ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2012.277.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 277

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

55e jaargang
13 september 2012


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Comité van de Regio's

 

96e plenaire zitting van 18 en 19 juli 2012

2012/C 277/01

Resolutie over de prioriteiten van het Comité van de Regio's voor 2013 in het licht van het werkprogramma van de Europese Commissie

1

 

ADVIEZEN

 

Comité van de Regio's

 

96e plenaire zitting van 18 en 19 juli 2012

2012/C 277/02

Advies van het Comité van de Regio's — Migratie en mobiliteit — Een totaalaanpak

6

2012/C 277/03

Advies van het Comité van de Regio's — Versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel

12

2012/C 277/04

Advies van het Comité van de Regio's — Steden van de toekomst: ecologisch en sociaal duurzame steden

18

 

III   Voorbereidende handelingen

 

COMITÉ VAN DE REGIO'S

 

96e plenaire zitting van 18 en 19 juli 2012

2012/C 277/05

Advies van het Comité van de Regio's — Financiële instrumenten van de EU voor binnenlandse zaken

23

2012/C 277/06

Advies van het Comité van de Regio's — Financiële instrumenten van de EU op het gebied van justitie en burgerschap

43

2012/C 277/07

Advies van het Comité van de Regio's — Een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen

51

2012/C 277/08

Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een verordening inzake het programma voor het milieu en klimaatactie (Life)

61

2012/C 277/09

Advies van het Comité van de Regio's — De gunning van concessieopdrachten

74

2012/C 277/10

Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een verordening betreffende Europese territoriale samenwerking

96

2012/C 277/11

Advies van het Comité van de Regio's — Luchthavenpakket

110

2012/C 277/12

Advies van het Comité van de Regio's — Connecting Europe facility

125

2012/C 277/13

Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en houdende intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG

137

2012/C 277/14

Advies van het Comité van de Regio's — Horizon 2020 (het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie)

143

2012/C 277/15

Advies van het Comité van de Regio's — Creatief Europa

156

2012/C 277/16

Advies van het Comité van de Regio's — EU-mechanisme voor civiele bescherming

164

2012/C 277/17

Advies van het Comité van de Regio's — Het pakket verantwoordelijke ondernemingen

171

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Comité van de Regio's

96e plenaire zitting van 18 en 19 juli 2012

13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/1


Resolutie over de prioriteiten van het Comité van de Regio's voor 2013 in het licht van het werkprogramma van de Europese Commissie

2012/C 277/01

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

gelet op de Mededeling van de Commissie over het werkprogramma van de Commissie voor 2012 „Een nieuw Europees elan omzetten in tastbare resultaten” (1),

gelet op zijn Resolutie van 15 december 2011 over de prioriteiten van het Comité van de Regio's voor 2012 in het licht van het wetgevings- en werkprogramma van de Europese Commissie (2),

gelet op zijn Resolutie van 16 februari 2012 voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad 2012 over het ontwerpverdrag inzake stabiliteit, coördinatie en governance in de Economische en Monetaire Unie (3),

gelet op het op 16 februari 2012 overeengekomen Protocol voor samenwerking tussen de Europese Commissie en het Comité van de Regio's,

overwegende dat het zijn voornaamste standpunten kenbaar wil maken over het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2013,

De toekomst van de Europese Unie

1.

is ervan overtuigd dat de Europese Unie, die het hoofd moet bieden aan enorme uitdagingen om een uitweg uit de heersende financiële, economische, sociale en politieke crisis te vinden, dringend behoefte heeft aan een ambitieus werkprogramma van de Europese Commissie voor 2013 dat bevorderlijk is voor duurzame groei, banengroei en levenskwaliteit in Europa en de burgers weer vertrouwen geeft in het Europese integratieproces;

2.

is van mening dat herstel moet berusten op twee even belangrijke pijlers voor structurele hervormingen, nl. aanzwengeling van de groei en begrotingsdiscipline;

3.

is voorstander van verdergaande economische integratie en een betere onderlinge afstemming tussen alle bestuurslagen van beleidsprioriteiten, inkomsten en uitgaven, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de autonomie en bevoegdheden van nationale, regionale en lokale overheden; verzet zich op grond van de beginselen van subsidiariteit en multilevel governance tegen iedere vorm van impliciete of expliciete renationalisering of centralisering van beleid;

4.

vraagt de Europese Commissie met klem om weerstand te bieden aan pogingen om de in de Verdragen overeengekomen democratische procedures van de Europese Unie door het sluiten van intergouvernementele overeenkomsten te omzeilen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de in het Verdrag van Lissabon genoemde mogelijkheden voor nauwere samenwerking;

5.

verwijst naar zijn al eerder ingenomen standpunt (4) dat van een vroegtijdige goedkeuring van het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 eind 2012 een belangrijk signaal uitgaat, nl. dat de Europese Unie in staat is om wereldwijde uitdagingen met haar eigen strategie voor groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen aan te gaan, en een voorwaarde is voor de waarborging dat het cohesiebeleid zonder onderbreking zal worden voortgezet;

6.

benadrukt eens te meer dat de middelen die voor de begroting van de Europese Unie worden vastgelegd, als investeringen moeten worden beschouwd, dat voorstellen om te bezuinigen op programma's die onderdeel zijn van de EU-agenda voor groei, van de hand moeten worden gewezen en dat er nieuwe eigen middelen in het leven moeten worden geroepen, vooral met het oog op de vervanging van de nationale bijdragen aan de begroting van de Europese Unie;

7.

herhaalt dat de lokale en regionale overheden ten zeerste betrokken willen worden bij de vereenvoudiging van de EU-fondsen en de herziening van de financieringsregels, teneinde de administratieve rompslomp te verminderen, het hefboomeffect van publieke fondsen op Europees, nationaal en regionaal niveau te vergroten en de Europese belastingbetalers te garanderen dat er transparant gehandeld en rekenschap afgelegd wordt;

8.

is van oordeel dat de Europese Commissie een analyse zou moeten maken van de gevolgen voor lokale en regionale overheden van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en governance in de Economische en Monetaire Unie, met vooral aandacht voor de vraag hoe wordt verzekerd dat de begrotingsautonomie van lokale en regionale overheden onaangetast blijft;

9.

meent dat toereikend vermogen van lokale en regionale overheden tegelijk groei kan bewerkstelligen door zinvolle investeringen, bijvoorbeeld in projecten die worden gecofinancierd door EU-fondsen en openbare aanbestedingen. Het CvdR is voorstander van pogingen om voor begrotingsdiscipline te zorgen, met name als middel om een einde te maken aan hoge staatsschulden die een bedreiging vormen voor de solidariteit tussen generaties;

10.

roept de Commissie nogmaals op om artikel 9 VWEU (de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming en de bestrijding van sociale uitsluiting) in al haar voorstellen te laten doorklinken; dringt er derhalve bij de Commissie op aan om in het kader van het Europese Semester evenwichtige aanbevelingen te formuleren en in wetgeving i.v.m. de financieel-economische crisis met bedoelde Verdragsverplichtingen rekening te houden;

11.

dringt er bij de Europese Commissie op aan om samen met het Comité van de Regio's een Europese wet op administratieve procedures uit te werken;

Europa 2020-strategie en het Europees semester

12.

benadrukt dat met het Europees semester een bijdrage moet worden geleverd aan economische groei, begrotingsdiscipline en structurele uitdagingen, maar dat de Europese Commissie en de lidstaten de gevolgen van deze maatregelen voor de autonomie van lokale en regionale overheden ook zorgvuldig van tevoren moeten bekijken en monitoren;

13.

is zeer ingenomen over het nieuwe „pact voor groei en werkgelegenheid” dat de Europese Raad van juni 2012 heeft vastgesteld; staat achter diens pleidooi om „op elk bestuursniveau in de Europese Unie alle hefbomen, instrumenten en beleidsvormen” in te zetten teneinde de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken (5);

14.

steunt de inspanningen van de Europese Commissie om de governancebepalingen en met name de toepassing van het partnerschapsbeginsel te verbeteren wat de uitwerking, uitvoering en evaluatie van de nationale hervormingsprogramma's betreft; roept de Europese Commissie niettemin op om in alle landenspecifieke aanbevelingen deze aspecten te beoordelen;

15.

wijst er nogmaals op dat in de nationale hervormingsprogramma's resultaatgerichte structuren (bv. territoriale pacten) moeten worden opgenomen (6) en dat initiatieven om op lokaal en regionaal niveau concurrentievermogen en innovatie te bevorderen (bv. de uitreiking van het keurmerk „Ondernemende regio van Europa”), erkenning moeten krijgen en moeten worden gesteund;

16.

kijkt ernaar uit om zijn samenwerking met de Europese Commissie in de loop van de Europa 2020-beleidscyclus verder op te voeren en wil graag worden betrokken bij de voorbereiding van de jaarlijkse groeianalyse;

17.

stelt voor dat de Europese Commissie om de zoveel tijd de balans opmaakt van de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-vlaggenschipinitiatieven, met name door verslag uit te brengen over de mate waarin lokale en regionale overheden daarbij worden betrokken;

18.

verzoekt de Europese Commissie om in 2013, ter gelegenheid van de tussentijdse evaluatie van de Europa 2020-strategie, aan te geven hoe zij de betrokkenheid van lokale en regionale overheden daarbij wil vergroten;

19.

dringt erop aan dat het subsidiariteitsbeginsel altijd in acht wordt genomen als onbenutte middelen uit de structuurfondsen naar een nieuwe agenda voor groei worden doorgesluisd en dat lokale en regionale overheden daarbij worden betrokken;

20.

moedigt de Europese Commissie aan om voor oplossingen voor de meest heikele problemen te blijven ijveren, zoals dat van de werkloosheid onder jongeren, 55-plussers en kansarmen, zonder daarbij de belangrijke rol van lokale en regionale overheden uit het oog te verliezen; vraagt de Europese Commissie vooral om een ontwerp uit te werken voor een aanbeveling van de Raad voor een verordening betreffende een jeugdgarantie; roept ertoe op om aan de nationale banenplannen een concrete lokale en regionale dimensie toe te voegen;

21.

verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat in de op handen zijnde aanbeveling over kinderarmoede en het welzijn van kinderen de voorstellen uit het CvdR-advies van februari 2012 over kinderarmoede worden verwerkt, met name het voorstel voor de goedkeuring van een alomvattende strategie tegen kinderarmoede en sociale uitsluiting waarbij zowel het nationale als het lokale en regionale bestuursniveau zijn betrokken, alsook het voorstel voor de opzet van een monitoringsysteem waarvoor van solide indicatoren wordt uitgegaan en dat is gekoppeld aan de bestaande regelingen voor verslaggeving onder het VN-verdrag inzake de rechten van het kind; is ervan overtuigd dat in 2013 de weerslag van de crisis op kinderarmoede moet worden geanalyseerd, en wel aan de hand van de specifieke rapportages van de lidstaten ter zake in het kader van de NHP's en de Europa 2020-strategie;

Begroting van de Europese Unie

22.

wijst er nogmaals op dat de begroting van de Europese Unie in tijden van crisis en bezuinigingen zoveel mogelijk en op alle bestuursniveaus (7) als hefboom moet dienen voor cofinanciering met overheids- of particulier kapitaal; betreurt dat dit hefboom- en multiplicatoreffect niet grondig kan worden geëvalueerd, omdat de nodige statistische gegevens ontbreken;

23.

staat achter het voornemen van de Europese Commissie om verslag uit te brengen over de kwaliteit van de overheidsuitgaven (8) en adviseert om bij de berekening van het begrotingstekort lopende uitgaven en investeringen gescheiden te houden om te voorkomen dat investeringen met een netto winst op de lange termijn als minpost worden opgevoerd;

24.

benadrukt met name de mogelijkheid van synergiewerking tussen de begrotingen van de Europese Unie, de lidstaten en de lokale en regionale overheden, op voorwaarde dat er systemen voorhanden zijn waardoor die begrotingen naar behoren en daadwerkelijk kunnen worden gecoördineerd, zoals interoperabiliteit tussen overheidsinstanties die over begrotingszaken gaan, geharmoniseerde boekhoudregels voor overheidsfinanciën en begrotingscycli en vergelijkbare begrotingsstructuren; verzoekt de Europese Commissie om een Groenboek uit te brengen met een overzicht van mogelijke concrete maatregelen op dit gebied;

Eengemaakte markt, kleine en middelgrote ondernemingen en industrie

25.

roept de Europese Commissie ertoe op om in haar werkprogramma voor 2013 ook een Wetgevingspakket eengemaakte markt III op te nemen, waarin alle resterende beleidsinitiatieven van het wetgevingspakket eengemaakte markt zouden moeten voorkomen waarvoor nog geen actie is ondernomen en een evenwichtige verhouding moet worden aangehouden tussen de economische, sociale en governance-pijlers met inachtneming van de vier fundamentele vrijheden;

26.

zou willen dat de Europese Commissie zich vooral toelegt op de verdere verbetering van de grensoverschrijdende mobiliteit van arbeid door bescherming van de rechten van werknemers en dringt aan op een beter systeem voor de erkenning van kwalificaties ter ondersteuning van de mobiliteit van beroepsbeoefenaren;

27.

moedigt de Europese Commissie aan tot intrekking van haar voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting, dat aanleiding heeft gegeven tot een vroegtijdige subsidiariteitswaarschuwing van 12 nationale parlementen;

28.

benadrukt het belang van de rol die kleine en middelgrote ondernemingen voor de heropleving van economie en werkgelegenheid op lokaal en regionaal niveau spelen, waarvan de betekenis nog kan toenemen als kleine en middelgrote ondernemingen, universiteiten en lokale en regionale overheden aan EU-programma's voor de financiering van onderzoek en innovatie deelnemen;

29.

dringt er bij de Europese Commissie op aan om kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker toegang tot financiering en overheidsopdrachten te bieden en hun administratieve rompslomp nog verder terug te dringen;

30.

gaat ervan uit dat de Europese Commissie hem bij de herziening van het vlaggenschipinitiatief „Industriebeleid” zal betrekken;

31.

steunt het verzoek van het Europees Parlement aan de Commissie om uiterlijk in januari 2013 op basis van artikel 114 VWEU met een voorstel te komen voor een richtlijn om alle legaal in de EU verblijvende consumenten toegang tot basisbankdiensten te garanderen;

32.

dringt eens te meer aan op een agenda voor sociale huisvesting die duidelijkheid schept over de op sociale huisvesting van toepassing zijnde mededingingsregels en lokale en regionale overheden in staat stelt fatsoenlijke en betaalbare sociale huisvesting aan te bieden, menging van sociale groepen te bevorderen en discriminatie te bestrijden;

33.

vraagt de Europese Commissie om na de intrekking van een eerste voorstel voor een verordening betreffende het statuut voor Europese onderlinge maatschappijen, op korte termijn met een herzien ontwerpvoorstel te komen;

Energie

34.

dringt met klem aan op een follow-up in 2013 van het Stappenplan Energie 2050 als garantie dat lokale en regionale overheden in staat worden gesteld om hun bijdrage aan de bevordering van gedecentraliseerde duurzame energie en energie-infrastructuur zoals slimme netwerken te leveren, als onmisbare voorwaarde voor hulpmiddelenefficiëntie en de groene economie; verzoekt de Europese Commissie daarom om een alomvattend investeringskader met een tijdspad tot 2030 uit te werken, zodat marktspelers en lokale en regionale overheden de nodige zekerheid wordt geboden;

35.

vraagt de Europese Commissie om na te gaan welke mogelijkheden er zijn voor een aanvullend decentraal beheerd financieel instrument om de uitvoering van SEAP's (actieplannen voor duurzame energie) door regionale en lokale overheden en vooral ook door de partners van het burgemeestersconvenant te stimuleren; staat achter een betere bundeling van maatregelen voor de financiële ondersteuning van energie-efficiëntie en -behoud in toekomstige financieringsprogramma's van de Europese Unie (9);

36.

verzoekt de Europese Commissie maatregelen te nemen om problemen met verbindingen tussen lidstaten en tussen regio's in lidstaten op te lossen en om de microproductie van energie, en de inbedding hiervan in de distributienetten, te vergemakkelijken;

37.

dringt erop aan dat de toegang tot leningen van de Europese Investeringsbank op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie voor kleine en middelgrote ondernemingen en lokale en regionale overheden wordt vergemakkelijkt;

Regionaal beleid

38.

acht het beslist noodzakelijk dat de streefdatum van begin 2013 wordt gehaald voor de goedkeuring van het wetgevingspakket voor het cohesiebeleid 2014-2020, omdat lokale en regionale overheden programma's van structuurfondsen dan op 1 januari 2014 van start kunnen laten gaan;

39.

meent dat EUROSTAT en de nationale bureaus voor de statistiek zouden moeten voorzien in de behoefte aan sneller beschikbare en vergelijkbare gegevens over regionale bbp's;

40.

wijst er nogmaals op dat de territoriale dimensie van EU-beleid moet worden meegenomen op een manier die meer samenhang vertoont en stringenter is en stelt voor dat de Europese Commissie die beide factoren in haar toekomstige activiteiten met het oog op effectbeoordelingen laat meespelen en daarvan regelmatig verslag uitbrengt (10);

41.

vindt dat de Europese Commissie de regeling voor de tijdelijke detachering van EU-ambtenaren zou moeten uitbreiden naar het subnationale niveau (in plaats van zich alleen te richten op het nationale niveau), zodat binnen de Europese instellingen een beter inzicht ontstaat in de manier waarop de EU-wetgeving en EU-projecten in de praktijk op lokaal en regionaal niveau worden uitgevoerd;

Vervoer

42.

kijkt uit naar het aangekondigde voorstel voor het toekomstige havenbeleid van de Europese Unie, dringt erop aan dat dit voorstel aan een territoriaal-effectbeoordeling wordt onderworpen en is bereid mee te werken aan die exercitie;

43.

wijst op het belang van duurzame mobiliteit in steden en stelt voor om het gebruik van elektronische en slimme vervoerbewijzen voor alle vormen van vervoer (zoals bus, trein, veerboot, carpooling, bike sharing en tolheffing op snelwegen) te bevorderen, met als doel om de interoperabiliteit van vervoerwijzen te vergroten en het gebruik van het openbaar vervoer te stimuleren;

Milieu

44.

stelt vast dat de voornaamste redenen waarom er geen schot meer zit in de verbetering van de luchtkwaliteit, zijn dat het bronbeleid van de Europese Unie ambitie ontbeert en dat nationale maatregelen ontbreken. Een groot deel van de lasten en verantwoordelijkheden als het erom gaat de problemen in verband met de kwaliteit van de lucht op te lossen, zijn bij lokale en regionale overheden gelegd (11); is benieuwd naar de voorstellen die ter gelegenheid van de komende herziening van de EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit zullen worden gedaan voor de manier waarop deze problemen moeten worden opgelost;

45.

rekent erop dat die herziening zal worden aangegrepen om de streefdoelen en termijnen van het bronbeleid van de Europese Unie voor emissies en immissies gelijk te trekken en vooral om de Richtlijn inzake nationale emissiegrenswaarden kracht bij te zetten teneinde achtergrondconcentraties te verminderen; gaat ervan uit dat de normen voor de NO2/NOx- en deeltjesuitstoot van voertuigen strenger worden gemaakt en dat er ook maatregelen worden genomen tegen emissies van schepen, luchtvervoermiddelen en landbouw, terwijl de indicatoren en criteria voor het meten van die emissies worden vereenvoudigd; dringt erop aan dat beleidsmaatregelen van de Europese Unie om de luchtkwaliteit te verbeteren, in EU-beleid op andere gebieden, zoals dat voor vervoer, huisvesting, industrie, energievoorziening en klimaat, worden verwerkt;

46.

dringt erop aan dat in de strategie van de Europese Unie voor de aanpassing aan de klimaatverandering een apart hoofdstuk wordt opgenomen dat aan specifieke aanpassingsmaatregelen op regionaal en lokaal niveau is gewijd en dat richtsnoeren en steunregelingen voor lokale en regionale besluitvormers worden vastgelegd; dringt erop aan dat ook wordt nagegaan welke mogelijkheden er zijn om een werkgroep voor aanpassingsstrategieën in bijzonder kwetsbare regio's van de Europese Unie op te richten waarin het Comité van de Regio's, het DG Klimaatactie, het Europees Milieuagentschap, het GCO en lokale en regionale netwerken en verenigingen zijn vertegenwoordigd;

Landbouw en maritiem beleid

47.

wijst op de noodzaak van een doelgerichte mededeling over een nieuwe regeling van de Europese Unie voor de kwaliteit van lokaal geproduceerde levensmiddelen, omdat dergelijke lokale producties zowel in de landbouw als in de verwerking van landbouwproducten tot levensmiddelen banen opleveren, wat goed is voor de lokale en regionale economie;

48.

meent dat grotere flexibiliteit van de Commissie gewenst is ten aanzien van haar bijdrage aan een oplossing van de huidige stagnatie tussen het Europees Parlement en de Raad omtrent de rechtsgrondslag voor meerjarenplannen voor de visserijsector; hoopt dat de Commissie, in het kader van het pakket voorstellen voor de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid, meer voorstellen doet ten gunste van een decentraler visserijbeleid en passende uitvoeringsmaatregelen die op de behoeften en problemen van de kustgebieden en aan binnenwateren grenzende regio's zijn afgestemd;

49.

de ontwikkeling van een „zeegebiedstrategie”, als een instrument voor een geïntegreerd maritiem beleid, is een goede zaak. Dergelijke strategieën, zoals de strategie die in 2013 zal worden goedgekeurd voor het Atlantisch gebied, moeten echter een sterkere territoriale dimensie krijgen. Ook moet hierbij de lering die uit strategische de macroregionale aanpak kan worden getrokken ter harte worden genomen;

Burgerschap van de Europese Unie

50.

dringt erop aan dat de lokale en regionale dimensie niet uit het oog wordt verloren als initiatieven worden genomen waarmee wordt voortgebouwd op de rechten van burgers, als initiatieven worden genomen om die rechten te consolideren en als pogingen worden ondernomen om het vertrouwen van de burgers in de (instellingen van de) EU te herstellen; benadrukt dat kinderen en jongeren hierbij betrokken moeten worden, aangezien zij in staat zijn om hun rechten en verantwoordelijkheden als burgers uit te oefenen; doet een beroep op de Commissie om zich hierop te richten bij haar activiteiten in het kader van het Europees Jaar van de burgers (2013), waaraan het zelf van plan is om een bijdrage te leveren;

51.

verbindt zich ertoe om, samen met de andere instellingen van de Europese Unie, aan de follow-up van succesvolle Europese burgerinitiatieven bij te dragen;

Landen rondom de Europese Unie en de positie van Europa in de wereld

52.

dringt erop aan dat de toegang van lokale en regionale overheden uit landen van het ENB (Europees nabuurschapsbeleid) tot de voor de betrokken gebieden bestemde specifieke steunregelingen van de EU wordt vergemakkelijkt en is voorstander van de openstelling van bestaande programma's (bv. EGTS) voor partners in nabuurlanden;

53.

bevestigt zijn bedoeling om de vrucht afwerpende samenwerking met de Europese Commissie in het kader van het LAF(lokale bestuursfaciliteit)-programma voort te zetten om lokale capaciteitsopbouw te helpen verbeteren en in kandidaat- en prekandidaatlanden de kennis van de (procedures van de) Europese Unie te vergroten; verzoekt de Europese Commissie om na te gaan of het mogelijk is om dit programma ook open te stellen voor lokale overheden in de landen van het ENB;

54.

vertrouwt erop dat de Europese Commissie zijn aanbevelingen bij de uitwerking van haar werkprogramma voor 2013 niet in de wind zal slaan en draagt zijn voorzitster op om onderhavige resolutie aan de voorzitter van de Europese Commissie, de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van het Europees Parlement, het Cypriotische EU-voorzitterschap en de komende Ierse en Litouwse EU-voorzitterschappen voor te leggen.

Brussel, 19 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  COM(2011) 777 final

(2)  CdR 361/2011 fin

(3)  CdR 42/2012 fin

(4)  CdR 318/2010 (corapporteurs: Mercedes Bresso en Ramón Valcárcel Siso)

(5)  Conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012, blz. 7

(6)  CdR 72/2011 (rapporteur: Markku Markkula)

(7)  CdR 318/2010 (corapporteurs: Mercedes Bresso en Ramón Luis Valcárcel Siso)

(8)  Zie COM(2012) 299 final, par. 2.1

(9)  CdR 85/2012 (rapporteur: Brian Meaney)

(10)  CdR 273/2011 (rapporteur: Luc Van den Brande)

(11)  CdR 329/2011, rapporteur: Cor Lamers


ADVIEZEN

Comité van de Regio's

96e plenaire zitting van 18 en 19 juli 2012

13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/6


Advies van het Comité van de Regio's — Migratie en mobiliteit — Een totaalaanpak

2012/C 277/02

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

benadrukt dat naleving van de mensenrechten van migranten en solidariteit met de landen waar de meeste migranten vandaan komen, moeten doorklinken in alle stadia van het migratiebeleid van de EU, ook als het gaat om de externe betrekkingen van de EU. Daarbij moeten de in artikel 21, lid 1 van het VEU vastgelegde beginselen onverkort worden toegepast;

wijst erop dat uitvoerig onderzoek moet worden gedaan naar de oorzaken van migratie, waaronder de klimaatverandering. Zo kan er een adequaat rechtskader worden vastgesteld voor al degenen die hun land van herkomst ontvluchten vanwege natuurrampen of klimatologische omstandigheden die hun leven en fysieke integriteit in gevaar brengen;

is van mening dat de voorgestane totaalaanpak multilevel governance vergt, omdat alleen dan kan worden bewerkstelligd dat het beheer ervan, met inachtneming van het beginsel van subsidiariteit, wordt overgelaten aan het naar omstandigheden meest geschikte niveau. Zo wordt gezorgd voor optimaal welzijn van betrokkenen, zowel in het land van herkomst als in het land van bestemming;

dringt er met name op aan dat regionale en lokale overheden volwaardig bij die totaalaanpak worden betrokken, voortbouwend op de al bestaande programma's voor decentrale samenwerking en op de gestructureerde dialogen die al door ARLEM en Corleap worden gevoerd.

Rapporteur

Nichi VENDOLA (IT/PSE), voorzitter van de regioraad van Puglia

Referentiedocument

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – De totaalaanpak van migratie en mobiliteit

COM(2011) 743 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Algemene opmerkingen

1.

benadrukt het belang van de totaalaanpak als referentiekader voor het optreden van de EU in de wereldwijde governance van migratie en mobiliteit en als middel om een algemeen overzicht te verkrijgen van migratiebeleid, met als uiteindelijk doel om de maatregelen die de EU voor haar externe betrekkingen en ontwikkelingsbeleid neemt, te laten rijmen met het gevoerde immigratiebeleid.

2.

Het is een goede zaak dat de Commissie het initiatief heeft genomen om een bijgewerkte versie van die totaalaanpak voor te stellen, ofwel een versie waarin het zwaartepunt meer is gelegd bij migranten en de naleving van de mensenrechten in de landen van herkomst, doorreis en bestemming.

3.

Het mensenrecht om een land, waaronder het eigen land, te verlaten en om naar dat land terug te keren (1), moet worden gezien als de wezenlijke rechtsgrondslag voor alles wat migratie aangaat. Daarom moet een lans worden gebroken voor het concept van „migratie uit vrije keuze”, om welke redenen dan ook en los van de specifieke eisen die door het land van bestemming worden gesteld (2).

4.

Naleving van de mensenrechten van migranten en solidariteit met de landen waar de meeste migranten vandaan komen, moeten doorklinken in alle stadia van het migratiebeleid van de EU, ook als het gaat om de externe betrekkingen van de EU. Daarbij moeten de in artikel 21, lid 1 van het VEU vastgelegde beginselen onverkort worden toegepast.

5.

Telkens als wordt uitgemaakt welke toelatingsmogelijkheden er voor onderdanen van landen buiten de EU zijn of als beleid wordt uitgestippeld om migranten op te vangen en hun integratie te bevorderen, moet de daadwerkelijke bescherming van hun mensenrechten gewaarborgd zijn.

6.

Mensenrechten, zoals die zijn vastgelegd in met name het Handvest van de Grondrechten van de EU en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden waarvoor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich voortdurend sterk maakt, moeten steeds vooropstaan in overnameovereenkomsten en visumversoepelingsregelingen van de EU of de lidstaten en in maatregelen om illegale immigratie tegen te gaan.

7.

De noodzaak om de migratiestromen in de hand te houden, mag nooit prevaleren boven het recht voor wie dan ook om in de EU internationale bescherming te zoeken. De EU moet een vrijplaats blijven voor al degenen die voor vervolging vluchten of om een andere reden bescherming behoeven.

8.

Veel lidstaten gaan gebukt onder de economische crisis. Daardoor dreigt het spanningsveld tussen grenscontrolebeleid en de naleving van de mensenrechten van migranten groter te worden.

9.

Er moet uitvoerig onderzoek worden gedaan naar de oorzaken van migratie, waaronder de klimaatverandering (3). Zo kan er een adequaat rechtskader worden vastgesteld voor al degenen die hun land van herkomst ontvluchten vanwege natuurrampen of klimatologische omstandigheden die hun leven en fysieke integriteit in gevaar brengen (4).

10.

De Commissie moet beslist het werkdocument van haar diensten over migratie en klimaatverandering uitbrengen, zoals toegezegd in de Mededeling over migratie van 4 mei 2011 (5).

11.

Voor een doeltreffende totaalaanpak moet de coördinatie tussen de EU en de nationale, regionale en lokale overheden en met de derde landen worden verbeterd.

12.

Het CvdR staat nog steeds achter wat het in een eerder advies heeft opgemerkt: „Een gemeenschappelijk immigratiebeleid raakt de lokale en regionale overheden als eerste. Enerzijds hebben zij te maken met moeilijkheden in verband met illegale immigratie. Anderzijds dienen zij deze mensen op te vangen met een reeks van diensten die deel uitmaken van het lokale integratieproces. Derhalve moeten zij volwaardig betrokken worden bij de uitwerking van een Europees kader voor legale immigratie, bij de maatregelen tegen illegale immigratie en bij de samenwerking op ontwikkelingsgebied met de landen van herkomst (6).

13.

Toe te juichen vallen de aanzienlijke vorderingen die zijn gemaakt in het streven om de overdracht van geld naar het land van herkomst van migranten transparanter, veiliger en goedkoper te maken. Ook steunt het CvdR de door de Commissie bepleite initiatieven om geld dat migranten naar hun land van herkomst overmaken, door te sluizen naar productieve investeringen.

14.

De nadruk wordt in de totaalaanpak terecht gelegd op de rol die diasporagemeenschappen kunnen spelen voor ontwikkelingsbeleid en de beheersing van de migratiestromen, waarbij de voorkeur uitgaat naar steunmaatregelen bij vertrek en maatregelen voor de inburgering van migranten in het land van bestemming.

De rol van regionale en lokale overheden in de totaalaanpak

15.

De totaalaanpak vergt multilevel governance, omdat alleen dan kan worden bewerkstelligd dat het beheer ervan, met inachtneming van het beginsel van subsidiariteit, wordt overgelaten aan het naar omstandigheden meest geschikte niveau. Zo wordt gezorgd voor optimaal welzijn van betrokkenen, zowel in het land van herkomst als in het land van bestemming.

16.

Regionale en lokale overheden zijn hoofdrolspelers in de totaalaanpak. Immers, hun rol bestaat erin sociaal en werkgelegenheidsbeleid, maatregelen voor de opvang en integratie van immigranten en beleid waarmee illegale immigratie wordt aangepakt, te promoten en toe te passen, maar ook om met de landen van herkomst en van doorreis van migranten een diepgaande dialoog op gang te brengen en verschillende vormen van samenwerking aan te gaan (7).

17.

Regionale en lokale overheden nemen nu al het voortouw voor initiatieven om een dialoog op gang te brengen met de regionale en lokale overheden van landen buiten de EU (waarbij het vaak gaat om landen van herkomst of doorreis van migranten) en voor projecten om gedecentraliseerde samenwerking tot stand te brengen.

18.

ARLEM (Euromediterrane Vergadering van Lokale en Regionale overheden) en Corleap (Conferentie van Lokale en Regionale Overheden van het Oostelijk Partnerschap) zouden moeten worden gezien als de aangewezen gremia voor de bevordering van de dialoog met de regionale overheden van het Middellandse Zeegebied en Oost-Europa over immigratie- en ontwikkelingsbeleid.

19.

Er moet zo veel mogelijk samenhang worden gebracht in de bilaterale initiatieven van de lidstaten en de regionale en bilaterale dialogen die al worden gevoerd en als instrument van het extern beleid van de EU op het gebied van immigratie worden beschouwd. Voorwaarde voor die samenhang is ook dat die door regionale en lokale overheden op gang gebrachte dialoog onverkort erkenning krijgt.

20.

De instellingen zouden regionale en lokale overheden, overeenkomstig hun bevoegdheden binnen het nationale bestel, moeten zien als de voornaamste actoren bij de totaalaanpak. Daartoe zou gebruik moeten worden gemaakt van beleidsinstrumenten waarin die overheden zijn aangewezen als de instanties waar het geld van de EU naartoe gaat, ook zonder tussenkomst van de nationale overheid en op een manier die strookt met de verschillen tussen de lidstaten.

21.

De Commissie zou zich moeten inzetten voor vernieuwende projecten om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen, waarvoor regionale en lokale overheden – die immers in veel lidstaten bevoegdheden hebben op dit gebied – optreden als tussenpersoon. Daarin moet een doeltreffend instrument worden gezien waarmee ook het probleem kan worden opgelost dat er in bepaalde sectoren van de arbeidsmarkt een tekort is aan geschoolde arbeidskrachten.

22.

De regionale en lokale overheden moeten ook worden betrokken bij de voortdurende bijwerking van het EU-webportaal over immigratie. Zo kunnen zij dat webportaal verrijken met voor migranten belangrijke informatie over hun regio, stad of gemeente van bestemming.

Immigratiebeleid en ontwikkelingssamenwerking

23.

Van het allergrootste belang is dat er altijd samenhang bestaat tussen het beleid dat de EU op het gebied van migratie en ontwikkeling voert en haar externe optreden op het gebied van immigratie en asielrecht. De maatregelen die de EU en lidstaten van de EU in landen buiten de EU nemen, moeten altijd voornamelijk zijn gebaseerd op de beginselen van solidariteit en gezamenlijke ontwikkeling als middel om de structurele oorzaken van migratie aan te pakken en een einde te maken aan armoede. Daarbij is het van bijzonder belang dat deze landen worden gestimuleerd om eigen middelen vrij te maken en dat zij geholpen worden bij hun institutionele opbouw en de verbetering van hun bestuur en rechtsstaat, hetgeen essentieel is om economische en sociale veranderingen tot stand te brengen.

24.

De Commissie moet bij de verdeling van de financiële middelen die worden toegekend aan ontwikkelingslanden, uitgaan van de beginselen, prioriteiten en strategieën van ontwikkelingssamenwerking, maar ook rekening houden met het „meer-voor-meer”-principe.

25.

Het beginsel van wederkerigheid moet sporen met de beginselen die ten grondslag liggen aan ontwikkelingsamenwerking. Dit geldt vooral voor de partnerschappen voor mobiliteit en de gemeenschappelijke agenda voor migratie en mobiliteit (8).

26.

Kwetsbare groepen, waarbij in de eerste plaats wordt gedacht aan alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA's), moeten in de totaalaanpak naar behoren worden beschermd, met een tweeledig doel: adequate sturing geven aan de maatregelen die in de landen buiten de EU worden genomen en zorgen voor behoorlijke opvang en inburgering in de lidstaat van bestemming. Met het oog daarop is het ook zaak dat overal bekendheid wordt gegeven aan de geslaagde methoden op dit gebied die door veel regionale en lokale overheden in de gastlanden worden toegepast. Ook zou de Commissie concreet werk moeten maken van de maatregelen uit het actieplan voor AMA's.

27.

Er moet ook een echt genderbeleid worden uitgewerkt, zodat recht wordt gedaan aan de specifieke rol die vrouwen in migratie spelen en aan hun bijdrage aan de inburgering in het gastland van het hele kerngezin.

28.

In het licht van de doelstellingen van demografische en economische ontwikkeling die in de agenda voor de Europa 2020-strategie zijn vastgelegd, zou er tegenstrijdigheid kunnen zijn tussen het immigratiebeleid van de EU en ontwikkelingssamenwerking als dit immigratiebeleid erop wordt gericht om talenten uit landen buiten de EU aan te trekken.

29.

Twijfelachtig is of het probleem van de door selectief migratiebeleid op gang gebrachte hersenvlucht (brain drain) kan worden opgelost met circulaire migratie, omdat nog in het duister wordt getast over de effectiviteit en concrete gevolgen daarvan.

30.

Ook kan circulaire migratie haaks staan op de doelstelling om migranten te laten integreren. Daarom zouden er speciaal voor werknemers die bestemd zijn om maar kort in de EU te verblijven, strategieën moeten worden uitgestippeld waardoor ze, ook in die korte tijd, toch echt integreren (9).

31.

Erkenning van diploma's en kwalificaties op grond van geharmoniseerde criteria is een probaat middel tegen onderbenutting van talent (brain waste), omdat daarmee wordt gegarandeerd dat migranten echt integreren en dat zij, in het geval van circulaire migratie, weer integreren in hun land van herkomst.

32.

De Commissie zou steun moeten verlenen aan de maatregelen om landen te begeleiden in hun streven naar een vereenvoudigde erkenning van diploma's en kwalificaties. Ook zou de Commissie de informele erkenning van bekwaamheden moeten bevorderen, ook omdat werknemers uit niet-EU-landen zich dan gemakkelijker kunnen verplaatsen op de Europese arbeidsmarkt.

33.

Het verzoek aan niet-EU-landen om de migratiestromen in de hand te helpen houden, mag nooit leiden tot schending van het universele mensenrecht om een land, en dus ook het eigen land, te verlaten, vooral als aan die niet-EU-landen wordt gevraagd om hun emigratie onder controle te houden op grond van de wetten van de landen van bestemming.

34.

Er moet meer worden geïnvesteerd in projecten voor ontwikkelingssamenwerking op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg waar universiteiten rechtstreeks bij zijn betrokken en die bevorderlijk zijn voor de mobiliteit van onderzoekers en ander academisch personeel.

35.

Het CvdR staat achter het bij het Europees Parlement ingediende verzoekschrift voor de goedkeuring van een Europees-mediterraan Erasmus- en Leonardo da Vinci-programma. Een dergelijk programma kan dienen als middel om in concreto te zorgen voor tweerichtingsmobiliteit onder studenten aan weerszijden van de Middellandse Zee.

36.

Er moet daadwerkelijk worden gestreefd naar meer mobiliteit, vooral onder studenten, o.m. doordat visa gemakkelijker worden afgegeven, de administratieve procedures worden gestroomlijnd en er voldoende financiële middelen voor worden uitgetrokken.

37.

Er moet erkenning komen voor het belang van het Erasmus voor iedereen-programma. Dit programma verdient steun, evenals andere succesvolle methoden voor de uitwisseling van jongeren, zoals het Eurodyssee-programma van de Vergadering van de Regio's van Europa (VRE).

38.

Er moet meer onderzoek worden gedaan naar migratiedruk als gevolg van economische onevenwichtigheden, met als doel om daar doeltreffende reacties op te bedenken. Daarbij wordt o.m. gedacht aan regelingen om mobiliteit ook te garanderen voor weinig geschoolde werknemers, die in sommige lidstaten nog steeds broodnodig zijn en voor wie de oplossing van circulaire migratie alléén niet volstaat.

39.

Diasporagemeenschappen moeten ook worden betrokken bij maatregelen om het vertrek van migranten voor te bereiden. Daarvoor moet gebruik worden gemaakt van al bestaande en door immigrantenorganisaties zelf beheerde websites waarop in een voor aspirant-migranten begrijpelijke taal doelgerichte informatie wordt gegeven.

40.

Het CvdR heeft oog voor het belang van maatregelen om het vertrek van migranten voor te bereiden. Daarin moet dan ook meer worden geïnvesteerd. Zowel de ngo's die werkzaam zijn in de landen van herkomst als de regionale en lokale overheden die betrokken zijn bij de opvang- en integratieprocedures voor (de gezinsleden van) migranten, moeten aan die maatregelen deelnemen.

Bestrijding van illegale immigratie

41.

De EU bindt terecht de strijd aan met illegale immigratie, vooral in de vorm van mensenhandel, en met werkgevers die werknemers zonder verblijfsvergunning in dienst nemen.

42.

Van belang is dat de bestrijding van illegale immigratie wordt benaderd vanuit de invalshoek van migranten als mogelijke slachtoffers van illegale mensenhandel die bescherming behoeven.

43.

De Commissie zou moeten doorgaan met haar analyses van zwart werk en haar initiatieven om zwart werk tegen te gaan. Zwart werk is overal in de EU een plaag voor de economie en een stimulans voor de illegale immigratie van mensen die kunnen worden uitgebuit op de arbeidsmarkt of in de greep kunnen komen van de georganiseerde misdaad.

44.

Er is ook in de bestrijding van illegale immigratie al veel geld gestoken. Een in het oog springend voorbeeld daarvan is de financiering van Frontex (Europees agentschap voor de controles aan de buitengrenzen van de EU).

45.

In alle stadia van grenscontroles moeten de mensenrechten worden nageleefd. Dit geldt met name ook voor het beginsel van non-refoulement. De instellingen van de EU, en dan met name het Europees Parlement, moeten de activiteiten van Frontex daaraan uitvoerig toetsen.

46.

Soortgelijke toetsingen zijn ook geboden voor handelingen in het kader van de internationale samenwerking die rechtstreeks onder Frontex ressorteren. Immers, Frontex heeft de bevoegdheid om met niet-EU-landen internationale overeenkomsten van technische aard te sluiten. De inhoud van die overeenkomsten zou transparanter moeten worden gemaakt en het toepassingsgebied van iedere overeenkomst moet duidelijk worden afgebakend.

47.

Van alle bestaande instrumenten moet een zorgvuldige kosten-batenanalyse worden gemaakt. Op grond daarvan kunnen die instrumenten qua doeltreffendheid met elkaar worden vergeleken. Daarbij moet ook worden gekeken naar de kosten van terugkeerprocedures (detentie en uitzetting) en de daadwerkelijke bedragen die de lidstaten uitgeven aan vrijwillige terugkeer (in vergelijking met wat gedwongen terugkeer kost).

48.

Voorkomen moet worden dat buitenlanders met een verblijfsvergunning door een onvoldoende soepele nationale regelgeving alsnog illegale immigranten kunnen worden en zich gaan aansluiten bij al degenen die de hun toegestane verblijfsduur overschrijden (overstayers).

49.

De instellingen van de EU en de lidstaten zouden zorgvuldig moeten beoordelen hoeveel ruimte er is om werkzoekenden tot de EU toe te laten. Die mogelijkheid wordt uitdrukkelijk genoemd in artikel 79, lid 5, van het VWEU.

50.

