaciteit in 2014 van 1 400 naar 2 800 MW zal worden verhoogd) moeten er de komende jaren echter beslist ook andere energiecorridors tussen het Iberische schiereiland en de rest van het Europese vasteland worden gepland. Het streven om in 2020 te kunnen beschikken over een interconnectiecapaciteit van 4 000 MW verdient steun. Dit project deel uit te maken van de lijst van projecten van algemeen Europees belang die in het kader van de verordening over de richtsnoeren voor het trans-Europese infrastructuurnetwerk zal worden vastgesteld.

2.6

De Baltische staten (Litouwen, Letland en Estland) vormen eveneens energie-eilanden ten opzichte van de EU, aangezien ze voor hun netwerken volledig zijn aangewezen op hun vroegere „exclusieve partner” Rusland (en in mindere mate Wit-Rusland). Er ligt daar een prioriteit als het gaat om de Europese energie-integratie. Het is paradoxaal dat de drie Baltische staten integraal deel uitmaken van de politieke unie, maar tot op heden nog altijd niet kunnen profiteren van de intra-Europese eenwording en solidariteit op het gebied van energie. Hoe is het mogelijk dat ze afhankelijk zijn van een derde land dat lid is van de WTO, maar de Europese normen op het gebied van toegang tot netwerken niet naleeft, het Energiehandvest niet heeft ondertekend en niet bijdraagt aan een betere verbinding met de landen van Midden- en Oost-Europa (LMOE)? Het EESC roept daarom op om de verschillen tussen de Russische en Europese energiemarkten te verkleinen en om tot een nieuwe ambitieuze en uitgebreide partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst te komen met een speciaal hoofdstuk dat aan energiesamenwerking is gewijd (zie de resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (12562/2011 – 2012/2050(INI)).

2.7

Zuidwest-Europa (de Balkan) is een overgangsgebied en gezien de vorderingen die bepaalde landen hebben geboekt met hun toetreding tot de EU (Kroatië, maar ook Servië, Montenegro, FYROM enz.), zijn er verdere ontwikkelingen nodig met betrekking tot vooral de naburige lidstaten van de EU (Roemenië, Bulgarije, Griekenland, Slovenië, Oostenrijk en binnenkort Kroatië). De oprichting van een energiegemeenschap in deze regio laat zien dat er sprake is van bewustwording. Deze moet worden gestimuleerd en gevoed, onder meer door een efficiënte en transparante raadpleging van het maatschappelijk middenveld van de regio over de energiestrategie.

2.8

In het algemeen geldt dat alle lidstaten van de EU in hoge mate van elkaar afhankelijk zijn. Sommige lidstaten – met name landen in Midden- en Oost-Europa, en dan vooral Hongarije – die strikt genomen geen energie-eilanden zijn, zijn zeer sterk aangewezen op hun buurlanden. Daarom is een gemeenschappelijk, op deze stand van zaken afgestemd energiebeleid onontbeerlijk. In dit verband dient de EU ook na te denken over meer intracommunautaire solidariteit. Aan aspect wordt overigens in artikel 194 van het VWEU gerefereerd.

3.   Energie-eilanden: slecht voor Europa's economische slagkracht en een rem op de sociale dimensie

3.1

Ondanks de aanzienlijke verschillen tussen de diverse energie-eilanden zijn de gevolgen van dit verschijnsel, ongeacht de situatie, bijna overal dezelfde. Het insulaire karakter vertaalt zich bijna altijd in:

een hogere voorzieningsonzekerheid;

prijsschommelingen met vaak een opwaartse beweging en een sterke invloed op de industriële en handelsactiviteiten;

meer energiearmoede onder de bevolking in deze landen of regio's;

negatieve effecten op hun concurrentiepositie;

een grotere druk op het milieu;

instabiele politieke en economische betrekkingen tussen de Europese Unie en derde landen.

3.2

Zowel op de energie-eilanden als elders in de EU neemt de toch al grote vraag naar energie alleen maar toe. Daarbij hebben energie-eilanden wat hun economisch concurrentievermogen betreft zwaar te lijden onder een mogelijk minder betrouwbare en in ieder geval duidelijk duurdere energievoorziening. Doordat bepaalde activiteiten onvoldoende rendabel worden, kunnen sommige industriesectoren – en dus arbeidsplaatsen – gevaar lopen.

3.3

De hoge energieprijzen trekken een zware financiële wissel op huishoudens. Energiearmoede is lange tijd beschouwd als een louter nationaal of lokaal probleem. Het zijn ook nationale en lokale overheden die de mensen rechtstreeks te hulp schieten. De belangrijkste oorzaken van energiearmoede overstijgen echter de nationale grenzen, en via de aanpak van grote onevenwichtigheden moet ook het energiebeleid van de EU meehelpen om dit verschijnsel in te dammen.

3.4

Door de grote afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, en dan vooral aardolie, blijft de CO2-uitstoot bovendien hoog. Gezien de milieunormen (de richtlijn over industriële emissies) en de algemene zorg voor de volksgezondheid zijn er aanzienlijke investeringen nodig om deze uitstoot terug te dringen. Ook deze kosten moeten worden doorberekend in de energierekening van energie-eilanden.

3.5

Het is aan te bevelen om de gevolgen van de situatie waarin energie-eilanden verkeren beter te onderzoeken. Voor de betrokken gebieden zou dat moeten gebeuren uit het oogpunt van groei, concurrentievermogen en duurzame ontwikkeling, en voor de rest van de EU – aangezien de EU geen volledige en volop operationele energiemarkt heeft – uit het oogpunt van solidariteit, samenhang en „winstderving”. Het bestaan van energie-eilanden brengt voor iedereen kosten met zich mee. Deze kosten moeten in kaart worden gebracht en de maatregelen om ze terug te dringen moeten deel uitmaken van een algemene aanpak: het verdient aanbeveling om het Europese energiebeleid te voltooien en te voorzien van actiemiddelen die aansluiten bij de mate waarin de lidstaten onderling afhankelijk zijn en bij de problemen waarop zij stuiten.

3.6

Het streven is niet alleen om de voordelen van een grotere Europese integratie aan te tonen, maar ook om een impuls te geven aan de industriële ontwikkeling en aldus aan de werkgelegenheid. Op de talrijke factoren die van invloed zijn op het concurrentievermogen van de Europese industrie hebben overheden niet of nauwelijks greep. Het is dan ook zaak te voorkomen dat het energiebeleid – waarop de EU wél invloed kan en moet uitoefenen – in de weg komt te staan van groei en werkgelegenheid. De lidstaten en de Commissie moeten niet te lang te wachten met al eerder genoemde maatregelen om de energiekosten te verminderen en de voorzieningszekerheid te vergroten. Hierbij valt te denken aan een betere coördinatie van nationale besluiten op energiegebied en een gemeenschappelijke planning van infrastructuur en netwerken, Europese inkoopcombinaties voor fossiele brandstoffen, en eventueel Europese mandaten voor onderhandelingen met externe partners.

4.   Welke oplossingen zijn er? Ontwikkeling van duurzame energie en verbetering van de netwerkinfrastructuren

4.1

Naar twee oplossingen lijkt momenteel de voorkeur uit te gaan: enerzijds het beter verbinden van energie-eilanden met de interne energiemarkt (infrastructuur en organisatie van de markt) om voor meer solidariteit te zorgen en de technische opzet van het Europese netwerk af te stemmen op de beleids- en regelgevingsdoelstellingen van de EU, en anderzijds het bevorderen van de productie – in concreto de lokale productie – van duurzame energie. Dit betekent dat de aandacht moet uitgaan naar het potentieel van deze energie – voor zover daarvan sprake is – en dat er maatregelen moeten worden voorgesteld om dat volledig en op adequate wijze te benutten. Ten slotte kan beter aan de energiebehoefte worden voldaan als energie-efficiënt gedrag wordt aangemoedigd en de vraag via intelligente netwerken wordt opgevangen.

4.2

De Europese Commissie heeft nu al een belangrijke hervorming doorgevoerd van het Europese beleid ter ondersteuning van energie-infrastructuur en met name de energieverbindingen (zie de „Connecting Europe Facility”). Het EESC heeft zich daar in positieve zin over uitgelaten (3). Het zou echter nuttig kunnen zijn om nog verder te gaan bij de gemeenschappelijke planning van infrastructuur, zoals het EESC in zijn advies over de Europese Energiegemeenschap heeft bepleit (4). De Europese Raad heeft in 2002 bepaald dat de lidstaten een elektriciteitsverbindingscapaciteit zouden moeten verwezenlijken die overeenkomt met 10 % van hun geïnstalleerde productiecapaciteit. Bij bepaalde Europese elektriciteitsgrenzen, die nog altijd te maken hebben met congestie, is dat streefpercentage bij lange na nog niet gehaald.

4.3

Door de enorme groei van duurzame energie in de Noordzee en van zonne- en windenergie in Zuid-Europa is er nieuwe, „slimmere” infrastructuur nodig, zodat die energie beter kan worden geïntegreerd in het grote Europese netwerk. Met betere smart grids zou het verbruik in 2020 met 9 % kunnen worden verminderd en zou de CO2-uitstoot met 9 tot 15 % kunnen worden teruggebracht. Op kleinere markten kunnen intelligente netwerken en instrumenten voor het beheer van de vraag gemakkelijker in gebruik worden genomen en sneller goede resultaten opleveren. Samen met krachtige maatregelen voor meer energie-efficiëntie kan zo een grote bijdrage worden geleverd aan een beter beheer van de energievraag. Bij het doen van de vereiste investeringen, die aanzienlijk zijn, dient er sprake te zijn van volledige controle van de activiteiten op dit gebied, moeten de energierekeningen ondanks de stijgende prijzen omlaag en dient de behoefte aan investeringen in de capaciteit voor de productie van conventionele (reductie van de exploitatiemarges) en duurzame energie af te nemen.

4.4

ENTSO-E verwacht dat er de komende tien jaar in Europa 52 300 km aan nieuwe hoogvoltagelijnen moet worden aangelegd. Het gaat hier om een investering van in totaal 104 miljard euro in een honderdtal prioritaire projecten, waarvan 80 % verband houdt met de ontwikkeling van duurzame energiebronnen. Als het netwerk van energie-eilanden die in dit opzicht potentieel bezitten een geringe omvang heeft, wordt de integratie van duurzame energie nog een stuk lastiger. Industriële installaties voor de productie van duurzame energie (in tegenstelling tot de decentrale productie) kunnen goed zijn voor een relatief hoog aandeel van de productie of het verbruik. De gevolgen hiervan – met name het fluctuerende energie-aanbod – zijn echter moeilijker te hanteren.

4.5

Uitbreiding van de verbindingen is dus essentieel om de voorzieningszekerheid te vergroten en, nu duurzame energie een hoge vlucht neemt, de productie en het verbruik van energie in een groter netwerk beter op elkaar af te kunnen stemmen. Hetzelfde geldt voor de capaciteit van conventionele energiebronnen, die wordt aangesproken als de productie van duurzame energie stilvalt of fors afneemt.

4.6

De ontwikkeling van duurzame energie kan niet zonder een flexibele back-upcapaciteit die bij een lage basislast (low baseload) inzetbaar is. Vloeibaar aardgas (LNG) kan een antwoord bieden op de afhankelijkheid van één enkele aardgasleverancier en op de hoge prijzen die deze rekent. LNG is namelijk flexibeler en minder duur dan aardolie en kan zo de ontwikkeling van duurzame energie ondersteunen. Voor de ontwikkeling van LNG zijn echter wel grootscheepse investeringen in haveninfrastructuur en opslagcapaciteit nodig.

4.7

Het EESC is ervan overtuigd dat de toekomst van het Europese energiestelsel vooral afhangt van betere verbindingen en de ontwikkeling van duurzame energie – wat nog des te meer geldt voor energie-eilanden – om de voorzieningszekerheid te verbeteren. Fossiele brandstoffen zullen de toon blijven aangeven, maar tegelijkertijd zal de toenemende productie van duurzame energie een drastische uitbreiding van het net op nationaal en Europees niveau onontbeerlijk maken (zie het EESC-advies over de Routekaart energie 2050 en de zogenoemde no regret-optie) (5).

4.8

Hier komt echter weinig van terecht zonder een transparante en exacte evaluatie van alle kosten. Om goede investerings- en beleidskeuzes te kunnen maken dient zo objectief mogelijke informatie voorhanden te zijn over de kosten – ook de externe kosten – van fossiele brandstoffen en over de extra kosten die duurzame energiebronnen met zich meebrengen. Die informatie is des te noodzakelijker omdat de bestaande onderzoeken naar deze indirecte kosten elkaar grotendeels tegenspreken.

4.9

Wat duurzame energie betreft moeten zowel de benodigde investeringen in nieuwe productiecapaciteit als de kosten voor de uitbreiding van het netwerk en voor eventuele subsidies in aanmerking worden genomen. Met betrekking tot dit laatste punt zou het nodig kunnen blijken om meer steun te verlenen aan gebieden die op energiegebied het meest afhankelijk zijn en waar duurzame energie nog onderontwikkeld is. Het is daarbij wel van belang dat de uitbreiding van het net gelijke tred houdt met de productiestijging van duurzame energie. Verder moet worden bepaald welke back-upcapaciteit nodig is per extra productie-eenheid van duurzame energie. Deze back-up kan ook geïmporteerd worden, maar daarvoor zijn wel goede verbindingen en een efficiënte regionale en Europese samenwerking nodig. In de steunregelingen voor duurzame energie moet dit aspect een rol spelen, zodat deze energievorm zich in het juiste tempo kan ontwikkelen en de met belastinggelden gefinancierde subsidies zo goed mogelijk worden besteed.

4.10

Als al deze kosten eenmaal precies in kaart zijn gebracht, moeten ze worden afgezet tegen die van geïmporteerde fossiele brandstoffen (inclusief politieke en milieukosten). Dat is absoluut noodzakelijk om een goed beeld te krijgen van de positieve en negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen van een bepaald gebied. In het licht hiervan kan de productie van duurzame energie op sommige energie-eilanden voor de export naar andere EU-landen of derde landen ook aanzienlijk worden opgeschroefd.

4.11

Het EESC zou graag zien dat de lidstaten en regio's die op het gebied van energie te kampen hebben met insulariteit, nauw worden betrokken bij de verbetering van de infrastructuur, aangezien er bij de vaststelling van de prioritaire assen rekening moet worden gehouden met hun verhoogde afhankelijkheid. Het Interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied (BEMIP) zou bijvoorbeeld de weg kunnen vrijmaken voor een betere beleidscoördinatie en energiemix in de regio. Hierdoor zouden energienetwerken, met name die van Litouwen, Letland en Estland, kunnen worden ontsloten.

4.12

In hun samenwerking hebben Litouwen en Letland onlangs de nodige vorderingen gemaakt. Er is een baanbrekend initiatief: Litouwen zal in Klaipėda een terminal voor vloeibaar gas bouwen, van waaruit de opslaginstallaties in het Letse Inčukalns zullen worden bevoorraad. Litouwen denkt dat deze opslaginstallatie als een „regionale gasreserve” zou kunnen fungeren. Het EESC verwijst in dat verband naar zijn voorstel om fossiele energiebronnen en te bundelen en vooral om groeperingen voor de aankoop van gas te vormen. (6) Litouwen, Letland en Estland zijn met andere landen, met name Polen, bezig interconnectieprojecten voor elektriciteit (LitPol Link NordBalt and Estlink 2) op te zetten en uit te voeren. Tegelijkertijd werken de drie Oostzeelanden aan volledige integratie in het Europese energiestelsel, met een synchrone interconnectie van hun elektriciteitsnetten en de Europese elektriciteitsnetten (momenteel voorwerp van haalbaarheidsstudie). De Oostzeelanden ontwikkelen ook gedrieën de kerncentrale Visaginas, die een bijdrage zou kunnen leveren aan de energiezekerheid van deze landen en van belang kan zijn voor de integratie van het Europese elektriciteitsstelsel.

4.12.1

Door de nieuwe ontwikkelingen op energiegebied (belangrijke gasvondsten in de territoriale wateren) kan Cyprus uitgroeien tot een belangrijke speler in de regio. Een aanzienlijke verhoging van zijn productiemiddelen op het gebied van duurzame energie en zijn nauwe betrokkenheid bij de hierboven genoemde projecten kunnen ertoe bijdragen dat het land een „energiehub” en daarmee een katalysator van een betere regionale integratie wordt en een rol van betekenis zal gaan spelen in het nabuurschapsbeleid op het gebied van energie. Het recente besluit van exploitanten om de Cypriotische gasvelden te gaan ontginnen moet de weg banen voor een betere integratie in de EU en een actief nabuurschapsbeleid.

4.13

De afhankelijkheid van één energieleverancier kan bovendien worden verminderd door uitvoering te geven aan het derde energiepakket. Ook het vraagstuk van de regionale organisatie van de markten is cruciaal: Litouwen en Estland nemen deel aan Nord Pool Spot, de elektriciteitsmarkt van de Baltische staten en de Noordse landen (Letland is van plan om zich daar volgend jaar bij aan te sluiten). Afgezien daarvan moedigt het EESC de Baltische staten aan om gemeenschappelijke antwoorden te zoeken voor behoeften en om een regionale energiedialoog op te zetten.

4.14

Er moeten meer verbindingen komen met de aan de EU grenzende derde landen. Deze zouden energie kunnen produceren en naar de EU uitvoeren of de doorvoer daarvan vanuit andere productieplaatsen kunnen waarborgen. Dit geldt met name voor de energieprojecten in het Middellandse Zeegebied (het mediterraan plan voor zonne-energie, Medgrid, het energiehoofdstuk van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, Desertec enz.). Om een en ander te bewerkstelligen zouden de betrokken landen (Cyprus, Malta) en regio's (Kreta, Sardinië, Corsica, Sicilië, Balearen enz.) tot deelname hieraan moeten worden verzocht.

4.15

Binnen de Energiegemeenschap (van Zuidwest-Europa) moet ook aandacht worden besteed aan extern overleg en integratie en er zou moeten worden gezorgd voor een dimensie „maatregelen van het maatschappelijk middenveld”. De gemeenschappelijke raadgevende comités van het EESC (FYROM, Montenegro, Kroatië) en de SER's en overeenkomstige organen van die landen zouden op dat terrein een rol moeten spelen.

4.16

Bovendien zou de aandacht voor en de ontwikkeling van duurzame energie meer kunnen worden gestimuleerd, vooral in relatie tot het Energiestappenplan 2050 en de recente mededeling over de integratie van hernieuwbare energie in de interne markt (COM(2012) 271 final).

4.17

Binnen de EU en met haar buurlanden moeten er gezamenlijke oplossingen en voorstellen worden geformuleerd. Daarbij moeten ook de volgende partijen worden betrokken:

de lidstaten;

de Europese Commissie, die een cruciale rol speelt door de discussies en de voorgestelde oplossingen in goede banen te leiden;

de energiebedrijven en met name de netwerkbeheerders (elektriciteit, gas); zonder hen zal er niets kunnen worden verwezenlijkt (technische knowhow, financiële slagkracht);

de lokale en regionale overheden, die bevoegd zijn om samen met de lidstaten besluiten te nemen en die steeds meer de transport- en distributienetwerken beheren. Het Comité van de Regio's kan goed als bemiddelaar fungeren;

het maatschappelijk middenveld en de middenveldorganisaties, waarvan het EESC de afspiegeling is: consumentenverenigingen, sociale partners, milieuorganisaties, organisaties die zich strijden tegen onzeker werk, minderhedenorganisaties enz.

4.18

Alleen oplossingen tussen landen en interoperationele oplossingen zijn haalbaar. Of het nu om voorziening gaat of de bouw van netwerken, of onderzoek en ontwikkeling, het energiebeleid mag niet worden toevertrouwd aan een handjevol EU-lidstaten die er een „autonoom” energiebeleid op na kunnen houden. De gevolgen voor de andere lidstaten zouden namelijk te groot zijn. De energiemix moet beter worden gecoördineerd, bijvoorbeeld tussen landen en regio's die te maken hebben met het verschijnsel energie-eiland en die bij hun energiebeleid op grote beperkingen stuiten. Deze landen en regio's zouden op die manier zelfs de weg kunnen vrijmaken voor een nauwere Europese samenwerking, waarbij verder wordt gekeken dan naar de problemen in verband met „energiesoevereiniteit”.

4.19

Deze oplossingen – infrastructuur, productie van duurzame energie, betere coördinatie van het energiebeleid tussen landen en regio's – moeten evenwel vergezeld gaan van een nauwere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de implicaties daarvan voor de energiemix, de marktorganisatie, de prijzen, het concurrentievermogen, het milieu en zelfs het maatschappelijke draagvlak. Het EESC verwijst daarom nogmaals naar zijn voorstel voor een forum van het maatschappelijk middenveld voor energievraagstukken dat in het kader van zijn werkzaamheden op het gebied de Europese Energiegemeenschap werd geformuleerd (7).

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 68 van 6.3.2012, blz. 15-20.

(2)  Ibid.

(3)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 125-129.

(4)  Zie voetnoot 1.

(5)  PB C 229, 31.7.2012, blz. 126-132.

(6)  Zie voetnoot 1.

(7)  Zie voetnoot 1.


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Het volgende wijzigingsvoorstel, dat meer dan een kwart van het aantal uitgebrachte stemmen kreeg, werd tijdens de beraadslagingen verworpen:

Paragraaf 2.5

Als volgt wijzigen:

„Er is echter ook nog een soort energie-eilanden die nauw verband houden met de problemen op het gebied van de ontwikkeling van interconnecties geschiedenis van de 20e eeuw. Het Iberische schiereiland is nog altijd min of meer een energie-eiland omdat de interconnectieprojecten de afgelopen twintig jaar niet konden worden voltooid als gevolg van de autarkische aanpak door het Franco- en Salazar-regime van de meeste netwerken, zoals die van vervoer (met name de spoorwegen) en elektriciteit (zeer weinig externe verbindingen, met name met de rest van het Europese continent via Frankrijk). D door het vaak terugkerende lokale verzet tegen verschillende projecten voor verbetering van de aansluiting van netwerken met die aan de andere kant van de Pyreneeën heeft deze situatie de afgelopen twintig jaar kunnen voortduren. Toch is er een oplossing in de maak: binnenkort zal er dankzij een nieuwe gelijkstroomverbinding aansluiting zijn met de zuidwestelijke regio's van het Middellandse Zeegebied. Behalve een betere koppeling van de Franse en Spaanse elektriciteitsnetten (waarvan de transmissiecapaciteit in 2014 van 1 400 naar 2 800 MW zal worden verhoogd) moeten er de komende jaren echter beslist ook andere energiecorridors tussen het Iberische schiereiland en de rest van het Europese vasteland worden gepland. Het streven om in 2020 te kunnen beschikken over een interconnectiecapaciteit van 4 000 MW verdient steun. Dit project dient deel uit te maken van de lijst van projecten van algemeen Europees belang die in het kader van de verordening over de richtsnoeren voor het trans-Europese infrastructuurnetwerk zal worden vastgesteld.”

Stemuitslag:

Vóór

:

60

Tegen

:

81

Onthoudingen

:

18


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/16


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over toekomstige ontwikkelingen in de sector persoonsgebonden dienstverlening op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied: trends en gevolgen (initiatiefadvies)

2013/C 44/03

Rapporteur: Antonello PEZZINI

Corapporteur: Dirk JARRÉ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 januari 2012 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Toekomstige ontwikkelingen in de sector persoonsgebonden dienstverlening op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied: trends en gevolgen.

De adviescommissie Industriële Reconversie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 8 november 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 13 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 159 stemmen vóór en 3 tegen, bij 11 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is van mening dat de sector persoonsgebonden dienstverlening op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied een hoeksteen van het Europees sociaal model vormt. Deze onderling afhankelijke diensten die elkaar wederzijds in hun efficiency versterken, vormen een „gouden driehoek” die van essentieel belang is voor het goede functioneren en de kwaliteit van de samenleving.

1.2

Genoemde diensten zijn cruciaal om mensen bij de samenleving te betrekken, de sociale cohesie te bewaren en daadwerkelijke democratische participatie en sociale gerechtigheid te waarborgen. Tegelijkertijd zijn ze onmisbaar voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, waarbij het gaat om duurzaamheid, het op slimme wijze creëren van banen, en meer economische en sociale samenhang in de Europese Unie.

1.3

De bevolking vergrijst en doordat er steeds minder familieleden zijn die hulp kunnen verlenen (o.a. omdat alsmaar meer vrouwen een baan hebben), neemt de vraag naar zorg toe. Hierdoor moet het besef groeien dat het essentieel is om enerzijds te plannen wat er nodig is op het gebied van gezondheidswerkers en hun opleiding, en anderzijds vast te stellen waar de begrotingsmiddelen prioritair naar toe moeten.

1.4

Het EESC is zich bewust van de bevoegdheden van de lidstaten ter zake en van de discretionaire bevoegdheid van de nationale, regionale en lokale autoriteiten om deze diensten te verlenen. Het wijst er evenwel op dat de EU-lidstaten op dit gebied ook een grote gedeelde verantwoordelijkheid hebben. Met het Verdrag van Lissabon zijn belangrijke nieuwe bepalingen ingevoerd middels het aan het Verdrag gehechte Protocol betreffende de diensten van algemeen belang (DAB). Het EESC is van mening dat de lidstaten in dezen moeten doorgaan met harmonisatie om de thans bestaande ongelijkheden weg te werken en de fundamentele vrijheid van vestiging (met inachtneming van ten minste de uit wetgeving en cao's voortvloeiende sociale normen van het ontvangende land) en verlening van diensten te garanderen.

1.5

De sector levert een flinke bijdrage aan het bruto binnenlands product van de EU, biedt aanzienlijke werkgelegenheidskansen waar het gaat om het creëren van nieuwe banen en nieuwe bedrijven, en is in staat om op innovatieve en kwalitatief hoogwaardige wijze in te spelen op de structurele veranderingen en de behoeften van de Europese samenleving, alsook op de desbetreffende doelstellingen van het Verdrag van Lissabon. Daarom dringt het EESC er bij Commissie, Raad en Europees Parlement op aan dat:

er een volwaardige Europese strategie wordt uitgewerkt voor innovatieve en „slimme” diensten op sociaal en gezondheidsgebied in Europa, met een opwaardering van het personeel, her- en bijscholingsmaatregelen, omschrijving van kwaliteitsbeginselen, invoering van geschikte technologie om verleners en ontvangers van diensten terzijde te staan, ontwikkeling van een Europese ruimte voor geïntegreerde diensten, en steunmaatregelen;

financiële en personele middelen efficiënter worden ingezet; efficiënt beheer via cao-maatregelen; een adequate rol voor de particuliere sector en vrijwilligerswerk; gedegen beoordeling van de doeltreffendheid en kostenefficiency van een dienst;

de Commissie een gemeenschappelijk basiskader voor persoonsgebonden dienstverlening uitwerkt, met een regelgevingskader en kwaliteitsbeginselen, alsook welomschreven leerplanvereisten, teneinde beroepsmobiliteit op Europese schaal te faciliteren.

1.6

Het EESC pleit ervoor om op EU-niveau een deel van de verschillende structuurfondsen op gecoördineerde wijze te bestemmen voor de ontwikkeling van noodzakelijke infrastructuur op sociaal en gezondheidsgebied, alsmede voor lokale werkgelegenheidsinitiatieven in deze sector, waarbij met name zou moeten worden gezorgd voor een specifieke financieringslijn voor landelijke gebieden. Hetzelfde geldt voor de programma's Horizon 2020 en Cultuur en het beleid inzake her- en bijscholing betreffende de nieuwe technologieën in de sociale en zorgsector. Het onderzoeken van manieren om de resultaten van dienstverlening te verbeteren, alsook het in kaart brengen en het uitwisselen van geslaagde praktijkvoorbeelden, moeten worden gestimuleerd.

1.7

Het EESC acht het belangrijk om voor de sector persoonsgebonden dienstverlening een constructieve en goed gestructureerde sociale dialoog tussen alle niveaus (lokaal, nationaal en Europees) op te zetten. Deze sociale dialoog zou een cruciale rol moeten spelen bij:

het analyseren van de sociale en economische betekenis van de sector;

het onderzoek naar mogelijkheden om de sector verder te ontwikkelen;

het opstellen van plannen om de regels voor de sector te harmoniseren op een hoger niveau;

de bestrijding van zwartwerk;

maatregelen om de sector verder te professionaliseren en de loopbaanperspectieven van werknemers te verbeteren;

de verbetering van de arbeidsvoorwaarden en de lonen in de sector;

maatregelen om de sector aantrekkelijker te maken en een beter imago te geven;

de controle op de toepassing van cao's en regelingen.

De Europese Commissie en de lidstaten zouden concrete en actieve steun moeten verlenen bij het opzetten en ontwikkelen van een dergelijke sociale dialoog, alsook bij de organisatie van de desbetreffende werkzaamheden. In een eerste fase zou bij deze steun gedacht kunnen worden aan het opstellen van studies over deze sector en aan Europese conferenties voor de sociale partners uit de sector.

2.   Inleiding

2.1

Dit advies is bedoeld om na te gaan welke veranderingen zich in de huidige trends rond persoonsgebonden dienstverlening op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied voordoen, hoe deze diensten zich in de toekomst zullen ontwikkelen, en welke nieuwe kansen op kwaliteitsbanen er in deze sector liggen.

2.2

Diensten op sociaal en gezondheidsgebied zijn gericht op de fundamentele behoeften van individuele personen. Deze sector is rijk geschakeerd en omvat instellingen voor medische en psychosociale behandelingen, sociale en gezondheidszorg, huisvestingssteun, verpleeghuizen, centra voor geestelijke gezondheidszorg, en zorg aan kinderen, ouderen en andersvaliden.

2.3

Kenmerkend voor de sector is ook dat er sprake is van een aanzienlijke immigratie van buiten Europa en dat er veel zwartwerk plaatsvindt, met alle schadelijke gevolgen van dien voor zowel het individu als de samenleving.

2.4

Met dit advies wil het EESC helpen bepalen welke meerwaarde de sector persoonsgebonden dienstverlening kan hebben voor de Europa 2020-strategie. Doel hiervan is de behoeften op het vlak van gekwalificeerd personeel en nieuwe arbeidsprofielen vast te stellen om uiteindelijk nieuwe sociale kansen te bieden, meer en betere banen te creëren en het welzijn van alle burgers te verbeteren dankzij een betere integratie die voortvloeit uit meer sociale cohesie.

2.5

In Europa vormt persoonsgebonden dienstverlening op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied een hoeksteen van het Europees sociaal model. Deze onderling afhankelijke diensten die elkaar wederzijds in hun efficiency versterken, vormen een „gouden driehoek” die van essentieel belang is voor het goede functioneren en de kwaliteit van de samenleving.

2.6

Het EESC onderschrijft het concept van deze „gouden driehoek” van geïntegreerde diensten ten behoeve van hoogwaardig onderwijs, efficiënte gezondheidszorg en volledige maatschappelijke integratie, bedoeld om alle drie vormen van dienstverlening zo doeltreffend mogelijk te maken vanuit het oogpunt van beschikbaarheid, algemene toegankelijkheid, de centrale positie van het individu, alomvattendheid, continuïteit, hoog kwaliteitsniveau, duidelijke resultaatgerichtheid, naleving van de grondrechten, inspraak en partnerschap, geïntegreerde governance, investeringen in menselijk kapitaal en in sociale infrastructuur, hoge prestaties, kwaliteitsbanen en goede arbeidsvoorwaarden, alsook carrièreperspectieven, solidariteit en sociale samenhang.

2.7

Juist vanwege genoemde kenmerken is het EESC van mening dat de „gouden driehoek” van de professionele persoonsgebonden dienstverlening prioritaire aandacht verdient, wil men de doelen van de Europa 2020-strategie (duurzaamheid, economische ontwikkeling, banengroei en economische en sociale samenhang in de EU) verwezenlijken.

2.8

De informatie in dit advies komt uit tal van verschillende bronnen, van algemene studies tot concrete analyses van business cases. Het EESC heeft zich in eerdere adviezen al uitgesproken over demografische ontwikkelingen en actief ouder worden en over de gevolgen van de vergrijzing voor de zorg- en socialezekerheidsstelsels. (1) Het is zelf bezig met het opstellen van een stappenplan voor een reeks initiatieven betreffende vergrijzingsproblemen in Europa, in de context van het achtste kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, alsmede over maatschappelijke participatie van ouderen (2).

2.9

Persoonsgebonden onderwijsdiensten worden in dit advies alleen meegenomen als ze relevant zijn voor de verlening van hoogwaardige en up-to-date diensten op sociaal en gezondheidsgebied. Meer informatie over diensten op het vlak van onderwijs en her- en bijscholing is te vinden in de vele eerder uitgebrachte EESC-adviezen ter zake (3).

3.   Kenmerken van de sector en vooruitzichten

3.1

Uit Eurostat-gegevens voor de EU-27 over 2009 blijkt dat er in dat jaar ruim 21,5 miljoen mensen werkzaam waren in de sociale en zorgsector en daarmee samenhangende onderwijsdiensten (4). In de „oude” lidstaten werken hierin echter meer mensen dan in de „nieuwe”. Ook valt op dat in deze sector vooral vrouwen actief zijn (78 % van het personeel) en jongeren (ruim 43 % is jonger dan 40 jaar). In de medische, sociale en thuiszorgsector zijn tussen 2000 en 2010 ruim vier miljoen nieuwe banen gecreëerd. Dit staat haaks op de huidige trend in de EU, waarbij het aantal arbeidsplaatsen daalt als gevolg van de crisis. In de zorg is de werkgelegenheid blijven stijgen: zelfs in de periode 2008-2010 zijn er ca. 770 000 nieuwe banen bijgekomen (5).

3.2

De zorg is in de EU een van de belangrijkste sectoren, in die zin dat deze ca. 10 % van zowel het bbp als de werkende bevolking vertegenwoordigt. Ook zijn er in de zorg, meer dan gemiddeld in de dienstensector, veel personen werkzaam met een hogeronderwijsdiploma (6). Door de vergrijzing (7), het groeiende aantal vrouwen met een baan en de stijging van de zorgvraag, neemt de werkgelegenheid in de sector toe. Door die ontwikkeling wordt het steeds noodzakelijker om geharmoniseerde definities en opleidingsnormen op Europees niveau te hanteren teneinde voor de nodige geografische mobiliteit en beroepsdynamiek te zorgen, zodat de aanhoudende verlening van hoogwaardige en efficiënte diensten overal in de EU wordt gegarandeerd.

3.3

Wat de beroepsprofielen betreft gaat het o.m. om medische assistenten, verpleegkundigen, jongerenwerkers, maatschappelijk werkers en artsen: recente studies (8) in alle takken van de zorgsector laten zien dat zorgwerkers, ook al worden ze slecht betaald en krijgen ze nauwelijks waardering voor hun werk, sterk gemotiveerd zijn en een grote verantwoordelijkheidszin hebben. Uit sommige studies blijkt ook dat er veel te weinig personeel is en dat het steeds moeilijker is om geschikt en gekwalificeerd leidinggevend personeel aan te werven en vast te houden.

3.4

Binnen Europa 2020 moet er een Europese strategie komen (9) om technische en structurele innovatie te stimuleren, de kosten terug te dringen en hoogwaardige werkgelegenheid te bevorderen. Tegelijkertijd moet de toegang tot zorg, vooral in achtergebleven regio's alsook in specifieke zorgtakken met nationale personeelstekorten, worden verbeterd door de totstandbrenging van netwerken van hoogwaardige Europese medische centra met gekwalificeerd en zeer toegewijd personeel die ter beschikking worden gesteld van alle burgers van de EU.

3.5

De lonen in de sector liggen over het algemeen onder het nationale gemiddelde voor vergelijkbare banen. Vrouwelijke werknemers (die de grote meerderheid van het personeelsbestand vormen en vaak immigrant zijn) worden doorgaans onderbetaald (10) en nauwelijks voor vol aangezien en hebben, ook al zijn ze geschoold, onzekere arbeidsovereenkomsten. Dit blijkt uit recente studies in subsectoren (11) als de gezondheidszorg, kinderopvang, ouderenzorg en andere vormen van zorg aan hulpbehoevenden.

3.6

Voorts onderscheidt de sector zich van andere door de volgende kenmerken (12):

de gemiddelde werkweek is korter dan in andere bedrijfstakken, en vergeleken met de economie in haar geheel is er vaker sprake van ploegendiensten, nachtwerk, deeltijdwerk en tijdelijke contracten;

er is een groeiende vraag naar een eengemaakte dienst die alle medische zorgaspecten en vaardigheden combineert met de specifieke kenmerken van sociale zorg;

regelmatige her- en bijscholing op beroepsgebied en taalcursussen zijn belangrijk met het oog op het steeds veelvuldiger gebruik van informaticahulpmiddelen in de eerstelijnszorg, telegeneeskunde en telediagnostiek;

de infrastructuurvoorzieningen voor de drie soorten diensten in kwestie moeten verbeterd en goed op elkaar afgestemd worden en voor iedereen toegankelijk zijn via adequate instrumenten (en referentiestructuren op het terrein?).

3.7

Zoals eerder al is opgemerkt m.b.t. persoonsgebonden diensten, is het daarnaast zaak om „met alle specifieke kenmerken van kleine verleners van diensten van algemeen economisch belang, sociale diensten en non-profitdiensten rekening te houden. Hun bijzondere eigenschappen en bijdragen aan het algemeen belang moeten meer in aanmerking worden genomen” (13) in de context van de sociale dialoog met de sociale partners en maatschappelijke organisaties in het algemeen.

3.8

Met name verontrustend is de situatie in landelijke en andere achtergebleven gebieden, waar het gebrek aan infrastructuur op sociaal, gezondheids- en onderwijsvlak er vaak toe leidt dat geschoolde arbeidskrachten wegtrekken, met alle gevolgen van dien voor de oprichting en de vestigingsplaats van bedrijven en de ontwikkeling van deze gebieden. Er moet dan ook geijverd worden voor een evenwichtigere regionale ontwikkeling en voor meer territoriale samenhang, vooral inzake persoonsgebonden diensten op sociaal, gezondheids- en educatief vlak aan (kleine) kinderen (14).

3.9

Om migrerende werknemers te helpen bij hun integratie zijn er financiële en organisatorische steunmaatregelen nodig, waarbij te denken valt aan taallessen, verbetering van het imago van het werk dat ze doen, opvang en huisvesting, en beroepsopleiding in de zorg. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de daaropvolgende herintegratie in het land van herkomst, teneinde een braindrain op gezondheidsgebied te voorkomen (15).

3.10

Investeren in de sector is derhalve vrij duur en vanuit het oogpunt van duurzaamheid zijn investeringen dikwijls omstreden. Met de financiële crisis kan men er echter niet omheen dat ook de zorg kostenefficiënter moet worden. De lidstaten staan onder druk om een passend evenwicht te vinden tussen algemeen toegankelijke zorgdiensten enerzijds en houdbare overheidsfinanciën anderzijds. Uit de behaalde resultaten blijkt echter duidelijk dat investeringen in deze diensten in hoge mate productief en nuttig zijn, want ze komen de gezondheid, de integratie, de kwalificaties, de motivatie en ook de stabiliteit van het personeel ten goede.

3.11

Overigens is er voor belangrijke vernieuwingen gezorgd met het aan het Verdrag van Lissabon gehechte Protocol betreffende de diensten van algemeen belang (DAB), daar dit „betrekking heeft op alle DAB en voor het eerst in een verdrag het begrip „niet-economische diensten van algemeen belang” (NEDAB) introduceert en deze onderscheidt van „diensten van algemeen economisch belang” (DAEB)” (16) Persoonsgebonden diensten hebben ontegenzeglijk zowel een „economische” als een „niet-economische” component. Ze zijn van algemeen economisch belang omdat ze van belang zijn voor het goed functioneren van alle (industriële en dienstverlenende) sectoren, en ze zijn van niet-economische aard omdat ze van belang zijn voor de integratie van alle mensen en voor de sociale samenhang.

3.12

Het Protocol is volgens het EESC „niet zomaar een interpretatie van de Verdragen en de gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie m.b.t. DAB, maar vormt een leidraad voor de Unie en de lidstaten. Centraal staan de gebruiker en het inspelen op zijn behoeften, voorkeuren en rechten; voorts wordt uitgegaan van gemeenschappelijke principes als een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid, gelijke behandeling en bevordering van algemene toegang” (17).

3.13

Het is dus bovenal zaak om de sector een krachtige Europese dimensie te geven via een geharmoniseerd EU-kader dat ondersteund wordt door een Europese strategie voor structurele maatregelen, ook al heeft het EESC gewezen op „de essentiële rol en de ruime discretionaire bevoegdheid van de nationale, regionale en lokale autoriteiten om diensten van algemeen economisch belang te verrichten, te doen verrichten en te organiseren op een manier die zoveel mogelijk in overeenstemming is met de behoeften van de gebruikers” (18).

4.   Een Europese strategie voor innovatieve en „slimme” diensten op sociaal en gezondheidsgebied

4.1

Het EESC acht het absoluut noodzakelijk een Europese strategie uit te werken om in te spelen op de veranderingen die zich thans voltrekken in de Europese samenleving en in zijn sociaaleconomisch model, en om deze veranderingen in goede banen te leiden. Dit vereist dat er strategische prioriteiten worden gesteld voor de sector persoonsgebonden dienstverlening op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied in Europa. Het gaat hierbij om:

personeel en hun opleiding en voorlichting;

passende technologie;

een Europese ruimte van geïntegreerde diensten;

betere voorwaarden voor mobiliteit en uitwisselingen;

aanvaarding van Europese kwaliteitsbeginselen;

volledige erkenning van diploma's;

onderzoek naar het optimaliseren van de resultaten van dienstverlening;

het in kaart brengen en uitwisselen van geslaagde praktijkvoorbeelden;

steun-, structuur- en infrastructuurbeleid.

4.2

Dat het menselijk kapitaal de hoofdpijler van de sector persoonsgebonden diensten vormt, wordt weerspiegeld in het budget dat binnen de Europa 2020-strategie is uitgetrokken voor maatregelen om ervoor te zorgen dat de burgers in de EU langer actief en gezond en bij de samenleving betrokken blijven. Dit komt de productiviteit en het concurrentievermogen ten goede. Deze sector is bij de eerste sectoren die genoemd worden in het initiatief Een Europees initiatief voor leidende markten en maakt integrerend deel uit van het vlaggenschipinitiatief Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen.

4.2.1

Gezien het belang van de diensten in kwestie zou de strategische actie van de EU op het gebied van human resources gericht moeten zijn op:

informatiesystemen om in kaart te brengen aan welke beroepsprofielen er behoefte is en waar er werkgelegenheidskansen liggen;

maatregelen om de verwerving van vaardigheden te bevorderen en te integreren;

internationale erkenning van kwalificaties/diploma's om mobiliteit te faciliteren;

efficiënte systemen voor loopbaanbegeleiding en communicatie, ook en vooral met het oog op het leren van talen;

IT-training/verwerving van digitale vaardigheden;

training en opfriscursussen inzake nieuwe technologie en nieuwe behandelmethoden;

stabilisatiemechanismen in de sector, arbeidsvoorwaarden en aantrekkelijke loopbaanperspectieven, en beter evenwicht tussen vrouwen en mannen;

verbetering van het imago van de diverse beroepen in deze dienstverlenende sector;

afspraken over (de toepassing van regelgeving inzake) kwaliteitsbeginselen, en helder omschreven leerplanvereisten;

invoering van ondersteunende diensten voor bv. tijdelijke vervanging, opleiding en advisering, teneinde de kwaliteit van de sociale en zorgsector te waarborgen en het welzijn van de zorgverleners te verbeteren,

gebruikmaking van een waardevolle hulpbron als vrijwilligerswerk, want vrijwilligers kunnen vanuit kwalitatief en affectief oogpunt een belangrijke bijdrage leveren en zorgen voor belangeloze interpersoonlijke contacten, die voor het lichamelijke en geestelijke welzijn van hulpbehoevenden onmisbaar zijn.

Deze acties op EU-niveau zouden permanent gemonitord moeten worden aan de hand van een solide wetenschappelijke evaluatie.

4.3

De invoering van passende technologie in de sector, ter ondersteuning van zowel de verleners als de ontvangers van diensten, vormt de tweede pijler van deze strategie: structurele, methodologische en technische innovaties in de persoonsgebonden dienstverlening op sociaal en gezondheidsgebied kunnen ertoe bijdragen om de duurzaamheidsuitdaging aan te gaan in de context van de huidige veranderingen en van het streven naar inclusieve groei.

4.3.1

ICT moet gebruikt worden om zelfstandigheid, meer nadruk op de eigen verantwoordelijkheid en een persoonlijke-gezondheidscultuur te bevorderen en sociale en gezondheidsdiensten op elkaar af te stemmen, teneinde tot steeds meer geïntegreerde diensten te komen waarbij het individu in het centrum van een gecoördineerd continuum van kwaliteitsdiensten wordt geplaatst.

4.3.2

In het streven naar innovatie van zorg- en herstelprocessen zijn e-gezondheid, digitale geletterdheid en telegeneeskunde onmisbaar. Patiënten worden hiermee namelijk in staat gesteld om hun eigen medische geschiedenis overal mee naar toe te nemen, zodat ze zorg kunnen krijgen die optimaal op het individu is afgestemd (19).

4.3.3

Ter wille van de efficiency moet voor systemen van persoonsgebonden diensten gebruik kunnen worden gemaakt van een geavanceerd technologisch platform om de meest geslaagde methoden tussen gebruikers en verleners van langdurige zorg, alsook de richtsnoeren voor het besluitvormingsproces en het plaatselijke kwaliteitstoezicht met elkaar te delen. Ook moeten die platforms kunnen worden ingezet om de planning van de zorg te finetunen teneinde de systemen voor de omslag van de kosten van sociale, gezondheids- en paramedische diensten te verbeteren (20).

4.3.4

Via O&O op nationaal en EU-niveau moeten informatietechnologieëen op het vlak van persoonsgebonden dienstverlening op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied optimaal worden benut. Dan immers kan meer werk worden gemaakt van nieuwe beroepsprofielen die specifiek zijn afgestemd op de uiteenlopende behoeften van kinderen, gehandicapten, ouderen en (lichamelijk/geestelijk) zieken.

4.4

Derde pijler: er moet ernstig worden overwogen om een Europese ruimte van geïntegreerde diensten tot stand te brengen teneinde de bestaande ongelijkheden weg te werken en de fundamentele vrijheid van vestiging (met inachtneming van ten minste de uit wetgeving en cao's voortvloeiende sociale normen van het ontvangende land) en dienstverlening daadwerkelijk te garanderen (vooral in deze sector die van essentieel belang is voor het waarborgen van het vrije verkeer van diensten) door middel van wederzijdse erkenning, bestuurlijke samenwerking en desgewenst harmonisatie. Op die manier moet een verantwoorde levering van een reeks maatwerkdiensten overal in de EU worden gewaarborgd. Verwezenlijking van deze doelstelling vereist dat de lidstaten en de EU hun bevoegdheden gezamenlijk uitoefenen.

