ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2012.225.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 225

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

55e jaargang
27 juli 2012


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Comité van de Regio's

 

95e plenaire zitting van 3 en 4 mei 2012

2012/C 225/01

Advies van het Comité van de Regio's — Uitbreidingsstrategie en belangrijkste uitdagingen 2011-2012

1

2012/C 225/02

Advies van het Comité van de Regio's over het Groenboek over gezinshereniging

7

2012/C 225/03

Advies van het Comité van de Regio's — De herziening van het EU-beleid inzake luchtkwaliteit en emissies

11

2012/C 225/04

Advies van het Comité van de Regio's — Wetgevingsvoorstellen over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid

20

2012/C 225/05

Advies van het Comité van de Regio's — Actief ouder worden: innovatie — slimme gezondheid — hogere levenskwaliteit

46

2012/C 225/06

Advies van het Comité van de Regio's — Energie-efficiëntie in steden en regio's, met de verschillen tussen stad en platteland als invalshoek

52

 

III   Voorbereidende handelingen

 

COMITÉ VAN DE REGIO'S

 

95e plenaire zitting van 3 en 4 mei 2012

2012/C 225/07

Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een algemene verordening over de fondsen van het gemeenschappelijk strategisch kader

58

2012/C 225/08

Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een verordening inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO)

114

2012/C 225/09

Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een verordening inzake het Europees Sociaal Fonds

127

2012/C 225/10

Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een verordening betreffende het Cohesiefonds

143

2012/C 225/11

Advies van het Comité van de Regio's over de herziening van het wetgevingskader voor TEN-T

150

2012/C 225/12

Advies van het Comité van de Regio's — Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor de periode 2014-2020

159

2012/C 225/13

Advies van het Comité van de Regio's over het programma van de EU voor sociale verandering en innovatie

167

2012/C 225/14

Advies van het Comité van de Regio's — Wetgevingsvoorstellen betreffende de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het beleid voor plattelandsontwikkeling na 2013

174

2012/C 225/15

Advies van het Comité van de Regio's — Erasmus voor iedereen

200

2012/C 225/16

Advies van het Comité van de Regio's — Trans-Europese telecommunicatienetwerken

211

2012/C 225/17

Advies van het Comité van de Regio's — Een consumentenprogramma 2014-2020

217

2012/C 225/18

Advies van het Comité van de Regio's — Gezondheid voor groei, het derde meerjarig actieprogramma van de EU voor de periode 2014-2020

223

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Comité van de Regio's

95e plenaire zitting van 3 en 4 mei 2012

27.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/1


Advies van het Comité van de Regio's — Uitbreidingsstrategie en belangrijkste uitdagingen 2011-2012

2012/C 225/01

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

wijst erop dat alle landen waarop de uitbreidingsstrategie betrekking heeft (1), het Verdrag inzake de rechten van de mens van de Raad van Europa en het Europees Handvest inzake Lokale Autonomie officieel hebben geratificeerd, en spoort die landen aan om hieraan een vervolg te geven en hun verplichtingen in dezen na te komen;

benadrukt dat de opbouw en ontwikkeling van multilevel governance, onafhankelijke media en het maatschappelijk middenveld in de kandidaat-lidstaten van cruciaal belang zijn, en roept de betrokken landen op om steun te verlenen aan het respecteren van de civiele vrijheden en democratische politieke procedures;

onderstreept dat een geïnstutionaliseerd mechanisme voor overleg tussen de op nationaal niveau bevoegde organen en de lokale en regionale overheden in alle fasen van het uitbreidingsproces van groot belang is, dat daarmee zal worden bijgedragen tot versterking van de maatschappelijke participatie, naleving van het subsidiariteitsbeginsel en verkleining van de afstand tot de burger, en dat een en ander het er ook gemakkelijker op zal maken om nieuwe wetgeving in te voeren en ertoe zal bijdragen dat IPA-middelen beter worden besteed, mits vertegenwoordigers van het lokale en regionale niveau goed worden voorgelicht over het integratieproces;

dringt aan op de oprichting of, voor zover deze al bestaan, de versterking van verenigingen van lokale en regionale overheden en op samenwerking met zusterorganisaties uit de EU-lidstaten, zodat er ervaringen kunnen worden uitgewisseld en het integratieproces vooruit kan worden geholpen;

acht het huidige integratieproces in de kandidaat-lidstaten als een positieve zaak, en vindt dat hiervan ook gebruik zal moeten worden gemaakt als middel ter bevordering van een proces van decentralisatie, gebaseerd op transparantie bij de uitvoering van maatregelen;

onderstreept het belang van eerbiediging van het beginsel van goed nabuurschap tussen de EU-lidstaten, de kandidaat-lidstaten en andere landen en van een verdere ontwikkeling van de grensoverschrijdende en regionale samenwerking tussen deze landen.

Rapporteur

Stanisław SZWABSKI (EA/PL), voorzitter van de gemeenteraad van Gdynia

Referentiedocument

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: Uitbreidingsstrategie en belangrijkste uitdagingen 2011-2012

COM (2011) 666

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Algemene aanbevelingen

1.

herinnert eraan dat het doel van de uitbreiding van de Europese Unie ligt in het vergroten van de ruimte van vreedzame groei en samenwerking in Europa. De EU staat dan ook open voor elk Europees land dat zich kan vinden in de democratische waarden, deze wil eerbiedigen en zich hieraan wenst te houden en dat voldoet aan de toetredingscriteria. Uitbreiding is alleen mogelijk als een succesvolle integratie van de toetredingslanden wordt gewaarborgd.

2.

Alle landen waarop de uitbreidingsstrategie betrekking heeft (2), hebben het Verdrag inzake de rechten van de mens van de Raad van Europa en het Europees Handvest inzake Lokale Autonomie officieel geratificeerd. Het CvdR spoort de landen aan om hieraan een vervolg te geven en hun verplichtingen in dezen na te komen.

3.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel van de Commissie om op grotere schaal gebruik te maken van IPA-middelen ter stimulering en versnelling van het proces van resultaatgerichte hervormingen. Door de lokale en regionale overheden in voorkomende gevallen hierbij te betrekken kunnen de opvangmogelijkheden en de capaciteitsontwikkeling van de ontvangende landen worden verbeterd, waardoor ook de IPA-middelen effectiever kunnen worden besteed.

4.

Het proces van uitbreiding zal leiden tot een stabilisering en verhoging van het welvaartspeil van de burgers in de EU en in de kandidaat-lidstaten en tot een op solidariteit gebaseerde verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van een steeds grotere ruimte van vrede, vrijheid, veiligheid en recht, incl. eengemaakte markt, waar de doelstellingen van economische, sociale en territoriale samenhang, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van mannen en vrouwen worden nagestreefd.

5.

Voorwaarde voor een geslaagd en duurzaam hervormingsproces is de betrokkenheid van alle maatschappelijke niveaus. Goed bestuur, incl. een zich op nationaal, regionaal en lokaal niveau synchroon voltrekkende modernisering van de openbare sector, schept betere voorwaarden voor een alomvattende en hecht verankerde democratie, een verbeterde transparantie en een minder door corruptie en nepotisme gekenmerkt systeem. Een gedecentraliseerde structuur geeft de burgers de mogelijkheid om inspraak te eisen en maakt het ook gemakkelijker om ze te betrekken bij besluitvormingsprocessen.

6.

Opbouw en ontwikkeling van multilevel governance, onafhankelijke media en het maatschappelijk middenveld in de kandidaat-lidstaten is van cruciaal belang. De betrokken landen worden opgeroepen om steun te verlenen aan het respecteren van de civiele vrijheden en democratische politieke procedures.

7.

Een geïnstutionaliseerd mechanisme voor overleg tussen de op nationaal niveau bevoegde organen en de lokale en regionale overheden in alle fasen van het uitbreidingsproces is van groot belang. Daarmee zal worden bijgedragen tot versterking van de maatschappelijke participatie, naleving van het subsidiariteitsbeginsel en verkleining van de afstand tot de burger. Een en ander zal het er ook gemakkelijker op maken om nieuwe wetgeving in te voeren en ertoe bijdragen dat IPA-middelen beter worden besteed, mits vertegenwoordigers van het lokale en regionale niveau goed worden voorgelicht over het integratieproces.

8.

Er moeten verenigingen van lokale en regionale overheden worden opgericht en, voor zover deze al bestaan, moeten deze worden versterkt. Ze dienen samen te werken met zusterorganisaties uit de EU-lidstaten, zodat er ervaringen kunnen worden uitgewisseld en het integratieproces vooruit kan worden geholpen.

9.

Het huidige integratieproces in de kandidaat-lidstaten is een positieve zaak en hiervan zal ook gebruik moeten worden gemaakt als middel ter bevordering van een proces van decentralisatie, gebaseerd op transparantie bij de uitvoering van maatregelen.

10.

Het verloop en het succes van het uitbreidingsproces zijn in de eerste plaats afhankelijk van de reële vooruitgang die de kandidaat-lidstaten boeken bij het doorvoeren van hervormingen op basis waarvan kan worden voldaan aan de criteria van Kopenhagen.

11.

Het zou goed zijn als er bij de Raad meer vaart zou worden gezet achter de goedkeuring van de Adriatisch-Ionische macroregionale strategie, die als meerwaarde heeft dat ze kan zorgen voor een vlottere toetreding van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten uit Zuidoost-Europa tot de Europese Unie en dit hele proces kan consolideren. Bovendien biedt dit de mogelijkheid om het democratiseringsproces in gebieden die tot het grotere Middellandse Zeegebied behoren, te intensiveren.

12.

Eerbiediging van het beginsel van goed nabuurschap tussen de EU-lidstaten, de kandidaat-lidstaten en andere landen is essentieel. Het is van belang dat de grensoverschrijdende en regionale samenwerking tussen deze landen verder wordt ontwikkeld.

13.

De centrale overheden van de landen die lid willen worden van de EU, zouden in samenwerking met de bestuursorganen op lokaal en regionaal niveau coherente nationale regels en strategieën moeten opstellen, terwijl de lokale en regionale overheden de nodige middelen moeten worden toegekend om de strategie ter integratie van gemarginaliseerde groepen ten uitvoer te leggen.

14.

Er zal in de kandidaat-lidstaten een uitgebreide en evenwichtige voorlichtingscampagne moeten worden opgezet over de EU, haar instellingen, het integratieproces en de gevolgen daarvan voor de afzonderlijke landen alsook over de uitdagingen en kansen voor de burgers. Wil men ervoor zorgen dat burgers actief deelnemen aan de integratie van hun land in de EU en de voordelen van een eventueel lidmaatschap inzien, dan is deze informatie, die grotendeels door de overheden van de toetredende landen zelf zal moeten worden verspreid, van cruciaal belang.

15.

Alle kandidaat-lidstaten worden opgeroepen om naar gelang hun formele mogelijkheden bij te dragen aan de ontwikkeling en versterking van de EU en de Europese instellingen.

16.

Het is zaak dat de Europese Unie nogmaals duidelijk en onomwonden laat weten dat kandidaat-lidstaten die aan de voorwaarden voldoen, kunnen toetreden tot de EU.

KROATIË

De vorderingen van Kroatië op zijn weg naar toetreding tot de EU

17.

Het CvdR begroet de ondertekening van het toetredingsverdrag met Kroatië, die een mijlpaal in het proces van Europese integratie is. Als de ratificatieprocedure met succes wordt afgesloten, hoopt het CvdR Kroatië met ingang van 1 juli 2013 als nieuw lid welkom te heten.

18.

Het CvdR is uiterst voldaan over de vorderingen die Kroatië, vanaf de indiening van zijn toetredingsverzoek in 2003 tot en met de in juni 2011 succesvol afgesloten onderhandelingen, heeft geboekt om te kunnen voldoen aan de criteria voor toetreding, en staat achter het positieve advies m.b.t. het EU-lidmaatschap van het land dat de Commissie in oktober 2011 heeft gegeven.

19.

Met voldoening wordt kennis genomen van het feit dat Slovenië en Kroatië hebben afgesproken om hun uitstaande grensgeschil voor te leggen aan een arbitragetribunaal. Het CvdR kijkt met verwachting uit naar de tenuitvoerlegging van het bilaterale grensverdrag tussen de twee landen.

20.

Kroatië is al in veel opzichten rijp voor het lidmaatschap van de EU, maar zal zich nog meer moeten inspannen om het communautair acquis te consolideren en in zijn geheel over te nemen, m.n. op de terreinen nabuurschap, corruptiebestrijding, invoering van antidiscriminatiewetgeving, mededingingsbeleid en persvrijheid & mediapluralisme.

21.

Het CvdR is ingenomen met de positieve uitslag van het referendum over de toetreding van Kroatië tot de EU, dat in januari 2012 is gehouden.

IJSLAND

Vorderingen van de kandidaat-lidstaat

22.

In de toetredingsonderhandelingen met IJsland zijn goede vorderingen gemaakt. IJsland en de EU werken zeer constructief samen binnen het kader van de EER en de Schengenzone.

23.

IJsland zou in de nabije toekomst lid kunnen worden van de EU op basis van het „eigen verdiensten”-beginsel. Het proces van aanpassing aan het acquis op de resterende terreinen zal met gepaste snelheid moeten worden voortgezet.

24.

Het CvdR heeft waardering voor het feit dat IJsland erin is geslaagd, zijn moeilijke economische situatie gedeeltelijk te boven te komen, en dat het met volharding de nodige hervormingen heeft doorgevoerd.

25.

Verontrustend is dat de maatschappelijke steun voor het integratieproces te wensen overlaat.

DE VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACEDONIË

Vorderingen van de kandidaat-lidstaat op de Westelijke Balkan

26.

De inspanningen van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië m.b.t. het toetredingsproces worden toegejuicht.

27.

De regering van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië onderneemt positieve stappen om de toetreding van het land tot de EU naderbij te brengen. Daarentegen moet helaas worden vastgesteld dat er weinig effectief te werk wordt gegaan als het erom gaat een bevredigende oplossing te vinden voor de officiële naam van het land. Het handhaven van goede nabuurschapsbetrekkingen, met inbegrip van onderhandelingen over een wederzijds aanvaardbare oplossing voor de naamskwestie onder aegide van de VN, is essentieel.

28.

De stappen die op dit moment worden genomen in het kader van de aanpassing van de nationale rechtsstelsels aan de wet- en regelgeving van de EU, worden toegejuicht. Wel zijn er nog meer hervormingen nodig op het gebied van justitie, de grondrechten van vrouwen en minderheden en het openbaar bestuur.

29.

De corruptie onder hooggeplaatste personen moet worden aangepakt en de persvrijheid moet worden beschermd.

30.

Er is goede vooruitgang geboekt met de samenwerking tussen overheidsinstanties, de verschillende decentrale overheden en niet-gouvernementele organisaties.

31.

Wat betreft de tenuitvoerlegging van de taalwet, het proces van decentralisering en het beginsel van billijke vertegenwoordiging zijn er vorderingen geboekt, al zullen er nog meer inspanningen moeten worden verricht om de huidige uitdagingen op bijv. het gebied van onderwijs en een harmonieuze verstandhouding tussen alle gemeenschappen het hoofd te bieden.

MONTENEGRO

Vorderingen van de kandidaat-lidstaat op de Westelijke Balkan

32.

Met het oog op het door de Raad aangekondigde begin van de toetredingsonderhandelingen in juni 2012 zijn de veranderingen en aanpassingen die Montenegro heeft doorgevoerd in zijn wetgeving t.a.v. de hervorming van het openbaar bestuur, het bijhouden van nationale statistieken, de persvrijheid en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, positief te waarderen. De situatie m.b.t. de naleving van de mensenrechten, de gelijkberechtiging van vrouwen en het respect voor de rechten van etnische minderheden is er eveneens duidelijk op vooruitgegaan.

33.

De stappen die zijn genomen om de corruptie terug te dringen, worden begroet, al zullen er nog meer inspanningen moeten worden verricht ter bestrijding hiervan, m.n. op het gebied van privatiseringen, ruimtelijke ordening, onderwijs en gezondheidszorg alsmede bij de decentrale overheden.

34.

Een goede zaak is ook de vooruitgang die is geboekt t.a.v. de bescherming van de rechten van minderheden en hun vertegenwoordiging in de rechtspraak en het decentrale bestuur.

35.

Met instemming wordt kennis genomen van de oprichting van een Gemengd Raadgevend Comité (GRC), dat kan dienen als een platform voor dialoog tussen het Comité van de Regio's en de lokale overheden in Montenegro.

TURKIJE

Vorderingen van de kandidaat-lidstaat

36.

De ontwikkelingen in de richting van democratisering van het politieke en maatschappelijke leven in Turkije stemmen tot tevredenheid. Het CvdR benadrukt dat Turkije gehouden is tot goede relaties met zijn naburen, en roept het land op om bedreigingen of acties, gericht tegen lidstaten en hun soevereine rechten, achterwege te laten, zoals ook is vastgelegd in de Kopenhagen-criteria en het EU-onderhandelingskader voor Turkije van 3 oktober 2005. Het uit zijn ongenoegen over de verklaringen van Turkije om de betrekkingen met het EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2012 te bevriezen en stelt zijn hoop op de ontwikkeling van de regionale samenwerking.

37.

Het CvdR is teleurgesteld dat Turkije nog steeds zijn verplichtingen ingevolge het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije niet is nagekomen, en dringt er bij Turkije op aan werk te maken van de volledige inachtneming ervan.

38.

Het baart zorgen dat er nog maar weinig is terechtgekomen van de tenuitvoerlegging van reeds goedgekeurde wetgeving die in overeenstemming is met de criteria van Kopenhagen. Helaas valt er geen duidelijke vooruitgang te bespeuren t.a.v. de ontwikkeling van het lokale zelfbestuur en de opbouw van het maatschappelijk middenveld. Niettemin valt te hopen dat het huidige proces van constitutionele hervormingen de voorwaarden schept voor belangrijke vorderingen op dit terrein. De oprichting van een Gemengd Raadgevend Comité voor het onderhouden van de contacten tussen het Comité van de Regio's en de Turkse lokale en regionale overheden moet ervoor zorgen dat de Europese eisen op het gebied van decentralisatie in aanmerking worden genomen.