Illegale immigratie en overstayers moeten vooral worden bestreden door ingangsmogelijkheden voor legale migratie te creëren, ook al omdat daarmee blijk wordt gegeven van een zekere mate van solidariteit met de landen van herkomst van migranten.

51.

De instellingen zouden de strategie voor terug- en overname deel moeten laten uitmaken van de totaalaanpak. Dan wordt die strategie onderworpen aan de beginselen van ontwikkelingssamenwerking en wordt voorkomen dat deze op zichzelf komt te staan en er geen samenhang mee vertoont.

52.

Overnameovereenkomsten moeten om de zoveel tijd opnieuw worden bekeken, vooral in het licht van de verplichting voor doorreislanden om niet alleen hun eigen burgers, maar ook buitenlanders die op weg naar de EU door hun land hebben gereisd, weer toe te laten. Die laatsten dreigen in een niemandsland terecht te komen, waardoor de situatie in het doorreisland er alleen maar slechter op wordt en zij een groot risico lopen slachtoffer te worden van schending van mensenrechten.

De externe dimensie van asielrecht

53.

Consolidering van de asielstelsels in landen buiten de EU mag niet worden gezien als een methode om te vermijden dat in de EU recht op internationale bescherming wordt toegekend.

54.

Het is een goede zaak dat de EU in de programma's voor regionale bescherming heeft samengewerkt met de UNHCR, ook al is de bescherming die de EU biedt groter dan die welke in het Verdrag van Genève voor vluchtelingen is vastgelegd; bij die bescherming door de EU hoort ook subsidiaire bescherming en bescherming tegen behandelingen die in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

55.

Het optreden van de EU mag er nooit op zijn gericht om asielzoekers ervan te weerhouden om het land waarin zij zich bevinden, te verlaten om bescherming te gaan vragen in een lidstaat van de EU.

56.

De Dublin II-Verordening is aan herziening toe, vooral nu het Hof van Justitie van de EU er een vernietigend oordeel over heeft uitgesproken. Door die herziening moet worden gezorgd voor daadwerkelijke solidariteit tussen de lidstaten met volledige inachtneming van de rechten van de mens, waaronder het recht op gezinshereniging.

57.

De Commissie zou in de partnerschappen voor mobiliteit bepalingen moeten opnemen voor de bescherming van asielzoekers en vluchtelingen.

58.

De instellingen moeten, samen met de lidstaten, het systeem om op zee „te zoeken en te redden” (search and rescue) doeltreffender maken. Dit kan vooral door te zorgen voor een betere coördinatie en door gemeenschappelijke criteria vast te leggen voor de bepaling van de plaats waar de geredde migranten het veiligst aan land kunnen worden gebracht.

Afsluitende opmerkingen

59.

Het CvdR dringt er bij de Commissie, de Raad en het Europees Parlement op aan om openhartig van gedachten te wisselen over de vier pijlers van de totaalaanpak. Zo kan ervoor worden gezorgd dat alle mogelijke belanghebbenden volwaardig bij de uitvoering ervan worden betrokken.

60.

Vooral de regionale en lokale overheden moeten daar volwaardig bij worden betrokken, voortbouwend op de al bestaande programma's voor decentrale samenwerking en op de dialogen die reeds door ARLEM en Corleap worden gevoerd.

61.

De Commissie zou moeten doorgaan met haar analyses van de oorzaken en kenmerken van de wereldwijde migratie. Op grond daarvan kunnen strategieën worden uitgewerkt waarmee dit verschijnsel op doeltreffende wijze kan worden aangepakt en die in het teken staan van solidariteit met landen buiten de EU.

62.

Beleid waarin migranten als misdadigers worden afgespiegeld, moet van de hand worden gewezen. Daarentegen moeten maatregelen tegen misdadige organisaties waarvan migranten het slachtoffer zijn, worden toegejuicht.

63.

Er is behoefte aan beleid om illegale immigratie te bestrijden dat niet alleen gericht is op de onderschepping van migranten bij hun vertrek, maar ook op het de facto creëren van ingangsmogelijkheden voor legale immigratie, die ook openstaan voor andere dan hooggeschoolde werknemers en waarbij de specifieke kenmerken van iedere lidstaat in aanmerking worden genomen.

Brussel, 18 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  Artikel 13, lid 2, van de Universele Verklaring van de rechten van de mens; artikel 2, lid 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM; artikel 12, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

(2)  Advies van het Europees Parlement over ontwikkeling en migratie van 6 juli 2006 (P6_TA(2006)0319).

(3)  Advies van het Comité van de Regio's „De rol van regionale en lokale overheden in de bevordering van een duurzaam waterbeheer” van 30 juni - 1 juli 2011, par. 14 (ENVE-V-008); verslag van de SUDEV-commissie van ARLEM over „De relatie tussen woestijnvorming en klimaatverandering in het Middellandse Zeegebied” van 31 januari 2012.

(4)  http://www.unhcr.org/pages/49e4a5096.html

(5)  COM(2011) 248 final, blz. 21.

(6)  Zie advies van het CvdR over „Een gemeenschappelijk immigratiebeleid voor Europa”, dat werd goedgekeurd op de zitting van 26 en 27 november 2008 (rapporteur: Werner Jostmeier) (CONST-IV-017).

(7)  Zie CvdR-advies „Een gemeenschappelijk immigratiebeleid voor Europa” van 26 en 27 november 2008, par. 5 (CONST-IV-017).

(8)  Het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (COM(2011) 290 final), is gebaseerd op dat beginsel van wederkerigheid.

(9)  Zie ontwerpadvies van het CvdR over de vernieuwde Europese agenda voor integratie, par. 60, en de hoofdlijnen van het CIVEX-advies over het recht op gezinshereniging (rapporteur: Sergio Soave, par. 11).


13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/12


Advies van het Comité van de Regio's — Versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel

2012/C 277/03

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

meent dat asiel van centraal belang is als mensenrecht en tegelijkertijd als culturele „verworvenheid” opgenomen in internationale wetsteksten zoals het Verdrag van Genève, het Handvest van de grondrechten van de EU, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de wetgeving van alle lidstaten zonder uitzondering; de hoeksteen van het asielstelsel is het beginsel van niet-uitzetting (non-refoulement);

uitgaande van artikel 80 van het VWEU wijst het CvdR op het feit dat solidariteit in combinatie met een rechtvaardige verdeling van de verantwoordelijkheden het complete Europese beleid regelt in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR), specifiek met betrekking tot het verkeer van personen, dat wil zeggen het beheer en de doorgang bij de buitengrenzen, en met betrekking tot asiel en internationale bescherming, alsmede immigratie. Het genoemde artikel is een toereikende juridische basis voor Europese wetgevende maatregelen, die zich de versterking van solidariteit en de ondersteuning van een rechtvaardige verdeling van de verantwoordelijkheden ten doel stellen;

meent dat de huidige situatie de noodzaak aantoont van praktische solidariteit tussen de EU en de lidstaten voor wat betreft het asielbeleid. Het realiseren van een gemeenschappelijk hoog beschermingsniveau voor aanvragers van internationale bescherming en van de daartoe gerechtigden slechts mogelijk zal zijn als er mechanismen zijn die rekening houden met de grote verschillen tussen de lidstaten voor wat betreft het aantal onderdanen van derde landen die zij op hun grondgebied toelaten, alsmede voor wat betreft de economische, technische en andere mogelijkheden voor het beheersen van de migratiestromen;

wijst op de lokale en regionale dimensie van de solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheden in het kader van het asielbeleid. De lokale overheden spelen een belangrijke rol in de voorlichting van de lokale gemeenschap. Zij kunnen bijdragen in de bewustmaking van de lokale gemeenschap omtrent onderwerpen als asielzaken en internationale bescherming. Dit zal de omstandigheden van de opvang en aanvaarding door de lokale gemeenschap aanzienlijk beïnvloeden.

Rapporteur

De heer Theodoros GKOTSOPOULOS (EL/PSE), gemeenteraadslid van Pallini (Attika)

Referentiedocument

Mededeling van de Commissie inzake versterkte solidariteit binnen de EU op het gebied van asiel – Een EU-agenda voor een betere verdeling van verantwoordelijkheid en meer wederzijds vertrouwen

COM(2011) 835 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Algemene opmerkingen

1.

signaleert dat de gemengde migratiestromen in alle lidstaten van EU onderdeel van de werkelijkheid uitmaken, en ook heel wat aandacht krijgen in de actualiteit. Dit komt vooral door de politieke omwentelingen die plaatsvinden in landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, maar ook door de meer algemene politieke situatie in regio's zoals Afghanistan, Pakistan, Irak en Iran, waarvandaan nieuwe volksverplaatsingen naar Europa op gang komen; deze gemengde migratiestromen zetten de buitengrenzen van bepaalde lidstaten op een ongelijke manier onder druk, en werken dus ook door op de asielstelsels van deze lidstaten. Deze situatie draagt bij tot het ontstaan van humanitaire uitdagingen.

2.

De scherpe economische crisis, vooral in de mediterrane EU-landen die een onevenredig grote hoeveelheid asielzoekers opvangen, alsmede hun daaruit voortvloeiende onvermogen om deze kwestie met de vereiste doeltreffendheid aan te pakken, vormen negatieve factoren voor de beheersbaarheid van de situatie en de reeds negatieve omstandigheden nog verder verslechteren.

3.

Het is in het algemeen geboden dat er een wezenlijk gemeenschappelijk Europees migratie- en asielbeleid wordt ontwikkeld, een en ander in overeenstemming met de bepalingen van het Programma van Stockholm. Dit beleid zal gegrond zijn op een allesomvattende benadering, die enerzijds gebaseerd zal zijn op de effectieve behandeling van legale immigratie en anderzijds op de bestrijding van illegale immigratie, maar vooral ook op de versterking van de asielstructuren.

4.

Asiel is van centraal belang als mensenrecht en tegelijkertijd als culturele „verworvenheid” opgenomen in internationale wetsteksten zoals het Verdrag van Genève, het Handvest van de grondrechten van de EU, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de wetgeving van alle lidstaten zonder uitzondering; de hoeksteen van het asielstelsel is het beginsel van niet-uitzetting (non-refoulement).

5.

Gewezen zij op andere, samenhangende rechten die een aanvulling op het asielrecht vormen, zoals het recht op waardigheid, het verbod op martelpraktijken en op onmenselijke behandeling, bescherming in geval van uitzetting, verwijdering of uitlevering, het recht op daadwerkelijk beroep en op een onafhankelijke beoordeling, alsook het recht op gezinshereniging.

6.

Er is vooruitgang geboekt in de totstandkoming van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS). Er moet echter gewezen worden op de in het Programma van Stockholm opgenomen aansporing om dit tegen het einde van 2012 te voltooien; de lidstaten, de Raad en het Europees Parlement worden opgeroepen om de nodige politieke wil te tonen om de onderhandelingen met betrekking tot de herziening van de richtlijnen voor de opvangomstandigheden en de asielprocedures af te ronden en om de regelingen van de Dublinverordening en van het Eurodac-systeem te hervormen.

7.

Het GEAS is bedoeld om werkelijk op te komen voor de rechten van personen die internationale bescherming nodig hebben, en niet uitsluitend de veiligheid in engere zin en de verdediging van de nationale soevereiniteit.

8.

Een echt gemeenschappelijk asielstelsel moet gebaseerd zijn op gelijksoortige rechten en procedures binnen het gehele grondgebied van de EU, zodat het risico op belangrijke verschillen in de behandeling van gelijksoortige situaties wordt geëlimineerd; het CvdR is het dus eens met de poging om de bestaande wetgeving aan te passen door middel van het instellen van gemeenschappelijke regels, in tegenstelling tot het vaststellen van minimumnormen.

9.

Er wordt gewezen op de recente arresten van de hoven in Straatsburg en Luxemburg (1), die meer dan wat dan ook (a) de belangrijke tekortkomingen aantonen van de huidige rechtstoestand en dan vooral van de Dublinverordening, maar (b) ook de hiaten die – onder de huidige omstandigheden van grote druk – grote risico's met zich meebrengen voor de verdediging van de rechten van aanvragers van internationale bescherming en die te wijten zijn aan verschillende benaderingen qua beleid, wetgeving en praktische uitvoering in de lidstaten. De arresten onderstrepen de noodzaak om één geïntegreerd GEAS op te bouwen; als onderdeel daarvan dient de Dublinverordening te worden versterkt met bepalingen die de oorzaken van crises bestrijden en die ertoe bijdragen dat de onregelmatigheden van de stelsels van de lidstaten niet het functioneren van het totale systeem of de bescherming van de mensenrechten nadelig beïnvloeden.

10.

De toename van de migratie noopt tot belangrijke wijzigingen in het asielbeleid van de EU, waarbij de toepassing van effectief beleid en methodes voor het beheer hiervan geboden is.

11.

Uitgaande van artikel 80 van het VWEU zij gewezen op het feit dat solidariteit in combinatie met een rechtvaardige verdeling van de verantwoordelijkheden het complete Europese beleid regelt in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR), specifiek met betrekking tot het verkeer van personen, dat wil zeggen het beheer en de doorgang bij de buitengrenzen, en met betrekking tot asiel en internationale bescherming, alsmede immigratie. Het genoemde artikel is een toereikende juridische basis voor Europese wetgevende maatregelen, die zich de versterking van solidariteit en de ondersteuning van een rechtvaardige verdeling van de verantwoordelijkheden ten doel stellen.

12.

Solidariteit is nauw verweven met verantwoordelijkheid; het CvdR moedigt alle lidstaten aan om zich te houden aan internationale en Europese verplichtingen en die ook daadwerkelijk toe te passen, alsmede om elk zijn eigen zaken op orde te brengen. Desondanks moet het nauwgezet in acht nemen van de verantwoordelijkheid niet als een (juridische) vereiste voor solidariteit worden gezien: in veel gevallen kan het in de praktijk tonen van solidariteit in aanzienlijke mate bijdragen tot het feitelijk nakomen van verplichtingen.

13.

De huidige situatie toont de noodzaak aan van praktische solidariteit tussen de EU en de lidstaten voor wat betreft het asielbeleid, een en ander in navolging van artikel 80 van het VWEU. Het CvdR meent dat het realiseren van een gemeenschappelijk hoog beschermingsniveau voor aanvragers van internationale bescherming en van de daartoe gerechtigden slechts mogelijk zal zijn als er mechanismen zijn die rekening houden met de grote verschillen tussen de lidstaten voor wat betreft het aantal onderdanen van derde landen die zij op hun grondgebied toelaten (hetzij als economische migranten hetzij als aanvragers van internationale bescherming), alsmede voor wat betreft de economische, technische en andere mogelijkheden voor het beheersen van de migratiestromen.

14.

De mededeling van de Commissie omschrijft gedetailleerd de huidige situatie, inclusief een opsomming van de beschikbare instrumenten voor de versterking van de solidariteit, waarbij echter wordt vastgesteld dat er geen voorstellen worden gedaan voor nieuwe positieve maatregelen voor de versterking van solidariteit en voor het faciliteren van de verdeling van verantwoordelijkheden.

15.

Positief is het initiatief van de Raad voor het opstellen van een „gemeenschappelijk referentiekader voor solidariteit met de lidstaten die kampen met bijzondere druk op hun asielsystemen, door verschillende oorzaken, waaronder de gemengde migratiestromen” (2).

16.

Desondanks zouden positieve maatregelen voor solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheden een versterking inhouden van het respect voor mensenrechten en van de begrippen rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, communicatie en politieke deelname. De beginselen subsidiariteit en evenredigheid dienen aan deze maatregelen ten grondslag te liggen.

17.

De Commissiemededeling kan niet in haar geheel worden gecontroleerd op naleving van het subsidiariteitsbeginsel, overwegende dat het leeuwendeel hiervan een beschrijving betreft van de manier waarop de bestaande middelen en de EU-wetgeving kunnen bijdragen tot de versterking van solidariteit. Voor zover er echter wordt gerefereerd aan eventuele toekomstige initiatieven, bijvoorbeeld aan programma's voor het hervestigen van erkende vluchtelingen en aan regelingen voor de gezamenlijke behandeling van asielaanvragen, waarvan wordt verwacht dat die hun weerslag zullen hebben op kwesties die tot op heden nauw zijn verweven met de soevereiniteit van de lidstaten (bijvoorbeeld het behandelen van asielaanvragen of de opvang van asielzoekers), en die mogelijk uitgebreide gevolgen van politieke, juridische of financiële aard met zich meebrengen, vraagt het CvdR de Commissie om de nodige aandacht te schenken aan de voorbereiding van dergelijke voorstellen.

18.

Het begrip solidariteit brengt ook nog een externe dimensie met zich mee, dat wil zeggen de solidariteit tussen de EU en andere gebieden op de wereld die getroffen worden door crises van humanitaire aard, alwaar zich volgens de gegevens van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) de overgrote meerderheid van vluchtelingen en van aanvragers van internationale bescherming bevindt. Zodoende is de samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid voor ontwikkelingssamenwerking van fundamenteel belang, met als leidraad de opbouw van betere economische en sociale omstandigheden en de vredehandhaving. Desalniettemin dient de versterking van de asielstelsels van derde landen niet te worden gezien als een middel om de erkenning van het recht op internationale bescherming binnen de EU uit de weg te gaan, of om de asielprocedures te gaan uitbesteden (outsourcing), maar juist als een instrument om de economische en sociale omstandigheden in derde landen te verbeteren.

19.

De bevoegde instellingen en de EU-lidstaten moeten de aan de EU grenzende landen actiever aansporen om de verplichtingen die zij op zich nemen na te leven, zowel krachtens het internationale recht als tegenover de EU en de lidstaten. Meer specifiek verwijst het CvdR naar de landen die een overnameovereenkomst met de EU zijn aangegaan.

De rol van de lokale en regionale overheden

20.

Gewezen zij op de lokale en regionale dimensie van de solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheden in het kader van het asielbeleid. Vooral de lokale en regionale overheden in de buurt van de buitengrenzen van de EU komen als eerste in aanmerking om de Europese wetgeving inzake asiel en het GEAS toe te passen. Dat geldt ook voor de gemeentelijke autoriteiten van grootstedelijke centra, die geconfronteerd worden met een gestaag toenemende stroom vluchtelingen en asielzoekers. De lokale en regionale overheden spelen een belangrijke rol in de opvang van asielzoekers, vluchtelingen en mensen die recht hebben op internationale bescherming en zijn in bepaalde lidstaten verantwoordelijk voor het eerste contact met deze nieuwkomers.

21.

Ondanks de feitelijke rol van de lokale en regionale overheden hebben de begrippen solidariteit en verdeling van verantwoordelijkheden tot op heden uitsluitend betrekking op de lidstaten, en geheel niet op de lokale of de regionale overheden. Bovendien wordt bij de beleidsplanning en de dialoog alleen de financiële belasting voor de lidstaten in acht genomen, en niet de gevolgen van de opvang van onderdanen van derde landen voor de sociale cohesie op lokaal en regionaal niveau, terwijl het in eerste instantie juist op de lokale en regionale zelfbesturen aankomt om op die gevolgen in te spelen.

22.

Het CvdR wil bijgevolg direct werk maken van standpunten en voorstellen om ervoor te zorgen dat het zelfbestuur actief kan deelnemen aan het systeem voor de verdeling van vluchtelingen en aan het functioneren van de mechanismen voor hulp, ondersteuning en solidariteit ten behoeve van asielzoekers en mensen die recht hebben op asiel. In sommige lidstaten zijn dergelijke regionale bevoegdheden immers al bij wet erkend.

23.

De lokale overheden spelen een belangrijke rol in de voorlichting van de lokale gemeenschap. Aangezien zij veel ervaring hebben in de samenwerking met ngo's en met organisaties van het maatschappelijk middenveld, kunnen zij bijdragen in de bewustmaking van de lokale gemeenschap omtrent onderwerpen als asielzaken en internationale bescherming. Dit zal de omstandigheden van de opvang en aanvaarding door de lokale gemeenschap aanzienlijk beïnvloeden.

Verbetering van de verdeling van verantwoordelijkheden en van het asielbeheer

24.

Er dient een belangrijke herschikking te komen van de Dublinverordening in het kader van het voorstel van de Europese Commissie van 2008 (3). Het tot op heden gehanteerde criterium van eerste binnenkomst alleen al heeft bijgedragen tot grotere druk op de asielstelsels van bepaalde lidstaten en zorgt ervoor dat de toepassing van de Dublinverordening slechts een kwestie van geografische aard is, wat uiteraard niet strookt met het begrip solidariteit. Daarom roept het CvdR de Commissie, de lidstaten, de Raad en het Europees Parlement op om een nieuwe procedure voor crisisbeheer en positieve solidariteitsmaatregelen uit te werken en te behandelen, maatregelen die in staat zullen zijn om de tot op heden negatieve gevolgen te beperken.

25.

Het CvdR verwelkomde in een eerder uitgebracht advies (4) het voorstel van de Commissie om de overdracht van personen die om internationale bescherming verzoeken in het kader van de herziene Dublinverordening tijdelijk op te schorten, wanneer een lidstaat in een bijzonder moeilijke situatie verkeert en de opvangcapaciteit, het asielstelsel of de infrastructuur van die lidstaat nog verder onder druk dreigen te komen staan als gevolg van de overdracht. Desalniettemin is het CvdR zich bewust van de moeilijkheid van acceptatie en toepassing van een dergelijke maatregel, alsook van het nut van het tegenvoorstel voor het instellen van een mechanisme voor evaluatie en vroegtijdige waarschuwing, dat het complete functioneren van de asielstelsels van de lidstaten zal omvatten.

26.

Gelet op de bovengenoemde zaken wil het CvdR benadrukken dat de effectiviteit van het voorgestelde mechanisme voor evaluatie en vroegtijdige waarschuwing voor een groot deel zal afhangen van de beschikbaarheid van betrouwbare en geactualiseerde informatie, van de oprechte samenwerking tussen de lidstaten en van de vroegtijdige reactie van de EU op eventuele hiaten of problemen. Nuttig is de ondersteuning die geboden kan worden door organisaties als het Europees Ondersteuningsbureau voor Asielzaken (EASO), het UNHCR, de nationale vluchtelingenraden, andere ngo's en vooral door lokale of regionale overheden.

27.

Het voorstel voor een meer uitgebreide vrijwillige hervestiging van erkende vluchtelingen, een en ander volgens het model van het proefproject voor Malta, is een positieve stap voor de versterking van de solidariteit. Daarom vraagt het CvdR de Commissie en de lidstaten om de mogelijkheid te onderzoeken om de hervestiging onder bepaalde voorwaarden verplicht te stellen (bijvoorbeeld een verzoek van de belanghebbende lidstaat, een voorafgaande bevinding in het kader van het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing en een advies van het EASO, instemming van belanghebbenden). De Commissie en de lidstaten worden verzocht om ook serieus te kijken naar de mogelijkheid van hervestiging van aanvragers van internationale bescherming, en in verband daarmee vraagt het CvdR de Commissie om de reeds uitgewerkte juridische, financiële en technische studie (5) opnieuw te bekijken.

28.

Er zijn praktische en juridische problemen gerezen in verband met de hervestiging, ten gevolge van het ontbreken van een systeem voor wederzijdse erkenning van besluiten over internationale bescherming. Daarom wordt de Europese Commissie verzocht in dit kader de nodige maatregelen te treffen.

29.

Het CvdR onderschrijft het voorstel van de UNHCR voor het instellen van een „formule”voor het laten functioneren van een systeem voor hervestiging, waarbij hoofdzakelijk het bnp in acht wordt genomen, alsmede de omvang van het grondgebied, de aanwezige natuurlijke en andere bronnen, de populatie, de opvangmogelijkheden, de specifieke lokale en regionale aspecten, het totaal aantal asielzoekers dat binnenkomt, evenals de verplichtingen omtrent hervestiging e.a. (6).

30.

Het CvdR is ingenomen met het recente besluit van het Europees Parlement dat zal resulteren in de afronding van het gemeenschappelijke EU-hervestigingsprogramma. Het CvdR verwacht dat dit zal bijdragen tot de versterking van de externe dimensie van de solidariteit. De lidstaten worden verzocht om intussen de door hen aangegane verplichtingen in het kader van de programma's van het UNHCR na te komen.

31.

Het perspectief op een gemeenschappelijke behandeling van asielaanvragen met de deelname van meer lidstaten, het EASO en eventueel het UNHCR is positief, waarbij moet worden opgemerkt dat een dergelijke ontwikkeling wel het uitgangspunt van een afzonderlijke behandeling van elke aanvraag voor internationale bescherming in acht moet nemen. Het CvdR roept de Commissie dus op om een relevante juridische, financiële en technische studie uit te werken en die aan het CvdR ter beschikking te stellen.

32.

Richtlijn 2001/55/EG betreffende het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten is een speciale en buitengewone solidariteitsmaatregel, die echter tot op heden geen toepassing heeft mogen vinden. Daarom wordt de herziening hiervan noodzakelijk geacht, met als leidraad het vereenvoudigd kunnen vaststellen van wanneer er nu werkelijk sprake is van een situatie van massale toestroom van ontheemden, op basis van objectieve en kwantitatieve criteria, waarbij de mogelijkheid wordt onderzocht dat één of meerdere regio's een aanvraag kunnen indienen om de richtlijn in werking te laten treden.

33.

Het CvdR verwelkomt de wijziging van Richtlijn 2003/109/EG betreffende langdurig ingezeten onderdanen, die ook geldt voor mensen die recht hebben op internationale bescherming. De praktische consequentie hiervan zal zijn dat erkende vluchtelingen zich na een verblijf van vijf jaar onder bepaalde voorwaarden zullen kunnen vestigen in een andere lidstaat dan waar zij in eerste instantie internationale bescherming hebben gekregen. Hoewel het hier strikt gezien niet om een solidariteitsmaatregel gaat, zou het eventueel wel kunnen bijdragen tot het verminderen van de druk en een betere integratie van personen. Daarom roept het CvdR de lidstaten op om deze gewijzigde Richtlijn 2011/51/EU (7) snel op te nemen in hun nationale rechtsstelsels.

Praktische samenwerking

34.

Praktische samenwerking is een hoeksteen van het GEAS; het CvdR verwelkomt de belangrijke bijdrage van organisaties van de EU, allereerst het EASO, maar ook Frontex, dat mede ondersteuning biedt in de aanpak van bepaalde buitengewone situaties, zoals in het geval van Malta en Griekenland. De activiteiten van deze gespecialiseerde organisaties dienen echter noodzakelijkerwijs vergezeld te gaan van garanties voor het veiligstellen van de bescherming van de rechten van aanvragers van internationale bescherming.

35.

Specifiek dienen praktijken te worden vermeden die het uiteindelijk onmogelijk maken om het recht uit te oefenen om asiel aan te vragen. Daarom verzoekt het CvdR Frontex om zich meer te concentreren op de naleving van de mensenrechten bij de uitvoering van de werkzaamheden die aan Frontex worden opgedragen met het oog op de bescherming van de buitengrenzen van de EU. Een stap in de goede richting is de recente wijziging van de verordening tot oprichting van Frontex, die dit orgaan verplicht tot de uitwerking van een strategie inzake de grondrechten, een raadgevend forum instelt, alsook een post voor een verantwoordelijke voor de mensenrechten (8). In dit kader erkent het CvdR de potentiële rol van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), dat zich ook in het verleden heeft beziggehouden met de mensenrechtensituatie aan de buitengrenzen van de EU (9), en moedigt het FRA aan om onderzoeken van deze aard verder uit te breiden en om Frontex en het EASO van advies en expertise te voorzien.

36.

De operationele bevoegdheden van het EASO moeten worden uitgebreid zodat het de lokale en regionale overheden doeltreffender kan bijstaan met zijn rechtstreekse steun, expertise en technische know-how. Het CvdR pleit voor meer betrokkenheid van de lokale en regionale overheden bij het adviesforum van het EASO. Het CvdR verwelkomt het voornemen van de Commissie om de impact van het EASO in 2013 te evalueren, en geeft te kennen dat het CvdR geïnteresseerd is in deelname aan deze procedure.

37.

Opleiding als specifieke maatregel voor praktische samenwerking van de kant van het EASO is van bijzonder groot belang. Het CvdR benadrukt de mogelijkheid tot meer praktische harmonisatie, zoals die geboden zal worden naar aanleiding van het afronden en volledig toepassen van het Europees asielcurriculum (European asylum curriculum). In dit verband stelt het CvdR aan het EASO voor om trainingsprogramma's op te stellen die nuttig zouden zijn voor ambtenaren van het lokale en regionale bestuur, voor zover zij betrokken zijn bij de opvang van aanvragers van internationale bescherming.

Economische en financiële solidariteit

38.

De EU heeft een reeks nuttige instrumenten gecreëerd die het voor de lidstaten mogelijk maken om het Europese asielbeleid op een betere manier toe te passen, waarbij vooral aan het Europees Vluchtelingenfonds moet worden gedacht.

39.

Positief is de voorgestelde vereenvoudiging van de structuur van de financieringsmechanismen van de EU ten behoeve van asiel en migratie op basis van het voorstel voor de oprichting van een geïntegreerd Fonds voor Asiel en Migratie, dat zal beschikken over het totale bedrag van 3,87 miljard euro voor het complete beheer van de migratiestromen, en dat zich gedurende de periode 2014-2020 met diverse aspecten van het gemeenschappelijke asiel- en migratiebeleid zal bezighouden. Deze ontwikkeling zou tegelijk vergezeld moeten gaan van een stroomlijning van de procedures.

40.

Er moeten voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor de versterking van de solidariteit. Dergelijke maatregelen zouden steun kunnen inhouden ten behoeve van de pogingen tot verbetering van basiselementen binnen de asielstelsels, en wanneer dit nodig is ten behoeve van specifieke hulp aan lidstaten en gebieden die met zware druk kampen, evenals ten behoeve van hervestigingsprogramma's.

41.

De beschikbare financiering voor asiel en internationale bescherming moet voldoen aan de internationale verplichtingen van de EU, zodat een voorzichtig evenwicht kan worden bereikt voor wat betreft de kosten met betrekking tot de veiligheid en het beheer van de grenzen, maar tegelijkertijd ook voor wat betreft de kosten van posten zoals de opvangomstandigheden van asielzoekers, sectoren waar de lokale en regionale overheden een duidelijke meerwaarde kunnen bieden.

42.

De Commissie en de lidstaten dienen te zorgen voor het volledig in werking stellen van het partnerschapsprincipe, het principe waarop de werking van de Fondsen is gebaseerd, op een zodanige manier dat de deelname van alle belanghebbende instanties op lokaal en regionaal niveau wordt gegarandeerd, zowel bij de planning van de financieringsprioriteiten als bij de beoordeling van concrete initiatieven. Dit principe moet worden toegepast binnen het kader voor de uitvoering, zoals dit geschetst wordt in hoofdstuk IV van het voorstel voor een verordening tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel en migratie [COM(2011) 752 final].

43.

Derhalve worden de lidstaten opgeroepen om de deelname te voorzien van vertegenwoordigers van de lokale en regionale overheden van elke lidstaat aan de procedure van een beleidsdialoog voor de vaststelling van de jaarlijkse financieringsprioriteiten van het Fonds (10).

Brussel, 18 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  De zaak M.S.S. tegen Griekenland en België – arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Straatsburg) d.d. 21 januari 2011, en de zaak Ν.S, tegen de minister van Binnenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk e.a. – arrest van 21 december 2011 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde prejudiciële verzoeken C-411/10 en C-493/10

(2)  3151e vergadering van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, Brussel, 8 maart 2012.

(3)  COM (2008) 820 final

(4)  CdR 90/2009 „De toekomst van het gemeenschappelijk Europees Asielstelsel II”

(5)  Study on the feasibility of establishing a mechanism for the relocation of beneficiaries of international protection, JLS/2009/ERFX/PR/1005 - 70092056

(http://ec.europa.eu/home-affairs/doc_centre/asylum/docs/final_report_relocation_of_refugees.pdf)

(6)  The challenges of mixed migration, access to protection and responsibility-sharing in the EU - A UNHCR non-paper (http://www.unhcr.org/4a44dd756.html)

(7)  PB L 132/1 van 19 mei 2011.

(8)  Verordening (EG) nr. 1168/2011, PB L 304/1 van 22 november 2011

(9)  Verslag „Coping with a fundamental rights emergency – The situation of persons crossing the Greek land border in an irregular manner”

(10)  Artikel 13 van het voorstel voor een verordening tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor Asiel en Migratie, COM (2011) 752 final


13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/18


Advies van het Comité van de Regio's — Steden van de toekomst: ecologisch en sociaal duurzame steden

2012/C 277/04

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

acht het een goede zaak dat de Commissie oproept tot holistische strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling, tot horizontale en verticale samenwerking binnen een participatief governancesysteem dat boven de verschillende bestuurslagen en gespecialiseerd beleid uitstijgt, de diversiteit van steden recht doet en rekening houdt met het belang van sociale innovatie en prospectieve planning;

is van mening dat de groeiende economische en sociale tweedeling in onze maatschappij zo snel mogelijk met investeringen in onderwijs voor iedereen (vanaf de prille kinderjaren), inclusieve arbeidsmarkten, levenslang leren en actieve integratie moet worden bestreden, alsook met billijke lonen waarmee behoeften kunnen worden gedekt en die voor man en vrouw op gelijk niveau liggen;

benadrukt dat er aan de basisbehoeften van een samenleving, d.w.z. toegang tot huisvesting, kinderopvang, kleuterscholen, veilige speeltuinen en plaatsen waar kinderen zich kunnen ontwikkelen, moet worden voldaan en dat de obstakels die gezinsvorming of -uitbreiding, in de weg staan, moeten worden beslecht;

wijst op de uitdagingen die de klimaatverandering met zich meebrengt. Het energieverbruik moet worden ingedamd door middel van kringloopprocessen, meer energie-efficiëntie, koppelingen tussen systemen, meer groene en onbebouwde zones, nieuwe bouwvormen en gezonde en veilige vormen van mobiliteit die de hulpbronnen niet uitputten;

onderstreept dat cultuur en creativiteit niet alleen belangrijk zijn voor economische groei, maar ook en vooral voor de kwaliteit van leven, directe democratie, vrede en wederzijdse waardering;

beandrukt dat het van fundamenteel belang is dat burgers een bijdrage kunnen leveren aan de beleidsvorming;

beklemtoont de noodzaak van de vele programma's en initiatieven van de Europese instellingen ter ondersteuning van steden. Met een sterke stedelijke dimensie, flexibiliteit bij de besteding van middelen en een centrale rol voor lokale overheden in de uitvoering van het cohesiebeleid zou in de komende programmeringsperiode duidelijk moeten worden gemaakt dat steden worden gesteund;

acht het een goede zaak dat duurzame financieringsinstrumenten in het structuurbeleid verder worden ontwikkeld. Dergelijke instrumenten zijn creatieve en stabiele steunmechanismen.

Rapporteur

Hella DUNGER-LÖPER (DE/PSE), gevolmachtigde van de deelstaat Berlijn en staatssecretaris voor Europese aangelegenheden

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

Achtergrond en aanleiding

1.

beschouwt de aan dit advies ten grondslag liggende raadpleging door het Deense EU-voorzitterschap en haar actieve inbreng in de vijfde top van regio's en steden (22 en 23 maart in Kopenhagen; onderwerp: de Europese stedelijke structuur in de 21e eeuw) als teken van erkenning van de bijdrage die steden en regio's leveren aan de Europese eenwording en van hun cruciale rol bij de uitvoering van de Europa 2020-strategie.

2.

Het CvdR neemt met belangstelling kennis van het verslag „Steden van morgen – Uitdagingen, visies, werkwijzen” (oktober 2011) van de Europese Commissie en deelt de daarin geformuleerde visie op de stad van morgen: „een plaats van aanzienlijke sociale vooruitgang met een hoog niveau van sociale samenhang, huisvesting voor iedereen alsook sociale diensten, gezondheidszorg en „onderwijs voor iedereen”, een platform voor democratie, culturele dialoog en diversiteit, een plaats van groene, ecologische of milieugerichte vernieuwing, een aantrekkelijke plaats en een motor voor economische groei”.

3.

Het CvdR deelt de in het verslag „Steden van morgen” geformuleerde zorgen over de toekomst van steden in het licht van een aantal gevaren: demografische veranderingen, dalende groei en verzwakte verbanden tussen economische groei, werkgelegenheid en sociale vooruitgang. Andere gevaren zijn groeiende inkomensverschillen, de toenemende sociale polarisatie en segregatie, een toenemend aantal personen die de samenleving de rug toekeren, het uitdijen van steden en de steeds grotere druk op stedelijke ecosystemen.

4.

De Europese Unie kan de doelen van de Europa 2020-strategie alleen bereiken wanneer steden, als plaatsen van sociale en economische innovatie, in staat zijn om volop bij te dragen aan een intelligente, inclusieve en duurzame groei en aan economische, sociale en territoriale samenhang.

5.

Er is daarom veel te zeggen voor de maatregelen die de Commissie in „Steden van morgen” voorstelt om steden slagvaardiger te maken: totstandbrenging van een veerkrachtige en inclusieve economie, benutting van het potentieel van sociaaleconomische, culturele, intergenerationele en etnische diversiteit, bestrijding van ruimtelijke uitsluiting en energiearmoede door betere huisvesting, een holistische benadering van milieu- en energiekwesties, aanleg en instandhouding van aantrekkelijke openbare ruimten, bevordering van duurzame, inclusieve en gezonde mobiliteit en bevordering van een evenwichtige territoriale ontwikkeling.

6.

De Commissie roept terecht op tot holistische strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling, tot horizontale en verticale samenwerking binnen een participatief governancesysteem dat boven de verschillende bestuurslagen en gespecialiseerd beleid uitstijgt, de diversiteit van steden recht doet en rekening houdt met het belang van sociale innovatie en prospectieve planning.

7.

In zijn „Verklaring van Kopenhagen” van 23-3-2012 pleit het CvdR voor groenere, sociaal inclusievere en beter concurrerende steden en dringt het in dat verband bij de EU-instellingen aan op een lokale verankering van de Europa 2020-strategie, voldoende financiële middelen voor een krachtig stedelijk beleid, een hogere prioriteit voor territoriale samenwerking tussen Europese steden, een grotere inbreng van steden en regio's in de Europese beleidsvorming, verdere decentralisering in de lidstaten en meer financiële armslag voor steden en regio's.

8.

In zijn advies „Het belang van stadsvernieuwing voor de toekomst van stedelijke ontwikkeling in Europa” van 10-6-2010 pleit het CvdR ervoor om de stedelijke dimensie op alle beleidsterreinen van de EU te versterken.

Opmerkingen

9.

Steden vormen altijd een afspiegeling van de samenleving. Economische en sociale besluiten en ontwikkelingen op alle niveaus van politieke en economische verantwoordelijkheid drukken hun stempel op de steden van de toekomst en hun levenskwaliteit.

10.

Steden zijn lang niet alleen om economische en demografische redenen belangrijk voor de EU. Mooie, intelligente, groene en inclusieve steden die efficiënt met energie en hulpbronnen omgaan zijn een voorwaarde voor een harmonieuze en solidaire samenleving.

11.

Steden zijn in sociaal en economisch opzicht nauw vervlochten met hun ommeland en om die reden belangrijk voor een evenwichtige territoriale ontwikkeling.

12.

Gezien de maatregelen die nodig zijn is het categorische onderscheid dat altijd is gemaakt tussen steden en hun ommelanden inmiddels achterhaald: er moet nu een visie worden ontwikkeld waarin stad en buitenwijken in hun functionaliteit en nauwe verbondenheid meer als eenheid opereren.

13.

Op wereldwijde schaal onderscheiden Europese steden zich door democratische zelfbeschikking, een sterk maatschappelijk middenveld, sociale integratie, een goede wisselwerking tussen privé en openbaar, een vrijheidsgarantie, emancipatie en een uitgesproken stedenbouwkundige cultuur.

14.

Door de ontindustrialisering en de globalisering zijn belangrijke fundamenten van de sociale en economische integratie weggeslagen. In zowel welvarende als arme gebieden wordt naar strategieën voor een hechtere sociale cohesie gezocht, maar vooralsnog hebben die de ruimtelijke en sociale segregatie nauwelijks een halt kunnen toeroepen. Integendeel, ondanks deze inspanningen zijn alom de sociale tweedeling en segregatie toegenomen, wat een groot probleem is voor de stedelijke samenleving.

15.

De groeiende economische en sociale opdeling van onze maatschappij moet zo snel mogelijk met investeringen in onderwijs voor iedereen (vanaf de prille kinderjaren), inclusieve arbeidsmarkten, levenslang leren en actieve integratie worden bestreden, alsook met billijke lonen waarmee behoeften kunnen worden gedekt en die voor man en vrouw op gelijk niveau liggen. Economische en banengroei in steden zijn in dit opzicht van doorslaggevend belang.

16.

Deze problemen zijn nog verergerd in een aantal metropolen en hebben daar al tot gewelddadige protesten geleid. Ze getuigen ook van het wantrouwen van veel burgers in de politieke instellingen.

17.

Het CvdR wijst op de lokale gevolgen van de vergrijzing en andere demografische ontwikkelingen, die nieuwe eisen stellen aan de sociale infrastructuur en de openbare ruimte. Gezien de toenemende armoede onder ouderen zouden er duurzame systemen voor sociale zekerheid en diensten moeten komen die toegankelijk en betaalbaar zijn voor de burger en rekening houden met culturele verschillen.

18.

Om economische groei te garanderen en de gevolgen van de vergrijzing voor sociale stelsels en de gezondheidszorg op te vangen is Europa, ondanks de dramatisch hoge jeugdwerkloosheid van dit moment, de komende decennia aangewezen op de immigratie van jongeren. Open en aantrekkelijke steden zijn een voorwaarde voor immigratie. Toch ervaren migranten en etnische minderheden in steden vaak nog grote problemen op het gebied van onderwijs, werk, woonruimte en gezondheidszorg. Een toekomstgericht migratiebeleid dient dan ook effectieve lokale integratiestrategieën te omvatten.

19.

Het CvdR benadrukt dat er aan de basisbehoeften van een samenleving, d.w.z. toegang tot huisvesting, kinderopvang, kleuterscholen, veilige speelplaatsen en plaatsen waar kinderen zich kunnen ontwikkelen, moet worden voldaan en dat de obstakels moeten worden beslecht die gezinsvorming of -uitbreiding in de weg staan. Daarom verdienen alle maatregelen steun die tot groei van de bevolking leiden.

20.

De klimaatverandering brengt uitdagingen met zich mee. Het energieverbruik moet worden ingedamd door middel van kringloopprocessen, meer energie-efficiëntie, koppelingen tussen systemen, meer groene en onbebouwde zones, nieuwe bouwvormen en gezonde en veilige vormen van mobiliteit die de hulpbronnen niet uitputten.

21.

Cultuur en creativiteit zijn niet alleen belangrijk voor economische groei, maar ook en vooral voor de kwaliteit van leven, directe democratie, vrede en wederzijds respect. Stedelijke cultuur betekent onder meer het behoud van bouwkundig erfgoed, hoogwaardige en voor iedereen toegankelijke openbare ruimten en inachtneming van lokale en regionale kenmerken.