4.4.1

Als het lukt om de Europese economie om te vormen tot een innovatieve en moderne economie waarin de vierde vrijheid (het vrije verkeer van diensten) geheel en al is gerealiseerd, en als er dan ook nog een „vijfde vrijheid” wordt ontwikkeld in de vorm van het volledige en vrije verkeer van kennis, dan kan Europa zijn creatieve potentieel optimaal benutten. Op basis van een nog op te zetten Europees beoordelingssysteem zouden de resultaten van innovatie in sociale en gezondheidsdiensten op de voet gevolgd moeten worden.

4.4.2

Er moet gezorgd worden voor een solidaire Europese ruimte waarin fundamentele en hoogwaardige persoonsgebonden diensten op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied overal in de EU voor iedereen toegankelijk zijn, mede door „de toepassing van het vrijwillige Europese kwaliteitskader in verschillende lidstaten en in uiteenlopende sectoren” (21). De gebruikers moeten een stem in het kapittel krijgen wanneer het erom gaat om „kwaliteit” te definiëren en te beoordelen.

4.4.3

Voor een systeem van geïntegreerde diensten is het niet alleen nodig om kwaliteitsbeginselen te harmoniseren, maar ook om kwalificaties wederzijds te erkennen, de kwaliteit van diensten te monitoren, en op de diverse niveaus dicht bij de burger sociaal overleg te voeren waarbij alle belanghebbenden worden betrokken met het oog op meer onderlinge samenwerking.

4.5

Het steun-, structuur- en infrastructuurbeleid vormt de vierde pijler van de Europese strategie voor de sector persoonsgebonden dienstverlening.

4.5.1

Cruciaal element van deze pijler is de gerichte tenuitvoerlegging – naast de acties uit de Europa 2020-strategie – van de structurele programma's en maatregelen van de EU, met name als het gaat om het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, alsook de EU-programma's Cultuur en Horizon 2014/2020.

4.5.2

Daarnaast moet er op EU-niveau een Europees kader worden geschapen om goede prestaties op het vlak van beroepskwalificaties en de kwaliteit van diensten te faciliteren en te bevorderen, positieve ervaringen in kaart te brengen en uit te wisselen, en gestandaardiseerde systemen op te zetten om de kwaliteit in de gaten te houden en na te gaan in hoeverre de „cliënten” tevreden zijn en „waar voor hun geld” krijgen. Hierbij moet gekeken worden naar het professionalisme, de arbeidsomstandigheden en loopbaanperspectieven van de dienstverlener, de particuliere, overheids- en sociale-economiebedrijven in de sector, en ten slotte de ontvangers van de diensten en hun familieleden, alsmede de sociale economie.

4.5.2.1

Vrijwilligers in de sector persoonsgebonden diensten dragen vooral vanuit menselijk, sociaal en affectief oogpunt bij tot de levenskwaliteit. Hun belangrijke aandeel moet dan ook ondersteund en gestimuleerd worden, met speciale aandacht voor Europese maatregelen om het uitwisselen van ervaringen en goede praktijken inzake vrijwilligerswerk in deze sector te bevorderen.

4.5.3

Er dient rekening te worden gehouden met het belang van de investeringen en met name met de noodzaak om de financiële dekking te diversifiëren (belastingen, diverse vormen van bijdragen uit hoofde van de sociale zekerheid/bescherming, verzekeringen, solidariteit tussen generaties, publiek-private partnerschappen), aangezien de kosten van langdurige zorg voor de meeste mensen te hoog zijn.

4.5.4

Het zou goed zijn om op EU-niveau een deel van de structuurfondsen op gecoördineerde wijze te bestemmen voor de ontwikkeling van noodzakelijke infrastructuur op sociaal en gezondheidsgebied, alsmede voor lokale werkgelegenheidsinitiatieven in deze sector, waarbij met name zou moeten worden gezorgd voor een specifieke financieringslijn voor landelijke en andere achtergebleven regio's, via het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Leader-initiatief.

4.5.5

Voorts moet op EU-niveau geijverd worden voor de herziening van de steunmaatregelen inzake gezinsbeleid en het waarborgen van flexibelere werkafspraken voor mantelzorgers.

5.   Slotopmerkingen

5.1

Wat DAB betreft, kan het EESC zich volledig vinden in de volgende opmerking: „In sectoren zoals gezondheidszorg, kinderzorg of zorg voor ouderen, hulp aan mensen met een handicap, of sociale huisvesting fungeren deze diensten als een onmisbaar vangnet voor burgers en helpen zij de sociale cohesie te bevorderen.” (22)

5.2

Het EESC onderstreept dat persoonsgebonden diensten op sociaal, gezondheids- en onderwijsgebied van algemeen (economisch dan wel niet-economisch) belang zijn en een belangrijke rol spelen in de kwaliteit en het functioneren van de Europese samenlevingen. Ze komen de sociale bescherming en de sociale inclusie ten goede en dragen bovendien in aanzienlijke mate bij aan het rendement en het concurrentievermogen van de Europese economie. Ondertussen neemt de vraag naar deze diensten toe, terwijl er door de economische crisis en op termijn ook door de demografische verschuivingen, steeds minder geld is om ze te financieren.

5.3

Het EESC wijst nog eens nadrukkelijk op de doelstellingen van het Verdrag van Lissabon inzake onderwijs, sociale bescherming en volksgezondheid, waarmee uiting wordt gegeven aan het collectieve sociale bewustzijn en aan de wens om de levenskwaliteit van de burgers, binnen de grenzen van de economische mogelijkheden van alle lidstaten, nog verder te verhogen.

5.4

Gezien de huidige situatie is het EESC dan ook van mening dat er m.b.t. deze sectoren zou moeten worden nagedacht over:

uitwerking van een volwaardige Europese strategie voor innovatieve en „slimme” diensten op sociaal en gezondheidsgebied en daarmee samenhangende onderwijsdiensten, met een opwaardering van het personeel, invoering van geschikte technologie om verleners en ontvangers van diensten terzijde te staan, totstandbrenging van een Europese ruimte voor geïntegreerde diensten, en steunmaatregelen voor structuur- en infrastructuurbeleid, met ondersteuning van de sociale dialoog en het overleg met maatschappelijke organisaties op de verschillende niveaus;

efficiënter gebruik van de financiële en personele middelen en bestaande infrastructuurvoorzieningen, en toepassing van de beginselen inzake kwaliteit en rendementsbeoordeling, met maatregelen om de verwerving van vaardigheden te bevorderen en te integreren; verbetering van het concurrentievermogen via cao-maatregelen; een grotere rol voor de particuliere sector, de sociale economie en vrijwilligerswerk; nieuwe vormen van partnerschap tussen sectoren; behoedzame toetsing van de uitgaven en een gezamenlijke beoordeling van de doeltreffendheid en kostenefficiency van een dienst.

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  EESC-advies over „De gevolgen van de vergrijzing voor de gezondheidszorg en socialezekerheidsstelsels”, PB C 44 van 11.2.2011, blz. 10; EESC-advies over „Solidariteit in de gezondheidszorg: verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU”, PB C 18 van 19.1.2011, blz. 74; EESC-advies over „Wat ouderen nodig hebben en hoe daarmee rekening kan worden gehouden”, PB C 77 van 31.3.2009, blz. 115; EESC-advies over „Ouderenmishandeling”, PB C 44 van 16.2.2008, blz. 109.

(2)  EESC-advies over „Actief ouder worden/Horizon 2020”, PB C 229 van 31.7.2012, blz. 13; EESC-advies over „Maatschappelijke betrokkenheid van ouderen en hun participatie in de samenleving”, nog niet in het PB gepubliceerd.

(3)  EESC-advies over „Wat ouderen nodig hebben en hoe daarmee rekening kan worden gehouden”, PB C 77 van 31.3.2009, blz. 115; EESC-advies over „Volwasseneneducatie”, PB C 204 van 9.8.2008, blz. 89; EESC-advies over „Migratie en mobiliteit: uitdagingen en kansen voor Europese onderwijssystemen”, PB C 218 van 11.9.2009, blz. 85; EESC-advies over „Kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding”, PB C 100 van 30.4.2009, blz. 136.

(4)  Eurostat, Labour Force Survey, DS-073433, 3/2010.

(5)  Gezamenlijke bijdrage van de EPSU (European Federation of Public Service Unions) en het EVV (Europees Verbond van Vakverenigingen) aan de EC-raadpleging over het werkgelegenheidspotentieel van de persoons- en thuisgebonden dienstverlening; Brussel, 18 juli 2012.

(6)  COM(2011) 709 final.

(7)  European Economy Series 2011/4 – The 2012 Ageing Report – Europese Commissie, Directoraat-Generaal Economische en Financiële Zaken.

(8)  Report of EPSU Study on pay in the care sector in relation to overall pay levels and the gender pay gap in different countries in the European Union (verslag over een studie in opdracht van de Europese Federatie van ambtenarenvakbonden EPSU), J. Pillinger, februari 2010.

(9)  COM(2010) 2020 final, met vlaggenschipinitiatieven zoals de Innovatie-Unie en de Digitale Agenda voor Europa.

(10)  EESC-advies over „Beloningsverschillen tussen vrouwen en mannen”, PB C 211 van 19.8.2008, blz. 54; EESC-advies over „Gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010”, PB C 318 van 23.12.2006, blz. 173; Handvest inzake integratie van gelijke kansen voor vrouwen en mannen in vakbonden (EVV-congres in Sevilla, 23 mei 2007) en Handboek van de Europese Commissie inzake integratie van gelijke kansen voor vrouwen en mannen in het werkgelegenheidsbeleid (2007).

(11)  Report of EPSU Study on pay in the care sector in relation to overall pay levels and the gender pay gap in different countries in the European Union (verslag over een studie in opdracht van de Europese Federatie van ambtenarenvakbonden EPSU), J. Pillinger, februari 2010.

(12)  Gegevensbank AMECO (Annual macroeconomic database)– Employment in Europe – EU KLEMS Accounts (Capital (K), Labour (L), Energy (E), Material (M) and Service inputs (S)). Quarterly review, CE.

(13)  Rapport van het Europees Verbond van Vakverenigingen over de voorbereiding en uitvoering van de Richtlijn betreffende diensten op de interne markt, 2010.

(14)  COM(2011) 66 final.

(15)  EESC-advies over „Gezinsbeleid in het licht van de demografische veranderingen”, PB C 218 van 23.7.2011, blz. 7; EESC-advies over „Modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen”, PB C 181 van 21.6.2012, blz. 143.

(16)  EESC-advies over „Diensten van algemeen economisch belang: hoe moeten de verantwoordelijkheden tussen de EU en de lidstaten worden verdeeld?”, PB C 128 van 18.5.2010, blz. 65.

(17)  Zie voetnoot 16.

(18)  Zie voetnoot 16.

(19)  Conferentie over e-gezondheid in Kopenhagen, 2012.

(20)  OESO, Help Wanted? Providing and Paying for Long-Term Care, 2011.

(21)  COM(2011) 900 final.

(22)  COM(2011) 900 final.


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/23


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het partnerschapsbeginsel bij de tenuitvoerlegging van de onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallende fondsen — Elementen voor een Europese gedragscode inzake partnerschap

SWD(2012) 106 final (initiatiefadvies)

2013/C 44/04

Rapporteur: Aurel Laurențiu PLOSCEANU

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 24 mei 2012 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn rvo besloten om een initiatiefadvies op te stellen over

Het partnerschapsbeginsel bij de tenuitvoerlegging van de onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallende fondsen — Elementen voor een Europese gedragscode inzake partnerschap

SWD(2012) 106 final.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 21 november 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 12 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 158 stemmen vóór, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is er vast van overtuigd dat een echt partnerschap, ofwel een partnerschap waardoor alle partners en belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld (1) bij de voorbereiding, tenuitvoerlegging en beoordeling achteraf van de programma's en projecten van het cohesiebeleid van de EU worden betrokken, er regelrecht toe bijdraagt dat die programma's en projecten beter en doeltreffend worden uitgevoerd. Het partnerschapsbeginsel is een uitstekend voorbeeld van hoe goed bestuur in ander beleid van de EU kan uitwerken en een methode om de Europa 2020-strategie doeltreffend toe te passen.

1.2

Het EESC heeft zelf om een gedragscode inzake partnerschap gevraagd. Daarom staat het onvoorwaardelijk achter onderhavig initiatief en stemt het volledig in met de door de Commissie voorgestelde aanbevelingen. Ook heeft het waardering voor de steun van het Europees Parlement en het Comité van de Regio's voor de gedragscode, met daarbij wel de kanttekening dat alle overheids- en particuliere partners op voet van gelijkheid moeten samenwerken.

1.3

De teleurstelling bij het EESC is dan ook groot, nu de Raad de gedragscode voorlopig uit het voorstel van de Commissie heeft geschrapt. Het doet een oproep om samen met het Comité van de Regio's voor de gedragscode op te komen.

1.4

Een punt van veel zorg voor het EESC is dat maatschappelijke organisaties steeds somberder oordelen over de toepassing van het partnerschapsbeginsel. Van sommige lidstaten wordt gemeld dat het partnerschapsbeginsel daar steeds verder verwatert en dat maatschappelijke organisaties minder participeren. Dat de gedragscode uit het Commissievoorstel is geschrapt, is ook erg verontrustend. Juist nu er crisis heerst, is er behoefte aan de inzet van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties.

1.5

Vooralsnog heeft dit initiatief alleen nog maar de vorm van een werkdocument van de Commissiediensten (SWD), maar het komt wel op het juiste tijdstip, omdat meerdere lidstaten en regio's al met de programmering voor de structuurfondsen 2014-2020 zijn begonnen. De Commissie zou dit werkdocument zo breed mogelijk moeten verspreiden, zodat alle relevante partners er gebruik van kunnen maken. Het EESC vraagt zijn leden om, met ondersteuning van de gedragscode, bij hun organisaties en ondernemingen op deelname aan projecten en programma's van het cohesiebeleid van de EU aan te dringen.

1.6

Het is van groot belang dat operationele programma's worden gestuurd in de richting van acties en maatregelen die in het teken staan van partnerschap. Gelijke behandeling en pluralisme in partnerschappen, doelgerichte partnerschappen voor doelgerichte programma's en meer capaciteitsopbouw moeten daarbij de leidraad zijn.

1.7

Toezichtcomités zouden moeten worden aangevuld met andere partnerschapinstrumenten. In dit verband zij eraan herinnerd dat de door het Europees Parlement in amendementen op artikel 5 van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voorgestelde formulering, te weten: „samenwerken met de partners”, moet worden vervangen door „de partners erbij betrekken”.

1.8

Het EESC stelt een door de partners zelf uit te voeren „partnerschapstoets” voor. Een dergelijk Europees stelsel van toezicht waarbij eenvoudigweg gebruik wordt gemaakt van een controlelijst en beoordelingen door vakgenoten, zou door de Commissie moeten worden opgezet, in samenwerking met Europese organisaties van belanghebbenden. Het EESC wil niets liever dan daaraan meewerken.

1.9

De behoorlijke toepassing van het partnerschapsbeginsel zoals omschreven in de gedragscode, moet een voorwaarde worden waaraan moet zijn voldaan voordat de Commissie haar handtekening onder een partnerschapsovereenkomst met een lidstaat zet. Tegen die achtergrond zouden de middelen die voor operationele programma's worden vrijgemaakt, kunnen worden aangevuld als prikkel om aan die voorwaarde te voldoen.

2.   De context – partnerschap in wording

2.1

Het partnerschapsbeginsel is druppelsgewijs toegepast en komt maar langzaam op gang sinds zijn lancering in 1988. Het maatschappelijk middenveld, en dan vooral de sociale partners, was daarin een rol toebedeeld. In landen waar partnerschap onlosmakelijk deel uitmaakt van beleidsvorming kostte het minder moeite om dit beginsel in praktijk te brengen. Het werd kracht bijgezet doordat de Commissie meer rechtstreekse verantwoordelijkheid voor het cohesiebeleid heeft gekregen en er initiatieven als EQUAL en LEADER zijn ontplooid.

2.2

Vaak was partnerschap echter alleen een formele aangelegenheid. In de programmeringperiode 2006-2013 werd er niet actief naar gestreefd, ook al is participatie door belanghebbenden in die tijd wel onontbeerlijk geworden voor de toepassing van de strategie van Lissabon. Sinds de EU er in 2004 tien lidstaten heeft bij gekregen, gevolgd door Bulgarije en Roemenië in 2007, staat het cohesiebeleid van de EU voor tal van nieuwe uitdagingen.

2.3

Inmiddels had de Commissie al tekortkomingen ontdekt en waren er vanuit het maatschappelijk middenveld kritische geluiden te horen vanwege tegenvallende resultaten. Als reactie op de veranderde betrekkingen tussen de lidstaten en de Commissie bij het beheer van het cohesiebeleid werd de nadruk op de verspreiding van voorbeelden van geslaagde methoden (best practices) gelegd.

2.4

De Commissie heeft het EESC in 2009 om een verkennend advies gevraagd over de manier waarop partnerschap in de werking van de structuurfondsen kan worden gepromoot, waarbij wordt uitgegaan van voorbeelden van geslaagde methoden. Dit advies werd aangevuld met de publicatie „Samenwerken doe je niet alleen”, met een selectie van voorbeelden van geslaagde methoden in de lidstaten. De suggestie van het EESC om een gedragscode uit te werken, is sindsdien opgepakt door de Commissie.

2.5

Het partnerschap met maatschappelijke organisaties evolueert momenteel in de meeste lidstaten. Polen kan soms als voorbeeld dienen voor de manier waarop best practices in dit land evolueren. Partnerschap in praktijk brengen, is zonder meer een uitdaging voor landen als Bulgarije en Roemenië die nog maar net zijn toegetreden tot de EU en voor Kroatië dat binnenkort lid wordt. Dit geldt ook voor sommige van de lidstaten die in 2004 tot de EU zijn toegetreden, maar ook voor al „oudere” lidstaten als Portugal en Griekenland.

2.6

Momenteel oordelen maatschappelijk organisaties steeds somberder over de toepassing van het partnerschapsbeginsel. De verwachtingen worden niet ingelost. Van sommige lidstaten wordt gemeld dat het partnerschapsbeginsel daar steeds verder verwatert, dat maatschappelijke organisaties minder participeren en dat de gedragscode door de Raad is afgeschaft. Er zijn lidstaten waar al met de programmering voor 2014-2020 is begonnen zonder dat particuliere belanghebbenden echt zijn gevraagd om daaraan mee te werken. De gedragscode kan alleen naar behoren worden toegepast als de politieke weerstand daartegen wordt overwonnen.

3.   Het Commissievoorstel

3.1

De lidstaten krijgen een duidelijke verplichting om een partnerschap op te zetten als de voorstellen van de Commissie voor de GSK-fondsen voor de periode 2014-2020 worden goedgekeurd. Die verplichting zal worden geschraagd door een Europese gedragscode inzake partnerschap waarin doelstellingen en criteria voor dit partnerschap zijn vastgelegd en de uitwisseling tussen de lidstaten van informatie, ervaringen, resultaten en voorbeelden van geslaagde methoden wordt vergemakkelijkt. Deze gedragscode moet door de Commissie binnen de drie maanden na de goedkeuring van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen worden aangenomen in de vorm van een gedelegeerde handeling.

3.2

Onderhavig werkdocument is een eerste stap in de richting van de daadwerkelijke toepassing van het partnerschapsbeginsel. In zes hoofdstukken worden achttien uitvoerige richtsnoeren gegeven. Die hoofdstukken zijn:

Welke partners te kiezen?

Hoe de partners te betrekken bij het opstellen van de programmeringdocumenten?

Hoe de partners te betrekken bij de uitvoeringsfase?

Hoe de partners te betrekken bij de beoordeling?

Steun aan partners

Voortdurende uitwisseling van goede praktijken.

3.3

Inmiddels is de Europese gedragscode inzake partnerschap in alle voertalen van de EU vertaald, wat de verspreiding en het gebruik ervan vergemakkelijkt.

4.   Wat het EESC al eerder op dit gebied heeft gedaan

4.1

Het EESC heeft zich, op speciaal verzoek van de Commissie, in 2010 gebogen over het partnerschapsbeginsel (ECO/258 – rapporteur: Jan OLSSON (2)) en geeft uitvoerig commentaar op de voorstellen van de Commissie inzake partnerschap in zijn advies over de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (ECO/314 – rapporteur: Ioannis VARDAKASTANIS).

4.2

Daarbij had het EESC voorgesteld om de gedragscode op een aantal richtsnoeren te baseren. Bijna al die richtsnoeren zijn in aanmerking genomen in onderhavig werkdocument van de Commissiediensten:

opstelling van een plan voor informatie, raadpleging en participatie om voor betrokkenheid van de partners te zorgen;

plicht voor overheden om zich voor hun toepassing van het partnerschapsbeginsel te verantwoorden;

selectie van de partners uit een breed spectrum van de samenleving;

technische bijstand voor partners;

partnerschap als criterium voor de selectie van projecten;

vereenvoudiging van procedures en controles;

versnelling van de uitbetalingen.

4.3

Het EESC is er vast van overtuigd dat partnerschap, waardoor alle in artikel 5, lid 1 van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen omschreven partners bij de voorbereiding, uitvoering en beoordeling achteraf van in het kader van het cohesiebeleid van de EU gelanceerde projecten worden betrokken, rechtstreeks bijdraagt aan het welslagen van dat cohesiebeleid. Het juicht toe dat partnerschap in de Commissievoorstellen (artikel 5) verplicht wordt gesteld. Bij de uitvoering van fondsen moet in alle stadia daarvan daadwerkelijk sprake zijn van participatie, wat ook betekent dat partners stemrecht krijgen in de toezichtcomités.

4.4

Het EESC roept het Comité van de Regio's ertoe op om gezamenlijk op de bres te gaan staan voor de gedragscode. Het vraagt het Europees Parlement en de Commissie om het tij te keren wat de schrapping van de gedragscode door de Raad betreft. Daartoe heeft het EESC een dringende oproep gedaan op de informele Raad die op 6 november 2012 in Nicosia is gehouden.

5.   Eerste reacties van andere instellingen van de EU

Raad

5.1

De Raad heeft het voorstel van de Commissie voor een gedragscode verworpen. Hierdoor zal in de praktijk de toepassing van het partnerschapsbeginsel ongetwijfeld worden afgezwakt.

Europees Parlement

5.2

Het Europees Parlement heeft een algehele wijziging op de in artikel 5 van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen genoemde gedragscode voorgesteld. Daarvoor is het uitgegaan van negen specificaties. Het EESC staat hier helemaal achter. Het desbetreffende amendement is hieronder uiteengezet (3). Het EESC maakt zich wel zorgen over het onderscheid dat het Europees Parlement tussen particuliere en overheidspartners maakt, omdat dit kan leiden tot ongelijke behandeling.

Comité van de Regio's

5.3

Het Comité van de Regio's staat achter de Europese gedragscode inzake partnerschap en dringt er bij lokale en regionale overheden op aan om partnerschappen op te zetten. Het benadrukt o.m. dat er aandacht moet zijn voor speciale omstandigheden in de lidstaten, de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en de procedure om partners te selecteren, die in het teken moet staan van pluralisme, zodat ook marginale groepen in aanmerking worden genomen. Het wijst op het vraagstuk van de rechten en verantwoordelijkheden van de partners, waarbij het ook een onderscheid maakt tussen partners uit de particuliere en de overheidssector.

6.   Reacties van maatschappelijke organisaties

6.1

Volgens Europa's maatschappelijke organisaties is het uitblijven van partnerschap een van de voornaamste verklaringen voor de beperkte impact van de structuurfondsen 2007-2013 in meerdere lidstaten.

6.2

Er moet duidelijker worden gesteld dat maatschappelijke organisaties, net als overheidsinstanties, het algemeen belang nastreven.

6.3

Maatschappelijke organisaties wordt dikwijls reëel en daadwerkelijk partnerschap onthouden vanwege belemmeringen die worden opgeworpen door cofinancieringsregels, administratieve lasten, niet-adequate doelstellingen van de nationale operationele programma's en gebrek aan inspraak in het toezicht op de fondsen.

6.4

Het maatschappelijk middenveld heeft oog voor de pogingen van de Commissie om procedures te vereenvoudigen, maar vindt dat er nog veel meer moet worden gedaan voordat de particuliere sector in brede zin tijdig en vlot gebruik kan gaan maken van middelen. De complexiteit en administratieve rompslomp zijn nog steeds te groot. De bureaucratie moet worden teruggedrongen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de volgende aspecten:

documentatie standaardiseren (tijdigheid, gemakkelijke toegankelijkheid, begrijpelijkheid);

afzien van veranderingen tijdens de toepassing;

cofinancieringpercentages versoepelen;

de periodes voor late uitbetalingen inkorten.

6.5

Het maatschappelijk middenveld wijst erop hoe belangrijk capaciteitsopbouw voor partners is en pleit voor een definitie van dit begrip. Capaciteitsopbouw zou moeten worden omschreven als vergroting van de participatie van partners in alle stadia van de voorbereiding, uitvoering en monitoring van de structuurfondsen.

6.6

Volgens het EESC moet een ruim partnerschap tot stand worden gebracht waarin een breed spectrum van verschillende belangen wordt vertegenwoordigd. Er moeten voor de verantwoordelijkheden en functies van de verschillende partners duidelijke regels worden vastgelegd.

7.   Algemene opmerkingen

7.1

Het partnerschapsbeginsel daadwerkelijk toepassen, vergt een voortdurend proces. Dit Commissievoorstel is een eerste stap in de richting van de formalisering en codificatie van dit beginsel in EU-verband. Het doet het EESC genoegen dat zowel het Europees Parlement als het Comité van de Regio's voorstander zijn van een doeltreffende toepassing van het partnerschapsbeginsel. Het partnerschapsbeginsel is een uitstekend voorbeeld van hoe „goed bestuur” in ander beleid van de EU kan uitwerken en een methode om de Europa 2020-strategie doeltreffend toe te passen.

7.2

Zeer zorgwekkend is dat de Raad het partnerschapsbeginsel wil inperken door terug te vallen op de stringentere regels van de programmeringperiode 2006-2013. Het EESC doet een beroep op de Commissie en het Europees Parlement om dit tij te keren.

8.   Specifieke opmerkingen

8.1

Meerdere lidstaten zijn al begonnen met de programmering voor de structuurfondsen 2014-2020. Daarom is het belangrijk dat overheidsinstanties en maatschappelijke organisaties gebruik maken van onderhavig SWD. Het is een goede zaak dat de gedragscode in alle voertalen van de EU is vertaald. De Commissie zou de daarin vervatte suggesties, in samenwerking met zowel overheidsinstanties als maatschappelijke organisaties, proactief bekend moeten maken in de lidstaten.

8.2

In de Commissievoorstellen komt toezicht niet goed genoeg uit de verf. Een Europees stelsel van toezicht waarvoor eenvoudigweg gebruik wordt gemaakt van een controlelijst en beoordelingen door vakgenoten, zou moeten worden opgezet in samenwerking met de organisaties van Europese belanghebbenden. Het EESC wil niets liever dan daaraan meewerken.

8.3

De controlelijst zou moeten worden gebaseerd op minimale specificaties, vooral t.a.v. selectie, participatie in de diverse stadia en capaciteitsopbouw van de partners. Ook moet worden beoordeeld hoe belangenconflicten worden beslecht. Die specificaties kunnen worden ondersteund door een SWOT-analyse (waarbij de nadruk wordt gelegd op sterke punten, zwakke punten, kansen en risico's/Strengths, Weaknesses, Opportunities, Threats) om de weg vrij te maken voor verbeteringen.

8.4

Als onderdeel van dit stelsel zouden de belanghebbenden/partners voor een „partnerschapstoets” moeten zorgen, waarvoor wordt uitgegaan van de hierboven voorgestelde controlelijst. Het EESC stelt een eenvoudig beoordelingsschema voor met drie waarderingsmogelijkheden: onvoldoende/voldoende/uitstekend. Door zo'n toets gaan de partners meer meewerken aan de evaluatie, waarvoor in onderhavig SWD een lans wordt gebroken.

8.5

Er zij aan herinnerd dat de door het Europees Parlement in amendementen op artikel 5 van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voorgestelde formulering, te weten: „samenwerken met de partners”, moet worden vervangen door „de partners erbij betrekken”.

8.6

Het EESC herhaalt zijn al eerder gedane voorstel om een netwerk te vormen van regio's die hun ervaringen en voorbeelden van geslaagde methoden willen delen en verspreiden: het netwerk van regio's die blijk geven van „uitmuntendheid in partnerschap”.

8.7

De voorbeelden van geslaagde methoden uit de brochure „Samenwerken doe je niet alleen” zijn in brede kringen goed ontvangen en het zou erg nuttig kunnen zijn om die methoden ook in andere landen te beproeven (ook al moet partnerschap worden aangepast aan nationale omstandigheden). Het EESC stelt voor om deze brochure bij te werken in de vorm van een herziene editie ervan. In die herziene editie kan ook worden gewezen op de lering die kan worden getrokken uit voorbeelden van hoe-je-het-niet-moet-doen.

8.8

Van belang is dat partners zo vroeg mogelijk worden betrokken bij een dialoog over een werkprogramma („een plan voor informatie, raadpleging en participatie”) en een nauwkeurig stappenplan, zoals het EESC heeft voorgesteld en waaraan de Commissie steun verleent. Hoe te werk wordt gegaan, moet ook worden vastgelegd in de partnerschapsovereenkomst. De behoorlijke toepassing van het partnerschapsbeginsel zoals omschreven in de gedragscode, moet een voorwaarde worden waaraan moet zijn voldaan voordat de Commissie haar handtekening onder een partnerschapsovereenkomst met een lidstaat zet. Tegen die achtergrond zouden de middelen die voor operationele programma's worden vrijgemaakt, kunnen worden gebruikt voor capaciteitsopbouw bij de partners als prikkel om aan die voorwaarde te voldoen.

8.9

Bij de keuze van de partners moet worden gestreefd naar „pluralisme in partnerschap”: naast economische en sociale partners en relevante maatschappelijke organisaties moeten ook nog andere spelers eraan deelnemen. Zo moeten ook innoverende, opkomende en marginale maatschappelijke actoren toegang hebben tot partnerschappen en daarin een rol spelen. Voor die laatste is het model van coördinatieplatforms erg nuttig. Ook kleine en micro-ondernemingen (met hun hoge werkgelegenheidspotentieel) en de sociale economie (als follow-up op het Small Business Initiative) zouden als economische partners bij partnerschappen moeten worden betrokken.

8.10

Er is voorgesteld om de programma's naar thema's te bundelen of op andere wijze –geografisch, groepen, sectoren enz. – aan een specifiek doel te koppelen. Hierdoor wordt het gemakkelijker om partnerschappen doelmatig en doeltreffender te maken.

8.11

Het werk dat door toezichtcomités wordt verricht, is vaak erg formeel en voldoet niet aan de behoefte aan een echt partnerschap. Dit zou moeten worden aangevuld met adviesorganen, werkgroepen en andere partnerschapinstrumenten om de werking van het partnerschap kracht bij te zetten.

8.12

Partnerschappen hebben veel baat bij capaciteitsopbouw voor partners in alle lidstaten. Daartoe moet gebruik worden gemaakt van technische assistentie, maar ook van de fondsen waarover de lidstaten zelf beschikken.

Brussel, 12 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Het EESC omschrijft het begrip „maatschappelijk middenveld” als volgt: geledingen van de samenleving die zichzelf tot uitdrukking brengen in organisaties die op hun beurt maatschappelijke blokken vormen. Anders gezegd is het maatschappelijk middenveld samengesteld uit alle private niet-overheidsorganisaties en hun leden die vanuit hun eigen perspectief actief betrokken zijn bij de publieke beleidsvorming en daarbij gebruik maken van hun eigen specifieke kennis, vaardigheden en handelingsmogelijkheden. Deze definitie bestrijkt een breed scala aan organisaties: werkgeversorganisaties, vakbonden, algemene-nutsorganisaties en de zogenoemde „ngo's”.

(2)  Zie EESC-advies over doelmatige samenwerking in het cohesiebeleid, PB C 44 van 11 februari 2011, blz. 1

(3)  

3 bis.

In de Europese gedragscode worden onder meer de volgende specificaties opgenomen:

a)

minimumvereisten om tot een transparante keuze van partners en een duidelijke afbakening van hun rol in het beleidsproces en hun bevoegdheden te komen;

b)

minimumvereisten en aanwijzingen met betrekking tot de kenmerken van relevante partners, waarbij het kan gaan om overheden van verschillende territoriale niveaus, sociale en economische partners, het maatschappelijk middenveld en instanties die tot taak hebben gelijkheid en non-discriminatie te bevorderen;

c)

de procedure voor samenwerking tussen de bevoegde nationale, regionale en plaatselijke overheden;

d)

richtsnoeren over hoe partnerschappen kunnen worden afgestemd op programma's, met aandacht voor het specifieke karakter van meerfondsenprogramma's, gezamenlijke actieplannen en geïntegreerde territoriale investeringen;

e)

minimumvereisten om te waarborgen dat de partners een nuttige rol spelen bij de voorbereiding van het partnerschapscontract en de programma's;

f)

minimumvereisten met betrekking tot de procedures die worden vastgesteld om tot een doeltreffende organisatie van de partnerschappen te komen;

g)

richtsnoeren over de rol van partners in de toezichtcomités en in de selectie en evaluatie van en het toezicht op de projecten;

h)

minimumvereisten voor het verschaffen van richtsnoeren aan partners en voor het bevorderen van capaciteitsopbouw tussen partners;

i)

het kader voor de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/28


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de tenuitvoerlegging en monitoring van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap door de EU-instellingen en de rol van het Europees Economisch en Sociaal Comité (initiatiefadvies)

2013/C 44/05

Rapporteur: Ioannis VARDAKASTANIS

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 26 april 2012 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn rvo een initiatiefadvies uit te brengen over

De tenuitvoerlegging en monitoring van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap door de EU-instellingen en de rol van het Europees Economisch en Sociaal Comité.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 23 november 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 12 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 144 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC dringt er bij de Raad op aan om de onderhandelingen over het facultatieve protocol bij het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: CRPD) nieuw leven in te blazen. Doel daarvan moet zijn te verzekeren dat Europeanen met een handicap de in dit CRPD vastgelegde rechten onverkort kunnen genieten.

1.2

De respectieve voorzitters van de Europese Raad, de Commissie en het Europees Parlement zouden voor december 2013 een tweede Staat van de Unie inzake gehandicapten moeten organiseren. Op deze mede door het Europees Gehandicaptenforum voorgezeten Staat van de Unie zou de stand van zaken bij de uitvoering van het CRPD moeten worden opgenomen.

1.3

Belangrijk is dat het CRPD verplichtingen omvat waarvoor de EU en de lidstaten hun wetgeving en beleid moeten aanpassen en dat de financiële situatie niet mag worden aangevoerd als voorwendsel om maatregelen i.v.m. de rechten van personen met een handicap op de lange baan te schuiven.

1.4

De Commissie zou een grondig en op participatie berustend onderzoek moeten doen naar de toepassing van de gehandicaptenstrategie als onlosmakelijk onderdeel van de toekomstige algemene strategie van de EU, inclusief de herziening van bestaande wetten, beleidsmaatregelen en programma's en de uitwerking van nieuwe voorstellen.

1.5

Daarom verzoekt het EESC de Commissie om haar secretariaat-generaal een instrument voor de effectbeoordeling van het CRPD te laten uitwerken.

1.6

Het is een goede zaak dat de Raad een onafhankelijke instantie in het leven heeft geroepen die met het promoten van het CRPD wordt belast, maar ook met de bescherming en monitoring van de uitvoering ervan. Er zou een speciaal budget moeten worden goedgekeurd waardoor de deelnemers aan deze instantie hun taak in alle onafhankelijkheid van het contactpunt kunnen vervullen.

1.7

Het EESC wil graag door de Commissie worden geraadpleegd over een ambitieus voorstel voor een Europese toegankelijkheidswet. Deze wet zou een zo breed mogelijk toepassingsgebied moeten hebben (waaronder eisen waaraan openbare en particuliere dienstverleners en fabrikanten moeten voldoen om personen met een handicap volledige toegankelijkheid te garanderen) en zou een duidelijke en ruime definitie van het begrip „toegankelijkheid” moeten omvatten.

1.8

Het EESC juicht toe dat er in de Digitale agenda wetgeving inzake de toegankelijkheid van officiële websites en van websites waarmee de burgers een basisdienst wordt verleend, is opgenomen. Het kijkt uit naar voorstellen voor solide wetten in 2012.

1.9

Het EESC dringt er bij de Raad en het Europees Parlement op aan om vast te houden aan de bepalingen ten behoeve van personen met een handicap die in de verordeningen voor de structuurfondsen, de Faciliteit voor Europese verbindingen (1), de TEN-T-verordeningen en Horizon 2020 (2), het programma voor rechten en burgerschap en de programma's voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp zijn opgenomen en om die bepalingen kracht bij te zetten. Dit kan door maatregelen ter bevordering van de participatie van personen met een handicap, door middel van financiering en capaciteitsopbouw.

1.10

Het EESC doet een beroep op de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en de Raad om voor de mainstreaming van het CRPD in de externe betrekkingen, de internationale samenwerking en de wereldwijde handelsovereenskomsten van de EU te zorgen. Daartoe moet ook worden toegezien op de coördinatie van de standpunten van de EU en de lidstaten over de rechten van personen met een handicap in de diverse organen van de VN.

1.11

Het EESC vraagt de instellingen van de EU met klem om de nodige maatregelen te nemen voor de uitvoering van het CRPD in eigen kring. Met het oog daarop zouden zij hun methoden inzake werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden, aanwerving, opleiding, toegankelijkheid van gebouwen, werkomgeving en communicatiemiddelen en de eisen die aan door de EU gesubsidieerde agentschappen worden gesteld, opnieuw moeten bekijken.

1.12

Het EESC neemt kennis van de toezegging die Commissievoorzitter Barroso in december 2011 heeft gedaan om het CRPD op een vergadering van eurocommissarissen en directeuren-generaal ter discussie te stellen, en pleit ervoor dat dit vraagstuk ieder jaar op de agenda wordt gezet.

1.13

Het EESC is ingenomen met de organisatie van een werkforum waarin de contactpunten van de regeringen, de coördinatiemechanismen en onafhankelijke systemen van de EU en de lidstaten die met de tenuitvoerlegging van het CRPD zijn belast, alsook het maatschappelijk middenveld bijeenkomen. Het wil graag deelnemen aan de komende vergaderingen.

1.14

Het EESC kijkt ernaar uit om middels een advies bij te dragen aan het verslag dat de EU in 2013 aan de VN-commissie inzake de rechten van personen met een handicap moet voorleggen.

1.15

Het EESC is ervan overtuigd dat het zelf de nodige maatregelen moet nemen om het CRPD in eigen kring toe te passen en aan de verplichtingen ervan te voldoen. Dit betekent dat de aanwerving van personen met een handicap wordt gestimuleerd, dat discriminatie tijdens de aanwervingprocedure wordt uitgebannen, dat de toegankelijkheid van de gebouwen, websites, ICT-instrumenten en -documenten wordt verbeterd, dat werknemers, leden en deskundigen behoorlijke voorzieningen worden geboden, dat er cursussen voor de personeelsmedewerkers worden georganiseerd (ook door de uitgave van een brochure over het CRPD) en dat wordt gezorgd voor de mainstreaming van het gehandicaptenaspect in al zijn activiteiten.

1.16

Het EESC benadrukt de noodzaak van stelselmatige monitoring en uitvoering van het CRPD door de EU-instellingen en verbindt zich daarom tot de oprichting van een stuurgroep die met de uitvoering en monitoring van het CRPD wordt belast. Die stuurgroep zou van de instellingen van de EU moeten vragen dat zij verslag uitbrengen van hun werkzaamheden en reacties vergaren van de personen met een handicap zelf (via de organisaties die hen vertegenwoordigen) en van het maatschappelijk middenveld. Zo kan de stuurgroep zich een onafhankelijk oordeel vormen over de vorderingen die met de uitvoering van het CRPD worden gemaakt.

1.17

Het EESC stelt voor om over de uitvoering van het CRPD een vergadering te beleggen met nationale SER's, maatschappelijke organisaties en nationale mensenrechtenorganisaties.

1.18

Het EESC doet een oproep aan de sociale partners om het gehandicaptenaspect, op grond van overeengekomen richtsnoeren, te laten meewegen in cao-onderhandelingen.

2.   Inleiding

2.1

Tot „personen met een handicap” worden ook mensen gerekend die lijden onder chronische lichamelijke, geestelijke, intellectuele of zintuiglijke aandoeningen die het voor hen, in wisselwerking met diverse belemmeringen, moeilijk kunnen maken om volwaardig, daadwerkelijk en op gelijke voet met anderen deel te nemen aan de samenleving.

2.2

Er zijn ongeveer 80 miljoen personen met een handicap in Europa. Volgens Eurostat is de kans om werkloos te worden, bij hen drie keer zo groot als bij personen zonder handicap. Slechts 20 % van de personen met een ernstige handicap heeft een baan, tegen 68 % van de personen zonder handicap. De kans dat personen met een handicap voortgezet onderwijs volgen, is ruim 50 % minder groot dan bij personen zonder een handicap. Slechts 38 procent van de personen met een handicap in de leeftijdsgroep van 16 tot 34 jaar heeft een eigen inkomen uit werk, tegen 64 % van de personen zonder handicap.

2.3

Het EESC verwijst terug naar zijn adviezen over resp. de „Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Europese strategie inzake handicaps 2010-2020: Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa (3) en „Jongeren met een handicap: werkgelegenheid, integratie en deelname aan het maatschappelijk leven (4).

2.4

Het CRPD en het bijbehorende facultatieve protocol zijn op 13 december 2006 goedgekeurd in het VN-gebouw in New York en konden vanaf 30 maart 2007 worden ondertekend. Beide zijn op 3 mei 2008 in werking getreden.

2.5

Het CRPD heeft wereldwijd een breed draagvlak en is al ondertekend door 154 landen en geratificeerd door 126 landen. Het bijbehorende facultatieve protocol is al ondertekend door 90 landen en geratificeerd door 76 landen. Alle 27 lidstaten van de EU hebben het CRPD ondertekend en 24 lidstaten hebben het inmiddels ook geratificeerd.

2.6

Dit CRPD is een volwaardig instrument van de mensenrechten, waaronder rechten op burgerlijk, politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied. Er wordt in bekrachtigd dat personen met een handicap onverkort de mensenrechten en basisvrijheden moeten kunnen genieten.

2.7

Het CRPD is van toepassing op alle personen met een handicap. Ook wordt daarin uitdrukkelijk gesteld dat meervoudige discriminatie (ofwel discriminatie vanwege een handicap, maar tegelijkertijd ook op andere gronden, zoals etnische afkomst, geslacht en/of economische status) een groot probleem vormt dat alleen met een multidisciplinaire benadering kan worden opgelost. Daarbij moeten de verschillende oorzaken van deze complexe vorm van discriminatie in aanmerking worden genomen.

2.8

Er zijn in dit CRPD o.m. bepalingen opgenomen aangaande gelijkheid en non-discriminatie, toegankelijkheid, bewegingsvrijheid en nationaliteit, toegang tot de rechter, vrijwaring van geweld, zelfstandig wonen en leven in een woongroep, het recht op een gezinsleven, persoonlijke mobiliteit, onderwijs, werkgelegenheid, gezondheid, sociale bescherming, internationale samenwerking, burgerbescherming, inspraak van personen met een handicap in de besluitvorming (via hun organisaties) en de mainstreaming van de problematiek van vrouwen en kinderen met een handicap.

2.9

Van belang is dat met dit CRPD een paradigmaverschuiving wordt ingevoerd: personen met een handicap worden daarin niet langer gezien als „objecten”, ofwel mensen die het voorwerp zijn van liefdadigheid en medische behandelingen, maar als „subjecten”, ofwel mensen die rechten hebben, zich daarop kunnen beroepen en met kennis van zaken en in alle vrijheid zelf besluiten over hun eigen leven kunnen nemen. De drie kernboodschappen van het CRPD zijn: personen met een handicap weer een stem in het kapittel geven, hun keuzemogelijkheden verruimen en hun meer kansen in het leven geven.

2.10

Het is een goede zaak dat in het CRPD wordt verduidelijkt en vastgelegd hoe de diverse categorieën mensenrechten van toepassing zijn op personen met een handicap, ongeacht de mate van hulp die zij nodig hebben, en dat daarin staat aangegeven op welke gebieden veranderingen moeten worden aangebracht om ervoor te zorgen dat de rechten van personen met een handicap daadwerkelijk worden uitgeoefend en beschermd.

2.11

Dit CRPD is het eerste internationale verdrag inzake mensenrechten dat openstaat voor ondertekening door regionale organisaties die zich met integratie bezighouden, zoals de EU. Van belang is dat de Raad op 26 november 2009 het besluit heeft genomen waardoor de Europese Gemeenschap is toegetreden tot het CRPD (5) en waarin de Commissie wordt aangewezen als contactpunt voor aangelegenheden met betrekking tot de uitvoering ervan.

2.12

Dit besluit omvat een lijst van beleidsgebieden die onder de exclusieve of gedeelde bevoegdheid van de EU vallen. Deze lijst kan voortdurend worden aangepast en zal op den duur waarschijnlijk langer worden. Bij „exclusieve bevoegdheden” gaat het om de verenigbaarheid van overheidssteun met de eengemaakte markt en het gemeenschappelijk douanetarief. Bij „gedeelde bevoegdheden” gaat het om maatregelen tegen discriminatie vanwege een handicap, vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, landbouw, vervoer per spoor, over de weg, over zee en door de lucht, belastingen, de eengemaakte markt, gelijke beloning voor gelijkwaardig werk van vrouwen en mannen, beleid voor trans-Europese netwerken en statistieken.

2.13

De Raad, de lidstaten en de Commissie zijn een gedragscode overeengekomen (6). Daarin zijn afspraken gemaakt over allerlei aspecten van de uitvoering van het CRPD, maar ook over de vertegenwoordiging in de voor dit CRPD ingestelde organen, de procedures voor de opstelling van het verslag van de EU aan de VN-commissie inzake de rechten van personen met een handicap en de procedure voor de opzet van een monitoring-kader voor één of meer onafhankelijke systemen waar het maatschappelijk middenveld bij betrokken is.

3.   Het CRPD: consequenties van de eerste toetreding van de EU tot een verdrag over mensenrechten

3.1

Het valt toe te juichen dat de EU voor het eerst in haar geschiedenis, nl. met de ondertekening van dit CRPD op 23 december 2010, partij is geworden bij een internationaal verdrag inzake mensenrechten. De EU en de lidstaten, maar ook het Europees Gehandicaptenforum hebben een voortrekkersrol gespeeld in de uitwerking van dit verdrag. Daarom heeft de EU een bijzondere verantwoordelijkheid om de uitvoering en monitoring ervan te intensifiëren en voor de rest van de wereld een voorbeeldfunctie te vervullen.