39.

Er wordt te weinig voortgang geboekt op de terreinen vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, godsdienstvrijheid, vrouwenrechten en eerbiediging van de rechten van minderheden, terwijl ook de kwestie Cyprus nog altijd niet op een billijke manier is geregeld. De Turkse regering wordt opgeroepen de lopende onderhandelingen actief te ondersteunen en maatregelen te nemen met het oog op een algehele oplossing van de Cypriotische kwestie.

40.

De situatie m.b.t. de eerbiediging van de grondrechten en vrijheden in de rechtspraak en het dagelijkse leven baart ernstige zorgen en Turkije wordt opgeroepen om hierin verbetering aan te brengen. De reële beperking van de persvrijheid, de rechtszaken tegen schrijvers, journalisten, academici, democratisch gekozen vertegenwoordigers en mensenrechtenactivisten alsmede de sluiting van websites – dit alles is zeer verontrustend en vraagt om maatregelen van de Turkse regering.

41.

Turkije wordt opgeroepen om meer werk te maken van de hervorming van het lokale bestuur (Local Administrative Reform), zodat er meer decentralisering kan plaatsvinden en effectiever gebruik kan worden gemaakt van het lokale en regionale potentieel. Belangrijke punten zijn een meer uitgebreide en rechtvaardige financiering van het lokale niveau, vormen van overleg tussen de verschillende niveaus in overeenstemming met de beginselen van multilevel governance en meer steun voor de lokale overheden in het kader van de Europese integratie.

42.

Het baart zorgen dat er zowel in de maatschappij als in de media een sterk afnemende belangstelling voor en geloof in een Turkse toetreding valt te bespeuren. De Europese Unie wordt dan ook opgeroepen om het onderhandelingsproces voort te zetten aan de hand van een „positieve agenda”, die dient te worden uitgevoerd zodra Turkije voldoet aan de toetredingscriteria.

43.

Het is verheugend te mogen constateren dat de Commissie heeft voorgesteld om de samenwerking tussen de territoriale overheden van de EU-lidstaten en hun tegenhangers in Turkije uit te breiden.

44.

Het CvdR wil gebruikmaken van de bestaande EU-mechanismen voor samenwerking met Turkije – grensoverschrijdende programma's, regionale samenwerking en samenwerking tussen de decentrale bestuursorganen – om de ontwikkeling van het lokale zelfbestuur, de uitbreiding van het aantal beleidsterreinen waarop het subsidiariteitsbeginsel van toepassing is, en de democratisering van het openbare leven te bevorderen.

ALBANIË

Vorderingen van het land met de status van potentiële kandidaat-lidstaat

45.

Er wordt een beroep gedaan op de Albanese autoriteiten om het hervormingsproces voort te zetten, aangezien de tot dusverre verwezenlijkte hervormingen het land slechts een klein stapje vooruithelpen bij het voldoen aan de criteria van Kopenhagen.

46.

Het integratieproces heeft alleen kans van slagen als men zich houdt aan het beginsel van goed nabuurschap en regionale samenwerking nastreeft en als de democratische procedures, het lokale zelfbestuur en het maatschappelijk middenveld tot ontwikkeling worden gebracht.

47.

De Albanese regering en de oppositie zouden opnieuw een constructieve politieke dialoog moeten beginnen ter versterking van de goede werking en onafhankelijkheid van de fundamentele democratische organen. De Albanese autoriteiten zouden zich meer moeten inspannen voor de bevordering en uitvoering van de noodzakelijke hervormingsmaatregelen in het kader van het toetredingsproces, m.n. op het gebied van mensenrechten, gelijkberechtiging van vrouwen, bescherming van minderheden, vermogensrechten, bestrijding van corruptie & georganiseerde misdaad en het voeren van een constructief migratiebeleid.

48.

Het stemt tot zorg dat er onvoldoende vastberaden wordt opgetreden tegen de corruptie die de maatschappij doordringt. In de toekomst kan deze een serieus obstakel worden voor de ontwikkeling van het land.

49.

De Albanese regering wordt aangespoord om zich samen met andere betrokken partijen actief in te zetten voor het proces van decentralisering en Europese integratie.

BOSNIË EN HERZEGOVINA

Vorderingen van het land met de status van potentiële kandidaat-lidstaat

50.

De hervormingen die door de autoriteiten in Bosnië en Herzegovina zijn gerealiseerd, verdienen waardering. De activiteiten van alle bestuurslagen in het land, waaronder die van de Federatie van Bosnië en Herzegovina en de Servische Republiek, zouden echter beter op elkaar moeten worden afgestemd.

51.

De autoriteiten in Bosnië en Herzegovina dienen zich meer in te spannen om deze hervormingen door te voeren. De hervormingen in de lijn van de criteria van Kopenhagen kunnen op de middellange termijn alleen worden gerealiseerd als de autoriteiten zich hiertoe sterk engageren, terwijl de hervormingen op milieugebied alleen op de lange termijn hun beslag kunnen krijgen.

52.

De politieke impasse in het land baart zorgen, evenals het onvermogen van de verschillende politieke fracties om niet alleen het eigen voordeel na te jagen. Hierdoor wordt het toetredingsproces van Bosnië en Herzegovina aanzienlijk vertraagd. Door de relevante actoren, met name de lokale overheden, op ruimere schaal en nauwer hierbij te betrekken kunnen de IPA-middelen effectiever worden besteed en daarmee tastbaardere positieve resultaten opleveren voor de burgers. Daardoor zullen de individuele burgers ook duidelijker het nut van een toenadering tot de EU inzien.

53.

Het CvdR kan zich vinden in de analyse die de Commissie maakt van de situatie in Bosnië en Herzegovina. Deze wordt gekenmerkt door onderlinge tegenstellingen, geblokkeerde besluitvorming en politieke stagnatie. Daarom wil het CvdR nog eens onderstrepen wat het al eerder, in 2010 (3), heeft benadrukt: het verdeelde Bosnië heeft behoefte aan leiders die in staat zijn om tegenstellingen te overbruggen en oplossingen aan te reiken die de mensen binden. De EU mag er geen twijfel over laten bestaan dat er maar één mogelijk politiek alternatief is: het land openstellen voor de vier vrijheden van de eengemaakte markt.

54.

De samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen in het land is zwak ontwikkeld. Hierin zal verbetering moeten worden aangebracht. Alle politieke krachten in Bosnië en Herzegovina zullen zich hiervoor nadrukkelijk moeten inzetten.

55.

Om in het land een constructief samenwerkingsklimaat te creëren is het nodig om een goed functionerende bestuurlijke structuur te ontwikkelen waarbij de verschillende beleidsniveaus elkaar aanvullen en onderlinge tegenstellingen worden overbrugd. Het nationale niveau in Bosnië en Herzegovina zal op verschillende terreinen moeten worden versterkt. Hervormingsgezinde krachten die enerzijds ijveren voor een krachtigere staat en anderzijds voor een proces van decentralisering met sterkere gemeenten, dienen te worden gesteund.

56.

De praktische grensoverschrijdende samenwerking en de samenwerking tussen de centrale, regionale en lokale overheden zullen moeten worden opgevoerd.

KOSOVO  (4)

Vorderingen van het land met de status van potentiële kandidaat-lidstaat

57.

Verheugend is de toezegging van Kosovo om zich, in het kader van het proces dat moet leiden tot integratie met de EU, meer op Europa te richten.

58.

Het CvdR hoopt dat het feit dat er onder de lidstaten van de EU geen consensus bestaat t.a.v. de officiële status van Kosovo, niet verhindert dat er formele stappen worden gezet om de betrekkingen tussen Kosovo en de EU via onderlinge akkoorden verder te ontwikkelen. Het CvdR meent dat thans praktische ad-hocoplossingen kunnen worden gezocht en gestimuleerd, op basis van een neutrale benadering van Kosovo's status.

59.

Het CvdR benadrukt dat de EU, overeenkomstig de door haar geformuleerde beginselen, zich onomwonden uitgesproken heeft voor een Europees perspectief voor de westelijke Balkan, met inbegrip van Kosovo.

SERVIË

Vorderingen van het land met de status van kandidaat-lidstaat

60.

Het is een goede zaak dat de Commissie heeft aanbevolen om Servië de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen.

61.

Het is een goede zaak dat de Europese Raad besloten heeft Servië de status van EU-kandidaat-lidstaat te verlenen. Servië wordt aangemoedigd om door te gaan met zijn structurele en systeemhervormingen. In het kader van het stabilisatie- en associatieproces zal moeten worden gewerkt aan de normalisering van de betrekkingen met Kosovo, waarbij de beginselen van regionale samenwerking, met deelname van alle betrokken partijen, volledig worden gerespecteerd. Hopelijk zullen daarbij geen stappen worden ondernomen die hun Europese vooruitzichten in het gedrang zouden kunnen brengen.

62.

De Servische autoriteiten worden aangespoord om hun constructieve beleid, gericht op de ontwikkeling van de samenwerking en stabilisering van de situatie in de regio, voort te zetten.

63.

De vooruitgang die Servië in het kader van het pretoetredingsproces heeft geboekt, waaronder aanpassing aan de criteria van Helsinki van een reeks beleidsonderdelen op het gebied van mensenrechten, goed nabuurschap en persvrijheid, verdient alle lof.

64.

Het integratieproces heeft alleen kans van slagen als men zich houdt aan het beginsel van goed nabuurschap en regionale samenwerking nastreeft en als de democratische procedures, de bescherming van de rechten van minderheden, het lokale zelfbestuur en het maatschappelijk middenveld tot ontwikkeling worden gebracht.

65.

Het is een goede zaak dat het recht op een eigen taal voor de traditionele minderheid in het land wordt gerespecteerd, en dat er in september 2011 een wet op het openbaar eigendom is aangenomen, waarbij een deel van de bevoegdheden is overgedragen aan de provincie Vojvodina en de lokale overheden.

Brussel, 3 mei 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  Met uitzondering van Kosovo (op grond van VN-resolutie 1244/1999).

(2)  Met uitzondering van Kosovo (op grond van VN-resolutie 1244/1999).

(3)  CdR 345/2009.

(4)  Op grond van Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad.


27.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/7


Advies van het Comité van de Regio's over het Groenboek over gezinshereniging

2012/C 225/02

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

wijst erop dat de noodzaak om dieper in te gaan op de problematiek van gezinshereniging samenvalt met de aandacht voor een vernieuwde Europese agenda voor de integratie van onderdanen van derde landen (CdR 199/2011) en voor een „Europese cultuur van multilevel governance” (CdR 273/2011), waarvoor in het bijzonder de inzet van het CvdR nodig is;

merkt op dat de richtlijn volgens het Groenboek soms wordt gebruikt om van gezinshereniging af te zien, en benadrukt dat de regeling voor gezinshereniging mag niet worden gezien als een middel om de migratiestromen aan banden te leggen, en dat gezinshereniging specifiek tot doel heeft om de integratie van legale migranten en de eerbiediging van het recht op een gezin te verbeteren;

beklemtoont dat het recht van eenieder om in gezinsverband te leven, alsook het recht én de plicht van eenieder om zijn of haar kinderen te onderhouden, op te voeden en groot te brengen (en dus om zijn of haar kinderen bij zich te houden) grondrechten en -plichten zijn die los staan van nationaliteit en waaraan erkenning wordt gegeven in tal van verschillende nationale en internationale teksten die in dit opzicht eensluidend zijn;

wijst erop dat de lidstaten bij hun praktische maatregelen steeds de geldende beginselen van evenredigheid en subsidiariteit in acht moeten nemen, zowel om de lokale en regionale overheden meer het initiatief te laten bij de uitvoering van intergratiebevorderende methoden als om die overheden een stabiel en rechtszekerheid biedend referentiekader te verschaffen;

pleit voor meer betrokkenheid van lokale overheden in een stelsel van multilevel governance. Aan die voorwaarde moet beslist worden voldaan, omdat een samenhangend immigratiebeleid waarmee de grondrechten worden nageleefd en het welzijn van gastgemeenschappen en immigranten wordt verhoogd, anders niet mogelijk is.

Rapporteur

Sergio SOAVE (IT/PSE), burgemeester van Savigliano (CN)

Referentiedocument

Groenboek inzake het recht op gezinshereniging van onderdanen uit derde landen die in de Europese Unie verblijven (Richtlijn 2003/86/EG)

COM(2011) 735 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Referentiekader

1.

is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een discussie op gang te brengen over gezinshereniging, waarover al een richtlijn is uitgevaardigd: Richtlijn 2003/86/EG. De bedoeling is dat wordt nagedacht over een aantal knelpunten bij de toepassing van deze richtlijn en dat wordt nagegaan wat de draagwijdte is van opmerkingen die van alle kanten zijn gemaakt (ngo's, lokale gemeenschappen, universiteiten).

2.

De Commissie heeft terecht besloten om als stof voor deze discussie onderhavig Groenboek over gezinshereniging op te stellen, waarin niet alleen wordt gewezen op enkele van de voornaamste aspecten van Richtlijn 2003/86/EG, maar ook een reeks vragen wordt gesteld. Verder is het een goede zaak dat de Commissie het resultaat van het overleg afwacht alvorens eventueel een besluit te nemen over concrete maatregelen die moeten worden genomen.

3.

Lokale en regionale overheden spelen een doorslaggevende rol als het erom gaat integratiebeleid en beleid voor sociale cohesie in goede banen te leiden. Daarom moeten deze overheden als volwaardige partners worden betrokken bij de discussie over de manier waarop de regeling voor gezinshereniging in praktijk wordt gebracht, teneinde zowel de volledige inburgering van immigranten als een mogelijke hervorming van de richtlijn te vergemakkelijken.

4.

Met dit initiatief voor een discussie wordt gevolg gegeven aan het Programma van Stockholm (december 2009) en het Europees Pact inzake Immigratie en Asiel (september 2008).

5.

De noodzaak om dieper in te gaan op de problematiek van gezinshereniging komt gelijktijdig naar voren met de aandacht voor een vernieuwde Europese agenda voor de integratie van onderdanen van derde landen (CdR 199/2011) en voor een „Europese cultuur van multilevel governance” (CdR 273/2011), waarvoor in het bijzonder de inzet van het CvdR nodig is.

Politieke context

6.

Het CvdR wijst er met de nodige omzichtigheid op dat de economische crisis die Europa op zijn grondvesten doet schudden, het oordeel over de richtlijn kan vertekenen. Hetzelfde geldt voor de nieuwe stromen van migranten die in deze tijd van economische crisis Europa willen binnenkomen, bijvoorbeeld als gevolg van de grootse en op zich gunstige politieke beweging die de „Arabische lente” wordt genoemd en die veel landen aan de zuidelijke oever van de Middellandse Zee gemeen hebben.

Beginselen en beoordelingen

7.

In het Groenboek wordt opgemerkt dat de toepassing van de richtlijn in sommige gevallen wordt gebruikt om van gezinshereniging te doen afzien. Het CvdR onderstreept in dat verband dat de regeling voor gezinshereniging niet mag worden gezien als een middel om de migratiestromen aan banden te leggen, een probleem dat bij de wortel en op een andere wijze moet worden aangepakt. Specifieke doelstellingen van gezinshereniging zijn echter een betere integratie van legale migranten en de eerbiediging van het recht op een gezin, een recht dat door alle handvesten wordt bekrachtigd.

8.

Het recht van eenieder om in gezinsverband te leven, alsook het recht én de plicht van eenieder om zijn of haar kinderen te onderhouden, op te voeden en groot te brengen (en dus om zijn of haar kinderen bij zich te houden) zijn grondrechten en -plichten die los staan van nationaliteit. Daaraan wordt erkenning gegeven in tal van verschillende nationale en internationale teksten die in dit opzicht eensluidend zijn. Zo staat in artikel 16 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) dat „Het gezin … de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij [is]” en „recht [heeft] op bescherming door de maatschappij en de Staat”, terwijl het recht op een gezin in artikel 9 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn beslag krijgt als volwaardig grondrecht.

9.

In beleid om de immigratiestromen in goede banen te leiden, moeten die rechten onverkort worden meegenomen, overeenkomstig de vonnissen van de gerechtshoven van Straatsburg en Luxemburg, die zich hierover bij herhaling onomwonden hebben uitgesproken.

10.

Bovendien mogen alle gevolgen die gezinshereniging in de praktijk heeft, niet over het hoofd worden gezien. In de richtlijn staat al dat gezinshereniging bijdraagt tot een sociaal-culturele stabiliteit die inburgering vergemakkelijkt en bevorderlijk is voor de sociaaleconomische samenhang, wat alleen maar voordelen oplevert voor de lokale overheden die immigranten en hun gezinnen ontvangen. Ook moet worden ingezien dat de toepassing van het recht op gezinshereniging een kwaliteitssprong is voor migratiebeleid. Immers, maatregelen in het kader van migratiebeleid getuigen van meer rijpheid als er aandacht is voor stabilisering als onmisbaar middel om te komen tot de effectieve sociaaleconomische integratie van immigranten in hun gastland. Ook is dit een doorslaggevende en concrete stap vooruit, omdat op die manier wordt bijgedragen tot de inperking van illegale immigratie en de terugdringing van gevaarlijke vormen van sociale uitsluiting.

11.

