ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2012.299.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 299

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

55e jaargang
4 oktober 2012


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

482e plenaire zitting op 11 en 12 juli 2012

2012/C 299/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over meer participatieprocessen en betrokkenheid van lokale overheden, ngo's en de sociale partners bij de toepassing van de Europa 2020-strategie (verkennend advies)

1

2012/C 299/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Welke veranderingen brengt de nieuwe financiële regelgeving met zich mee voor de banksector in Europa? (initiatiefadvies)

6

2012/C 299/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Europese technologieplatforms (ETP's) en industriële verandering (initiatiefadvies)

12

2012/C 299/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de noodzaak van een Europese defensie-industrie: industriële, innovatieve en sociale aspecten (initiatiefadvies)

17

2012/C 299/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Vrouwelijke ondernemers — Specifieke maatregelen om de groei en werkgelegenheid in de EU te bevorderen (initiatiefadvies)

24

2012/C 299/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van de vrouw als drijvende kracht achter een ontwikkelings- en innovatiemodel voor de landbouw en de plattelandsgebieden (initiatiefadvies)

29

2012/C 299/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de betrekkingen tussen de EU en Moldavië en de rol die het maatschappelijk middenveld daarin kan spelen

34

2012/C 299/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van het maatschappelijk middenveld in de meerpartijenovereenkomst tussen de EU, Colombia en Peru

39

2012/C 299/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over coöperaties en ontwikkeling van de agrovoedingssector (initiatiefadvies)

45

2012/C 299/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de herziening van de EU-richtsnoeren van 1994 en 2005 inzake luchtvaart en luchthavens (vervolgadvies)

49

 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

482e plenaire zitting op 11 en 12 juli 2012

2012/C 299/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Herstructurering en anticipatie op veranderingen: uit de recente ervaring te trekken lessen (Groenboek)(COM(2012) 7 final)

54

2012/C 299/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek over de haalbaarheid van de invoering van stabiliteitsobligaties(COM(2011) 818 final)

60

2012/C 299/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn operationele diensten (vanaf 2014) (COM(2011) 831 final)

72

2012/C 299/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (Central Securities Depositories — CSD's) en houdende wijziging van Richtlijn 98/26/EG (COM(2012) 73 final — 2012/0029 (COD))

76

2012/C 299/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de openbare stelsels van gezondheidszorg (COM(2012) 84 final — 2012/0035 (COD))

81

2012/C 299/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vereenvoudiging van de overbrenging van in een andere lidstaat ingeschreven voertuigen binnen de interne markt (COM(2012) 164 final — 2012/0082 (COD))

89

2012/C 299/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel — Een EU-agenda voor een betere verdeling van verantwoordelijkheid en meer wederzijds vertrouwen (COM(2011) 835 final)

92

2012/C 299/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Initiatief Kansen voor jongeren(COM(2011) 933 final)

97

2012/C 299/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Justitie voor de periode 2014-2020 (COM(2011) 759 final — 2011/0369 (COD))

103

2012/C 299/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa (COM(2011) 750 final — 2011/0365 (COD)), het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor asiel en migratie (COM(2011) 751 final — 2011/0366 (COD)), het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel en migratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer (COM(2011) 752 final — 2011/0367 (COD)) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer (COM(2011) 753 final — 2011/0368 (COD))

108

2012/C 299/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het witboek Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen(COM(2012) 55 final)

115

2012/C 299/22

Advies van het Europees Economische en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van het programma Europa voor de burger voor de periode 2014-2020 (COM(2011) 884 final — 2011/0436 (APP))

122

2012/C 299/23

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevriezing en confiscatie van de opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (COM(2012) 85 final — 2012/0036 (COD))

128

2012/C 299/24

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad, Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad, en Verordening (EU) nr. XXX/2011 van de Raad inzake een geïntegreerd maritiem beleid) (COM(2011) 804 final — 2011/0380 (COD))

133

2012/C 299/25

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (COM(2012) 148 final)

141

2012/C 299/26

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren (COM(2012) 155 final — 2012/0077 (COD))

145

2012/C 299/27

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Geavanceerde computing: de positie van Europa in de wereldwijde wedloop (COM(2012) 45 final)

148

2012/C 299/28

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG betreffende havenstaatcontrole (COM(2012) 129 final — 2012/0062 (COD)) en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de handhaving van Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de Overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) inzake het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van Richtlijn 1999/63/EG (COM(2012) 134 final — 2012/0065 (COD))

153

2012/C 299/29

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake scheepsrecycling (COM(2012) 118 final — 2012/0055 (COD))

158

2012/C 299/30

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over belangrijke acties voor een Akte voor de interne markt II (verkennend advies)

165

2012/C 299/31

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Witboek vervoer: naar participatie en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld (verkennend advies)

170

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

482e plenaire zitting op 11 en 12 juli 2012

4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over meer participatieprocessen en betrokkenheid van lokale overheden, ngo's en de sociale partners bij de toepassing van de Europa 2020-strategie (verkennend advies)

2012/C 299/01

Rapporteur: Heidi LOUGHEED

Mevrouw Sotiroula Charalambous, minister van Arbeid en Sociale Zekerheid van Cyprus, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) in een brief van 18 april 2012 namens het toekomstige Cypriotische EU-voorzitterschap om een verkennend advies gevraagd over

Meer participatieprocessen en betrokkenheid van lokale overheden, ngo's en de sociale partners bij de toepassing van de Europa 2020-strategie.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 27 juni 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 12 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met algemene stemmen werd goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

Het EESC dringt bij de EU-instellingen en de lidstaten aan op een hernieuwde politieke verbintenis om samen met alle relevante partijen (Europees Parlement, Comité van de Regio's, het EESC zelf, nationale parlementen, lokale en regionale overheden, de sociale partners, het maatschappelijk middenveld, nationale SER's of aanverwante organisaties, steden en alle andere vormen van lokaal bestuur) de Europa 2020-strategie toe te passen.

Het EESC neemt het op zich om in Europa, voortbordurend op de werkzaamheden die al met de nationale SER's en aanverwante organisaties en nationale vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties zijn verricht, voor al die organisaties een contactpunt en een platform te worden, waardoor zij worden geholpen om vorderingen te maken met hun eigen inspanningen om de Europa 2020-strategie toe te passen.

Het EESC is van mening dat de EU een langetermijnvisie moet ontwikkelen op het uiteindelijke doel van de inzet van belanghebbenden. De EU moet daar geleidelijk naartoe werken.

Op de korte termijn zou met een aantal geringe veranderingen aanzienlijke vooruitgang kunnen worden geboekt. Zo is het met name hoog tijd voor de lidstaten om het tijdschema en de te volgen procedures opnieuw te bekijken, met als doel te bewerkstelligen dat alle belanghebbenden zich hier echt voor kunnen inzetten en medeverantwoordelijkheid gaan dragen voor de toepassing van de Europa 2020-strategie.

2.   Inleiding

2.1

Het toekomstige Cypriotische EU-voorzitterschap heeft het EESC op 18 april 2012 om een advies over "Meer participatieprocessen en betrokkenheid van lokale overheden, ngo's en de sociale partners bij de toepassing van de Europa 2020-strategie" gevraagd, omdat het van plan is om hiervan tijdens dit EU-voorzitterschap en voor de komende informele EPSCO-Raad (juli 2012) een prioriteit te maken.

Het Europees semester gaat inmiddels zijn derde jaar in: een goed tijdstip om stil te staan bij participatieprocessen in de Europa 2020-strategie en na te denken over mogelijkheden om die verder te ontwikkelen.

2.2

De Europa 2020-stuurgroep van het EESC houdt zich bezig met het toezicht op de werkzaamheden en streeft ernaar om nationale SER's en aanverwante organisaties in de lidstaten bijeen te brengen, zodat zij ervaring kunnen uitwisselen aangaande methoden om verbetering te brengen in de participatieprocessen van de Europa 2020-strategie.

2.3

Er is inmiddels volledige erkenning voor de rol die het EESC in de Europa 2020-strategie speelt (1). Het EESC wil zijn aanbevelingen voor manieren om de participatieprocessen van de Europa 2020-strategie en het Europees semester te verbeteren, graag met anderen delen.

3.   Europa 2020-strategie – een nieuw systeem

3.1

De EU en de burgers van Europa gaan gebukt onder een ernstige economische en financiële crisis. De gevolgen daarvan voor de hele EU en al haar burgers zijn ernstig. Veel lidstaten hebben uiterst benarde situaties gekend, alsook toenemende werkloosheid waarvan het einde nog niet in zicht is. Daarom is de Europa 2020-strategie belangrijker dan ooit: daarop heeft het EESC de afgelopen drie jaar al in tal van adviezen gewezen. Immers, wat deze strategie te bieden heeft, is een alomvattende hervormingsagenda voor duurzame groei en een veerkrachtigere EU.

3.2

De Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei is bij uitstek geschikt om op de belangrijkste beleidsgebieden van de EU en van de lidstaten groeidoelstellingen te verwezenlijken. De draagwijdte ervan is zeer groot, met als algemene ambitie om slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen. Deze strategie heeft gevolgen voor innovatie en O&O, de klimaatverandering, energie, werkloosheid, industriebeleid, sociale en territoriale samenhang, armoede, cohesiebeleid, om maar een paar voorbeelden te noemen.

3.3

Doel van de voor de Europa 2020-strategie gekozen governance is Europese, nationale en gedeelde bevoegdheden in een meerlagig bestuurssysteem onder te brengen. Zo wint de verdieping van de Europese integratie aan legitimiteit. Een verschil met de strategie van Lissabon is dat er voor de Europa 2020-strategie onderling verweven vlaggenschipinitiatieven zijn vastgelegd. Door die vlaggenschipinitiatieven wordt de aandacht toegespitst op en steun gegeven aan belangrijke themagebieden, prioriteiten, hoofddoelstellingen en een systeem voor krachtiger en strak toezicht, met de mogelijkheid dat een kritische evaluatie wordt gemaakt van ontwikkelingen (of het ontbreken daarvan) in de lidstaten.

3.4

De verslaggevingsregeling van de Europa 2020-strategie is ook anders dan die van de strategie van Lissabon. Deze nieuwe regeling is niet alleen erg geconcentreerd, maar nu ook aangepast aan de procedures van de nieuwe en verbeterde stelsels van economische governance. Het gevolg daarvan is o.m. dat het stabiliteits- en convergentieprogramma en de nationale hervormingsprogramma's op hetzelfde tijdstip aan de Commissie moeten worden voorgelegd. Daardoor ontstaat een vollediger overzicht van de stand van zaken in de lidstaten en van de koers die de lidstaten nog willen gaan varen.

3.5

In de tekst van de Europa 2020-strategie zelf wordt voor het eerst gewezen op de behoefte aan meer "ownership". Daaraan is toegevoegd dat "… de bijdrage van nationale en regionale belanghebbenden en van de sociale partners (te dien einde ook) moet worden vergroot." Vervolgens wordt uitdrukkelijk toegezegd dat het EESC en het Comité van de Regio's er nauwer bij zullen moeten worden betrokken. Er is al eerder gehamerd op deze behoefte aan participatieprocessen. Dit gebeurde met name in de Conclusies van de Europese Raad van maart 2010 en in de door de Commissie uitgevaardigde handleiding voor het opstellen, toepassen en monitoren van nationale hervormingsprogramma's in het kader van de Europa 2020-strategie. In deze handleiding wordt nog eens benadrukt dat het belangrijk wordt om nationale parlementen, de sociale partners, regio's en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van de nationale hervormingsprogramma's te betrekken, zodat het draagvlak voor deze strategie wordt vergroot.

4.   Ervaring met het Europees semester

4.1

In dit derde jaar van de Europa 2020-strategie zijn veel lidstaten duidelijk bereid om de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties bij het Europees semester te betrekken en laten zij die partijen een rol spelen in hun nationale processen. Hoe dit in praktijk wordt gebracht, is echter ongelijk, met een variërende inzet en zelfs als die inzet er is, worden de partners daar niet altijd in gelijke mate écht bij betrokken. Veel lidstaten houden hun partners wel op de hoogte en vragen hen wel om advies, maar meestal gebeurt dit niet erg doelgericht: voor degenen die hier deel aan hebben, komt het hele proces vaak over als onsamenhangend en stuurloos. Zo is door het EESC en anderen gewezen op het probleem van de wel heel erg strakke termijnen, waardoor er in feite niet echt tijd is voor een behoorlijke discussie met de sociale partners, maatschappelijke organisaties of regionale en nationale parlementen. Dit probleem speelt niet alleen op het niveau van de lidstaten: veel organisaties in EU-verband hebben aangedrongen op verbetering van de werkwijze en governance van het Europees semester, maar ook van het toezicht op de toepassing van de Europa 2020-strategie. Het Europees Parlement heeft beleidsaanbevelingen gedaan om zijn eigen rol en mogelijke bijdrage beter af te bakenen (2) en het Comité van de Regio's zal binnenkort zijn eigen richtsnoeren uitvaardigen.

4.2

Door de oprichting in het EESC van de Europa 2020-stuurgroep kon focus worden gegeven aan de werkzaamheden van het EESC op dit gebied: in plaats van de Europa 2020-strategie stukje bij beetje te benaderen, is er nu een stuurgroep met overzicht. Dat overzicht bestrijkt alles wat de Europa 2020-strategie betreft, net zo goed als alle daaraan gekoppelde voorstellen. Vertegenwoordigers van de Commissie en andere partijen nemen aan alle vergaderingen van de stuurgroep deel. Ter versterking van de nationale banden nodigt de stuurgroep regelmatig in belangrijke stadia van het Europees semester de nationale SER's en soortgelijke organen uit en organiseert zij samen met nationale organisaties van het maatschappelijk middenveld lokale Europa 2020-evenementen. Deze activiteiten moeten geïntensiveerd en uitgebreid worden.

4.3

De rol die het EESC heeft gespeeld in het bijeen brengen van de nationale SER's en soortgelijke organen, óók buiten het Europees semester en de Europa 2020-strategie om, is ook nuttig gebleken voor onze en hun analyse en begrip van de situatie overal in de EU en voor de onderbouwing van de voorstellen van het EESC en de nationale SER's.

5.   Waarde en benutting van participatieprocessen

5.1

Het staat wel vast dat een verbetering en uitbreiding van de participatieprocessen van de Europa 2020-strategie met het oog op een optimalisering van de impact van het Europees semester niet alleen goed zal zijn voor die strategie zelf, maar uiteindelijk ook voor het welzijn van de burgers.

5.2.

In de EU en de lidstaten wordt vaak gewezen op het nut van participatieprocessen en de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties. De sociale partners en het grote publiek kunnen inderdaad gebruik maken van verschillende voorhanden zijnde processen en systemen. Het zou goed zijn na te gaan waarom dit zo belangrijk is en welke voordelen een goed werkend systeem dat voor meer participatie zorgt, kan hebben. De sociale partners en maatschappelijke organisaties proactief inspraak geven, kan het volgende opleveren:

een grotere "voetafdruk" waardoor informatie over de hele EU kan worden verspreid, en een aanzienlijk sneeuwbaleffect;

meer "ownership" van strategieën waardoor degenen die erbij betrokken worden, het gevoel krijgen dat het hun eigen strategie is;

een systeem van vroegtijdige waarschuwing: maatschappelijke organisaties en de sociale partners staan dicht bij de achterban en kunnen daarom een systeem van vroegtijdige waarschuwing aanleveren waardoor micro-trends kunnen worden aangekaart lang voordat daar iets van wordt gemerkt op nationaal of Europees niveau;

een vermogen om denkbeelden te testen en oplossingen te vinden: het spreekt voor zich dat instanties die dicht bij de realiteit staan, vaak in staat zijn om voorstellen al te testen voordat zij volledig worden toegepast en dat zij vaak erg pragmatische en doeltreffende oplossingen aandragen;

een betere uitvoering van voorstellen: vaak zijn de sociale partners en maatschappelijke organisaties in de praktijk zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van voorstellen.

6.   Specifieke voorstellen ter verbetering van de participatieprocessen van de Europa 2020-strategie

6.1

Als het EESC de participatieprocessen in ogenschouw neemt die tot dusverre in EU-verband en in de lidstaten zijn toegepast, dan is zijn conclusie dat er nog veel werk aan de winkel is. Deze participatieprocessen kunnen worden omgebouwd tot een systeem dat echt uitmondt in een solide samenwerking tussen de EU-instellingen, nationale regeringen, de sociale partners, maatschappelijke organisaties, nationale en regionale parlementen en andere belanghebbenden. Om dit doel te bereiken, zijn tot op grote hoogte doelgerichte en in overleg tot stand gekomen inspanningen en vooral veel tijd nodig. Toch is het EESC ervan overtuigd dat dergelijke systemen moeten worden ingevoerd met behulp van een geleidelijk op te bouwen strategisch en veellagig samenwerkingsproces. Tegelijkertijd zouden nu al eenvoudige maatregelen moeten worden genomen die op de korte termijn verbeteringen opleveren.

6.2

Waar het vooral op aan komt, is dat het EESC bij alle EU-instellingen en lidstaten aandringt op de hernieuwing van hun politieke verbintenis om de sociale partners, maatschappelijke organisaties, nationale parlementen, regionale en lokale overheden en alle andere belanghebbenden regelmatiger en stelselmatiger inspraak te geven. Daarbij moet erop worden toegezien dat een en ander zoveel mogelijk gebeurt in het kader van de solide, houdbare en duurzame participatieprocessen van de Europa 2020-strategie. In het Verdrag van Lissabon staat dat maatschappelijke organisaties moeten worden geraadpleegd over de besluitvorming in EU-verband. Om hun "ownership" van de Europa 2020-strategie en het Europese project en hun inzet daarvoor te vergroten, zouden de lidstaten zich ook aan die stelregel moeten houden, d.w.z. dat ook zij de SER's en aanverwante organisaties zo vaak mogelijk zouden moeten raadplegen.

7.   Het EESC

7.1

Voor de rol die het zelf speelt, is van doorslaggevend belang dat het EESC zich blijft richten op alle onderdelen van de Europa 2020-strategie en dat het zich daarvoor strategisch blijft inzetten. Dan behoudt het EESC zijn vermogen om de mogelijke synergieën te ontwaren die de Europa 2020-strategie en de diverse onderdelen ervan genereren.

7.2

De werkzaamheden van zijn Europa 2020-stuurgroep moeten worden voortgezet en verder ontwikkeld. De focus van de Europa 2020-stuurgroep moet op die strategie en de gevolgen ervan voor de gewone burger blijven liggen. Ook moet de Europa 2020-stuurgroep zich blijven richten op de interne communicatie met leden van het EESC die zelf geen lid zijn van de stuurgroep: op die manier komen de inzichten en bevindingen van de stuurgroep alle leden van het EESC ten goede.

7.3

Het EESC heeft al zeer goede resultaten bereikt met zijn streven om geleidelijk toe te werken naar de coördinatie van de werkzaamheden van de nationale SER's (waar die bestaan) en van de banden die deze onderling aanknopen, maar het kan nog beter. Voor veel van deze organisaties - en hun leden! - is ook nationaal een rol weggelegd in de Europa 2020-strategie. Om de betrokkenheid bij die strategie te vergroten, kan veel voordeel worden verwacht van eenvoudige maatregelen op de korte termijn. Het EESC is ervan overtuigd de aangewezen instantie te zijn om in Europa voor de nationale SER's en aanverwante organisaties als contactpunt te dienen, met vooral als doel om die organisaties te helpen bij hun eigen inspanningen om de Europa 2020-strategie in praktijk te brengen. Het EESC verbindt zich hiertoe en is er klaar voor om dit proces ter versterking van de contacten en de samenwerking te beginnen door zo spoedig mogelijk de nationale SER's bij een evenement te betrekken dat de Europa 2020-strategie als thema heeft.

8.   Snelle actie voor snelle resultaten

8.1

Het EESC staat zonder meer achter het voornemen van het Cypriotische EU-voorzitterschap om zich vooral op de consolidering van de participatieprocessen van de Europa 2020-strategie te richten en de informele EPSCO voor een deel aan dit onderwerp te wijden. Hiermee wordt aan de lidstaten en de Commissie een krachtige aanzet gegeven om grondig te gaan nadenken over de vraag hoe zij wat zij al doen, beter kunnen gaan doen.

8.2

Het EESC vraagt alle lidstaten om te verduidelijken welke overheidsinstanties in hun land verantwoordelijk zijn voor welke maatregelen uit de Europa 2020-strategie en welke betrekkingen de instanties die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie en monitoring van de nationale hervormingsprogramma's met de instanties onderhouden die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering daarvan. Enige duidelijkheid op dit gebied volstaat om ervoor te zorgen dat contact kan worden opgenomen met de juiste organisatie, zodat doeltreffender kan worden gewerkt.

8.3

Volledige transparantie over het soort participatie dat er is in iedere lidstaat en beschrijvingen van de procedures en instrumenten die de lidstaten willen gaan toepassen, zullen voor iedereen duidelijkheid scheppen over wat, waarom en hoe.

8.4

De Commissie en de lidstaten moeten dringend het tijdschema voor de verschillende maatregelen van het Europees semester herzien. Nagenoeg alle belanghebbende partijen wijzen steeds weer op het tijdgebrek in de huidige structuren waardoor weloverwogen reacties of echte discussies onmogelijk zijn. Daarom is het hoog tijd voor de lidstaten om de termijnen die zij momenteel hanteren, nog eens te bekijken en na te gaan hoe deze redelijker kunnen worden gemaakt.

8.5

Het EESC moedigt de regionale en lokale overheden aan om hun betrokkenheid bij de toepassing van de Europa 2020-strategie, niet alleen binnen hun eigen nationale kader maar ook rechtstreeks in EU-verband, te vergroten. Het door het Comité van de Regio's opgerichte monitoringplatform voor de Europa 2020-strategie is een uitstekend middel om die doelstelling te verwezenlijken. Volgens het EESC moet die grotere betrokkenheid de steun krijgen van de nationale overheden. De inzichten die lokale en regionale overheden hebben in alles wat met lokale ontwikkeling en mogelijke toepassingen te maken heeft, maken onlosmakelijk deel uit van wat tot stand moet worden gebracht om ervoor te zorgen dat de mogelijkheden van de Europa 2020-strategie ten volle worden benut.

9.   Een alomvattend participatieproces voor de Europa 2020-strategie voor de lange termijn

9.1

Er worden nu al erg nuttige modellen toegepast waarmee een stevige basis is gelegd voor een voortdurende dialoog. De door de Raad van Europa gelanceerde Gedragscode voor civiele participatie bij besluitvormingsprocessen  (3) biedt een uitstekend kader en een reeks beginselen voor dit werk die kunnen worden toegepast op de Europa 2020-strategie. Door een dergelijke reeks van beginselen te gebruiken, kunnen de EU en de lidstaten langzamerhand gaan toewerken van een vorm van inspraak die voornamelijk neerkomt op het verschaffen van informatie, via open raadpleging en een dialoog die tot stand komt tussen de deelnemers, naar echte samenwerking – de vier hoofdstadia die voor het participatieproces van deze gedragscode moeten worden doorlopen. Het EESC denkt dat het met de participatieprocessen van de Europa 2020-strategie geleidelijk die kant op moet gaan. Verder reikt deze gedragscode enkele erg nuttig instrumenten aan die kunnen worden toegepast op de participatieprocessen van de Europa 2020-strategie.

9.2

Het maatschappelijk middenveld van de lidstaten zou tijdens de hele duur van het Europees semester inspraak moeten worden gegeven. Belangrijk wat de fase betreft waarin programma's worden opgezet, zijn de nationale hervormingsprogramma's. Die programma's zouden in de lidstaten moeten worden uitgewerkt op grond van een brede en op meer samenwerking berustende dialoog met de sociale partners en maatschappelijke organisaties. Immers, die laatste bieden niet alleen vakkennis als het gaat om de vastlegging van doelstellingen en de opzet van programma's en strategieën op gebieden als werkgelegenheid, onderwijs en maatschappelijke integratie, maar zijn ook onontbeerlijk voor de toepassing van die strategieën.

9.3

Een ander belangrijk onderdeel van het Europees semester bestaat in de openbaarmaking en herziening van landenspecifieke aanbevelingen. De sociale partners en maatschappelijke organisaties van Europa moeten over die landenspecifieke aanbevelingen voor iedere lidstaat worden geïnformeerd en geraadpleegd. Daarbij komt het aan op de timing: maatschappelijke organisaties moeten al in een vroeg stadium worden betrokken bij de uitwerking van toekomstige vooruitzichten voor de volgende cycli.

9.4

Het EESC heeft al in eerdere adviezen gepleit voor benchmarking als middel om de vorderingen te meten die met de Europa 2020-strategie worden gemaakt: de nationale SER of aanverwante organisatie maakt zelf een analyse en stelt eigen criteria vast om prioriteiten te stellen, en maakt daarvoor gebruik van statistieken die vrij toegankelijk zijn op de website van Eurostat. Er zijn SER's die hiermee al zijn begonnen en andere zouden daartoe moeten worden aangemoedigd. Door de voorgestane benchmarking kunnen belanghebbende partijen de tenuitvoerlegging van hervormingen steeds op de voet volgen. Daarmee wordt een waardevolle bijdrage geleverd aan de herziening van de nationale hervormingsprogramma's.

9.5

Er moeten stappen worden ondernomen om de discussie in de lidstaten over de toepassing van de Europa 2020-strategie nieuw leven in te blazen. Regeringen zouden procedures moeten ontwikkelen waardoor efficiënter feedback kan worden gegeven over de invloed van een intensievere burger- en sociale dialoog op deze strategie. Voor de follow-up daarvan kan de rol die het maatschappelijk middenveld speelt, van specifieke waarde zijn. Regelmatige conferenties in de lidstaten voor alle relevante belanghebbenden zouden nuttig zijn, net zo goed als open hoorzittingen in de parlementen waarin de nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd.

9.6

Er is strijdigheid tussen het groeiende bewustzijn onder de EU-instellingen van de noodzaak om het maatschappelijk middenveld te raadplegen en de moeilijkheden waarmee de meeste nationale SER's en aanverwante organisaties momenteel worden geconfronteerd. Deze organisaties worden vaak grotendeels gefinancierd door de overheid. In veel lidstaten is het mes in die budgets gezet. Het gevolg is dat nationale SER's en aanverwante organisaties zich alleen nog maar op nationale prioriteiten richten en hun participatie in EU-verband op een laag pitje zetten. De EU-instellingen moeten nagaan hoe zij deze organisaties kunnen steunen en assisteren, op zijn minst voor hun bijdrage aan het Europees semester.

9.7

Gezien het mogelijke specifieke belang van een centraal contactpunt voor de follow-up met nationale SER's en aanverwante organisaties, zou de Commissie moeten overwegen om het EESC minstens één maal per jaar - met steun van de Commissie zelf - een conferentie te laten organiseren waarop alle nationale SER's en aanverwante organisaties kunnen discussiëren over het Europees semester, de Europa 2020-strategie en hun bijdrage en meest geslaagde methoden op dit gebied. Die conferenties zouden zorgvuldig moeten worden gepland om te kunnen worden ingepast in het Europees semester.

10.   Belanghebbende partijen

10.1

De belanghebbende partijen kunnen ook zelf hun inzet voor de Europa 2020-strategie hernieuwen. Alhoewel de eerste verantwoordelijkheid hiervoor bij de lidstaten ligt en de lidstaten zich opnieuw moeten bezinnen op methoden om hun partners hiervoor te winnen, zouden belanghebbende partijen meer van elkaar kunnen leren en met meer vertrouwen rechtstreekse contacten met de EU-instellingen en nationale regeringen kunnen aangaan. In weerwil van de dringende noodzaak voor regeringen om zich opnieuw te bezinnen op de timing van processen, moeten de belanghebbende partijen ook beter vooruitlopen op de stadia van het Europees semester.

11.   Specifieke voorstellen inzake werkgelegenheid, armoede en sociale uitsluiting

11.1

In zijn verzoek aan het EESC onderstreepte het Cypriotische EU-voorzitterschap specifiek de behoefte aan input om het maatschappelijk middenveld beter bij de uitvoering en follow-up van beleid op het gebied van armoede en sociale uitsluiting te betrekken. Deelname van de betrokken partijen aan een gestructureerd en regelmatig overleg op EU- en nationaal niveau maakt de kans op het vinden van effectieve oplossingen aanzienlijk groter.

11.2

De benadering waarbij wordt gestreefd naar betrokkenheid van de belanghebbende partijen en de gestructureerde dialoog met het maatschappelijk middenveld over de ontwikkeling, uitvoering en follow-up van beleid moeten in het kader van het platform tegen armoede en sociale uitsluiting worden uitgebouwd. Wat armoede en sociale uitsluiting betreft zijn het vaak de organisaties van het maatschappelijk middenveld die als eerste trends en maatschappelijke ontwikkelingen gewaar worden en daar de aandacht op vestigen. Hun gerichte streven om het gebruikersperspectief te belichten, hun preventieve activiteiten, maar ook de ontwikkeling en uitvoering van innovatieve diensten voor deze doelgroepen, leveren waardevolle kennis en ervaring op voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Het EESC wijst in dit verband op de strategische rol van de sociale economie en ngo's, die armoede bestrijden, nieuwe banen helpen creëren en diensten ontwikkelen waarmee op creatieve wijze wordt tegemoetgekomen aan de behoeften van de samenleving.

11.3

Wat deze beleidsterreinen betreft moet worden gewezen op de zogenoemde sociale rapporten van de lidstaten (National Social Reports, NSR), die dienst doen als aanvulling op de nationale hervormingsprogramma's en door het Comité voor Sociale Bescherming (Social Protection Committee) worden opgesteld. In deze rapporten, die de open coördinatiemethode als basis hebben, wordt de sociale dimensie van de Europa 2020-strategie beoordeeld. Zij bepalen op basis van de jaarlijkse groeistrategie welke hervormingen urgent zijn en bevatten voorstellen voor concrete maatregelen. Er moet een procedure komen om de betrokken partijen beter bij het NSR-proces te betrekken - dit laat nu nog te wensen over – en om de NSR beter op de nationale hervormingsprogramma's te laten aansluiten. Van groot belang is een versterking van de open coördinatiemethode als het op de sociale bescherming aankomt, met als uitgangspunt geïntegreerde nationale strategieën, om voor een betere aansluiting op het Europese platform tegen armoede te zorgen.

11.4

Het jaarlijkse EU-evenement tegen armoede en sociale uitsluiting moet worden aangevuld met een hoorzitting op nationaal niveau in samenwerking met overheidsinstanties, mensen die onder de armoedegrens leven, ngo's, organisaties van de sociale economie, de sociale partners en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld. Doel is om samen de successen en de tekortkomingen op deze beleidsterreinen te onderzoeken en voorstellen voor hervormingen te doen. Dit moet tegelijkertijd met het opstellen van de nationale hervormingsprogramma's gebeuren.

11.5

Ook moeten alvast een permanent overleg en een consultatie over specifieke vraagstukken worden ingepland, zodat geïnteresseerde partijen van hun belangstelling blijk kunnen geven. In het kader van de op de belanghebbende partijen gerichte benadering moeten ook de sociale effecten van de jaarlijkse groeianalyse en de gemaakte vorderingen worden onderzocht.

11.6

De nationale hervormingsprogramma's en de vaststelling van nationale doelstellingen zijn essentieel voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie en de beleidsstrategieën ter bestrijding van de armoede. Er dient voor gezorgd te worden dat de armoededoelstelling goed wordt omschreven, zodat ook groepen die met een armoederisico en meervoudige sociale uitsluiting te maken hebben, eronder vallen. Op die manier kunnen de strategieën en hervormingen goed op deze groepen worden afgestemd. De inbreng van en de samenwerking met organisaties van het maatschappelijk middenveld is hierbij van cruciaal belang: zij zien vaak in een vroeg stadium wie de nieuwe risicogroepen zijn of aan welke groeiende risico's sociaal uitgesloten groepen zijn blootgesteld.

Brussel, 12 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Zie ook de Conclusies van de Voorjaarstoppen in 2011 en 2012.

(2)  "Hoe doeltreffend en legitiem is het Europees semester?" – een grotere rol voor het Europees Parlement, 2011.

(3)  http://www.coe.int/t/ngo/code_good_prac_en.asp


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/6


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema „Welke veranderingen brengt de nieuwe financiële regelgeving met zich mee voor de banksector in Europa?” (initiatiefadvies)

2012/C 299/02

Rapporteur: mevrouw NIETYKSZA

Corapporteur: de heer GENDRE

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 juli 2011 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het thema

Welke veranderingen brengt de nieuwe financiële regelgeving met zich mee voor de banksector in Europa?

De adviescommissie Industriële Reconversie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 12 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 135 stemmen vóór en 2 tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De belangrijkste taak van de banksector, die gemiddeld 5 % van het bbp van de EU vertegenwoordigt, moet bestaan uit het financieren van de reële economie - met name van innovatieve ondernemingen - en van de groei van kleine en middelgrote ondernemingen - die de motor zijn van de Europese economie - alsook uit het veiligstellen van spaartegoeden.

1.2

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de inspanningen van de Europese Commissie en de lidstaten om de banksector te versterken en nieuwe financiële crises te voorkomen door risico's te verminderen en de gevolgen van tegenspoed te verzachten.

1.3

Het EESC vindt dat er lering moet worden getrokken uit de recente financieel-economische crises en er een nieuwe aanpak moet worden gehanteerd met het oog op doeltreffender toezicht door de nationale, Europese en internationale autoriteiten en meer verantwoordelijkheidszin bij de financiële instellingen.

1.4

Het EESC steunt de maatregelen die erop gericht zijn de kapitaalstructuur van banken en hun vermogen om de economie te financieren, te versterken. Het waarschuwt het management van banken tegen winstbejag op zeer korte termijn en speculatieactiviteiten die de markten destabiliseren.

De verantwoordelijkheden van het management van banken en de nationale, Europese en interne bancaire toezichthouders moeten helder en beter worden gedefinieerd om ethisch verantwoord gedrag dat op transparante regels berust te bevorderen.

1.5

Het EESC vestigt de aandacht op de problemen die een opeenstapeling van regulerende maatregelen met zich meebrengt en op de uitdagingen waaraan de 8 000 Europese banken het hoofd moeten bieden om de economie te kunnen financieren in de huidige moeilijke economische tijden in Europa ten gevolge van de schuldencrisis, waarvan de omvang en gevolgen nog niet onder controle zijn.

1.6

De Europese banken worden geconfronteerd met een steeds grotere concurrentie van banken uit derde landen die in hun land van oorsprong niet zijn onderworpen aan dezelfde wet- en regelgeving.

1.7

In de maatregelen die erop gericht zijn de kapitaalstructuur te versterken, wordt voorzien in meer kapitaal en kapitaal van betere kwaliteit, een betere risicodekking, de invoering van een hefboomratio en een nieuwe benadering van liquiditeit. Deze maatregelen kunnen een impact hebben op de balans van banken en kunnen hun rentabiliteit gevoelig doen dalen.

1.8

Banken zullen daardoor geneigd zijn om hun omvang te verkleinen teneinde degelijker te worden, om zich te richten op de meest winstgevende activiteiten en om hun aanbod van financiële diensten te beperken teneinde hun risicoblootstelling beter te beheersen.

Volgens sommigen moeten banken zich weer gaan beperken tot het oorspronkelijke bankiersberoep: het aannemen van deposito's van klanten, het beschermen van spaarders en het financieren van de reële economie.

1.9

Het EESC vindt het wenselijk om de commerciële activiteiten en de financierings- en investeringsactiviteiten van banken geleidelijk weer van elkaar te scheiden. De huidige wereldwijde crisis laat zien dat een geglobaliseerd financieel systeem van onbeperkte vrijheid het risico loopt te ontsporen doordat de markten deze vrijheid verkeerd gebruiken:

Door hun extreme omvang zijn financiële multinationals zo moeilijk te besturen, is het voor toezichthouders dermate lastig ze te controleren en voor ratingbureaus zo moeilijk om ze te beoordelen dat een en ander ongeloofwaardig dreigt te worden.

Financiële instrumenten zijn niet meer te controleren. Het EESC is in beginsel niet tegen financiële innovatie, maar het is onacceptabel dat een financieel product vrij en op volkomen ondoorzichtige wijze op de wereldmarkt kan worden verhandeld terwijl niemand weet wat de risico's zijn en wie de eindverantwoordelijkheid draagt.

1.10

De nieuwe verplichtingen op het vlak van kapitaal, in het bijzonder de verhoging tot 9 % van de ratio van kapitaal van bijzonder hoge kwaliteit m.i.v. 30 juni 2012 voor 60 systeembanken en tussen 2015 en eind 2018 voor de overige banken, zouden rampzalige gevolgen kunnen hebben voor plaatselijke en coöperatieve banken. Juist deze banken stellen zich inschikkelijker op tegenover het mkb en micro-ondernemingen. Kapitaalvereisten zouden specifieke groepen banken niet mogen discrimineren.

1.11

Als banken moeilijkheden ondervinden om kapitaal vrij te maken, zal het voor het mkb lastiger worden om de noodzakelijke financiering te krijgen. Voorkomen moet worden dat de voorwaarden voor kredietverstrekking worden aangescherpt en de bankkosten stijgen. Het EESC roept de Commissie, de Europese Bankautoriteit (EBA) en de nationale toezichthouders op de kapitaalbuffers voor kleinere banken af te stemmen op de bedrijfsmodellen van die banken.

1.12

De prudentiële eisen hebben al tot gevolg dat minder krediet wordt verstrekt en dat krediet duurder wordt voor kleine ondernemingen, met name voor nieuwe, innovatieve en risicovolle ondernemingen. Europa zal de doelstellingen van de 2020-strategie, de Digitale Agenda, Europe Cloud Active, het Stappenplan Energie 2050 en de Small Business Act niet kunnen realiseren als het mkb onder invloed van nieuwe prudentiële maatregelen minder financiering kan krijgen.

Het EESC roept de Commissie op om de ontwikkelingen t.a.v. kredietverstrekking en bankkosten voor ondernemingen en particulieren op de voet te volgen.

1.13

De maatregelen die erop gericht zijn het toezicht op de markten door de nationale, Europese en internationale autoriteiten doeltreffender te maken, zullen verstrekkende gevolgen hebben voor de organisatie van de banken en interne controles. Het management zal meer verantwoordelijkheid krijgen, de rentabiliteit van het kapitaal zal nauwlettender in de gaten moeten worden gehouden en de risico's zullen beter moeten worden beheerd. De banken zullen hun verkoopprognoses en hun strategieën voor de ontwikkeling van producten en bankportefeuilles verder moeten uitwerken, rekening houdende met de rentabiliteit daarvan en met de absorptiecapaciteit van hun kapitaal. Dat zal leiden tot herstructureringen, waarbij de afdelingen voor IT, controlling en risicobeheer belangrijker zullen worden - ook in termen van werkgelegenheid - ten nadele van andere, meer traditionele diensten.

1.14

De banken in de EU hebben meer dan 3 miljoen werknemers in dienst, waarvan de overgrote meerderheid in kleine banken werkt. Sinds begin 2011 zijn er meer dan 150 000 arbeidsplaatsen verdwenen en vele bankkantoren gesloten. Voor 2012 wijzen veel prognoses op het verdwijnen van nog eens 100 000 banen. Het EESC verzoekt de Commissie om zich in te spannen voor verbetering van de sectorale sociale dialoog en om te voorzien in overleg met de sociale partners over initiatieven die gevolgen hebben voor de ontwikkeling van het bankiersberoep.

1.15

Het EESC wenst dat er bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe regelgeving rekening wordt gehouden met de diversiteit van de lidstaten en in het bijzonder met de nieuwe EU-lidstaten, waar de kredietmarkten hun potentieel nog niet volledig benutten en de meeste banken in handen zijn van grote Europese en mondiale bankconcerns. Om hun balans te verbeteren en aan de nieuwe verplichtingen te voldoen, zouden deze concerns geneigd kunnen zijn om middelen over te hevelen vanuit hun filialen en om minder te investeren, wat de financiering van de economie in de desbetreffende landen aanzienlijk zou beperken. Het EESC wijst in dit verband op de uit het initiatief van Wenen voortvloeiende afspraken om de liquiditeit niet te verkrappen. Het is noodzakelijk om bepaalde originele modellen, zoals de coöperatieve banken in Duitsland en in Polen, te beschermen. Alleen al in Polen maken meer dan 300 banken deel uit van deze sector, waarin de grondige hervorming die de nieuwe regels inhouden niet doorgevoerd zal kunnen worden zonder een overgangsperiode.

1.16

De harmonisering moet gepaard gaan met een versterking van de bevoegdheden van de EBA. Het EESC herinnert eraan dat het vrij verkeer van kapitaal op Europees niveau verzekerd is, terwijl de bescherming van deposito's en de solvabiliteit van de banken onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen. De kredietmarkt verschilt van lidstaat tot lidstaat. In landen waar de kredietverstrekking onvoldoende ontwikkeld is, kan het te snel inlopen van de achterstand t.a.v. schulden een speculatieve zeepbel doen ontstaan. Als de prudentiële regels op uniforme wijze op Europees niveau worden toegepast, zullen de nationale autoriteiten niet tijdig kunnen ingrijpen. Aandacht moet evenwel worden geschonken aan het voorstel van een aantal Europese bestuurders om een Europese bankunie op te richten om op dat niveau toezicht op systeembanken uit te oefenen en depositogaranties in te voeren voor het geval van faillissementen.

1.17

Op mondiaal niveau lopen de Europese banken het risico steeds minder concurrentiekrachtig te worden ten opzichte van hun concurrenten. Banken die aanvullend kapitaal zoeken, zullen dat vooral vinden bij staatsfondsen en banken in Azië en het Midden-Oosten. Er is een reëel gevaar dat de EU-lidstaten de controle over het Europese banksysteem zullen verliezen. Daarom verzoekt het EESC de Europese autoriteiten om hun inspanningen te intensiveren teneinde dezelfde prudentiële regels op internationaal niveau te doen gelden en zo echte mondiale regelgeving tot stand te brengen.

1.18

Nieuwe informatietechnologieën - e-banking, homebanking, beveiligde virtuele transacties (elektronische handtekening) en cloud-computing - brengen revolutionaire veranderingen met zich mee voor de traditionele bancaire dienstverlening. Banken zullen de zware taak krijgen om de reële economie te financieren en tegelijkertijd het hoofd te bieden aan hogere financieringskosten door de invoering van nieuwe technologieën en aan een lagere rentabiliteit. Het EESC is van mening dat alle actoren in de banksector begeleid en ondersteund moeten worden tijdens deze grote veranderingen.

2.   Inleiding

2.1

De financiële crisis en de gevolgen daarvan voor de economie hebben regeringen en financiële autoriteiten gedwongen om na te denken over de onderliggende oorzaken van de instorting van een financieel systeem waarvan men dacht dat het permanent was en goed gereglementeerd en doeltreffend gecontroleerd werd.

2.2

De eerste maatregelen werden inderhaast genomen en waren financieel en monetair van aard (aanzienlijke verlaging van de basisrente, liquiditeit, staatssteun). De maatregelen voor de langere termijn hadden tot doel de marktstructuur te versterken en toekomstige systeemcrises te vermijden: hierbij ging het dan ook vooral om regelgevings-, voorzorgs- of fiscale maatregelen. De supranationale organisaties - IMF, G-20, BIB, de Commissie - hebben zich bereid verklaard om samen te werken, maar hun standpunten lopen uiteen.

2.3

Sinds de crisis van 2008 heeft de EU meer dan 50 wetgevingsmaatregelen genomen. 99 % van de hervormingen zal eind 2011 uitgevoerd zijn, zodat ze van kracht kunnen worden in 2013, met uitzondering van de ratio voor het kernkapitaal, "Tier One" (T1), die m.i.v. 30 juni 2012 in de praktijk moet worden gebracht door de 60 instellingen die worden beschouwd als systeembanken. De overige banken zouden deze ratio tussen 2015 en 2018 moeten gaan toepassen.

2.4

Volgens het derde akkoord van Bazel, dat in november 2010 gepubliceerd werd, moeten banken meer kapitaal van betere kwaliteit bezitten om het hoofd te kunnen bieden aan toekomstige crises. Dit akkoord voorziet in het bijzonder in:

de eis dat banken over een uit gewone aandelen bestaand kapitaal van 4,5 % en een T1-kapitaal van 6 % van de naar risico gewogen activa beschikken;

een verplichte kapitaalinstandhoudingsbuffer van 2,5 %;

een discretionaire anticyclische buffer, waarmee nationale regelgevende instanties kunnen eisen dat er in perioden van hoge kredietgroei nog eens 2,5 % kapitaal wordt aangehouden.

Verder behelst Bazel III de invoering van een minimale hefboomratio van 3 % en van twee ratio's voor liquiditeitsvereisten: de liquiditeitsdekkingsratio, die vereist dat een bank voldoende liquide activa van hoge kwaliteit aanhoudt om de totale netto-uitstroom van middelen gedurende 30 dagen te kunnen opvangen; de netto stabiele financieringsratio, die vereist dat banken over een hoeveelheid stabiel kapitaal beschikken die groter is dan de hoeveelheid die nodig is om een 1 jaar durende periode van aanhoudende stress te kunnen opvangen.

2.4.1

De Commissie heeft in juli 2011 voorstellen ingediend om Bazel III om te zetten in een vierde Richtlijn Kapitaalvereisten (RKV IV), teneinde de Europese banksector te versterken en de banken er tegelijkertijd toe aan te zetten de groei van de economie te blijven financieren. De Commissie heeft echter geen enkel concreet initiatief genomen om kredietverstrekking te stimuleren.

2.5

De bedoeling is de banken aan te sporen meer kapitaal in handen te houden om bestand te zijn tegen crises, en de toezichthouders een nieuw instrument te geven om de banken te controleren en op te treden als risico's worden waargenomen.

2.6

RKV IV dekt de domeinen af die onder de huidige richtlijn voor kapitaaleisen vallen, maar moet worden omgezet op een manier die telkens is aangepast aan de situatie in iedere lidstaat.

2.7

Ondanks de vertragingen en de gebreken van de goedgekeurde regels, zijn er wel degelijk stappen gezet op weg naar een nieuwe regelgeving, maar er blijft nog een aantal vragen:

Dekken de nieuwe regels alle financiële praktijken op wereldvlak af?

Zal er, zodra de regulering van de markten is vastgelegd, op kunnen worden vertrouwd dat er doeltreffende controles zullen zijn?

Gaan de nieuwe regels de situatie in de Europese banksector (structuren, consolidatie, distributiewijzen, personeel), die uit meer dan 8 000 banken bestaat, en de houding van die sector tegenover de financiering van de economie (kredietverstrekking aan ondernemingen, instellingen en particulieren) beïnvloeden en veranderen?

3.   Een aangetaste financiële en economische conjunctuur

3.1

De Europese banken moeten momenteel het hoofd bieden aan bruuske veranderingen in regelgeving en conjunctuur, die tot bezorgdheid strekken ten aanzien van hun capaciteit om hun rol te blijven vervullen als financiers van de economie in een economische situatie die aangetast is door de schuldencrisis, die in het bijzonder de eurozone zwaar treft.

3.2

Nu de bepalingen van het Bazelcomité (Bazel III) worden geïmplementeerd, zijn de banken verplicht om hun kapitaal te versterken, een bijzonder hoge netto stabiele financieringsratio (NSFR) toe te passen en prudentieel kapitaal te creëren.

3.3

De stresstests waaraan ze in twee fasen werden onderworpen hebben de twijfels over de impact van wanbetaling door een of meerdere lidstaten van de eurozone niet kunnen wegnemen.

3.4

Er is wantrouwen ontstaan bij de internationale financiële gemeenschap, wat liquiditeitsproblemen veroorzaakt op de interbancaire markt en banken ertoe aanzet zich te richten op de veiligste beleggingen.

3.5

In deze context heeft de Europese Centrale Bank (ECB) tweemaal ingegrepen en in totaal een financieringscapaciteit van 1 000 miljard euro ter beschikking gesteld van de banksector, tegen een rente van 1 % en met een looptijd van 3 jaar. Dit optreden is essentieel geweest om het vertrouwen op de interbancaire markt te herstellen en de voor de economie beschikbare hoeveelheid krediet op peil te houden. Een deel van de verstrekte financiering is echter weer teruggestort aan de ECB en met een ander gedeelte zijn overheidsschulden opgekocht. Het EESC vindt dat de ECB een mechanisme moet creëren om te achterhalen waarvoor dit soort middelen worden gebruikt.

3.6

Er bestaat een steeds dringendere behoefte aan een nieuwe kapitaalinjectie voor de banken. Daarvoor is volgens de EBA meer dan 100 miljard euro nodig.

3.7

Voor de kredietverstrekking aan instellingen, particulieren en ondernemingen, in het bijzonder aan het mkb, gelden steeds strengere eisen. De risico's van dit soort kredietverlening worden tegenwoordig ook nauwgezet geanalyseerd door de banken, waardoor de kosten van zulke financiering stijgen. Tegelijkertijd wordt het voor ondernemingen nog moeilijker om financiering te vinden op de financiële markten, wat een alternatief zou kunnen zijn voor leningen bij banken. Deze situatie, in combinatie met een beleid van bezuinigingen, leidt ertoe dat er voor de hele EU, op enkele zeldzame uitzonderingen na, nauwelijks of geen groei wordt voorspeld voor 2012.

4.   Controles en regulering van de banksector

4.1

In dit verband is het noodzakelijk de "subprime"-crisis weer in herinnering te roepen: de voortekenen van deze crisis hadden de toezichthouders moeten alarmeren. Niemand twijfelde aan de rentabiliteit van een belegging die zowel de banken als hun klanten winst zou opleveren. In 2002 waarschuwde de FDIC echter al tegen deze producten. Tussen 2002 en 2006 werden er desondanks geen maatregelen getroffen door de Federal Reserve.

4.2

Het faillissement van de bank Lehman Brothers had vermeden kunnen worden als de toezichthouders de ernstige liquiditeitsproblemen van deze bank tijdig hadden opgemerkt. Het gevaar van een hypothecair krediet dat is toegekend voor 100 % van de garantiewaarde en door financiële bemiddelaars in "pakketten" wordt herverkocht, werd tijdens het toezicht over het hoofd gezien. Om nieuwe crises te vermijden, moeten er maatregelen worden getroffen om het management van financiële instellingen persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor gebrek aan afdoende toezicht.

4.3

De crisis is misschien inderdaad veroorzaakt door te ingewikkelde producten, de zogenaamde "toxische" producten, maar het is eveneens gebleken dat de toezichthouders op basis van de bestaande regels hadden kunnen voorkomen dat dergelijke producten gecreëerd en zelfs in omloop gebracht werden.

De nieuwe regels zullen niet met zekerheid kunnen garanderen dat een nieuwe crisis vermeden zal worden als de toezichthouders niet voldoende middelen krijgen om hun taak uit te oefenen en als interne controles inefficiënt blijven.

4.4

In het licht van de liberalisering van de financiële markten moeten regeringen hun verbintenissen tot samenwerking op internationaal niveau nakomen om verschillende regelgeving in verschillende gebieden te vermijden.

4.5

Nieuwe regelgeving zou op de volgende beginselen moeten berusten:

a)

het beroep van bankier kan vrij toegankelijk zijn, maar het toezicht op het personeel in de banksector en op de herkomst van kapitaal moet veel strikter en doeltreffender worden;

b)

werknemers die belast zijn met financiële transacties moeten worden gecertificeerd en onderworpen zijn aan regels en controles; parabancaire activiteiten en "schaduwbankieren" moeten verboden worden;

c)

nieuwe financiële producten moeten onderworpen zijn aan goedkeuring en controle door de nationale en Europese bankautoriteiten.

4.6

De activiteiten van de toezichthoudende instellingen moeten regelmatig worden beoordeeld door een onafhankelijk orgaan bestaande uit deskundigen die in de financiële sector beroepsmatig geen verantwoordelijkheden meer hebben. Bij deze beoordeling moet de nadruk met name liggen op de gevolgen van de besluiten van de toezichthouders voor het beheer van banken.

5.   Met welke veranderingen heeft de banksector in Europa te maken?

5.1

De banken staan momenteel sterk onder druk omdat ze hun bedrijfsmodel moeten herzien naar aanleiding van de nieuwe regelgeving. De gecombineerde effecten van de regels en een moeilijke financiële en economische conjunctuur hebben geleid tot:

Een versterking van de kapitaalstructuur van alle financiële instellingen, waarvan de meeste reeds voldoen aan de Tier-I-ratio; zij zullen waarschijnlijk de omvang van hun balans verkleinen om degelijker te worden (voetnoot: studie van KPMG, december 2011, "Evolving Banking Regulations, A long journey ahead – the outlook for 2012").

Een toenemende behoefte aan kapitaal en de behoefte om over liquiditeitsoverschotten te beschikken, die in sommige gevallen vier keer meer bedragen dan de minimumliquiditeitsbehoefte van banken. Een en ander onder invloed van de regels van Bazel III en de verplichting om te voldoen aan de NSFR (meer dan één maand) en de liquiditeitsdekkingsratio (minder dan één maand). Deze maatregelen zullen negatieve gevolgen hebben voor de financiële resultaten en leiden tot bankbalansen van kleinere omvang.

Moeilijkheden om de kredietverlening te ontwikkelen in periodes van economische groei vanwege de "anticyclische buffer". Ondanks de hoge vraag naar krediet zullen banken het hoofd moeten bieden aan de aanscherping van de eisen voor kapitaaltoereikendheid. De toezichthouders eisen dat deze buffer wordt gehandhaafd, die mag onder invloed van kredietportefeuilles niet afnemen. De liquiditeitsbuffer die door de nationale toezichtorganen wordt vastgesteld, kan wel 2,5 % van het kapitaal bedragen.

5.2

Dat alles heeft de volgende gevolgen:

5.2.1

Een aanzienlijke daling van de gemiddelde opbrengst (ROE) van de banksector, met 10 % tot 30 % in de meest extreme gevallen; daardoor verliezen beleggers interesse in deze sector en neemt de kapitalisatie van Europese banken af.

5.2.2

Een beperking van de kredietverlening aan ondernemingen en instellingen en duurdere leningen, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen, die vaak beschouwd worden als risicovolle ondernemingen, aangezien zij onvoldoende waarborgen of medefinanciering kunnen voorleggen.

5.2.3

Een mogelijke beperking van de verstrekking van langlopende kredieten, ten gevolge van de invoering m.i.v. 2018 van de NSFR en de hefboomratio. Deze situatie kan negatieve gevolgen hebben voor de financiering van infrastructuurinvesteringen.

5.2.4

De verplichting om de rentabiliteit van kapitaal beter te evalueren en risico's beter te beheren. De banken moeten hun verkoopprognoses en hun strategieën voor het ontwikkelen van producten en bankportefeuilles verder uitwerken, rekening houdende met de rentabiliteit daarvan en met de absorptiecapaciteit van hun kapitaal.

5.2.5

Het risico dat banken bijzonder hoge kosten moeten betalen voor audits en verslaglegging, teneinde te voldoen aan de nieuwe regelgeving en de eisen van de nationale en internationale toezichthouders. Dit zal een impact hebben op de organisatie van banken en zal structurele veranderingen met zich meebrengen.

5.2.6

Er zal minder krediet worden verstrekt in de sectoren met een geprivilegieerde wegingsfactor. Bovendien kan de invoering van een hefboomratio op lange termijn leiden tot een beperking van de kredietverlening aan staten, decentrale overheden en andere lichamen die profiteren van geprivilegieerde wegingsfactoren.

5.2.7

Een mogelijke overheveling van een gedeelte van de activiteiten naar instellingen waarvoor de regels niet gelden, doordat krediet duurder wordt. Dit bevordert de ontwikkeling van parabancaire instellingen, die particulieren tegen zeer hoge rentes en vaak in contanten leningen verstrekken. De activiteiten van dergelijke instellingen zijn niet aan zulk strikt toezicht onderworpen als die van banken.

5.3

De nieuwe regels worden zonder onderscheid toegepast op grote en kleine bankinstellingen. Ze zijn mogelijk niet geschikt voor bepaalde landen, zoals de nieuwe Midden- en Oost-Europese lidstaten, die een sterke groei kennen.

In deze landen kunnen de nieuwe regels investeringen afremmen. De banken in die landen zijn vaak in handen van multinationals en de nationale aandeelhouders zijn er in de minderheid. De moedermaatschappijen kunnen een aanzienlijk deel van het kapitaal van hun dochtermaatschappijen weer terugvoeren naar eigen land, teneinde te voldoen aan de regelgeving op mondiaal niveau. De dochtermaatschappijen zullen daardoor flink worden verzwakt en zullen bijgevolg hun bijdrage tot de financiering van de plaatselijke economie beperken. Het EESC herinnert eraan dat het vrij verkeer van kapitaal op Europees niveau verzekerd is, terwijl de bescherming van deposito's en de solvabiliteit van de banken onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen.

5.4

De kredietmarkt verschilt van lidstaat tot lidstaat. In landen waar de kredietverstrekking onvoldoende ontwikkeld is, kan het te snel inlopen van de achterstand t.a.v. schulden een speculatieve zeepbel doen ontstaan. Als de prudentiële regels op Europees niveau worden toegepast, zullen de nationale autoriteiten niet snel genoeg kunnen ingrijpen. De harmonisering moet gepaard gaan met een versterking van de bevoegdheden van de EBA.

5.5

Het is noodzakelijk om rekening te houden met bepaalde originele modellen, zoals coöperatieve banken, die gezond en zelfstandig functioneren. De hervorming die de nieuwe regels inhouden zal niet doorgevoerd kunnen worden zonder een overgangsperiode. Coöperatieve banken zijn onmisbaar voor de plaatselijke ontwikkeling aangezien zij handelen in het belang van hun leden, die ook hun spaarders en kredietnemers zijn: het mkb, landbouwers, gemeentes en tal van andere plaatselijke actoren.

5.6

De grote banken zullen op zoek gaan naar beleggingen met een beperkt risico die meer winst opleveren; daarbij komen de vrees voor een grotere belastingdruk en de verliezen op sommige uitzettingen in staatsschulden.

5.7

De consolidering zal waarschijnlijk steeds sneller gaan: spaarbanken en coöperatieve banken kunnen rekenen op "autonome" financieringsbronnen, maar de banken die voor herfinanciering een beroep doen op de markt, zullen worden gedwongen te fuseren met negatieve gevolgen voor het mkb en de consument. Sommige banken zijn opgekocht en herverkocht na de ontmanteling van hun plaatselijke of regionale netwerk. In de coöperatieve en mutualistische sector en in de sector van de spaarbanken is sprake geweest van een sterke nationale bancaire concentratie.

5.8

Een lagere rentabiliteit van de banken, onder meer ten gevolge van hogere financieringskosten, en de bijzonder beperkende beginselen die aan de basis liggen van het liquiditeitsbeheer, kunnen leiden tot een stijging van de bankkosten en van de rente op termijnbeleggingen en particuliere rekeningen van klanten.

5.9

In het licht van de nieuwe regelgeving zetten banken vaart achter herstructureringen en de toepassing van nieuwe technologieën (onlinebanking, virtueel loket, gebruik van smartphones).

De combinatie van het gebruik van nieuwe technologieën en de diversificatie van de aangeboden producten zorgt ervoor dat de netwerken van bankkantoren sneller worden hervormd en het aantal loketten waar geen transacties met contant geld worden uitgevoerd, groeit. Bankkantoren veranderen steeds meer in plekken waar alleen advies wordt verstrekt en financiële producten worden verkocht. De nieuwe manieren om geld over te schrijven en betalingen te verrichten, vereisen echter een goede beveiliging tegen cyberaanvallen, die een bedreiging vormen voor transacties die via internet of de mobiele telefoon worden uitgevoerd.

5.10

De verandering van de opzet van de distributiekanalen zal op termijn leiden tot een afname van het aantal bankkantoren en arbeidsplaatsen. De toepassing van RKV IV zal binnen de banken meer banen doen ontstaan in de afdelingen voor IT en risicobeheer, ten nadele van andere bankactiviteiten. Er moet een kwaliteitsvolle sociale dialoog op gang gebracht worden op alle niveaus over werkgelegenheids- en opleidingsvraagstukken, om zo goed mogelijk te kunnen inspelen op de huidige ontwikkelingen.

6.   Toekomstige ontwikkelingen

6.1

Het Europees Parlement heeft ingestemd met het beginsel van een belasting op financiële transacties en de Commissie bestudeert de toepassing daarvan; er bestaat geen overeenstemming onder de lidstaten en de Amerikaanse overheid staat hier negatief tegenover. De beperkte hoogte van de voorgenomen belasting zou geen buitensporige last betekenen voor de banken en ook geen handicap vormen voor de mondiale concurrentiepositie. Zoals het EESC al in twee eerdere adviezen (1) heeft benadrukt, is het doel van deze belasting tweeledig: nieuwe belastinginkomsten genereren, met name om de ontwikkelingshulp te financieren, en verandering brengen in het gedrag van banken om de financiering van de economie op middellange en lange termijn te bevorderen i.p.v. speculatieve transacties op bijzonder korte termijn.

6.2

De scheiding van de retailactiviteiten en de financierings- en investeringsactiviteiten van banken is het onderwerp van een studie die wordt uitgevoerd op initiatief van commissaris Barnier. Daarmee wordt het model van de universele bank op de helling geplaatst. De discussie gaat over een volledige scheiding, een afscheiding van de activiteiten van investeringsbanken of een verbod voor banken om voor eigen rekening te investeren. Sommige deskundigen zijn hiertegen en wijzen erop dat universele banken de diepte en liquiditeit van de markten waarborgen en beter in staat zijn de economie te financieren.

6.3

Het ontwikkelingsscenario van de financiële sector en het bankwezen is de afgelopen dertig jaar veranderd: de openstelling van de markten heeft geleid tot de mondialisering van de financiële sector, wat op zijn beurt heeft bijgedragen tot de ontwikkeling en toename van belasting- en regelgevingsparadijzen. De toenemende wereldwijde concurrentie heeft het ontstaan van nieuwe financiële instellingen, nieuwe producten en nieuwe diensten bevorderd.

6.4

De grote bankconcerns hebben de zwakheden en de beperkingen van een groei waarbij goed bestuur niet meer mogelijk is, aangetoond. Ze zullen geneigd zijn om hun omvang te verkleinen teneinde degelijker te worden, waarbij ze minder extreme en beter voorspelbare winstschommelingen zullen kennen en geen extravagante bonussen zullen uitkeren. Ze zullen hun activiteiten gaan terugvoeren tot de kern - het aannemen van deposito's en het verstrekken van krediet - waarbij ze hun andere dienstverlening en internationale expansie zullen beperken en zich zullen richten op de markten met de sterkste groei, waardoor hun rentabiliteit zal dalen.

6.5

Dankzij de nieuwe regelgeving zal het management van banken meer verantwoordelijkheid gaan dragen voor de toekenning van premies en beloningspraktijken en aan strenger toezicht worden onderworpen.

6.6

Een bancair toezicht dat geldt voor alle soorten financiële ondernemingen zal het mogelijk maken om de activiteiten van parabancaire instellingen (zoals schaduwbankieren) te controleren.

6.7

Het is noodzakelijk om regels uit te werken die de toegang tot het beroep van bankier beperken om personeel te kunnen selecteren van wie de vaardigheden klanten en beleggers geruststellen.

6.8

Wanneer de staatssteun en internationale steun naar aanleiding van de financiële crises ophoudt, zal de sector zich ongetwijfeld parallel met de conjunctuur en de komst van nieuwe technologieën gaan ontwikkelen, maar vooral ook op basis van strategieën die kenmerkend zijn voor alle goed bestuurde ondernemingen. De banken zullen de zware taak krijgen om hun geloofwaardigheid als financiers van de reële economie te behouden en tegelijkertijd het hoofd te bieden aan hogere financieringskosten en een lagere rentabiliteit.

Brussel, 12 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Adviezen van het EESC van 29 maart 2012 over het "Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijk stelsel van belasting op financiële transacties en tot wijziging van Richtlijn 2008/7/EG" (PB C 181 van 21.06.2012 blz. 55) en van 15 juli 2010 over "Belasting op financiële transacties" (initiatiefadvies) (PB C 44 van 11.02.2011 blz. 81).