3.2

De Raad zou de onderhandelingen over het bij dit CRPD behorende facultatieve protocol nieuw leven moeten inblazen. Door dit protocol kunnen enkelingen of groepen - zoals in 2008 door de Commissie werd voorgesteld - klachten indienen bij de VN-commissie inzake de rechten van personen met een handicap als alle gerechtelijke mogelijkheden in de EU zelf zijn uitgeput. Op die manier kunnen leemten in de bescherming van personen met een handicap, als de schending van hun rechten plaatsvindt op gebieden waarvoor de EU bevoegd is, worden voorkomen, c.q. ingevuld.

3.3

De Commissie zou de ratificering van andere verdragen inzake mensenrechten moeten overwegen. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan het Verdrag betreffende de rechten van het kind en het Verdrag tegen vrouwendiscriminatie, met inbegrip van de respectieve facultatieve protocollen. De EU zou moeten deelnemen aan de besprekingen die momenteel in een VN-werkgroep voor onbepaalde duur worden gevoerd over een mogelijke tekst voor een nieuw thematisch VN-Verdrag over de rechten van ouderen en zou erop moeten toezien dat het werk van deze werkgroep in geen enkel opzicht indruist tegen het CRPD.

3.4

De EU moet als partij bij het CRPD en binnen de grenzen van haar bevoegdheden, alle daaraan verbonden verplichtingen nakomen. Daarbij hoort de verplichting om op gezette tijden verslag uit te brengen bij de VN-commissie inzake de rechten van personen met een handicap.

3.5

De artikelen 10 en 19 van het VWEU en de artikelen 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten zijn rechtsregels die duidelijk refereren aan de bescherming van de rechten van personen met een handicap (7).

3.6

De instellingen van de EU zouden op beleidsgebieden die onder de exclusieve en gedeelde bevoegdheid van de EU vallen, wetgeving, beleid en programma's moeten uitwerken waarmee het CRPD onverkort wordt toegepast. Ook zouden zij eerder door de EU uitgevaardigde wetgeving en beleid opnieuw moeten bekijken om zich ervan te vergewissen dat personen met een handicap in de EU volledige bescherming krijgen.

3.7

De respectieve voorzitters van de Europese Raad, de Commissie en het Europees Parlement zouden, samen met het Europees Gehandicaptenforum, voor december 2013 een tweede Staat van de Unie inzake personen met een handicap moeten organiseren. Het thema daarvan zou de uitvoering van het CRPD moeten zijn (8).

3.8

Het Europees Parlement doet er goed aan om, samen met het Europees Gehandicaptenforum, voor december van dit jaar een Europees Parlement voor personen met een handicap te organiseren. Dit is nuttig met het oog op de bijdrage aan het verslag van de EU aan de VN-Commissie inzake de rechten van personen met een handicap.

3.9

De instellingen van de EU moeten de nodige maatregelen nemen om het CRPD in eigen kring toe te passen. Dit betekent o.m. dat

de aanwerving van personen met een handicap in de EU-instellingen zelf moet worden opgevoerd en dat beleid moet worden uitgestippeld om werk en gezinsleven beter op elkaar af te stemmen;

de interne regels, procedures en werkwijzen opnieuw moeten worden bekeken om er zeker van te kunnen zijn dat werknemers met een handicap daarin gelijkheid van kansen genieten;

personen met een handicap in de aanwervingprocedure de kans moeten krijgen om het onder gelijkwaardige omstandigheden op te nemen tegen personen zonder een handicap, en wel doordat hun behoorlijke voorzieningen worden geboden;

werknemers met een handicap, waar nodig in hun dagelijkse werk, behoorlijke voorzieningen worden geboden (persoonsgebonden assistentie, vertolking in gebarentaal, aangepast vervoer enz.);

toegang moet worden geboden tot beroepsopleidingen en voortdurende scholing;

de toegankelijkheid van gebouwen, websites, ICT-instrumenten en documenten moet worden verbeterd;

moet worden toegezien op de naleving van het CRPD door alle EU-agentschappen en door de EU-gesubsidieerde organisaties, waaronder de Europese scholen;

organisaties van personen met een handicap inspraak moeten krijgen bij de uitwerking van wetgeving en beleid, ook met behulp van adequate financiering.

4.   De uitvoering van het CRPD door de EU en de lidstaten

4.1

Het EESC heeft op 21 september 2011 een resolutie aangenomen waarin de Europese strategie voor personen met een handicap 2010-2020 wordt toegejuicht als een van de voornaamste beleidsinstrumenten om het CRPD uit te voeren in de EU. Ook bevat deze resolutie een oproep aan de Commissie om erop toe zien dat vigerende en toekomstige secundaire wetgeving strookt met het CRPD en personen met een handicap participatie en betrokkenheid garandeert (9).

4.2

Thans dringt het EESC aan op een grondige en op participatie berustende herziening van de toepassing van deze gehandicaptenstrategie, waarvoor ook nieuwe doelstellingen en streefcijfers moeten worden vastgelegd.

4.3

De Raad en het Europees Parlement zouden de uitvoering van het CRPD moeten mainstreamen in het MFK (meerjarig financieel kader) van de EU. Op die manier kan ervoor worden gezorgd dat nog niet één eurocent wordt uitgegeven aan ontoegankelijke projecten of infrastructuurvoorzieningen.

4.4

Verder zouden de Raad en het Europees Parlement:

in de verordeningen voor de structuurfondsen meer regelingen ter uitvoering van het CRPD moeten treffen of bepalingen in die zin moeten handhaven, vooral als het gaat om de ex ante-voorwaarden (10) en de partnerschaps- en horizontale beginselen;

bepalingen voor toegankelijkheid in de Faciliteit voor Europese verbindingen en de TEN-T-verordeningen moeten opnemen (11);

erop moeten toezien dat Horizon 2020 (12) de garantie vormt dat bij door de EU gesubsidieerd onderzoek niet wordt voorbijgegaan aan personen met een handicap. Dit laatste kan door de deelname daaraan van gebruikers en de toegankelijkheid van de resultaten van onderzoek te bevorderen en door nieuwe en vernieuwende denkbeelden te opperen over de vraag hoe het CRPD in EU-recht en -beleid, en in werkgelegenheid kan worden omgezet;

in hun programma's voor ontwikkeling en humanitaire hulp handicapgerelateerde bepalingen moeten opnemen.

4.5

De Commissie zou een regeling moeten treffen waardoor uitmuntendheid bij de uitvoering van het CRPD wordt beloond in door de EU gefinancierde projecten voor de uitwerking van toegankelijkheidsoplossingen voor en de integratie van personen met een handicap.

4.6

Er zij ook herinnerd aan de bepalingen inzake personen met een handicap die in de Europa 2020-strategie (met name in de derde pijler „sociale integratie”) en de digitale agenda zijn opgenomen. Ook zou de uitvoering van het CRPD moeten worden gemainstreamd in alle vlaggenschipinitiatieven.

4.7

Zorgwekkend is dat de bezuinigingsmaatregelen die in veel lidstaten zijn genomen, ook ten koste gaan van personen met een handicap en hun gezinsleden en nu al tot nog meer sociale uitsluiting, discriminatie, ongelijkheid en werkloosheid leiden. De crisis mag niet worden aangegrepen om de uitvoering van het CRPD op de lange baan te schuiven.

4.8

De Europese Raad zou een echte groeistrategie moeten goedkeuren waarin maatregelen voor kansarme groepen, zoals personen met een handicap, zijn verwerkt: maatregelen om de banengroei te stimuleren, zorgvoorzieningen om zelfstandig leven en participatie in de samenleving te vergemakkelijken (waarbij ook aandacht moet worden geschonken aan mensen die pas op oudere leeftijd gehandicapt worden), maatregelen voor de totstandbrenging van toegankelijke infrastructuurvoorzieningen enz.

4.9

De lidstaten zouden maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat personen met een handicap toegang krijgen tot de arbeidsmarkt door fiscale stimulansen voor ondernemingen, dat ondernemerschap wordt bevorderd, dat banen voor andere kunnen worden ingewisseld en dat personen met een handicap evenveel recht hebben op sociale bescherming en naleving van de rechten van werknemers.

4.10

Het EESC wenst te worden geraadpleegd over het voorstel van de Commissie voor een ambitieuze Europese Akte voor toegankelijkheid met een zo breed mogelijk toepassingsgebied, waarin van openbare en particuliere dienstverleners en van fabrikanten wordt geëist dat zij volledige toegankelijkheid garanderen. Ook zou in die Akte een heldere en uitgebreide definitie van het begrip „toegankelijkheid” moeten zijn opgenomen. Die definitie moet gelden voor de virtuele én de gebouwde omgeving, moet ruimte laten voor interoperabiliteit en verenigbaarheid met ondersteunende technologie en moet gekoppeld zijn aan Europese normen.

4.11

De Raad zou zich moeten blijven buigen over het voorstel voor een richtlijn inzake de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling ongeacht iemands geslacht, godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele voorkeur. Dit voorstel zou moeten worden aangepast aan de bepalingen van het CRPD door daarin de definities van de begrippen „handicap” en de daarmee geassocieerde „discriminatie” op te nemen. Ook zou daarin discriminatie in de toegang tot financiële dienstverlening en verzekeringen moeten worden verboden, zou moeten worden stilgestaan bij de toegang tot onderwijs en zou er een duidelijk onderscheid moeten worden gemaakt tussen behoorlijke voorzieningen om iemand toegang te verzekeren, en toegankelijkheid in het algemeen waarvoor van tevoren voor de doelgroep bestemde voorzieningen moeten worden getroffen.

4.12

De behoeften van personen met een handicap moeten in alle programma's, strategieën en beleidsvormen van de EU worden gemainstreamd, met speciale aandacht voor vrouwen, kinderen, gediscrimineerde groepen zoals etnische of religieuze minderheden, homoseksuele mannen en vrouwen, en ouderen.

4.13

Het interne EU-recht en het beleid van de EU moeten zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming worden gebracht doordat het CRPD wordt gemainstreamd in de externe betrekkingen en de ontwikkelings- en humanitaire hulp van de EU. Daartoe moeten o.m. ad- hocrichtsnoeren worden uitgewerkt.

4.14

Belangrijk is vooral dat de EU en de lidstaten met een eensluidend standpunt komen in VN-discussies die gevolgen hebben voor personen met een handicap. Op die manier kan er bijvoorbeeld voor worden gezorgd dat de rechten van personen met een handicap worden meegenomen in het standpunt van de EU over de post-millenniumdoelen voor ontwikkeling en dat personen met een handicap worden vermeld in de vierjaarlijkse alomvattende herziening van het beleid.

4.15

De EU zou zijn met het CRPD aangegane verbintenis ook moeten uitdragen in andere multilaterale fora, zoals de onderhandelingen die momenteel in de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom over de hervorming en liberalisering van auteursrechten worden gevoerd.

4.16

Het tot dusverre verzette werk in de dialoog tussen de VS en de EU om in het kader van de Nieuwe Trans-Atlantische Agenda beleidsopties uit te wisselen met het oog op een hervormd gehandicaptenbeleid, verdient alle lof. Met het oog op de aanstaande ratificering door de VS zou die dialoog verder moeten worden uitgebreid als extra bijdrage aan de bevordering van het wereldwijde hervormingsproces.

4.17

De Commissie moet erop toezien dat de relevante diensten in ieder directoraat-generaal met de mainstreaming van de uitvoering van het CRPD bij de uitwerking van beleid en wetgeving worden belast.

4.18

Het secretariaat-generaal van de Commissie zou een instrument moeten ontwikkelen voor een effectbeoordeling van alle nieuwe wetgevingsvoorstellen met betrekking tot de rechten van personen met een handicap, waarvan een onderdeel zou moeten worden gewijd aan de CRPD-rechten bij cursussen voor nieuw personeel en her- of bijscholing.

4.19

Overeenkomstig de preambule (par. (o)) en artikel 4, lid 3, van het CRPD moeten personen met een handicap in de gelegenheid worden gesteld om actief te participeren in de besluitvorming over beleid en programma’s die hen aangaan. Het EESC dringt er bij de instellingen van de EU en de nationale regeringen op aan om daartoe adequate procedures in het leven te roepen.

5.   Monitoring van het CRPD in de EU

5.1

In artikel 33, lid 2, van het CRPD staat dat staten die verdragsluitende partij zijn, „op hun grondgebied een kader, met onder meer een of meer onafhankelijke instanties, al naargelang, (onderhouden en versterken) om de uitvoering van dit Verdrag te bevorderen, te beschermen en op te volgen of wijzen daarvoor een instantie aan of richten die op”.

5.2

Het EESC dringt er bij de Raad op aan om een dergelijk kader, middels een besluit, formeel in het leven te roepen.

5.3

Als een dergelijke instantie wordt aangewezen of opgericht, moeten de staten die verdragsluitende partij zijn, het beginsel van Parijs in acht nemen. Dit beginsel heeft betrekking op de rechtspositie en werking van nationale instanties die zich inzetten voor de bescherming en bevordering van mensenrechten.

5.4

Het is voor het EESC vooral van belang dat het kader onafhankelijk is van het contactpunt en de coördinatieregeling die binnen de EU in het leven zijn geroepen, en dat voor iedere deelnemer daaraan een mandaat wordt vastgelegd, alsook een budget om de daaraan verbonden taken te kunnen vervullen.

5.5

Er moeten duidelijke regels worden gesteld voor de gestructureerde raadpleging van de partijen die binnen de grenzen van hun respectieve rol aan het kader deelnemen, vooral als wetgeving wordt uitgewerkt.

5.6

Artikel 33, lid 3, van het CRPD stelt: „Het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen, wordt betrokken bij en participeert volledig in het monitoringproces.” Dit geldt ook voor het contactpunt en de coördinatieregeling die door de Raad in het leven wordt geroepen om het CRPD uit te voeren.

5.7

Het Europees gehandicaptenforum, de overkoepelende organisatie die in Europa 80 miljoen personen met een handicap vertegenwoordigt, zou moeten worden betrokken bij de monitoring van het CRPD in EU-verband en bij alle beleids- en besluitvorming in de EU met gevolgen voor het leven van personen met een handicap.

5.8

Samenwerking is het instrument bij uitstek om duurzame sociaaleconomische ontwikkeling te bewerkstelligen. Een dergelijk „partnerschap” moet worden gebaseerd op een langetermijnperspectief van reële participatie door het maatschappelijk middenveld en moet gepaard gaan met voortdurende capaciteitsopbouw bij alle partners en een toereikend budget voor participatie (13).

5.9

De EU moet in haar toekomstige financieringsprogramma voor rechten en burgerschap beslist ook middelen uittrekken voor steun aan de uitvoering van het CRPD. Dat budget moet ook worden bestemd voor capaciteitsopbouw en voldoende financiële ondersteuning van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen.

5.10

Het EESC ziet het belang in van de uitwerking van een EU-kader voor de uitvoering van het CRPD, omdat daarvan een voorbeeldfunctie kan uitgaan voor landen buiten de EU, vooral in het geval van landen die samen een regionale organisatie vormen.

5.11

De EU moet begin 2013 haar eerste periodieke verslag voorleggen aan de VN-commissie inzake personen met een handicap. Het EESC maakt zich er al klaar voor om, naast een breed scala aan andere stakeholders, waaronder het maatschappelijk middenveld en gehandicaptenorganisaties, door de Commissie met het oog op de voorbereiding van dit verslag te worden geraadpleegd.

5.12

Het EESC is ingenomen met alle acties die de Commissie en Eurostat voorstellen om de vergaring van gegevens en uitvoerige statistieken en indicatoren over personen met een handicap te verbeteren en uit te breiden, zodat doeltreffender beleid kan worden uitgestippeld en de uitvoering daarvan beter kan worden opgevolgd. Het kijkt uit naar de publicatie van de gegevens uit het ad hoc aan personen met een handicap gewijde hoofdstuk van de Enquête Beroepsbevolking 2011. De Commissie, Eurostat, het Agentschap voor de grondrechten en de lidstaten zouden stelselmatig in alle grote enquêtes een onderdeel „personen met een handicap” moeten opnemen en zouden gerichte onderzoeken en indicatoren moeten opzetten waardoor de interactie tussen personen met een handicap en de belemmeringen die zij in hun dagelijkse leven tegenkomen, kan worden gemeten, alsook de impact van maatregelen om die belemmeringen op te heffen.

5.13

De EU en de lidstaten zouden beslist campagnes moeten voeren om overheidsinstanties op alle bestuursniveaus, particuliere ondernemingen, de media, universiteiten en onderzoekscentra, scholen, sociale en zorgdiensten van de aan het CRPD ontleende rechten en plichten te doordringen.

5.14

De lidstaten zouden moeten garanderen dat het CRPD op de diverse niveaus waarop besluiten worden genomen, wordt uitgevoerd, en wel door de bepalingen van dit verdrag te mainstreamen in wetgeving, beleid en bestuurlijke besluiten en door op dit CRPD geijkte actieplannen voor personen met een handicap uit te werken.

5.15

Het EESC breekt een lans voor partnerschappen tussen vakbonden, werkgeversorganisaties, sociaaleconomische organisaties en organisaties van personen met een handicap om personen met een handicap, in overeenstemming met het CRPD, meer kans op een baan te bieden.

6.   Het CRPD in eigen kring uitvoeren

6.1

Het EESC is ervan overtuigd het nodige te moeten doen om het CRPD in eigen kring uit te voeren en de daaraan verbonden verplichtingen na te komen. Dit betekent met name dat:

de aanwerving van personen met een handicap wordt bevorderd, ook met behulp van een programma voor stagiairs en dat aanvragen voor detachering van nationale deskundigen met een handicap welwillend worden bekeken;

personen met een handicap bij aanwerving niet worden gediscrimineerd;

personen met een handicap toegang krijgen tot arbeidsbemiddeling, beroepsopleiding en voortdurende scholing;

de toegankelijkheid van gebouwen, websites, ICT-instrumenten en documenten wordt verbeterd;

personeelsmedewerkers, leden en deskundigen behoorlijke voorzieningen, inclusief persoonsgebonden assistentie, krijgen aangeboden;

voor personeelsmedewerkers cursussen worden georganiseerd om hen meer bewust te maken van de gehandicaptenproblematiek en kennis over het CRPD bij te brengen, ook met behulp van een brochure en een video over de mainstreaming van de uitvoering van het CRPD;

wordt deelgenomen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep voor de uitvoering van het CRPD;

het gehandicaptenaspect wordt gemainstreamd in al zijn werkzaamheden.

6.2

De rechten van personen met een handicap zouden moeten worden meegenomen in alle adviezen van het EESC die gevolgen hebben voor het leven van personen met een handicap.

6.3

De rechten die personen met een handicap aan het CRPD ontlenen, moeten worden gemainstreamd in de werkzaamheden van alle afdelingen, omdat die rechten raakvlakken hebben met alle gebieden van de sociale, culturele en economische bedrijvigheid.

6.4

In dit verband wijst het EESC op de noodzaak om een stuurgroep voor de uitvoering en monitoring van het CRPD op te richten. De bedoeling van deze stuurgroep zou zijn om de diverse EU-instellingen verslag te laten uitbrengen van hun werkzaamheden en het oor te luisteren te leggen bij het maatschappelijk middenveld, en dan vooral bij het Europese Gehandicaptenforum, de organisatie die personen met een handicap vertegenwoordigt. De standpunten van die maatschappelijke organisaties zouden in aanmerking moeten worden genomen bij de voorbereiding en opstelling van het verslag dat de EU bij de VN-commissie inzake personen met een handicap moet uitbrengen. Door al die instanties erbij te betrekken, zou de stuurgroep zich een onafhankelijk standpunt kunnen vormen over de vorderingen die met de uitvoering van het CRPD worden gemaakt.

6.5

Het EESC heeft een rol te spelen in het streven naar meer democratische legitimiteit voor de EU. Daarom komt het op voor participatiedemocratie en de rol van het maatschappelijk middenveld.

6.6

Er zou een orgaan moeten worden opgericht dat de dialoog tussen de instellingen en organen van de EU en het maatschappelijk middenveld over de uitvoering van het CRPD in EU-verband stimuleert en coördineert.

6.7

Het EESC beveelt aan dat het als bijdrage aan het verslag dat de EU aan de VN-commissie inzake de rechten van personen met een handicap moet voorleggen, een advies uitbrengt.

Brussel, 12 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2011) 665 final.

(2)  http://ec.europa.eu/research/horizon2020/index_en.cfm

(3)  PB C 376 van 22.12.2011, blz. 81-86.

(4)  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 2-6.

(5)  2010/48/EG.

(6)  16243/10 van 29 november 2010.

(7)  Zie SEC(2011) 567 final.

(8)  Op 6 december 2011 heeft Commissievoorzitter Barroso de Staat van de Unie inzake personen met een handicap bijeengeroepen, waaraan is deelgenomen door Herman Van Rompuy, voorzitter van de Europese Raad, Jerzy Buzek, voorzitter van het Europees Parlement, en Yannis Vardakastanis, voorzitter van het Europees Gehandicaptenforum.

(9)  PB C 376 van 22.12.2011, blz. 81-86.

(10)  Ex ante-voorwaarden betreffende het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, „toegankelijkheid” en „zelfstandig leven” waren al opgenomen in het Commissievoorstel.

(11)  COM(2011) 665 final.

(12)  http://ec.europa.eu/research/horizon2020/index_en.cfm

(13)  PB C 44 van 11.2.2011, blz. 1-9.


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/36


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Europees Jaar van de geestelijke gezondheid — Beter werk en meer levenskwaliteit (initiatiefadvies)

2013/C 44/06

Rapporteur: Bernd SCHLÜTER

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 12 juli 2012 besloten om, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over het

„Europees Jaar van de geestelijke gezondheid — beter werk en meer levenskwaliteit”.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 23 november 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn 485e zitting op 12 en 13 december 2012 (vergadering van 13 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 74 stemmen voor en 1 stem tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en aanbevelingen

1.1

Geestelijke gezondheid is een wezenlijk bestanddeel van de levenskwaliteit en het welzijn van eenieder in de EU. De WHO definieert geestelijke gezondheid als: „Een toestand van welbevinden die een persoon toelaat zijn/haar mogelijkheden te verwezenlijken, de normale lasten van het leven te dragen, productieve arbeid te verrichten en bij te dragen aan de gemeenschap waarvan hij/zij deel uitmaakt (1)”. Economische gegevens, zoals het bbp, zijn als maat voor de geestelijke gezondheid ontoereikend. Miljoenen mensen voelen zich door de huidige crisis bedreigd in de kern van hun bestaan, kampen met een zingevingscrisis en/of hebben geen baan meer. Dit alles beïnvloedt het suïciderisico. Met andere woorden, meer nog dan abstracte financiële aspecten is psychische stabiliteit een bepalende factor voor het levensgeluk van zeer veel mensen. Het is een belangrijke voorwaarde voor de intellectuele en emotionele ontwikkeling van iedereen, alsmede een belangrijke bron van sociale cohesie, maatschappelijk welzijn en economische voorspoed.

1.2

Doel van het initiatief is bevordering van de geestelijke gezondheid, in de meest brede zin van het woord, en van het bewustzijn hieromtrent. Naast chronische en acute psychische aandoeningen of handicaps vallen hier ook gezondheidsondermijnende psychische belastingen onder, al dan niet met lichamelijke oorzaken of gevolgen, die als zodanig niet als ziekte geclassificeerd worden. Geestelijke gezondheid kent veel uiteenlopende facetten, die beïnvloed worden door medische en sociaalpolitieke aspecten, maar ook door aspecten gerelateerd aan de levenssituatie, zoals werk, leeftijdscategorie (jongeren/ouderen) en armoede.

1.3

Geestelijke gezondheidsproblemen kunnen verschillende oorzaken en gevolgen hebben, zoals trauma's, belastende jeugdervaringen, drugsgebruik, overbelasting, werkloosheid, dakloosheid en sociale uitsluiting, al dan niet in combinatie met een genetische aanleg. Even zo breed is het palet van mogelijke remedies en relevante beleidsterreinen. Een inclusief beleid en dito economie mogen niet voorbijgaan aan deze oorzaken, waar in veel gevallen wel degelijk iets aan te doen valt. De sociale economie, het maatschappelijk middenveld en nieuwe concepten van maatschappelijk verantwoord ondernemen kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Preventie, vroegtijdige diagnose en behandeling van psychische aandoeningen moeten multidisciplinair worden opgezet (d.w.z. een combinatie van psychotherapeutische, medische en sociaaleconomische benaderingen). In de opleiding van gezondheidswerkers, opvoeders, leerkrachten en leidinggevenden moet meer aandacht worden besteed aan psychische klachten en aandoeningen. Bevordering door de overheid van een gezondere werkplek en een moderne bedrijfscultuur kunnen eveneens bijdragen tot versterking van de positie van mensen met geestelijke gezondheidsproblemen en helpen om arbeidsgerelateerde problemen te verminderen.

1.4

Voorop staat dat de netwerken van maatschappelijk actieve burgers, vrijwilligers, mantelzorgers en beroepskrachten moeten worden versterkt en dat de betrokkenen zelf en hun verenigingen een actief aandeel krijgen in het geheel. Preventie en bewustmaking zijn een maatschappelijke taak. Vrijheidsbeperking en klinische verpleging kunnen vaak worden vermeden met ambulante hulpverlening in de woonomgeving en projecten voor begeleid wonen. Er is grote behoefte aan Europese aanbevelingen en succesvolle praktijkvoorbeelden m.b.t. zaken als een adequate afbouw van de institutionele zorg of reducering van het medicijnverbruik, waardoor de opbouw van buurtvoorzieningen en andere vormen van alternatieve hulp- en dienstverlening kunnen worden bevorderd. De middelen die hierdoor vrijkomen voor wetenschap en onderzoek, zouden sterker kunnen worden gericht op het behoud van de geestelijke gezondheid. Ook voor financieel minder sterke lidstaten zijn zulke hervormingen en nieuwe prioriteitenstellingen haalbaar.

1.5

De problematiek moet in de hele EU onder de aandacht van het grote publiek worden gebracht, bijv. in de kleuterklas en op school, in het bedrijfsleven, onder artsen en in zorg- en verpleeginstellingen. Antistigmatiseringscampagnes en niet-discriminerend taalgebruik in de media kunnen ertoe bijdragen dat mensen met geestelijke gezondheidsproblemen minder worden gediscrimineerd. De gezondheidstoestand heeft tevens aanzienlijke economische gevolgen, al zijn die vergeleken met de meer ingrijpende persoonlijke implicaties als secundair te beschouwen (2). Wat nader moet worden belicht, zijn de sociale, politieke en economische belangen en structuren die het probleem versterken. Ook moet nader worden onderzocht hoe door een doelmatige ontwikkeling van zorgstructuren waarin de mens centraal staat, en door ondersteuning van het gezin als eerste leerplaats in het leven van een mens inclusie actief kan worden bevorderd. Dit alles dient te gebeuren met sterkere inachtneming en explicietere ondersteuning van de vorderingen op het gebied van de medische wetenschap, de professionele en vrijwillige hulpverlening en de op gezondheidspreventie gerichte bedrijfsmodellen.

2.   Achtergrond

2.1

De psychische ziekten die het meest voorkomen in Europa zijn angststoornissen, depressies en verslavingen. Volgens onderzoek uit 2010 (3) lijdt 38 % van de Europese bevolking aan een psychische aandoening. In 2005 bedroeg dit percentage al 27 % (4). Jaarlijks sterven 58 000 mensen door zelfmoord. Depressies zullen tegen 2020 de op één na meest voorkomende ziekte zijn in de industrielanden (5). Zo nam het ziekteverzuim van de aangeslotenen bij een groot Duits ziekenfonds (6) op grond van psychische klachten van 2006 tot 2009 met 38 % toe bij werkenden en met 44 % bij werkzoekenden. Het aantal voorschriften voor „medicijnen ter behandeling van zenuwaandoeningen”, waaronder antidepressiva, steeg in die periode met 33 % (7). Ook in Groot-Brittannië noteert 44 % van de werkgevers een toename van de psychische gezondheidsproblemen en 40 % een toename van verzuimde werkdagen als gevolg van stress (8).

2.2

Tot dusverre is er nog geen Europees Jaar gewijd aan mensen met geestelijke gezondheids- en welzijnsproblemen. Vooroordelen m.b.t. mentale problemen en psychosociale stoornissen en stigmatisering in het maatschappelijke leven of op het werk zijn echter nog steeds aan de orde van de dag. In het kader van de Europa 2020-strategie wordt vanuit het streven naar inclusie en duurzame groei aangedrongen op bevordering van de sociale integratie van deze groep en gepleit voor speciale EU-gezondheidsprogramma's. Bovendien biedt het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (het allereerste internationale mensenrechteninstrument dat door de EU is ondertekend) mensen met een psychosociale handicap een duidelijke reeks rechten. De in dit verdrag verankerde rechten dienen in het kader van alle relevante EU-beleidsmaatregelen en -activiteiten gerespecteerd en gehandhaafd te worden. Een Europees Jaar wijden aan geestelijke gezondheid en welzijn zou dan ook een manier zijn om de nodige aandacht hieraan te schenken.

2.3

Sinds medio jaren '90 lopen er in het Europese gezondheidsbeleid verscheidene projecten rond deze problematiek, waarin het fundamentele belang van geestelijke gezondheid nadrukkelijk wordt erkend (9). En in 2005 is de Commissie een raadplegingsronde opgestart op basis van het groenboek geestelijke gezondheid (10).

2.4

Het EESC bekrachtigt zijn standpunt over het groenboek (11) en benadrukt dat geestelijke gezondheid en het belang hiervan voor individu en samenleving wezenlijke onderdelen zijn van het begrip gezondheid. De Unie, die zichzelf als een gemeenschap van waarden ziet, beschouwt de geestelijke gezondheid als een belangrijke bron van sociale samenhang en maatschappelijke participatie van álle burgers. Het VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap vertrekt eveneens vanuit dit principe. De hierin vervatte mensenrechtennormen moeten het voor mensen met een handicap mogelijk maken als volwaardige burgers deel te nemen aan de samenleving.

2.5

De Commissie houdt zich daarnaast in samenhang met het economische, arbeidsmarkt- en volksgezondheidsbeleid bezig met het thema van de geestelijke gezondheid. Het verzekeren van een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid is overeenkomstig art. 168 van het VWEU een taak van alle EU-beleidsonderdelen. Met een Europees Jaar van de geestelijke gezondheid zou de EU bovendien voldoen aan de in art. 6 van het VWEU vastgelegde taak om op Europees niveau „het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen […][ter] bescherming en verbetering van de volksgezondheid”.

2.6

In het kader van de EU-strategie ter bevordering van de geestelijke gezondheid is o.a. de uitwerking van een Europees pact voor geestelijke gezondheid en welzijn (2008) (12) gesteund, dat als basis heeft gediend voor de conclusies van de Raad van juni 2011 (13).

2.7

De thematische conferenties die in het kader van de EU-strategie zijn gehouden, waren niet echt geschikt om een groot publiek aan te spreken en de burger bewust te maken van de geestelijke gezondheidsproblematiek. Een Europees Jaar zou daarin wel slagen. Overheidsinstanties op de diverse niveaus zouden zich met het thema bezig gaan houden evenals maatschappelijke organisaties met hun meervoudige rol als deskundige, voorlichter en sociale onderneming. Zo'n Europees jaar van de geestelijke gezondheid moet in overeenstemming met het VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap worden opgezet. Personen met geestelijke gezondheidproblemen of een geestelijke beperking moeten voor de wet op voet van gelijkheid met anderen worden erkend en in alle levenssferen hun wettelijke vrijheden en handelingsbekwaamheid volwaardig kunnen uitoefenen (vgl. art 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap).

2.8

Veel mensen met geestelijke gezondheidsproblemen krijgen niet de behandeling, revalidering en maatschappelijke hulp die zij professioneel en ethisch gezien nodig hebben, ondanks de aanzienlijke ontwikkelingen die de medische wetenschap en sociale dienstverlening hebben doorgemaakt. Geestelijke gezondheid is in veel gevallen geen prioriteit van het gezondheidsbeleid. In plaats van de zorgstructuren uit te bouwen worden de basisdienstverlening en behandelingsmogelijkheden veelal teruggeschroefd en de tarieven verhoogd, met name in tijden van crisis en een krappe begroting. Maar juist in tijden van economische crisis zijn investeringen in participatie, onderwijs en sociale economie nodig en mag het niet zo zijn dat de overheid zich als partner terugtrekt uit de welvaartsstaat.

Vooral bij acute problemen zijn wachtlijsten en lange afstanden contraproductief. Klinische behandeling en vrijheidsbeperking dienen tot een noodzakelijk minimum beperkt te worden ten gunste van ambulante hulpverlening, ontmoetings- en adviescentra en medische behandelingsmogelijkheden ter plaatse. De autonomie van mensen met geestelijke gezondheidsproblemen moet worden versterkt met wettelijk vastgelegde zorgaanspraken en concepten die niet dienen ter vervanging van iemands recht om zelf te beslissen, maar de betrokkenen juist steunen om zelf te bepalen wat ze nodig hebben, ook qua hulp en psychisch-medische zorg, zonder dat hun handelingsbekwaamheid wordt aangetast. De indeling in ziektecategorieën, de eenzijdige doorverwijzing naar de psychiatrische zorg, de toediening van psychopharmaca en het toepassen van dwang dienen voorwerp te zijn van een stelselmatige kritische evaluatie op basis van de principes van de rechtsstaat en de mensenrechten. Voor alle types van residentiële zorg en vormen van begeleid en beschermd wonen dienen deelname aan het maatschappelijk leven, een zinvolle bezigheid en een gestructureerde dagindeling deel van het concept uit te maken. Er moet sterker rekening worden gehouden met de invloed van psychopharmaca op het vermogen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven en op het ziektecijfer. De toegankelijkheid van de hulpverlening mag niet lijden onder versnippering van de zorgstructuren en bureaucratische, tijdrovende aanvraagprocedures. Er is behoefte aan laagdrempelige gespecialiseerde hulpverlening voor crisissituaties en zelfmoordpreventie. In heel Europa moeten nationale alarmnummers en andere passende interventiemogelijkheden worden ingevoerd.

2.9

Wat men ook niet uit het oog mag verliezen is de wisselwerking tussen sociaaleconomische positie, werkloosheid en ziekteverschijnselen. Sommige mensen met geestelijke gezondheidsproblemen zijn bovendien aangewezen op financiële middelen en hulp van anderen om een kwaliteitsvol bestaan te kunnen leiden. Als eventuele thema's voor een Europees Jaar moeten dan ook zeker het bevorderen van de participatiemogelijkheden en de versterking van de rechtspositie van personen met een chronische psychische aandoening of een verstandelijke handicap worden meegenomen.

2.10

De hulpverlening aan mensen met geestelijke gezondheidsproblemen dient tevens rekening te houden met levensbeschouwelijke, religieuze, pastorale en sprituele behoeften en geaardheden.

2.11

Sociale factoren hebben een niet te onderschatten invloed op het behoud van de geestelijke gezondheid. Fatsoenlijk werk neemt daarbij een centrale plaats in als zingevende en identiteitsbepalende bezigheid. Tegenwoordig worden de dagelijkse levens- en werkomstandigheden in zekere zin niet langer bepaald door beproefde culturele tradities en democratische besluitvormingsprocessen op gemeenteniveau, maar door economische keuzes en structuren op centraal niveau. Van belang is dat er in het economische en structuurbeleid aandacht komt voor de geestelijke gezondheid van mensen en voor doelstellingen als leefbare, inclusieve woonwijken en menswaardige arbeidsomstandigheden.

2.12

De huidige meerkeuze-, media- en consumptiemaatschappij biedt de moderne mens nieuwe mogelijkheden, maar leidt ook tot nieuwe stressfactoren. Een probleem is o.a. dat de onderwijsstelsels veelal niet in staat zijn om te voldoen aan de dringende vraag naar een hoogwaardige ethische, cognitieve en sociale scholing, hoewel daardoor juist wordt bijgedragen tot de zelfstandigheid en het geestelijk evenwicht van de mensen. De sociale relaties worden steeds losser waardoor mensen steeds minder kunnen terugvallen op externe ressourcen, zoals vrienden, familie en collega's. Frequente wisselingen van werk en woonplaats, werkloosheid en een toenemende vrijblijvendheid in persoonlijke relaties maken het er ook al niet gemakkelijker op om een sociaal netwerk in de directe woonomgeving uit te bouwen. Des te belangrijker is het dat mensen met psychische gezondheidsproblemen en hun verenigingen zelf actief deel hebben aan de ontwikkeling van hulp- en netwerkstructuren.

2.13

Wanneer het evenwicht tussen eigen verantwoordelijkheid en sociale zekerheid verstoord raakt, is er een grotere kans op geestelijke gezondheidsproblemen. Wat te denken bijv. van stimuli om mensen aan het werk te krijgen die zonder effect blijven bij gebrek aan arbeidsplaatsen of door een structureel gebrek aan mogelijkheden voor startende ondernemers? Ook dakloosheid en psychische problemen hangen vaak nauw samen. De hulpverlening moet hier werken vanuit een dubbele focus. Ouders met een precair arbeidscontract en hun kinderen gaan gebukt onder een meervoudige belasting als gevolg van onzekerheid, armoede, opvoedingsvereisten, tijdnood en stress thuis. De hulpverlening moet dienovereenkomstig breed zijn en bijv. ook pedagogische ondersteuning van overheidswege en een recreatieaanbod voor gezinnen omvatten. Factoren als een hoge overheidsschuld, economische problemen, afbraak van de sociale zekerheid en grote werkloosheid versterken het risico op depressies, angsttoestanden en dwangneuroses aanzienlijk. In elf EU-lidstaten is het zelfmoordcijfer in de eerste helft van 2011 met meer dan 10 % gestegen. Gerichte investeringen in sociale zekerheid en sociale dienstverlening zouden hierin de nodige verandering kunnen brengen (14).

3.   Geestelijke gezondheid in de diverse levenssferen

3.1   Op de werkplek

3.1.1

Arbeidscontracten die worden verbroken, frequente herstructureringen, alomtegenwoordige bereikbaarheid, tijdsdruk, overbelasting en de steeds hogere flexibiliteits- en mobiliteitseisen zijn stuk voor stuk factoren die een belasting vormen voor de geestelijke gezondheid (15). Statistische gegevens over arbeidsongeschiktheid in Nederland laten zien dat psychische gezondheidsproblemen in 2010 de voornaamste reden voor langdurig ziekteverlof (ca. 55 dagen) waren. In Groot-Brittannië schat de Health and Safety Executive (16) het verzuim als gevolg van arbeidsgerelateerde stress op ca. 9,8 miljoen werkdagen (2009-2010) en neemt iedere persoon die last heeft van arbeidsgerelateerde stress, gemiddeld 22,6 dagen ziekteverlof op. In 2010-2011 bedroeg het verzuim 10,8 miljoen werkdagen (17). Spanningen loeren eveneens om de hoek wanneer gezin, zorg voor familieleden, tijd voor culturele, sportieve en mentale ontspanning en werk zich moeilijk laten combineren. In diverse landen is zorgverlof ingevoerd en is bepaald dat werknemers een x-aantal dagen vrij mogen nemen om te zorgen voor een familielid. Vaak ook worden ondernemingen geconfronteerd met problemen die niet arbeidsgerelateerd zijn. Succesvolle bedrijfsmodellen op het gebied van gezondheidspreventie, inclusie, deeltijdregelingen, assistentie op de werkplek en permanente (bij)scholing van leidinggevend en overig personeel dienen sterker te worden ondersteund van overheidswege. Innoverende ondernemingsculturen kunnen de kwaliteit van het werk en de producten eveneens vergroten. Proactief stressmanagement, gebaseerd op onderzoek naar en bestrijding van de factoren die stress veroorzaken, dient een vast onderdeel te zijn van een systematische preventiestrategie. Daarmee wordt toepassing gegeven aan de bepalingen van het Verdrag, van de Kaderrichtlijn 89/391/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk en van de kaderovereenkomst over stress op het werk die de Europese sociale partners in 2004 hebben gesloten.

Arbeids- en bestaansonzekerheid en de allesoverheersende druk die voortvloeit uit de arbeidsmarktstructuur, vormen een bijkomend gevaar. Er moeten duidelijke grenzen worden gesteld aan de concurrentiedruk om de arbeidsproductiviteit steeds meer op te schroeven ten koste van de arbeidsvoorwaarden. Vaak krijgen degenen die buitenspel komen te staan op de arbeidsmarkt, ook nog te horen dat zij zelf schuld zijn, zelfs als dat niet zo is. Net zoals de werkgever in de mate van het redelijke de nodige flexibiliteit mag verlangen van de werknemer, mag de werknemer de nodige flexibiliteit verlangen om werk en gezin en/of zorg te combineren alsmede in het geval van persoonlijke problemen (zorgplicht werkgever en benadering waarin de mens centraal staat). Mensen met geestelijke gezondheidsproblemen lopen bovendien meer risico hun baan te verliezen of als gevolg van hun ziekte arbeidsongeschikt te worden. Maatschappelijke vooroordelen spelen daarbij een belangrijke rol. Op deze manier gaan arbeidskrachten, algemene hulpmiddelen en toegevoegde waarde voor de gemeenschap verloren.

3.1.1.1

Zo zijn de huidige quotaregelingen voor personen met een handicap in sommige landen als instrument bij lange na niet voldoende. Er is een voortvarend arbeidsintegratiebeleid nodig waarbij zowel de vele mensen die momenteel buiten de boot vallen, als de samenleving baat hebben.

3.1.2

Om het thema uit de taboesfeer te halen dienen paritair samengestelde advies- en geschillenbeslechtingsinstanties te worden opgericht met steun van de overheid. Er moeten organen binnen bedrijven komen of externe instanties om de belangen van mensen met een handicap of geestelijke gezondheidsproblemen op de werkvloer te behartigen. Gepaste bescherming tegen ontslag, wettelijk geregelde arbeidsbescherming, werkloosheidsverzekeringen, een met publieke middelen ondersteund gezondheidsmanagementsysteem in bedrijven, plannen voor werkhervatting en een actief arbeidsmarkt- en gezinsbeleid dienen de risico's verder in te perken. Omgekeerd moet ten behoeve van de werkgever, met name in het mkb, worden gewaarborgd dat het concurrentievermogen wordt ontzien en omslachtige procedures worden vermeden en dat er kan worden teruggevallen op betrouwbare mechanismen voor overheidsfinanciering. Zowel in de beleidsvorming als bij de praktische uitvoering kunnen de organen die diensten van algemeen belang verlenen, welzijnsorganisaties en andere spelers op het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol spelen ter ondersteuning van personen met geestelijke gezondheidsproblemen, bedrijven en diensten voor arbeidsbemiddeling (18).

3.2   Kinderen en jongeren

3.2.1

Over geestelijke gezondheidsproblemen bij kinderen en jongeren zijn maar weinig nauwkeurige statistische gegevens beschikbaar. Dit komt onder meer omdat het moeilijk is om de grens te trekken tussen een psychische aandoening en „afwijkend gedrag” en omdat het lastig is om te bepalen of iemand behoefte heeft aan advies, opvoedkundige bijstand of een behandeling. In de praktijk is het doorgaans niet mogelijk om een onderscheid te maken tussen de verschillende behoeften; de overgangen zijn vloeiend. Zo noteert de Duitse Psychotherapeutenkammer (Vereniging van psychotherapeuten) een jaarlijkse prevalentie van 9,7 % (psychisch ziek) resp. 21,9 % (afwijkend gedrag) (19). Vastgesteld is ook dat de kans om een depressie te krijgen is toegenomen bij mensen die nog niet eerder een depressie hebben gehad, en dat de leeftijd waarop dit gebeurt daalt. Deskundigen constateren bij kinderen en jongeren steeds meer angst- en gedragsstoornissen en een onherroepelijke toename van het gebruik van psychopharmaca.

3.2.2

Op kinderdagverblijven en scholen zijn er intussen steeds meer kinderen en jongeren die hun school niet afmaken (14,4 % in de EU), afwijkend gedrag vertonen, concentratieproblemen hebben of agressief gedrag aan de dag leggen. Vaak gaat het om kinderen en jongeren met een complexe achtergrond, waarbij o.m. psychische problemen, het moeilijk kunnen weerstaan aan de verleiding van consumptieartikelen (20) en de media, verslaving aan de computer of andere zaken en een achterstand in de algemene ontwikkeling een rol spelen. Het stijgende gebruik van antidepressiva, methylphenidaten en soortgelijke geneesmiddelen op jonge leeftijd, bij kinderen en jongeren, is een alarmerende ontwikkeling. Op Europees niveau moeten hierover dringend statistische gegevens worden verzameld en naar alternatieve oplossingen worden gezocht.

3.2.3

Kinderen en jongeren alsook ouders worden steeds onzekerder. De kinder- en jeugdpsychiatrie kan dit niet oplossen, in ieder geval niet alleen. Hulpvoorzieningen, bedoeld voor de eerste levensjaren van kinderen, en ondersteuning van het gezin bij zijn centrale rol in de opvoeding zijn net zo belangrijk als ervoor zorgen dat de nodige vakbekwaamheid voorhanden is in kinderdagverblijven, bij kinderartsen en op scholen. Het helpt niet om elk gedragsprobleem te bestempelen als afwijkend gedrag en complexe persoonlijke en maatschappelijke problemen te reduceren tot een zaak van de medische wetenschap (21). Vanuit een preventieve benadering zou o.m. moeten worden gekeken naar factoren als individualisering, ongelijke onderwijskansen, werkloosheid, armoede, sociale uitsluiting, persoonlijke schaamte, ouders die de opvoeding niet aankunnen , en onderwijsstelsels die gebaseerd zijn op een vanaf de jongste jaren steeds sterker wordende onderlinge rivaliteit en op een beperking van de mogelijkheden van leerlingen die niet mee kunnen in deze concurrentieslag. Het is de gedeelde verantwoordelijkheid van alle maatschappelijke actoren om zich in te zetten voor een dynamische leefomgeving, een adequate visie op de educatie van jongerengoed geëquipeerde scholen en kinderdagverblijven, een permanent niet-commercieel aanbod aan vrijetijdsactiviteiten, jeugdhuizen, verenigingen, een cultureel programma en een hecht netwerk van professionele interdisciplinaire zorg. Via vroegtijdige onderkenning, preventie, voorlichting en therapie en ook controle over de toevoerwegen dient drugsgebruik systematisch te worden bestreden. Hierin investeren helpt onmetelijke persoonlijke en maatschappelijke schade te voorkomen. Integratie in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en bij andere vormen van zinvolle bezigheid dient wettelijk te worden gewaarborgd voor jongeren en adolsecenten. Voor de organen die diensten van algemeen belang verlenen, en voor welzijns- en maatschappelijke organisaties is hier zowel op beleids- als uitvoeringsniveau een belangrijke rol weggelegd.