22.

Om het vertrouwen van de burgers te winnen en de sociale samenhang te versterken is het van fundamenteel belang dat zij een bijdrage kunnen leveren aan de beleidsvorming. Die bijdrage kan echter alleen maar worden geleverd als het stadsbestuur volledig open en transparant is over wat aan zijn besluiten en maatregelen ten grondslag ligt.

23.

De vele programma's en initiatieven van de Europese instellingen ter ondersteuning van steden zijn noodzakelijk, aangezien gemeenten die zelf niet over genoeg financiële middelen beschikken, van die steun afhankelijk zijn.

24.

Ondanks de intentieverklaringen in het Handvest van Leipzig en het bijbehorende beleidsproces is het engagement van de lidstaten op het gebied van stedelijk beleid de afgelopen jaren helaas eerder geslonken dan toegenomen. Het is namelijk nog nauwelijks gelukt om het stedelijk beleid prioriteit te verlenen op de relevante beleidsterreinen werkgelegenheid, milieu, onderwijs en wetenschap, en huisvesting. Ook het lagere budget voor programma's ter ondersteuning van steden spreekt wat dit betreft boekdelen. Daarom zouden er zo snel mogelijk EU-middelen moeten worden vrijgemaakt waarmee steden flexibel op deze problemen kunnen reageren.

25.

In de meeste lidstaten is het budget dat aan gemeenten wordt toegekend, rampzalig te noemen, en als de lidstaten hun begrotingsprioriteiten niet aanpassen zal hier geen verandering in komen.

26.

Gezien de acute sociale, economische en ecologische gevaren schieten de tot dusverre genomen maatregelen danig tekort om Europese steden in die zin toekomstbestendig te maken dat zij als concurrerende, fraaie, intelligente, zuinig met energie en hulpbronnen omspringende, groene en inclusieve plaatsen van sociale innovatie volop kunnen bijdragen aan een sterkere sociale, economische en territoriale samenhang in de EU en aan de uitvoering van de Europa 2020-strategie.

Politieke eisen

Algemeen

27.

In het licht van de huidige maatschappelijke problemen hebben de niveaus van politieke verantwoordelijkheid alle belang bij sterke, democratisch autonome steden als fundament van de Europese samenleving. Een sterke, responsieve en slagvaardige lokale democratie kan een cruciale bijdrage helpen leveren aan het herstellen van het vertrouwen in de instellingen van de representatieve democratie op alle niveaus.

28.

Het CvdR pleit eens te meer voor een benadering van maatschappelijke ontwikkeling waarbij het bruto binnenlands product (bbp) niet het enige criterium is en de zorgen en behoeften van de burger serieus worden genomen en sterker doorwerken in de planning van programma's en maatregelen.

29.

Het CvdR verwacht van gekozen volksvertegenwoordigers op alle niveaus dat zij op een zelfbewuste en moedige manier de weg wijzen naar een vreedzame en solidaire samenleving. Alleen in vrede en ware, grensoverschrijdende solidariteit is een intelligente, inclusieve en duurzame groei mogelijk. Daarbij hoort dat migranten actief welkom worden geheten en dat interculturele vaardigheden in het openbaar bestuur en in publieke instellingen worden bevorderd. Daarbij hoort ook een duidelijk engagement ter bescherming van vluchtelingen en mensen die door hun herkomst, geloof, seksuele geaardheid of politieke overtuiging dan wel omdat ze tot een bepaalde sociale groep behoren, politiek vervolgd of gediscrimineerd worden.

30.

Geïntegreerde lokale strategieën zijn belangrijk voor een doelgerichte, efficiënte besteding van de middelen waarbij alle beleidsterreinen moeten worden betrokken. Alle beleidsniveaus en -instanties moeten op een constructieve en vanzelfsprekende manier samenwerken om de burgers te laten zien dat overheidsinstellingen verantwoordelijk met het in hen gestelde vertrouwen kunnen omgaan en de lokale behoeften serieus nemen.

31.

Op alle niveaus moeten besluitvormende organen zich sterk maken voor een gezonde en duurzame mobiliteit in en tussen steden. Het openbaar vervoer moet zodanig bevorderd worden dat het voor de gehele bevolking toegankelijk is. Bovendien moeten besluitvormende organen de steden verder ontwikkelen in de traditie van de Europese stad, dus via integratie van de verschillende vervoerswijzen, dichtheid en (stedenbouwkundige en architectonische) kwaliteit.

32.

Er zijn nieuwe inspanningen nodig om de kennis over de sociale, economische en ecologische kanten van stedelijke ontwikkeling uit te breiden. Hierbij moet de aandacht ook expliciet uitgaan naar het belang van de virtuele ruimte voor het leven en werken in steden en regio's.

33.

Stedenjumelages, Europese stedennetwerken als EUROCITIES en projecten voor transnationale intergemeentelijke samenwerking in het kader van URBACT, INTERREG en EVTZ zijn belangrijk voor een betere kijk op en een betere aanpak van de stedelijke ontwikkeling. Er moet vooral voor gezorgd worden dat deze uitwisseling van kennis ten goede komt aan de beleidsvorming op het gebied van de structuurfondsen, maar ook op relevante beleidsterreinen als diensten van algemeen belang, vervoer en milieubescherming.

Gericht aan de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement

34.

Steden en regio's moeten als vanzelfsprekend deel gaan uitmaken van de multigovernance-structuren op alle beleidsterreinen waar op EU-niveau besluiten worden genomen die van invloed zijn op de armslag van subnationale overheden.

35.

De Europese instellingen zouden zich duidelijk moeten engageren als het op de versterking van steden aankomt en dit zou in de prioriteiten voor de volgende begroting tot uitdrukking moeten komen.

36.

Er is een structuurbeleid nodig waarbij gemeenten genoeg speelruimte houden voor een geïntegreerde, op lokale prioriteiten afgestemde, uit sociale en investeringsplannen bestaande meerfondsenaanpak die voorziet in de lokale behoeften. Alleen als de kosten voor beheer en controle worden teruggedrongen, kunnen de gemeenten het structuurbeleid ook daadwerkelijk uitvoeren.

37.

Het cohesiebeleid is van cruciale waarde voor de versterking van de sociale, economische en territoriale cohesie. Met een sterke stedelijke dimensie, flexibiliteit bij de besteding van middelen en een centrale uitvoerende rol voor lokale overheden zou in de komende programmeringsperiode duidelijk moeten worden gemaakt dat steden worden gesteund. Gezien de cruciale waarde van steden voor de sociale, economische en territoriale cohesie moet er voor steunmaatregelen aanzienlijk meer worden uitgetrokken dan het voorgestelde minimum van 5 %.

38.

Het CvdR verwijst met nadruk naar zijn advies over het voorstel van de Commissie over het EFRO, waarin het aandringt op de mogelijkheid van een flexibele besteding van de middelen zonder bevoorrechting of achterstelling van bepaalde soorten gebieden, zodat ook landelijke en peri-urbane gebieden van het EFRO kunnen profiteren. De verdeling van de EFRO-middelen over de verschillende soorten gebieden moet tijdens de in onderling overleg op te stellen programmering worden geregeld en kan niet vooraf worden vastgelegd. Het delegeren van taken aan steden in het kader van het instrument van geïntegreerde territoriale investeringen (artikel 99 van de algemene verordening) moet een optie zijn en mag niet als verplichting worden ingevoerd.

39.

Het is een goede zaak dat duurzame financieringsinstrumenten in het structuurbeleid verder worden ontwikkeld. Naast de publieke toepassingen ervan zijn dit creatieve en stabiele steunmechanismen.

40.

De inbreng van steden en regio's in de beleidsvorming op het gebied van immigratie en integratie moet hun cruciale betekenis voor integratie weerspiegelen.

Gericht aan de lidstaten

41.

De lidstaten moeten hun stedelijk beleid een nieuwe impuls geven en hierbij ook andere beleidsterreinen dan ruimtelijke ordening betrekken. Duurzame stadsontwikkeling is alleen mogelijk met gunstige randvoorwaarden, met name in het werkgelegenheids-, onderwijs-, milieu- en sociaal beleid.

42.

Het CvdR pleit voor een discussie over de te ondernemen stappen in en met steden. In het belang van de cohesie en een evenwichtige ontwikkeling is het cruciaal dat steden en agglomeraties de handen ineenslaan.

Brussel, 19 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


III Voorbereidende handelingen

COMITÉ VAN DE REGIO'S

96e plenaire zitting van 18 en 19 juli 2012

13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/23


Advies van het Comité van de Regio's — Financiële instrumenten van de EU voor binnenlandse zaken

2012/C 277/05

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

is ingenomen met de stap die is gezet in de richting van een echte ruimte van vrijheid, veiligheid en recht middels begrotingsvoorstellen waarin wordt erkend dat het nodige geld voor immigratie, asiel en veiligheid moet worden vrijgemaakt;

bevestigt het belang van de voorgestelde wijzigingen voor de lokale en regionale autoriteiten (LRA). De voorstellen zullen een directe impact hebben op hun taken en het dagelijkse leven van de mensen in de Unie;

acht het inderdaad zaak dat er tegen de achtergrond van de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden gereageerd wordt op bezorgdheid over veiligheid die voortkomt uit een toegenomen wereldwijde mobiliteit;

vindt de aandacht terecht gericht op flexibiliteit en resultaten, maar dat vergt wel goed plannen en participatie van en betrokkenheidsgevoel bij alle stakeholders. Daarom moeten ook de LRA, gespecialiseerde internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en de begunstigden zelf vanaf de planningsfase mee kunnen doen want de programma's en projecten worden vaak door hen uitgevoerd;

denkt dat de voorgestelde hervormingen de toegang tot financiering vast en zeker ten goede komen. Het Comité roept er wel toe op om te blijven werken aan mechanismen om informatie over financieringsmogelijkheden te verspreiden. In de grotere landen zouden de LRA kunnen worden ingeschakeld om regionale en lokale voorlichtingsbijeenkomsten te organiseren zodat organisaties en stakeholders die ver van de grote steden werken ook kunnen participeren.

Rapporteur

Samuel AZZOPARDI (MT-EVP), burgemeester van Victoria, Gozo

Referentiedocument

 

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „De totstandbrenging van een open en veilig Europa: de begroting voor binnenlandse zaken 2014-2020”

COM(2011) 749 final

 

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa

COM(2011) 750 final

 

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor asiel en migratie

COM(2011) 751 final

 

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel en migratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer

COM(2011) 752 final

 

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer

COM(2011) 753 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Algemene appreciatie

1.

Het Comité is ingenomen met de stap die is gezet in de richting van een echte ruimte van vrijheid, veiligheid en recht middels begrotingsvoorstellen waarin wordt erkend dat het nodige geld voor immigratie, asiel en veiligheid moet worden vrijgemaakt. (1)

2.

Het steunt de vereenvoudiging van de bestaande instrumenten, die in twee fondsen worden gebundeld.

3.

Het bevestigt het belang van de voorgestelde wijzigingen voor de lokale en regionale autoriteiten (LRA). De voorstellen zullen een directe impact hebben op hun taken en het dagelijkse leven van de mensen in de Unie.

4.

Het is inderdaad zaak dat er tegen de achtergrond van de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden gereageerd wordt op bezorgdheid over veiligheid die voortkomt uit een toegenomen wereldwijde mobiliteit.

5.

Het Comité benadrukt dat zulks kan geschieden door gebruik te maken van samenhangende instrumenten op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, waarbij een en ander is gebaseerd op respect voor mensenrechten, solidariteit en verantwoordelijkheid met bijzondere aandacht voor de gelijkheid van man en vrouw en non-discriminatie. (2)

6.

Er dient een evenwicht te zijn tussen enerzijds uitgaven voor veiligheid en grensaangelegenheden en anderzijds uitgaven voor zaken als integratie van migranten en opvangvoorwaarden voor asielzoekers.

7.

Verder kan het Comité zich vinden de invoering van een op behoeften toegesneden budget waarmee wordt bijgedragen tot synergie tussen de financiële instrumenten van de EU, en wel met name tussen de structuurfondsen en de fondsen voor binnenlandse zaken. De begroting van de Unie moet toereikende middelen voor binnenlandse zaken bevatten, zowel via de structuurfondsen als specifieke instrumenten voor vrijheid, veiligheid en recht.

8.

Het Comité wijst erop dat er geen bijkomend beroep op andere EU-instrumenten meer kan worden gedaan omdat Raadsbesluit 2007/125/JI is ingetrokken. Hierdoor wordt de gewenste flexibiliteit bij het gebruik van financiële instrumenten fors ingeperkt en ook loopt de automatische verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende regionale projecten voor interne veiligheid gevaar. Het gaat daarbij om projecten die tot op heden op doelstelling 3 van het EFRO gebaseerde steun ontvingen. Daarom pleit het Comité ervoor, de complementariteit tussen de instrumenten te handhaven.

9.

De uitvoering van de begroting en het gebruik van de financiële instrumenten moeten wel met een zekere flexibiliteit gepaard gaan: een daadwerkelijke herziening halverwege en overeenkomstig de vastgestelde beleidsprioriteiten moet mogelijk zijn. Voorts dient die soepelheid gepaard te gaan met faire toewijzing van middelen.

10.

Het zou inderdaad goed zijn wanneer in het immigratiebeleid niet alleen wordt gekeken naar de situatie in de landen van herkomst, maar tevens rekening wordt gehouden met de behoeften van de Europese arbeidsmarkt en de demografische ontwikkelingen. De bedoeling is een systeem dat alle partijen voordeel biedt, dus ook de landen van oorsprong, die zo vaak financieel door de Unie worden gesteund. (3)

11.

De lidstaten moeten op EU-niveau beter coördineren ten behoeve van het beheer van de buitengrenzen en de invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel.

12.

Het gebruik van de middelen moet transparant, en bijbehorende voorstellen, projecten en resultaten, moeten zichtbaar zijn, alsook gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk voor de gewone burger.

Programmering en beheer van de fondsen

13.

De Commissie richt zich terecht op flexibiliteit en resultaten, maar dat vergt wel goed plannen en participatie van en betrokkenheidsgevoel bij alle stakeholders. Daarom moeten ook de LRA, gespecialiseerde internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en de begunstigden zelf vanaf de planningsfase mee kunnen doen want de programma's en projecten worden vaak door hen uitgevoerd.

14.

Ook bestaat er behoefte aan onafhankelijke controle en evaluatie om ervoor te zorgen dat de fondsen efficiënt worden gebruikt en de uitvoerende organisaties de zaken goed beheren. Dit zou een prikkel kunnen zijn om de prestaties van instellingen te verbeteren. Ook dienen de stakeholders gezamenlijk zowel kwantitatieve als kwalitatieve indicatoren te ontwikkelen. Het Comité wijst erop dat bepaalde kwalitatieve indicatoren doeltreffend en kostendrukkend kunnen zijn. Ook roept het Commissie en Parlement ertoe op om de fondsen versterkt aandacht te geven zodat onafhankelijke controle en evaluatie tot stand kunnen komen.

Toegang tot financiering

15.

De voorgestelde hervormingen komen de toegang tot financiering vast en zeker ten goede. Het Comité roept er wel toe op om te blijven werken aan mechanismen om informatie over financieringsmogelijkheden te verspreiden. In de grotere landen zouden de LRA kunnen worden ingeschakeld om regionale en lokale voorlichtingsbijeenkomsten te organiseren zodat organisaties en stakeholders die ver van de grote steden werken ook kunnen participeren.

Verdeling van middelen

16.

Weliswaar zijn vereenvoudiging en flexibiliteit als positief aan te merken, maar de voorgestelde hervormingen werken ook onzekerheid in de hand omtrent de middelenverdeling over sectoren en doelstellingen. Daarom moet op basis van een grondig onderzoek, met prioriteit voor de in het spel zijnde rechten, efficiënt en naargelang behoeften worden toegewezen. Daarvoor kunnen mechanismen en waarborgen worden ingevoerd, en daartoe behoort ook de betrokkenheid van de LRA en andere stakeholders bij het ontwerpen van nationale strategieën.

17.

Verder moeten de fondsen in het licht van institutionele capaciteit en projectvoorstellen gelijkelijk worden verdeeld en niet over slechts een beperkt aantal begunstigden.

18.

Mocht er te weinig geld zijn, dan denkt het Comité dat er voorrang moet worden verleend aan de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden, inclusief de rechten aangaande minimale levensbehoeften, gender gerelateerde kwesties en asielrecht, alsook aan capaciteitsopbouw door de LRA om de migrantenstroom te beheren.

De stakeholders moeten ingeschakeld worden

19.

Het belang van participatie voor daadwerkelijke resultaten kan alleen maar worden benadrukt. Het Comité steunt dan ook de voorstellen die de lidstaten ertoe verplichten om met alle betrokken overheidsinstanties en stakeholders (waaronder het maatschappelijk middenveld en international organisaties) partnerschappen te organiseren voor opzet, uitvoering en controle van de nationale programma's.

20.

Daarom dringt het erop aan dat die partnerschappen met stakeholders worden versterkt en verplicht worden gesteld. De beginselen van de huidige ontwerprichtlijn met algemene bepalingen (4) weerspiegelen het bindende karakter van die participatie wellicht onvoldoende. Coördinatiemechanismen zijn dwingend voorgeschreven, maar op andere gebieden bestaat er veel keuzevrijheid betreffende het al dan niet daadwerkelijk aangaan van substantiële partnerschappen.

21.

Ondanks de eventuele vereenvoudigingseffecten is het misschien toch niet zinvol om één autoriteit voor alle uit de fondsen gefinancierde activiteiten aan te stellen. Ter wille van eerlijke besluitvorming is een transparante en evenwichtige besluitvorming geboden. Juridische kwesties zouden er ook in de weg aan kunnen staan dat een gedelegeerde autoriteit onder toezicht van een de nationale verantwoordelijke autoriteiten mag werken. Daarom stelt het Comité voor, de verordeningen dusdanig flexibel te maken dat de lidstaten hun constitutionele structuren niet hoeven te wijzigen indien de doelstellingen net zo goed via partnerschappen kunnen worden gerealiseerd.

Gemeenschappelijk Europees asielstelsel

22.

Dat is een goed streven, maar het moet wel zo zijn dat de normen van de lidstaten met betere systemen en structuren de overhand hebben en de algemene kwaliteit niet wordt gereduceerd tot die van de lidstaten met zwakkere stelsels.

23.

Verder zou duidelijker moeten worden aangegeven of EASO alleen de direct aan die organisatie toegewezen fondsen mag gebruiken of ook toegang heeft tot de fondsen voor binnenlandse zaken.

Opvang en integratie van international beschermde personen en onderdanen van derde landen

24.

De Commissie heeft terecht oog voor de rol van de LRA bij de opvang- en asielstelsels en de integratie van onderdanen van derde landen en legale migranten.

25.

Ook is het een goede zaak dat zij zich wil concentreren op de zwaksten, waaronder de slachtoffers van mensensmokkel.

26.

Voorts dient integratie in het teken van duurzaamheid te staan. Het moet immers van twee kanten komen en de acties moeten dus zowel op de autochtone als de allochtone gemeenschappen gericht zijn.

27.

Ook dienen de fondsen de door de Commissie aanbevolen maatregelen te ondersteunen. Daarmee wordt de „multilevel governance”-aanpak van de tweede „Europese agenda voor de integratie van onderdanen van derde landen” (5) erkend.

28.

Het EHRM en mensenrechtenorganisaties houden de administratieve bewaringspraktijken in de Unie in het oog en het Comité wijst erop dat er bij financiering van projecten in verband met bewaring voor moet worden gezorgd dat die strookt met EU-recht en de rechtspraak van het EHRM.

29.

Gezinsleden die in meerdere lidstaten international bescherming genieten moet worden toegestaan samen te wonen en in dezelfde lidstaat bescherming te krijgen.

Gedeelde verantwoordelijkheid en overbrenging binnen de Unie

30.

De Europese grensregio's moeten, vooral in bijzonder moeilijke periodes, efficiënter ondersteund worden op het gebied van asiel en migratie. (6)

31.

De criteria en mechanismen voor overbrenging moeten non-discriminatoir zijn en zich richten op de zwaksten. Maar ook dient er oog te zijn voor de situatie op de Europese arbeidsmarkt en dat geldt met name voor personen die gebonden zijn aan zones waar nauwelijks werk te vinden is. In die criteria mag dus geen voorrang worden gegeven aan personen met veel vaardigheden en die reeds in het land van opvang geïntegreerd zijn.

32.

De LRA zijn goed geplaatst om mee te doen aan het opzetten van dergelijke mechanismen. (7)

33.

De steun voor overbelaste landen moet afhankelijk worden gesteld van de prestaties van een land op het gebied van de mensenrechten en respect voor de opvangvoorwaarden van de Unie, en dit dient dus prikkels voor verbetering te bevatten.

EU-programma voor hervestiging

34.

Invoering van een EU-hervestigingsprogramma verdient bijval en het Comité zou graag een duidelijk kader zien dat gezamenlijk wordt uitgewerkt door EASO, UNHCR en NGO's, en waarbij goede praktijken van elders in de wereld voor ogen worden gehouden. De Unie moet hier een voorbeeldfunctie vervullen waar het gaat om opsporing en bescherming van diegenen die het meest door de internationale gemeenschap vergeten zijn.

35.

Verder moeten er prikkels en voorlichting over voordelen komen om de lidstaten ertoe aan te zetten meer plaatsen voor hervestiging beschikbaar te stellen.

36.

Het Comité benadrukt dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen hervestiging van personen uit derde landen en overbrenging binnen de EU. Hetzelfde geldt voor het aantal mensen dat binnen die twee programma's vallen.

Hulp bij vrijwillige terugkeer

37.

De programma's in kwestie moeten principieel op zuiver vrijwillige basis en overeenkomstig de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking worden uitgevoerd, hetgeen moet uitmonden in maatschappelijke integratie voor de lange termijn van betrokkenen. (8) De terugkeer dient van concrete perspectieven vergezeld te gaan en ook mag het niet zo zijn dat er weer aan een nieuw vertrek wordt gewerkt. (9) Daarvoor kan worden gezorgd middels partnerschappen met een gespecialiseerde internationale organisatie als het IOM.

38.

Het succes van terugkeerstrategieën kan niet voldoende worden gemeten aan de hand van zuiver kwantitatieve indicatoren zoals het aantal terugkeerders. Dat aantal moet met het aantal dossiers worden vergeleken en daarbij dient ook naar kwaliteitsfactoren voor de lange termijn te worden gekeken.

Strategie voor interne veiligheid

39.

Het Comité moet hoe dan ook bij de verhoging van die veiligheid worden betrokken en ook bestaat er behoefte aan capaciteitsopbouw bij de LRA.

40.

Verder moet bij de financiering in dit verband worden beseft dat er in meer onderzoek moet worden geïnvesteerd en dat er aan innovatie en uitwisseling van deskundigheid moet worden gedaan op gebieden als cyberveiligheid, forensisch onderzoek, bescherming van vitale infrastructuur en veiligheid in steden. De Commissie moet dit alles bevorderen in lijn met de toegenomen noodzaak om zelfs meer specifieke en ingewikkelde problemen aan te pakken.

41.

Ook benadrukt het Comité andermaal het belang van de LRA voor politiële en veiligheidssamenwerking middels opleiding, uitwisseling van goede praktijken, preventieprogramma's, ontwikkeling van gemeenschappelijke instrumenten en IT-systemen en betere communicatie.

Bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad

42.

In iedere lidstaat zouden de LRA-netwerken moeten worden versterkt en gebruikt (zo nodig worden er nieuwe opgericht) ter vergemakkelijking van de uitwisseling van goede praktijken in verband met maatschappelijke integratie, beroepsopleiding en kennis over geweldadig extremisme dat uit lokale districten en wijken voortkomt. Dit zou het werk kunnen ondersteunen van het onlangs opgerichte Europees netwerk tegen radicalisering (RECORA).

43.

De financiering uit de fondsen zou vergezeld moeten gaan van lokale openbare raadplegingen waarbij zij die zich uitgesloten voelen worden betrokken. Dit kan helpen om een breed beeld te krijgen van lokale ervaringen en terrorismeconcepten en beweegredenen voor de overstap op extremisme.

44.

Ook moet er beter worden gekeken naar bancaire en zakelijke praktijken om inzicht te krijgen in de financiering van terrorisme en georganiseerde misdaad via witwassen en koppeling van criminele activiteiten aan bedrijven uit de bovenwereld.

45.

Daarnaast wijst het Comité op het belang van inbeslagname van door criminaliteit verkregen activa. Dat is zonder meer een manier om misdaad lik op stuk te geven, en daarom kan het CvdR zich zonder meer vinden in het Commissievoorstel om de confiscatieregelingen van de EU te versterken. (10)

46.

Voorts kunnen publiek/private partnerschappen een positief effect hebben, maar de veiligheidsbewaking mag niet worden geprivatiseerd.

Grenscontrole en redding

47.

Er moet genoeg geld voor grenscontrole worden uitgetrokken. (11) Maar het staat niet vast dat zwaar daarin investeren de meest efficiënte methode is om illegale immigratie duurzaam en substantieel te bestrijden.

48.

Organisaties als UNHCR moeten onafhankelijk toezicht houden op acties aan de grens om ervoor te zorgen dat grondrechten, inclusief gender gerelateerde kwesties, worden gerespecteerd.

49.

Het menselijk leven heeft voorrang op wat dan ook en daarom roept het Comité de lidstaten op tot meer samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid met als doel nog meer mensen te redden. Door die verantwoordelijkheid te delen zouden er wel eens meer levens op zee kunnen worden gered.

Reactie op noodsituaties

50.

Het Comité kan zich vinden in veranderingen om in noodsituaties sneller te kunnen reageren.

51.

Het roept de Commissie op tot planning en ontwikkeling van grensoverschrijdende operaties met actieve deelname van de grensregio's. Zo kunnen de regio's hun ervaring met civiele bescherming bundelen en komt er een solide operationele basis voor een Europese eenheid die op noodsituaties kan reageren.

52.

Ook wordt de Commissie ertoe opgeroepen om zich vaker direct met noodsituaties te bemoeien om overzicht te behouden en bij grensoverschrijdende coördinatie te helpen.

53.

De lidstaten worden aangemoedigd om multidisciplinaire teams voor snelle reactie op te zetten. Zulks met name voor noodsituaties bij gemengde migrantenstromen waarbij kennis van asielrecht en grondrechten essentieel is.

54.

Sommige noodsituaties kunnen lang duren en dan moet er financiering voor die duur beschikbaar zijn.

Externe aspecten van migratiebeheer

55.

Een meer samenhangende benadering van interne en externe aspecten van migratiebeheer en interne veiligheid verdient inderdaad bijval, maar ook zijn samenwerking en dialoog met derde landen geboden ten behoeve van zowel aanpak van illegale immigranten als behandeling van legale migranten.

56.

Verder kunnen de LRA die het dichtste bij derde landen zijn gesitueerd of daarmee de sterkste banden hebben de Unie essentiële contacten bezorgen voor samenwerking met die landen, en zodoende substantieel bijdragen tot de verbetering van de levensomstandigheden in de steden en regio's van de landen van herkomst en doorvoer. (12) Via de samenwerking met de LRA in toetredings- en naburige landen (bijv. werkgroepen, GRC's, CORLEAP, ARLEM), is het Comité goed geplaatst om de doelstellingen van de fondsen buiten de EU te promoten.

57.

Voorts is het verschil tussen al dan niet ontwikkelingsactiviteiten ten aanzien van derde landen niet duidelijk en het Comité vraagt dan ook om samenhang en coördinatie tussen de onder de noemer van „hulp”, „ontwikkeling” of „binnenlandse zaken”gefinancierde projecten. Een en ander op basis van solidariteit en met derde landen gedeelde verantwoordelijkheid.

58.

Ten slotte moet ervoor worden gezorgd dat de lidstaten hun belangen niet via het externe aspect van de fondsen gaan behartigen en ook moeten er mechanismen komen voor transparantie in de bilaterale samenwerking tussen lidstaten en derde landen.

II.   WIJZIGINGSVOORSTELLEN

COM(2011) 750 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 3, lid 2, onder b)

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

b)

ondersteunen van het grensbeheer, om er voor te zorgen dat enerzijds de buitengrenzen zo goed mogelijk worden beschermd en anderzijds de overschrijdingen van de buitengrenzen vlot verlopen overeenkomstig het Schengenacquis.

b)

ondersteunen van het grensbeheer, om er voor te zorgen dat enerzijds de buitengrenzen zo goed mogelijk worden beschermd en anderzijds de overschrijdingen van de buitengrenzen vlot verlopen overeenkomstig het Schengenacquis.

De verwezenlijking van deze doelstelling zal worden getoetst aan de hand van indicatoren zoals de ontwikkeling van uitrusting voor grenstoezicht en de aanhouding van illegale onderdanen van derde landen aan de buitengrens overeenkomstig het risico van het relevante onderdeel van die buitengrens.

De verwezenlijking van deze doelstelling zal worden getoetst aan de hand van indicatoren zoals de ontwikkeling van uitrusting voor grenstoezicht de aanhouding van illegale onderdanen van derde landen aan de buitengrens overeenkomstig het risico van het relevante onderdeel van die buitengrens .

Motivering

Zie par. 5. Beheer van gemengde migratiestromen vergt kennis van het asielrecht.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 3

Een punt c) aan lid 2 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 48.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 3

Lid 3, onder f) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

f)

versterken van de samenwerking tussen de lidstaten die in derde landen actief zijn, wat betreft de toestroom van onderdanen van derde landen naar het grondgebied van de lidstaten, alsmede samenwerking met derde landen op dit punt.

f)

versterken van de samenwerking tussen de lidstaten, die in derde landen actief zijn, wat betreft de toestroom van onderdanen van derde landen naar het grondgebied van de lidstaten, alsmede samenwerking met derde landen op dit punt.

Motivering

Zie par. 55.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 3

Een punt g) aan lid 3 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 47.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 4

Een punt f) aan lid 1 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par.48.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 4

Een punt g) aan lid 1 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 47 en 48.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 4

Een punt h) aan lid 1 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 5.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 9

Lid 2, onder b) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

b)

ondersteunen en uitbreiden van de bestaande capaciteit op nationaal niveau voor het beheren van de buitengrenzen, rekening houdend met onder meer nieuwe technologie, ontwikkelingen en/of normen op het gebied van de beheersing van migratiestromen;

b)

ondersteunen en uitbreiden van de bestaande capaciteit op nationaal niveau voor het beheren van de buitengrenzen, rekening houdend met onder meer nieuwe technologie, ontwikkelingen en/of normen op het gebied van de beheersing van migratiestromen;

Motivering

Zie par. 5.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 13

Lid 2, onder g) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

g)

vergroting van de capaciteit van Europese netwerken om het beleid en de doelstellingen van de EU te bevorderen, te ondersteunen en verder te ontwikkelen;

g)

vergroting van de capaciteit van Europese netwerken om het beleid en de doelstellingen van de EU te bevorderen, te ondersteunen en verder te ontwikkelen;

Motivering

Zie par. 3 en 55.

COM(2011) 751 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor asiel en migratie

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 3

Lid 2, onder c) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

c)

billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën bevorderen in de lidstaten, met nadruk op de duurzaamheid van terugkeer en werkelijke overname door de landen van herkomst.

c)

billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën bevorderen in de lidstaten, met nadruk op de duurzaamheid van terugkeer en werkelijke overname door de landen van herkomst.

De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan indicatoren als het aantal repatrianten;

De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan indicatoren als het aantal repatrianten ;

Motivering

Zie par. 37.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 5

Lid 1, onder e) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

e)

informatie voor de lokale gemeenschappen, alsmede opleiding voor het personeel van de lokale autoriteiten, die te maken krijgen met degenen die worden opgevangen;

e)

informatie voor de lokale gemeenschappen en regionale autoriteiten, alsmede opleiding voor het personeel van de lokale en regionale autoriteiten , die te maken krijgen met degenen die worden opgevangen;

Motivering

Integratieprojecten worden vaak door middenveldorganisaties uitgevoerd.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 5

Een punt g) aan lid 1 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 28.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 6

Lid 1, onder b) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

b)

acties die rechtstreeks bijdragen tot de evaluatie van het asielbeleid, zoals nationale effectbeoordelingen, onderzoeken onder doelgroepen en de ontwikkeling van indicatoren en benchmarks.

b)

acties die rechtstreeks bijdragen tot de evaluatie van het asielbeleid, zoals nationale effectbeoordelingen, onderzoeken onder doelgroepen en de ontwikkeling van indicatoren en benchmarks.

Motivering

Zie par. 13.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 7

Een punt h) toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 30.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 8

punt a) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

a)

informatiepakketten en voorlichtingscampagnes, onder meer via gebruikersvriendelijke communicatie- en informatietechnologie en websites;

a)

informatiepakketten voorlichtingscampagnes, onder meer via gebruikersvriendelijke communicatie- en informatietechnologie en websites;

Motivering

Zie par. 25.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 9

Lid 1 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

1.   In het kader van de in artikel 3, lid 2, onder b), genoemde specifieke doelstelling worden subsidiabele acties uitgevoerd in het kader van samenhangende strategieën die worden uitgevoerd door niet-gouvernementele organisaties, lokale en/of regionale autoriteiten en specifiek de integratie op lokaal en/of regionaal niveau, naargelang het geval, moeten bevorderen van de in de artikel 4, lid 1, onder a) tot en met g), bedoelde personen. In dit kader zijn met name de volgende acties subsidiabel:

1.   In het kader van de in artikel 3, lid 2, onder b), genoemde specifieke doelstelling worden subsidiabele acties uitgevoerd in het kader van samenhangende strategieën worden uitgevoerd door niet-gouvernementele organisaties, lokale en/of regionale autoriteiten en specifiek de integratie op lokaal en/of regionaal niveau, naargelang het geval, moeten bevorderen van de in de artikel 4, lid 1, onder a) tot en met g), bedoelde personen. In dit kader zijn met name de volgende acties subsidiabel:

Motivering

Zie par. 25.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 9

Lid 1, onder a) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

a)

vaststelling en ontwikkeling van integratiestrategieën, met inbegrip van behoeftenanalyse, verbetering van indicatoren en evaluatie;

a)

vaststelling en ontwikkeling van integratiestrategieën , met inbegrip van behoeftenanalyse, verbetering van indicatoren en evaluatie ;

Motivering

Zie par. 18 en 23.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 9

Een punt i) aan lid 1 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 26.

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 9

Een punt j) aan lid 1 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 26.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 10

Een punt f) aan lid 1 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 46 en 54.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 11

Punt a) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

a)

opzetten en verbeteren van de infrastructuur en diensten in verband met huisvesting en de voorzieningen voor opvang of bewaring;

a)

opzetten en verbeteren van de infrastructuur en diensten in verband met huisvesting en de voorzieningen voor opvang of bewaring ;

Motivering

Zie par. 27.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 12

punt b) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

b)

maatregelen inzake begeleide vrijwillige terugkeer, met inbegrip van medisch onderzoek en medische bijstand, regelingen in verband met de reis, financiële bijdragen, bijstand en begeleiding voor en na terugkeer;

b)

maatregelen inzake begeleide vrijwillige terugkeer, met inbegrip van medisch onderzoek en medische bijstand, regelingen in verband met de reis, financiële bijdragen, bijstand en begeleiding voor en na terugkeer ;

Motivering

Zie par. 36 en 37.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 13

Punt a) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

a)

acties ter bevordering en versterking van de operationele samenwerking tussen de terugkeerdiensten van de lidstaten, ook wat betreft de samenwerking met consulaire autoriteiten en immigratiediensten van derde landen;

a)

acties ter bevordering en versterking van de operationele samenwerking tussen de terugkeerdiensten van de lidstaten, ook wat betreft de samenwerking met consulaire autoriteiten en immigratiediensten van derde landen ;

Motivering

Zie par. 36.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 17

Lid 4 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

4.   Op de volgende kwetsbare groepen vluchtelingen zijn in elk geval de gemeenschappelijke EU-hervestigingsprioriteiten en het in lid 2 bedoelde vaste bedrag van toepassing:

vrouwen en kinderen die gevaar lopen,

niet-begeleide minderjarigen,

personen met medische behoeften waarin alleen na hervestiging kan worden voorzien,

personen die voor juridische of fysieke bescherming dringend moeten worden hervestigd.

4.   Op de volgende kwetsbare groepen vluchtelingen zijn in elk geval de gemeenschappelijke EU-hervestigingsprioriteiten en het in lid 2 bedoelde vaste bedrag van toepassing:

vrouwen en kinderen die gevaar lopen,

niet-begeleide minderjarigen,

personen met medische behoeften waarin alleen na hervestiging kan worden voorzien,

personen die voor juridische of fysieke bescherming dringend moeten worden hervestigd.

Motivering

Zie par. 33. UNHCR en andere organisaties geven terecht voorrang aan personen met psychologische problemen.

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 18

Een lid 5 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

   

Motivering

Zie par. 32.

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 18

Een lid 6 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

   

Motivering

Zie par. 30.

Wijzigingsvoorstel l8

Artikel 19

Lid 1 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

1.   Met het oog op de toewijzing van het in artikel 15, lid 1, onder c), vermelde bedrag beoordeelt de Commissie uiterlijk op 31 mei 2017 de behoeften van de lidstaten in verband met hun asielstelsels en opvangvoorzieningen, hun situatie op het gebied van migratiestromen in de periode 2014-2016 en de verwachte ontwikkelingen.

1.   Met het oog op de toewijzing van het in artikel 15, lid 1, onder c), vermelde bedrag beoordeelt de Commissie uiterlijk op 31 mei 2017 de behoeften van de lidstaten in verband met hun asielstelsels en opvangvoorzieningen, hun situatie op het gebied van migratiestromen in de periode 2014-2016 en de verwachte ontwikkelingen.

Motivering

Het „migrantenspel” kan plotsklaps veranderen en het stelsel moet flexibel genoeg zijn om daarop goed te reageren.

Wijzigingsvoorstel 19

Artikel 22

Lid 1 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

1.   Het Fonds verleent financiële bijstand om in het geval van een noodsituatie te voorzien in dringende en specifieke behoeften.

1.   Het Fonds verleent financiële bijstand om in het geval van een noodsituatie te voorzien in dringende en specifieke behoeften

Motivering

Zie par. 53.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 23

Lid 2, onder a) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

a)

te fungeren als een EU-adviesraad voor migratie en asiel door middel van coördinatie en samenwerking, zowel op nationaal als EU-niveau, met vertegenwoordigers van de lidstaten, de academische wereld, het maatschappelijk middenveld, denktanks en andere EU- of internationale entiteiten;

a)

te fungeren als een EU-adviesraad voor migratie en asiel door middel van coördinatie en samenwerking, zowel op nationaal als EU-niveau, met vertegenwoordigers van de lidstaten, de academische wereld, het maatschappelijk middenveld , denktanks en andere EU- of internationale entiteiten;

Motivering

Zie par. 15.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 23

Lid 5, onder c) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

door de lidstaten aangewezen nationale contactpunten, met elk ten minste drie deskundigen die samen deskundig zijn op het gebied van asiel en migratie, zowel wat beleidsvorming, wetgeving, onderzoek als statistiek betreft, en die de nationale bijdragen tot de in artikel 19, lid 1, bedoelde activiteiten coördineren en verstrekken teneinde te beschikken over bijdragen van alle belanghebbenden;

door de lidstaten aangewezen nationale contactpunten, met elk ten minste drie deskundigen die samen deskundig zijn op het gebied van asiel en migratie, zowel wat beleidsvorming, wetgeving, onderzoek als statistiek betreft, en die de nationale bijdragen tot de in artikel 19, lid 1, bedoelde activiteiten coördineren en verstrekken teneinde te beschikken over bijdragen van alle belanghebbenden;

Motivering

Zie par.13. Dat komt de transparantie ten goede.

COM(2011) 752 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel en migratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 4

Wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

Op grond van de specifieke verordeningen gefinancierde acties moeten in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht van de Unie en van de lidstaten.

Op grond van de specifieke verordeningen gefinancierde acties moeten in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht van de Unie en van de lidstaten .

Motivering

Weliswaar maakt die jurisprudentie deel uit van de rechtsorde van de Unie, maar er dient erop te worden gewezen dat niet alle lidstaten de uitspraken altijd in praktijk brengen.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 8

Lid 5 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

   

Motivering

Zie par. 53.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 12

Lid 1 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

1.   Elke lidstaat organiseert, overeenkomstig de nationale voorschriften en gebruiken, een partnerschap met de betrokken instanties en organen om de nationale programma's te ontwikkelen en uit te voeren.

1.   Elke lidstaat organiseert, overeenkomstig de nationale voorschriften en gebruiken, een partnerschap met de betrokken instanties en organen om de nationale programma's te ontwikkelen en uit te voeren.

Deze instanties en organen zijn onder meer de bevoegde regionale, lokale, stedelijke en andere overheden, en in voorkomend geval internationale organisaties en instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, zoals niet-gouvernementele organisaties of sociale partners.

Deze instanties en organen zijn onder meer de bevoegde regionale, lokale, stedelijke en andere overheden, en internationale organisaties en instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, zoals niet-gouvernementele organisaties of sociale partners.

Motivering

De passage „in voorkomend geval” is te onduidelijk en laat teveel interpretatieruimte. De voorgestelde vervanging heft dat op. De bijdrage van de doelgroepen is fundamenteel voor de programmering van de Unie.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 12

Lid 4 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

4.   Elke lidstaat richt een toezichtcomité op om de uitvoering van de nationale programma's te ondersteunen.

4.   Elke lidstaat richt een toezichtcomité op om de uitvoering van de nationale programma's te ondersteunen.

Motivering

Zie par. 13. Dit leidt tot meer transparantie en ook worden belangenconflicten vermeden.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 12

Lid 5 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

5.   De Commissie kan met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deelnemen.

5.   De Commissie met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel.

Motivering

Participatie van de Commissie is zeer belangrijk en moet daarom dwingend worden voorgeschreven.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 14

Een punt g) aan lid 5 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 18 en 19.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 20

Lid 2, onder c) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

(c)

uitgaven voor evaluaties van acties of projecten;

(c)

uitgaven voor evaluaties van acties of projecten ;

Motivering

Zie par. 18 en 19. De betrokkenen kunnen het succes van een project goed beoordelen.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 23

Lid 1, onder b) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

b)

een erkende verantwoordelijke instantie: een overheidsorgaan van de lidstaat dat als enige verantwoordelijk is voor het goed beheer van en het toezicht op het nationale programma en zorgt voor alle communicatie met de Commissie;

b)

een erkende verantwoordelijke instantie: een overheidsorgaan van de lidstaat dat als enige verantwoordelijk is voor het goed beheer van en het toezicht op het nationale programma en zorgt voor alle communicatie met de Commissie;

Motivering

Zie par. 18 en 19.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 25

Een punt d) aan lid 5 invoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 18 en 19. De belanghebbenden kunnen het succes van een project goed beoordelen.