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/12


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Europese technologieplatforms (ETP's) en industriële verandering (initiatiefadvies)

2012/C 299/03

Rapporteur: de heer ZBOŘIL

Corapporteur: de heer GIBELLIERI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 januari 2012 besloten om overeenkomstig art. 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Europese technologieplatforms (ETP's) en industriële verandering

(initiatiefadvies).

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 138 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC is zich ervan bewust dat het een noodzakelijke maar geenszins gemakkelijke opgave is om op basis van een aantal factoren die dit proces beïnvloeden, voorspellingen te doen over industriële reconversie. Eén van de belangrijkste hefbomen voor reconversie is onderzoek & innovatie. De Europese Technologieplatforms (ETP's) zijn hiervoor de belangrijkste indicatoren.

1.2   Het EESC dringt erop aan dat de Commissie de activiteiten van de bestaande ETP's verder ondersteunt en hun onderlinge samenwerking alsook die met de betrokken Europese instellingen verbetert.

1.3   De bij de ETP's betrokken sectoren spelen een belangrijke rol in de waardeketen: veel innovaties vinden hun oorsprong in functionele processen (industriële productie, verwerking, bosbouw, robotica) en materialen (chemicaliën, staal e.d.). Met andere woorden, vernieuwingen op het gebied van productieprocessen of materialen jagen de Europese innovatie aan.

1.4   Het EESC erkent dat er in de ETP's ook nu al aandacht is voor maatschappelijke vraagstukken. Vanuit het oogpunt van groei en banen met een toegevoegde waarde is de maatschappelijke invloed van hun activiteiten aanzienlijk. Zij zoeken naar oplossingen voor cruciale beleidsvraagstukken (bijv. op het gebied van bio-economie, grondstoffen en een efficiënt gebruik van hulpbronnen).

1.5   ETP's zijn een duidelijk en concreet voorbeeld van een bottom up-benadering in het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid, waarbij het bedrijfsleven en andere belangrijke actoren in alle innovatiestadia participeren. Horizon 2020 heeft behoefte aan een dergelijke benadering.

1.6   Voor een effectievere werking van de ETP's dringt het EESC erop aan dat er serieuzer werk wordt gemaakt van de vereenvoudigingen in de regelgeving die de Commissie wil doorvoeren (o.a. voor de deelname aan EU-projecten), dat er meer inspanningen worden gedaan om versnippering van en concurrentie tussen institutionele initiatieven te verminderen, dat beleidsmaatregelen beter op elkaar worden afgestemd en dat de ETP's op institutioneel niveau meer zichtbaar worden.

1.6.1   Het EESC is van mening dat de ETP's een cruciale rol spelen bij het stimuleren van het Europese industriebeleid. Ze worden gesteund door het bedrijfsleven – één van de basispijlers van de EU-economie – die hier ook aanzienlijk in investeert. De industrie is ook de motor achter de ETP's, zodat de relevantie van hun initiatieven voor de particuliere sector verzekerd is. Bijdragen van de ETP's richten zich niet alleen op technologie- en onderzoeksbehoeften, maar ook op technologieoverdracht.

1.6.2   Om aandacht te vragen voor sociale en maatschappelijke vraagstukken en de impact van de strategische onderzoeksagenda's te versterken pleit het EESC ervoor om – in navolging van o.a. het Europees Platform voor staaltechnologie (ESTEP) en het Spaans Platform voor staaltechnologie (PLATEA) – de vakbonden en andere belanghebbende partijen op permanente basis te betrekken bij de Europese, nationale en regionale technologieplatforms.

1.6.3   Problemen met de participatie van het mkb zouden moeten worden opgelost door een permanente benchmarking van de meest succesvolle voorbeelden, zoals wordt gedaan door de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof.

1.7   De nationale en regionale platforms weerspiegelen de structuur van de ETP's op lidstaatniveau. Coördinatie en harmonisatie van de Europese, nationale en regionale O&I-programma's moeten worden verbeterd via een nauwere samenwerking met de ETP's.

1.8   ETP's kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de tenuitvoerlegging van Europees beleid. Zo zijn er prioriteiten vastgelegd die de innovatie in de publieke en particuliere sector moeten bevorderen, zoals: middelen- en energie-efficiëntie in de procesindustrie (SPIRE), PPP's voor industrieën op biobasis (bio voor groei), Europese innovatiepartnerschappen op het gebied van water, grondstoffen en "intelligente steden" (samen met het SET-plan), en EMIRI (een initiatief van de industrie voor energieonderzoek). Uiteindelijk zal de gehele Europese samenleving de vruchten plukken van deze via de ETP's gecoördineerde intensievere intersectorale samenwerking.

1.9   Het EESC roept de Europese instellingen op tot nauwere internationale samenwerking om geavanceerde mondiale expertise in huis te halen, die in de EU kan worden benut en op de markt kan worden gebracht.

1.10   Daarnaast dient voor NTP's de toegang tot nationale en regionale structuurfondsen ter bevordering van intelligente specialisatie te worden aangemoedigd en te worden vergemakkelijkt.

1.11   De ETP's spelen een belangrijke rol bij het oplossen van maatschappelijke problemen. Hun rol zal nog aan gewicht toenemen wanneer zij zich naast onderzoek op innovatie gaan richten, wat nodig zal zijn om het welvaartspeil en de kwaliteit van bestaan in Europa in stand te houden.

1.12   Het EESC is ingenomen met de rol van de ETP's als verbindingsschakel voor vraaggerichte innovatie-instrumenten, die een aanvulling vormen op de O&I-inspanningen en de vermarkting versnellen. Daarnaast zijn de ETP's van groot belang voor de verspreiding van O&I-resultaten. Het Comité zou graag zien dat er meer gebruik wordt gemaakt van coördinatie- en steunmaatregelen om de samenwerking in de waardeketen te bevorderen.

1.13   Industriële processen en de daarmee verbonden O&I- activiteiten dreigen in de ogen van het publiek en vooral in de ogen van jongeren maatschappelijk steeds minder aantrekkelijk te worden. Dit is onder meer het gevolg van de verschuiving van de productie naar landen buiten Europa en de vicieuze cirkel van steeds toenemende delokalisatie die daaruit voortvloeit. Het EESC meent dat de ETP's ertoe kunnen bijdragen dat het belang van de verschillende industriële productieprocessen beter wordt onderkend.

1.14   De ETP's zouden wel eens kunnen lijden onder de achteruitgang van de EU-industrie. De industrieën in de EU zijn hun wereldleiderspositie aan het verliezen. Vergeleken met andere delen van de wereld wordt er weinig risico genomen en is er weinig ondernemerszin.

1.15   Belangrijk is dat onderwijs, opleiding en scholing waarbij de mens centraal staat, als strategisch element behouden blijft binnen het ETP-landschap en een grotere plaats krijgt. Daartoe moeten op duurzame basis nauwe betrekkingen worden aangeknoopt met de comités die zich in de EU inzetten voor de sociale dialoog in de desbetreffende sectoren en met de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (EPSCO).

1.16   De ETP's kunnen ook in sociale en maatschappelijke kwesties een rol van gewicht spelen. bijv. bij de hervorming van het openbaar onderwijs en het beroepsopleidingssysteem, die moeten worden aangepast aan de behoeften van het bedrijfsleven en de industrie in de EU. Er moeten grote inspanningen worden verricht op het gebied van scholing en bijscholing van werknemers, zodat deze overweg kunnen met de nieuwe procestechnologieën en met de producten die uit onderzoek en innovatie voortvloeien. Alleen geschoolde werknemers met een vaste arbeidsovereenkomst zullen kunnen werken met nieuwe hightech.

2.   Oprichting en geschiedenis van de ETP's

2.1   In maart 2003 riep de Raad op om de Europese onderzoeksruimte (EOR) te versterken door de oprichting van ETP's, die de wereld van technologische knowhow, het bedrijfsleven, regelgevende instanties en financiële instellingen bijeen moesten brengen.

2.2   De ETP's werden opgezet als door het bedrijfsleven aangestuurde stakeholderfora die de taak kregen onderzoeks- en technologiedoelstellingen voor de middellange en lange termijn vast te stellen en stappenplannen uit te werken. Dit met als doel de synergie tussen de verschillende onderzoeksactoren te bevorderen en prioriteiten vast te stellen voor een aantal technologische terreinen die voor de groei, het concurrentievermogen en de duurzame ontwikkeling van de EU van belang zijn.

2.3   De Commissie heeft de ontwikkeling van de ETP's ondersteund als facilitator. Zij heeft de status van waarnemer en zet zich in voor een structurele dialoog over de onderzoeksprioriteiten. Zij bezit noch beheert de ETP's, want dit zijn onafhankelijke organisaties. De communicatie verloopt via de CORDIS-website van de Commissie, de ETP-nieuwsbrief en de op gezette tijden plaatsvindende seminars voor het ETP-management.

2.4   Sommige ETP's zijn losse netwerken die eenmaal per jaar samenkomen, andere hebben een juridische structuur en kennen een lidmaatschapsbijdrage. Alle ETP's zijn erin geslaagd, de betrokken stakeholders bijeen te brengen, overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijk visie en een strategische onderzoeksagenda op te stellen. De ETP's krijgen vorm door een dialoog tussen onderzoekers uit het bedrijfsleven en de overheidssector en vertegenwoordigers van de nationale regeringen. Zij dragen ook bij tot de consensusvorming en tot een betere afstemming van de investeringsinspanningen.

2.5   De ETP's ondersteunen goed functionerende publiek-private partnerschappen (PPP's). Daarmee dragen zij in hoge mate bij tot de ontwikkeling van de Europese onderzoeksruimte (EOR), gekenmerkt door kennis voor groei. Zulke PPP's trachten bijv. een antwoord te vinden op technologische uitdagingen, die van cruciaal belang kunnen zijn voor duurzame ontwikkeling, een betere openbare dienstenverlening en de herstructurering van de traditionele industriële bedrijfstakken.

3.   ETP's en industriële verandering

3.1   Industriële reconversie (1) is een continu proces dat beïnvloed wordt door verschillende factoren, zoals markttendenzen, organisatorische, sociale, maatschappelijke en structurele veranderingen en technische innovaties in productieprocessen en producten.

3.2   Innovatie is eveneens een continu proces en één van de belangrijkste factoren waardoor, via een voortdurende overdracht van nieuwe wetenschappelijke bevindingen naar de reële productieketen, de industriële reconversie wordt beïnvloed. Bovendien is het de belangrijkste hefboom voor de versterking van het concurrentievermogen van de Europese industriële productie en dienstverlenende sector.

3.3   Er moet grondig worden nagedacht over de vraag hoe de schaarse financiële middelen in Europa kunnen worden ingezet voor dit innovatieproces. Met de ETP's hebben wij de beschikking over een krachtig instrument dat heel concreet oplossingen kan bieden voor innovatie en het industriebeleid kan helpen uitrollen.

3.4   Aard en intrinsieke inhoud van industriële reconversie worden in de eerste plaats gekenmerkt door innovatie, waarbij de ETP's steeds vaker fungeren als kweekvijvers waar innovatie concreet tot stand komt. De ETP's zijn gericht op praktische industriële toepassingen die het productieproces, de producten, de arbeidsorganisatie en de arbeidsvoorwaarden beïnvloeden.

3.5   De Europese instellingen zouden graag een evenwichtige participatie van alle belanghebbende partijen in de ETP's zien. Het zou met name wenselijk zijn als zij het mkb en economische onderzoekers die zich hebben verenigd in bijv. een kenniscoöperatie, met alle werkbare middelen ondersteunen om de in Europa zeer populaire kleine en middelgrote ondernemingen in staat te stellen actief deel te nemen aan de platforms. De kosten van de platforms staan deelname van het mkb en de universiteiten aan onderzoeksinitiatieven veelal in de weg.

3.6   Gelet op de reële omvang en het belang van ETP's voor de EU – als op vrijwillige basis opgerichte instanties die openstaan voor deelname door belanghebbende partijen – is het zaak hun een passende rol toe te kennen als instrumenten voor de tenuitvoerlegging van het Europese industriebeleid.

3.7   De overgang naar een duurzamere industrie en dienstverlening in de EU en de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie zullen sterk afhangen van de daadwerkelijke innovaties die de ETP's de komende tien jaar zullen voortbrengen.

3.8   Om reële en concrete innovatie en industriële reconversie tot stand te brengen is het belangrijk dat naast innovatieve procédés/producten de benodigde vaardigheden en arbeidsorganisatie worden ontwikkeld, zodat innovaties overal in de industrie en de dienstverlening kunnen worden ingevoerd.

3.9   Sommige ETP's zijn zo opgezet dat zij al in het eerste stadium rekening houden met de sociale aspecten van het innovatieproces en in hun onderzoeksstrategieën inspelen op de te verwachten behoeften op het gebied van menselijke hulpbronnen. Vaak gebeurt dit in nauwe samenwerking met de voor de sociale dialoog in de desbetreffende sector verantwoordelijke comités in de EU.

3.10   Op grond van haar samenstelling en nauwe banden met de voornaamste economische sectoren in de EU heeft de adviescommissie Industriële Reconversie van het EESC de verschillende bedrijfstakken onder de loep genomen en bekeken hoe zij ervoor staan, om vanuit deze niet-bureaucratische bottom up-benadering aanbevelingen te doen aan de andere EU-instellingen en de lidstaten. Daarmee wil zij bijdragen aan de tenuitvoerlegging van het Europese industriebeleid en de gewenste industriële verandering teweegbrengen.

4.   Belang van de ETP's voor onderzoek en innovatie (O&I)

De Commissie heeft verscheidene projecten opgezet en uitgevoerd ter versterking van de ETP's en het industriebeleid en ter ontwikkeling van een op technologie gebaseerd beleid.

4.1   Zo zijn de gezamenlijke technologie-initiatieven (GTI's) bedoeld voor de tenuitvoerlegging van de strategische onderzoeksagenda's van een aantal ETP's die dusdanig ambitieuze en grootschalige doelstellingen hebben dat de reguliere instrumenten van het kaderprogramma voor O&I niet toereikend zijn. Een geslaagde tenuitvoerlegging vereist in deze gevallen een speciaal mechanisme dat de nodige leiding en coördinatie biedt voor de verwezenlijking van de onderzoeksdoelstellingen. Hiervoor is het "GTI"-concept ontwikkeld.

4.2   In maart 2009 heeft de toenmalige Commissaris voor wetenschap en onderzoek samen met hoge vertegenwoordigers van de industrie de vorderingen en prioriteiten besproken m.b.t. de tenuitvoerlegging van de nieuwe onderzoeksinstrumenten, de "PPP's". Deze prioriteiten en instrumenten zijn gebruikt voor de initiatieven "Fabrieken van de toekomst", "Energie-efficiënte gebouwen" en "Groene auto's" in het kader van het Europees economisch herstelplan, dat in november 2008 werd goedgekeurd.

4.3   Genoemde voorbeelden laten goed zien wat voor een krachtig instrument het PPP is bij het stimuleren van de onderzoeksinspanningen in drie grote industriesectoren – automobielindustrie, bouw en industriële fabrikage – waar de economische crisis zich sterk doet gevoelen en innovatie aanzienlijk kan bijdragen tot een groenere en duurzamere economie.

4.4   Met het door de EU in 2008 goedgekeurde SET-plan werd een eerste stap gezet naar een Europees energietechnologiebeleid. Het is een instrument ter ondersteuning van de besluitvorming op het gebied van energie in de EU, dat als doel heeft om:

kennisontwikkeling, technologieoverdracht en algehele toepassing ervan te bespoedigen;

de leidende positie van de EU op het gebied van koolstofarme technologieën te behouden;

wetenschappelijk onderzoek naar nieuwe vormen van energietechnologie te steunen, zodat de Europa 2020-doelstellingen voor energie en klimaatverandering kunnen worden verwezenlijkt;

bij te dragen aan de wereldwijde omschakeling naar een koolstofarme economie tegen 2050.

De tenuitvoerlegging van het SET-plan ging van start met de oprichting van de Europese industriële initiatieven (EII's), waarin ondernemingen, onderzoeksinstellingen, lidstaten en Commissie bijeen worden gebracht in risicodelende PPP's. Tegelijkertijd spant de Europese Alliantie voor energieonderzoek (EERA) zich sinds 2008 in om de O&O-activiteiten van individuele onderzoeksinstellingen af te stemmen op de prioriteiten van het SET-plan en om een gemeenschappelijk kaderprogramma voor de EU op te stellen.

4.5   Met het “Initiatief voor leidende markten van Europa” (LM-initiatief) worden maatregelen in zes belangrijke sectoren ondersteund om belemmeringen die de invoering van nieuwe producten en diensten op de markt bemoeilijken, uit de weg te ruimen. Bij de uitvoering van de actieplannen werken Commissie, lidstaten en bedrijfsleven samen. De beleidsinstrumenten hebben betrekking op regelgeving, openbare aanbestedingen, standaardisering en ondersteunende activiteiten. De markten waarop het LM-initiatief zich toespitst, zijn e-gezondheid, beschermingstextiel, duurzame bouw, recycling, op biomassa gebaseerde producten en hernieuwbare energie.

5.   ETP's: resultaten van de SWOT-analyse

5.1   Gezien het grote aantal ETP's van tegenwoordig is het niet verwonderlijk dat de prestatienievaus op dit moment uiteenlopen, wat ook in de toekomst het geval zal zijn. In een eerste analyse heeft de Commissie getracht vast te stellen wat de belangrijkste algemene factoren zijn die topprestaties bevorderen (sterke kanten en mogelijkheden) of, misschien nog wel belangrijker, deze in de weg staan (zwakke kanten en bedreigingen).

5.2   Sterke kanten

ETP's brengen alle belanghebbende partijen bijeen: onderzoeksinstellingen en universiteiten, ondernemingen (grote spelers en mkb), leveranciers van apparatuur, commerciële en niet-commerciële organisaties, overheden en vakbonden.

De rollenverdeling en hiërarchie binnen de sector komen in de ETP's duidelijk naar voren. De belanghebbende partijen delen een gemeenschappelijke visie, een routekaart en een actieplan.

De ETP's worden gesteund door het bedrijfsleven – één van de basispijlers van de EU-economie – die hier ook aanzienlijk in investeert. De industrie is ook de motor achter de ETP's, zodat de relevantie van de ETP-initiatieven voor de particuliere sector verzekerd is. Bijdragen van de ETP's richten zich niet alleen op technologie- en onderzoeksbehoeften, maar ook op technologieoverdracht.

ETP's zijn eenvoudig en flexibel van opzet en en gericht op een bundeling van krachten en middelen.

De bij de ETP's betrokken sectoren spelen een belangrijke rol in de waardeketen: veel innovaties vinden hun oorsprong in functionele processen (industriële productie, verwerking, bosbouw, robotica) en grondstoffen (chemicaliën, staal e.d.). Met andere woorden, vernieuwingen op het gebied van productieprocessen of materialen jagen de Europese innovatie aan.

In de ETP's is ook nu al aandacht voor maatschappelijke vraagstukken. Vanuit het oogpunt van groei en banen met een toegevoegde waarde is de maatschappelijke invloed van hun activiteiten aanzienlijk. Ze zoeken naar oplossingen voor cruciale beleidsvraagstukken (bijv. op het gebied van bio-economie, grondstoffen en een efficiënt gebruik van hulpbronnen).

Sommige ETP's kennen in alle EU-landen gelijkaardige platforms op nationaal en regionaal niveau.

De ETP's zetten in op onderwijs, omdat dit van strategisch belang is.

Er zijn verschillende uitvoeringsinstrumenten ingevoerd (PPP's, clusters, enz.) die hun oorsprong vinden in bestaande ETP's.

5.3   Zwakke kanten

ETP's moeten strategisch worden geleid. Het is niet de bedoeling dat het lobbygroepen worden die slechts op één thema gericht zijn en het bredere plaatje uit het oog verliezen. Ook komt het voor dat er werk dubbel wordt gedaan of dat de activiteiten te veel versnipperd zijn.

Grote spelers drukken soms een te zwaar stempel op de activiteiten van een ETP.

Het is niet altijd gemakkelijk om uit te maken welke eindtoepassingen en innovaties op het conto van ETP's kunnen worden geschreven, wat te wijten is aan het feit dat

de zichtbaarheid van ETP's nog steeds vrij klein is, zowel in de publieke als in de particuliere sector;

ngo's niet geïnteresseerd zijn om mee te doen;

de vergelijkbare organisaties in de lidstaten (de nationale en regionale TP's) doorgaans niet zo succesvol zijn.

Er moet meer werk worden gemaakt van een sectoroverschrijdende aanpak om de belangen en activiteiten van de belanghebbende partijen op één lijn te brengen.

De communicatie en de verspreiding van resultaten zijn voor verbetering vatbaar.

5.4   Mogelijkheden

ETP's spelen een cruciale rol als het erom gaat impulsen te geven aan het Europees industriebeleid. De hieraan gerelateerde nationale en regionale TP's kennen een gelijkaardige structuur, hetgeen de coördinatie en werking van de platforms ten goede komt. Samenwerking met de ETP's kan de coördinatie en harmonisatie van Europese, nationale en regionale O&I-programma's bevorderen.

De ETP's spelen een belangrijke rol bij het oplossen van maatschappelijke problemen. Door zich naast onderzoek op innovatie te richten zal hun rol alleen maar groter worden.

Door bepaalde prioriteiten – middelen- en energie-efficiëntie in de procesindustrie (SPIRE), PPP's voor industrieën op biobasis, Europese partnerschappen op het gebied van water, grondstoffen en "intelligente steden" (samen met het SET-plan) en EMIRI – vast te leggen tracht men innovatie in de publieke en particuliere sector te bevorderen.

De ETP's dringen erop aan dat de Commissie meer gebruik maakt van coördinatie- en steunmaatregelen om samenwerking in de waardeketen te bevorderen en vaart te zetten achter de vereenvoudigingsinspanningen. Nauwere internationale samenwerking om geavanceerde mondiale expertise in huis te halen, die in de EU kan worden benut en op de markt kan worden gebracht, zou de werkzaamheden van de ETP's in aanzienlijke mate ten goede komen.

Door vraaggerichte innovatie-instrumenten te combineren met O&I-maatregelen kunnen ETP's marktintroductie bespoedigen.

ETP's kunnen ertoe bijdragen dat men zich meer bewust wordt van het belang van de verschillende industriële productieprocessen, zulks tot het behoud van de welvaart en de kwaliteit van het bestaan in Europa.

Onderwijs waarbij de mens centraal staat, moet een belangrijke plaats blijven houden in de ETP's.

5.5   Bedreigingen

De ETP's zijn van mening dat het budget ontoereikend is om goed te kunnen functioneren.

De ETP's zouden wel eens kunnen lijden onder de achteruitgang van de EU-industrie. De industrieën in de EU zijn hun wereldleiderspositie aan het verliezen. Vergeleken met andere delen van de wereld wordt er weinig risico genomen en is er weinig ondernemerszin.

Voor een effectievere werking van de ETP's dringt het EESC erop aan dat er serieuzer werk wordt gemaakt van de vereenvoudigingen in de regelgeving die de Commissie wil doorvoeren (o.a. voor de deelname aan EU-projecten), dat er meer inspanningen worden gedaan om versnippering van en concurrentie tussen institutionele initiatieven te verminderen, dat beleidsmaatregelen beter op elkaar worden afgestemd en dat de ETP's op institutioneel niveau meer zichtbaar worden.

Industriële processen en de daarmee verbonden O&I- activiteiten dreigen in de ogen van het publiek en vooral in de ogen van jongeren maatschappelijk steeds minder aantrekkelijk te worden. Dit is onder meer het gevolg van de verschuiving van de productie naar landen buiten Europa.

6.   Samenwerking tussen de ETP's onderling en tussen de ETP's en de Commissie

De ETP's hebben actief bijgedragen aan de tenuitvoerlegging van het 7e Kaderprogramma O&I van de EU. Op dit moment leveren zij gegevens en doen zij voorstellen voor de opzet van het Horizon 2020-programma, teneinde dit af te stemmen op de daadwerkelijke behoeften van de Europese samenleving en met name de behoeften van de industrie en de dienstensector.

6.1   Horizon 2020

6.1.1   Horizon 2020 is het instrument voor de tenuitvoerlegging van de Innovatie-Unie, een Europa 2020-vlaggenschipinitiatief dat het Europese concurrentievermogen mondiaal veilig moet stellen. Het programma, dat van 2014 tot 2020 loopt en is uitgerust met een budget van ca 80 miljard euro, is onderdeel van de inspanningen om in Europa nieuwe groei en banen te creëren. Horizon 2020 moet:

de positie van de EU op wetenschappelijk vlak versterken;

de leidende rol van de industrie bij het bevorderen van innovatie versterken, o.m. door omvangrijke investeringen in sleuteltechnologieën, meer toegang tot kapitaal en ondersteuning van het mkb;

oplossingen aanreiken voor fundamentele vraagstukken die alle Europeanen aangaan, zoals de klimaatverandering, ontwikkeling van duurzame vervoersmiddelen en duurzame mobiliteit.

6.1.2   Horizon 2020 wil maatschappelijke problemen helpen oplossen door de kloof tussen onderzoek en markt te overbruggen. Deze marktgerichte aanpak houdt o.m. de oprichting van partnerschappen met de particuliere sector en de lidstaten in.

6.1.3   Horizon 2020 zal worden geflankeerd door aanvullende maatregelen voor het opzetten en ontwikkelen van de Europese Onderzoeksruimte tegen 2014. Hiermee kunnen hindernissen die de oprichting van één echte interne markt voor kennis, onderzoek en innovatie belemmeren, uit de weg worden geruimd.

6.2   Europa 2020

6.2.1   Europa 2020 is de groeistrategie van de EU voor de komende tien jaar. De strategie is gericht op een slimme, duurzame en inclusieve EU-economie. Deze drie elkaar wederzijds versterkende prioriteiten moeten de EU en de lidstaten helpen een hoog niveau van werkgelegenheid, productiviteit en maatschappelijke samenhang mogelijk te maken.

6.2.2   Concreet wil de EU tegen 2020 vijf ambitieuze doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, innovatie, onderwijs, sociale integratie en klimaat/energie verwezenlijkt hebben. Elke lidstaat heeft voor elk van deze terreinen zijn eigen nationale doelstellingen vastgesteld. De strategie wordt ondersteund door concrete maatregelen op EU- en nationaal niveau.

6.3   Rol van de ETP's in de toekomst

6.3.1   Verwacht wordt dat de rol van de ETP's in de toekomst min of meer dezelfde zal blijven. Daarnaast kunnen ze bijdragen tot de toepassing van de instrumenten van de Commissie, waaronder enkele die reeds zijn uitgetest in het kader van het 7e Kaderprogramma. Zoals het ernaar uitziet, zal de Commissie in Horizon 2020 meer gebruik gaan maken van uitvoeringsinstrumenten als PPP's en gezamenlijke technologie-initiatieven (GTI's), al zal het totale aantal ervan wellicht beperkt blijven.

6.3.2   Vanuit het bedrijfsleven en de stakeholders in het algemeen is er veel bereidheid om aan de toepassing van bovengenoemde instrumenten mee te werken. Voorbeelden hiervan zijn de publiek-private partnerschappen voor Duurzame verwerkende industrieën via middelen- en energie-efficiëntie (SPIRE), PPP's voor industrieën op biobasis (bio voor groei), het Initiatief van de industrie voor energieonderzoek (EMIRI) en Onderzoek naar de infrastructuurnetwerken van de toekomst in Europa (reFINE).

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Advies van het EESC over "Industriële reconversie: balans en vooruitzichten – Een integrale aanpak", PB C 010 van 14.01.2004, blz. 105 – 113.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/17


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de noodzaak van een Europese defensie-industrie: industriële, innovatieve en sociale aspecten (initiatiefadvies)

2012/C 299/04

Rapporteur: de heer VAN IERSEL

Corapporteur: mevrouw HRUSECKÁ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 januari 2012 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten een initiatiefadvies op te stellen over de

Noodzaak van een Europese defensie-industrie: industriële, innovatieve en sociale aspecten

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 132 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Wereldwijd vinden snelle geopolitieke veranderingen plaats. De overheersende positie van het westen is in economisch en politiek opzicht niet langer vanzelfsprekend. Terwijl in de defensiebegrotingen in de EU wordt gesneden, lopen de defensie-uitgaven in China, India, Brazilië, Rusland en elders op. Daarom roept het EESC de Raad en de Commissie op om een algemene evaluatie te maken van de belangrijkste aspecten van de positie en de rol van de EU, die moet uitmonden in een overtuigende aanpassing van het Europees buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid.

1.2

Het defensiebeleid wordt ingegeven door de strategische belangen van een land, waargenomen bedreigingen en politieke doelstellingen, die in Europa hoofdzakelijk in nationale termen worden vastgelegd. Verouderde benaderingen leiden zichtbaar tot meer fragmentatie, lacunes, overcapaciteit en een gebrek aan interoperabiliteit in het Europese defensievermogen. De argumenten voor verbetering zijn legio; het is een zaak van politieke wil. In 1986 werd dit al overtuigend aangetoond! (1) Uit het oogpunt van politiek, economie en defensie is de situatie nu nog veel urgenter. Het EESC verzoekt de Raad serieus werk te maken van een Europese defensieparaplu.

1.3

Het veiligheids- en defensiebeleid dient de EU en de lidstaten meer zelfvertrouwen te geven. Het moet vertrouwen wekken in de samenleving, het brede publiek, goed uitgeruste soldaten, het bedrijfsleven en de werknemers in de sector. De EU-burgers hebben recht op adequate bescherming. Er is steeds meer behoefte aan Europese toekomstbestendige wapens. Daarom schieten de huidige, geïsoleerde initiatieven van de lidstaten hun doel geheel voorbij en wordt er belastinggeld verspild.

1.4

Gelet op het beleid en de huidige praktijken in de VS en andere (opkomende) wereldspelers, alsook op de exclusieve verantwoordelijkheid van overheden om burgers te beschermen en om veiligheid te waarborgen, beklemtoont het EESC de noodzaak om de Europese strategische belangen vast te leggen in het kader van het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB) (2). Uiteindelijk is de driehoek buitenlandse zaken en veiligheid, defensie en industrieel vermogen onscheidbaar en steunt hij Europa's positie in de wereld, haar economische en politieke belangen, alsook haar waarden (mensenrechten, democratie). De Europese dienst voor extern optreden (EDEO) moet hierbij rechtstreeks betrokken worden.

1.5

Wil Europa een solide veiligheids- en defensie-industrie behouden die kritische massa kweekt voor doeltreffendheid en kosteneffectiviteit, dan is volgens het EESC een ingrijpende verandering van mentaliteit en beleid geboden. Dit moet zorgen voor een stabiele en voorspelbare toekomst voor de strijdkrachten, afgestemd op Europa's economische en technologische gewicht. Gezien de grote verschillen tussen de lidstaten komt de hoofdverantwoordelijkheid in dit verband toe aan de grootste productielanden.

1.6

Volgens het EESC zijn er sterke argumenten om de Europese planning en coördinatie te verstevigen:

de sector is gecompliceerd en kennisintensief; hij vereist langetermijnplanning;

ondanks privatisering hebben overheden nog grote belangen in de defensie-industrie als cliënt, regelgevende instantie of verstrekker van exportvergunningen;

tekortkomingen in de huidige structuur en (ernstige) bezuinigingen nopen tot ordelijke aanpassingen in plaats van de huidige gefragmenteerde benaderingen die in- en extern de geloofwaardigheid aantasten;

doeltreffende coördinatie is nodig tussen de belangrijkste producerende landen en de minder of niet producerende landen om wapenaankopen in Europa te stimuleren en om alle beschikbare kennis, grote ondernemingen en het mkb te benutten;

uiteindelijk hangt een goede output van de Europese industrie wereldwijd af van de ontwikkeling van een stabiele thuismarkt in Europa.

1.7

Behalve maatregelen van het Europees Defensieagentschap (EDA) en het Defensiepakket van 2007 (3) verzoekt het EESC om een degelijk Europees industriebeleid voor de defensiesector met zijn specifieke kenmerken (overheidsvereisten en –financiering). Gelet op Europa 2020 moet dit beleid uitgaan van gedeelde nationale en EU-bevoegdheden (met het EDA en de Commissie als volwaardige partners) en van raadplegingen van de defensie-industrie en andere stakeholders, onder wie sociale partners. Verder moet het beleid steunen op een goed georganiseerde sociale dialoog.

1.8

EU-beleid en –financiering dienen een brug te slaan tussen het EU-niveau en nationale investeringen, uitmondend in minder versnippering en overlapping van overheidsuitgaven en meer kwaliteit en interoperabiliteit.

1.9

Geavanceerde O&O is cruciaal voor de ontwikkeling van een nieuwe generatie wapens, die hard nodig zijn. Zulke O&O kan nooit uitsluitend een zaak van het bedrijfsleven zijn. De meeste verantwoordelijkheid ligt bij de overheid. Daarom is O&O heel kwetsbaar voor de huidige bezuinigingen. De Raad en overige stakeholders dienen zo snel mogelijk onderzoeksprogramma's op te zetten en te lanceren die de Europese industrie helpen om de ongewenste afhankelijkheid van elders aan te pakken. Technologie voor tweeërlei gebruik is een noodzaak. Het O&O-programma van de EU zou hieraan tegemoet moeten komen. Het moet doeltreffende grensoverschrijdende O&O-samenwerking waarborgen.

1.10

De verdere versterking van de technologische en industriële basis van de Europese defensie moet zoveel mogelijk gepland worden. Daartoe zijn bevredigende maatregelen op EU-niveau geboden (4).

1.11

Ruimere coördinatie tussen de Commissie, het EDA en andere relevante EU-stakeholdes is vereist. De hernieuwde toezegging van voorzitter Barroso (5), vicevoorzitter Tajani en commissaris Barnier, alsook de oprichting van een taskforce voor defensie komen als geroepen. Het EESC is ook ingenomen met de toekomstgerichte EP-resolutie van afgelopen december over de Europese defensie en het brede spectrum van zaken die op het spel staan (6).

1.12

In dezelfde geest en ter versterking van het initiatief voor het EU-taskforce voor defensie roept het EESC de Commissie op om deze kwesties in het openbaar aandacht te schenken. De Commissie zou ook moeten overwegen adequate (deel)oplossingen aan te dragen, in reactie op de geconstateerde verschillen in industriële en technologische vermogens tussen de lidstaten, alsook op de verschillende investeringsniveaus voor onderzoek en defensie in het algemeen.

2.   Inleiding

2.1

Artikel 42 van het Verdrag betreffende de Europese Unie luidt dat het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid een integrerend deel is van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Artikel 42, lid 3, vervolgt dat de lidstaten de Unie militaire vermogens beschikbaar stellen voor de uitvoering van dat beleid Sinds 2005 werkt het Europees Defensieagentschap (EDA) aan de uitbreiding van de industriële en technologische basis van de defensiesector en aan een betere uitrusting voor soldaten. De vooruitgang is echter zeer beperkt.

2.2

De voltooiing van de interne markt en doeltreffende financiële coördinatie staan thans hoog op de prioriteitenlijst. De Europa 2020-strategie ondersteunt beide doelstellingen voluit. Deze sprong voorwaarts zou ook moeten aanzetten tot nieuwe stappen in de Europese defensie.

2.3

Voor de defensiesector ontbreekt echter een dergelijke ontwikkeling. Het militaire verdrag tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk uit 1998 leek het startsein te zijn voor een nieuwe mentaliteit en een nieuw begin. Dezelfde geest van nauwere defensiesamenwerking sprak uit de oprichting van de European Defense and Space Company (EADS) in 2003. Hierna volgde echter geen verdere consolidatie. Het is opmerkelijk dat de LoI-landen (de groep landen met de grootste productiecapaciteit, d.w.z. Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Spanje en Zweden) in tegenstelling tot eerdere voornemens, nog geen enkel werkbaar voorstel voor rationalisatie of consolidatie gepresenteerd hebben.

2.4

De stagnatie heeft tot nationale benaderingen en nadruk op de nationale productie geleid. Er is sprake van een zekere renationalisatie. In Europa gevestigde ondernemingen zijn alle op exportmarkten gericht. Er is geen gemeenschappelijk strategisch concept, niet onder overheden, noch onder industriële partners.

2.5

Ondertussen zullen nieuwe uitdagingen potentiële markten meer gaan beïnvloeden. Belangrijk vraagstuk is de ontwikkeling van wapens in opkomende economieën. Brazilië, Rusland, India en China (de BRIC-landen) komen eraan, gevolgd door enkele kleinere landen. Het Chinese defensiebudget zal naar verwachting stijgen van 120 miljard euro nu naar 250 miljard euro in 2015. Ruslands defensiebegroting zal tot 2015 enorm stijgen. De VS geven meer dan het dubbele van het totale Europese budget uit, 450 miljard euro tegen 204 miljard euro in 2007 en het Europese budget krimpt steeds meer. Het totale Europese O&O-budget is hoogstens 20 % van het Amerikaanse budget. 50 % van het Europese defensiebudget gaat naar personeelskosten; in de VS is dat 25 %. Europa heeft meer mensen onder de wapenen, maar ze zijn veel minder uitgerust. De omstandigheden wereldwijd zullen nooit meer zijn wat ze ooit waren We hebben geen tijd te verliezen.

2.6

De afgelopen decennia is in tal van studies gepleit voor aanpassing van de defensie-industrie aan de mondiale markt. Alle studies benadrukken de voortdurende tekortkomingen, aangezien defensiemarkten zeer gebrekkig blijken te zijn, en de meeste landen hun ‧eigen‧ industrie blijven steunen. Pogingen om de markt te verbeteren, zoals het EU-Defensiepakket van 2007, zijn bedoeld om een aantal marktdeficiënties en de uiteenlopende nationale praktijken te verhelpen.

2.7

Wat op het spel staat, is complex, ook in verband met de lange periodes tussen ontwerpfase en praktische toepassing. Volgens het EESC is een brede benadering uit technologisch, economisch en sociaal perspectief daarom geschikter om dit vraagstuk te bespreken dan een benadering uitsluitend uit defensieoogpunt.

2.8

Cruciaal zijn de uiteenlopende strategische concepten tussen landen met een aanzienlijke wapenindustrie, met name wat betreft de definitie van "wezenlijk nationaal veiligheidsbelang" en de relatie tussen nationale veiligheid en exportmarkten. Sommige kleine landen hebben een redelijk ontwikkelde industrie, terwijl andere vrijwel geen productielocaties hebben. Het is duidelijk dat de benaderingen van alle landen op grond van behoeften en mogelijkheden uiteenlopen. Het resultaat is versnippering en een disparate visie op de defensie-industrie. Operaties zoals in Libië tonen de toenemende lacunes in de beschikbare wapensystemen pijnlijk aan. De gevolgen hiervan moeten terdege onder ogen gezien en geëvalueerd worden.

2.9

Deze ontwikkelingen betreffen zowel investeringen als werkgelegenheid. De defensie-industrie is een hoogtechnologische sector die rechtstreeks werk biedt aan 600 000 gekwalificeerde werknemers, en indirect aan nog eens 2 miljoen mensen. De roep om verdere bezuinigingen is zorgwekkend. Vaak zijn productievestigingen sterk regionaal geeconcentreerd en zouden zij kenniscentra kunnen worden, maar lopen zij integendeel het risico van verdere bezuinigingen. Deze vestigingen zullen er erg onder lijden als er in het wilde weg en ongestructureerd wordt gereorganiseerd en bezuinigd.

2.10

Werkgelegenheid is vandaag de dag natuurlijk ook een prioriteit van regeringen. Dit aspect kan echter de ontwikkeling belemmeren van een gemeenschappelijke visie, die nodig is om de sociale gevolgen van een tanende defensie-industrie adequaat aan te pakken, zoals o.a. het verlies van knowhow en de impact op werknemers. Omgekeerd zal een gemeenschappelijke visie zorgen voor evenwichtige banencreatie en het risico vermijden dat onderzoekers en technisch en wetenschappelijk hooggespecialiseerd personeel uitwijken naar derde landen, wat indruist tegen de doelstellingen van de EU om de Europa 2020-strategie gestalte te geven.

2.11

De EU-aanpak en het intergouvernementele kader kunnen en zouden vanuit hetzelfde perspectief moeten werken. Zolang nationale soevereiniteit heerst, zal een gemeenschappelijk kader, in welke vorm dan ook, weinig verbetering opleveren voor overcapaciteit, overlapping en versnippering. De tegenstrijdigheid tussen het standpunt van nationale soevereiniteit enerzijds en de financiële, technologische, economische en sociale behoeften anderzijds is zonneklaar.

2.12

Het is dus zorgwekkend dat het streven naar "combineren en delen", d.w.z. de organisatie van Europese verwevenheid, niet in een gemeenschappelijke strategie is omschreven. Ondanks een in brede kring levend besef van de veranderde internationale context is de druk van buitenaf blijkbaar nog niet zo hoog dat er gemeenschappelijke benaderingen en oplossingen ontstaan. Opmerkelijk immers is de niet aflatende bereidheid van Europese landen om voor wapenleveranties afhankelijk te blijven van de VS, in plaats van aankopen in Europa.

2.13

Wil Europa een solide veiligheids- en defensie-industrie behouden die gevanceerde systemen kan ontwikkelen en produceren, om zo haar eigen veiligheid te garanderen, dan is een radicale mentaliteits- en beleidsverandering geboden. Langer wachten zou de capaciteit nog sneller doen dalen tot onder het niveau dat vereist is om op essentiële gebieden weer de toon aan te geven. Dit zou nog moeilijker worden aangezien bezuinigingen op O&O-uitgaven rechtstreekse gevolgen hebben voor een generatie van onderzoekers en gekwalificeerde werknemers. Als Europa niet slaagt, kunnen bedrijven en banen verdwijnen, zal knowhow verloren gaan en is Europa aan andere partijen overgeleverd. Wie Europa en de Europese veiligheid na aan het hart liggen, moet doordrongen zijn van de urgentie en de behoefte aan actie.

3.   Politieke context

3.1

Het Verdrag betreffende de Europese Unie benadrukt terecht de onlosmakelijke band tussen buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid. Een doeltreffend buitenlands beleid moet gebaseerd zijn op solide defensiecapaciteit. Adequaat defensief vermogen moet op zijn beurt worden opgezet en ontwikkeld in het licht van waargenomen dreigingen en overeengekomen doelstellingen in een uiterst gecompliceerde en fragiele internationale context.

3.2

Belangrijkste factor is de positie en de rol van de EU in de wereld van morgen, gelet op de snel veranderende geopolitieke realiteit waarin steeds meer wereldspelers verschijnen. Uit die optiek meent het EESC dat het hoog tijd is voor een onderling afgestemd initiatief in Europa. Ervaringen uit een recent en verder verleden tonen aan dat door vast te houden aan traditionele benaderingen Europa en de lidstaten buitenspel gezet dreigen te worden.

3.3

Het EESC bepleit een stabiele en voorspelbare toekomst voor de Europese strijdkrachten, afgestemd op Europa's huidige economische en technologische gewicht. De enorme periode tussen het ontwerp en de ingebruikname van systemen verhoogt de noodzaak om dit jaar nog besluiten te nemen.

3.4

Uit sociaal en politiek oogpunt benadrukt het EESC vier belangrijke aspecten van de behoefte aan doeltreffend Europees defensief vermogen:

bescherming van de bevolking;

de behoefte aan goed uitgeruste soldaten;

stabiele en voorspelbare banen;

goed opgezette Europese humanitaire en militaire acties, wereldwijd.

3.5

Er wordt voortdurend gesproken over de toekomst van het GVDB, hoewel zelden met zoveel woorden. Veel onderwerpen, zoals de inzet van strijdkrachten, de twist over de ontwikkeling van één operationeel hoofdkwartier, de financiering van GVDB-missies van de EU, de bijdragen aan die missies en oproepen tot een herziening van de Europese veiligheidsstrategie, komen neer op een discussie over het GVDB, hoewel dat niet wordt toegegeven. Het zou een stap in de goede richting zijn om een en ander uit dat perspectief te bekijken. Verder moet in alle overwegingen over deze belangrijke zaken rekening gehouden worden met de gevolgen van de besluitvorming (of het uitblijven daarvan) voor de industrie. Hieruit zal ook de nauwe verwevenheid blijken tussen de industriële capaciteit en de uitvoering van het GVDB. De grootste verantwoordelijkheid berust bij de overheid.

3.6

De trans-Atlantische betrekkingen en de NAVO zijn van cruciaal belang. De Amerikanen hebben al geruime tijd ernstige kritiek op de manier waarop Europeanen aan hun defensieverplichtingen binnen het bondgenootschap voldoen. Aan beide zijden van de oceaan wordt voortdurend gepleit voor een ‧Europese pijler‧ binnen de NAVO. Tot nu toe is het omgekeerde het geval.

3.7

Het gebrek aan een degelijke ‧Europese pijler‧ heeft diepe politieke wortels. Er is nog onvoldoende politieke bereidheid in Europa om Europese ‧strategische‧ belangen te definiëren of voor een essentiële, gemeenschappelijke militaire capaciteit te zorgen. De VS en andere landen hanteren daarentegen het concept strategische activiteit, dat al het onderzoek en ondernemingen omvat die bijdragen aan de algehele veiligheid van de burgers, zij het civiele of militaire veiligheid.

3.8

Tegen deze achtergrond betekent volgens het EESC werken aan een Europese pijler dat de overdreven afhankelijkheid van de Europese militaire capaciteit van de VS plaats zou moeten maken voor een evenwichtiger relatie. Tegelijk met een broodnodig debat over gemeenschappelijke Europese strategische belangen (een exclusieve taak van regeringen) zou zo snel mogelijk een begin moeten worden gemaakt met een ordelijke planning door samenwerking tussen de Europese instellingen, de lidstaten en de defensie-industrie, alsook met een geleidelijke herziening van de gewoonte van lidstaten om automatisch in de VS te kopen wat beschikbaar is.

3.9

Verbetering van de omstandigheden voor industriële samenwerking met ondernemingen in de VS (meer op voet van gelijkheid) is zowel vanuit industrieel als financieel oogpunt gunstig.

4.   De Europese defensie-industrie

4.1

Het buitenland-, defensie- en veiligheidsbeleid en de defensie-industrie zijn nauw met elkaar verweven. Ondanks privatisering hebben overheden nog grote belangen in de defensie-industrie als cliënt, regelgevende instantie of verstrekker van exportvergunningen.

4.2

De defensie-industrie heeft heel wat speelruimte op de exportmarkten. Dit hangt deels samen met privatisering en deels met stimulering van overheidswege: de economische crisis maakt van sommige ministers van defensie ware exportpromotors. De crisis dwingt de defensiesector sowieso om uitvoer tot de kern van hun bedrijfsmodel te maken. Gemiddeld genomen was 2011 voor de Europese ondernemingen een heel winstgevend jaar. Er wordt ook heel wat succes geboekt met de ontwikkeling van producten voor tweeërlei gebruik.

4.3

Wereldspelers als China, India en Brazilië hebben hun eigen buitenlandse aspiraties, compleet met stijgende defensie-uitgaven. Momenteel levert dit kansen op voor de Europese export. Hoe lang zal dit duren? De industrie doet het nog redelijk goed, maar de prestaties zijn grotendeels gebaseerd op investeringen van 20 tot 25 jaar geleden. Op dit moment zouden verder dalende of stagnerende investeringen binnen afzienbare tijd al onomkeerbare gevolgen hebben.

4.4

Bovendien kan verwacht worden dat opkomende landen hun industrie onafhankelijk van de westerse industrie zullen opbouwen om vervolgens, als Europa's toekomstige concurrenten op markten in derde landen, invoer uit het westen steeds meer te blokkeren of hieraan voorwaarden te verbinden.

4.5

Momenteel staan er geen nieuwe grote programma's in Europa op stapel; dit zal een zeker van invloed zijn op het succes van de toekomstige uitvoer. Bovendien is het al enige tijd geleden dat een groot opkomend land nog een omvangrijke overdracht van technologie en productie nodig had.

4.6

Eenmalige uitvoercontracten zullen hoogstwaarschijnlijk dienen voor het kopiëren van westerse technologie. Een alternatief voor het blokkeren van de invoer is het opzetten van productie- (en ontwikkelings-)faciliteiten in de betrokken landen. Momenteel is het nog maar de vraag in welke mate deze ontwikkeling de faciliteiten en arbeidsmarktkansen in Europa zal beïnvloeden. Op langere termijn zal de positie van de Europese industrie waarschijnlijk ondergraven worden door opkomende reuzen. De toegenomen technologie en productie in die landen zal ook de (potentiële) Europese exportmarkten in andere derde landen beïnvloeden. De concurrentie in producten en prijzen zal feller worden.

4.7

Vanwege de lange ontwikkelings- en productiefasen, alsook de technologische investeringen en voortdurende innovatie heeft Europa gerichte coördinatie nodig om een moderne, zelfverzekerde defensie-industrie te waarborgen. Zolang de omvang van de markt voornamelijk afhangt van de nationale grenzen, zal deze vrijwel nooit een kritische massa bereiken, zelfs niet in de grote lidstaten. Export naar derde landen kan in zekere mate soelaas bieden, maar de toekomst is onzeker, aangezien de marktomstandigheden vaak verre van stabiel zijn.

4.8

Aanhoudend dalende begrotingen, die in de huidige omstandigheden aanzienlijke beperkingen inhouden, zouden aan het denken moeten zetten. Ze hebben gevolgen voor investeringen en aankopen, zeker als operationele en onderhoudskosten op hetzelfde peil blijven of stijgen ten gevolge van lopende militaire operaties (Afghanistan, Libië, antipiraterijmissies, om er maar enkele te noemen).

4.9

Het gevolg is uitstel of zelfs afstel van investeringen die voor de industrie essentieel zijn om de productie- en ontwikkelingsmogelijkheden te handhaven en te vernieuwen. Bovendien zal de industrie zelf in lastige tijden minder bereid zijn om te investeren in het op peil houden of vernieuwen van activiteiten. Slechts door ordelijk samen te werken kunnen de nodige investeringen worden gewaarborgd.

4.10

Het EESC bepleit een goed uitgewerkt Europees industriebeleid voor de defensiesector, vanaf het ontwerp van systemen tot de operationele fase. Dit is een kwestie van specifiek industriebeleid. Dit is per definitie een overheidsmarkt. O&O moet ook na het startkapitaal gefinancierd worden vanwege niet-winstgevende marges in het begin en specifieke overheidseisen. Het gaat erom belangrijke Europese industriële mogelijkheden in kaart te brengen, alsook investeringsbeleid om solide Europese producten te promoten. Aangezien geen enkel land voldoende middelen heeft om wapens van de ‧nieuwe generatie‧ te financieren, moeten nationale en Europese doelstellingen gecombineerd worden, net als nationale en Europese financiële en industriële middelen. Governance dient gebaseerd te zijn op gedeelde EU- en nationale bevoegdheden, uitgaande van de overeengekomen Europa 2020-strategie. Dit is ook een doeltreffende manier om de coördinatie tussen de Europese instellingen en binnen de Commissie te optimaliseren, die nog steeds ver onder haar kunnen werkt. In dit verband kan de Task Force, die binnenkort als platform begint (Commissie, EDA, EEAS) om prioriteiten, mogelijkheden en lacunes te bespreken, een waardevolle bijdrage leveren.

4.11

O&O is een centraal thema. De defensie-industrie is een hoogtechnologische, kennisintensieve industriële activiteit, die ook vereist is voor de volwaardige ontwikkeling van prototypes. O&O is vrijwel nooit uitsluitend een zaak van het bedrijfsleven. De ontwikkeling en de levenscycli van systemen zijn eenvoudigweg te lang, en de financiële impact te groot voor de industrie om alle financiële risico's te dragen. De geschiedenis leert dat alle succesvolle programma's door overheid en industrie samen worden uitgevoerd.

4.12

Wereldwijd is O&O voor defensie in zeer hoge mate afkomstig van de overheid, ofwel direct of indirect via aankopen. Het wekt geen verbazing dat de defensie-industrie gewoonlijk te veel financieel risico mijdt, gezien de aard van de producten. O&O voor defensie is zeer kwetsbaar voor overheidsbezuinigingen.

4.13

Dus naast consolidatie van de industrie zijn er voor onderzoek, technologie en ontwikkeling toereikende financiering en samenwerking nodig van de lidstaten, de Commissie en de industrie. Defensie-investeringen vergen veel financiering voor O&O en technologische projecten. Ook moet de toegang tot kritische technologie gegarandeerd zijn. Als kritische technologie voor de ontwikkeling en productie niet langer meer toegankelijk zou zijn door exportbeperkingen die anderen opleggen, wordt het heel lastig om de Europese veiligheidsdoelstellingen te verwezenlijken.

4.14

O&O die buiten defensie-organisaties plaatsvindt, wordt steeds belangrijker vanwege de voortgang die in onafhankelijke wetenschap en technologie op tal van gebieden geboekt wordt. Vaak bepaalt de uiteindelijke toepassing, in de laatste ontwikkelingsfase of de O&O beschouwd kan worden als defensie- of civiele O&O. O&O ‧voor tweeërlei gebruik‧ wordt steeds belangrijker voor defensietoepassingen, zoals de IT. Het is dus van cruciaal belang voor de EDTIB (European Defence Technological and Industrial Base, de Europese technologische en industriële defensiebasis) om het ‧duale gebruik‧ van O&O te stimuleren, vooral omdat dit financiering van buiten de defensiegemeenschap mogelijk maakt.

4.15

Overheidsfinanciering voor O&O moet op EU-niveau tussen de lidstaten afgesproken worden. Ze kan gebeuren via het aanstaande Kaderprogramma 8 (KP8) of via een apart fonds, bij voorkeur via pakketten m.b.t. geavanceerde onderzoeksgebieden, bijvoorbeeld nanotechnologie en artificiële intelligentie. Er moeten speciale regelingen uitgewerkt worden gezien de betrekkingen tussen de defensie-industrie en de overheidssector.

4.16

Het EDA en de Commissie moeten een prominente rol vervullen, zoals in het Europees samenwerkingskader is vastgelegd, deels om dagelijkse politieke bemoeienis te vermijden. Het EDA zou zijn taak volledig moeten kunnen vervullen, zoals in het Verdrag van Lissabon is bepaald (7).

4.17

Werknemers met moderne vaardigheden zijn cruciaal voor een industrieel en O&O-programma voor defensie (8). Ook dit is een sterk argument voor een stabiel kader voor O&O en de industrie in plaats van een wanordelijke herstructurering. Bedacht moet worden dat personeel in de defensie-industrie het cement is voor de toekomst van de defensiecapaciteit. Raadpleging van en overleg met de industrie, O&O-instellingen, het hoger onderwijs, militaire organisaties en geïnteresseerde vakbonden moeten ervoor zorgen dat zowel de voortgaande herstructurering als de toekomstgerichte productie van wapens in Europa op een ordelijke manier verlopen.

4.18

Krimpende begrotingen nopen tot de aanpak van overlappingen en ondoeltreffendheid. Gecontroleerde consolidatie is niet noodzakelijk gelijk aan het tot stand brengen van grote ondernemingen. Het betekent de opbouw van genoeg kritische massa en kwaliteit door internationale normen die een concurrerende positie garanderen op binnenlandse markten en markten in derde landen. De coördinatie van de planning van projecten op Europees niveau door de overheid, relevante EU-spelers en de industrie wordt steeds urgenter.

4.19

Verschillen in omvang en output van industrieën zijn een feit. Wat hun industrieel belang betreft, lopen de lidstaten sterk uiteen. Een overeenkomst tussen deelnemende landen zou onder andere moeten behelzen dat industrieën in niet-LoI-landen (= belangrijke producenten) betrokken worden bij relevante projecten. Deze benadering is niet alleen politiek wenselijk, ze bevordert tevens een vruchtbare relatie tussen grote en kleine ondernemingen en onderzoeksinstellingen. Als leverancier zou het mkb een geslaagde aanvulling kunnen zijn op slimme, gespecialiseerde ketens.

4.20

Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de kwetsbaarheid die in landen in Midden-Europa wegens hun geëxponeerde geografische positie kan worden waargenomen. Om ervoor te zorgen dat burgers in deze landen zich goed beschermd voelen en om de specifieke technische kennis op defensiegebied ten volle te benutten is het volgens het EESC zaak de beschikbare kennis en vaardigheden in Midden-Europese landen in lopende en toekomstige defensieprojecten op passende wijze mee te nemen.

4.21

Een geïntegreerde Europese markt voor defensieproducten zou een stabielere binnenlandse markt scheppen. Een Europese markt zou niet alleen de bestaande nationale markten samenvoegen, hij zou ook de harmonisatie bevorderen, of zelfs de standaardisatie van eisen en de regels voor overheidsopdrachten tussen de diverse lidstaten Meer harmonisatie of standaardisatie zou de financiële en economische omstandigheden verbeteren en zo het concurrentievermogen van Europese ondernemingen op de wereldmarkt vergroten.

4.22

De Europese defensiemarkt zou dan kritische massa hebben. Tegen die achtergrond wijst het EESC op de nadelige gevolgen als lidstaten blijven kopen wat in het buitenland, vooral in de VS, beschikbaar is. Ten eerste ondermijnt dit de voordelen van een Europese markt voor de industrie. De prijzen voor zulke defensieproducten zullen immers voor Europese afnemers stijgen als de industrie ze niet op markten in derde landen kan verkopen, waar de (overheids)concurrentie zeker feller zal worden. Ten tweede: Europese landen die kopen wat beschikbaar is in de VS, betalen voor Amerikaanse technologiekosten, die in de prijs van zulke producten verwerkt zijn.

4.23

Gezien de financiële en internationale politieke vooruitzichten zijn in Europa een fundamenteel debat en operationele conclusies geboden. Als niet alle lidstaten aan een gemeenschappelijk kader willen meewerken, dan zou het beginsel van ‧versterkte samenwerking‧ moeten gelden. Meer integratie en een positieve houding tegenover Europese aankopen zullen de enige manier blijken te zijn om een marktomvang te benaderen die vergelijkbaar is met die in de VS. Zonder een goed werkende binnenlandse markt is het maar zeer de vraag of de Europese industrie op mondiaal niveau kan concurreren.

5.   Enkele specifieke kwesties

5.1

Het industriële landschap is voor de diverse strijdkrachten (te land, ter zee en in de lucht) van land tot land heel verschillend. Op sommige gebieden kan geen enkel land nog langer in staat worden geacht zelfstandig nieuwe generaties wapens te ontwikkelen.

5.2

In de landsector is slechts een beperkt aantal grote systeemintegrerende ondernemingen in staat om zware gevechtstanks en lichtere militaire voertuigen te ontwikkelen en te produceren. De belangrijkste Europese producenten zijn Frankrijk, Duitsland en het VK. Er is een breed spectrum van producenten van subsystemen en third tier-leveranciers, waarbij Midden-Europa ondervertegenwoordigd is.

5.3

Veel landen hebben hun ‧eigen‧ scheepsbouw, en bouwen marineschepen die per land zeer uiteenlopen wat afmeting en complexiteit betreft. De LoI-landen en Nederland geven de toon aan, ook wat betreft het ontwerp en complexe onderzoeksfaciliteiten voor de marinescheepsbouw, die heel anders zijn dan bij de bouw van civiele schepen. Ook hier is er sprake van een breed aanbod van subsysteemfabrikanten en ‧third tier-leveranciers‧.

5.4

Gevechtsvliegtuigen worden slechts in enkele landen ontwikkeld en geproduceerd. De industrie is geconcentreerd in enkele grote multinationals, die actief zijn in Europa en daarbuiten. De industrie is hoofdzakelijk in handen van EADS, BAE-Systems, Dassault en Saab-Aircraft. Geavanceerd aerodynamica-onderzoek is tot enkele landen beperkt.

5.5

De elektronicasector, inclusief commando, communicatie en controle, is van groeiend belang voor defensie, met grote industriële spelers als Thales, BAE-Systems en Finmeccanica. Voor de grootste Europese elektronicaconcerns, Philips en Siemens, is defensie van minder belang. Voor hen is de hoeveelheid van goedkope, in massa geproduceerde specifieke elektronische onderdelen, zoals geïntegreerde schakelingen voor defensie, sowieso te klein. Het betrekken van deze grote concerns geeft echter aan hoe belangrijk tweeërlei gebruik op dit gebied is.

5.6

Wat betreft munitie en explosieven is het aantal bedrijven de laatste decennia geleidelijk gedaald, deels vanwege milieubeperkingen. De openbare veiligheid dwingt zulke bedrijven om oudere vestigingen te verplaatsen of om ze eenvoudigweg te sluiten.

5.7

De toegang tot kritische technologie is essentieel en moet ondersteund worden in het kader van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB). Hetzelfde geldt voor bepaalde materialen, zoals koolstofvezels of materialen voor elektronische onderdelen.

5.8

Het in 2009 goedgekeurde Defensiepakket uit 2007 kan waardevolle steun verlenen. De lidstaten hadden de richtlijnen in de zomer van 2011 moeten omzetten. Het is nog te vroeg om positief of sceptisch te zijn over het domino-effect hiervan voor het scheppen van een interne markt. Het proces is nog niet voltooid en de verwezenlijking van de doelstelling inzake overdracht van defensieproducten binnen de Unie, evenals de toepassing van begrippen als wezenlijke nationale veiligheidsbelangen, blijven een open vraag.

5.9

Artikel 346 VWEU bevat een uitzondering op de EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten uit hoofde van de bescherming van wezenlijke nationale veiligheidsbelangen. De ruim opgevatte formulering staat wellicht een gezonde marktontwikkeling in de weg, met name voor wenselijk geachte leveringsketens. Het EESC bepleit een specifiekere uitleg van artikel 346, die genoeg ruimte laat voor Europese oplossingen en optimale Europese leveringsketens en oog heeft voor voorzieningszekerheid, beschikbare specialismen in de lidstaten en de prijs-kwaliteitverhouding.

5.10

De nationale veiligheid van informatie veroorzaakt soortgelijke problemen als die vermeld in paragraaf 5.9 en dient eveneens herzien te worden. Dit is ook een belangrijk en gevoelig onderwerp bij het betrekken van Europese bedrijven bij defensieprojecten in de VS.

5.11

"Delen en combineren", inclusief gemeenschappelijke opleidingen, zou een toekomstgericht programma moeten zijn. Fundamenteel is dat lippendienst vervangen wordt door concrete plannen en een doelgerichte benadering met duidelijk omschreven fasen. Maar zolang er geen overeenstemming over een defensiedoctrine is, zal het heel moeilijk zijn om het "delen en combineren" op een haalbare manier uit te voeren.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Zie ‧Towards a Stronger Europe‧, een verslag van een onafhankelijk onderzoeksteam, ingesteld door de ministers van defensie van de landen van de Independent European Programme Group, om met voorstellen te komen ter verbetering van het concurrentievermogen van Europa's defensie-industrie.

(2)  Gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid als integraal onderdeel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, Verdrag betreffende de Europese Unie, art. 42 vv. PB C 115, 9 mei 2008.

(3)  Richtlijnen 2009/43/EG (PB L 146, 10.6.2009) en 2009/81/EG (PB L 216, 20.8.2009). De Raad en het EP hebben het Defensiepakket in 2009 goedgekeurd. De lidstaten hadden het in de zomer van 2011 moeten uitvoeren. Het Defensiepakket bevatte ook een mededeling: ‘Een strategie voor een sterkere en meer concurrerende Europese defensie-industrie’, COM (2007) 764, 5.12.2007.

(4)  De Europese fondsen moeten hierbij betrokken worden: het aanstaande KP8, het Europese Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds.

(5)  EU State of the Union, november 2011.

(6)  EP-resolutie van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten (2011/2177(INI))

(7)  Zie art. 45, lid 1, en art. 42, lid 3, VEU, PB C 115, 9.5.2008.