In alle Europese grondwetten wordt het gezinsverband aangemerkt als een bron van specifieke verplichtingen om zich, zowel in economisch als in sociaal opzicht, solidair te tonen. Recht doen aan dit gezinsverband in het geval van migranten door de erkenning van hun recht op gezinshereniging steviger te onderbouwen, is met andere woorden een doelgericht middel om buitenlanders het besef bij te brengen dat de talrijke (administratieve en organisatorische) verplichtingen die hun worden opgelegd, niet domweg voortvloeien uit repressief beleid of politionele maatregelen, maar onderdeel zijn van een ruimer plan, nl. om de samenleving als geheel te ontwikkelen, een ontwikkeling waaraan ook immigranten geacht worden actief bij te dragen. Dat laatste houdt in dat niet alleen rechten worden opgeëist, maar dat ook plichten worden aanvaard die invulling geven aan de beginselen van loyaliteit tussen burgers en verantwoordelijkheid voor anderen.

12.

Tegen deze achtergrond moet de aandacht vooral uitgaan naar de bescherming van het zogenoemde „kerngezin”, waarop de richtlijn al voornamelijk is gericht. Binnen dit referentiekader moet met name worden gekeken naar het recht op gezinshereniging voor minderjarige kinderen, die aanspraak kunnen maken op specifieke en een nog grotere bescherming. Wat de andere vormen betreft die het begrip „gezin/familie” kan aannemen naar gelang van het herkomstland van een migrant, is het aan iedere lidstaat om zich hierover - per geval of in het kader van een algemene regeling - een oordeel te vormen. Mocht de Commissie, na overleg, echter tot de conclusie komen dat er een gemeenschappelijke EU-definitie van het begrip „gezin/familie” moet worden goedgekeurd, dan moet die definitie wel stroken met de definities die al voor andere EU-instrumenten worden gehanteerd.

13.

Gezien het belang van die beginselen en de invulling die aan het begrip „gezin/familie” moet worden gegeven, is het niet zinvol om de ruimte die de lidstaten in de richtlijn en later ook in het Verdrag van Lissabon wordt gelaten om zich daarover zelf een oordeel te vormen, beduidend in te perken. Dit neemt niet weg dat de lidstaten, als ze daartoe in de praktijk overgaan, steeds de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit in acht moeten nemen, die beide van toepassing zijn. De toepassing van die beginselen impliceert niet alleen dat de lokale en regionale overheden meer het initiatief wordt gelaten als het gaat om methoden om de integratie van migranten te bevorderen, maar ook dat aan die overheden een stabiel en rechtszekerheid biedend referentiekader wordt verschaft.

II.   VRAGEN UIT HET GROENBOEK

Het begrip „gezin” en de eisen die aan een gezinsverband worden gesteld

14.

Alle onderdanen van landen buiten de EU die wettelijk in de EU verblijven, genieten het recht op gezinshereniging, maar dat de lidstaten van de EU aan dit recht voorwaarden willen verbinden, is begrijpelijk. Alleen moet de geest van de richtlijn - ofwel het doel daarvan: de vergemakkelijking van de integratie en de stabilisering van immigranten - daarbij onverlet worden gelaten.

15.

Zoals de richtlijn nu is geformuleerd, kan rechtsonzekerheid of onzekerheid bij de interpretatie ervan niet worden uitgesloten. Overwogen moet worden om in EU-verband vast te leggen hoe lang iemand al minimaal in een lidstaat moet hebben verbleven om aan het stabiliteitsvereiste voor het recht op gezinshereniging te voldoen, om met cirkelmigratie vergelijkbare modellen in te voeren voor personen die deelnemen aan een programma voor vrijwillige terugkeer.

16.

In de regel zou de minimale leeftijd van de echtgeno(o)t(e) om voor gezinshereniging in aanmerking te komen, moeten worden bepaald op de leeftijd waarop volgens de wetgeving van het gastland de meerderjarigheid wordt bereikt, waarbij die leeftijd alleen in uitzonderingsgevallen naar beneden toe kan worden bijgesteld. Als daarvan wordt uitgegaan, worden de voorzieningen zo veel mogelijk gelijkgetrokken en wordt discriminatie op grond van leeftijd zo veel mogelijk tegengegaan.

17.

De twee uitzonderingen die op het recht op gezinshereniging van minderjarige kinderen worden gemaakt (lid 1, laatste alinea, en lid 6 van artikel 4), komen in de praktijk nauwelijks voor en zouden dan ook kunnen worden geschrapt. Hoe dan ook verdient het aanbeveling om bij besluiten hierover altijd het belang van het kind en van de bescherming van de rechten van minderjarigen voorop te stellen. Om dezelfde redenen zou het recht op gezinshereniging van minderjarige kinderen ook moeten worden uitgeoefend als de ouders niet getrouwd zijn, al was het maar om discriminatie tussen natuurlijke en wettige kinderen te voorkomen.

18.

De lidstaten zou ruimte moeten worden gelaten om zich zelf een oordeel te vormen over de facultatieve clausule inzake andere gezins- of familieleden dan de echtgeno(o)t(e), de geregistreerde partner of de kinderen. Daarentegen wordt in de richtlijn niets geregeld voor de consequenties voor gezins- of familieleden als het huwelijk nietig wordt verklaard, als de wettig in een lidstaat verblijvende gezinshereniger komt te overlijden, in scheiding gaat, de lidstaat verlaat of als zijn vaderschap met succes wordt aangevochten. Dit zou wel moeten worden gedaan.

Maatregelen voor de integratie van immigranten

19.

De ervaring die al met bepaalde maatregelen (maatregelen „vóór vertrek” en maatregelen in het gastland) is opgedaan, zou aan een preventieve doelmatigheidscontrole moeten worden onderworpen. Op grond van deze eerste screening beveelt het CvdR echter aan om geen maatregelen „vóór vertrek” te nemen die voor gezinsleden van een gezinshereniger problemen kunnen opleveren (vanwege analfabetisme, materiële kosten en de lange afstand tot steden, waardoor zij feitelijk zijn uitgesloten van het recht op gezinshereniging). Bovendien zouden verplichte taalcursussen (en/of cursussen „burgerschap” en/of geschiedenis en „maatschappijleer”) na aankomst in het gastland gratis moeten worden aangeboden om discriminatie tussen arme en rijke immigranten te voorkomen. Ook moeten die cursussen concreet worden ingevuld door o.a. gebruik te maken van de „Europese integratiemodules”.

Wachttijd en opnamecapaciteit

20.

Als er aan de in een lidstaat verblijvende immigrant andere materiële voorwaarden worden gesteld (huisvesting, een ziektekostenverzekering, een toereikend vast inkomen), dan zouden die voorwaarden moeten stroken met het beginsel van evenredigheid en niet mogen uitmonden in willekeurige beperkingen. De lidstaten zouden voor de toepassing van de richtlijn een regeling moeten treffen waardoor voor de vaststelling of al dan niet aan die voorwaarden is voldaan, criteria worden gehanteerd die zowel objectief als natrekbaar zijn. Dergelijke criteria verdienen de voorkeur boven algemene voorschriften die naar willekeur restrictief kunnen worden uitgelegd.

21.

De „opnamecapaciteit van een lidstaat” zou moeten worden geschrapt als criterium voor de toestemming voor gezinshereniging. Immers, een dergelijke maatstaf komt overeen met een extra middel om de migratiestromen in de hand te houden, wat haaks staat op de beginselen van het EU-recht.

22.

De duur van de verblijfsvergunning van de gezinsleden van de gezinshereniger zou moeten worden afgestemd op die van de verblijfsvergunning van de gezinshereniger zelf. Daarbij zou in geval van deelname aan programma's voor vrijwillige terugkeer de mogelijkheid moeten worden overwogen om voor oplossingen te kiezen die stroken met de modellen voor cirkelmigratie.

Asielgerelateerde vraagstukken

23.

Wat onderdanen van landen buiten de EU die in de EU bijzondere bescherming genieten (asielrecht, vluchtelingenstatus, subsidiaire bescherming), betreft, moeten de verschillende statussen, overeenstemming met het Programma van Stockholm, worden behandeld op grond van specifieke en autonome regels waarin rekening wordt gehouden met elke specifieke situatie (bijvoorbeeld omdat het voor betrokkene moeilijk is om de gevraagde informatie te verstrekken of bewijsstukken te leveren). De richtlijn waarin gezinshereniging in het algemeen is geregeld, zou dus niet moeten worden toegepast op de gezinsleden van buitenlanders die bepaalde vormen van bescherming krijgen. Voor dergelijke gezinsherenigingen, en ook voor gezinsbanden die kunnen zijn aangegaan nadat betrokkene op het grondgebied van het gastland is aangekomen, zou een op zich staande regeling moeten worden getroffen.

Fraude, misbruik en procedurele kwesties

24.

Sommige lidstaten hebben besloten om DNA-testen in te voeren als middel om biologische kinderen te identificeren. Tenzij met de grootste behoedzaamheid uitgevoerd, kan met die testen het beginsel van evenredigheid worden geschonden, alsook grondrechten zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het gezinsleven (artikel 8 van het EVRM).

25.

De vrees bestaat dat fraude wordt gepleegd in de vorm van schijnhuwelijken. De Commissie en/of de lidstaten zouden moeten kwantificeren wat de reële omvang van dit fenomeen is. Zolang er nog geen verifieerbare cijfers zijn, zou het dienstig zijn in alle lidstaten gerichte studies te verrichten om de realiteit nauwkeuriger in kaart te brengen en goede praktijken om dergelijke problemen het hoofd te bieden, te bevorderen.

26.

Het kan voorkomen dat lidstaten de door de aanvrager van gezinshereniging te dragen administratieve kosten kunstmatig verhogen om de toegang tot hun grondgebied naar willekeur aan banden te leggen, wat volkomen indruist tegen het beginsel van evenredigheid, volgens welke de middelen op het doel moeten zijn afgestemd: het doel moet zijn dat de uitoefening van het recht op gezinshereniging wordt bevorderd, en niet tegengewerkt. Daarom zou de lidstaten moeten worden gevraagd om de uitgaven voor de gezinshereniger op een hoogte vast te stellen waardoor de werking van de richtlijn niet de facto op losse schroeven wordt gezet.

27.

De lidstaten moet worden geadviseerd om zich te houden aan de in de richtlijn vastgelegde niet-verlengbare termijn waarbinnen het besluit over de gezinsherenigingsaanvraag moet worden genomen. Procedures die in afwijking daarvan door een lidstaat worden toegepast, met als gevolg dat die termijn tot in het onredelijke toe wordt opgerekt, zijn een obstakel voor de onverkorte toepassing van de richtlijn.

Naleving van de horizontale clausules

28.

Gezien de moeilijkheden die er naar verluidt zijn om zich aan de twee horizontale clausules van de richtlijn te houden, zou de Commissie gebruik moeten maken van alle instrumenten en maatregelen die in de Verdragen zijn voorzien om bij de lidstaten de onverkorte naleving van het EU-recht af te dwingen.

III.   SLOTOPMERKINGEN

29.

Het CvdR pleit voor meer betrokkenheid van lokale overheden in een stelsel van multilevel governance. Aan die voorwaarde moet beslist worden voldaan, omdat een samenhangend immigratiebeleid waarmee de grondrechten worden nageleefd en het welzijn van gastgemeenschappen en immigranten wordt verhoogd, anders niet mogelijk is. Tal van Europese regio's en leefgemeenschappen vervullen een voorbeeldfunctie als het gaat om de integratie van immigranten en heel wat halfslachtigheden in het recht van de lidstaten (waarin aan de richtlijn een concrete uitleg moet worden gegeven) worden in de praktijk opgehelderd door de lokale overheden. Er moet op dit gebied zo veel mogelijk informatie worden bijeengebracht. Het CvdR is dan ook zonder meer bereid om samen met de lidstaten en de overige instellingen van de EU de op lokaal en regionaal niveau beschikbare gegevens en voorbeelden van geslaagde methoden te verzamelen en te verspreiden.

Brussel, 3 mei 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


27.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/11


Advies van het Comité van de Regio's — De herziening van het EU-beleid inzake luchtkwaliteit en emissies

2012/C 225/03

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

concludeert dat de trend, die een verminderde verbetering van de luchtkwaliteit laat zien, in belangrijke mate het gevolg is van te weinig ambitieus EU-bronbeleid en te weinig nationale maatregelen. Er is een grote last en verantwoordelijkheid bij lokale en regionale overheden neergelegd om de problemen op te lossen. Er is een multilevelbenadering nodig waarbij elke bestuurslaag (Europees, nationaal, regionaal en lokaal) haar verantwoordelijkheid moet nemen en die maatregelen neemt die door de desbetreffende bestuurslaag kunnen en moeten worden genomen;

onderstreept dat samenhang tussen het immissie- en het emissiebeleid van de EU essentieel is. Dat houdt in dat de ambitieniveaus van de maatregelen op elkaar moeten worden afgestemd en dat de tijdspaden voor de uitwerking van het EU-bronbeleid en het immissiebeleid synchroon moeten lopen;

pleit voor een versterking van het EU-emissiebeleid, m.n. via een ambitieuze herziening van de richtlijn inzake nationale emissieplafonds (NEC), zodat de achtergrondconcentraties kunnen worden teruggedrongen. Ook moeten de EURO-normen voor voertuigen inzake NO2/NOx en fijn stof en de emissie-eisen voor deeltjes en mobiele bronnen worden aangescherpt. Ten slotte moet de kloof worden gedicht tussen de EU-normen voor de uitstoot van voertuigen en de huidige „real world”-emisssies, en moeten de uitstoot van de scheep- en luchtvaart en de ammoniakuitstoot van de landbouw worden aangepakt;

dringt erop aan dat in het kader van de herziening van de richtlijnen betreffende luchtkwaliteit (2008/50/EG en 2004/107/EG) het aantal stoffen en het aantal streef –en grenswaarden worden verminderd. Dit kan worden bereikt door zich te concentreren op de meest vervuilende stoffen en op de indicatoren die de gezondheidsaspecten het beste weergeven. Er moet worden nagegaan of deeltjesconcentratie en EC/roet betere indicatoren zijn en hoe zij in de richtlijn kunnen worden opgenomen; daarnaast moet worden gekeken naar het gebruik van jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 op basis van meerjarige gemiddelde concentraties. Ten slotte moet de mogelijkheid van verlenging (extra derogatie) voor het verlagen van de NO2-niveaus in bepaalde gevallen worden uitgebreid, en moeten er meer specifieke regels komen met betrekking tot de plaatsing van meetstations, zodat de gegevens beter vergelijkbaar zijn.

Rapporteur

Cor LAMERS (NL/EVP), Burgemeester van Houten

Referentiedocument

Brief van de vicevoorzitter van de Europese Commissie van 19 juli 2011

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

A.    Algemene opmerkingen

1.

Is bekend met het voornemen van de Europese Commissie om in 2013 een volledige herziening van het Europese luchtkwaliteitbeleid te presenteren met nieuwe langetermijndoelstellingen voor de periode na 2020. Dit voornemen betreft de volgende zeer uitgebreide herziening:

de herziening van de Thematische Strategie inzake luchtverontreiniging (COM(2005) 446 final);

een aanscherping van het EU bronbeleid;

de samenvoeging van de volgende richtlijnen in één richtlijn:

de herziening van de richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (2008/50/EG en 2004/107/EG);

de herziening van de richtlijn inzake nationale emissieplafonds (Richtlijn 2001/81/EG).

2.

Heeft waardering voor het verzoek van de Europese Commissie voor een verkennend advies van het Comité over de toekomst van het EU-luchtkwaliteitbeleid.

3.

Geeft aan dat in het advies (1) - omdat het een verkennend advies tijdens de expertfase van het EU-besluitvormingsproces betreft - zowel bestuurlijk/politieke als technische aspecten (aanbevelingen voor wetgeving en procesvoorstellen) worden gepresenteerd.

4.

Stelt vast dat in zowel stedelijke als landelijke gebieden de luchtkwaliteit het dagelijks leven en de gezondheid van burgers beïnvloedt. Volksgezondheid en het milieu dienen centraal te staan bij de verbetering van de luchtkwaliteit. Tegelijkertijd moet gestreefd worden naar evenwicht tussen economische ontwikkeling en de aanpak van luchtverontreiniging. Een betere bescherming van het milieu en de volksgezondheid kan ook de economie stimuleren en de economische kosten van gezondheidsproblemen omlaag brengen.

5.

Is verheugd dat de luchtkwaliteit in Europa sterk is verbeterd als gevolg van een combinatie van het EU- luchtkwaliteitbeleid en het beleid en de maatregelen van de lidstaten (nationale, regionale en lokale bestuurslagen). De laatste twee decennia laten een stijgende trend zien. Echter de recente afname van de stijgende lijn verontrust het Comité.

6.

Geeft aan dat luchtverontreiniging in stedelijke agglomeraties de grootste problemen en knelpunten veroorzaakt. Ondanks alle lokale en regionale maatregelen kunnen veel Europese steden niet tijdig voldoen aan de normen voor fijn stof (PM10 en PM2,5) en NO2, waardoor een groot deel van de Europeanen in gebieden woont met voor de gezondheid schadelijke concentraties van luchtverontreiniging.

7.

Ook plattelandsgebieden en voorsteden krijgen te maken met luchtverontreiniging, wat aanzienlijke gevolgen heeft voor het milieu, de landbouw en de leefomgeving.

8.

Stelt dat de luchtverontreiniging moet worden teruggedrongen, maar dat tegelijkertijd een adequaat sociaal en economisch functioneren van onze steden gewaarborgd moet blijven. In de meeste lidstaten is het gemotoriseerde passagiers- en goederenvervoer (dat hoofdzakelijk rijdt op diesel en benzine) een van de belangrijkste directe veroorzakers van knelpunten van luchtverontreiniging NO2. Een krachtiger aanpak is geboden, zowel wat de emissienormen als het verkeersbeleid betreft.

9.