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 48

Lid 1, onder b) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

(b)

de voorlichting van potentiële begunstigden over de financieringsmogelijkheden van de nationale programma's;

(b)

de voorlichting van potentiële begunstigden over de financieringsmogelijkheden van de nationale programma's ;

Motivering

Zie par. 14.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 50

Een lid 7 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

   

Motivering

Zie par. 18 en 19.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 51

Lid 2 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

2.   De lidstaten zorgen voor procedures voor het opstellen en verzamelen van de voor de evaluaties vereiste gegevens, waaronder gegevens over gemeenschappelijke en programmaspecifieke indicatoren.

2.   De lidstaten zorgen voor procedures voor het opstellen en verzamelen van de voor de evaluaties vereiste gegevens, waaronder gegevens over gemeenschappelijke en programmaspecifieke indicatoren.

Motivering

Zie par.13.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 55

Lid 1 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het gemeenschappelijk comité „Asiel, migratie en veiligheid”, dat is opgericht bij deze verordening. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het gemeenschappelijk comité „Asiel, migratie en veiligheid”, dat is opgericht bij deze verordening. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Motivering

Zie par. 18 en 19.

COM(2011) 753 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 3

Lid 2, onder a) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

a)

voorkoming en bestrijding van grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, en versterking van de coördinatie en de samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten en met betrokken derde landen;

a)

voorkoming en bestrijding van grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, en versterking van de coördinatie en de samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten en met betrokken derde landen;

Motivering

Zie par. 41 en 55.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 3

Lid 3, onder a) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

a)

maatregelen (methodes, instrumenten, structuren) die het vermogen versterken van de lidstaten om grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, te voorkomen en te bestrijden, met name door middel van publiek-private partnerschappen, uitwisseling van informatie en beste praktijken, toegang tot gegevens, interoperabele technologieën, vergelijkende statistieken, toegepaste criminologie, publieksvoorlichting en bewustmaking;

a)

maatregelen (methodes, instrumenten, structuren) die het vermogen versterken van de lidstaten om grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, te voorkomen en te bestrijden, met name door middel van publiek-private partnerschappen, uitwisseling van informatie en beste praktijken , toegang tot gegevens, interoperabele technologieën, vergelijkende statistieken, toegepaste criminologie, publieksvoorlichting en bewustmaking;

Motivering

Zie par. 38, 39, 40, 41, 43 en 44.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 4

Lid 1, onder a) wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

a)

acties ter verbetering van de politiële samenwerking en coördinatie tussen rechtshandhavingsautoriteiten, waaronder gezamenlijke onderzoeksteams en alle andere vormen van grensoverschrijdende gezamenlijke operaties, de toegang tot en uitwisseling van informatie en interoperable technologieën;

a)

acties ter verbetering van de politiële samenwerking en coördinatie tussen rechtshandhavingsautoriteiten, waaronder gezamenlijke onderzoeksteams en alle andere vormen van grensoverschrijdende gezamenlijke operaties, de toegang tot en uitwisseling van informatie en interoperable technologieën;

Motivering

Zie par. 38 en 40.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 4

Een punt h) aan lid 1 toevoegen

Text proposed by the Commission

CoR amendment

 

;

Motivering

Zie par. 42.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 4

Een punt i) aan lid 1 toevoegen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Zie par. 41.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 6

Lid 1 wijzigen

Commissietekst

Wijzigingsvoorstel

1.   Het nationale programma dat in het kader van het instrument moet worden opgesteld en het programma dat moet worden opgesteld in het kader van Verordening (EU) nr. XXX/2012 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa, zullen door de lidstaten tezamen worden voorbereid en aan de Commissie worden voorgesteld als één enkel nationaal programma voor het Fonds, overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. XXX/2012 [horizontale verordening].

1.   Het nationale programma dat in het kader van het instrument moet worden opgesteld en het programma dat moet worden opgesteld in het kader van Verordening (EU) nr. XXX/2012 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa, zullen door de lidstaten tezamen, worden voorbereid en aan de Commissie worden voorgesteld als één enkel nationaal programma voor het Fonds, overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. XXX/2012 [horizontale verordening].

Motivering

Zie par. 8 and 19.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 14a

Nieuwe paragraaf toevoegen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

 

   

   

Motivering

Voor ondersteuning van grensoverschrijdende politionele maatregelen kon tot dusver worden gekozen tussen ISEC (programma van de Commissie ter verkoming en bestrijding van criminaliteit) en „doelstelling-3-steun” (via het EFRO gefinancierd). Zulks op basis van het complementariteitsbeginsel van artikel 11 van Raadsbesluit 2007/125/JI). Via ISEC werd centraal door de Unie gesteund terwijl bij doelstelling 3 decentraal over de middelen werd besloten. Krachtens artikel 14 van de voorgestelde verordening zou het Raadsbesluit van 2007 voor de toekomstige financieringsperiode worden ingetrokken. Daarmee geldt ook het complementariteitsbeginsel niet meer voor de instrumenten en dus kan er niet meer worden gekozen. Maar men moet geen afbreuk doen aan de voordelen van een flexible beroep op de respectieve steuninstrumenten. Dubbele steun kan tijdens het ondersteuningsproces voldoende worden voorkomen, afschaffing van complementariteit is daarvoor dus niet nodig. Daarom wordt voorgesteld om de complementariteit en de beschermingsclausule van artikel 11, lid 3, ISEC in een nieuw artikel 14a te verankeren.

Brussel, 18 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  CdR 201/2009, par.1

(2)  CdR 201/2009, par.8 en 9

(3)  CdR 170/2010, par. 43

(4)  COM (2011) 752 final

(5)  Mededeling van de Commissie – COM(2011) 455 final

(6)  CdR 170/2010, par; 41 en 42

(7)  CdR 201/2009, par. 92

(8)  CdR 170/2010, par. 48

(9)  CdR 201/2009, par. 87

(10)  COM (2012) 85 final

(11)  CdR 210/2008, par. 30

(12)  CdR 201/2009, par. 76 en 77


13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/43


Advies van het Comité van de Regio's — Financiële instrumenten van de EU op het gebied van justitie en burgerschap

2012/C 277/06

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

meent dat de voorgestelde programma's belangrijke instrumenten zijn voor de uitvoering van het EU-beleid op de gebieden justitie, rechten en burgerschap;

vindt de voorstellen verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel, daar er enerzijds een relevant grensoverschrijdend aspect is voor de betrokken sectoren en anderzijds omdat er voorzien wordt in de totstandbrenging van een Europese ruimte van justitie en recht, die mechanismen vergt voor transnationale samenwerking en mogelijkheden voor netwerken voor geïnteresseerde professionals. Normaliter zijn deze doelstellingen niet doeltreffend te verwezenlijken met uitsluitend het optreden van afzonderlijke lidstaten;

denkt dat op grond van de in het meerjarig financieel kader (2014-2020) opgenomen financiële bepalingen de acties met een Europese meerwaarde kunnen worden vervolgd. Deze zijn gericht op de uitbreiding van de Europese ruimte van justitie, alsook op de verbeterde bevordering en bescherming van de rechten van de burger, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

herhaalt zijn vastbeslotenheid en bereidheid om op de bres te staan voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, alsook zijn inzet om het Europese burgerschap te bevorderen;

roept de Commissie en de lidstaten op om de lokale en regionale overheden zo veel mogelijk bij de uitvoering van de programma's te betrekken, met name voor de opzet en ontwikkeling van de jaarlijkse werkprogramma's;

stelt voor dat bij de raadplegingsprocedure een vertegenwoordiger van het Comité van de Regio's kan worden betrokken.

Rapporteur

De heer VARACALLI (IT/ALDE), burgemeester van Gerace

Referentiedocumenten

 

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma “Rechten en burgerschap” voor de periode 2014 – 2020

COM(2011) 758 final

 

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma “Justitie” voor de periode 2014 – 2020

COM(2011) 759 final

 

Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van het programma “Europa voor de burger” voor de periode 2014 – 2020

COM(2011) 884 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Algemene opmerkingen

1.

meent dat de voorgestelde programma's belangrijke instrumenten zijn voor de uitvoering van het EU-beleid op de gebieden justitie, rechten en burgerschap; het gaat immers om programma's die in hun geheel gericht zijn op het steunen van bewustmakings- en voorlichtingsactiviteiten in de lidstaten, het bevorderen van de toepassing van het recht en het beleid van de Unie in de lidstaten, de bevordering van de transnationale samenwerking en de verbetering van de kennis van eventuele problemen in bepaalde sectoren, om te zorgen dat het beleid en de normen op concrete gegevens berusten. Met name het programma “Europa voor de burger” is gericht op de ontwikkeling van het burgerschap van de Unie.

2.

De voorstellen zijn verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel, daar er enerzijds een relevant grensoverschrijdend aspect is voor de betrokken sectoren en anderzijds omdat er voorzien wordt in de totstandbrenging van een Europese ruimte van justitie en recht, die mechanismen vergt voor transnationale samenwerking en mogelijkheden voor netwerken voor geïnteresseerde professionals. Normaliter zijn deze doelstellingen niet doeltreffend te verwezenlijken met uitsluitend het optreden van afzonderlijke lidstaten.

3.

De voorstellen stroken ook met het evenredigheidsbeginsel: er is in de eerste plaats nagegaan of vorm en inhoud objectief overeen lijken te komen met wat eventueel vereist is om aan de doelstellingen te voldoen. Voorts lijkt de voor de drie programma's in totaal uitgetrokken financiering toereikend voor een doeltreffende uitvoering ervan. Verder is de financiering gehandhaafd op het niveau van de middelen voor de nu in uitvoering zijnde programma's voor dezelfde actiegebieden. Het budget kan uitdrukkelijk naar boven worden bijgesteld in geval van toetreding van een nieuwe lidstaat.

4.

Wat betreft de verbetering van de regelgeving waardeert het CvdR de effectbeoordelingen bij het voorstel, die in voldoende mate gemotiveerd en compleet zijn. Ook heeft de Commissie, tijdens de voorbereidende fase, belanghebbenden geraadpleegd; de resultaten daarvan zijn opgenomen in de effectbeoordelingen. Tevens zijn de lokale en regionale overheden op diverse niveaus geraadpleegd.

5.

Op grond van de in het meerjarig financieel kader (2014-2020) opgenomen financiële bepalingen kunnen volgens het CvdR de acties met een Europese meerwaarde worden vervolgd. Deze zijn gericht op de uitbreiding van de Europese ruimte van justitie, alsook op de verbeterde bevordering en bescherming van de rechten van de burger, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

6.

Hopelijk blijven de programma's bijdragen aan een gestaag toenemend en beter begrip van de EU bij de burger, vooral door hun actieve deelname te bevorderen, alsook aan een forse verbetering van het collectief bewustzijn.

7.

Verder zal de uitvoering van de programma's “Rechten en burgerschap” (met verwijzing naar de specifieke doelstelling “bijdragen tot de versterking van de uitoefening van de uit het burgerschap van de Unie voortvloeiende rechten”) en “Europa voor de burgers” (met verwijzing naar de algemene doelstelling (“… de capaciteit voor burgerparticipatie op het niveau van de Unie te vergroten” en de specifieke doelstelling “aanmoediging van democratische en burgerparticipatie op het niveau van de Unie, …”) het hopelijk mogelijk maken om de Europese burgers meer te doordringen van de recente mogelijkheid, die hun in Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief rechtstreeks is toegekend, om wetsvoorstellen voor te leggen aan de Commissie over kwesties inzake de EU-bevoegdheden. Ook organisaties kunnen deze initiatieven nemen of deze ondersteunen.

8.

Het CvdR herhaalt zijn vastbeslotenheid en bereidheid om op de bres te staan voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, alsook zijn inzet om het Europese burgerschap te bevorderen.

9.

Met name wat het programma “Rechten en burgerschap” betreft, acht het CvdR het noodzakelijk dat er voor de genderdimensie op passende en doeltreffende wijze uitvoering wordt gegeven aan de suggesties uit het verordeningsvoorstel, zoals die zijn vervat in: overweging (12) inzake de voortzetting en de ontwikkeling van de drie vorige programma's, met name op het punt van het specifieke programma ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen en ter bescherming van slachtoffers en risicogroepen (het Daphne III-programma) en de onderdelen “Gelijkheid van mannen en vrouwen” en “Discriminatiebestrijding en verscheidenheid” van het communautaire programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit Progress; artikel 4 (Specifieke doelstellingen), sub b, met name op het punt van de specifieke doelstelling inzake non-discriminatie op grond van geslacht en de gelijkheid van mannen en vrouwen.

10.

In beginsel waardeert het CvdR de voorgenomen vervanging van de zes operationele programma's voor de periode 2007-2013 door twee programma's. De beperking kan een vlotter en efficiënter beheer van de acties mogelijk maken, waardoor de middelen hopelijk gerichter zullen worden verdeeld en geografisch scheve verhoudingen (die de Commissie met verwijzing naar de lopende programma's zelf noemt in het financieel memorandum bij het voorstel) worden voorkomen.

11.

De Commissie en de lidstaten zouden de lokale en regionale overheden zo veel mogelijk bij de uitvoering van de programma's moeten betrekken, met name voor de opzet en ontwikkeling van de jaarlijkse werkprogramma's.

12.

De Commissie zou ook werk moeten maken van een verdere verfijning van de mechanismen voor preventieve controle van de kwaliteit van de verzoeken, zeker gezien de geplande, en ook correcte, mogelijkheid dat de acties ook particuliere organisaties ten goede komen.

13.

De problemen die centraal staan in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, zijn van bijzonder belang voor de lokale en regionale overheden, vooral gelet op de rechtstreekse gevolgen voor het dagelijks leven van de burgers in de Unie en voor de eigen taken van de lokale en regionale overheden, alsook gezien het feit dat de lokale en regionale overheden veel cruciale bevoegdheden hebben op gebieden die onder deze ruimte vallen.

14.

Subsidiariteit en nabijheid bij burgers en inwoners betekenen voor de lokale en regionale overheden dat zij rechtstreeks in contact staan met de zorgen en wensen van die burgers, voor wie de lokale instellingen er vaak in slagen om met innovatieve en passende oplossingen te komen.

15.

Onder verwijzing naar het programma “Europa voor de burger” zij vermeld dat deelname aan stedenbanden, wat in het programma uitdrukkelijk wordt toegejuicht, goed uitpakt voor de uitwisseling van ervaringen tussen gemeenschappen in verschillende gebieden, doordat geëxperimenteerd wordt met succesvolle initiatieven, waarbij de overheden zich ook als promotoren en facilitatoren van burgerschap kunnen opwerpen.

16.

Het CvdR staat achter de mogelijkheid, vermeld in de drie verordeningsvoorstellen, dat alle publieke instanties, waaronder lokale en regionale overheden, toegang krijgen tot de programma's. Gewezen zij echter op de eis dat de aanmeldingsprocedures niet buitengewoon ingewikkeld mogen zijn, vooral ten aanzien van de complementariteit tussen de programma's en de hiermee verbonden welkome optie om ook middelen uit andere programma's te gebruiken, mits de financiering verschillende uitgavenposten dekt.

17.

Het CvdR herhaalt de reeds in eerdere adviezen uitgesproken instemming met de doelstellingen uit de programma's; het wijst op zijn permanente inzet om de toepassing ervan te bevorderen en te begunstigen, ook in nabije landen, via de eigen organen voor samenwerking (werkgroepen, gemengde raadgevende comités, Corleap, ARLEM), uit hoofde van de relevante samenwerkingsakkoorden en in samenwerking met de Commissie.

18.

Nogmaals zij gewezen op het belang van de tot stand te brengen ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger in een wereld gekenmerkt door toenemende mobiliteit. In het verlengde van de reeds lang bepleite bevordering door het Comité van de Regio's van een systeem op diverse niveaus ter bescherming van de grondrechten is het CvdR ingenomen met de vooruitgang in de verwezenlijking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waardoor de burger in het centrum van het project is komen te staan.

19.

Het blijft nodig de vraagstukken veiligheid en bescherming van rechten en fundamentele vrijheden evenwichtig op elkaar af te stemmen door toepassing van coherente instrumenten in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht: in dit verband kan niet verzwegen worden dat Europa zeker beschikt over een solide regelgevingskader voor de bescherming van de rechten van de mens, dat in de praktijk steeds verbeterd moet worden, omdat de uitoefening van die rechten feitelijk gewaarborgd moet zijn.

20.

Het is een goede zaak dat de drie programma's, ondanks de onderlinge objectieve verschillen, bijdragen aan de bewustmaking van de burgers van de Europese dimensie van hun burgerschap als instrument om betrokken te worden bij het Europese integratieproces en om de constructie van de Europese democratie te versterken.

21.

Herinnerd zij aan enkele overwegingen uit een recent goedgekeurd advies over het nieuwe meerjarig financieel kader na 2013, waar gewezen is op de noodzaak om passende middelen aan te boren ter bevordering van de grondrechten, de democratie en de participatie van de burger voor de totstandbrenging van een Europees burgerschap. Daarbij is gewezen op het primaire belang, voor het programma “Europa voor de burger”, om de partnerschappen ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties op Europees niveau centraal te stellen. Ook moet opgemerkt worden dat de veiligheid van de EU nauw samenhangt met de bevordering van de democratie, goed bestuur en de rechtsstaat in derde landen. Het is aan de Unie deze waarden wereldwijd uit te dragen.

22.

Het CvdR herinnert eraan dat het de aandacht heeft gevestigd op de ondersteuning van diverse vormen van territoriale samenwerking ter uitvoering van projecten en acties die het Europese burgerschap handen en voeten moeten geven en die kunnen bijdragen tot minder bureaucratische belemmeringen en rompslomp, ook door verspreiding van de vele goede praktijken in verband met grensoverschrijdende diensten. Te denken valt aan praktijken op het gebied van gezondheidszorg en meertaligheid.

23.

Het CvdR hoopt dat de voor dit soort fundamentele aspecten geplande maatregelen prioriteit kunnen krijgen in de jaarlijkse werkprogramma's, met name wat betreft de programma's “Rechten en burgerschap” en “Europa voor de burger”.

24.

De samenvoeging van de zes oude programma's op het gebied van “justitie” en “rechten en burgerschap” tot twee nieuwe programma's en de herziening van het programma “Europa voor de burger” kunnen het de komende zeven programmajaren gemakkelijker maken om prioriteiten te stellen. Ook zullen daardoor de beheerskosten voor de EU dalen, zal de bureaucratie voor de begunstigden afnemen en zal het mogelijk worden projecten waarmee verschillende programmadoelstellingen worden nagestreefd, beter op elkaar af te stemmen.

25.

Het CvdR heeft er al eerder op gewezen, met name i.v.m. de problemen op het vlak van justitie, hoe belangrijk het is dat het beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken wordt afgestemd op en geïntegreerd met het overige EU-beleid, in het bijzonder het buitenlands en sociaaleconomisch beleid. Een betere coördinatie van al dit beleid heeft zeker een positief effect op de algehele doeltreffendheid ervan.

26.

Het CvdR kan zich vinden in de stelling dat de bevordering van burgerschap een transversaal thema vormt dat ook in ander EU-beleid aandacht verdient. In dit verband is de beoogde synergie met het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) essentieel om ervoor te zorgen dat de toekomstige burgers van de Unie over het Europees burgerschap en hun rechten en plichten worden geïnformeerd.

27.

In dit licht hoopt het CvdR dat uitvoering wordt gegeven aan concrete oplossingen waarmee de voorgestelde programma's en andere EU-instrumenten daadwerkelijk met elkaar in verband kunnen worden gebracht en elkaar kunnen gaan aanvullen. Het verzoekt de Commissie om voortdurend informatie te verschaffen over de manieren waarop zij een en ander wil realiseren.

28.

Het is zorgwekkend dat de lokale en regionale overheden objectief gezien onvoldoende mogelijkheden krijgen om adequaat bij te dragen aan de uitwerking van de jaarlijkse werkprogramma's en de evaluatie van minstens twee van de drie specifieke programma's: in geen enkele fase van de opbouw van het Europa van de burgers mogen de lokale en regionale overheden aan de zijlijn blijven staan, aangezien zij essentiële instituties zijn die de democratische legitimiteit van besluitvormingsprocessen vergroten.

29.

De lokale en regionale overheden moeten bij monde van het Comité van de Regio's gegarandeerd formeel kunnen deelnemen aan de uitwerking van de jaarlijkse activiteitenprogramma's van de programma's “Rechten en burgerschap” en “Europa voor de burger”.

30.

Met verwijzing naar de door de Commissie tussentijds en achteraf op te stellen evaluatieverslagen over het programma “Rechten en burgerschap” vindt het CvdR dat het zelf daarover een verantwoord oordeel kan geven, zoals het dat al formeel mag doen voor het programma “Europa voor de burger”. Het pleit daarom voor een specifieke bepaling van deze strekking in het voorstel voor het programma “Rechten en burgerschap”.

31.

Voor het bepalen van de mate waarin de specifieke doelstellingen van het programma “Rechten en burgerschap” zijn gehaald, moet ook gebruik worden gemaakt van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over de uitoefening en toepassing van de desbetreffende rechten zelf, omdat de in dit verband genoemde ‘ervaring op Europees niveau’ geen adequaat criterium is om resultaten aan af te meten. In deze context zij erop gewezen dat het Europees Bureau voor de grondrechten (FRA) en het Europees Instituut voor gendergelijkheid zich bezighouden met de uitwerking van passende indicatoren en met vergelijkend onderzoek ter zake.

32.

Het CvdR beaamt dat de nu voorgestelde programma's via de beoogde bewustmakings- en voorlichtingsactiviteiten voor Europese burgers, van zeer groot belang zouden moeten zijn voor met name een volledige toegang tot informatie, hetgeen voor een actieve deelname aan de politiek steeds onmisbaarder wordt. Het CvdR heeft op dat laatste al eens eerder gewezen en zijn eigen leden toen opgeroepen zich in te spannen voor een echt gewaarborgde toegang tot informatie in de lidstaten.

33.

De in het programma “Justitie” beoogde voortzetting van de uitwisseling van nationaal justitiepersoneel - binnen het bredere kader van het Europees justitieel netwerk - zal langzamerhand leiden tot een grotere wederzijdse erkenning door de lidstaten van elkaars rechtssystemen en ook tot meer onderling vertrouwen.

34.

Het CvdR staat met volle overtuiging achter het specifieke voorstel voor de financiering van opleidingsactiviteiten voor justitiepersoneel, zoals bepaald in artikel 6 van het voorstel voor het programma “Justitie”. Opleiding en bewustmaking zijn immers essentieel voor de opbouw van een rechtvaardig Europa.

35.

Het CvdR beveelt aan er goed op te letten dat alle particuliere en openbare partijen die op het gebied van justitie werkzaam zijn, daadwerkelijk bij dergelijke opleidingsactiviteiten worden betrokken.

36.

De opleidingsactiviteiten die worden gefinancierd in het kader van het programma “Rechten en burgerschap” zouden ook educatie over het Europees burgerschap moeten omvatten voor scholieren en voor degenen die het burgerschap van een van de lidstaten willen verwerven, in lijn met en ter ondersteuning van het uitgangspunt om actief burgerschap onder jongeren via het onderwijs te bevorderen.

37.

Het CvdR kan zich vinden in de in het programmavoorstel genoemde financiële steun voor de ontwikkeling van online lesprogramma's, want dit sluit aan op zijn oproep om opleidingsactiviteiten m.b.t. burgerschap via de media en ICT te stimuleren.

38.

Met de programma's “Justitie” en “Rechten en burgerschap” kunnen voor de lokale en regionale overheden ook op doeltreffende wijze meer mogelijkheden worden gecreëerd voor grensoverschrijdende samenwerking inzake vraagstukken i.v.m. de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

39.

Het CvdR staat principieel volledig achter de door de Commissie voor de drie programma's gekozen resultaatgerichte aanpak, die hoofdzakelijk is gebaseerd op een mechanisme van indicatoren om te meten in welke mate de programmadoelstellingen worden verwezenlijkt. Het wijst er echter op dat alleen het voorstel voor het programma “Europa voor de burger” een volledige lijst van indicatoren omvat en bijvoorbeeld in het programma “Justitie” voor elke doelstelling slechts één indicator wordt genoemd en alleen wordt gezinspeeld op een reeks niet nader gedefinieerde andere indicatoren. Het CvdR stelt daarom voor om een en ander meer en uitgebreider te specificeren, bij voorkeur met niet alleen kwantitatieve, maar ook kwalitatieve criteria.

40.

Het voorstel voor het programma “Europa voor de burger” is flexibeler van opzet in vergelijking met het momenteel lopende programma. Om die reden worden er vooraf geen quota vastgesteld voor de afzonderlijke acties die in het kader van het nieuwe programma kunnen worden uitgevoerd.

41.

In dit verband vindt het CvdR echter dat stedenbanden niet alleen in aanmerking zouden moeten kunnen blijven komen voor steun uit het programma, maar dat daarvoor ook vooraf nog altijd een quotum zou moeten worden vastgesteld. In het huidige programma bedraagt dat quotum bijna een derde van het totale budget en dat zou zo kunnen blijven.

42.

Derhalve pleit het CvdR ervoor om een passend deel van het totale voor het programma “Europa voor de burger” beschikbare budget te bestemmen voor activiteiten in het kader van stedenbanden, met name gelet op de belangrijke en erkende rol die stedenbanden spelen in het reeds geconsolideerde proces van het creëren van sterke en duurzame contacten tussen burgers, ook uit derde landen.

43.

Het Europees Parlement en de Raad hebben onlangs het Europees erfgoedlabel ingevoerd als instrument ter bevordering van het gemeenschappelijk cultureel erfgoed van de lidstaten met inachtneming van nationale en regionale verschillen. Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma “Europa voor de burger” zou net als bij de inmiddels erkende onderscheiding “Europese culturele hoofdstad” ter stimulering van de Europese identiteit en het Europees burgerschap, gebruik kunnen worden gemaakt van de culturele erfgoedsites waaraan dit nieuwe label wordt toegekend.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

RECHTEN EN BURGERSCHAP – COM(2011) 758 final

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 4, lid 2

Specifieke doelstellingen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   De indicatoren om de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen te meten, zijn onder meer de wijze waarop de eerbiediging, de uitoefening en de uitvoering van deze rechten in Europa wordt ervaren en het aantal klachten.

2.   De indicatoren om de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen te meten, zijn onder meer de eerbiediging, de uitoefening en de uitvoering van deze rechten en het aantal klachten.

Motivering

Om goed te kunnen beoordelen of de specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, kan er beter concreet worden gesproken van het verzamelen van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens. Het begrip “ervaren” zou namelijk tot vagere interpretaties kunnen leiden waarmee niet voldoende recht wordt gedaan aan de verwezenlijking van de doelstellingen.

RECHTEN EN BURGERSCHAP – COM(2011) 758 final

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 9, lid 1

Comitéprocedure

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Motivering

Het CvdR acht het zinvol en noodzakelijk dat bij de goedkeuring van de jaarlijkse werkprogramma's, waarop de uitvoering van het hele programma is gebaseerd, niet alleen het comité van vertegenwoordigers van de lidstaten, dat de Commissie ondersteunt, maar ook een vertegenwoordiger van het Comité van de Regio's wordt betrokken.

Aangezien het om uitvoeringsactiviteiten van het programma gaat en de lokale en regionale overheden daar ook nauw bij zijn betrokken, draagt hun deelname aan de totstandkoming van de jaarlijkse werkprogramma's via de hen vertegenwoordigende Europese instelling (het Comité van de Regio's) ertoe bij dat deze programma's van onderop worden geformuleerd en dat daarbij ook rekening wordt gehouden met de eisen van de Europese burgers.

Bovendien is de betrokkenheid van het Comité van de Regio's bij de jaarlijkse voorbereiding in lijn met diens bevoegdheid tot het opstellen van dit officiële advies in het kader van de wetgevingsprocedure voor de goedkeuring van de verordening van het Europees Parlement en de Raad.

RECHTEN EN BURGERSCHAP – COM(2011) 758 final

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 12, lid 2

Toezicht en evaluatie

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad:

a)

uiterlijk medio 2018 een tussentijds evaluatieverslag;

b)

een verslag over de evaluatie achteraf.

2.   De Commissie verstrekt het Europees Parlement de Raad:

a)

uiterlijk medio 2018 een tussentijds evaluatieverslag;

b)

een verslag over de evaluatie achteraf.

Motivering

Het is absoluut noodzakelijk om het toezicht op en de evaluatie van de programma's “Rechten en burgerschap” en “Europa voor de burger” op elkaar af te stemmen. Voor dit laatste programma wordt in art. 14 (Toezicht en evaluatie), lid 3, van het Commissievoorstel in feite expliciet voorzien in tussentijds en achteraf door de Commissie op te stellen evaluatieverslagen. Deze verslagen worden behalve aan het Europees Parlement en de Raad ook aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voorgelegd.

Er is daarom geen gegronde reden om in art. 12, lid 2, van het voorstel voor het programma “Rechten en burgerschap” het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's niet als ontvangers van de tussentijds en achteraf op te stellen evaluatieverslagen te vermelden. Dit wijzigingsvoorstel zorgt voor de noodzakelijke betrokkenheid van beide instellingen.

JUSTITIE – COM(2011) 759 final

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 7

Deelname

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het programma staat open voor alle openbare en/of particuliere instanties en entiteiten die wettelijk zijn gevestigd in:

a)

de lidstaten;

b)

de EVA-landen die partij zijn bij de EER-overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst;

c)

de toetredingslanden, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten, conform de algemene beginselen en voorwaarden die zijn vastgesteld in de kaderovereenkomsten die met die landen zijn gesloten met het oog op hun deelname aan programma's van de Unie;

d)

Denemarken, op basis van een internationale overeenkomst.

2.   Openbare en/of particuliere instanties en entiteiten die wettelijk zijn gevestigd in andere derde landen, met name landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, kunnen aan de acties van het programma deelnemen, wanneer dat bijdraagt aan de doelstellingen van deze acties.

1.   Het programma staat open voor alle openbare en/of particuliere instanties die wettelijk zijn gevestigd in:

a)

de lidstaten;

b)

de EVA-landen die partij zijn bij de EER-overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst;

c)

de toetredingslanden, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten, conform de algemene beginselen en voorwaarden die zijn vastgesteld in de kaderovereenkomsten die met die landen zijn gesloten met het oog op hun deelname aan programma's van de Unie;

d)

Denemarken, op basis van een internationale overeenkomst.

2.   Openbare en/of particuliere instanties die wettelijk zijn gevestigd in andere derde landen, met name landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, kunnen aan de acties van het programma deelnemen, wanneer dat bijdraagt aan de doelstellingen van deze acties.

Motivering

De opsomming van potentiële begunstigden van het programma in lid 1 en 2 bevat niet nader omschreven entiteiten. Aangezien in beide leden al openbare en/of particuliere instanties worden genoemd, is de extra vermelding van “entiteiten” overbodig en moet dit woord dus worden geschrapt.

EUROPA VOOR DE BURGER – COM(2011) 884 final

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 9, lid 1

Comité

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Motivering

Het CvdR acht het zinvol en noodzakelijk dat bij de goedkeuring van de jaarlijkse werkprogramma's, waarop de uitvoering van het hele programma is gebaseerd, niet alleen het comité van vertegenwoordigers van de lidstaten, dat de Commissie ondersteunt, maar ook een vertegenwoordiger van het Comité van de Regio's wordt betrokken.

Aangezien het om uitvoeringsactiviteiten van het programma gaat en de lokale en regionale overheden daar ook nauw bij zijn betrokken, draagt hun deelname aan de totstandkoming van de jaarlijkse werkprogramma's via de hen vertegenwoordigende Europese instelling (het Comité van de Regio's) ertoe bij dat deze programma's van onderop worden geformuleerd en dat daarbij ook rekening wordt gehouden met de eisen van de Europese burgers.

Brussel, 18 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/51


Advies van het Comité van de Regio's — Een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen

2012/C 277/07

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

is verheugd over de pogingen om de bewakings- en rapportagevereisten in het voorstel te stroomlijnen en te vereenvoudigen, maar verzoekt wel het voorstel zodanig te wijzigen dat een ruimtelijke/regionale context wordt geschapen voor de uitstoot van broeikasgassen en de prognoses en de koolstofarme ontwikkelingsplannen;

dringt erop aan dat alle gebruikte gegevens/methoden openbaar en geen privé-eigendom zijn, transparant en daarom navolgbaar zijn, en zijn vastgesteld door een instantie als het Europees Milieuagentschap om problemen met verdubbeling te voorkomen en beleidsvorming in een beleidscontext met meerdere bestuurslagen (multilevel governance) te vergemakkelijken;

vindt dat het ruimtelijke effect van uitstoot een wezenlijke overweging dient te zijn in het bredere beleid, de programma's, de toekenning van financiering en de projecten van de Commissie;

verwijst de Europese Commissie naar de initiatieven van het Burgemeestersconvenant, ClimAct Regions, carbonn, ICLEI en EUCO2 80/50 als voorbeelden van op regionaal niveau ondernomen activiteiten met internationale uitstraling om de uitstoot van CO2 te verminderen;

bepleit het harmoniseren van de prognoses van lidstaten om een consistente set prognoses te verschaffen, inclusief verslaglegging over het gebruik van duurzame energie en over energie-efficiëntie;

herhaalt zijn oproep die het tijdens de klimaatconferentie COP 17 in Durban en tijdens eerdere UNFCCC-conferenties heeft gedaan om de maatregelen die op lokaal en regionaal niveau worden genomen voor de bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering, te erkennen.

Rapporteur

Neil SWANNICK (UK/PSE), lid van de gemeenteraad van Manchester

Referentiedocument

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering

COM(2011) 789 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

1.   Inleiding

1.1   Het voorstel voor een verordening (hierna „het voorstel”) betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering is voornamelijk ontwikkeld als gevolg van de overeenkomst van Cancún en gedeeltelijk naar aanleiding van Beschikking nr. 406/2009/EG en Richtlijn 2009/29/EG. De rechtsgrondslag van het voorstel is gelegen in artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „het Verdrag”).

1.2   De combinatie van Beschikking nr. 406/2009/EG, Richtlijn 2009/29/EG en het Verdrag (hierna het „regionaal kader”) legt een grotere verplichting op om de regio's te betrekken bij het verzachten van de gevolgen van de klimaatverandering dan het huidige voorstel. Het CvdR verzoekt het voorstel zodanig te wijzigen dat een ruimtelijke/regionale context wordt geschapen voor:

de uitstoot van broeikasgassen, en

de prognoses en de koolstofarme ontwikkelingsplannen;

en dat alle gebruikte gegevens/methoden:

openbaar en geen privé-eigendom zijn,

transparant en daarom navolgbaar zijn, en

zijn vastgesteld door een instantie als het Europees Milieuagentschap om problemen met verdubbeling te voorkomen

teneinde beleidsvorming in een beleidscontext met meerdere bestuurslagen (multilevel governance) te vergemakkelijken.

Het CvdR verzoekt om in de prognoses en de koolstofarme ontwikkelingplannen ruimte te maken voor „consumptie-uitstoot”, d.w.z. uitstoot die verband houdt met geïmporteerde goederen en diensten. Voorts zouden in de prognoses en de koolstofarme ontwikkelingsplannen ook zowel de onbedoelde als de bewuste gevolgen van beleid dat leidt tot de „uitvoer” van uitstoot naar buiten de lidstaat moeten worden erkend. Dit wordt vaak „CO2-weglekeffect” genoemd; een goed voorbeeld hiervan is de verplaatsing van zware industrie naar overzeese landen. In de prognoses en de koolstofarme ontwikkelingsplannen moet het weglekeffect worden gekoppeld aan duidelijke maatregelen om dit verschijnsel te voorkomen. Dit is van belang om de werkelijke rol van Europa bij het terugdringen van de wereldwijde uitstoot vast te stellen.

Voorts dient het ruimtelijke effect van uitstoot een wezenlijke overweging te zijn in het bredere beleid, de programma's, de toekenning van financiering en de projecten van de Commissie.

Het CvdR herhaalt zijn oproep die het tijdens de klimaatconferentie COP 17 in Durban en tijdens eerdere conferenties in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) heeft gedaan om de maatregelen die op lokaal en regionaal niveau worden genomen voor de bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering, te erkennen.

1.3   Het Comité is het met de Commissie eens dat gegeven de verplichtingen in verband met de UNFCCC de lidstaten de doelstellingen niet integraal kunnen verwezenlijken en dat daarom, en met het oog op schaal en effecten, optreden van de Unie de voorkeur verdient. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het VEU kan de Unie inderdaad maatregelen nemen en zulks overeenkomstig het in hetzelfde artikel genoemde evenredigheidsbeginsel: deze verordening gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen te verwezenlijken.

2.   Algemene opmerkingen

2.1   Het CvdR is verheugd over:

het voorstel, de raadpleging van belanghebbenden en de daaraan voorafgaande effectbeoordeling;

de opname van de verplichting om samen met inventarisgegevens ook prognoses en verzachtende maatregelen te rapporteren;

de toezegging om de bewaking en rapportage op internationaal niveau en binnen de Europese Commissie te harmoniseren en om de tenuitvoerlegging van het bewakings- en rapportagemechanisme te vergemakkelijken. We verwachten echter dat de Europese Commissie verbintenissen binnen het regionale kader gebruikt om het voorstel uit te breiden;

de pogingen om de bewakings- en rapportagevereisten in het voorstel te stroomlijnen en te vereenvoudigen;

de samenhang tussen de ramingen van de uitstoot van broeikasgassen en die van lokale emissies;

het clearinghouse-mechanisme van de EU en hoopt dat dit voor nationale, regionale en lokale klimaatbeleidsmakers een nuttig instrument zal vormen;

het feit dat ook andere effecten van de luchtvaart op de opwarming van de aarde in aanmerking worden genomen.

2.2   Financiële aangelegenheden

De uitvoering van klimaatbeleid resulteert vaak in concurrentie tussen middelen voor verzachtende maatregelen en voor aanpassingsmaatregelen. In verband hiermee is het CvdR bezorgd dat:

de expliciete vermelding in het voorstel van aanpassing als een lokale aangelegenheid, zonder ook verzachting expliciet als lokale aangelegenheid te noemen, op de lange termijn de doelmatigheid van het verzachtingsbeleid zal hinderen;

er geen begeleiding is met betrekking tot de werkelijke uitbreiding van het toepassingsgebied die het voorstel voor de lidstaten met zich meebrengt. Die is nodig om de instanties die uiteindelijk veel wijzigingen in het voorstel zullen uitvoeren, te behoeden voor te hoge uitgaven;

van ten minste 30 % van de inkomsten die worden gegenereerd door het veilen van rechten, niets wordt toegewezen aan de regio's. Dat is nodig om bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;

de administratieve, technische en financiële lasten van aanvullende bewakings- en rapportage-eisen zich waarschijnlijk zullen uitstrekken tot de regio's, waardoor deze lasten evenredig moeten worden verdeeld;

het streven naar marginale verbeteringen van de beschikbare gegevens moet worden voorkomen indien dit ten koste gaat van de tenuitvoerlegging van verzachtings- of aanpassingsbeleid.

2.3   Inventaris van en gegevens over uitstoot

Een inventaris van de uitstoot vertelt ons waar we stonden en staan op het gebied van onze uitstoot van broeikasgassen. Het doel ervan moet zijn om belanghebbenden te informeren over de huidige situatie met betrekking tot het verzachtingsbeleid.

Om die reden:

wordt het nut van een inventaris sterk vergroot door prognoses en koolstofarme ontwikkelingsplannen met een korte-, middellange- en langetermijnperspectieven;

zijn de uitstootgegevens die uit het voorstel resulteren van groot belang voor het begrijpen van de strategische leiding, de prioriteiten en de prestaties van de Europese Unie, haar lidstaten en haar regio's;

moeten, om het gebruik ervan te maximaliseren, de gegevens echter worden gerapporteerd samen met de kerngegevens over de economische en sociale prestaties die besluitvormers regelmatig gebruiken.

Het Europees Milieuagentschap (EMA) heeft een belangrijke rol in de ontwikkeling en toepassing van consistente methoden en in de ondersteuning van de lidstaten bij het opstellen van de inventarissen.

De centrale statistische en informatiedienst van de Europese Unie moet het orgaan worden dat rechtstreeks verantwoordelijk is voor de gegevens over uitstoot en de kwaliteit daarvan. Er moet onder andere een robuuste en transparante centrale procedure komen, waarvan op passende wijze verantwoording wordt afgelegd, om de nauwkeurigheid en zekerheid van door de lidstaten ingediende gegevensverzamelingen en de prognoses en koolstofarme ontwikkelingsplannen te controleren.

De volgende cumulatieve totale uitstoot, sinds 1990, moet door elke lidstaat worden verstrekt:

de uitstoot in de lidstaat zelf (bronnen);

de uitstoot die wordt gecompenseerd door veranderingen in het landgebruik; en

de uitstoot die wordt gecompenseerd krachtens artikel 5 van Richtlijn 406/2009/EG.

Deze cijfers zijn van groot belang en dienen als aanvulling op het absolute doel van een reductie van 20 % om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 °C.

2.4   Beleidsuitvoering

Het CvdR wenst dat de prognoses en de koolstofarme ontwikkelingsplannen een expliciet, gekwantificeerd, ruimtelijk/regionaal element omvatten, omdat:

het ruimtelijke element een betere bewaking van de voortgang en beter bewijs mogelijk maakt dan generieke rapportages op nationaal niveau;

de regio's dichter bij de burgers staan dan de lidstaten, waardoor ze beter in staat zijn om informatie over klimaatgerelateerde kwesties te communiceren aan het publiek, wat een van de doeleinden van het bewakings- en rapportagemechanisme is.

Regionale autoriteiten zijn een belangrijke bron van deskundigheid en hebben hun werk voorgesteld op UNFCCC-conferenties. Ze zouden vanaf het begin moeten worden betrokken bij de ontwikkeling van maatregelen voor verzachting van en aanpassing aan de klimaatverandering, zodat hun deskundigheid en ervaring met de effecten en oorzaken van de klimaatverandering – die zich op lokaal niveau het sterkst laten voelen – maximaal worden benut.

We verwijzen de Europese Commissie naar de initiatieven van het Burgemeestersconvenant, ClimAct Regions, carbonn, ICLEI en EUCO2 80/50 als voorbeelden van op regionaal niveau ondernomen activiteiten met internationale uitstraling om de uitstoot van CO2 te verminderen.

Dit verzoek is in overeenstemming met het regionaal kader.

Het vormt een duidelijke politieke boodschap in deze richting.

Het effect van nationaal beleid, gemeten in een vermindering van de uitstoot, zal in de verschillende regio's in een lidstaat verschillend zijn en moet worden begrepen.

Maatregelen moeten dichter bij de uitstootbron worden genomen; als er gegevens worden verstrekt die op lokaal niveau kunnen worden gebruikt, is de kans groter dat er actie wordt ondernomen.

Gezien artikelen 191 en 192 van het Verdrag zou dat ook evenredig zijn.

Regio's zullen in verschillende mate bijdragen aan de vermindering van de uitstoot, afhankelijk van hun economische structuur en infrastructuur. Dat geldt zowel voor regio's in de lidstaten als voor regio's in Europa.