(8)  Zie A comprehensive analysis of emerging competences and skill needs for optimalpreparation and management of change in the EU defence industry, eindverslag, mei 2009, een verslag van Eurostrategies voor de Europese Commissie.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/24


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Vrouwelijke ondernemers — Specifieke maatregelen om de groei en werkgelegenheid in de EU te bevorderen (initiatiefadvies)

2012/C 299/05

Rapporteur: mevrouw SHARMA

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 januari 2012 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Vrouwelijke ondernemers – specifieke maatregelen om de groei en werkgelegenheid in de EU te bevorderen.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 121 stemmen vóór en 7 tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen ter bevordering van het ondernemerschap onder vrouwen in Europa

1.1   In dit advies worden vier belangrijke concrete voorstellen gedaan voor beleidsmaatregelen om het ondernemerschap onder vrouwen te bevorderen en verder te ontwikkelen, om zo de duurzame groei in Europa te ondersteunen. Daarbij gaat de aandacht uitsluitend uit naar het ondernemerschap onder vrouwen; de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt of het besluitvormingsproces zijn bredere aspecten die hier niet aan de orde komen.

1.2   De beleidsaanbevelingen zijn niet kostenneutraal, maar de geringe investeringen die van de Europese Commissie en de lidstaten wordt verlangd, zullen gecompenseerd worden door het rendement in de vorm van de economische meerwaarde als gevolg van de toename van het aantal bedrijven met een vrouwelijke eigenaar in de economie en als gevolg van de banen die deze bedrijven zullen genereren. Ook zouden middelen onttrokken kunnen worden aan projecten die weinig effect sorteren, om daarmee de doelstellingen beter te ondersteunen.

1.3   Bovendien hoeven er geen nieuwe structuren opgezet te worden en kunnen de beleidsaanbevelingen ondergebracht worden bij de huidige ministeries voor economische ontwikkeling. Ze mogen echter niet ondergebracht worden bij de ministeries die verantwoordelijk zijn voor gendergelijkheid, omdat ondernemerschap van vrouwen een "economische" kwestie is.

1.4   De aanbevelingen kunnen worden onderbouwd door het rendement dat soortgelijke maatregelen in de VS hebben opgeleverd: verdubbeling van het aantal vrouwelijke ondernemers, toename van de werkgelegenheid en een grotere economische input in de samenleving. Het grootste effect is toe te schrijven aan de verplichte inzameling en verschaffing van gegevens (1).

1.5   Oprichting van een Europees bureau voor vrouwelijke ondernemers binnen de Europese Commissie en de verantwoordelijke ministeries van de lidstaten (bij voorkeur geen ministeries die verantwoordelijk zijn voor gendergelijkheid, zodat een onderscheid wordt gemaakt tussen de bevoegdheid voor economische activiteiten en de bevoegdheid voor gendergelijkheid), zonder volledig nieuwe structuren op te zetten.

1.6   Benoeming van een directeur/gezant of hoge vertegenwoordiger voor vrouwelijke ondernemers binnen de Europese Commissie en de voor ondernemingen verantwoordelijke ministeries van de lidstaten, met als taak op alle beleidsterreinen de aandacht te vestigen op de economische voordelen die het oplevert om meer vrouwen aan te sporen een eigen zaak op te zetten en uit te bouwen.

1.7   Verzameling van gegevens en opstellen van jaarlijkse updates van het beleid en het onderzoek op het gebied van ondernemerschap van vrouwen in de Europese regio's, om zo beter toegang te krijgen tot naar geslacht uitgesplitste gegevens van ministeries en overheidsinstanties.

1.8   Handhaving van de huidige wetgeving op het gebied van gendergelijkheid. Hierbij dient ervoor gezorgd te worden dat de allocatie van hulpbronnen en middelen per geslacht wordt geanalyseerd ten behoeve van de transparantie, verantwoordingsplicht en zorgvuldigheid, zodat kan worden aangetoond dat daadwerkelijk sprake is van gendergelijkheid.

1.9   Om een gunstig klimaat voor vrouwelijke ondernemers te scheppen dient ook te worden overwogen om:

mannen bij de discussie en de communicatie te betrekken;

stereotiepe denkbeelden over mannen en vrouwen uit te bannen, met name in het onderwijs en bij carrièremogelijkheden;

een impuls te geven aan academische studies die ertoe kunnen leiden dat vrouwen voor zichzelf beginnen;

een gelijke toegang tot financiering en hulpbronnen te waarborgen;

de socialezekerheidsvoorzieningen voor zelfstandigen te verbeteren.

2.   Context

2.1   Groei en het midden- en kleinbedrijf (mkb) in de EU

2.1.1   In de resolutie van het Europees Parlement over ondernemerschap voor vrouwen in het midden- en kleinbedrijf (2) wordt het volgende gesteld: "overwegende dat er discrepanties bestaan tussen lidstaten in de aantallen vrouwelijke ondernemers; overwegende dat minder vrouwen dan mannen het ondernemerschap als een haalbare carrièrekeuze beschouwen, en dat ondanks de stijging van het aantal door vrouwen geleide kmo's in het afgelopen decennium, in de Europese Unie slechts 1 op de 10 vrouwen ondernemer is, tegenover 1 op de 4 mannen; overwegende dat ongeveer 60 % van alle academici vrouwen zijn, maar dat zij op de arbeidsmarkt ondervertegenwoordigd zijn in voltijdse banen, met name in het zakenleven; overwegende dat het cruciaal is om vrouwen aan te moedigen en in staat te stellen als ondernemer actief te worden, teneinde de bestaande genderongelijkheid te verminderen".

2.1.2   Tegen de achtergrond van de financiële crisis in Europa is de aandacht vooral uitgegaan naar bezuinigingen als middel om deze crisis te boven te komen. Pas de laatste tijd wordt niet alleen over bezuinigingen, maar ook over investeringen gesproken. Maatregelen om de groei te stimuleren moeten in het middelpunt komen te staan.

2.1.3   In een wereld die in beweging is en gekenmerkt wordt door onzekerheid, voortdurende veranderingen en een veel intensievere mondiale concurrentie, is het voor de totstandbrenging van een concurrerende en dynamische Europese economie van cruciaal belang dat de rol van ondernemers bij het kanaliseren van dergelijke investeringen ten behoeve van het economisch herstel wordt onderkend. Nu de Europese Commissie de rol van het mkb in onze samenleving heeft erkend, is het benutten van het potentieel van het mkb een belangrijk aandachtspunt geworden.

2.1.4   Ondernemers zijn nog belangrijker geworden als partijen die banen scheppen en een hoofdrol spelen bij de welvaart van lokale en regionale gemeenschappen (3). Met de Strategie van Lissabon voor groei en werkgelegenheid, de Small Business Act, Europa 2020 en het nieuwe COSME (4) heeft de EU de behoeften van het mkb stevig in het middelpunt van haar activiteiten geplaatst en daarmee positieve resultaten behaald.

2.1.5   Zowel de nationale en lokale omgeving waarin kleine en middelgrote ondernemingen opereren als de aard van de bedrijven zelf vertoont grote verschillen binnen de EU. Bij maatregelen ten behoeve van het mkb dienen deze diversiteit alsook het subsidiariteitsbeginsel dan ook volledig in acht te worden genomen (Denk eerst klein – Een Small Business Act voor Europa).

2.1.6   In zijn recente advies over de Mededeling "Kleine ondernemingen in een grote wereld - een nieuw partnerschap om kmo's te helpen kansen wereldwijd te benutten" (5) merkt het EESC op dat de Commissie uitgaat van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in bedrijven, maar geen gerichte aanbevelingen formuleert om kleine of middelgrote ondernemingen van vrouwen die internationaal willen gaan opereren te ondersteunen.

2.1.7   Het ontbreekt in Europa aan een infrastructuur die specifiek gericht is op ondersteuning van vrouwelijke ondernemers. Bij geen van bovengenoemde beleidsinitiatieven, daaropvolgende maatregelen of voorschriften is ten volle rekening gehouden met de genderaspecten van ondernemerschap of zijn de groeimogelijkheden of de diversiteit binnen het bedrijfsleven in kaart gebracht (bedrijf aan huis, micro-onderneming, familiebedrijf).

2.2   Het huidige beleid m.b.t. ondernemingen van vrouwen

2.2.1   Ondernemingen van vrouwen zijn van cruciaal belang voor een gezonde Europese economie. Al ruim tien jaar wordt door regeringen en een reeks organisaties in de publieke en de private sector en in de academische wereld erkend hoe waardevol ondersteuning van vrouwelijke ondernemers zowel uit politiek als uit praktisch oogpunt is. Als gevolg hiervan is men zich meer bewust geworden van de bijdrage die deze ondernemingen leveren aan de economie.

2.2.2   De Commissie probeert momenteel samen met de lidstaten manieren te vinden om die belemmeringen die vrouwen ervan weerhouden een eigen zaak te beginnen, weg te nemen. In dat verband zijn o.m. de volgende initiatieven opgezet:

het Europees Netwerk van mentoren voor vrouwelijke ondernemers: dit netwerk werd tijdens een evenement in het kader van het Poolse EU-voorzitterschap op 15 november 2011 opgericht. Het netwerk is een van de acties die bij de herziening van de Small Business Act in 2011 werd voorgesteld, en is bedoeld om het ondernemerschap onder vrouwen in Europa te promoten, ondersteunen en te bevorderen.

het Europees Netwerk voor beleidsmakers ter bevordering van ondernemerschap onder vrouwen (WES);

de portaalsite voor ondernemerschap onder vrouwen (6).

3.   Economisch potentieel

3.1   Hoewel de geboekte vooruitgang bemoedigend is, moet de EU nog meer belangrijke maatregelen treffen om het volledige potentieel van – vooral kleine en middelgrote – ondernemingen met een vrouwelijke eigenaar te benutten. Vrouwen zijn te vaak niet zichtbaar in het zakenleven, bijv. in de media, binnen bedrijfsorganisaties en bij het uitoefenen van invloed op het beleid.

3.2   Er is nog altijd sprake van een kloof tussen mannen en vrouwen in de zin dat er minder vrouwelijke ondernemers zijn. Slechts 30 % van alle ondernemers in Europa bestaat uit vrouwen. Ook hier liggen dus onbenutte kansen op economische groei.

3.3   In 2012 is de rol van bedrijven met een vrouwelijke eigenaar belangrijker dan ooit: bedrijven van vrouwen zijn in heel Europa en in aangrenzende regio's zoals Euromed (7) actief, in elke sector, en hun bijdrage aan het stimuleren van de economie en het creëren en behouden van banen is van cruciaal belang voor het herstel en de groei.

3.4   Zeer verontrustend is dat in een tijd waarin in veel landen op overheidsuitgaven ter ondersteuning van bedrijven wordt bezuinigd en waarin veel bedrijven maar met moeite het hoofd boven water kunnen houden en kunnen groeien, beleidsmaatregelen om bedrijven van vrouwen te ondersteunen ondanks alle loffelijke woorden van de agenda zijn verdwenen. Met de kansen die ondernemingen van vrouwen bieden, zijn miljarden euro's gemoeid (8); een gegeven dat onderkend moet worden en niet van tafel mag worden geveegd.

3.5   Een van de grootste problemen bij het meten van het aantal ondernemingen van vrouwen in Europa is het gebrek aan zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens. Bedrijfsregisters en veel bronnen die voor de overheidsstatistieken worden gebruikt (zoals btw-registers) zijn niet uitgesplitst naar geslacht. Ook bij banken en organisaties ter ondersteuning van het bedrijfsleven is informatie op basis van geslacht niet gemakkelijk te verkrijgen.

3.6   Toch zijn er nog diverse betrouwbare bronnen van informatie over ondernemerschap en werken als zelfstandige die wel informatie over ondernemersactiviteiten van mannen en vrouwen verstrekken, zoals de Global Entrepreneurship Monitor (GEM) en de jaarlijkse bevolkingsonderzoeken in de meeste Europese landen (volkstellingen). De inzameling van gegevens in de VS laat zien welke mogelijkheden Europa nog kan benutten (9).

3.7   Onderzoek wijst uit (10) dat bedrijven met een vrouwelijke eigenaar meer investeren in de scholing van hun personeel dan werkgevers in het algemeen doen, en dat circa twee derde de leiderschapskwaliteiten van hun managers wil verbeteren. Investeringen ter ondersteuning van op groei gerichte ondernemingen van vrouwen zullen dus waarschijnlijk een groter rendement opleveren dan investeringen in bedrijven in het algemeen.

3.8   Deze ramingen zijn overigens nog aan de voorzichtige kant: onderzoek heeft sterke aanwijzingen opgeleverd dat de groeiaspiraties van vrouwelijke ondernemers, onder wie vrouwen met kinderen, nog groter zijn (11). Onderzoek van de Natwest Bank in het VK wees uit dat 88 % van de vrouwen een groei van hun bedrijf voorspelden, tegenover 74 % van de mannen. De voorspelde groei bedroeg gemiddeld 25 %.

4.   Gendergelijkheid in ondernemingen

4.1   De EU heeft de morele plicht om vrouwen te geven wat zij echt verdienen. De genderagenda dient altijd voorop te staan bij de besluitvorming van de EU. In tijden van crisis wordt "genderrechtvaardigheid" nóg belangrijker. Zowel mannen als vrouwen moeten zich in de discussie laten horen; veel te vaak laten alleen vrouwen zich uit over kwesties die vrouwen betreffen.

4.2   In heel Europa is gendergelijkheid wel onderdeel van het beleid en de wetgeving geworden, maar aandacht voor een analyse van de allocatie van hulpbronnen en middelen aan mannen resp. vrouwen is er niet. Een dergelijke analyse is echter wel noodzakelijk ten behoeve van de transparantie, verantwoordingsplicht en zorgvuldigheid zodat kan worden aangetoond dat daadwerkelijk sprake is van gendergelijkheid.

4.3   In het VK is dit een wettelijke vereiste: in het kader van de "Gender Equality Duty" (12) (gendergelijkheidsplicht) zijn alle overheidsinstanties bij al hun taken verplicht om:

onwettige discriminatie en intimidatie op basis van geslacht uit te bannen;

gelijke kansen van mannen en vrouwen te bevorderen.

In dit verband dient de allocatie van hulpbronnen en middelen geanalyseerd te worden om genderneutraliteit aan te tonen.

4.4   De gendergelijkheidsplicht is belangrijk om gendergelijkheid door middel van verantwoordelijkheid en door de beoordeling van de allocatie van hulpbronnen en de inzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens te waarborgen. Op die manier kunnen beleidsmakers nagaan wat de werkelijke impact op ondernemerschap onder vrouwen is. (Voorbeeld: het Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF): de EU stelt middelen ter beschikking aan de lidstaten, die deze middelen weer verdelen op regionaal niveau. Vaak worden deze middelen gebruikt om banen te scheppen door bedrijven op te richten. Het genderaspect speelt daarbij echter geen enkele rol.) Ten behoeve van de transparantie rond gendergelijkheid zouden beleidsmakers op ieder niveau zich moeten afvragen en moeten nagaan hoe het geld tussen mannen en vrouwen wordt verdeeld.

4.5   Sekse kan een "lens" zijn waardoor andere ongelijkheden (ras, handicap of leeftijd) begrepen en aangepakt kunnen worden. Wil gendermainstreaming in Europa vruchten afwerpen, dan moet er een geïntegreerde benadering komen, zoals aangegeven in het OESO-verslag "Tackle gender gap to boost growth" (13). Aandacht voor gender beslaat alle aspecten van gelijkheid en betreft iedereen, man en vrouw. Met aandacht voor gendergelijkheid wordt erkend dat ongelijkheden tussen vrouwen en mannen het gevolg zijn van oneerlijkheid of stereotyperingen waar iedereen mee te maken heeft.

4.6   Een genderanalyse is noodzakelijk om verspilling van middelen in het onderwijs, grotere gezondheidsproblemen, en economische kosten voor bedrijven waarin de vaardigheden van vrouwen niet worden gewaardeerd en hun potentieel en talenten niet worden onderkend, te voorkomen. Bovendien is ondersteuning van loopbaanbegeleiding, bestrijding van stereotiepe opvattingen en doorbreking van het glazen plafond van cruciaal belang voor de empowerment van vrouwen van alle leeftijden. Vrouwelijke rolmodellen en leiders moeten ook een meer vooraanstaande rol in de media en de samenleving krijgen om de aandacht te vestigen op de positieve veranderingen die vrouwen in de economie teweegbrengen.

5.   Aanbevelingen

5.1   Beleidsmaatregelen

5.1.1   Het EESC beseft dat Europa thans in het teken staat van bezuinigingen, maar eenvoudige gerichte maatregelen ten behoeve van ondernemingen van vrouwen zouden een rendement kunnen opleveren dat opweegt tegen de geringe inspanningen die de EU en de lidstaten zich moeten getroosten om de desbetreffende voorstellen uit te voeren.

5.1.2   Onderstaande voorstellen zijn niet willekeurig gekozen; ze zijn het resultaat van overleg met vrouwelijke ondernemers en met ondernemersverenigingen. Soortgelijke aanbevelingen zijn ook opgenomen in de resolutie van het Europees Parlement (14). Van groot belang is ook dat de VS dergelijke maatregelen heeft ingevoerd door middel van de Women's Business Ownership Act (1988). Het grootste effect daarvan was te danken aan de verplichte inzameling en verschaffing van gegevens. De verhouding tussen vrouwelijke en mannelijke ondernemers in de VS ligt nu rond de 2:1 (het percentage vrouwelijke ondernemers is in de VS gestegen van 26 % in 1992 tot 57 % in 2002). Het aantal vrouwelijke ondernemers werd hiermee verdubbeld, er werden meer banen gecreëerd en de economische input in de samenleving werd vergroot.

5.1.3   Het EESC stelt het volgende voor:

5.1.3.1

Oprichting van een bureau voor vrouwelijke ondernemers binnen de Europese Commissie en de verantwoordelijke ministeries van de lidstaten. Een dergelijk bureau dient bij voorkeur niet ondergebracht te worden bij het ministerie dat verantwoordelijk is voor gendergelijkheid, zodat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de bevoegdheid voor economische activiteiten en de bevoegdheid voor gendergelijkheid. Het bureau moet worden uitgerust met een serieus mandaat, doelstellingen en middelen. Binnen DG Ondernemingen wijdt slechts 1 van de 900 personeelsleden zich aan vrouwelijk ondernemerschap in Europa!

5.1.3.2

Benoeming van een directeur/gezant of hoge vertegenwoordiger voor vrouwelijke ondernemers binnen de Europese Commissie en de voor ondernemingen verantwoordelijke ministeries van de lidstaten, met als taak op alle beleidsterreinen de aandacht te vestigen op de economische voordelen die het oplevert om meer vrouwen aan te sporen een eigen zaak op te zetten en uit te bouwen. Deze functies kunnen slechts gedurende een bepaalde tijd (4 tot 10 jaar, afhankelijk van de economie en de financieringsstructuur) worden bekleed en hebben een zeer duidelijke taakomschrijving, met concrete doelstellingen en verantwoordingsplicht. De directeur/gezant of hoge vertegenwoordiger voor vrouwelijke ondernemers zou ook verantwoordelijk kunnen zijn voor het promoten van mogelijkheden in het bedrijfsleven en in de academische wereld die tot meer vrouwelijke ondernemers kunnen leiden, zoals onderzoek, wetenschap, hightech, directe verkoop en online-/IT-ontwikkeling.

5.1.3.3

Inzameling van essentiële gegevens om de allocatie van hulpbronnen aan vrouwelijke ondernemers te meten en te kwantificeren – een belangrijke reden waarom vrouwen in het bedrijfsleven, en dan met name in de opstartfase, met discriminatie te maken hebben. Ondersteuning van het opstellen van jaarlijkse updates van het beleid en onderzoek op het gebied van vrouwelijk ondernemerschap in de Europese regio's. Er moeten meer naar geslacht uitgesplitste gegevens van ministeries en overheidsdiensten worden verzameld. Het is essentieel dat DG Ondernemingen en de ministeries die verantwoordelijk zijn voor economische ontwikkeling een gendereffectbeoordeling uitvoeren door relevante data te verzamelen, waaronder het aantal vrouwelijke ondernemers, het aantal bedrijven dat in handen is van vrouwen, het aantal werknemers in deze bedrijven, en de allocatie van middelen aan deze bedrijven en ondernemers. Het is van belang te erkennen dat landen als Australië, Canada en de VS een toename van het aantal vrouwelijke ondernemers hebben weten te bereiken door dergelijke gegevens in te zamelen en te analyseren.

5.1.3.4

Handhaving van de huidige wetgeving op het gebied van gendergelijkheid. Uit recente gegevens blijkt dat de werkloosheid onder vrouwen in Europa in 23 jaar niet zo hoog geweest is als nu. Ook het aantal economisch niet actieve jongeren bereikt een recordhoogte. Daaronder bevinden zich ook veel afgestudeerde vrouwen. Er is sprake van een loonkloof en vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in het besluitvormingsproces binnen Europa. Het is essentieel dat de EU en de lidstaten hun plicht op het gebied van gendergelijkheid nakomen door informatie naar geslacht uit te splitsen, met name bij het verzamelen van gegevens en de allocatie van middelen.

5.2   Initiatieven van het maatschappelijk middenveld

5.2.1   Het EESC stelt het volgende voor:

5.2.1.1

Aangezien alle activiteiten die verband houden met het bevorderen van vrouwelijk ondernemerschap en van bedrijven met een vrouwelijke eigenaar maatschappelijke en economische baten opleveren die iedereen ten goede komen, moeten mannen worden aangespoord om deel te nemen aan dit debat en de meerwaarde van het bevorderen van ondernemerschap onder vrouwen te erkennen. De desbetreffende communicatie, netwerken en training zouden zowel mannen als vrouwen moeten omvatten; de sociale bescherming dient een gelijke behandeling van iedereen in de samenleving te waarborgen.

5.2.1.2

Iedereen moet ondernemer kunnen worden: binnen het onderwijs moeten stereotiepe opvattingen over ondernemers op alle niveaus bestreden worden en het taalgebruik en de bewoordingen t.a.v. ondernemers dienen aangepast te worden. Ook dient de ondersteuning die ondernemers momenteel door universiteiten en andere onderwijsinstellingen wordt geboden, aantrekkelijk en nuttig te zijn voor jonge vrouwen, zodat de kloof tussen het aantal jonge mannen en het aantal jonge vrouwen dat een eigen bedrijf opzet, wordt gedicht.

5.2.1.3

Vrouwen van alle leeftijden dienen op genderneutrale wijze te worden aangemoedigd een al dan niet traditionele loopbaan te kiezen. Europa telt veel hooggekwalificeerde afgestudeerde vrouwen; een groot aantal van hen zit momenteel door de crisis zonder werk en heeft wellicht nog niet overwogen zelf een bedrijf op te richten.

5.2.1.4

Er moeten gerichte bedrijfscentra voor vrouwen komen, die essentiële diensten in de vorm van bedrijfsinformatie, netwerken, kennisdeling, scholing en mentorregelingen bieden. In sommige EU-lidstaten bestaan dergelijke bedrijfscentra nog niet; in andere maken ze onderdeel uit van bedrijfsverenigingen en kamers van koophandel en beschikken ze over te weinig middelen. Bedrijfscentra die middelen gericht inzetten, kunnen echter uitstekende resultaten boeken met het bevorderen van ondernemerschap onder vrouwen. Veel voorbeelden hiervan zijn te vinden in Duitsland.

5.2.1.5

Er moet worden gezorgd voor ondersteuning en toegang tot informatie, middelen en hulpbronnen op het gebied van onderzoek, wetenschap en technologie voor vrouwen die voor zichzelf willen beginnen of hun onderzoek of innovaties verder willen ontwikkelen.

5.2.1.6

Financiële instellingen dienen zich te bezinnen op de bekendmaking van naar geslacht uitgesplitste informatie over leningen. Uit onderzoek blijkt dat er weinig aan vrouwen wordt geleend en dat hiervoor vaak een veel hogere rente wordt berekend dan bij leningen aan mannen (15).

5.2.1.7

De socialezekerheidsvoorzieningen voor alle ondernemers dienen nader onderzocht te worden, en dan met name de praktische aspecten van de voorzieningen voor vrouwelijke ondernemers tijdens zwangerschap, met kinderen en met zorgtaken. In haar actieplan "De Europese agenda voor ondernemerschap" (16) vestigt de Commissie de aandacht op de behoefte aan betere socialezekerheidsregelingen, maar gaat zij niet zo ver dat zij concrete voorstellen doet.

5.2.1.8

Er moet een voor de hele EU geldende mediaovereenkomst worden gesloten, om publieke zenders van de lidstaten aan te sporen zich ertoe te verbinden een bepaald percentage van hun berichtgeving over ondernemerschap te wijden aan vrouwen – in plaats van in het katern "Vrouw" moeten vrouwen in het katern "Bedrijven" worden geplaatst! Onderzoek wijst uit dat de berichtgeving in de media de opvattingen en houdingen t.a.v. vrouwelijke ondernemers significant en positief kan beïnvloeden. Meer aandacht in de media voor succesvolle vrouwelijke ondernemers als rolmodel zou een meetbaar effect hebben op maatschappelijke houdingen t.a.v. vrouwelijke ondernemers.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  1988: Women's Business Ownership Act (HR5050) http://www.nwbc.gov/sites/default/files/nwbc05.pdf.

(2)  (2010/2275(INI)).

(3)  EESC-advies over Inzetbaarheid en ondernemingszin – rol van het maatschappelijk middenveld, de sociale partners en de decentrale overheden rekening houdend met de genderproblematiek (PB C 256 van 27.10.2007, blz. 114).

(4)  Programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) 2014 – 2020.

(5)  COM(2011) 702 final.

(6)  Zie http://ec.europa.eu/enterprise/policies/sme/promoting-entrepreneurship/women/portal/.

(7)  EESC-advies over Bevordering van het ondernemerschap van vrouwen in de Euromediterrane regio (PB C 256 van 27.10.2007).

(8)  Zie www.wescotland.co.uk/wepg.

(9)  http://womeninbusiness.about.com/od/wibtrendsandstatistics/a/statswibindustr.htm

(10)  http://www.bis.gov.uk/assets/biscore/enterprise/docs/b/11-1078-bis-small-business-survey-2010-women-led-businesses-boost.pdf

(11)  http://www.enterprising-women.org/static/ew_growthreport.pdf.

(12)  http://freedownload.is/doc/overview-of-the-gender-equality-duty-11622854.html.

(13)  http://www.oecd.org/document/0,3746,fr_21571361_44315115_50401407_1_1_1_1,00.html.

(14)  (2010/2275(INI)).

(15)  Zie bijvoorbeeld "Women and banks - Are female customers facing discrimination?", IPPR report, november 2011, in: http://www.wireuk.org/uploads/files/women-banks_Nov2011_8186.pdf; "Women's business ownership: a review of the academic, popular and internet literature", in: http://www.bis.gov.uk/files/file38362.pdf.

(16)  COM(2004) 70 final.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/29


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van de vrouw als drijvende kracht achter een ontwikkelings- en innovatiemodel voor de landbouw en de plattelandsgebieden (initiatiefadvies)

2012/C 299/06

Rapporteur: Daniela RONDINELLI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 19 januari 2012 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het thema:

De rol van de vrouw als drijvende kracht achter een ontwikkelings- en innovatiemodel voor de landbouw en de plattelandsgebieden.

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling, Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 26 juni 2012 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 12 juli) onderstaand advies met 204 stemmen vóór en 5 stemmen tegen, bij 3 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het potentieel van vrouwen die in landbouw- en plattelandsgebieden werken en/of een onderneming leiden, moet worden geanalyseerd, in kaart gebracht en in alle beleidslijnen van de Unie worden opgewaardeerd. Dit potentieel mag voorts geenszins door het beleid worden benadeeld. Een en ander is noodzakelijk om vrouwen in staat te stellen aan ontwikkeling en innovatie mee te werken en de hele sector te helpen de crisis te boven te komen.

1.2

Gelijke behandeling, gelijke kansen en acties ter bevordering van de arbeidsvoorwaarden voor vrouwen moeten in de hele wetgeving en de programma's van de EU worden gewaarborgd via een effectieve gender mainstreaming, door de procedures voor toegang tot financiële middelen te vereenvoudigen en regelmatig toe te zien op de geboekte resultaten.

1.3

Vrouwen moeten betrokken worden bij de ontwikkelingsplannen voor de sector op lokaal en regionaal niveau. Zij moeten met het oog daarop in staat worden gesteld deel te nemen, behoeften en ervaringen uit te wisselen en projecten op te zetten (capacity building).

1.4

Universiteiten en onderzoekscentra moeten met de betrokken vrouwen samenwerken om mogelijkheden en behoeften te analyseren, opleidings- en technologische instrumenten aan te reiken om de ontwikkeling van door vrouwen geleide ondernemingen te ondersteunen, alsook de kwaliteit van het werk en het leven van vrouwen die in de landbouw actief zijn, te verbeteren.

1.5

ICT (1) zijn van cruciaal belang om activiteiten van vrouwen in de landbouw te ontwikkelen en te verbeteren, op voorwaarde dat zij efficiënt zijn, goed over het grondgebied verspreid en toegankelijk zijn, alsook betaalbaar zijn (breedband). Een en ander kan ook banen voor ICT-technici creëren.

1.6

De door gedegen ICT ondersteunde totstandbrenging van vrouwennetwerken zorgt voor de ontwikkeling van contacten, bevordert participatie, relaties en de uitwisseling van goede praktijken met vrouwen in de EU en in kandidaat-lidstaten en derde landen, hetgeen de internationale samenwerking en de handel alleen maar ten goede kan komen.

1.7

De opleiding moet afgestemd zijn op de behoeften en de mogelijkheden van de betrokken vrouwen. Innovatieve vormen van voorlichting kunnen aan de keuze van de vrouwen zelf worden overgelaten (discussiegroepen en zelfopleiding, krantenartikels, voorlichtingsacties in opleidingsinstellingen, enz.).

1.8

Om vrouwen in staat te stellen zich te organiseren, te participeren en hun mogelijkheden te ontplooien, zijn doeltreffende, toegankelijke en flexibele diensten nodig waardoor zij minder tijd aan hun zorgtaken behoeven te besteden. Dit geldt zowel voor de gezondheidszorg, vervoer, krediet, distributie, marketing en zorg voor ouderen en kinderen, als voor sociale zekerheid om voorzieningen te creëren voor vrouwen die anders nergens voor in aanmerking komen. Ook in dit geval wordt in de betrokken diensten indirect werkgelegenheid gecreëerd.

1.9

Alle EU-lidstaten zouden ervoor moeten ijveren dat er juridische erkenning komt voor de meewerkende echtgeno(o)t(e)/partner zodat ook zij sociale zekerheid en gezondheidszorg kunnen genieten. Het zou een goede zaak zijn om op EU-niveau een regelgevend kader voor een gezamenlijk recht uit te werken, eventueel via een statuut voor vrouwen in de landbouw en in rurale gebieden.

1.10

Vrouwen kunnen bijdragen aan de duurzaamheid van de landbouw en het grondgebied indien zij over de nodige kennis- en technologische instrumenten kunnen beschikken (groene technologieën, doeltreffend beheer en gebruik van hulpbronnen, productie van schone energie). Om dergelijke innovatieve en duurzame bedrijven op te zetten moet er een fast track komen die de toegang tot financiële middelen vereenvoudigt (met name onder de 2e GLB-pijler).

1.11

Vrouwen kunnen de drijvende kracht zijn achter een opleving van de ambachtelijke sector, kwaliteitsvolle en biologische traditionele producten, mede door intensievere interactie tussen (vrouwelijke) producenten en (vrouwelijke) consumenten, die moet worden onderzocht en opgewaardeerd (zoals in het geval van "korte ketens").

1.12

De GLB-hervorming en de maatregelen voor plattelandsontwikkeling moeten erop gericht zijn werkgelegenheid en activiteiten van vrouwen te stimuleren, met name via thematische programma's die alleen voor vrouwen bestemd zijn (2e pijler).

1.13

Lidstaten, regio's, lokale besturen en sociale partners zijn samen verantwoordelijk voor de bevordering van het potentieel van vrouwen die in de landbouw of in plattelandsgebieden actief zijn. Zij moeten in dit verband een omgeving garanderen waar de wet wordt nageleefd en een passend wettelijk kader ten uitvoer leggen, dat ook binnen hun eigen structuren de beginselen van gelijke kansen en gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen verzekert. Voorbeelden in lidstaten die navolging verdienen, moeten als prikkel dienen om ervoor te zorgen dat vrouwen, zoals het Europees Parlement ook heeft gevraagd, naar behoren worden vertegenwoordigd in alle politieke, economische en sociale gremia van de landbouwsector en de plattelandsgebieden.

2.   Het aan te boren potentieel

2.1

Het potentieel dat vrouwen in de landbouw en in plattelandsgebieden vertegenwoordigen, is ondergewaardeerd. In het GLB-verslag van 2010 (2) wordt alleen in de Eurostat-statistieken naar vrouwen verwezen en in het verslag over de plattelandsontwikkeling van 2010 wordt slechts terloops gewag gemaakt van het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen (76 %) en vrouwen (62 %) (3). Ook in het interessante besluit van de Raad van 20 februari 2006 inzake communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling  (4) worden vrouwen alleen vermeld om te wijzen op de noodzaak hun toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen.

2.2

Het Europees Parlement somt in zijn resolutie van 2011 over de rol van de vrouwen in de landbouw en in plattelandsgebieden (5) daarentegen nauwgezet de belangrijkste problemen op waarmee vrouwen geconfronteerd worden en reikt ook enkele strategische richtsnoeren aan om hen op sociaal en economisch gebied te ondersteunen. Het EESC kan zich vinden in de analyse van het EP en onderschrijft de conclusies ervan die overigens aansluiten bij een aantal van zijn eerdere adviezen (6).

2.3

Het EESC is ingenomen met het Commissievoorstel voor een verordening met gemeenschappelijke bepalingen voor de structuurfondsen en met de werkdocumenten van de Commissiediensten (7) die erbij aansluiten, zoals de Mededeling over het Europees Innovatiepartnerschap voor de landbouw (8). Deze teksten bevatten interessante elementen die doen hopen op meer institutionele aandacht voor gendervraagstukken en op daaruit volgende passende besluiten van de Raad.

2.4

Het EESC spreekt zonder meer zijn waardering uit voor de activiteiten van organisaties van plattelandsvrouwen en vergelijkbare netwerken in een aantal lidstaten. Het gaat om organisaties die deels los van en deels als onderdeel van landbouworganisaties functioneren. Ook zijn er organisaties van plattelandsjongeren die blijk geven van een opmerkelijke inzet voor de gelijke behandeling van vrouwen en mannen. Daardoor worden veel vrouwen in het zadel geholpen en gemotiveerd om hun ondernemers-, sociaal, beroepsmatig en politiek engagement onverminderd voort te zetten. De vorderingen die tot dusverre zijn gemaakt, bijvoorbeeld als het gaat om de sociale voorzieningen voor landbouwersgezinnen, zijn grotendeels aan vrouwen te danken. In sommige landbouworganisaties – waar mannen van oudsher de boventoon voeren – zijn vrouwen thans erg actief en invloedrijk (9). Voorbeelden in die zin zouden in alle lidstaten navolging moeten krijgen.

2.5

Aansluitend bij de genoemde documenten wordt in dit advies beoogd een aantal criteria en maatregelen te identificeren die vrouwen kunnen helpen hun potentieel als werknemers en ondernemers te ontplooien en daarbij een innovatieve rol te spelen met het oog op duurzame ontwikkeling en kwaliteitsvolle werkgelegenheid. Door kansen en behoeften op het gebied van werkgelegenheid en vrouwelijk ondernemerschap in de landbouw en in plattelandsgebieden beter in kaart te brengen, kan de productie worden verbeterd en gekwalificeerd, kan ze strategisch worden ontwikkeld en gediversifieerd en kan voor meer samenhang worden gezorgd tussen het GLB en de beleidsmaatregelen inzake plattelandsontwikkeling en territoriale samenhang.

3.   Gegevens en referentiecriteria

3.1

De opeenvolgende GLB-hervormingen hebben de grenzen tussen de begrippen landbouweconomie, plattelandseconomie en beheer/opwaardering van het grondgebied vervaagd. In die zin gaat het dan ook om een ruimer gebied (10) waarbinnen de problemen van vrouwen moeten worden geanalyseerd. Tegelijk is het ook des te meer zaak over precieze, opgesplitste en kwalitatieve data te beschikken en de reeds door Eurostat verrichte inspanningen ter zake te intensiveren. In de EP-resolutie van 2011 wordt ervan uitgegaan dat 26,7 miljoen mensen "regelmatig in de landbouw werkzaam zijn", waarvan 42 % (d.i. 11,2 miljoen) vrouwen zijn. Hierbij is rekening gehouden met alle landbouw- en plattelandsactiviteiten waarbij mensen een of ander werk verrichten (dat echter vaak niet hun enige of belangrijkste bezigheid is). Eurostat daarentegen meet de werkgelegenheid in de landbouw op AWU-basis (Annual Working Units), waardoor het totale aantal mannen en vrouwen dat in welke hoedanigheid ook in de sector werkzaam is, in 2010 slechts op 11,1 miljoen komt (voor werkzaamheden in de landbouw, de bosbouw, de jacht en de visvangst) en het aantal vrouwen daarin bijgevolg op slechts ca. 4,7 miljoen (11).

3.2

Deze verwijzing naar de statistische methodologie maakt duidelijk dat het daarbij niet zozeer gaat om kwantitatieve gegevens als wel om de strategische slagkracht van de landbouw- en plattelandssector in interactie met het stedelijke en voorstedelijke milieu en de duurzame ontwikkeling ervan (op milieu- en sociaal gebied). De situatie van vrouwen in de landbouw en in plattelandsgebieden zal dus vanuit een dubbel oogpunt worden bekeken: enerzijds in samenhang met de hoge productiestandaarden van de Europese landbouw, en anderzijds met betrekking tot het potentieel dat vrouwen vertegenwoordigen en dat kan worden aangeboord met beperkte middelen die evenwel op doeltreffende en gerichte wijze moeten worden aangewend. Daarbij mag niet worden vergeten dat we ons nog steeds in een ernstige crisis bevinden die problemen – maar ook kansen – met zich meebrengt voor vrouwen die leven en werken in landbouw- en plattelandsgebieden.

4.   De landbouw- en plattelandseconomie en de gevolgen van de crisis

4.1

Uit recente onderzoeken van de situatie blijkt dat na een daling van de productie en de werkgelegenheid ten gevolge van een vermindering van de consumptie en de uitvoer, de landbouw- en plattelandssector opnieuw groeit, met een stijging van de betreffende inkomsten tot gevolg. Met name op de interne markt wordt zonder meer belang gehecht aan kwaliteit en duurzaamheid. Zo vinden consumenten het steeds belangrijker lokale en/of biologische producten te kopen (0-kilometerdistributie of korte ketens (12)).

4.2

Op werkgelegenheidsgebied zijn van 2007 tot 2008 ca. 900 000 arbeidsplaatsen in de landbouw verloren gegaan, terwijl dit er voor de periode 2008-2009 op AWU-basis 200 000 waren (13). De negatieve werkgelegenheidstendens zou dus kunnen worden toegeschreven aan het feit dat minder mensen aan de slag zijn ten gevolge van rationaliseringen binnen bedrijven, waarbij ongeschoolde arbeidskrachten werden gereduceerd ten voordele van meer gespecialiseerde werknemers.

4.3

Ondanks de hoopgevende feiten is de crisis geenszins voorbij en is de situatie van vrouwen evenmin verbeterd. Bij een groot deel van de landbouwproductie wordt nog steeds op een informele manier gebruik gemaakt van vrouwelijke arbeidskrachten, die reeds sterk benadeeld worden in zowel voltijdse (26 % vrouwen tegen 52 % mannen) als deeltijdse (9,7 % mannen tegen 11,8 % vrouwen) banen (14). Voorts is er ook de seizoenarbeid (die werk biedt aan een zeer groot aantal mensen, terwijl het aantal werknemers met een overeenkomst voor onbepaalde duur beperkt is), en informeel en illegaal werk, dat een grote onzichtbare en problematische zone vormt, die niet in cijfers kan worden gevat. Hiertegen zou moeten worden opgetreden door stimulansen te geven om zwart werk aan de oppervlakte te brengen en, zo mogelijk, een vast statuut aan door vrouwen verrichte arbeid te geven.

4.3.1

Erg zorgwekkend is de situatie van migrantenvrouwen (zowel intra- als extracommunautaire migranten) aan wie vaak de meest elementaire rechten ontzegd worden, te beginnen met hun salarissen die met vertraging worden uitbetaald, of op een onverantwoorde en niet te rechtvaardigen manier verlaagd worden. Deze toestand is nog verslechterd sinds het uitbreken van de crisis en kan niet worden toegeschreven aan de moeilijkheden die kleine landbouw- en verwerkende bedrijven ondervinden om kredieten te krijgen. Tal van vrouwelijke werknemers zijn naar hun land van oorsprong moeten terugkeren zonder dat ze werden uitbetaald; anderen werden overgeleverd aan de genade van uitbuiters, criminelen of mensenhandelaars die in een aantal EU-landen helaas nog niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd.

4.3.2

De territoriale spreiding van de landbouwbedrijven en de beperkte omvang van vele onder hen maken dat moeilijk toezicht kan worden uitgeoefend op de correctheid van de arbeidsverhoudingen. Hoe dan ook kan een aanzet worden gegeven tot bestrijding van onregelmatigheden en criminaliteit en kunnen rechten en veiligheid voor allen worden verzekerd als lokale besturen, samen met sociale partners en middenveldorganisaties, een en ander nauwlettend in het oog houden.

5.   Verbetering van levens- en werkomstandigheden van vrouwen in landbouw- en plattelandsgebieden

5.1

De kwalitatieve dimensie van de landbouwproductie is een belangrijk aspect van het werk van vrouwen die fungeren als producenten, meewerkende echtgenotes/partners, consumenten of als behoeders van tradities, creativiteit en authentieke gedragspatronen. Om dit aspect recht te doen moeten op lokaal niveau gecoördineerde keuzes worden gemaakt.

5.2

Met het oog op ontwikkeling en toepassing van geavanceerde productietechnieken, onderzoek, beroepsoriëntatie en opleiding moeten onderzoekscentra en universiteiten met landbouw- en plattelandsgebieden in interactie treden en de behoeften van vrouwen, alsook de analyse van hun potentieel in hun studieprogramma's meenemen.

5.3

Vaak wordt gedacht dat elk probleem op het gebied van kwalitatieve verbetering en bevordering van het concurrentievermogen kan worden verholpen door een bepaalde opleiding aan te bieden. Dit kan leiden tot een kwantitatieve maar geenszins kwalitatieve of gerichte uitbreiding van het opleidingenaanbod, dat vaak niet adequaat is afgestemd op de concrete behoeften van de economie of van de betrokken sociale actoren, en evenmin op participatieve strategieën voor duurzame ontwikkeling. Groei in de landbouw en in plattelandsgebieden vergt goed voorbereide vrouwelijke werknemers en ondernemers. Opleiding alleen kan echter niet onmiddellijk een verbetering van werk, activiteiten en leven bewerkstelligen als structuren en diensten blijven ontbreken en als er geen duurzame en kwaliteitsvolle banen worden gecreëerd.

6.   Analyse van behoeften en mogelijkheden op lokaal niveau

6.1

Elke maatregel inzake opleiding, dienstverlening of rationalisering moet uitgaan van een analyse van de concrete omstandigheden en de beschikbare vaardigheden van vrouwen die in de landbouw en in plattelandsgebieden leven en werken. Er moet dus een nauwgezette analyse worden gemaakt van de lokale situatie, de mogelijkheden en de verwachtingen, waarbij de betrokken vrouwen actief moeten worden betrokken. Participatie staat voor een dynamiek die de verantwoordelijkheid van nationale, regionale en lokale overheden maar ook sociale en beroepsorganisaties stimuleert. Het totale potentieel van een grondgebied kan worden vergroot als ook het potentieel van de vrouwen die er wonen, wordt benut. Gerichte en doeltreffende programma's om innovatie, ondernemerschap en werkgelegenheid voor vrouwen te ontwikkelen kunnen leiden tot nieuwe banen (met name voor jongeren) waardoor de ontvolkingstendens op het platteland een halt kan worden toegeroepen of zelfs kan worden omgebogen.

6.1.1

Universiteiten en lokale gemeenschappen moeten interageren bij het analyseren van dit potentieel. Onderzoekscentra moeten betrokken worden bij de uitstippeling en de evaluatie van de ontwikkelingsplannen. Daarbij is het zaak met behulp van geavanceerde en toegankelijke ICT te zorgen voor doeltreffende verbindingen tussen universiteiten en vrouwen, teneinde nauwgezet onderzoek uit te voeren en het aan de praktijk te toetsen (15).

6.1.2

De plattelandsontwikkelingsplannen zouden specifieke opleidingsacties moeten bevatten die gericht zijn op vrouwelijke werknemers, meewerkende echtgenotes/partners en ondernemers, waarbij gebruik wordt gemaakt van hun capaciteit om zich aan te passen, te innoveren, en kennis en gedragspatronen over te dragen. Vrouwen die een opleiding hebben genoten, zouden moeten worden aangemoedigd deze kennis door te geven aan anderen via formele instrumenten (coöperaties, participatieve besluitvormingsstructuren op lokaal niveau, actiegroepen in het kader van plattelandsontwikkeling, enz.) en informele instrumenten (discussiegroepen en zelfopleiding, acties in onderwijsinstellingen, radio- en televisie-uitzendingen, geschreven pers, sociale ondernemingen, enz.). Een en ander moet niet alleen met financiële middelen worden aangemoedigd maar ook door tijd beschikbaar te stellen aan vrouwen, via goede lokale voorzieningen en dienstverlening (tijdskrediet, kinderopvang, doeltreffend en gratis vervoer (16), tijdelijke vervanging bij zorgtaken, kinderdagverblijven op de boerderij, enz.).

6.2

Doeltreffende, snelle en goedkope internettoegang (breedband) is een conditio sine qua non, aangezien in sommige EU-landen minder dan 60 % van de woningen een internetverbinding heeft. Een ruimer ICT-gebruik kan ook het leren op afstand en de communicatie tussen ver verwijderde gesprekspartners bevorderen en vormt een stimulans om met vrouwen in de landbouw- en plattelandssector van andere landen in contact te treden. Tevens wordt aldus belangstelling gewekt voor het leren van talen en het uitwisselen van ervaringen.

6.2.1

Voorts bevorderen ICT de totstandbrenging van netwerken van vrouwelijke ondernemers, meewerkende echtgenotes/partners en werknemers. Gestimuleerd door de aanwezigheid van migrantenvrouwen van buiten de Unie, kunnen zij aldus communiceren en interageren met vrouwen uit kandidaat-landstaten en derde landen. Een en ander kan leiden tot een vruchtbare uitwisseling van ervaringen, een betere ontwikkelingssamenwerking en zelfs een betere commerciële integratie, hetgeen kan bijdragen aan een oplossing voor het voedselprobleem op wereldschaal.

6.3

De gezondheid van vrouwen in een landbouw- en plattelandsmilieu is een prioriteit. Met doeltreffende zorgdiensten – ook via structuren voor telegeneeskunde en telediagnoses – en kwaliteitsvolle medische hulpmiddelen moet gezorgd worden voor monitoring van de gezondheid, de veiligheid en de beroepsziekten op de werkplek. Dit kan tevens arbeidsplaatsen opleveren voor gespecialiseerd personeel. Dergelijke diensten (met name i.v.m. reproductieve gezondheid en gynaecologische controles) zouden gratis moeten zijn of de kosten zouden in ieder geval steeds afgestemd moeten zijn op het inkomen en de gezinslasten. Belangrijk is het grote aantal oudere vrouwen niet uit het oog te verliezen: in sommige landen waar landbouw en platteland een grote rol spelen is de levensverwachting van vrouwen veel langer dan die van mannen. Boven de 60 jaar zijn de vrouwen dan ook in de meerderheid (17). Voor deze vrouwen moeten er medische, zorg- en begeleidende diensten voorhanden zijn, al was het maar om jongere vrouwen niet te verplichten nog meer gezinslasten op zich te nemen.

6.4

De situatie van meewerkende echtgenotes/partners wordt nog steeds in de verschillende landen zeer uiteenlopend behandeld. Formeel worden de betrokkenen niet erkend als werknemers hoewel ze intensief in de sector werkzaam zijn, en blijven ze in sommige lidstaten verstoken van gezondheidszorg en pensioenuitkeringen (behalve de basisvoorzieningen, in landen waar socialezekerheidsstelsels daarin voorzien). Er zijn instrumenten geboden om vrouwen een risicodekking te verzekeren, bv. via specifieke pensioenfondsen die door de sociale partners en territoriale overheden worden gestimuleerd. Het zou tevens een goede zaak zijn om standaarden vast te leggen voor een gezamenlijk recht, eventueel in het kader van een Europees statuut voor vrouwen in de landbouw en in rurale gebieden.

6.5

Als beheerders van het gezinshuishouden spelen vrouwen een prominente rol in rationeel energiegebruik en afvalverwerking. Gescheiden afvalinzameling en passende structuren voor composteren en verwerken (biomassa) gaan hand in hand met de doelstellingen van energiebesparing en ethisch verantwoorde cycli in de landbouw- en biologische productie, die in de praktijk op energiegebied zelfvoorzienend moet zijn. De toegang tot nieuwe groene technologieën voor de productie en het doeltreffende gebruik van hulpbronnen zou moeten worden bevorderd en er zouden in dit verband specifieke stimuli moeten komen voor bedrijven en activiteiten die door vrouwen worden gerund.

6.6

In tal van landen kunnen positieve ervaringen worden genoteerd m.b.t. initiatieven die groepen vrouwen hebben ontplooid op het gebied van het plattelandstoerisme, vaak via coöperaties en met uitstekende resultaten op het gebied van beheer. Gezien de stijgende belangstelling voor dit soort toerisme is het zaak de betreffende activiteiten in een netwerk op te nemen en goede praktijken te verspreiden.

6.7

Om aan duurzame ontwikkeling en de activiteiten van vrouwen (vaak op grondstukken van beperkte omvang) bij te dragen is een kwaliteitsvolle, functionele en flexibele distributie nodig: lokale distributiecoöperaties die met lage kosten werken, zouden de verkoop van typische producten van hoge kwaliteit tegen lagere prijzen kunnen bevorderen. Ook specifieke evenementen om dergelijke producten te promoten, zijn reeds nuttig gebleken.

6.8

Het is van belang ambachtelijke en typische producten die stilaan in de vergeethoek geraken, op te waarderen. Gerichte voorlichtings- en marketingacties kunnen de betreffende activiteiten en banen in stand helpen houden en daarmee een rem zetten op de uittocht van het platteland en het kwaliteitsverlies bij invoer van massaproducten. Er is dus doeltreffende interactie nodig tussen dienstverlening, technologie en passend vervoer dat de landbouw- en plattelandsgebieden moet verbinden met stedelijke afzetmarkten (18).

6.9

Om landbouw- en ambachtelijke bedrijven en coöperaties te kunnen oprichten, moet de toegang tot financiering worden verbeterd. Daartoe moet de verantwoordelijkheid van de traditionele banken (met name de lokale landbouwkrediet- en spaarkassen) worden gestimuleerd en moeten ook prioritair op vrouwen gerichte programma's voor microkrediet worden aangemoedigd.

7.   EU-beleid en de rol van het maatschappelijk middenveld

7.1

In afwachting van de goedkeuring van het voorstel voor een verordening met gemeenschappelijke bepalingen voor de structuurfondsen (19) zij opgemerkt dat in de ELFPO-verordening wordt beklemtoond dat de middelen van het fonds moeten worden gebruikt om gelijke kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen; tevens wordt voorzien in informatie en deelname van instanties die met de verwezenlijking van deze doelstelling belast zijn (20). De nieuwe gemeenschappelijke verordening zou kunnen worden versterkt door een fast track in te voeren voor vrouwen die bedrijven in de landbouw of in plattelandsgebieden, of innovatieve en duurzame ambachtelijke activiteiten in het leven willen roepen. Hiermee zouden de middenveldorganisaties die betrokken zijn bij het partnerschap waarnaar in artikel 6 van de genoemde verordening wordt verwezen, meer kracht worden bijgezet en zouden ze meer mogelijkheden krijgen om voorstellen te formuleren.

7.2

Wat betreft het voorstel voor een gemeenschappelijke fondsenverordening, waarover het EESC zich reeds eerder in een advies heeft uitgesproken (21), bevestigt het EESC zijn grote ongerustheid over de gevolgen die de macro-economische voorwaarden (art. 21) zouden kunnen hebben voor projecten i.v.m. de ontplooiing van initiatieven ten gunste van vrouwen. Het EESC zou graag zien dat middels een specifieke bepaling wordt vermeden dat de meest kansarmen, waaronder ook vrouwen, rechtstreeks of indirect door de maatregel worden getroffen.

7.3

Het hoopt dat de Commissie, naast de inspanningen die zij in de genoemde voorstellen reeds heeft geleverd, ook sneller inspeelt op de veranderingen en de behoeften van vrouwen en daarbij vooral vermijdt dat de programma's ter bevordering van de situatie van vrouwen in de landbouw en in plattelandsgebieden qua inhoud en methodes flexibiliteit ontberen.

7.4

Meer en betere participatie van vrouwen aan de ontwikkeling in de landbouw en in plattelandsgebieden moet ook systematisch worden geïntegreerd in de Europese programma's voor onderzoek en ontwikkeling, voor opleiding (via o.a. het Europees Sociaal Fonds) en voor mobiliteit van werknemers, alsook uiteraard in de tenuitvoerlegging van het beleid inzake economische, sociale en territoriale samenhang.

7.5

Regels, programma's en projecten i.v.m. de tenuitvoerlegging van de tweede pijler moeten in het kader van de GLB-monitoringprocedures regelmatig worden gecontroleerd, zodat wordt toegezien op de doeltreffendheid van de maatregelen voor gelijke kansen en het passende gebruik van hulpbronnen.

7.6

Ook moeten er in het kader van het beleid voor plattelandsontwikkeling thematische subprogramma's voor vrouwen komen en moeten de ervaringen die in het kader van Leader zijn opgedaan, terdege worden benut en verspreid.

7.7

Met het oog op de ontwikkeling van programma's waarin de benutting van het potentieel van vrouwen prioritair wordt gesteld, moet het lokale grondgebied – in fysiek, administratief en sociologisch opzicht – een voortrekkersrol spelen in dit participatieve proces. In eerste instantie zijn de organisaties van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld samen verantwoordelijk voor de gemaakte keuzes en de tenuitvoerlegging ervan. Met het oog daarop moeten ze zich ook in staat tonen om op concrete en doeltreffende wijze de belangen van vrouwen te behartigen en hen op alle niveaus van de organisaties te integreren, met de nodige aandacht voor specifieke vrouwelijke capaciteitsopbouw.

7.7.1

Het EESC nodigt alle bij hem vertegenwoordigde organisaties uit de nodige aandacht te besteden aan vrouwen die in de landbouw en in plattelandsgebieden werken en leven, als spreekbuis te fungeren voor hun behoeften en ambities, en hen systematisch te integreren in de verschillende structuren van horizontaal en verticaal partnerschap.

Brussel, 12 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Informatie- en communicatietechnologieën

(2)  Landbouw in de EU - Statistische en economische informatie - verslag 2010, maart 2011.

(3)  Blz. 146, tabel 3.5.1.4 van het genoemde verslag.

(4)  Besluit 2006/144/EG van 20 februari 2006 (programmeringsperiode 2007-2013) - PB C 55 van 25.2.2006, blz. 20.

(5)  TA(2011)0122.

(6)  Zie o.m. volgende adviezen: CESE, PB C 256 van 27.1.2007, blz. 144-149, CESE, PB C 317 van 23.12.2009, blz. 49, CESE, PB C 347 van 18.12.2010, blz. 41, CESE, PB C 376 van 22.12.2011, CESE, PB C 143 van 22.05.2012, blz. 35-39, CESE, PB C 191 van 29.06.2012, blz. 116-129.

(7)  COM(2011) 615 final/2 en werkdocument 61 final, delen 1 en 2.

(8)  COM(2012) 79 final.

(9)  Een voorbeeld daarvan is de Bond van Zweedse boeren die wordt aangevoerd door een als zodanig werkzame vrouwelijke landbouwer.

(10)  92 % van het Europese grondgebied wordt als platteland beschouwd; dit gebied huisvest ca. 56 % van de bevolking, die 45 % van de toegevoegde waarde van de EU produceert (gegevens vermeld in punt 2.1 van het genoemde besluit van de Raad).

(11)  De Commissie bereidt thans een aantal verslagen en studies ter zake voor. Het EESC hoopt dat ze nog meer gespecificeerde kwalitatieve en opgesplitste gegevens zullen bevatten.

(12)  Zie de conferentie Local agriculture and short food supply chains (Lokale landbouw en korte voedingsketens) te Brussel op 20 april 2012.

(13)  Gegevens van Eurostat.

(14)  GLB-verslag 2010, tabel 3.5.1.4 (http://ec.europa.eu/agriculture/agrista/2010/table_en/index.htm).

(15)  Uitgebreide landbouw- en plattelandsgebieden beschikken niet over universitaire of onderzoeksstructuren. Een interessante verwijzing kan worden gemaakt naar de keuze die is gemaakt in Umeå, Zweden, om in een plattelandsgebied met een beperkte ontwikkeling een universiteit op te richten. Dit gebied werd nieuw leven ingeblazen toen het studie- en onderzoekscentrum op kruissnelheid is beginnen draaien.

(16)  Uit deel 2 van het in voetnoot 7 reeds vermelde werkdocument van de Commissiediensten blijkt dat vrouwen meer gebruik maken van het openbaar vervoer dan mannen.

(17)  In Litouwen leven vrouwen gemiddeld 11 jaar langer dan mannen, in Letland 10 jaar, in Polen, Roemenië en Slowakije 8 jaar, in Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Portugal, Slovenië en Spanje 7 jaar.

(18)  De situatie van de ambachtelijke sector op het platteland is uitvoerig uit de doeken gedaan in advies CESE, PB C 143 van 22.05.2012, blz. 35-39.

(19)  COM(2011) 615 final/2

(20)  Zie Richtlijn van de Raad 1698/2005 van 20 september 2005 (PB C 277 van 21.10.2005, blz. 1–40), Artikel 6(1)c); 62(1)b) en 76(2)a).final/2.

(21)  Zie advies CESE, PB C 191 van 29.06.2012, blz. 30-37, met name par. 3.3.3


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/34


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de betrekkingen tussen de EU en Moldavië en de rol die het maatschappelijk middenveld daarin kan spelen

2012/C 299/07

Rapporteur: Evelyne PICHENOT

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op zijn zitting van 13 en 14 juli 2011, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten een initiatiefadvies op te stellen over

De betrekkingen tussen de EU en Moldavië en de rol die het maatschappelijk middenveld daarin kan spelen.

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 juni 2012 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 143 stemmen vóór, bij 9 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en aanbevelingen

1.1

Vanuit het besef dat zowel de EU als de Republiek Moldavië belang hebben bij een wederzijdse toenadering, heeft het EESC ervoor gekozen om na zijn studiebezoek van maart 2012 in het kader van dit advies de volgende aanbevelingen te doen teneinde:

de rol van het maatschappelijk middenveld te vergroten, met name door de oprichting van een Moldavische sociaaleconomische en milieuraad (CESEM);

te komen tot de ondertekening van een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst (DCTFA);

de territoriale integriteit van Moldavië te herstellen.

1.2

Als aanbeveling aan de Commissie en het Europees Parlement dringt het EESC erop aan om tot een evenwichtige vrijhandelsovereenkomst te komen en het maatschappelijk middenveld bij het hele proces daar naartoe te betrekken. Voor een DCTFA moeten de activiteiten van de Commissie worden afgestemd op die van de EDEO. Het EESC bepleit het volgende:

Er moet op worden toegezien dat Moldavische organisaties via de lopende openbare raadpleging  (1), de openbare hoorzittingen en de geplande ontmoetingen van het maatschappelijk middenveld in het kader van de effectbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling een stem in het kapittel krijgen.

Er zou samen met het parlement van Moldavië, het EESC en het Moldavisch maatschappelijk middenveld een conferentie moeten worden georganiseerd over de resultaten van de effectbeoordeling en het maatschappelijk middenveld moet regelmatig op de hoogte worden gebracht van de inhoudelijke aspecten van de onderhandelingen.

Met het oog op de aanscherping van het hoofdstuk duurzame ontwikkeling in een toekomstige overeenkomst, moet er, met name op basis van de waarnemingen in het rapport over de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen (2), aandacht worden besteed aan de sociale en milieueffecten.

Er zou een studie moeten worden opgesteld over de voorwaarden voor de re-integratie van de economie van Transnistrië in het handelsvrijmakingsproces.

Onder sociaaleconomische beleidsmakers en de media zou er meer moeten worden gedaan aan scholing over een doeltreffende toepassing van het acquis communautaire op het gebied van handel.

Er moet rekening worden gehouden met de behoefte aan technische bijstand voor het op peil brengen van het acquis communautaire, met name op het gebied van levensmiddelen.

Er moet worden gezorgd voor adequate flankerende maatregelen in combinatie met een aanpassingsprocedure om zo veel mogelijk profijt te kunnen trekken van een daadwerkelijke integratie in de Europese economie. Voorts is bijzondere waakzaamheid geboden wat betreft de veiligheid van de buitengrenzen en moeten de begunstigden van deze overeenkomst daarbij worden betrokken.

Er moet een gemengd comité voor de follow-up van de handelsovereenkomst worden opgericht en het maatschappelijk middenveld dient met steun van het EESC te worden geholpen bij de follow-up van een toekomstige DCTFA. Daartoe moeten middelen worden aangewend voor de verdere opbouw van het Moldavisch maatschappelijk middenveld.

De sociale partners in Moldavië moeten worden betrokken bij het forum van het Oostelijk Partnerschap en de sociale voorwaarden van de overeenkomst moeten op de agenda worden gezet van werkgroep 5 ("sociale dialoog") van het Oostelijk Partnerschap.

Met steun van de OVSE moet het aanknopen van contacten met maatschappelijke organisaties in Transnistrië worden gestimuleerd, zodat die betrokken worden bij de toenadering tot de EU.

1.3

Als aanbeveling aan de Moldavische overheden moedigt het EESC de regering en het parlement aan om het volgende te bewerkstelligen:

Maatschappelijke organisaties van diverse pluimage moeten op de hoogte worden gehouden van de ontwikkelingen op het gebied van de toenadering tot de EU en de weg moet worden vrijgemaakt voor een publiek debat met de sociale partners en diverse betrokken organisaties (landbouwers, consumenten, milieuactivisten, vrouwen, mensenrechtenactivisten enz.) over deze toenadering.

Er moet stug worden doorgegaan met de informatie-uitwisseling met de betrokken sociaaleconomische partijen bij het ministerie van Europese Zaken en de rol van waarnemer van de Nationale participatieraad (CNP) bij de regering moet worden voortgezet.

Er moet op basis van de bestaande ervaringen binnen de EU of in het kader van het nabuurschapsbeleid een Moldavische sociaaleconomische en milieuraad (CESEM) in het leven worden geroepen.

Alle belanghebbende partijen moeten worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van de energie- en onderzoeksovereenkomsten met de EU.

De sociale dialoog moet verder worden verankerd en er moet op worden toegezien dat het Sociaal Handvest van de Raad van Europa wordt toegepast. Daartoe moeten met name de voorbehouden worden ingetrokken en moet de procedure voor het collectief indienen van klachten wordt goedgekeurd.

De hoogste prioriteit moet uitgaan naar de arbeidsmarktintegratie van jongeren en vrouwen.

Er moet worden bijgedragen tot goed functionerende corruptiebestrijdingsmechanismen.

1.4

Tot het maatschappelijk middenveld in Moldavië zou het EESC willen zeggen dat het daarmee in het kader van het Oostelijk Partnerschap graag nauwere betrekkingen wil aanknopen. Het doet het maatschappelijk middenveld de volgende voorstellen, die het tijdens een conferentie in Moldavië graag zou willen toelichten, zodat concreet vorm kan worden gegeven aan het platform intermenselijke contacten van het partnerschap. Behalve de oprichting van een CESEM beveelt het EESC de sociale partners en de partners van het maatschappelijk middenveld ook het volgende aan:

Er moet toenadering worden gezocht tot de grote Europese sectorale platforms, zoals het platform voor armoedebestrijding, of tot de werkgeversorganisaties in de diverse lidstaten. Met het oog daarop moet ook worden gestreefd naar de positie van waarnemer bij het Europees Verbond van Vakverenigingen.