Is van mening dat de kernvraag bij de herziening van het EU-luchtkwaliteitbeleid moet zijn de wijze waarop (dat wil zeggen met welk type wetgeving en welke maatregelen) de EU-wetgeving in een verbetering van de luchtkwaliteit kan resulteren. Hiervoor zijn tenminste de volgende aspecten belangrijk: multilevel-governanceaanpak, een integrale benadering en de feitelijke realisatie van de EU-wetgeving in de Europese steden. Er moet prioriteit aan de uitvoerbaarheid van de EU-richtlijn en de uitvoeringsproblemen in steden en regio’s worden gegeven.

10.

Stelt dat governance een belangrijk aspect van de totstandkoming van de nieuwe EU-luchtkwaliteitswetgeving moet zijn. Luchtverontreiniging heeft grensoverschrijdende en nationale dimensies en vereist daarom actie op alle bestuurslagen (Europees, nationaal, regionaal en lokaal). Het Comité beveelt een multilevelbenadering aan waarbij elke bestuurslaag haar verantwoordelijkheid neemt en die maatregelen neemt die door de desbetreffende bestuurslaag het beste kunnen en moeten worden genomen.

11.

Onderstreept een integrale benadering bij de totstandkoming van nieuwe EU-wetgeving. Verontreiniging moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Het is essentieel dat de oorzaken van verontreiniging worden geïdentificeerd en dat de emissies worden behandeld aan de bron, op de meest economisch-effectieve en milieuvriendelijke manier.

12.

Stelt dat de verbetering van de volksgezondheid om een ambitieus EU luchtkwaliteitsbeleid vraagt. Echter een immissiebeleid met EU-grenswaarden voor vervuilende stoffen kan niet zonder een effectief emissiebeleid met EU- bronmaatregelen. Het ambitieniveau van de herziene richtlijn moet daarom zorgvuldig worden afgestemd op het ambitieniveau van de nationale emissieplafonds en het EU-emissiebeleid (bronbeleid). In dit verband is het Comité van mening dat de samenvoeging van de richtlijnen luchtkwaliteit (2008/50/EG en 2004/107/EG) met de herziening van de richtlijn inzake nationale emissieplafonds (2001/81/EG) de afstemming van de verschillende ambitieniveaus zal bevorderen.

B.    De Thematische Strategie Luchtkwaliteit en de implementatie in de Lidstaten

De Thematische Strategie

13.

Is van mening dat de Thematische Strategie inzake luchtverontreiniging een bijdrage heeft geleverd aan het verminderen van de blootstelling van burgers aan luchtverontreiniging en een verbetering van het milieu.

14.

Betreurt het dat niet alle bronmaatregelen die in de Thematische Strategie zijn aangekondigd ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd. De meest opvallende EU-bronmaatregelen die ontbreken zijn:

de ontwikkeling van een geïntegreerde aanpak van de stikstofkringloop;

de herziening van de richtlijn inzake nationale emissieplafonds (2001/81/EG, NEC), die belangrijk is voor de aanpak van de achtergrondconcentraties maar die helaas herhaaldelijk is uitgesteld.

De implementatie op lokaal en regionaal niveau

15.

Concludeert dat gemeenten en regio’s vele inspanningen leveren voor de verbetering van de luchtkwaliteit, door maatregelen zoals:

De bevordering van meer duurzame vormen van vervoer, zoals een efficiënter en aantrekkelijker openbaar vervoer, fietspaden, toegangsbeperkingen voor (de meest vervuilende) auto's en/of vrachtwagens (milieuzone’s) en de bevordering van schone(re) auto’s middels bijvoorbeeld preferentiële toegang en/of het parkeerbeleid.

Verbetering op het gebied van het vervoersmanagement, een betere doorstroming, via snelheidsbeperkingen en via de ontwikkeling van innovatieve logistieke concepten voor de levering van goederen in binnensteden.

Voorkomen van opwervelend stof door verbeterde wegbedekking en het verbod op het gebruik van spijkerbanden op binnenstedelijke straten.

Infrastructuur en bebouwing zoals: lokale verwarmingverordeningen (indien de nationale wetgeving dit toelaat), vermindering van de emissies door de productie van ruimteverwarming, de bevordering van stadsverwarming, de modernisering van verwarmingsinstallaties, het creëren van meer ruimte tussen wegen en behuizing, de verhoging van het volume van groene ruimten. Bij dit laatste punt moet worden opgemerkt dat groene ruimten langs straten en bermen (isolatiegroen) weinig effect hebben. Alleen grote groene oppervlakten, zoals parken en bossen, hebben aantoonbare meerwaarde.

16.

Stelt vast dat het Europese beleid, op alle niveaus, voortaan met name op een vermindering van de verkeershoeveelheid en een aanpassing, zowel in geografische als in sectorale zin, van het gemotoriseerd personen- en vrachtverkeer moet worden gericht. Er zij echter op gewezen dat door dergelijke maatregelen alléén niet aan de normen voor PM10 en PM2,5 en NO2 kan worden voldaan. De belangrijkste reden hiervoor zijn drie categorieën van belemmeringen: beperkte invloed, beperkte mogelijkheden en beperkte beleidsruimte (zie paragrafen 17, 19 en 22);

17.

Is van mening dat individuele lokale en regionale overheden slechts een geografische beperkte invloed op de verbetering van de lokale luchtkwaliteit hebben (eerste categorie belemmeringen). Lokaal en regionaal beleid richt zich op de vermindering van emissies van plaatselijke bronnen, terwijl vooral een groot deel van de lokale concentraties van PM10, PM2,5 en ozon juist het gevolg is van grensoverschrijdende en/of bovenregionale emissies.

18.

Stelt vast dat de waargenomen hoge achtergrondconcentraties van luchtverontreinigende stoffen en de vaak tekortschietende omzetting en herziening van de richtlijn inzake nationale emissieplafonds (2001/81/EG), een beperkende invloed hebben op de slaagkansen van maatregelen van lokale en regionale overheden om aan de EU-luchtkwaliteitsnormen te voldoen. Alle emissies bij elkaar (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal) leiden tot de zogenaamde achtergrondconcentraties. Deze achtergrondconcentraties kunnen dusdanig hoog zijn dat er op lokaal niveau maar een kleine verontreiniging hoeft plaats te vinden om de grenswaarden te benaderen of te overschrijden. In zulke gevallen is de beïnvloedingsruimte van de steden en regio’s in kwestie natuurlijk zeer beperkt.

19.

Concludeert dat lokale en regionale overheden beperkte mogelijkheden hebben met betrekking tot het treffen van maatregelen (tweede categorie belemmeringen). Stedelijk beleid richt zich op mobiliteit, de ruimtelijke ordening en op het nemen van specifieke maatregelen voor het oplossen van de zogenaamde hotspots. Decentrale overheden kunnen bijna geen effectieve maatregelen nemen die gebaseerd zijn op de kenmerken van de bron.

20.

Brengt naar voren dat lokale en regionale overheden bij de opstelling van hun luchtkwaliteitbeleid hebben geanticipeerd op de voordelen die zouden volgen op de invoering van EU-brede bronmaatregelen. Achteraf moet worden geconcludeerd dat een te weinig ambitieus bronbeleid - dat bovendien niet altijd heeft geleid tot het beoogde effect op de Europese wegen (zie deel D) – grotendeels debet is aan overschrijding van grenswaarden op lokaal en regionaal niveau.

21.

Stelt vast dat een verdergaande verlaging van lokale concentraties met alleen lokale maatregelen een grote invloed op het dagelijks leven kan hebben en aanzienlijke kosten met zich meebrengt. Deze vergen financiële middelen waarover gemeenten en regio’s vaak niet beschikken en waarvoor zij niet in alle lidstaten formeel bevoegd zijn. Bovendien is internationaal en Europees bronbeleid veel kosteneffectiever.

22.

Stelt vast dat lokale en regionale overheden beperkte bevoegdheden hebben (derde categorie belemmeringen). Helaas worden in veel lidstaten ondersteunende maatregelen op nationaal niveau niet – of niet in voldoende mate - genomen, wat de armslag van de lokale en regionale overheden nog meer beperkt. Bijvoorbeeld niet elke lidstaat heeft een nationaal luchtkwaliteitsplan opgesteld. Er wordt meestal niet gekozen voor een geïntegreerde aanpak van de luchtkwaliteit die bindend is voor alle overheidslagen. Ook bestaan er gevallen waarin de nationale overheid lokale en regionale besturen afraadt of zelfs belemmert om aanvullende of strengere maatregelen te nemen. In een aantal lidstaten zijn lokale overheden bijvoorbeeld niet bevoegd tot invoering van lage emissie zones, maar is dit voorbehouden aan nationale overheden. Ook de EU interne marktregels vormen een belemmering voor lokale en regionale beleidsopties. Het vrij verkeer van goederen en personen wordt immers door de invoering van grote milieuzones (bijvoorbeeld regionale milieuzones) en het afsluiten van wegen en bruggen belemmerd. Ook het landelijk weren van vervuilende voertuigen is om deze reden onmogelijk.

23.

Geeft aan dat in verschillende lidstaten nationale wetgeving wordt voorbereid waarmee de financiële boetes van EU-ingebrekestellingen kunnen worden verhaald op gemeenten en regio’s. Decentrale overheden zijn gehouden aan de realisatie van de grenswaarden met de beperkte mogelijkheden en middelen waarover zij beschikken. De Europese en de nationale bestuursniveaus beschikken over veel ruimere en effectievere mogelijkheden en middelen. Daarom moeten - op het moment dat grenswaarden niet worden gehaald - de lidstaten verantwoordelijk blijven voor het betalen van de geldboeten. Het Comité acht elke „overdracht” van boetes aan lokale en regionale overheden onrechtvaardig en verzet zich daartegen.

Een multilevel-governanceaanpak

24.

Concludeert dat de trend, die een verminderde verbetering van de luchtkwaliteit laat zien, in belangrijke mate het gevolg is van te weinig ambitieus EU-bronbeleid en te weinig nationale maatregelen. Er is een grote last en verantwoordelijkheid bij lokale en regionale overheden neergelegd om de problemen op te lossen.

25.

De lidstaten stemmen hun maatregelen om luchtverontreiniging tegen te gaan niet voldoende op elkaar af. Zo hanteren buurlanden verschillende alarm- en informatiedrempels, zijn er geen regels voor de manier waarop de lidstaten bij verontreinigingspieken in real time informatie kunnen uitwisselen en ontbreekt het aan gecoördineerde actieplannen voor grensgebieden waar sprake is van zware verontreiniging.

26.

Onderstreept dat de luchtkwaliteitsproblemen niet door één enkele bestuurslaag kunnen worden opgelost, noch dat het EU-beleid door één bestuurslaag kan worden uitgevoerd. Er is een multilevelbenadering nodig waarbij elke bestuurslaag (Europees, nationaal, regionaal en lokaal) haar verantwoordelijkheid moet nemen en die maatregelen neemt die door de desbetreffende bestuurslaag kunnen en moeten worden genomen.

27.

Geeft aan dat lokale en regionale overheden voor een deel afhankelijk zijn van nationale en internationale bronmaatregelen die door vermindering van de uitstoot bijdragen aan het substantieel verlagen van de achtergrondconcentraties. Lokale en regionale overheden kunnen aan de hand hiervan weer eigen beleid formuleren, bijvoorbeeld in de vorm van aanscherping van de toegangseisen van milieuzones.

28.

Is van mening dat de implementatie van luchtkwaliteitwetgeving niet alleen een kwestie van juridische implementatie is (de omzetting in nationale wetgeving). Indien de interne staatsinrichting van de lidstaat het mogelijk maakt, beveelt het Comité de opstelling van nationale en/of federale luchtkwaliteitplannen en/of reductieprogramma’s aan met een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak waarin rekening wordt gehouden met de transnationale aspecten van het te bestrijden fenomeen. Het Comité is een voorstander van een multilevelaanpak en wijst op de oprichting van interbestuurlijke teams in de lidstaten waarin experts van de verschillende overheidslagen gezamenlijk nationale plannen en programma's opstellen (2). Hierdoor wordt de integraliteit en de afstemming tussen de nationale en/of federale, regionale en lokale maatregelen bevorderd.

29.

Spreekt zijn waardering uit voor de inspanningen van de Europese Commissie inzake het onder de aandacht brengen van best practices bij lokale en regionale overheden en verzoekt om voortzetting van dit beleid.

30.

Geeft aan dat coherentie en synergie met de ontwikkelingen op internationaal niveau belangrijk zijn en wijst erop dat de emissieplafonds in het herziene Protocol van Göteborg een noodzakelijke aanvulling moeten zijn op de herziening van de EU-richtlijn inzake nationale emissieplafonds (2001/81/EG).

C.    Samenhang en synergie tussen het EU emissie- en het EU immissiebeleid

Een integrale benadering  (3)

31.

Is van mening dat samenhang en synergie tussen de maatregelen ten aanzien van de verschillende vervuilende stoffen belangrijk is. Een integrale benadering van het EU-luchtkwaliteitbeleid met andere beleidsterreinen - met name klimaat, industrie, transport, huisvesting en energie - is hiervoor essentieel. Verduurzaming van het transportbeleid en de introductie van duurzame vormen van energieproductie en -consumptie kunnen leiden tot een aanzienlijke vermindering van de luchtverontreiniging.

32.

Betreurt het dat de synergie tussen de maatregelen regelmatig ontbreekt. Maatregelen met een positief effect in één opzicht kunnen in een ander opzicht negatieve gevolgen hebben. Het toegenomen gebruik van biomassa – zoals biodiesel in kleinschalige installaties – kan bijvoorbeeld leiden tot een verhoogde uitstoot van roet en dit vormt een risico voor de luchtkwaliteit en de volksgezondheid. De toename van door diesel aangedreven voertuigen kan resulteren in een vermindering van de CO2-uitstoot, maar heeft een negatief effect op de uitstoot van fijn stof. Emissiereductietechnieken voor fijn stof kunnen op hun beurt negatieve effecten hebben op de NO2-uitstoot van dieselaangedreven voertuigen, waardoor de dalende trend van NO2 concentraties wordt (en is) vertraagd. Een versterkte beleidsintegratie moet dergelijke negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen en geadviseerd wordt om daarbij te streven naar een „win win”-situatie voor alle betrokken beleidsterreinen of ten minste criteria vast te leggen aan de hand waarvan kan worden beslist welke doelstelling voorrang moet krijgen.

33.

Het is aan te bevelen om het beleid ter verbetering van de luchtkwaliteit te laten aansluiten op het beleid ter bevordering van het gebruik van alternatieve energiebronnen. Het gebruik van alternatieve energiebronnen (installaties voor het benutten van aardwarmte, zonnecollectoren e.d.) kan in aanzienlijke mate bijdragen tot een verbetering van de luchtkwaliteit.

34.

Wijst erop dat onvoldoende is gezorgd voor aansluiting tussen beleidsmaatregelen tegen de klimaatverandering en beleidsmaatregelen voor een betere luchtkwaliteit. Luchtkwaliteitbeleid heeft in het algemeen een positieve invloed op de aanpak van klimaatverandering. Echter invloed van klimaatbeleid op de luchtvervuiling is gelimiteerd. Het klimaatbeleid kent namelijk een eigen dynamiek en ook een eigen tijdlijn. De focus van het klimaatbeleid is meer gericht op de lange termijn, in tegenstelling tot het luchtkwaliteitbeleid, dat gericht is op de korte en middellange termijn.

35.

Is van mening dat luchtkwaliteit en het beleid inzake omgevingslawaai een zeer hoog potentieel voor synergie hebben, vooral wanneer verkeersvermindering kan worden bereikt, en dat ook hier gestreefd moet worden naar een „win win”-situatie voor beide beleidsterreinen (4).

36.

Pleit ervoor dat de opsporing van emissies en immissies wordt uitgebreid met zgn. „integrated monitoring”. Zulke monitoring betekent dat de opsporing en evaluatie van emissies op elkaar worden afgestemd, het stoffenpalet wordt uitgebreid, op voorwaarde dat afdoende is aangetoond dat de stoffen in kwestie werkelijk nadelig zijn voor de menselijke gezondheid of het milieu, of, als het gaat om evaluatie, deze beperkt blijft tot toezicht via modellen, verspreidingsmodellen worden gebruikt en de blootstelling en impact in ruimte en tijd worden geanalyseerd. Op uitdrukkelijke voorwaarde dat dit niet leidt tot een te grote administratieve lastenverzwaring.

De verbinding tussen het EU-emissiebeleid- en het EU- immissiebeleid

37.

Onderstreept dat samenhang en synergie tussen immissiebeleid (EU-grenswaarden) en emissiebeleid (EU-bronmaatregelen) essentieel is. Immissies zijn immers het gevolg van emissieniveaus, de locatie van de emissies en de transmissie c.q. verspreidingscondities. Bovendien kan reductie van de immissies (concentratieniveaus) het meest effectief worden bewerkstelligd door een ambitieus emissiebeleid.

38.

Concludeert dat het ambitieuze immissiebeleid van de EU niet automatisch heeft geleid tot een ambitieus emissiebeleid van de EU, zodat beide beleidsterreinen nu niet met elkaar in evenwicht zijn. De implementatieproblemen in vele Europese steden (zie deel B) en de vertragingen in de verbetering van de luchtkwaliteit zijn dan ook grotendeels te wijten aan de „mismatch” tussen het EU-immissiebeleid en het EU-emissiebeleid. Om het evenwicht te herstellen moet hieraan dan ook aandacht worden besteed bij toekomstige beleidsontwikkelingen en bij maatregelen op dit gebied:

a)

Het ambitieniveau van de luchtkwaliteitrichtlijn is vooralsnog niet gelijkwaardig aan het ambitieniveau en het praktische resultaat van de EU-bronmaatregelen (zie deel D); deze niveaus moeten daarom op elkaar worden afgestemd.

b)

De tijdspaden van het EU-immissie- en emissiebeleid lopen niet synchroon. De lidstaten moeten eerder voldoen aan de luchtkwaliteitnormen dan het tijdstip waarop de ambitie voor bijvoorbeeld de EURO normen op de Europese wegen daadwerkelijk wordt gerealiseerd. De effecten van de EURO normen (emissiewaarden) zijn pas na enige jaren merkbaar en meetbaar. EURO-normen zijn per definitie alleen van toepassing op een klein deel van het wagenpark: nieuwe voertuigen. Nieuwe emissienormen hebben alleen effect als oudere voertuigen worden vervangen en de vervanging van het wagenpark (en daarmee de doorwerking van nieuwe normen) neemt meerdere jaren in beslag („real-world”- verbeteringen).

c)

Het Comité verzoekt de Europese Commissie om in de herziene Thematische Strategie aan te geven welke tijdsduur de vervangingscyclus van de aangekondigde bronmaatregelen nodig heeft, dat wil zeggen aan te geven wanneer na de invoering van de bronmaatregelen kan worden voldaan aan de grenswaarden in de „real-world”- omstandigheden. Ook is het belangrijk om een inschatting te maken van de periode die nodig is voordat het wagenpark is vervangen door schonere voertuigen. Aanpassingen in het immissiebeleid zouden op de vervangingscyclus moeten worden afgestemd.