Deze overheden worden door de lidstaten niet consequent geraadpleegd over klimaatonderwerpen, hoewel ze dicht bij de beleidsuitvoering staan.

Het aangaan van de verzachtingsuitdaging is geen top-downproces.

Daarnaast moet de technische en financiële bijstand aan ontwikkelingslanden die door regionale overheden in het kader van gedecentraliseerde samenwerkingsprogramma's wordt verstrekt, worden erkend.

2.5   Aanpassing

Aanpassingsstrategieën zijn op dit moment niet verplicht, waardoor de invoering van rapportageverplichtingen op het gebied van aanpassing (artikel 16) ongerijmd kan lijken. Dit impliceert echter niet dat het niet moet gebeuren.

Het CvdR herhaalt zijn oproep om een vertegenwoordiger van lokale en regionale overheden op te nemen in organen als het nieuwe Aanpassingscomité. We verwijzen naar het Pact van Mexico-Stad van 2010 en het in Durban in december 2011 ondertekende Aanpassingshandvest.

2.6   Koolstofarme ontwikkelingsplannen en prognoses: transparantie en eigendom van gegevens

Nationale, regionale en lokale overheden hebben instrumenten, maatstaven, instructies en richtsnoeren nodig van de Europese Commissie/het EMA om:

prognoses en koolstofarme ontwikkelingsplannen te ontwerpen;

bewakingsmechanismen op te zetten;

tijdig kosteneffectieve toegang tot gegevens te verschaffen;

standaardisatie en proliferatie van gegevens en gegevensverzamelingsinstrumenten te voorkomen;

voor samenhang tussen de prognoses en de koolstofarme ontwikkelingsplannen te zorgen;

de kwaliteit, betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van de gegevens te versterken;

de verplichtingen uit hoofde van het Protocol van Kyoto, de overeenkomsten van Cancún en het Durban-platform voor een versterkt optreden na te komen;

We vragen het EMA om naast de nationale inventarissen en statistieken inzake de verzachting van de gevolgen van de klimaatverandering gemainstreamde en transparante lokale en regionale gegevensverzamelingen te produceren, dat wil zeggen: online raadpleegbaar, met filters voor de resultaten op lidstaat-, regionaal en subregionaal niveau, per sector, teneinde vergelijkende analyse, normalisatie en toetsing aan sociaaleconomische gegevens mogelijk te maken.

2.7   Emissies van de luchtvaart en het zeevervoer

De verwijzingen naar de behandeling van emissies door de burgerluchtvaart en de rapportage van emissies door het zeevervoer zijn onduidelijk. Volgens het CvdR zijn de redenen hiervoor de volgende:

Het CvdR begrijpt dat dit te wijten is aan een verkeerd begrip van de broncategorie „1.A.3.A burgerluchtvaart”; het doel is om de emissies van privévliegtuigen (in tegenstelling tot commerciële vliegtuigen), d.w.z. merendeels lichte vliegtuigen en helikopters die hoofdzakelijk gebruikmaken van kleine privéluchthavens, als nul te beschouwen. Dit moet duidelijk worden vermeld.

Er wordt geen methode gegeven voor emissies van zeeschepen die Europese havens aandoen. In het voorstel zou uitdrukkelijk moeten worden vermeld dat de Europese Commissie wacht op wetgeving voordat zij een methode ontwikkelt.

3.   Conclusie

Het CvdR maakt zich zorgen over het ontbreken van een regionale focus in het voorstel. Het CvdR stelt dat dit een gemiste kans is die de tenuitvoerlegging van verzachtingsbeleid zal hinderen. Het CvdR is van mening dat het voorstel zal verbeteren door de opname van een expliciete regionale focus. De focus op de prognoses en de koolstofarme ontwikkelingsplannen wordt toegejuicht.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 1 – Onderwerp

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(e)

de rapportage van CO2-emissies afkomstig van zeevervoer;

(e)

(f)

de bewaking en rapportage van het gebruik van inkomsten uit de veiling van emissierechten in het kader van artikel 3 quater, lid 1 en 2, of artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, overeenkomstig artikel 3 quater, lid 4, en artikel 10, lid 3, van die richtlijn;

(f)

de bewaking en rapportage van het gebruik van inkomsten uit de veiling van emissierechten in het kader van artikel 3 quater, lid 1 en 2, of artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, overeenkomstig artikel 3 quater, lid 4, en artikel 10, lid 3, van die richtlijn;

(g)

de bewaking en rapportage van de door lidstaten genomen maatregelen voor aanpassing aan de onvermijdelijke gevolgen van klimaatverandering;

(g)

de bewaking en rapportage van de door lidstaten genomen maatregelen voor aanpassing aan de onvermijdelijke gevolgen van klimaatverandering;

(h)

de evaluatie van de vooruitgang van de lidstaten bij het nakomen van hun verplichtingen in het kader van Beschikking nr. 406/2009/EG;

(h)

de evaluatie van de vooruitgang van de lidstaten bij het nakomen van hun verplichtingen in het kader van Beschikking nr. 406/2009/EG;

(i)

de verzameling van informatie en gegevens die noodzakelijk zijn voor de opstelling en beoordeling van toekomstige EU-beleidslijnen inzake klimaatverandering.

(i)

de verzameling van informatie en gegevens die noodzakelijk zijn voor de opstelling en beoordeling van toekomstige EU-beleidslijnen inzake klimaatverandering.

Motivering

Een rapportagemechanisme voor emissies door zeevervoer is niet voorzien; wij menen te begrijpen dat een dergelijk mechanisme zal worden voorzien als nieuwe wetgeving dat vereist.

Aangezien de voorstellen vooral op lokaal/regionaal niveau zullen worden gedaan, moet het voorstel uitdrukkelijker hiernaar verwijzen.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 2 – Toepassingsgebied

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Motivering

Het regionale niveau moet niet alleen bij de aanpassing aan klimaatverandering uitdrukkelijk worden vermeld, maar ook bij de beperking ervan.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 3 – Definities

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(13)

„nationaal systeem voor beleidsinitiatieven en maatregelen en prognoses” is een systeem van institutionele, juridische en procedurele regelingen die zijn vastgelegd binnen een lidstaat voor het rapporteren van beleidsinitiatieven en maatregelen en voor het opstellen en rapporteren van prognoses over antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, zoals bepaald in artikel 13 van deze verordening;

(13)

„nationaal systeem voor beleidsinitiatieven en maatregelen en prognoses” is een systeem van institutionele, juridische en procedurele regelingen die zijn vastgelegd binnen een lidstaat, voor het rapporteren van beleidsinitiatieven en maatregelen en voor het opstellen en rapporteren van prognoses over antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, , zoals bepaald in artikel 13 van deze verordening;

Motivering

Er moet voldoende samenhang zijn tussen het beleid, de maatregelen en de ramingen in elke lidstaat.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 4 – Koolstofarme ontwikkelingsstrategieën

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   De lidstaten moeten hun koolstofarme ontwikkelingsstrategie één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening of in overeenstemming met een tijdschema dat internationaal werd overeengekomen in de context van de UNFCCC-procedure bij de Commissie indienen.

2.   De lidstaten moeten hun koolstofarme ontwikkelingsstrategie één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening of in overeenstemming met een tijdschema dat internationaal werd overeengekomen in de context van de UNFCCC-procedure bij de Commissie indienen.

3.   De Commissie en de lidstaten stellen hun respectieve koolstofarme ontwikkelingsstrategieën en bijwerkingen ervan onmiddellijk ter beschikking aan het publiek.

3.   De Commissie en de lidstaten stellen hun respectieve koolstofarme ontwikkelingsstrategieën en bijwerkingen ervan onmiddellijk ter beschikking aan het publiek.

Motivering

Aan deze plannen moet een ruimtelijk element worden toegevoegd om aan te geven dat aan de plannen voldoende aandacht is besteed en dat ze op voldoende inzicht stoelen; dat is deels omdat het zonder ruimtelijk aspect moeilijk zal zijn om de plannen 'op het terrein' uit te voeren.

Inzicht in het tot stand komen van deze prognoses en berekeningen voor koolstofarme ontwikkelingsstrategieën is essentieel met het oog op beleidsanalyses en transparantie.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 5 – Nationale inventarisatiesystemen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

1.   De lidstaten zorgen in voor het vaststellen, opzetten en voortdurend verbeteren van nationale inventarisatiesystemen om een raming te maken van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen zoals vermeld in bijlage I bij deze verordening en te zorgen voor de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van hun broeikasgasinventarissen.

1.   De lidstaten zorgen in voor het vaststellen, opzetten en voortdurend verbeteren van nationale inventarisatiesystemen om een raming te maken van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen zoals vermeld in bijlage I bij deze verordening en te zorgen voor de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van hun broeikasgasinventarissen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun voor inventarisatie bevoegde autoriteiten toegang hebben tot, en dat hun nationale inventarisatiesysteem zo ontworpen is dat hun bevoegde autoriteiten toegang hebben tot:

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun voor inventarisatie bevoegde autoriteiten toegang hebben tot, en dat hun nationale inventarisatiesysteem zo ontworpen is dat hun bevoegde autoriteiten toegang hebben tot:

(a)

gegevens en methoden gerapporteerd voor activiteiten en installaties in het kader van Richtlijn 2003/87/EG voor de opstelling van nationale broeikasgasinventarissen teneinde overeenstemming van de gerapporteerde broeikasgasemissies te garanderen in het kader van de EU-regeling voor de handel in emissierechten en in de nationale broeikasgasinventarissen;

(a)

gegevens en methoden gerapporteerd voor activiteiten en installaties in het kader van Richtlijn 2003/87/EG voor de opstelling van nationale broeikasgasinventarissen teneinde overeenstemming van de gerapporteerde broeikasgasemissies te garanderen in het kader van de EU-regeling voor de handel in emissierechten en in de nationale broeikasgasinventarissen;

(b)

gegevens verzameld via de rapportagesystemen over fluorgassen in de verschillende sectoren, als vastgelegd in artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 met als doel het opstellen van nationale broeikasgasinventarissen;

(b)

gegevens verzameld via de rapportagesystemen over fluorgassen in de verschillende sectoren, als vastgelegd in artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 met als doel het opstellen van nationale broeikasgasinventarissen;

(c)

emissies, onderliggende gegevens en methodieken gerapporteerd door installaties overeenkomstig Verordening (EG) nr. 166/2006 met als doel het opstellen van nationale broeikasgasinventarissen;

(c)

emissies, onderliggende gegevens en methodieken gerapporteerd door installaties overeenkomstig Verordening (EG) nr. 166/2006 met als doel het opstellen van nationale broeikasgasinventarissen;

(d)

gegevens gerapporteerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1099/2008.

(d)

gegevens gerapporteerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1099/2008.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat hun voor inventarisatie bevoegde autoriteiten en hun nationale inventarisatiesysteem ervoor zorgt dat hun voor inventarisatie bevoegde autoriteiten:

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat hun voor inventarisatie bevoegde autoriteiten en hun nationale inventarisatiesysteem ervoor zorgt dat hun voor inventarisatie bevoegde autoriteiten:

(a)

gebruikmaken van de rapportagesystemen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 ter verbetering van de raming van fluorgassen in de broeikasgasinventarissen;

(a)

gebruikmaken van de rapportagesystemen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 ter verbetering van de raming van fluorgassen in de broeikasgasinventarissen;

(b)

in staat zijn jaarlijkse overeenstemmingscontroles uit te voeren zoals vermeld in artikel 7, lid 1, onder l) en m) van deze verordening;

(b)

in staat zijn jaarlijkse overeenstemmingscontroles uit te voeren zoals vermeld in artikel 7, lid 1, onder l) en m) van deze verordening;

 

   

Motivering

Om voor het terugdringen van emissies goede maatregelen uit te werken waarvan de resultaten doorwerken in de inventarissen van broeikasgassen is een goede kennis nodig van de informatiebronnen, methoden, berekeningen, hypothesen en dergelijke. Sommige koolstofputten en diffuse emissiebronnen vallen onder de bevoegdheid van regionale overheden. Om de nationale inventaris en de op regionaal niveau voorgestelde mitigatiemaatregelen te verbeteren en aan te passen zouden deze overheden daarom bekend moeten raken met en betrokken moeten worden bij de nationale inventarissystemen.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 6 – Inventarisatiesysteem van de Unie

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(c)

een jaarlijkse beoordeling door deskundigen van de broeikasgasinventarissen van de lidstaten.

(c)

een jaarlijkse beoordeling door deskundigen van de broeikasgasinventarissen van de lidstaten.

 

Motivering

De inventarissen van lidstaten moeten worden beoordeeld door een onafhankelijke, niet-commerciële deskundige autoriteit, die geen hand heeft in het opstellen van een nationale inventaris tijdens een gegeven jaar. Dit orgaan maakt bij voorkeur deel uit van het Europees Milieuagentschap. De EC moet ook de impact van haar eigen beleid en programma's op de uitstoot erkennen, zodat ze kan nagaan of deze een positief of negatief effect hebben.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 7 – Broeikasgasinventarissen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(a)

hun antropogene emissies van de in bijlage I bij deze verordening genoemde broeikasgassen en de antropogene emissies van broeikasgassen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van Beschikking nr. 406/2009/EG voor het jaar X-2. Onverminderd de rapportage van de broeikasgassen als bedoeld in bijlage I bij deze verordening, worden de emissies van kooldioxide (CO2) van IPCC-broncategorie „1.A.3.A burgerluchtvaart” beschouwd als gelijk aan nul ten behoeve van artikel 3 en artikel 7, lid 1, van Beschikking nr. 406/2009/EG;

(a)

hun antropogene emissies van de in bijlage I bij deze verordening genoemde broeikasgassen en de antropogene emissies van broeikasgassen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van Beschikking nr. 406/2009/EG voor het jaar X-2. Onverminderd de rapportage van de broeikasgassen als bedoeld in bijlage I bij deze verordening, worden de emissies van kooldioxide (CO2) van IPCC-broncategorie „1.A.3.A burgerluchtvaart” beschouwd als gelijk aan nul ten behoeve van artikel 3 en artikel 7, lid 1, van Beschikking nr. 406/2009/EG;

Motivering

Categorie 1.A.3.A betreft emissies door luchtvaartuigen bij het opstijgen en landen en het gebruik van het luchtruim van een lidstaat. Het opnemen van emissies van lichte vliegtuigen en helikopters die gebruikmaken van privéluchthavens kan op korte termijn een aanzienlijke administratieve belasting vormen. Brandstof voor lichte vliegtuigen en helikopters wordt wellicht wel opgenomen onder bunkerbrandstofemissies als deze luchtvaartuigen een commerciële luchthaven hebben gebruikt (wat leidt tot een inconsistentie).

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 13 – Nationale systemen voor beleidsinitiatieven, maatregelen en prognoses

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   Zij dienen de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid te garanderen van de informatie die is gerapporteerd over beleidsinitiatieven en maatregelen en prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, als bedoeld in artikel 14 en 15 van deze verordening, met inbegrip van het gebruik en de toepassing van gegevens, methoden en modellen, en de uitvoering van activiteiten op het gebied van kwaliteitsevaluatie en kwaliteitsborging en gevoeligheidsanalyse.

2.   Zij dienen de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid te garanderen van de informatie die is gerapporteerd over beleidsinitiatieven en maatregelen en prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, als bedoeld in artikel 14 en 15 van deze verordening, met inbegrip van het gebruik en de toepassing van gegevens, methoden en modellen, en de uitvoering van activiteiten op het gebied van kwaliteitsevaluatie en kwaliteitsborging en gevoeligheidsanalyse.

Motivering

Het moet mogelijk zijn om de prognoses en koolstofarme ontwikkelingsplannen van verschillende lidstaten met elkaar te vergelijken. Verder moet de impact op emissies in verschillende sectoren in verschillende Europese regio's kunnen worden vergeleken. Daarom moeten de gegevens raadpleegbaar zijn zodat verdere analyse mogelijk is en vertrouwen in de strategieën kan worden gesteld.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 14 – Rapportage van beleidsinitiatieven en maatregelen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   …

1.   …

(c)

informatie over de nationale beleidsinitiatieven en maatregelen en over de uitvoering van de beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie ter beperking of vermindering van de emissies van broeikasgassen per bron of ter intensivering van de verwijdering door putten, voor ieder broeikasgas per sector in bijlage I bij deze verordening opgenomen. Deze informatie bevat verwijzingen naar toepasselijke nationale beleidsinitiatieven of beleidsinitiatieven van de Unie, in het bijzonder beleidsinitiatieven betreffende luchtkwaliteit, en omvat:

(c)

informatie over de nationale beleidsinitiatieven en maatregelen en over de uitvoering van de beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie ter beperking of vermindering van de emissies van broeikasgassen per bron of ter intensivering van de verwijdering door putten , voor ieder broeikasgas per sector in bijlage I bij deze verordening opgenomen. Deze informatie bevat verwijzingen naar toepasselijke nationale beleidsinitiatieven of beleidsinitiatieven van de Unie, in het bijzonder beleidsinitiatieven betreffende luchtkwaliteit, en omvat:

2.   De Commissie stelt elke raming van de kosten en effecten van nationale beleidsinitiatieven en maatregelen en alle informatie over de uitvoering van beleidsinitiatieven of maatregelen van de Unie ter beperking of vermindering van de emissies van broeikasgassen per bron of ter intensivering van de verwijderingen per put, samen met eventuele technische verslagen die aan de basis liggen van deze ramingen, in elektronische vorm ter beschikking van het publiek. Deze omvatten beschrijvingen van de gebruikte modellen en methodologische benaderingen, definities en onderliggende veronderstellingen.

2.   De Commissie stelt elke raming van de kosten en effecten van nationale beleidsinitiatieven en maatregelen en alle informatie over de uitvoering van beleidsinitiatieven of maatregelen van de Unie ter beperking of vermindering van de emissies van broeikasgassen per bron of ter intensivering van de verwijderingen per put, samen met eventuele technische verslagen die aan de basis liggen van deze ramingen, in elektronische vorm ter beschikking van het publiek. Deze omvatten beschrijvingen van de gebruikte modellen en methodologische benaderingen, definities en onderliggende veronderstellingen

Motivering

De regionale context moet uitdrukkelijk worden vermeld.

De berekeningen en kwalitatieve verklaringen zijn noodzakelijk.

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 15 – Rapportage over prognoses

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De lidstaten rapporteren ten laatste op 15 maart van elk jaar („jaar X”) nationale prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, ingedeeld per gas en per sector aan de Commissie.

1.   De lidstaten rapporteren ten laatste op 15 maart van elk jaar („jaar X”) nationale prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, ingedeeld per gas en per sector aan de Commissie.

Motivering

De regionale context moet uitdrukkelijk worden vermeld.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 25 – Rol van het Europees Milieuagentschap

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(d)

het uitvoeren van de jaarlijkse beoordeling door deskundigen;

(d)

het uitvoeren van de jaarlijkse beoordeling door deskundigen;

(h)

het maken van ramingen voor gegevens over prognoses die niet werden ingediend door de lidstaten;

(h)

het maken van ramingen voor gegevens, over prognoses die niet werden ingediend door de lidstaten;

(j)

het verspreiden van in het kader van deze verordening verzamelde informatie, met inbegrip van het onderhouden en bijwerken van een database over de beleidsinitiatieven en maatregelen van de lidstaten ter verzachting van de klimaatverandering, en een uitwisselingsplaats voor effecten, kwetsbaarheden en aanpassing aan de klimaatverandering.

(j)

het verspreiden van in het kader van deze verordening verzamelde informatie, met inbegrip van het onderhouden en bijwerken van een database over de beleidsinitiatieven en maatregelen van de lidstaten ter verzachting van de klimaatverandering, en een uitwisselingsplaats voor effecten, kwetsbaarheden en aanpassing aan de klimaatverandering.

 

 

 

 

 

Motivering

Het Europees Milieuagentschap is cruciaal voor het succes van het beleid in de lidstaten. Het moet dan ook bron zijn van deskundigheid en ondersteuning over de verwachte emissiepaden. De cumulatieve uitstoot is cruciaal voor de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer en dus voor toekomstige temperatuurstijgingen. De uitstoot binnen de Europese grenzen is geen juiste weerspiegeling van de totale uitstoot waarvoor Europa verantwoordelijk is. Daarom moet expliciet een evaluatie van de „consumptie-uitstoot” worden opgenomen.

Brussel, 19 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/61


Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een verordening inzake het programma voor het milieu en klimaatactie (Life)

2012/C 277/08

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

zou, gezien de aanzienlijke uitdagingen op dit gebied graag zien dat het budget veel sterker stijgt. Wel is het zo dat het precieze bedrag pas kan worden vastgesteld als de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader zijn afgesloten;

onderschrijft de nieuwe aanpak via „geïntegreerde projecten”, maar wil dat de toegankelijkheid en de betrokkenheid van partijen bij zulke projecten meer wordt aangemoedigd, dat het mariene milieu, bodem en geluidshinder als verdere prioriteiten voor geïntegreerde projecten worden toegevoegd en dat er passende coördinatiemechanismen komen van LIFE met andere EU-fondsen in het gemeenschappelijk strategisch kader en met prioritaire actiekaders voor de financiering van Natura 2000;

meent dat het schrappen van btw als subsidiabele uitgave veel potentiële aanvragers mogelijk zal weerhouden om voorstellen uit te werken en stelt voor dat debtw als subsidiabele uitgave wordt aangemerkt als de begunstigde kan aantonen dat deze niet terugvorderbaar is;

adviseert om de kosten van vast personeel subsidiabel te houden, onder voorwaarde dat wordt aangetoond en gedocumenteerd dat de betreffende personeelsleden officieel - voltijds of deeltijds - voor het project gedetacheerd zijn;

meent dat het plafond voor cofinanciering opgetrokken zou moeten worden tot 85 % voor minder ontwikkelde regio's (zoals vastgelegd in de structuurfondsverordeningen) en ultraperifere regio's;

wil dat het LIFE-programma ook openstaat voor landen en gebieden overzee van de EU die partij zijn bij het „Besluit inzake associatie van landen en gebieden overzee” (Besluit 2001/822/EG van de Raad), die verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de biodiversiteit van de EU.

Rapporteur

Kay TWITCHEN (UK/NI), lid van de graafschapsraad van Essex

Referentiedocument

Voorstel voor een verordening van de Raad en het Europees Parlement inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

COM(2011) 874 final – 2011/0428 COD

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

A.    Algemene opmerkingen

1.

spreekt nogmaals zijn standpunt uit dat het LIFE-programma een belangrijk ondersteunend instrument vormt voor de financiering van lokaal en regionaal milieubeleid en lokale en regionale milieuprojecten met een Europese meerwaarde, en heeft bijgedragen aan de mobilisatie van inspanningen door lokale en regionale overheden. Het programma heeft tevens bijgedragen aan het opzetten van partnerschappen, waardoor samenwerkingsstructuren zijn verstevigd en de uitwisseling van ervaringen en informatie op lokaal en regionaal niveau gemakkelijker is geworden.

2.

Het is een goede zaak dat LIFE in de nieuwe financieringsperiode wordt voortgezet. Hierdoor kan effectiever worden ingegrepen, ontstaan er synergieën door de coördinatie van activiteiten op nationaal en EU-niveau, en worden milieu- en klimaatacties meer zichtbaar.

3.

De Commissie stelt terecht dat milieubescherming en de strijd tegen klimaatverandering een integraal deel van de meeste EU-beleidsgebieden moeten vormen. Met de belangrijkste financieringsinstrumenten van de Unie worden echter niet alle specifieke milieu- en klimaatbehoeften aangepakt, zodat nog altijd een afzonderlijk programma voor het milieu en klimaatactie nodig is, dat voortbouwt op de resultaten van Verordening (EG) nr. 614/2007 voor de periode 2007-13 (LIFE+). Het vormt dus een aanvulling op de „mainstreaming”-aanpak om milieu- en klimaatdoelstellingen in de gehele EU-begroting te verwezenlijken, door middel van de financiering van milieu- en klimaatprojecten die niet in aanmerking komen voor financiering uit andere financieringsinstrumenten.

4.

Uit evaluatie van het huidige LIFE-programma is gebleken dat de effecten ervan door het gebrek aan strategische focus beperkt zijn. In het nieuwe programma zou daarom een flexibele top-downbenadering moeten worden ingevoerd en twee afzonderlijke subprogramma's worden ingesteld, met name Milieu en Klimaatactie, waarvoor duidelijke prioriteiten worden vastgesteld.

5.

Belangrijk is daarbij wel dat flexibiliteit in het programma voldoende gewaarborgd blijft. Het prioriteringsproces zou niet moeten leiden tot te grote beperkingen en te dwingende criteria. Kwaliteit van projectvoorstellen zou, net als in het huidige programma, leidend moeten zijn.

6.

In de LIFE-verordening moet specifiek worden verwezen naar de noodzaak om tot synergieën tussen de verschillende onderdelen te komen, bijvoorbeeld om te zorgen dat door LIFE gefinancierde klimaatprojecten gunstige gevolgen hebben voor de biodiversiteit en dat door LIFE gefinancierde milieuprojecten een klimaattoets doorstaan. Voor zover de Commissie heeft gewezen op de potentiële synergieën tussen de twee subprogramma's en op projecten die diverse doelen ten goede kunnen komen, is het belangrijk om te zorgen dat dit wordt verwezenlijkt.

7.

Het CvdR herhaalt (1) dat het LIFE-programma projecten op het gebied van communicatie en informatie moet blijven steunen, met meer aandacht voor bewustmaking, met inbegrip van educatie voor duurzame ontwikkeling en het bevorderen van projecten waarbij lokale en regionale overheden zijn betrokken. In dit opzicht is het CvdR verheugd met het voorgestelde prioritaire gebied governance en informatie in beide subprogramma's.

8.

Het CvdR onderschrijft het voorstel om de twee subprogramma's van LIFE ten behoeve van de onderlinge samenhang binnen het kader van één meerjarig werkprogramma te brengen, met één set gemeenschappelijke uitvoeringsvoorschriften, één oproep tot het indienen van voorstellen en één LIFE-Comité voor de behandeling ervan. Het CvdR wijst erop dat de procedures en prioriteiten van de verschillende deelprogramma's niet uiteen mogen lopen.

9.

Het CvdR waardeert het dat de Commissie tijdens de ontwikkeling van dit voorstel uitvoerige raadplegingen heeft gehouden en de door belanghebbenden en het CvdR naar voren gebrachte standpunten ter harte heeft genomen (2).

B.    Indicatoren

10.

Positief is de nadruk die in artikel 3 van het voorstel is gelegd op de vastlegging van indicatoren aan de hand waarvan het succes van LIFE kan worden afgemeten. Er zouden meer indicatoren moeten komen voor het meten en bevorderen van goede governance en communicatie binnen elk LIFE-project. Het CvdR heeft erop aangedrongen dat het LIFE-programma zich meer concentreert op doelgerichte en dus effectievere methoden van communicatie en capaciteitsopbouw per afzonderlijk LIFE-project.

C.    Subprogramma voor milieu (LIFE-Milieu)

Prioritair gebied: milieu en efficiënt hulpbronnengebruik

11.

In artikel 10 van het voorstel wordt op markttoepassing gerichte innovatie in de private sector uitgesloten, aangezien dit wordt behandeld in Horizon 2020. Hierdoor kan LIFE zich concentreren op eco-innovatie door lokale en regionale overheden en op het vinden van oplossingen die doorgaans het best door publiek-private partnerschappen kunnen worden uitgevoerd. Het CvdR is daarom verheugd over de verschuiving naar innovatie in de publieke sector en de mogelijkheid van publiek-private partnerschappen.

Prioritair gebied: biodiversiteit

12.

Het CvdR juicht toe dat in artikel 11 van het voorstel, zoals verzocht door het CvdR (3), terugkerende activiteiten worden toegestaan op voorwaarde dat projecten worden uitgevoerd op basis van procedures die als voorbeeld kunnen dienen voor andere regio's en dat ze voldoen aan normen voor monitoring en mededeling van resultaten aan het publiek.

13.

Ondersteuning door middel van geïntegreerde projecten voor prioritaire actiekaders voor de financiering van Natura 2000 zal in de toekomst een kernelement vormen van het prioritaire gebied Biodiversiteit van LIFE. Het CvdR zou graag zien dat de regionale overheden de prioritaire actiekaders ontwikkelen en neemt kennis van de onlangs door de Commissie gelanceerde initiatieven voor de financiering van Natura 2000 (4), zulks met inachtneming van het institutionele bestel van iedere lidstaat.

Prioritair gebied: milieugovernance en informatie

14.

Het is toe te juichen dat de ondersteuning van milieugovernance door LIFE versterkt is door dit in artikel 12 van de voorgestelde verordening aan te wijzen als een prioritair gebied. Het CvdR is van mening dat hierdoor de zichtbaarheid van potentiële governanceprojecten wordt vergroot en dat lokale en regionale overheden belangrijke begunstigden van dit nieuwe prioritaire gebied worden. Het CvdR heeft erop aangedrongen dat LIFE bijdraagt aan de versterking van de administratieve slagkracht van lokale en regionale overheden en in toenemende mate nadruk legt op bewustmaking, met inbegrip van educatie voor duurzame ontwikkeling en het bevorderen van projecten waarbij lokale en regionale overheden zijn betrokken en die een aanzienlijke impact op EU-niveau hebben (5).

15.

Dit prioritaire gebied draagt bij tot het uitwisselen van gegevens over de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving d.m.v. ondersteunende netwerken, opleiding en projecten ter verspreiding van beste praktijken, met name van lokale en regionale overheden, op Europees niveau.

D.    Subprogramma voor klimaatactie (LIFE-Klimaat)

16.

Het is verheugd dat een nieuw subprogramma voor klimaatactie wordt opgezet, dat een rol kan spelen in de bevordering van maatregelen en investeringen voor een laag koolstofgebruik, efficiënt gebruik van hulpbronnen en zonder gevolgen voor het klimaat. De internationale verplichtingen van de EU tot het terugdringen van broeikasgassen in het kader van het Kyotoprotocol en de toekomstige wereldwijde klimaatovereenkomst die in 2015 moet worden vastgesteld, zijn in dit verband welkom, alsmede de doelstellingen van de EU in het klimaat- en energiepakket, de Europa 2020-strategie en de routekaart voor een koolstofarme economie in 2050 (6).

17.

De voorgestelde begroting is echter slechts een klein deel van het hele LIFE-programma (25 %). Daardoor heeft LIFE-Klimaat zeer beperkte mogelijkheden om broeikasgassen aanzienlijk terug te dringen. Daarom moet het inzetten op meervoudige milieuvoordelen, zoals natuurgebieden, die essentieel zijn voor het garanderen van een goede luchtkwaliteit, en op een grote biodiversiteit (veengebieden en bossen), of bijdragen tot de aanleg van groene infrastructuur, bij wijze van geïntegreerde aanpak van het behoud van biodiversiteit en van het tegengaan van de gevolgen van klimaatverandering.

18.

Het valt te waarderen dat de geïntegreerde projecten zich in de eerste plaats zullen richten op strategieën en actieplannen voor de matiging van en de aanpassing aan klimaatverandering.

19.

Het CvdR is verheugd met de genoemde doelstellingen onder het prioritaire gebied „klimaatgovernance en informatie” (artikel 16) en ziet een duidelijke rol voor zichzelf weggelegd bij het stimuleren van bewustmaking op het gebied van klimaat.

E.    Geïntegreerde projecten

20.

Zoals aangegeven in zijn eerdere advies (7), staat het CvdR achter het voorstel tot invoering van langdurige „geïntegreerde projecten” op grote territoriale schaal (m.n. regionaal, multiregionaal of nationaal), als aanpak van tal van problemen dankzij een strategische, gestructureerde koppeling met andere EU-fondsen. De LIFE-projecten zouden een belangrijke katalyserende rol kunnen blijven spelen.

21.

Geïntegreerde projecten zijn erop gericht de tenuitvoerlegging van het milieu- en klimaatbeleid en de integratie ervan in andere beleidsgebieden, overeenkomstig het beginsel van multi-level governance, te verbeteren, met name door ervoor te zorgen dat andere EU-, nationale en private middelen op een gecoördineerde manier beschikbaar worden gesteld ten voordele van milieu- of klimaatdoelstellingen. Deze plannen zijn gericht op de uitvoering van milieu- en klimaatplannen en -strategieën op een grotere territoriale schaal dan gewoonlijk het geval is in LIFE+.

22.

De lijst met de meest relevante gebieden voor geïntegreerde projecten in artikel 18, onder d) stemt in grote lijnen overeen met eerdere aanbevelingen van het CvdR (waterbeheer, natuur- en biodiversiteitsbehoud, duurzaam gebruik van hulpbronnen en afvalbeheer). Het mariene milieu, de bodem en geluidshinder moeten volgens het CvdR echter worden toegevoegd aan de lijst met de meest relevante gebieden.

23.

De voorbereiding en het beheer van geïntegreerde projecten zijn wellicht complex, met name door de diverse termijnen, selectiecriteria, aanvraagprocedures en -formulieren, beheersvoorwaarden en rapportageregelingen. Met name voor kleinere lokale overheden is dit ontmoedigend. Daarom is het CvdR ingenomen met het voorstel voor technische bijstand bij het voorbereiden en indienen van geïntegreerde projecten.

24.

Er zouden passende mechanismen moeten komen voor de coördinatie van LIFE met andere EU-fondsen in het gemeenschappelijk strategisch kader, met name binnen de partnerschapsovereenkomsten waarvan sprake is in artikel 14 van de ontwerpverordening houdende algemene bepalingen, alsmede met de voorgestelde nieuwe aanpak van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling en lokale ontwikkelingsstrategieën voor alle GSK-fondsen zoals bepaald in artikelen 28 en 29 van de ontwerpverordening houdende algemene bepalingen.

25.

Deze nieuwe categorie van grootschaligere LIFE-projecten kan een kader en richtsnoeren bieden voor de ontwikkeling van afzonderlijke LIFE- en andere projecten, incl. een plan waaruit blijkt hoe andere Europese, nationale, regionale, lokale en particuliere fondsen kunnen worden gecombineerd. In bepaalde gevallen kunnen de projecten een langere periode beslaan, gedurende welke afzonderlijke, hieraan gerelateerde LIFE-projecten kunnen worden ontwikkeld en uitgevoerd.

26.

Tegelijkertijd wordt grote waarde gehecht aan traditionele, kleinschaligere projecten die toegankelijk zijn voor kleinere overheden die minder in staat zijn om een geïntegreerd project te ontwikkelen. Het CvdR is daarom verheugd dat in het nieuwe programma nog altijd plaats is voor dergelijke projecten en zou graag zien dat niet wordt gesnoeid in de algemene middelen ervoor.

27.

Er dient in grote lijnen een geografische basis te worden vastgesteld, maar dit criterium mag niet bepalend zijn en mag er niet toe leiden dat belangrijke projecten niet worden gefinancierd om de eenvoudige reden dat elders het theoretische nationale quotum moet worden gehaald. Het CvdR is verheugd over de mogelijkheid om buurlanden in deze projecten op te nemen.

28.

Belanghebbenden bij geïntegreerde projecten moeten hierbij sterker betrokken worden.

F.    Vereenvoudiging, programmering en gedelegeerde handelingen

29.

De Europese Commissie heeft gepoogd om in te gaan op de oproepen in een eerder advies (8) tot grotere administratieve vereenvoudiging, onder meer door meerjarige programmering en een uitgebreidere toepassing van IT-hulpmiddelen. Het gebruik van vaste tarieven en forfaitaire bedragen kan de bureaucratie verminderen en is welkom. Zorgwekkend is echter dat het streven naar vereenvoudiging in overweging 26 zeer algemeen wordt verwoord als ambitie.

30.

Verheugend is de invoering van een „tweestappenbenadering” voor de selectie van geïntegreerde projecten, waarbij potentiële aanvragers een concept bij de Commissie kunnen indienen ter voorlopige goedkeuring, zodat minder middelen worden verspild door aanvragers die weinig kans van slagen hebben. Dit sluit tevens aan op een aanbeveling van het CvdR (9).

31.

De meerjarige werkprogramma's met een looptijd van ten minste twee jaar, zoals voorgesteld in artikel 24, zijn een goede zaak. Door middel van deze meerjarige werkprogramma's kan LIFE op een meer strategische en politieke wijze inspelen op prioriteiten van de EU. Het CvdR vraagt de Commissie lokale en regionale overheden te betrekken bij het opstellen van de werkprogramma's, zodat deze goed aansluiten bij de praktijk.

32.

Het is zorgwekkend dat een tussentijdse herziening van een meerjarig programma, zoals bepaald in artikel 24, lid 3, zou kunnen leiden tot onvoorspelbaarheid voor begunstigden. De reikwijdte van mogelijke herzieningswijzigingen moet daarom minimaal zijn.

33.

In het huidige programma waren de prestaties van nationale contactpunten wisselend en in sommige gevallen zwak, met als gevolg een onderbesteding van nationale toewijzingen (het CvdR heeft eerder al verzocht om betere opleiding van de nationale contactpunten (10)).

34.

De onderzoeksprocedure en het LIFE-Comité (artikel 29) dienen op transparante en inclusieve wijze te functioneren.

35.

De ontwerpverordening voorziet in gedelegeerde handelingen met betrekking tot de prestatie-indicatoren die van toepassing zijn op specifieke thematische prioriteiten (art. 3), de toepassing van het criterium „is van belang voor de Unie” (art. 19, lid 1) en de toepassing van de criteria „voor de toepassing van geografisch evenwicht” voor geïntegreerde projecten (art. 19, lid 3). Het CvdR heeft een kritisch standpunt ingenomen over een toenemend gebruik van comitologie op het gebied van milieubeleid, omdat hierdoor de besluitvormings- en uitvoeringsprocedures van de EU niet transparant zijn voor lokale en regionale overheden (11). Daarom beveelt het de Commissie aan om passend overleg te voeren met lokale en regionale overheden bij haar voorbereidingswerkzaamheden voor de gedelegeerde handelingen.

G.    Cofinanciering en subsidiabele uitgaven

36.

De Commissie heeft gehoor gegeven aan de oproepen in een eerder advies (12) tot verhoging van het plafond voor cofinanciering van het huidige maximum van 50 % tot 70 % (te verhogen tot maximaal 80 % voor geïntegreerde en voorbereidende projecten).

37.

Het CvdR stelt voor om dit plafond te verhogen tot 85 % voor minder ontwikkelde regio's (zoals vastgelegd in de structuurfondsverordeningen (13)) en voor ultraperifere regio's. Deze regio's spelen vaak een cruciale rol bij het tot staan brengen van biodiversiteitsverlies.

38.

Helaas is de Commissie niet ingegaan op de oproepen in een eerder advies (14) om lokale en regionale overheden de mogelijkheid te blijven geven om de kosten van vast personeel als eigen middelen op te voeren. Het uitsluiten van de kosten van vast personeel zal fundamentele negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit en haalbaarheid van projecten van voornamelijk kleinere overheidsorganisaties en ngo's, die afhankelijk zijn van de continuïteit en deskundigheid van vast personeel, en waarvan de personeelsleden vaak deeltijds aan verschillende projecten tegelijk werken.

39.

Een en ander zal veel potentiële aanvragers, tezamen met het schrappen van btw als subsidiabele uitgave zoals voorgesteld in artikel 20, mogelijk ervan weerhouden om voorstellen te ontwikkelen. Er zij op gewezen dat btw door andere EU-fondsen wordt aanvaard als subsidiabele kosten, mits de begunstigde kan aantonen dat de btw niet terugvorderbaar is.

40.

Tegelijkertijd echter lijken de resultaten van een onderzoek erop te wijzen dat voor de meeste projecten het schrappen van bepaalde subsidiabele elementen zal worden gecompenseerd door het effect van de door de Commissie voorgestelde, aanzienlijk hogere cofinancieringspercentages. Voorts beseft het CvdR dat de kwestie van personeelsuren aanleiding geeft tot veel conflicten tussen de auditors van de Commissie en begunstigden en tot terugvordering leidt van grote bedragen door de Commissie, soms lange tijd na voltooiing van het betreffende project.

41.

Desalniettemin wordt geadviseerd om de kosten van vast personeel subsidiabel te houden, onder voorwaarde dat wordt aangetoond en gedocumenteerd dat de betreffende personeelsleden officieel voor het project gedetacheerd zijn.

H.    Budget

42.

De voorgestelde verhoging van het budget voor het LIFE-programma van 2 100 miljoen EUR naar 3 600 miljoen EUR is dan wel een aanzienlijke verhoging voor het programma, maar is nog altijd relatief bescheiden en bedraagt slechts 0,3 % van de totale EU-begroting.

43.

Gezien de aanzienlijke uitdagingen op dit gebied zou het CvdR echter graag zien dat dit budget veel sterker stijgt. Wel is het zo dat het precieze bedrag pas kan worden vastgesteld als de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader zijn afgesloten.

44.

Hoewel een grotere samenhang en complementariteit met andere geldstromen welkom zijn, mag de financiering van het LIFE-programma geen invloed hebben op die andere stromen (bijvoorbeeld de structuurfondsen).

45.

Het is een goede zaak dat 50 % van het subprogramma Milieu wordt gereserveerd voor biodiversiteit, hetgeen aansluit op een verzoek van het CvdR (15).

46.

Het CvdR is ingenomen met de nieuwe bepaling in artikel 17 dat LIFE mag worden gecombineerd met innovatieve financiële instrumenten. Dit is met name relevant voor het prioritaire gebied Milieu en efficiënt hulpbronnengebruik. Deze hulpmiddelen mogen alleen worden gebruikt als aanvulling op, en niet in plaats van subsidies voor het uitvoeren van acties.

I.    Subsidiariteit

47.

Er zij nogmaals op gewezen dat milieubeleid een gebied vormt waarbij bevoegdheden gezamenlijk worden uitgeoefend door de Europese Unie en de lidstaten. Derhalve is het subsidiariteitsbeginsel van toepassing. Aangezien de voorgestelde verordening in feite een voortzetting van het LIFE-programma is, dat reeds sinds 1992 bestaat, hoeft niet uitgebreid te worden onderzocht of de verordening voldoet aan het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel. Subsidiariteit en evenredigheid worden nogmaals bevestigd in overweging 34 van de ontwerpverordening.

48.

Desalniettemin:

a)

In het algemeen meent het CvdR dat het programma centraal beheerd moet blijven, maar dat ervoor moet worden gezorgd dat het delegeren van taken zoals projectselectie en monitoring aan een uitvoerend agentschap geen afbreuk doet aan de betrokkenheid van lidstaten bij de uitvoering van het programma, en dat een eventuele overdracht niet resulteert in een verlies van de kennis en deskundigheid die nodig zijn om LIFE-aanvragen te behandelen.

b)

Lokale en regionale overheden spelen een belangrijke rol bij de tenuitvoerlegging van EU-milieuwetgeving en -klimaatstrategieën op subnationaal niveau, en bij het beter informeren van het publiek over innovaties en beste praktijken.