3.3   Ouderen  (22)

3.3.1

Een van de voornaamste verklaringen voor de toename van het aantal geestelijke gezondheidsproblemen in het algemeen is de gestegen en nog steeds stijgende levensverwachting. Op hogere leeftijd nemen meervoudige somatische aandoeningen toe, hetgeen met een groter depressierisico gepaard gaat. Daarnaast is depressie vaak een bijverschijnsel van bepaalde ouderdomsziekten, zoals Alzheimer en Parkinson. Een dynamische en participatiebevorderende woon- en leefomgeving, ambulante sociale diensten in de nabije omgeving, mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen of om op een passende manier nog professioneel of zakelijk actief te zijn, en navenant ingerichte zorginstellingen zijn cruciaal om vereenzaming en gezondheidsproblemen te voorkomen. Belangrijk is dat sociale werkers, zorginstanties en artsen de nodige gerontopsychiatrische vakkennis opdoen. Op Europees niveau verdienen succesvolle praktijkvoorbeelden voor de omgang met mensen met dementie meer aandacht.

3.3.2

Ouderen worden doorgaans behandeld door de huisarts, die onvoldoende doorverwijst naar de neuropsychiater. Juist bij dementie en depressies is het echter van belang dat de ziekte zo vroeg mogelijk wordt onderkend. Dit betekent met andere woorden dat zorg voor ouderen multidisciplinair moet zijn. In de meeste bejaardentehuizen ontbreekt vakkundige psychiatrische zorg op regelmatige basis op dit moment nog steeds. Hetzelfde geldt voor andere instellingen die specifiek voor ouderen bedoeld zijn, bijv. adviescentra. Wij moeten ervoor zorgen dat de ontwikkelingen in de medische wetenschap, met name op het gebied van gerontologie en technische hulpmiddelen, aan eenieder die met geestelijke gezondheidsproblemen kampt, ten goede komt.

3.3.3

In het algemeen moeten de bijzondere karakteristieken van de kinder-, jeugd- en gerontopsychiatrie een grotere plaats ingeruimd krijgen in de opleidingen voor huisarts, psychiater en psychotherapeut.

4.   Antistigmatiseringsbeleid

4.1

Aandacht voor de mensenrechten dient een cruciale plaats in te nemen in een Europees Jaar van de geestelijke gezondheid. Medische en psychosociale diensten hebben een ondersteunende functie en moeten de betrokken persoon helpen zijn/haar zelfredzaamheid te vergroten (empowerment). De menselijke waardigheid en de rechten en plichten van het individu dienen bij de begeleiding van personen die in een crisis verkeren, voorop te staan. Voorts moet gewerkt worden aan capaciteitsopbouw bij beroepsbeoefenaars in verschillende soorten diensten teneinde hun inzicht in geestelijke gezondheidsproblemen en psychosociale stoornissen te vergroten.

4.2

Vaak erkennen mensen niet dat zij psychische problemen hebben, omdat er een maatschappelijk taboe op rust. De media dragen daar in belangrijke mate aan bij. Er wordt een beeld geschetst dat bij het grote publiek angst oproept, tot afweerreacties leidt en mensen wantrouwig maakt tegenover behandelingsmethoden die zinvol zouden zijn. Het is hoog tijd voor Europese campagnes om het onderwerp uit de taboesfeer te halen. Daarbij moet gefocust worden op de lange termijn en op preventie. Belangrijk is ook om medewerkers uit alle juridisch relevante sectoren (justitie, politie, overheid enz.) bij de campagnes te betrekken, zodat zij vakkundig en professioneel vanuit een zo goed mogelijke basis mensen met een psychische aandoening kunnen helpen. Ook bij de organisatie en financiering van de hulpverlening dient stigmatisering ten koste van alles te worden vermeden. Leren sterker te staan in het leven is een uitdaging voor de hele samenleving. Bevordering van ontmoetingen en contacten tussen mensen met geestelijke gezondheidsproblemen en mensen zonder psychiatrische achtergrond moet een centraal onderdeel van dit beleid vormen.

4.3

Ook op het werk moeten, als het even kan, geen gescheiden werelden worden gecreëerd waarin mensen met geestelijke gezondheidsproblemen worden „geparkeerd” zonder acht te slaan op hun eigen wensen en keuzes. Ten eerste moet iemand met geestelijke gezondheidsproblemen zelf kunnen beslissen of hij ondersteund wil werken in een beschutte werkplaats dan wel in het reguliere circuit. Arbeidsondersteunende voorzieningen binnen het bedrijf („supported employment”) (23) vergroten in veel gevallen de kans tot herstel van het arbeidsvermogen. De regel moet zijn dat voor de arbeidsprestatie een loon wordt betaald volgens het door de werkgevers- en werknemersorganisaties in onderling overleg overeen te komen CAO-tarief. Het past niet om mensen met een geestelijke gezondheidsproblemen of verstandelijk gehandicapten „zakgeld” te geven waarmee zij in hun elementaire levensonderhoud kunnen voorzien. Vermeld zij hier een relatief succesvol model voor de geleidelijke terugkeer naar het arbeidsleven, het zog. Hamburger model (24).

4.4

Door excessieve vrijheidsbeperkende maatregelen en dwangbehandelingen worden in de EU de rechten geschonden van mensen met geestelijke gezondheidsproblemen. De dwangbehandelingen vinden zonder instemming van de betrokkene plaats en mogelijkheden om een klacht in te dienen zijn nauwelijks voorzien bij wet. Cruciaal hier zijn deïnstitutionaliseringsprogramma's, ambulante hulpverlening dicht bij huis, toegang tot zorg zonder bureaucratische procedures, behandelingsovereenkomsten met inachtneming van de mensenrechten en een beleid om geestelijke gezondheidsproblemen uit de taboesfeer te halen, zulks in samenwerking met de betrokkenen zelf, die als ervaringsdeskundige het nodige hierover kunnen zeggen.

4.5

De EU-strategie voor geestelijke gezondheid moet dringend worden herzien. Het EESC acht het hoog tijd om te onderzoeken hoe groot precies de uitsluiting van mensen met geestelijke gezondheidsproblemen in het maatschappelijk leven en met name het arbeidsleven is. Daarnaast moet worden onderzocht hoe arbeidsongeschiktheid resp. verminderde arbeidsgeschiktheid kan worden vermeden door preventie en goede zorg. Een tweede punt dat het EESC onderzocht wenst te zien, is in hoeverre de integratie bemoeilijkt of verhinderd wordt door het taalgebruik in de medische wetenschap, de media en de samenleving.

4.6

Onderhavig initiatief biedt goede mogelijkheden om het thema „geestelijke gezondheid” bij een groter publiek onder de aandacht te brengen, de volgorde van de thematische prioriteiten op de politieke agenda te beïnvloeden en een gunstig klimaat te scheppen voor innovatieve ideeën waar iedereen profijt van heeft.

4.7

Om van het Europees jaar van de geestelijke gezondheid een succes te maken, moeten naast het EESC in de eerste plaats alle relevante actoren uit het maatschappelijk middenveld, met name psychiatrische zelfhulpgroepen en -verenigingen, en uit de gezondheidszorg hierbij betrokken worden, met daarnaast ook de relevante directoraten-generaal van de Commissie en afgevaardigden van het Europees Parlement en het Comité van de Regio's. Op nationaal niveau is het belangrijk om de bevoegde ministeries en de afgevaardigden van de nationale parlementen mee te krijgen. Over het algemeen dienen belanghebbenden een grotere stem te krijgen in de beleidsontwikkeling op de verschillende terreinen.

4.8

Wil het initiatief vrucht afwerpen in de lidstaten, dan moet ook het „actiekader voor de geestelijke gezondheid” in werking treden en een gemeenschappelijk referentiekader voor geestelijke gezondheidsmaatregelen in de zorg en het sociaal beleid alsmede op belangrijke terreinen als school en werk worden uitgewerkt. Om van elkaar te leren moeten, net als bij de open coördinatiemethode, peer reviews als instrument worden ingezet. De maatregelen moeten worden vertaald in rechtsvoorschriften, financiële regelingen, bijv. in het kader van het ESF, en rechten voor mensen met geestelijke gezondheidsproblemen en voor bedrijven. Onderzocht moet worden of een permanente waarnemingpost blijvend de aandacht op het probleem kan vestigen. EU-gezondheidsrapporten dienen meer Europese gegevens te bevatten over geestelijke gezondheidsproblemen, de aard van de hulp, het aantal ziektegevallen in de klinische psychiatrie en het gebruik van psychopharmaca. Men dient zich te verzekeren van de permanente steun van potentiële partners uit alle geledingen van de maatschappij. De bedoeling is niet dat het initiatief en het Europees Jaar slechts tijdelijk effect sorteren, maar dat er meer bewustwording komt rondom het thema en dat een en ander duidelijk ten goede komt aan mensen die met geestelijke gezondheidsproblemen kampen.

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  http://www.who.int/mediacentre/factsheets/fs220/en/ (geraadpleegd op 4.10.2012)

(2)  COM(2005) 484 final.

(3)  „The size and burden of mental disorders and other disorders of the brain in Europe 2010”, H.U. Wittchen et al., European Neuropsychopharmacology (2011) 21, blz. 655 – 679.

(4)  http://www.psychiatrie-psychotherapie.de/archives/14 (geraadpleegd op 15.8.2012)

(5)  Zie voetnoot 1.

(6)  Gezondheidsverslag 2010 van de Techniker Krankenkasse (ziekenfonds voor technici), Duitsland.

(7)  Zie voetnoot 6.

(8)  Catherine Kilfedder, British Telecom, EESC-hoorzitting, 30.10.2012.

(9)  „Action for Mental Health. Activities co-funded from European Community Public Health Programmes 1997–2004”.

(10)  Zie voetnoot 1.

(11)  COM(2005) 484 final.

(12)  Europees Pact voor geestelijke gezondheid en welzijn. Brussel, 12-13 juni 2008.

(13)  309e bijeenkomst van de Raad, EPSCO, 6.6.2011.

(14)  Perscommuniqué „Depressions and suicides: how to reduce the human cost of the crisis”, EP-persdienst, 25.6.2012 (niet vertaald in het Nederlands).

(15)  Gezondheidsverslag 2011 van het Bundesverband der Betriebskrankenkassen (BKK-federale verenigingen van bedrijfsziekenfondsen), Duitsland.

(16)  Health and Safety Executive, http://www.hse.gov.uk/

(17)  Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, Bilbao (Spanje).

(18)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 45-51.

(19)  Zie gegevens van de Bundespsychotherapeutenkammer, Duitsland op http://www.bptk.de/presse/zahlen-fakten.html (geraadpleegd op 15.8.2012)

(20)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 6-11.

(21)  Studiegroep psychiatrie van de AOLG – Rapport voor de Conferentie van de Duitse deelstaatministers van Volksgezond (2012), d.d. 15.3.2012, p. 20

(22)  PB C 51 van 17.2.2011, blz. 55-58.

(23)  Advies van de verenigingen die deel hebben genomen aan het discussieforum „Kontaktgespräch Psychiatrie” over het VN-Verdrag voor de rechten van mensen met een beperking, Freiburg/Berlin/Stuttgart, 15.5.2012.

(24)  § 74, deel V, van het Sozialgesetzbuch (Wetboek Sociaal Recht), en in gelijke bewoordingen, § 28, deel IX, van voornoemd Wetboek (voor personen met een handicap c.q. personen die het risico lopen gehandicapt te raken). De werknemer stelt in overleg met een arts een plan voor progressieve arbeidshervatting op, afgestemd op de vorderingen in het genezingsproces. De arts neemt dit plan op in het medisch attest, samen met, indien mogelijk, een prognose voor het mogelijke tijdstip dat de arbeid kan worden hervat. De toestemming van de werkgever en het ziekenfonds is vereist alvorens de procedure van start kan gaan. De werknemer blijft gedurende deze periode recht houden op ziekengeld van het ziekenfonds of op „overgangsgeld” van het pensioenfonds.


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Tijdens de beraadslagingen is besloten om de volgende passage uit het afdelingsadvies te schrappen o.g.v. een wijzigingsvoorstel dat door de voltallige vergadering werd goedgekeurd, hoewel meer dan een kwart van het aantal uitgebrachte stemmen kreeg, voor behoud van de passage was.

Paragraaf 3.1.1:

„[…om te zorgen voor een familielid]. Belangrijk is dat bij dergelijke maatregelen rekening wordt gehouden met het concurrentievermogen van ondernemingen en dat de administratieve rompslomp tot een minimum wordt beperkt. Een financiële lastenverlichting voor inclusieve, gezinsvriendelijke en sociaal ingestelde ondernemingen zou eveneens tot een verbetering van de situatie kunnen leiden.”

Stemuitslag:

Vóór wijziging van de paragraaf

:

35

Tegen

:

26

Onthoudingen

:

6


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/44


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over sociale landbouw: groene zorgverlening en sociaal en gezondheidsbeleid (initiatiefadvies)

2013/C 44/07

Rapporteur: mevrouw WILLEMS

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 januari 2012 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Sociale landbouw: groene zorgverlening en sociaal en gezondheidsbeleid.

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 22 november 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 12 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 124 stemmen voor, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Sociale landbouw is een nieuwe benadering waarbij multifunctionele landbouw en sociale dienstverlening/gezondheidszorg op lokaal niveau hand in hand gaan. Zo wordt in het kader van landbouwproductie bijgedragen aan het welzijn en de sociale integratie van mensen met specifieke behoeften. Aangezien de sociale landbouw steeds meer aan belang wint heeft het Comité besloten hierover een initiatiefadvies op te stellen.

1.2

Inmiddels bestaan er in heel Europa diverse vormen van sociale landbouw, die gemeenschappelijke kenmerken hebben maar ook sterk uiteen kunnen lopen qua aanpak, verhouding tot andere sectoren en financiering.

1.3

Toch is een Europese definitie van het begrip sociale landbouw nodig, zodat duidelijk kan worden gesteld om welke activiteiten het gaat, een kader kan worden uitgewerkt en criteria – ook inzake kwaliteit – kunnen worden afgebakend waaraan activiteiten moeten beantwoorden om in aanmerking te komen voor de verschillende vormen van beleidssteun. Aangezien het gaat om een fenomeen dat constant aan verandering onderhevig is, mag een dergelijke definitie niet te eng zijn.

1.4

Een regelgevingskader voor de sociale landbouw ontbreekt zowel op EU- als op nationaal niveau. Gevolg daarvan is een gebrek aan coördinatie tussen de verschillende beleidsmaatregelen en/of de betrokken instanties. De EU-instellingen en de nationale en regionale overheden en instanties zouden de sociale landbouw een duw in de rug moeten geven door een passend en gunstig regelgevend kader vast te stellen en de hieronder beschreven maatregelen te nemen.

1.5

Statistische gegevens over sociale landbouw zijn zeldzaam en onsamenhangend. Het Comité zou graag zien dat een statistisch onderzoeksprogramma wordt opgestart om het fenomeen sociale landbouw in de lidstaten in cijfers te vatten en diepgaander te analyseren, en de verschillende vormen ervan in kaart te brengen. Een dergelijke gegevensbank zou dan nog kunnen worden uitgebreid om ook de lidstaten ertoe aan te zetten onderzoekprogramma's op te zetten.

1.6

De sociale landbouw moet worden ondersteund door interdisciplinair onderzoek op verschillende gebieden, zodat empirische resultaten worden gevalideerd, een beeld wordt verkregen van de impact en voordelen vanuit verschillende hoeken (sociaal, economisch, op het vlak van gezondheid en personeel, enz.) en praktijkkennis wordt verspreid. In dit verband moet de Europese samenwerking die met het SoFar-project en COST (Europese samenwerking inzake wetenschap en technologie) is aangevat in het kader van het volgende kaderprogramma Horizon 2020 voor de periode 2014-2020, worden gestimuleerd en uitgebreid.

1.7

Daarnaast is het volgens het Comité van cruciaal belang dat sterke netwerken op het gebied van sociale landbouw worden opgericht, zodat verworven kennis kan worden gedeeld, ervaringen kunnen worden uitgewisseld en de bewustwording wordt versneld. Verder moet worden gestreefd naar gezamenlijke behartiging van de belangen van de sociale landbouw op politiek niveau en is het wenselijk dat een overkoepelende Europese organisatie wordt opgericht. Een en ander zou zowel de uitwisseling tussen alle betrokkenen als de rol van het maatschappelijk middenveld ten goede komen.

1.8

Om een hoog niveau van kwaliteit en vaardigheden te waarborgen moet in de sociale landbouw specifieke aandacht worden besteed aan opleiding, zowel voor dienstverleners als voor mensen met specifieke behoeften en gebruikers.

1.9

Voorwaarden voor de ontwikkeling van de sociale landbouw overal in Europa zijn een gunstig klimaat, nauwere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en vruchtbare samenwerking tussen de verschillende beleidsgebieden en overheden (gezondheid/sociale zaken/landbouw/werkgelegenheid), op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau. Dat betekent dat de overheid de sociale landbouw moet erkennen en gericht moet ondersteunen, door de sector blijvend toegang te verlenen tot de financiële middelen die nodig zijn voor de verschillende vormen van dit soort landbouw.

1.10

Ook zou het nuttig kunnen zijn dat de Commissie een permanente structuur met alle betrokken directoraten-generaal opricht, en dat de lidstaten dat voorbeeld volgen. Daarnaast zou de Commissie erop moeten aandringen dat een vergelijkende studie wordt gemaakt van de nationale socialebeschermingsstelsels en de kosten daarvan, zodat grotere besparingen mogelijk worden in het kader van socialelandbouwprojecten.

1.11

Het Comité stelt tot zijn genoegen vast dat de Commissievoorstellen voor 2014-2020 nieuwe vooruitzichten openen voor de sociale landbouw, wat niet wegneemt dat tijdens de volgende programmeringsperiode een nog betere ondersteuning van de sector noodzakelijk is. In dit verband zouden de EU en de lidstaten hun beleidsmaatregelen inzake sociale landbouw beter op elkaar moeten afstemmen. De lidstaten en de verschillende overheden (zowel op nationaal als op EU-niveau) die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de Europese middelen zouden nauwer moeten samenwerken, zodat de betrokkenen op het terrein gemakkelijker toegang krijgen tot de structuurfondsen.

1.12

Dankzij het gemeenschappelijk strategisch kader kan nu een beroep worden gedaan op verschillende fondsen via een strategie voor meervoudige financiering. In dit verband zou de Commissie de lidstaten moeten oproepen in hun programmering te verwijzen naar sociale landbouw en in het kader van een geïntegreerde benadering specifieke programma's uit te werken om de sector de kans te geven meer gebruik te maken van de verschillende structuurfondsen. Een andere mogelijkheid is om thematische subprogramma's voor sociale landbouw op te zetten of steun te blijven verlenen aan Leaderprojecten op dit gebied.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

De sociale landbouw heeft sinds het eind van de 20e eeuw zowat overal op het Europese platteland opgang gemaakt als een nieuwe, economisch duurzame activiteit, en het aantal projecten op dit gebied blijft gestaag toenemen. Het geheel van deze activiteiten kan worden samengebracht onder de noemer „sociale landbouw”, maar andere gangbare termen zijn „Farming for health”, „Care Farming”, „Green care” en „Green therapies”. Al deze benamingen verwijzen naar een aantal uiteenlopende praktijken en activiteiten op het gebied van zorgverlening, maatschappelijke herintreding, opleiding en rehabilitatie van kansarmen en opleiding van mensen met specifieke behoeften. Al deze activiteiten geven mensen met problemen de kans weer te beginnen met een productieactiviteit en weer in contact te komen met de natuur, maar dragen ook bij aan hun welzijn, hun gezondheid en sociale integratie. Dergelijke projecten zetten aan tot leren, versterken het zelfvertrouwen en vergemakkelijken daarmee ook de deelname aan het maatschappelijk leven.

In die zin kan sociale landbouw worden beschouwd als een innoverende aanpak die multifunctionele landbouw en sociale dienstverlening/gezondheidszorg op lokaal niveau combineert. Enerzijds houdt de sociale landbouw nauw verband met het multifunctionele karakter van de landbouw en sluiten deze activiteiten naadloos aan bij het begrip plattelandsontwikkeling; landbouwers krijgen op deze manier immers de kans hun inkomen uit verschillende bronnen te halen. Anderzijds heeft de sociale landbouw ook voor de samenleving een aantal voordelen: er wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheden van de landbouw en het platteland, in de brede zin van het woord, om de bewoners van landelijke gebieden sociale diensten te verlenen en de bestaande dienstverlening te verbeteren.

2.2

De verschillende vormen van sociale landbouw in Europa vertonen tal van overeenkomsten, aangezien zij stuk voor stuk nauw verband houden met de traditionele activiteiten van de plattelandseconomie en plaatsvinden in landbouwbedrijven (biologische boerderijen, arbeidsintensieve activiteiten, hoge mate van multifunctionaliteit, gerichtheid op de omgeving, hoge mate van diversificatie en flexibiliteit). Toch kan de situatie van land tot land ook enorm verschillen, wat te maken heeft met de nationale geschiedenis, benaderingen en tendensen. Samengevat kunnen we drie benaderingen onderscheiden – zonder daarbij de onderlinge verschillen uit het oog te verliezen:

de institutionele benadering, met een hoofdrol voor overheidsorganisaties/instellingen voor gezondheidszorg (vooral in Duitsland, Frankrijk, Ierland en Slovenië);

de particuliere benadering, gebaseerd op zorgboerderijen (vooral in Nederland en Vlaanderen – België);

de gemengde benadering, gebaseerd op sociale coöperaties en particuliere boerderijen (vooral in Italië).

2.3

Ook de koers die wordt gevaren verschilt van land tot land: in Italië en Frankrijk richt de sociale landbouw zich voornamelijk op de sociale en zorgsector, in Nederland staat de sociale landbouw dichter bij de gezondheidszorg, in Vlaanderen bij de landbouw en in Duitsland, Groot-Brittannië, Ierland en Slovenië houdt de sociale landbouw het midden tussen een sociale en een gezondheidssector.

2.4

Daarnaast hanteert elk land zijn eigen financieringsmethode:

openbare projecten en liefdadigheidsacties waarbij een beroep wordt gedaan op vrijwilligersorganisaties (Italië, Frankrijk) en sociale coöperaties (Italië);

overheidsmiddelen (gezondheids-/zorgsector, onderwijs) die bestemd zijn voor openbare voorzieningen (Duitsland, Ierland, Slovenië), landbouwondernemingen (Nederland) of sociale coöperaties (Italië);

plattelandsontwikkelingsbeleid dat bedoeld is om sociale boerderijen starters- of ontwikkelingssteun verlenen tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 (Italië);

directe toegang tot de voedingsmarkten voor ethische producten en directe verkoop (Frankrijk, Italië).

In werkelijkheid zijn er echter nog diverse andere, al dan niet gemengde vormen van financiering.

2.5

De opzet van ondernemingen in de sociale landbouw neemt verschillende vormen aan. Het kan gaan om particuliere landbouwondernemingen die worden geleid door een privé-ondernemer die via de sociale landbouw alternatieve inkomstenbronnen aanboort en zich tegelijk blijft bezighouden met de normale voor de markt bestemde productie, of om sociale ondernemingen of coöperaties, verenigingen en stichtingen, d.w.z. organisaties zonder winstoogmerk. In nog andere gevallen zijn het overheidsinstellingen of organisaties van de gezondheidssector die zich op sociale landbouw richten.

3.   Definitie van sociale landbouw

3.1

Het is geen sinecure om een definitie van sociale landbouw op te stellen, omdat het gaat om een hele waaier uiteenlopende activiteiten. Toch is een Europese definitie van het begrip sociale landbouw nodig, zodat duidelijk kan worden gesteld om welke activiteiten het gaat, een kader kan worden uitgewerkt en criteria – ook inzake kwaliteit – kunnen worden afgebakend waaraan activiteiten moeten beantwoorden om in aanmerking te komen voor de verschillende vormen van beleidssteun. Aangezien het gaat om een fenomeen dat constant aan verandering onderhevig is, mag een dergelijke definitie niet te eng zijn. Het is integendeel zaak om een voldoende flexibel kader voor te stellen dat verwijst naar het hele aanbod van activiteiten en de bottom-upbenadering van de sociale landbouw.

3.2

Hoe uiteenlopend ook, activiteiten in het kader van sociale landbouw hebben steeds twee dingen gemeen: a) zij vinden plaats in een landbouwbedrijf, en b) zij zijn gericht op mensen die tijdelijk of blijvend specifieke behoeften hebben, ook op pedagogisch vlak. De sociale landbouw draagt op die manier bij aan het welzijn en de ontplooiing van de betrokkenen, maar ook aan de ontwikkeling van plattelandsgebieden en betere betrekkingen tussen stad en platteland.

3.3

Sociale landbouw zou dus voorlopig kunnen worden gedefinieerd als het geheel van activiteiten waarbij dierlijke en plantaardige agrarische hulpbronnen gebruikt worden om in landelijke en peri-urbane gebieden sociale diensten te verlenen, waarbij te denken valt aan rehabilitatie, therapie, sociale werkplaatsen, permanente educatie en andere activiteiten die bijdragen tot maatschappelijke integratie (volgens de definitie Cost-actie 866 – Green Care – Europese samenwerking inzake wetenschap en technologie). In die zin is het o.m. de bedoeling in een landbouwonderneming de voorwaarden te creëren om mensen met specifieke behoeften de kans te geven deel te nemen aan de dagelijkse gang van zaken op de boerderij, zodat zij zich beter kunnen ontplooien en hun welzijn kunnen vergroten.

3.4

Op dit moment onderscheiden we vier verschillende hoofdcategorieën sociale landbouw:

a)

therapeutische en op herstel gerichte activiteiten

b)

integratie op de arbeidsmarkt en in de samenleving

c)

pedagogische activiteiten

d)

persoonsgebonden zorgdiensten.

4.   Het ontbreken van een juridisch kader, zowel op EU- als op nationaal niveau

4.1

Met zijn activiteiten op het gebied van therapie, pedagogie, integratie op de arbeidsmarkt en sociale integratie doet de sociale landbouw ontegenzeggelijk aan een bijzonder waardevolle vorm van openbare dienstverlening, en draagt daarmee bij aan duurzame ontwikkeling. Bovendien is de sociale landbouw dankzij de diversificatie van zijn activiteiten en de onderliggende dynamiek ook van invloed op lokale ontwikkeling.

4.2

Er hebben al heel wat proefprojecten op het gebied van sociale landbouw het licht gezien, waarbij een bottom-upaanpak wordt gevolgd en lokale netwerken de ontwikkeling van het hele gebied ten goede komen. Sociale landbouw sluit dan ook volledig aan bij het nieuwe paradigma voor het platteland („The New Rural Paradigm” is een publicatie van de OESO uit 2006) en wordt expliciet vermeld in de studies over het landbouwbeleid in de OESO-landen („Rural Policy Reviews”), zoals Italië. Ook tijdens de OESO-conferentie over plattelandsontwikkeling (Québec, 2009) stond sociale landbouw op de agenda. Initiatieven op het gebied van sociale landbouw worden gefinancierd uit hoofde van het plattelandsontwikkelingsbeleid voor 2007-2013 (pijlers III en IV van het Leader programma) en de maatregelen van het Sociaal Fonds ten behoeve van sociale integratie.

4.3

Het besef van de mogelijkheden van sociale landbouw neemt op alle niveaus toe, en zowel landbouworganisaties en lokale gemeenschappen als sociale organisaties en instellingen voor gezondheidszorg hebben hun kijk op sociale landbouw bijgesteld. Sectorale regelgeving is echter nog maar in een handvol landen ingevoerd, hetzij op nationaal, hetzij op regionaal niveau (Frankrijk, Italië, Nederland). Daarnaast is er een stelselmatig gebrek aan coördinatie tussen de verschillende beleidsmaatregelen en/of instellingen die zich bezighouden met sociale landbouw.

Wel is nu een begin gemaakt met het uitwisselen van ervaringen, en de cruciale rol die spontane netwerken van sociale landbouwers spelen mag niet worden onderschat.

4.4

De Commissie heeft de afgelopen jaren een aantal initiatieven gelanceerd om deze activiteiten te ondersteunen; we denken dan aan Cost-actie 866 – Green Care en het SoFar-project (door de Commissie gefinancierd initiatief binnen het zesde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling). Ook is in december 2009 een thematisch initiatief met zeven lidstaten gelanceerd in het kader van het Europees Netwerk voor plattelandsontwikkeling, om de nationale en regionale door het Elfpo medegefinancierde plannen voor plattelandsontwikkeling te bekijken en na te gaan welke kansen deze bieden en welke belemmeringen ze bevatten. In 2008 heeft Duitsland (prof. Thomas VAN ELSEN) een verslag over sociale landbouw voorgelegd in het kader van het SoFar-project; dit document werd in 2009 bijgewerkt.

5.   Te nemen maatregelen

5.1   Erkenning van de sociale landbouw op EU-niveau en vaststelling van een regelgevend kader

5.1.1

De sociale landbouw levert prestaties van openbaar nut en draagt bij aan duurzame ontwikkeling; het lijkt dan ook logisch dat de EU- en de nationale overheden de sector stimulansen bieden en ondersteunen. Zo is een passend en gunstig regelgevend kader voor de verschillende niveaus nodig, moet de meerwaarde van de sociale landbouw worden erkend, moet de sector beter worden beheerd, en moet een gunstig klimaat voor de sociale landbouw tot stand worden gebracht. Daarnaast moet worden toegezien op een vruchtbare samenwerking tussen de verschillende beleidsgebieden en overheden (gezondheid/sociale zaken/landbouw/werkgelegenheid), op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau. Voorts pleit het Comité voor gerichte overheidssteun en een geïntegreerde toepassing van de structuurfondsensteun ten behoeve van de sociale landbouw, alsook voor de bevordering en ondersteuning van interdisciplinair onderzoek, betere communicatie en meer uitwisseling van ervaringen.

5.1.2

Bij de vaststelling van een regelgevend kader moet specifieke aandacht uitgaan naar de kwaliteit van sociale landbouw; ook zou het nuttig zijn een aantal algemene criteria af te bakenen waaraan de acties moeten voldoen; we denken dan o.m. aan kwaliteitscriteria. Daarnaast dient te worden gezorgd voor een behoorlijke follow-up van de activiteiten in het kader van sociale landbouw.

5.1.3

Ten slotte is het aan te raden dat de Commissie samen met alle betrokken directoraten-generaal een permanente structuur opricht om de ontwikkeling van de sociale landbouw in Europa te stimuleren, te volgen en te coördineren. De lidstaten zelf zouden dan vergelijkbare structuren kunnen oprichten.

5.2   Oprichting van een gegevensbank op EU-niveau

Hoewel het aantal ondernemingen in de sociale landbouw in alle landen stijgt, vertegenwoordigen zij over het algemeen niet eens 1% van het totale aantal landbouwbedrijven. Statistische gegevens over sociale landbouw zijn evenwel zeldzaam en onvolledig. Het lijkt dan ook een goed idee een Europees programma voor statistisch onderzoek op te starten, zodat de aanwezigheid van de sociale landbouw in Europa en de tendensen op dit vlak in cijfers kunnen worden gevat en kunnen worden geanalyseerd. De Commissie zou een dergelijke gegevensbank dan nog kunnen uitbreiden om ook de lidstaten ertoe aan te zetten onderzoekprogramma's op te zetten.

5.3   Meer aandacht voor sociale landbouw in onderzoekprogramma's

5.3.1

Met de projecten SoFar en Cost-actie 866 Green Care zijn de eerste stappen gezet in de Europese samenwerking op het gebied van sociale landbouw; zaak is nu deze samenwerking verder uit te breiden. Het genereren en uitwisselen van wetenschappelijke, praktische en beroepskennis in heel Europa is van groot belang.

Om diepgaandere analyses van de sociale landbouw mogelijk te maken moet steun worden verleend aan onderzoek op gebieden als therapie en geneeskunde, sociaal werk in de landbouw en op het vlak van landbouw en opleiding. In het kader van dergelijk onderzoek moet ook goed worden gekeken naar de praktijk. Positieve empirische resultaten van planten- en dierentherapie moeten worden gevalideerd door strikte wetenschappelijke analyses, zodat zij door de medische wereld worden erkend. De lessen die worden getrokken uit proefprojecten om na te gaan of het zin heeft mensen te doen meedraaien in het dag- en jaarritme van het werk op de boerderij, moeten worden onderbouwd en gebruikt met het oog op verdere ontwikkeling van de sociale landbouw.

5.3.2

Interdisciplinair onderzoek, waarbij wordt gekeken naar de impact en voordelen van sociale landbouw vanuit verschillende hoeken (sociaal, economisch, gezondheidszorg, personeel), zorgt ervoor dat praktijkkennis wordt overgedragen, brengt alle betrokkenen samen, kan vernieuwende ideeën doen ontstaan en vergroot de betrokkenheid bij de sociale landbouw. Wetenschappelijke ondersteuning van proefprojecten kan bijdragen tot de ontwikkeling van modellen die zijn gebaseerd op afzonderlijke ondernemingen of coöperaties voor een hele regio. Er moeten studies en onderzoek op interdisciplinair niveau worden opgezet om de impact van de sociale landbouw in kaart te brengen, zodat kan worden nagegaan waar besparingen in de gezondheidszorg mogelijk zijn en anderzijds kan worden gewerkt aan de verbetering van de gezondheid en het welzijn van degenen voor wie de sociale landbouw bedoeld is. In sommige landen, waaronder m.n. Nederland, is al onderzoek verricht naar deze aspecten.

5.3.3

Dit soort onderzoek zou kunnen worden ingepast in het toekomstige kaderprogramma Horizon 2020 (2014-2020), dat immers rekening houdt met de sociale aspecten van onderzoek en innovatie. Het Comité pleit er ten stelligste voor dat Horizon 2020 zich ook gaat richten op coördinatie en ondersteuning van de sociale landbouw, zodat meer ontmoetingen en uitwisselingen mogelijk worden tussen onderzoekers uit diverse vakgebieden die verband houden met dit soort landbouw.

5.4   Meer aandacht voor sociale landbouw in opleidingsprogramma's

Om een hoog niveau van kwaliteit en vaardigheden te waarborgen moet in de sociale landbouw specifieke aandacht worden besteed aan opleiding, zowel wat de dienstverleners als de gebruikers betreft. Er moeten dus programma's voor voortgezette opleiding worden opgezet, in nauwe samenwerking met opleidings- en onderzoeksinstellingen, zodat bedrijfsleiders en hun medewerkers die zich bezighouden met de mensen die in het kader van de sociale landbouw zijn aangeworven, over een hoog niveau van kennis en kunde beschikken. Voorts moet worden bekeken welke soorten opleiding kunnen worden aangeboden aan de doelgroepen van de sociale landbouw.

5.5   Versterking van de rol van het maatschappelijk middenveld en netwerkvorming

5.5.1

Innoverende projecten op het gebied van sociale landbouw staan vaak los van elkaar; initiatiefnemers zijn niet op de hoogte van vergelijkbare projecten en er worden geen ervaringen uitgewisseld. Toch is het juist van cruciaal belang om netwerken op het vlak van sociale landbouw op te richten en te versterken, zodat ervaringen kunnen worden uitgewisseld en de verschillende projecten bekendheid krijgen en goede praktijkvoorbeelden worden belicht. Een eerste stap in die richting is gezet met het Europees Netwerk voor plattelandsontwikkeling. Dit soort netwerken moet verder worden uitgebouwd.

5.5.2

Daarnaast moet meer aandacht worden besteed aan samenwerking, gemeenschappelijke publicaties en aanwezigheid op het internet.

5.5.3

Ook moet worden gestreefd naar gezamenlijke behartiging van de belangen van de sociale landbouw op politiek niveau en is het wenselijk dat een overkoepelende Europese organisatie wordt opgericht. Een dergelijke organisatie, waarvan ook maatschappelijke organisaties deel zouden uitmaken, kan alle betrokkenen met elkaar in contact brengen en technische en administratieve bijstand verlenen. Daarnaast kan zij op politiek niveau voor de belangen van de sociale landbouw opkomen. In dit verband is een belangrijke rol weggelegd voor de landbouworganisaties.

5.5.4

Al deze maatregelen zouden kunnen worden uitgevoerd in het kader van het nieuwe beleid voor plattelandsontwikkeling 2014-2020; o.m. het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling en de nationale netwerken voor plattelandsontwikkeling kunnen hierbij als uitgangspunt fungeren. Het eerder vermelde thematische initiatief voor sociale landbouw kan zo worden uitgebreid tot andere lidstaten.

5.6   Aandacht voor sociale landbouw in de strategie voor duurzame ontwikkeling en het gemeenschappelijk strategisch kader

5.6.1

In het kader van het huidige plattelandsontwikkelingsbeleid is tot op zekere hoogte steun verleend aan de sociale landbouw, vooral uit hoofde van de pijlers III (diversifiëring) en IV (Leader), en de pijler „sociale integratie” van het ESF. Wordt echter erkend dat de sociale landbouw fungeert als hefboom voor plattelandsontwikkeling, dan zou de sector in aanmerking moeten komen voor alle acties die door de structuurfondsen (Elfpo, ESF, EFRO) gefinancierd worden, wat betekent dat nieuwe financieringsbronnen kunnen worden aangeboord.

5.6.2

De Commissievoorstellen voor de volgende programmeringsperiode van de structuurfondsen bieden tot op zekere hoogte nieuwe perspectieven, aangezien armoedebestrijding, sociale integratie en diversificatie van landbouwactiviteiten uitdrukkelijk worden vermeld als doelstellingen van het structuurbeleid (die in het kader van de sociale landbouw idealiter hand in hand gaan). Toch is het noodzakelijk dat zowel in de toekomstige programmering als in het partnerschapscontract meer de klemtoon wordt gelegd op de rol van de sociale landbouw. In dit verband zouden de EU en de lidstaten hun beleidsmaatregelen die verband houden met sociale landbouw beter op elkaar moeten afstemmen. De lidstaten en de verschillende overheden (zowel op nationaal als op EU-niveau) die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de Europese middelen zouden nauwer moeten samenwerken, zodat de betrokkenen op het terrein gemakkelijker toegang krijgen tot de structuurfondsen.

5.6.3

Het nieuwe programmeringskader biedt de sociale landbouw de mogelijkheid van meerjarenfinanciering uit verschillende fondsen. Het gemeenschappelijk strategisch kader maakt het immers mogelijk om via een strategie voor meervoudige financiering gebruik te maken van verschillende fondsen. In dat verband moet er bij de lidstaten op worden aangedrongen dat zij in hun programmering verwijzen naar sociale landbouw, en specifieke programma's uitwerken om deze sector de kans te geven meer gebruik te maken van de verschillende structuurfondsen. Het is van kapitaal belang dat de lokale en nationale overheden ertoe worden aangezet om ook daadwerkelijk hun voordeel te doen met de geboden financieringsmogelijkheden.

Gezien het multidimensionale en multifunctionele karakter van de sociale landbouw zou de sector ongetwijfeld garen spinnen bij een geïntegreerde benadering waardoor de procedures voor steunverlening uit de verschillende fondsen beter op elkaar worden afgestemd en eenvoudiger worden.

5.6.4

Het zou daarom bijzonder nuttig kunnen zijn een communicatiebeleid uit te stippelen, zodat de lidstaten op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het vlak van plattelandsontwikkeling; een dergelijk beleid houdt ook in dat follow-upactiviteiten worden opgezet en rapporten worden opgesteld. Een andere mogelijkheid is de uitwerking van een thematisch deelprogramma uit hoofde van artikel 8 of de uitbreiding van de Leaderprojecten die gericht zijn op sociale landbouw.

5.6.5

Ten slotte zouden de verschillende directoraten-generaal nauwer moeten samenwerken zodat de sociale landbouw vlotter toegang krijgt tot alle structuurfondsen en de barrières waardoor de regionale steun tot nog toe onbereikbaar bleef voor de landbouwers, worden geslecht.

Brussel, 12 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/49


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de kwaliteit van de spoorwegdiensten in de Europese Unie (initiatiefadvies)

2013/C 44/08

Rapporteur: Georges CINGAL

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 12 juli 2012 overeenkomstig artikel 29, lid 2 van zijn rvo besloten om een initiatiefadvies op te stellen over

De kwaliteit van de spoorwegdiensten in de Europese Unie

(initiatiefadvies).

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 26 november 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 13 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 137 stemmen vóór en 54 tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Onderhavig advies gaat over reizigersvervoer per spoor. Het is opgesteld in het licht van de in artikel 14 en protocol nr. 26 van het Verdrag van Lissabon vastgelegde doelstellingen voor diensten van algemeen belang (DAB) en moet ook vanuit die invalshoek worden gelezen. Ook is in dit advies gevolg gegeven aan de suggesties in het Witboek inzake vervoer, waarin eens te meer staat dat de streefcijfers voor de terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen moeten worden gehaald en dat duurzame en milieuvriendelijke mobiliteit mogelijk moet worden gemaakt.

1.2

Onderhavig advies heeft tot doel om na te gaan of de mobiliteitsdoelstellingen door de betrokken exploitanten zijn gehaald en of is tegemoetgekomen aan de daaraan verbonden rechten en plichten, maar dat niet alleen: de bedoeling is ook om dieper in te gaan op het vraagstuk van de toegankelijkheid van de burgers van de EU tot DAB in het spoorwegvervoer en op de kwaliteit daarvan.

1.3

De kwaliteit van het spoorwegvervoer is een noodzakelijke voorwaarde voor de uitbouw van deze vorm van vervoer, maar volstaat niet. Daarom vindt het EESC dat het spoorwegvervoer aantrekkelijker moet worden gemaakt door de resultaten ervan te verbeteren. Daartoe moet worden uitgegaan van een feitelijke waarneming van de diverse factoren die bijdragen tot de aantrekkingskracht ervan.

1.4

De kredieten voor investeringen in en het onderhoud van infrastructuurvoorzieningen zouden onderhevig moeten zijn aan een meerjarenplanning en regels om aan die kredieten een duurzaam karakter te verlenen. Ook moet in aanmerking worden genomen wat op het spel staat: de ruimtelijke ordening, de instandhouding van de beschikbaarheid van infrastructuur en de mobiliseerbaarheid van middelen die op korte en middellange termijn kunnen worden ingezet.

1.5

De EU, alsook nationale en regionale overheden zouden opnieuw moeten bekijken aan welke voorwaarden voor de financiering van de diverse onderdelen van de infrastructuur moet worden voldaan. Daarbij moet het beginsel van subsidiariteit in acht worden genomen en moet worden gestreefd naar meer solidariteit tussen de regio's. Het EESC is voorstander van een heroriëntering van de in het kader van het regionaal beleid uitgetrokken middelen voor vervoer, omdat het hier gaat om een beleidsinstrument met een aanzienlijk hefboomeffect op de ruimtelijke ordening.

1.6

Er zou door een onafhankelijke Europese instantie een onderzoek moeten worden ingesteld naar de tevredenheid van de treinreizigers op grond van feitelijke beoordelingen (stiptheid, regelmaat, tarificatie, schoonmaak, toegankelijkheid enz.). Hoe daarbij te werk moet worden gegaan, zou moeten worden uitgemaakt door een stuurgroep waarin alle betrokkenen (gebruikers, organiserende overheden, exploitanten, werknemers enz.) vertegenwoordigd zijn en die in staat is om controles uit te oefenen.

1.7

De Commissie wil Verordening nr. 1370/2007/EG (openbaar personenvervoer per spoor en over de weg) herzien, die het resultaat is van een moeizaam institutioneel compromis. Het EESC acht dit voornemen zorgwekkend en wijst erop dat het gaat om een verordening die de lidstaten veel organisatorische ruimte laat, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en dat de evenwichtige oplossing die ermee wordt geboden, zou moeten worden beoordeeld in het licht van de ervaring waarvan sprake is in artikel 8, lid 2 ervan.

1.8

Gezien de bepalingen van Verordening nr. 1370/2007/EG en de mogelijke verdere ontwikkelingen, verzoekt het EESC de Commissie om de volgende verbeteringen in overweging te nemen:

consolidering van het recht op vergoeding in het geval van reisvertraging doordat de verloren tijd wordt vergeleken met de reistijd van het totale traject;

consolidering van het recht op vergoeding in het geval van reisvertraging doordat de betrokken exploitant die vergoeding rechtstreeks uitbetaalt (en dus niet eerst wordt uitgezocht wie waar verantwoordelijk voor is);

vereenvoudiging van de toegang tot het formulier en de procedure om vergoeding aan te vragen, voor individuele of groepsaanvragen (gebruik van het internet, loketten enz.);

consolidering van het recht op toegankelijkheid voor gehandicapten doordat herstel van die toegankelijkheid in een kort tijdsbestek (op de dag zelf) verplicht wordt gesteld;

consolidering van de rechten op veiligheid door de verplichting om apparatuur aan te brengen waardoor het treinpersoneel in geval van gevaar of een gezondheidsprobleem kan worden opgeroepen;

consolidering van de rechten van reizigers door de instelling van bemiddelaars die tussenbeide kunnen komen bij meningsverschillen.

1.9

De Commissie en de lidstaten zouden samen over de volgende mogelijke verbeteringen moeten nadenken:

consolidering van de rechten van reizigers op informatie over de waarborging van treinverbindingen;

consolidering van de rechten op veiligheid door de vaststelling van riskante trajecten en situaties en van aangepaste procedures, en door de aanstelling van het noodzakelijke personeel.

1.10

De lidstaten zouden, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, de volgende mogelijke verbeteringen in overweging moeten nemen:

consolidering van de rechten van reizigers doordat de bevoegde instanties, de verkozen vertegenwoordigers van de gemeenten waar de trein doorheen rijdt, de reizigers en hun vertegenwoordigers, de werknemers en hun vakbonden een schema voor de beoordeling van de verschillende niveaus van dienstverlening (regelmaat, stiptheid, toegankelijkheid, schoonmaak enz.) en mogelijkheden om daarop controle uit te oefenen, worden geboden;

consolidering van de procedures voor technische assistentie en hulpverlening aan reizigers op het spoor als een trein lang (d.w.z. langer dan een uur) stil staat.

2.   Algemene opmerkingen: hoe burgers treinreizen ervaren, huidige en potentiële reizigers

2.1   Algemene vaststellingen

2.1.1

De moeilijkheid bij de beoordeling van de tevredenheid van treinreizigers en inspanningen om al die meningen onder één noemer te brengen, is vooral dat de spoorwegmaatschappijen zelf alle gegevens voor die analyse in handen hebben en dat zij unilateraal bepalen aan welke kwaliteitsnormen hun activiteiten moeten voldoen (artikel 28 van Verordening nr. 1371). Dit geldt bijvoorbeeld voor de verplichtingen die inzake stiptheid zijn aangegaan, de regelmaat van de dienst, de schoonmaak van de treinen, de ontvangst, de voorlichting en de opzet van de tarieven.