39.

Stelt vast dat nieuwe ambities met betrekking tot de gewenste luchtkwaliteit (aanscherping van de grenswaarden) realistisch en haalbaar moeten zijn en daarom hand in hand moeten gaan met (bron)maatregelen die effectief de uitstoot in heel Europa verminderen. Het EU-immissie- en het EU-emissiebeleid moeten aan elkaar worden gekoppeld. Hiervoor is noodzakelijk dat tijdens de beleidsontwikkelingsfase een gelijk ambitieniveau en gesynchroniseerde tijdspaden voor het EU-bronbeleid en EU-immissiebeleid worden ontwikkeld (zie vorige paragraaf). Ook vraagt het Comité aandacht voor de implementatiefase waarin de situatie kan ontstaan dat bepaalde in de herziene Thematische Strategie aangekondigde bronmaatregelen niet worden genomen òf in de praktijk niet resulteren in de beoogde vermindering van de uitstoot (zoals die in het emissiebeleid is vastgelegd). Het Comité stelt voor dat in een dergelijke situatie de Europese Commissie compenserende maatregelen neemt. Hiermee kan worden voorkomen dat de huidige „mismatch” tussen emissie- en immissiebeleid zich opnieuw voordoet waardoor regionale en lokale overheden wederom voor een onmogelijke opgave komen te staan.

40.

Stelt ten aanzien van de ontwikkeling van het toekomstige EU-luchtkwaliteitbeleid – vanwege de gewenste samenhang tussen immissiebeleid en emissiebeleid – het volgende tijdpad voor:

a)

De presentatie van de herziene Thematische Strategie voor luchtkwaliteit aan het begin van 2013. De Strategie kan vervolgens in 2013 worden behandeld in het EU-besluitvormingproces.

b)

De presentaties van de herziening van de luchtkwaliteitrichtlijn en de EU-bronmaatregelen aan het einde van 2013.

c)

Tussentijdse evaluatie en bijstelmogelijkheden in 2017 in relatie tot nieuwe indicatoren (zie deel E).

D.    Emissiebeleid

EU bronbeleid

41.

Stelt vast dat luchtverontreiniging voornamelijk wordt veroorzaakt door het wegverkeer, de lucht- en scheepvaart, verwarming, huishoudens, de industrie en de bio-industrie. Een ambitieus bronbeleid is dus noodzakelijk (5). Daarbij moet evenwel rekening worden gehouden met het feit dat het gemotoriseerde wegverkeer een van de belangrijkste directe veroorzakers is van de knelpunten inzake luchtverontreiniging in verstedelijkte gebieden.

42.

Is vanuit het perspectief van de luchtkwaliteit positief over het ambitieniveau van het Witboek „Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem” (COM(2011) 144 final). Echter om het voor de luchtkwaliteit noodzakelijke ambitieniveau te halen pleit het Comité voor het opstellen van een Europees actieplan met daarin tussendoelen, concrete maatregelen (zoals EU-bronmaatregelen) en evaluatiemomenten (6).

43.

Roept de EU op om systematischer dan tot nu toe niet alleen te streven naar vermindering van de emissies afkomstig van afzonderlijke mobiele of stationaire bronnen, maar ook naar vermindering van de totale hoeveelheid vervuilingsbronnen. De daarvoor vereiste kwantitatieve maatregelen zijn tot nu toe voornamelijk een zaak van gemeenten en regio's. De EU-bijdrage zou in dit verband allereerst kunnen bestaan uit de volgende maatregelen:

voorrang geven aan collectieve vervoersmiddelen i.p.v. aan individuele vervoersmiddelen bij de planning en uitbreiding van trans-Europese netwerken;

in het kader van de EU-productkwaliteit (waar tot nu toe alleen maatregelen worden genomen om de gevolgen voor gezondheid en milieu („eco-design”) van producten te verkleinen) ook streven naar vermindering van het materiaal- en energiegebruik.

44.

Is van mening dat het EU-emissiebeleid op normen (en doelbeleid met doelvoorschriften) moet worden gebaseerd, om verdere technische innovaties niet te belemmeren.

45.

Beveelt de invoering aan van preventieve bepalingen (zoals die al in de afvalstoffenwetgeving bestaan), om beschikbare middelen adequaat te benutten.

46.

De veel voorkomende overschrijdingen van NO2-grenswaarden zijn vooral te wijten aan de tekortschietende of vertraagde emissiebeperkingen (voor motorvoertuigen) door de EU. Daarom dienen de EURO-normen voor voertuigen inzake NO2/NOx en fijn stof zo snel mogelijk te worden aangescherpt. Het is belangrijk dat strikt wordt vastgehouden aan het tijdpad voor de introductie van EURO VI/6 normen.

47.

Beveelt aan dat ook emissie-eisen voor andere mobiele bronnen aangescherpt worden, zoals bv. terreinvoertuigen (off road) en filters voor reeds in gebruik zijnde voertuigen (retrofit); een andere mogelijkheid is de Europese normen voor o.m. motorfietsen aan te passen.

48.

Wijst op de marge tussen EU-wetgeving en feitelijke uitstoot van voertuigen op de weg. De EURO V/5 normen waren (en zijn) ambitieus, maar desondanks heeft deze ambitie niet geresulteerd in een sterke daling van de luchtverontreiniging. De belangrijkste reden hiervoor is dat er een marge bestaat tussen de juridische werkelijkheid van de EU-wetgeving en de feitelijke uitstoot van voertuigen op de weg. Al bij de introductie van de Euro-III vrachtauto’s werd duidelijk dat de uitstoot in real-world rijomstandigheden hoger lag dan verwacht en niet de verwachte emissiereductie opleverde. Dit probleem is wederom waargenomen met betrekking tot Euro-IV/4 en Euro-V/5 voor respectievelijk dieselvrachtwagens en diesel personenauto's en, zij het in mindere mate, met betrekking tot de NOx-emissies van personenauto's. Om een ambitie van de EU-wetgeving te realiseren moet de normstelling EURO VI/6 voor de uitstoot van voertuigen in de testcylus beter overeen komen met de praktijk uitstoot bij een gemiddelde rit in de stad.

49.

Ook wijst het Comité op het feit dat nieuw afgeleverde vrachtwagens in de praktijk regelmatig technisch worden bijgesteld, waardoor er in „real-world”-omstandigheden sprake is van meer uitstoot van stikstofoxiden en fijn stof dan op basis van de typegoedkeuringstest zou worden verwacht. Bij de introductie van de Euro VI vrachtwagens moet deze praktijk zoveel mogelijk worden voorkomen en worden beboet. Ter voorkoming van dit probleem verzoekt het Comité de Europese Commissie en de lidstaten om de wetgeving, de keuringen van vrachtwagens en inspecties hieromtrent te versterken. Ook moet worden onderzocht of dergelijke technische bijstellingen in de toekomst technisch onmogelijk kunnen worden gemaakt.

50.

Vraagt om speciale aandacht voor zware voertuigen (bussen en vrachtwagens) die in het algemeen het meest vervuilend zijn. Ook middelzware voertuigen (waaronder bestelverkeer) stoten beduidend meer NOx uit dan het gemiddelde personenvervoer. Het EU-emissiebeleid moet daarom speciale aandacht besteden aan de aanscherping van de normen van de uitstoot van deze zware en middelzware voertuigen maar ook van dieselpersonenwagens, gekoppeld aan adequate begeleidende maatregelen om commercieel vervoer in goede banen te leiden en lokaal openbaar vervoer te stimuleren en te verbeteren.

51.

Constateert dat het slijten van banden, remschijven en het wegdek alsook de resuspensie van zwevende deeltjes bijdragen aan de hoge concentraties fijn stof en beveelt aan dat in het kader van het Europese Kaderprogramma voor Onderzoek de mogelijkheden voor vermindering van deze emissies worden onderzocht. Ook stelt het Comité voor dat een handleiding met goede praktijken wordt opgesteld, waarin wordt aanbevolen hoe stof kan worden gebonden ter voorkoming dat verontreinigende stoffen opnieuw in de lucht terechtkomen.

52.

Constateert dat de industrie nog steeds een grote bijdrage levert aan de totale uitstoot in Europa. Vermindering van deze uitstoot wordt geregeld in de richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU, IED). Ambitieuze technische referentiedocumenten (BREF's) plus de conclusies daaruit zijn cruciale instrumenten om achtergrondconcentraties te verminderen. Om ook in de toekomst met de best beschikbare technieken (BAT) te kunnen werken, is het noodzakelijk dat de BREF's inclusief hun conclusies regelmatig worden herzien en ambitieus genoeg zijn om de achtergrondconcentraties in heel Europa te verlagen. Ook dient het gebruik van uitzonderingen zoveel mogelijk te worden beperkt (7).

53.

Constateert dat landbouwbedrijven een bijdrage aan de luchtverontreiniging leveren. De ammoniakuitstoot draagt in grote mate bij aan de verzuring en vermesting. Voor het halen van de natuurdoelstellingen, onder andere voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, is een verdere reductie van NH3 noodzakelijk. Vermindering van deze uitstoot wordt geregeld in de richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU, IED). Ook voor grote, min of meer industrieel producerende landbouwbedrijven is het belangrijk om in de toekomst met de best beschikbare technieken te kunnen werken en daarom is het noodzakelijk dat de technische referentiedocumenten (BREFs) regelmatig worden herzien.

54.

Stelt vast dat de invloed van de emissies van de scheepvaart op de concentraties luchtverontreinigende stoffen aanzienlijk kan zijn in havensteden en havengebieden en langs druk bevaren binnenwateren alsmede in steden en regio’s die aan de kust gelegen zijn. Het Comité dringt er bij de nationale overheden op aan dat de richtlijnen van de International Maritime Organization (IMO) in alle Europese kustwateren overgenomen worden. Voor binnenvaartschepen moeten er maatregelen komen ter reductie van de uitstoot van deeltjes en NOx.

55.

De door de luchtvaart veroorzaakte uitstoot draagt bij aan de achtergrondconcentraties van luchtverontreinigende stoffen. Het CvdR roept de EU en de nationale overheden dan ook op om de nodige maatregelen te treffen en de eisen op het gebied van de uitstoot door vliegtuigen te verscherpen.

De herziening van de richtlijn inzake nationale emissieplafonds (2001/81/EG)

56.

Onderstreept dat de richtlijn inzake nationale emissieplafonds (NEC) het instrument bij uitstek is om achtergrondconcentraties te verminderen. Grensoverschrijdende luchtverontreiniging vormt een zeer belangrijk deel van de achtergrondconcentraties in veel lidstaten en het niveau kan oplopen tot meer dan 50 % (gemiddeld over het land) voor bepaalde verontreinigende stoffen. Het Comité acht het van groot belang dat de herziening van de NEC-richtlijn ambitieus genoeg om achtergrondconcentraties in heel Europa te verlagen. Hierdoor wordt het lokale en regionale luchtkwaliteitbeleid realistisch en haalbaar.

57.

Stelt vast dat de richtlijn inzake nationale emissieplafonds een belangrijk instrument is om lidstaten te dwingen om bronmaatregelen nemen. Echter hiervoor is het noodzakelijk dat het ambitieniveau van de herziening van de NEC-richtlijn en het ambitieniveau ten aanzien van het EU-bronbeleid aansluit bij het ambitieniveau van de richtlijnen luchtkwaliteit (2008/50/EG en 2004/107/EG). Alleen bij hoge ambities op deze onderdelen is een hoge ambitie voor de richtlijnen luchtkwaliteit waar te maken. In dit verband is het Comité van mening dat de samenvoeging van de NEC-richtlijn met de richtlijnen luchtkwaliteit de afstemming van de verschillende ambitieniveaus zal bevorderen.

58.

Is bezorgd over het lage ambitieniveau van de lidstaten ten aanzien van de aanstaande herziening van het Protocol van Göteborg (hierin worden de internationale afspraken voor de emissieplafonds vastgelegd). Deze herziening is van invloed op de herziening van de NEC-richtlijn en daarmee ook van invloed op het ambitieniveau van de nieuwe EU-luchtkwaliteitwetgeving. Het Comité roept de lidstaten op om een hoger ambitieniveau te kiezen bij de aanstaande herziening van het Protocol van Göteborg.

59.

Op zijn minst zou de uitstoot in kaart moeten worden gebracht van elementair koolstof of roet en zou moeten worden nagegaan of er nieuwe atmosferische verontreinigende stoffen zijn die later onder dit protocol zouden kunnen vallen.

E.    Immissiebeleid: de herziening van de luchtkwaliteitrichtlijnen (2008/50/EG en 2004/107/EG)

Algemene uitgangspunten ten aanzien van de herziening van de richtlijnen

60.

Constateert dat de richtlijnen luchtkwaliteit (2008/50/EG en 2004/107/EG) zeer belangrijke instrumenten zijn om de blootstelling van burgers en milieu aan luchtverontreiniging te verminderen. De definitie van minimale beschermingsniveaus heeft in alle EU-landen geleid tot acties om de uitstoot te reduceren en de concentraties rond hotspots te verminderen. Een daling van de uitstoot in het ene land leidt tegelijkertijd tot een afname van grensoverschrijdende luchtverontreiniging, zodat buurlanden elkaar helpen bij het voldoen aan de grenswaarden.

61.

Is van mening dat volksgezondheid en milieubescherming het uitgangspunt moeten zijn bij de herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijnen. Voor de verbetering van de volksgezondheid zou een hoger ambitieniveau in overweging moeten worden genomen. Echter, zoals gezegd (in paragraaf 57) stelt het Comité hierbij als voorwaarde dat het ambitieniveau van de herziene richtlijn zorgvuldig wordt afgestemd op het ambitieniveau van de nationale emissieplafonds en het EU-emissiebeleid (bronbeleid).

62.

Constateert dat de luchtkwaliteitsrichtlijnen momenteel 27 grens- en streefwaarden bevatten. Het Comité constateert tevens dat verschillende grenswaarden elkaar overlappen (bijvoorbeeld de dagelijkse en jaarlijkse grenswaarden voor PM10 en de jaarlijkse grenswaarden voor PM10 en PM2,5) en dat verschillende grenswaarden al vele jaren lang niet zijn overschreden in een groot deel van de EU. Het Comité stelt daarom voor te onderzoeken of het concept van de streefwaarden wel een toegevoegde waarde heeft voor stoffen waar in de richtlijnen ook al grenswaarden voor worden gesteld.

63.

Constateert dat de in de richtlijnen opgenomen rapportageverplichting van de waargenomen concentraties en van de opzet en status van de luchtkwaliteitplannen veel tijd vraagt en extra administratieve lasten met zich meebrengt voor lokale en regionale overheden.

64.

Is van mening dat uit oogpunt van volksgezondheid en wetenschappelijk onderzoek alsmede better regulation en vermindering van de administratieve lasten en betere communicatie met de burger, het aantal stoffen en het aantal streef –en grenswaarden mogelijk kan worden verminderd. Dit kan worden bereikt door zich te concentreren op de meest vervuilende stoffen en op die indicatoren die de gezondheidsaspecten het beste weergeven.

Elementair Koolstof/roet

65.

Beveelt aan om voor verkeersgerelateerde verontreiniging die indicator te kiezen die de gezondheidaspecten het beste weergeeft. De huidige richtlijn geeft hiervoor normen voor PM10, PM2,5 en NO2. Echter, uit sommige studies valt op te maken dat elementair koolstof (EC/roet) en deeltjesconcentratie (verbrandingsgerelateerde aerosol) betere indicators lijken te zijn voor de componenten in de verkeersgerelateerde luchtvervuiling die relevant zijn voor de volksgezondheid. EC/roet is de roetfractie die vrijkomt bij de verbranding van alle op koolstof gebaseerde brandstoffen (waaronder dieselolie en benzine), onder andere in de motoren van voertuigen en schepen. Het Comité beveelt dan ook aan dat onderzocht wordt of een norm voor deeltjesconcentratie en EC/roet kan worden ingevoerd.

66.

Constateert dat meer aandacht voor EC/roet in overeenstemming zou zijn met de aanbevelingen van het VN-milieuprogramma (UNEP) en de Conventie inzake grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (CLRTAP).

67.

Stelt voor dat in de richtlijn de mogelijkheid tot tussentijdse aanpassing (middels de recastprocedure) wordt opgenomen. Indien onderzoek (zie paragraaf 65) en positieve praktijkervaringen inderdaad laten zien dat de EC/roet-norm beter geschikt is om te gebruiken als indicator, kan hierdoor worden overwogen of en op welke wijze deze norm wordt opgenomen in de richtlijn.

Deeltjesvormige luchtverontreiniging

68.