II.   AANBEVOLEN WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel CvdR

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, „Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050” (16) (hierna „Routekaart 2050”) wordt erkend dat het testen van nieuwe benaderingen voor de matiging van de klimaatverandering essentieel blijft voor de overgang naar een koolstofarme economie. Tevens moet worden gezorgd voor aanpassing aan de klimaatverandering als een sectoroverschrijdende prioriteit van de Unie. Voorts zijn de algemene bevordering van de governance en bewustmaking essentieel om constructieve resultaten te boeken en voor betrokkenheid van belanghebbenden te zorgen. Het subprogramma Klimaatactie moet daarom inspanningen ondersteunen die aan drie specifieke prioritaire gebieden bijdragen: Matiging van de klimaatverandering, Aanpassing aan de klimaatverandering en Klimaatgovernance en informatie. Door het LIFE-programma gefinancierde projecten moeten aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van meer dan een van die prioritaire gebieden kunnen bijdragen en er moet meer dan een lidstaat aan kunnen deelnemen.

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, „Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050” (16) (hierna „Routekaart 2050”) wordt erkend dat het testen van nieuwe benaderingen voor de matiging van de klimaatverandering essentieel blijft voor de overgang naar een koolstofarme economie. Tevens moet worden gezorgd voor aanpassing aan de klimaatverandering als een sectoroverschrijdende prioriteit van de Unie. Voorts zijn de algemene bevordering van de governance en bewustmaking essentieel om constructieve resultaten te boeken en voor betrokkenheid van belanghebbenden te zorgen. Het subprogramma Klimaatactie moet daarom inspanningen ondersteunen die aan drie specifieke prioritaire gebieden bijdragen: Matiging van de klimaatverandering, Aanpassing aan de klimaatverandering en Klimaatgovernance en informatie. Door het LIFE-programma gefinancierde projecten moeten aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van meer dan een van die prioritaire gebieden kunnen bijdragen en er moet meer dan een lidstaat aan kunnen deelnemen.

Motivering

De LIFE-verordening dient uitdrukkelijk te vermelden dat er gestreefd wordt naar synergie tussen milieudoelstellingen, met name voor klimaatacties en biodiversiteit. Er moet aandacht worden besteed aan de functie van bossen. Deze kunnen namelijk van waarde zijn voor de biodiversiteit, de klimaatverandering afzwakken en de capaciteit voor de opslag van koolstof vergroten

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 26

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

Met het oog op de vereenvoudiging van het LIFE-programma en de vermindering van de administratieve lasten voor aanvragers en begunstigden moet meer gebruik worden gemaakt van vaste tarieven en forfaitaire bedragen en moet de financiering worden toegespitst op meer specifieke kostencategorieën. Als compensatie voor nietsubsidiabele kosten en teneinde het effectieve niveau van de in het kader van het LIFE-programma verleende steun te handhaven, moeten de cofinancieringspercentages over het algemeen 70 % en in specifieke gevallen 80 % bedragen.

Met het oog op de vereenvoudiging van het LIFE-programma en de vermindering van de administratieve lasten voor aanvragers en begunstigden moet meer gebruik worden gemaakt van vaste tarieven en forfaitaire bedragen en moet de financiering worden toegespitst op meer specifieke kostencategorieën. Als compensatie voor nietsubsidiabele kosten en teneinde het effectieve niveau van de in het kader van het LIFE-programma verleende steun te handhaven, moeten de cofinancieringspercentages over het algemeen 70 % bedragen en  % .

Motivering

Dit plafond zou opgetrokken moeten worden tot 85 % voor regio's met economische achterstand en overgangsregio's (zoals vastgelegd in de structuurfondsverordeningen). Deze regio's spelen vaak een cruciale rol bij het tot staan brengen van biodiversiteitsverlies. Ultraperifere regio's kunnen wat de belangrijkste Europese fondsen betreft meestal rekenen op een cofinanciering van 85 %. Voor andere EU-programma's, zoals LIFE, zou daarom hetzelfde cofinancieringspercentage moeten gelden. In dit verband zij erop gewezen dat deze regio's in de hele EU de grootste bijdrage aan de biodiversiteit leveren. Een groot aantal voor de EU belangrijke gebieden in het Natura 2000-netwerk liggen dan ook op hun grondgebied.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

Om te waarborgen dat de middelen van de Unie optimaal worden gebruikt en om voor Europese meerwaarde te zorgen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria voor de selectie van projecten, de criteria voor een evenwichtige geografische spreiding van „geïntegreerde projecten” en op de specifieke thematische prioriteiten toepasselijke prestatie-indicatoren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen zorgen voor gelijktijdige, snelle en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

Om te waarborgen dat de middelen van de Unie optimaal worden gebruikt en om voor Europese meerwaarde te zorgen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria voor de selectie van projecten, de criteria voor een evenwichtige geografische spreiding van „geïntegreerde projecten” en op de specifieke thematische prioriteiten toepasselijke prestatie-indicatoren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau . De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen zorgen voor gelijktijdige, snelle en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

Motivering

Het CvdR heeft een kritisch standpunt ingenomen over een toenemend gebruik van comitologie op het gebied van milieubeleid, omdat hierdoor de besluitvormings- en uitvoeringsprocedures van de EU niet transparant zijn voor lokale en regionale overheden.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 5- Deelneming van derde landen aan het LIFE-programma

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

Het LIFE-programma staat open voor deelneming van de volgende landen:

Het LIFE-programma staat open voor deelneming van de volgende landen:

(a)

landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);

(a)

landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);

(b)

kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten van de Unie en tot de Unie toetredende landen;

(b)

kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten van de Unie en tot de Unie toetredende landen;

(c)

landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen;

(c)

landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen;

(d)

landen die lid zijn geworden van het Europees Milieuagentschap, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 993/1999 van de Raad van 29 april 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1210/90 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk.

(d)

landen die lid zijn geworden van het Europees Milieuagentschap, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 993/1999 van de Raad van 29 april 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1210/90 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en –informatienetwerk;

 

en

De deelneming van die landen is onderworpen aan de voorwaarden van de respectieve bilaterale of multilaterale overeenkomsten tot vaststelling van de algemene beginselen voor hun deelname aan programma's van de Unie.

De deelneming van die landen is onderworpen aan de voorwaarden van de respectieve bilaterale of multilaterale overeenkomsten tot vaststelling van de algemene beginselen voor hun deelname aan programma's van de Unie.

Motivering

In de 21 landen en gebieden overzee (LGO) van de EU komen, samen met de vier ultraperifere gebieden van Frankrijk, meer endemische en bedreigde soorten voor dan in de landen van de EU-27. Vijf van 's werelds 34 biodiversiteitshotspots zijn te vinden in de LGO van de EU. De ecosystemen op eilanden maken slechts 5 % uit van het totale aardoppervlak uit, maar herbergen circa éénderde van 's werelds bedreigde soorten. Deze biodiversiteit blijft relatief onbeschermd, omdat de vogel- en habitatrichtlijnen niet van toepassing zijn. Steun voor conserveringswerkzaamheden is moeilijk te verkrijgen, aangezien deze afgelegen gebieden voor veel internationale subsidies niet in aanmerking komen (vanwege hun associatie met de EU). Middelen voor projecten in de LGO kunnen ontleend worden aan de nationale toewijzingen van de vier lidstaten (VK, Nederland, Frankrijk, Denemarken) die over LGO-grondgebied beschikken. Dat zou geen gevolgen hebben voor de middelen die voor het LIFE-programma in zijn geheel beschikbaar zijn.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 8 – Complementariteit, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

Om synergieën te creëren, met name in de context van de in artikel 18, onder d), bedoelde geïntegreerde projecten, en om het gebruik van in het kader van het LIFE-programma ontwikkelde oplossingen, methoden en benaderingen te ondersteunen, zorgen de Commissie en de lidstaten overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden voor coördinatie tussen het LIFE-programma en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfondsvoor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. Op het niveau van de Unie vindt de coördinatie plaats binnen het in artikel 10 van Verordening (EU) nr. … (GSK-verordening) bedoelde gemeenschappelijk strategisch kader.

Om synergieën te creëren, met name in de context van de in artikel 18, onder d), bedoelde geïntegreerde projecten, en om het gebruik van in het kader van het LIFE-programma ontwikkelde oplossingen, methodenen benaderingen te ondersteunen, zorgen de Commissie en de lidstaten overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden voor coördinatie tussen het LIFE-programma en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. Op het niveau van de Unie vindt de coördinatie plaats binnen het in artikel 10 van Verordening (EU) nr. … (verordening ) bedoelde gemeenschappelijk strategisch kader.

Motivering

Gelet op het belang van LIFE om strategisch bij te dragen aan de financiering van Natura 2000 zou het CvdR graag zien dat de verordening de lidstaten uitdrukkelijk verzoekt om coördinatie te garanderen, ook via instelling van prioritaire actiekaders. Potentiële synergie is voorts mogelijk door de coördinatie van geïntegreerde projecten van LIFE met de voorgestelde nieuwe benadering van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling en lokale ontwikkelingsstrategieën voor alle GSK-fondsen, zoals vermeld in artikelen 28 en 29 van de ontwerpverordening houdende algemene bepalingen.

Bovendien sluit met deze terminologische wijziging het ontwerpadvies beter aan op adviezen die het Comité van de Regio's al eerder heeft goedgekeurd (CdR 5/2012 rev. 1).

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 10 - Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Milieu en efficiënt hulpbronnengebruik, punt (b)

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

het steunen van de toepassing, de ontwikkeling, het testen en de demonstratie van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van plannen en programma's uit hoofde van het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu, vooral op het gebied van water, afval en lucht;

het steunen van de toepassing, de ontwikkeling, het testen en de demonstratie van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van plannen en programma's uit hoofde van het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu, vooral op het gebied van water, , afval, en lucht;

Motivering

In veel regio's is de aanpak van bodemverontreiniging van het hoogste belang en wordt geacht nauw te zijn gerelateerd aan waterbescherming en afvalpreventie.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 14 - Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Matiging van de klimaatverandering

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

Om bij te dragen aan de vermindering van de emissies van broeikasgassen heeft het prioritaire gebied Matiging van de klimaatverandering de volgende specifieke doelstellingen:

Om bij te dragen aan de vermindering van de emissies van broeikasgassen heeft het prioritaire gebied Matiging van de klimaatverandering de volgende specifieke doelstellingen:

(a)

het bijdragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving van de Unie inzake matiging, met inbegrip van mainstreaming in verschillende beleidsgebieden, met name door het ontwikkelen, testen en demonstreren van beleids- of beheersbenaderingen, beste praktijken en oplossingen voor de matiging van de klimaatverandering;

(a)

het bijdragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving van de Unie inzake matiging, met inbegrip van mainstreaming in verschillende beleidsgebieden, met name door het ontwikkelen, testen en demonstreren van beleids- of beheersbenaderingen, beste praktijken en oplossingen voor de matiging van de klimaatverandering;

(b)

het verbeteren van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring, evaluatie en tenuitvoerlegging van doeltreffende matigingsacties en -maatregelen en het verhogen van de capaciteit om die kennis in de praktijk toe te passen;

(b)

het verbeteren van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring, evaluatie en tenuitvoerlegging van doeltreffende matigingsacties en -maatregelen en het verhogen van de capaciteit om die kennis in de praktijk toe te passen;

(c)

het vergemakkelijken van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde benaderingen, zoals voor strategieën en actieplannen inzake matiging op lokaal, regionaal of nationaal niveau;

(c)

het vergemakkelijken van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde benaderingen, zoals voor strategieën en actieplannen inzake matiging op lokaal, regionaal of nationaal niveau;

(d)

het bijdragen aan de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve matigingstechnologieën, -systemen, methoden en -instrumenten die geschikt zijn voor herhaling, overdracht of mainstreaming.

(d)

het bijdragen aan de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve matigingstechnologieën, -systemen, methoden en -instrumenten die geschikt zijn voor herhaling, overdracht of mainstreaming.

 

bijdragen

Motivering

Er moet voor worden gezorgd dat de klimaatmaatregelen geen ongunstige gevolgen hebben voor de biodiversiteit. Daar deze maatregelen in het programma LIFE zijn opgenomen, moet er daarentegen voor worden gezorgd dat ze een positieve impact hebben op de biodiversiteit. Het is immers van cruciaal belang de samenhang tussen de twee grote beleidslijnen van het programma LIFE te bewaren.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 15 - Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Aanpassing aan de klimaatverandering

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

Om bij te dragen aan het ondersteunen van inspanningen die leiden tot een hogere klimaatbestendigheid heeft het prioritaire gebied Aanpassing aan de klimaatverandering de volgende specifieke doelstellingen:

Om bij te dragen aan het ondersteunen van inspanningen die leiden tot een hogere klimaatbestendigheid heeft het prioritaire gebied Aanpassing aan de klimaatverandering de volgende specifieke doelstellingen:

(a)

het bijdragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving van de Unie inzake matiging, met inbegrip van mainstreaming in verschillende beleidsgebieden, met name door het ontwikkelen, testen en demonstreren van beleids- of beheersbenaderingen, beste praktijken en oplossingen voor de aanpassing aan de klimaatverandering;

(a)

het bijdragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving van de Unie inzake matiging, met inbegrip van mainstreaming in verschillende beleidsgebieden, met name door het ontwikkelen, testen en demonstreren van beleids- of beheersbenaderingen, beste praktijken en oplossingen voor de aanpassing aan de klimaatverandering;

(b)

het verbeteren van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring, evaluatie en tenuitvoerlegging van doeltreffende aanpassingsacties en -maatregelen en het verhogen van de capaciteit om die kennis in de praktijk toe te passen;

(b)

het verbeteren van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring, evaluatie en tenuitvoerlegging van doeltreffende aanpassingsacties en -maatregelen en het verhogen van de capaciteit om die kennis in de praktijk toe te passen;

(c)

het vergemakkelijken van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde benaderingen, zoals voor strategieën en actieplannen inzake aanpassing op lokaal, regionaal of nationaal niveau;

(c)

het vergemakkelijken van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde benaderingen, zoals voor strategieën en actieplannen inzake aanpassing op lokaal, regionaal of nationaal niveau;

(d)

het bijdragen aan de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve aanpassingstechnologieën, -systemen, -methoden en -instrumenten die geschikt zijn voor herhaling, overdracht of mainstreaming.

(d)

het bijdragen aan de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve aanpassingstechnologieën, -systemen, -methoden en -instrumenten die geschikt zijn voor herhaling, overdracht of mainstreaming;

 

bijdragen

Motivering

Er moet voor worden gezorgd dat de klimaatmaatregelen geen ongunstige gevolgen hebben voor de biodiversiteit. Daar deze maatregelen in het programma LIFE zijn opgenomen, moet er daarentegen voor worden gezorgd dat ze een positieve impact hebben op de biodiversiteit. Het is immers van cruciaal belang de samenhang tussen de twee grote beleidslijnen van het programma LIFE te bewaren.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 18 - Projecten, punt (d)

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

De volgende projecten kunnen worden gefinancierd met subsidies voor het uitvoeren van:

d)

geïntegreerde projecten die hoofdzakelijk betrekking hebben op de gebieden natuur, water, afval, lucht en de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering;

De volgende projecten kunnen worden gefinancierd met subsidies voor het uitvoeren van:

d)

geïntegreerde projecten die hoofdzakelijk betrekking hebben op de gebieden natuur, water, afval, lucht, en de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering;

Motivering

Tot de prioritaire gebieden behoren ook het mariene milieu, de bodem en geluidsbeheer.

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 19 - Subsidiabiliteitscriteria voor projecten

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

1.   In artikel 18 bedoelde projecten voldoen aan de volgende subsidiabiliteitscriteria:

1.   In artikel 18 bedoelde projecten voldoen aan de volgende subsidiabiliteitscriteria:

(a)

het project is van belang voor de Unie doordat het een significante bijdrage levert aan de verwezenlijking van een van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen van het LIFE-programma;

(a)

het project is van belang voor de Unie doordat het een significante bijdrage levert aan de verwezenlijking van een van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen van het LIFE-programma;

(b)

het project zorgt voor een kosteneffectieve benadering en is technisch en financieel samenhangend;

(b)

het project zorgt voor een kosteneffectieve benadering en is technisch en financieel samenhangend;

(c)

de voorgestelde tenuitvoerlegging is deugdelijk.

(c)

de voorgestelde tenuitvoerlegging is deugdelijk.

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van het in lid 1, onder a), bedoelde criterium teneinde dat criterium aan te passen aan de specifieke, in de artikelen 9 en 13 vastgestelde prioritaire gebieden.

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van het in lid 1, onder a), bedoelde criterium teneinde dat criterium aan te passen aan de specifieke, in de artikelen 9 en 13 vastgestelde prioritaire gebieden.

2.   Door het LIFE-programma gefinancierde projecten bevorderen waar mogelijk synergieën tussen verschillende doelstellingen en het gebruik van groene overheidsopdrachten.

2.   Door het LIFE-programma gefinancierde projecten bevorderen synergieën tussen verschillende doelstellingen en het gebruik van groene overheidsopdrachten.

3.   In artikel 18, onder d), bedoelde geïntegreerde projecten behelzen indien passend de participatie van belanghebbenden en bevorderen zo mogelijk de coördinatie met en de beschikbaarstelling van andere financieringsbronnen van de Unie.

3.   In artikel 18, onder d), bedoelde geïntegreerde projecten behelzen de participatie van belanghebbenden en bevorderen zo mogelijk de coördinatie met en de beschikbaarstelling van andere financieringsbronnen van de Unie.

Overeenkomstig de beginselen van solidariteit en inspanningsverdeling zorgt de Commissie voor geografisch evenwicht in de toewijzingsprocedure voor geïntegreerde projecten. De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de criteria voor de toepassing van geografisch evenwicht op elk in artikel 18, onder d), bedoeld thematisch gebied.

Overeenkomstig de beginselen van solidariteit en inspanningsverdeling zorgt de Commissie voor geografisch evenwicht in de toewijzingsprocedure voor geïntegreerde projecten. De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de criteria voor de toepassing van geografisch evenwicht op elk in artikel 18, onder d), bedoeld thematisch gebied.

4.   Wanneer transnationale samenwerking essentieel is om milieubescherming en klimaatdoelstellingen te waarborgen, besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan transnationale projecten en streeft zij ernaar om minstens 15 % van de begrotingsmiddelen aan transnationale projecten toe te wijzen.

4.   Wanneer transnationale samenwerking essentieel is om milieubescherming en klimaatdoelstellingen te waarborgen, besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan transnationale projecten en streeft zij ernaar om minstens 15 % van de begrotingsmiddelen aan transnationale projecten toe te wijzen.

 

    ziet

Motivering

De toegankelijkheid en betrokkenheid van belanghebbenden bij geïntegreerde projecten dient waar en indien mogelijk te worden gestimuleerd.

Terwijl de resultaten van het programma in de gehele EU verspreid moeten worden, niet in het minst omdat milieu- en klimaatkwesties vaak grensoverschrijdende gevolgen hebben, zijn begrippen als „nationale quota” ongeschikt, die niet in aanmerking komen voordat de intrinsieke verdienste van de afzonderlijke voorstellen duidelijk is.

Er moet worden voorkomen dat toekomstige geïntegreerde en meerjarige projecten die voor steun in aanmerking komen, de middelen voor bestaande en deugdelijke projecten beknotten. Het is overigens dit soort acties waarvan lokale en regionale overheden het makkelijkst gebruik kunnen maken daar deze overheden niet noodzakelijk over de nodige middelen beschikken om geïntegreerde projecten op touw te zetten waarop het Commissievoorstel is gericht. Het houdt voorts steek dat door het programma LIFE gefinancierde projecten het gebruik van milieuvriendelijke overheidsopdrachten aanmoedigen.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 20 - Cofinancieringspercentages en subsidiabiliteit van kosten voor projecten, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

Het maximumpercentage voor cofinanciering van de in artikel 18 bedoelde projecten bedraagt 70 % van de subsidiabele kosten. Bij wijze van uitzondering bedraagt het maximumpercentage voor cofinanciering voor in artikel 18, onder d) en f), bedoelde projecten 80 % van de subsidiabele kosten.

Het maximumpercentage voor cofinanciering van de in artikel 18 bedoelde projecten bedraagt 70 % van de subsidiabele kosten. Bij wijze van uitzondering bedraagt het maximumpercentage voor cofinanciering voor in artikel 18, onder d) en f), bedoelde projecten 80 % van de subsidiabele kosten.

Motivering

Dit plafond zou opgetrokken moeten worden tot 85 % voor minder ontwikkelde regio's (zoals vastgelegd in de structuurfondsverordeningen). Deze regio's spelen vaak een cruciale rol bij het tot staan brengen van biodiversiteitsverlies. Ultraperifere regio's kunnen wat de belangrijkste Europese fondsen betreft meestal rekenen op een cofinanciering van 85 %. Voor andere EU-programma's, zoals LIFE, zou daarom hetzelfde cofinancieringspercentage moeten gelden. In dit verband zij erop gewezen dat ultraperifere regio's in de hele EU de grootste bijdrage aan de biodiversiteit leveren. Een groot aantal voor de EU belangrijke gebieden in het Natura 2000-netwerk liggen dan ook op hun grondgebied.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 20 - Cofinancieringspercentages en subsidiabiliteit van kosten voor projecten, lid 2, eerste deel over BTW

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

Btw-afdrachten worden niet als subsidiabele kosten voor in artikel 18 bedoelde projecten beschouwd.

Btw-afdrachten als subsidiabele kosten voor in artikel 18 bedoelde projecten beschouwd.

Motivering

Volgens het CvdR zal het schrappen van btw als subsidiabele uitgave veel potentiële aanvragers mogelijk weerhouden van het ontwikkelen van voorstellen. Het herinnert eraan dat btw door andere EU-fondsen wordt aanvaard als subsidiabele kosten, mits de begunstigde kan aantonen dat de btw niet terugvorderbaar is.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 20 - Cofinancieringspercentages en subsidiabiliteit van kosten voor projecten, lid 3 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

CvdR-wijzigingsvoorstel

 

Motivering

Volgens het CvdR zal het schrappen van personeelskosten als subsidiabele uitgave veel potentiële aanvragers mogelijk weerhouden van het ontwikkelen van voorstellen. Bovenstaande formulering herstelt deze subsidiabiliteit, zoals vermeld in de LIFE+-verordening (EG) nr. 614/2007, gepubliceerd in Publicatieblad L 309 van 20 november 2008 (zie artikel 5), waarbij echter rekening gehouden wordt met de personeelskosten, en het niet eenvoudigweg mogelijk wordt om met die kosten rekening te houden zonder nauwkeurige criteria. Voorts is de verplichting om extra personeel voor zulke projecten in te zetten voor kleine operatoren niet realistisch en staat dit de uitvoering van deze projecten in de weg, temeer daar vaak gespecialiseerd personeel met praktijkervaring vereist is. Vandaar het voorstel om de voorwaarde te beperken tot personeel dat uitdrukkelijk gedetacheerd is voor de uit deze fondsen gefinancierde projecten.

Er moet duidelijk gesteld worden dat het voor het project bedoelde personeel voltijds of in deeltijd mag werken. Anders zou er bij de berekening van de kosten van ambtenaren die werkelijk voor de gefinancierde projecten werken, sprake kunnen zijn van discriminatie. Al eerder is bij de uitvoering van dergelijke projecten in het kader van het programma LIFE namelijk al vele malen gebleken dat de deelname in deeltijd van ambtenaren hierbij van essentieel belang is. Met het oog op de financiering moeten deze kosten daarom worden onderkend.

Brussel, 19 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  CdR 6/2011 fin (par. 74)

(2)  Rapport „Assessment of Territorial Impacts of the EU Life+ instrument” (beoordeling van de territoriale impact van het EU-instrument Life+), opgesteld door het secretariaat van het Comité van de Regio's, mei 2011; CdR 6/2011 fin

(3)  CdR 6/2011 (paragraaf 56)

(4)  Werkdocument van de diensten van de Commissie SEC(2011) 1573 final

(5)  CdR 6/2011 fin, rapport „Assessment of Territorial Impacts of the EU Life+ instrument” (beoordeling van de territoriale impact van het EU-instrument Life+), opgesteld door het secretariaat van het Comité van de Regio's, mei 2011.

(6)  COM(2010) 2020 final en COM(2011) 112 final.

(7)  CdR 6/2011 fin (par. 6, 25, 65-69)

(8)  CdR 6/2011 fin (par. 33, 37)

(9)  CdR 6/2011 fin (par. 38)

(10)  CdR 6/2011 fin (par. 18)

(11)  CdR 25/2010 fin, CdR 159/2008 fin, CdR 47/2006 fin

(12)  CdR 6/2011 fin (par. 35)

(13)  COM(2011) 615 final; CdR 6/2011 fin (par. 15)

(14)  CdR 6/2011 fin (par. 34)

(15)  CdR 6/2011 fin (par. 9, 14)

(16)  COM(2011) 112 final, 8.3.2011.


13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/74


Advies van het Comité van de Regio's — De gunning van concessieopdrachten

2012/C 277/09

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

constateert dat de huidige regels over concessie worden gevormd door case law, en nationale regelgeving. Gezien het feit dat bepaalde concessies een invloed kunnen hebben op de interne markt, is duidelijkheid over de regels en een uniforme uitleg en aanpak wenselijk. Het Comité acht de vraag om regelgeving op dit punt daarom terecht;

acht het daarom van belang dat aanbestedende diensten en lidstaten vrij blijven in de keuze van het instrument waarmee zij hun taken willen uitvoeren. Vergunningen, inclusief schaarse exploitatievergunningen dienen buiten de reikwijdte van de richtlijn te vallen. Dit geldt ook voor het louter financieren van een activiteit, dat vaak gekoppeld is aan de verplichting om de ontvangen bedragen terug te betalen wanneer zij niet voor de beoogde doeleinden worden gebruikt;

acht nadere verduidelijking over de wijze waarop een concessie moet worden verstrekt wenselijk. Er dient een balans gevonden te worden tussen verduidelijking over bijvoorbeeld de wijze van de aankondiging en de termijnen enerzijds en de beleidsvrijheid voor aanbestedende diensten over bijvoorbeeld welke criteria zij wensen te hanteren anderzijds. Deze duidelijkheid biedt aanbestedende diensten houvast en schept de wenselijke uniformiteit in de wijze waarop lidstaten hiermee omgaan. De beleidsvrijheid doet eer aan de kennis van de aanbestedende diensten over hun concessies en erkent de autonomie van de lidstaten. Aanbestedende diensten dienen ruime mogelijkheden te hebben om te kiezen voor sociale en duurzame criteria;

is van mening dat dit voorstel dient te voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel: lokale en regionale overheden dienen keuzevrijheid te behouden om te beslissen de werken en diensten zelf te verrichten of de werken en diensten uit te besteden aan derden. Wanneer lokale en regionale overheden bepalen om dit uit te besteden, dan zijn deze daarin vrij om zelf het juridisch instrument te bepalen: een vergunning, een overheidsopdracht of een concessie.

Rapporteur

Henk KOOL (NL/PSE), wethouder van Den Haag

Referentiedocument

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gunning van concessieopdrachten

COM(2011) 897 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

1.

constateert dat er voor concessies geen uniform juridisch kader bestaat. Concessies voor openbare werken zijn geregeld in de Europese aanbestedingsrichtlijnen. Het recht aangaande de concessies voor diensten is daarentegen uitgezonderd van de Europese aanbestedingsrichtlijnen en valt wel onder de beginselen uit het EU-Verdrag. Deze beginselen zijn verder uitgewerkt in de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie;

2.

constateert dat de beginselen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (gelijke behandeling, non-discriminatie, transparantie en evenredigheid) de lidstaten binden bij de gunning van concessieopdrachten, maar dat deze verschillend worden geïmplementeerd. Het voorstel voor één richtlijn concessies beoogt de regels rondom concessies voor werken en de concessies voor diensten in één kader te regelen. Met het voorstel wordt daarmede bereikt dat er voor het verstrekken van deze concessies op EU-niveau één richtlijn komt. Mede gezien de economische uitdagingen waar de Europese Unie voor gesteld staat, acht de Europese Commissie de verdere ontwikkeling van de interne markt van groot belang, mits de EU-regels voor concessies voldoende ruimte bieden voor eigen invulling door aanbestedende diensten;

3.

merkt op dat de wettelijke basis voor het scheppen van één juridisch kader voor concessies is te vinden in de artikelen 53 (1), 62 en 114 VWEU. Deze artikelen zien op de werking van de interne markt. Het Comité wijst er in dit verband op dat concessies voor diensten ook steeds in samenhang met de verrichting van diensten van algemeen (economisch) belang moeten worden betracht. In de voorgestelde richtlijn wordt in dit opzicht te weinig rekening gehouden met de nieuwigheden uit het Verdrag van Lissabon. Het Comité wil daarom voor dit soort diensten verdergaande uitzonderingen op de richtlijn;

4.

is van mening dat dit voorstel dient te voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel: lokale en regionale overheden dienen keuzevrijheid te behouden om te beslissen de werken en diensten zelf te verrichten of de werken en diensten uit te besteden aan derden. Wanneer lokale en regionale overheden bepalen om dit uit te besteden, dan zijn deze daarin vrij om zelf het juridisch instrument te bepalen: een vergunning, een overheidsopdracht of een concessie;

5.

stipuleert dat concessies naar hun aard complexer zijn en voor langere periode worden afgesloten. Eerder heeft het Comité geadviseerd dat wanneer tot regelgeving omtrent concessieopdrachten wordt overgegaan, deze flexibel en eenvoudig dient te zijn, CdR 21/2010. Juridische onduidelijkheid moet echter worden voorkomen.

GEZIEN HET BOVENSTAANDE, HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

6.

wil dat in artikel 1 van de richtlijn of op zijn minst in de overwegingen duidelijk wordt gemaakt dat deze richtlijn niet betrekking heeft op de overdracht van taken en bevoegdheden van de ene publieke instantie aan de andere. Bovendien moeten de sectoren waarvoor in het EU-recht al sectorspecifieke regelgeving bestaat of die door de Europese wetgever bewust niet zijn gereguleerd, van de richtlijn worden uitgesloten;

7.

erkent dat boven een bepaalde waarde concessies invloed hebben op de interne markt en daardoor onderwerp kunnen zijn van EU-regelgeving;

8.

constateert dat de huidige regels over concessie worden gevormd door case law, en nationale regelgeving. Gezien het feit dat bepaalde concessies een invloed kunnen hebben op de interne markt, is duidelijkheid over de regels en een uniforme uitleg en aanpak wenselijk. Het Comité acht de vraag om regelgeving op dit punt daarom terecht;

9.

constateert dat concessies echter in de verschillende lidstaten zeer verschillend worden ingezet. Dit heeft mede te maken met andere nationale instrumenten die de lidstaat heeft om activiteiten te reguleren of te gunnen. De gevolgen van een richtlijn kunnen hierdoor per lidstaat verschillen. De Commissie moet daarom duidelijk maken en definiëren welke typen overeenkomsten worden beschouwd als „concessies” en welke soorten contractuele verhoudingen onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen;

10.

acht het daarom van belang dat aanbestedende diensten en lidstaten vrij blijven in de keuze van het instrument waarmee zij hun taken willen uitvoeren. Vergunningen, inclusief schaarse exploitatievergunningen dienen buiten de reikwijdte van de richtlijn te vallen. Dit geldt ook voor het louter financieren van een activiteit, dat vaak gekoppeld is aan de verplichting om de ontvangen bedragen terug te betalen wanneer zij niet voor de beoogde doeleinden worden gebruikt;

11.

spreekt zijn zorg uit dat het creëren van een aanbestedingsplicht voor het verstrekken van dergelijke nationale instrumenten te veel ingrijpt op de nationale autonomie van lidstaten. Het Comité is daarom verheugd dat uit de preambule blijkt dat de Europese Commissie vindt dat dergelijke staatshandelingen niet als concessie dienen te kwalificeren maar acht een expliciete uitzondering in een artikel hiervoor tevens nodig;

12.

is van mening dat de richtlijn dient te zien op concessies die invloed hebben op de interne markt. De concessies die gezien hun waarde geen invloed hebben op de interne markt, dienen onderhands verstrekt te kunnen worden;

13.

acht dit onderscheid van grote betekenis voor het mkb. Aanbestedende diensten hebben hierdoor de ruimte om een mkb-vriendelijk concessiebeleid voeren;

14.

spreekt haar zorg uit over complexiteit van regelgeving. Aanbestedende diensten ervaren de huidige aanbestedingsrichtlijnen als onnodig complex. De zorg bestaat dat deze richtlijn over concessies eveneens uit zal groeien tot een complexe materie. Het Comité is van mening dat concessies niet één op één gelijk kunnen worden gesteld met de regels in de Europese aanbestedingsrichtlijnen en roept de Commissie daarom op om de richtlijn en de eventueel daarop volgende Mededelingen van de Europese Commissie simpel te houden;

15.

acht nadere verduidelijking over de wijze waarop een concessie moet worden verstrekt wenselijk. Er dient een balans gevonden te worden tussen verduidelijking over bijvoorbeeld de wijze van de aankondiging en de termijnen enerzijds en de beleidsvrijheid voor aanbestedende diensten over bijvoorbeeld welke criteria zij wensen te hanteren anderzijds. Deze duidelijkheid biedt aanbestedende diensten houvast en schept de wenselijke uniformiteit in de wijze waarop lidstaten hiermee omgaan. De beleidsvrijheid doet eer aan de kennis van de aanbestedende diensten over hun concessies en erkent de autonomie van de lidstaten. Aanbestedende diensten dienen ruime mogelijkheden te hebben om te kiezen voor sociale en duurzame criteria.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(5)

Ook voor de gunning van concessies voor werken en diensten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten moeten bepaalde coördinatiebepalingen worden ingevoerd, aangezien nationale autoriteiten het gedrag kunnen beïnvloeden van entiteiten die in deze sectoren werkzaam zijn en rekening houdend met het gesloten karakter van de markten waarop zij werkzaam zijn als gevolg van het bestaan van door de lidstaten verleende bijzondere of uitsluitende rechten voor de levering aan, het aanbieden of het beheer van netten voor het verrichten van de betrokken diensten.

Motivering

Voor deze sectoren bestaat al specifieke wetgeving.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(6)

Concessies zijn overeenkomsten onder bezwarende titel die tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten of entiteiten zijn gesloten en de verwerving van werken of diensten als voorwerp hebben waarbij de tegenprestatie normaal bestaat in het recht om de werken of diensten die het voorwerp zijn van de overeenkomst te exploiteren. De uitvoering van deze werken of diensten is onderworpen aan specifieke door de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit bepaalde bindende verplichtingen die juridisch afdwingbaar zijn. Bepaalde staatshandelingen zoals machtigingen of vergunningen waarbij de staat of eenoverheid de voorwaarden voor de uitoefening van een economische activiteit vaststelt, mogen daarentegen niet als concessies kwalificeren. Hetzelfde geldt voor bepaalde overeenkomsten die tot voorwerp hebben het recht van een ondernemer om bepaalde publieke domeinen of rijkdommen te exploiteren, zoals pachtcontracten waarbij de staat of de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit enkel algemene voorwaarden voor het gebruik ervan vaststelt zonder bepaalde werken of diensten te verwerven.

(6)

Concessies zijn overeenkomsten onder bezwarende titel die tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten of entiteiten zijn gesloten en de verwerving van werken of diensten als voorwerp hebben waarbij de tegenprestatie normaal bestaat in het recht om de werken of diensten die het voorwerp zijn van de overeenkomst te exploiteren. e uitvoering van deze werken of diensten is onderworpen aan specifieke door de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit bepaalde juridischafdwingbaar. Bepaalde staatshandelingen zoals machtigingen of vergunningen waarbij de staat of een overheid de voorwaarden voor de uitoefening van een economische activiteit vaststelt, mogen daarentegen niet als concessies kwalificeren. Hetzelfde geldt voor bepaalde overeenkomsten die tot voorwerp hebben het recht van een ondernemer om bepaalde publieke domeinen of rijkdommen te exploiteren, zoals pachtcontracten waarbij de staat of de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit enkel algemene voorwaarden voor het gebruik ervan vaststelt zonder bepaalde werken of diensten te verwerven.

Motivering

De scheidslijn tussen een vergunning, een schaarse vergunning waarbij de aanbestedende dienst een exploitatierecht verstrekt en een concessie dient te worden verduidelijkt.

Een vergunning kan de wijze waarop een activiteit plaatsvindt aan bepaalde eisen onderwerpen. Maar daarnaast zijn er ook vergunningen die bepaalde activiteiten zelf beperken. Er is dan sprake van een exploitatievergunning of schaarse vergunning. Dit gebeurt meestal vanuit het perspectief van openbare orde, volksgezondheid en/of veiligheid. Te denken valt aan een exploitatievergunning voor prostitutie, horeca en casino's.

Een concessieovereenkomst heeft raakvlakken met een dergelijke exploitatievergunning. Het belangrijkste verschil ligt in het feit dat bij een concessieovereenkomst de nakoming van de activiteit van wezenlijk belang is voor de aanbestedende dienst. Daarom is bij een concessieovereenkomst de nakoming van de activiteit juridisch afdwingbaar. Als de nakoming van activiteit waarop het exploitatierecht ziet juridisch afdwingbaar is, dan kan een „bezwarende titel” worden aangenomen. Dit criterium wordt ook gehanteerd bij de definitie van de overheidsopdracht.

Van belang is dat aanbestedende diensten en lidstaten vrij blijven in de keuze voor het instrument waarmee zij hun taken willen uitvoeren. Een vergunning, een exploitatievergunning en een schaarse vergunning dienen buiten de reikwijdte van de richtlijn te vallen. Het is niet wenselijk dat er voor het verstrekken van dergelijke vergunningen een transparantie c.q. aanbestedingsplicht geldt. De nationale en decentrale regelgeving dient het uitgangspunt te zijn voor het bepalen aan wie een vergunning verstrekt wordt. Uit overweging 6 van de preambule blijkt dat de Europese Commissie deze mening deelt.

De definitie van een concessie refereert weliswaar aan de vorm van een overeenkomst maar dergelijke criteria worden functioneel uitgelegd. Hierdoor kan het voorkomen dat een vergunning toch als concessie wordt aangemerkt. Daarom dient het verschil tussen een (exploitatie)vergunning en een concessie duidelijker te worden opgenomen in de preambule en de definitie van concessies.

Concessies moeten goed afgebakend worden ten opzichte van overheidstaken, zoals het afgeven van bevoegdverklaringen en vergunningen.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(9)

Het begrip bijzondere of uitsluitende rechten staat centraal in de omschrijving van het toepassingsgebied van deze richtlijn aangezien entiteiten die geen aanbestedende entiteiten ingevolge artikel 4, lid 1, noch overheidsbedrijven zijn, alleen aan de bepalingen ervan zijn onderworpen voor zover zij activiteiten op basis van dergelijke rechten uitoefenen. Derhalve moet worden verduidelijkt dat rechten die zijn verleend door middel van een procedure die gebaseerd was op objectieve criteria, met name uit hoofde van EU-wetgeving, en waarvoor voor toereikende publiciteit is gezorgd, geen bijzondere of uitsluitende rechten vormen in dezin van deze richtlijn. Tot deze wetgeving behoren Richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (1), Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (2), Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (3), Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1994betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen  (4) en Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (5). Door de steeds diversere vormen die het overheidsoptreden aanneemt, is het noodzakelijk het begrip aanbesteding zelf duidelijker te definiëren. De uniale regels inzake concessies hebben betrekking op de verwerving van werken of diensten voor een tegenprestatie die bestaat in de exploitatie van die werken of diensten. „Verwerving” moet breed opgevat worden in de zin van het verkrijgen van de voordelen van de betrokken werken of diensten die niet in alle gevallen een overdracht van eigendom aan de aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten vereisen. Voorts valt het louter financieren van een activiteit, dat vaak gekoppeld is aan de verplichting om de ontvangen bedragen terug te betalen wanneer zij niet voor de beoogde doeleinden worden gebruikt, gewoonlijk niet onder deze richtlijn.

(9)

Het begrip bijzondere of uitsluitende rechten staat centraal in de omschrijving van het toepassingsgebied van deze richtlijn aangezien entiteiten die geen aanbestedende entiteiten ingevolge artikel 4, lid 1, noch overheidsbedrijven zijn, alleen aan de bepalingen ervan zijn onderworpen voor zover zij activiteiten op basis van dergelijke rechten uitoefenen. Derhalve moet worden verduidelijkt dat rechten die zijn verleend door middel van een procedure die gebaseerd was op objectieve criteria, met name uit hoofde van EU-wetgeving, en waarvoor voor toereikende publiciteit is gezorgd, geen bijzondere of uitsluitende rechten vormen in dezin van deze richtlijn. Tot deze wetgeving behoren Richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (1), Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (2), Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (3), Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1994betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen  (4) en Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (5). Door de steeds diversere vormen die het overheidsoptreden aanneemt, is het noodzakelijk het begrip aanbesteding zelf duidelijker te definiëren. De uniale regels inzake concessies hebben betrekking op de verwerving van werken of diensten voor een tegenprestatie die bestaat in de exploitatie van die werken of diensten. „Verwerving” moet breed opgevat worden in de zin van het verkrijgen van de voordelen van de betrokken werken of diensten die niet in alle gevallen een overdracht van eigendom aan de aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten vereisen. Voorts valt het louter financieren van een activiteit, dat vaak gekoppeld is aan de verplichting om de ontvangen bedragen terug te betalen wanneer zij niet voor de beoogde doeleinden worden gebruikt, gewoonlijk niet onder deze richtlijn.

Motivering

Bedoeling van dit wijzigingsvoorstel is opnieuw op ondubbelzinnige manier een basisbeginsel te onderschrijven dat reeds in Richtlijn 2004/17/EG over opdrachten in specifieke sectoren werd gehanteerd, met name dat „rechten die in enige vorm, ook via concessieovereenkomsten, door een lidstaat aan een beperkt aantal ondernemingen zijn toegekend op basis van objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria die eenieder die daaraan voldoet de mogelijkheid bieden van deze rechten gebruik te maken, […] niet [kunnen] worden aangemerkt als bijzondere of uitsluitende rechten” (overweging 25). Het is dan ook niet aangewezen dit principe te beperken door een aantal handelingen van de Europese Unie op te sommen, aangezien deze opsomming bindend kan lijken en bijgevolg de indruk kan geven dat andere wetgevende of reglementaire handelingen van lidstaten uitgesloten zijn, ook al beantwoorden ze aan dezelfde objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(10)

Het is ook noodzakelijk gebleken te verduidelijken wat verstaan dient te worden onder één aanbesteding, met als gevolg dat ten aanzien van de drempels van deze richtlijn de gezamenlijke waarde van allevoor deze aanbesteding gesloten concessies in aanmerking moet worden genomen en dat aan de aanbesteding als geheel, mogelijk in percelen verdeeld, publiciteit moet worden gegeven. Het concept één aanbesteding omvat alle leveringen, werken en diensten die nodig zijn om een bepaald project uit te voeren. Aanwijzingen voor het bestaan van één enkel project kunnen bijvoorbeeld bestaan in het algeheel voorafgaandelijk plannen en ontwerpen door de aanbestedende dienst, het feit dat de verschillende aangekochte onderdelen één economische en technische functie vervullen of dat zij anderszins logisch met elkaar verbonden zijn.