De met toezicht belaste eenheden binnen de vakbonden en werkgeversorganisaties en de nationale commissie voor collectieve overeenkomsten over Europese aangelegenheden moeten worden versterkt.

Er moet overeenkomstig de IAO-verdragen en het Sociaal Handvest van de Raad van Europa een sociale dialoog worden opgezet.

Met het oog op de follow-up van de DCTFA moet er een impuls worden gegeven aan de civiele dialoog.

De expertise op het gebied van milieuvraagstukken, bijvoorbeeld bij de aanpak van de uitstoot van broeikasgassen, de analyse van de levenscyclus, de CO2-voetafdruk en de ecosysteemdiensten, moet verder worden ontwikkeld.

2.   De rol van het Moldavisch maatschappelijk middenveld bij de Europese toenadering en het Oostelijk Partnerschap

2.1

Het maatschappelijk middenveld in Moldavië is reeds via een aantal bestaande mechanismen betrokken bij het EU-toenaderingsbeleid. Het dertig leden tellende raadgevende orgaan CNP, dat in januari 2011 is opgericht, werkt samen met de regering. Ook bij het parlement is een raadgevende instantie actief. De in november 2010 opgerichte nationale conventie voor Europese integratie bestaat uit meerdere organisaties, die voorstellen indienen voor en voorlichting geven over de Europese integratie. Het doel is om een rechtstreekse en open dialoog met de betrokken partijen mogelijk te maken. Daarnaast zijn er op nationaal niveau diverse platforms van maatschappelijke organisaties ontstaan.

2.2

Moldavische organisaties doen mee aan verschillende groepen van het forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap, die zich bezighouden met democratie, mensenrechten, goed bestuur en stabiliteit, algemene aanbevelingen, milieu, energie en klimaatverandering, en intermenselijke contacten. Het EESC moedigt de oprichting van werkgroep 5 voor de sociale dialoog en meer in het algemeen ook de sociaaleconomische kwesties aan (3).

2.3

De sociale partners hebben een cruciale rol te vervullen bij de toenadering tussen de EU en Moldavië. Het in de grondwet vastgelegde recht om zich te organiseren in vakverenigingen is verankerd in een wet van juli 2000, dat de vrijheid van vakverenigingen, de cao-onderhandelingen en de bescherming van het vermogen van vakbonden waarborgt. De afgelopen jaren is er voor vakbonden veel veranderd. De twee vakbonden die er al waren, CSRM en Solidaritate, hebben zich omgevormd tot één enkele vakbondscentrale, de CNSM (nationale bond van vakverenigingen van Moldavië). De CNSM is inmiddels lid geworden van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen en doet langzamerhand steeds meer mee aan internationale activiteiten en bijeenkomsten. Deze bond zou ook een verzoek kunnen indienen om als waarnemer bij het Europees Verbond van Vakverenigingen te worden toegelaten.

2.3.1

Het meest representatief is de 32 leden tellende werkgeversorganisatie van Moldavië, die in 1996 werd opgericht en zichzelf "apolitiek" en "onafhankelijk" noemt. Het nationaal bureau voor werkgelegenheid beheert het "Mobility Partnership"-projet van de EU en Moldavië, dat daar voor een vlottere arbeidsmarktintegratie moet zorgen. De werkgeversorganisaties werken mee aan die integratie door de besluiten die in het kader van dit project worden genomen, op lokaal en regionaal niveau uit te voeren.

2.3.2

Het zou daarom zinvol zijn om de EU-informatiecentra bij de sociale partners te versterken op het punt van DCTFA-vraagstukken en om daarbij samen te werken met hun professionele evenknieën in Europa of de lidstaten.

2.4

De situatie van bepaalde bevolkingsgroepen, met name op het platteland, blijft kwetsbaar. Vooral vrouwen zijn de dupe van de verpaupering: hoge werkloosheid, minder scholing, lagere lonen, seizoenswerk of tekortschietende sociale voorzieningen. Vrouwen genieten bij wet min of meer dezelfde rechten als mannen, maar zijn kwetsbaarder op de arbeidsmarkt. Van alle Moldavische ondernemers is slechts 14 % vrouw. Het platteland telt naar verhouding een groot aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft (4) en het aandeel arme plattelandsbewoners is in 2009 gestegen. Kinderen in Moldavië hebben onder meer te kampen met kinderarbeid, mensenhandel en prostitutie en hebben vaak geen vaste woonplaats. Het verschijnsel van "sociale wezen" blijft wijd verbreid ("sociale wezen" zijn kinderen die door hun ouders vanwege armoede naar weeshuizen worden gestuurd).

2.5

Sinds een aantal jaren is er verbetering opgetreden in de wijze waarop de media functioneren. Met hulp van de EU en de Raad van Europa heeft de "Raad voor de coördinatie van audiovisuele media" eind oktober 2010 een nieuwe methode voor het toezicht op de politieke verslaglegging door de media aangenomen. Ook zijn er in dat jaar twee nieuwe televisiestations (Jurnal TV en Publika TV) en vier nieuwe radiozenders (Radio Sport, Aquarelle FM, Publika FM en Prime FM) bijgekomen. Journalisten zouden moeten worden bijgeschoold op het gebied van Europese aangelegenheden. Dankzij de vorderingen op het punt van de vrijheid van meningsuiting zullen de burgers en het bedrijfsleven, en met name de boeren, beter worden geïnformeerd over de problemen in verband met de toenadering tot de EU.

2.6

Hoewel er ontegenzeggelijk sprake is van vooruitgang, kampt het maatschappelijk middenveld nog altijd met grote organisatorische problemen. De ongelijkheid tussen de regio's duurt voort. Zo is de niet-gouvernementele sector actief in centra als Chișinău, Bălți, Cahul en Ungheni, maar ontplooit die in grote delen van het land nauwelijks enige activiteiten. De vakbonden kennen daarentegen een betere territoriale dekking. Door de splitsing, waarvoor nog altijd geen oplossing is gevonden, breidt de samenwerking met het gebied aan de andere kant van de Dnjestr zich niet echt uit. Bovendien zijn de ngo's sterk afhankelijk van een aantal externe geldschieters, hetgeen slecht is voor hun onafhankelijkheid en voortbestaan. De netwerken van deskundigen mogen dan hoge kwaliteit leveren, ze zijn aangewezen op een te beperkte kring van specialisten, omdat de grote ngo's ter plekke zich de afgelopen jaren nauwelijks hebben ontwikkeld.

3.   Het maatschappelijk middenveld en een nieuwe diepe en brede vrijhandelsovereenkomst (DCFTA)

3.1

De DCFTA tussen de EU en Moldavië die wordt voorbereid, heeft betrekking op goederen, diensten en investeringen, maar zorgt door zijn diepe en brede karakter ervoor dat het acquis communautaire op het gebied van handel wordt omgezet en op doeltreffende wijze wordt toegepast. De overeenkomst moet zorgen voor een passende ondersteuning en belangrijke hervormingen. De Moldavische economie is namelijk om meer dan één reden niet opgewassen tegen de concurrentie: de vervoersinfrastructuur (vooral het wegennet) vertoont mankementen, de interne markt is klein, het ondernemingsklimaat is weinig innovatief, er heerst voortdurend onzekerheid over het gevoerde beleid, de toegang tot financiering is problematisch en er is corruptie. Het land voert niet meer alleen uit naar de markten van de voormalige Sovjetrepublieken. De verschuiving van de externe handel naar Europa is ontegenzeggelijk: inmiddels gaat nagenoeg de helft van alle uitgevoerde producten daarheen. Dit is te danken aan de vergroting van het aandeel van textielproducten (van 10 % in 1999 naar 22,7 % in 2008) (5) en de lage loonkosten voor gekwalificeerde arbeidskrachten.

3.2

Op dit moment wordt er druk gewerkt aan een effectbeoordeling over duurzame ontwikkeling, die werd gelanceerd toen de onderhandelingen van start gingen en die tegen september 2012 informatie moet verschaffen over de positieve en negatieve gevolgen van de vrijmaking van de handel (6). Overeenkomstig de taakomschrijving moet de raadplegende instantie (7) het EESC consulteren over de uitdagingen van deze onderhandelingen en over de bijdrage aan de openbare raadpleging. Bovendien zal zij bijzondere aandacht besteden aan het "stellingnamedocument" dat de Commissie na afloop van deze effectbeoordeling opstelt, en toezien op de flankerende maatregelen.

3.3

Voor de EU zijn de risico's van de overeenkomst afgebakend; ze hebben vooral betrekking op sanitaire en fytosanitaire normen en investeringsgaranties. Om Europese investeringen aan te trekken moet het ondernemingsklimaat worden verbeterd. Dit betekent dat er meer werk moet worden gemaakt van corruptiebestrijding. Op de corruptiewaarnemingsindex 2011 staat Moldavië wereldwijd met een score van 2,9 op 10 op de 112e plaats (8). De instanties die zich met dit vraagstuk bezighouden, zijn het Centrum voor de bestrijding van economische misdaden en corruptie en de eenheid van de met corruptiebestrijding belaste officier van justitie. De geldende wetgeving is weliswaar toereikend, maar de uitvoering van het fraudebestrijdingsbeleid laat nog te wensen over. Het is betreurenswaardig dat politieke partijen over onvoldoende middelen beschikken, dat de burgerbevolking zich over het algemeen fatalistisch opstelt en dat maatschappelijke organisaties te weinig van zich laten horen op dit vlak. Corruptiebestrijding behoort tot de voornaamste prioriteiten van internationale geldschieters (Raad van Europa/EU/SIDA, Wereldbank, UNDP, USAID enz.). Ook hebben meerdere ngo's (Centrum voor de analyse en preventie van corruptie, Transparency International Moldavië, Bondgenootschap tegen corruptie en het Centrum voor onderzoeksjournalisten) de handen ineen geslagen om corruptie te bestrijden. Hoewel er verandering in de lucht zit, blijven concrete resultaten tot nu toe uit.

3.4

De DCTFA zal talloze maatschappelijke gevolgen met zich meebrengen. Het EESC wijst in dat verband op het belang van de sociale dialoog voor de ontwikkeling van het land. Het pleit ervoor dat de uit het Sociaal Handvest van de Raad van Europa voortvloeiende procedure voor het indienen van collectieve klachten wordt goedgekeurd, dat de arbeidsinspectie wordt verbeterd en dat er rechtbanken voor arbeidszaken worden opgericht. De Moldavische overheden werken met de IAO samen op het punt van zwartwerk en proberen op die manier vertrouwd te raken met de Europese regels. Ook doen ze mee aan het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012). Er moet tevens verbetering komen in de opvang van migranten uit Moldavië en de bescherming van de rechten van Moldaviërs in het buitenland. Opleiding en omscholing van arbeidskrachten zijn eveneens belangrijke aandachtspunten.

3.5

De landbouw en de voedingsmiddelensector in Moldavië zijn van cruciaal belang voor de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomst. De Moldavische landbouw heeft nog flink wat werk aan de winkel voordat een doorbraak naar de Europese markt mogelijk wordt en de voedselveiligheid kan worden gewaarborgd. Men denke daarbij aan de afgifte van oorsprongscertificaten, het toezicht op de naleving van sanitaire en fytosanitaire normen en de naleving van de mededingingsregels. Er zijn inmiddels normen goedgekeurd, maar het zal nog lang duren en veel geld kosten voordat die in de praktijk worden toegepast. Dat geldt met name voor dierlijke producten (in 2008 was honing het enige dierlijke product dat Moldavië kon uitvoeren). De aanpassing aan de Europese normen zal kleine producenten op hoge kosten jagen. Bovendien moeten de overheden voor de voedingsmiddelen- en wijnbouwsector een op institutionele hervormingen en ondersteuning gericht beleid voeren. Projecten die door het initiatief "Hulp voor handel" van de Commissie worden gefinancierd, zullen bijzonder nuttig zijn voor het doorvoeren van verbeteringen.

3.6

Het lijkt erop dat de industrie, die lange tijd een kwijnend bestaan leed, dankzij haar positie vlak bij de Europese markten weet te profiteren van haar concurrerende prijzen. De snelle opkomst van de textielsector is daarvan het bewijs. Deze lichte industrie kan zich op het hele grondgebied van Moldavië en vooral in de kansarme gebieden in het zuiden vestigen. Dankzij Duitse investeerders heeft de automobielindustrie in het noorden van het land voor een marktdoorbraak gezorgd. De deelname van Moldavië aan de strategie voor het Donaugebied en de modernisering van grote industriële installaties (vooral op de rechteroever van de Dnjestr) zouden de ontwikkeling kunnen stimuleren.

3.7

Om als een diepe en brede overeenkomst te kunnen worden aangemerkt, moet een dergelijke vrijhandelsovereenkomst met de EU gestoeld zijn op de capaciteit van Moldavië om zich het acquis communautaire eigen te maken. Dit vereist een adequate financiële ondersteuning. De ervaring met de uitbreidingen van de interne markt leert dat de structuurfondsen van doorslaggevende betekenis zijn voor het waarborgen van sociale en territoriale cohesie. Het EESC pleit daarom voor gelijkwaardige flankerende maatregelen om het gevaar van meer sociale ongelijkheid en een grotere kloof tussen regio's te verminderen. Het comité voor de follow-up van de overeenkomst zal daartoe de tenuitvoerlegging van het nabuurschapsprogramma voor landbouw- en plattelandsontwikkeling ENPARD scherp in de gaten houden.

3.8

De milieubalans van Moldavië (bodem, water, energie) is zonder meer een punt van zorg voor de toekomst en iets waar rekening mee moet worden gehouden bij de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomst. Vooral de nalatenschap van het Sovjettijdperk vormt een groot probleem, zeker als het gaat om het beheer van toxische residuen. De droogten van de afgelopen jaren laten zien dat de economie van Moldavië gevoelig is voor milieuverval en klimaatverandering. Daar komt nog bij dat ruim de helft van al het bodemwater vervuild is, terwijl daaruit twee derde van het drinkwater voor de bevolking wordt gehaald. Ondanks de internationale verbintenissen van onder meer de EIB wordt er maar weinig geld vrijgemaakt voor milieubeleid. Ook is er veel behoefte aan bewustmakingscampagnes voor economische actoren in de vervoerssector en de bouw, die nog maar weinig doordrongen zijn van de milieuproblematiek. Moldavië heeft zich aangesloten bij de Europese Energiegemeenschap en is eveneens in sterke mate afhankelijk van de invoer van fossiele brandstoffen, terwijl de energie-efficiëntie nog altijd sterk te wensen overlaat. Het EESC pleit daarom voor steun aan de activiteiten van milieuorganisaties op het gebied van energiebesparing, een verstandig gebruik van hulpbronnen en afvalbeheer.

3.9

In de effectbeoordeling moet vooral worden stilgestaan bij de situatie in Transnistrië, zodat in het licht van de DCTFA de mogelijke gevolgen van de overeenkomst voor de veiligheid van de grenzen en de economische en sociale effecten daarvan kunnen worden geanalyseerd. De overeenkomst zou ertoe kunnen bijdragen dat de interne geschillen worden bijgelegd en dat de territoriale integriteit wordt hersteld.

4.   Voorstel voor de oprichting van een Moldavische sociaaleconomische en milieuraad

4.1

Om het maatschappelijk middenveld te helpen bij het bewerkstelligen van meer dialoog en overleg stelt het EESC voor om net als in andere landen in de regio een CESEM op te richten. Door middel van een studie naar de diverse ervaringen in Europa op dat terrein kan worden vastgesteld welke weg Moldavië het beste kan bewandelen.

4.2

Het CESEM-project zal beantwoorden aan een hervormingsbehoefte van het maatschappelijk middenveld en diens invloed en rol vergroten. De huidige opeenstapeling van ad-hocstructuren zorgt weliswaar voor een soepel en ervaren kader, maar hun voortbestaan is onzeker en hun functioneren gaat gepaard met allerlei mankementen. Vanwege tegengestelde standpunten zijn de sociale partners, verenigingen en ngo's minder zichtbaar in het publieke debat.

4.3

Door rekening te houden met de verschillende belangen in het ontwikkelingsmodel zou de CESEM een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van een consensus over de keuzes van de samenleving. De gemeenschappelijke inspanningen op basis van overleg moeten uitgaan van de drie pijlers van duurzame ontwikkeling. Dit zou ook een belangrijke stap zijn op weg naar een haalbare strategie voor de hereniging met Transnistrië.

4.4

Een sociaaleconomische en milieuraad zou de onafhankelijkheid van analyses kunnen waarborgen door die te vrijwaren van partijstrijd en onenigheid over de gebruikte bronnen en door daarin ruimte te laten voor de formulering van verschillende standpunten. Bovendien zouden daarin ook vraagstukken moeten worden behandeld in verband met de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, herkomst of godsdienst.

4.5

Een sociaaleconomische en milieuraad in Moldavië zou kunnen voorzien in de behoefte aan evaluatie van het overheidsbeleid in verband met de overname van het acquis communautaire. Dit orgaan zou samen met het EESC plaats kunnen bieden aan het follow-upcomité inzake de vrijhandelsovereenkomst.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  DG Handel, Consultation on Deep end Comprehensive Free Trade Areas/EUMoldova 2012.

(2)  Verenigde Naties, The second millennium development goals report, Republic of Moldova 2010.

(3)  Advies van het EESC "Bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan het Oostelijk Partnerschap", PB C 248 van 25 augustus 2011; advies van het EESC "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden", PB C 43 van 15 februari 2012.

(4)  Statiestieken Moldavië, op de website: "Rural Poverty Portal": http://www.ruralpovertyportal.org/web/guest/country/statistics/tags/moldova

(5)  Florent Parmentier, La Moldavie, un succès européen majeur pour le Partenariat oriental?, Robert Schuman-stichting, 22 november 2010, http://www.robert-schuman.eu/doc/questions_europe/qe-186-fr.pdf.

(6)  Advies van het EESC over "Duurzaamheidseffectbeoordelingen en handelsbeleid van de Europese Unie", PB C 218 van 23 juli 2011.

(7)  Trade Sustainability Impact Assessment in support of negotations of DCFTAs between the EU and respectively Georgia and the Republic of Moldova, Ecorys, 6 februari 2012.

(8)  Europese Commissie, ENP Country Progress Report 2011 – Republic of Moldova, Memo, Brussel, 15 mei 2012.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/39


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van het maatschappelijk middenveld in de meerpartijenovereenkomst tussen de EU, Colombia en Peru

2012/C 299/08

Rapporteur: de heer IULIANO

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 januari 2012 besloten om overeenkomstig art. 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

"De rol van het maatschappelijk middenveld in de meerpartijenovereenkomst tussen de EU, Colombia en Peru".

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 juni 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli 2012) onderstaand advies uitgebracht, dat met 139 stemmen vóór en 4 tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Aangezien het onmogelijk is gebleken de onderhandelingen voor een associatieovereenkomst met alle landen van het Andesgebied tot een goed einde te brengen, heeft de EU op verzoek van Colombia en Peru ervoor gekozen nieuwe handelsbetrekkingen met deze twee landen op te bouwen. Nadat de onderhandelingen in mei 2010 waren beëindigd is de meerpartijenhandelsovereenkomst op 24 maart 2011 door de drie partijen geparafeerd en op 13 april 2011 officieel ondertekend. Momenteel ligt de bal bij het Europees Parlement, dat moet beslissen over de goedkeuring of verwerping van de overeenkomst, zonder dat het wijzigingsvoorstellen kan indienen. In deze fase geeft ook het EESC zijn mening en formuleert het een reeks richtsnoeren voor alle betrokken actoren, om rekening mee te houden indien de overeenkomst wordt goedgekeurd en geratificeerd (1).

1.2   Het Europees Economisch en Sociaal Comité is van mening dat een meerpartijenhandelsovereenkomst van de EU met Colombia en Peru een positief instrument kan zijn voor zowel Europa als de betrokken Andeslanden. Ook Ecuador en Bolivia zijn eventueel bereid de onderhandelingen weer op te pakken. De meerpartijenhandelsovereenkomst kan bijdragen tot groei, concurrentievermogen en fatsoenlijke banen, aangezien de handel een belangrijk instrument is om de ontwikkeling en armoedebestrijding te steunen. Wel zullen de economische, sociale en milieueffecten ervan in het belang van alle partijen op een nauwkeurige, transparante en alomvattende wijze moeten worden beoordeeld. Het maatschappelijk middenveld kan en moet hierbij een cruciale rol spelen.

1.3   Tijdens de onderhandelingen over de meerpartijenhandelsovereenkomst was er nauwelijks een dialoog met het maatschappelijk middenveld van de partijen. Om deze lacune a posteriori op te vullen en de dialoog met het maatschappelijk middenveld te institutionaliseren, en naar aanleiding van een recent bezoek aan Peru en Colombia waar EESC-vertegenwoordigers hebben gesproken met institutionele partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van beide landen, stelt het EESC voor een gemengd raadgevend comité (GRC) op te richten, bestaande uit vertegenwoordigers van het Europese, Colombiaanse en Peruaanse maatschappelijk middenveld, dat raadgevende taken krijgt op het gebied van mensenrechten, duurzame ontwikkeling en de beoordeling van de sectorale impact van de meerpartijenhandelsovereenkomst. Het GRC zal een reeks te volgen thema's vaststellen (2), zal door de ondertekenende partijen kunnen worden geraadpleegd en zal op eigen initiatief adviezen, aanbevelingen en studies kunnen uitbrengen. Het GRC zal één maal per jaar vergaderen met het orgaan dat de partijen bij de overeenkomst vertegenwoordigt, tenzij in onderlinge overeenstemming anders wordt beslist. Het GRC zal compatibel zijn met de openbare vergadering met het maatschappelijk middenveld en de burgers die in artikel 282 van de overeenkomst is voorzien. Het GRC zal met de partijen kunnen onderhandelen over de eventuele vaststelling van indicatoren voor de impact die de tenuitvoerlegging van de overeenkomst heeft op de verschillende sectoren.

De mechanismen die in eerdere handelsovereenkomsten van de EU met andere landen en regio's van de wereld zijn goedgekeurd, kunnen als voorbeeld dienen voor de tenuitvoerlegging van een dergelijk raadgevend comité.

1.4   Het EESC hecht belang aan een versterkte samenwerking tussen het Europees Parlement en de parlementen van Colombia en Peru, en is dan ook ingenomen met de resolutie van het Europees Parlement die kan uitmonden in de inwerkingstelling van parlementaire mechanismen voor een simultane follow-up van de gemaakte afspraken. Dit geldt met name voor de afspraken op het gebied van de mensenrechten, de agenda betreffende fatsoenlijk werk van de IAO over arbeidsomstandigheden en vakbondssituatie, de gelijkheid van mannen en vrouwen, legale immigratie met gewaarborgde rechten, de overeenkomsten over milieubescherming en de mogelijke oprichting van een geschillencommissie.

1.5   Volgens het EESC kan een dergelijk raadgevend orgaan de participatie van het maatschappelijk middenveld aan de meerpartijenhandelsovereenkomst bevorderen, de raadpleging institutionaliseren, de ontwikkeling ervan beïnvloeden, de uitdagingen aangaan die zo'n overeenkomst met zich meebrengt, zorgen voor een soepele en rechtstreekse communicatie met degenen die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en specifieke aanbevelingen formuleren inzake de positieve of negatieve gevolgen van de toepassing van de overeenkomst.

1.6   In mei 2012 heeft een delegatie van het EESC een bezoek gebracht aan Colombia en Peru. De balans van het bezoek was positief, vanwege het aantal en het niveau van de ondervraagde partijen en het belang van de vergaarde informatie, zodat het standpunt van het maatschappelijk middenveld van beide landen in het onderhavige advies kan worden verwerkt en een voorstel wordt gedaan voor de oprichting van een gemengd raadgevend comité met het maatschappelijk middenveld voor de follow up van de meerpartijenhandelsovereenkomst. In dit advies worden de belangrijkste problemen van Colombia en Peru geanalyseerd, die door de organisaties van het maatschappelijk middenveld moeten worden gemonitord.

2.   Algemene opmerkingen

2.1   De economische en handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en het Andesgebied, met name Colombia en Peru, vertonen een stijgende lijn. Tegenwoordig is de EU de tweede handelspartner van de Andeslanden, na de Verenigde Staten. De handel tussen de EU en de Andeslanden is de afgelopen tien jaar significant gegroeid: de bilaterale handelsstromen zijn van 9 100 miljoen euro in 2000 gestegen naar 15 800 miljoen euro in 2007, met een jaarlijkse groei van gemiddeld 8,25 % (3). In 2010 bedroeg de bilaterale handel in goederen tussen de EU, Colombia en Peru circa 16 000 miljoen euro.

2.2   De bij de handelsovereenkomst betrokken partijen hebben banden gesmeed die verder gaan dan de economie, bijvoorbeeld op het gebied van de politieke dialoog, cultuur, onderwijs en wetenschap. De EU heeft de democratische overgangsprocessen begeleid en heeft bijgedragen aan de bescherming van de grondrechten, door solidariteitstoezeggingen te doen die het EESC prijst en onderschrijft.

2.3   Voorlopers van deze meerpartijenhandelsovereenkomst zijn de "Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, anderzijds" van 2003, en de rechten en plichten die de partijen op zich hebben genomen als leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (4).

2.4   De meerpartijenhandelsovereenkomst zal het mogelijk maken goederen en producten tegen aanzienlijk lagere douanetarieven op elkaars nationale markten te brengen. Veel industriële producten uit Colombia en Peru zullen gemakkelijker op de markt kunnen worden gebracht dan onder het SAP+ (5). Er is onder meer onderhandeld over wijzigingen in douanetarieven voor petrochemische producten, plastic, textiel en kleding, visserijproducten, bananen, suiker en koffie. Ook moet worden gekeken naar de gevolgen van de meerpartijenhandelsovereenkomst voor de landbouwsectoren van de partijen, op het stuk van oorsprongsbenamingen, vrijwaringsclausules en sectorale stabilisatiemechanismen, die onderwerp moeten zijn van follow up en evaluatie. Het Comité is ingenomen met de verwijzingen naar het belang van de handel voor een duurzame ontwikkeling en de bevordering van een eerlijke en billijke handel (6).

2.5   Zowel in Peru als Colombia heeft de informele economie een hoge vlucht genomen, met een hoog percentage informele arbeid als een van de ernstigste gevolgen, waardoor het Comité zich zorgen maakt over de arbeidsnormen in die landen. De situatie van jongeren en vrouwen is bijzonder moeilijk, omdat de werkloosheid en de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor hen ongunstiger zijn. De effectbeoordelingen moeten rekening houden met het genderaspect en aandacht besteden aan de arbeidsomstandigheden van jongeren, aangezien vrouwen en jongeren met specifieke uitdagingen worden geconfronteerd (7). Bovendien hamert het EESC erop dat concrete en doeltreffende acties moeten worden vastgesteld en in gang moeten worden gezet voor de geleidelijke uitbanning van kinderarbeid, een zorgwekkend fenomeen dat in beide landen aanwezig is.

2.6   De situatie op het vlak van de mensenrechten – met inbegrip van arbeids- en vakbondsrechten – in Colombia en Peru geeft reden tot grote bezorgdheid onder het Europees maatschappelijk middenveld over de Colombiaanse en Peruaanse bevolking. Het EESC juicht het toe dat in art. 1 van de meerpartijenhandelsovereenkomst duidelijk staat dat schendingen van de democratische beginselen en de grondrechten kunnen leiden tot een tijdelijke of definitieve schorsing van de overeenkomst. Ook is het EESC ingenomen met de verplichtingen die de partijen in art. 269, lid 3, van het document (8) aangaan ten aanzien van de fundamentele verdragen van de IAO, en pleit het ervoor dat deze tijdens de tenuitvoerlegging van de overeenkomst volledig worden nageleefd en nagekomen.

2.7   Het EESC heeft in verschillende adviezen uiteengezet hoe het aankijkt tegen onderhandelingen over handelsovereenkomsten. Naar zijn mening moeten de bilaterale overeenkomsten verenigbaar zijn met het multilateralisme (9). De bilaterale onderhandelingen mogen er niet toe leiden dat de Unie haar eisen op sociaal, arbeids- en milieugebied afzwakt. Met deze aspecten dient terdege rekening te worden gehouden, alsook met de economische dimensie, en er moeten mechanismen worden gezocht om een en ander te harmoniseren tijdens de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten.

2.8   Aan de andere kant is het EESC van mening dat de ervaringen onomstotelijk lijken aan te tonen dat een actieve rol van het maatschappelijk middenveld tijdens de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten kan helpen belangrijke potentiële partners in de betrokken landen aan te wijzen, betrekkingen tot stand te brengen waarbij alle partijen gebaat zijn en de oplossing van eventuele geschillen te vergemakkelijken. De oproep om overeenkomsten waarover al is of nog wordt onderhandeld door de EU een sociale dimensie te geven, is een vast standpunt van het EESC dat het al in veel eerdere adviezen heeft verwoord (10).

2.9   Het EESC heeft zich in eerdere adviezen positief uitgesproken over het besluit van de EU om Duurzaamheidseffectbeoordelingen (DEB) uit te voeren, aan de hand waarvan voorstellen kunnen worden gedaan en corrigerende maatregelen kunnen worden genomen, ten einde de positieve effecten van handelsovereenkomsten te maximaliseren en de negatieve effecten zo klein mogelijk te houden. Het EESC vraagt nogmaals dat de DEB worden uitgevoerd met de volledige participatie van het maatschappelijk middenveld, om ervoor te zorgen dat de verbintenissen worden nagekomen, de risico's zo klein mogelijk worden gehouden en de mogelijkheden voor openstelling van de markten worden vergroot (11).

2.10   Het EESC wil er toch op wijzen dat de onderhandelingen over een overeenkomst met Colombia en Peru onderwerp van kritiek en vragen zijn geweest van de kant van maatschappelijke organisaties en vakbondsorganisaties (12). Het EESC deelt met name de bezorgdheid over het feit dat tijdens het onderhandelingsproces nauwelijks overleg is gepleegd met het maatschappelijk middenveld. Het is dan ook ingenomen met de goedkeuring van een resolutie door het Europees Parlement waarin erop wordt gehamerd dat er tijdens de tenuitvoerlegging van de meerpartijenhandelsovereenkomst duidelijke monitoring- en follow-upmechanismen moeten komen waaraan wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld (13).

2.11   Vanuit het oogpunt van het maatschappelijk middenveld is het EESC van oordeel dat de handelsovereenkomsten veranderingen in gang moeten helpen zetten die onder meer de ontwikkeling van maatschappelijk verantwoord ondernemen bevorderen, Europese ondernemingen ertoe dwingen zich in deze landen aan dezelfde arbeidspraktijken te houden als in eigen land, kwalitatief hoogwaardige en gewaarborgde banen genereren, collectieve onderhandelingen vergemakkelijken, ervoor zorgen dat de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen van nabij kan worden gevolgd, en helpen om de informele economie en zwartwerk terug te dringen. Bovendien helpen zij schendingen van de mensenrechten een halt toe te roepen, helpen zij de armoede en sociale ongelijkheid te bestrijden en maken zij een verbetering van de kwaliteit van het bestaan mogelijk, met name voor de minst begunstigde bevolkingsgroepen.

2.12   Volgens het EESC bevat de meerpartijenhandelsovereenkomst bepalingen – zoals artikel 1 met betrekking tot de mensenrechten, artikel 282 met betrekking tot de deelname van maatschappelijke organisaties en artikel 286 over effectbeoordelingen – waarmee kan worden gezorgd voor een geïnstitutionaliseerde, representatieve en autonome participatie van maatschappelijke organisaties (in beperkte samenstelling) van beide partijen (14), middels de oprichting van een gemengd raadgevend comité, als forum dat openstaat voor het gehele maatschappelijk middenveld van Peru, Colombia en de EU.

2.13   Het hoopt dat deze meerpartijenhandelsovereenkomst de deelnemende partijen helpt om de meest dringende sociaaleconomische problemen op te lossen, zoals armoede, sociale ongelijkheid en geweld, en helpt om de levensomstandigheden van de burgers te verbeteren, met name de minst begunstigde bevolkingsgroepen. Daarvoor is het absoluut zaak dat het maatschappelijk middenveld van de drie partijen actief kan deelnemen aan de uitvoering en de effectbeoordeling van de overeenkomst.

2.14   In mei 2012 heeft een delegatie van het EESC een bezoek gebracht aan Colombia en Peru. De balans van het bezoek was positief, vanwege het aantal en het niveau van de ondervraagde partijen en het belang van de vergaarde informatie, zodat het standpunt van het maatschappelijk middenveld van beide landen ten aanzien van de meerpartijenhandelsovereenkomst in het onderhavige advies kan worden verwerkt en een voorstel wordt gedaan voor de oprichting van een gemengd raadgevend comité met het maatschappelijk middenveld voor de follow up van de overeenkomst. Tijdens het bezoek kon worden vastgesteld welke sociale, arbeids- en economische problemen er zoal zijn in beide landen, en dat de maatschappelijke organisaties (met uitzondering van de werkgeversorganisaties, die de overeenkomst in beide landen steunen) maar weinig vertrouwen hebben in het vermogen van hun eigen regeringen en het vermogen van de overeenkomst om deze problemen te helpen oplossen. Het bezoek liet duidelijk zien dat er een grote kloof gaapt tussen het standpunt van de regeringen, die bevestigen dat zij uitgebreide raadplegingen en voorlichtingsactiviteiten hebben georganiseerd, en de perceptie van de maatschappelijke organisaties (15).

2.15   In dit advies worden de belangrijkste problemen gesignaleerd van de twee landen waarmee de overeenkomst wordt gesloten, die door de maatschappelijke organisaties van de betrokken partijen moeten worden gemonitord. In Colombia zijn er de kwestie van de mensenrechten, met zowel positieve als negatieve aspecten, de schending van de vakbondrechten, de uitvoering van de Wet inzake Slachtoffers en Teruggave van Land en het probleem van de straffeloosheid. In Peru wordt de sociale en arbeidssituatie onder de loep genomen, vooral in de mijnbouw, de kinderarbeid, de emigratie naar Europa en de rechten van de inheemse bevolking.

2.16   Het EESC roept de betrokken partijen op om, in overleg met het maatschappelijk middenveld en idealiter via het GRC, in aanvulling op de meerpartijenhandelsovereenkomst een transparant en bindend actieplan op te stellen voor mensenrechten, milieurechten en arbeidsrechten. Dit actieplan zou duidelijke, tijdsgebonden en resultaatgerichte doelstellingen moeten bevatten op elk van de bovengenoemde terreinen. In dit verband schaart het EESC zich achter de verzoeken in punt 15 van de resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2012.

3.   Colombia

3.1   Mensenrechten: lichtpuntjes en schaduwzijden

3.1.1   Sinds augustus 2010 is een nieuwe regering aan de macht. Deze wordt voorgezeten door president Santos, die een nieuwe koers heeft ingezet als het gaat om thema's die verband houden met de mensenrechten. Vicepresident is A. Garzón, de voormalig secretaris-generaal van de Algemene Vakcentrale (CUT, Central Unitaria de Trabajadores) en voormalig Minister van Arbeid, die zijn ervaringen in de vakbondswereld gebruikt om een versterking van de nationale sociale dialoog na te streven. Het standpunt van president Santos ten aanzien van de mensenrechten wijkt af van dat van zijn voorganger, A. Uribe. In plaats van de harde retoriek waardoor mensenrechtenactivisten reëel gevaar liepen, gebruikt de huidige regering een mildere toon en wil zij de dialoog bevorderen. Zij heeft voor het eerst het bestaan van een intern gewapend conflict erkend en lijkt een definitieve oplossing te willen vinden voor dit conflict.

3.1.2   Colombia lijdt onder de gevolgen van een ernstig binnenlands conflict dat het land al meer dan 60 jaar in zijn greep houdt. Het is een gewapend conflict waarbij verschillende spelers zowel oorzaak als hoofdrolspelers van het geweld zijn. Amnesty International erkent dat de regering inspanningen heeft gedaan, maar wijst erop dat de situatie zeer complex blijft (16).

3.1.3   In Colombia is de oudste guerrillabeweging van het continent, de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC), nog altijd actief. Zowel de FARC als het Nationaal Bevrijdingsleger (ELN), die worden gefinancierd met drugsgeld, blijven jongens en meisjes ronselen om te worden ingezet in het gewapend conflict, en hebben in veel gebieden antipersoonsmijnen geplaatst. Colombia is na de Democratische Republiek Congo het land met de meeste kindsoldaten (17).

3.1.4   Tussen de 1,5 en 3 miljoen mensen hebben hun woon- en werkplaats moeten verlaten. De FARC heeft in februari 2012 aangekondigd te stoppen met ontvoeringen en heeft 10 militaire gijzelaars vrijgelaten. Toch blijft een onbekend aantal burgers nog steeds gegijzeld (18).

3.1.5   Sinds de jaren '70 zijn er duizenden slachtoffers gevallen onder boeren, arbeiders, vakbondsleden, leraren, mensenrechtenactivisten, leidinggevenden van maatschappelijke organisaties op wijk-, gemeente- en plattelandsniveau, enz. Volgens de Escuela Nacional Sindical (nationale vakbondsschool), een ngo die zich inzet voor mensen- en vakbondsrechten, zijn sinds 1986 meer dan 2 900 vakbondsleden vermoord. De drugshandel blijft een veelvoorkomende illegale activiteit, met netwerken in het hele land en vele internationale vertakkingen. Pogingen om het fenomeen gewapenderhand uit te roeien hebben niet zelden geleid tot een toenemende geweldsspiraal. Veel leden van de strijdkrachten en de veiligheidsdiensten zijn er door nationale en internationale mensenrechtenorganisaties van beschuldigd zogenaamde guerrillastrijders te hebben vermoord, wat ook wel de kwestie van de "valse positieven" wordt genoemd (19).

3.1.6   In de huidige Colombiaanse samenleving hebben vrouwen nog altijd te maken met ongelijke behandeling en discriminatie. De ongelijkheid tussen vrouwen en mannen doet zich voor in het gezinsleven, waar veel sprake is van huiselijk geweld; in de economische sfeer, die wordt gekenmerkt door een hoge werkloosheid, een groeiend percentage vrouwen in de informele sector (57 %) en het voortbestaan van de loonkloof tussen vrouwen en mannen; en in de politieke sfeer, met een ondervertegenwoordiging van vrouwen op de hoogste besluitvormingsniveaus.

3.1.7   Volgens rapporten van de Colombiaanse vakbondscentrales (CUT, CTC en CGT) heeft de sociale dialoog, die tijdens vorige regeringen onder zware druk stond, nog niet voldoende veranderingen in gang gezet om van een positieve tendens te kunnen spreken. De vakbondscentrales zijn van mening dat het gebrek aan dialoog heeft bijgedragen tot een daling van de syndicalisatiegraad van 14 % naar 4 %. Er wordt aan herinnerd dat de situatie van de vakbondsrechten in Colombia de laatste jaren onder streng toezicht van de IAO (20) heeft gestaan. Deze organisatie heeft vele onderzoeksmissies uitgevoerd en beschikt over een permanente eenheid in het land, om schendingen van de mensen-, arbeids- en vakbondsrechten op te volgen. In 2011 zijn 29 vakbondsleiders vermoord. Vaak waren gedemobiliseerde paramilitairen hiervoor verantwoordelijk. Nog eens tien vakbondsmensen ontsnapten ternauwernood aan de dood. D. Aguirre, secretaris-generaal van SINALCORTEROS (de nationale vakbond van rietsuikersnijders) werd op 27 april 2012 vermoord, wat het aantal vermoorde vakbondsleiders op 7 brengt.

3.1.8   Positief is daarentegen de toename van het aantal opsporingsambtenaren van het Colombiaanse Openbaar Ministerie (FGN), dat onderzoek doet naar deze misdrijven en delicten. En dat, op initiatief van het FGN, het Nationaal Congres heeft ingestemd met een hervorming van artikel 200 van het Wetboek van Strafrecht, waarmee hogere gevangenisstraffen en boetes kunnen worden opgelegd aan personen die een vergadering of de eerbiediging van de arbeidsrechten tegenhouden of verstoren, of personen die represailles nemen tegen legitieme stakingen, vergaderingen of verenigingen (21). In januari 2012 hebben het FGN en de nationale vakbondsschool een overeenkomst gesloten voor de uitwisseling van informatie en de ontwikkeling van een gezamenlijke methode voor het vaststellen, opsporen en documenteren van misdaden tegen leden van vakbondsorganisaties.

3.1.9   Maar hoewel het geweld in het land is afgenomen, vinden er nog altijd terroristische daden plaats: de dag waarop de vrijhandelsovereenkomst met de VS in werking trad (15 mei 2012) werd een aanslag gepleegd tegen de voormalige minister Hoyos die het leven kostte aan twee van zijn lijfwachten en waarbij 49 mensen gewond raakten.

3.1.10   De Wet inzake Slachtoffers en Teruggave van Land. Deze wet, die in 2011 is goedgekeurd, erkent het bestaan van een gewapend conflict en de rechten van de slachtoffers. De wet voorziet in een schadevergoeding voor slachtoffers van schendingen van de mensenrechten, ook die welke zijn gepleegd door staatsfunctionarissen. Hoewel de wet tot nu toe onregelmatig en onvolledig wordt toegepast betekent zij een belangrijke vooruitgang voor de slachtoffers, wier rechten tot nu toe op geen enkele wijze werden erkend. Tijdens het studiebezoek van het EESC maakten maatschappelijke organisaties melding van bedreigingen aan het adres van personen en gemeenschappen aan wie land is teruggegeven. De EESC-delegatie is door het Ministerie van Landbouw op de hoogte gebracht van de opleiding van rechters voor de teruggave van onrechtmatig afgenomen land. Daarbij werd het wettelijk eigendom toegekend aan degenen die de grond voor een spotprijs verwierven en werden de oorspronkelijke eigenaren gedwongen om naar elders te trekken, waarna het land in veel gevallen werd gebruikt voor de teelt van illegale drugs. Ook wordt bescherming geboden aan gezinnen die weer op de geconfisqueerde gronden zijn gaan wonen onder druk van de guerrillabeweging, die zo probeerde de gebieden onder controle te krijgen.

3.1.11   De straffeloosheid, een hardnekkig probleem in Colombia. Er is enige vooruitgang geboekt met belangrijk onderzoek naar de mensenrechten en het onderzoek naar het schandaal van de "parapolitiek", dat illegale banden tussen bestuurders en paramilitaire groepen aan het licht heeft gebracht. Meer dan 120 voormalige parlementsleden zijn ondervraagd en circa 40 zijn schuldig bevonden (22). Maar in februari 2012 werd de verkiezing van de hoofdofficier van justitie (23) ongeldig verklaard, die verantwoordelijk was voor het aanpakken van de belangrijkste corruptiezaken en de berechting van paramilitairen, drugshandelaren en guerrillaleiders, en vastberaden was een einde aan de straffeloosheid te maken. Onderzoek toonde aan dat er banden waren tussen de Colombiaanse veiligheidsdienst en de paramilitairen, en dat de veiligheidsdienst rechtstreeks verantwoordelijk was voor het bedreigen en vermoorden van vele mensenrechtenactivisten, magistraten, journalisten, vakbondsleden en advocaten (24). In oktober 2011 kondigde de regering de ontbinding van de veiligheidsdienst en de oprichting van een nieuwe Centrale Inlichtingendienst aan.

3.1.12   De regering heeft een controversiële hervorming van artikel 221 van de grondwet voorgesteld, waarmee militaire rechtbanken de initiële controle krijgen over onderzoek naar mogelijke schendingen van de mensenrechten door leden van de veiligheidsdienst. Met de hervorming zou het beginsel worden ingevoerd dat alle delicten die worden gepleegd door leden van het openbaar gezag tijdens operaties en/of procedures een "band met de dienst" hebben en als zodanig onder de militaire rechtspraak vallen, ten minste in eerste instantie. De Inter-Amerikaanse Commissie voor de rechten van de mens (IACHR) en de Verenigde Naties hebben meerdere malen gewezen op het gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de militaire rechtspraak, wat de geloofwaardigheid van diens gezag ondermijnt (25). De Colombiaanse strijdkrachten en veiligheidsdiensten zijn meermalen beschuldigd van buitengerechtelijke executies, en volgens schattingen van het bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (UNHCHR) in Colombia zijn tussen 2004 en 2008 meer dan 3 000 mensen vermoord door de politie. Na die tijd is er een aanzienlijke daling geweest, maar deze praktijken zijn nog niet volledig uitgeroeid (26). Diverse nationale en internationale organisaties hebben president Santos verzocht de voorgestelde grondwetswijziging in te trekken (27).

3.1.13   Uit gesprekken met het bedrijfsleven blijkt dat deze sector, in tegenstelling tot de hierboven beschreven standpunten, van mening is dat de overeenkomst bevorderlijk zal zijn voor de legale economie, het formaliseren van arbeidscontracten, de mensenrechten en het milieu, en dat zij zal helpen het geweld terug te dringen.

4.   Peru

4.1   Het afgelopen decennium is de armoede afgenomen, maar volgens gegevens van de Wereldbank (28) moet nog altijd 15 % van de bevolking rondkomen van minder dan twee dollar per dag. De verschillen tussen stad en platteland blijven enorm. De groei heeft zich vooralsnog vertaald in een zeer ongelijke inkomensverdeling. Het gemiddelde inkomen (en daarmee ook de particuliere consumptie) is gestegen maar niet voldoende, en lag in 2010 op 404 dollar.

4.2   Situatie arbeidsmarkt/vakbonden. In 2009 had bijna 73 % van de werknemers geen arbeidscontract, had 7 % een vast contract en 20 % een tijdelijk contract (29). De IAO signaleerde in 2011 een toename van de informele sector en latente werkloosheid, een daling van het reële minimumloon en een zeer hoog percentage kinderarbeid (42 %). De export van landbouwproducten is explosief gegroeid in Peru, maar dit heeft nog geen voordelen opgeleverd voor de werknemers van de sector. In 2008, voor het losbarsten van de internationale crisis, telde de sector iets meer dan 200 000 werknemers. Het eerste halfjaar van 2011 gaf een consolidatie van het economisch herstel te zien: nooit eerder in de geschiedenis telde het land zo veel werknemers in loondienst. Maar in deze sector kunnen de werkdagen zeer lang zijn, zijn de salarissen lager dan het gewone minimumloon (30), wordt minder betaald voor overuren en domineren de tijdelijke contracten (31).

4.3   Het EESC staat positief tegenover de verplichtingen die zijn aangegaan inzake de naleving van de fundamentele verdragen van de IAO en de agenda voor fatsoenlijk werk, maar herhaalt dat de organisaties van het Peruaanse en Europese maatschappelijk middenveld moeten kunnen deelnemen aan het toezicht op de uitvoering. Een absolute voorwaarde voor fatsoenlijk werk is de sociale dialoog: dat wil zeggen de participatie van werkgeversorganisaties en vakbonden in aan de collectieve onderhandelingen. Dit laatste is van groot belang als aanvulling op de wetgeving voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden van werknemers. Uitwisseling van ervaringen met de sociale dialoog is een andere taak die volgens het EESC formeel moet worden vastgelegd.

4.4   De kinderarbeid in Peru baart het Peruaanse maatschappelijk middenveld sinds jaar en dag veel zorgen. Het komt met name voor in de mijnbouwsector, waar zelfs meisjes werken. Er zijn geen exacte cijfers omdat de officiële statistieken geen volledig beeld geven van de omvang van het fenomeen, maar volgens gegevens van de IPEC-IAO (32) werken in twee van de drie mijnwerkersgezinnen kinderen onder de 18 jaar in de winning, verwerking of vervoer van materiaal. Hoewel meisjes meestal niet diep onder de grond werken, worden zij steeds vaker ingezet bij werkzaamheden in de mijn en houden zij zich bezig met de communicatie tussen de mijn en de buitenwereld. De IAO onderstreept dat de afschaffing van kinderarbeid in de mijnbouw een impuls geeft aan technologische veranderingen, een verbetering van de sociale bescherming en meer onderwijsmogelijkheden voor de betrokken minderjarigen. In dit stapsgewijze proces is de participatie van het maatschappelijk middenveld van cruciaal belang. De EU is concrete verbintenissen aangegaan in de strijd tegen kinderarbeid met haar handelspartners en met ondernemingen uit de EU die op andere continenten actief zijn. De maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen en de arbeids- en mensenrechten houden niet op bij de Europese grenzen. Tijdens de uitvoering van de meerpartijenhandelsovereenkomst moeten deze verbintenissen worden hernieuwd en zal de impact hiervan op de kinderarbeid moeten worden geëvalueerd.

4.5   Immigratie naar de EU. Het Peruaans nationaal instituut voor statistiek en informatica (33) heeft berekend dat in de periode 1990-2009 2 038 107 Peruanen in het buitenland verbleven. Na Spanje (met circa 200 000 Peruaanse ingezetenen) is Italië een van de landen dat de laatste jaren het grootste aantal Peruanen heeft opgevangen (34). Volgens het EESC is legale immigratie een positief en verrijkend element. Het follow up-mechanisme dat met de meerpartijenhandelsovereenkomst in het leven wordt geroepen en waaraan wordt deelgenomen door het maatschappelijk middenveld, moet worden ingezet voor de waarneming en bewaking van de mensenrechtensituatie van immigranten en de preventie van mensenhandel.

4.6   Rechten van de inheemse bevolking. Het EESC neemt nota van de inwerkingtreding van de in 2011 goedgekeurde Wet over de inspraak van de inheemse bevolking (35). De wet betekent een erkenning van de rechten van de inheemse bevolking, kan bijdragen aan de sociale integratie en kan ervoor zorgen dat de voordelen van de democratie eindelijk door de oorspronkelijke bevolking kunnen worden gedeeld. De wet is het resultaat van de inspanningen van veel sociale actoren maar met name van de inheemse bevolking zelf, die volhardend heeft aangedrongen op een wetgeving die ervoor zorgt dat het recht op raadpleging effectief wordt toegepast. De volledige uitvoering van de wet zal het bewijs zijn dat Peru zijn verplichtingen in het kader van IAO-verdrag nr. 169 nakomt.

4.7   De regering van Ollanta Humala is in 2011 aangetreden en staat voor grote uitdagingen. De verwachtingen zijn dan ook hooggespannen. De ondertekening van een meerpartijenhandelsovereenkomst kan helpen deze uitdagingen tot een goed einde te brengen en de verwachtingen om te zetten in de zekerheid dat een positieve verandering op komst is, op voorwaarde dat men zich realiseert dat de ondertekening alleen niet volstaat om de gewenste veranderingen in gang te zetten. Het EESC hoopt via dit advies de betrekkingen tussen de EU en Peru in de toekomst te helpen verbeteren, door het Peruaanse maatschappelijk middenveld te betrekken bij de mechanismen voor follow up en effectbeoordeling. Het EESC herhaalt nogmaals dat de structuren voor participatie van het maatschappelijk middenveld representatief moeten zijn en onafhankelijk van de uitvoerende macht moeten opereren.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  De overeenkomst moet worden geratificeerd door de 27 parlementen van de EU-lidstaten en de parlementen van Colombia en Peru.

(2)  Zoals bijvoorbeeld is vastgesteld in het actieplan inzake de arbeidsrechten dat is opgenomen in de overeenkomst tussen Colombia en de VS en in het APS+.

(3)  Duurzaamheidseffectbeoordeling van de handel, opgesteld op verzoek van DG Handel (Europese Commissie) door Development Solutions, het Centre for Economic Policy Research en de Universiteit van Manchester, 2009.

(4)  Evenals de doelstelllingen van het Protocol over mensenrechten tussen de EU en Colombia (2009) dat is geratificeerd tijdens de 6e gewone vergadering in het kader van de Dialoog over de mensenrechten (Bogota, 30 januari 2012).

(5)  Het Stelsel van Algemene Preferenties Plus

(6)  Artt. 271 en 324 van de meerpartijenhandelsovereenkomst.

(7)  EESC-advies "De onderhandelingen over nieuwe handelsovereenkomsten: standpunt van het EESC", rapporteur: de heer Peel, corapporteur: mevrouw Pichenot (PB C 211 van 19.08.2008, blz. 82).

(8)  Iedere partij verbindt zich ertoe de internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen, zoals deze zijn opgenomen in de fundamentele verdragen van de IAO, op het hele grondgebied in zijn wetgeving en praktijk te bevorderen en daadwerkelijk toe te passen (artikel 269, lid 3 van de meerpartijenhandelsovereenkomst).

(9)  PB C 211 van 19.08.2008, blz. 82.

(10)  "Het EESC is van mening dat een associatieovereenkomst die verder reikt dan handelsaspecten en gericht is op sociale cohesie, absoluut een sociale dimensie moet hebben (…)", rapporteur: de heer Zufiaur (PB C 248 van 25.08.2011, blz. 55).

(11)  EESC-advies "Duurzaamheidseffectbeoordelingen en handelsbeleid van de Europese Unie", rapporteur: mevrouw Pichenot (PB C 218 van 23.07.2011, blz. 14).

(12)  Boodschap aan het Europees Parlement van het Europees Verbond van Vakverenigingen, de Internationale Vakbondsconfederatie, de Trade Union Confederation of the Americas en de Council of Global Unions van februari 2012. Standpunt ten aanzien van de handelsovereenkomst EU-Colombia van de Colombiaanse vakbond CGT, februari 2012.

(13)  Resolutie van het Europees Parlement over de meerpartijenhandelsovereenkomst tussen de EU, Colombia en Peru, goedgekeurd op 13 juni 2012.

(14)  Voor Europa is dat het EESC.

(15)  Zie Bijlage B voor het verslag en programma van het bezoek.

(16)  Verklaring van Amnesty International aan de 19de zitting van de Hoge Raad voor de Mensenrechten van de VN, 2012, Genève.

(17)  Zie het verslag over 2012 van het Internationaal Tribunaal voor kinderen die door oorlog en armoede worden getroffen, http://www.tribunalinternacionalinfancia.org

(18)  Op 28 april 2012 werd, in tegenspraak met de beloftes, de Franse journalist R. Laglois ontvoerd, die pas weken later werd vrijgelaten.

(19)  Volgens Colombiaans recht gaat het hierbij om moord op beschermde personen.

(20)  Bron: de verslagen van het IAO-comité inzake de toepassing van de normen, de internationale arbeidsconferenties en de IAO.

(21)  Verslag van de Ambassade van Colombia in Brussel over de handelingen van het Colombiaanse Openbaar Ministerie, maart 2012.

(22)  In februari 2011 werd ex-senator Mario Uribe, voormalig voorzitter van het congres en neef van president Álvaro Uribe, schuldig bevonden aan betrekkingen met de paramilitairen.

(23)  De verkiezing van Viviane Morales werd ongeldig verklaard wegens vermeende vormfouten bij haar benoeming.

(24)  In september 2011 werd Jorge Noguera Cotes, die van 2002 tot 2005 aan het hoofd van de veiligheidsdienst stond, schuldig bevonden aan het onderhouden van banden met paramilitaire groeperingen en voor de moord in 2004 op een universiteitsprofessor.

(25)  Verslag over Colombia, Inter-Amerikaanse Commissie voor de rechten van de mens (IACHR).

(26)  Mensenrechtenverslag 2012 van de Human Rights Watch.

(27)  Brief aan president Santos, Human Rights Watch, 9-2-2012.

(28)  World Development Indicators, Wereldbank 2011.

(29)  Gegevens van het Peruaanse Ministerie van Arbeid.

(30)  Het dagloon ligt tussen de 8,84 en 10 USD, het minumum leefloon ligt op 259,61 USD per maand.

(31)  Een duidelijk voorbeeld van een inadequaat gebruik van tijdelijke contracten is de palmoliesector.

(32)  Programma van de IAO voor het uitbannen van kinderarbeid www.ilo.org

(33)  Perú: Estadísticas de la Emigración Internacional de Peruanos e Inmigración de Extranjeros, 1990 – 2009 (Peru: Statistieken over de internationale emigratie van Peruanen en de immigratie van buitenlanders, 1990-2009), Lima, 2010.

(34)  Sinds 2011 financiert de EU het project "Perú Migrante".

(35)  Wet nr. 29785, Wet op het recht op inspraak van de inheemse bevolking, erkend in IAO-verdrag nr. 169.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/45


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over coöperaties en ontwikkeling van de agrovoedingssector (initiatiefadvies)

2012/C 299/09

Rapporteur: Carlos TRIAS PINTÓ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens de voltallige vergadering van 19 januari 2012 besloten om overeenkomstig art. 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Coöperaties en ontwikkeling van de agrovoedingssector

(initiatiefadvies).

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 26 juni 2012.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli 2012) het volgende advies uitgebracht, dat met 144 stemmen vóór en 2 tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Wie op zoek is naar een duurzamer economisch model kan niet voorbijgaan aan het fenomeen van coöperaties, die een concurrerend en doeltreffend alternatief vormen dat nieuwe oplossingen biedt voor het gebrek aan evenwicht in de waardeketen van de agrovoedingssector. Coöperaties zijn bovendien bevorderlijk voor werkgelegenheid, de lokale voedingsketens, voedselzekerheid, participatie en maatschappelijk verantwoord ondernemen.

1.2   Er zijn structurele hervormingen van de huidige markten voor agrovoedingsproducten nodig, in overeenkomst met de Europa 2020-strategie en andere EU-initiatieven. De prijsvorming binnen de traditionele afzetkanalen verloopt te weinig transparant, waardoor het onderhandelingsevenwicht tussen de verschillende partijen ernstig wordt verstoord, wat nadelig is voor zowel producenten als consumenten (de eerste en laatste schakels van de keten). Daarbij komen nog de onnodige milieukosten die worden veroorzaakt door een weinig energie-efficiënte distributiesector. Denken we maar aan de koelopslag van verse producten buiten het seizoen en het vervoer naar markten die ver van de plaats van productie liggen.

1.3   De markt moet worden hertekend volgens een circulair ontwerp, dat voorrang geeft aan korte afzetkanalen, zodat vraag en aanbod via netwerken beter op elkaar worden afgestemd, uitgaande van de meest elementaire segmenten in een innovatieve en technologisch geavanceerde context.

1.4   De specifieke beginselen en waarden van de coöperatieve sector dragen bij tot eerlijke handelsverhoudingen en synergie-effecten, waarmee het evenwicht van de waardeketen van de agrovoedingssector wordt hersteld: belangen vullen elkaar aan, gedeelde waarde wordt optimaal benut en duurzame productie- en consumptiemethoden worden geleidelijk aan in het systeem verankerd.

1.5   Het Comité verzoekt de Europese instellingen dan ook om een voedingsbodem tot stand te brengen waarin het coöperatieve model kan gedijen. Hiertoe dient een reeks beleidsmaatregelen te worden goedgekeurd op o.m. juridisch, economisch, fiscaal en technisch gebied, waarbij steeds de harmonische ontwikkeling van dit model voor ogen moet worden gehouden.

2.   Inleiding

2.1   Coöperaties zijn bevorderlijk voor een gezond Europees ondernemingsklimaat en m.n. de economische democratie; het coöperatieve model is immers een stap in de richting van de noodzakelijke verandering van productiemodel.

2.2   2012 is door de VN uitgeroepen tot Internationaal Jaar van de Coöperaties, de gelegenheid bij uitstek dus om na te denken over de vraag hoe coöperaties ertoe kunnen bijdragen dat duurzame en inclusieve groei een nieuwe impuls krijgt, zodat uit de huidige crisis uiteindelijk een sociale markteconomie met een sterke concurrentiepositie (1) ontstaat.

2.3   De coöperatieve sector verschilt enorm van lidstaat tot lidstaat. Er zijn coöperaties die een handelsactiviteit uitoefenen op een manier die in niets verschilt van de werkwijze van hun concurrenten, terwijl andere bij hun voorlichtings- of verkoopsstrategieën kiezen voor een politiek correcte houding t.a.v. consumenten, milieu, enz. Ook moet onderscheid worden gemaakt tussen de coöperaties aan het begin (productie) en die aan het eind (consumptie) van de waardeketen; van onderlinge coördinatie is hier in de meeste gevallen geen sprake.

2.4   Een structurele, op duurzame consumptie en productie gerichte hervorming van de markten vereist dat het evenwicht van de agrovoedingswaardeketen (2) wordt hersteld; landbouwverenigingen in het algemeen en coöperaties in het bijzonder dienen in dit verband de rol van bemiddelaar te vervullen, te streven naar integratie en erop toe te zien dat de nodige aanpassingen en veranderingen tot een goed einde worden gebracht, dit alles via dialoog en intersectorale interactie.

2.5   Deze stellingname sluit aan op eerdere standpunten van het Comité en kan de aanzet bieden tot een antwoord op de uitdagingen die het EU-beleid zal moeten aangaan, en die aan bod komen in de Europa 2020-strategie, het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, het Actieplan voor duurzame productie, consumptie en bedrijven en de Akte voor de interne markt.

2.6   Hierbij zij opgemerkt dat wordt uitgegaan van het beginsel van slimme, duurzame en inclusieve groei, die moet stoelen op kennis, een koolstofarme economie (3), inzetbaarheid en sociale en territoriale samenhang.

2.7   Ten slotte kan dit voorstel een gunstige invloed uitoefenen op andere zeer belangrijke EU-beleidsgebieden waarmee het raakvlakken heeft. We denken dan o.m. aan voedselveiligheid en –soevereiniteit, territoriaal evenwicht, instandhouding van de lokale voedingsketens (4), sociaal ondernemerschap, bescherming van de rechten en belangen van consumenten en directe participatie van maatschappelijke organisaties op agrovoedingsgebied (5).

3.   Opmerkingen van het EESC

3.1   Beeld van de huidige marktsituatie

3.1.1   Een goed werkende markt biedt de producten en kwaliteit waarnaar de consument op zoek is. Dit veronderstelt dat de signalen die de consument uitzendt alle schakels van de waardeketen doorlopen om ten slotte in hun oorspronkelijke staat bij de producent terecht te komen. Jammer genoeg wordt de markt vandaag maar al te vaak gekenmerkt door lineariteit – wat positieve feedback in de weg staat – en door een mate van complexiteit die tot gevolg heeft dat de oorspronkelijke taak van de markt, nl. de bevolking de best mogelijke producten leveren, uit het oog verloren wordt.

3.1.2   De consument vraagt steeds vaker naar veilige, duurzame, innovatieve, verantwoorde en milieuvriendelijke producten en wil garanties inzake arbeidsomstandigheden en dierenwelzijn; in dat verband moet ook worden gekeken naar de goedkoopste producten, omdat de prijs toch nog altijd van doorslaggevend belang is bij een aankoopbeslissing. De verschillende schakels van de waardeketen ((primaire) productie, opslag, distributie en verkoop) laten jammer genoeg na relevante informatie aan elkaar door te geven.

3.1.3   De afzetkanalen, die de kloof tussen leveranciers en consumenten nog verbreden, staan daarnaast ook de transparantie in de weg, zodat de productiekosten worden onderschat en producenten vaak niet eens voldoende krijgen om het hoofd boven water te houden.

3.1.4   Deze spelers die genoegen moeten nemen met te lage prijzen staan zwak tijdens onderhandelingen en zijn aan handen en voeten gebonden, wat het gebrek aan evenwicht in de agrovoedingsketen nog versterkt (6), zodat de verstoring van de markt blijft voortduren.

3.1.5   De analyse van de huidige marktsituatie – noodzakelijk voor een hervorming - levert het volgende beeld op: een versnipperd aanbod, concentratie van de distributie en onvoorspelbaarheid van de vraag. Kortom, de ideale voedingsbodem voor speculatie.

3.1.6   Ten slotte mogen we niet de ogen sluiten voor de sociale en milieu-impact van de distributiesector, die te wijten is aan factoren als het vervoer over lange afstanden, langdurige koelopslag, bedrijfsverplaatsing, enz.

3.2   Naar een meer coöperatieve markt via nieuwe modellen van duurzame productie en consumptie

Waarden als democratie, gelijkheid, rechtvaardigheid, solidariteit, transparantie en maatschappelijke verantwoordelijkheid versterken de coöperatieve identiteit. De Internationale Vereniging van coöperaties heeft zeven beginselen vastgelegd waaraan coöperaties moeten beantwoorden, te weten open en vrijwillige deelname, democratische controle door de leden, economische participatie van de leden, autonomie en onafhankelijkheid, onderwijs, opleiding en voorlichting, samenwerking met andere coöperaties en zorg voor de gemeenschap (7).