2.1.2

Veel ontevreden treinreizigers klagen over het toenemende aantal verstoringen, de onvoorspelbaarheid van treindiensten waar onmogelijk real time-informatie over kan worden verkregen en een gebrek aan voorlichting als zich verstoringen voordoen. Hun indruk is dat het in de respectieve lidstaten van kwaad tot erger gaat. Spoorwegmaatschappijen zeggen treinreizigers weliswaar een vergoeding toe in overeenstemming met Verordening nr. 1371/2007/EG, maar maken het hun niet gemakkelijk om van die bepalingen gebruik te maken.

2.1.3

Er zijn meerdere voorbeelden van treindiensten die onder openbaredienstverplichtingen vallen en die het leeuwendeel van het dagelijks vervoer uitmaken, waarvoor de organiserende vervoersoverheden of bevoegde instanties hebben moeten ingrijpen om de kwaliteit van de dienstverlening op peil te houden.

2.1.4

Doordat steeds meer verschillende exploitanten diensten zijn gaan aanbieden in een onstabiele en onoverzichtelijke, sterk gewijzigde organisatiestructuur, hangt de werking van het treinverkeer inmiddels af van het reactievermogen van lokale exploitanten die vaak nauwelijks toegang hebben tot real time-informatie. Dit leidt tot verstoringen en dus tot ontevredenheid bij de reizigers. Tegen die achtergrond is het aangewezen om de balans per land op te maken om na te gaan waar verbeteringen mogelijk zijn.

2.2   Niet-uitputtelijke lijst van door treinreizigers en/of hun organisaties vastgestelde mankementen:

moeilijkheid om informatie te verkrijgen, onaangepaste of defecte signalering;

onoverzichtelijke of volkomen onbegrijpelijke tarificatie;

onmogelijkheid om reizen ruim van tevoren te plannen omdat plaatsen slechts vanaf een bepaalde tijd vóór de reisdatum gereserveerd kunnen worden;

problemen vanwege overboeking;

weinig comfort in treinen en slechte ontvangst in kleine en grote stations, ongerieflijke perrons (te kleine wachtruimtes) of gebrek aan hygiëne, ontbreken van wc's;

tekortschietende toegankelijkheid voor gehandicapten van perrons, kleine en grote stationsgebouwen, dienstloketten en treinen, te lange termijn van tevoren voor de reservering van speciale begeleiding (48 uur) of te strenge voorwaarden voor die begeleiding (totaalgewicht);

onveiligheid in treinen, kleine en grote stations;

te late verschaffing van het benodigde materiaal, te weinig overstaptijd voor reizigers die naar een ander perron moeten;

twee treinen die net na elkaar van hetzelfde perron vertrekken terwijl overal perrons leeg zijn;

onvoldoende bagageruimte;

geen voorzieningen voor multimodaal vervoer (problemen als iemand een fiets wil meenemen in de trein, slecht georganiseerde of beheerde overstap op andere vervoerswijzen of een volkomen ontbrekende organisatie daarvan, gebrek aan informatie, geen aangepaste tarificatie en geen dienstverlening);

tekortschietende stiptheid, geen regelmatige treindiensten, afgelasting van treinen zonder voorafgaande waarschuwing;

weinig opvang voor gestrande reizigers, onvoldoende of geweigerde schadeloosstelling;

afgelasting of reorganisatie van diensten of het aandoen van een station zonder voorafgaand overleg met (vertegenwoordigers van de) gebruikers en betrokken lokale of regionale overheden (afschaffing van nachttreinen, veranderingen in de dienstregeling, tempo enz.)

verlenging van de reistijd tussen twee stations;

weinig toegankelijke verkoops- of distributiepunten.

2.3   Voornaamste oorzaken van niet te voorziene verstoringen:

slechte weersomstandigheden: er zijn geen technische aanpassingen of procedures voorhanden waardoor ook onder die omstandigheden goede service kan worden geboden;

materiaalproblemen: deze problemen ontstaan omdat de opvolging van de levenscyclus, levensduur en veroudering van materiaal te wensen overlaat en omdat er geen planning en geen langetermijnbegroting voor het onderhoud is;

menselijke problemen: zelfdodingen, verwikkelingen i.v.m. de toegankelijkheid van kwetsbare installaties (hierop wil het EESC in dit advies verder niet ingaan).

2.4   Positieve beoordelingen en tot tevredenheid strekkende factoren die bevorderlijk kunnen zijn voor de overschakeling naar andere vervoerswijzen:

hoge mate van veiligheid voor personen en in het verkeer;

professionalisme van het personeel;

mogelijkheid dat spoorwegen bijdragen aan de ruimtelijke ordening en de ontwikkeling van gebieden.

3.   Specifieke opmerkingen: ontwikkelingen in de laatste decennia

3.1

De Commissie heeft zich gehouden aan het in het Verdrag vastgelegde beginsel van vrij personenverkeer en zich ingezet voor het beginsel van duurzame mobiliteit. De spoorwegen hebben erkenning gekregen als goed-presterend en milieuvriendelijk openbaar middel voor massavervoer, dat aan de wensen van bevoegde instanties kan worden aangepast en waarvoor gebruik kan worden gemaakt van nog steeds in overvloed aanwezige infrastructuur, die ofwel goed onderhouden is ofwel gemakkelijk weer in een goede staat kan worden gebracht.

3.2

De EU heeft een netwerk van internationale spoorlijnen uitgestippeld. In de totstandbrenging daarvan is en zal nog heel veel geld worden geïnvesteerd. Dit in EU-verband genomen initiatief moet echter wel worden geruggensteund door afstemming met de lidstaten over de investeringskeuzen die worden gemaakt. Alleen dan kan de reizigers worden gegarandeerd dat zij van deur tot deur kunnen reizen zonder al te vaak over te hoeven stappen.

3.3

Het is voorgekomen dat onderzoek naar de bediening van gebieden en de opzet daarvan aanleiding heeft gegeven tot willekeurige strategische keuzen, met voorbijgaan aan de noodzaak om tussentijds overstappen waardoor het gebruik van openbaar vervoer minder aantrekkelijk wordt, zoveel mogelijk te voorkomen.

3.4

Dit aan keuzen met aanzienlijke consequenties voorafgaande onderzoek wordt steeds vaker mede in aanmerking genomen in de beraadslagingen van de bevoegde instanties, die desondanks wel te maken hebben met financieringsproblemen door een gebrek aan overzichtelijkheid en stabiliteit op de middellange en lange termijn.

3.5

Dat neemt niet weg dat vervoer de begrotingen van de lidstaten en de regio's zwaar onder druk zet. De burgers, die zich hiervan bewust zijn, vooral nu er crisis heerst, vragen om echte transparantie en betrouwbare informatie en benadrukken nogmaals dat er voor de nieuwe grote projecten geen tegenexpertises zijn uitgevoerd. Het EESC wees al eerder in een advies (TEN/479) op het grote belang van de dialoog tussen overheden en maatschappelijke organisaties, vooral als het gaat om investeringen in vervoersinfrastructuur.

4.   Verband met het programma voor prioritaire acties van het EESC

4.1

Met dit initiatiefadvies wordt voortgeborduurd op eerdere adviezen:

TEN/432-433: een gemeenschappelijke Europese spoorwegruimte

TEN/454: stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte

TEN/471: richtsnoeren voor het trans-Europese vervoersnetwerk

TEN/479: Witboek over vervoer - naar participatie en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld

TEN/480: passagiersrechten in alle vervoerswijzen.

4.2

Het spreekt voor zich dat die wil om een Europees vervoersnet tot stand te brengen, het overgrote deel van de middelen van de EU voor internationale verbindingen heeft opgeslokt. Dit voornemen is gepaard gegaan met keuzen met een voorkeur voor hogesnelheidslijnen, wat soms – vanwege begrotingskrapte - ten koste is gegaan van de modernisering van andere bestaande lijnen. Vervoer per spoor moet in de beraadslagingen van de overheden meer op de voorgrond worden geplaatst in het openbare vervoersaanbod. Van vervoer per spoor zou in bepaalde gevallen de ruggengraat van een samenhangend multimodaal systeem moeten worden gemaakt. Daartoe zouden alle beschikbare EU-middelen gebundeld moeten worden ingezet voor een samenhangend beleid voor duurzame mobiliteit (toewijzing van de middelen voor vervoer van het DG Regio).

4.3

Het EESC doet dan ook een dringend verzoek aan de Commissie om een objectieve analyse te maken van de huidige situatie in het spoorwegvervoer (voor- en nadelen). Die analyse zou in alle transparantie moeten worden uitgevoerd, waarbij alle noodzakelijke informatie wordt verschaft. Ook zou de burgers naar hun desiderata moeten worden gevraagd, omdat de meesten onder hen hier belang bij hebben (woon-werkverkeer, af en toe zakenreizen, familiebezoek, vakantie, enz.).

5.   De problemen in hun geheel bezien

5.1

Juist in deze tijden van crisis en begrotingskrapte zou een herstelbeleid waarvoor van een duurzameontwikkelingstrategie wordt uitgegaan, een positieve spiraal op gang brengen, met een gunstige uitwerking op de werkgelegenheid en de kwaliteit van banen, de doelstellingen voor de overschakeling naar andere vervoerswijzen en de toegankelijkheid voor Europa's burgers van vervoersdiensten van algemeen belang. Daarom benadrukt het EESC dat grote werkzaamheden onder de vlag van die globale strategie moeten worden uitgevoerd.

5.2

Veranderingen in het treinverkeer of wijzigingen van de dienstregeling kunnen de kwaliteit van de dienstverlening zoveel minder groot maken dat mensen gaan verhuizen of ander werk gaan zoeken. Die gedwongen mobiliteit is heel wat anders dan mobiliteit waarvoor een burger kiest. De manier waarop de situatie evolueert, leidt dikwijls tot een overschakeling naar andere vervoerswijzen, maar dan in een zin die juist indruist tegen het voorgestane beleid (bv. als treinreizen worden ingeruild voor reizen met auto of vliegtuig).

5.3

De Commissie zou onderzoek moeten doen naar een Europees programma voor het herstel van spoorwegnetten en zo'n programma moeten voorbereiden en/of de toekomstige programma's in de lidstaten moeten steunen. Een Europees programma dat tot doel heeft om aan de verwachtingen van de klanten van spoorwegmaatschappijen te voldoen, zou moeiteloos aansluiten bij de Europese strategieën (duurzameontwikkelingstrategie, Horizon 2020 enz.). Een dialoog met maatschappelijke organisaties over het vervoersbeleid zou bij de burgers in zeer goede aarde vallen. Heroriëntatie van de in het kader van het regionaal beleid toegewezen middelen voor vervoer zou een krachtig hefboomeffect hebben ten gunste van die strategie.

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/53


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over wat op het spel staat bij de omschrijving van sociale huisvesting als dienst van algemeen economisch belang (initiatiefadvies)

2013/C 44/09

Rapporteur: Raymond HENCKS

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 19 januari 2012 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies uit te brengen over

Wat op het spel staat bij de omschrijving van sociale huisvesting als dienst van algemeen economisch belang.

Vervolgens heeft het bureau van het EESC de afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij op 21 februari 2012 met de voorbereiding van dit advies belast. De afdeling heeft haar advies goedgekeurd op 26 november 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 13 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 67 stemmen vóór en 5 tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Het recht op huisvesting – Algemene beginselen

1.1

Het recht op huisvesting vloeit voort uit een door de lidstaten aangegane internationale verplichting waaraan de EU zich moet houden. Immers, het recht op huisvesting is vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigd Naties. Daarin staat dat „Een ieder … recht (heeft) op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder begrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten … ”. In het herziene Sociaal Handvest van de Raad van Europa is bepaald dat de daarbij aangesloten partijen zich ertoe verbinden om de nodige maatregelen te nemen met het oog op de bevordering van een voldoende mate van toegang tot huisvesting, om dakloosheid te voorkomen, c.q. terug te dringen teneinde daaraan op den duur een einde te maken, en om woningen betaalbaar te maken voor mensen die over onvoldoende inkomsten beschikken: zo wordt daadwerkelijk uitvoering gegeven aan het recht op huisvesting. Ten slotte wordt het recht op huisvesting vermeld in de grondwetten van veel lidstaten en/of is het voorwerp van specifieke wetten om de uitoefening ervan te garanderen.

1.2

In het Handvest van de grondrechten van de EU staat het volgende: „Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand voor huisvesting, teneinde eenieder die niet over voldoende middelen beschikt, onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden een waardig bestaan te verzekeren”.

1.3

Deze rechten worden in de meeste lidstaten uitgeoefend middels een DAEB (dienst van algemeen economisch belang). Dit strookt met artikel 36 van het Handvest van de Grondrechten van de EU: „De Europese Unie erkent en eerbiedigt overeenkomstig de Verdragen de toegang tot diensten van algemeen economisch belang die in de nationale wetgevingen en praktijken is geregeld, teneinde de sociale en territoriale samenhang van de Unie te bevorderen.”

1.4

Als de algemene toegang tot huisvesting eenmaal als een DAEB is aangemerkt, behoeven ondernemingen die door de nationale, regionale of lokale overheden met de verlening van deze dienst zijn belast, zich alleen aan de EU-regels inzake mededinging en het verbod en toezicht op staatssteun te houden voor zover de toepassing van die voorschriften de vervulling van die taak, in feite of in rechte, niet verhindert (cf. artikel 106, lid 2, van het VWEU). In het besluit dat de Commissie op 20 december 2011 heeft genomen (het „DAEB-besluit”), wordt de toewijzing van gesubsidieerde sociale woningen beperkt tot kansarme personen en minder bevoorrechte bevolkingsgroepen die zich geen woning op de reguliere woningmarkt kunnen veroorloven.

1.5

Volgens het bij het Verdrag van Lissabon gevoegde protocol nr. 26 ligt de bevoegdheid om DAEB te verlenen, te leveren, te financieren en te organiseren in eerste instantie bij de lidstaten en hun nationale, regionale en lokale overheden, die daartoe over een ruime discretionaire bevoegdheid en democratische keuzevrijheid beschikken.

1.6

Volgens voornoemd protocol moeten de lidstaten er ook op toezien dat „een hoog niveau van … betaalbaarheid” wordt bereikt en dat „de algemene toegang” tot hun DAEB wordt bevorderd.

1.7

De toepassing van het recht op huisvesting is bepalend voor de toepassing van alle andere grondrechten, zoals het recht op menselijke waardigheid, op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, van het woonhuis en van het gezin, en op water, gezondheid en energie. Behoorlijke huisvesting is onontbeerlijk voor de mens om zich te kunnen ontplooien en zich een plaats te kunnen veroveren in de samenleving.

1.8

In hoeverre het recht op huisvesting daadwerkelijk wordt uitgeoefend, hangt meestal voornamelijk af van de beschikbaarheid van geschikte woonruimte. Het recht op huisvesting komt meestal neer op een recht om toegang tot behoorlijke en betaalbare woonruimte te verkrijgen.

1.9

Toegang tot woonruimte bieden, betekent meestal niet dat de overheid telkens als iemand daarom vraagt, voor huisvesting moet zorgen. De overheid of bevoegde overheidsinstantie heeft de politieke verplichting om door haar beleid en programma's verbetering te brengen in de toegang tot huisvesting voor de gehele bevolking.

1.10

De wijze waarop en de mate waarin de lidstaten zich in de werking van de woningmarkt mengen om dit grondrecht van hun burgers op behoorlijke en betaalbare woonruimte uit te oefenen, vertonen grote verschillen. Als de toekomstige bewoners van sociale woningen behoorlijk inspraak krijgen bij de bouw daarvan, dan zal dit de betaalbaarheid van dit soort woningen ten goede komen en krijgen de bewoners ervan meer kans op een baan.

1.11

In dit licht bezien is huisvesting een (openbaar of merite-)goed waarvoor de lidstaten, op grond van hun politieke keuzen en collectieve voorkeuren, minimale normen voor bewoonbaarheid en woongemak, specifieke regels voor de (steden)bouw en een bovengrens voor de inspanningen op dit gebied vastleggen, waarvoor sommige lidstaten de ontwikkeling van de prijzen voor woningen in de hand houden (Duitsland) en waarvoor lidstaten soms zelfs speciale sociale voorzieningen of fiscale steunregelingen in het leven roepen waardoor deze grootste uitgavenpost van gezinshuishoudingen kan worden beïnvloed.

2.   Sociale woningen

2.1

Er valt niet te ontkomen aan de vaststelling dat behoorlijke woonruimte voor veel burgers van de EU, ondanks al die voorzieningen, te duur is geworden. In 2010 had 5,7 % van de Europese bevolking geen woning (bron: Europe Information Service S.A.), in weerwil van het feit dat dakloosheid volgens het herziene Sociaal Handvest van de Raad van Europa geacht wordt te worden teruggedrongen om op den duur zelfs helemaal te verdwijnen. Ook woonde 17,86 % van de Europese bevolking in woningen met te veel mensen of onder slechte woonomstandigheden en betaalde 10,10 % van de gezinnen te veel voor hun huisvesting, te weten: meer dan 40 % van hun beschikbare inkomsten.

2.2

Veel lidstaten hebben ervoor gekozen om als aanvulling op de particuliere woningmarkt waar het woonaanbod spontaan ontstaat, een nevenmarkt van zogenoemde „sociale woningen” in het leven te roepen en daarvoor de nodige organisatorische voorzieningen te treffen. Die sociale woningen worden onder specifieke voorwaarden aangeleverd, meestal door speciaal daarvoor opgerichte organisaties zonder winstbejag, maar ook wel door particuliere beleggers (rechts- of natuurlijke personen) die daartoe zijn gevolmachtigd en subsidies krijgen van nationale, regionale of lokale overheden.

2.3

Behalve Griekenland beschikken alle lidstaten van de EU over een sociale-woningenpark. Het gevolg is dat 25 miljoen Europese gezinnen zijn gehuisvest in sociale woningen waarvan de territoriale spreiding, toegangsvoorwaarden en prijzen rechtstreeks onder de bevoegdheid van de overheden van de lidstaten vallen.

2.4

Dit nevenaanbod aan woningen heeft een matigende werking op fenomenen als vastgoedzeepbellen en op de omvang van de cycli op de woningmarkt, omdat de prijzen ervan stabiel zijn en in de hand worden gehouden. De lidstaten met een groot sociale-woningenpark zijn dan ook gespeend gebleven van vastgoedzeepbellen en de macroconsequenties daarvan.

2.5

De woningmarkt slaagt er niet in om aan de totale vraag naar woningen te voldoen en alle burgers van behoorlijke en betaalbare huisvesting te voorzien. Sociale woningen zijn een van de oplossingen waarvoor de lidstaten kunnen kiezen. Door de toekomstige bewoners behoorlijk inspraak te geven in de manier waarop sociale woningen worden gebouwd, worden deze woningen betaalbaarder, gaan de nieuwe bewoners beter met de hun toegewezen woning om en kunnen zij arbeidsgewoonten en -vaardigheden aanleren, c.q. verbeteren die hun kans op een baan vergroten.

2.6

Dit onvermogen van de woningmarkt om aan de totale vraag naar woonruimte te voldoen, leidt niet alleen tot situaties waarin mensen gewoonweg geen toegang tot woonruimte hebben, maar heeft ook tot gevolg dat mensen in onbewoonbare, onaangepaste of overbevolkte huizen wonen of het grootste deel van hun inkomen aan huur of de maandelijkse afbetaling van hun lening besteden.

2.7

Hoe groot de behoefte aan huisvesting is, varieert enorm van lidstaat tot lidstaat (tussen de landen in het westen en in het oosten van Europa), maar ook binnen iedere lidstaat (tussen stad en platteland) en binnen verstedelijkte gebieden (tussen stadscentrum en buitenwijken).

2.8

Er worden in de lidstaten drie verschillende opvattingen over sociale woningen gehanteerd:

A)

Sociale woningen als residuele voorziening

Volgens deze opvatting zijn door een overheidsinstantie gesubsidieerde sociale woningen alleen bestemd voor kansarme of sociaal uitgesloten personen die duidelijk als zodanig kunnen worden geïdentificeerd. De regels voor de toewijzing van deze woningen zijn erg stringent. De huur komt vrijwel helemaal voor rekening van een systeem van sociale bijstand. Er is geen sprake van concurrentie tussen sociale woningen en de reguliere woningmarkt. In dit geval beantwoorden sociale woningen zonder meer aan de definitie van DAEB zoals die in het besluit van de Commissie van 20 december 2011 wordt gegeven. Volgens dit besluit wordt de vrijstelling van de plicht om vergoedingen voor de kosten van openbare dienstverlening aan te melden, beperkt tot de terbeschikkingstelling van sociale woningen voor kansarme personen of voor minder bevoordeelde bevolkingsgroepen die zich geen woning op de reguliere woningmarkt kunnen veroorloven.

Deze categorie van sociale woningen wordt aangetroffen in: Bulgarije, Cyprus, Estland, Hongarije, Ierland, Litouwen, Letland, Malta, Portugal, Roemenië, het Verenigd Koninkrijk, Slowakije en Spanje (deels voor sociale huurwoningen).

B)

Sociale woningen als algemeen gangbare voorziening

In dit geval komen kansarme en sociaal uitgesloten personen in aanmerking voor sociale woningen (residuele voorziening), maar ook personen met een inkomen dat zo laag is dat zij maar moeilijk geschikte huisvesting kunnen vinden. De toegang tot sociale woningen wordt meestal ondergeschikt gemaakt aan inkomensgrenzen en de samenstelling van het gezin. De hoogte van de huur is aan banden gelegd en huren moeten altijd betaalbaar blijven. Sociale woningen als algemeen gangbare voorziening hebben over het algemeen een beperkte invloed op het totale aanbod aan woonruimte en de prijzen. Er is nauwelijks sprake van concurrentie met de reguliere woningmarkt, omdat de winstmarges verwaarloosbaar zijn.

Dit concept van „sociale woningen” betreft veel grotere lagen van de bevolking, maar voldoet ook aan de door de EU gestelde vereisten in verband met de toespitsing op een maatschappelijke behoefte. Deze categorie van sociale woningen wordt aangetroffen in: Duitsland, Oostenrijk, België, Spanje (voor toegang tot eigendom), Frankrijk, Finland, Italië, Luxemburg;, Polen, Tsjechië en Slovenië.

C)

Sociale woningen als universele voorziening, van toepassing in Nederland en in Denemarken, maar met verschillen

In Nederland moeten volgens deze opvatting alle burgers woningen aangeboden krijgen, ongeacht de hoogte van hun inkomen (dus ook kansarme en sociaal uitgesloten personen). Het aanbod aan sociale woningen vormt een aanvulling op de reguliere woningmarkt en heeft veel invloed op marktvoorwaarden en prijzen, omdat een tarificatiebeleid wordt gevoerd waarbij van de reële kosten en niet van de marktwaarden wordt uitgegaan. Dit systeem biedt, in tegenstelling tot de reguliere markt, een garantie tegen leegstand.

Aangezien hier geen sprake is van toespitsing op een welbepaalde maatschappelijke behoefte, wordt deze opvatting van sociale woningen door de Commissie aangevochten. Volgens de Commissie voldoet deze opvatting namelijk niet aan de EU-definitie voor DAEB-woningen. De categorie van sociale woningen als universele voorziening wordt niet meer aangetroffen in Zweden (in dit land is afgezien van de specifieke aanmerking van sociale woningen als DAEB).

In Denemarken maken sociale woningen als universele voorziening onlosmakelijk deel uit van het model van de verzorgingsstaat. Daarin worden de begrippen „kansarm”, „kwetsbaar” of „sociaal uitgesloten” (voor enkelingen of groepen) niet aan een bepaald inkomen gerelateerd. De nadruk wordt gelegd op de terbeschikkingstelling van betaalbare en toegankelijke woningen voor mensen die deze nodig hebben. Het gaat om een voorziening die een aanvulling vormt op de traditionele woningmarkt doordat wettelijke sociale verplichtingen worden opgeheven en gelijkheid en sociale vermenging (ongeacht etnische afkomst, geslacht, inkomen, leeftijd, handicap of geestelijke of lichamelijke behoeften) worden gegarandeerd. Het prijsbeleid is gereguleerd en gebaseerd op de feitelijke kosten, wat overcompensatie uitsluit.

3.   Sociale woningen en EU-recht

3.1

Aangezien louter marktwerking niet volstaat om alle burgers van behoorlijke woonruimte te voorzien, kunnen sociale woningen volgens het EU-recht worden gelijkgesteld met een DAEB voor zover deze door de betrokken lidstaat als zodanig worden aangemerkt. In dat geval kunnen sociale woningen in aanmerking komen voor subsidiëring of vergoedingen door de overheid.

3.2

In protocol 26 bij het Verdrag van Lissabon wordt een bevestiging gegeven van „de essentiële rol en de ruime discretionaire bevoegdheid van de nationale, regionale en lokale autoriteiten om diensten van algemeen economisch belang te verrichten, te doen verrichten en te organiseren op een manier die zoveel mogelijk in overeenstemming is met de behoeften van de gebruikers”. Sociale woningen zijn onderworpen aan verplichtingen van openbare dienstverlening zoals die worden geformuleerd door nationale, regionale of lokale overheden. Bij die verplichtingen gaat het met name om programmering en prijsvorming en de voorwaarden waaronder sociale woningen worden toegewezen en mogen worden gebruikt. In ditzelfde protocol is bepaald dat door de lidstaten o.m. moet worden gestreefd naar „een hoog niveau van … betaalbaarheid, gelijke behandeling en de bevordering van de algemene toegang en van de rechten van de gebruiker”.

3.3

Sociale huisvesting valt, als sociale woningen als DAEB worden aangemerkt, onder de artikelen 14 en 106, lid 2, en Protocol 26 van het VWEU, waarin met name de beginselen zijn vastgelegd waaraan de aanmerking van sociale woningen als DAEB moet worden getoetst: het beginsel van sociale en culturele collectieve voorkeuren en het beginsel dat wordt tegemoet gekomen aan de vraag op de lokale woningmarkt Volgens deze bepalingen gaan de taken van sociale huisvesting, binnen de grenzen van bepaalde voorwaarden die in het DAEB-besluit worden gesteld (zie hieronder par. 3.6), boven de mededingingsregels en de regelgeving van de eengemaakte markt.

3.4

De Commissie is uitgegaan van deze bepalingen van het VWEU om overheidssteun voor organisaties die voor sociale huisvesting zorgen, vrij te stellen van de voorafgaande-meldingsverplichting.

3.5

Dat de lidstaten sociale huisvesting als een DAEB hebben aangemerkt, wordt alleen nog door de Commissie, onder controle van het Europese Hof van Justitie, getoetst aan de vraag of al dan niet een „kennelijke vergissing” is gemaakt.

3.6

In dit verband voert de Commissie aan dat bij de omschrijving van sociale huisvesting „een rechtstreeks verband met kansarme burgers of met minder bevoorrechte bevolkingsgroepen moet worden gelegd”, omdat „openbare dienstverlening een sociaal karakter heeft”. Anders gezegd mag de omschrijving van sociale huisvesting niet afhangen van de verscheidenheid aan behoeften aan woningen op de lokale woningmarkt. Hierin ligt een voortdurende twistappel voor de Commissie enerzijds en bepaalde lidstaten, organisaties voor sociale huisvesting en vertegenwoordigers van huurders van sociale woningen anderzijds. Immers, die laatste gaan in tegen die logica van de Commissie, terwijl andere het er weer wel mee eens zijn.

4.   Een rechtskader dat ontwrichtend werkt voor het sociale-woningenbeleid van de lidstaten

4.1

Dat de Commissie in besluitvorming steeds de vraag stelt of al dan niet een „kennelijke vergissing” is gemaakt bij de aanmerking van sociale woningen als DAEB, heeft ertoe geleid dat de politieke keuzen van bepaalde lidstaten m.b.t. de organisatie en financiering van sociale huisvesting op bepaalde punten zijn veranderd en dat er geschillen zijn ontstaan.

4.2

In Nederland heeft die wijze van besluitvorming al tot gevolg gehad dat 400 000 gezinnen sociale woningen zijn misgelopen, omdat de Commissie vond dat zij te rijk waren om daarvoor in aanmerking te komen. Alleen wees de praktijk uit dat diezelfde gezinnen ook weer niet rijk genoeg waren voor de woningen die op de reguliere woningmarkt werden aangeboden.

4.3

In Zweden weigeren de overheden om die wijze van besluitvorming toe te passen. Als gevolg daarvan is sociale huisvesting uitgesloten van het toepassingsgebied van DAEB en is de financiering van sociale huisvesting in de vorm van vergoedingen voor openbare dienstverlening – immers, alleen dergelijke vergoedingen zijn verenigbaar met het beginsel van het Verdrag dat overheidssteun verboden is – aan het wankelen gebracht.

4.4

De Franse nationale bond voor onroerend goed (Union nationale de la propriété immobilière) heeft bij de Commissie een klacht ingediend tegen de Franse staat, o.m. omdat de inkomensgrenzen die in Frankrijk aan de toegang tot sociale woningen worden gesteld, veel te hoog zouden zijn en niet zouden stroken met de praktijk van de besluitvorming bij de Commissie.

4.5

Zoals de voorstellen voor richtlijnen inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten eruit zien, worden samenwerkingsverbanden tussen organisaties voor sociale huisvesting die tot „sociale ondernemingen” en „publiekrechtelijke organen” worden gerekend, onderworpen aan de bepalingen van die richtlijnen en aan de verplichting om aanbestedingen te organiseren. Op die manier – nl. door de jurisprudentie inzake samenwerking tussen overheden van toepassing te maken op àlle aanbestedende diensten – zet de Commissie methoden op losse schroeven die inhouden dat wordt samengewerkt en dat de middelen die nodig zijn om sociale huisvesting te moderniseren, goed te beheren en lokaal verder te verankeren, voor onderling gebruik ter beschikking worden gesteld.

4.6

Dit zijn concrete voorbeelden van de rechtstreekse invloed van het EU-recht op de voorwaarden waaronder in de lidstaten sociale huisvesting wordt omschreven, georganiseerd en gefinancierd. Daaruit blijkt de noodzaak om een rechtskader in het leven te roepen dat bevorderlijk is voor sociale huisvesting in de EU.

4.7

Vanwege de vele facetten en hoge mate van representativiteit in de EU daarvan is sociale huisvesting van doorslaggevend belang voor de toepassing van de Europa 2020-strategie. Met sociale huisvesting wordt een actieve bijdrage geleverd aan de doelstelling om van de EU een slimme, duurzame en inclusieve economie te maken. Dit komt doordat sociale huisvesting helpt zorgen voor een hoge mate van werkgelegenheid, productiviteit, integratie en maatschappelijke samenhang en een doortastend wapen is tegen armoede en de klimaatverandering, terwijl energiearmoede wordt tegengegaan.

4.8

Iedere lidstaat moet op al die gebieden, waaronder de ontwikkeling van een aanbod aan sociale woningen, zelf nationale doelstellingen uitwerken. Dat neemt niet weg dat er in EU-verband concrete maatregelen moeten worden genomen om uitvoering te geven aan de Europa 2020-strategie, ook als het gaat om sociale woningen.

5.   Beleid voor sociale huisvesting sluit naadloos aan bij de Europa 2020-strategie en het streven naar betere economische governance

5.1

Er is meer dan één doel van de Europa 2020-strategie waaraan sociale huisvesting een actieve bijdrage levert: sociale huisvesting helpt om de groei te bevorderen en gebieden aantrekkelijker te maken, genereert investeringen en niet-verplaatsbare werkgelegenheid, draagt bij aan de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting en is een wapen tegen de klimaatverandering en energiearmoede.

5.2

De EU is in de wereld de op één na grootste producent van sociale woningen. Daarmee komt de EU achter China dat sociale huisvesting inzet als beleidsinstrument voor economische groei, stadsontwikkeling en de afzwakking van vastgoedzeepbellen op de reguliere woningmarkt.

5.3

De Commissie heeft voorgesteld om sociale huisvesting van 2014 tot 2020 zonder meer in aanmerking te laten komen voor steun uit de structuurfondsen, met name voor thermische renovatie, het promoten van hernieuwbare energie, geïntegreerd beleid voor duurzame stadsontwikkeling en de bestrijding van sociale uitsluiting doordat sociaal uitgesloten groepen toegang krijgen tot huisvesting en betaalbare en hoogwaardige sociale voorzieningen.

5.4

De Commissie en de Raad willen de economische governance in de eurozone verbeteren. Vooral vastgoedzeepbellen en de rampzalige gevolgen daarvan voor het macro-economisch en maatschappelijk evenwicht zouden beter in het hand moeten worden gehouden. Sociale huisvesting is een concreet en doeltreffend middel om dat te bewerkstelligen. Het nevenaanbod aan woningen dat in het leven wordt geroepen, heeft een matigende werking op fenomenen als vastgoedzeepbellen en op de cycli op de woningmarkt.

5.5

Als een lidstaat, om begrotingsredenen of vanwege een te beperkende omschrijving van kansarme personen of minder bevoordeelde bevolkingsgroepen, zijn aanbod aan sociale woningen niet langer aan de reële behoeften van zijn burgers kan aanpassen en dus niet aan zijn internationale verplichtingen inzake het recht op huisvesting kan voldoen, dan bestaat de enige oplossing om iedereen toegang tot behoorlijke en betaalbare huisvesting te bieden, erin dat de overheid vergaand ingrijpt op de reguliere woningmarkt.

6.   Nieuwe uitdagingen op sociaal en energiegebied

6.1

Sociale huisvesting krijgt te maken met de gevolgen van de klimaatverandering. Vandaar de noodzaak om de energieprestaties van het bestaande en toekomstige sociale-woningenpark te verbeteren. Er moet in het openbaar steun worden uitgesproken voor maatregelen die organisaties voor sociale huisvesting nemen om in energie te investeren. Immers, daarmee kan de klimaatverandering worden bestreden, kan de energiearmoede van lageinkomensgezinnen worden tegengegaan en kunnen de werkgelegenheid en economische ontwikkeling van gebieden worden bevorderd. Met het cohesiebeleid kan daar doortastend op worden ingespeeld en kan een hefboomeffect op gang worden gebracht waardoor andere aanvullende financieringsbronnen worden gemobiliseerd.

6.2

Ook de vergrijzing heeft gevolgen voor sociale huisvesting, omdat het sociale-woningenpark moet worden aangepast aan de behoeften van zorgafhankelijke ouderen. Ook moeten er nieuwe geïntegreerde diensten worden ontwikkeld waardoor zorgafhankelijke mensen in hun eigen huis kunnen blijven wonen en de toegankelijkheid van sociale woningen wordt verzekerd.

6.3

De toenemende bestaansonzekerheid van de gezinnen die in sociale woningen wonen of sociale woningen aanvragen, vergroot de behoefte aan sociale vermenging en een hoogwaardig lokaal en regionaal aanbod aan sociale woningen. Ook moet worden toegewerkt naar een geïntegreerde beleidsaanpak voor duurzame stadsontwikkeling waarmee alle dimensies van het Commissievoorstel voor de EFRO-verordening worden bestreken, d.w.z. zowel de sociale en economische als de stads- en milieudimensie.

7.   Rol voor de Europese Unie

7.1

Wat de EU vóór alles moet doen, is een rechtskader bieden dat bevorderlijk is voor sociale huisvesting in de lidstaten. Dit rechtskader moet betrekking hebben op de financiering, omschrijving en werking van sociale woningen. In dit rechtskader moeten tal van kwesties aan de orde worden gesteld: de toetsing van de aanmerking van sociale huisvesting als DAEB aan de mogelijkheid van een „kennelijke vergissing”; de verenigbaarheid van overheidssteun voor organisaties voor sociale huisvesting; de toepassing van de bepalingen inzake overheidsopdrachten en samenwerking tussen organisaties voor sociale huisvesting; de toepassing van verlaagde BTW-tarieven op een goed dat overeenkomt met een basisbehoefte.

7.2

Commissie zou moeten terugkomen op haar wijze van besluitvorming waarbij steeds de vraag wordt gesteld of er door de lidstaten al dan niet een „kennelijke vergissing” is gemaakt bij de aanmerking van sociale huisvesting als DAEB, omdat die werkwijze wellicht niet altijd strookt met de specifieke kenmerken van de sector. De Commissie zou het aan de lidstaten moeten overlaten om te bepalen onder welke voorwaarden sociale woningen worden toegewezen en welke prijzen voor sociale woningen moeten worden betaald, naar gelang van de lokale behoeften en voorkeuren en de reële behoeften van kansarme burgers en minder bevoorrechte bevolkingsgroepen, en in overeenstemming met de bepalingen van protocol 26 betreffende diensten van algemeen belang.

7.3

Het EESC is ingenomen met het besluit van de Commissie om de vrijstelling van de voorafgaande-meldingsverplichting voor overheidsvergoedingen voor sociale-woningenorganisaties te verlengen en rekening te houden met bepaalde kenmerken, waaronder met name de duur van het mandaat en langetermijninvesteringen.

7.4

Ook valt toe te juichen dat de Commissie zich in een Mededeling over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) bereid heeft verklaard om een ecosysteem te promoten dat gunstig is voor de totstandbrenging van sociale ondernemingen in de EU, ook op gebieden als de toegang tot huisvesting, en om voor de oprichting van een fonds voor solidaire investeringen te ijveren. De rol van de sociale partners in lidstaten waar het gebruikelijk is dat deze bij het beheer van sociale woningen worden betrokken, moet worden gevrijwaard.

7.5

De Commissie, het Europees Parlement en de Raad zouden er zorg voor moeten dragen dat samenwerkingsverbanden tussen organisaties voor sociale huisvesting (publiekrechtelijke organen en sociale ondernemingen) worden meegenomen in de voorstellen voor richtlijnen inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten: de samenwerking tussen die organisaties zou als samenwerking tussen overheidsinstanties moeten worden aangemerkt, omdat het hier gaat om organisaties die het openbaar belang nastreven en daarin als publieke of particuliere organisatie participeren.

7.6

De Commissie zou haar voorstellen voor het toekomstige gemeenschappelijke BTW-stelsel opnieuw moeten bekijken. Daarin zou moeten worden vastgehouden aan de mogelijkheid voor de lidstaten om een verlaagd BTW-tarief toe te passen op de bouw en renovatie van sociale woningen, ongeacht of die opdracht wordt vervuld door een staatsbedrijf, een particuliere of een sociale onderneming, omdat sociale woningen een lokale basisbehoefte zijn zonder gevolgen voor de handel tussen de lidstaten en de goede werking van de eengemaakte markt.

7.7

De EU moet de lidstaten ook helpen om hun aanbod aan sociale woningen verder uit te breiden en hun sociale woningen aan de nieuwe demografische, sociale en klimaatomstandigheden aan te passen. Zo kan actief worden bijgedragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.

7.8

Het is daarom een goede zaak dat de Commissie voor de EFRO- en de ESF-verordeningen voorstelt om prioritaire investeringen in de thermische renovatie van sociale woningen, geïntegreerde acties voor duurzame stadsontwikkeling, de toegang tot hoogwaardige en betaalbare sociale woningen voor sociaal uitgesloten groepen en de bevordering van sociale ondernemingen in aanmerking te laten komen voor steun uit de structuurfondsen 2014-2020. Het doel is en blijft om hoogwaardige sociale woningen te kunnen aanbieden aan al degenen die daar behoefte aan hebben.

7.9

Het EESC ziet in dat dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn ter begeleiding van het Commissievoorstel voor een richtlijn inzake energie-efficiëntie. Immers, dit Commissievoorstel bevat de verplichting voor organisaties die over sociale huisvesting gaan, om jaarlijks 4 % van het sociale-woningenpark thermisch te renoveren. De investeringen die nodig zijn om aan die verplichting te voldoen, vergen speciale maatregelen. Dit kan met name middels het EFRO, maar ook door de oprichting van een Europees investeringsfonds.

7.10

Het Europees Parlement en de Raad zouden hun goedkeuring moeten hechten aan de Commissievoorstellen voor de EFRO- en ESF-verordeningen, die stroken met de toepassing van de Europa 2020-strategie en waarin voor het eerst erkenning wordt gegeven aan de verordeningen voor de structuurfondsen en de prioritaire rol van huisvesting voor het beleid dat de lidstaten voeren om in het cohesiebeleid 2014-2020 te investeren.

7.11

Vanwege de sociale en macro-economische impact van vastgoedzeepbellen is regulering van de woningmarkten in de lidstaten een belangrijke voorwaarde voor de stabiliteit van de eurozone. Sociale woningen dragen bij aan de stabilisering van de woningmarkten en helpen mee om de vastgoedcycli te reguleren.

7.12

Het EESC is ingenomen met het Commissievoorstel om de macro-economische bewaking van de eurozone op te voeren en een onderdeel daarvan aan de macro-economische gevolgen van vastgoedzeepbellen te wijden. Een en ander zou gepaard moeten gaan met maatregelen om een slimme regulering van de woningmarkten door de lidstaten te bevorderen en een aanbod aan sociale en particuliere woningen te ontwikkelen dat stabiliserend werkt op de woningmarkten en matigend op de vastgoedcycli. Kortom, maatregelen die rijmen met een duurzame stadsontwikkeling.

7.13

Er moet beslist een discussie worden opgestart over de Europese stabiliseringreserves voor de financiering van sociale woningen, die onderdeel zijn van het Europees sociaal model. Er moet worden nagedacht over de mogelijkheid om voor sociale woningen een aan een bovengrens gebonden Europees volksspaarboekje in te voeren. Het zou gaan om een spaarrekening die online kan worden geopend bij de EIB, de beheerder van die middelen. Die procedure zou een tweeledige functie hebben: de investeringen in sociale woningen stabiliseren en bij de intekenaars een sterk gevoel van betrokkenheid als burgers teweeg brengen.

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/59


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de opkomst van een maatschappelijk middenveld in China — De bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan het jaar van de interculturele dialoog EU-China en de langetermijneffecten daarvan (initiatiefadvies)

2013/C 44/10

Rapporteur: mevrouw SIGMUND

Het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 september 2010 besloten om een initiatiefadvies op te stellen over:

De opkomst van een maatschappelijk middenveld in China; de bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan het jaar van de interculturele dialoog EU-China en de langetermijneffecten daarvan.

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 20 november 2012 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw SIGMUND.

Het Comité heeft tijdens zijn 485e zitting van 12-13 december 2012 (vergadering van 13 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 68 stemmen voor en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1

Het EESC verzoekt de Commissie betrokken te worden bij de lopende activiteiten van de diverse werkgroepen die in het kader van de derde zuil, de „people-to-people-dialogue” zijn opgericht. Als institutioneel EU-platform voor de civiele dialoog heeft het veel knowhow en ervaring opgedaan die het bij het aangaan van een dergelijke dialoog met China als input kan aanbieden. Het heeft reeds in 1999 vastgesteld dat „cultuur […] het werkterrein van de civil society (1) structureert. Volgens de brede definitie die het daarvoor heeft geformuleerd, beschouwt het EESC cultuur dan ook als een horizontaal vraagstuk. Met deze benadering is het als geen ander in staat om binnen zijn bevoegdheden het „soft power-beleid” en de „intercultural diplomacy” van de gesprekspartners EU en China te begeleiden en ondersteunen.

1.2

De „people-to-people”-initiatieven zouden voor zover mogelijk in de eerste plaats op het onderste niveau moeten worden uitgediept door een intensievere uitwisseling van studenten en eventueel een eigen stageprogramma en stedenbanden.

1.3

Met name internationale normen betreffende mensenrechten, democratische en fundamentele vrijheden moeten worden nageleefd: dit zijn belangrijke voorwaarden voor culturele expressie, culturele uitwisselingen en culturele diversiteit.

1.4

Met name internationale normen betreffende mensenrechten, democratische en fundamentele vrijheden dienen onder de aandacht te worden gebracht: dit zijn belangrijke voorwaarden voor culturele expressie, culturele uitwisselingen en culturele diversiteit

1.5

Scholing en onderwijs (ook het volwassenenonderwijs) dienen een rol te spelen in de gemeenschappelijke activiteiten, aangezien de interculturele dialoog op dit terrein talrijke mogelijkheden biedt, variërend van taallessen tot consumentenvoorlichting, milieueducatie enz.

1.6

Met het oog op een duurzame bewustmaking stelt het EESC voor jaarlijks een „ontmoetingsdag tussen de EU en China” te organiseren. Een en ander dient te worden opgeluisterd met culturele activiteiten bij beide partijen.

1.7

Op zo veel mogelijk terreinen moet de uitwisseling van goede praktijken worden gestimuleerd (daaraan zou kunnen worden deelgenomen door belangrijke actoren uit sociaaleconomische kringen, zoals de sociale partners en mensenrechtenorganisaties – zowel officiële vertegenwoordigers als mensen uit de oppositie – maar ook door scholen en onderwijsinstellingen, deskundigen op specifieke terreinen, zoals consumentenvraagstukken, milieubescherming, het gevangeniswezen enz.).

1.8

In ieder geval moeten lopende initiatieven meer aan elkaar worden gekoppeld en moet de informatie-uitwisseling van alle actoren worden verbeterd, aangezien verschillende initiatieven momenteel min of meer geïsoleerd plaatsvinden en er waardevolle synergie verloren gaat (te denken valt aan de EUNIC-China-cultuurdialoog).

1.9

Er moet meer worden gedaan aan de samenwerking van de media (televisie, pers) en de gemeenschappelijke opleiding en bijscholing van journalisten. Op die manier worden bredere lagen van de bevolking bereikt (2).

1.10

Het EESC zal overeenkomstig artikel 167, lid 3, VWEU, onderzoeken welke nieuwe langetermijninitiatieven het kan lanceren in het kader van zijn reeds bestaande samenwerking met China. Ook is het bereid andere actoren een platform voor informatie-uitwisseling en discussie aan te reiken.

2.   Achtergrond

2.1

Sinds de Europese agenda voor cultuur 2007 is er geleidelijk aan een nieuw strategisch kader ontstaan voor het externe optreden van de Unie. Cultuur neemt daarin een bijzondere plaats in.

Dit „soft-powerbeleid” wordt in dit jaar van de interculturele dialoog EU-China en de langetermijnstructuren die daarvoor zijn gepland, voortdurend voort- en omgezet in het kader van het „intercultureel beleid” van de Unie.

Deze Europese benadering werd min of meer gelijktijdig door president Hu Jintao op het 17e congres van de Chinese communistische partij ondersteund. Hu Jintao riep China bij die gelegenheid op om meer te investeren in zijn „soft-powerbronnen”.

2.2

De gemeenschappelijke verklaring van de EU en China over het thema cultuur van 22 oktober 2007 leidde tot meer samenwerking en dialoog op het gebied van cultuur en vormde bovendien de aanzet tot een intensievere politieke uitwisseling op het gebied van educatie en beroepsonderwijs, waaronder ook meertaligheid.

2.3

In mei 2011 kwamen hooggeplaatste vertegenwoordigers van de EU en China overeen om deze samenwerking verder uit te breiden door het creëren van een „derde pijler” in het strategisch partnerschap tussen de EU en China, nl. de Europees-Chinese intermenselijke dialoog („people-to-people-dialogue”) op hoog niveau. Het officiële besluit tot deze „derde pijler” werd op de EU-China-top van 14 en 15 februari 2012 genomen.