Motivering

Het voorbereiden en uitvoeren van een concessie kan jaren kosten. Het is aannemelijk dat er in de voorbereiding allerlei externe adviezen door de aanbestedende dienst moeten worden ingewonnen. Deze adviezen zouden volgens de definitie bij de waardebepaling van de concessie meetellen. Dat is niet logisch. Opdrachten die anders van aard zijn en aan een andere partij worden verstrekt zouden geen onderdeel moeten uitmaken van de waardebepaling van de concessie. Als deze opdrachten een bepaalde waarde vertegenwoordigen moeten ze op basis van de aanbestedingsrichtlijn en conform die richtlijn worden aanbesteed.

Dit is ook in lijn met eerdere adviezen van het Comité over het niet onnodig clusteren van opdrachten.

Zie wijzigingsvoorstel 14.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(11)

Om te zorgen voor een werkelijke openstelling van de markt en voor een evenwichtige toepassing van de aanbestedingsregels in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, dienen de eraan onderworpen entiteiten op een andere basis dan hun rechtsstatus te worden geïdentificeerd. Derhalve moet ervoor worden gezorgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gelijke behandeling van de aanbestedende entiteiten in de overheidssector en die uit de marktsector. Bovendien moet er overeenkomstig artikel 345 van het Verdrag ook voor worden gezorgd dat de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet wordt gelaten.

(11)

Om te zorgen voor een werkelijke openstelling van de markt en voor een evenwichtige toepassing van de aanbestedingsregels in de sectoren energievoorziening, vervoer en postdiensten, dienen de eraan onderworpen entiteiten op een andere basis dan hun rechtsstatus te worden geïdentificeerd. Derhalve moet ervoor worden gezorgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gelijke behandeling van de aanbestedende entiteiten in de overheidssector en die uit de marktsector. Bovendien moet er overeenkomstig artikel 345 van het Verdrag ook voor worden gezorgd dat de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet wordt gelaten.

Motivering

De wensen van het EP t.a.v. de watersector blijken duidelijk uit zijn resoluties van 14 januari 2004, 10 maart 2004 en 31 mei 2006. In tegenstelling tot de sectoren energie, telecommunicatie of post wil het EP modernisering i.p.v. liberalisering voor de watersector. Daaruit blijkt dat het wil dat economische beginselen stroken met normen voor kwaliteit, milieu en efficiëntie. Daarom mag horizontale regelgeving niet in bijkomende regels resulteren.

Wijzigingsvoorstel 6

Nieuwe overweging na overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Motivering

De wetgeving inzake de eengemaakte markt mag niet van toepassing zijn op de modaliteiten van de samenwerking tussen openbare instanties (conventionele of institutionele verdeling van bevoegdheden in het kader van de samenwerking tussen gemeenten).

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(20)

Uit een onderzoek naar zogenaamde prioritaire en niet-prioritaire diensten („A”- en „B”-diensten) van de Commissie is gebleken dat het niet gerechtvaardigd is de volledige toepassing van de aanbestedingswetgeving tot een gelimiteerde groep van diensten te beperken. Bijgevolg moet deze richtlijn van toepassing zijn op een aantal diensten (zoals catering- en watervoorzieningsdiensten), die beide potentieel voor grensoverschrijdende handel vertoonden.

Motivering

Het fundamentele onderscheid tussen prioritaire en niet-prioritaire diensten („A”- en „B”-diensten) en de aanbestedingsrechtelijke voorrang voor B-diensten moeten worden gehandhaafd. Uit het oogpunt van de interne markt zijn sociale en gezondheidsdiensten nauwelijks relevant en worden doorgaans plaatselijk verleend. Water is van levensbelang. Daarom moet er in die sector zeer voorzichtig worden gehandeld en dient rekening te worden gehouden met specifieke milieu- en hygiëneaspecten. Ook in overeenstemming met artikel 17 van Richtlijn 2006/123/EG (diensten op de interne markt) moet watervoorziening buiten de concessierichtlijn blijven.

Wijzigingsvoorstel 8

Overweging 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(22)

Wegens het belang van de culturele context en het gevoelige karakter van deze diensten moeten de lidstaten een grote vrijheid krijgen om de keuze van de dienstverrichters te organiseren zoals zij dat het meest passend achten. De regels van deze richtlijn staan er niet aan in de weg dat de lidstaten voor de keuze van de dienstverrichters specifieke kwaliteitscriteria toepassen, zoals de criteria die zijn vastgesteld in het facultatieve Europees kwaliteitskader voor sociale dienstenvan het Comité voor sociale bescherming van de Europese Unie. Lidstaten en/of aanbestedende diensten blijven vrij om deze diensten zelf te verrichten of om sociale diensten zo te organiseren dat er geen sprake is van gunning van overheidsopdrachten, bijvoorbeeld door deze diensten alleen te financieren of door licenties of machtigingen te verlenen aan alle ondernemers die beantwoorden aan de vooraf door de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit vastgestelde voorwaarden, zonder beperkingen of quota, op voorwaarde dat dit systeem voor voldoende publiciteit zorgt en aan de beginselen van transparantie en non-discriminatie voldoet.

(22)

Wegens het belang van de culturele context en het gevoelige karakter van deze diensten moeten de lidstaten een grote vrijheid krijgen om de keuze van de dienstverrichters te organiseren zoals zij dat het meest passend achten. De regels van deze richtlijn staan er niet aan in de weg dat de lidstaten voor de keuze van de dienstverrichters specifieke kwaliteitscriteria toepassen, zoals de criteria die zijn vastgesteld in het facultatieve Europees kwaliteitskader voor sociale dienstenvan het Comité voor sociale bescherming van de Europese Unie. Lidstaten en/of aanbestedende diensten blijven vrij om deze diensten zelf te verrichten of om sociale diensten zo te organiseren dat er geen sprake is van gunning van overheidsopdrachten, bijvoorbeeld door deze diensten alleen te financieren of door licenties of machtigingen te verlenen aan alle ondernemers die beantwoorden aan de vooraf door de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit vastgestelde voorwaarden, op voorwaarde dat dit systeem voor voldoende publiciteit zorgt en aan de beginselen van transparantie en non-discriminatie voldoet.

Motivering

Het Comité stelt voor deze passage te schrappen.

Er zijn exploitatievergunningen die bepaalde activiteiten reguleren en die in aantal beperkt zijn waarvan het niet wenselijk is om ze aan te besteden. Het betreft activiteiten die niet voor de betreffende overheid of het algemeen belang worden uitgevoerd maar juist door die overheid als mogelijk schadelijk worden ervaren en daarom gereguleerd moeten worden. Bijvoorbeeld de prostitutievergunning. Het kenmerk dat een bepaald type exploitatievergunning in aantal is beperkt zou daarom niet automatisch een soort transparante gunningsprocedure moeten inhouden.

Zie ook wijzigingsvoorstel 4.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(25)

Om voor transparantie en gelijke behandeling te zorgen, moeten criteria voor de gunning van concessies altijd aan een aantal algemene normen voldoen. Deze criteria moeten vooraf aan alle potentiële inschrijvers openbaar worden gemaakt, verband houden met het voorwerp van de opdracht en de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit geen onbeperkte keuzevrijheid laten. Zij moeten ervoor zorgen dat effectieve concurrentie mogelijk blijft en gepaard gaan met eisen die het mogelijk maken de door de inschrijvers verstrekte informatie effectief te controleren. Om aan deze normen te voldoen en de rechtszekerheid te verbeteren, mogen de lidstaten voorzien in het gebruik van het criterium van de economisch voordeligste inschrijving.

(25)

Om voor transparantie en gelijke behandeling te zorgen, moeten criteria voor de gunning van concessies altijd aan een aantal algemene normen voldoen. Deze criteria moeten vooraf aan alle potentiële inschrijvers openbaar worden gemaakt. Zij moeten ervoor zorgen dat effectieve concurrentie mogelijk blijft en gepaard gaan met eisen die het mogelijk maken de door de inschrijvers verstrekte informatie effectief te controleren. Om aan deze normen te voldoen en de rechtszekerheid te verbeteren, mogen de lidstaten voorzien in het gebruik van het criterium van de economisch voordeligste inschrijving.

Motivering

Zie ook wijzigingsvoorstellen 23 en 28.

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 1, nieuw lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

[…]

[…]

 

   

Motivering

Het Comité is van mening dat deze richtlijn alleen moet zien op concessies die invloed hebben op de interne markt. Bij concessies onder de Europese drempels is er geen sprake van een „grensoverschrijdend belang” en de interne markt is daarom niet in het geding. Met deze aanvulling wordt de beleidsvrijheid van aanbestedende diensten gewaarborgd.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 2, lid 1, punt 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 2

Definities

Artikel 2

Definities

1.   In deze richtlijn gelden de volgende definities:

1.   In deze richtlijn gelden de volgende definities:

[…]

[…]

(7)   Een „concessie voor diensten”: een contract onder bezwarende titel dat schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten wordt gesloten en de verrichting van diensten met uitzondering van die als bedoeld in de punten 2 en 4 als voorwerp heeft, waarbij de tegenprestatie voor de te verrichten diensten bestaat hetzij uitsluitend in het recht de diensten die het voorwerp van het contract vormen, te exploiteren, hetzij in dit recht, gepaard gaande met een prijs.

(7)   Een „concessie voor diensten”: een contract onder bezwarende titel dat schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten wordt gesloten en de verrichting van diensten met uitzondering van die als bedoeld in de punten 2 en 4 als voorwerp heeft, waarbij de tegenprestatie voor de te verrichten diensten bestaat hetzij uitsluitend in het recht de diensten die het voorwerp van het contract vormen, te exploiteren, hetzij in dit recht, gepaard gaande met een prijs.

 

Motivering

De scheidslijn tussen een vergunning, een schaarse vergunning waarbij de aanbestedende dienst een exploitatie recht verstrekt en een concessie dient te worden verduidelijkt.

Een vergunning kan de wijze waarop een activiteit plaatsvindt aan bepaalde eisen onderwerpen. Maar daarnaast zijn er ook vergunningen die bepaalde activiteiten zelf beperken. Er is dan sprake van een exploitatievergunning of schaarse vergunning. Dit gebeurt meestal vanuit het perspectief van openbare orde, volksgezondheid en/of veiligheid. Te denken valt aan een exploitatievergunning voor prostitutie, horeca en casino's.

Een concessieovereenkomst heeft raakvlakken met een dergelijke exploitatievergunning. Het belangrijkste verschil ligt in het feit dat bij een concessieovereenkomst de nakoming van de activiteit van wezenlijk belang is voor de aanbestedende dienst. Daarom is bij een concessieovereenkomst de nakoming van de activiteit juridisch afdwingbaar. Als de nakoming van activiteit waarop het exploitatierecht ziet juridisch afdwingbaar is, dan kan een „bezwarende titel” worden aangenomen. Dit criterium wordt ook gehanteerd bij de definitie van de overheidsopdracht.

Van belang is dat aanbestedende diensten en lidstaten vrij blijven in de keuze voor het instrument waarmee zij hun taken willen uitvoeren. Een vergunning, een exploitatievergunning en een schaarse vergunning dienen buiten de reikwijdte van de richtlijn te vallen. Het is niet wenselijk dat er voor het verstrekken van dergelijke vergunningen een transparantie c.q. aanbestedingsplicht geldt. De nationale en decentrale regelgeving dient het uitgangspunt te zijn voor het bepalen aan wie een vergunning verstrekt wordt. Uit overweging 6 van de preambule blijkt dat de Europese Commissie deze mening deelt.

De definitie van een concessie refereert weliswaar aan de vorm van een overeenkomst maar dergelijke criteria worden functioneel uitgelegd. Hierdoor kan het voorkomen dat een vergunning toch als concessie wordt aangemerkt. Daarom dient het verschil tussen een (exploitatie)vergunning en een concessie duidelijker te worden opgenomen in de preambule en de definitie van concessies.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 2, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 2

Definities

2.   Het recht de werken of diensten te exploiteren als bedoeld in de punten 2, 4 en 7 van de eerste alinea houdt de overdracht aan de concessiehouder in van het wezenlijk operationeel risico. De concessiehouder wordt geacht het wezenlijk operationeel risico op zich te nemen wanneer er geen garantie voorhanden is dat de gedane investeringen of de kosten die gemaakt zijn bij het exploiteren van de werken of diensten die het voorwerp van de concessie vormen, kunnen worden terugverdiend. […]

Artikel 2

Definities

2.   Het recht de werken of diensten te exploiteren als bedoeld in de punten 2, 4 en 7 van de eerste alinea houdt de overdracht aan de concessiehouder in van het operationeel risico. De concessiehouder wordt geacht het operationeel risico op zich te nemen wanneer er geen garantie voorhanden is dat de gedane investeringen of de kosten die gemaakt zijn bij het exploiteren van de werken of diensten die het voorwerp van de concessie vormen, kunnen worden terugverdiend. […]

Motivering

Er zou niet moeten worden gesproken over „wezenlijk” operationeel risico. Als het gaat over overheidsopdrachten, levert het onderscheiden, of definiëren, van het operationeel risico in de praktijk op lokaal niveau aanzienlijke problemen op. De door de Commissie voorgestelde definitie van „wezenlijk operationeel risico” gaat veel verder dan de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, dat voor het financieel risico geen heel strikte vereisten formuleert. Het Hof gaat zelfs bij verplichte aansluiting en gebruik bij watervoorziening (zie punten 72-76 van arrest C-206/08 van 10 september 2009, WAVZ Gotha) van een aanbestedingsvrije dienstenconcessie uit.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 5

Drempels

Artikel 5

Drempels

1.   Deze richtlijn is van toepassing op de volgende concessies waarvan de waarde 5 000 000 EUR of meer bedraagt:

1.   Deze richtlijn is van toepassing op de volgende concessies waarvan de waarde 5 000 000 EUR of meer bedraagt :

a)

Concessies die door aanbestedende entiteiten worden gesloten voor de uitoefening van een van de activiteiten als bedoeld in Bijlage III;

a)

Concessies die door aanbestedende entiteiten worden gesloten voor de uitoefening van een van de activiteiten als bedoeld in Bijlage III;

b)

Door aanbestedende diensten gesloten concessies.

b)

Door aanbestedende diensten gesloten concessies.

 

 

a)

 

b)

2.   Concessies voor diensten waarvan de waarde 2 500 000 EUR of meer, maar minder dan 5 000 000 EUR bedraagt, met uitzondering van sociale diensten en andere specifieke diensten, zijn onderworpen aan de verplichting een aankondiging van de gunning van een concessie in overeenstemming met de artikelen 27 en 28 te publiceren.

2.   Concessies voor diensten waarvan de waarde 2 500 000 EUR of meer, maar minder dan 5 000 000 EUR bedraagt, met uitzondering van sociale diensten en andere specifieke diensten, zijn onderworpen aan de verplichting een aankondiging van de gunning van een concessie in overeenstemming met de artikelen 27 en 28 te publiceren.

 

Motivering

Concessies kunnen een lange looptijd hebben omdat de betreffende ondernemer zijn investering moet kunnen terugverdienen. Bij een concessies met een lange looptijd is een drempelwaarde van 5 000 000 EUR voor de totale waarde van de concessie laag. Het jaarlijkse bedrag dat de ondernemer verdient met de concessie is echter niet zodanig dat het invloed heeft op de interne markt. Daarom wordt een onderscheid aangeraden.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 6, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 6

Methoden voor de berekening van de geraamde waarde van concessies

Artikel 6

Methoden voor de berekening van de geraamde waarde van concessies

2.   De geraamde waarde van een concessie wordt berekend als de waarde van een geheel van werken of diensten, zelfs indien deze middels verschillende opdrachten worden aangekocht, wanneer de opdrachten deel uitmaken van één project. Aanwijzingen voor het bestaan van één enkel project bestaan in het algeheel voorafgaand plannen en ontwerpen door de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit, het feit dat de verschillende aangekochte onderdelen één economische en technische functie vervullen of dat zij anderszins logisch met elkaar verbonden zijn.

2.   De geraamde waarde van een concessie wordt berekend geheel

Wanneer de aanbestedende dienst of de aanbestedende entiteit voorziet in prijzengeld of betalingen aan gegadigden of inschrijvers, berekent hij deze door in de geraamde waarde van de concessie.

Wanneer de aanbestedende dienst of de aanbestedende entiteit voorziet in prijzengeld of betalingen aan gegadigden of inschrijvers, berekent hij deze door in de geraamde waarde van de concessie.

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel 8.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 8, lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 8

Uitsluitingen die van toepassing zijn op door aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten gegunde concessies

Artikel 8

Uitsluitingen die van toepassing zijn op door aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten gegunde concessies

5.   Deze richtlijn is niet van toepassing op concessies voor diensten betreffende:

5.   Deze richtlijn is niet van toepassing op concessies voor diensten betreffende:

a)

de verwerving of huur, ongeacht de financiële modaliteiten ervan, van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende zaken of betreffende de rechten hierop; concessies betreffende financiële diensten die voorafgaand aan, gelijktijdig met of als vervolg op het koop- of huurcontract worden gegund, zijn echter, ongeacht hun vorm, aan deze richtlijn onderworpen;

a)

de verwerving of huur, ongeacht de financiële modaliteiten ervan, van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende zaken of betreffende de rechten hierop; concessies betreffende financiële diensten die voorafgaand aan, gelijktijdig met of als vervolg op het koop- of huurcontract worden gegund, zijn echter, ongeacht hun vorm, aan deze richtlijn onderworpen;

b)

de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal bestemd voor uitzendingen, waaronder wordt verstaan het uitzenden en verspreiden via enig elektronisch netwerk, die worden gegund door radio-omroeporganisaties, of concessies betreffende zendtijd die worden gegund aan radio-omroeporganisaties;

b)

de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal bestemd voor uitzendingen, waaronder wordt verstaan het uitzenden en verspreiden via enig elektronisch netwerk, die worden gegund door radio-omroeporganisaties, of concessies betreffende zendtijd die worden gegund aan radio-omroeporganisaties;

c)

arbitrage- en bemiddelingsdiensten;

c)

arbitrage- en bemiddelingsdiensten;

d)

financiële diensten betreffende de uitgifte, de aankoop, de verkoop of de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten, in de zin van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad, door de centrale banken verleende diensten en operaties die met de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit worden uitgevoerd;

d)

financiële diensten betreffende de uitgifte, de aankoop, de verkoop of de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten, in de zin van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad, door de centrale banken verleende diensten en die met de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit worden uitgevoerd;

e)

arbeidsovereenkomsten;

e)

arbeidsovereenkomsten;

f)

luchtvervoersdiensten op basis van de verlening van een exploitatievergunning in de zin van Verordening (EG) 1008/2008 (6) van het Europees Parlement en de Raad (7);

f)

luchtvervoersdiensten op basis van de verlening van een exploitatievergunning in de zin van Verordening (EG) 1008/2008 (6) van het Europees Parlement en de Raad (7);

g)

openbaar personenvervoer in de zin van Verordening (EG) 1370/2007 van het Europees Parlement en van de Raad (8).

g)

openbaar personenvervoer in de zin van Verordening (EG) 1370/2007 van het Europees Parlement en van de Raad (8)

 

medische hulpverlening, transport voor medische hulpverlening en noodgevallen, civiele bescherming en rampenbeheersing als ook alledaagse risicopreventie;

 

i)

diensten.

De in de eerste alinea, onder b) bedoelde uitzendingen omvatten alle transmissie en distributie met gebruik van elektronische netwerk in welke vorm dan ook.

De in de eerste alinea, onder b) bedoelde uitzendingen omvatten alle transmissie en distributie met gebruik van elektronische netwerk in welke vorm dan ook.

Motivering

Consistent met wijzigingsvoorstel 5 m.b.t. overweging 11.

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 15, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

1.   Een concessie die door een aanbestedende dienst of een aanbestedende entiteit als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 is gegund aan een andere rechtspersoon valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn wanneer aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

1.   Een concessie die door een aanbestedende dienst of een aanbestedende entiteit als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 is gegund aan een andere rechtspersoon valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn wanneer aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

a)

de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit oefent op de betrokken rechtspersoon toezicht uit zoals op zijn eigen diensten;

a)

de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit oefent op de betrokken rechtspersoon toezicht uit zoals op zijn eigen diensten;

b)

ten minste 90 % van de activiteiten van de rechtspersoon wordt verricht voor de controlerende aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit of voor andere rechtspersonen die door deze aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit worden gecontroleerd;

b)

ten minste van de activiteiten van de rechtspersoon wordt verricht voor de controlerende aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit of voor andere rechtspersonen die door deze aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit worden gecontroleerd;

c)

er is geen privé-deelneming in de gecontroleerde rechtspersoon.

c)

er is geen privé-deelneming in de gecontroleerde rechtspersoon.

Een aanbestedende dienst of een aanbestedende entiteit als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 wordt geacht op een rechtspersoon toezicht zoals op zijn eigen diensten uit te oefenen in de zin van punt a) van de eerste alinea wanneer hij zowel op strategische doelstellingen als significante beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon een beslissende invloed uitoefent.

Een aanbestedende dienst of een aanbestedende entiteit als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 wordt geacht op een rechtspersoon toezicht zoals op zijn eigen diensten uit te oefenen in de zin van punt a) van de eerste alinea wanneer hij zowel op strategische doelstellingen als significante beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon een beslissende invloed uitoefent.

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 15, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

2.   Lid 1 is eveneens van toepassing wanneer een gecontroleerde entiteit die een aanbestedende dienst of een aanbestedende entiteit is als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4, een concessie gunt aan haar controlerende entiteit of aan een andere rechtspersoon die door dezelfde aanbestedende dienst wordt gecontroleerd, mits er geen privé-deelneming is in de rechtspersoon aan wie de overheidsconcessie wordt gegund.

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

2.   Lid 1 is eveneens van toepassing wanneer een gecontroleerde entiteit die een aanbestedende dienst of een aanbestedende entiteit is als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4, een concessie gunt aan haar controlerende of aan een andere rechtspersoon die door dezelfde aanbestedende dienst wordt gecontroleerd, mits er geen privé-deelneming is in de rechtspersoon aan wie de overheidsconcessie wordt gegund.

Motivering

De betreffende bepaling dient alleen te gelden voor „operationele” of „actieve” privédeelnemingen in het kapitaal van gecontroleerde rechtspersonen waarmee de managementbeslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon kunnen worden beïnvloed. Dit moet zuivere kapitaaldeelnemingen in de rechtspersoon, zoals stille deelnemingen, mogelijk maken, zonder afbreuk te doen op de uitzondering voor inhouse samenwerkingsverbanden of horizontale publiek-publieke samenwerking. De Commissie spreekt zich in haar mededeling van 5 februari 2008 over geïnstitutionaliseerde publiek-private samenwerking (geïnstitutionaliseerde PPS) in soortgelijke bewoordingen uit. Om ervoor te zorgen dat lokale en regionale overheden de burgers diensten kunnen leveren tegen een redelijke prijs, is het noodzakelijk dat zuivere kapitaaldeelnemingen mogelijk zijn.

Wijzigingsvoorstel 18

Artikel 15, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

3.   Een aanbestedende dienst of een aanbestedende entiteit als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4, die geen toezicht over een rechtspersoon uitoefent in de zin van lid 1, kan niettemin zonder toepassing van de bepalingen van deze richtlijn een concessie gunnen aan een rechtspersoon die hij gezamenlijk met andere aanbestedende diensten of entiteiten controleert, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

3.   Een aanbestedende dienst of een aanbestedende entiteit als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4, die geen toezicht over een rechtspersoon uitoefent in de zin van lid 1, kan niettemin zonder toepassing van de bepalingen van deze richtlijn een concessie gunnen aan een rechtspersoon die hij gezamenlijk met andere aanbestedende diensten of entiteiten controleert, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aanbestedende diensten of entiteiten als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 oefenen over de rechtspersoon gezamenlijk toezicht uit zoals op hun eigen diensten.

a)

de aanbestedende diensten of entiteiten als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 oefenen over de rechtspersoon gezamenlijk toezicht uit zoals op hun eigen diensten.

b)

ten minste 90 % van de activiteiten van die rechtspersoon worden verricht voor de controlerende aanbestedende diensten of entiteiten als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 of andere rechtspersonen die door dezelfde aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit worden gecontroleerd;

b)

ten minste van de activiteiten van die rechtspersoon worden verricht voor de controlerende aanbestedende diensten of entiteiten als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 of andere rechtspersonen die door dezelfde aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit worden gecontroleerd;

c)

er is geen privé-deelneming in de gecontroleerde rechtspersoon.

c)

er is geen privé-deelneming in de gecontroleerde rechtspersoon.

[…]

[…]

Motivering

Consistent met wijzigingsvoorstel 16 m.b.t. artikel 15, lid 1.

Wijzigingsvoorstel 19

Artikel 15, lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

4.   Een overeenkomst tussen twee of meer aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 wordt niet geacht een concessie te zijn in de zin van punt 1 van lid 1 van artikel 2 van deze richtlijn wanneer aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

4.   Een overeenkomst tussen twee of meer aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van artikel 4 wordt niet geacht een concessie te zijn in de zin van punt 1 van lid 1 van artikel 2 van deze richtlijn wanneer aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

a)

de overeenkomst voorziet in een echte samenwerking tussen de deelnemende aanbestedende diensten of entiteiten met de bedoeling hun openbaredienstopdrachten gezamenlijk uit te oefenen, met wederzijdse rechten en verplichtingen voor de partijen;

b)

de overeenkomst berust alleen op overwegingen die verband houden met het openbaar belang;

c)

de deelnemende aanbestedende diensten of entiteiten verrichten op de open markt niet meer dan 10 % van de activiteiten, in omzet uitgedrukt, die relevant zijn in het kader van de overeenkomst;

)

de deelnemende aanbestedende diensten of entiteiten op de open markt;

d)

de overeenkomst houdt geen andere financiële overdrachten tussen de deelnemende aanbestedende diensten of entiteiten in dat die welke overeenstemmen met een vergoeding voor de reële kosten van werken, leveringen of diensten;

)

de overeenkomst houdt geen andere financiële overdrachten tussen de deelnemende aanbestedende diensten of entiteiten in dat die welke overeenstemmen met een vergoeding voor de reële kosten van werken, leveringen of diensten;

e)

er is geen privé-deelneming in een van de betrokken aanbestedende diensten of entiteiten.

)

er is geen privé-deelneming in een van de betrokken aanbestedende diensten of entiteiten.

Motivering

Concessieopdrachten tussen aanbestedende diensten zouden (in het kader van verantwoord omgaan met belastinggeld) volledig vrijgesteld moeten worden van de aanbestedingsregels, onder de voorwaarden zoals genoemd in sub c t/m e.

Het moet voor aanbestedende diensten ook mogelijk zijn om samen te werken op gebieden die geen rechtstreekse openbare diensten betreffen. Te denken valt aan een samenwerking op processen die hun organisaties faciliteren en ondersteunen zoals ICT, huisvesting, inkoop en catering.

Dergelijke samenwerking tussen aanbestedende diensten is niet altijd gelijkwaardige samenwerking. Het komt voor dat grotere overheden werkzaamheden uitvoeren ten behoeve van kleinere overheden. Het is daarom wenselijk dat de ene aanbestedende dienst een concessieopdracht mag uitvoeren voor een andere aanbestedende dienst. Dat is in het belang van zuinig omgaan met overheidsgeld.

In de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie staat niet dat maximaal 10 % van de omzet van de aanbestedende diensten op de open markt mag worden behaald. Hoe groot het deel van de omzet is, moet veeleer afhangen van wat voor soort activiteit het is en van andere relevante factoren. Het is belangrijk dat niet elke vorm van privé-deelneming een uitzondering onmogelijk maakt. Alleen wanneer het om een actieve privé-deelneming gaat, d.w.z. wanneer de aandeelhouder een privé-onderneming is die actief is op de markt, is er sprake van een aanbestedingsverplichting.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 15, lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

Artikel 15

Betrekkingen tussen autoriteiten

5.   De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde afwezigheid van privé-deelneming wordt gecontroleerd bij de gunning van de concessie of de sluiting van de overeenkomst.

5.   

De uitzonderingen waarin dit artikel voorziet, zijn niet langer van toepassing zodra een privé-deelneming plaatsvindt, hetgeen tot gevolg heeft dat de lopende concessies voor concurrentie moeten worden opengesteld door middel van gewone procedures voor de gunning van concessies.

Motivering

Vanwege de nagestreefde vereenvoudiging en stroomlijning van de concessiegunningswetgeving moeten uitvoerige toelichtingen in de wettekst die niet tot meer rechtszekerheid leiden en bovendien verder gaan dan de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, worden vermeden.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 26, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 26

Concessieaankondigingen

Artikel 26

Concessieaankondigingen

3.   Aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten die een concessie voor sociale en andere specifieke diensten wensen te gunnen, maken zo spoedig mogelijk na het begin van het begrotingsjaar hun voornemen om de concessie te gunnen bekend middels de publicatie van een vooraankondiging. Deze aankondigingen bevatten de in bijlage XIII vastgestelde informatie.

   

Motivering

Sociale diensten zijn niet of in heel geringe mate relevant voor de interne markt en worden doorgaans lokaal verricht. Op dit gebied vormen de informatieverplichtingen voor de aanbestedende diensten dus een disproportionele belasting. Juist voor deze diensten mag het, gelet op de hoofddoelstelling van de hervorming, te weten vereenvoudiging van het aanbestedingsrecht, in die zin niet tot een strengere regeling komen.

Wijzigingsvoorstel 22

Artikel 35

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 35

Procedurele waarborgen

Artikel 35

Procedurele waarborgen

1.   Aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten nemen in de aankondiging van de opdracht, in de uitnodiging tot het indienen van inschrijvingen of in de concessiedocumenten een beschrijving op van de concessie, de gunningscriteria en de te vervullen minimumeisen. Deze informatie moet het mogelijk maken de aard en het toepassingsgebied van de concessie te bepalen en ondernemers in de mogelijkheid stellen te besluiten of zij verzoeken aan de concessiegunningsprocedure deel te nemen. De beschrijving, de gunningscriteria en de minimumeisen mogen in de loop van de onderhandelingen niet worden gewijzigd.

1.   Aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten nemen in de aankondiging van de opdracht, in de uitnodiging tot het indienen van inschrijvingen of in de concessiedocumenten een beschrijving op van de concessie, de gunningscriteria en de te vervullen minimumeisen. Deze informatie moet het mogelijk maken de aard en het toepassingsgebied van de concessie te bepalen en ondernemers in de mogelijkheid stellen te besluiten of zij verzoeken aan de concessiegunningsprocedure deel te nemen.

 

 

   

 

   

Motivering

Een aanbestedende dienst kan er behoefte aan hebben om gedurende de procedure naar aanleiding van vragen en opmerkingen van inschrijvers een wijziging c.q. aanpassing te maken in de concessie. Door middel van de onderhandelingen c.q. dialoogronden tracht de aanbestedende dienst een betere match tussen vraag en aanbod te creëren. Het moet daarom mogelijk zijn om de minimumeisen en subgunningscriteria gedeeltelijk te wijzigen en aan te vullen naar aanleiding van nieuwe inzichten die zijn opgedaan tijdens de onderhandelingen c.q. dialoogronden anders verliest deze aanbestedingsprocedure zijn nut.

Bij een wezenlijke wijziging van de opdracht dient momenteel de procedure te worden stopgezet en moet een heraanbesteding plaatsvinden. Het Comité beveelt daarom aan om een eenvoudige wijze te creëren waarop aanbestedende diensten hun concessie kunnen wijzigen, zoals een officiële rectificatie met een korte verlenging van de indieningstermijn van de inschrijvingen.

Wijzigingsvoorstel 23

Artikel 36, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 36

Selectie en kwalitatieve beoordeling van gegadigden

Artikel 36

Selectie en kwalitatieve beoordeling van gegadigden

1.   De aanbestedende diensten specificeren in de concessieaankondiging de deelnemingsvoorwaarden betreffende:

1.   De aanbestedende diensten specificeren in de concessieaankondiging, de deelnemingsvoorwaarden betreffende:

(a)

geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen;

(a)

geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen;

(b)

economische en financiële positie;

(b)

economische en financiële positie;

(c)

technische en beroepsbekwaamheid.

(c)

technische en beroepsbekwaamheid.

De aanbestedende diensten beperken alle voorwaarden voor deelneming tot die welke geschikt zijn ervoor te zorgen dat een gegadigde of inschrijver over de juridische, financiële, commerciële en technische capaciteit beschikt om de te gunnen concessie uit te voeren. Alle eisen houden verband en zijn strikt evenredig met het voorwerp van de opdracht, rekening houdend met de noodzaak om voor echte concurrentie te zorgen.

De aanbestedende diensten beperken alle voorwaarden voor deelneming tot die welke geschikt zijn ervoor te zorgen dat een gegadigde of inschrijver over de juridische, financiële, commerciële en technische capaciteit beschikt om de te gunnen concessie uit te voeren. eisen rekening houden met de noodzaak om voor echte concurrentie te zorgen.

De aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten vermelden tevens in de concessieaankondiging de in te dienen referentie(s) als bewijs van de economische capaciteit van de ondernemer. De vereisten met betrekking tot deze referenties zijn niet-discriminerend en zijn evenredig met het voorwerp van de concessie.

De aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten vermelden tevens in de concessieaankondiging de in te dienen referentie(s) als bewijs van de economische capaciteit van de ondernemer. De vereisten met betrekking tot deze referenties zijn niet-discriminerend en zijn evenredig met het voorwerp van de concessie.

Motivering

Zie ook wijzigingsvoorstellen 2 en 28.

Wijzigingsvoorstel 24

Artikel 36, lid 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 36

Selectie en kwalitatieve beoordeling van gegadigden

7.   De lidstaten mogen erin voorzien dat aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten elke ondernemer van deelneming aan de gunning van een concessie uitsluiten indien een van de volgende voorwaarden is vervuld:

Artikel 36

Selectie en kwalitatieve beoordeling van gegadigden

7.    mogen erin voorzien dat aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten elke ondernemer van deelneming aan de gunning van een concessie uitsluiten indien een van de volgende voorwaarden is vervuld:

[…]

[…]

Motivering

Het Comité acht dit een bevoegdheid van de aanbestedende diensten.

Wijzigingsvoorstel 25

Artikel 38, nieuw lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 38

Termijnen voor de indiening van aanvragen voor de concessie

Artikel 38

Termijnen voor de indiening van aanvragen voor de concessie

[…]

[…]

 

   

Motivering

Voor bepaalde concessies is niet veel belangstelling. Het is onnodig om een volledige procedure te doorlopen indien er slechts 1 partij geïnteresseerd is. Bovendien zal een vrije onderhandeling in zo'n situatie tot een voor de aanbestedende dienst gunstiger resultaat leiden.

Wijzigingsvoorstel 26

Artikel 39, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 39

Criteria voor de gunning van concessies

Artikel 39

Criteria voor de gunning van concessies

2.   De gunningscriteria houden verband met het voorwerp van de concessie en verschaffen de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit geen onbeperkte keuzevrijheid.

   

Die criteria zorgen voor effectieve mededinging en gaan van eisen vergezeld die het mogelijk maken de door de inschrijvers verstrekte informatie daadwerkelijk te controleren. De aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten controleren op basis van door de inschrijvers verstrekte informatie en bewijs daadwerkelijk of de inschrijvingen voldoen aan de gunningscriteria.

Motivering

Deze bepaling is overbodig. Ze voegt niets toe en dient met het oog op de nagestreefde vereenvoudiging geschrapt te worden. Ze is reeds opgenomen in de algemene principes van het primair recht.

Wijzigingsvoorstel 27

Artikel 39, lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 39

Criteria voor de gunning van concessies

4.   De lidstaten mogen erin voorzien dat aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten de gunning van concessies baseren op het criterium van de economisch voordeligste inschrijving, met inachtneming van lid 2. Deze criteria mogen naast prijs of kosten elk van de volgende criteria omvatten:

Artikel 39

Criteria voor de gunning van concessies

4.   De lidstaten mogen erin voorzien dat aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten de gunning van concessies baseren op het criterium van de economisch voordeligste inschrijving, met inachtneming van lid 2. Deze criteria mogen naast prijs of kosten elk van de volgende criteria omvatten:

[…]

[…]

Motivering

Het Comité acht het wenselijk dat het criterium laagste prijs blijft behouden. In de huidige omschrijving is het onduidelijk of dit mogelijk is. Ook bij het gunningscriterium „laagste prijs” kan kwaliteit een rol spelen, namelijk in de vorm van minimumeisen. Aanbestedende diensten moeten hier een eigen keuze in kunnen maken. Daarnaast moeten aanbestedende diensten ook vaak een bezuinigingsdoelstelling halen, die ook meegenomen moet worden in de afweging voor de keuze van het gunningscriterium.

Wijzigingsvoorstel 28

Artikel 39, lid 4, onder a)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 39

Criteria voor de gunning van concessies

Artikel 39

Criteria voor de gunning van concessies

4.   […]

4.   […]

a)

kwaliteit, waaronder technische verdienste, esthetische en functionele kenmerken, toegankelijkheid, geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers, milieukenmerken en innovatief karakter;

a)

kwaliteit, waaronder technische verdienste, esthetische en functionele kenmerken, toegankelijkheid, geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers, milieukenmerken en innovatief karakter;

[…]

[…]

Motivering

Sommige aanbestedende diensten willen sociale criteria kunnen stellen aan hun overheidsopdrachten en concessies. Deze sociale criteria kunnen nu meestal geen onderdeel van de beoordeling uitmaken omdat deze sociale criteria onvoldoende rechtstreeks verband hebben met de opdracht. Om die reden is dit toegevoegd in de aanbestedingsrichtlijn. Aangeraden wordt in de richtlijn voor concessies expliciet aan te geven dat het stellen van sociale criteria mogelijk is. Zo wordt aanbestedende diensten die dit wensen de mogelijkheid geboden om sociale criteria te stellen. In punt 29 van de preambule wordt naar dergelijke sociale voorwaarden verwezen maar het komt niet terug in het betreffende artikel.

Zie ook wijzigingsvoorstellen 2 en 25.

Wijzigingsvoorstel 29

Artikel 40, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 40

Berekening van levenscycluskosten

Artikel 40

Berekening van levenscycluskosten

3.   Telkens wanneer een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van levenscycluskosten wordt vastgesteld in het kader van een wetgevingshandeling van de Unie, inclusief bij gedelegeerde handelingen ingevolge sectorspecifieke wetgeving, is deze van toepassing wanneer berekening van de levenscycluskosten deel uitmaakt van de in artikel 39, lid 4, bedoelde gunningscriteria.

   

Een lijst van die wetgevings- en gedelegeerde handelingen is vastgesteld in bijlage II. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 46 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de actualisering van deze lijst wanneer die wijzigingen op basis van de vaststelling van nieuwe wetgeving, intrekking of wijziging van die wetgeving noodzakelijk zijn.

Motivering

Het is een goede zaak dat de Commissie de aanbestedende diensten ertoe aanzet om bij de gunning van concessies rekening te houden met levenscycluskosten. De onderhavige verplichting gaat echter te ver, omdat ze betrekking heeft op een toekomstige en nog niet vaststaande berekeningsmethode. De vastlegging van een wettelijke verplichting om rekening te houden met een niet-bestaande methode moet vanwege de onvoorspelbaarheid worden afgewezen.

Wijzigingsvoorstel 30

Artikel 42, lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 42

Wijzigingen van concessies gedurende de looptijd ervan

4.   Wanneer de waarde van een wijziging in geld kan worden uitgedrukt, wordt de wijziging niet geacht wezenlijk te zijn in de zin van lid 1 wanneer de waarde ervan de in artikel 5 vastgestelde drempels niet overschrijdt en wanneer deze minder dan 5 % van de prijs van de oorspronkelijke opdracht bedraagt, mits de wijziging de algehele aard van de opdracht niet verandert. Wanneer een aantal opeenvolgende wijzigingen plaatsvinden, wordt de waarde beoordeeld aan de hand van de cumulatieve waarde van de opeenvolgende wijzigingen.

Artikel 42

Wijzigingen van concessies gedurende de looptijd ervan

4.   Wanneer de waarde van een wijziging in geld kan worden uitgedrukt, wordt de wijziging niet geacht wezenlijk te zijn in de zin van lid 1 wanneer de waarde ervan de in artikel 5 vastgestelde drempels niet overschrijdt en wanneer deze minder dan  % van de prijs van de oorspronkelijke opdracht bedraagt, mits de wijziging de algehele aard van de opdracht niet verandert. Wanneer een aantal opeenvolgende wijzigingen plaatsvinden, wordt de waarde beoordeeld aan de hand van de cumulatieve waarde van de opeenvolgende wijzigingen.

Motivering

Het Comité adviseert een hoger percentage op te nemen voor toelaatbare wijzigingen. Er dient namelijk rekening gehouden te worden met het feit dat concessies doorgaans een langere looptijd hebben dan overheidsopdrachten.

Wijzigingsvoorstel 31

Bijlage III, punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

BIJLAGE III

ACTIVITEITEN UITGEOEFEND DOOR AANBESTEDENDE ENTITEITEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4

De bepalingen van deze richtlijn betreffende door aanbestedende entiteiten gegunde concessies zijn van toepassing op de volgende activiteiten:

BIJLAGE III

ACTIVITEITEN UITGEOEFEND DOOR AANBESTEDENDE ENTITEITEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4

De bepalingen van deze richtlijn betreffende door aanbestedende entiteiten gegunde concessies zijn van toepassing op de volgende activiteiten:

[…]

[…]

3.

Wat water betreft:

(a)

de beschikbaarstelling of exploitatie van vaste netten bestemd voor openbare dienstverlening op het gebied van de productie, het vervoer of de distributie van drinkwater;

(b)

de drinkwatertoevoer aan deze netten.

Deze richtlijn is eveneens van toepassing op concessies die door entiteiten welke een activiteit waarvan hiervoor sprake uitoefenen, gegund of georganiseerd worden en verband houden met een van de volgende punten:

(a)

waterbouwtechnische projecten, bevloeiing of drainage voor zover de voor drinkwatervoorziening bestemde hoeveelheid water groter is dan 20 % van de totale hoeveelheid water die door middel van deze projecten of deze bevloeiings- of drainage-installaties ter beschikking wordt gesteld, of

(b)

de afvoer of behandeling van afvalwater.

De toevoer van drinkwater aan netten bestemd voor openbare dienstverlening door een aanbestedende entiteit als bedoeld in lid 1, eerste alinea en lid 2 van artikel 4 wordt niet als een in alinea 1 bedoelde activiteit beschouwd, wanneer alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

(a)

de productie van drinkwater door de betrokken entiteit geschiedt omdat het verbruik ervan noodzakelijk is voor de uitoefening van een andere dan de in de leden 1 tot en met 4 van deze bijlage bedoelde activiteit;

(b)

de toevoer aan het openbare net hangt uitsluitend af van het eigen verbruik van de entiteit en heeft niet meer bedragen dan 30 % van de totale drinkwaterproductie van de entiteit berekend als het gemiddelde over de laatste drie jaren, met inbegrip van het lopende jaar.