Een coöperatieve agrovoedingsmarkt is een markt waarop vraag en aanbod worden geregeld via de basisregels van het coöperatieve model, die beantwoordt aan de beginselen van wederkerigheid of wederzijds voordeel, en streeft naar een eerlijker en efficiëntere waardeketen in economisch, sociaal en milieu-opzicht. Streefdoel is m.a.w. een markt die fungeert als een spel met positieve som, alle partijen winst oplevert en zoveel mogelijk gedeelde waarde creëert via partnerschappen en langetermijnverbintenissen tussen de belangrijkste deelnemers (producenten en consumenten), waarbij steeds een aantal regels inzake eerlijke concurrentie in acht wordt genomen. Hieronder volgt een concreet overzicht van de voorwaarden voor herstructurering van de markt, conform de uitgangspunten die in onderhavig advies worden belicht.

3.2.1

Omkering van de "productiepiramide", waarbij de klemtoon komt te liggen op een coöperatieve sector over de grenzen heen, met voldoende kritische massa om de vereiste omvang en reikwijdte te verzekeren. Er moet worden uitgegaan van de individuele producenten en familiebedrijfjes, om zo consortia en basiscoöperaties – cruciaal om de plattelandseconomie nieuw leven in te blazen – tot stand te brengen. Deze moeten deel uitmaken van een ruimere structuur van regionale netwerken en concurrentiepolen, waardoor de landbouwers dichter bij de segmenten van de afzetkanalen met de grootste toegevoegde waarde komen te staan. Een dergelijke coöperatieve structuur maakt het mogelijk de opbrengst te maximaliseren en tegemoet te komen aan de diversiteit van de vraag: de afzetkanalen worden immers korter en de afstand tussen producent en consument wordt kleiner (8). Voorts kan coöperatieve integratie (9) de traceerbaarheid over de hele lijn verbeteren, zowel op het vlak van kwaliteit als van prijsvorming, wat op zijn beurt kan leiden tot een beter gebruik van de middelen en verhoogde efficiëntie.

3.2.2

Maatschappelijke opbrengst van coöperaties De winst die het netwerk van coöperaties genereert komt de deelnemende coöperaties zelf ten goede, zodat zij hun marktpositie kunnen verbeteren; een en ander bevordert de inzetbaarheid, brengt een universele toegang tot essentiële hulpmiddelen dichterbij en creëert gunstiger voorwaarden voor producenten en consumenten; een dergelijk nieuw handelsklimaat zal uiteindelijk ook een synergie-effect teweegbrengen.

3.2.3

Concentratie van de vraag  (10) Coöperaties van consumenten en consumentennetwerken, die de wensen van de burger op een rijtje zetten, zijn erop gericht de toegang tot producten te vergemakkelijken en voordeligere prijs- en kwaliteitsvoorwaarden tot stand te brengen. Direct contact met de producenten kan tot stand komen via lokale en buurtmarkten en komt uiteindelijk ook de koop en verkoop via internet ten goede. Een dergelijke benadering strookt met de doelstellingen van de voornaamste organisaties van landbouwers en agrovoedingscoöperaties van de EU: Bedoeling is landbouwers die hun producten rechtstreeks aan de consument willen verkopen, aan te moedigen (bv. door directe verkoop op het bedrijf, via landbouwcoöperaties, of door verkoop op lokale markten, via collectieve platforms of bedrijven die worden gecontroleerd door de producent) (11).

3.2.4

Circulair marktmodel  (12) op basis van kortere afzetkanalen. Om een tegenwicht te bieden tegen de schakels die geen waarde toevoegen aan de afzetketen, moet vaker worden gekozen voor afzetkanalen waarbij de afstand tussen productie en consumptie, d.w.z. tussen primaire producenten en eindgebruikers, zo klein mogelijk wordt gehouden (13). Op die manier zullen sneller "lussen" ontstaan op de markt, zodat de behoeften van de bevolking en de productiesector qua middelen en kosten naadloos op elkaar aansluiten, en zowel overschotten als tekorten, die bovendien nog als nadeel hebben dat zij de prijzen kunstmatig kunnen doen schommelen, worden vermeden. Dit alles zal leiden tot een eerlijker, transparante en evenwichtige werking van de voedselbevoorradingsketen, zodat oneerlijke praktijken en misbruik, die de eerlijke concurrentie tenietdoen, aan banden worden gelegd.

3.2.5

Nieuwe technologieën  (14) Technologische innovatie is de hoeksteen van een meer coöperatieve markt; dat geldt zowel voor de innovatieve ontwikkeling van de agrovoedingsproductietechnieken als voor de logistieke opzet die aan de basis ligt van efficiënte communicatieprocessen bij de totstandkoming van intelligente productie-, distributie- en consumptienetwerken (organisatievormen met een hoog niveau van zelfbestuur en evolutieve flexibiliteit, die in staat zijn zich aan te passen om hun doelstellingen sneller te bereiken). Het virale karakter van deze netwerken en hun interoperabiliteit en connectiviteit in een digitale omgeving maken dat zij een goede vervanging zijn voor nutteloze tussenschakels. De nieuwe technologieën moeten m.a.w. worden ingezet om uiteindelijk tot een grotere collectieve efficiëntie te komen; dit houdt in dat innovatie wordt toegepast op de voedselketen en de verwerking.

3.3   Hoe de markt meer op coöperatieve leest te schoeien?

De wereldwijde overgang naar duurzame en verantwoorde productie en consumptie is een "multistakeholder"-proces, waarbij alle belanghebbenden invloed kunnen uitoefenen op het coöperatieve model maar daardoor ook zelf beïnvloed kunnen worden ("coöperatieve maatschappelijke medeverantwoordelijkheid"). Van strategisch belang bij het streven naar een coöperatief en intercoöperatief productie- en consumptiemodel, is de ontwikkeling van de nodige instrumenten en institutionele mechanismen om dit model op gelijke voet met de traditionele waardeketen te doen concurreren. Het zou nuttig zijn tijdens het besluitvormingsproces rekening te houden met o.m. de volgende overwegingen.

3.3.1

Goedkeuring van EU-beleidsmaatregelen. Een hervorming van het wetgevend kader en een degelijk stimuleringsbeleid moeten het mogelijk maken steunmaatregelen voor coöperaties in te voeren; daarbij kan gebruik worden gemaakt van ontwikkelingsagentschappen, leningen, enz.; daarnaast zijn maatregelen nodig voor integratie en coöperatieve internationalisatie, voor samenhang en sociale innovatie, en ter versterking van partnerschappen tussen openbare instellingen en kleine en middelgrote bedrijven, coöperaties, consumentenverenigingen en andere organisaties.

3.3.2

Coöperatieve openbare aanbestedingen.  (15) De laatste jaren is vooruitgang geboekt op het vlak van groene aanbestedingen, en meer recent ook wat het hanteren van ethische criteria bij de toekenning van overheidsopdrachten betreft. Dat heeft een sterk positief effect gehad op de sociale en economische weerklank van de acties ter bevordering van duurzaamheid en samenwerking. Deze exemplarische benadering van overheidsopdrachten en de grote aantallen die hiermee gemoeid zijn, zijn een uitstekende manier om de beoogde doelen te bereiken. Het stimuleren van marktstromen tussen overheid en coöperatieve netwerken kan van doorslaggevend belang zijn voor een nieuw model van duurzame productie en consumptie.

3.3.3

Kwaliteitskeurmerken.  (16) Kwaliteitskeurmerken zijn een indirecte manier om producten te promoten door hun oorspong en specifieke kenmerken aan te geven; zo kan ook worden aangetoond dat coöperatieve productie een maatschappelijke meerwaarde heeft ("coöperatiekeurmerk"). Dankzij dergelijke keurmerken krijgt een product meer zichtbaarheid en kunnen landbouwverenigingen zich meer gaan richten op de markt i.p.v. op productie.

3.3.4

Transparantie en consumentenvoorlichting.  (17) Transparantie, m.n. op het vlak van kwaliteit en traceerbaarheid, is een factor die niet los mag worden gezien van voorlichtings- en bewustwordingscampagnes die de burger ertoe moeten aanzetten vaker bij coöperaties te kopen. Transparantie zorgt voor evenwicht in de waardeketen, zodat informatieverstrekking meer een tweerichtingsverkeer wordt en productie en consumptie beter op elkaar worden afgestemd - een conditio sine qua non voor de efficiëntie van een op duurzaamheid gebaseerd model -, door vraag en aanbod in het kader van de integratie van de afzet qua ruimte en tijd met elkaar in verband te brengen. Voorts dient voorrang te worden verleend aan het oprichten van consumentenverenigingen en het uitstippelen van wegen die naar de noodzakelijke concentratie van de eindvraag naar agrovoedingsproducten leiden.

3.3.5

Maatschappelijk ondernemen en coöperaties: onderwijs en opleiding.  (18) Hoewel het gaat om een proactief instrument waarvan de effecten niet onmiddellijk waarneembaar zijn, is onderwijs van fundamenteel belang om de veranderingen op de markt te verankeren. Door leerlingen op school kennis en begrip van de coöperatieve beginselen bij te brengen, gaan zij niet alleen al vroeg positief aankijken tegen het coöperatieve model en samenwerking als bron van vertrouwen, maar zullen zij die houding ook overbrengen op hun ouders en trachten hun consumptiepatroon te doen aansluiten op het hier beschreven model. In dit verband is het ook cruciaal dat de ondernemingszin van jongeren wordt aangewakkerd en zij ertoe worden aangezet coöperaties op te richten of het coöperatieve model te versterken, hetzij in de productie- of afzetfase, hetzij in het kader van consumptie. De kennis, uitwisseling en verspreiding van goede praktijkvoorbeelden op het gebied van coöperaties kunnen ongetwijfeld bijdragen tot dit alles.

3.3.6

Specifieke fiscale regelingen.  (19) Er zijn billijkere belastingregelingen nodig om de consument aan te zetten tot een efficiënt gebruik van middelen (20), zodat mensen meer rekening gaan houden met de sociaaleconomische impact van producten en met de maatschappelijke meerwaarde van coöperaties. Fiscale stimulansen en compensatiesteun zijn de kortste en meest efficiënte weg om de beoogde doelen te bereiken. De ervaring in verschillende lidstaten leert ons dat een gedifferentieerde belastingregeling goed is voor de financiële autonomie, wat niet wegneemt dat van te voren een effectbeoordeling moet worden uitgevoerd, net als voor een aantal andere van de hier voorgestelde initiatieven.

3.3.7

Gebruik van technologie. De technologische vooruitgang en universele toegang tot die vooruitgang zijn de beste manier om de doelstellingen te bereiken. De volgende initiatieven verdienen in dit verband extra aandacht: toepassing van onderzoek en innovatie op agrovoedingsproductie, het creëren van nieuwe afzetmogelijkheden en –kanalen, en ten slotte de certificering van kwaliteitsverbetering, waarbij extra punten worden toegekend op grond van de voedingswaarde, garanties inzake bevoorrading en andere voordelen vanuit het oogpunt van openbaar belang, en punten worden afgetrokken voor o.m. negatieve sociale en milieu-effecten. Op die manier kunnen criteria als gezondheid, voedselveiligheid, de ecologische voetafdruk en de sociale gevolgen worden meegewogen, en door de consument worden afgezet tegen de prijs en de productie- en distributiekosten. Om een dergelijke certificeringsregeling in praktijk te kunnen brengen moet gebruik worden gemaakt van o.m. intelligente telefonie, specifieke informaticatoepassingen en sociale netwerken.

3.4   Concurrentievoordelen van de coöperatieve markt

De voordelen van een model dat gebaseerd is op duurzaamheid en economische en sociale samenwerking zijn duidelijk, maar daarnaast brengt de coöperatieve markt nog een aantal concurrentievoordelen mee die gunstig zijn voor bepaalde cruciale aspecten van de volgende EU-beleidsgebieden.

3.4.1

Op economisch vlak: stabiele en veilige markttoegang voor landbouwproducten, duurzame financiering, maatschappelijk verantwoorde investeringen, een nieuwe marktdynamiek, instandhouding van concurrentie, bescherming van de rechten en belangen van consumenten, enz.

3.4.2

Op sociaal vlak: ruimtelijke ordening, plattelandsontwikkeling en integratie, cultureel patrimonium en lokale en regionale identiteit, voedselveiligheid en –soevereiniteit, voorkomen van overproductie, toegang tot voedsel, sociale traceerbaarheid van producten, voorkomen van bedrijfsverplaatsing, gegarandeerd fatsoenlijk loon en betere arbeidsvoorwaarden, maatschappelijke verantwoordelijkheid en verantwoord consumeren, gezondheid en gezonde manier van leven, rechtstreekse betrokkenheid van de burger bij de besluitvorming door de representatieve instellingen, enz.

3.4.3

Om milieuvlak: energiebesparing, instandhouding van de ecosystemen, ecologische voetafdruk en agro-ecologie; rationeel en verantwoord gebruik van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen, de levenscyclus van agrovoedingsproducten, de creatie van groene werkgelegenheid als strategie voor marktverspreiding, enz.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Mededeling van de Commissie "Akte voor de interne markt", COM(2011) 206 final.

(2)  Mededeling van de Commissie over het actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid, COM(2008) 397 final.

(3)  EESC-advies “Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050”PB C 376 van 22.12.2011, blz. 110-116.

(4)  Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, rapport van de speciale rapporteur over het recht op voedsel, Olivier de Schutter (A/HRC/19/59 – 26 december 2011).

(5)  Conclusies van voorzitter Nilsson ter afronding van de conferentie "Food for everyone: towards a global deal".

(6)  EESC-advies “Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa”PB C 48 van 15.2.11, blz. 145.

(7)  EESC-advies "Coöperaties en herstructurering".PB C 191 van 29.6.2012, blz. 24-30.

(8)  Mededeling van de Commissie "Geïntegreerd productbeleid", COM(2003)302 final.

(9)  Er ontstaan nieuwe ondernemingsvormen, zoals integratiecoöperaties en coöperatieve ondernemingen van gezamenlijk belang, die goederen produceren of diensten verlenen waarmee zij tegemoet willen komen aan de collectieve behoeften van een bepaald gebied; alle partijen worden bij dit proces betrokken.

(10)  Mededeling van de Commissie "Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten", COM(2010) 672 final.

(11)  Het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013. Reactie van de landbouwers en landbouwcoöperaties van de EU op de wetgevingsvoorstellen van de Commissie (COPA-COGECA, 2012).

(12)  Salcedo Aznal, Alejandro. “¿Sociedad de consumo o redes de consumidores? Esbozo para un análisis social del consumidor actual” (Consumptiemaatschappij of netwerken van consumenten? Blauwdruk van een maatschappelijke analyse van de huidige consument) (2008).

(13)  Mededeling van de Commissie over het actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid, COM(2008) 397 final.

(14)  EESC-advies “Het Europees landbouwmodel: productkwaliteit en consumentenvoorlichting als concurrentiefactoren”PB C 18 van 19.1.2011, blz. 5.

(15)  Mededeling van de Commissie "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen", COM(2011) 681 final.

(16)  Mededeling van de Commissie "Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten", COM(2010) 672 final

(17)  Mededeling van de Commissie over het "Aactieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid", COM(2008) 397 final.

(18)  Mededeling van de Commissie "Initiatief voor sociaal ondernemerschap - Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie" COM(2011) 682 final.

(19)  EESC-advies "De diversiteit van ondernemingsvormen"PB C 318 van 23.12.2009, blz. 22-28

(20)  COM(2011) 571 final en advies ”Meer duurzame productie en consumptie in de EU”PB C 191 van 29.06.2012, blz. 6.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/49


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de herziening van de EU-richtsnoeren van 1994 en 2005 inzake luchtvaart en luchthavens (vervolgadvies)

2012/C 299/10

Rapporteur: de heer KRAWCZYK

Corapporteur: de heer WENNMACHER

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 juli 2011 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten een vervolgadvies op te stellen over de

Herziening van de EU-richtsnoeren van 1994 en 2005 inzake luchtvaart en luchthavens.

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 143 stemmen vóór en 2 tegen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   De Europese Commissie beoogt een herziening van de richtsnoeren uit 1994 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag op steunmaatregelen van de lidstaten in de luchtvaart en de EU-richtsnoeren uit 2005 voor de financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven (hieronder de Luchtvaartrichtsnoeren genoemd).

1.2   Sinds 2005 werden veel gevallen waarbij luchthavens of lokale overheden subsidies hebben toegekend, niet door de lidstaten aan de Commissie gemeld.

1.3   Het EESC is het met de belangrijkste stakeholders eens dat de huidige Luchtvaartrichtsnoeren absoluut dienen te worden herzien en dat dit, om voor iedereen echt gelijke voorwaarden te creëren, onverwijld dient te gebeuren. Aangezien de ontwikkeling van regionale luchthavens belangrijk is voor economische groei en territoriale samenhang, zijn er duidelijke regels nodig inzake staatssteun.

1.4   Volgens het EESC moet er een studie worden voorbereid over de huidige stand van zaken m.b.t. staatssteun en aanverwante praktijken op het vlak van de tenuitvoerlegging van de Luchtvaartrichtsnoeren. Naast een analyse van de huidige praktijken op dit vlak zou er moeten worden aangegeven welke steun er wordt toegekend, voor welk bedrag dit gebeurt, wat het daadwerkelijke effect is op de economische ontwikkeling en wat de kwantitatieve en kwalitatieve impact ervan is op de werkgelegenheid.

1.5   Het EESC doet onderstaande aanbevelingen m.b.t. de herziening van de Luchtvaartrichtsnoeren (zie ook paragraaf 5 van dit advies).

Er dient een gestandaardiseerd EU-rechtskader te worden ingesteld voor de volledige luchtvaartsector, waarin geen plaats is voor ongecontroleerde subsidies en waarin gelijke marktvoorwaarden worden gecreëerd voor alle spelers, ook op lokaal niveau.

Als algemene regel kunnen particuliere investeringen niet als staatssteun worden beschouwd. Toch kan een publieke speler als particuliere investeerder optreden indien de investering commercieel verantwoord is.

Overheidssteun voor luchthaveninfrastructuur en financiering van aanloopsteun voor luchtvaartmaatschappijen zouden enkel mogelijk moeten zijn in duidelijk omlijnde gevallen, met beperkingen in tijd en volume.

Alle steun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen zou volledig moeten worden bekendgemaakt, net als de voorwaarden om steun toe te kennen.

Er zijn verdere stimuli nodig voor de sociale dialoog en sociale dumping in de sector moet worden voorkomen.

Het EESC wijst nadrukkelijk op het belang van een behoorlijke toepassing van de richtsnoeren: de handhaving ervan is van het grootste belang.

Het EESC roept op tot een langetermijnbeleid inzake de ontwikkeling van regionale luchthavens. De luchtvaartrichtsnoeren kunnen enkel met succes worden toegepast als er duidelijke beleidsprioriteiten voor de ontwikkeling van regionale luchthavens worden afgesproken.

2.   Inleiding

2.1   De afgelopen twee decennia heeft de Europese luchtvaartindustrie een aantal veranderingen doorgemaakt, vooral ten gevolge van de liberalisering van de markt en het daaropvolgende opkomen van lagekostenmaatschappijen. Hoewel de eenmaking van de luchtvaartmarkt er dankzij nieuw opgerichte vliegtuigmaatschappijen, nieuwe regionale luchthavens en lagere prijzen voor gezorgd heeft dat meer Europeanen het vliegtuig kunnen nemen, zijn er ook niet te onderschatten gevolgen voor de werkgelegenheid en de arbeidsrelaties in deze sector.

2.2   Om een gelijk speelveld voor luchtvaartmaatschappijen tot stand te helpen brengen heeft de Commissie in 1994 in het kader van de vrijmaking van de markt voor diensten in het luchtvervoer een eerste reeks EU-richtsnoeren voor de luchtvaart goedgekeurd met regels voor de beoordeling van sociale en herstructureringssteun. Deze zijn in 2005 aangevuld met richtsnoeren voor de financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven.

2.3   De Europese Commissie beoogt een herziening van de richtsnoeren uit 1994 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag op steunmaatregelen van de lidstaten in de luchtvaart en de EU-richtsnoeren uit 2005 voor de financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven.

2.4   Een aantal Europese "netwerkmaatschappijen" – de meeste van hen zijn lid van de Vereniging van Europese Luchtvaartmaatschappijen (AEA, Association of European Airlines) – geven aan de jongste jaren geconfronteerd te worden met een nieuwe vorm van concurrentie van maatschappijen die via lokale overheden en luchthavens aanzienlijke inkomsten weten te verkrijgen. De AEA-maatschappijen hebben erop gewezen dat deze subsidies onwettig waren en een overduidelijk geval vormden van staatssteun die tot ernstige concurrentieverstoring op de Europese markt voor luchtvervoer leidt.

2.5   Volgens de Europese Vereniging van Lagekostenmaatschappijen (ELFAA, European Low Fares Airline Association) heeft de toegenomen consolidering van traditionele luchtvaartmaatschappijen, die zich toeleggen op het bedienen van hun hubs, geleid tot minder mogelijkheden voor regio's en regionale luchthavens, die trachten meer punt-tot-puntverbindingen te ontwikkelen. In veel gevallen zijn het enkel de lagekostenmaatschappijen die groeiperspectieven bieden voor regionale luchthavens binnen de Europese markt. Door de recente uitbreiding van de EU zijn er nieuwe kansen ontstaan binnen net ontsloten markten, die erg afhankelijk zijn van het lagekostenmodel om verkeersstromen te ontwikkelen en te onderhouden. Volgens de ELFAA zijn deze routes om sociale en economische redenen waardevol, met name voor de Europese samenhang en regionale ontwikkeling.

2.6   Sinds 2005 werden veel gevallen waarbij luchthavens of lokale overheden subsidies hebben toegekend, niet door de lidstaten aan de Commissie gemeld. De Luchtvaartrichtsnoeren uit 2005 hebben niet geleid tot nationale regelingen waarin precies werd vastgelegd onder welke voorwaarden steun kon worden verleend. Nog erger is misschien dat in de paar gemelde gevallen die tot een formele procedure vanwege de Commissie hebben geleid, de besluitvorming in het beste geval traag is geweest, waardoor veel gevallen onopgelost zijn gebleven. Hierdoor is een zekere straffeloosheid en laissez faire ingetreden.

2.7   De rol van luchthavens als motor voor de economische ontwikkeling van een regio werd ook bevestigd door een steeds grotere rechtstreekse (financiële) terugtrekking van de staat, waardoor regio's en andere lokale overheden de opdracht toebedeeld kregen om cruciale luchthaveninfrastructuur te beheren, te financieren en er toezicht op uit te oefenen. Regionale overheden beschouwen luchthavens steeds vaker als een van de belangrijkste instrumenten om de lokale economie te ontwikkelen.

2.8   Op dit moment zijn bij de Commissie ettelijke klachten binnengelopen die vroegere nationale luchtvaartmaatschappijen tegen lagekostenmaatschappijen hebben ingediend, en omgekeerd. Sinds 2005 is het aantal meldingen aan de Commissie tamelijk laag, vergeleken bij de ruime groei van regionale luchthavens in de EU.

2.9   Uit de door de Commissie georganiseerde openbare raadpleging blijkt in het bijzonder:

dat het nodig is de richtsnoeren te vereenvoudigen en transparanter te maken;

dat de handhaving van de regels inzake staatssteun aan luchtvaartmaatschappijen en luchthavens moet worden versterkt;

dat er een nieuwe categorie regels moet worden ingevoerd om te vermijden dat er binnen één gebied concurrentie tussen luchthavens ontstaat;

dat regels inzake investeringssteun duidelijker en meer voorspelbaar moeten zijn (duidelijke definitie van de financiële parameters).

2.10   Het EESC is het er dus met de belangrijkste stakeholders over eens dat de huidige luchtvaartrichtsnoeren absoluut dienen te worden herzien en dat dit, om voor iedereen echt gelijke voorwaarden te creëren, onverwijld dient te gebeuren. Aangezien de ontwikkeling van regionale luchthavens belangrijk is voor economische groei en territoriale samenhang, zijn er duidelijke regels nodig inzake staatssteun.

2.11   Volgens het EESC moet er een studie worden voorbereid over de huidige stand van zaken m.b.t. staatssteun en aanverwante praktijken op het vlak van de tenuitvoerlegging van de Luchtvaartrichtsnoeren. Om met name na te gaan in welke mate de huidige praktijk tot gelijke of ongelijke voorwaarden voor luchthavens en luchtvaartmaatschappijen leidt, dient in de studie nauwkeurige informatie te worden gegeven over de omvang en de aard van de toegekende steun, de impact ervan op de daadwerkelijke economische ontwikkeling en efficiëntie, alsook de kwantitatieve en kwalitatieve gevolgen ervan voor het milieu.

2.12   Door de economische crisis in de wereld van vandaag, en met name door de groeiende druk op de begrotingen van de EU en de lidstaten, kan ook het huidige beleid inzake staatssteun voor de ontwikkeling van regionale luchthavens onder druk komen te staan. Het is noodzakelijk beter te begrijpen in hoeverre het bestaande economische model van de regionale luchthavens op langere termijn duurzaam is. Zoals blijkt uit de lopende discussie over het MFK voor 2014-2020, staat de EU voor de grote uitdaging om meer te doen met minder middelen. Dit geldt duidelijk ook voor de hier besproken kwestie.

3.   De markt

3.1   In de lidstaten van de EU zijn er ongeveer 460 luchthavens die voor commerciële doeleinden worden gebruikt. In 2010 bediende 60 % van de EU-luchthavens minder dan 1 miljoen passagiers.

3.2   De markt voor luchtvervoer is de afgelopen jaren sterk veranderd: lagekostenmaatschappijen hebben met nieuwe alomvattende bedrijfsmodellen voor regionale luchthavens een groot marktaandeel weten te veroveren, terwijl de voormalige nationale luchtvaartmaatschappijen inmiddels vrijwel allemaal zijn geherstructureerd om hun positie binnen Europa verder te consolideren.

3.3   Terwijl lagekostenmaatschappijen in 2005 25 % van de markt voor luchtverkeer binnen Europa vertegenwoordigden, was dit marktaandeel in 2010 opgeklommen tot 39 %. Als enkel het punt-tot-puntverkeer wordt meegerekend, bedroeg het aandeel zelfs 43 %. Van 2008 tot 2010 hebben traditionele "netwerkmaatschappijen" (AEA-leden) aanzienlijke verliezen geleden op hun korteafstandsvluchten binnen Europa, wat tot een negatief inkomstenresultaat vóór rente en belastingen heeft geleid, ondanks de positieve resultaten voor langeafstandsvluchten (1 miljard euro in 2008, 100 miljoen euro in 2009, 1,1 miljard euro in 2010).

3.4   Op basis van de huidige tendensen en plannen inzake vernieuwing van de luchtvaartvloot verwacht de ELFAA dat het aandeel van de lagekostenmaatschappijen in het passagiersverkeer binnen Europa tegen 2020 van 45 % naar 53 % zal zijn opgelopen. Voor het punt-tot-puntverkeer zou het aandeel van 50 % naar 60 % stijgen. Tijdens de meest recente crisis hebben lagekostenmaatschappijen niet dezelfde verliezen geleden als de "netwerkmaatschappijen".

3.5   Lagekostenmaatschappijen zijn overduidelijk de belangrijkste spelers in het regionale luchtverkeer van punt tot punt. Drie maatschappijen onder hen zijn goed voor meer dan 52 % van die markt, terwijl de drie grootste "netwerkmaatschappijen" slechts 22 % van de interne netwerkmarkt vertegenwoordigen. Aangezien lagekostenmaatschappijen dus een groeiend aandeel op vluchtroutes binnen Europa kennen en het aandeel van deze regionale routes van punt tot punt ook toeneemt t.o.v. de traditionele vluchten van hub naar hub, is het aanbod vandaag dus groter dan in het verleden. Daartegenover staat dat een deel van deze groei (met name wat het punt-tot-puntverkeer betreft) door een beperkt aantal spelers wordt gerealiseerd.

3.6   Anders dan de belangrijkste Europese hubs en de grootste regionale luchthavens kunnen veel regionale luchthavens in Europa niet als economisch leefbaar worden beschouwd als rekening wordt gehouden met de werkelijke infrastructuurkosten. Veel kleine regionale luchthavens kunnen niet instaan voor deze infrastructuurkosten, die via andere, vaak regionale kanalen worden gedragen. Veel luchthavens zouden eenvoudigweg moeten sluiten als ze de werkelijke infrastructuurkosten zouden moeten betalen.

3.7   Belangrijk is voor ogen te houden dat Europa in de komende jaren met een tekort aan luchthavencapaciteit zal kampen. In de studie Challenges of growth (2008) van Eurocontrol en een recente vooruitblik op lange termijn (2010) wordt met nadruk gewezen op een capaciteitsprobleem op Europese luchthavens, gezien de verwachte verkeersgroei tegen 2030 (16,9 miljoen vluchten, ofwel 1,8 keer het aantal vluchten van 2009). Volgens deze gezaghebbende verslagen zal het Europese luchthavennetwerk, ondanks een verwachte capaciteitstoename van 41 % tegen 2030, door een tekort aan luchthavencapaciteit niet in staat zijn om 10 % van de vluchten te verwerken. Dit is een alarmerend cijfer.

3.8   Voor grote luchthavens is externe financiering van de infrastructuur over het algemeen niet zo belangrijk. Ze is echter cruciaal voor veel regionale luchthavens die niet beschikken over schaalvoordelen en commerciële opbrengsten waarmee de noodzakelijke marges voor de financiering van de infrastructuur worden gecreëerd.

3.9   Door de hoge volatiliteit van de markt vormt het punt-tot-puntverkeer voor sommige regionale luchthavens zowel een kans als een bron van onzekerheid. Met name lagekostenmaatschappijen kunnen hun toestellen en bemanning erg snel elders in Europa inzetten, afhankelijk van het economische potentieel dat een nieuwe route naar een alternatieve luchthaven biedt. Hierdoor komen de stabiliteit en de voorspelbaarheid van de inkomsten van deze luchthavens op de helling te staan.

3.10   Aanloopsteun onder de huidige Richtsnoeren heeft geleid tot een "investeringsrace" tussen verschillende regio's die hun regionale luchthavens wilden ontwikkelen, vaak ook door op EU-middelen een beroep te doen. Wanneer een regionale luchthaven financiële moeilijkheden ondervindt, vraagt de betrokken regio meer steun, met als argument dat de luchthavens onderbenut worden en een noodzakelijke kostenpost vormen ten behoeve van de plaatselijke gemeenschap.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   Op lange termijn kent de luchtvaartindustrie een erg laag rendement. Op dit moment wordt de sector al door grote concurrentie gekenmerkt. Aangezien in een dergelijke context zelfs beperkte subsidies van invloed kunnen zijn, is het belangrijk deze kwestie met grote omzichtigheid te behandelen.

4.2   De belangrijkste vraag is welke benadering vereist is bij het opstellen van nieuwe luchtvaartrichtsnoeren. Hier dienen zich verschillende mogelijkheden aan.

4.2.1   Volgens de ELFAA is de vrijmaking van het potentieel van regionale luchthavens van cruciaal belang voor meer territoriale samenhang en verdere regionale ontwikkeling in de EU, alsook voor het vermijden van congestie van hubs door "netwerkmaatschappijen". De ontwikkeling van regionale luchthavens leidt tot meer werkgelegenheid, meer perspectieven voor het bedrijfsleven in perifere EU-regio's en minder uitstoot door rechtstreekse verbindingen tussen regio's (in plaats van indirecte vluchten via hubs), alsook door een grotere nabijheid van regionale luchthavens voor de passagiers. Volgens de ELFAA moet de groei van regionale luchthavens worden aangemoedigd via flexibele richtsnoeren inzake staatssteun, uitgaande van het principe van de particuliere investeerder in een markteconomie: dit is meer aangewezen dan strakke regels die de groei verhinderen terwijl daar wel vraag naar is.

4.2.2   Volgens de AEA zouden de nieuwe richtsnoeren tot doel moeten hebben alle maatschappijen binnen de sector te beschermen tegen discriminerende en onduidelijke financiële steun die regionale luchthavens of lokale overheden aan sommige maatschappijen toekennen. Dergelijke steun zou enkel mogelijk moeten zijn in duidelijk omlijnde gevallen en zou in tijd en volume beperkt moeten worden. Bovendien zou dergelijke steun uitsluitend van geval tot geval mogen worden toegekend, met inachtneming van de principes inzake transparantie, gelijke behandeling en non-discriminatie tussen maatschappijen.

4.2.3   Volgens ACI Europe zou het basisbeginsel voor de beoordeling van staatssteunmaatregelen de mogelijke concurrentieverstoring door de luchthaven moeten zijn, uitgedrukt in verkeersvolume.

4.2.3.1   Vrijstelling voor luchthavens van categorie D (tot 1 miljoen passagiers). Het is algemeen bekend dat luchthavens onder een bepaalde drempel in normale omstandigheden commercieel niet levensvatbaar zijn en daarom op overheidsmiddelen aangewezen kunnen zijn. Bovendien zorgen deze kleine luchthavens vaak voor een territoriale verbinding tussen regio's en stadsgebieden en hebben ze, gezien hun beperkte verkeersvolume, normaal geen negatieve gevolgen voor het handelsverkeer in de EU. Volgens de ACI zouden overheidsmiddelen dan ook zonder voorafgaande kennisgeving mogen worden gebruikt voor de ontwikkeling van nieuwe infrastructuur en nieuwe routes. Daarentegen zou de overheidssteun onmiddellijk moeten worden stopgezet als de drempel van een miljoen passagiers bereikt is.

4.2.3.2   Overheidssteun voor infrastructuur en financiering van aanloopsteun voor luchthavens met meer dan een miljoen passagiers moeten voldoen aan het criterium van de particuliere investeerder, aangepast aan de specifieke behoeften van de luchtvaartsector.

4.3   Het EESC is het eens met het standpunt van de Commissie dat de volgende beginselen in acht moeten worden genomen bij de herziening van de algemene benadering van staatssteun in de richtsnoeren:

concurrentieverstoring is uit den boze;

de ontwikkeling en toegankelijkheid van regionale luchthavens dienen te worden bevorderd door de mogelijkheden van het regionale luchtverkeer te ontwikkelen;

als een luchthaven niet rendeert, moet worden vermeden dat er een tweede niet-renderende luchthaven wordt gebouwd;

het creëren en behouden van overcapaciteit moet worden vermeden.

4.4   Er moeten meer stimulansen komen voor de ontwikkeling van zelfbedruipende luchthavens en voor particuliere investeringen. Anderzijds is het EESC zich bewust van de overheidsverplichting om economisch belangrijke luchtverbindingen te onderhouden, in het bijzonder voor afgelegen regio's en eilanden. Ook hiervoor spreekt het EESC zijn steun uit.

5.   Aanbevelingen

5.1   Het EESC wijst op de noodzaak van een gestandaardiseerd EU-rechtskader voor de volledige luchtvaartsector, waarin geen plaats is voor ongecontroleerde subsidies en waarin gelijke marktvoorwaarden worden gecreëerd voor alle spelers, ook op lokaal niveau.

5.2   Als algemene regel kunnen particuliere investeringen niet als staatssteun worden beschouwd. Toch kan een publieke speler als particuliere investeerder optreden indien de investering commercieel verantwoord is.

5.3   De nieuwe richtsnoeren die de Commissie zal voorstellen zouden tot doel moeten hebben alle maatschappijen en luchthavens te beschermen tegen discriminerende, onduidelijke en verstorende financiële steun van regionale overheden of luchthavens. Overheidsmiddelen mogen niet leiden tot de verstoring van de concurrentie, noch tussen luchthavens, noch tussen luchtvaartmaatschappijen. Het EESC is niet van mening dat groepsvrijstellingen voor sommige categorieën van luchthavens of luchtvaartmaatschappijen nodig zijn om de regionale ontwikkeling te bevorderen.

5.3.1   Overheidssteun voor luchthaveninfrastructuur en financiering van aanloopsteun voor luchtvaartmaatschappijen zouden enkel mogelijk moeten zijn in duidelijk omlijnde gevallen, met beperkingen in tijd en volume. Bovendien zou dergelijke steun uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden mogen worden toegekend, met inachtneming van de principes inzake transparantie, gelijke behandeling en non-discriminatie.

5.3.2   Om de transparantie te garanderen zouden de voorwaarden waaronder overheidssteun toegelaten is, moeten worden bekendgemaakt. Alle steun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen zou volledig openbaar moeten worden gemaakt, evenals de voorwaarden om steun toe te kennen.

5.3.3   De nieuwe richtsnoeren moeten worden opgesteld aan de hand van een duidelijk en eenvoudig aantal regels waarmee rechtszekerheid in de Europese luchtvaartsector kan worden gegarandeerd. Het EESC wijst nadrukkelijk op het belang van een behoorlijke toepassing van de richtsnoeren: de handhaving ervan is van het grootste belang.

5.4   In de nieuwe richtsnoeren moeten de belangen van werknemers en reizigers in aanmerking worden genomen. Aangezien personele middelen een belangrijke plaats innemen in een kwalitatief luchtvervoersysteem, moeten binnen een duurzame burgerluchtvaartsector hoogwaardige werkgelegenheid en goede werkomstandigheden gegarandeerd zijn. In dit verband is het belangrijk de sociale dialoog te bevorderen en sociale dumping in de sector te vermijden.

5.5   Het EESC roept op tot een langetermijnbeleid inzake de ontwikkeling van regionale luchthavens. De luchtvaartrichtsnoeren kunnen enkel met succes worden toegepast als er duidelijke beleidsprioriteiten voor de ontwikkeling van regionale luchthavens worden afgesproken. Het is de taak van de Commissie om onverwijld een dergelijke beleidsagenda voor te bereiden.

5.6   Het EESC roept de lidstaten op om de voorbereiding en tenuitvoerlegging van de nieuwe richtsnoeren duidelijk te steunen en zich ertoe te engageren. In het geval van staatssteun is kennisgeving noodzakelijk.

5.7   Er dient verder onderzoek te worden gedaan naar efficiënte comodaliteit tussen spoorvervoer en luchtvervoer. Deze comodaliteit moet ten uitvoer worden gelegd om bepaalde terreinen aan te boren en aan milieuvereisten te beantwoorden.

5.8   De hier besproken kwestie is van bijzonder belang in het licht van de toewijzing van EU-fondsen binnen het nieuw MFK. Om meer te doen met minder middelen zijn duidelijke prioriteiten nodig. Regionale ontwikkeling is erg belangrijk, maar mag geen excuus zijn om luchthavens te blijven ontwikkelen zonder dat er voldoende vraag kan worden gecreëerd.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

482e plenaire zitting op 11 en 12 juli 2012

4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/54


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Herstructurering en anticipatie op veranderingen: uit de recente ervaring te trekken lessen (Groenboek)”

(COM(2012) 7 final)

2012/C 299/11

Rapporteur: Antonello PEZZINI

Corapporteur: Thomas STUDENT

De Europese Commissie heeft op 17 januari 2012 besloten om, overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het Groenboek:

Herstructurering en anticipatie op veranderingen: uit de recente ervaring te trekken lessen

COM(2012) 7 final.

De adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 134 stemmen vóór, bij 7 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) wil in de eerste plaats onderstrepen dat ondernemingen per definitie centrale spelers zijn bij de tenuitvoerlegging van de strategieën ter aanpassing van eenheden die actief zijn op de markten. Met andere woorden: ondernemingen staan centraal in de herstructureringsprocessen.

1.2

Het EESC onderstreept de belangrijke rol, als het gaat om industriële herstructurering, die de adviescommissie Industriële Reconversie heeft gespeeld en nog altijd speelt, als plaats waar een constructieve dialoog wordt gevoerd en ideeën en voorstellen worden uitgewerkt ten behoeve van de Commissie, de Raad en het Europees Parlement.

1.3

Het EESC herhaalt dat herstructureringen over het algemeen complexe processen zijn. Anticipatie op veranderingen betekent dat onderneming en werknemers worden geholpen nieuwe uitdagingen aan te gaan, waarbij de sociale impact van de veranderingen zo klein mogelijk wordt gehouden en de kansen op succes zo groot mogelijk, door een klimaat van wederzijds vertrouwen te scheppen en resoluut te zorgen voor een grotere betrokkenheid van de sociale partners en de maatschappelijke organisaties.

1.4

Werknemers en ondernemingen in de EU worden geconfronteerd met:

snelle veranderingen van de interne en internationale referentiemarkten;

de komst van nieuwe mondiale partners;

de invoering van nieuwe technologische toepassingen, die het verouderingsproces versnellen;

consumenten die zich steeds meer bewust zijn van hun rol bij het sturen van de consumptie en investeringen die het milieu en de duurzame ontwikkeling respecteren;

demografische ontwikkelingen die de vergrijzing van de beroepsbevolking accentueren;

grote veranderingen op de arbeidsmarkten, samen met massale verschijnselen van sociale dumping;

en, momenteel, de aanhoudende economische en financiële crisis en de aantoonbare zwakte van Europa op de wereldmarkten.

1.5

Het EESC vindt dan ook dat het Groenboek op het juiste moment komt maar hoopt dat het debat dat daarmee wordt geopend zal worden gevolgd door concrete en doeltreffende maatregelen, met een geïntegreerde aanpak op alle niveaus van productie, consumptie en dienstverlening. Dit vraagt om interactie en uitwisseling van informatie tussen de verschillende niveaus van de productie- en distributieketen, naast een uitwisseling van goede praktijken en een tijdschema met nauwkeurige termijnen voor de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren, normen en referentiekaders, op basis van Europese normen en gemeenschappelijke en gedeelde waarden.

1.6

Volgens het EESC is het bij de anticipatie en herstructurering van fundamenteel belang dat de rol van de sociale partners, maatschappelijke organisaties en consumenten op communautair, nationaal, regionaal, lokaal en ondernemingsniveau wordt opgewaardeerd, en dat de territoriaal verantwoordelijken en de kennis- en competentienetwerken bij dit proces worden betrokken.

1.7

De sociale dialoog, onderhandelingen en participatie zijn niet alleen fundamentele waarden van het Europees sociaal model, maar zijn tevens instrumenten die de sociale samenhang, een werkgelegenheid van goede kwaliteit, het scheppen van arbeidsplaatsen en de versterking van de innovatie en het concurrentievermogen van de Europese economie met succes ondersteunen en bevorderen.

1.8

Het structuur- en cohesiebeleid van de EU en het innovatie- en onderzoeksbeleid zouden volgens het EESC gericht moeten zijn op een proactieve ondersteuning van mechanismen voor het anticiperen op en begeleiden van herstructureringen, zodat er een win-win-situatie ontstaat voor werknemers en ondernemingen.

1.9

Om het Europese structuurbeleid tot een succes te maken is het van essentieel belang dat de economische en sociale partners meer worden betrokken bij de instanties die toezicht houden op de structuurfondsen.

1.10

Het EESC beveelt aan om de maatregelen van structuurbeleid nauw te verbinden en te coördineren met de maatregelen ter ondersteuning van onderzoek en innovatie, en de overgang naar een Europese koolstofarme economie te ondersteunen met investeringen en maatregelen van industriebeleid.

1.11

De EU-programma's voor onderwijs en beroepsopleiding en levenslang leren zouden volgens het EESC geprivilegieerde instrumenten van de overheid en het bedrijfsleven moeten zijn om, naast de voortdurende inspanningen van de economische actoren, met name kleine en middelgrote bedrijven, en werknemers, op proactieve wijze te anticiperen op veranderingen.

1.12

Het EESC beveelt aan dat het beleid en de diensten van de Commissie, de agentschappen en de vele waarnemingsposten beter worden gecoördineerd op Europees niveau, om de ondernemingen op uniforme en samenhangende wijze te helpen bij de keuzen die zij moeten maken wanneer zij een herstructurering doormaken. Met name het mkb en micro-bedrijven die duidelijk moeite hebben te anticiperen op herstructureringen, zouden gebruik moeten kunnen maken van een adequate ondersteuning en begeleiding.

1.13

Het EESC benadrukt dat de staatssteun ter ondersteuning van de werkgelegenheid in bedrijven die zijn getroffen door de problemen i.v.m. de mondialisering, gebaseerd moet zijn op voorwaarden die vrije en eerlijke mededinging waarborgen.

1.14

Ten slotte dringt het EESC erop aan dat het Europese beleid ter ondersteuning van participatieve foresight-projecten op territoriaal en sectoraal niveau wordt versterkt, om gemeenschappelijke visies te ontwikkelen en meer gebruik te maken van de territoriale mogelijkheden, zodat meer en betere banen kunnen worden gecreëerd, in gezonde en concurrerende ondernemingen.

1.15

Rekening houdend met de demografische ontwikkelingen in Europa hecht het EESC veel waarde aan een actief beleid met het oog op de vergrijzing en de zgn. "zilveren economie", door de productie en diensten aan te passen aan deze nieuwe mogelijkheden.

2.   Inleiding

2.1

De Europese economie zal tijd nodig hebben om de zwaarste recessie die Europa de afgelopen decennia heeft getroffen, te boven te komen. De crisis plaatst de nationale overheidsfinanciën en regeringen onder grote druk en leidt in de reële economie tot rationaliseringen, herstructureringen en bedrijfssluitingen, met dramatische gevolgen voor de werkloosheid.

2.2

De herstructureringen voltrekken zich via complexe en multidimensionale processen, en vereisen wijzigingen in de bedrijfsstrategieën qua organisatie, vorm, grootte en soorten activiteiten van de onderneming.

2.2.1

Vooral op sectoraal niveau zouden meerdere economische en operationele doelstellingen moeten worden vastgesteld die verband houden met de situaties op de wereldmarkten en de sectoren waarin de onderneming opereert.

2.3

Dit proces zou zich concreet moeten vertalen – rekening houdend met de belangen en gedragingen van de consumenten – in het anticiperen op arbeidsmogelijkheden in opkomende sectoren met een bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote bedrijven, die het hardst worden getroffen door de huidige crisis.

2.4

Anticiperen op veranderingen betekent dat ondernemingen en werknemers worden geholpen mee te groeien met de toekomstige ontwikkelingen, maar ook dat de nodige herstructureringen worden uitgevoerd om deze uitdagingen aan te gaan, waarbij de sociale impact van de veranderingen zo klein mogelijk wordt gehouden, de stabiliteit wordt gewaarborgd en de kosten worden teruggedrongen, terwijl het milieu wordt beschermd en duurzame ontwikkeling gewaarborgd wordt: de Europese technologieplatforms, en de door hen uitgevoerde studies, kunnen zowel werknemers als ondernemingen concrete perspectieven bieden.

2.5

De voorbije twintig jaar waren wij getuige van steeds snellere herpositioneringen op de markt, bedrijfsverplaatsingen, reorganisaties en/of sluitingen van productie-eenheden, fusies, overnames en/of outsourcing van activiteiten. Sinds vier jaar wordt in Europa echter steeds meer de behoefte gevoeld om te anticiperen op deze processen, als gevolg van de snelheid waarmee de veranderingen zich voltrekken en de urgentie van de herstructureringen, die nodig zijn geworden door het verslechteren van de economische en financiële crisis en de markten. Ook de explosieve toename van het aantal verkopen via internet en grensoverschrijdende verkopen is van invloed op de markten in de verschillende landen.

2.6

De economische en financiële crisis heeft niet alleen de herstructureringsprocessen op verschillende niveaus versneld, maar heeft ook geleid tot bezuinigingsmaatregelen en een terugdringing van de overheidsuitgaven, waardoor er een aanzienlijk aantal banen in de publieke sector verloren is gegaan en de verschillende vangnetten voor werknemers, lokale gemeenschappen en ondernemingen onder druk zijn komen te staan.

2.7

Als het gaat om herstructurering is de doelstelling van de Commissie de cultuur van het anticiperen en innoveren van de wijze waarop die herstructurering plaatsvindt, te helpen versterken en verspreiden: de Unie en de lidstaten hebben een gedeelde verantwoordelijkheid om "de doelstellingen van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie te bereiken" (art. 145 VWEU).

2.8

De Commissie heeft reeds in haar mededeling uit 2005 over herstructureringen en werkgelegenheid de problemen in verband met de sociale kosten van herstructureringen erkend, niet alleen voor de werknemers, die meer en meer met onzekere arbeidsomstandigheden worden geconfronteerd, maar ook voor de verschillende sectoren van de economie.

2.9

Hoewel de herstructureringen hoofdzakelijk onder nationale en regionale regelgeving vallen, heeft de Unie grote verantwoordelijkheden op het gebied van beheer, toezicht en het tempo van de herstructureringen, omdat zij moet waken over de correcte functionering van het communautaire regelgevingskader – op het gebied van voorlichting en raadpleging en de bescherming van werknemers (1) – en een actieve rol moet spelen, grotendeels gebaseerd op de Europa 2020-strategie en de in het Verdrag vermelde verplichtingen.

2.10

Als de Unie de uitdagingen van de financiële en economische crisis, de mondialisering, de klimaatverandering, de demografische tendensen en de toenemende ongelijkheid als gevolg van de sociale kosten van de bezuinigingsprogramma's met succes wil aanpakken, dan moet zij proactieve strategieën ontwikkelen en uitbreiden voor het anticiperen op en beheren van de herstructureringen, op basis van een aantal gemeenschappelijke waarden en praktijken die overeenstemmen met de grote sociale en economische doelstellingen van het Verdrag.

2.11

In het kader van de "geïntegreerde richtsnoeren" van Europa 2020 (goedgekeurd door de Raad op 22 april 2010) zouden de Unie en de lidstaten hervormingen ten uitvoer moeten leggen die gericht zijn op "slimme groei", ofwel groei aangedreven door kennis en innovatie, rekening houdend met de behoeften en gedragingen van de consumenten, teneinde:

gecoördineerde structurele hervormingen te bevorderen, die daadwerkelijk bijdragen tot groei en werkgelegenheid en het concurrentievermogen van de Unie in de wereldeconomie versterken;

ervoor te zorgen dat de arbeidsmarkten doeltreffend functioneren, door te investeren in succesvolle overgangsprocessen, in de ontwikkeling van de juiste vaardigheden en in betere arbeidsvoorwaarden, en door structurele en langdurige werkloosheid en inactiviteit terug te dringen;

het ondernemingsklimaat te bevorderen, de oprichting van nieuwe ondernemingen en de werkgelegenheid te stimuleren, vooral in de groene en de zilveren economie;

de kwaliteit van het onderwijs te verhogen en iedereen toegang tot scholing te bieden, en de betrekkingen tussen opleidingen, de academische wereld en de arbeidsmarkt te intensiveren;

proactieve modellen van goede praktijken te promoten, waarmee kan worden geanticipeerd op herstructureringen van bedrijven, die nodig zijn in een veranderende arbeidsmarkt;

de regelgeving verder te verbeteren, teneinde innovatie en kennisoverdracht in de hele EU te stimuleren;

het ondernemerschap te bevorderen en creatieve ideeën te helpen omzetten in producten, diensten en processen die kwaliteitsbanen opleveren;

de territoriale, economische en sociale cohesie te bevorderen;

de Europese en mondiale maatschappelijke problemen doeltreffender op te lossen.

2.12

Om de herstructurering van ondernemingen en sectoren te ondersteunen zijn systemen voor vroegtijdige waarschuwing nodig (zie European Restructuring Monitor – ERM), als essentiële voorwaarde voor een doeltreffende planning van herstructureringsprocessen waarover alle belanghebbende partijen het eens zijn, om werknemers in staat te stellen zich adequaat te herscholen, maar ook om de ontwikkeling van sectorale en intersectorale netwerken mogelijk te maken, waarmee de verandering op geïntegreerde wijze in goede banen kan worden geleid, met behulp van beroepskeuzebegeleiding om een hoog niveau van inzetbaarheid te waarborgen.

2.13

De Commissie heeft op 18 april 2012 in Straatsburg haar nieuwe Werkgelegenheidspakket gepresenteerd – dat het EESC in een apart advies zal behandelen – waarin de lidstaten worden aangespoord het nationale werkgelegenheidsbeleid te versterken en waarin een sterkere coördinatie en monitoring van het werkgelegenheidsbeleid wordt voorbereid.

3.   Het Groenboek van de Commissie

3.1

De Commissie is begonnen met een openbare raadpleging over de herstructurering van bedrijven en de anticipatie op veranderingen, met als doel "de identificatie van succesvolle praktijken".

3.2

In het Groenboek worden verschillende vragen geformuleerd over de lessen die kunnen worden getrokken uit de crisis, de mogelijke economische en industriële aanpassingen, het aanpassingsvermogen van bedrijven en werknemers, de rol van de regionale en lokale autoriteiten, en de rol van de beroepsopleiding bij het beheer van de menselijke hulpbronnen en de dialoog tussen de economische en sociale actoren.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Volgens het Comité moet het Groenboek worden beschouwd als het vervolg op de mededeling van 2005 over herstructurering en werkgelegenheid, waarin werd uiteengezet welke rol de EU dient te spelen bij het anticiperen op en begeleiden van herstructureringen teneinde de werkgelegenheid te bevorderen.

4.2

De Mededeling van 2005 heeft naar de mening van het Comité bijgedragen tot de ontwikkeling van verschillende activiteiten op communautair niveau, zoals een Europese aanpak voor het anticiperen en herstructureren, waaronder verschillende thematische conferenties op hoog niveau en seminars met deskundigen (het "Herstructureringsforum"), initiatieven in het kader van het ESF, diverse vergelijkende studies, en de uitwerking van "toolboxes" en richtsnoeren, waarvan het bij het Groenboek gevoegde werkdocument van de diensten van de Commissie "Restructuring in Europe 2011" een evident voorbeeld is.

4.3

Het EESC stelt met bezorgdheid vast dat het Groenboek geen voorstellen bevat voor acties met duidelijke en strakke termijnen, afgestemd op de ernst van de huidige crisis: het bevat een reeks open vragen, zonder verder iets te zeggen over een tijdschema of uitvoeringsmodaliteiten. De maatregelen in andere instrumenten, zoals het in mei 2012 gelanceerde werkgelegenheidspakket waarover het EESC een apart advies zal uitbrengen, lijken ingrijpender te zijn.

4.4

Terwijl de onderneming per definitie de centrale speler is in de strategieën voor aanpassing en positionering van de eenheden die actief zijn op de markten, en dus centraal staat in de herstructureringsprocessen die voortvloeien uit dergelijke operationele strategieën, moet ook rekening worden gehouden met:

de context van de mondialisering van de economieën, met de komst van nieuwe landen met veelbelovende en concurrerende sectoren op de Europese en internationale markten;

de specifieke kenmerken van de afzonderlijke landen zowel binnen als buiten de Unie;

het multidimensionale referentiekader van Europese beleidsmaatregelen dat rechtstreeks van invloed is op de werking en de keuzen van de onderneming, zowel wat de geldende regels als wat de strategische en operationele kansen betreft;

het nationale/regionale kader dat de technisch-operationele context van de onderneming en de werknemers bepaalt;

het territoriale kader waarin de herstructureringswerkzaamheden daadwerkelijk plaatsvinden evenals de processen die het mogelijk maken daarop te anticiperen, dankzij de coördinatie tussen de externe belanghebbenden en de ondernemingen, en waarin de sturende en ondersteunende mechanismen, met name voor het mkb, concreet worden toegepast;

de sociale dialoog, de collectieve onderhandelingen en de ontwikkeling van de rol van de sociale partners en hun belangenverenigingen binnen het bedrijf, die meer dan ooit een fundamentele rol spelen bij de aanpassing van de productie, de werkorganisatie en de arbeidsvoorwaarden aan de snel veranderende omstandigheden tijdens de crisis, waarbij wordt teruggevallen op goede sociale partnerschappen.

4.5

Op Europees niveau herhaalt het EESC wat het eerder heeft opgemerkt (2): om een ontwikkelingsstrategie uit te stippelen moeten de sociale partners en de maatschappelijke organisaties samenwerken aan de totstandkoming van een maatschappelijk verantwoordelijk gebied (MVG), waarin op gecoördineerde wijze verschillende strategieën ten uitvoer kunnen worden gelegd:

een strategie van weerstand en overleving, waarmee het mogelijk wordt gemaakt om op volgroeide markten te opereren dankzij een grotere specialisatie, kostenreducties of een sterke diversifiëring in aangrenzende sectoren;

strategieën van proces-, product- en diensteninnovatie, met een verandering van markt en technologie, en met nieuwe materialen die leiden tot nieuwe producten;

nieuwe initiatieven om werk te maken van een foresight om nieuwe producten en diensten met groeimogelijkheden aan te wijzen (leidende markten of lead markets) waarop nieuwe investeringen moeten worden geconcentreerd;

een op excellence gerichte territoriale marketing, via afspraken met onderzoekscentra, om de technologische contaminatie te vergroten;

financiële steun, via de ontwikkelingsfondsen, onder meer door gebruik te maken van de borgstelling door het Europees Investeringsfonds maar ook van de structuurfondsen;

kredieten waarmee micro- en kleine ondernemingen uitstel van betaling kunnen krijgen om vooral de werkgelegenheid in stand te houden;

sanering van kortlopende schulden, om micro- en kleine ondernemingen in staat te stellen zich te concentreren op productie- en marketingactiviteiten en after sales-dienstverlening;

steun aan een innovatieve tertiaire sector (groene economie) en persoonlijke dienstverlening (zilveren economie), door gebruik te maken van de innovatieve opleidingsmogelijkheden van het Europees Sociaal Fonds;

ontwikkeling van een persoonlijke dienstverlening van hoog niveau, mede door een versterking van de sociale en gezondheidszorg (3);

een infrastructuurbeleid dat bijdraagt tot innovatieve keuzes ter bevordering van een economie met een lage CO2-uitstoot;

versterking van de energie-efficiëntie- en milieucriteria, met name in overheidsopdrachten;

een betere toegang tot informatie;

regio's uitrusten met slimme specialisatiestrategieën, met medewerking van de middenveldorganisaties en alle economische en sociale actoren.

4.6

Het structuur- en cohesiebeleid van de EU en het innovatie- en onderzoeksbeleid zouden volgens het EESC gericht moeten zijn op een proactieve ondersteuning van mechanismen voor het anticiperen op en begeleiden van de herstructurering, zodat er een win-win-situatie ontstaat voor werknemers en ondernemingen. De structuurfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, kunnen een belangrijke rol spelen om de inzetbaarheid van werknemers te vergroten en de sociale gevolgen van gedwongen ontslagen zo klein mogelijk te houden.

4.7

Het EESC acht het van essentieel belang dat de economische en sociale partners en de actoren van het maatschappelijk middenveld meer worden betrokken bij de partnerschapsorganen en de instanties die toezicht houden op de structuurfondsen, en onderstreept dat de specifieke vaardigheden van de op het grondgebied gevestigde betrokken partijen, van fundamenteel belang zijn om het Europese structuurbeleid tot een succes te maken.

4.8

Het EESC acht het met name van belang dat de herstructureringsmaatregelen worden geïntegreerd met maatregelen van industriebeleid voor de overgang naar een Europese koolstofarme economie die voldoet aan de klimaat- en milieu-eisen, en die met de nodige financiering nieuwe "groene" banen en beroepen kan ontwikkelen, zoals het EESC in eerdere adviezen heeft onderstreept (4).

4.8.1

Mede gezien het feit dat 2012 is uitgeroepen tot Europees Jaar van het actief ouder worden, is het EESC van mening dat er nieuwe beroepen moeten worden ontwikkeld in de dienstverlening door ngo's, de sociale economie en het bedrijfsleven, om gezond, actief en waardig ouder worden te ondersteunen en om producten en diensten te ontwikkelen die beantwoorden aan de behoeften van deze consumenten (5).

4.9

De EU-programma's voor onderwijs en beroepsopleiding en levenslang leren zouden volgens het EESC geprivilegieerde instrumenten moeten zijn om, naast de voortdurende inspanningen van ondernemingen en werknemers, op proactieve wijze te anticiperen op veranderingen: volgens Businesseurope heeft "72 % van de ondernemingen in de EU gewezen op de noodzaak het eigen personeel stelselmatig op te leiden, en heeft 32 % van de werknemers in de EU in 2010 deelgenomen aan cursussen die werden gefinancierd door hun eigen werkgevers."

4.10

Als een sociaal antwoord op de crisis schieten de nationale stimuleringspakketten en de tot nu toe goedgekeurde voorstellen tekort. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de noodzaak om arbeidsplaatsen te scheppen of vraagstimulerende maatregelen te treffen (zoals beter gecoördineerde fiscale stimuleringspakketten of loonmaatregelen).

4.10.1

De staatssteun en de structuurfondsfinancieringen ter ondersteuning van de werkgelegenheid in bedrijven die zijn getroffen door problemen als gevolg van de mondialisering en de kredietcrisis moeten zijn gebaseerd op de garanties dat de steun de vrije mededinging niet belemmert, de ondernemingen zich ervoor inspannen de werkgelegenheid op hetzelfde niveau te houden, en de cao's worden nageleefd. De ontwikkelingen in Nederland, waar "zelfstandigen zonder personeel" helemaal ingeburgerd zijn, kunnen als voorbeeld worden genomen. Werklozen krijgen met dit systeem de kans om hun expertise beschikbaar te stellen en eigen baas te worden.

4.11

Het EESC is van mening dat het beleid en de diensten van de Commissie sterker moeten worden gecoördineerd op Europees niveau, om herstructurerende ondernemingen op uniforme en samenhangende wijze te helpen bij de keuzen die zij moeten maken.

1.

Het EU-beleid inzake werkgelegenheid en opleiding, onderzoek en innovatie, ondernemingen en industrie, energie en milieu, de groene economie en ITC, evenals het handels- en buitenlands beleid van de Unie moeten een eenduidige gemeenschappelijke visie bieden aan managers van Europese ondernemingen en aan werknemers, om hen te steunen in de keuzen die zij maken ter aanpassing van strategieën en beroepen.

2.

De Europese agentschappen zoals het Cedefop in Thessaloniki en Eurofound in Dublin, de waarnemingsposten zoals de Europese waarnemingspost voor het MKB en het Europees Waarnemingscentrum voor het veranderingsproces (EMCC), de instituten van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, zoals het Instituut voor technologische studie te Sevilla, en de foresight-activiteiten in het kader van het onderdeel Wetenschap en samenleving van het 7e KP voor O&TO, zouden contacten moeten onderhouden en hun werkzaamheden op elkaar moeten afstemmen, om ondernemingen en werknemers een duidelijk en toegankelijk kader voor verandering te bieden.

4.12

Het EESC acht het van fundamenteel belang dat de rol van sociale partners en maatschappelijk middenveld optimaal wordt benut, op alle niveaus: sociale dialoog, onderhandelingen en participatie zijn niet alleen fundamentele waarden van het Europees sociaal model die het EESC altijd heeft benadrukt, maar zijn tevens instrumenten die de sociale samenhang, een werkgelegenheid van goede kwaliteit, het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen en de versterking van de innovatie en het concurrentievermogen van de Europese economie met succes ondersteunen en bevorderen.

4.13

In dit verband onderstreept het Comité de rol die de adviescommissie Industriële reconversie (CCMI) speelt als gremium bij uitstek waar een constructieve dialoog wordt gevoerd en ideeën en voorstellen worden uitgewerkt op basis van een sinds het EGKS-verdrag succesvol opgebouwde rijke ervaring.

4.14

Zoals tal van studies en analyses van Europese en nationale goede praktijkvoorbeelden aantonen, zijn een vertrouwensband tussen de sociale partners en een doeltreffende sociale dialoog essentiële voorwaarden om optimaal op veranderingen te anticiperen en deze in goede banen te leiden.

4.15

Het EESC is met name van mening dat dialoog, overleg en onderhandelingen essentiële voorwaarden zijn voor hervormingen en flexizekerheid-initiatieven. Enerzijds moeten er raamvoorwaarden worden geschapen die ondernemingen – in de verschillende nationale situaties – in staat stellen zich snel en flexibel aan te passen aan de innovaties, de markten en de behoeften van gebruikers/consumenten. Anderzijds is het noodzakelijk om het aanpassingsvermogen en de loopbaanontwikkeling van werknemers te ondersteunen en te bevorderen.