2.4

Het „Jaar van de interculturele dialoog EU-China 2012” (YICD), waartoe Europese en Chinese leiders op de EU-China-top van 2010 besloten en waartoe op 1 februari 2012 in Brussel het startsein werd gegeven, moet eveneens in dat kader worden gezien.

2.5

Het doel hiervan is niet alleen het aanhalen van de culturele betrekkingen, maar ook het bevorderen van de politieke dialoog en de dialoog binnen het maatschappelijk middenveld, teneinde tot positieve en langdurige betrekkingen te komen tussen de EU en China (3). Het Jaar van de interculturele dialoog zal door de bundeling van krachten en het vaststellen van synergieën naar verwachting een stimulans geven aan de dialoog van het maatschappelijk middenveld van de EU en China en blijvend effect sorteren.

3.   Inleiding

3.1

Dit advies borduurt voort op advies CESE 413/2006 (rapporteur: de heer SHARMA) en de resultaten van de in opdracht van het EESC uitgevoerde studie met een uitgebreide actuele analyse van het Chinese maatschappelijk middenveld (4).

3.2

De uitkomsten van de studie worden tegen de achtergrond geplaatst van de historische ontwikkeling en van het Jaar van de interculturele dialoog EU-China 2012 en de daarmee gepaard gaande taken en mogelijkheden.

3.3

Van bijzonder belang acht het EESC de door de Europese Commissie in het concept voor het YICD geformuleerde verwachting dat „het jaar van de interculturele dialoog zal bijdragen tot de dialoog van het maatschappelijk middenveld van de EU en China”. Als geïnstitutionaliseerd platform van de civiele dialoog in de Europese Unie is het EESC bereid een soortgelijke rol te spelen in de betrekkingen tussen de EU en China.

3.4

Het EESC heeft zich in 1999 al uitgesproken voor een bredere cultuuropvatting, waartoe niet alleen kunst en het cultureel erfgoed, maar ook terreinen als onderwijs, opleiding en wetenschap behoren. Bovendien heeft het opgemerkt dat de politieke ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld ook een cultureel proces (5) is dat het dagelijks leven van de burgers beïnvloedt.

3.5

Mobiliteit is een cruciale schakel in de culturele uitwisseling tussen volkeren. Alle factoren die hiervoor een obstakel vormen moeten dan ook worden aangepakt.

3.6

In verband met het „Europees Jaar van de interculturele dialoog 2008” heeft het EESC een advies (6) uitgebracht waarin het zich o.a. nadrukkelijk aansluit bij de opvatting van de Commissie dat het culturele erfgoed een grote betekenis heeft voor de leefwijzen van de burgers. Binnen de Unie is deze invloed van belang en moet daar beslist rekening mee worden gehouden, maar in het kader van de interculturele dialoog EU-China is de betekenis daarvan buitengewoon.

3.7

Montesquieu (7) heeft op het gebied van Europese rechtsgeschiedenis en rechtsfilosofie al in 1748 gewezen op het feit dat de machtenscheiding het fundament van ieder democratisch systeem is en op de relatie tussen rechtsorde enerzijds en de natuurlijke omstandigheden (geografie, klimaat) van een land en het economische, maatschappelijke en culturele ontwikkelingsniveau van een volk anderzijds.

3.8

Op grond van de door het EESC gehuldigde opvatting van cultuur als de gehechtheid aan gemeenschappelijke waarden is het beslist noodzakelijk dat er in het kader van dit belangrijke Jaar van de interculturele dialoog EU-China ook een dialoog wordt gevoerd en uitgediept over de waarden die bepalend zijn voor de beleidsactiviteiten van de Europese Unie (8). Daartoe bestaat niet alleen een politieke noodzaak, maar ook een juridische verplichting op grond van artikel 21 VEU (9).

3.9

Daarnaast staat er in titel XIII (CULTUUR), artikel 167, lid 3, van het VWEU het volgende te lezen: „De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake onderwijs en sport bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa”. Aangezien juristen het er unaniem over eens zijn dat met de „Unie” niet alleen de Europese instellingen worden bedoeld, maar, op hun afzonderlijke bevoegdheidsterreinen, ook de adviesorganen, kan het EESC zich hier beroepen op een primairrechtelijk mandaat om in het kader van zijn activiteiten initiatieven in die richting te ontplooien.

3.10

Een ander cruciaal referentiedocument voor het Jaar van de interculturele dialoog EU-China 2012 is de resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2011 (10), waarin het EP wijst op de belangrijke rol van het maatschappelijk middenveld bij deze samenwerking en „benadrukt dat democratische en fundamentele vrijheden zoals de vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, toegang tot informatie en communicatie, vrijheid van eredienst, vrij zijn van gebrek en vrij zijn van angst, en de vrijheid om verbinding te maken, zowel online als offline, voorwaarden zijn voor culturele uiting, culturele uitwisselingen en culturele diversiteit”.

3.11

Het EESC is op deze basis ervan overtuigd dat de interculturele dialoog tussen de EU en China een waardevol instrument is dat als uitgangspunt voor de samenwerking op economisch, sociaal, juridisch en politiek vlak het onderlinge begrip en dus ook vertrouwen kan helpen versterken. Door deze samenwerking zullen ook alle gemeenschappelijke inspanningen een duurzamer karakter krijgen. Daarvoor is het echter wel nodig dat aan zowel Europese als Chinese kant de noodzakelijke en op elkaar afgestemde structuren worden geschapen en dat er concrete projecten worden opgezet en uitgevoerd.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Burger en staat in China

4.1.1

Het individu neemt in de Chinese traditie, en vooral die van het confucianisme, een andere plaats in dan in de Europese traditie. De Chinese samenleving wordt al meer dan tweeduizend jaar gekenmerkt door de ondergeschiktheid van het individu aan grotere collectieve entiteiten (vroeger het gezin en de clan, nu de partij en de staat). De eeuwenlange vorming van elkaar beconcurrerende staten heeft in Europa tot een andere opvatting van de „staat” geleid dan in China, waar de buitengrenzen als gevolg van het idee van „tian xia” („alles onder de hemel”) poreus waren, totdat koloniale machten de Chinese (destijds Mantsjoerijse) machthebbers bekend maakten met het paradigma van nationale grenzen. Hoewel de historische evolutie van het Chinese politieke bestel niet geheel los heeft gestaan van de internationale ontwikkelingen in de 20e en 21e eeuw, is de interne transformatie nog maar net begonnen. De macht van de Chinese communistische partij over het individu overheerst, omdat het het individu volgens de partij nog aan „verlichting” ontbreekt om eigen verantwoordelijkheid te dragen (een relatie bedoeld om democratische vooruitgang te voorkomen). Door de razendsnelle integratie van China in de internationale gemeenschap (na de zelfgekozen isolatie van de jaren zestig) en de diverse netwerken (op internationaal en bilateraal niveau) die daarmee tot stand zijn gekomen, ontstaan er steeds meer mogelijkheden voor intermenselijk contact die deze opvattingen tarten en wordt daar ook steeds meer gebruik van gemaakt.

4.2   De rechten van het individu in China

4.2.1

In de EU heeft is door de ontwikkeling van de welvaartstaat een „sociaal burgerschap” ontstaan waarin de nadruk op individuele rechten ligt, maar ook collectieve rechten gewaarborgd zijn. Er moet dus rekening worden gehouden met het feit dat de twee grote culturele ruimtes „China” en „Europa” (in al hun onderlinge verscheidenheid) belangrijke verschillen vertonen met betrekking tot de relatie tussen individu en samenleving. Dit is een gevolg van hun historische ontwikkeling. Dat betekent natuurlijk niet dat schendingen van mensenrechten getolereerd moeten worden. Deze zijn hoe dan ook onacceptabel. Wél moet de basis voor een actieve dialoog versterkt worden die een pragmatische aanpak mogelijk maakt, ook via voorbeelden van best practices.

4.2.2

De in het begin genoemde invloed van het cultureel erfgoed op de moderne levenshouding en -wijze geldt, net als de door Montesquieu beschreven wisselwerking tussen geografische, economische, sociale en historisch gegroeide politieke structuren enerzijds en het huidige rechtsgevoel en de toepassing van de wetgeving anderzijds, voor zowel de Unie als China.

4.2.3

Als actief lid van de Verenigde Naties en de VN-organisaties (waaronder de IAO) en vooral als permanent lid van de VN-veiligheidsraad draagt de Volksrepubliek China verantwoordelijkheid voor de verwezenlijking van de grondgedachten en waarden van de Verenigde Naties. Dit betekent ook dat het land alle besluiten van de VN op het gebied van mensenrechten (Handvest van de Verenigde Naties) eerbiedigt.

In het dagelijks leven, met name op het gebied van de sociale en individuele burgerrechten, maar ook wat de rechten van consumenten en werknemers betreft, is China nog ver van zulke verworvenheden verwijderd. Regelmatig wordt vastgesteld dat internationale overeenkomsten en normen worden geschonden (11); hetzelfde geldt voor de milieusector.

4.2.4

Op grond van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (12) heeft het individu onder alle omstandigheden recht op bescherming. De discrepantie met het traditionele Chinese samenlevingsmodel springt in het oog. De door de regering vereiste eenheid en stabiliteit vormt in het Chinese idee van een harmonieuze samenleving de basis en de voorwaarde voor de naleving van de mensenrechten. Desalniettemin kunnen schendingen van deze rechten niet met culturele verschillen gerechtvaardigd worden en moeten hoe dan ook veroordeeld worden.

Het is duidelijk te zien dat de grote veranderingen als gevolg van de modernisering van China ook hun stempel drukken op de relatie tussen de samenleving en het individu. Toch staat dit proces nog maar in de kinderschoenen en kunnen er op dit moment geen voorspellingen worden gedaan over de verdere ontwikkelingen.

4.2.5

Krachtens artikel 21 VEU dienen de instellingen en de openbare organen van de Unie alsook het EESC wereldwijd op de bres te staan voor de bindende waarden en principes van de EU, waaronder ook de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. Waar nodig kunnen de organen van de Unie openbare verklaringen afleggen of eventueel met politieke maatregelen reageren als in hun ogen deze waarden en principes niet worden nageleefd of worden geschonden. Dat geldt ook voor de betrekkingen tussen de Unie en China.

Het EESC ziet het als een van de grote uitdagingen van het YICD om een „waardendialoog” op te zetten, zodat juist op het gebied van mensenrechten voorbeelden van goede praktijken kunnen worden uitgewerkt die het mogelijk maken om de eerste stappen in de juiste richting te zetten.

Daarom moet bij toekomstige werkzaamheden rekening worden gehouden met de ervaring die het EESC heeft opgedaan in het kader van de Rondetafel EU-China en van de mondiale organisatie van sociaaleconomische raden, de AICESIS.

4.2.6

Elke dialoog heeft tot doel om vooroordelen weg te nemen, om kennis en daarmee ook inzicht te vergaren in andere standpunten en handelswijzen en om concrete oplossingen uit te werken.

Door middel van het onderlinge begrip dat het beginsel van menselijke waardigheid, waarop de mensenrechten gebaseerd zijn, in wezen bepalend is voor elke politieke orde, zullen er in de interculturele dialoog tussen de EU en China ongetwijfeld methoden kunnen worden gevonden om constructief over mensenrechtenkwesties te discussiëren zonder dat de Unie afziet van haar recht om tegen in haar ogen onaanvaardbare schendingen te protesteren.

4.3   De actuele situatie in China en de rol van het maatschappelijk middenveld

4.3.1

Een van de belangrijkste uitdagingen die China in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid zal moeten aangaan, is het feit dat particuliere rijkdom razendsnel toeneemt terwijl er tegelijkertijd nog armoede heerst. De inkomens- en vermogenskloof wordt steeds groter. Dit probleem, dat door de demografische ontwikkelingen alleen maar erger wordt, is van blijvende invloed op de activiteiten van het maatschappelijk middenveld.

4.3.2

Door hun ontstaansgeschiedenis en vanwege het politieke bestel zijn maatschappelijke organisaties in China meer aan handen en voeten gebonden dan vergelijkbare organisaties in de Unie. Ook al hebben een aantal organisaties in principe een bepaalde mate van autonomie, toch worden ze aan een uitgebreide bureaucratische controle onderworpen. In het gunstigste geval beschikken ze over een „afhankelijke autonomie” (13). Concreet betekent dit dat de rechten van organisaties en actoren uit het middenveld zelfs bij benadering niet vergelijkbaar zijn met die van de Europese Unie, en meer in het algemeen van democratische landen, (dat geldt met name voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering).

4.3.3

Sommige Chinese universiteiten beschikken al over onderzoekscentra voor mensenrechtenvraagstukken. Dit geldt onder meer voor de CUPL („Chinese University of Political Science and Law”), waar zich de „EU-China Law School” bevindt, die door de EU en de Volksrepubliek China is opgericht en gezamenlijk wordt beheerd. Op de „Law School” van de universiteit van Renmin zal het vak mensenrechten worden opgenomen in de basisopleiding van rechtenstudenten. Verder is men druk doende om de samenwerking met het Europees Hof voor de rechten van de mens te intensiveren door publicaties, lezingen van gastsprekers, practica enz.

5.   Conclusies

5.1

Om begrip te kweken voor de onderlinge verschillen en vertrouwenwekkende maatregelen te treffen, denkt het EESC dat het de juiste weg is om in aansluiting op de interculturele dialoog EU-China de bestaande dialoogstructuren tussen beide „middenvelden” verder te ontwikkelen en nieuwe dialoogstructuren te creëren.

5.2

De interculturele dialoog dient in een breed creatief spectrum van platforms, fora en activiteiten plaats te vinden, waarbij naast de officiële instellingen ook deskundigen en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties betrokken moeten worden en gebaseerd te worden op internationaal erkende mensenrechten, aangezien China en Europa als grote culturele ruimtes (met al hun interne verscheidenheid) vanwege hun historische ontwikkeling en hun respectieve politieke systemen onderling enorm verschillen, met name op het punt van de relatie tussen individu en maatschappij.

5.3

Het zou een gemiste kans zijn als na het EU-China-jaar van de interculturele dialoog concrete en langdurige initiatieven in passende vorm uit zouden blijven. Het EESC is als geïnstitutionaliseerd platform van het maatschappelijk middenveld op EU-niveau bereid zich sterk te maken voor de verwezenlijking van deze structuren en bij te dragen aan synergie-effecten.

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Zie voetnoot 3.

(2)  Zie bijvoorbeeld de samenwerking tussen CRI (China Radio International) en ORF (Österreichischer Rundfunk)/Alpha Bayern met regelmatige coproducties.

(3)  „De voornaamste doelstellingen van het Jaar zijn:

het bevorderen en intensiveren van de interculturele dialoog en het onderlinge begrip tussen de EU en China door middel van intermenselijke contacten;

het creëren van een beleidsdialoog van lange adem over vraagstukken van algemeen belang;

het bijdragen aan de consolidering van het strategisch partnerschap tussen de EU en China.”

(4)  Baocheng Liu, University of International Business and Economics, Beijing: Report on Civil Society, mei 2011.

(5)  „De rol en bijdrage van de maatschappelijke organisaties bij de opbouw van Europa”, PB C 329 van 17.11.1999, blz. 30.

(6)  „Europees jaar van de interculturele dialoog (2008)”, PB C 185 van 8.8.2006, blz. 42.

(7)  Charles-Louis de Secondat, Baron de Montesquieu: „Over de geest van de wetten”.

(8)  Art. 2 VEU: De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.

(9)  Artikel 21, lid 1: „Het optreden van de Unie op het internationale toneel wordt beheerst door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht”.

(10)  A7-0112/2011: „Culturele dimensies van het externe optreden van de EU”.

(11)  Zie EESC-advies PB C 110 van 9.5.2006, blz. 68, par. 2.2.6. e.v.

(12)  „Universele Verklaring van de Rechten van de Mens”, resolutie 217(III) van 10 december 1948.

(13)  Zie dr. Yiyi Lu, „The Rise of Dependent Autonomy”.


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/64


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Rio+20: balans en vooruitzichten” (vervolgadvies)

2013/C 44/11

Rapporteur: Hans-Joachim WILMS

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 14 november 2012 besloten om overeenkomstig artikel 29 A van de uitvoeringsbepalingen van zijn rvo een vervolgadvies uit te brengen over:

Rio+20: balans en vooruitzichten”.

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 22 november 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 13 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 152 stemmen vóór, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Conclusies

1.1.1

De slotverklaring van de dit jaar in Rio gehouden VN-Top over duurzame ontwikkeling (de „Rio+20-Conferentie”), getiteld „De toekomst die we willen”, gaat minder ver dan het EESC zou hebben gewild. Zo is met name onvoldoende in aanmerking genomen dat de crisissituatie waarin onze planeet zich bevindt, dringend om een oplossing vraagt. Toch bevat deze slotverklaring ook meerdere onderdelen waarop kan worden voortgebouwd, ook bij ons in de EU. In het oog springen vooral de algehele overeenstemming die is bereikt over „groene economie” als een belangrijk instrument voor duurzame ontwikkeling waarin ook de sociale dimensie aan bod komt, en de consensus over een proces op grond waarvan de globale duurzaamheidsdoelstellingen beter kunnen worden afgestemd op de Millenniumdoelen voor Ontwikkeling.

1.1.2

De grootschalige mobilisering van maatschappelijke organisaties voor en tijdens de Rio+20-Conferentie, die veel vernieuwende denkbeelden en nieuwe bondgenootschappen heeft opgeleverd, stemt tot tevredenheid.

1.1.3

Het EESC heeft zich bij de voorbereiding en tijdens de conferentie zelf goed gekweten van zijn taak om tussen het maatschappelijk middenveld en de instellingen van de EU als schakel te fungeren. De inspanningen die het heeft gedaan om in en buiten de EU de sociale dialoog aan te zwengelen, zijn bij de andere EU-instellingen in goede aarde gevallen.

1.2   Aanbevelingen

1.2.1

Volgens het EESC moet het maatschappelijk middenveld bij de follow-up van de Rio+20-Conferentie en de uitvoering van de aldaar genomen besluiten worden betrokken. Alle daarop gerichte inspanningen van de andere instellingen worden dan ook uitdrukkelijk toegejuicht. Het EESC zal zich, net als vóór de Rio+20-Conferentie, blijven inzetten voor de burgerdialoog over duurzaamheidsvraagstukken, in samenwerking met de Europese maatschappelijke organisaties en netwerken, de nationale SER’s, duurzaamheidsraden e.a.

1.2.2

Het EESC zal actief bijdragen aan de uitwerking van de globale duurzaamheidsdoelstellingen door zich, net als vóór de Rio+20-Conferentie, te blijven inzetten voor de burgerdialoog in de EU alsmede voor de dialoog met maatschappelijke partners buiten de EU. Daarbij zal het zich ervoor blijven inspannen om de actoren die betrokken zijn bij de duurzaamheiddoelstellingen en de actoren die betrokken zijn bij de Millenniumdoelen, bijeen te brengen. Verder kan het, dankzij zijn ervaring en samenstelling, met name helpen om concreet vorm te geven aan een „groene economie” waarin ook de sociale dimensie aan bod komt, en kan het ertoe bijdragen dat het recht van het maatschappelijk middenveld om wereldwijd te participeren, wordt gerespecteerd.

1.2.3

Het EESC stemt in met de Conclusies van de Raad van 25 oktober 2012 over de Rio+20-Conferentie, waarin ambitieuze maatregelen worden aangekondigd om in het kader van de Europa 2020-strategie en de EU-duurzaamheidsstrategie een vervolg te geven aan deze conferentie. Ook is het ingenomen met de aangekondigde herziening van de EU-duurzaamheidsstrategie. Er is behoefte aan een brede maatschappelijke discussie over duurzame ontwikkeling in de EU. Het EESC zal zich in zijn verdere werkzaamheden blijven inzetten voor een dergelijke discussie.

2.   Bijdrage van het EESC aan de Rio+20-Conferentie

2.1

Het EESC heeft in zijn advies van 22 september 2011 over de Mededeling van de Commissie „Rio+20: naar een groene economie en betere governance” (CESE 1386/2011) (1) zijn denkbeelden over de thema's van de voor juni 2012 geplande Rio+20-Conferentie ingebracht in het inter-institutionele besluitvormingsproces, en in afwachting van de conferentie een actieplan goedgekeurd. Het doel van genoemd advies was vooral om in en buiten de EU een burgerdialoog over deze thema's van de Rio+20-Conferentie op gang te brengen. In onderhavig advies zal worden geprobeerd om, op basis van de door het EESC gestelde eisen, de balans van de Rio+20-Conferentie op te maken en aan te geven welke mogelijkheden er zijn voor follow-upmaatregelen.

2.2

Het EESC heeft voor de Rio+20-Conferentie een tweesporenaanpak gevolgd.

2.2.1

In EU-verband heeft het EESC, uitgaande van zijn advies van september 2011, naar een dialoog met Europese maatschappelijk organisaties en netwerken gestreefd en heeft het in februari 2012 een grote maatschappelijke conferentie georganiseerd. Op die conferentie is een reeks belangrijke aanbevelingen aan de onderhandelaars op de Rio+20-Conferentie goedgekeurd, waarover het EESC vervolgens, nog voordat de Raad het onderhandelingsmandaat had vastgelegd (in maart 2012), een advies heeft uitgebracht („Het standpunt van het EESC inzake de voorbereiding van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20)”, CESE 486/2012 (2)). Kortom, het EESC heeft met goed gevolg zijn functie van schakel tussen Europa's maatschappelijk middenveld en de EU-instellingen vervuld.

2.2.2

Daarnaast heeft het EESC over de thema's van de Rio+20-Conferentie ook bilaterale besprekingen gehouden met zijn institutionele partners in m.n. Brazilië, China en Rusland. In mei 2012 zijn in een multilaterale bijeenkomst gemeenschappelijke fundamentele standpunten overeengekomen, die later in Rio als uitgangspunt hebben gediend voor een burgerdialoog met vertegenwoordigers van ook andere landen.

2.3

Het EESC heeft actief deelgenomen aan de Rio+20-Conferentie door in totaal drie druk bezochte evenementen te organiseren: twee samen met de Braziliaanse Raad voor sociaaleconomische ontwikkeling georganiseerde dialogen over duurzaamheidsvraagstukken met vertegenwoordigers van resp. Brazilië en de BRICS-landen, en een in het EU-paviljoen georganiseerd evenement waarop voorbeelden van maatschappelijke participatie zijn gepresenteerd en waaraan o.m. is deelgenomen door de voorzitter van de Commissie. De leden van de delegatie van het EESC waren tijdens de Rio+20-Conferentie ook volwaardig lid van de EU-delegatie, met als gevolg dat toen het plan is opgevat om ook voor de follow-upmaatregelen meer inter-institutioneel te gaan samenwerken.

3.   Analyse van de Rio+20-Conferentie

3.1

Het EESC constateert met voldoening dat de deelnemers aan de Rio+20-Conferentie zich in hun slotverklaring globaal uitspreken voor duurzame ontwikkeling op ecologisch, sociaal en economisch gebied. Te betreuren valt echter dat het resultaat van de onderhandelingen minder bindende afspraken heeft opgeleverd dan het maatschappelijk middenveld zou hebben gewild en ook het EESC in zijn adviezen heeft voorgestaan. Met name is onvoldoende benadrukt hoe alarmerend de situatie van onze planeet is. Helaas is ook in de slotverklaring verzuimd te wijzen op de kritieke belasting van onze planeet.

3.2

Daar staat tegenover dat de Rio+20-Conferentie een maatschappelijke mobilisering op gang heeft gebracht die veel verder reikt dan de politieke onderhandelingen. Nu komt het erop aan om dit elan ook na de Rio+20-Conferentie ten nutte te maken en het proces dat met „Rio” is opgestart, voort te zetten en verder vorm te geven. Immers, „Rio” was niet alleen voor prominente politici een trefpunt, maar ook voor vele gemotiveerde en creatieve burgers die zich onvermoeibaar inzetten voor een paradigmaverschuiving in ons economisch handelen en die tal van initiatieven lanceren en voorstellen doen om concrete veranderingen te bewerkstelligen.

3.3

Hoe dan ook bevat de slotverklaring van de Rio+20-Conferentie meerdere onderdelen waarop kan worden voortgebouwd, ook bij ons in de EU. In het oog springen vooral de algehele overeenstemming die is bereikt over „groene economie” als een belangrijk instrument voor duurzame ontwikkeling waarin ook de sociale dimensie aan bod komt, en de consensus over een proces op grond waarvan de globale duurzaamheidsdoelstellingen beter kunnen worden afgestemd op de Millenniumdoelen voor Ontwikkeling.

3.4

In het licht van de belangrijkste wensen die het EESC vóór de Rio+20-Conferentie heeft geuit, kunnen bij de verklaring die na afloop daarvan is afgelegd, de volgende kanttekeningen worden geplaatst:

3.4.1

Een van de voornaamste prioriteiten van het EESC voor de Rio+20-Conferentie was armoedebestrijding. Het EESC staat op de bres voor toegang tot genoeg voedsel, zuiver water en duurzame energie. Dit vraagstuk komt ruimschoots aan bod in de slotverklaring, ook al vinden veel analisten dat onvoldoende duidelijkheid wordt geschapen over de financieringsmogelijkheden. De Millenniumdoelen voor Ontwikkeling en de daaraan verbonden verplichtingen worden in de slotverklaring bekrachtigd, maar de rechten van vrouwen blijven onderbelicht.

3.4.2

Een andere prioriteit voor het EESC was dat de Rio+20-Conferentie aandacht zou moeten schenken aan de sociale dimensie van de nagestreefde verandering. Het heeft gepleit voor een rechtvaardige overgang naar een duurzame economie: het stemt dan ook tot tevredenheid dat hiervan voor het eerst melding is gemaakt in een tekst van de VN. Andere gunstige aspecten van de slotverklaring zijn: de erkenning dat de sociale partners en vooral werknemers een actieve rol dienen te spelen in het veranderingsproces; de nadruk die op „fatsoenlijk werk” en de gelijke behandeling van vrouwen en mannen wordt gelegd; het belang dat aan onderwijs en opleiding wordt gehecht, en de positieve beoordeling van de rol die sociale minimumnormen kunnen spelen.

3.4.3

Zowel vóór als tijdens de Rio+20-Conferentie heeft het EESC bij herhaling gewezen op het belang van daadwerkelijke betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld. Wat dit betreft bevat de slotverklaring enkele positieve aanzetten. Alleen had het EESC graag gewild dat de algemeen gehouden formulering concreter was uitgewerkt (zoals met een voorstel om fora van multi-stakeholders, bijv. SER's, inspraak te geven bij de uitwerking van nationaal beleid voor een duurzame economie). Wat een andere o.a. door het EESC op het gebied van governance naar voren gebrachte eis betreft, nl. dat er omwille van het onontkoombare langetermijnperspectief voor duurzaam beleid de functie van ombudsman voor komende generaties in het leven wordt geroepen, hebben de deelnemers aan de Rio+20-Conferentie de secretaris-generaal van de VN om een nadere analyse gevraagd.

3.4.4

Wat zijn andere wensen betreft is het EESC ingenomen met de overeenstemming die is bereikt over een tienjarig kader voor duurzame consumptie- en productiepatronen, over de vermelding van het beginsel dat zuinig met hulpbronnen moet worden omgesprongen, over de toezegging dat het BNP met meer indicatoren moet worden aangevuld en over de erkenning van de rol van ondernemingen.

4.   Follow-up van de Rio+20-Conferentie binnen de VN en in de EU

4.1

Of de Rio+20-Conferentie al dan niet een succes was, zal ongetwijfeld pas blijken als de besluiten die daar zijn genomen en de processen die in gang zijn gezet, in praktijk worden gebracht. Dat laatste moet volgens het EESC gebeuren met de actieve participatie en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld.

4.2

Bij de aanvang van de dit jaar gehouden Algemene Vergadering van de VN is het startsein gegeven voor de processen die moeten leiden tot een politiek forum op hoog niveau waarin de drie dimensies van duurzame ontwikkeling onder één noemer worden gebracht, en tot de vastlegging van globale duurzaamheidsdoelstellingen. De manier waarop de toekomstige betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij deze processen wordt ingevuld, laat volgens het EESC nog te wensen over, in weerwil van de zeer veelbelovende uitspraken hierover in de slotverklaring van de Rio+20-Conferentie.

4.3

Wat de vastlegging van de duurzaamheidsdoelstellingen betreft ligt het zwaartepunt momenteel bij de procedurele kant ervan. Daarbij gaat het niet alleen om de mogelijkheden voor het maatschappelijk middenveld om hierbij te worden betrokken, maar ook om de samenhang tussen het al begonnen proces voor de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 en het aanstaande proces van vastlegging van de duurzaamheidsdoelstellingen. In de slotverklaring van de Rio+20-Conferentie wordt gewezen op de noodzaak van een koppeling tussen beide processen, waarbij nog niet geheel duidelijk is hoe de betrokken actoren hier hun eigen rol zien.

4.4

Het EESC heeft al in juli 2012 een grootschalig evenement voor het maatschappelijk middenveld georganiseerd om de resultaten van de Rio+20-Conferentie in Brussel te bespreken. Bij die gelegenheid werd duidelijk dat de vastlegging van duurzaamheidsdoelstellingen wordt beschouwd als een prioritair vraagstuk voor de follow-up van de Rio+20-Conferentie en dat hiervoor een maatschappelijke discussie moet worden gevoerd. Niet minder mis te verstaan was de eis van de deelnemers aan dit evenement dat het proces van vastlegging van de duurzaamheidsdoelstellingen en het proces voor de herziening van de Millenniumdoelen voor Ontwikkeling aan elkaar moeten worden gekoppeld en dat er voor de periode na 2015 een alomvattende ontwikkelingsagenda moet komen. Verder is er tijdens dit evenement, evenals bij andere evenementen waar maatschappelijke organisaties een vervolg aan de Rio+20-Conferentie willen geven, steeds op gehamerd dat wij hier in de EU moeten uitvoeren wat we in Rio zelf bepleit hebben. Daarom moeten de basisstrategieën van de EU (d.w.z. de Europa 2020-strategie op het gebied van duurzaamheid en de EU-duurzaamheidsstrategie) beslist worden getoetst aan de mate waarin ze overeenkomen met de eisen die de EU zelf tijdens de Rio+20-Conferentie naar voren heeft gebracht.

4.5

Uit de inter-institutionele besprekingen die het EESC sinds de Rio+20-Conferentie heeft gevoerd, is gebleken dat de wil om samen te werken en ook de maatschappelijke organisaties daarbij te betrekken, er wel degelijk is.

4.6

De Commissie is een officiële online-raadpleging begonnen ter voorbereiding van een voor het voorjaar van 2013 aangekondigde mededeling over de follow-up van de Rio+20-Conferentie. Het EESC juicht dit initiatief toe en zal in het kader van deze raadpleging een aantal gemeenschappelijke evenementen organiseren. Voor het voorjaar van 2013 wordt ook een mededeling over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 verwacht. Het EESC heeft over deze gehele thematiek een advies in voorbereiding. Alle vooral aan milieuvraagstukken gerelateerde aspecten van de Rio+20-Conferentie zullen - aldus de bevoegde eurocommissaris - worden verwerkt in het zevende milieuactieprogramma, dat voor het einde van het jaar bekend zal worden gemaakt.

4.7

Het EESC is ingenomen met de conclusies die de Raad op 25 oktober 2012 uit de Rio+20-Conferentie heeft getrokken en dan vooral met de conclusie dat het maatschappelijk middenveld hierbij moet worden betrokken. Ook zijn de aangekondigde ambitieuze plannen om in het kader van de Europa 2020-strategie en de EU-duurzaamheidsstrategie een vervolg aan deze conferentie te geven, een goede zaak. Ook stemt tot tevredenheid dat de EU-duurzaamheidsstrategie zal worden herzien in het licht van de resultaten van de Rio+20-Conferentie. Daarop had het EESC reeds aangedrongen in zijn advies van 21 september 2011.

5.   Rol van het EESC in de follow-up van de Rio+20-Conferentie

5.1

Het EESC is zowel door maatschappelijke actoren als door de andere instellingen van de EU gevraagd om zich actief aan de follow-up van de Rio+20-Conferentie te blijven wijden.

5.2

Het EESC kan hieraan bijdragen, omdat het ook in de toekomst zal fungeren als een forum voor de maatschappelijke discussie over duurzaamheidsvraagstukken en als schakel tussen het maatschappelijk middenveld en de instellingen van de EU, waarbij ook Europese maatschappelijke organisaties en netwerken, nationale SER's en duurzaamheidsraden worden betrokken.

5.3

Op grond van zijn ervaring kan het EESC vooral meehelpen om een antwoord te vinden op de vraag hoe de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld moet worden vormgegeven. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de concrete uitoefening van rechten op het gebied van voorlichting, raadpleging en medezeggenschap.

5.4

Het EESC heeft als enige instelling van de EU een specifiek orgaan voor duurzame ontwikkeling opgericht, waarmee recht is gedaan aan het horizontale karakter van dit vraagstuk. Sinds Rio is dit nog nooit eerder zo actueel geweest. Dankzij zijn samenstelling kan het EESC met het oog op de „groene economie” met concrete voorstellen komen voor de randvoorwaarden die hiervoor moeten worden gecreëerd. Zo kan het EESC in het bijzonder mede vorm geven aan de sociale dimensie van duurzame ontwikkeling door het uitwerken van operationele voorstellen voor de rechtvaardige overgang naar duurzame ontwikkeling. Eén aspect van de follow-up van de Rio+20-Conferentie waaraan het EESC dringend moet bijdragen, is de vaststelling van globale duurzaamheidsdoelstellingen. Net als vóór de Rio+20-Conferentie kan het EESC een belangrijke rol spelen bij de bevordering van de maatschappelijke discussie in de EU en van de discussie met maatschappelijke zusterorganisaties buiten de EU.

5.5

Volgens het EESC is er behoefte aan een brede maatschappelijke discussie over duurzame ontwikkeling. Deze discussie zal de EU verder helpen bij haar activiteiten, vooral als het gaat om de aan „Rio” gerelateerde aspecten van de Europa 2020-strategie en de herziening van de EU-duurzaamheidsstrategie.

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 376 van 22.12.2011, blz. 102 t/m 109.

(2)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 39 t/m 42.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

485e plenaire zitting op 12 en 13 december 2012

15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/68


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 82/891/EG, 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG en 2011/35/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010

(COM(2012) 280 final — 2012/0150 (COD))

2013/C 44/12

Rapporteur: Mevrouw ROUSSENOVA

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 5 en 10 juli 2012 besloten om the Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 82/891/EG, 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG en 2011/35/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010

COM(2012) 280 final — 2012/0150 (COD).

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 21 november 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 12 december 2012) het volgende advies uitgebracht, dat met 153 stemmen voor, 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen werd goedgekeurd:

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité kan zich vinden in het wetgevingsvoorstel voor een kader om bankcrises preventief aan te pakken, de financiële stabiliteit veilig te stellen en de druk op de overheidsfinanciën te verlichten door nieuwe instrumenten in te voeren voor preventie, vroegtijdig ingrijpen en afwikkeling. Een doeltreffende afwikkeling van faillissementen van financiële instellingen in de Unie is cruciaal voor de voltooiing van de interne markt. Dit neemt niet weg dat het Comité wel nadere duidelijkheid wenst over sommige nieuwe instrumenten die nog niet in systeemcrises zijn getest. Het gaat ervan uit dat de inhoud van de voorgestelde richtlijn wordt afgestemd op die voor de bankenunie.

1.2

Het Comité accepteert het voorstel dat de afwikkelingsplannen door de voor de afwikkeling verantwoordelijke autoriteiten en na raadpleging van de bevoegde autoriteiten worden op- en bijgesteld, maar is er wel van overtuigd dat het opstellen en het actualiseren van plannen, zowel die voor individuele afwikkeling als die voor groepsafwikkeling, er beter op worden als ook de banken daarbij worden betrokken. Verder moet zo nodig deskundigenadvies over ter zake doende aangelegenheden worden ingewonnen bij andere stakeholders (bijv. vertegenwoordigers van consumentenorganisaties, vakbonden, enz.) die door de afwikkelingsplannen zouden kunnen worden geraakt.

1.2.1

Centrale banken, waaronder de ECB, verkeren bij uitstek in de positie om zaken van algemeen belang te beoordelen en het Comité beveelt dan ook aan om hen bij de evaluatie van de herstel- en afwikkelingsplannen te betrekken, maar daarbij hun onafhankelijkheid volledig te respecteren.

1.3

De vertrouwelijkheidsvereisten met betrekking tot kredietinstellingen en hun herstel- en afwikkelingsplannen moeten worden aangescherpt. Er moet specifiek in de richtlijn worden voorgeschreven dat alle bij het opstellen, bijwerken en beoordelen van de plannen betrokken autoriteiten, instellingen en stakeholders de vertrouwelijkheid van de informatie in kwestie strikt respecteren.

1.4

Verder kan het Comité zich vinden in de voorgestelde bepalingen voor invoering van geharmoniseerde voorschriften en voorwaarden voor financiële steun binnen een groep. Het tekent daarbij wel aan dat er evenwicht moet zijn in de bescherming van de belangen en rechten van financier en ontvanger wanneer er geen overeenstemming over de ondersteuning bestaat. Ook geeft het zijn volledige steun aan het voorgestelde artikel 19, lid 1, maar stelt voor om het onder (f) genoemde vereiste aan te vullen met eventuele hogere eigenvermogens- en liquiditeitsvereisten die door de regelgevers van het land van vestiging van de steunverlener zijn voorgeschreven.

1.5

De hoofdvoorwaarden voor de aanstelling van een bijzondere bestuurder vormen een zaak voor de bevoegde autoriteiten. Het Comité begrijpt dat die over een zekere handelingsvrijheid moeten beschikken, maar gegeven de significante rol en bevoegdheden van de bijzondere bestuurder moet de instellingen meer zekerheid worden geboden door expliciete en duidelijkere regels en voorwaarden in te voeren.

1.6

De aanwijzing van die bestuurder is een zeer ingrijpende vroegtijdige maatregel die slechts als laatste redmiddel mag worden genomen. Het kan echter gebeuren dat de financiële positie van een instelling dusdanig snel verslechtert dat de bestuurder toch moet worden aangesteld zonder op de minder indringende maatregelen van artikel 23, lid 1, te wachten. Daarbij zou dan geen rekening hoeven te worden gehouden met de voorwaarde van artikel 24 dat „…andere overeenkomstig artikel 23 genomen maatregelen niet volstaan om die verslechtering te keren…”.

1.7

De bevoegd- en verantwoordelijkheden van de afwikkelingsautoriteit behoeven nadere onderscheiden en verduidelijkingen. De bevoegde autoriteiten/toezichthouders zijn bevoegd voor vroegtijdig optreden en de afwikkelaars voor de keuze en het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten. Soms worden bepaalde bevoegdheden echter door beide categorieën uitgeoefend. In het licht van de besluiten van de lidstaten zou een toezichthouder de taken van een afwikkelaar op zich kunnen nemen, maar dan moet middels scheiding van functies het risico van stilzitten wel tot een minimum beperkt worden. Daarom pleit het Comité voor een duidelijke takenscheiding en een heldere aanduiding van hun moment van tussenkomst.

1.8

De Commissie stelt voor dat het leidinggevend orgaan van een instelling de bevoegde autoriteiten dient te melden dat het denkt dat een instelling (waarschijnlijk) failliet gaat. Hier denkt het EESC dat het besluit van de voor de afwikkeling verantwoordelijke autoriteiten wel eens te laat zou kunnen komen wanneer het initiatief volledig aan de leiding van de bank wordt overgelaten. Zijn de afwikkelingsvoorwaarden huns inziens vervuld en loopt de aanmelding door de bankleiding vertraging op, dan moeten de toezichthouders het recht en de mogelijkheid hebben om de afwikkelingsautoriteiten al eerder op de hoogte te stellen. Dat moet ondubbelzinnig in de richtlijn tot uiting komen. Verder moet de richtlijn voorschrijven dat de lidstaten zware straffen opleggen aan bankmanagers die hun beroepsverplichtingen niet nakomen.

1.9

De ruime bevoegdheden voor de afwikkelingsautoriteiten en het beperkte recht om derden herstel te bieden, wekken zorgen op over de juridische soliditeit van het voorstel. In veel lidstaten, met name waar de rechter zich op de common law baseert, zal de rechter zeer waarschijnlijk eerst waken over zijn bevoegdheid om beroepen tegen administratieve besluiten in behandeling te nemen, en dat vooral wanneer een individu of groep kan aantonen, door het besluit schade geleden te hebben. Voert eiser aan dat de afwikkelingsautoriteit of de beheerders zich schuldig hebben gemaakt aan zware beroepsfouten, dan geniet de rechter immuniteit voor zijn beslissing, maar geen voorschrift kan die immuniteit tot bestuurlijke autoriteiten als de afwikkelingsautoriteit uitbreiden. Gevolg is dat die dan het risico loopt, in rechte aansprakelijk te zijn.

1.10

Het instrument „bail-in” (inbreng van de particuliere sector) behoeft nadere verduidelijking. Om onzekerheid onder beleggers te voorkomen, moeten er duidelijke regels komen m.b.t de in aanmerking komende verplichtingen en de drempelvoorwaarden voor toepassing van dit instrument.

1.11

Het Comité is ingenomen met de voorgestelde geharmoniseerde financieringsregels die gebaseerd zijn op bijdragen vooraf aan de depositogarantiestelsels en de afwikkelingsfinanciering. De criteria voor de bijdrage tot de financiering van de afwikkeling lijken in vergelijking met de huidige situatie correct en realistisch te zijn. Maar, zoals we de afgelopen jaren gezien hebben, kunnen de economische en financiële omstandigheden plotsklaps veranderen. Daarom stelt het Comité invoering voor van een regel krachtens dewelke de criteria voor de bijdrage vooraf van tijd tot tijd kunnen worden bijgesteld.

1.12

Een eventuele onderbrenging van het depositogarantiestelsel en de afwikkelingsfinanciering bij één instelling levert waarschijnlijk synergievoordelen op, maar de Commissie laat het terecht aan de lidstaten over om tussen één of twee financieringsfondsen te kiezen. Hoe dan ook, in beide gevallen dient de richtlijn realistische bepalingen te bevatten om ervoor te zorgen dat de stelsels hun hoofdtaak kunnen vervullen, d.w.z. de kleine inlegger te allen tijde te beschermen, waarbij rekening moet worden gehouden met datgene wat in het kader van de bankenunie wordt bepaald.

1.13

Zoals opgemerkt, is een doeltreffende afwikkeling van faillissementen van financiële instellingen in de Unie cruciaal voor de voltooiing van de interne markt. Met een Europees systeem van financiële regelingen ter zake kan ervoor worden gezorgd dat alle instellingen op voet van gelijkheid onder even doeltreffende afwikkelingsregelingen vallen en dat is goed voor de stabiliteit van de interne markt en gelijke concurrentievoorwaarden. Het Comité zou graag zien dat er zo snel mogelijk een realistische routekaart op weg naar dat systeem komt.

1.14

Het Comité hoopt in elk geval dat met de richtlijn ook een verdere integratie en convergentie van de regelgeving wordt beoogd, te beginnen met de eurolanden.

2.   Inleiding

2.1

De Commissie stelt een richtlijn (1) voor ten behoeve van een doeltreffend beleidskader om faillissementen van banken geordend te beheren en te voorkomen dat andere instellingen worden besmet door de relevante autoriteiten uit te rusten met gemeenschappelijke en doeltreffende instrumenten en bevoegdheden om bankcrises proactief aan te pakken, financiële stabiliteit te waarborgen en het risico voor de belastingbetaler om geld te verliezen tot een minimum te beperken. Daarmee werkt zij de opvattingen die zij in een eerdere mededeling (2) uitte over een kader voor crisisbeheersing in de financiële sector, nader uit. Dit nieuwe voorstel is ontworpen als een alternatief voor de bestaande nationale insolventieprocedures en vooral voor noodleningen en bevindt zich in lijn met de voornaamste kenmerken van doeltreffende afwikkelingsstelsels voor financiële instellingen, zoals die zijn ontwikkeld door de Raad voor financiële stabiliteit (3), en met de beginselen waarover tijdens de bijeenkomsten van de G-20 overeenstemming werd bereikt.

2.2

Noodleningen drukken enorm zwaar op overheidsfinanciën, trekken de mededinging scheef, verhogen het moreel risico (moral hazard) en worden momenteel beschouwd als een onbevredigende optie wanneer het faillissement van een bank besmettingsgevaar oplevert. Verwacht wordt dat het voorgestelde kader:

de blootstelling van de belastingbetaler aan de kosten van het redden van banken zal verminderen;

de publieke autoriteiten de noodzakelijke bevoegdheden zal verschaffen om preventief op te treden, vroegtijdig te interveniëren en tot afwikkeling van banken in moeilijkheden te komen;

afwikkelingsinstrumenten zal bieden, inclusief inbreng door de particuliere sector, die de afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheid geven om de vorderingen van ongedekte crediteuren van een failliete instelling af te schrijven en vorderingen in kapitaal om te zetten.

2.3

De Commissie kwam op 12 september 2012 met een voorstel voor een Europees toezichtmechanisme voor banken in de eurozone. Daarbij werd de hoofdverantwoordelijkheid voor specifieke taken met betrekking tot de financiële stabiliteit van alle banken in die zone in de schoot van de ECB gelegd. Verder blijven de nationale toezichthouders belangrijk voor het dagelijkse toezicht en de voorbereiding en uitvoering van de besluiten van de ECB. De ECB zou vroegtijdig kunnen ingrijpen wanneer een bank kapitaalvereisten schendt of dreigt te schenden. Mocht er overeenstemming over het depositogarantiestelsel en de richtlijn aangaande herstel en afwikkeling van kredietinstellingen worden bereikt, dan wil de Commissie één enkel afwikkelingsmechanisme voorstellen voor de coördinatie van het gebruik van afwikkelingsinstrumenten voor banken in de bankenunie.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

De gebeurtenissen van de laatste jaren hebben aangetoond dat bankcrises proactief moeten worden aangepakt om zo veel mogelijk te vermijden dat die instellingen failliet gaan. De droeve les die uit de eerste financiële crisis (2007) werd geleerd is dat een faillissement van één grote bank bijna altijd een systeemcrisis in de hand werkt met alle bekende sociale en economische gevolgen van dien. Het algemeen belang rechtvaardigt het dan om af te wijken van de algemeen erkende beginselen van het faillissementsrecht.