[…]

[…]

Motivering

Consistent met wijzigingsvoorstellen 1, 5 en 15.

Wijzigingsvoorstel 32

Bijlage IV, titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Motivering

Het Comité raadt aan om flexibiliteit in de procedures te behouden en raadt daarom aan om in plaats van een uitgebreide aankondiging ook de mogelijkheid op te nemen om deze gegevens in het concessiedocument op te nemen. De praktijk leert dat deze onderwerpen toelichting behoeven en dat kan beter in het bijbehorende concessiedocument. De transparantie is geborgd omdat het concessiedocument vooraf aan alle geïnteresseerde partijen wordt toegezonden.

Brussel, 19 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 1.

(2)  PB L 27 van 30.1.1997, blz. 20.

(3)  PB L 15 van 21.1.1998, blz. 14.

(4)  PB L 164 van 30.6.1994, blz. 3.

(5)  PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1.

(6)  Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap.

(7)  PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3.

(8)  PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1.


13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/96


Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een verordening betreffende Europese territoriale samenwerking

2012/C 277/10

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

is ingenomen met deze aparte verordening over de ETS, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling territoriale samenhang, en met de verhoging van het budget; het dringt er bovendien op aan dat de Europese middelen worden toegewezen door de samenwerkingsprogramma's en niet door de lidstaten;

wijst erop dat op grond van het multilaterale karakter van de ETS, deze niet kan worden aangestuurd via partnerschapsovereenkomsten. Deze moeten dan ook uitdrukkelijk van de werkingssfeer worden uitgesloten;

betreurt dat de nieuwe verordening niet is aangepast aan kleine projecten, en vraagt de Europese Commissie uitzonderingen toe te staan voor kleine grensoverschrijdende programma's en acties, met name van minder dan EUR 35 000;

is van mening dat de thematische concentratie niet automatisch kan worden toegepast op de ETS; het vreest dat als de ETS uitsluitend op de basisprioriteiten van Europa 2020 wordt gebaseerd, zij niet zal voldoen aan haar verschillende en unieke taken. Het beveelt dan ook aan het aantal thematische doelstellingen uit te breiden van 4 naar 5, en tevens de lijst investeringsprioriteiten uit te breiden. De thematische doelstellingen zouden moeten worden uitgebreid met thema's als toerisme, milieuvriendelijk zeevervoer, cultuur of de impact van de demografische veranderingen;

is van mening dat het zelf een actieve rol zou moeten spelen bij de bevordering van de ETS en bij het opsporen en wegwerken van belemmeringen voor de uitvoering;

dringt erop aan dat het medefinancieringspercentage voor minder ontwikkelde regio's op 85 % wordt vastgesteld, zoals staat in de huidige algemene Verordening (EG) nr. 1083/2006;

stemt in met de vrijstelling voor ultraperifere regio's als het gaat om het medefinancieringspercentage en financiering, en dringt aan op speciale voorwaarden voor zones die op 30 april 2004 of 31 december 2006 buitengrenzen van de Gemeenschap vormden;

dringt aan op een versterking van de mechanismen voor de coördinatie tussen alle fondsen en de programma's voor territoriale samenwerking; onderstreept het belang van een betere coördinatie met externe financiële programma's van de EU en een verduidelijking van de regels voor de deelname van derde landen aan ETS-programma's;

benadrukt de cruciale rol van de EGTS voor de versterking van de territoriale samenwerking, en spoort de lidstaten aan om alle belemmeringen weg te nemen die de oprichting of werking van een EGTS in de weg staan.

Rapporteur

De heer Petr OSVALD (CZ/PSE), lid van de gemeenteraad van Plzeň

Referentiedocument

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”

COM(2011) 611 final – 2011/0273 (COD)

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

Algemene opmerkingen over het voorstel voor een verordening

1.

is ingenomen met een aparte verordening over Europese territoriale samenwerking (ETS), zodat rekening kan worden gehouden met het specifieke doel, de bijzondere kenmerken en de status van territoriale samenwerking als tweede doelstelling van het cohesiebeleid. Met dit aparte voorstel voor een verordening wordt de bijdrage van de Europese territoriale samenwerking (ETS) aan het bevorderen van de nieuwe doelstelling uit het verdrag, nl. territoriale samenhang, benadrukt, evenals de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid in het algemeen. Verder komt de betekenis van de ETS, in haar oriëntatie op grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking beter tot uiting

2.

Het CvdR is het ermee eens dat de rol van de Europese territoriale samenwerking des te belangrijker is daar de uitdagingen voor de lidstaten en de regio's steeds meer de nationale/regionale grenzen overschrijden en een gezamenlijk optreden in samenwerking op het passende territoriale niveau vereisen, en dat de ETS een belangrijke bijdrage kan leveren aan de bevordering van de territoriale samenhang, een nieuwe doelstelling in het Verdrag.

3.

Het CvdR staat in principe achter de voorstellen van de Commissie om territoriale samenwerking te relateren aan de Europa 2020-strategie, met als voorwaarde voldoende flexibiliteit om passend te kunnen inspelen op de behoeften ter plaatse. Het is ingenomen met de handhaving van de drie oriëntaties (grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking) van de ETS in alle regio's van Europa. De samenwerking via projecten en structuren over de grenzen heen werpt nu al haar vruchten af voor de Europese integratie. Ook de ruimere deelname van derde landen is een goede zaak.

4.

Het CvdR is van mening dat grensoverschrijdende samenwerking een sleutelrol moet blijven spelen in het kader van de Europese territoriale samenwerking, en kan zich daarom in principe vinden in het voorstel voor de verdeling van de middelen over de verschillende soorten ETS.

5.

Het CvdR waarschuwt dat de verordening vooral voor kleine programma's op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking te veeleisend, ingewikkeld en gedetailleerd is, wat de uitvoering van kleinschalige maar vaak zeer doeltreffende acties kan bemoeilijken. Daarom verzoekt het de Europese Commissie na te gaan of het noodzakelijk is om alle bepalingen van de verordening ook op deze programma's toe te passen. Met het oog op een maximale doeltreffendheid kunnen aan kleine programma's niet dezelfde eisen worden gesteld als aan grote programma's en acties.

6.

Het CvdR steunt de huidige methode voor het aanwijzen van regio's voor grensoverschrijdende samenwerking. Het stelt voor om het gebied voor grensoverschrijdende samenwerking (oriëntatie A) uit te breiden om ook functionele grensoverschrijdende betrekkingen voor opname in programma's in aanmerking te laten komen. Tot het betrekken van functioneel corresponderende regio's die voor de verwezenlijking van de doelstellingen van bijzonder belang zijn, moet dan ook niet pas tijdens de goedkeuringsprocedure van het programma besloten worden. Het CvdR schaart zich ook achter de uitgebreide mogelijkheden om multilaterale projecten te realiseren in gebieden waar geen multilaterale samenwerkingsprogramma's ten uitvoer zullen worden gelegd.

7.

De Europese territoriale samenwerking speelt een essentiële rol bij de ontwikkeling van de transnationale samenwerking, met name om de geïntegreerde territoriale ontwikkeling van coherente gebieden te bevorderen en om de ontwikkelingsprojecten van de macroregionale strategieën te steunen. Het CvdR juicht toe dat de relevant gebleken zones voor transnationale samenwerking (oriëntatie B) in principe worden gehandhaafd en dat de macrostrategieën van de EU niet tot nieuwe zones voor samenwerking, noch tot het uitsluiten van zones van transnationale samenwerking leiden. Voorts is het in wezen een goede zaak dat de ontwikkeling en uitvoering van macroregionale strategieën in het kader van transnationale samenwerking ondersteund worden.

8.

Het CvdR benadrukt het potentieel van de interregionale samenwerking, met name vanwege het hefboomeffect voor het gebruik van de structuurfondsen. De bevordering van interregionale samenwerking (oriëntatie C) acht het CvdR een uitstekend instrument om de uitwisseling van ervaringen en de samenwerking van lokale en regionale overheden op het gebied van cohesiebeleid te stimuleren. De resultaten van deze uitwisselingen zouden meer dan tot nu toe gebruikt moeten worden voor de lokale en regionale ontwikkelingsstrategieën (kapitaliseren).

Het doel van ETS en thematische concentratie

9.

Het CvdR wijst er echter op dat de Europese territoriale samenwerking bovenal:

via samenwerking de problemen van alle betrokken regio's moet aanpakken;

een effectief mechanisme moet zijn om goede praktijken uit te wisselen en van elkaar te leren;

ervoor moet zorgen dat een oplossing voor een specifiek probleem meer effect sorteert, als gevolg van schaalvoordelen en het bereiken van een kritische massa;

het bestuur moet verbeteren dankzij de coördinatie van sectorale beleidsmaatregelen, acties en investeringen op grensoverschrijdende en transnationale schaal;

moet bijdragen tot veiligheid en stabiliteit en tot wederzijds voordelige relaties;

waar nodig moet meehelpen om de groei, de werkgelegenheid en een op de bescherming van het ecosysteem gebaseerd beheer te ondersteunen;

zoals is uiteengezet in de toelichting bij de ontwerpverordening.

10.

Volgens het CvdR zou de Europese territoriale samenwerking dan ook moeten bijdragen aan de totstandkoming van een Europees saamhorigheidsgevoel en onderlinge verbondenheid, het wegnemen van vooroordelen en de ontwikkeling van de betrokken regio's. Om die reden is het CvdR van mening dat de thematische concentratie niet automatisch kan worden toegepast op de Europese territoriale samenwerking, en dat rekening moet worden gehouden met de niveaus en het potentieel van de afzonderlijke regio's. Er moet dus niet worden geprobeerd om het „one size fits all”-beginsel toe te passen, dat wil zeggen dezelfde prioriteiten voor iedereen, maar er moet een „place based approach”, een plaatsgebonden benadering worden gehanteerd. Het CvdR vreest dat als de Europese territoriale samenwerking en vooral de grensoverschrijdende samenwerking uitsluitend op de basisprioriteiten en thematische doelstellingen van Europa 2020 worden gebaseerd, zij niet zullen voldoen aan hun verschillende en unieke taken, en alleen een variant van het fundamentele cohesiebeleid zullen worden, met een andere wijze van steunverdeling.

11.

De demografische verandering en de gevolgen ervan voor de diensten van algemeen belang, alsook de duurzame regionale ontwikkeling moeten volgens het CvdR als zelfstandige thema's voor de ETS behandeld worden. Nieuwe vormen van partnerschap tussen stad en platteland moeten als basis voor territoriale cohesie op regionaal niveau (overeenkomstig de Territoriale Agenda 2020) prioriteit krijgen. Bovendien ontbreken belangrijke thema's als toerisme, milieuvriendelijk zeevervoer en cultuur.

12.

In de grensoverschrijdende samenwerking is het zaak om het ontwikkelingspotentieel van ieder grensoverschrijdend gebied te definiëren, rekening houdend met het huidige niveau van de betrokken regio's. De Europese territoriale samenwerking en met name de grensoverschrijdende samenwerking zouden niet prioritair op de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie moeten zijn gebaseerd, maar eerder op het scheppen van de voorwaarden die nodig zijn voor een zo breed mogelijke, pan-Europese tenuitvoerlegging ervan. Vooral de programma's voor grensoverschrijdende samenwerking zouden dan ook meerdere thematische doelstellingen moeten kunnen kiezen, en zouden niet beperkt mogen blijven tot vooraf vastgestelde doeleinden.

13.

Duurzame territoriale samenhang kan slechts bereikt worden als de mensen in de regio's bij de zaak betrokken en enthousiast raken. Daarom zou het mogelijk moeten worden dat de programma's voor Europese territoriale samenwerking voortaan ook maatregelen op maatschappelijk gebied en cultuur kunnen steunen (bijv. concrete ontmoetingsprojecten). De bestaande programma's bevatten daartoe al succesvolle aanzetten. Daarom verzoekt het CvdR om uitbreiding van de thematische doelstellingen in die zin.

14.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de continuïteit binnen het onderdeel transnationale samenwerking te waarborgen. Het keurt het echter af dat de aanvullende investeringsprioriteit bij de transnationale samenwerking beperkt moet worden tot de ontwikkeling en uitvoering van macroregionale strategieën en strategieën voor zeebekkens. Gezien de vele problemen waar de regio's momenteel voor staan, alsook de bestaande tekorten, hebben ook andere regio's, deelgebieden en functionele gebieden behoefte aan passende investeringsprioriteiten.

15.

Het CvdR is het ermee eens dat de interregionale samenwerking tot doel moet hebben de effectiviteit van het cohesiebeleid te vergroten door de uitwisseling van ervaringen tussen regio's aan te moedigen en de resultaten van deze uitwisseling te benutten in het kader van de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”. Het is van mening dat deze uitwisseling van ervaringen een breed draagvlak moet hebben en zich niet mag beperken tot de rol van aanvulling op het zevende kaderprogramma voor onderzoek.

16.

Het CvdR is van mening dat het zelf een actieve rol zou moeten spelen bij de bevordering van de ETS en bij het opsporen en wegwerken van belemmeringen voor de uitvoering, om een zo groot mogelijke synergie met de andere onderdelen van het cohesiebeleid tot stand te brengen.

Financiële toewijzing en medefinancieringspercentage

17.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel om meer middelen toe te wijzen aan de Europese territoriale samenwerking.

18.

Het CvdR acht het niet doeltreffend dat het voorgestelde medefinancieringspercentage van 75 % voor operationele programma's in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”, zoals is voorgesteld in de algemene verordening, lager is dan het medefinancieringspercentage voor minder ontwikkelde regio's in het kader van de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”. Door dit lagere medefinancieringspercentage kunnen de programma's voor Europese territoriale samenwerking minder aantrekkelijk worden voor minder ontwikkelde regio's. Het CvdR vindt dit verschil niet gerechtvaardigd en dringt erop aan dat het medefinancieringspercentage voor beide doelstellingen op 85 % wordt vastgesteld. Ook acht het CvdR het niet terecht dat het medefinancieringspercentage dat wordt toegepast op de extra toegewezen middelen voor interregionale samenwerking in ultraperifere gebieden wordt vastgesteld op 50 %; dit zou op 85 % moeten worden vastgesteld.

19.

Cofinanciering verloopt niet altijd via de programmapartners, lidstaten of andere overheidsinstanties, maar ook via de begunstigden. Daarom kan niet algemeen verlangd worden dat de deelnemende lidstaten zich ertoe verplichten om de voor de uitvoering van een samenwerkingsprogramma vereiste middelen voor cofinanciering beschikbaar te stellen. Daarom moet de in het Commissievoorstel vermelde verbintenis geschrapt worden.

20.

Om de kwaliteit van de samenwerking te handhaven moeten de huidige voorwaarden voor het medefinancieringspercentage, zoals die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1083/2006 (algemene verordening), art. 53, lid 3 en 4, behouden blijven: „3. Voor operationele programma's in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” waarbij ten minste één deelnemer aan het operationele programma behoort tot de lidstaten waarvan het BBP per hoofd van de bevolking voor de periode van 2001 tot en met 2003 lager was dan 85 % van het gemiddelde van de EU-25 tijdens dezelfde periode, mag de bijdrage uit het EFRO niet hoger zijn dan 85 % van de subsidiabele uitgaven. Voor alle andere operationele programma's mag de bijdrage uit het EFRO niet hoger zijn dan 75 % van de door het EFRO gecofinancierde subsidiabele uitgaven. 4. De in lid 3 en bijlage III vastgestelde maxima gelden niet voor de bijdragen uit de fondsen op het niveau van de prioritaire assen. Zij worden evenwel zo vastgesteld dat de op het niveau van het operationele programma vastgestelde maximumbedragen voor bijdragen uit de fondsen en het maximale bijdragepercentage per fonds worden geëerbiedigd.”

21.

Het CvdR acht het niet geschikt om op het niveau van iedere prioritaire as een maximaal medefinancieringspercentage vast te stellen, zoals in de algemene verordening is bepaald. Het zou mogelijk moeten zijn om de hoogte van de medefinanciering te differentiëren in het kader van de afzonderlijke prioritaire assen, om de begunstigden te motiveren bepaalde strategische prioriteiten te verwezenlijken. Het zou goed zijn dat in ieder programma voor iedere maatregel een medefinancieringspercentage wordt vastgesteld, afhankelijk van het type maatregel, met dien verstande dat niet alle maatregelen het maximale steunniveau kunnen krijgen.

22.

Het CvdR is het ermee eens dat de samenwerkingprogramma's waarbij ook ultraperifere regio's betrokken zijn, niet minder dan 150 % ontvangen van de EFRO-steun die zij in de periode 2007-2013 ontvingen, en dat bovendien 50 000 000 EUR uit de toewijzing voor interregionale samenwerking wordt bestemd voor samenwerking waaraan de ultraperifere regio's deelnemen.

23.

Het dringt erop aan dat speciale voorwaarden worden vastgesteld voor zones die op 30 april 2004 of 31 december 2006 buitengrenzen van de Gemeenschap vormden en dat sinds die data niet meer zijn, zoals in de huidige programmeringsperiode het geval is op grond van art. 52 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 (algemene verordening). Zeven jaar steun kan niet worden beschouwd als een voldoende lange periode om de problemen van deze gebieden op te lossen. Het CvdR wijst erop dat de verhoging van de steun voor zones die vroeger de buitengrenzen van de EU vormden niet alleen tot doel heeft het economisch niveau van de betrokken regio's op te krikken, maar tevens een aanzienlijke impact heeft op het ontstaan van een Europees saamhorigheidsgevoel, de onderlinge verbondenheid en het wegnemen van vooroordelen.

Programmering

24.

Het CvdR merkt afkeurend op dat de in artikel 7, lid 2, sub a) vastgelegde eisen aanzienlijke inspanningen vormen voor de programmering ten opzichte van de huidige planning zonder een duidelijke meerwaarde op te leveren.

25.

Op grond van het multilaterale karakter kan de ETS niet aangestuurd worden via partnerschapsovereenkomsten. Deze moeten daarom uitdrukkelijk uit de werkingssfeer verwijderd worden.

26.

Erg belangrijk is dat de concrete toepassing van de voorschriften voor staatssteun voor de ETS-programma's via een richtlijn wordt geregeld. Tot de mogelijke begunstigden van de maatregelen voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking moeten ook particuliere actoren behoren, met name kleinere en middelgrote ondernemingen (mkb), mits ter zake overeenstemming wordt bereikt door alle lidstaten die bij het programma in kwestie betrokken zijn.

27.

Er moet meer aandacht komen voor de in Europa zeer uiteenlopende administratieve structuren op regionaal en lokaal niveau voor de omschrijving van doelgroepen voor de programma's van de ETS. Er moet meer rekening worden gehouden met de vele organisatievormen van overheidsinstanties in de regio's van de lidstaten. Met name een privaatrechtelijke organisatievorm mag er niet toe leiden dat overheden van deelname uitgesloten worden.

Toezicht en evaluatie

28.

De verplichtingen inzake rapportage worden zowel qua omvang als frequentie uitgebreid; het CvdR eist dat ze tot het noodzakelijke minimum beperkt worden. Het Comité wijst het dus af om de termijn voor het jaarlijkse uitvoeringsverslag van 30 juni te vervroegen naar 30 april van het volgende jaar. Het overleg met diverse en diverse talen sprekende programmapartners vergt meer inspanningen en dus ook meer tijd.

29.

Het is een goede zaak dat er gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren komen met het oog op een doeltreffender verwezenlijking van de doelstellingen, een beter effect en om een programmaoverschrijdende evaluatie te kunnen uitvoeren. De in de bijlage bij de ETS-verordening voorgestelde indicatoren doen echter vaak te weinig recht aan specifieke ETS-eisen en bieden onvoldoende mogelijkheid om de kwaliteit van de ETS te beschrijven of te meten. Het Comité wil daarom dat de lijst met indicatoren waarmee ETS-specifieke resultaten passend kunnen worden weergegeven, wordt herzien.

30.

Het CvdR is in principe ingenomen met de beperking van de technische bijstand tot 6 procent van het totale bedrag, met een minimumbedrag van 1,5 miljoen euro. De verplichte overschakeling van de totale informatie-uitwisseling naar elektronische systemen voor data-uitwisseling in het kader van de technische bijstand voor 31 december 2014 acht het Comité van de Regio's echter problematisch.

Beheer, controle en accreditatie

31.

Het CvdR bepleit in principe de handhaving van de in de steunperiode 2007-2013 deugdelijk gebleken beheerstructuren voor de uitvoering van de operationele programma's, de vergaande continuïteit van de structuren, alsook de duidelijker toewijzing van taken en bevoegdheden van de verschillende instanties in verband met de programma-afwikkeling.

32.

Het is goed dat de taken van de beheers- en de certificeringsautoriteit kunnen worden samengevoegd (zie artikel 113 van de algemene verordening); het CvdR is echter gekant tegen een verplichte samenvoeging in de ETS (zie artikel 22 ETS-verordening) en wijst de voorgenomen accreditatie van beheers- en controleplaatsen echter uitdrukkelijk af.

Coördinatie van de fondsen

33.

Het CvdR is ingenomen met de inspanningen om de coördinatie tussen de programma's voor Europese territoriale samenwerking en de andere instrumenten van het cohesiebeleid te verbeteren. In dit verband moet ervoor gezorgd worden dat de financiële steun die de EU verleent aan samenwerkingsprojecten meer zoden aan de dijk zet. Daartoe is het zaak om de resultaten van deze projecten onder de aandacht te brengen, een multipliereffect te bewerkstelligen en te voorkomen dat acties die al beproefd en getest zijn, opnieuw worden uitgeprobeerd.

34.

Het waarschuwt er echter voor dat om een mechanisme te creëren waarmee kan worden gezorgd voor coördinatie tussen de fondsen en andere instrumenten, er ook moet worden gezorgd voor coördinatie tussen die fondsen en instrumenten op het niveau van de EU en op het niveau van de uitvoering in de verschillende lidstaten. Het is zaak dat er identieke en gecoördineerde procedures worden vastgesteld en dat er uniforme regels komen voor beheer, monitoring, subsidiabiliteit van de uitgaven, de presentatiewijze van indicatoren, enz. Ook is het uiterst wenselijk dat er wordt gezorgd voor coördinatie tussen de verschillende landen, aangezien steeds meer landen deelnemen aan de programma's voor Europese territoriale samenwerking. Hierbij zou bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de coördinatie met externe financiële instrumenten. Daarom verzoekt het CvdR de Europese Commissie een methodologie voor de coördinatie van de programma's uit te werken.

35.

Het CvdR wijst erop dat artikel 10 van het voorstel voor een verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds (COM(2011) 607 final) betrekking heeft op transnationale samenwerking, en dat deze verordening dezelfde periode betreft als het voorstel betreffende de Europese territoriale samenwerking, zonder dat het daarnaar verwijst. Het is echter van mening dat juist de coördinatie tussen de door het EFRO en de door het ESF gefinancierde Europese territoriale samenwerking van het grootste belang is: door de activiteiten van beide fondsen op de juiste manier te combineren kan immers voor de nodige synergie worden gezorgd. De activiteiten die in het kader van het ESF worden uitgevoerd zijn over het algemeen zeer doeltreffend, vooral als het gaat om grensoverschrijdende samenwerking, omdat grensgebieden van buurlanden gewoonlijk in een vergelijkbare situatie verkeren qua arbeidsmarkt, sociale problemen, enz. Aangezien de thematische activiteiten met steun van het ESF een zeer belangrijk onderdeel zijn van alle programma's voor Europese territoriale samenwerking, verzoekt het CvdR de Europese Commissie voldoende aandacht te besteden aan de coördinatie van die activiteiten. Als een grotere mate van coördinatie uitblijft zou het tenminste mogelijk moeten worden dat ETS-activiteiten die thematisch verband houden met het ESF, door het EFRO kunnen worden gefinancierd.

36.

Het CvdR acht het zeer wenselijk dat de nieuwe Connecting Europe Facility met de programma's voor Europese territoriale samenwerking wordt gecoördineerd, aangezien die nieuwe faciliteit grensoverschrijdende en internationale verbindingen betreft.

Deelname van derde landen

37.

Het is van het grootste belang dat de programma's voor Europese territoriale samenwerking worden gecoördineerd met de instrumenten voor financiële steun aan derde landen. In deze programma's zou rechtstreeks een systeem moeten worden geïntegreerd waarmee de instrumenten in kwestie kunnen worden gecoördineerd met de verschillende programma's voor Europese territoriale samenwerking, zodat de deelname van eenheden uit derde landen aan gezamenlijke projecten op geen enkele wijze wordt belemmerd. Dit systeem zou onder meer moeten zorgen voor een overeenstemming van de procedures, de subsidiabiliteit van de uitgaven enz. tussen de ETS-programma's in de lidstaten en de pretoetredings- en nabuurschapsprogramma's. Ook zou het moeten garanderen dat derde landen zorgen voor de toegang tot, het beheer van en de toewijzing aan ETS-programma's van voldoende middelen uit de pretoetredings- en nabuurschapsprogramma's.

38.

Het CvdR is het ermee eens dat de voorschriften betreffende financieel beheer alsmede programmering, toezicht, evaluatie en controle in verband met de deelname van derde landen aan programma's voor transnationale en interregionale samenwerking moeten worden toegelicht, en dat die regels moeten worden vastgesteld in het desbetreffende samenwerkingsprogramma en/of de desbetreffende financieringsovereenkomst tussen de Commissie, elk van de derde landen en de lidstaat waarin de beheersautoriteit van het desbetreffende samenwerkingsprogramma gevestigd is. Het wijst er echter op dat in geval van problemen of nalatigheid in derde landen, de transnationale en interregionale programma's geen vertraging mogen oplopen, waardoor de hele uitvoering van die programma's in gevaar zou komen.

De rol van de EGTS

39.

De EGTS is een essentieel instrument voor de versterking van de territoriale samenwerking. Het CvdR herhaalt dan ook dat de herziene EGTS-verordening, die geen bijzondere implicaties heeft voor de EU-begroting, onmiddellijk moet worden goedgekeurd en dat dus niet mag worden gewacht op de goedkeuring van het hele wetgevingspakket inzake het cohesiebeleid na 2013. Ook spoort het de lidstaten aan om alle belemmeringen van administratieve aard weg te nemen die ofwel de oprichting van een EGTS in de weg staan ofwel de keuze voor een EGTS minder aantrekkelijk maken dan andere rechtsinstrumenten, zoals met name bepalingen op het gebied van belastingen en de aanwerving van personeel.

40.

De lidstaten moeten worden aangemoedigd om de taak van de beheersautoriteit toe te vertrouwen aan een EGTS. Wel wijst het CvdR erop dat de Europese Commissie algemene mechanismen zou moeten voorstellen ter verduidelijking van art. 25, lid 3 van het voorstel voor een verordening: hierin staat dat de lidstaat waar de EGTS geregistreerd is of waar de hoofdbegunstigde gevestigd is, onverschuldigd aan begunstigden van derde landen betaalde bedragen moet terugbetalen. Deze verplichting voor staten waar de EGTS is geregistreerd of waar de hoofdbegunstigde gevestigd is, kan het voor deze staten minder aantrekkelijk maken om het beheer van de programma's aan een EGTS toe te vertrouwen, omdat zij borg moeten staan voor iets wat buiten hun controle ligt. Volgens het CvdR moet dan ook worden bevestigd dat een autoriteit in de lidstaat van de ontvanger van een onverschuldigd betaald bedrag kan worden gemandateerd door de autoriteit in de lidstaat waar de EGTS is geregistreerd om het bedrag terug te vorderen, of dat de voorwaarden van de lopende programmeringsperiode moeten worden toegepast, op grond waarvan de lidstaat alwaar de begunstigde zich bevindt die de onverschuldigd uitbetaalde bedragen moet terugbetalen, aansprakelijk is.

Overige opmerkingen

41.

Het CvdR juicht de invoering van een vast bedrag aan personeelskosten toe als een zeer goede stap, die een aanzienlijke vereenvoudiging voor de begunstigde inhoudt. De vaste bedragen aan personeelskosten zouden identiek moeten zijn voor alle landen, aangezien hetzelfde werk wordt gedaan. Ook zou er een geharmoniseerde methodologie voor de controle en de subsidiabiliteit van de uitgaven moeten zijn. Het CvdR wijst echter een plafond van de forfaitaire personeelskosten van 15 % van de totale kosten van de hand, aangezien territoriale samenwerking van nature zeer personeelsintensief is en een aandeel van 15 procent in de personeelskosten ver onder het huidige gemiddelde ligt.

42.

Hoewel het veel waarde hecht aan de bescherming van het milieu, een efficiënt gebruik van hulpbronnen, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer, bevorderen van gelijke kansen, voorkomen van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, bevorderen van gelijke kansen voor mannen en vrouwen enz., vindt het CvdR het niet nodig om een beschrijving te vergen van de toepassing ervan in ieder programma. Dergelijke bepalingen kunnen de uitvoering van vooral kleine programma's voor grensoverschrijdende samenwerking zeer ingewikkeld maken en verlammen. Daarom beveelt het CvdR aan deze bepalingen niet algemeen toe te passen, maar alleen wanneer dit redelijk en relevant is ten aanzien van de betreffende prioriteiten en acties. Een verplichte verantwoording zou immers absurd en onlogisch zijn voor acties die totaal geen verband houden met deze problemen.

43.

Het CvdR acht het van belang dat de begunstigden samenwerken bij de ontwikkeling, uitvoering en financiering van en de personeelsvoorziening voor concrete acties. Toch kan het opstarten en ten uitvoer leggen van met name kleine projecten (met een EFRO-toelage onder EUR 35 000) bemoeilijkt worden door het vereiste om aan vier samenwerkingscriteria te voldoen. Het zou dan ook nuttig zijn dit vereiste voor de betrokken projecten te schrappen. Het CvdR stelt voor dat kleine projecten zoals voorheen aan minstens twee van de vier criteria moeten blijven beantwoorden.

Voorstellen

44.

Met het oog op de nadruk die wordt gelegd op coördinatie, doeltreffendheid, opheffing van ongelijkheden en integratie, stelt het CvdR voor om in de komende programmeringsperiode nieuwe initiatieven te lanceren ter bevordering van de grensoverschrijdende coördinatie van thematische en op ontwikkeling gerichte strategieën (op het gebied van vervoer, energie, arbeidsmarkt, milieubescherming, wetenschap en onderzoek, enz.) en om geïntegreerde benaderingen uit te stippelen. Zo zouden grensoverschrijdende lacunes, ontwikkelingsmogelijkheden en geïntegreerde oplossingen kunnen worden aangewezen. Om de aldus duidelijk aangegeven probleemgebieden aan te pakken en het aangegeven ontwikkelingspotentieel te benutten zou het nuttig zijn om zowel openbare als particuliere actoren hierbij te betrekken en financiële middelen van verschillende bronnen hiervoor aan te spreken. Voor de goede werking van dit instrument is het zeer wenselijk dat het potentieel van de EGTS en de Euregio's wordt benut. Om de doeltreffendheid van het initiatief te waarborgen zouden hiervoor in het kader van de Europese territoriale samenwerking voldoende middelen moeten worden uitgetrokken.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 3, lid

Als volgt wijzigen:

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Geografische reikwijdte

Geografische reikwijdte

1.   Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe landgrenzen, met uitzondering van die welke onder programma's in het kader van de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen, en alle aan zeegrenzen gelegen regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie die maximaal 150 km van elkaar verwijderd zijn, behoudens eventuele aanpassingen die nodig zijn om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van gebieden van samenwerkingsprogramma's die voor de programmeringsperiode 2007-2013 zijn vastgesteld.

1.   Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe landgrenzen, met uitzondering van die welke onder programma's in het kader van de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen, en alle aan zeegrenzen gelegen regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie die maximaal km van elkaar verwijderd zijn, behoudens eventuele aanpassingen die nodig zijn om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van gebieden van samenwerkingsprogramma's die voor de programmeringsperiode 2007-2013 zijn vastgesteld.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de lijst vast van grensoverschrijdende gebieden die steun kunnen ontvangen, ingedeeld naar samenwerkingsprogramma. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de lijst vast van grensoverschrijdende gebieden die steun kunnen ontvangen, ingedeeld naar samenwerkingsprogramma. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

In die lijst worden ook de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie vermeld die in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen en aan alle buitengrenzen die onder de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen, zoals het ENI krachtens Verordening (EU) nr. […]/2012 [de ENI-verordening] en het IPA krachtens Verordening (EU) nr. […]/2012 [de IPA-verordening].

In die lijst worden ook de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie vermeld die in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen en aan alle buitengrenzen die onder de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen, zoals het ENI krachtens Verordening (EU) nr. […]/2012 [de ENI-verordening] en het IPA krachtens Verordening (EU) nr. […]/2012 [de IPA-verordening].

Bij de indiening van ontwerpprogramma's voor grensoverschrijdende samenwerking kunnen de lidstaten erom verzoeken dat nog meer regio's van NUTS-niveau 3 die grenzen aan de regio's die zijn opgenomen in het in de tweede alinea bedoelde besluit, worden toegevoegd aan een gegeven grensoverschrijdend gebied. Zij geven daarbij de redenen voor dat verzoek op.

Bij de indiening van ontwerpprogramma's voor grensoverschrijdende samenwerking kunnen de lidstaten erom verzoeken dat nog meer regio's van NUTS-niveau 3 die grenzen aan de regio's die zijn opgenomen in het in de tweede alinea bedoelde besluit, worden toegevoegd aan een gegeven grensoverschrijdend gebied.

[…]

[…]

Motivering

Wat de afstand van 300 km i.p.v. 150 km betreft, is in de praktijk gebleken dat de redenen die het bestaan van grensoverschrijdende maritieme samenwerking rechtvaardigen, niet direct verband houden met de korte afstand, maar met de onderlinge betrekkingen tussen de twee landen. Door de huidige communicatie- en vervoersmiddelen wordt afstand ook minder belangrijk

Wat het NUTS-niveau betreft staan de Franse regio's over het algemeen positief tegenover de indeling van de gebieden tijdens de huidige programmeringsperiode. Maar gelet op de uiteenlopende situaties van de verschillende gebieden vinden zij dat er een mate van flexibiliteit moet komen bij de vaststelling van de geografische reikwijdte van de projecten. Zij willen met name de versterkte samenwerking binnen transnationale gebieden van NUTS-niveau 2 bevorderen (zonder dat de begrenzing wordt gewijzigd), en de geografische reikwijdte van sommige grensoverschrijdende programma's uitbreiden tot voorbij het NUTS-niveau 3 (tot NUTS-niveau 2 wanneer dat gerechtvaardigd is, zonder afbreuk te doen aan de concentratie van de financiering in onmiddellijk aan grenzen liggende gebieden). Ook dringen zij er bij de Commissie op aan rekening te houden met de nieuwe gebieden voor versterkte samenwerking, de Euregio's.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 4(3)

Als volgt wijzigen:

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Middelen voor Europese territoriale samenwerking

Middelen voor Europese territoriale samenwerking

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen één enkel besluit vast waarin de lijst van alle samenwerkingprogramma's is opgenomen en waarin de bedragen van de totale EFRO-steun per programma en van de toewijzing voor 2014 per programma zijn aangegeven. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen één enkel besluit vast waarin de lijst van alle samenwerkingprogramma's is opgenomen en waarin de bedragen van de totale EFRO-steun per programma en van de toewijzing voor 2014 per programma zijn aangegeven. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

De bevolking in de in artikel 3, lid 1, derde alinea, en artikel 3, lid 3, eerste alinea, bedoelde gebieden wordt gebruikt als criterium voor de jaarlijkse verdeling per lidstaat.

De bevolking in de in artikel 3, lid 1, derde alinea, en artikel 3, lid 3, eerste alinea, bedoelde gebieden wordt gebruikt als criterium voor de verdeling per .

[…]

[…]

Motivering

Er moet met klem worden aangedrongen op een toewijzing van Europese middelen per samenwerkingsprogramma. De voortzetting van het huidige systeem van verdeling per lidstaat (die verantwoordelijk is voor de verdeling van de portefeuille voor samenwerking over de verschillende gebieden) houdt immers een dubbel risico in: het gevaar van onevenwichtige nationale toewijzingen voor een bepaald gebied en het gevaar dat de logica van de evenredige compensatie („juste retour”) in stand wordt gehouden, waarbij iedere lidstaat, wars van de samenwerkingsgedachte, meent dat hij het geld dat hij aan een bepaald gebied heeft toegewezen moet kunnen „recupereren”.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 4, lid 7

Als volgt wijzigen:

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Middelen voor Europese territoriale samenwerking

7.   In 2015 en 2016 wordt de jaarlijkse bijdrage uit het EFRO voor de programma's in het kader van het ENI en het IPA waarvoor uiterlijk op 30 juni geen programma bij de Commissie is ingediend onder de grensoverschrijdende en zeebekkenprogramma's in het kader van het ENI en het IPA, toegewezen aan de onder lid 1, onder a), vallende programma's voor grensoverschrijdende samenwerking waaraan de betrokken lidstaat deelneemt.

Middelen voor Europese territoriale samenwerking

7.   In 2015 en 2016 wordt de jaarlijkse bijdrage uit het EFRO voor de programma's in het kader van het ENI en het IPA waarvoor uiterlijk op 30 juni geen programma bij de Commissie is ingediend onder de grensoverschrijdende en zeebekkenprogramma's in het kader van het ENI en het IPA, toegewezen aan de onder lid 1, onder a), vallende programma's voor grensoverschrijdende samenwerking waaraan de betrokken lidstaat deelneemt.

Motivering

Het Commissievoorstel impliceert – in tegenstelling tot in de huidige periode – dat als de afgesproken minimumtermijn voor de indiening van de programma's niet in acht wordt genomen, ongebruikte EFRO-middelen alleen kunnen worden toegewezen aan interne programma's voor grensoverschrijdende samenwerking waaraan de betrokken lidstaat deelneemt. Wij stellen voor om vast te houden aan de bestaande regels, om te voorkomen dat regio's benadeeld worden als ze - ook al zijn ze niet verantwoordelijk voor het in gebreke blijven - de termijnen niet kunnen respecteren.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 5

Als volgt wijzigen:

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Thematische concentratie

De in artikel 9 van Verordening (EU) nr. […]/2012 [de GV] bedoelde thematische doelstellingen worden geconcentreerd als volgt:

a)

maximaal vier thematische doelstellingen worden geselecteerd voor elk programma voor grensoverschrijdende samenwerking;

b)

maximaal vier thematische doelstellingen worden geselecteerd voor elk programma voor transnationale samenwerking;

c)

alle thematische doelstellingen kunnen worden geselecteerd voor programma's voor interregionale samenwerking krachtens artikel 2, lid 3, onder a).

Thematische concentratie

De in artikel 9 van Verordening (EU) nr. […]/2012 [de GV] bedoelde thematische doelstellingen worden geconcentreerd als volgt:

a)

maximaal thematische doelstellingen worden geselecteerd voor elk programma voor grensoverschrijdende samenwerking;

b)

maximaal thematische doelstellingen worden geselecteerd voor elk programma voor transnationale samenwerking;

c)

alle thematische doelstellingen kunnen worden geselecteerd voor programma's voor interregionale samenwerking krachtens artikel 2, lid 3, onder a).

Motivering

Het doel van de programma's voor grensoverschrijdende samenwerking is de nadelen van de perifere ligging van grensregio's en de daarmee samenhangende problemen weg te werken, en wel door de grensoverschrijdende samenwerking te steunen op alle gebieden van het menselijk leven (integratie van grensoverschrijdende regio's). Ook wordt steun verleend aan samenwerking die is gericht op het gezamenlijk aanpakken van problemen, en aan samenwerking ter bevordering van de integratie op diverse gebieden. Voor grensregio's is het dus van essentieel belang om zoveel mogelijk een breed scala aan gesteunde activiteiten in stand te houden, die beantwoorden aan het brede spectrum van gebieden van grensoverschrijdende samenwerking.

Voor transnationale samenwerking gelden dezelfde motieven als voor grensoverschrijdende samenwerking. Voor eender welke vorm van samenwerking is het van fundamenteel belang om de samenwerkingsterreinen zo breed mogelijk te houden.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 6, letter a)

Als volgt wijzigen:

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Investeringsprioriteiten

Investeringsprioriteiten

[…]

[…]

a)

in het kader van grensoverschrijdende samenwerking:

a)

in het kader van grensoverschrijdende samenwerking:

i)

integratie van grensoverschrijdende arbeidsmarkten, met inbegrip van grensoverschrijdende mobiliteit, gezamenlijke lokale werkgelegenheids¬initiatieven en gezamenlijke opleiding (binnen de thematische doelstelling „bevordering van werkgelegenheid en ondersteuning van arbeidsmobiliteit”);

i)

integratie van grensoverschrijdende arbeidsmarkten, met inbegrip van grensoverschrijdende mobiliteit, gezamenlijke lokale werkgelegenheids¬initiatieven en gezamenlijke opleiding (binnen de thematische doelstelling „bevordering van werkgelegenheid en ondersteuning van arbeidsmobiliteit”);

ii)

bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen over de grenzen heen, alsook bevordering van sociale insluiting over de grenzen heen (binnen de thematische doelstelling „bevordering van sociale insluiting en bestrijding van armoede”);

ii)

bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen over de grenzen heen, alsook bevordering van sociale insluiting over de grenzen heen (binnen de thematische doelstelling „bevordering van sociale insluiting en bestrijding van armoede”);

iii)

ontwikkeling en uitvoering van gezamenlijke regelingen voor onderwijs en opleiding (binnen de thematische doelstelling „investeringen in vaardigheden, onderwijs en een leven lang leren”);

iii)

ontwikkeling en uitvoering van gezamenlijke regelingen voor onderwijs en opleiding (binnen de thematische doelstelling „investeringen in vaardigheden, onderwijs en een leven lang leren”);

iv)

bevordering van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers en instellingen (binnen de thematische doelstelling „vergroting van de institutionele capaciteit en een doelmatig openbaar bestuur”);

iv)

bevordering van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers en instellingen (binnen de thematische doelstelling „vergroting van de institutionele capaciteit en een doelmatig openbaar bestuur”);

 

 

 

 

Motivering

Zie paragraaf 9 van de Beleidsaanbevelingen.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 6, letter b)

Wijzigen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

b)

in het kader van transnationale samenwerking: ontwikkeling en uitvoering van macroregionale en zeebekkenstrategieën (binnen de thematische doelstelling „vergroting van de institutionele capaciteit en een doelmatig openbaar bestuur”).

b)

in het kader van transnationale samenwerking: ontwikkeling en uitvoering van macroregionale zeebekkenstrategieën (binnen de thematische doelstelling „vergroting van de institutionele capaciteit en een doelmatig openbaar bestuur”).

Motivering

Zie paragraaf 14 van de Beleidsaanbevelingen.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 6, nieuwe letter c)

Wijzigen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Motivering

Zie paragraaf 11 van de Beleidsaanbevelingen.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 7, lid 2, letter c)

Wijzigen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Inhoud van samenwerkingsprogramma's

Inhoud van samenwerkingsprogramma's

[…]