4.16

Zoals het EESC al eerder heeft benadrukt kan "flexizekerheid" alleen functioneren wanneer de werknemers een goede beroepsopleiding hebben genoten; de totstandkoming van nieuwe banen houdt immers nauw verband met nieuwe vaardigheden. Bovendien is het EESC van mening dat het in de huidige periode prioritair is om het zekerheidsaspect (in de breedste zin des woords) van flexizekerheid – met vaste arbeidsplaatsen - te versterken.

4.17

Het EESC acht het van belang dat overheidsinstanties, onderwijs- en opleidingsinstellingen en het bedrijfsleven hun krachten bundelen om het arbeidsmarkt- en opleidingsaanbod te verbeteren, door nieuwe beroepen en polyvalente vaardigheden te ontwikkelen, en door steun te verlenen aan leertrajecten tijdens de hele loopbaan.

4.18

In dat verband is het volgens het EESC van cruciaal belang dat er wordt gezorgd voor mechanismen voor toegang tot voortgezet onderwijs en bij- en nascholing die beantwoorden aan de behoeften van de nieuwe beroepsprofielen en nieuwe kwalificaties, vooral voor jongeren, overeenkomstig de visie die wordt uiteengezet in de Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen waarover het EESC een advies heeft uitgebracht (CESE 1172/2011) (6).

4.19

Het EESC hamert op het belang van een versterkte samenwerking tussen de verschillende actoren op lokaal niveau, aangezien het bestaan van een goede sociale dialoog in een klimaat van vertrouwen en een positieve houding tegenover verandering belangrijke factoren zijn om nadelige sociale gevolgen te voorkómen of te beperken.

4.20

Bijzondere aandacht dient volgens het EESC uit te gaan naar het mkb: zowel de overheid als particuliere instanties, zoals werkgeversverenigingen en beroepsverenigingen, kamers van koophandel, industrie en ambachten en andere instanties, zouden passende maatregelen moeten nemen, vooral op lokaal en regionaal niveau, om het mkb een bevoorrechte toegang tot krediet en opleidingstrajecten te geven, naast maatregelen om de bureaucratische en administratieve rompslomp te vereenvoudigen.

4.21

Verder overleg en beleidsvorming inzake anticipatie en herstructurering zouden gebaseerd moeten zijn op de resultaten van de in ruim zeven jaar in Europa verrichte onderzoeken en studies en opgestelde verslagen.

4.22

Lag het accent in het verleden duidelijk op de analyse en uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden (7) en ervaringen op het gebied van innovatie, in de toekomst zou de EU zich meer moeten focussen op concrete acties, dat wil zeggen op ontwikkeling en groei, en zou zij de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke richtsnoeren, standaarden en referentiekaders moeten bevorderen, op basis van gezamenlijke Europese normen en waarden.

4.23

Last but not least onderstreept het EESC het belang van het menselijke aspect: personen – en gezinnen – die slachtoffer worden van herstructureringen van sectoren en ondernemingen krijgen vaak te maken met menselijke drama's waar niet altijd voldoende rekening mee wordt gehouden. Hiervoor zouden psychologische en sociale begeleidende maatregelen moeten worden genomen, naast de nodige maatregelen ter stimulering van nieuwe investeringen en ter bevordering van groei en een duurzame ontwikkeling van de werkgelegenheid.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Richtlijn inzake de Europese ondernemingsraad 2009/38/EG, PB L 122 van 16.5.2009; Richtlijn 2002/14/EG, PB L 80 van 23.3.2002; Richtlijn 2001/23/EG, PB L 82 van 22.3.2001; Richtlijn 98/59/EG, PB L 225 van 12.8.1998; Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad, PB L 160 van 30.6.2000.

(2)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over "De impact van de wereldwijde crisis op de belangrijkste Europese productie- en dienstensectoren", PB C 318 van 23.12.2009, blz. 43

(3)  Zie de leidende markt "e-gezondheid" (COM (2007) 860 final)

(4)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over "Bevordering van duurzame groene banen in het kader van het EU-energie- en klimaatveranderingspakket", PB C 44, 11.2.2011, blz. 110-117.

(5)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Jaar voor actief ouder worden (2012)", PB C 51, 17.2.2011, blz. 55-58.

(6)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de "Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid", PB C 318 van 29.10.2011, blz. 142-149.

(7)  Zie voor goede praktijkvoorbeelden: The Restructuring Toolbox http://www.evta.net/restructuringtoolbox/toolbox/index.html. Het project Going Local to Respond Employment Challenges http://www.evta.net/going_local/catalogue/index.html: Doelstellingen: het in goede banen leiden van regionale acties, het uitvoeren van maatregelen voor de totstandkoming van een beleid en diensten die anticiperen op bedrijfscrisissen, oprichting van een gemeenschap van actoren en praktijken met het oog op een permanente vergelijkende beoordeling van opleidingsinstellingen in het kader van het project.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/60


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Groenboek over de haalbaarheid van de invoering van stabiliteitsobligaties”

(COM(2011) 818 final)

2012/C 299/12

Rapporteur: de heer DANTIN

De Europese Commissie heeft op 23 november 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

"Groenboek over de haalbaarheid van de invoering van stabiliteitsobligaties"

COM(2011) 818 final.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 13 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli 2012) het volgende advies uitgebracht, dat met 135 stemmen vóór en 33 tegen, bij 25 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Om de huidige crisis te boven te komen, een langdurige recessie te voorkomen en de voorwaarden voor nieuwe groei en werkgelegenheid te scheppen, is niet minder Europa, maar juist meer Europa nodig. Dit impliceert dat de Europese Commissie vastbesloten moet zijn om de communautaire methode nieuw leven in te blazen en toe te passen. In dit licht wordt met het groenboek een welkome stap gezet.

1.2   Daarnaast dient de Commissie echter haar initiatiefrecht op alle terreinen ten volle uit te oefenen en met voorstellen te komen die bij de omvang van de crisis passen, in plaats van met intergouvernementele lapmiddelen.

1.3   Meer Europa: een nieuw Europa moet solidariteit, verantwoordelijkheid en wederzijds vertrouwen met elkaar verbinden. De basis voor dit vertrouwen wordt gelegd met een symmetrische en evenwichtige economische sturing van een doelmatige fiscale en budgettaire harmonisatie, die onontkoombaar is. Meer Europa om begrotingsverantwoordelijkheid en integratie tot stand te brengen, meer Europa om de aan de staatsschuld verbonden risico's te delen, de kredietwaardigheid op lange termijn te herstellen, de structurele hervormingen te ondersteunen en uit te voeren en de aanzet te geven tot investeringen in groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid in de hele EU om zo een sociaal Europa en welzijn voor allen te realiseren.

1.4   Het EESC is dan ook zeer ingenomen met het groenboek van de Commissie over stabiliteitsobligaties. De inhoud van het groenboek is een logische volgende stap in het integratieproces van de Europese Unie met haar interne markt en Europese kapitaalmarkt, en een noodzakelijke aanvulling op het huidige gemeenschappelijke monetaire beleid binnen de eurozone. Daarnaast zouden euro-obligaties het vertrouwen van potentiële beleggers kunnen opwekken en zo de vraag naar staatsobligaties kunnen stabiliseren en de rentetarieven omlaag kunnen brengen.

1.5   Het EESC meent echter dat het gevaar voor moral hazard en de wijze waarop moral hazard zich eventueel zal manifesteren, zoals weergegeven in het groenboek, discutabel zijn en eerst grondig onderzocht moeten worden alvorens er – aanvechtbare – conclusies worden getrokken. Indien namelijk de in het groenboek verdedigde stelling – het verslappen van de door de markt opgelegde discipline door de gelijktrekking van de rentetarieven leidt tot een onverantwoordelijke toename van de overheidsuitgaven of een stijging van de begrotingstekorten – correct was, zou een dergelijke ontwikkeling zich al na de invoering van de euro hebben voorgedaan. Dat is echter niet gebeurd.

1.6   Het EESC deelt wel het standpunt van de Commissie dat de stabiliteitsobligaties een hoge kredietkwaliteit moeten hebben, willen zij voor beleggers en eurolanden acceptabel zijn. Doordat de politiek aarzelend en laat heeft gereageerd, is de onzekerheid echter inmiddels zo groot geworden dat zelfs euro-obligaties met "hoofdelijke" garanties nu waarschijnlijk niet meer zo gewild zijn als een paar maanden geleden.

1.6.1   Het EESC acht het dan ook absoluut noodzakelijk dat de ECB een grotere rol bij het oplossen van de crisis gaat spelen, bijvoorbeeld door het EFSF of het ESM een banklicentie te verstrekken.

1.7   Wat de verschillende "opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties" betreft, is het Comité van mening dat benadering nr. 2 – "gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke garanties" – de meest haalbare en de over het geheel genomen meest aanvaardbare optie vormt.

1.8   De uitgifte van zulke stabiliteitsobligaties moet vanzelfsprekend plaatsvinden, zoals de voorzitter van de Europese Raad heeft benadrukt, in «een degelijk kader voor begrotingsdiscipline en mededinging […], teneinde morele risico's te voorkomen en verantwoordelijkheid en naleving te bevorderen. Het proces dat leidt naar de uitgifte van gezamenlijk schuldpapier moet op criteria zijn gebaseerd en moet gefaseerd verlopen, waarbij de vooruitgang die wordt geboekt met het gezamenlijk nemen van besluiten over begrotingen, gepaard moet gaan met vergelijkbare stappen naar risicodeling» (1). Het Comité is het ermee eens dat tot de «bouwstenen» van dit proces geïntegreerde financiële, begrotings- en economischbeleidskaders behoren. Deze zouden vergezeld moeten gaan van een samenhangend en vergelijkbaar kader van democratische legitimiteit en verantwoordelijkheid op Europees niveau, zonder verdere bezuinigingsmaatregelen. Ten aanzien daarvan stelt het EESC voor dat de Commissie eventuele gevallen van moral hazard grondig onderzoekt om binnen deze architectuur gepaste oplossingen te vinden.

2.   Inleiding

2.1   Met het onderhavige groenboek wordt onder alle betrokken partijen een brede openbare raadpleging over het concept van stabiliteitsobligaties  (2) gelanceerd. Deze raadpleging zal dienen als basis voor beleidsvoorstellen van de Commissie op dit gebied.

2.2   Door de verscherping van de staatsschuldcrisis in de eurozone is een breed debat over de haalbaarheid van een gemeenschappelijke emissie op gang gekomen. Er wordt vaak gesteld dat dit een krachtig instrument zou kunnen zijn om de liquiditeitskrapte in diverse eurolanden het hoofd te bieden. Tegen deze achtergrond heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht te kijken naar de haalbaarheid van een gemeenschappelijke emissie in het kader van de vaststelling van het wetgevingspakket voor de economische governance in de eurozone, waarbij het onderstreepte dat een gemeenschappelijke emissie van stabiliteitsobligaties ook verdere stappen in de richting van een gemeenschappelijk economisch en begrotingsbeleid noodzakelijk zou maken (3).

2.3   Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft zich in meerdere adviezen over deze problematiek gebogen en zich er specifiek over uitgesproken in het initiatiefadvies "Groei en staatsschulden in de EU: twee innovatieve oplossingen" (4).

2.4   Het is ingenomen met de publicatie van dit groenboek, met het publieke debat dat nu op gang wordt gebracht en met de gekozen aanpak, nl. dat de Commissie vervolgens voorstellen zal uitwerken. De communautaire methode wordt daarmee door de Commissie eindelijk weer ingevoerd op dit gebied.

3.   Inhoud van het groenboek

3.1   Na een beschrijving van de achtergrond van de problematiek gaat de Commissie in het groenboek nader in op verschillende aspecten die grondslag en motivering van haar voorstellen vormen.

3.1.1   Motivering volgens het groenboek

3.1.1.1   Het vooruitzicht op stabiliteitsobligaties kan mogelijk leiden tot een verlichting van de huidige staatsschuldcrisis, aangezien de lidstaten die een hoog rendement moeten bieden, kunnen profiteren van de grotere kredietwaardigheid van de lidstaten die een laag rendement bieden. Er kan echter alleen sprake zijn van een duurzaam effect als een routekaart naar gemeenschappelijke obligaties vergezeld gaat van parallelle afspraken om te komen tot krachtiger economisch bestuur dat zou waarborgen dat de noodzakelijke budgettaire en structurele aanpassingen worden doorgevoerd die de houdbaarheid van de overheidsfinanciën beveiligen en zo moral hazard voorkomen.

3.1.1.2   Stabiliteitsobligaties zouden het financiële stelsel van de eurozone veerkrachtiger maken in die zin dat schokken voortaan gemakkelijker kunnen worden opgevangen, en zouden de financiële stabiliteit aldus vergroten. Door die obligaties zouden alle deelnemende lidstaten er zekerder zijn van dat zij hun schulden op de markt kunnen herfinancieren, en kan worden voorkomen dat ze plotseling geen toegang meer hebben tot deze markt. Ook het bankwezen in de eurozone zou profiteren van de beschikbaarheid van de obligaties.

3.1.1.3   Staatsobligaties zouden de effecten van het monetair beleid van de eurozone versnellen. Ook zouden ze de efficiëntie van de markt voor staatsobligaties en van het algehele financiële stelsel van de eurozone bevorderen. Stabiliteitsobligaties zouden bovendien portfoliobeleggingen in de euro bevorderen en zorgen voor een evenwichtiger mondiaal financieel stelsel.

3.1.2   Voorafgaande voorwaarden

Na te hebben aangegeven dat stabiliteitsobligaties substantiële voordelen opleveren op het gebied van financiële stabiliteit en economische efficiëntie, somt de Commissie de mogelijke nadelen op.

3.1.2.1   In het voorstel van de Commissie worden de volgende vormen van moral hazard genoemd:

met bepaalde vormen van stabiliteitsobligaties zou de begrotingsdiscipline verminderen of zelfs geheel verloren gaan wanneer eurolidstaten het kredietrisico voor een deel van hun staatsschuld of hun gehele staatsschuld zouden poolen. Daarbij ontstaat dus kans op moral hazard doordat een individueel gebrek aan begrotingsdiscipline ten laste komt van alle deelnemers;

aangezien de uitgifte van stabiliteitsobligaties de marktdiscipline kan verzwakken, is een ingrijpende wijziging van het kader voor economisch bestuur in de eurozone vereist. Dit zou gevolgen hebben voor de begrotingssoevereiniteit;

stabiliteitsobligaties moeten een hoge kredietkwaliteit hebben. Alleen dan zullen ze door beleggers worden geaccepteerd;

voor de acceptatie van stabiliteitsobligaties door alle eurolidstaten is het ook van belang dat een hoge kredietkwaliteit gewaarborgd is;

de kredietrating van stabiliteitsobligaties hangt in de eerste plaats af van de kredietkwaliteit van de deelnemende lidstaten en de onderliggende garantiestructuur.

3.1.2.2   Voor een geslaagde invoering van de stabiliteitsobligaties is het essentieel dat er sprake is van consistentie met het EU-Verdrag. Enkele opties zouden namelijk in strijd kunnen zijn met de bepalingen van het VWEU en zouden verdragswijzigingen noodzakelijk kunnen maken. Het gaat met name om artikel 125, waarin staat dat lidstaten geen verbintenissen van een andere lidstaat mogen overnemen. De emissie van stabiliteitsobligaties met hoofdelijke (d.w.z. gezamenlijke en individuele) garanties zou a priori leiden tot een situatie waarin het verbod op redding van een lidstaat wordt overtreden. Daarentegen zou de emissie van stabiliteitsobligaties met proportionele garanties wel verenigbaar zijn met de Verdragsbepalingen.

3.2   Opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties

3.2.1   Bovenop de vele voorstellen die tijdens het openbare debat over stabiliteitsobligaties zijn gedaan, komt de Commissie in haar groenboek met drie opties, variërend in de mate waarin nationale emissies worden vervangen (geheel of gedeeltelijk) en de aard van de onderliggende garantie (hoofdelijk of individueel). Deze drie brede benaderingen zijn:

3.2.1.1

Benadering 1: volledige vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke garanties

In deze benadering vindt de overheidsfinanciering in de eurozone volledig plaats door emissies van stabiliteitsobligaties en worden nationale emissies stopgezet. De kredietrating van de belangrijkste eurolanden zal hoogstwaarschijnlijk een overheersende invloed hebben bij de vaststelling van de rating van de stabiliteitsobligaties, hetgeen zou betekenen dat van een vandaag uitgegeven stabiliteitsobligatie mag worden aangenomen dat deze een hoge kredietrating zal hebben. In deze benadering worden de voordelen van emissies van de obligaties op de meest effectieve wijze gerealiseerd, maar tegelijkertijd is het gevaar voor moral hazard het grootst. Daarom moet deze benadering vergezeld gaan van een uiterst robuust kader dat zorgt voor budgettaire discipline, economisch concurrentievermogen en een terugdringing van macro-economische onevenwichtigheden op nationaal niveau.

3.2.1.2

Benadering 2: gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke garanties

In deze benadering wordt de stabiliteitsobligatie-emissie geschraagd door hoofdelijke garanties, maar vervangen ze slechts een beperkt deel van de nationale emissies.

Voor het deel van de emissie dat niet in stabiliteitsobligaties plaatsvindt, blijven nationale garanties gelden. De staatsobligatiemarkt in de eurozone bestaat dan dus uit twee aparte delen: stabiliteitsobligaties en staatsobligaties. Een belangrijk probleem is de vraag op basis van welke criteria het emissieaandeel van stabiliteitsobligaties en dat van nationale obligaties moeten worden vastgesteld.

3.2.1.3

Benadering 3: Gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met individuele, maar zonder gezamenlijke garanties

In deze benadering worden nationale emissies eveneens gedeeltelijk vervangen door stabiliteitsobligaties, die worden geschraagd door proportionele garanties van de eurolidstaten. Deze benadering wijkt af van benadering nr. 2 in die zin dat de lidstaten aansprakelijk blijven voor hun eigen aandeel in stabiliteitsobligatie-emissies en voor hun nationale emissies.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Het Commissiedocument dient te worden bekeken in het licht van de crisis waarin de Europese Unie verkeert. De crisis treft meerdere gebieden – financieel, economisch en sociaal (met bijna 23 miljoen werklozen) en betalingsbalans en staatsschuld, milieu – en laat ook de grondvesten van de Europese integratie zelf niet onberoerd. De crisis heeft met name licht geworpen op enkele fundamentele constructiefouten van de Economische en Monetaire Unie. Een gemeenschappelijke centrale bank en een groei- en stabiliteitspact zijn bij lange na niet voldoende om de gemeenschappelijke munt te beschermen tegen crises, of het nu gaat om verschillen in concurrentievermogen, macro-economische onevenwichtigheden, een verstoorde betalingsbalans of hoge renteverschillen ("spreads") bij staatsobligaties.

4.2   Om deze crisis te boven te komen, een langdurige recessie te voorkomen en de voorwaarden voor nieuwe groei en werkgelegenheid te scheppen, is niet minder Europa, maar juist meer en beter Europa nodig. Meer Europa om begrotingsverantwoordelijkheid en integratie tot stand te brengen, meer Europa om de aan de staatsschuld verbonden risico's te delen, de kredietwaardigheid op lange termijn te herstellen, de structurele hervormingen te ondersteunen en uit te voeren en de aanzet te geven tot investeringen in groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid in de hele EU om zo een sociaal Europa en welzijn voor allen te realiseren. Een beter Europa is nodig om deze doelstellingen duurzaam te verwezenlijken en voor doeltreffende procedures ter bescherming tegen moral hazard te zorgen.

4.2.1   Dit alles vergt wel dat de Europese Commissie vastbesloten moet zijn om de communautaire methode nieuw leven in te blazen en toe te passen. In dit licht wordt met het groenboek een welkome stap gezet. Daarnaast dient de Commissie echter haar initiatiefrecht op alle terreinen ten volle uit te oefenen en met voorstellen te komen die bij de omvang van de crisis passen en die in plaats komen van de vele intergouvernementele lapmiddelen waarvan is gebleken dat ze grotendeels ontoereikend zijn, weinig hebben uitgehaald en een langdurig en onzeker uitvoeringsproces inhouden (5).

4.2.2   Meer Europa: een nieuw Europa impliceert een fundamentele bundeling van middelen en deling van verantwoordelijkheden. Dit concept, dat solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid aan elkaar koppelt, heeft een verbindingsteken nodig, een soort brug tussen deze twee begrippen: vertrouwen. De basis voor dit vertrouwen wordt gelegd met een symmetrische en evenwichtige economische sturing van een doelmatige fiscale en budgettaire harmonisatie, die onontkoombaar is.

4.2.2.1   Een dergelijke benadering is te prefereren boven een situatie waarin afzonderlijke nationale regeringen niet langer opkunnen tegen de druk van de markten, hun schuldeisers en private kredietbeoordelaars. De Europese integratie moet een grote sprong voorwaarts maken, niet alleen om nieuwe kredietinstrumenten te creëren en een groeimodel dat geloofwaardig is voor beleggers, maar ook en vooral om het democratisch bestuur zijn plaats terug te geven.

4.2.2.2   Daartoe dient de EU haar economisch bestuur te versterken om in alle lidstaten, en met name in de eurozone, begrotingsdiscipline te garanderen. Het hervormingspakket (het zgn. "six-pack"), aangevuld met de nieuwe wetgevingsvoorstellen en het Europese semester – bedoeld om de coördinatie van het begrotingsbeleid te verbeteren en het toezicht door de EU aan te scherpen – moet correct ten uitvoer worden gelegd, ook al volstaat het niet om de crisis te boven te komen (6). De politiek begint dat nu pas te beseffen en daarom moet de gang van zaken nauwkeurig gevolgd worden. Wat het succes van de hervormingen betreft, zal de leer pas kunnen worden getrokken wanneer de praktische resultaten van het wegwerken van de economische onevenwichtigheden bekend zijn. Evenveel belang dient ook gehecht te worden aan de macro-economische onevenwichtigheden die aan de oorsprong van de problemen van sommige lidstaten liggen.

4.3   Het Comité is dan ook ingenomen met het groenboek over de haalbaarheid van de invoering van stabiliteitsobligaties. Naar zijn mening zal invoering van strikte regels op het vlak van het economisch bestuur en van gezamenlijke garanties voor de hele eurozone – bedoeld om de aan de staatsschuld verbonden risico's te delen – helpen om een uitweg te vinden uit de impasse van bezuinigingen versus groei, die de EU onvermijdelijk naar een diepe recessie zou voeren.

4.4   Wordt er op dit terrein vooruitgang geboekt, dan zal de ECB stapsgewijs een eind kunnen maken aan haar programma voor de aankoop van staatobligaties op secundaire markten (SMP), dat thans nodig is om lidstaten in staat te stellen hun schuld te herfinancieren. In plaats daarvan zou de ECB kunnen besluiten om de nieuwe stabiliteitsobligaties te steunen door marktpartijen gedurende een overgangsfase extra zekerheid te bieden (7).

4.5   Daartoe zou het EFSF of het ESM een banklicentie verstrekt kunnen worden, waardoor een einde gemaakt zou worden aan de problematische verstrengeling van monetair beleid en begrotingsbeleid binnen de Europese Centrale Bank en haar onafhankelijkheid gegarandeerd zou worden.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   Het EESC is, nogmaals, zeer ingenomen met het groenboek van de Commissie over stabiliteitsobligaties. De invoering van EU-obligaties van de Unie in de eurozone (de zgn. "euro-obligaties" (8), in het groenboek "stabiliteitsobligaties" genoemd) is een logische volgende stap in het integratieproces van de Europese Unie met haar interne markt en Europese kapitaalmarkt, en een noodzakelijke aanvulling op het huidige gemeenschappelijke monetaire beleid binnen de eurozone. Euro-obligaties bemoeilijken speculatie en bevorderen de stabiliteit van de financiële markten en de doeltreffendheid van het monetaire beleid.

5.2   Door invoering van gezamenlijke verantwoordelijkheid zouden euro-obligaties daarnaast onmiddellijk en op korte termijn het vertrouwen van potentiële beleggers kunnen opwekken en zo de vraag naar staatsobligaties kunnen stabiliseren en de rentetarieven voor landen met acute financieringsproblemen omlaag kunnen brengen. Het EESC is in dit verband dan ook verheugd dat de Commissie een discussie over euro-obligaties op gang brengt – al is zij hiermee aan de late kant – en in het groenboek ook de voordelen van euro-obligaties correct uiteenzet.

5.3   Voorafgaande voorwaarden ten aanzien van begrotingsdiscipline

5.3.1   In het groenboek wordt – net als in het algemene debat over de aanpak van de huidige crisis – herhaaldelijk gewezen op de noodzaak om schadelijke effecten (de moral hazard) te bestrijden en wordt gesteld dat de markten een disciplinerend effect kunnen hebben op het begrotingsbeleid van de lidstaten. De Commissie betreurt dat niet alle lidstaten na de invoering van de euro dezelfde "marktdiscipline" in hun begrotingsbeleid aan de dag hebben gelegd en vreest dat invoering van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de stabiliteitsobligaties geen enkel effect heeft op de discipline die door de markten wordt uitgeoefend. Maar zelfs sommige lidstaten die zich wel aan de begrotingseisen van het stabiliteits- en groeipact hebben gehouden, zitten momenteel diep in de schulden vanwege de onevenwichtigheden die met de schuldenlast binnen de private sector te maken hebben; ook op deze lidstaten moet toezicht worden gehouden.

5.3.2   Over het geheel genomen wordt gevreesd dat een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarbij "sancties" in de vorm van hogere rentetarieven die door de markt worden opgelegd, dus niet meer mogelijk zijn, leidt tot een onverantwoordelijk begrotingsbeleid van de lidstaten, d.w.z. tot grote begrotingstekorten. Regeringen zouden hun overheidsuitgaven op onverantwoorde wijze opvoeren indien zij niet onder druk van stijgende marktrentes staan. Het EESC meent echter dat het gevaar voor moral hazard en de wijze waarop moral hazard zich eventueel zal manifesteren, zoals weergegeven in het groenboek, discutabel zijn en eerst grondig onderzocht moeten worden alvorens er – aanvechtbare – conclusies worden getrokken.

5.3.3   Wanneer er een nauwkeurige analyse van moral hazard voorhanden is, kan ook naar gerichte oplossingen voor dit probleem worden gezocht. Er zijn meerdere redenen om het geloof in "marktdiscipline" en in de omvang van het moral hazard-probleem in twijfel te trekken:

5.3.3.1   De Commissie stelt in haar groenboek dat de ontwikkeling van de overheidsbegrotingen van invloed is op de hoogte van het rendement van de staatsobligaties en constateert: "De sterke convergentie van de rendementen van eurogebiedobligaties in het eerste decennium van de euro is achteraf gezien niet terecht geweest gezien de uiteenlopende prestaties van de lidstaten op begrotingsgebied." Hoewel er dus kennelijk geen sprake is geweest van convergentie van het begrotingsbeleid van de eurolanden, heeft er wel een sterke convergentie van de rendementen van obligaties en dus van de rentetarieven voor staatsobligaties plaatsgevonden. De Griekse, Spaanse, Italiaanse, Ierse en Finse staatsobligaties behoorden tot de obligaties die sinds de invoering van de euro de grootste rendementsafname hebben meegemaakt. Bedroeg bijvoorbeeld het rendement op Finse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar in 1995 nog ca. 8,8 %, in 2005 was het gedaald tot 3,4 % en bereikte het daarmee het niveau van de Duitse staatsobligaties.

5.3.3.2   Dit kwam doordat de instelling van de eurozone ertoe leidde dat beleggers alle staatsobligaties van de eurozone als even veilig gingen beschouwen. De situatie tussen 1999 (oprichting van de eurozone) en 2008 (de "Lehman Brothers"-crisis) was dus eigenlijk min of meer gelijk aan de situatie die na invoering van de euro-obligaties valt te verwachten. De markten hebben in de jaren na de oprichting van de eurozone geen disciplinerend effect op het begrotingsbeleid uitgeoefend.

5.3.3.3   Indien de in het groenboek verdedigde stelling – het verdwijnen van de door de markt opgelegde discipline door de gelijktrekking van de rentetarieven leidt tot een onverantwoordelijke toename van de overheidsuitgaven of een stijging van de begrotingstekorten – correct was, zou een dergelijke ontwikkeling zich al sinds de invoering van de euro hebben voorgedaan.

5.3.3.4   Dit is echter niet gebeurd. Zo zijn in Finland de overheidsuitgaven in verhouding tot het bruto binnenlands product (bbp) sinds de invoering van de euro licht gedaald en liggen ze nog altijd onder het niveau van de overheidsinkomsten. In Spanje is de verhouding tussen overheidsuitgaven (zonder rentebetalingen) en bbp gelijk gebleven, terwijl het aandeel van de overheidsinkomsten zelfs is gestegen. In Italië is het aandeel van de overheidsuitgaven licht gedaald, met een kleine afname van het bedrag aan betaalde rente. Wel zijn de overheidsinkomsten er afgenomen. Ook in Griekenland zijn de overheidsuitgaven in verhouding tot het bbp over het geheel genomen stabiel gebleven sinds het land tot de eurozone is toegetreden en de rentetarieven op de obligaties zijn geconvergeerd. Het aandeel van de rentebetalingen is duidelijk afgenomen. De daling van de overheidsinkomsten (als aandeel van het bbp) is in Griekenland echter veel meer uitgesproken dan in Italië.

5.3.3.5   Het is dus duidelijk dat het ontbreken van "marktdiscipline" en de sterke convergentie van de rentetarieven op obligaties niet hebben geleid tot moral hazard doordat de obligaties door de beleggers volstrekt veilig werden geacht. De overheidsuitgaven ten opzichte van het bbp zijn nergens toegenomen, integendeel. Wel zou gesteld kunnen worden dat de lage en convergerende rentetarieven op veel plaatsen een daling van de belastingopbrengsten in de hand heeft gewerkt; in twee van de bovengenoemde gevallen is het aandeel van de belastingopbrengsten in ieder geval teruggelopen.

5.3.4   Dit laatste zou een argument zijn om de maatregelen tegen moral hazard te richten op de inkomstenzijde. Door de coördinatie van het belastingbeleid aan te scherpen zou fiscale dumping voorkomen kunnen worden. In het kader van de versterkte governance en coördinatie van het economisch beleid van de EU zouden sommige gevallen van belastingvermindering in de toekomst ook bestraft kunnen worden. Dit zou tot symmetrie van de maatregelen in het kader van de economische governance leiden – iets waarop het EESC al in eerdere adviezen heeft aangedrongen (9).

5.3.5   Het is bovendien zeer onwaarschijnlijk dat beleggers die een land geld willen lenen, in de eerste plaats willen weten of het begrotingsbeleid van dat land wel gezond is. De omvang van het begrotingstekort en de staatsschuld is in werkelijkheid niet zo relevant voor het niveau van de marktrente als in het groenboek wordt verondersteld. Dit blijkt wel uit het feit dat juist Spanje, een modelleerling qua begrotingsbeleid, nu met herfinancieringsproblemen kampt, terwijl landen met een even hoge schuld, zoals het Verenigd Koninkrijk, tegen historisch lage tarieven kunnen lenen.

5.3.6   Met het oog op de stappen die nu na de publicatie van het groenboek zullen volgen, is het EESC dan ook van mening dat de Commissie haar stellingen inzake moral hazard en marktdiscipline zeer dringend moet herzien. Deze stellingen kunnen zeer snel leiden tot verkeerde conclusies met rampzalige economische gevolgen: leidt de bestrijding van het vermeende moral hazard-probleem bijvoorbeeld tot verdere aanscherping van de staatsschuldregels in het stabiliteits- en groeipact of tot automatische afremmingen van schulden, dan valt een contraproductieve (en volgens de Commissie ondoelmatige) druk op de overheidsuitgaven te verwachten. Om ervan overtuigd te raken dat een drastische verlaging van de overheidsuitgaven – tegen de veronderstellingen en de wens van de Commissie in – zijn weerslag heeft op het vertrouwen van potentiële obligatiekopers, hoeft men alleen maar te kijken naar wat er gebeurt in de landen die in een crisis verkeren: daar heeft het strenge bezuinigingsbeleid de onzekerheid nog verder vergroot en tot nog hogere rentetarieven geleid.

5.3.7   Bovendien vindt het EESC dat ook fundamentele vraagtekens geplaatst dienen te worden bij de stelling dat de "markten" democratisch gekozen regeringen noodzakelijkerwijs discipline moeten bijbrengen. In dit geval staan de "markten" uiteindelijk gelijk aan vermogensbezitters, die als schuldeisers van regeringen optreden. Wat er zo verheugend is aan het feit dat een betrekkelijk klein aantal vermogensbezitters meer invloed heeft op de overheidsbegroting dan een door het volk gekozen parlement, is niet duidelijk.

5.4   Voorwaarden waaraan activa moeten voldoen om door de markt als zeer veilig beschouwd te worden

5.4.1   Het EESC deelt het standpunt van de Commissie dat de stabiliteitsobligaties een hoge kredietkwaliteit moeten hebben, willen zij voor beleggers en de eurolanden met de hoogste kredietrating acceptabel zijn. Een hoge kredietkwaliteit is ook nodig om stabiliteitsobligaties de status van internationale benchmark te geven en ter ondersteuning van de ontwikkeling en efficiënte werking van de gerelateerde markten voor futures en opties, die onmisbaar zijn om de obligatiemarkten van liquiditeit te voorzien.

5.4.2   Het EESC is ervan overtuigd dat euro-obligaties met algemene gezamenlijke verantwoordelijkheid zeer aantrekkelijk zullen zijn voor potentiële kredietverleners die op zoek zijn naar veilige beleggingen. Door de omvang en de liquiditeit van de markt voor gezamenlijke obligaties zullen waarschijnlijk ook nieuwe beleggers van buiten Europa worden aangetrokken. Het EESC deelt het standpunt dat er vanwege de wereldwijde macro-economische onevenwichtigheden alles aan moet worden gedaan om de aanzienlijke hoeveelheden liquide middelen uit de opkomende landen te kanaliseren naar de euro-obligaties als stabiele financiële beleggingen. De euro-obligaties zouden dan een belangrijke rol spelen bij het stabiliseren van de financiële markten, ook buiten de Europese Unie.

5.4.3   Ondertussen is de onzekerheid op de Europese obligatiemarkten echter enorm toegenomen vanwege het aarzelende optreden van de regeringen van de lidstaten, verkeerde politieke besluiten en het gebrek aan wil om de crisis in zijn totaliteit aan te pakken. De onzekerheid is inmiddels zo groot geworden dat zelfs euro-obligaties met hoofdelijke garanties (optie 1, zie paragraaf 3.2.1.1 hierboven) nu waarschijnlijk niet meer zo gewild zouden zijn als een paar maanden geleden. Ook het vermogen van de stabiliteitsobligaties om de crisis te verlichten zou hieronder te lijden hebben en mogelijk zouden zij hun oorspronkelijke doel – stabilisatie – niet halen.

5.4.4   Het EESC acht het dan ook absoluut noodzakelijk dat de Europese Centrale Bank een grotere rol bij het oplossen van de crisis gaat spelen, bijvoorbeeld door een banklicentie te verstrekken aan het EFSF of aan het ESM, dat in 1 juli 2012 in werking zal treden. In tegenstelling tot de centrale banken van de VS, Japan en het VK treedt de ECB niet op als geldschieter in laatste instantie (lender of last resort) voor de lidstaten. Dit verklaart voor een groot deel de renteverschillen tussen de eurozone en economieën die veel dieper in de schulden zitten en draagt in sterke mate bij aan de indruk dat er maar geen einde komt aan de crisis.

5.4.5   Dat euro-obligaties alleen door de markt aanvaard zullen worden en de rentetarieven dus laag zullen zijn als er een zo streng mogelijk beleid van bezuinigingen en begrotingsconsolidatie gevoerd wordt, is echter een verkeerde veronderstelling. Het EESC heeft in verscheidene adviezen de schadelijke gevolgen van een dergelijk beleid voor de conjunctuur aan de kaak gesteld en benadrukt dat consolidatie van de overheidsbegrotingen in de eerste plaats door middel van economische groei bereikt dient te worden (10).

5.5   Opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties

5.5.1   Benadering 1: volledige vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke garanties

Het EESC is van mening dat dit op lange termijn de meest verstandige benadering is en het best aansluit bij het streven van de Europese Unie naar een economische en sociale Unie. Ook zou deze benadering op korte termijn wel eens het doeltreffendst kunnen zijn om de financieringsproblemen aan te pakken en zo de crisis te beëindigen. Dit is echter wel de benadering die de meest verstrekkende Europese integratie vergt en dus waarschijnlijk de grootste politieke problemen opwerpt. Volledige vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies met hoofdelijke garanties is op korte termijn dan ook de minst voor de hand liggende oplossing.

5.5.2   Benadering 2: gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke garanties

5.5.2.1   Dit is de meest haalbare en aanvaardbare benadering: in wezen is deze aanpak gelijk aan benadering 1, met dien verstande dat de lidstaten een zekere vrijheid behouden om zelfstandig op de financiële markten op te treden. De markt- en financieringsvoorwaarden zouden zo per lidstaat verschillen, mogelijk als afspiegeling van de individuele kredietstatus van de lidstaat. Deze benadering kan in ieder geval zowel op korte als op middellange termijn zeer effectief zijn. Bovendien worden de argumenten m.b.t. het vermeende gevaar voor moral hazard zo aanmerkelijk afgezwakt. Het is dan ook een van de twee opties die het EESC uitdrukkelijk goedkeurt.

5.5.2.2   Tot de emissie van stabiliteitsobligaties wordt goedgekeurd blijft het echter noodzakelijk een besluit over de voorwaarden en het schuldenplafond te nemen om de netelige kwestie rond de lidstaten met financieringsproblemen daadwerkelijk op te lossen. Het EESC acht het dan ook het beter om niet alle bestaande nationale obligaties onmiddellijk in stabiliteitsobligaties om te zetten (zoals in het groenboek op blz. 17 wordt aangegeven), omdat het maximale emissievolume van de stabiliteitsobligaties ("blauwe obligaties") dan snel bereikt zou zijn en er weer onmiddellijk nationale obligaties ("rode obligaties") uitgegeven zouden moeten worden voor herfinancieringsdoeleinden (11).

5.5.3   Benadering 3: gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met individuele, maar zonder gezamenlijke garanties

5.5.3.1   Het EESC is het met de Commissie eens dat van de drie benaderingen dit de benadering is met het beperktste toepassingsgebied, omdat de financieringsbehoefte van de lidstaten slechts gedeeltelijk wordt gedekt (net als bij benadering 2) en er sprake is van proportionele garanties. Het effect van deze optie op de stabiliteit en integratie zou dan ook beperkt zijn. Wel zou de uitvoering betrekkelijk snel kunnen verlopen omdat deze benadering volledig verenigbaar met het huidige EU-Verdrag lijkt te zijn.

5.5.3.2   Willen deze financieringsinstrumenten een toereikende kredietrating krijgen, dan moeten de lidstaten aanvullende garanties bieden. Stabiliteitsobligaties conform benadering 3 zouden sterk lijken op de obligaties die door de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) worden uitgegeven, al zouden de reikwijdte en de mogelijke impact op de doeltreffendheid van de markten en de integratie waarschijnlijk iets groter zijn. Deze benadering zal naar verwachting weinig uithalen en komt dan ook het minst overeen met het standpunt van het EESC.

5.6   Begrotingskader voor stabiliteitsobligaties

5.6.1   Het EESC blijft ervan overtuigd dat de versterking van het stabiliteits- en groeipact in het kader van het "sixpack", de resolutie van de Raad m.b.t. het Euro Plus-pact en de algemene invoering van de "gulden regels" in wezen ontoereikend zijn om de crisis te boven te komen, en dat de sociale gevolgen van deze maatregelen kunnen leiden tot desintegratie van de Europese Unie (12).

5.6.2   De aanvullende maatregelen van de Commissie en de Raad, naast de voorstellen in het groenboek, zouden niet uitsluitend op het snijden in de overheidsbegrotingen gericht moeten zijn als middel om de overheidstekorten en de schuldenlast van de lidstaten terug te dringen (austerity). Bezuinigingen hebben over het algemeen negatieve gevolgen voor de groei, werkgelegenheid en sociale voorzieningen en beperken onnodig de mogelijkheden om een adequate anticyclische begrotingspolitiek te voeren. Daarbij komt nog dat bezuinigingen niet de resultaten opleveren die de Commissie verwacht.

5.6.3   Dit neemt niet weg dat de landen van de monetaire unie maatregelen moeten treffen om hun nationale economieën te laten convergeren, onevenwichtigheden te verminderen en het gemeenschappelijke monetaire beleid aan te vullen. Bovendien is het absoluut noodzakelijk een gezamenlijk economisch beleid te voeren dat de juiste doelstellingen nastreeft. De in het groenboek herhaaldelijk weergegeven visie dat "versterking van het concurrentievermogen" de vorm moet krijgen van kostenverlagingen en een neerwaartse druk op de lonen, is eenzijdig en gaat voorbij aan de rol van de vraag op macro-economisch niveau.

5.6.4   Als bijvoorbeeld de inkomens in landen met een tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans onder druk komen te staan, kan de binnenlandse vraag krimpen en de invoer dalen. Op deze manier zouden de lopende rekeningen binnen de eurozone zeker in evenwicht worden gebracht, maar dit zou dan wel ten koste gaan van de totale productie en economische prestaties, die uiteindelijk op een lager niveau zouden uitkomen. Het EESC blijft ervan overtuigd dat een evenwichtig economisch beleid onontbeerlijk is om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te realiseren.

5.6.5   Daarom is het belangrijk dat de coördinatie van het economisch beleid gericht wordt op versterking van de groeifactoren en het nationale inkomen. Lidstaten die de afgelopen jaren een relatief laag niveau van overheidsinvesteringen en een zwakke binnenlandse vraag hebben gekend, moeten corrigerende maatregelen nemen om de vraag te ondersteunen, terwijl lidstaten met een relatief hoog tekort op hun lopende rekening en hun begroting een beter evenwicht tussen hun inkomsten en uitgaven moeten nastreven. De invoering van stabiliteitsobligaties in de Europese Unie conform het model van benadering 2 kan naar het oordeem van het EESC de dringend noodzakelijke beperking van de interne macro-economische onevenwichtigheden binnen de EU duurzaam ondersteunen.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  "Naar een echte Economische en Monetaire Unie", rapport van de voorzitter van de Europese Raad; Herman Van Rompuy, van 26 juni 2012, deel II, punt 2, 3e paragraaf (EUCO 120/12).

http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/fr/ec/131278.pdf

(2)  In de publieke discussie en in de literatuur wordt gewoonlijk gesproken over "euro-obligaties". De Commissie is van mening dat meer financiële stabiliteit in de eurozone centraal staat bij een dergelijk instrument. Daarom wordt in dit groenboek, evenals in de State of the Union die op 28 september 2011 door de voorzitter van de Europese Commissie werd uitgesproken, de term "stabiliteitsobligatie" gebruikt.

(3)  Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2011 over de financiële, economische en sociale crisis (2010/2242 (INT)).

(4)  Zie EESC-advies "Groei en staatsschulden in de EU: twee innovatieve oplossingen", PB C 143 van 22.5.2012, blz. 10 en EESC-advies "Slimme strategieën voor begrotingsconsolidatie – opsporing van groeistimulerende factoren in Europa. Manieren om het arbeidspotentieel van de Europese economieën optimaal te benutten in het licht van de dringend noodzakelijke budgettaire hervormingen", PB C 248 van 25.8.2011, blz. 8.

(5)  Zie motivering van kredietbeoordelaar Standard & Poor's van 13 januari 2012 om de kredietwaardigheid van de staatsobligaties van 16 eurolanden te verlagen: "the policy initiatives that have been taken by European policymakers in recent weeks may be insufficient to fully address ongoing systemic stresses in the eurozone" (de initiatieven die de afgelopen weken door de Europese beleidsmakers zijn genomen zijn wellicht ontoereikend om de huidige druk op het systeem in de eurozone volledig op te vangen, zie (in het Engels):

http://www.standardandpoors.com/prot/ratings/articles/en/eu/?articleType=HTML&assetID=1245327399569 Standard & Poor merkte voorts op: "We believe a reform process based on a pillar of fiscal austerity alone risks becoming self-defeating, as domestic demand falls in line with consumers' rising concerns about job security and disposable incomes, eroding national tax revenues" (Wij zijn van mening dat een hervormingsproces dat uitsluitend door begrotingsdiscipline wordt gedragen, contraproductief is, aangezien de binnenlandse vraag afneemt naarmate consumenten zich zorgen maken over het behoud van hun baan en over hun besteedbare inkomen; hierdoor worden de nationale belastinginkomsten uitgehold).

(6)  Zie paragraaf 5.6.

(7)  De ECB beschikt over vrijwel onbeperkte mogelijkheden: van alleen het afgeven van een verklaring over de toekomstige richting van haar monetaire beleid tot het op grote schaal opkopen van staatsschuld in geval van speculatieve aanvallen.

(8)  In dit advies wordt de term "euro-obligaties" gebruikt wanneer er sprake is van het streven naar een politieke Unie als aanvulling op de Economische en Monetaire Unie. In alle andere gevallen wordt de door de Commissie ingevoerde term "stabiliteitsobligaties" gehanteerd. Met beide termen wordt exact hetzelfde bedoeld.

(9)  Zie opsomming in het advies van het EESC over "Jaarlijkse groeianalyse: naar een krachtiger alomvattend antwoord van de EU op de crisis", PB C 132 van 3.5.2011, blz. 26 en advies 476/2011 van het EESC over het thema "De maatschappelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving voor economisch bestuur", PB C 143 van 22.5.2012, blz. 23.

(10)  Zie voetnoot 9.

(11)  Delpla, J. en von Weizsäcker, J. (2010), The Blue Bond Proposal ("Voorstel voor blauwe obligaties"), Breugel Policy Briefs 420, Bruegel, Brussel 2010. De auteurs stellen een bovengrens voor de emissie van blauwe obligaties voor, nl. 60 % van het bbp, het percentage dat oorspronkelijk in het Verdrag van Maastricht als bovengrens voor de totale staatsschuld werd vastgesteld. Er komen steeds meer (gedetailleerde) studies en voorstellen, zoals het voorstel van de Raad van Economische Deskundigen van de Duitse regering voor een Europees reddingspact

(http://www.sachverstaendigenrat-wirtschaft.de/fileadmin/dateiablage/Pressemitteilungen/A_european_redemption_pact.pdf) en het voorstel van Varoufakis, Y. en Holland, S. (2011), A modest proposal for overcoming the euro crisis, Levy Economics Institute of Bard College Policy Note 3/2011, http://www.levyinstitute.org/pubs/pn_11_03.pdf.

(12)  Zie par. 5.3.


BIJLAGE

bij het Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Onderstaande wijzigingssvoorstellen werden verworpen, maar krgen minsens een kwart van de uitgebrachte stemmen:

Wzg. 3 -Paragraaf 3.2.1.2

Als volgt aanvullen:

"3.2.1.2

Benadering 2: gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke garanties

In deze benadering wordt de stabiliteitsobligatie-emissie geschraagd door hoofdelijke garanties, maar vervangen ze slechts een beperkt deel van de nationale emissies.

Voor het deel van de emissie dat niet in stabiliteitsobligaties plaatsvindt, blijven nationale garanties gelden. De staatsobligatiemarkt in de eurozone bestaat dan dus uit twee aparte delen: stabiliteitsobligaties en staatsobligaties. Een belangrijk probleem is de vraag op basis van welke criteria het emissieaandeel van stabiliteitsobligaties en dat van nationale obligaties moeten worden vastgesteld.

Motivering

Wordt mondeling gegeven.

Stemuitslag

Tegen

:

117

Voor

:

46

Onthoudingen

:

18

Wzg. 4 - Paragraaf 3.2.1.3

Als volgt aanvullen:

"3.2.1.3.

Benadering 3: Gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met individuele, maar zonder gezamenlijke garanties

In deze benadering worden nationale emissies eveneens gedeeltelijk vervangen door stabiliteitsobligaties, die worden geschraagd door proportionele garanties van de eurolidstaten. Deze benadering wijkt af van benadering nr. 2 in die zin dat de lidstaten aansprakelijk blijven voor hun eigen aandeel in stabiliteitsobligatie-emissies en voor hun nationale emissies.

Motivering

Wordt mondeling gegeven.

Stemuitslag

Tegen

:

127

Voor

:

50

Onthoudingen

:

6

Wzg. 7 - Paragraaf 4.3

Als volgt wijzigen:

"4.3

Het Comité is dan ook ingenomen met het groenboek over de haalbaarheid van de invoering van stabiliteitsobligaties. Naar zijn mening zal invoering van strikte regels op het vlak van het economisch bestuur en van garanties voor de hele eurozone – bedoeld om de aan de staatsschuld verbonden risico's te delen – helpen om een uitweg te vinden uit de impasse van bezuinigingen versus groei. "

Motivering

Wordt mondeling toegelicht.

Wzg. 1 - Paragraaf 1.5

Als volgt aanvullen:

"1.5

Het EESC meent echter dat het gevaar voor moral hazard en de wijze waarop moral hazard zich eventueel zal manifesteren, zoals weergegeven in het groenboek, discutabel zijn en eerst grondig onderzocht moeten worden alvorens er – aanvechtbare – conclusies worden getrokken. Indien namelijk de in het groenboek verdedigde stelling – het verslappen van de door de markt opgelegde discipline door de gelijktrekking van de rentetarieven leidt tot een onverantwoordelijke toename van de overheidsuitgaven of een stijging van de begrotingstekorten – correct was, zou een dergelijke ontwikkeling zich al na de invoering van de euro hebben voorgedaan. Dat is echter niet gebeurd.

Motivering

Het groenboek gaat in op de invoering van een mechanisme van zogenoemde stabiliteitsobligaties voor onbepaalde tijd, bedoeld om de kosten voor schuldaflossing (uitgifte van obligaties) te drukken voor lidstaten met een zwakke begrotingsdiscipline. Van dit laatste zijn landen die wel een goede begrotingsdiscipline hebben de dupe; zij moeten voor zulke obligaties een hogere rente betalen dan voor hun eigen schuldinstrumenten. De eerstgenoemde groep lidstaten profiteren van een uniforme (en vanuit hun oogpunt lagere) rente op zulke obligaties en van een voor de hele eurozone geldende gezamenlijke aansprakelijkheid (garantie). De Commissie noemt zelf vijf mogelijke "moral hazards" (de ene partij besluit hoeveel risico wordt genomen, terwijl de andere partij met de kosten wordt opgezadeld als het fout loopt) van dergelijke schuldemissies.

Stemuitslag

Tegen

:

131

Voor

:

49

Onthoudingen

:

9

Wzg. 8 - Paragraaf 5.3.4

Als volgt wijzigen:

"5.3.4

Dit laatste zou een argument zijn om de maatregelen tegen moral hazard te richten op de inkomstenzijde.  (1) In het kader van de versterkte governance en coördinatie van het economisch beleid van de EU zouden sommige gevallen van belastingvermindering in de toekomst ook bestraft kunnen worden. Dit zou tot symmetrie van de maatregelen in het kader van de economische governance leiden – iets waarop het EESC al in eerdere adviezen heeft aangedrongen  (2)."

Motivering

Paragraaf 5.3.4 kan niet worden onderschreven. De bewering dat belastingverminderingen in de toekomst kunnen worden bestraft, is arbitrair en niet gebaseerd op analyse en onderzoek. Eventuele belastingverminderingen en het effect ervan zijn niet het onderwerp van dit advies.

Tegen

:

124

Voor

:

54

Onthoudingen

:

9

Wzg. 10 - Paragraaf 5.4.2

Als volgt wijzigen:

"5.4.2

Het EESC is ervan overtuigd dat euro-obligaties met gezamenlijke aansprakelijkheid zeer aantrekkelijk zullen zijn voor potentiële kredietverleners die op zoek zijn naar veilige beleggingen. Door de omvang en de liquiditeit van de markt voor gezamenlijke obligaties zullen waarschijnlijk ook nieuwe beleggers van buiten Europa worden aangetrokken. Het EESC deelt het standpunt dat er vanwege de wereldwijde macro-economische onevenwichtigheden alles aan moet worden gedaan om de aanzienlijke hoeveelheden liquide middelen uit de opkomende landen te kanaliseren naar de euro-obligaties als stabiele financiële beleggingen. De euro-obligaties zouden dan een belangrijke rol spelen bij het stabiliseren van de financiële markten, ook buiten de Europese Unie."

Motivering

Wordt mondeling toegelicht.

Wzg. 11 - Paragraaf 5.5.1

Als volgt wijzigen:

"5.5.1

Benadering 1: volledige vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, met hoofdelijke garanties

Dit is de benadering die de meest verstrekkende Europese integratie vergt en waarschijnlijk de grootste politieke problemen opwerp Volledige vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies met hoofdelijke garanties is op korte termijn dan ook de minst voor de hand liggende oplossing. ."

Motivering

Het voorstel dat in het advies wordt gedaan om ten aanzien van de verschillende opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties voor benadering nr. 2 te kiezen, nl. de gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies met hoofdelijke garanties, moet van de hand worden gewezen. Het is mijns inziens onaanvaardbaar dat sommige lidstaten kwistig en, zoals helaas in de praktijk is gebleken, onverantwoord mogen omspringen met hun geld, terwijl andere lidstaten het gelag moeten betalen. Feit is ook dat gezamenlijke garanties rechtstreeks in strijd zijn met het bepaalde in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan een lidstaat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de verplichtingen van een andere lidstaat. In benadering 3 (die de indiener steunt) wordt het risico van moral hazard bij economisch en begrotingsbeleid wel geminimaliseerd. In tegenstelling tot de tweede benadering gaat het om "individuele, maar zonder gezamenlijke garanties" en dat zou snel en zonder Verdragswijziging in de praktijk kunnen worden gebracht.

Wzg. 12 - Paragraaf 5.5.2.1

Als volgt wijzigen:

"5.5.2.1

Dit is in wezen gelijk aan benadering 1, met dien verstande dat de lidstaten een zekere vrijheid behouden om zelfstandig op de financiële markten op te treden. De markt- en financieringsvoorwaarden zouden zo per lidstaat verschillen, mogelijk als afspiegeling van de individuele kredietstatus van de lidstaat. "

Motivering

Het voorstel dat in het advies wordt gedaan om ten aanzien van de verschillende opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties voor benadering nr. 2 te kiezen, nl. de gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies met hoofdelijke garanties, moet van de hand worden gewezen. Het is mijns inziens onaanvaardbaar dat sommige lidstaten kwistig en, zoals helaas in de praktijk is gebleken, onverantwoord mogen omspringen met hun geld, terwijl andere lidstaten het gelag moeten betalen. Feit is ook dat gezamenlijke garanties rechtstreeks in strijd zijn met het bepaalde in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan een lidstaat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de verplichtingen van een andere lidstaat. In benadering 3 (die de indiener steunt) wordt het risico van moral hazard bij economisch en begrotingsbeleid wel geminimaliseerd. In tegenstelling tot de tweede benadering gaat het om "individuele, maar zonder gezamenlijke garanties" en dat zou snel en zonder Verdragswijziging in de praktijk kunnen worden gebracht.

Wzg. 13 - Paragraaf 5.5.3.1

Als volgt wijzigen:

"5.5.3.1

Het EESC is het met de Commissie eens dat van de drie benaderingen dit de benadering is met het beperktste toepassingsgebied, omdat de financieringsbehoefte van de lidstaten slechts gedeeltelijk wordt gedekt (net als bij benadering 2) en er sprake is van proportionele garanties. zou de uitvoering betrekkelijk snel kunnen verlopen omdat deze benadering volledig verenigbaar met het huidige EU-Verdrag lijkt te zijn."

Motivering

Wordt mondeling toegelicht.

Wzg. 14 - Paragraaf 5.6.5

Als volgt wijzigen:

"5.6.5

Daarom is het belangrijk dat de coördinatie van het economisch beleid gericht wordt op versterking van de groeifactoren en het nationale inkomen. Lidstaten die de afgelopen jaren een relatief laag niveau van overheidsinvesteringen en een zwakke binnenlandse vraag hebben gekend, moeten corrigerende maatregelen nemen om de vraag te ondersteunen, terwijl lidstaten met een relatief hoog tekort op hun lopende rekening en hun begroting een beter evenwicht tussen hun inkomsten en uitgaven moeten nastreven. De invoering van stabiliteitsobligaties in de Europese Unie conform het model van benadering kan naar mening van het EESC de dringend noodzakelijke beperking van de interne macro-economische onevenwichtigheden binnen de EU duurzaam ondersteunen."

Motivering

Het voorstel dat in het advies wordt gedaan om ten aanzien van de verschillende opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties voor benadering nr. 2 te kiezen, nl. de gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies met hoofdelijke garanties, moet van de hand worden gewezen. Het is mijns inziens onaanvaardbaar dat sommige lidstaten kwistig en, zoals helaas in de praktijk is gebleken, onverantwoord mogen omspringen met hun geld, terwijl andere lidstaten het gelag moeten betalen. Feit is ook dat gezamenlijke garanties rechtstreeks in strijd zijn met het bepaalde in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan een lidstaat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de verplichtingen van een andere lidstaat. In benadering 3 (die de indiener steunt) wordt het risico van moral hazard bij economisch en begrotingsbeleid wel geminimaliseerd. In tegenstelling tot de tweede benadering gaat het om "individuele, maar zonder gezamenlijke garanties" en dat zou snel en zonder Verdragswijziging in de praktijk kunnen worden gebracht.

Wzg. 2 - Paragraaf 1.7

Als volgt wijzigen:

"1.7

Wat de verschillende "opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties" betreft, is het Comité van mening dat benadering nr. – "gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies, " – de meest haalbare en de over het geheel genomen meest aanvaardbare optie vormt."

Motivering

Het voorstel dat in het advies wordt gedaan om ten aanzien van de verschillende opties voor de emissie van stabiliteitsobligaties voor benadering nr. 2 te kiezen, nl. de gedeeltelijke vervanging van nationale emissies door stabiliteitsobligatie-emissies met hoofdelijke garanties, moet van de hand worden gewezen. Het is mijns inziens onaanvaardbaar dat sommige lidstaten kwistig en, zoals helaas in de praktijk is gebleken, onverantwoord mogen omspringen met hun geld, terwijl andere lidstaten het gelag moeten betalen. Feit is ook dat gezamenlijke garanties rechtstreeks in strijd zijn met het bepaalde in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan een lidstaat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de verplichtingen van een andere lidstaat. In benadering 3 (die de indiener steunt) wordt het risico van moral hazard bij economisch en begrotingsbeleid wel geminimaliseerd. In tegenstelling tot de tweede benadering gaat het om "individuele, maar zonder gezamenlijke garanties" en dat zou snel en zonder Verdragswijziging in de praktijk kunnen worden gebracht.

Stemuitslag

Tegen

:

129

Voor

:

59

Onthoudingen

:

5


(1)  

(2)  Zie opsomming in het advies van het EESC over "Jaarlijkse groeianalyse: naar een krachtiger alomvattend antwoord van de EU op de crisis", PB C 132 van 3.5.2011, blz. 26 en advies 476/2011 van het EESC over het thema "De maatschappelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving voor economisch bestuur", PB C 143 van 22.5.2012, blz. 23.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/72


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn operationele diensten (vanaf 2014)

(COM(2011) 831 final)

2012/C 299/13

Rapporteur: Edgardo Maria IOZIA

Op 30 november 2011 heeft de Europese Commissie, op grond van art. 304 van het VWEU, besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn operationele diensten (vanaf 2014)

COM(2011) 831 final.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 12 juni 2012 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 12 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 178 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC bevestigt met klem zijn steun aan het Europese ruimtebeleid en met name aan de grote Europese projecten Galileo en het GMES, die naar zijn mening van strategisch belang zijn voor de economische en wetenschappelijke ontwikkeling van Europa. In alle adviezen die het EESC heeft opgesteld (1), heeft het erop gewezen dat meer aandacht en middelen moeten worden besteed aan de ruimtevaartactiviteiten, omdat de EU op dat een gebied een prominente rol moet blijven spelen.

1.2

Het EESC is niet te spreken over het voorstel van de Commissie om de financieringen die voor de ontwikkeling en voltooiing van het GMES-programma nodig zijn, aan een extern ad-hocfonds over te laten.

1.3

Het is volgens het EESC dringend noodzakelijk de continuïteit te verzekeren van een programma dat op het punt staat de operationele fase in te gaan, op straffe van mislukking. Het hele voorstel voor een vernieuwing van de financieringsmechanismen, het beheer en de governance, wijkt af van de regelingen die gebruikelijk en geconsolideerd zijn in EU-context, en lijkt dan ook overhaast, ongemotiveerd en bijzonder riskant te zijn. Om nieuwe financieringsinstanties en –modellen in te stellen moeten immers een aantal moeizame en onzekere onderhandelings- en onderzoeksstadia worden doorlopen, die zonder meer jaren in beslag kunnen nemen, hetgeen niet in overeenstemming kan worden gebracht met de inwerkingtreding van een programma als het GMES. Bovendien is een en ander overbodig, omdat binnen de Commissie en binnen de andere Europese agentschappen alle nodige vaardigheden en competenties voorhanden zijn om het programma ten uitvoer te leggen.

1.4

Het EESC dringt erop aan dat de financiering van het programma binnen het meerjarig financieel kader 2014-2020 blijft gebeuren en dat de governance zo wordt georganiseerd dat rekening wordt gehouden met de huidige beschikbare capaciteit in Europa. Aldus zal een versnippering van beheerders worden voorkomen en zal worden vermeden dat nieuwe instanties worden opgericht die niet geschikt zijn om een programma te beheren dat in de loop van het voorbije decennium is ontwikkeld. Een dergelijk verzoek werd reeds in een vroeger advies geformuleerd (2).

1.5

De Mededeling met de uitvoeringsbepalingen voor de intergouvernementele ontwerpovereenkomst m.b.t. de GMES-operaties (3), die tijdens de behandeling van het onderhavige advies is gepubliceerd, verandert niets aan de conclusies die hierbij zijn getrokken. De conclusies worden daarentegen zelfs bevestigd, wat het EESC ertoe aanzet nogmaals te wijzen op het grote risico dat gepaard gaat met de laattijdige invoering van een nieuw en niet beproefd financierings- en beheersmodel, buiten het meerjarig financieel kader en de eigen geconsolideerde beheerskanalen van de EU.

1.6

Volgens het EESC bestaat er een concreet risico dat het GMES-programma op ernstige moeilijkheden stuit en daarmee reeds verrichte investeringen van ruim 3,2 miljard euro in rook zal doen opgaan. Gelet op de discussies tussen de lidstaten gaat het zelfs om een reëel gevaar.

1.7

Het EESC merkt op dat op minder dan één jaar van de geplande inwerkingstelling (in 2013 is de lancering gepland van de satellieten A van de Sentinel-1-, Sentinel-2- en Sentinel-3-reeks), het een bijzonder hachelijke en niet verantwoorde onderneming lijkt, mede gezien het strategische belang van het programma voor de EU, om een nieuwe complexe financierings- en governanceregeling voor het GMES uit te tekenen.

1.8

De Mededeling omvat geen haalbaarheidsanalyse waarbij de uitvoerbaarheid vanuit het oogpunt van doeltreffendheid en efficiëntie wordt geëvalueerd. De noodzaak van een nieuw plan kan evenmin duidelijk worden aangetoond.

1.9

Het EESC stelt vast dat de twee vlaggenschipprogramma's van het Europees ruimteplan, Galileo en GMES, op een verschillende manier worden behandeld: het eerste valt onder het meerjarig financieel kader, het tweede niet.

1.10

Wat de governance betreft, is het verwonderlijk dat in dit complexe systeem een dermate marginale rol wordt toebedeeld aan het Europees Ruimtevaartagentschap (ESA), dat tot dusver het merendeel van de Europese satellietstructuren heeft ontworpen, beheerd en bediend, alsook tot op heden samen met de Commissie voor nagenoeg alle financieringen heeft gezorgd. Het lijkt niet zinvol dit agentschap te vervangen door nieuwe instanties of instanties met weinig ervaring inzake het beheer van satellietsystemen en door hen verzamelde informatie.