Wijst er op dat de huidige richtlijn drie grenswaarden en één reductiedoelstelling voor fijn stof (PM10 en PM2,5) heeft. Daarnaast bestaan voor fijn stof verschillende waarden, jaargemiddelde waarden en daggemiddelde waarden. Dit leidt tot een ingewikkelde uitvoering in de praktijk en tot onnodige bestuurlijke uitvoeringslasten. Het Comité is zich bewust van de discussie om bovenstaande situatie te versimpelen door één van de fijn stof-normen - PM10 of PM2,5 - te laten vervallen. Een dergelijke beslissing moet wel afdoende worden onderbouwd met onderzoek naar de gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu. Het Comité neemt hierover geen standpunt in.

69.

Geeft aan dat de grenswaarden voor PM10 op sommige plaatsen zeer moeilijk te halen zijn. Dat kan komen door lokale omstandigheden, lokale bronnen, bepaalde bijzondere meteorologische omstandigheden en/of door periodes van grootschalige luchtverontreiniging. Ook het vrachtvervoer over lange afstand kan verantwoordelijk zijn voor een flink deel van de totale vervuiling. Met het oog op gewenste flexibiliteit stelt het Comité voor te onderzoeken of toetsing aan de jaargemiddelde grenswaarde op basis van meerjarige gemiddelde concentraties kan plaatsvinden.

70.

Concludeert dat de introductie van PM2,5 positief is ontvangen, omdat deze component waarschijnlijk een betere correlatie heeft met gezondheidseffecten dan PM10. Wel bestaan er voor PM2,5 veel verschillende waarden, ook voor de blootstelling in het algemeen en een reductiepercentage. Dat maakt het voor overheden lastig om aan alle aspecten van deze waarden te voldoen. Het is nog onduidelijk of lokale en regionale overheden aan de PM2,5 grenswaarde en het reductiepercentage kunnen voldoen. Informatie hierover is nog onvoldoende en het effect van maatregelen kan nog niet worden gekwantificeerd. Het Comité beveelt aan dat bij de evaluatie van de PM2,5 normen het ontbreken van deze gegevens meegenomen wordt en dat bezien wordt of er voor bepaalde situaties meer tijd wordt gegeven om aan de normen te voldoen.

NOx/NO2

71.

Stelt voor dat de Europese Commissie, in afwachting van het onderzoek naar een andere formulering van de norm de noodzaak van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 heroverweegt, omdat de jaargrenswaarde „strenger” lijkt te zijn en maatregelen op lokaal niveau om de uurgemiddelde concentraties van NO2 te beperken ondenkbaar zijn.

72.

Stelt voor dat de richtlijn voorziet in een recht van burgers op uitwerking van een actieplan bij overschrijding van luchtkwaliteitsgrenswaarden.

73.

Is van mening dat gezien de specifieke problemen bij het verlagen van de NO2-niveaus in de lucht de mogelijkheid van verlenging (extra derogatie) moet worden uitgebreid. Voorwaarde hierbij is dat de desbetreffende lidstaat kan aantonen dat alle redelijke maatregelen zijn genomen, ook om de door voertuigen afgelegde afstanden te beperken, maar dat desondanks de EU-grenswaarde niet bereikt is, omdat de motoren van voertuigen de in de Euronormen vastgelegde emissieniveaus op straat niet waarmaken (met andere woorden vanwege falend Europees bronbeleid).

Ozon

74.

Geeft aan dat ozon (O3) in de lucht wordt gevormd onder invloed van zonlicht door een reactie van zogenaamde „precursorstoffen”: stikstofoxiden, koolmonoxide, methaan en andere vluchtige organische componenten. Hoge ozonconcentraties komen nog in verschillende steden voor, met name in Zuid-Europa. Lokale overheden hebben echter nauwelijks de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de ozonconcentraties in hun eigen stad, maar kunnen door de vermindering van verkeersemissies wel bijdragen aan het verlagen van de concentraties elders. Het Comité beveelt aan dat reductie van hoge ozonconcentraties in stedelijk gebied vooral een uitdaging is voor het nationale en Europese luchtkwaliteitbeleid. Emissiebeleid voor vluchtige organische stoffen wordt als meest effectieve maatregel gezien.

75.

Wijst op een analyse van het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (8), dat heeft aangetoond dat lidstaten weinig invloed hebben op de jaargemiddelde ozonconcentraties en bijna geen invloed hebben op de piekconcentraties van O3 op hun grondgebied. Tegelijk lijken de grootschalige achtergrondconcentraties ozon licht toe te nemen. Het Comité is van mening dat hiermee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de streefwaarden voor ozon (langetermijndoelstellingen) en bij de daarmee samenhangende gevolgen voor de ontwikkeling van beleid en rapportage. Het naleven van de streefwaarden voor ozon (langetermijndoelstellingen) is m.n. problematisch in de zuidelijke landen met een hoger aantal zonuren – meer zonnestraling –en een hogere gemiddelde temperatuur, waardoor de vorming van troposferisch ozon wordt versneld. Het CvdR beveelt aan te onderzoeken of dit fenomeen kan worden ondergebracht in de categorie „natuurlijke” luchtverontreiniging, zodat het op de zelfde manier wordt behandeld als zeezout en Saharazand.

76.

Beveelt aan dat ter reductie van de ozonconcentraties met name ingezet wordt op het verminderen van de uitstoot van ozonvormende gassen via de herziening van de richtlijn Nationale Emissieplafonds (2001/81/EG) en door aanscherping van sectorale wetgeving voor belangrijke bronnen.

Flexibiliteit

77.

Onderstreept dat weersomstandigheden een belangrijke ongunstige invloed op de niveaus van luchtverontreiniging kunnen hebben. Zo resulteerde de extreme droogte in de eerste maanden van 2011 in grote delen van West Europa tot hoge concentraties PM10. Met lokale en regionale maatregelen kunnen deze invloeden onmogelijk worden tegengegaan en de Europese regelgeving moet hiermee rekening houden, door een voorziening te treffen voor extreme meteorologische jaren, bijvoorbeeld met behulp van de introductie van een meerjarig gemiddelde.

78.

Wijst in dit verband op de relatie tussen economische trends en luchtverontreiniging, waar in de beleidsvorming rekening mee moet worden gehouden. De huidige economische crisis leidt tot minder economische activiteiten (mobiliteit, industrie en scheepvaart) en daardoor tot een vermindering van emissies. Bovendien zijn er momenteel beduidend minder financiële middelen voor innovaties op zowel particulier niveau (zoals de vernieuwing van verwarmingsystemen of voertuigen) als industrieel niveau. Op het moment dat de economie weer aantrekt, is het mogelijk dat er weer een kentering optreedt in deze ontwikkelingen.

Monitoring (meten) en modellering (rekenen)

79.

Geeft aan dat de manier waarop meestations worden geplaatst kan variëren per lidstaat. Aangezien locaties verschillende geografische kenmerken hebben die de luchtkwaliteitswaarden kunnen beïnvloeden, beveelt het Comité aan dat monitoring (meten) verplicht moet blijven, maar dat deze wordt verbeterd door meer specifieke regels met betrekking tot de plaatsing van meetstations om zo de onderlinge vergelijkbaarheid van de meetwaarden te garanderen.

80.

Stelt in dit verband voor om een in real time opererend platform voor de uitwisseling van informatie over de mate van luchtverontreiniging op te richten en voor uniforme informatie- en alarmdrempels te zorgen om de maatregelen die de lidstaten nemen bij acute stijgingen van de luchtverontreiniging beter te kunnen coördineren.

Brussel, 3 mei 2012

De voorzitster van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  Voor dit advies heeft het CvdR zijn Subsidiarity Monitoring Network geraadpleegd; het rapport daarover is gepubliceerd in december 2011.

(2)  De oprichting van dergelijke teams is aanbevolen in CdR 164/2010 fin.

(3)  Dit is een terugkerende aanbeveling van het CvdR: CdR 164/2010 fin en CdR 140/2011 fin.

(4)  Deze aanbeveling wordt ook gedaan in het CdR-advies over „De richtlijn omgevingslawaai: koersbepaling” (190/2011 rev 2).

(5)  Dit is een lang gekoesterde wens van het Comité: 190/2011 rev. 2, CdR 140/2011 fin, CdR 101/2011 fin, CdR 164/2010 fin, CdR 159/2008 fin.

(6)  Deze aanbeveling wordt ook gedaan in het CdR-advies 101/2011 fin.

(7)  Deze aanbeveling wordt ook gedaan in het CdR-advies over „Industriële emissies” (CdR 159/2008 fin).

(8)  RIVM, „Dossier Ozon 2011: een overzicht van de huidige stand van kennis over ozon op leefniveau in Nederland”, juni 2011.


27.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/20


Advies van het Comité van de Regio's — Wetgevingsvoorstellen over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid

2012/C 225/04

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

steunt de inspanningen die de Europese Commissie levert om de aanhoudende achteruitgang van talloze visbestanden een halt toe te roepen en waar mogelijk te zorgen voor een dusdanige exploitatie van mariene biologische hulpbronnen dat de maximale duurzame opbrengst tegen 2015 een feit kan zijn;

vindt dat er waar mogelijk geleidelijk een verbod op het teruggooien van vangsten dat hoofdzakelijk betrekking heeft op vissoorten voor industrieel gebruik, zou moeten worden ingevoerd, maar dat mariene organismen die in staat zijn om te overleven als ze worden teruggegooid, wel over boord zouden mogen worden gezet;

wijst op de mogelijke gevaren en negatieve gevolgen van een verplichte invoering van een systeem van overdraagbare visserijconcessies. Dergelijke systemen zouden enkel op vrijwillige basis mogen worden ingevoerd en zouden tot de bevoegdheid van de lidstaten moeten behoren;

erkent dat het economische en strategische belang van de aquacultuur voldoende grond biedt voor de invoering van een eigen verordening;

pleit voor een sterkere regionalisering van het gemeenschappelijk visserijbeleid en acht het zonder meer positief dat er een proces wordt opgestart waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken en behoeften van de regio's en waarin met de regionale adviesraden wordt samengewerkt om instandhoudingsmaatregelen en technische maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid vast te stellen, om op die manier het beleid beter af te stemmen op de realiteit en de specifieke situatie van de afzonderlijke visserijtakken, met inbegrip van hun grensoverschrijdende problemen;

vindt het een goede zaak dat het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMV) deel zal uitmaken van het nieuwe gemeenschappelijke strategische kader en wordt afgestemd op de andere fondsen voor regionale en plattelandsontwikkeling, maar vraagt wel om garanties inzake de financieringen die ten goede zullen komen aan de visserij en de aquacultuur, en om de deelname van de regio's aan de strategische uitvoering daarvan.

Rapporteur

de heer STRUK (PL/EVP), voorzitter van het regiobestuur van Pommeren

Referentiedocumenten

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten

COM(2011) 416 final

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid

COM(2011) 417 final

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake de rapportageverplichtingen op grond van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid

COM(2011) 418 final

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid

COM(2011) 424 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid

COM(2011) 425 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Langetermijnbeheer

1.

is van mening dat het gemeenschappelijk visserijbeleid op lange termijn moet bijdragen tot ecologische, economische en sociale duurzaamheid. Ook moet het de basis leggen voor een betere levensstandaard voor de werknemers in de visserijsector en een stabiele markt, en ervoor zorgen dat hulpbronnen beschikbaar zijn en de consument tegen een redelijke prijs van voedsel wordt voorzien.

2.

Het Comité steunt de inspanningen die de Europese Commissie naar aanleiding van de verklaring van de in 2002 te Johannesburg gehouden Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling levert om de aanhoudende achteruitgang van talloze visbestanden een halt toe te roepen en waar mogelijk te zorgen voor een dusdanige exploitatie van mariene biologische hulpbronnen dat de maximale duurzame opbrengst tegen 2015 een feit kan zijn.

3.

Voor bepaalde visbestanden zijn dringend maatregelen nodig om deze doelstelling te verwezenlijken. Haast kan tot nadelige sociaaleconomische gevolgen leiden. Naast maatregelen ter beperking van de vangst en ter bescherming van bestanden zal er ook actief moeten worden gewerkt aan een reorganisatie op terreinen als bedrijfsontwikkeling, opleiding en degelijke oudedagsvoorzieningen. De middelen hiervoor moeten zowel op nationaal en regionaal niveau – in zoverre de mogelijkheden en bevoegdheden van de regio's dit toelaten – als op EU-niveau worden gezocht.

4.

Het Comité is het ermee eens dat de duurzame exploitatie van mariene biologische hulpbronnen gebaseerd dient te zijn op het voorzorgsbeginsel en een op het ecosysteem gerichte aanpak, om zo de milieueffecten van de visserij te beperken en de ongewenste vangsten te verminderen en geleidelijk aan helemaal uit te bannen.

5.

Met het oog op de nagestreefde duurzame exploitatie van mariene biologische hulpbronnen pleit het Comité voor een meerjarenaanpak van het visserijbeheer, waarbij in de eerste plaats wordt ingezet op het vaststellen van meerjarenplannen die zijn afgestemd op de specifieke kenmerken van de visserijtakken en die vrijwaringsmechanismen bevatten, zodat bij onvoorziene ontwikkelingen de noodzakelijke besluiten kunnen worden genomen.

6.

Bestanden die gezamenlijk worden geëxploiteerd, zouden waar mogelijk in één meerjarenplan moeten worden ondergebracht, daarbij rekening houdend met de ecosystemen. Voor bestanden waarvoor geen meerjarenplan is vastgesteld, moet aan de hand van de vaststelling van vangst- en/of visserijinspanningsbeperkingen worden gegarandeerd dat een exploitatieniveau wordt bereikt waarmee de maximale duurzame opbrengst wordt gerealiseerd.

a.

Meerjarenplannen dienen duidelijke doelstellingen te bevatten alsook termijnen om deze te verwezenlijken en periodieke controles. Zowel de termijnen als het tempo moeten worden afgestemd op de dynamiek van de vissoort in kwestie.

b.

Bij de uitwerking en de uitvoering van meerjarenplannen moeten maatregelen worden voorgesteld op basis van economische prudentie, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak om de vereiste veranderingen geleidelijk door te voeren, zonder dat daarbij onnodig al te krappe termijnen worden opgelegd. Deze maatregelen moeten gebaseerd zijn op objectieve argumenten en vanuit sociaaleconomisch oogpunt haalbaar zijn. Daarnaast moet een sociaaleconomische effectbeoordeling worden verricht met bijdragen van de betrokken stakeholders of hun wettig erkende vertegenwoordigers.

7.

Om de visserij op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies te kunnen beheren, rekening houdend met de traditionele ecologische kennis van verschillende generaties vissers, zijn geharmoniseerde, degelijke en accurate gegevens nodig. Daarom worden de Commissie en de lidstaten verzocht ad-hocmiddelen uit te trekken voor onderzoek en expertise. Daarbij zij verwezen naar de rol van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), het belangrijkste wetenschappelijke orgaan dat de Europese Commissie ondersteunt op het gebied van duurzaam visserijbeheer.

8.

Tevens moeten de gegevens worden verzameld die nodig zijn voor de economische en sociaaleconomische beoordeling van enerzijds de actoren die actief zijn in de visserijsector, de aquacultuur en de verwerking van visserij- en aquacultuurproducten, en anderzijds de werkgelegenheidstendensen in deze sectoren. De EU dient nationale en regionale instanties dan ook gepaste middelen ter beschikking te stellen om dergelijke gegevens te verzamelen.

Toegang tot kustwateren

9.

Het Comité schaart zich achter het standpunt van de Europese Commissie dat de bestaande voorschriften tot beperking van de toegang tot de hulpbronnen in de 12-zeemijlszone van de lidstaten goed werken, aangezien ze bijdragen tot de instandhouding daarvan en de visserijinspanning in de kwetsbaarste delen van de EU-wateren aan banden leggen. Deze voorschriften moeten dan ook van kracht blijven.

10.

De mariene biologische hulpbronnen rond de ultraperifere regio's moeten, vanwege de structurele, sociale en economische situatie aldaar, speciale bescherming blijven genieten, aangezien deze de lokale economie draaiende houden.

11.

Het Comité herinnert aan het beginsel van het land van oorsprong uit het VN-zeerechtverdrag en dringt erop aan dat de lidstaten de bepalingen van dit Verdrag uitvoeren in hun exclusieve economische zone om het voortbestaan van bedreigde wilde visbestanden die vanuit zee de rivieren optrekken om te paaien (anadrome visbestanden), te waarborgen.

12.

Voorts zij erop gewezen dat de lidstaten binnen hun 12-zeemijlszone voor alle EU-vissersvaartuigen geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen moeten kunnen nemen, rekening houdend met eventuele sociaaleconomische of milieueffecten op het niveau van geografische deelgebieden of op een lager niveau, op voorwaarde dat maatregelen die van toepassing zijn op EU-vissersvaartuigen uit andere lidstaten, niet tot discriminatie leiden en er voorafgaand op adequate wijze overleg heeft plaatsgevonden met de betrokken andere lidstaat en deze de nodige informatie heeft gekregen, en op voorwaarde dat de Unie geen maatregelen heeft vastgesteld die specifiek zijn gericht op instandhouding en beheer binnen die 12-zeemijlszone.

Teruggooibeperking

13.

Het Comité is het er mee eens dat er maatregelen nodig zijn om de huidige hoge percentages ongewenste en over boord gezette vangsten, die in wezen tot aanzienlijke verspilling leiden en ook een negatief effect hebben op de duurzame exploitatie van mariene biologische hulpbronnen en mariene ecosystemen en ook op de rentabiliteit van de visserij, te verminderen en zo mogelijk tot nul terug te brengen. Het gebruik van selectievere vangstapparatuur en vangsttechnieken moet dan ook worden bevorderd om het teruggooien van vangsten zo veel mogelijk te beperken. Waar mogelijk zou er geleidelijk een verbod op het teruggooien van vangsten, dat hoofdzakelijk betrekking heeft op vissoorten voor industrieel gebruik, moeten worden ingevoerd. Mariene organismen die in staat zijn om te overleven als ze worden teruggegooid, zouden wel over boord mogen worden gezet.