3.2

Momenteel zijn er geen geharmoniseerde procedures voor de afwikkeling van kredietinstellingen op EU-niveau, en het Comité kan zich vinden in het voorgestelde wetgevingskader dat is bedoeld om bankcrises proactief te lijf te gaan, de financiële stabiliteit te waarborgen en de druk op de overheidsgelden weg te nemen, en zulks middels nieuwe instrumenten en procedures. Het beseft evenwel dat systeemcrises zeker niet volledig met die nieuwe preventieve en proactieve instrumenten en procedures alleen kunnen worden opgelost maar dat zij, mits op juiste en samenhangende wijze ingezet, wel tot vermijding van die crises kunnen dienen. Het is voorstander van invoering van de herstel- en afwikkelingsinstrumenten, maar waarschuwt er wel voor dat sommige ervan (bail-in) nog niet tijdens een systeemcrisis getest zijn en dat er onvoldoende ervaring met het gebruik ervan is opgedaan. Daarom moet er heel zorgvuldig mee worden omgesprongen.

3.3

Ook is het ingenomen met het streven om een kader voor het ordelijk afhandelen van bankfaillissementen in te voeren. De Commissie stelt terecht dat „Wegens het systeemrisico en de belangrijke economische functie die de instellingen vervullen, kan een normale insolventieprocedure in sommige gevallen niet gepast zijn.” (4) Ook is het inderdaad zo dat, wanneer het algemeen belang een dergelijke afhandeling vergt, er daarvoor een gespecialiseerde afwikkelingsautoriteit, en geen gerechtelijke, moet worden aangewezen. Die autoriteit is in feite een overheidsautoriteit die is uitgerust met bevoegdheden die van oudsher tot die van de rechterlijke autoriteiten behoren, en dus vergt de bevoegdheidsoverdracht een aantal wetswijzigingen. Dat kan gevolgen hebben:

op EU-niveau moet voor de bevoegdheden van de afwikkelaars een regelgevingskader worden vastgelegd;

de bevoegdheden van de afwikkelaars moeten op basis van het op EU-niveau bepaalde door de nationale parlementen worden vastgesteld, waarbij de overdracht van prerogatieven van de gerechten naar de bankautoriteiten wordt geregeld;

de rechten van derden, die vastliggen in faillissementswetten, moeten ten behoeve van een specifiek voor banken geldend stelsel worden gewijzigd, of de nationale parlementen dienen speciale wetgeving uit te vaardigen;

in ieder geval erkent de Commissie dat de gewijzigde voorschriften moeten stroken met het Handvest van grondrechten, en vooral met het eigendomsrecht en het recht op daadwerkelijk verhaal en een eerlijk proces.

3.4

Het Comité aanvaardt de conclusie van de Commissie dat de nieuwe regeling duurder kan uitvallen omdat er meer kapitaal in de instellingen moet worden geïnjecteerd daar er geen impliciete garantie voor staatssteun meer is, en ook de afwikkelingsfondsen geld kosten. Verder maakt de Commissie er zich terecht zorgen over dat die kostenverhoging zou kunnen worden doorberekend aan de consumenten en aandeelhouders door inlegrente te verlagen, kredietrente (5) en bankkosten te verhogen of dividenden te reduceren. De Commissie merkt in haar effectbeoordeling op dat de operationele kosten van de banken enigszins zullen stijgen, maar dat de totale kosten van verrichtingen en het opstellen van herstel- en afwikkelingsplannen te verwaarlozen zijn (6).

3.5

De zorgen van de banken dat de kosten zeker niet te verwaarlozen zijn, worden door de Commissie en de sociale partners bestreden. Wat de mogelijke voordelen van het nieuwe kader op de lange termijn betreft, heeft de Commissie gelijk. De kostenimpact op korte en middellange termijn voor alle betrokkenen moet zorgvuldig worden bekeken en overwogen door alle lidstaten wanneer zij hun regels opstellen, en daarbij moeten zij hun eigen behoeftes en situatie voor ogen houden.

3.6

Het Comité kan zich vinden in het Commissievoorstel om een bankenunie met een Europese toezichthouder voor banken op te richten en denkt dat het huidige kader voor herstel en afwikkeling in het licht van het functioneren van dit nieuwe mechanisme moet worden bijgesteld. Tegelijkertijd beseft het EESC dat een combinatie van Europees toezicht en lokale afwikkeling nauwelijks succesvol kan zijn en dat geldt met name in het geval van faillissementen van in systeemopzicht belangrijke instellingen die in meerdere lidstaten actief zijn. Idealiter moeten de Europese bevoegdheden voor bancaire regulering en toezicht aangevuld worden met Europese bevoegdheden aangaande afwikkeling en depositogarantie (7). De Commissie wil één enkel afwikkelingsmechanisme voorstellen (8), maar nu valt nog moeilijk te beoordelen wanneer dat mechanisme realiteit zal kunnen zijn.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   Herstel- en afwikkelingsplannen

4.1.1

Speciale aandacht moet uitgaan naar de behoefte aan personeel. Het opstellen van die plannen is een hooggespecialiseerd karwei, en deskundigen die over de daartoe noodzakelijke vaardigheid en ervaring beschikken zijn niet gemakkelijk bij de banken of de overheid te vinden. Dus is het grote probleem voor toezichthouders en afwikkelaars om voldoende hooggekwalificeerde vakmensen aan te trekken. Dit probleem kan niet worden omzeild omdat de betrouwbaarheid van de plannen en het vertrouwen dat er efficiënt wordt ingegrepen afhangen van het hoge professionele gehalte van het gehele bouwwerk.

4.1.2

Het Comité accepteert het voorstel dat de voor de afwikkeling verantwoordelijke autoriteiten na raadpleging van de bevoegde autoriteiten minstens één maal per jaar de afwikkelingsplannen opstellen en actualiseren. Die plannen dienen opties te bevatten voor het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten. Verder is het ervan overtuigd dat zowel de plannen voor individuele afwikkeling als die voor groepsafwikkeling er beter op worden als ook de banken daarbij worden betrokken. Dat stelt de Commissie overigens ook voor in haar Mededeling (2010) 579 final (9) en de effectbeoordeling bij haar richtlijnvoorstel (10), maar het is niet expliciet in de richtlijn opgenomen. Ook moet, waar nodig, het professioneel advies worden gevraagd van andere stakeholders (bijv. vertegenwoordigers van consumentenorganisaties en vakverenigingen) die door de afwikkelingsplannen kunnen worden getroffen.

4.1.3

De uitsluitende betrokkenheid van de toezichthouders, afwikkelaars en kredietinstellingen is ontoereikend wanneer plannen aan het algemeen belang moeten worden getoetst. Dergelijke toetsingen kunnen het beste aan de centrale banken worden overgelaten. Een macro-economische prudentiële aanpak is vereist om te beoordelen of individuele herstel- en afwikkelingsplannen voor meerdere instellingen simultaan in systeembedreigende situaties kunnen worden uitgevoerd en in hoeverre de individuele oplossingen het financieel stelsel als geheel raken in een nationale of grensoverschrijdende context. Gegeven hun deskundigheid en ervaring zijn de centrale banken het best geplaatst om met die aanpak te werken en het Comité beveelt dan ook aan om die banken te laten deelnemen aan de evaluatie van de herstel- en afwikkelingsplannen tegen de achtergrond van het algemeen belang. Daarbij moet wel hun onafhankelijkheid volledig worden gerespecteerd. Wellicht kan de ECB in de toekomst zowel als centrale bank als in de hoedanigheid van enige toezichthouder ook dergelijke plannen voor banken aan een evaluatie onderwerpen.

4.1.4

De vertrouwelijkheidsvereisten betreffende de kredietinstellingen en hun herstel- en afwikkelingsplannen moeten worden aangescherpt. Via specifieke bepalingen in de richtlijn moet worden gegarandeerd dat de vertrouwelijkheid van de informatie in kwestie strikt wordt gerespecteerd door alle autoriteiten, instellingen en stakeholders die zijn betrokken bij het op- en bijstellen en evalueren van de herstel- en afwikkelingsplannen voor banken.

4.2   Financiële steun binnen een groep

4.2.1

De voorstellen voor geharmoniseerde regels en voorwaarden voor deze steun verdienen bijval. Het Comité tekent daarbij wel aan dat er evenwicht moet zijn in de bescherming van de belangen en rechten van financier en ontvanger wanneer er geen overeenstemming over de ondersteuning bestaat. Ook geeft het zijn volledige steun aan het voorgestelde artikel 19, lid 1, maar wijst erop dat het onder (f) genoemde vereiste moet worden aangevuld met eventuele hogere eigenvermogens- en liquiditeitsvereisten die door de autoriteiten in het land van vestiging van de steunverlener zijn voorgeschreven.

4.3   Bijzonder bestuur

4.3.1

Het is aan de bevoegde autoriteiten om te bepalen wanneer de bijzondere bestuurder van artikel 24, lid 1, wordt aangesteld. (11) Het Comité begrijpt dat er hier soepele voorwaarden moeten komen zodat de bevoegde autoriteiten een zekere handelingsvrijheid genieten, maar vanwege de significante rol en bevoegdheden van de bijzondere bestuurder zou het beter zijn om de instellingen meer zekerheid te bieden door expliciete en duidelijkere regels en voorwaarden in te voeren. De ervaring heeft geleerd dat vroege-waarschuwingssignalen vaak kwalitatief van aard zijn en dat de perceptie ervan eerder afhangt van de ervaring en vaardigheden van de toezichthouders of van praktische intelligentie dan van computermodellen en verhoudingen. Bestaan er voor dit soort gevallen geen duidelijke regels die de toezichthouders vrijwaren voor aansprakelijkheid voor hun beoordeling, dan zouden zij kunnen aarzelen om initiatief te nemen en kunnen zij daardoor een belangrijke mogelijkheid verliezen om tijdig in te grijpen. Die duidelijke regels en voorwaarden moeten er ook komen omdat in geval van daadwerkelijk of verondersteld wanbeheer derden zich niet alleen tot de bijzondere bestuurder met een vordering tot schadevergoeding kunnen wenden, maar ook tot de toezichthouders en wel op basis van de bewering dat zij een slechte beslissing hebben genomen over een vroegtijdig inleiden van een procedure of over de keuze van de als bestuurder aangewezen persoon.

4.3.2

Met de richtlijn wordt een zekere volgorde in de uitvoering van de respectieve maatregelen voor vroegtijdige tussenkomst ingevoerd. De aanwijzing van een bijzonder bestuurder is een zeer ingrijpende vroegtijdige maatregel die slechts als laatste redmiddel mag worden genomen. Het kan echter gebeuren dat de financiële positie van een instelling dusdanig snel verslechtert dat de bestuurder toch moet worden aangesteld zonder op de minder indringende maatregelen van artikel 23, lid 1, te wachten. Daarbij zou dan geen rekening hoeven te worden gehouden met de voorwaarde van artikel 24 dat „andere overeenkomstig artikel 23 genomen maatregelen niet volstaan om die verslechtering te keren”.

4.3.3

Verder zou de Commissie rekening moeten houden met het scenario waarin de aanwijzing van de bijzondere bestuurder de mensen ertoe brengt om hun geld van de rekening te halen, en zou zij maatregelen moeten voorstellen om dat te voorkomen. Soms kan die aanwijzing namelijk opgevat worden als een duidelijk signaal dat de bank financieel in zwaar weer zit. Dat kan allemaal nog erger worden als er tegelijkertijd nationaal en grensoverschrijdend meerdere bestuurders voor meerdere banken worden aangesteld en veel mensen hun geld willen opnemen en de banksector met een vertrouwenscrisis zit opgezadeld. Het Comité is ervan overtuigd dat er bepalingen in richtlijn moeten worden opgenomen om dergelijke ontwikkelingen tijdens de vroegtijdige interventie te voorkomen. De toekomstige Europese toezichthouder zou een sterke positie moeten hebben en over toereikende instrumenten moeten beschikken om dit soort situaties daadwerkelijk en tijdig het hoofd te bieden.

4.4   Afwikkeling

4.4.1

De bevoegd- en verantwoordelijkheden van de afwikkelingsautoriteit behoeven nadere onderscheiden en verduidelijkingen. De bevoegde autoriteiten/toezichthouders zijn bevoegd voor vroegtijdig optreden en de afwikkelaars voor de keuze en het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten. Soms worden bepaalde bevoegdheden echter door beide categorieën uitgeoefend. Zo luidt artikel 27, lid 1, onder a): „de bevoegde autoriteit of afwikkelingsautoriteit stelt vast dat de instelling failliet gaat of waarschijnlijk failliet gaat”. In het licht van de besluiten van de lidstaten zou een toezichthouder de taken van een afwikkelaar op zich kunnen nemen, maar dan moet het risico van stilzitten wel via een strikte scheiding van de twee functies tot een minimum beperkt worden (12). Daarom pleit het Comité voor een duidelijke takenscheiding en een heldere aanduiding van hun moment van tussenkomst. Voorts dienen de beoordelings- en aanmeldingsprocedures aangaande afwikkelingsvoorwaarden gebaseerd te zijn op een duidelijk onderscheid tussen de bevoegdheden van de betrokken autoriteiten en ook moeten deze worden vereenvoudigd om het besluit over en de afwikkeling zelf te versnellen.

4.4.2

De verplichting voor het leidinggevende orgaan van een instelling om de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen wanneer het van oordeel is dat de instelling failliet gaat of waarschijnlijk failliet gaat, verdient bijval maar de timing van die mededeling is voor twijfel vatbaar. De ervaring heeft geleerd dat die mededeling om diverse redenen te laat kan komen, en één daarvan is dat er wordt getwijfeld of aan de kapitaalsvereisten is voldaan. Wordt het initiatief volledig aan de leiding van de bank overgelaten, dan zou de beslissing van de afwikkelingsautoriteit wel eens te laat kunnen komen. In artikel 74 moet ondubbelzinnig tot uiting komen dat de toezichthouders het recht en de mogelijkheid moeten hebben om, zonder op de mededeling te wachten, de afwikkelingsautoriteit op de hoogte te stellen wanneer zij denken dat de afwikkelingsvoorwaarden zijn vervuld maar dat de mededeling is vertraagd. In artikel 101, lid 1, onder d) en lid 2, van de ontwerprichtlijn moeten worden voorgeschreven dat de lidstaten de leidinggevers van een bank zware straffen kunnen opleggen in het geval van schending van artikel 74, lid 1, en niet van artikel 73, zoals nu in het ontwerp is bepaald.

4.4.3

Artikel 27, lid 1, onder c) heeft betrekking op „een afwikkelingsmaatregel (die) noodzakelijk (is) in het algemeen belang”. Of dat algemeen belang speelt kan het beste worden beoordeeld door de centrale banken want die zijn deskundig ter zake van en hebben ervaring met de beoordeling van financiële stabiliteit, continuïteit van de verlening van essentiële diensten en bescherming van publieke fondsen en depositeurs. Het is goed dat zij medebeoordelen of tot afwikkeling moet worden overgegaan, maar dat zou al in een vroeger stadium zijn beslag moeten kunnen krijgen, vooral als het gaat om meerdere instellingen en in een nationale of grensoverschrijdende context. Wellicht verkeert in de toekomstige bankenunie de ECB, in nauwe samenwerking met het Europees Comité voor systeemrisico's (ECSR), in een betere positie en is zij beter toegerust om soortgelijke evaluaties in het licht van het algemeen belang door te voeren, en zulks zowel als centrale bank als in de hoedanigheid van enige toezichthouder. Invoering van één enkel afwikkelingsmechanisme zou hier zeer nuttig kunnen zijn.

4.4.4

Het algemeen belang vereist in het geval van een faillissement van een bank een andere spreiding van de verliezen dan doorgaans in insolventieprocedures het geval is. Daartoe wordt een speciale hiërarchie van vorderingen voorgesteld waarbij de aandeelhouders op de eerste plaats komen en worden gevolgd door de ongedekte crediteuren in de volgorde van artikel 43. Het Comité heeft geen bezwaar tegen deze rangorde, maar wil er wel op wijzen dat depositeurs/klanten technisch en juridisch tot de „crediteuren” behoren. Artikel 2 bevat alleen een definitie van de „getroffen crediteur” en niet van „crediteuren” en „depositeurs” en de verschillende soorten daarvan. Het EESC zou deze personen graag gedefinieerd zien, vooral ook omdat de rangorde van de depositeurs als crediteuren momenteel per lidstaat verschilt.

4.4.5

Staatsdeposito's worden in de lidstaten niet op dezelfde wijze behandeld. Zij kunnen al dan niet behoren tot door bail-in bestreken vorderingen (afhankelijk of ze tot een bepaald bedrag tot de gedekte deposito's behoren of gesecuritiseerd zijn). Verder zijn deze deposito's, die tot de creditposten van een instelling behoren en voor bail-in in aanmerking kunnen komen, in wezen geld van de belastingbetaler. De vraag luidt nu of een bail-in-operatie met behulp van overheidsgeld als bail-in kan worden gedefinieerd.

4.4.6

Het voorstel geeft de afwikkelaars ruime bevoegdheden om de rangorde van claims in verband met particuliere inbreng vast te stellen. Zij kunnen zelfs commerciële of handelskredieten afschrijven wanneer zij deze niet „essentieel voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten” achten (artikel 38, lid 2, onder (e) ii)). Dit betekent dat bijv. de verlener van catering- of hoteldiensten zijn vordering ziet afgeschreven indien de afwikkelaar deze als niet „essentieel” beschouwt. Het beginsel van paritas creditorum is een pijler van alle insolventieprocedures en moet ook in dit verband worden gerespecteerd.

4.4.7

Het Comité ziet in dat de instellingen voldoende passiva op hun balans moeten hebben die door de afwikkelaar afgeschreven of omgezet kunnen worden (bail-in). De uitgifte van schuldinstrumenten, die voorwerp van bail-in kunnen zijn, kan problemen opleveren wanneer het verschil tussen de onderliggende schuld en de ongedekte oudere schuld verwatert. Op minder ontwikkelde markten kan het nog problematischer, duurder, of in tijden van crises en vooral systeemcrises, zelfs onmogelijk blijken te zijn. Het Comité beveelt aan om het voorstel voor geharmoniseerde toepassing van de minimumvereisten voor „in aanmerking komende passiva”, waarvoor door gedelegeerde handelingen van de Commissie wordt gezorgd, nog eens zorgvuldig te overwegen en daarbij te kijken naar de ontwikkelingen op de lokale financiële markten in iedere lidstaat.

4.4.8

Bail-in-instrumenten behoeven nadere opheldering. Er moeten duidelijke regels komen m.b.t. de in aanmerking komende verplichtingen en de drempelvoorwaarden voor toepassing van dit instrument ten einde onzekerheid onder de beleggers tot een minimum te beperken.

4.5   Juridische kwesties: rechten van derden

4.5.1

In het faillissementsrecht van de meeste lidstaten schijnen de rechten van derden pas na die van de erkende schuldeisers aan de orde te komen. Overwegingen van algemeen belang hebben voorrang op de bescherming van particuliere rechten en de spreiding van verliezen volgt een andere logica. Krachtens artikel 78 kan een besluit van een afwikkelaar in rechte worden aangevochten, maar de betwisting mag uitsluitend betrekking hebben op de rechtsgeldigheid van het besluit, de rechtsgeldigheid van de uitvoering ervan en de toereikendheid van een eventuele compensatie. Verder blijft het besluit onmiddellijk afdwingbaar en is er geen sprake van automatische opschorting. Zelfs als het besluit wordt geannuleerd, dan hebben derden slechts recht op compensatie van door het besluit geleden verliezen (artikel 78, lid 2, onder (d)).

4.5.2

In noodgevallen zoals een dreigend faillissement van een bank zijn de normale insolventieprocedures zeker niet toereikend. Maar de ruime bevoegdheden voor de afwikkelingsautoriteiten en het beperkte recht voor derden op herstel wekken zorgen op over de juridische soliditeit van het voorstel. In veel lidstaten, met name waar de rechter zich op de common law baseert, zal de rechter zeer waarschijnlijk eerst waken over zijn bevoegdheid om beroepen tegen administratieve besluiten in behandeling te nemen, en dat vooral wanneer een individu of groep kan aantonen, door het besluit schade geleden te hebben.

4.5.3

Deze zorg wordt, om juridische en maatschappelijke redenen, niet in alle kringen gedeeld en daarom laat het Comité de materie over aan de wetgevers. Wel vestigt het de aandacht op een niet geheel onbelangrijk aspect: voert eiser aan dat de afwikkelingsautoriteit of de beheerders zich schuldig hebben gemaakt aan zware beroepsfouten, dan geniet de rechter immuniteit voor zijn beslissing, maar geen voorschrift kan die immuniteit tot bestuurlijke autoriteiten als de afwikkelaar uitbreiden. Gevolg is dat die het risico loopt, in rechte aansprakelijk te zijn. En in dat geval draait de belastingbetaler voor eventuele herstelbetalingen op.

4.6   Afwikkelingsfinanciering

4.6.1

De Commissie heeft afwikkelingsfinanciering reeds in twee mededelingen behandeld: een over „Resolutiefondsen voor banken” en de andere over „Een EU-kader voor cisisbeheersing in de financiële sector” (13). Het huidige richtlijnvoorstel vormt hier een verdere uitwerking van. Het Comité heeft reeds advies over de genoemde mededelingen uitgebracht (14). In beide gevallen steunde het het Commissievoorstel voor een geharmoniseerd netwerk van nationale afwikkelingsfinanciering vooraf en beval het aan om het netwerk zorgvuldig vorm te geven door rekening te houden met de specifieke nationale omstandigheden.

4.6.2

De Commissie stelt nu voor dat afwikkelingskosten die niet door aandeelhouders of crediteuren worden gedekt via aanvullende financiering door het bankbedrijf worden gedragen. Indien nodig, kan dat via de depositogarantiestelsels gebeuren. Het Comité is ingenomen met de voorgestelde geharmoniseerde financieringsregels die gebaseerd zijn op bijdragen vooraf aan de depositogarantiestelsels en de afwikkelingsfinanciering. De criteria voor die bijdragen tot de afwikkelingsfinanciering lijken in vergelijking met de huidige situatie toereikend en realistisch te zijn. Maar, zoals we de afgelopen jaren gezien hebben, kunnen de economische en financiële omstandigheden plotsklaps veranderen. Het duurt 10 jaar voordat de kosten volledig kunnen worden gedekt. Daarom stelt het Comité invoering voor van een regel krachtens dewelke de criteria voor de bijdrage vooraf van tijd tot tijd kunnen worden bijgesteld.

4.6.3

Het Comité begrijpt dat er solidariteit moet zijn en is het daarom eens met de voorstellen voor leningen tussen financieringsregelingen (artikel 97) en wederzijdse waarborging van nationale financieringsregelingen in geval van een groepsafwikkeling (artikel 98). De uitvoering van die waarborging, voordat de financieringsregelingen hun doelcapaciteit en een bepaald harmonisatieniveau hebben bereikt, kan echter problemen opleveren. De meeste lidstaten vinden dat die stelsels en fondsen door vooraf te betalen bijdragen moeten worden gevoed, maar betaling achteraf geniet nog steeds de voorkeur van sommige andere. De vereisten van de artikelen 97, lid 2, en 98 zullen problematisch zijn voor de landen waar de centrale banken geen leningen overeenkomstig de artikelen 96 en 98 mogen verstrekken. De Commissie wordt daarom opgeroepen tot specifieke stappen en aanbevelingen om de problemen aan te pakken en de harmonisatie te bespoedigen.

4.6.4

Een eventuele onderbrenging van het depositogarantiestelsel en de afwikkelingsfinanciering bij één instelling levert waarschijnlijk synergievoordelen op, maar dat lijkt momenteel voor sommige lidstaten geen haalbare kaart omdat veel stelsels met een kapitaalgebrek kampen. De Commissie laat het terecht aan de lidstaten over om tussen één of twee financieringsfondsen te kiezen. Hoe dan ook, in beide gevallen dient de richtlijn bepalingen te bevatten om ervoor te zorgen dat de stelsels hun hoofdtaak kunnen vervullen, d.w.z. de kleine inlegger te allen tijde te beschermen.

4.6.5   De inspanningen van de Commissie om een Europees stelsel van financiële regelingen op te zetten verdienen bijval. Met zo'n stelsel kan ervoor worden gezorgd dat alle instellingen in alle lidstaten op voet van gelijkheid onder even doeltreffende afwikkelingsfinancieringsregelingen vallen en dat is goed voor iedere lidstaat en de interne financiële markt dank zij meer stabiliteit en gelijke concurrentievoorwaarden. Het Comité zou dan ook graag zien dat er zo snel mogelijk een realistische routekaart op weg naar dat stelsel komt.

Brussel, 12 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2012) 280 final

(2)  COM(2012) 579 final

(3)  Zie FSB, Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions, oktober 2011.

(4)  COM(2012) 280, Toelichting, blz. 5

(5)  De Commissie schat dat hogere fondskosten investeringen kunnen ontmoedigen en de groei van het BBP jaarlijks met 0,1 à 0,4 % kunnen verlagen. Zie haar effectbeoordeling SWD(2012) 166, blz. 69 en SWD(2012) 167.

(6)  Ibid, blz. 68.

(7)  Zie ESRB, Reports of the Advisory Scientific Committee, Forbearance, resolution and deposit insurance, nr. 1/juli 2012, p. 23.

(8)  Zie COM(2012) 510 final.

(9)  Zie COM(2010) 579 final: Een EU-kader voor crisisbeheersing in de financiële sector, blz. 6.

(10)  Zie effectbeoordeling SWD(2012) 166, blz. 26 en 64 en SWD(2012), blz. 167.

(11)  De bevoegde autoriteiten dienen te bepalen of en wanneer er sprake is van „een significante verslechering van de financiële positie van een instelling” …„ernstige schendingen van wetten„… „ernstige administratieve onregelmatigheden”… ”en wanneer andere overeenkomstig artikel 23 genomen maatregelen niet volstaan om die verslechtering te keren…”

(12)  In COM(2012) 579 final wordt uitgelegd dat iedere lidstaat een afwikkelingsautoriteit moet aanwijzen. Op die manier kunnen zij hun regelingen behouden krachtens de welke het ministerie van Financiën, de centrale bank of depositogarantiestelsels voor de afwikkeling bevoegd zijn. De Commissie constateert dat in veel landen de afwikkelaars afdoende van de toezichthouders zijn gescheiden en zij acht dat belangrijk om het risico van stilzitten tot een minimum te beperken. Verder dienen de afwikkelaars eerder administratieve dan gerechtelijke autoriteiten te zijn.

(13)  Zie COM(2010) 254 final en COM(2010) 579 final.

(14)  Zie PB C 107 van 6 april 2011, blz. 16 en PB C 248 van 25 augustus 2011, blz. 101.


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/76


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad

(COM(2012) 496 final — 2011/0276 (COD))

2013/C 44/13

Rapporteur: Stefano MALLIA

Corapporteur: Gerfried GRUBER

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 27 september en 22 oktober 2012 besloten om, overeenkomstig de artt. 177 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad

COM(2012) 496 final — 2011/0276 (COD).

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 21 november 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 12 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 154 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het cohesiebeleid is een fundamenteel beleidsterrein van de EU en heeft als belangrijkste doel economische, sociale en territoriale convergentie in de hele EU en al haar lidstaten tot stand te brengen. Het EESC vindt ook dat de beleidsdoelstellingen en streefcijfers van de fondsen van het gemeenschappelijk strategisch kader (GSK) moeten worden afgestemd op de Europa 2020-strategie, zolang dat niet ten koste gaat van convergentie, zijnde de hoofddoelstelling van het cohesiebeleid van de EU.

1.2

Als belangrijkste bron van groei en instrument ter verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen, m.n. voor de landen die het zwaarst zijn getroffen door de huidige crisis, dient het cohesiebeleid tenminste over evenveel middelen te beschikken als op dit moment het geval is, en zullen deze middelen op een eerlijke wijze over de lidstaten moeten worden verdeeld om te voorkomen dat de minder ver ontwikkelde lidstaten er qua financiering op achteruit gaan.

1.3

Het EESC staat achter het opzetten van een gemeenschappelijk strategisch kader dat voor een betere coördinatie en meer complementariteit tussen de belangrijkste financieringsinstrumenten van de EU moet zorgen. Met een efficiënt GSK zal ook een eind worden gemaakt aan de huidige onnodige en inefficiënte scheiding tussen de belangrijkste fondsen.

1.4

Het EESC is bang dat de vertraging die is opgelopen met het bereiken van politieke overeenstemming over het wetgevingspakket voor het cohesiebeleid, waar het GSK onder valt, een negatieve impact zal hebben op de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten; hierdoor wordt ook de kans kleiner dat de programmeringsperiode 2014-2020 een vliegende start neemt.

1.5

De indicatieve acties met grote Europese meerwaarde die onder elke thematische doelstelling worden genoemd, moeten bij voorkeur worden gericht op investeringen die de sociaaleconomische en territoriale convergentie in de hele EU bevorderen. Het is ook belangrijk dat de lijst met indicatieve acties niet als uitputtend wordt beschouwd, zodat de mogelijkheid van landenspecifieke maatregelen open blijft.

1.6

In het GSK wordt veel nadruk gelegd op de uitvoering van projecten met behulp van meerdere fondsen. Dit is een belangrijke verbetering ten opzichte van de programmeringsperiode 2007-2013. Er wordt echter niets gezegd over de uitvoering van projecten met meerdere thema's, die aanzienlijke mogelijkheden bieden voor het opleveren van een grotere meerwaarde. Hieraan moet expliciet aandacht worden besteed in het GSK.

1.7

De hogere mate van coördinatie die met het GSK wordt beoogd, zal echter voor zowel de uitvoerende en beheersinstanties als de begunstigden tot een afname van de administratieve rompslomp moeten leiden. Zowel binnen de lidstaten als binnen de Commissie dient de coördinatie te worden verbeterd om gebruik te kunnen maken van de synergieën tussen beleidsmaatregelen en instrumenten en om het aantal overlappingen, ingewikkelde regels en bureaucratische procedures terug te dringen. Voordat de nieuwe administratieve procedures daadwerkelijk worden toegepast, moeten zij door de Commissie aan een grondige analyse worden onderworpen.

1.8

Het maatschappelijk middenveld (1) moet op zinvolle wijze worden betrokken bij het opstellen van partnerschapsovereenkomsten. Hoewel alle lidstaten en regio's hun eigen mechanismen en structuren hebben om betrekkingen te onderhouden met het maatschappelijk middenveld, moet de Commissie een oogje in het zeil houden. Indien wordt geconstateerd dat het maatschappelijk middenveld niet daadwerkelijk is betrokken, dan moet de Commissie wachten met haar goedkeuring van de partnerschapsovereenkomst totdat dat wél is gebeurd.

1.9

Het begrip „partnerschap” mag niet alleen in de programmeringsfase centraal staan. Het partnerschapsbeginsel moet ook worden toegepast tijdens de fasen van uitvoering, monitoring en evaluatie.

1.10

De partnerschapsovereenkomsten in het kader van de Europa 2020-strategie mogen niet worden gebaseerd op de landenspecifieke aanbevelingen. De focus moet liggen op verschillende elementen, zoals de nationale hervormingsprogramma's, die zijn afgestemd op de specifieke situatie van een lidstaat, zulks in tegenstelling tot de landenspecifieke aanbevelingen, die niet noodzakelijkerwijs zijn toegesneden op de nationale situatie. In de partnerschapsovereenkomsten moet ook aandacht worden besteed aan nationale strategieën voor armoedebestrijding en gendergelijkheid, aan nationale strategieën voor personen met een handicap en aan duurzame ontwikkeling.

1.11

Er moet meer flexibiliteit worden toegestaan zodat de lidstaten en regio's zo effectief en efficiënt mogelijk kunnen inspelen op de gemeenschappelijke doelen die worden vastgesteld, zonder de territoriale, economische en sociale bijzondere kenmerken uit het oog te verliezen. Bovendien moet in het GSK bijzondere melding worden gemaakt van de territoriale kenmerken die van invloed zijn op de implementatie van de GSK-fondsen.

2.   Inleiding

2.1

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds (CF), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) zijn de vijf EU-fondsen die door de lidstaten en de Commissie worden beheerd. De Commissie stelt nu voor de fondsen beter te coördineren om overlappingen te vermijden en zo veel mogelijk synergie tot stand te brengen, zodat de doelstellingen van elk fonds op een efficiëntere manier kunnen worden gehaald.

2.2

Om de totstandkoming van de partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's te vereenvoudigen stelt de Commissie voor een gemeenschappelijk strategisch kader (GSK) in het leven te roepen teneinde de samenhang tussen de vijf fondsen op het vlak van de beleidsverplichtingen die in het kader van de Europa 2020-strategie zijn aangegaan en de investeringen in het veld te vergroten. Het GSK telt 11 thematische doelstellingen, die in de gemeenschappelijke verordening worden beschreven.

2.3

Het GSK heeft tot doel de coördinatie van Europese fondsen te verbeteren en tot een doelgerichter gebruik daarvan te komen. Ook wordt de huidige onnodige en inefficiënte scheiding tussen de fondsen opgeheven. Dit is een positieve ontwikkeling die tot een doeltreffender cohesiebeleid met een grotere impact moet leiden. Het EESC juicht deze ontwikkeling dan ook van harte toe.

3.   Goedkeuring en invoering van het GSK

3.1

Er moeten duidelijke richtsnoeren worden aangereikt voor wat betreft de wijze waarop de GSK-fondsen in het kader van de partnerschapsovereenkomsten zo goed mogelijk kunnen worden ingezet voor het realiseren van slimme, duurzame en inclusieve groei.

3.2

In antwoord op de bezwaren die door het Parlement en de Raad zijn geuit, stelt de Commissie voor om onderdelen van het GSK te splitsen in 1) een nieuwe bijlage bij de gemeenschappelijke verordening en 2) een gedelegeerde handeling, die hoofdzakelijk zal bestaan uit „indicatieve acties met grote Europese meerwaarde”.

3.3

Het EESC steunt de aanpak van de Commissie voor zover hiermee het volgende wordt gegarandeerd:

een snellere goedkeuring van het GSK;

meer duidelijkheid omtrent wat wel en wat niet kan worden gefinancierd;

de mogelijkheid voor lidstaten om actie te ondernemen in geval van specifieke territoriale problemen.

3.4

De Commissie stelt echter ook voor dat alle onderdelen van het GSK, hetzij opgenomen in de bijlage, hetzij in de gedelegeerde handeling, op hun beurt bij gedelegeerde handeling kunnen worden gewijzigd. Het EESC vindt dit een slechte zaak omdat hiermee het doel van het opnemen van de belangrijkste onderdelen in een bijlage bij de gemeenschappelijke verordening voorbij wordt geschoten.

3.5

De rol van de Commissie ten aanzien van de vraag wat nu een formele en wat een meer inhoudelijke wijziging is, moet duidelijk worden beschreven in de verordening, ter voorkoming van eventuele interpretatieproblemen.

3.6

Het EESC uit zijn bezorgdheid over de achterstand die is opgelopen met het bereiken van politieke overeenstemming over het cohesiewetgevingspakket, waaronder het GSK. Aanhoudende achterstand zal doorwerken in de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten, waardoor een vliegende start van de programmeringsperiode 2014-2020 op de helling komt te staan.

3.7

De aard en de vorm van de voorgestelde partnerschapsovereenkomst moeten kristalhelder worden beschreven. In de gemeenschappelijke verordening wordt weliswaar aangegeven welke onderdelen de partnerschapsovereenkomst moet bevatten, maar de precieze vorm waarin dit document moet worden gegoten is nog niet bekend.

4.   Koppeling van het cohesiebeleid aan de Europa 2020-strategie

4.1

De Europa 2020-strategie werd opgesteld om intelligente, duurzame en inclusieve groei te stimuleren. De positieve bijdrage die de GSK-fondsen kunnen leveren aan de verwezenlijking van de Europa 2020-kerndoelstellingen is duidelijk, en daarom is het logisch dat de beleidsdoelstellingen en streefcijfers van deze fondsen worden afgestemd op de Europa 2020-strategie.

4.2

De Europa 2020-strategie is van cruciaal belang voor het bereiken van de juiste balans tussen een gezonde begrotingsdiscipline en groei en ontwikkeling voor de Europese Unie. Het verwezenlijken van de Europa 2020-doelstellingen zal de grootste uitdaging zijn voor de minder ontwikkelde lidstaten van de Europese Unie. Vooral landen die een verantwoorde begrotingsdiscipline aan de dag leggen, zullen behoefte hebben aan steun en een teken van solidariteit van de EU via het cohesiebeleid. De financiering daarvan moet minstens op het huidige niveau worden gehandhaafd en er mogen geen limieten worden vastgesteld.

4.3

Het EESC steunt deze aanpak en blijft bij zijn standpunt dat alle EU-beleidslijnen gericht moeten zijn op het verwezenlijken van de broodnodige groei. Het EESC is bovendien ook stellig van mening dat de kerndoelstellingen van economische, sociale en territoriale integratie de allergrootste prioriteit van het cohesiebeleid van de EU moeten blijven. De toegevoegde waarde van het cohesiebeleid mag geenszins in gevaar worden gebracht.

4.4

Het EESC is er vast van overtuigd dat bij de indicatieve acties met grote Europese meerwaarde die onder elke thematische doelstelling worden genoemd, prioriteit moet worden toegekend aan initiatieven die de sociaaleconomische en territoriale ontwikkeling in de hele EU bevorderen.

5.   De thematische benadering

5.1

De voorstellen van de Commissie voor thematische concentratie als middel om versnippering van de inspanningen tegen te gaan zijn toe te juichen. Een stevige coördinatie van de inspanningen tussen de diverse GSK-fondsen en alle andere EU-programma's en initiatieven is nodig.

5.2

Het GSK moet duidelijk maken en bevestigen dat de afzonderlijke lidstaten binnen elk thema zelf dienen te bepalen welk fonds een sleutelrol geacht wordt te spelen bij de verwezenlijking van de kerndoelstellingen.

5.3

Hoewel er niets valt aan te merken op de hoofddoelstellingen die in het GSK worden genoemd, dient wél te worden gezegd dat flexibiliteit voorop moet staan. In de partnerschapsovereenkomsten moet rekening worden gehouden met lokale en regionale belangen. Het moet mogelijk zijn middelen toe te kennen voor specifieke regionale prioriteiten. Het EESC is er stellig van overtuigd dat het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel een centrale rol moeten blijven spelen in de uitvoering van het cohesiebeleid van de EU.

5.4

Bij elke thematische doelstelling worden acties genoemd die uit hoofde van de specifieke fondsen moeten worden ondernomen, maar op het punt van complementariteit moet nog het een en ander worden verduidelijkt omdat het niet duidelijk is welke van de instrumenten die onder de verschillende fondsen en acties worden voorgesteld, elkaar eigenlijk aanvullen. Het EESC vindt dat bij de acties die onder elke thematische doelstelling worden voorgesteld, voorrang moet worden gegeven aan investeringen die de sociaaleconomische cohesie ten goede komen. Het is belangrijk dat indicatieve acties kunnen worden toegevoegd om een landenspecifieke aanpak mogelijk te maken.

5.5

Het EESC is van mening dat alle 11 doelstellingen die in de gemeenschappelijke verordening worden genoemd, weliswaar verdedigbaar zijn maar dat een reeks kernthema's moet worden vastgesteld die door elke lidstaat afzonderlijk moeten worden aangepakt. Los van de kernthema's moet elke lidstaat over de flexibiliteit beschikken om zijn partnerschapsovereenkomsten op andere thema's (van de vooraf opgestelde lijst) die specifiek zijn voor de nationale situatie te richten.

5.6

Andere thema's, die aan de huidige 11 thema's zouden moeten worden toegevoegd, zijn:

1.

verbetering van de toegankelijkheid voor personen met een handicap en mensen met beperkte mobiliteit;

2.

capaciteitsopbouw bij belanghebbenden op het gebied van het cohesiebeleid (2);

3.

oplossen van de demografische problematiek.

Deze nieuwe thema's zouden moeten worden opgenomen in de gemeenschappelijke verordening.

5.7

Acties met het oog op duurzame vervoersmethoden en vervoerbeheerssystemen vallen momenteel niet onder thematische doelstelling 4 (ondersteuning van de overgang naar een koolstofarme economie). Gezien de rol van vervoer in de emissieproblematiek moet dit worden rechtgezet.

5.8

Thematische doelstellingen zijn opgenomen in artikel 9 van de gemeenschappelijke verordening; fondsspecifieke investeringsprioriteiten zijn opgenomen in de ontwerpverordening voor elk GSK-fonds. De thematische doelstellingen en de fondsspecifieke investeringsprioriteiten komen niet helemaal overeen. Daardoor ontstaat onzekerheid en mogelijk ook verwarring over welke lijn moet worden aangehouden. Dit is vooral een urgent probleem met het oog op de procedure inzake partnerschapsovereenkomsten, die in sommige lidstaten al gestart is.

5.9

In het GSK wordt veel nadruk gelegd op de uitvoering van projecten die uit meerdere fondsen worden gefinancierd, maar er wordt niets gezegd over de uitvoering van projecten die meerdere thema's betreffen en aldus een grotere meerwaarde kunnen opleveren. Deze mogelijkheid moet expliciet worden opgenomen in het GSK.

6.   Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

6.1

Het EESC heeft zijn standpunt over deze twee fondsen al uitgebreid uit de doeken gedaan in zijn adviezen „Europees Fonds voor regionale ontwikkeling” (3) en „Cohesiefonds” (4).

6.2

Het EFRO dient bij te dragen tot alle 11 thematische doelstellingen.

6.3

Het is niet duidelijk hoe dit precies in zijn werk zal gaan. Krijgt het ene aandachtsgebied voorrang boven het andere? Of beslist elke lidstaat waar het geld naartoe gaat? Het EESC is uitgesproken voorstander van het laatste, omdat hiermee een landen- of regiospecifieke aanpak kan worden gevolgd.

6.4

Het EESC is stellig van mening dat het EFRO in de eerste plaats essentiële steun aan het midden- en kleinbedrijf (mkb) moet blijven verlenen. Dergelijke steun moet worden verleend in de vorm van financieringsinstrumenten, het opzetten van mkb-netwerken en het voorzien in de noodzakelijke infrastructuur (5).

6.5

Het EESC maakt zich echter zorgen over het voorstel om grote ondernemingen volledig uit te sluiten van steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). Aangezien grote ondernemingen belangrijke bronnen van O&O zijn, moeten zij steun kunnen aanvragen voor het uitvoeren van O&O; anders loopt Europa het risico nog verder achterop te raken ten opzichte van landen als de VS en Japan.

6.6

Aangezien een significante verhoging van de beschikbare financiële middelen niet tot de mogelijkheden behoort, is het EESC van mening dat de oplossing moet worden gezocht in het duidelijker omschrijven van de doelstellingen en in het beter afstemmen van de voorgestelde investeringsprioriteiten op de doelstellingen (6).

6.7

Het Cohesiefonds dient bij te dragen tot 4 thematische doelstellingen op het gebied van milieu, duurzame ontwikkeling en vervoer (TEN-T).

6.8

Om niet wéér in de fout te gaan en de middelen uit het Cohesiefonds over te veel projecten te verdelen, wil het EESC er nogmaals voor pleiten dat het fonds zich meer richt op grotere projecten waarvan wordt verwacht dat zij meer impact hebben op het verkleinen van de tegenstellingen tussen lidstaten en het bereiken van sociale, territoriale en economische cohesie.

6.9

Bij het opzetten van dergelijke grote projecten moeten de lidstaten zorgen voor consistentie en complementariteit met andere EU-fondsen en initiatieven (zoals de Connecting Europe Facility, het LIFE-programma en de verschillende macroregionale strategieën) zodat het potentieel van de verschillende fondsen en initiatieven volledig wordt benut. Dit is bijvoorbeeld buitengewoon belangrijk wanneer het gaat om de ontwikkeling van energie- en vervoersinfrastructuur. Het is van wezenlijk belang dat de verschillende instrumenten compatibel zijn in plaats van elkaars concurrenten.

7.   Het Europees Sociaal Fonds

7.1

Het ESF dient bij te dragen aan vier thematische doelstellingen: werkgelegenheid en arbeidsmobiliteit; onderwijs, vaardigheden en een leven lang leren; bevordering van sociale inclusie en bestrijding van armoede; vergroting van de administratieve capaciteit. Het is echter de bedoeling dat aan andere thematische doelstellingen wordt bijgedragen.

7.2

Dit stemt overeen met het standpunt dat het EESC in zijn advies over het Europees Sociaal Fonds (7) uiteengezet heeft, nl. dat het ESF het instrument bij uitstek moet zijn voor de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, met name op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs, sociale inclusie en de strijd tegen armoede. Dit standpunt is vooral relevant in de huidige context van stijgende werkloosheid en een ongekend verlies van banen.

7.3

Het EESC is een groot voorstander van het voorstel van de Commissie dat ten minste 20 % van alle nationale ESF-kredieten bestemd wordt voor de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede.

8.   Het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling

8.1

Tegen de achtergrond van de GLB-hervorming na 2020, het voorstel voor een meerjarig financieel kader 2014-2020 en de huidige economische situatie heeft de Europese Commissie een voorstel voor een nieuwe Elfpo-verordening (8) gepresenteerd. Het nieuwe Elfpo houdt rekening met de prioriteiten van de Europa 2020-strategie, is gebaseerd op het voorstel van de gemeenschappelijke verordening en sluit aan bij het kader voor economisch bestuur van de EU.

8.2

In zijn advies over de hervorming van het GLB (9) heeft het EESC zich positief uitgelaten over de voorgestelde betere afstemming van het GLB op de Europa 2020-strategie en de strategie voor duurzame plattelandsontwikkeling.

8.3

Toch is het belangrijk dat lidstaten flexibel kunnen zijn in het vaststellen van hun eigen prioriteiten teneinde een balans te vinden tussen het nastreven van de specifieke doelstellingen van het GLB zoals neergelegd in de verdragen en het uitvoeren van de Europa 2020-strategie. Coherentie tussen de twee pijlers moet te allen tijde worden gegarandeerd.

8.4

Momenteel is het niet duidelijk in hoeverre de prioriteiten van het Elfpo aansluiten bij die van het GSK. Daarom moeten maatregelen die in het kader van Elfpo worden genomen enerzijds een stimulans geven aan boeren, bosbezitters en anderen die willen bijdragen aan het scheppen/in stand houden van banen en economische groei, en anderzijds gericht zijn op duurzame ontwikkeling en het tegengaan van de klimaatverandering.

8.5

Tevens moet er een nauw verband zijn met het Europese innovatiepartnerschap „Productiviteit en duurzaamheid in de landbouw” om milieuvriendelijke groei in alle plattelandsgebieden van de EU te bevorderen.

8.6

Het EESC waardeert dat minimaal 25 % van het Elfpo wordt uitgetrokken voor maatregelen met betrekking tot het milieu en klimaatverandering. Maar 20 % voor klimaatgerelateerde maatregelen lijkt wat aan de hoge kant, en dit moet dan ook verder worden uitgewerkt in het GSK.

9.   Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij

9.1

Op 2 december 2011 kwam de Europese Commissie, overeenkomstig het meerjarig financieel kader en de Europa 2020-strategie, met het voorstel voor een verordening tot oprichting van een nieuw fonds dat de financiële krijtlijnen moet uitzetten voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en het geïntegreerd maritiem beleid van de EU 2014-2020 (10).