1.11

Op minder dan één jaar van de invoering van het financieringsmodel voor het GMES-programma vormt een dermate radicale herbepaling van de bevoegdheden m.b.t. het programma zoals deze in de mededeling wordt voorgesteld, een groot risico voor de inwerkingtreding van het systeem.

1.12

Het door de Commissie gepresenteerde voorstel inzake governance getuigt van onzekerheid en vaagheid. De zwakheden van het voorgestelde model zijn duidelijk: de technische coördinatie wordt toevertrouwd aan instanties die niet vertrouwd zijn met ruimtevaartactiviteiten en evenmin met andere agentschappen een gemeenschappelijke bedrijfscultuur delen. Bovendien heeft ruim 80 % van de voor het GMES-programma geplande activiteiten betrekking op ruimtevaartactiviteiten. Het EESC verzoekt de Commissie het voorgestelde model te herzien en één enkele governance te behouden. Daarbij zou de ESA de technische verantwoordelijkheid voor het programma blijven dragen, onder toezicht van de Commissie, zoals oorspronkelijk ook was gepland.

2.   Inleiding

2.1

In haar Mededeling van 30 november 2011 zet de Commissie een oplossing uiteen voor de financiering buiten het meerjarige financiële kader 2014-2020 (4) van de operationele fase van het strategische programma voor monitoring en veiligheid van de aarde (GMES) zoals het tot op heden is uitgewerkt en thans in de slotfase van tenuitvoerlegging is beland. Ook wordt een voorstel voor de governance geformuleerd. De Mededeling is dus van cruciaal belang voor het GMES-programma.

2.2

De latere Mededeling met een aantal gedetailleerde uitvoeringsbepalingen voor de intergouvernementele ontwerpovereenkomst m.b.t. de GMES-operaties (5), die tijdens de behandeling van het onderhavige advies is gepubliceerd, wijzigt niets aan de opmerkingen over de bedoelde Mededeling en de conclusies. Het gaat immers om een addendum dat de financiële aspecten van het voorgestelde fonds preciseert en een nieuwe instantie, de GMES-raad, introduceert. Dit komt neer op een verdubbeling van de tot dusver vastgestelde bevoegdheden voor het beheer van Europese ruimtevaartprogramma's, met duidelijke bevoegdheidsconflicten en een verdubbeling van de besluitvormingsstructuren in Europa tot gevolg.

2.3

Het programma voor wereldwijde monitoring van het milieu en de veiligheid (GMES) is zoals Galileo een van de vlaggenschipprogramma's van de EU op ruimtevaartgebied. Het speelt een wezenlijke rol in de monitoring van de aarde, door de middelen ter beschikking te stellen om de klimaatverandering te begrijpen en te monitoren, alsook wat civiele bescherming en veiligheid, duurzame ontwikkeling en beheer van crisissen betreft.

2.4

Het feit dat de financiering van het strategische programma voor monitoring van de aarde en veiligheid (GMES) niet onder het voorgestelde meerjarige financiële kader 2014-2020 valt, heeft grote ongerustheid gewekt omdat aldus het concrete gevaar bestaat dat een strategisch programma voor Europa verloren gaat, waaraan reeds tien jaar lang is gewerkt en waarin tot dusver ruim 3 miljard euro is geïnvesteerd.

2.5

Het EESC heeft in zijn analyse van december 2011 (6) reeds zijn bezorgdheid over de toekomst van dat programma geuit, mocht de financiering ervan niet worden voortgezet.

2.6

Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van februari 2012 over de toekomst van het GMES (7), vastgesteld dat de financiering van het GMES buiten het meerjarige financiële kader – met de financiering en de governance-structuur zoals die in de Commisiemededeling worden voorgesteld – geen haalbare optie is.

2.7

Het ruimtesegment van het GMES is gebaseerd op drie satellietconstellaties, Sentinel 1, 2 en 3, alsook op instrumenten (Sentinel 4 en 5) die zich aan boord van andere satellieten bevinden. De eerste satellieten van de drie constellaties zullen in de loop van 2013 worden gelanceerd. Het is dus dringend zaak het financieel kader vast te stellen waarmee de financiering van de op handen zijnde operaties kan worden gegarandeerd.

2.8

Daar er geen voorstel voorhanden is, heeft de directeur-generaal van de ESA in een persconferentie op 9 januari 2012 opnieuw bevestigt dat, als een besluit over de financiering van de werking van het GMES uitblijft, de ESA niet voornemens is de geplande lanceringen uit te voeren (8).

2.9

In deze Mededeling stelt de Commissie voor te voorzien in de nodige financiering voor de realisatie en inwerkingstelling van de volledige infrastructuur door een nieuw specifiek fonds voor het GMES op te richten. Een en ander vergt een intergouvernementele overeenkomst tussen de EU-lidstaten, in het kader van de Raad bijeen.

2.10

Alle 27 EU-lidstaten zouden aan het fonds moeten bijdragen op basis van het bruto nationaal inkomen (BNI). In de mededeling is een modelovereenkomst opgenomen, die in de daarop volgende Mededeling nader wordt gespecificeerd (9).

2.11

In het governance-voorstel, dat niet minder belangrijk is dan het financieringsvoorstel, wordt een aantal actoren aangewezen, die belast zouden worden met de verschillende aspecten en sectoren waaruit het GMES-programma is opgebouwd.

2.12

De invoering van een nieuw en complex financieringsplan en een nieuwe beheersinstantie voor het ruimtevaartprogramma (de GMES-raad) lijkt niet verantwoord en komt te laat, omdat de eerste satellieten al binnen het jaar zullen worden gelanceerd.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het GMES-programma voor de wereldwijde monitoring van de aarde en de veiligheid en het GALILEO-programma voor satellietnavigatie zijn belangrijke strategische EU-programma's waarmee de EU haar onafhankelijkheid en voortrekkersrol in de ruimtevaartsector wil bewaren.

3.2

Het behoud van een krachtig leadership en van onafhankelijkheid op ruimtevaartgebied is van strategisch belang voor de toekomst van Europa

3.3

Het GMES is een strategisch EU-programma dat werd vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad.

3.4

In de Mededeling wordt daarover het volgende gezegd: "Om te reageren op de steeds groeiende uitdagingen op wereldniveau heeft Europa een eigen goed gecoördineerd en betrouwbaar aardobservatiesysteem nodig. Het GMES is dat systeem."

3.5

In de Mededeling wordt een nieuw financieringsmodel voorgesteld, buiten het geconsolideerde beheerssysteem binnen de EU-begroting. Hiervoor zijn specifieke maatregelen nodig, waarbij alle 27 lidstaten hun goedkeuring moeten hechten aan een mechanisme dat, gezien de huidige financiële moeilijkheden (zie bv. de situatie in Griekenland maar ook het mogelijke gebrek aan financiële middelen in Frankrijk en Italië) zo niet zeker, dan toch zeer waarschijnlijk geblokkeerd zal worden, waarmee het GMES-programma meteen ook afgelopen zou zijn.

4.   Specifieke opmerkingen

De financiering

4.1

Volgens de Mededeling valt het GMES buiten het meerjarige financiële kader 2014-2020.

4.2

De financiering moet daarentegen gebeuren via een interne overeenkomst tussen vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen.

4.3

In de overeenkomst is bepaald dat iedere EU-lidstaat eerst in de nodige procedures voor de inwerkingtreding ervan voorziet en de secretaris-generaal van de Raad daarvan op de hoogte stelt.

4.4

Om van kracht te worden moet de overeenkomst door alle EU-lidstaten worden geratificeerd.

4.5

De overeenkomst treedt pas in werking na de ondertekening ervan door de laatste lidstaat. Gelet op de huidige financiële situatie in Europa in het algemeen en in enkele lidstaten in het bijzonder lijkt deze clausule op zich reeds te volstaan om het GMES-programma tot mislukken te doemen.

4.6

Het tijdschema en de voorwaarden voor het bijeenroepen van de Raad zijn thans nog niet bekend, hetgeen niet zonder risico is omdat de satellieten Sentinel 1-2-3 binnenkort (2013) zullen worden gelanceerd.

4.7

Met het oog op de programmering, het beheer en de uitvoering van het GMES-fonds is in de Mededeling bepaald dat de Raad op voorstel van de Commissie een verordening moet goedkeuren. Thans is er nog geen ontwerpverordening voorhanden.

4.8

Voorts is in de Mededeling bepaald dat het financieel reglement met voorschriften voor de vaststelling en de financiële implementatie van de middelen van het GMES-fonds, en voor de presentatie en auditing van de boekhouding door de Raad op basis van een voorstel van de Commissie moet worden vastgesteld. Thans is er nog geen ontwerp van dergelijk reglement voorhanden.

4.9

Tot op heden werd voor de ontwikkeling van het programma 3,2 miljard euro aan middelen ingezet, die nagenoeg geheel voor rekening komen van de ESA (1 890 miljoen) en de EU (1 300 miljoen).

4.10

Voor de inwerkingstelling van het programma in zijn geheel, met inbegrip van onderhoud, ontwikkeling en bijstelling wordt de nodige begroting geraamd op 5,8 miljard euro voor de periode 2014-2020, d.i. ongeveer 0,6 % van de begroting van de EU voor dezelfde periode, die conform het meerjarige financiële kader 2014-2020 1 025 miljard euro beloopt. Tevens is het nuttig eraan te herinneren dat de EU-begroting op haar beurt overeenkomt met ongeveer 1 % van het bruto nationaal inkomen (BNI).

4.11

Het voorstel om het GMES buiten de EU-begroting te financieren, lijkt geen financiële voordelen op te leveren, omdat de 27 lidstaten hoe dan ook de financiering ervan moeten garanderen, zij het via een ander financieringskanaal op basis van een complexe intergouvernementele overeenkomst. Het voorstel lijkt dus geen steek te houden.

4.12

Wat het ruimtesegment betreft beschikt de ESA over het budget om alle drie de satellieten "A" van de Sentinel-1-, 2- en 3-constellatie te lanceren. Voor Sentinel-1 is de lancering reeds betaald en ook voor de lancering van de twee overige worden geen financieringsproblemen verwacht. De begroting voor de periode na 2013 betreft dus de ontplooiing, naar planning, van de volledige satellietconstellaties om de diensten te kunnen garanderen waarvoor zij ontworpen zijn.

De governance

4.13

In de Mededeling wordt een groot aantal verschillende actoren belast met het beheer van de operationele fase van het GMES.

4.14

De Commissie zou verantwoordelijk zijn voor het beheer en het politieke toezicht.

4.15

Volgens de latere Mededeling met de gedetailleerde uitvoeringsbepalingen m.b.t. het bedoelde voorstel [COM(2012) 218 final, 11/5/2012] zou het beheersorgaan van het GMES-programma de GMES-raad zijn. Zijn bevoegdheden zijn daarbij zo uitgebreid dat deze niet alleen de typische bevoegdheden m.b.t. het gewone beheer van EU-programma's maar ook de typische bevoegdheden van een ruimtevaartagentschap overlappen, zodat er sprake is van een verdubbeling van bevoegdheden en van besluitvormingsinstanties die niet stroken met een efficiënt beheer van de reeds schaarse communautaire middelen.

4.16

Wat de diensten betreft, zou de technische coördinatie van de landmonitoringdiensten worden gedelegeerd aan het Europees Milieuagentschap (EEA); de technische coördinatie van de diensten voor rampenbeheer kan worden toevertrouwd aan het Europese Emergency Response Centre (ERC); de technische coördinatie van de atmosfeerdienst aan het Europees Centrum voor Middellange Weersvoorspelling (ECMWF); wat klimaatverandering, monitoring van het mariene milieu en veiligheid betreft, moeten de verantwoordelijke instanties nog worden vastgesteld; voor andere diensten die voor de Commissie en andere Europese actoren van belang zijn, kan een beroep worden gedaan op de diensten van bijvoorbeeld het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), het Satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC), het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (FRONTEX) of het Europees Defensieagentschap (EDA).

4.17

Wat de ruimtecomponent betreft, kunnen de operationele activiteiten worden toevertrouwd aan het Europees Ruimteagentschap (ESA), ad interim, voor de observaties via hogeresolutiebeelden boven land en doelspecifieke gebieden, en aan EUMETSAT voor de systematische en wereldwijde observaties van de atmosfeer en de oceanen. De ontwikkelingsactiviteiten m.b.t. de ruimtecomponent zouden worden toevertrouwd aan het ESA en de Commissie.

4.18

Het aldus gedefinieerde interim-mandaat betreft het beheer van de hele Sentinel-1- en Sentinel-2-constellaties en de landcomponent van Sentinel-3. Uiteraard is het een zware opgave om onder interim-voorwaarden dergelijke zwaarwegende lasten qua organisatie en middelen op zich te nemen.

4.19

Voor de technische coördinatie van de GMES in-situcomponent wordt het Europees Milieuagentschap (EEA) voorgedragen.

4.20

Het is niet duidelijk hoe de specifieke vaardigheden en de beheerscapaciteiten van deze instanties tegemoet kunnen komen aan de operationele vereisten van een programma als het GMES, waarin de ruimtecomponent doorslaggevend is en waarvoor een specifieke competentie vereist is.

4.21

De bevoegdheden van de in de latere GMES-Mededeling (10) voorgestelde GMES-raad vormen een verdubbeling van een groot aantal specifieke beheersbevoegdheden m.b.t. de Europese ruimtevaartprogramma's. Een en ander geeft duidelijk aanleiding tot bevoegdheidsconflicten en tot dubbele besluitvormingsstructuren in Europa. Er wordt immers een soort parallel ruimtevaartagentschap gecreëerd, wat niet strookt met de desbetreffende bepalingen van het VWEU.

Brussel, 12 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 43 van 15.02.12, blz. 20.

(2)  PB C 43 van 15.02.12, blz. 20.

(3)  COM(2012) 218 final van 11 mei 2012.

(4)  Mededeling "Een begroting voor Europa 2020", COM(2011) 500 final, deel I/II.

(5)  COM(2012) 218 final van 11 mei 2012.

(6)  PB C 43 van 15.02.12, blz. 20.

(7)  2012/2509 (RSP).

(8)  http://multimedia.esa.int/Videos/2012/01/ESA-Director-General-2012-Press-Briefing (68:00).

(9)  COM(2012) 218 final van 11 mei 2012.

(10)  COM(2012) 218 final van 11 mei 2012.


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/76


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (Central Securities Depositories — CSD's) en houdende wijziging van Richtlijn 98/26/EG

(COM(2012) 73 final — 2012/0029 (COD))

2012/C 299/14

Rapporteur: de heer MORGAN

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 15 maart 2012 en 3 april 2012, op grond van art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (Central Securities Depositories – csd's) en houdende wijziging van Richtlijn 98/26/EG

COM(2012) 73 final — 2012/0029 (COD).

De afdeling Interne markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 12 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli 2012) onderstaand advies uitgebracht, dat met 110 stemmen vóór en 2 tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is verheugd over dit regelgevingsinitiatief. Als de CSD-verordening in werking treedt, heeft de Commissie drie pijlers geschapen voor het nieuwe kader van de regelgeving voor financiële infrastructuur in de EU: CSD, EMIR en MiFID/MiFIR.

1.2

De intrede van de euro werkte als katalysator voor grensoverschrijdende investeringen in effecten en de vlotte werking van grensoverschrijdende beleggingen berust op gemeenschappelijke normen in de Unie. Een hoge mate van afwikkelingsdiscipline beperkt het tegenpartijrisico, meer specifiek het liquiditeits- en terugbetalingsrisico. Belangrijker is dat het beleggers meer beschermt en bijdraagt aan de garantie dat transacties tussen kopers en verkopers van effecten veilig en tijdig verlopen. In dit opzicht is de verordening een belangrijke stap voorwaarts naar de voltooiing van de interne markt.

1.3

Een grote verandering in het voorstel ten aanzien van de omvang van csd-activiteiten is het verbod op een beperkte bankvergunning. Dit zal gevolgen hebben voor de twee internationale csd's, die hun bancaire bevoegdheden gebruiken voor de afwikkeling en het toezicht op zeer grote schaal. Het EESC beseft dat er wereldwijd (G20, Europese Commissie, IOSCO, enz.) een sterke voorkeur is voor het splitsen van kredietinstellingen. Het Comité steunt de Commissie en meent dat een aparte bank de beste oplossing is.

1.4

Het voorstel voor een uniform afwikkelingsvereiste van T+2 is essentieel. Terwijl dit waarschijnlijk in de EU haalbaar is, moeten er voor mondiale transacties diverse problemen worden aangepakt.

1.5

De voorstellen vereisen dematerialisatie van verhandelbare effecten. De overgangsperiode verstrijkt op 1 januari 2020. Desondanks hebben de lidstaten in dit opzicht ongelijke vooruitgang geboekt en is een politiek compromis misschien nodig.

2.   Inleiding

2.1

Centrale effectenbewaarinstellingen (csd's) zijn systeemkritische instellingen voor de financiële markten. Elke effectentransactie op of buiten een effectenbeurs wordt gevolgd door processen die leiden tot de afwikkeling van die transactie, dat wil zeggen de levering van effecten tegen geld. Csd's zijn de voornaamste instellingen die afwikkeling mogelijk maken door de exploitatie van zogeheten effectenafwikkelingssystemen. Csd's zorgen ook voor de initiële vastlegging en het centraal aanhouden van effectenrekeningen waarin het aantal uitgegeven effecten, de uitgevende instelling en elke wijziging in het houderschap van die effecten zijn vastgelegd.

2.2

Csd's spelen ook een cruciale rol voor de zekerhedenmarkt, vooral voor monetairbeleiddoeleinden. Zo loopt bijna alle verkeer van voor monetairbeleidtransacties van de centrale bank in aanmerking komende zekerheden in de EU, met name in de eurozone, via door csd's geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen.

2.3

Effectenafwikkelingssystemen in de EU hebben in 2010 transacties voor een waarde van bij benadering 920 biljoen euro afgewikkeld en hielden eind 2010 voor ongeveer 39 biljoen euro aan effecten aan. Er zijn meer dan 30 csd's in de EU, gewoonlijk één in elk land, en twee ‘internationale’ (Icsd's – Clearstream Banking Luxembourg en Euroclear Bank), een subcategorie van csd's gespecialiseerd in de uitgifte van internationale obligaties, algemeen bekend als "eurobonds".

2.4

Hoewel over het algemeen veilig en efficiënt binnen de nationale grenzen, is grensoverschrijdende afwikkeling voor grensoverschrijdende beleggingen ingewikkelder en brengt meer kosten met zich mee dan binnenlandse afwikkeling. Zo is het aantal mislukte afwikkelingsoperaties groter voor grensoverschrijdende transacties dan voor binnenlandse en liggen de kosten van grensoverschrijdende afwikkeling tot vier keer hoger dan die van binnenlandse afwikkeling. Over het algemeeen zijn csd-kosten gering, afgezet tegen de totale kosten voor het gebruik van alle onderdelen van de infrastructuur, hoewel ze voor uitgevende instanties wel degelijk van belang zijn.

2.5

Die veiligheidsproblemen zijn het gevolg van een aantal factoren, inclusief:

de lengte van de afwikkelingscyclus. De tijd tussen transactie en afwikkeling is in de EU niet geharmoniseerd, waardoor verstoringen ontstaan wanneer effecten grensoverschrijdend worden afgewikkeld;

een klein maar substantieel aantal effecten bestaat nog in papieren vorm. Deze worden afgewikkeld na een veel langere afwikkelingscyclus, waardoor het risico dat beleggers lopen toeneemt;

op mislukte afwikkelingsoperaties, dat wil zeggen situaties waarin een transactie niet op de voorgenomen afwikkelingsdatum is afgewikkeld, staan niet op alle markten afschrikkende straffen, en indien zij bestaan, verschillen de maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline sterk per markt;

terwijl Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (finaliteitsrichtlijn) verstoring van een effectenafwikkelingssysteem ten gevolge van een insolventieprocedure tegen een deelnemer aan dat systeem vermindert, pakt zij andere risico's van het systeem of de veerkracht van de csd die het systeem exploiteert niet aan. Sommige csd's zijn aan bijkomende krediet- en liquiditeitsrisico's onderhevig als gevolg van het verlenen van bancaire nevendiensten bij afwikkeling;

koppelingsovereenkomsten tussen csd's, hoewel als een eerste stap beschouwd naar de consolidatie van de Europese afwikkelingsmarkten, veroorzaken bij gebrek aan specifieke prudentiële regels ervoor veiligheidszorgen. Bovendien vergroten zij de vervlochtenheid van csd's, hetgeen de invoering van een gemeenschappelijk prudentieel kader verder rechtvaardigt.

2.6

Het gebrek aan een efficiënte eengemaakte markt voor afwikkeling veroorzaakt eveneens belangrijke problemen. Er blijven belangrijke barrières bestaan voor de Europese posttransactionele markt, zoals bijvoorbeeld de beperking van de toegang van effecten uitgevende instellingen tot csd's, in de EU verschillende nationale vergunningsregimes en vergunningsregels voor csd's en beperkte concurrentie tussen verschillende nationale csd's. Deze barrières resulteren in een zeer gefragmenteerde markt. De grensoverschrijdende afwikkeling van transacties berust bijgevolg op onnodig complexe houderschaps’ketens’ waarbij vaak meerdere csd's en meerdere andere intermediairs betrokken zijn. Dit heeft een negatieve impact op de efficiëntie, maar ook op de risico's die verbonden zijn aan grensoverschrijdende transacties.

2.7

Deze problemen zijn belangrijk aangezien grensoverschrijdende transacties in Europa, variërend van gewone aankopen/verkopen van effecten tot zekerhedenoverdrachten, blijven toenemen en csd's steeds meer vervlochten raken. Deze trends zullen naar verwachting versnellen met de intrede van Target2 Securities (T2S), een door het Eurosysteem gestart project om een gemeenschappelijk platform zonder grenzen voor effectenafwikkeling in Europa aan te bieden, dat in 2015 van start zou gaan.

3.   Samenvatting van de ontwerpverordening

3.1

De twee hoofdonderdelen van de ontwerpverordening zijn: maatregelen die in de context van effectenafwikkeling tot alle marktdeelnemers zijn gericht (titel II) en maatregelen die specifiek tot csd's zijn gericht (titels III, IV en V).

Effectenafwikkeling

3.2

Titel II legt de zogenaamde “dematerialisatie/immobilisatie van effecten” op, of de girale uitgifte van effecten. Deze maatregel is gericht op het verhogen van de efficiëntie van de afwikkeling, het vergemakkelijken van de verkorting van afwikkelingstermijnen en het waarborgen van de integriteit van een effectenemissie door mogelijk te maken dat aangehouden effecten gemakkelijker worden aangesloten. De voorgestelde verordening voorziet in een voldoende lange overgangstermijn, tot 1 januari 2020, om de marktexploitanten van de lidstaten waar nog significante hoeveelheden papieren effecten bestaan in staat te stellen aan deze maatregel te voldoen.

3.3

Voorts harmoniseert titel II de afwikkelingstermijn voor de effectentransacties in de EU. In Europa worden, afhankelijk van de betrokken markt, de meeste effectentransacties twee of drie dagen na de transactiedag afgewikkeld. De afwikkelingstermijn zal worden geharmoniseerd en op twee dagen na de transactiedag worden gebracht, hoewel kortere afwikkelingstermijnen toegestaan zullen zijn.

3.4

Verder harmoniseert titel II de maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline in de EU. Daartoe behoren maatregelen vooraf om het mislukken van afwikkelingsoperaties te voorkomen en maatregelen achteraf om het mislukken van afwikkelingsoperaties aan te pakken.

Vergunningverlening aan en toezicht op csd's

3.5

Richtlijn 98/26/EG definieert effectenafwikkelingssystemen reeds als formele overeenkomsten die overboekingen van effecten tussen verschillende deelnemers mogelijk maken. Die richtlijn heeft echter geen betrekking op instellingen die verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van die systemen. Gezien de toenemende complexiteit van die systemen en de afwikkelingsrisico's is het van essentieel belang dat instellingen die effectenafwikkelingssystemen exploiteren volgens een geheel van gemeenschappelijke prudentiële normen juridisch worden omschreven, vergunningsplichtig zijn en aan toezicht zijn onderworpen.

3.6

Csd's zullen bij de nationale bevoegde autoriteiten van de plaats waar zij zijn gevestigd een vergunning moeten aanvragen en aan hun toezicht onderworpen zijn. Gezien echter het in toenemende mate grensoverschrijdende karakter van hun bedrijf, zouden andere autoriteiten, die in verband staan met door de csd geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen, en andere groepsentiteiten moeten worden geraadpleegd. De ESMA zal een belangrijke rol hebben in het ontwikkelen van ontwerpen van technische normen om het vergunningsproces te harmoniseren en voor samenwerking tussen autoriteiten te zorgen.

3.7

Het voorstel kent vergunninghoudende csd's een “paspoort” toe om in de Unie diensten te verlenen door rechtstreeks een dienst in een andere lidstaat te verlenen of door in die lidstaat een bijkantoor op te richten. Aan een csd uit een derde land kan toegang tot de Unie worden verleend als zij door de ESMA is erkend.

Vereisten voor csd's

3.8

Aangezien csd's systeemkritisch zijn en kritieke diensten verlenen aan de effectenmarkt, moeten zij onderworpen zijn aan strenge prudentiële normen om hun levensvatbaarheid en de bescherming van hun deelnemers te waarborgen. De vereisten voor csd's worden in verschillende categorieën verdeeld: organisatorische vereisten, regels voor de bedrijfsvoering, vereisten voor csd-diensten, prudentiële vereisten en vereisten voor csd-koppelingen.

3.9

De regels voor de bedrijfsvoering vereisen dat transacties niet-discriminerend, transparant en strikt risicogebaseerd zijn en dat de bevoegde autoriteiten volledig inzicht krijgen in de kosten en inkomsten.

3.10

De vereisten voor csd-diensten omvatten verplichtingen voor aansluiting van rekeningen binnen een werkdag en de scheiding van rekeningen. Ten aanzien van de afwikkeling van de geldzijde vereist het voorstel dat csd's telkens wanneer het praktisch en mogelijk is op rekeningen van de centrale bank afwikkelen. Afwikkeling in commerciëlebankgeld is toegestaan, maar moet, in strijd met bepaalde gangbare praktijken, via een afzonderlijke kredietinstelling gebeuren die als afwikkelende instantie optreedt.

3.11

De prudentiële vereisten voor de csd's zelf omvatten belangrijke bepalingen inzake de beperking van operationeel risico. Aangezien csd's niet rechtstreeks bankdiensten zouden mogen verlenen, is het voornaamste risico dat csd's zullen lopen operationeel risico. Deze bepalingen omvatten passende maatregelen om te allen tijde continuïteit van de bedrijfsactiviteiten inclusief afwikkeling te verzekeren. Er zijn ook met betrekking tot de exploitatiekosten kapitaalvereisten vastgesteld – csd's moeten kapitaal, ingehouden winst en reserves aanhouden ter dekking van ten minste zes maanden exploitatiekosten.

3.12

De vereiste voor csd-koppelingen betreft de invoering van gelijke regels voor het definitieve karakter van de afwikkelingen.

Toegang tot csd's

3.13

Openstelling van de markt voor csd-diensten en opheffing van toegangsbelemmeringen is één van de doelstellingen van onderhavig initiatief. Het betreft drie soorten toegang: a) toegang tussen uitgevende instellingen en csd's, b) toegang tussen csd's onderling en c) toegang tussen csd's en andere marktinfrastructuren.

3.14

Het voorstel voert het recht in voor uitgevende instellingen om hun effecten bij elke vergunninghoudende csd in de Unie vast te leggen en het recht voor csd's om diensten te verlenen voor effecten die door het recht van een andere lidstaat worden beheerst.

3.15

Een csd moet het recht hebben transactieaanvoer van ctp's en handelsplatforms te ontvangen; die infrastructuren moeten toegang hebben tot door csd's geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen.

Kredietinstellingen

3.16

Csd's mogen, wanneer afwikkeling in centralebankgeld niet praktisch of mogelijk is, in commerciëlebankgeld voor hun deelnemers afwikkelen. Csd's mogen de bancaire nevendiensten bij afwikkeling echter niet zelf verlenen, maar moeten bij hun bevoegde autoriteiten vergunning aanvragen om een kredietinstelling aan te wijzen om als afwikkelende instantie op te treden om rekening-courantrekeningen te openen en kredietfaciliteiten te verlenen teneinde afwikkeling te vergemakkelijken.

3.17

Deze scheiding tussen csd's en afwikkelende instanties is een belangrijke maatregel om de veiligheid van csd's aan te pakken en te vergroten. Bancaire nevendiensten bij afwikkeling vergroten de risico's waaraan csd's blootstaan en bijgevolg de kans dat csd's in gebreke blijven of aan hevige spanning blootstaan.

3.18

Hoewel de bankdiensten door een aantal csd's gewoonlijk binnen de werkdag worden verleend (en volledig gedekt zijn door zekerheden en andere financiële middelen) en beperkt zijn tot nevendiensten bij afwikkeling, zijn de behandelde bedragen echter significant en zou elke wanbetaling van die csd's negatieve gevolgen voor de effecten- en betalingsmarkten hebben. De vereiste om de bankdiensten via een andere juridische entiteit te verlenen dan die welke csd-kerndiensten verricht, zal, met name bij insolventie of hevige spanning als gevolg van de bankdiensten, het overslaan van de risico's van de bankdiensten naar de csd-kerndiensten voorkomen.

3.19

Voor de csd's die momenteel bankdiensten verlenen, zijn de voornaamste kosten die aan deze maatregel verbonden zijn de juridische kosten in verband met de oprichting van een afzonderlijke rechtspersoon voor het verlenen van bankdiensten. Volgens de Commissie zijn er voor de scheiding van de bankdiensten geen minder stringente alternatieven waardoor het gevaar dat de risico's van de bankdiensten naar de csd-kerndiensten overslaan helemaal verdwijnt.

3.20

Om de efficiëntie die voortvloeit uit de verlening van zowel csd- als bankdiensten binnen dezelfde groep van ondernemingen te garanderen, mag de vereiste dat bankdiensten door een afzonderlijke kredietinstelling worden uitgevoerd niet verhinderen dat die kredietinstelling tot dezelfde groep van ondernemingen behoort als de csd.

3.21

De bevoegde autoriteit moet per geval kunnen aantonen dat het feit dat dezelfde rechtspersoon zowel csd- als bankdiensten verleent geen systeemrisico met zich meebrengt. Als dat het geval is, kan een met redenen omkleed verzoek worden ingediend bij de Europese Commissie, die de afwijking kan toestaan. In ieder geval mag een csd met een vergunning om activiteiten van een kredietinstelling te verrichten uitsluitend bancaire nevendiensten bij afwikkeling verlenen.

Sancties

3.22

Bij een inventarisatie van de in werking zijnde nationale toezichtsregelingen is bijvoorbeeld gebleken dat het niveau van geldelijke sancties sterk varieert per lidstaat, dat sommige bevoegde autoriteiten niet over bepaalde belangrijke sanctiebevoegdheden beschikken en dat sommige bevoegde autoriteiten geen sancties aan natuurlijke en rechtspersonen kunnen opleggen. Daarom stelt de Commissie voor dat de bevoegde autoriteiten over een minimum van administratieve sancties en maatregelen kunnen beschikken, inclusief intrekking van de vergunning, publieke waarschuwingen, ontslag van het management, terugbetaling van uit inbreuken op deze verordening behaalde winsten indien deze kunnen worden bepaald en administratieve boetes.

4.   Standpunten van het EESC

4.1

Het EESC is verheugd over dit regelgevingsinitiatief. Als de csd-verordening in werking treedt, heeft de Commissie drie pijlers geschapen voor het nieuwe kader van de regelgeving voor financiële infrastructuur in de EU: CSD, EMIR en MiFID/MiFIR. Samen zorgen deze drie instrumenten voor een zeer uiteenlopende en alomvattende dekking van de markt. De Commissie moet ervoor zorgen dat deze instrumenten naadloos op elkaar aansluiten, zonder overlapping, die tot verschillende uitleg van de nieuwe regels zou kunnen leiden. Voorts is het essentieel dat deze diverse wetsvoorstellen onderling op belangrijke gebieden samenhang vertonen.

4.2

De ESMA krijgt de taak om voor deze nieuwe wetgeving technische normen uit te werken, evenals voor de andere twee pijlers. Het Comité wijst op het omvangrijke pakket taken en verantwoordelijkheden dat de ESMA in een betrekkelijk korte periode toegewezen kreeg. Dit omvat onder andere de regelgeving voor kredietbeoordelingsbureaus, het toezicht op de auditsector, betrokkenheid bij short gaan en credit default swaps en het toezicht op de AIFM-Richtlijn. Het is essentieel dat de ESMA voor een goede uitvoering van de taken over het personeel met de vereiste kwalificaties en ervaring beschikt.

4.3

Nu de financiële dienstverleners met nieuwe regelgeving, nieuw toezicht, nieuwe prudentiële vereisten enz. te maken krijgen, zal de csd-verordening nog meer veranderingen voor de financiëledienstensector met zich meebrengen. Het EESC staat achter de invoering van verdere wijzigingen, maar wijst regelgevers en toezichthouders nadrukkelijk op de problemen die de overdaad aan regelgeving zou kunnen veroorzaken.

4.4

De intrede van de euro werkte als katalysator voor grensoverschrijdende beleggingen in effecten en de vlotte werking van grensoverschrijdende beleggingen berust op gemeenschappelijke normen in de Unie. Een hoge mate van afwikkelingsdiscipline beperkt het tegenpartijrisico, meer specifiek het liquiditeits- en terugbetalingsrisico. Belangrijker is dat het beleggers meer beschermt en bijdraagt aan de garantie dat transacties tussen kopers en verkopers van effecten veilig en tijdig verlopen. In dit opzicht is de verordening een belangrijke stap voorwaarts naar de voltooiing van de interne markt.

4.5

In het kader van de interne markt verdient ook het "paspoort"-voorstel alle steun aangezien het zal bijdragen tot een opheffing van toegangsbelemmeringen; tegelijkertijd krijgen uitgevende instanties het recht om hun effecten bij een willekeurige csd met een vergunning in de EU vast te leggen. Deze doorbreking van nationale monopolies binnen de interne markt moet worden toegejuicht.

4.6

De lagerisicobenadering in de omschrijving van het bedrijfsmodel voor csd's zal, samen met het feit dat de regelgeving het model daadwerkelijk beperkt, waarschijnlijk zowel positieve als negatieve gevolgen hebben voor het concurrentievermogen en de innovatie van csd's. De opening van de grensoverschrijdende markt is zonder meer een pluspunt. Verder mogen csd's tal van diensten verlenen mits zij bijdragen aan meer veiligheid, doeltreffendheid en transparantie van de effectenmarkten. In aanvulling hierop en om de innovatie te stimuleren stelt het EESC voor dat het csd's slechts wordt verboden niet-csd-ondernemingen te bezitten als deze activiteiten het risicoprofiel van de csd schaden.

4.7

Een grote verandering in het voorstel ten aanzien van de omvang van csd-activiteiten is het verbod voor een csd op een beperkte bankvergunning. Dit zal gevolgen hebben voor de twee internationale csd's, Euroclear en Clearstream, die hun bancaire bevoegdheden gebruiken voor de afwikkeling en het toezicht op zeer grote schaal. De omvang van de bankactiviteiten is zeer beperkt en deze hebben de recente crisis zonder kleerscheuren doorstaan. Niettemin beseft het EESC dat er wereldwijd (G20, Europese Commissie, IOSCO, enz.) een sterke voorkeur is voor het splitsen van kredietinstellingen. Csd's zullen een bank met beperkte omvang mogen opzetten indien de groep eigenaar is. Waarschijnlijk zal dit niet leiden tot een ingrijpende herziening van het bedrijfsmodel voor csd's.

4.8

Ondanks het standpunt van de Commissie dat er geen alternatief is voor de scheiding van de bancaire en de kernactiviteiten van csd's, voorziet de in paragraaf 3.21 vermelde bepaling in een mogelijke afwijking hiervan, indien de nationale bevoegde autoriteiten deze steunen. Hoewel de optie op een afwijking bestaat, steunt het Comité de Commissie en meent het dat een aparte bank de beste oplossing is.

4.9

De voorstellen vereisen dematerialisatie van verhandelbare effecten. De overgangsperiode verstrijkt in 2020 Desondanks hebben de lidstaten in dit opzicht ongelijke vooruitgang geboekt en is een politiek compromis misschien nodig.

4.10

Een ander belangrijk voorstel betreft een uniform afwikkelingsvereiste voor T+2. Terwijl dit waarschijnlijk in de interne markt haalbaar is, moeten er voor mondiale transacties diverse problemen worden aangepakt. Hiertoe behoren complicaties in verband met valuta, de mogelijkheid dat aandelen uitgeleend zijn, tijdzoneverschillen, verschillende afwikkelingscycli op de markten van andere regio's en de aanzienlijke kosten in verband met de automatisering van systemen om T+2 mogelijk te maken.

4.11

De verordening vereist in feite dat alle csd's regelingen invoeren voor het ‧beboeten‧ van deelnemers die transacties niet tijdig afwikkelen, maar de regeling moet op het instrument worden afgestemd. Het beboeten van laattijdige afwikkeling van niet-liquide of mkb-aandelen zou nadelig uitpakken voor de marktliquiditeit van die ondernemingen. Voor het beursgenoteerde mkb moeten afwijkingen overwogen worden. De ontwerpverordening vermeldt niet waaraan de inkomsten uit geheven boetes besteed worden.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/81


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de openbare stelsels van gezondheidszorg

(COM(2012) 84 final — 2012/0035 (COD))

2012/C 299/15

Rapporteur: mevrouw KÖSSLER

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 14 en 13 maart 2012 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de openbare stelsels van gezondheidszorg

COM(2012) 84 final — 2012/0035 (COD).

De afdeling Interne markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 12 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 12 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 123 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Comité beklemtoont dat gezondheid bovenaan het prioriteitenlijstje van de Europese burgers staat (1), en herhaalt ten overvloede dat de in de EU toegelaten geneesmiddelen stuk voor stuk beschikbaar moeten zijn voor patiënten in alle lidstaten.

1.2   De toegang tot essentiële geneesmiddelen maakt deel uit van het recht op het hoogst haalbare gezondheidsniveau en het streven van de Unie om het "welzijn" te bevorderen (art. 3 VEU).

1.3   Het EESC benadrukt dat de richtlijn niet slechts voor een deel van de geneesmiddelenmarkt kan gelden, maar op de gehele markt van toepassing moet zijn, m.i.v. particuliere ziekteverzekeringen en openbare of particuliere instellingen die grote hoeveelheden geneesmiddelen afnemen, om te zorgen voor eerlijke concurrentie en bij te dragen aan het realiseren van de interne markt.

1.4   De ongelijkheid op gezondheidsgebied kostte de EU in 2004 naar schatting 141 miljard euro of 1,4 % van het bbp (2).

1.5   Het is zorgwekkend dat burgers in de EU27 nauwelijks inzicht hebben in de prijsvorming en de voorwaarden voor vergoeding van geneesmiddelen.

1.6   Er zijn enorme verschillen tussen de EU-lidstaten op het vlak van mortaliteit en morbiditeit, m.n. wat hart- en vaatziekten, kanker en aandoeningen van de luchtwegen betreft (3).

1.7   Overschrijding van de in de Commissierichtlijn vastgelegde termijnen voor de prijsstellings- en vergoedingsprocedures maken dat innovatieve geneesmiddelen pas later op de markt komen (4).

1.8   Dit heeft uiteraard gevolgen voor patiënten met ernstige of levensbedreigende aandoeningen die geen gebruik kunnen maken van alternatieve behandelingen; het feit dat een patiënt moet wachten op geneesmiddelen kan zijn leven drastisch beïnvloeden en zijn levensverwachting verkorten.

1.9   Het is van kapitaal belang dat patiënten die een bepaald geneesmiddel nodig hebben van tevoren weten welke regels van toepassing zijn op de toegang en vergoeding. De patiënt kan dan met kennis van zaken een beslissing nemen en de kans op misverstanden en misvattingen is kleiner. Een en ander zal bovendien het vertrouwen tussen patiënt en zorgaanbieder versterken.

1.10   De vaststelling van een open en transparante procedure zoals door de Commissie deels wordt voorgesteld is in de ogen van het Comité de beste manier om dit doel te bereiken.

1.11   Bij de voorbereiding en uitvoering van de EU-maatregelen op het vlak van transparante prijsstelling- en vergoedingsregelingen moet nauw worden samengewerkt met de bevoegde instanties en de "belanghebbenden"; dit vereist structureel overleg.

1.11.1   Het Comité pleit voor een bredere samenstelling van de groep van deskundigen (transparantiecomité), die is opgericht bij Richtlijn 89/105/EEG en in het huidige voorstel behouden blijft.

1.11.2   Deze "groep van deskundigen" handelt in het algemeen belang en heeft tot taak de Commissie bij te staan bij het formuleren en uitvoeren van de EU-maatregelen op het vlak van procedurele transparantie. Daarnaast stimuleert zij de uitwisseling van nuttige ervaringen, beleidsmaatregelen en praktijken tussen de lidstaten en de "belanghebbenden".

1.11.3   Efficiënte monitoring en ondersteuning op EU-niveau – via een doeltreffende tenuitvoerlegging met inbegrip van betreffende EU-monitoring en -evaluatie - zijn cruciaal om misstanden op te sporen en na te gaan wanneer geneesmiddelen te laat op de markt komen. Nauwe samenwerking en coördinatie tussen de Commissie, de nationale overheden en de "belanghebbenden" is in dit verband een vereiste (5).

1.11.4   De Commissie zou jaarlijks een verslag moeten uitbrengen waarin wordt nagegaan in hoeverre de transparantierichtlijn wordt toegepast; zo dienen de prijsstellings- en vergoedingsprocedures in kaart te worden gebracht en moet worden nagegaan of de verschillende lidstaten zich aan de door de Commissie opgelegde termijnen houden.

1.12   Het Comité wijst erop dat de termijnen niet altijd worden geëerbiedigd en dat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten wat de daadwerkelijke toegang tot de markt en het gebruik aangaat (6).

1.12.1   De nationale beroepsmogelijkheden hebben niet bijster veel bijgedragen tot het waarborgen van de naleving van de termijnen: de vaak langdurige procedures in de nationale rechtsgebieden maken dat benadeelde ondernemingen afzien van juridische stappen.

1.12.2   Er zijn dan ook doeltreffende mechanismen nodig om de naleving van de termijnen voor besluitvorming over prijsstelling en vergoedingen te controleren en handhaven.

1.12.3   Het Comité roept de lidstaten op het recht op eerlijke rechtsbedeling voor alle betrokkenen te waarborgen; dit houdt ten minste in: i) het recht te worden gehoord; ii) het recht op toegang tot het administratieve dossier, m.i.v. relevante wetenschappelijke gegevens en verslagen; en iii) het recht op een met redenen omkleed besluit.

1.13   Wat de kortere termijnen betreft, geeft het EESC ter overweging dat de patiëntenveiligheid de hoogste prioriteit moet zijn. Met name moet bij de prijsstellings- en terugbetalingsprocedures rekening worden gehouden met alle nieuwe inzichten en aanwijzingen die de patiëntenveiligheid betreffen; met het oog daarop moet de evaluatie van de gezondheidstechnologie worden aangevuld en moet een vergelijking worden gemaakt met therapeutische alternatieven. Ook de prijsonderhandelingen die in dit verband noodzakelijkerwijs met de betrokken ondernemingen moeten worden gevoerd, zullen door de kortere termijnen niet worden vergemakkelijkt en bijgevolg ook niet sneller afgesloten kunnen worden.

1.13.1   Er moet op worden toegezien dat de evaluatie op nationaal niveau gecoördineerd verloopt: het mag immers niet zo zijn dat regionale regelgeving patiënten uit andere EU-regio's de toegang tot een bepaald geneesmiddel ontzegt. De nationale en regionale autoriteiten moeten de handen ineenslaan om ervoor te zorgen dat alle burgers uit een lidstaat gelijke toegang krijgen tot geneesmiddelen (7).

1.13.2   Om een en ander efficiënter te doen verlopen moet duidelijk worden gesteld dat de nationale autoriteiten de ontvangst van een aanvraag binnen een redelijke termijn moeten bevestigen, en verzoeken om bijkomende informatie binnen de tien dagen na de ontvangst van een aanvraag moeten indienen, zodat geen kostbare tijd verloren gaat.

1.14   Patiënten- en consumentenorganisaties moeten een verzoek kunnen indienen om de procedure voor het opnemen van een geneesmiddel in de stelsels van gezondheidszorg op te starten, en moeten op de hoogte worden gehouden van het verloop daarvan.

1.14.1   Aangezien wettelijke en particuliere verzekeringsmaatschappijen steeds meer hun stempel drukken op het hele proces (bv. doordat met geneesmiddelenproducenten afspraken over prijskortingen worden gemaakt), stelt het Comité voor dat hun activiteiten ten minste één keer per jaar door de lidstaten worden doorgelicht. Ook zouden de lidstaten geregeld een onderzoek moeten doen naar de prijzen en vergoeding van geneesmiddelen die de zorgverzekeringssystemen en de patiënten met onevenredig hoge kosten opzadelen.

1.15   Om de kerndoelstellingen van het voorstel te realiseren worden criteria (op grond van richtsnoeren) en definities opgenomen. Het Comité staat achter deze aanpak, al moet daarbij wel artikel 168, lid 7, van het VWEU in acht worden genomen. Conform dit artikel zijn de lidstaten verantwoordelijk voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten, inclusief de verdeling van de daarvoor beschikbare middelen.

1.15.1   De lidstaten zouden zo snel mogelijk een standaardprocedure voor de definitie van deze criteria moeten uitwerken, zodat overal in Europa prijsstellingsregelingen worden ingevoerd waarbij wordt uitgegaan van de waarde. Het Comité zou graag zien dat in deze criteria wordt aangegeven wat precies wordt bedoeld met "onvervulde medische behoeften", "innovatie" en "maatschappelijke voordelen".

1.15.2   Het Comité stelt voor dat de Commissie twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn nagaat of standaardcriteria worden gehanteerd, en een rapport uitbrengt over de regelingen voor prijsstelling en vergoeding in de verschillende lidstaten.

1.16   Besluiten inzake verhoging, blokkering, verlaging of welke andere vorm van goedkeuring van een prijs dan ook moeten worden genomen aan de hand van transparante en objectieve criteria.

1.17   Het Comité wijst artikel 14 van het Commissievoorstel (Geen koppeling met intellectuele-eigendomsrechten) van de hand. De Commissie moet de gulden middenweg vinden tussen de goedkeuring van vergoedingen voor een geneesmiddelenproducent en de terechte aanspraken van derden op intellectuele-eigendomsrechten.

1.18   In het licht van art. 3, lid 5 VEU roept het Comité de Commissie op ermee in te stemmen dat ten behoeve van ontwikkelings- en groeilanden in internationale, multilaterale en bilaterale overeenkomsten bijzondere regels inzake dure levensnoodzakelijke geneesmiddelen (bv. aidsremmers) worden ingevoerd.

2.   Samenvatting van het Commissievoorstel

2.1   Sinds de goedkeuring van Richtlijn 89/105/EEG hebben de prijsstellings- en vergoedingsprocedures zich verder ontwikkeld en zijn zij complexer geworden. De richtlijn is sinds de inwerkingtreding ervan echter nooit gewijzigd.

2.2   De Commissie heeft nu een aantal gemeenschappelijke voorschriften en regelgevingsrichtsnoeren uitgewerkt om de efficiëntie en transparantie van de procedures voor prijsstelling, financiering en vergoedingen te waarborgen.

2.3   De herziening heeft betrekking op:

a)

de farmaceutische bedrijven, m.i.v. de innovatieve en de generieke sector; toegang tot de markt is immers cruciaal voor de concurrentiekracht en rentabiliteit van de farmaceutische industrie;

b)

de Europese burgers en patiënten die de gevolgen dragen van het feit dat de handel in farmaceutische producten onterecht wordt belemmerd en dat geneesmiddelen met vertraging op de markt komen;

c)

het budget voor volksgezondheid, met inbegrip van de met bijdragen van de verzekerden gefinancierde wettelijke ziekteverzekeringen, aangezien de regelingen voor prijsstelling en vergoedingen van invloed zijn op het opnemen van geneesmiddelen en op de uitgaven voor en mogelijke besparingen in de sociale zekerheid.

2.3.1   Hieronder vallen geen particuliere ziekteverzekeringen en openbare en particuliere instellingen als ziekenhuizen, grote apotheken en andere medische dienstverleners. Het EESC beklemtoont dat de richtlijn niet voor slechts een deel van de geneesmiddelenmarkt kan gelden maar op de gehele markt van toepassing moet zijn om eerlijke concurrentie en de interne markt te waarborgen.

2.4   De richtlijn heeft enkel betrekking op geneesmiddelen, maar ook medische hulpmiddelen zijn afhankelijk van prijsregulering in de lidstaten en/of besluiten inzake hun opname in de zorgverzekeringsstelsels.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   De problemen in verscheidene lidstaten indachtig steunt het Comité het voorstel van de Commissie om de samenwerking op EU-niveau te versterken, zodat geneesmiddelen betaalbaar blijven, alle patiënten gelijke toegang krijgen tot dringend noodzakelijke geneesmiddelen, en tegelijkertijd ook de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen wordt bevorderd.

3.2   Het Comité wijst er echter op dat als rechtsgrond niet enkel art. 114 VWEU dient te worden vermeld, maar ook art. 168, lid 7 VWEU in aanmerking moet worden genomen. Daarin wordt gesteld dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de organisatie van hun gezondheidszorg en voor de verstrekking van gezondheidsdiensten en medische zorg, inclusief de allocatie van de daaraan toegewezen middelen.

3.3   De procedures voor prijsstelling en vergoeding leiden vaak tot onnodige vertragingen en de toegang tot innovatieve, generieke en weesgeneesmiddelen gaat gepaard met heel wat administratieve rompslomp (8), vooral in lidstaten met een kleine nationale markt waar het investeringsrendement voor bedrijven laag is.

3.4   Het Comité verwelkomt het voorstel om het transparantiecomité (artikel 20) in stand te houden, maar pleit wel voor een bredere vertegenwoordiging van deze "groep van deskundigen", zodat geregeld met de "belanghebbenden" kan worden overlegd, om zo de prijsstellings- en vergoedingsprocedures voor geneesmiddelen zo efficiënt mogelijk te doen verlopen.

3.5   Het Comité neemt kennis van het feit dat men het er steeds vaker over eens is dat het prijsstellings- en vergoedingsbeleid moet streven naar een evenwicht tussen 1) tijdige en billijke toegang tot geneesmiddelen voor alle patiënten in de EU, 2) beheersing van de farmaceutische uitgaven van de lidstaten, en 3) beloning voor waardevolle innovatie binnen een concurrerende en dynamische markt, die tevens onderzoek en ontwikkeling aanmoedigt.

3.5.1   Er zijn doeltreffende mechanismen nodig om de naleving van de termijnen voor besluitvorming over prijsstelling en vergoedingen te controleren en handhaven.

3.5.2   De Commissie zou jaarlijks een verslag moeten uitbrengen waarin wordt nagegaan in hoeverre de transparantierichtlijn wordt toegepast; zo dienen de prijsstellings- en vergoedingsprocedures in kaart te worden gebracht en moet worden bekeken of de verschillende lidstaten zich aan de door de Commissie opgelegde termijnen houden. Ook moet een standaardmethode worden uitgewerkt voor de inzameling van de desbetreffende gegevens. Het Comité is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de lidstaten te verplichten regelmatig verslag te doen van de naleving van de termijnen (artikel 17), wat de handhaving van de richtlijn ten goede zal komen.

3.6   Krachtens artikel 3, lid 5, van het VEU werkt de EU, ook in haar betrekkingen met de rest van de wereld, mee aan de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten. Daarom zou de Commissie er in multi- en bilaterale onderhandelingen mee moeten instemmen dat voor ontwikkelingslanden en landen met een opkomende economie uitzonderingsregelingen voor levensreddende dure geneesmiddelen (bv. aidsremmers) worden getroffen.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   Definitie

Het Comité vestigt de aandacht op de jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat erkent dat een ruime interpretatie van de richtlijnbepalingen noodzakelijk is om te voorkomen dat de hoofddoelstellingen ervan zouden worden ondermijnd door de nationale regelingen en beleidsmaatregelen. Het Comité vestigt daarom de aandacht op de volgende punten:

4.1.1   "Evaluatie van gezondheidstechnologie": het Comité verwijst naar de definitie van EUnetHTA (9) en stelt voor deze over te nemen.

4.1.2   "Participatie van belanghebbenden" betekent dat de "belanghebbenden" - met inbegrip van de vertegenwoordigers van patiënten en consumenten, houders van de vergunning voor het in de handel brengen en medisch deskundigen, inclusief onafhankelijke wetenschappers, tijdens alle fases van het besluitvormingsproces steeds tijdig worden geraadpleegd, zodat zij zich kunnen uitspreken over opzet en uitvoering van de evaluatie.

4.1.3   "Participatie van patiënten en consumenten" betekent dat patiënten een actieve bijdrage leveren aan activiteiten of besluiten die gevolgen hebben voor de patiëntengemeenschap; zij beschikken immers over specifieke kennis en ervaring.

4.1.4   "Objectieve en verifieerbare criteria" moeten worden afgebakend voor de selectie, de evaluatiemethoden en de vereisten inzake bewijs t.a.v. producten die worden onderworpen aan een evaluatie van gezondheidstechnologie (HTA); op die manier worden overlappingen vermeden, m.n. wat betreft de procedure inzake de vergunning voor het in de handel brengen en HTA's die worden uitgevoerd in andere EU-landen.

4.1.5   Termijnen moeten duidelijk worden vastgelegd: als een HTA een voorwaarde is voor de goedkeuring van een prijs (zie artikel 3) of/en voor de opneming in een stelsel van gezondheidszorg (artikel 7), moeten bij de evaluatie de in deze artikelen vermelde termijnen in acht worden genomen.

4.2   Toepassingsgebied

4.2.1   Het Comité zou graag zien dat duidelijk wordt gesteld dat de besluitvorming inzake de stelsels van gezondheidszorg, met inbegrip van aanbevelingen die noodzakelijk kunnen blijken, onder het toepassingsgebied van de richtlijn valt.

4.2.2   Het is een goede zaak dat de richtlijn van toepassing is op maatregelen die bedoeld zijn om te bepalen welke geneesmiddelen in contractuele overeenkomsten of overheidsopdrachten kunnen worden opgenomen.

4.3   Toegankelijke procedures: een aanpak op maat van de patiënt

Bij het toegankelijk maken van de procedures moet worden uitgegaan van de patiënt. Het Comité roept de lidstaten op daarbij rekening te houden met de volgende factoren: beschikbaarheid van het geneesmiddel in het land waar de patiënt woont, vergoeding van kosten die samenhangen met de toediening van het middel, en de tijd tussen het verkrijgen van de vergunning voor het in de handel brengen en het moment waarop het product op de markt komt en wordt terugbetaald.

4.4   Uitsluiting van geneesmiddelen uit stelsels van gezondheidszorg

4.4.1   Elke beslissing om een geneesmiddel uit te sluiten van dekking door het openbare stelsel van gezondheidszorg of om de dekkingsomvang of -voorwaarden van het betrokken product te wijzigen, moet volgens de Commissie vergezeld gaan van een motivering die gebaseerd is op objectieve en verifieerbare criteria, o.a. ook van economische en financiële aard. Dit voorstel verdient bijval.

4.4.2   Ook kan het Comité zich vinden in het voorstel inzake een door de lidstaten uit te werken standaardprocedure voor de definitie van deze criteria, zodat overal in Europa prijsstellingsregelingen worden ingevoerd waarbij wordt uitgegaan van de waarde.

4.4.2.1   Het Comité zou graag zien dat in deze criteria wordt aangegeven wat precies wordt bedoeld met "onvervulde medische behoeften", "klinische voordelen" en "geen onderscheid" (10).

4.5   Rechtsmiddelenprocedure bij niet naleving van de termijnen voor de opneming van geneesmiddelen in stelsels van gezondheidszorg

4.5.1   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat een aanvrager gebruik kan maken van doeltreffende en snelle rechtsmiddelen indien de in artikel 7 vastgestelde termijnen niet worden nageleefd.

4.5.2   De lidstaten zouden in nauwe samenwerking met de betrokken Europese, regionale en subregionale organisaties moeten nagaan hoe ervoor te zorgen dat patiënten en aanvragers bij een onafhankelijk rechtsorgaan (meestal een rechtbank) beroep kunnen aantekenen tegen ongunstige besluiten over prijzen en vergoeding.

4.5.2.1   Belangrijk daarbij is dat het rechtsorgaan in kwestie doeltreffend kan optreden en besluiten kan herzien, zowel wat de feitelijke als de juridische kant van de zaak betreft, en dat het bij overtredingen formele besluiten kan nemen en proportionele sancties kan opleggen.

4.6   Samenstelling en streefdoelen van de groep van deskundigen voor de uitvoering van de richtlijn

4.6.1   Leden van de groep van deskundigen zijn m.n. vertegenwoordigers van:

a)

ministeries of overheidsinstellingen van de lidstaten;

b)

patiënten- en consumentenverenigingen;

c)

de via premies gefinancierde wettelijke zorgverzekeringsorganen;

d)

de wettelijk verzekerde premiebetalers (werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers);

e)

de farmaceutische industrie;

f)

de Commissie, het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA) en de voorzitter of vicevoorzitter van relevante organen;

g)

internationale en beroepsorganisaties en andere verenigingen die zich bezighouden met procedures voor prijsstelling, financiering en vergoeding;

h)

onafhankelijke wetenschappers.

4.6.2   Om haar doelstellingen te bereiken zal de groep van deskundigen:

a)

de Commissie bijstaan bij de monitoring, evaluatie en verspreiding van de resultaten van de nationale en de EU-maatregelen;

b)

bijdragen aan de tenuitvoerlegging van de EU-acties op dit gebied;

c)

adviezen, aanbevelingen of verslagen voorleggen aan de Commissie, hetzij op haar verzoek, hetzij op eigen initiatief;

d)

de Commissie o.m. bijstaan bij het opstellen van richtsnoeren en aanbevelingen;

e)

de Commissie jaarlijks een openbaar activiteitenverslag voorleggen.

4.7   Classificatie van geneesmiddelen met het oog op de opneming ervan in stelsels van gezondheidszorg

4.7.1   Het samenstellen van groepen van geneesmiddelen die in aanmerking komen voor vergoeding moet gebeuren aan de hand van transparante en objectieve criteria, zodat aanvragers, patiënten en consumenten inzicht krijgen in de manier waarop een geneesmiddel zal worden behandeld.

4.7.2   Het Comité erkent dat "belanghebbenden" het recht hebben bij de bevoegde autoriteiten de objectieve gegevens op te vragen op basis waarvan de dekkingsregelingen voor een geneesmiddel bepaald zijn, krachtens de geldende criteria en methodes.

4.7.3   Het Comité meent dat houders van een vergunning en representatieve patiënten- en consumentenverenigingen waar nodig het recht moeten hebben om tijdig te worden gehoord vóór geneesmiddelen met het oog op vergoeding worden ingedeeld in een bepaalde groep; ook moeten zij de samenstelling van dergelijke groepen kunnen aanvechten bij een onafhankelijk rechtsorgaan.

4.8   Generieke geneesmiddelen

4.8.1   Het Comité beklemtoont dat voor het goedkeuren van de prijs van generieke geneesmiddelen en de opneming ervan in het stelsel van gezondheidszorg niet altijd een nieuwe of gedetailleerde beoordeling nodig is wanneer het referentiegeneesmiddel reeds een prijs heeft en in het stelsel van gezondheidszorg is opgenomen, en wanneer de beoordeling is uitgevoerd door het Europees Geneesmiddelenbureau.

4.8.2   De Commissie stelt voor om de termijnen voor besluitvorming over prijsstelling en vergoedingen die van toepassing zijn op generieke geneesmiddelen terug te brengen tot 30 dagen, zodat patiënten sneller toegang krijgen tot het product en de prijsconcurrentie op de markt voor niet door octrooien beschermde geneesmiddelen wordt aangewakkerd, binnen een redelijke termijn nadat het oorspronkelijke middel zijn exclusiviteit heeft verloren. Het Comité tekent aan dat het medisch testen van een generiek geneesmiddel weliswaar minder tijd kost dan dat van een nieuw product, maar dat prijsstelling en prijsonderhandelingen noodzakelijk blijven.

4.9   Goedkeuring van een prijs

Het Comité dringt erop aan dat de bevoegde autoriteiten verplicht worden de aanvrager een officiële ontvangstbevestiging te bezorgen uiterlijk tien dagen nadat de aanvraag tot prijsgoedkeuring is ingediend. Ook moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een dergelijke aanvraag kan worden ingediend zodra de vergunning voor het in de handel brengen is verleend, of nadat het Europees Geneesmiddelenbureau of de bevoegde nationale autoriteiten een gunstig advies hebben uitgebracht.

4.10   Prijsblokkering en prijsverlaging

4.10.1   De lidstaten zouden ten minste één keer per jaar moeten nagaan of de macro-economische omstandigheden een blokkering nog rechtvaardigen. Binnen de 60 dagen na het begin van een dergelijke evaluatie moeten de bevoegde autoriteiten laten weten welke prijsverhogingen of -verminderingen op stapel staan. Bij dergelijke besluiten tot prijsverhoging of –verlaging moet tevens een motivering gepubliceerd worden, die is gebaseerd op objectieve en verifieerbare criteria.

4.10.2   Ook verzoekt het EESC de lidstaten om geregeld onderzoek te doen naar de prijzen en vergoedingen van geneesmiddelen die de zorgverzekeringssystemen en patiënten met onevenredig hoge kosten opzadelen. Binnen een redelijke termijn na het begin van dit onderzoek delen de bevoegde autoriteiten mee of, en zo ja welke, prijsverlagingen toegestaan zijn. In geval van prijsverlagingen publiceren zij een motivering die gebaseerd is op objectieve en verifieerbare criteria, o.a. ook van economische en financiële aard.

4.10.3   De Commissie zou erop moeten toezien dat lidstaten die financiële steun ontvangen geneesmiddelen die bedoeld zijn voor nationaal gebruik niet uitvoeren naar andere lidstaten.

4.11   Prijsverhoging

4.11.1   Het Comité onderstreept dat prijsverhogingen van geneesmiddelen alleen zijn toegestaan na voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteiten en in overleg met de betrokken partijen, met inbegrip van de patiëntenverenigingen.

4.11.2   Het Comité hamert erop dat alle betrokkenen recht hebben op een eerlijke rechtsbedeling; dit houdt ten minste in: i) het recht te worden gehoord; ii) het recht op toegang tot het administratieve dossier, m.i.v. relevante wetenschappelijke gegevens en verslagen; en iii) het recht op een met redenen omkleed besluit.

4.11.3   Het Comité stelt voor de bevoegde autoriteiten te verplichten de aanvrager een officiële ontvangstbevestiging te bezorgen uiterlijk tien dagen nadat de lidstaat de aanvraag tot prijsverhoging heeft ontvangen.

4.12   Maatregelen aan de vraagzijde

Het Comité is ingenomen met het voornemen van de Commissie om expliciet te vermelden dat de transparantierichtlijn van toepassing is op maatregelen om het voorschrijven van specifieke geneesmiddelen te controleren of te bevorderen, en stelt voor deze procedurele waarborg uit te breiden tot alle maatregelen die bedoeld zijn om het voorschrijven van geneesmiddelen te controleren of te bevorderen.

4.13   Aanvullend bewijs van kwaliteit, veiligheid en doeltreffendheid

In het kader van de besluitvorming over prijsstelling en vergoedingen worden de elementen waarop het Europees Geneesmiddelenbureau de vergunning voor het in de handel brengen baseert, met inbegrip van de kwaliteit, veiligheid en doeltreffendheid van het geneesmiddel (inclusief weesgeneesmiddelen) en de objectieve gegevens die zijn vastgesteld in het kader van de Europese samenwerking op het gebied van HTA, normaliter niet opnieuw beoordeeld door de lidstaten.