14.

Het Comité vindt dat de aanlanding van ongewenste vangsten de marktdeelnemers geen volledig economisch voordeel mag opleveren en dat verwerking tot vismeel niet de goede manier is om de milieudoelstellingen van de Commissie te verwezenlijken.

15.

Voorts acht het Comité een basisverordening niet het juiste kader voor een uitgebreid overzicht van de soorten die verplicht moeten worden aangeland. Het zou beter zijn om deze verplichting uit te werken in de afzonderlijke soortspecifieke beheersplannen (die betrekking hebben op één of meerdere soorten).

Toegang tot hulpbronnen

16.

Volgens het Comité is het met de huidige regelgeving al mogelijk voor de lidstaten om voor hun vissersvloot individuele overdraagbare visserijconcessies in te voeren, met consequenties die bekend zijn, zowel wat speculatie als wat concentratie betreft. Daarom is het geen goede zaak om iedere lidstaat tot de invoering van een systeem van verhandelbare of leasbare visrechten te verplichten.

17.

Verder moet het aan de lidstaten blijven om te bepalen hoe lang welk systeem dan ook van overdraagbare visserijconcessies van kracht blijft.

18.

Het wijst op de mogelijke gevaren en negatieve gevolgen van een verplichte invoering van een systeem van overdraagbare visserijconcessies. Dergelijke systemen zouden enkel op vrijwillige basis mogen worden ingevoerd en zouden tot de bevoegdheid van de lidstaten moeten behoren.

19.

Het dringt er bij de lidstaten op aan dat ze vóór de invoering van een vrijwillig systeem van overdraagbare visserijconcessies hun eigen regelgeving aanpassen om ervoor te zorgen dat de belangen van de kustvisserij afdoende worden behartigd. De kustvisserij dient tevens te worden beschermd tegen de negatieve effecten van de invoering van het systeem, zoals overconcentratie en speculatie.

20.

Wat de reductie van de overcapaciteit betreft, wijst het op de positieve ervaringen met de steunmaatregelen voor sloop.

21.

Gezien de specifieke kenmerken, de sociaaleconomische kwetsbaarheid van de sector in veel lidstaten en de uiteenlopende sociaaleconomische beleidsprioriteiten van de lidstaten met betrekking tot de visserij, is het verplichte systeem van overdraagbare visserijconcessies ongeschikt en moet het aan de lidstaten blijven om te besluiten over de toewijzing van vangstmogelijkheden en regels voor overdrachten.

22.

Het Comité zou ook graag zien dat er rekening wordt gehouden met de specifieke problemen van de ultraperifere regio's bij het vaststellen van de vlootcapaciteitsmaxima voor de kleinschalige visserij door de huidige referentiewaarden aan te houden.

De externe dimensie

23.

Het Comité pleit ervoor dat de Europese Unie de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid wereldwijd onder de aandacht brengt. Daartoe moet ze ernaar streven om de prestaties van regionale en internationale organisaties op het gebied van instandhouding en beheer van internationale visbestanden te verbeteren door besluitvorming op basis van wetenschappelijke gegevens, betere naleving, grotere transparantie en participatie van de belanghebbenden – met name vissers – te stimuleren en door illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te bestrijden.

24.

Het Comité stemt ermee in dat overeenkomsten met derde landen over duurzame visserij moeten voorzien in toegangsrechten (tegen betaling van een financiële vergoeding door de EU) en ook moeten bijdragen tot een degelijk bestuurskader in die landen dat met name borg staat voor doeltreffende maatregelen op het gebied van toezicht op, en controle en bewaking van duurzame exploitatie van de visbestanden. Overigens moeten de overeenkomsten met derde landen de desbetreffende visserijvloten van de Unie uitzicht bieden op stabiliteit, levensvatbaarheid en rentabiliteit, zodat hun toekomst veilig wordt gesteld.

25.

Het Comité dringt erop aan dat partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied met derde landen een wettelijk, economisch en milieukader creëren voor visserijactiviteiten door vaartuigen uit de EU alsmede voor investeringen door exploitanten uit de EU op visserijgebied, zulks in overeenstemming met de desbetreffende maatregelen die door internationale organisaties, m.i.v. RVO's, zijn goedgekeurd. Visserijovereenkomsten zijn onder meer bedoeld om te waarborgen dat visserijactiviteiten in derde landen plaatsvinden op basis van duurzame regelingen die beide partijen ten goede komen.

Aquacultuur

26.

Het Comité erkent dat het economische en strategische belang van de aquacultuur voldoende grond biedt voor de invoering van een eigen verordening met EU-richtsnoeren voor nationale strategische plannen ter verbetering van het concurrentievermogen van deze sector. Dit kan worden gerealiseerd door de ontwikkeling en innovatie op het gebied van ecologische en sociaaleconomische duurzaamheid in de hele productie- en afzetketen te bevorderen, door de veredeling en diversifiëring op lokaal niveau aan te moedigen en door aldus ook indirect de kwaliteit van het bestaan in kust- en plattelandsgebieden te verbeteren. Daarnaast moeten er mechanismen worden ontwikkeld om informatie en goede praktijken tussen de lidstaten uit te wisselen via een open methode van coördinatie van nationale maatregelen op het gebied van zekerheid van het bedrijfsklimaat en toegang tot de wateren en het grondgebied van de EU, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar de compatibiliteit van milieubehoud en de ontwikkeling van activiteiten in gebieden die tot het Natura 2000-netwerk behoren, alsmede naar de administratieve vereenvoudiging van de vergunning- en machtigingverlening.

27.

Het erkent de noodzaak van de oprichting van een raadgevend comité inzake aquacultuur, dat zonder meer als spreekbuis van de sector kan fungeren en waarin het bedrijfsleven (brancheorganisaties, producentenorganisaties of kamers van koophandel) dus ook in zekere mate is vertegenwoordigd.

Visserijmarkt

28.

Het Comité is het ermee eens dat het vanwege de onvoorspelbaarheid van de visserijactiviteiten dienstig is, een mechanisme in te stellen voor de opslag van visserijproducten voor menselijke consumptie, teneinde de marktstabiliteit te bevorderen en de winst op de producten te verhogen door met name een meerwaarde te creëren. Dit mechanisme moet ook worden ingezet voor aquacultuurproducten.

29.

Het erkent dat dankzij de toepassing van gemeenschappelijke handelsnormen het mogelijk moet zijn de markt te bevoorraden met duurzame producten, het potentieel van de interne markt voor visserij- en aquacultuurproducten volledig te benutten en het handelsverkeer op basis van eerlijke mededinging te vereenvoudigen en aldus bij te dragen tot verbetering van de rentabiliteit van de productie.

30.

Ook ziet het Comité in dat het door de toenemende variëteit aan visserij- en aquacultuurproducten van essentieel belang is dat consumenten een minimum aan verplichte informatie over de belangrijkste kenmerken van de producten krijgen, die duidelijk en begrijpelijk moet zijn.

31.

Het dringt aan op tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke marktordening, overeenkomstig de internationale verbintenissen van de Unie en met name de WTO-bepalingen. Daarnaast moeten echter ook de voorschriften op het gebied van hygiëne en gezondheid voor producten uit derde landen worden gelijkgetrokken en goedgekeurd, en moeten handelspraktijken voor de zeevaart en de visserij worden ontwikkeld die erop gericht zijn, de IUU-visserij uit te bannen.

32.

Het pleit voor waar mogelijk een publieke certificering voor EU-visproducten, ter waarborging dat ze van behoorlijk beheerde visbedrijven afkomstig zijn.

Regionalisering

33.

Het Comité pleit voor een sterkere regionalisering van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zodat binnen dat beleid kan worden geprofiteerd van de kennis en ervaring van alle betrokken partijen, met name van de lokale en regionale overheden. Verder benadrukt het Comité het belang van macro-economische strategieën.

34.

Het Comité wijst op de groeiende interactie tussen recreatieve visserij, beroepsvissers en vissersgemeenschappen.

35.

Het is zonder meer positief dat er een proces wordt opgestart waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken en behoeften van de regio's en waarin met de regionale adviesraden wordt samengewerkt om instandhoudingsmaatregelen en technische maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid vast te stellen, om op die manier het beleid beter af te stemmen op de realiteit en de specifieke situatie van de afzonderlijke visserijtakken, met inbegrip van hun grensoverschrijdende problemen.

36.

Daarnaast is het nodig om de regionale adviesraden of andere hiermee te vergelijken partnerschapsstructuren te versterken, wat ervoor zal zorgen dat de lokale gemeenschappen niet alleen worden geraadpleegd, maar ook daadwerkelijk worden betrokken bij het beheer van de in hun omgeving voorkomende visserijhulpbronnen.

37.

Het Comité dringt erop aan dat bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid de interactie met andere maritieme aangelegenheden, zoals maritieme ruimtelijke ordening, in aanmerking wordt genomen, aangezien alle aspecten die te maken hebben met de Europese zeeën en oceanen, met elkaar samenhangen Dit houdt in dat het geïntegreerd maritiem beleid wordt versterkt.

38.

Het GVB kan niet worden gevoerd zonder dat de mariene ecosystemen in al hun complexiteit en interactie worden beschermd. Daarbij moet rekening worden gehouden met de kwetsbaarheid van overgangswateren en van rivieren en meren als milieucorridors, alsook van de daarin levende vispopulaties. De aandacht moet vooral uitgaan naar de instandhouding en consolidering van met uitsterving bedreigde waardevolle vissoorten en meer in het bijzonder de anadrome en katadrome soorten.

Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij

39.

Het Comité beseft dat de lidstaten, vanwege de problemen bij de ontwikkeling en het beheer van de visserijsector en de beperkte financiële middelen waarover zij beschikken, er zonder passende financiële bijstand niet in zullen slagen om de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid naar behoren te verwezenlijken.

40.

Gezien het bovenstaande dringt het aan op een passende meerjarige financiële EU-ondersteuning van de prioriteiten van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zodat kan worden bijgedragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen, met name aan de verbetering van het economische rendement van de sector, waarbij de vissersvloot in de eerste plaats komt, aan de generering van nieuwe arbeidsplaatsen en aan modernisering & innovatie, waaronder de ontwikkeling van veilige en duurzame schepen.

41.

De financiële steun voor de innovatie en modernisering van de vissersvloten van de ultraperifere regio's moet in de periode 2014-2020 opnieuw worden ingevoerd.

42.

Deze financiële steun van de Unie moet echter alleen worden geboden als de lidstaten en de marktdeelnemers de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid naleven. Zodra de lidstaten de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet naleven en de marktdeelnemers herhaaldelijk ernstige inbreuken plegen op deze voorschriften, moet de financiële steun onderbroken, geschorst of gecorrigeerd worden.

43.

Het is een goede zaak dat het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMV) deel zal uitmaken van het nieuwe gemeenschappelijke strategische kader en wordt afgestemd op de andere fondsen voor regionale en plattelandsontwikkeling, zodat er kaders voor geïntegreerde lokale ontwikkeling tot stand kunnen komen en de toegang tot de fondsen op lokaal en regionaal niveau wordt vergemakkelijkt. Wel vraagt het Comité garanties inzake de financieringen die ten goede zullen komen aan de visserij en de aquacultuur, en de deelname van de regio's aan de strategische uitvoering daarvan.

44.

Het Comité erkent de biologische, historische en productiewaarde van het visserijerfgoed en van de habitats in meren en rivieren en acht het derhalve noodzakelijk dat de Europese Unie deze sector financiële ondersteuning biedt, ook met het oog op een vermindering van de vangsten op zee en van de invoer en op een versterking van het territoriale concurrentievermogen.

Bevoegdheden van de Europese Commissie

45.

Het Comité ziet in dat met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid de Commissie de bevoegdheid moet krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen die de invulling of wijziging van niet-essentiële onderdelen van de basisverordening tot doel hebben. Wel adviseert het Comité dat zo'n uitgebreid beroep van de Commissie op gedelegeerde handelingen vanuit juridisch en beleidsmatig oogpunt zorgvuldig wordt bekeken en onderzocht. Eerst zal moeten worden verzekerd dat deze machtiging duidelijk afgebakend is wat doel, inhoud, toepassingsgebied en duur ervan betreft.

46.

Het roept de Commissie op om tijdens haar voorbereidende werkzaamheden voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen passende raadplegingen te houden, o.m. op het niveau van experts en op dat van het regionale bestuur.

47.

Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen zou de Commissie de relevante documenten gezamenlijk, tijdig en op passende wijze moeten doen toekomen aan het Europees Parlement en de Raad.

48.

Het Comité is sterk geporteerd voor het gebruik van „vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling”, zoals geformuleerd in de algemene verordening van de Commissie inzake het gemeenschappelijk strategische kader. Dit is de beste methode voor het lokale en regionale niveau om gebruik te maken van zowel de middelen uit de structuurfondsen en het fonds voor plattelandsontwikkeling als die uit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij. De coördinatie van deze fondsen moet binnen een flexibel kader gebeuren en meer mogelijkheden scheppen om deze middelen in te zetten. De decentrale overheden moeten bij de uitwerking van het strategisch kader en de operationele programma's worden betrokken.

49.

Het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft slechts kans van slagen als het wordt uitgerust met een doeltreffend systeem voor controle, inspectie en handhaving, inclusief maatregelen om de IOO-visserij te bestrijden. Het gebruik van moderne technologieën in het kader van het EU-systeem voor controle, inspectie en handhaving moet worden gestimuleerd. Het moet mogelijk zijn om op het niveau van de lidstaten of van de Commissie proefprojecten op het gebied van nieuwe controletechnologieën en databeheersystemen ten uitvoer te leggen.

50.

Om de vijf jaar zou moeten worden nagegaan hoe het staat met de naleving van de EU-verordening.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGSVOORSTELLEN

COM(2011) 425 final

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging (5)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Tijdens de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling die in 2002 in Johannesburg heeft plaatsgevonden, hebben de EU en haar lidstaten zich ertoe verbonden op te treden tegen de aanhoudende achteruitgang van tal van visbestanden. De Unie moet er dan ook via een verbetering van haar gemeenschappelijk visserijbeleid prioritair voor zorgen dat de niveaus waarop de mariene biologische hulpbronnen worden geëxploiteerd, uiterlijk in 2015 op een niveau worden gehouden of gebracht dat de maximale duurzame opbrengst van de populaties van de beviste bestanden kan opleveren. Wanneer minder wetenschappelijke informatie beschikbaar is, kan het noodzakelijk zijn schattingen toe te passen op de maximale duurzame opbrengst.

Tijdens de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling die in 2002 in Johannesburg heeft plaatsgevonden, hebben de EU en haar lidstaten zich ertoe verbonden op te treden tegen de aanhoudende achteruitgang van tal van visbestanden. De Unie moet er dan ook via een verbetering van haar gemeenschappelijk visserijbeleid prioritair voor zorgen dat de niveaus waarop de mariene biologische hulpbronnen worden geëxploiteerd, uiterlijk in 2015 op een niveau worden gehouden of gebracht dat de maximale duurzame opbrengst van de populaties van de beviste bestanden kan opleveren. Wanneer minder wetenschappelijke informatie beschikbaar is, kan het noodzakelijk zijn schattingen toe te passen op de maximale duurzame opbrengst.

Motivering

In de overeenkomst van Johannesburg van 2002 wordt erkend dat het bij sommige soorten en bestanden onmogelijk kan blijken om tegen 2015 de maximale duurzame opbrengst te bereiken. Daarom worden de woorden „waar mogelijk” ingelast. De EU moet niet proberen verder te gaan dan wat haar internationale verplichtingen voorschrijven.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging (6)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

In het besluit van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit over het strategische plan voor de biodiversiteit 2011-2020 zijn streefdoelen voor de visserij vastgesteld en de inspanningen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten coherent zijn met de biodiversiteitsstreefdoelen die zijn vastgesteld door de Europese Raad en met de streefdoelen die zijn vastgesteld door de Commissie in de mededeling „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU biodiversiteitsstrategie voor 2020”, met name gezien de doelstelling om uiterlijk in 2015 de maximale duurzame opbrengst te halen.

In het besluit van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit over het strategische plan voor de biodiversiteit 2011-2020 zijn streefdoelen voor de visserij vastgesteld en de inspanningen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten coherent zijn met de biodiversiteitsstreefdoelen die zijn vastgesteld door de Europese Raad en met de streefdoelen die zijn vastgesteld door de Commissie in de mededeling „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020”, met name gezien de doelstelling om uiterlijk in 2015 de maximale duurzame opbrengst te halen.

Motivering

In de overeenkomst van Johannesburg van 2002 wordt erkend dat het bij sommige soorten en bestanden onmogelijk kan blijken om tegen 2015 de maximale duurzame opbrengst te bereiken. Daarom worden de woorden „waar mogelijk” ingelast. De EU moet niet proberen verder te gaan dan wat haar internationale verplichtingen voorschrijven.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging (15)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Gezien de structurele, sociale en economische situatie van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden moeten de mariene biologische hulpbronnen rond deze eilanden speciale bescherming blijven genieten aangezien zij bijdragen tot de instandhouding van de lokale economie van deze eilanden. Bepaalde visserijactiviteiten in deze wateren moeten bijgevolg voorbehouden blijven voor vissersvaartuigen die in de havens van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden zijn geregistreerd.

Gezien de structurele, sociale en economische situatie van de moeten de mariene biologische hulpbronnen rond deze eilanden speciale bescherming blijven genieten aangezien zij bijdragen tot de instandhouding van de lokale economie van deze eilanden. Bepaalde visserijactiviteiten in deze wateren moeten bijgevolg voorbehouden blijven voor vissersvaartuigen die in de havens van de zijn geregistreerd.