9.2

Tegen de voorgestelde kernacties valt in principe niets in te brengen. Het is van essentieel belang dat er voor een totaalaanpak wordt gekozen, die ook op alle andere beleidsterreinen is afgestemd.

9.3

Net als bij het Elfpo moet het GSK helpen om de doelstellingen flexibel op elkaar af te stemmen, zonder de specifieke doelstellingen van het GVB en die van de Europa 2020-strategie uit het oog te verliezen.

9.4

Het GSK kan voor meer transparantie zorgen in het geval van mogelijke conflicten tussen EU-beleidslijnen, zoals bijv. de kaderrichtlijn water en de diergezondheidsvoorschriften.

10.   Horizontale beginselen en beleidsdoelstellingen

10.1

In het GSK staat dat de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en non-discriminatie, toegankelijkheid voor personen met een handicap en duurzame ontwikkeling horizontale beginselen zijn die bij alle fondsen en alle operationele programma's moeten worden toegepast. Het EESC onderschrijft deze beginselen en is voorstander van een concrete analyse van alle projectvoorstellen en van de effectieve monitoring van alle programma's om ervoor te zorgen dat deze beginselen hierin terdege worden verankerd.

10.2

Een ander horizontaal beginsel dat moet worden toegepast, is volgens het EESC het beginsel van „communiceren over Europa”. Gezien de algemene ondermijning van en het verlies van vertrouwen in het Europese project moet bij elk project dat in het kader van het cohesiebeleid wordt opgezet duidelijk worden aangetoond wat de meerwaarde ervan is en hoe de EU hiermee het verschil kan maken in het leven van haar burgers.

11.   Behoefte aan flexibiliteit, vereenvoudiging en momentum

11.1

Vereenvoudiging van de procedures moet bovenaan de agenda van zowel de Commissie als de beheersautoriteiten in de lidstaten staan. Het staat buiten kijf dat elke euro die wordt besteed goed moet worden verantwoord, maar het is onaanvaardbaar dat het beheer van de Europese fondsen en het aanvragen van steun nog steeds zo veel voeten in de aarde hebben dat degenen die de steun het hardste nodig hebben (bijv. mkb, ngo's), uiteindelijk achter het net vissen (11). Bovendien moet alles in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat alleen projecten die een echte meerwaarde hebben, voor financiering in aanmerking komen.

11.2

Wil het GSK toegevoegde waarde hebben, dan moet het tot een echte vermindering van de administratieve lasten en kosten leiden voor zowel de begunstigden als de uitvoerende instanties. De hogere mate van coördinatie die met het GSK wordt beoogd kan echter tot een toename van de administratieve rompslomp voor uitvoerende en beheersinstanties leiden, en dat kan vervolgens ook weer leiden tot meer lasten en ingewikkelder procedures voor de begunstigden. Voordat de bestaande en nieuwe procedures worden toegepast, moeten zij door de Commissie aan een grondige en formele analyse worden onderworpen.

11.3

Zowel binnen de lidstaten als binnen de Commissie dient de coördinatie te worden verbeterd om gebruik te kunnen maken van de synergieën tussen beleidsmaatregelen en instrumenten en om het aantal overlappingen, ingewikkelde regels en bureaucratische procedures terug te dringen. Dit vergt tijdens alle stadia van onderhandeling en uitvoering ook meer coördinatie tussen en binnen de diensten van de Commissie die voor de GSK-fondsen verantwoordelijk zijn, waardoor kan worden gezorgd voor een meer samenhangende en geharmoniseerde aanpak. Dit mag echter niet tot extra administratieve rompslomp leiden.

11.4

Met het oog op een grotere efficiëntie is het een goed idee om gebruik te maken van e-governance en dit niet alleen te beperken tot de GSK-fondsen, maar ook uit te breiden naar alle EU-geldstromen en voor iedereen toegankelijk te maken.

11.5

Nu is het zo dat het Europees Parlement en de Raad de Commissie kunnen verzoeken een voorstel tot wijziging van het GSK in te dienen wanneer er grote wijzigingen worden aangebracht in de Europa 2020-strategie. Het EESC vindt dat te restrictief. Het GSK moet kunnen worden aangepast aan veranderende omstandigheden, vooral wanneer er een ingrijpende verandering plaatsvindt in de sociaaleconomische situatie en Europese actie geboden is.

11.6

De lidstaten moeten over dezelfde flexibiliteit beschikken om hun nationale programma's aan te passen aan een uitgebreidere reeks omstandigheden dan alleen de thematische doelstellingen van het beleid.

11.7

Het EESC verzoekt de Commissie een verplichte en periodieke aanpassing van het GSK door te voeren zodat de nodige wijzigingen kunnen worden aangebracht.

12.   Partnerschapsovereenkomsten

12.1

Het partnerschapsbeginsel, zoals verwoord in artikel 5 van de gemeenschappelijke verordening, is een essentieel beginsel dat de doeltreffendheid van het EU-cohesiebeleid zal helpen verbeteren en daarom de volledige steun van zowel de Raad als het Parlement verdient.

12.2

Het is van essentieel belang dat de voornaamste belanghebbenden worden betrokken bij het opstellen van de partnerschapsovereenkomsten om ervoor te zorgen dat de thematische doelstellingen worden vertaald in concrete acties en doelen met het oog op slimme, duurzame en inclusieve groei.

12.3

De partnerschapsovereenkomsten moeten ervoor zorgen dat de in het GSK vastgelegde elementen in hun nationale context worden omgezet en dat er bindende afspraken worden gemaakt over de verwezenlijking van de prioriteiten die zijn vastgelegd in de regels met betrekking tot de GSK-fondsen. Om het partnerschapsbeginsel in praktijk te brengen moet een bottom-upbenadering worden gehanteerd in het besluitvormingsproces, zodat rekening wordt gehouden met het standpunt van het maatschappelijk middenveld voordat de partnerschapsovereenkomsten worden ondertekend door de Commissie en de lidstaten.

12.4

De Commissie heeft een gedragscode voorgesteld voor het opstellen van partnerschapsovereenkomsten. Dit is een waardevol document dat de lidstaten een leidraad biedt voor het omgaan met het maatschappelijk middenveld. Het EESC kan niet begrijpen waarom de Raad deze gedragscode heeft afgewezen en verzoekt de Raad dan ook om dit besluit te herzien.

12.5

Het is weliswaar aan de lidstaten om hun eigen procedures voor de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld aan te passen, maar het is de taak van de Commissie om ervoor te zorgen dat alle relevante partijen op een actieve en zinvolle wijze bij een en ander worden betrokken. Het EESC is echter van mening dat de Commissie momenteel niet over de noodzakelijke monitoringinstrumenten en -mechanismen beschikt om dit te verwezenlijken. Indien een lidstaat er niet in slaagt om het maatschappelijk middenveld op zinvolle wijze te betrekken, dan moet dit tot gevolg hebben dat de partnerschapsovereenkomst niet wordt gesloten. Bovendien moet het begrip „partnerschap” niet alleen tijdens de programmeringsfase centraal staan, maar zal het ook tijdens de fasen van uitvoering, monitoring en evaluatie hoog in het vaandel moeten worden gevoerd.

12.6

Het EESC benadrukt dat het maatschappelijk middenveld moet worden voorzien van alle informatie over de „nieuwe aanpak” van de Commissie met betrekking tot de GSK-fondsen en de partnerschapsovereenkomsten. Om ervoor te zorgen dat het maatschappelijk middenveld ook echt wordt betrokken bij het partnerschapsproces moet door middel van duidelijke en efficiënte communicatie uitleg worden verschaft over de procedure en de wijze waarop het maatschappelijk middenveld zal worden betrokken bij alle onderdelen van de totstandkoming en uitvoering van een partnerschapsovereenkomst.

12.7

De partnerschapsovereenkomsten in het kader van de Europa 2020-strategie mogen niet worden gebaseerd op de landenspecifieke aanbevelingen. De focus moet liggen op verschillende elementen, zoals de nationale hervormingsprogramma's, die zijn afgestemd op de specifieke situatie van een lidstaat, in tegenstelling tot de landenspecifieke aanbevelingen, die niet noodzakelijkerwijs zijn toegesneden op de nationale situatie. In de partnerschapsovereenkomsten moet ook aandacht worden besteed aan nationale strategieën voor armoedebestrijding en gendergelijkheid, aan nationale strategieën voor personen met een handicap en aan duurzame ontwikkeling.

13.   De territoriale dimensie van het GSK

13.1

In het GSK moet specifiek worden verwezen naar eventuele bijzondere territoriale kenmerken, die meestal verband houden met de omvang en de aard van de economische, sociale en territoriale structuren en van invloed zijn op de tenuitvoerlegging van de GSK-fondsen. Dit is een belangrijk aspect van het GSK, omdat de lidstaten er op deze manier voor kunnen zorgen dat het partnerschap is afgestemd op de specifieke aspecten van hun ontwikkelingsbehoeften en dus van hun regio's.

13.2

Om ervoor te zorgen dat de uitvoering van de Europa 2020-strategie vooropstaat, moet meer flexibiliteit worden toegestaan zodat de lidstaten en regio's zo effectief en efficiënt mogelijk gehoor kunnen geven aan de gemeenschappelijke doelen die worden vastgesteld, zonder de territoriale, economische en sociale diversiteit en bijzondere kenmerken uit het oog te verliezen.

13.3

In het GSK moeten derhalve nadere aanwijzingen worden gegeven over hoe het hoofd moet worden geboden aan de territoriale uitdagingen en specifieke behoeften in de partnerschapsovereenkomst. Dit geldt met name voor de gebieden die in artikel 174 VWEU worden genoemd.

13.4

Het EESC stelt voor om bij de verdeelsleutel die wordt gebruikt voor de toewijzing van steun uit de GSK-fondsen meer rekening te houden met territoriale ongelijkheden.

Brussel, 12 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Maatschappelijke organisaties zijn onderdeel van de civiele samenleving en bouwstenen van de maatschappij. Onder „maatschappelijke organisaties” wordt verstaan: alle private niet-overheidsorganisaties en hun leden die vanuit hun eigen perspectief actief betrokken zijn bij de publieke beleidsvorming en daarbij gebruik maken van hun eigen specifieke kennis, vaardigheden en handelingsmogelijkheden. Deze definitie heeft betrekking op een groot aantal organisaties: werkgeversverenigingen, vakbonden, verenigingen die zijn opgericht om bepaalde zaken van algemeen belang te bevorderen en zogeheten niet-gouvernementele organisaties (ngo's).

(2)  Suggestie 1 en 2 komen uit het EESC-advies „Structuurfondsen - algemene bepalingen”, PB C 191 van 29.6.2012, blz. 30.

(3)  PB C 191 van 29.6.2012, blz. 44.

(4)  PB C 191 van 29.6.2012, blz. 38.

(5)  Bijvoorbeeld het opzetten van bedrijvenparken.

(6)  Zie EESC-advies over het „Europees Fonds voor regionale ontwikkeling”, PB C 191 van 29.6.2012, blz. 44.

(7)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 82.

(8)  COM(2011) 627 final van 19 oktober 2011.

(9)  PB C 191 van 29.6.2012, blz. 116.

(10)  COM(2011) 804 final – 2011/0380 (COD).

(11)  Volgens de UEAPME profiteert slechts 2 à 3 % van het midden- en kleinbedrijf van EU-fondsen, zodat maar 1 à 2 % van het totaal beschikbare budget voor het mkb wordt aangesproken.


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/83


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Verslag over het mededingingsbeleid 2011

(COM(2012) 253 final)

2013/C 44/14

Rapporteur: Thomas PALMGREN

De Europese Commissie heeft op 30 mei 2012 besloten om, op grond van art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Verslag over het mededingingsbeleid 2011

COM(2012) 253 final.

De afdeling Interne markt, Productie en Consumptie, die met de desbetreffende voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 december 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 485e zitting van 12 en 13 december 2012 (vergadering van 12 december) het volgende advies uitgebracht, dat werd goedgekeurd met algemene stemmen.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité beoordeelt jaarlijks het verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid en zou hierbij de gelegenheid willen aangrijpen om eigen opmerkingen en voorstellen te presenteren. Het EESC is de Commissie erkentelijk voor de nieuwe, doelmatige opzet van het verslag, zoals het Comité die ook zelf in eerdere adviezen heeft voorgesteld.

1.2

Wel betreurt het EESC het dat niet wordt ingegaan op een hele reeks onderwerpen waarover het in het verleden al de alarmbel heeft geluid, en dat het verslag beperkt blijft tot de traditionele aandachtspunten van DG Mededinging. De Commissie geeft daarmee blijk van een te enge kijk op de meest relevante aspecten van het mededingingbeleid, terwijl zij zich juist zou moeten bezighouden met problemen die veel verder reiken dan de punten die gewoontegetrouw in het jaarverslag aan de orde worden gesteld, nl. fusies en concentraties, monopolies, staatssteun en mechanismen voor concurrentiebevordering in het belang van de consument.

1.3

Een belangrijke prioriteit is de strijd tegen de concurrentievervalsing door handelspartners uit derde landen die zich niet houden aan een aantal basisbeginselen en –rechten op sociaal en milieugebied en er zo in slagen hun marktaandeel in de EU te vergroten.

1.4

De uit de economische crisis voortkomende tendens om het beleid opnieuw op nationale leest te schoeien, de mogelijk conflicterende belangen van de lidstaten en de protectionistische maatregelen van regeringen – dit alles bergt een potentieel gevaar in zich. Een en ander kan ernstige gevolgen hebben voor de interne markt en het mededingingsbeleid. Zeker in de huidige economische situatie dient erop te worden toegezien dat de markt goed functioneert en dat er gunstige voorwaarden voor nieuwe economische groei worden geschapen. Het mededingingsbeleid moet worden afgestemd op andere beleidsterreinen, zoals het externe handelsbeleid en het internemarktbeleid, zodat een samenhangend geheel ontstaat waardoor de belangen van de Europese consumenten en producenten in het kader van de sociale markteconomie effectief worden gewaarborgd en tegelijk verwezenlijking van de doelstellingen op het vlak van economische groei en werkgelegenheid wordt nagestreefd. In het mededingings-, handels-, industrie- en interne-marktbeleid zal een evenwicht moeten worden gevonden tussen de belangen van de consument en het bedrijfsleven, waarbij altijd de doelstelling van gelijke concurrentievoorwaarden voor alle betrokken partijen voor ogen moet wordengehouden.

1.5

Het mededingingsbeleid dient een afspiegeling te zijn van het geïntegreerde industriebeleid van de EU, omdat duurzame groei en het welzijn van de burgers alleen kunnen worden gewaarborgd als Europa beschikt over een solide, gevarieerde, concurrentiekrachtige en werkgelegenheid scheppende industriële basis.

1.6

Het dit jaar gepubliceerde verslag (het 41e op rij) geeft een overzicht van de belangrijkste mijlpalen bij de ontwikkeling van het mededingingsbeleid en schetst de betekenis hiervan voor het bereiken van de doelstellingen van de EU.

1.7

Het EESC is het met de Commissie eens dat de handhaving van de mededingingsregels ook andere, ruimere langetermijndoelstellingen dient, zoals het bevorderen van de welvaart van consumenten en het ondersteunen van de groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen van de EU, zulks in lijn met de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

1.8

Samenwerking tussen de Commisise en de nationale mededingingsautoriteiten is van het allergrootste belang. Dit geldt zowel voor het toezicht op staatssteun als voor de effecten van mededingingsbeperkingen en ook voor de geloofwaardigheid van de opzet van het mededingingsbeleid in zijn geheel. De samenwerking tussen de autoriteiten zal vlot moeten verlopen en er zal actief informatie moeten worden uitgewissseld.

1.9

Het EESC roept de Commissie op om ter bescherming van een open en eerlijke markt actief te streven naar samenwerking met mededingingsautoriteiten uit derde landen. Het is goed dat er momenteel een discussie wordt gevoerd over de herziening van het staatssteunrecht, want de EU zou er zich voor moeten inzetten dat er in de hele wereld zo gelijk mogelijke concurrentievoorwaarden worden gecreëerd, teneinde te voorkomen dat haar ondernemingen in een nadelige positie komen te verkeren t.o.v. concurrenten uit derde landen, die niet hoeven te voldoen aan strenge normen en zich niet hoeven te houden aan strikte regels en beperkingen (bijv. op de voedselmarkt of in energie-intensieve industrieën), maar die wel vrije toegang hebben tot de Europese en wereldmarkt.

1.10

Het EESC heeft bij voortduring aandacht gevraagd voor de noodzaak om de rechtsmiddelen van de consument te verbeteren. Het is dan ook teleurgesteld over het feit dat goedkeuring van het wetgevingsvoorstel inzake schadevergoedingsacties wegens schending van de mededingingsregels in 2011 is uitgebleven.

1.11

Het is belangrijk dat het optreden van de Commissie in antitrustzaken en de initiatieven op het gebied van wet- en regelgeving elkaar aanvullen, waardoor kan worden gezorgd voor veilige, gezonde en doelmatige financiële markten, m.n. waar het gaat om de Single Euro Payments Area (SEPA), de sector gegevens voor financiële diensten en de ratingbureaus.

2.   De inhoud van het verslag over 2011

2.1

2011 was een roerig jaar. De financiële crisis mondde in een deel van de eurozone uit in een totale schuldencrisis, waardoor de banksector werd bedreigd en de duurzame begrotingspositie van een groot aantal EU-lidstaten op de proef werd gesteld. Ook de kredietstroom naar de reële economie werd hierdoor ernstig belemmerd.

2.2

Het verslag van de Commissie bestaat uit drie delen: het mededingingsbeleid in het huidige economische klimaat; het mededingingsbeleid in een bredere context, en de concurrentiedialoog met andere instellingen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de financiële diensten, de voedingsmiddelenindustrie en de luchtvaartsector. De Commissie wil met deze nieuwe opzet beter laten uitkomen hoe zij het mededingingsbeleid concreet gestalte geeft en welke voordelen het mededingingsbeleid biedt voor de Europese economie en de burgers van de EU.

2.3

De nieuwe opzet van het verslag van de Commissie, zoals die min of meer overeenkomt met datgene wat het Comité in eerdere adviezen heeft bepleit, lijkt inderdaad te werken. De nadruk in het verslag ligt op de behandeling van een aantal fundamentele kwesties en tendensen. Het bevat een uitstekend overzicht van de kernpunten van het mededingingsbeleid en illustreert een en ander met een groot aantal zeer veelzeggende voorbeelden. Het verslag zou nog kunnen worden verbeterd door er kwantitatieve gegevens aan toe te voegen, waardoor een duidelijker beeld kan worden verkregen van de omvang van de verschilende maatregelen en problemen. Het is nuttig dat een groot aantal gegevens ter aanvuling op het verslag toegankelijk is via de internetpagina’s van DG Mededinging.

2.4

In de mededeling wordt uitgelegd hoe de Commissie in 2011 het mededingingsbeleid heeft gebruikt als instrument om de financiële en schuldencrisis op te lossen en op welke wijze het mededingingsbeleid en de in de loop van dat jaar genomen maatregelen ter handhaving van de mededingingsregels in het algemeen hebben bijgedragen tot de verwezenlijking van de meer algemene beleidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie.

3.   Het mededingingsbeleid in het huidige economische klimaat

3.1   Algemene opmerkingen

3.1.1

De roep om protectionistische maatregelen kan in deze tijden luid klinken. Dat is begrijpelijk, gezien de ongerechtigheden die zich voor de ogen van het publiek opstapelen en het feit dat Europa maar werkeloos blijft toekijken, in tegenstelling tot een aantal van zijn internationale partners. De geschiedenis heeft ons geleerd dat de inspanningen ter instandhouding en bevordering van de mededinging tijdens een economische crisis juist moeten worden voortgezet, maar als Europa zich in deze cruciale materie al te argeloos blijft opstellen en unilateraal vasthoudt aan beginselen die door anderen met voeten worden getreden, dan zullen de mededingingsregels worden afgezwakt en de groeimogelijkheden op de lange en middellange termijn nog meer worden beperkt.

3.1.2

Het mededingingsbeleid kan een belangrijke bijdrage leveren aan het te boven komen van de crisis en het creëren van de juiste voorwaarden in het post-crisis tijdperk ter voorkoming van een eventuele verstoring van de concurrentieverhoudingen.

3.1.3

De financiële crisis heeft dramatische gevolgen gehad voor de reële economie, omdat daardoor de kredietverstrekking aan particuliere huishoudens en ondernemingen werd en is beperkt, wat indirect weer ernstige gevolgen heeft gehad voor de omvang van de investeringen en de werkgelegenheid. Een aantal lidstaten hebben zich gedwongen gezien om, in plaats van extra investeringen te doen om de economie weer op gang te helpen, bezuinigingsmaatregelen te treffen en te korten op de overheidsuitgaven. De crisis heeft uiteindelijk gevolgen gehad (en heeft die nog altijd) voor alle burgers, consumenten en werknemers alsmede voor het bedrijfsleven en het ondernemersklimaat. Een goed uitgevoerd, effectief en evenwichtig mededingingsbeleid zal het welzijn van alle groepen ten goede komen.

3.2   Bijzondere opmerkingen

3.2.1

Vanaf het begin van de crisis en t/m 31 december 2011 is er in totaal voor 1,6 biljoen euro aan staatsteun besteed voor de redding en herstructurering van de Europese banken. De Commissie heeft 39 herstructureringsbesluiten vastgesteld; hiervoor monitort zij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de herstructureringsplannen. Ondanks de gigantische omvang van de reddingsoperatie heeft de crisis zich alleen maar geleidelijk aan verdiept.

3.2.2

Voor alle deelnemers aan het economische en het sociale verkeer is het van belang dat de marktwerking wordt gewaarborgd als er een situatie ontstaat waarin staten en hun bankstelsels (de banken) op grote schaal worden ondersteund. Het is ook in het belang van de burgers dat er een effectief toezicht is op de steun aan banken.

3.2.3

Een effectief functioneren van de Single Euro Payments Area (SEPA) hangt nauw samen met de staat van ontwikkeling van de bankstelsels in de diverse landen. De verschillen zijn hier groot. Veel landen staan voor de uitdaging om hun betalingssysteem zo te ontwikkelen dat er kan worden geprofiteerd van de voordelen die de SEPA met zich brengt. Hiervoor wordt van de banksector een klantgerichte aanpak en een bereidheid om vooral kleinere bedrijven bij de voorbereidingen te helpen verwacht. In menig land, bijv. Finland, is de invoering van de SEPA vrijwel probleemloos verlopen. Een probleem dat in de media veel aandacht heeft gekregen, betreft het feit dat de tarieven van banktransacties vele malen hoger zijn geworden, sinds de traditionele betaalkaarten zijn afgeschaft.

3.2.4

De standaardisering van elektronische betalingen is een van de punten die de Commissie te berde brengt. Deze manier van betalen brengt aanzienlijke schaalvoordelen met zich mee. Het is dan ook vanzelfsprekend dat zich in deze sector marktconcentratie voordoet. Het lijdt geen twijfel dat de economie als geheel baat heeft bij een effectief betalingsverkeer. Het is dus zaak dat de Commissie zorgvuldig toeziet op de sector elektronische betaaldiensten. Uitgangspunt dient het streven naar gelijke concurrentievoorwaarden te zijn. We kunnen er niet omheen dat de markt voor betalingsverkeer en die van krediet- en betaalkaarten grotendeels in handen is van slechts enkele spelers.

3.2.5

De financiële markten zullen efficiënter functioneren als ze transparant en open zijn, er sprake is concurrentie en ze zodanig worden gereguleerd dat ze hun functie als geldschieters van de reële economie kunnen uitoefenen. Dit is precies wat de Commissie voor ogen staat met haar antitrustonderzoeken naar de markt voor Over-the-counter-derivaten (OTC-derivaten), de sector betaaldiensten en de distributie van handelsgegevens en financiële informatie in de markt. Het zou goed zijn geweest als de Commissie aan haar verslag wat cijfermateriaal had toegevoegd om te illustreren hoe groot de markt voor OCT-derivaten is. Strengere regels en een strikter toezicht zouden hier op hun plaats zijn.

3.2.6

Verder is het zo dat de aangescherpte wetgeving er nu of in de toekomst niet toe mag leiden dat er minder kredieten worden verleend. Daardoor zouden ondernemingen minder kunnen investeren en slechter aan bedrijfskapitaal kunnen komen.

3.2.7

Het EESC verzoekt de Commissie om de concurrentie op de markt voor ratingbureaus te blijven monitoren, gezien de handelwijze van deze bureaus en de eventuele belangenconflicten met hun cliënten, die tot concurrentieverstoring kunnen leiden.

4.   Het mededingingsbeleid in een bredere context

4.1   Algemene opmerkingen

4.1.1

De meeste acties van de Commissie op het gebied van mededingingsbeleid hebben betrekking op het bestrijden van de gevolgen van de crisis voor de financiële markten. Niettemin dienen de handhaving en bevordering van de mededingingsregels en de bevordering van medediniging ook andere, ruimere langetermijndoelstellingen te dienen, zoals het bevorderen van de welvaart van consumenten en het ondersteunen van de groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen van de EU, zulks in lijn met de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

4.1.2

Ook met haar beleid inzake concentratiecontrole tracht de Commissie in theorie het welzijn van de consumenten en gelijke concurrentievoorwaarden voor economische actoren te bevorderen, omdat zij een evenwicht probeert te vinden tussen de economische voordelen van concentraties en andere parameters zoals prijs, aanbod, kwaliteit en innovatie. Deze benadering is tot op zekere hoogte doeltreffend gebleken in de telecommunicatiesector en zou tot zo veel mogelijk andere sectoren moeten worden uitgebreid. We moeten echter realistisch blijven: het is een feit dat de laatste decennia steeds grotere conglomeraten opduiken, zodat er in veel sectoren alsmaar minder ruimte overblijft voor het mkb en nieuwe bedrijven met veel potentieel maar moeilijk voet aan de grond krijgen, wat vanzelfsprekend een rem zet op de dynamiek, de innovativiteit en m.n. de creativiteit - factoren die de samenleving over het algemeen op verschillende vlakken ten goede komen.

4.1.3

Het EESC wil erop wijzen dat het mededingingsbeleid nauw aansluit op andere beleidsterreinen en m.n. raakvlakken heeft met de inspanningen ter verbetering van de regelgeving, het industriebeleid en het mkb-beleid. Zonder een wetgeving die rekening houdt met de behoeften en exploitatievoorwaarden van kleinere ondernemingen, kan de markt niet efficiënt functioneren.

4.1.4

Het valt toe te juichen dat de Commissie dit jaar een gids voor de evaluatie van de gevolgen voor het sectorale concurrentievermogen (Operational guidance for assessing impacts on sectoral competitiveness within the Commission Impact Assessment system) heeft gepubliceerd. Deze gids is ook voor het mededingingsbeleid een waardevol instrument.

4.1.5

Het EESC onderstreept hoe belangrijk het is dat de Commissie samen met de mededingingsautoriteiten uit derde landen activiteiten ontplooit. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor een efficiënte tenuitvoerlegging van het mededingingsbeleid en tevens een garantie dat er in de hele wereld zo gelijk mogelijke concurrentievoorwaarden worden gecreëerd.

4.1.6

Het EESC verzoekt de Commissie om de regels voor compensaties ten behoeve van openbaredienstverplichtingen die voldoen aan sociale behoeften, te blijven verbeteren; deze diensten omvatten o.m. gezondheidszorg en langdurige zorg, kinderopvang, toegang tot de arbeidsmarkt of herintreding, sociale huisvesting, en de zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen.

4.1.7

Het EESC dringt erop aan om het mededingingsbeleid af te stemmen op het beleid van de andere DG's die hun stempel drukken op de mededingingssituatie in de EU. Dat zal ertoe bijdragen om de WTO beter te laten aansluiten op de realiteit van dit moment. We denken dan aan de invoering van mechanismen om sterk verschillende situaties meer op elkaar af te stemmen en toe te zien op een betere naleving van de sociale en milieunormen, de regels inzake productveiligheid, enz. Ook moet daadwerkelijk (en niet alleen in theorie) de strijd worden aangebonden met het misbruik van machtsposities door grote distributieketens die hun kleinere concurrenten en leveranciers stap voor stap kapotmaken. Dat kan door de invoering van mechanismen voor toezicht op de onderhandelingen, die er nu vaak op neerkomen dat de ene partij haar wil oplegt aan de andere. Voorts moeten mechanismen worden ingevoerd om misbruik van machtsposities in alle sectoren uit de wereld te helpen (en te bestraffen), alsook van mechanismen voor het rechttrekken van de scheve concurrentieverhoudingen tussen bedrijven in grote consumentencentra en meer perifeer gelegen bedrijven, die ontegenzeggelijk meer kosten maken.

4.2   Bijzondere opmerkingen

4.2.1

Het EESC spreekt de hoop uit dat het Europees octrooi werkelijkheid zal worden. Van de Commissie wordt verwacht dat ze de transactiekosten voor m.n. octrooien aanzienlijk verlaagt (1). Het Europees octrooi zou in de plaats moeten komen van het huidige systeem, waarbij een octrooi in elke lidstaat afzonderlijk moet worden aangevraagd. De Commissie schat dat de octrooikosten aldus gemakkelijk kunnen oplopen tot 32 000 euro, terwijl men in de Verenigde Staten toekomt met 1 850 euro.

4.2.2

Het EESC is van mening dat het Europese normalisatieproces versneld, vereenvoudigd en gemoderniseerd dient te worden en inclusiever moet worden (2). Er zal systematischer moeten worden geëvalueerd of het Europese normalisatiesysteem wel gelijke tred houdt met de zeer snel veranderende omstandigheden, en of het bijdraagt tot de verwezenlijking van de interne en externe strategische doelstellingen van de EU, met name op het gebied van industriebeleid en de ontwikkeling van innovaties en technologieën.

4.2.3

De dagelijkse voeding vormt een van de meest elementaire uitgavenposten in het leven van de consument. Het is dan ook belangrijk dat de mededinging in de sector levensmiddelen goed functioneert. Niettemin zij eraan herinnerd dat er tal van factoren zijn, op de meeste waarvan het mededingingsbeleid geen greep heeft, die de prijs van onze voeding kunnen beïnvloeden. In de eerste plaats moet dan worden gedacht aan de stijgende grondstofprijzen.

4.2.4

Verder mag niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de partijen uit de voedselketen aan de onderhandelingstafel in een ongelijke positie verkeren, waarbij de producenten van basisproducten en kleine bedrijfjes het kwetsbaarst zijn. Het EESC wacht dan ook vol belangstelling op de resultaten van het in 2010 opgerichte forum op hoog niveau, dat zoekt naar wegen om een en ander beter te laten functioneren.

4.2.4.1

Ook zou het zinvol en in het belang van de interne markt zijn om bij het in praktijk brengen van het mededingingsrecht en de definiëring van het begrip „relevante markt” over te schakelen op een meer geharmoniseerde aanpak op Europees niveau.

4.2.5

Europese producenten dienen zich te houden aan vrij strenge voorschriften, terwijl concurrenten uit andere werelddelen, die hun producten vrij mogen afzetten op de EU-markt, met veel minder strikte regels worden geconfronteerd. Als gevolg hiervan worden de concurrentieverhoudingen wezenlijk verstoord, omdat de produktiekosten in derde landen lager liggen. Dit geldt ook voor energie-intensieve bedrijven in de EU, die zich dienen te houden aan strenge milieuvoorschriften en doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie, iets wat omvangrijke investeringen vergt, terwijl hun concurrenten, die op dezelfde internationale markt opereren, niet dezelfde kosten hoeven te dragen. De herziening van het staatssteunrecht met het oog op gelijke kansen dient dus te worden gecoördineerd met het optreden van de Commissie inzake de instrumenten van het handelsbeleid (3).

4.2.6

Concurrentie op de markt is het beste middel om kansen te scheppen voor ondernemingen die ook op de lange termijn kans van slagen hebben. Een krachtig mededingingsbeleid is een essentieel onderdeel van een consequente en integrale politiek ter verbetering van het concurrentievermogen van de Europese industrie. We staan voor de uitdaging om op mondiale schaal te concurreren met landen waar de wetgeving veel minder streng is en de productiekosten, arbeidsomstandigheden en sociale wetgeving afwijken van de onze. Het EESC concludeert in zijn advies CESE 1176/2011 (4) dat de scheepsbouw recht heeft op een zekere staatssteun en dat bijv. milieuvriendelijke technologieën moeten worden opgenomen in de kaderregeling. Het EESC beschouwt het huidige initaitief inzake staatssteun als een belangrijke stap op weg naar een nieuwe dynamiek in het industriebeleid en in lijn met de Europa 2020-strategie. Met betrekking tot het terugdringen van de BKG-uitstoot, een van de vijf primaire doelstellingen van deze strategie, staat het EESC achter de door de Europese Commissie goedgekeurde richtsnoeren inzake nationale steunmiddelen voor energie-intensieve bedrijfstakken, zoals de staalsector, de aluminiumsector, de sector van chemische producten en de papiersector (5). Deze staatssteunregelingen, opgezet om het „weglekken van CO2” te voorkomen, zijn bedoeld ter compensatie van de hogere elektriciteitsprijzen als gevolg van de doorberekening van EU-ETS-kosten in 2013 en ter bevordering van de investeringen in elektriciteitscentrales met hoog rendement.

4.2.7

De uitgeverswereld maakt momenteel, met name als gevolg van de digitalisering, een moderniseringsproces door. Deze sector speelt niet alleen een doorslaggevende rol bij het tot bloei brengen van de Europese cultuur, maar levert ook een cruciale bijdrage aan de innovatie. Er vindt momenteel een omschakeling naar digitale media plaats: een ontwikkeling met verstrekkende gevolgen. Het aanbod e-boeken neemt toe, zodat de Commissie volkomen terecht reageert op pogingen om de concurrentie in te perken en deze ontwikkeling aan banden te leggen.

4.2.8

Er is steeds meer vraag naar oplossingen die ertoe bijdragen dat de energiebehoefte kan worden gedekt m.b.v. duurzame alternatieven. Het EESC staat achter het voorstel van de Commissie om Europa's energie-infrastructuur te moderniseren en uit te breiden, omdat er anders niet kan worden gezorgd voor een veilige, stabiele en duurzame energievoorziening in de EU.

4.2.9

In de toekomst zal energie in grotere hoeveelheden en over langere afstanden moeten worden vervoerd. Een pan-Europese energie-infrastrucuur is noodzakelijk als men wil dat alle lidstaten van de EU kunnen profiteren van de door hun eigen energiebronnen geboden voordelen. Dit geldt voor hernieuwbare energiebronnen als waterkracht, windkracht en zonne-energie. Ook het gebruik van fossiele hulpbronnen zoals olie, gas en koolstof kan op deze manier worden geoptimaliseerd (6).

4.2.10

Het EESC is van mening dat er één enkel EU-rechtskader nodig is voor de gehele luchtvaartsector, waarmee oncontroleerbare subsidiepraktijken worden tegengegaan en gelijke concurrentievoorwaarden voor alle marktspelers, ook op lokaal niveau, worden gegarandeerd (7). Aanbevolen wordt om de staatssteun die wordt toegekend voor investeringen in de luchthaveninfrastructuur, alsmede de steun aan startende luchtvaartmaatschappijen alleen toe te staan in een aantal welomschreven specifieke gevallen, en om deze in duur en omvang te beperken. Er zal een volhardend beleid ter ontwikkeling van regionale luchthavens moeten worden gevoerd. De richtsnoeren die voor de luchtvaartsector zijn opgesteld, kunnen alleen met succes ten uitvoer worden gelegd als overeenstemming wordt bereikt over duidelijke beleidsprioriteiten voor de ontwikkeling van de regionale luchthavens. Het behoud van regionale luchthavens is een belangrijk onderdeel van het ondernemingenbeleid. Hierbij zij verwezen naar het advies over het zogeheten pakket „Betere luchthavens” waarin de toewijzing van „slots” en grondafhandelingsdiensten op luchthavens in de Europese Unie aan de orde komen.

4.2.11

Het EESC heeft er al diverse malen op gewezen dat de regelingen ter bescherming van consumenten in dit verband aangescherpt moeten worden. Het valt dan ook te betreuren dat het wetsvoorstel inzake schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels in 2011 niet is goedgekeurd, terwijl het lang niet denkbeeldig is dat die goedkeuring zelfs in 2012 nog zal uitblijven.

4.2.12

Het EESC neemt met voldoening kennis van de versterking van het institutionele kader voor de toepassing van het mededingingsrecht, op grond waarvan de beslissingen van een bestuurlijke instantie als de Commissie worden onderworpen aan een volledige rechterlijke toetsing, hetgeen zorg draagt voor een afdoende bescherming van de grondrechten van de personen op wie deze beslissingen betrekking hebben.

5.   De concurrentiedialoog met andere instellingen

5.1

De Commissie heeft de uitsluitende bevoegdheid om - onder toezicht van de EU-rechter - het EU-mededingingsrecht te handhaven. Dit neemt niet weg dat er over mededingingsvraagstukken een voortdurende gestructureerde dialoog wordt gevoerd tussen het bevoegde lid van de Commissie en het Europees Parlement. De Commissie houdt het Europees Economisch en Sociaal Comité op de hoogte van de belangrijkste beleidsinitiatieven en laat zich vertegenwoordigen op de vergaderingen van de studiegroepen en afdelingen. Het EESC constateert met voldoening dat de samenwerking met het Comité in het Commissieverslag expliciet wordt vermeld.

Brussel, 12 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 68, 6.3.2012, blz. 28.

(2)  PB C 68, 6.3.2012, blz. 35.

(3)  De modernisering van het EU-staatssteunbeleid, PB C 11, 15.1.2013, blz. 49.

(4)  PB C 318, 29.10.2011, blz. 62.

(5)  Mededeling van de Commissie - Richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2012 (2012/C 158/04), PB 5.6.2012.

(6)  PB C 143, 22.5.2012, blz. 125.

(7)  PB C 299, 4.10.2012, blz. 49.


15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/88


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een Europese strategie voor sleuteltechnologieën — Een brug naar groei en banen

(COM(2012) 341 final)

2013/C 44/15

Rapporteur: de heer MORGAN

De Commissie heeft op 26 juni 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een Europese strategie voor sleuteltechnologieën — een brug naar groei en banen

COM(2012) 341 final.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 december 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 12 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 102 stemmen vóór en 2 tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Dit is de tweede mededeling van de Commissie over ST's. In september 2010 heeft het EESC een advies (1) uitgebracht over de eerdere mededeling (2). Hierin verwelkomde het EESC de aandacht voor ST's, maar had het ernstige bedenkingen bij de doeltreffendheid van de voorstellen vanwege de in zijn ogen zwakke punten in de hightechproductiecapaciteit van de EU.

1.2

Paragraaf 1.10 van dat advies bevatte de volgende aanbevelingen:

erkenning van het tekortschieten van de interne markt bij het aanmoedigen van ondernemerschap en ontwikkeling van een industriële strategie om het ernstige tekort aan hightechondernemingen in Europa weg te werken;

de noodzaak om productieprocessen weer in Europa te laten plaatsvinden en nieuwe bedrijven in Europa de kans geven om te groeien;

een gemakkelijker toegang voor bedrijven tot financiering van innovatieve technologieën;

financiële stimulansen om van de EU een gebied te maken waar het loont om te innoveren en te ondernemen op ST-gebied;

een radicale hervorming van scholen en universiteiten om ervoor te zorgen dat mensen met de vereiste vaardigheden worden afgeleverd;

de vorming van clusters van innovatieve hightechbedrijven rond universiteiten en onderzoekscentra;

de erkenning dat de wereld is veranderd en de overschakeling op een agressiever internationaal handelsbeleid;

ervoor zorgen dat dit initiatief overkoepelend is en alle hierop aansluitende initiatieven van alle DG's omvat.

Het EESC herhaalt deze aanbevelingen.

1.3

In haar meest recente mededeling stelt de Commissie voor om de O&O-inspanningen van de EU om te vormen tot een strategie, gebaseerd op drie pijlers, met steun niet alleen voor O&O, maar ook voor proeflijnen om prototypes en geavanceerde productieschema's te ontwikkelen om technologie in producten om te zetten. In dit verband doet het EESC twee aanbevelingen. In de eerste plaats mag de nadruk op de twee nieuwe pijlers van de strategie niet de aandacht afleiden van het O&O in de EU of de omvang ervan verminderen, aangezien onderzoek, met name fundamenteel onderzoek, de noodzakelijke voorwaarde is voor toekomstige ST's. Ten tweede dient deze regeling, die lijkt te vertrouwen op het „duwen” van nieuwe technologie naar de markt, moet worden aangevuld met marktstimulering door gevestigde producenten. Daarom zou het EESC graag zien dat er meer nadruk komt te liggen op de capaciteitsopbouw van productiebedrijven in de EU.

1.4

Over het algemeen steunt het EESC het in deel 3 geschetste actieplan. Gezien de verschillen tussen de lidstaten zou het EESC niettemin graag willen dat actieprogramma's worden gebaseerd op de vaardigheden en vermogens van elke regio.

1.5

Sommige onderdelen van het actieplan vergen waarschijnlijk meer impulsen, zoals de modernisering van staatssteun, durfkapitaal, mondiale onderhandelingen over IER, handelsoverleg in hightechindustrieën en verbeteringen in het onderwijs en opleidingen op elk niveau, vooral wat betreft technici en wetenschappers.

1.6

Hoewel governance van het ST-project in het actieplan aan bod komt, zijn de voorschriften onduidelijk zodat het programma misschien te weinig slagkracht krijgt.

2.   Inleiding

2.1

De Commissie gaf een groep van hoog niveau opdracht om de reacties op de eerste mededeling in kaart te brengen en hierover een verslag (3) uit te brengen, dat in juni 2011 het licht zag. Daarna schetst de tweede mededeling „Een Europese strategie voor sleuteltechnologieën”.

2.2

In het verslag vermeldt de GHN de belangrijkste problemen van Europa bij het omzetten van ideeën in afzetbare producten, ofwel bij het oversteken van wat internationaal bekend staat als de „vallei des doods”. Voor het oversteken van de vallei is een strategie met drie pijlers nodig:

de pijler van technologisch onderzoek gebaseerd op technologische faciliteiten, gesteund door georganiseerde onderzoekstechnologie;

de pijler van productontwikkeling, gebaseerd op proefprojecten en demonstratie, gesteund door industriële consortia;

de pijler van concurrerende fabricage, gebaseerd op mondiaal concurrerende faciliteiten voor fabricage, gesteund door toonaangevende ondernemingen.

2.3

Het voorstel betreft de ontwikkeling van een industrie voor geavanceerde fabricage als bron van exportinkomsten, het steunen van downstreamproducenten van machines die de meest geavanceerde fabricagetechnologie in Europa kunnen produceren (machines, software, diensten, enz.), alsook de ontwikkeling en verbetering van fabricagesystemen (technologie en processen) voor de bouw van efficiënte, moderne en technisch geavanceerde faciliteiten voor de fabricage in Europa.

2.4

De elf aanbevelingen luiden als volgt:

Maak van ST's een technologische prioriteit voor Europa

De EU moet de O&O-definitie van TRL toepassen

De reikwijdte van relevante O&O-definities volledig benutten

Nieuw evenwicht in door de EU gesubsidieerde O&O-programma's

Strategische benadering van programma's voor ST's

Opstelling van adequate regels voor de uitvoering van programma's voor ST's

Combineren van subsidiemechanismen

Voorzieningen voor staatssteun voor ST's

Mondiaal concurrerend intellectuele-eigendombeleid in Europa

Opbouw, uitbreiding en behoud van vaardigheden voor ST's

Een Europees waarnemingscentrum en adviesorgaan voor ST's.

3.   Samenvatting van de mededeling

3.1

Volgens recent onderzoek en economische analyses van marktontwikkelingen en van de bijdrage die ST's leveren aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen zijn micro-/nano-elektronica, nanotechnologie, fotonica, geavanceerde materialen, industriële biotechnologie en geavanceerde fabricagetechnieken de ST's van de EU.

3.2

In haar analyse van de situatie stelt de Commissie de volgende zaken vast:

De EU is wereldwijd leider op het gebied van ontwikkeling van ST's.

De EU slaat onvoldoende munt uit haar kennisbasis.

Zwak punt van de EU is vooral het omzetten van de beschikbare kennis in goederen en diensten.

Dit ontbreken van ST-fabricage is om twee redenen nadelig: op de korte termijn betekent het gemiste kansen op het gebied van groei en nieuwe banen, en de kennisbasis voor de lange termijn slinkt.

3.3

Voor de gebreken worden in de mededeling de volgende oorzaken genoemd:

geen gemeenschappelijke definitie van noch consensus over ST's;

falend beleid voor het benutten van de synergetische werking van ST's en het versnellen van hun doorlooptijd („time to market”);

gebrek aan productdemonstratie- en „proof-of-concept”-projecten;

ondoeltreffend gebruik en coördinatie van publieke middelen;

ontoereikende toegang tot geschikte bronnen van risicokapitaal;

fragmentatie van de interne markt van de EU, verschillen in regelgeving tussen diverse regio's en lidstaten;

gebrek aan voldoende geschoolde werknemers en ondernemers.

3.4

De strategie in deze mededeling beoogt:

EU-beleidslijnen in het komende meerjarig financieel kader met name te richten op onderzoek, innovatie en cohesiebeleid, en prioriteit te geven aan de uitrol van ST's bij de verstrekking van leningen door de EIB;

coördinatie van activiteiten op EU- en nationaal niveau, zodat synergieën en complementariteiten tussen die activiteiten ontstaan, en gemeenschappelijke middelen waar nodig worden samengebracht;

een externe groep voor ST-vraagstukken op te zetten om de Commissie te adviseren over beleidskwesties in verband met ST's;

bestaande handelsinstrumenten te mobiliseren om eerlijke concurrentie en een gelijk internationaal speelveld te waarborgen.

3.5

Het volgende is een samenvatting van het actieplan van de Commissie:

3.5.1

Aanpassing van EU-instrumenten

Horizon 2020

Toewijzing van 6,7 miljard euro

Hernieuwd evenwicht voor proef- en demonstratieprojecten

Transversale projecten

Selectiecriteria

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling

Slimme specialisatie

Clusterspecifieke acties

Modernisering van regels inzake staatssteun

Overeenkomst met de Europese Investeringsbank

Bevordering van vereiste multidisciplinaire vaardigheden

3.5.2

Coördinatie

Synergie met nationaal beleid voor industriële innovatie

Memorandum van overeenstemming tussen belanghebbenden uit het bedrijfsleven

3.5.3

Governance

Coördinatiegroep voor ST's binnen Horizon 2020

Een externe groep voor ST-kwesties

3.5.4

Kennis - de Commissie zal:

in het kader van Horizon 2020 acties voortzetten en versterken die erop gericht zijn om ST's aantrekkelijk te maken voor jongeren;

de EIT aansporen een kennis- en innovatiegemeenschap op te zetten waarin het bedrijfsleven, onderzoekers en hoger onderwijs samenwerken aan added-valueproductietechnieken;