4.14   Intellectuele eigendom

Het Comité hamert erop dat de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten m.n. van groot belang is om de farmaceutische innovatie te stimuleren en de EU-economie te ondersteunen. Artikel 14 van het Commissievoorstel (Geen koppeling met intellectuele-eigendomsrechten), met de passage "De bescherming van intellectuele-eigendomsrechten vormt geen geldige basis om beslissingen in verband met de prijs van een geneesmiddel of de opneming ervan in het openbare stelsel van gezondheidszorg te weigeren, op te schorten of te herroepen", wordt van de hand gewezen. De Commissie moet de gulden middenweg vinden tussen de goedkeuring van vergoedingen voor een geneesmiddelenproducent en de terechte aanspraken van derden op intellectuele-eigendomsrechten. De nationale bevoegdheden inzake de bevordering van innovatie en deugdelijke handhaving van intellectuele-eigendomsrechten mogen niet met voeten worden getreden.

Brussel, 12 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  De toenemende bezorgdheid over de economische situatie ten spijt, stonden gezondheid en gezondheidszorg volgens Eurobarometer in 2009 in de top 5 van kwesties waarover de EU-burgers zich zorgen maken (zie bv. nr. 71, voorjaar 2009 en nr. 72, najaar 2009). Zie bv.: http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/eb/eb72/eb72_en.htm.

(2)  Mackenbach JP, Meerding WJ, Kunst AE.: Economic implications of socioeconomic inequalities in health in the European Union. Europese Commissie, juli 2007.

(3)  Volgens de WGO stijgt het aantal chronische ziekten in Europa zo snel dat dit fenomeen als epidemie kan worden aangemerkt en tegen 2030 het leven zal kosten aan 52 miljoen burgers. Bron: http://ec.europa.eu/health/interest_groups/docs/euhpf_answer_consultation_jan2012_en.pdf.

(4)  Verslag over het Sectoraal Onderzoek Farmaceutische Sector: http://ec.europa.eu/competition/sectors/pharmaceuticals/inquiry/index.html.

(5)  Kanavos P, Schurer WS, Vogler S.: Structure of medicines distribution in EU-27 and its impact on prices, availability and on the efficiency of medicines provision. Europese Commissie, DG Ondernemingen en EMINet, januari 2011.

(6)  Sectoraal Onderzoek Farmaceutische Sector, Eindrapport, 8 juli 2009. In diverse studies wordt bevestigd dat er verschillen in toegang zijn. Voorbeelden zijn de Alcimed study en de EU Pharmaceutical Inquiry. Referentienetwerken tussen kenniscentra zijn een manier om deze verschillen in toegang te verkleinen.

(7)  Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten de termijnen verplicht worden nageleefd door de nationale autoriteiten - [1] Merck, Sharp & Dohme B.V. v. Belgium (C-245/03).

(8)  Pharmaceutical market monitoring study, Volume I, blz. 83.

(9)  Deze luidt als volgt: "De evaluatie van gezondheidstechnologie is een multidisciplinair proces waarin informatie over medische, sociale, economische en ethische vraagstukken in verband met het gebruik van bepaalde gezondheidstechnologie wordt samengevat, en wel op systematische, transparante, objectieve en degelijke wijze. Bedoeling is hiermee materiaal aan te reiken voor de uitwerking van een veilig en efficiënt gezondheidsbeleid dat gericht is op de patiënt en waarbij naar optimale resultaten wordt gestreefd"; zie http://www.eunethta.eu/Public/About_EUnetHTA/HTA/.

(10)  Zie Zaak 181/82 Roussel Laboratoria, Jurispr. 1983, blz. 3849; Zaak 238/82 Duphar en anderen, Jurispr. 1984, blz. 523.


BIJLAGE

bij het Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

1.   De volgende wijzigingsvoorstellen, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden tijdens de beraadslaging verworpen (artikel 39, lid 2, van het reglement van orde):

a)   Paragraaf 4.5.2.1

Als volgt wijzigen:

"4.5.2.1

Belangrijk daarbij is dat het rechtsorgaan in kwestie doeltreffend kan optreden en besluiten kan herzien, zowel wat de feitelijke als de juridische kant van de zaak betref, en dat het bij overtredingen formele besluiten kan nemen en proportionele sancties kan opleggen."

Motivering

Spreekt voor zich.

Stemuitslag

Stemmen voor

:

71

Stemmen tegen

:

89

Onthoudingen

:

19

b)   Paragraaf 1.11.2

Als volgt wijzigen:

"1.11.2

Er zijn dan ook mechanismen nodig om de naleving van de termijnen voor besluitvorming over prijsstelling en vergoedingen te controleren en handhaven. "

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel bij paragraaf 4.5.2.1.

Stemuitslag

Stemmen voor

:

71

Stemmen tegen

:

89

Onthoudingen

:

19

2.   De volgende paragrafen uit het afdelingsadvies werden tijdens de zitting gewijzigd naar aanleiding van wijzigingsvoorstellen, maar er werd wel ten minste een kwart van de stemmen vóór handhaving ervan uitgebracht (artikel 54, lid 5, van het reglement van orde):

a)   Par. 4.2.1

4.2.1

Het Comité zou graag zien dat duidelijk wordt gesteld dat de besluitvorming inzake het opnemen van vaccins in de stelsels van gezondheidszorg onder het toepassingsgebied van de richtlijn valt.

Stemuitslag

Stemmen voor

:

79

Stemmen tegen

:

61

Onthoudingen

:

47

b)   Par. 4.5.2.2

4.5.2.2

Het Comité is er voorstander van dat terugbetaling automatisch wordt goedgekeurd bij overschrijding van de termijnen.

Stemuitslag

Stemmen voor

:

90

Stemmen tegen

:

73

Onthoudingen

:

22

c)   Par. 4.14

4.14   Intellectuele eigendom

Het Comité hamert erop dat de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten m.n. van groot belang is om de farmaceutische innovatie te stimuleren en de EU-economie te ondersteunen. De nationale bevoegdheden inzake de bevordering van innovatie en deugdelijke handhaving van intellectuele-eigendomsrechten mogen niet met voeten worden getreden.

Stemuitslag

Stemmen voor

:

53

Stemmen tegen

:

35

Onthoudingen

:

5

d)   Par. 1.12

1.12

Het Comité kan zich vinden in de door de Commissie voorgestelde termijn van 120 dagen en stelt voor deze toe te passen op alle innovatieve geneesmiddelen, los van de vraag of een evaluatie van gezondheidstechnologie is uitgevoerd; dit zal ertoe bijdragen dat patiënten vlotter toegang krijgen tot geneesmiddelen.

Stemuitslag

Stemmen voor

:

73

Stemmen tegen

:

41

Onthoudingen

:

6


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/89


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vereenvoudiging van de overbrenging van in een andere lidstaat ingeschreven voertuigen binnen de interne markt

(COM(2012) 164 final — 2012/0082 (COD))

2012/C 299/16

Algemeen rapporteur: de heer PÁSZTOR

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 18 en 24 april 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vereenvoudiging van de overbrenging van in een andere lidstaat ingeschreven voertuigen binnen de interne markt

COM(2012) 164 final — 2012/0082 (COD).

Op 24 april 2012 heeft het bureau van het Comité de afdeling Interne markt, Productie en Consumptie met de voorbereidende werkzaamheden belast.

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 12 juli) de heer PÁSZTOR als algemeen rapporteur aangewezen en vervolgens onderstaand advies met algemene stemmen goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1

Het EESC onderschrijft de Commissiedoelstellingen en kan zich erin vinden dat via een verordening regels worden opgesteld voor de inschrijving van motorvoertuigen die al eerder in een andere lidstaat zijn ingeschreven. Hiermee wordt recht gedaan aan zowel het subsidiariteitsbeginsel als het streven naar een "Europa van de burgers". Wel is het EESC teleurgesteld dat het niet mogelijk is gebleken om een uniforme EU-inschrijving in te voeren, zoals aanvankelijk het plan was. Naar het oordeel van het EESC zal men hier op lange termijn toch niet omheen kunnen.

1.2

Met de goedkeuring van de verordening zal het volgens het EESC simpel worden om voertuigen in een ander lid in te schrijven zonder extra lasten en overbodige inspecties en documenten. Tenzij de informatie onvolledig is of niet klopt, mogen andere landen geen bijkomende administratieve, inefficiënte en kostbare procedures (bv. technische keuringen) vereisen. Bovendien mag grensoverschrijdende inschrijving niet duurder zijn dan binnenlandse inschrijving.

1.3

Dat gewone burgers op grond van de verordening geen gegevens hoeven te verzamelen, acht het EESC een belangrijke verwezenlijking. Het feit dat de bevoegde instanties verplicht worden om gegevens uit te wisselen, zal hopelijk een gunstig effect hebben op de samenwerking op andere, belangrijkere gebieden, zodat Europese waarden en gemeenschappelijke belangen daadwerkelijk gepromoot worden.

1.4

Het EESC vindt het een goede zaak dat de Commissie in de verordening zelf voorziet in een evaluatie achteraf. Het evaluatieverslag zou echter niet binnen vier, maar binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening moeten worden uitgebracht.

2.   De ontwerpverordening van de Commissie

2.1

De Commissie heeft zich flinke inspanningen getroost om het via een verordening gemakkelijker te maken dat in een bepaalde lidstaat ingeschreven motorvoertuigen naar een andere lidstaat worden overgebracht. Qua wetgeving bestond er tot dusverre alleen een richtlijn (1999/37/EG) om de vorm en inhoud van kentekenbewijzen te coördineren. Andere harmonisatiemaatregelen – die gewenst zijn met het oog op de interne markt – zijn in de vorm van toelichtingsregels gegoten en hebben daardoor op het niveau van de lidstaten maar een beperkte impact gehad.

2.2

De Commissie moest bij het opstellen van de ontwerpverordening niet alleen bovengenoemde overwegingen in aanmerking nemen, maar ook de wetgeving over de bescherming van persoonsgegevens (1) en de preventie van grensoverschrijdende criminaliteit (2).

2.3

Met inachtneming van wat er voor de interne markt nodig is, wordt in de ontwerpverordening het volgende bepaald:

de regels voor motorvoertuigen (m.i.v. motorfietsen en brommers) (3) die in een bepaalde lidstaat zijn ingeschreven, maar regelmatig in een andere lidstaat worden gebruikt, worden geharmoniseerd. Motorvoertuigen die in een derde land zijn ingeschreven, vallen niet onder het toepassingsgebied van de verordening;

herinschrijving is alleen verplicht voor verblijfsperioden van meer dan zes maanden. Voorwaarde hierbij is een verplaatsing van de gewone verblijfplaats, d.w.z. de plaats waar de betrokkene zijn belangrijkste commerciële belangen of persoonlijke banden heeft;

het wordt verboden om fysieke (technische) keuringen te vereisen, tenzij er daarvoor specifieke redenen zijn. Een fysieke controle mag alleen worden verricht als de inschrijvingsgegevens onvolledig zijn of niet met elkaar kloppen, als er vermoed wordt dat er criminaliteit in het spel is, of als er sprake is van ernstige schade of verandering van eigenaar. Is dit niet het geval, dan moet de in het land van oorsprong verrichte technische keuring als geldig worden aanvaard;

er komen regels voor een uniforme internemarktaanpak van tijdelijke kentekenbewijzen en toekenning van handelaarskentekenbewijzen;

er komen geharmoniseerde voorschriften voor de grensoverschrijdende handel in tweedehands auto's en de eigendomsoverdracht daarvan (alleen binnen de EU).

2.4

In de ontwerpverordening wordt bepaald dat inschrijvingsinstanties informatie over de eerdere inschrijving moeten inwinnen bij de instanties van de andere betrokken lidstaat. Daarbij wordt gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van recente toepassingen op het vlak van informatietechnologie.

Om de uitwisseling van informatie vlot te laten verlopen, dienen de nationale instanties krachtens de verordening software te gebruiken waarmee gegevens voor de instanties in andere lidstaten toegankelijk worden en tegelijkertijd de toegang van onbevoegden wordt uitgesloten; hiertoe moeten versleutelde XML-berichten worden verstuurd. Informatie moet in real time worden uitgewisseld via een onlineplatform. De kosten van de ontwikkeling van de software komen voor rekening van elke afzonderlijke lidstaat.

De Commissie creëert een openbare database met contactgegevens van de nationale instanties.

Door gebruik te maken van de wettelijk mogelijke delegatie van bevoegdheden zal de Commissie er ook voor zorgen dat het IT-systeem voortdurend verder wordt ontwikkeld.

2.5

In de ontwerpverordening wordt nauwkeurig omschreven onder welke voorwaarden inschrijving kan worden geweigerd. In dat geval hebben aanvragers een maand de tijd om tegen de weigering in beroep te gaan.

2.6

De Commissie zegt in de ontwerpverordening toe dat zij de impact van de verordening na vier jaar zal evalueren.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC onderschrijft de Commissiedoelstellingen en kan zich erin vinden dat via een verordening regels worden opgesteld voor de inschrijving van motorvoertuigen die al eerder in een andere lidstaat zijn ingeschreven. Hiermee wordt recht gedaan aan zowel het subsidiariteitsbeginsel als het streven naar een "Europa van de burgers". Tegelijkertijd wordt met het voorstel de in de praktijk gebleken bureaucratie aangepakt, waaraan het inherent is dat bij de behandeling van minder belangrijke kwesties niet zozeer naar strategische doelstellingen wordt gekeken, maar veeleer routinematig en gemakzuchtig te werk wordt gegaan.

3.2

Het EESC is echter teleurgesteld dat het niet mogelijk is gebleken om een uniforme EU-inschrijving in te voeren, zoals aanvankelijk het plan was. Naar de mening van het EESC zal men hier op lange termijn toch niet omheen kunnen.

3.3

Uniforme inschrijving betekent volgens het EESC niet dat de lidstaten de nodige inkomsten mislopen, omdat de inschrijvingskosten binnen het systeem kunnen worden teruggekregen. Wel zou uniforme inschrijving de transparantie en de traceerbaarheid ten goede komen.

3.4

De in de ontwerpverordening voorgestelde aanpak van fundamentele problemen, alsook de procedurele voorschriften om potentiële bedreigingen ten aanzien van klanten en overheden te detecteren en te neutraliseren, kunnen de goedkeuring van het EESC wegdragen. Er is dan ook sprake van een evenwichtige benadering van risicomanagement in plaats van overdreven bureaucratische voorzichtigheid.

3.5

De ontwerptekst biedt goede aanknopingspunten voor de preventie van grensoverschrijdende criminaliteit terwijl ook met de belangen van de markt voor tweedehands motorvoertuigen rekening wordt gehouden.

3.6

Met de goedkeuring van de verordening zal het volgens het EESC simpel worden om voertuigen in een ander lid in te schrijven zonder extra lasten en overbodige inspecties en documenten. Tenzij de informatie onvolledig is of niet klopt, mogen andere landen geen bijkomende administratieve, inefficiënte en kostbare procedures (bv. technische keuringen) vereisen. Bovendien mag grensoverschrijdende inschrijving niet duurder zijn dan binnenlandse inschrijving.

3.7

Dat gewone burgers op grond van de verordening geen gegevens hoeven te verzamelen, acht het EESC een belangrijke verwezenlijking. Het feit dat de bevoegde instanties verplicht worden om gegevens uit te wisselen, zal hopelijk een gunstig effect hebben op de samenwerking op andere, belangrijkere gebieden, zodat Europese waarden en gemeenschappelijke belangen daadwerkelijk gepromoot worden.

3.8

Het EESC acht het onverstandig om op langere termijn vast te houden aan tijdelijke en handelaarskentekenbewijzen. Handelaarskentekens zijn louter een tijdelijke oplossing. Tegelijkertijd is het tegenstrijdig dat voertuigen die niet aan de voorschriften voldoen, beperkt worden toegelaten en in sommige gevallen zelfs langere afstanden mogen afleggen van het ene naar het andere land. In plaats daarvan zouden zulke voertuigen getransporteerd moeten worden of zouden ze, indien hun technische staat het toelaat, tijdelijk toestemming moeten krijgen. Wel zou het zinvol zijn om tijdelijk ingeschreven voertuigen te verbieden goederen en passagiers te vervoeren.

3.9

Het is positief dat er voor individuen en bedrijven 1,5 miljard euro wordt bespaard. Het EESC geeft ook toe dat de 1,5 miljoen euro die de verordening jaarlijks kost, slechts een minimale impact zal hebben op de EU-begroting. Er zij echter op gewezen dat de verordening gefinancierd moet worden uit de nationale begrotingen. Om een volledig helder beeld te scheppen, zou het goed zijn om een raming te geven van de totale kosten.

3.10

In de ontwerpverordening is bepaald dat aan de Commissie bevoegdheden worden gedelegeerd inzake technische en gegevensinhoudelijke kwesties rond de werking van het systeem op Europees niveau. Het EESC is het hiermee eens.

3.11

De besluitvormingsinstellingen (Europees Parlement, Raad en Commissie) zouden volgens het EESC moeten overwegen om toe te staan dat de aanvankelijke inschrijvingskosten van een klant geheel of gedeeltelijk verdisconteerd worden in geval van herinschrijving van een voertuig, behalve bij herinschrijving als gevolg van een verandering van eigenaar.

3.12

Het EESC vindt het een goede zaak dat de Commissie in de verordening zelf voorziet in een evaluatie achteraf. Het evaluatieverslag zou echter niet binnen vier, maar binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening moeten worden uitgebracht.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Het EESC vindt dat de huidige ontwerpverordening zowel in grote lijnen als in detail aan de verwachtingen voldoet.

4.2

Het steunt het streven om inschrijvingsprocedures te baseren op de gegevens van de "typegoedkeuring van volledige voertuigen" zoals gebruikt in de regeling inzake het conformiteitscertificaat. Deze gegevens zijn gedetailleerder dan die welke op grond van Bijlage I zijn vereist, maar ze zijn internationaal geaccepteerd en in diverse lidstaten liggen ze reeds ten grondslag aan de inschrijvingsprocedures.

4.3

Naast de door de fabrikanten verstrekte technische gegevens zouden ook reële waarden die gebaseerd zijn op de meest recente officiële tests moeten worden opgenomen, bv. wat de uitstoot van verontreinigende stoffen betreft.

Brussel, 12 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Richtlijn 95/46/EG (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31-50) en Verordening 45/2001/EG (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1-22).

(2)  Besluit 2004/919/EG van de Raad (PB L 389 van 30.12.2004, blz. 28).

(3)  Richtlijn 2002/24/EG (PB L 124 van 9.5.2002, blz. 1-44).


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/92


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel — Een EU-agenda voor een betere verdeling van verantwoordelijkheid en meer wederzijds vertrouwen

(COM(2011) 835 final)

2012/C 299/17

Rapporteur: de heer PÎRVULESCU

De Europese Commissie heeft op 2 december 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel – Een EU-agenda voor een betere verdeling van verantwoordelijkheid en meer wederzijds vertrouwen

COM(2011) 835 final.

De afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 11 juli 2012) onderstaand advies uitgebracht, dat met 116 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met het initiatief van de Europese Commissie en acht het noodzakelijk dat er een debat wordt gevoerd over het Europese asielbeleid en dat dat beleid wordt aangepast.

1.2

Het vindt dat het solidariteitsbeginsel de hoeksteen van dit beleid dient te blijven, ondanks het feit dat er qua aantal lidstaten, hun grootte en de mate waarin zij aan vluchtelingenstromen worden blootgesteld, verschillen bestaan, die het asielbeleid bemoeilijken. Solidariteit moet niet alleen worden gezien als een beginsel dat de slagkracht van het beleid vergroot, maar ook als een fundamentele waarde die de genomen maatregelen rechtvaardigt en consolideert.

1.3

Er moeten flinke inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat de publieke opinie, nationale, regionale en lokale overheden en beleidsmakers zich de waarden eigen maken die ten grondslag liggen aan het asielbeleid, d.w.z. respect voor de grondrechten van de mens, hulp aan mensen in gevaar, solidariteit en vertrouwen tussen de lidstaten.

1.4

Een aanpak op basis van stimulansen zou het asielbeleid kunnen vlot trekken. Voorwaarde is wel dat de meest geschikte stimulansen worden vastgesteld en dat die op juiste wijze worden ondersteund, ook financieel gezien.

1.5

Wat de praktische samenwerking betreft, spoort het EESC het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO - European Asylum Support Office) aan meer vaart te zetten achter de vergroting van de operationele capaciteit. De dringend noodzakelijke en onontbeerlijke versterking van de capaciteit van het EASO dient aan te sluiten op de programmering en tenuitvoerlegging van het Fonds voor asiel en migratie (FAM).

1.6

Het EESC pleit bovendien voor betere integratiemaatregelen voor vluchtelingen. Het Europese asielstelsel dat we proberen op te bouwen, mag dan goed functioneren als het gaat om een snelle en correcte toekenning van de vluchtelingenstatus, op het vlak van integratie schiet het wellicht nog tekort.

1.7

Behalve als een bestaande transversale structurering moet het asielbeleid ook worden benaderd vanuit het perspectief van een volledige asielcyclus, waarbij de mens in risicosituaties centraal staat. Op die manier kunnen de knelpunten en ongerijmdheden worden vastgesteld.

1.8

Bovendien zij erop gewezen dat het solidariteitsbeginsel niet alleen van toepassing is tussen landen, maar ook een algemeen beginsel vormt van menselijke interactie tussen individuen en groepen. De geest van menselijke solidariteit is iets wat, los van alle rationele argumenten en druk vanuit het migratie- en asielbeleid, gecultiveerd en aangemoedigd moet worden als een van de kernwaarden van de Europese Unie.

1.9

De ervaringen die maatschappelijke organisaties en het EESC op dit terrein hebben opgedaan, kunnen van pas komen bij een uitgebreidere en ook een meer gedetailleerde evaluatie van het asielbeleid.

2.   Inleiding

2.1

In het Commissiedocument staat dat "solidariteit […] een van de fundamentele waarden [is] van de Europese Unie en een van de grondbeginselen van het gemeenschappelijk Europees asielbeleid" en dat "het beginsel […] inmiddels in artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie [is] verankerd".

2.2

Uit het Commissiedocument blijkt dat de asielstromen zijn teruggelopen "van een piek van 425 000 verzoeken voor de EU-27 in 2001 […] tot minder dan 200 000 in 2006, terwijl [in 2011] een grote stijging wordt verwacht".

2.3

De Commissie stelt voor om de solidariteit op het gebied van asiel in de hele EU op vier punten te versterken: "praktische samenwerking en technische bijstand, financiële solidariteit, verdeling van de verantwoordelijkheden en verbetering van de instrumenten voor het beheer van het asielsysteem".

2.4

De mededeling van de Commissie heeft tot doel om bij te dragen "tot de afronding van het asielpakket, aangezien de komende maanden cruciaal zullen zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van 2012. Solidariteit speelt daarbij een belangrijke rol".

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC is ingenomen met het initiatief van de Europese Commissie en acht het noodzakelijk dat het Europese asielbeleid aan een uitgebreide analyse wordt onderworpen, zodat er verregaande verbeteringen kunnen worden aangebracht met het oog op de daarvoor geformuleerde doelstellingen.

3.2

Als gevolg van de recente politieke gebeurtenissen in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en het Verre Oosten worden er vraagtekens gezet bij het huidige Europese asielbeleid. Talloze vluchtelingen hebben een veilig heenkomen moeten zoeken in de EU-lidstaten.

3.3

Het EESC vindt dat het solidariteitsbeginsel de hoeksteen van dit beleid dient te blijven, hoewel het vanwege het aantal en de grootte van de lidstaten en de mate waarin zij aan vluchtelingenstromen worden blootgesteld, over het algemeen lastig is om solidariteit in de praktijk te brengen en te coördineren.

3.4

Het asielstelsel dient soepel te zijn, zodat het kan inspelen op schommelingen in de asielstromen. Het moet echter ook solide zijn, zodat de institutionele procedures en verdere integratiemaatregelen tot tastbare resultaten leiden.

3.5

Bovendien zij erop gewezen dat het solidariteitsbeginsel niet alleen van toepassing is tussen landen, maar ook een algemeen beginsel vormt van menselijke interactie tussen individuen en groepen. De geest van menselijke solidariteit is iets wat, los van alle rationele argumenten en druk vanuit het migratie- en asielbeleid, gecultiveerd en aangemoedigd moet worden als een van de kernwaarden van de Europese Unie.

3.6

Het is goed dat de Commissie de nadruk legt op vertrouwen. Het solidariteitsbeginsel wordt aangevuld met het vertrouwensbeginsel, waardoor er meer verantwoordelijkheid bij de lidstaten wordt gelegd. Het welslagen van het beleid hangt af van de mate waarin elke lidstaat zijn steentje bijdraagt en bereid is om andere lidstaten te ondersteunen. Aangezien de inspanningen op nationaal niveau onderling nauw met elkaar samenhangen, moet er met volle overtuiging worden gewerkt aan een verdere coördinatie en harmonisering.

3.7

Niettemin constateert het EESC dat het asielbeleid nog lang niet is geconsolideerd en verre van efficiënt is. Er bestaan nog altijd verschillen tussen de lidstaten als het gaat om het openstellen van de grenzen voor vluchtelingen en om de voorbereidingen die er zijn getroffen voor hun opvang, maar ook om de formulering van een Europees asielbeleid. Er zijn flinke inspanningen nodig om ervoor te zorgen dat de publieke opinie, nationale, regionale en lokale overheden en beleidsmakers zich de waarden eigen maken die ten grondslag liggen aan het asielbeleid, d.w.z. respect voor de grondrechten van de mens, hulp aan mensen die in gevaar, solidariteit en vertrouwen tussen de lidstaten. Ook moet er meer aandacht komen voor de tenuitvoerlegging van het beleid. De praktijk leert dat asielzoekers kwetsbaar zijn, zowel in hun land van herkomst als in het gastland.

3.8

Het maatschappelijk middenveld heeft, vaak via het EESC, gewezen op het gebrek aan visie en structuur en de haperende tenuitvoerlegging van het asielbeleid en talloze aanbevelingen gedaan om hier verbetering in aan te brengen. De tot nu toe verrichte aanpassingen op het gebied van harmonisering, de financiering van speciale programma's en institutionele hervormingen hebben nog niet geleid tot consolidering van het gemeenschappelijk asielbeleid. Dit beleid moet worden hervormd en het EESC verklaart zich nogmaals bereid om daarbij te helpen.

3.9

Het EESC denkt dat het moment is aangebroken om veel daadkrachtiger de beginselen van solidariteit en vertrouwen in praktijk te brengen. Het stelt om precies te zijn twee aanvullende actielijnen voor. De eerste moet ervoor zorgen dat met name opiniemakers, beleidsmakers en ambtenaren op lokaal en nationaal niveau op de middellange en lange termijn anders gaan denken over het verschijnsel asielzoekers en daar anders tegen gaan aankijken.

3.10

De tweede actielijn wordt gedeeltelijk al afgedekt door de huidige inspanningen, maar is nog onvoldoende gestructureerd en geformuleerd. Het gaat daarbij om de ondersteuning van de beginselen van solidariteit en vertrouwen met institutionele mechanismen die de betrokkenheid van nationale, regionale en lokale overheden moeten stimuleren. Een aanpak op basis van stimulansen zou het asielbeleid kunnen vlot trekken. Voorwaarde is wel dat de beste stimulansen worden vastgesteld en op juiste wijze worden ondersteund, ook op financieel vlak.

3.11

Het EESC pleit bovendien voor betere integratiemaatregelen voor vluchtelingen. Organisaties die actief zijn op dit terrein, hebben op talloze manieren aangetoond dat asielzoekers gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden discriminatie, geen toegang hebben tot openbare basisvoorzieningen en problemen ondervinden op het punt van huisvesting en persoonlijke veiligheid. Het Europese asielstelsel dat we proberen op te bouwen, mag dan goed functioneren als het gaat om een snelle en correcte toekenning van de vluchtelingenstatus, op het vlak van integratie schiet het wellicht nog tekort.

3.12

In verband daarmee pleit het Comité ervoor dat het asielbeleid behalve als een bestaande transversale structurering ook vanuit het perspectief van een volledige asielcyclus wordt geanalyseerd, waarbij het traject van mensen in risicosituaties wordt gevolgd, dus vanaf het moment dat ze het grondgebied van de EU daadwerkelijk betreden, via de aanvraagprocedures en ook de integratiemaatregelen, tot aan de middellange- en langetermijnvooruitzichten op integratie of de eventuele terugkeer naar het geboorteland. Er kan in aanzienlijke mate worden bijgedragen aan de vaststelling van de knelpunten en ongerijmdheden door bij de beleidsformulering de volledige asielcyclus te volgen en de mensen in risicosituaties daarin centraal te stellen.

3.13

De ervaring die maatschappelijke organisaties en het Comité op dit terrein hebben opgedaan, kan van pas komen bij een uitgebreidere en ook meer gedetailleerde analyse van het asielbeleid, waar als gevolg van de recente politieke gebeurtenissen in de buurlanden van de EU terecht vraagtekens bij wordt gezet. Het EESC vindt dat er in de mededeling meer moet worden gekeken naar de rol van het maatschappelijk middenveld.

3.14

Het is verheugend dat het Comité van de Regio's en de lokale en regionale overheden bij de ontwikkeling van het asielbeleid worden betrokken. Volgens het EESC zijn de subnationale overheden van cruciaal belang voor het welslagen van dit beleid, zeker als het gaat om integratiemaatregelen. Deze subnationale overheden moeten, ook met behulp van actieve financieringsmaatregelen, ertoe worden aangemoedigd om een krachtiger rol te spelen bij de integratie van vluchtelingen.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Het EESC juicht het toe dat de Europese Commissie de nadruk legt op de aspecten in verband met praktische samenwerking. Samen met de in het wetgevingspakket voorziene (en overigens noodzakelijke) aanpassingen kan praktische samenwerking zorgen voor gerichte verbeteringen in de asielprocedures. Een betere praktische samenwerking zou moeten leiden tot minder administratieve rompslomp bij asielverlening en een snellere afhandeling van de daarmee gepaard gaande procedures.

4.1.1

De oprichting van het EASO is een goede zaak. Ondanks het feit dat die oprichting nog in de kinderschoenen staat, laat zij zien dat er onder de lidstaten een groot samenwerkingspotentieel bestaat. Met name op het gebied van ondersteuning en scholing heeft het EASO reeds zijn eerste stappen gezet. Het EESC moedigt het EASO aan om snel werk te maken van een grotere operationele capaciteit. De dringend noodzakelijke en onontbeerlijke versterking van de capaciteit van het EASO dient aan te sluiten op de programmering en tenuitvoerlegging van het Fonds voor asiel en migratie (FAM). Dit orgaan zou meer op de voorgrond kunnen treden en meer vertrouwen kunnen winnen door medewerkers te detacheren en door in te grijpen in noodsituaties. Het geplande jaarverslag zou kunnen helpen bij het vergaren van alle asielgegevens die van belang zijn. Het EESC zou graag zien dat er bij het opstellen van het jaarverslag rekening wordt gehouden met de talloze gegevens waarover maatschappelijke organisaties die op dit terrein actief zijn, beschikken.

4.1.2

Het roept het EASO op snel een systeem op te zetten waarmee informatie uit de landen van herkomst van migranten kan worden vergaard. Op die manier kunnen de lidstaten tijdig over betrouwbare en vergelijkbare informatie beschikken en kan er worden bijgedragen tot snellere of zo mogelijk ook eerlijkere procedures. Ook moet in deze evaluaties informatie uit onafhankelijke bronnen worden opgenomen.

4.1.3

Hoewel de versterking van het EASO een lovenswaardig initiatief is, dient dit de lidstaten er niet van te weerhouden om hun eigen organen en capaciteit te ontwikkelen voor de aanpak van de asielproblematiek. De versterking van het EASO dient dan ook vergezeld te gaan van de invoering van mechanismen die ervoor zorgen dat nationale overheden zich opener opstellen ten aanzien van Europese samenwerking en een doeltreffende aanpak van asielproblemen.

4.1.4

Juist in crisissituaties wordt de haalbaarheid van de getroffen institutionele oplossingen op het gebied van het asielbeleid op de proef gesteld, en dat met wisselende resultaten. De Europese Unie en de lidstaten zijn over het algemeen slecht voorbereid op een massale toestroom van vluchtelingen, hoewel die, en zeker op de punten van binnenkomst, met een eenvoudige analyse kunnen worden voorspeld. Er zou met name aandacht moeten worden besteed aan de verbetering van de capaciteit van de lidstaten die het meest aan de gebruikelijke en uitzonderlijke vluchtelingenstromen worden blootgesteld.

4.1.5

De voortzetting en uitbreiding van de samenwerking van het EASO met andere EU-agentschappen, zoals Frontex, verdienen bijval. Het EESC dringt erop aan dat het EASO vooral aandacht besteedt aan de grondrechten van de mensen met wie het direct of indirect in contact komt. Om een structureel en operationeel evenwicht te kunnen creëren tussen de instrumenten van het asielbeleid, is het van cruciaal belang dat er wordt samengewerkt met het Bureau voor de grondrechten.

4.1.6

Het EESC acht het een goede zaak om in het geval van uitzonderlijke migrantenstromen gebruik te maken van het mechanisme voor civiele bescherming. Toch mag dit niet ten koste gaan van de bereidheid van nationale overheden om een degelijk asielstelsel op te bouwen waarmee tegemoet kan worden gekomen aan de fluctuerende vluchtelingenstromen.

4.1.7

Voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het hernieuwde wetgevingspakket moet er prioriteit worden gegeven aan financiering uit het lopende begrotingsjaar. Dat neemt niet weg dat de capaciteit van de lidstaten die zich geconfronteerd zien met vluchtelingenstromen, verder moet worden vergroot. Aangezien de geopolitieke situatie in de gebieden waar deze stromen vandaan komen, instabiel blijft, is er geen significante daling van deze stromen te verwachten. Het asielstelsel in de landen die aan vluchtelingenstromen worden blootgesteld, moet dan ook blijvend worden versterkt en tegelijkertijd moeten er inspanningen worden geleverd om de wetgeving te harmoniseren en toe te passen. De bestaande projecten, die vaak innovatief zijn, moeten worden voortgezet en op de juiste wijze worden ondersteund. Indien daarmee geen resultaten worden geboekt, zal het vertrouwen van de lidstaten in EU-steun afnemen en zullen die in de toekomst minder bereid zijn om zich in te zetten.

4.1.8

Vanaf 2014 zullen de lidstaten de beschikking hebben over een nieuw Fonds voor asiel en migratie (FAM). Het EESC roept de Commissie op om een serieuze dialoog aan te gaan met de lidstaten teneinde de behoeften en prioriteiten op nationaal niveau duidelijk in kaart te brengen. Het is bijzonder belangrijk dat het Europees Economisch en Sociaal Comité, als vertegenwoordiger en forum van het georganiseerd maatschappelijk middenveld, en het Comité van de Regio's en de lokale overheden bij die dialoog worden betrokken. Bij de programmering van het fonds moeten de behoeften en prioriteiten van de lidstaten en ook de beschikbare bronnen en instrumenten duidelijk worden aangegeven. Het EESC denkt ook dat de jaarlijkse verslaglegging over het gebruik van de fondsen de lidstaten tot meer verantwoordelijkheid zal dwingen wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen van het asielbeleid.

4.1.9

Het EESC constateert dat het voor maatschappelijke organisaties moeilijk is om toegang te krijgen tot financiering voor de uitvoering van projecten die een aanzienlijke lokale impact moet creëren. Om het maatschappelijk middenveld en asielzoekers een stem in het kapittel te geven, moeten de procedures worden vereenvoudigd.

4.1.10

Het EESC steunt het voornemen van de Commissie om de beschikbare fondsen vooral in te zetten in landen die momenteel met vluchtelingenstromen te kampen hebben. Dit zal hun betrokkenheid vergroten en hun bestaande capaciteit versterken. Bovendien is dit een manier om het grondbeginsel van het asielbeleid – solidariteit – in praktijk te brengen.

4.1.11

Het EESC staat ook volledig achter de voorgestelde financiële prikkels voor lidstaten ter compensatie voor de opvang van personen die internationale bescherming genieten, uit een andere lidstaat. Deze prikkels zijn vergelijkbaar met de stimulansen voor hervestiging van bepaalde categorieën vluchtelingen (kwetsbare groepen of personen die onder regionale beschermingsprogramma's vallen).

4.1.12

De beschikbare fondsen moeten bovendien in aanvulling op andere financieringsbronnen, zoals het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, worden gebruikt, en het maatschappelijk middenveld en lokale en regionale overheden moeten nauwer bij de projecten worden betrokken.

4.2

Het EESC steunt het streven naar hervorming van de Dublin-verordening. Er zijn meerdere aanwijzingen, vooral van de kant van het maatschappelijk middenveld, dat het systeem niet aan de gestelde doelstellingen beantwoordt. De besluiten en aanbevelingen van het Europees Hof van de Rechten van de Mens zijn eveneens van essentieel belang voor de discussies over de hervorming van deze verordening, die op de middellange en lange termijn moeten worden gevoerd. Het EESC staat altijd open voor debat en steunt alle inspanningen die er worden geleverd om de meest geschikte wetgeving en instrumenten te analyseren, te evalueren en vast te stellen. Het is zeer ingenomen met de verwijzing naar de grondrechten als een cruciaal criterium voor de beoordeling van het Dublin-systeem.

4.3

Het EESC acht de hervestiging van mensen die om internationale bescherming vragen, niet noodzakelijk, voor zover er een fatsoenlijke opvang is in het land waar de aanvraag wordt gedaan, en er gebruik kan worden gemaakt van een snelle aanvraagprocedure. De opvangcapaciteit van de lidstaten moet wel worden verbeterd. Indien dat niet gebeurt, dan zou een vrijwillig systeem voor de hervestiging van asielzoekers op basis van stimulerende maatregelen vruchten kunnen afwerpen.

4.3.1

Hoewel er min of meer eensgezindheid bestaat over de praktische noodzaak van de hervestiging van mensen die internationale bescherming genieten, gaat de samenwerking tussen de lidstaten op dit terrein nog niet van harte. Het door de Commissie gesteunde proefproject heeft niet kunnen resulteren in een goed werkend hervestigingsmechanisme. Het EESC roept de Commissie, het EASO en de lidstaten op om de samenwerking bij dit project voort te zetten, en zou graag zien dat dit zou worden omgezet in een permanent, vrijwillig programma. Wel is het van belang dat er stimulerende maatregelen worden ontwikkeld en ingevoerd om de lidstaten nauwer bij dit permanente programma te betrekken. In de door de Commissie geplande evaluatie dient de omvang van de stimulerende en motiverende maatregelen centraal te staan.

4.4

Een gemeenschappelijke behandeling van asielverzoeken zou een nuttig instrument kunnen zijn bij de tenuitvoerlegging van het asielbeleid. Het EESC wacht met belangstelling de resultaten af van de geplande evaluatie van dit in juridisch en operationeel opzicht complexe vraagstuk door de Europese Commissie. De gemeenschappelijke behandeling zou een passend antwoord kunnen zijn op de schommelingen in de asielaanvragen. Bovendien zou daarmee een standaardprocedure kunnen worden gecreëerd waarop de lidstaten zich bij hun eigen activiteiten zouden kunnen baseren. Het EESC vindt dat de gemeenschappelijke behandeling en de versterking van de nationale capaciteit moeten worden bevorderd, mits er rekening wordt gehouden met de effectbeoordeling. Bij deze capaciteit draait het om veel meer dan louter de behandeling van asielaanvragen. De lidstaten moeten worden gestimuleerd om een actieve rol te blijven spelen in alle aspecten van het asielbeleid.

4.5

Het EESC is verheugd over de lancering van het in de richtlijn voorziene mechanisme voor tijdelijke bescherming op het moment dat aan de voorwaarden is voldaan. Hoewel uitzonderlijke vluchtelingenstromen zeldzaam zijn, leiden ze tot crisissituaties. Europese en nationale instellingen dienen daarop voorbereid te zijn. Het EESC wijst ook op de praktijken in verband met reddingsoperaties en onderstreept nogmaals dat het beginsel van non-refoulement volledig moet worden nageleefd.

4.6

Het juicht het toe dat het asielbeleid in het geval van Griekenland blijk geeft van rijpheid en grote zorgvuldigheid. Sancties voor overtredingen van het EU-recht dienen vergezeld te gaan van ondersteuningmaatregelen. Het EESC roept de Commissie en de gespecialiseerde agentschappen op tot een proactieve en preventieve benadering van lidstaten die de prestaties van hun nationale asielstelsels moeten verbeteren. Hoewel het steunprogramma voor Griekenland een belangrijke stap vooruit is, moet er nog het nodige worden gedaan en moeten ook de noodzakelijke financiële middelen worden aangereikt. Griekenland vormt samen met Malta een toetssteen voor het asielbeleid. Indien de lidstaten en de Europese instellingen er niet in slagen om zich echt solidair te tonen met landen die te kampen hebben met grote vluchtelingenstromen, zal het asielbeleid mislukken, met alle gevolgen van dien voor grote groepen mensen in risicosituaties. De ondersteuning moet worden gediversifieerd en de juiste wijze worden versterkt en gecoördineerd.

4.7

Het EESC pleit voor een krachtiger Dublin-systeem. Dit impliceert een beter toezicht en de invoering van een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing. Dankzij deze instrumenten kunnen de lidstaten zich beter voorbereiden op de aanpak van vluchtelingenstromen en het asielbeleid op doeltreffende wijze ten uitvoer leggen. Met het oog op de noodzakelijke naleving van de grondrechten van vluchtelingen moeten deze instrumenten duidelijk zijn toegesneden op de behoeften van de lidstaten.

4.8

Een beter grensbeheer en een beter visumbeleid zouden kunnen helpen om het asielbeleid te consolideren. Het EESC is blij met de stappen die in die richting zijn gezet, maar heeft moeite met een eventuele vrijwaringsclausule op grond waarvan het visumvrij verkeer van burgers uit derde landen kan worden opgeschort, ook al komt het voor – en de gegevens wijzen dat uit – dat het ontbreken van visa tot misbruik van het asielsysteem leidt.

Brussel, 11 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/97


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Initiatief „Kansen voor jongeren”

(COM(2011) 933 final)

2012/C 299/18

Rapporteur: de heer JASIŃSKI

De Europese Commissie heeft op 20 december 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Initiatief "Kansen voor jongeren"

COM(2011) 933 final.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 12 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 212 stemmen vóór en 1 tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting van de aanbevelingen

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) onderstreept het nut van het Commissie-initiatief "Kansen voor jongeren", dat tegelijkertijd de aandacht vestigt op de huidige problemen en nader invulling geeft aan de uitgangspunten van de Mededeling "Jeugd in beweging". Het EESC is bereid om samen met de sociale partners en maatschappelijke organisaties mee te werken aan de tenuitvoerlegging van het initiatief en dat in samenwerking met belanghebbenden te promoten.

1.2   Het EESC wijst erop dat het bezuinigingsbeleid (austerity policy) en het ontbreken van een transparant en algemeen aanvaard groeibeleid het welslagen van het initiatief "Kansen voor jongeren" kunnen beïnvloeden. Dat belangrijke initiatief kan nieuwe mogelijkheden voor jongeren creëren, maar zal op zich - als geen rekening wordt gehouden met de beleidscontext - geen enkele nieuwe arbeidsplaats opleveren. Om ervoor te zorgen dat het doeltreffend wordt uitgevoerd, moeten daarom absoluut de juiste financiële en economische randvoorwaarden worden geschapen.

1.3   Het EESC erkent dat de acties ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten een vervolg moeten krijgen. Van groot belang is dat de middelen die de lidstaten hiervoor worden toegewezen, dezelfde omvang houden of indien mogelijk worden verhoogd.

1.4   Gelet op de verschillende prestaties van jongens en meisjes, onderstreept het EESC het belang van adequaat onderwijs, scholing en loopbaanadvies. Daarmee moeten jongeren worden geholpen om betere opleidingen te volgen en betere kwalificaties en vaardigheden op te doen en die scholen te kiezen (zoals een hogeschool of vakschool) die een garantie bieden op het vinden van passend werk.

1.5   Het EESC staat achter de ontwikkeling van vaardigheden die relevant zijn voor de arbeidsmarkt, hetgeen moet gebeuren via actieve samenwerking met de arbeidswereld en onderwijsinstellingen. Het is verheugd over de extra financiële steun van de Commissie voor de programma's "Uw eerste Eures-baan" en "Erasmus voor ondernemers" alsook voor de bevordering van de mobiliteit van jongeren.

1.6   Het EESC erkent het belang van een gedegen ondersteuning van een eerste werkervaring en bijscholing op de arbeidsplaats. Het beaamt dat leerlingplaatsen, stages en vrijwilligersprogramma's belangrijke instrumenten zijn om jongeren in staat te stellen vaardigheden te verwerven en werkervaring op te doen. Leerlingplaatsen, stages en vrijwilligersprogramma's mogen echter niet in de plaats komen van reguliere vormen van werk. In dit licht zijn alle initiatieven waarmee wordt beoogd de kwaliteit van stages te verbeteren belangrijk, zoals het Europese kwaliteitshandvest voor leerlingplaatsen en stages (European Quality Charter on Internships and Apprenticeships).

1.7   Het EESC beklemtoont dat kwaliteitsnormen voor leerlingplaatsen en stages absoluut nodig zijn. Het is dan ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om in 2012 een kwaliteitskader te presenteren ter ondersteuning van het aanbod en het volgen van stages van hoge kwaliteit.

1.8   Het EESC wijst erop dat het van grote betekenis is, de sociale partners te betrekken bij de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden en bij de uitwerking en uitvoering van en het toezicht op stageregelingen.

1.9   Het EESC erkent het belang van een aanzienlijke verhoging van de begrotingsmiddelen die de Commissie rechtstreeks toewijst aan het Europees vrijwilligerswerk. Ook is het verheugd over de geplande oprichting van een "Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening". Het baart het EESC echter zorgen dat het ontbreekt aan een gedegen evaluatie van de momenteel lopende proeffase van dit initiatief en niet duidelijk is of dat echt wel een vrijblijvend karakter heeft.

1.10   Ook tijdens de eerste baan van werknemers dienen gegarandeerd minimale arbeidsnormen te worden nageleefd. Die normen mogen niet afwijken van die welke voor oudere werknemers gelden. Essentieel in dit verband is een verbod op elke vorm van leeftijdsdiscriminatie. Het EESC wijst eens te meer op de grote betekenis van maatregelen die jongeren moeten helpen aan een vaste, behoorlijk betaalde kwaliteitsbaan waarbij een beroep kan worden gedaan op de sociale voorzieningen, en dat al vanaf het begin van de loopbaan.

1.11   Het EESC benadrukt dat het initiatief "Jeugdgarantie" moet worden geschraagd door een actief arbeidsmarktbeleid om de kloof tussen onderwijs/opleiding en de arbeidsmarkt te verkleinen, zowel voor jonge vrouwen als jonge mannen.

1.12   Het EESC wijst op de in zijn recente advies over de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid geformuleerde concrete voorstellen t.a.v. de wijze waarop de positie van jongeren op de arbeidsmarkt, die sinds de crisis in tal van lidstaten dramatisch is verslechterd, kan worden verbeterd. Hiertoe:

zullen ambitieuze Europese doelstellingen met betrekking tot werkgelegenheid voor jongeren moeten worden vastgelegd;

zal systematisch door alle lidstaten een "jeugdgarantie" ten uitvoer moeten worden gelegd;

zal moeten worden voorzien in extra EU-middelen en zal de toegang hiertoe in landen waar de werkloosheid het ernstigst is, moeten worden vergemakkelijkt;

zullen meer middelen voor het bestrijden van de jeugdwerkloosheid in de EU-begroting moeten worden vrijgemaakt;

zal de toegang van jongeren tot uitkeringen bij werkloosheid moeten worden verbeterd;

zullen onzekere en niet gereguleerde banen in het kader van stages moeten worden tegengegaan;

zal het duale systeem van beroepsopleidingen moeten worden gepromoot als navolgenswaardig voorbeeld in de EU (1).

1.13   Het EESC onderstreept dat er tijdens de uitwerking van het financieel kader voor de jaren 2014-2020 in het bijzonder op moet worden gelet of in het Europees Sociaal Fonds wel gegarandeerd middelen worden bestemd voor jongeren.

1.14   Het creëren van nieuwe kwaliteitsbanen dient een prioriteit te blijven. Overwogen zou kunnen worden om binnen het volgende meerjarig financieel kader een Europese strategie voor jeugdwerkgelegenheid (European Youth Employment Strategy) vast te stellen.

1.15   Het is van groot belang dat de Commissie bereid is een budget vrij te maken voor technische ondersteuning van de lidstaten teneinde hen te helpen de nog beschikbare financiële middelen van de EU te benutten. Daarbij gaat het vooral om middelen uit het Europees Sociaal Fonds, in het kader waarvan de lidstaten voor de periode 2007-2013 nog altijd beschikken over 30 miljard euro aan projectgeld.

2.   Samenvatting van het initiatief van de Commissie - Achterliggende problematiek

2.1   De problemen van jongeren op de arbeidsmarkt hebben een structureel karakter en doen zich al vele jaren voor. Ook vóór de huidige crisis bestonden ze reeds. De economische crisis waarvan sinds 2008 sprake is, heeft deze problemen alleen maar verergerd. De werkloosheid onder 15-24-jarigen is meer dan twee keer zo hoog als de werkloosheid onder de gehele actieve bevolking en bijna drie keer zo hoog als de werkloosheid onder de volwassen actieve bevolking. Tussen 2008 en 2010 is het aantal werkloze Europese jongeren met een miljoen gestegen en inmiddels hebben meer dan 5 miljoen jongeren in de EU geen baan. Alarmerend is dat momenteel één op de vijf mensen in de EU geen werk kan vinden. Nog alarmerender is de toename van de langdurige werkloosheid onder jongeren. Gemiddeld 28 % van de jonge werklozen onder de 25 jaar zit al meer dan 12 maanden zonder werk.

2.2   De Europa 2020-strategie omvat ambitieuze doelstellingen voor de EU waarvan de verwezenlijking moet leiden tot slimme, duurzame en inclusieve economische groei in de Unie. De rol van jongeren is hier van doorslaggevend belang. In het in september 2010 gepubliceerde initiatief "Jeugd in beweging" wordt gesteld dat voor iedereen toegankelijk onderwijs en opleiding van hoog niveau, doeltreffende en duurzame integratie op de arbeidsmarkt, fatsoenlijk en naar behoren betaald werk, en meer mogelijkheden voor mobiliteit essentiële factoren zijn om "jongeren ten volle te betrekken" bij het realiseren van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Fundamenteel is echter de implementatie van het in het kader van de strategie goedgekeurde model.

2.3   De economische crisis blijkt zo ernstig dat de doelstellingen van het initiatief "Jeugd in beweging" tot nu toe niet konden worden gerealiseerd. Erger nog, de situatie van jongeren op de arbeidsmarkt verslechtert stelselmatig. De EU moet in haar jongeren investeren en onmiddellijke en doeltreffende maatregelen voorstellen om hoge en langdurige jeugdwerkloosheid te voorkomen en te bestrijden. De huidige groeibevorderende maatregelen zijn nodig om nieuwe banen te scheppen, maar op zich niet toereikend om het probleem van de jeugdwerkloosheid aan te pakken.

2.4   Na het eerste Europese semester voor economische governance in 2011 heeft de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse voor 2012 de aandacht gevestigd op de eerste duidelijke aanwijzingen dat de lidstaten niet effectief genoeg reageren op de gedane aanbevelingen.

2.5   In het licht van de zich verslechterende werkgelegenheidssituatie voor jongeren, onderneemt de Commissie een nieuwe poging om het tij te keren en is zij gekomen met het initiatief "Kansen voor jongeren", dat in het bijzonder is gericht op jongeren die niet werken en geen onderwijs of een opleiding volgen. Doelstelling van dit initiatief is om de concrete acties van de lidstaten met die van de EU te combineren, waarvan de prioriteiten zijn aangegeven in de Europa 2020-strategie, in de conclusies van de Raad van juni 2011 over de werkgelegenheid voor jongeren en in de aanbeveling van de Raad inzake het beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten.

2.6   Gezien de ernst van de situatie is de Commissie van mening dat de lidstaten, met name die met de hoogste jeugdwerkloosheidscijfers, zonder te wachten op de landenspecifieke aanbevelingen voor 2012 beslissende maatregelen moeten nemen op de volgende vier prioritaire gebieden:

preventie van voortijdig schoolverlaten;

ontwikkeling van vaardigheden die relevant zijn voor de arbeidsmarkt;

ondersteuning van een eerste werkervaring en opleiding op de arbeidsplaats;

toegang tot de arbeidsmarkt: het krijgen van een (eerste) baan.

2.7   De Commissie zal een budget vrijmaken voor technische ondersteuning van de lidstaten om hen te helpen de nog beschikbare financiële middelen van de EU te benutten, vooral die van het Europees Sociaal Fonds, in het kader waarvan voor de periode 2007-2013 nog altijd 30 miljard euro beschikbaar is voor het realiseren van projecten.

2.8   Het initiatief "Kansen voor jongeren" steunt op een sterk partnerschap tussen de lidstaten en de Commissie en moedigt gecoördineerde actie aan teneinde alle belanghebbenden volledig gebruik te laten maken van de financiële steun en instrumenten van de EU.

3.   Algemene opmerkingen van het EESC over de Mededeling van de Commissie

3.1   De Mededeling "Kansen voor jongeren" dient in nauw verband te worden gezien met de aanbevelingen die de Commissie heeft geformuleerd in haar initiatieven voor de Europa 2020-strategie (nl. "Jeugd in beweging" en "Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen"), alsook met de conclusies van de Raad van juni 2011 over de werkgelegenheid voor jongeren en de aanbeveling van de Raad inzake het beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten.

3.2   Het EESC betreurt dat de Commissie ook nu, net als bij het initiatief "Jeugd in beweging", heeft nagelaten om nader invulling te geven aan de sociale en civiele dimensie van de problemen van jongeren in Europa. In het kader van het voorliggende initiatief moet met jongeren worden samengewerkt en hun niet alleen informatie worden verschaft of acties voor hun eigen welzijn worden vastgesteld. Daarom roept het EESC de Commissie nogmaals op om in het initiatief hiertoe de nodige maatregelen op te nemen. Het benadrukt dat jongeren op elk niveau bij de tenuitvoerlegging van het initiatief moeten worden betrokken.

3.3   Sinds de publicatie van de Mededeling "Jeugd in beweging" is de situatie van jongeren op de arbeidsmarkt in de EU er niet beter op geworden, maar ronduit verslechterd. Het EESC wijst erop dat het macro-economische bezuinigingsbeleid dat de lidstaten voeren in het kader van de nieuwe economische governance, en het ontbreken van een transparant en algemeen aanvaard groeibeleid het welslagen van het initiatief "Kansen voor jongeren" kunnen beïnvloeden. De lidstaten moeten in de maatregelen die zij in het kader van hun strikte begrotingsbeleid nemen, rekening houden met de gevolgen daarvan voor de arbeidsmarktsituatie van jongeren. Volgens het EESC kan dit belangrijke initiatief derhalve nieuwe mogelijkheden voor jongeren creëren, maar zal het op zich - als geen rekening wordt gehouden met de beleidscontext - geen enkele nieuwe arbeidsplaats opleveren. Om ervoor te zorgen dat het doeltreffend wordt uitgevoerd, moeten daarom absoluut de juiste financiële en economische randvoorwaarden worden geschapen. Bij alle maatregelen ter bestrijding van de economische crisis en staatsschulden moet erop worden gelet dat deze de stimulering van de vraag en de werkgelegenheid tijdens en na de crisis niet tegenwerken, en dat sociale knelpunten worden tegengegaan. Er zal vooral moeten worden gezorgd voor overheidsinvesteringen in het actieve arbeidsmarktbeleid en in onderwijs en beroepsopleidingen.

3.4   Het EESC onderstreept dat het uitblijven van onmiddellijke en effectieve maatregelen om de arbeidsmarktsituatie in de EU te verbeteren, verschijnselen die met arbeidsmigratie verband houden, zoals verspilling van talent (brain waste) en hersenvlucht (brain drain), alleen maar zal verergeren. Dat betekent niet alleen een - vaak definitief - verlies aan publieke middelen die zijn geïnvesteerd in onderwijs, maar ook een verlies aan menselijk kapitaal, zowel op het niveau van de lidstaten als van de EU.

3.5   In dit licht bezien staat het EESC positief tegenover het nieuwe initiatief van de Commissie, dat tegelijkertijd de aandacht vestigt op de huidige problemen en nader invulling geeft aan de uitgangspunten van de Mededeling "Jeugd in beweging". De meerwaarde van de Mededeling "Kansen voor jongeren" bestaat erin dat deze zich richt op concrete maatregelen die de lidstaten kunnen nemen, en erop wijst welke mogelijkheden voor financiële ondersteuning er bestaan. Dat kan volgens het EESC de opleidings- en arbeidsmarktsituatie van jongeren flink helpen verbeteren.

3.6   Doel van de Commissiemededeling is om de lidstaten ertoe aan te sporen, onmiddellijk concrete correctieve maatregelen op werkgelegenheidsgebied te nemen, de werkgelegenheidsproblemen van jongeren (m.n. van hen die niet werken en geen onderwijs of een opleiding volgen, de zogenaamde NEET-groep) in verband te brengen met onderwijs en opleiding, en de wetgeving te verbeteren en aan te scherpen, gelet op het vaak nauwe verband tussen het verschijnsel NEET en de grijze economie.

3.7   Preventie van voortijdig schoolverlaten

3.7.1   Het EESC is ingenomen met het nieuwe initiatief ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten. Het meent dat het, met name in een aantal lidstaten, van bijzonder groot belang is om het percentage leerlingen dat voortijdig stopt met school, te verminderen. Dat is tevens een van de voornaamste doelstellingen van de Europa 2020-strategie (2) De desbetreffende acties dienen een vervolg te krijgen. Te dien einde moeten de middelen die de lidstaten hiervoor worden toegewezen, dezelfde omvang houden of indien mogelijk worden verhoogd en moeten maatregelen worden genomen om het onderwijsaanbod aantrekkelijker te maken. Het EESC wijst er ook op dat onderwijsstelsels inclusiever dienen te worden.

3.7.2   Het EESC is het met de Commissie eens dat hier onmiddellijke actie - d.w.z. via reïntegratie via opleiding - van essentieel belang is. Derhalve roept het de lidstaten op onverwijld adequate maatregelen te nemen om het percentage voortijdige schoolverlaters te verminderen tot 10 %. Momenteel bedraagt dat percentage in de EU gemiddeld 14 %.

3.8   Ontwikkeling van vaardigheden die relevant zijn voor de arbeidsmarkt - Mobiliteit

3.8.1   Het EESC beaamt dat de ontwikkeling van vaardigheden die relevant zijn voor de arbeidsmarkt, absoluut van doorslaggevend belang is voor de arbeidsintegratie van jongeren. Het allerbelangrijkste in dit verband is om de arbeidswereld en onderwijsinstellingen dichter bij elkaar te brengen. Met name duale opleidingsstelsels moeten daarbij een grote rol spelen. Het EESC wijst hier ook op het belang van de stimulering van ondernemerschap en van de samenwerking tussen bedrijfsleven (landbouw, industrie, dienstensector) en onderwijs op alle niveaus. Tegelijkertijd benadrukt het de bredere maatschappelijke betekenis van onderwijs, die verder reikt dan de behoeften van de markt. In dit verband is het belangrijk dat in lesprogramma's aandacht wordt geschonken aan arbeidsrechtelijke vraagstukken en ervoor wordt gezorgd dat jongeren leren welke mogelijkheden de EU op dit vlak biedt. Een en ander zou jongeren nog vóór hun intrede op de arbeidsmarkt bewuster maken van bepaalde zaken en ertoe leiden dat ze zich meer met Europa gaan identificeren.

3.8.2   Het EESC vestigt de aandacht op de richtsnoeren uit het communiqué van Brugge over intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding voor de periode 2011-2020. Europa heeft flexibele en kwalitatief goede stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding nodig waarmee aan de huidige en toekomstige behoeften kan worden beantwoord. Levenslange begeleiding op het gebied van onderwijs, opleiding en werk, kan een effectieve manier zijn om het initiatief meer effect te laten sorteren en is met name relevant tegen de achtergrond van het probleem van de hersenvlucht.

3.8.3   De instrumenten ter bevordering van de mobiliteit van jongeren moeten worden versterkt. Het EESC staat achter het initiatief van de Commissie om samen met het Europees Parlement een doelgerichte arbeidsmobiliteitsregeling op te zetten met als doel jongeren te helpen bij het vinden van een baan in een andere lidstaat en bedrijven te helpen bij het vervullen van knelpuntvacatures. Het EESC vindt het essentieel om steun te verlenen aan vreemdetalenonderwijs en training in informatie- en communicatietechnologieën (ICT).

3.8.4   Het EESC kan zich vinden in het initiatief van de Commissie voor financiële steun in het kader van het programma "Uw eerste Eures-baan". Het doel van dat programma is circa 5 000 jongeren te helpen om in 2012-2013 in een andere lidstaat werk te vinden. Het EESC zal de proeffase van dit programma nauwgezet volgen met het oog op de verdere ontwikkeling ervan.

3.8.5   Het EESC is ingenomen met het voornemen van de Commissie om 3 miljoen euro van de voor technische hulp bestemde ESF-gelden te benutten voor ondersteuning van de lidstaten bij het opzetten van subsidieregelingen voor jonge startende ondernemers en sociale ondernemers. Van grote betekenis is ook de financiering in 2012 van ongeveer 600 extra uitwisselingen in het kader van het programma "Erasmus voor ondernemers".

3.8.6   Het EESC vindt echter dat in de Mededeling onvoldoende aandacht wordt geschonken aan de financiële problemen m.b.t. de rechtstreekse steun voor jongeren die een eigen onderneming willen opzetten (tekort aan de daarvoor benodigde middelen en de beperkte toegankelijkheid ervan). Het gaat hier zowel om steun die afkomstig is uit Europese fondsen als om steun die wordt verleend door de lidstaten. Volgens het EESC kan dergelijke steun een sleutelrol spelen bij het verminderen van de jeugdwerkloosheid.

3.9   Ondersteuning van een eerste werkervaring en opleiding op de arbeidsplaats

3.9.1   Het EESC beaamt dat leerlingplaatsen en stages belangrijke instrumenten zijn om jongeren in staat te stellen vaardigheden te verwerven en werkervaring op te doen. Beide zouden dan ook terug te vinden moeten zijn in een strategie voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Door als bedrijf in jonge werknemers te investeren en hen als waardevol kapitaal te beschouwen, zullen deze zich aanzienlijk meer inzetten voor het functioneren van de onderneming.

3.9.2   Het EESC wijst in dit verband ook op het belang van een actief arbeidsmarktbeleid en betere diensten voor arbeidsbemiddeling. Jongeren moeten op school reeds loopbaanadvies krijgen, waarbij moet worden gekeken naar alle sectoren (landbouw, industrie en dienstensector).

3.9.3   Het EESC vindt het zeer goed dat de Commissie in 2012 een bedrag van 1,5 miljoen euro uittrekt voor een campagne om bedrijven bewuster te maken van het belang van "Erasmus"- en "Leonardo da Vinci"-plaatsingen.

3.9.4   Het EESC beklemtoont echter dat kwaliteitsnormen voor leerlingplaatsen en stages absoluut nodig zijn. Er zou een Europees regelgevingskader voor stages moeten worden vastgesteld. Het is dan ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om in 2012 een kwaliteitskader te presenteren ter ondersteuning van het aanbod en het volgen van stages van hoge kwaliteit, waaronder een EU-panorama voor werkstages ter vergroting van de transparantie van de voorwaarden voor stagiairs in de gehele EU.

3.9.5   Stages mogen niet in de plaats komen van reguliere vormen van werk. Ze moeten jongeren de kans geven vaardigheden op te doen die onmisbaar zijn voor een vlotte integratie op de arb