Motivering

De ultraperifere regio's bevinden zich in een moeilijke situatie, waardoor zij allemaal speciale aandacht verdienen voor een betere ondersteuning van hun ontwikkeling, die nauw verband houdt met de goede staat van de mariene hulpbronnen en het zeemilieu in het algemeen. Dit wijzigingsvoorstel houdt rekening met alle ultraperifere regio's van de Europese Unie.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging (18)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Voorts zijn maatregelen nodig om de huidige hoge niveaus op het gebied van ongewenste vangsten en teruggooi naar beneden te halen en tot nul terug te brengen. Niet alleen leiden ongewenste vangsten en teruggooi tot aanzienlijke verspilling, zij hebben ook een negatieve invloed op de duurzame exploitatie van de mariene biologische hulpbronnen en de mariene ecosystemen, en op de rentabiliteit van de visserij. Daarom moet een verplichting worden vastgesteld om alle vangsten van beheerde bestanden die gedurende visserijactiviteiten in EU-wateren of door EU-vissersvaartuigen worden bovengehaald, aan te landen en dient die verplichting geleidelijk ten uitvoer te worden gelegd.

Voorts zijn maatregelen nodig om de huidige hoge niveaus op het gebied van ongewenste vangsten en teruggooi waar mogelijk en zo nodig naar beneden te halen en tot nul terug te brengen. Niet alleen leiden ongewenste vangsten en teruggooi tot aanzienlijke verspilling, zij ook een negatieve invloed op de duurzame exploitatie van de mariene biologische hulpbronnen en de mariene ecosystemen, en op de rentabiliteit van de visserij. Daarom moet een verplichting worden vastgesteld om alle vangsten van beheerde soorten die in EU-wateren of door EU-vissersvaartuigen worden bovengehaald, aan te landen en dient die verplichting geleidelijk ten uitvoer te worden gelegd.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging (29)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Uiterlijk op 31 december 2013 moet voor alle vaartuigen met een lengte over alles van ten minste 12 meter en alle andere vaartuigen die met sleeptuig zijn uitgerust, een systeem van overdraagbare visserijconcessies ten uitvoer worden gelegd dat betrekking heeft op de meeste bestanden die in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden beheerd. Lidstaten kunnen vaartuigen met een lengte over alles van maximaal 12 meter die niet met sleeptuig zijn uitgerust, uitsluiten van de toepassing van overdraagbare visserijconcessies. Een dergelijk systeem moet mee bijdragen tot door de sector ondernomen vlootreducties en tot betere economische prestaties, en moet tegelijkertijd juridisch sluitende en exclusieve overdraagbare visserijconcessies opleveren die toegang verlenen tot een deel van de jaarlijkse vangstmogelijkheden van een lidstaat. Aangezien de mariene biologische hulpbronnen een gemeenschappelijk goed zijn, mogen in het kader van de overdraagbare visserijconcessies slechts rechten tot het gebruik van een deel van de jaarlijkse vangstmogelijkheden van een lidstaat worden gecreëerd, die overeenkomstig vastgestelde regels kunnen worden ingetrokken.

voor alle vaartuigen met een lengte over alles van ten minste 12 meter en alle andere vaartuigen een systeem van overdraagbare visserijconcessies ten uitvoer worden gelegd dat betrekking heeft op de meeste bestanden die in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden beheerd. Een dergelijk systeem moet mee bijdragen tot door de sector ondernomen vlootreducties en tot betere economische prestaties, en moet tegelijkertijd juridisch sluitende en exclusieve overdraagbare visserijconcessies opleveren die toegang verlenen tot een deel van de jaarlijkse vangstmogelijkheden van een lidstaat. Aangezien de mariene biologische hulpbronnen een gemeenschappelijk goed zijn, mogen in het kader van de overdraagbare visserijconcessies slechts rechten tot het gebruik van een deel van de jaarlijkse vangstmogelijkheden van een lidstaat worden gecreëerd, die overeenkomstig vastgestelde regels kunnen worden ingetrokken.

Motivering

Invoering van deze concessies is een zaak van de lidstaten; zij kunnen daar niet toe verplicht worden.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging (31)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Gezien de specifieke kenmerken en de sociaaleconomische kwetsbaarheid van sommige kleinschalige vloten is het gerechtvaardigd het verplichte systeem van overdraagbare visserijconcessies enkel toe te passen op grote vaartuigen. Het systeem van overdraagbare visserijconcessies dient van toepassing te zijn op bestanden waarvoor vangstmogelijkheden worden toegewezen.

Gezien de specifieke kenmerken en de sociaaleconomische kwetsbaarheid van sommige kleinschalige vloten is het gerechtvaardigd het systeem van overdraagbare visserijconcessies toe te passen op grote vaartuigen. Het systeem van overdraagbare visserijconcessies dient van toepassing te zijn op bestanden waarvoor vangstmogelijkheden worden toegewezen.

Motivering

Deze overweging wordt gewijzigd om de tekst in overeenstemming te brengen met artikel 27, lid 1, en om het vrijwillige karakter van de overdraagbare visserijconcessies te benadrukken.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 2, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Algemene doelstellingen

1.   Het gemeenschappelijk visserijbeleid staat er borg voor dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur zorgen voor omstandigheden die uit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt duurzaam op lange termijn zijn, en bijdragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden.

2.   In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt de voorzorgsbenadering toegepast op het visserijbeheer en wordt ernaar gestreefd dat uiterlijk in 2015 de levende mariene biologische hulpbronnen zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een peil wordt gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

3.   In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt, met het oog op een beperkte impact van de visserij op het mariene ecosysteem, de ecosysteemgerichte benadering toegepast op het visserijbeheer.

4.   De met de EU-milieuwetgeving samenhangende vereisten worden in het gemeenschappelijk visserijbeleid geïntegreerd.

Algemene doelstellingen

1.   Het gemeenschappelijk visserijbeleid staat er borg voor dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur zorgen voor omstandigheden die uit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt duurzaam op lange termijn zijn, en bijdragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden.

2.   In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt de voorzorgsbenadering toegepast op het visserijbeheer en wordt ernaar gestreefd dat uiterlijk in 2015 de levende mariene biologische hulpbronnen zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een peil wordt gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

3.   In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt, met het oog op een beperkte impact van de visserij op het mariene ecosysteem, de ecosysteemgerichte benadering toegepast op het visserijbeheer.

4.   De met de EU-milieuwetgeving samenhangende vereisten worden in het gemeenschappelijk visserijbeleid geïntegreerd.

Motivering

In de overeenkomst van Johannesburg van 2002 wordt erkend dat het bij sommige soorten en bestanden onmogelijk kan blijken om tegen 2015 de maximale duurzame opbrengst te bereiken. Daarom worden de woorden „waar mogelijk” ingelast. De EU moet niet proberen verder te gaan dan wat haar internationale verplichtingen voorschrijven.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 2, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt, met het oog op een beperkte impact van de visserij op het mariene ecosysteem, de ecosysteemgerichte benadering toegepast op het visserijbeheer.

In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt, , met het oog op een beperkte impact van de visserij op het mariene ecosysteem de ecosysteemgerichte benadering toegepast op het visserijbeheer.

Motivering

In de overeenkomst van Johannesburg van 2002 wordt erkend dat bij sommige soorten en bestanden de maximaal duurzame vangst wellicht niet gehaald wordt in 2015. Met het oog daarop zijn daarin de woorden „waar mogelijk” toegevoegd.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Specifieke doelstellingen

Teneinde de in artikel 2 vastgestelde algemene doelstellingen te halen, moet het gemeenschappelijk visserijbeleid specifiek tot doel hebben:

(a)

ongewenste vangsten van commerciële bestanden te elimineren en geleidelijk toe te werken naar het aanlanden van alle vangsten van dergelijke bestanden;

(b)

de voorwaarden te creëren om de visserijactiviteiten doeltreffend te laten verlopen in het kader van een rendabele en concurrerende visserijsector;

(c)

de ontwikkeling van de aquacultuuractiviteiten van de Unie te bevorderen om bij te dragen tot de voedselzekerheid en tot de werkgelegenheid in kust- en plattelandsgebieden;

(d)

bij te dragen tot een billijke levensstandaard voor degenen die afhankelijk zijn van visserijactiviteiten;

(e)

rekening te houden met de belangen van de consument;

(f)

te zorgen voor een systematische en geharmoniseerde aanpak van de verzameling en het beheer van gegevens.

Specifieke doelstellingen

Teneinde de in artikel 2 vastgestelde algemene doelstellingen te halen, moet het gemeenschappelijk visserijbeleid specifiek tot doel hebben:

(a)

ongewenste vangsten van commerciële te elimineren en – – toe te werken naar het aanlanden van alle vangsten van dergelijke ;

(b)

de voorwaarden te creëren om de visserijactiviteiten doeltreffend te laten verlopen in het kader van een rendabele en concurrerende visserijsector;

(c)

de ontwikkeling van de aquacultuuractiviteiten van de Unie te bevorderen om bij te dragen tot de voedselzekerheid en tot de werkgelegenheid in kust en plattelandsgebieden;

bij te dragen tot een billijke levensstandaard voor degenen die afhankelijk zijn van visserijactiviteiten;

)

rekening te houden met de belangen van de consument;

)

te zorgen voor een systematische en geharmoniseerde aanpak van de verzameling en het beheer van gegevens

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Beginselen van goed bestuur

Het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gevoerd aan de hand van de volgende beginselen van goed bestuur:

(a)

duidelijke omschrijving van de verantwoordelijkheden op de uniale, nationale, regionale en lokale niveaus;

(b)

vaststelling van maatregelen overeenkomstig het beste beschikbare wetenschappelijke advies;

(c)

een perspectief op lange termijn;

(d)

brede betrokkenheid van de belanghebbenden bij alle stadia van concipiëring tot tenuitvoerlegging van de maatregelen;

(e)

de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat;

(f)

samenhang met het geïntegreerd maritiem beleid en met andere beleidsgebieden van de Unie.

Beginselen van goed bestuur

Het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gevoerd aan de hand van de volgende beginselen van goed bestuur:

(a)

duidelijke omschrijving van de verantwoordelijkheden op de uniale, nationale, regionale en lokale niveaus;

(b)

vaststelling van maatregelen overeenkomstig het beste beschikbare wetenschappelijke advies ;

()

een perspectief op lange termijn;

()

brede betrokkenheid van de belanghebbenden bij alle stadia van concipiëring tot tenuitvoerlegging van de maatregelen;

()

de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat;

()

samenhang met andere beleidsgebieden van de Unie.

Motivering

Ter waarborging van goed bestuur moet bij de besluitvorming op dit gebied de politieke bevoegdheid van de Raad en het Europees Parlement voor de tenuitvoerlegging van de doelstellingen en beginselen ter zake worden gerespecteerd.

Aan de beginselen van goed bestuur bij de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet een nieuw punt c) worden toegevoegd. Bij de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid dient sprake te zijn van een geleidelijke overgang.

Ook moet het belang van de regionalisering van het GVB worden onderstreept door een grotere rol toe te kennen aan de regionale adviesraden.

Lid (g) is verwarrend, omdat daarin het geïntegreerd maritiem beleid op dezelfde hoogte met het GVB wordt geplaatst als de andere EU-beleidsterreinen. Het GVB dient echter integraal onderdeel uit te maken van het geïntegreerd maritiem beleid. Waar het om gaat is dat in hetzelfde beleid onder leiding van dezelfde verantwoordelijken voor interne samenhang wordt gezorgd.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

„EU-wateren”: de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, met uitzondering van wateren die grenzen aan de in bijlage II van het Verdrag genoemde gebieden;

„mariene biologische hulpbronnen”: beschikbare en toegankelijke levende mariene aquatische soorten, met inbegrip van anadrome en katadrome soorten, in alle fasen van hun levenscyclus;

„biologische zoetwaterhulpbronnen”: beschikbare en toegankelijke levende aquatische zoetwatersoorten;

„vissersvaartuig”: elk vaartuig dat is uitgerust voor commerciële bevissing van mariene biologische hulpbronnen;

„EU-vissersvaartuig”: een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;

„maximale duurzame opbrengst”: de maximale vangst van een visbestand die gedurende onbeperkte tijd kan worden bovengehaald;

„voorzorgsbenadering van het visserijbeheer”: een benadering in het kader waarvan het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie niet mag worden gebruikt als een motief voor het uitstellen of achterwege laten van beheersmaatregelen voor de instandhouding van de doelsoorten, de geassocieerde of afhankelijke soorten en de niet-doelsoorten en hun milieu;

„ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer”: een benadering in het kader waarvan wordt gegarandeerd dat de van levende aquatische hulpbronnen afkomstige baten hoog zijn en de directe en indirecte effecten van de visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen laag zijn en niet nadelig zijn voor de toekomstige werking, diversiteit en integriteit van de betrokken ecosystemen;

„visserijsterftecoëfficiënt”: de vangsten van een bestand over een bepaalde periode in verhouding tot het gemiddelde bestand dat in die periode voor de visserij beschikbaar is;

„bestand”: een in een bepaald beheersgebied voorkomende mariene biologische hulpbron met specifieke kenmerken;

„vangstbeperking”: een kwantitatieve beperking van de hoeveelheden van een visbestand of groep visbestanden die in een bepaalde periode worden aangeland;

„instandhoudingsreferentiepunt”: waarde van parameters voor de populatie van een visbestand (zoals biomassa of visserijsterfte) die in het visserijbeheer worden gebruikt, bijvoorbeeld voor het bepalen van een aanvaardbaar niveau van biologisch risico of een wenselijk opbrengstniveau;

„vrijwaringsmaatregel”: een voorzorgsmaatregel die ontworpen is ter bescherming of ter voorkoming van een onwenselijke gebeurtenis;

„technische maatregel”: een maatregel om de soortensamenstelling en de groottesamenstelling van de vangsten, alsmede de impact van visserijactiviteiten op componenten van het ecosysteem te reguleren door voorwaarden vast te stellen voor het gebruik en de structuur van het vistuig en door de toegang tot visserijgebieden te beperken;

„vangstmogelijkheid”: een gekwantificeerd wettelijk recht om te vissen, uitgedrukt als vangsten en/of visserijinspanning, en de functioneel daarmee verbonden voorwaarden voor het kwantificeren ervan op een bepaald niveau;

„visserijinspanning”: het product van de capaciteit en de activiteit van een vissersvaartuig; voor een groep vaartuigen is dit de som van de visserijinspanning van alle vaartuigen in de groep;

„overdraagbare visserijconcessies”: intrekbare gebruikersrechten op een specifiek deel van de vangstmogelijkheden die aan een lidstaat zijn toegewezen of zijn vastgesteld in een door een lidstaat overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1967/2006 (1) aangenomen beheersplan, die de houder mag overdragen aan andere in aanmerking komende houders van dergelijke overdraagbare visserijconcessies;

„individuele vangstmogelijkheden”: jaarlijkse vangstmogelijkheden die aan houders van overdraagbare visserijconcessies in een lidstaat worden toegewezen op basis van het deel van de vangstmogelijkheden van die lidstaat;

„vangstcapaciteit”: de tonnage van een vaartuig in GT (Gross Tonnage - brutotonnage) en het vermogen ervan in kW (kilowatt), zoals gedefinieerd in de artikelen 4 en 5 van Verordening (EEG) nr. 2930/86 (2) van de Raad;

„aquacultuur”: de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu; deze organismen blijven in de gehele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

„visvergunning”: een vergunning zoals bedoeld in artikel 4, punt 9, van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

„vismachtiging”: een machtiging zoals bedoeld in artikel 4, punt 10, van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

„visserij”: het verzamelen of vangen van in hun natuurlijke omgeving levende aquatische organismen, of het intentionele gebruik van om het even welk middel om aquatische organismen te verzamelen of te vangen;

„visserijproducten”: de aquatische organismen die naar aanleiding van een visserijactiviteit worden bovengehaald;

„marktdeelnemer”: de natuurlijke of de rechtspersoon die een bedrijf exploiteert of bezit waarvan de activiteiten betrekking hebben op een stadium van de productie-, verwerkings-, afzet-, distributie- en detailhandelsketen voor visserij- en aquacultuurproducten;

„ernstige inbreuk”: een inbreuk zoals bedoeld in artikel 42, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en in artikel 90, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad;

„eindgebruiker van wetenschappelijke gegevens”: een orgaan dat met het oog op onderzoek of beheer belang heeft bij de wetenschappelijke analyse van gegevens in de visserijsector;

„overschot van de toegestane vangst”: het deel van de toegestane vangst dat een kuststaat vanwege gebrek aan capaciteit niet kan vangen;

„aquacultuurproducten”: de zich in een fase van hun levenscyclus bevindende aquatische organismen die in het kader van een aquacultuuractiviteit worden geproduceerd;

„paaibiomassa”: de geraamde hoeveelheid vis van een specifiek bestand die zich op een bepaald moment voortplant en die bestaat uit mannetjes, vrouwtjes en levendbarende vis;

„gemengde visserij”: een visserij waarbij meerdere soorten in het beviste gebied aanwezig zijn en met het vistuig kunnen worden gevangen.

„duurzamevisserijovereenkomsten”: internationale overeenkomsten die met een ander land worden gesloten met als doel om, in ruil voor een financiële vergoeding van de Unie, toegang te krijgen tot hulpbronnen of wateren.

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

„EU-wateren”: de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, met uitzondering van wateren die grenzen aan de in bijlage II van het Verdrag genoemde gebieden;

„mariene biologische hulpbronnen”: en toegankelijke levende mariene aquatische beschikbare soorten, met inbegrip van anadrome en katadrome soorten, in alle fasen van hun levenscyclus;

„biologische zoetwaterhulpbronnen”: beschikbare en toegankelijke levende aquatische zoetwatersoorten;

„vissersvaartuig”: elk vaartuig dat is uitgerust voor commerciële bevissing van mariene biologische hulpbronnen;

„EU-vissersvaartuig”: een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;

„maximale duurzame opbrengst”: de maximale vangst van een visbestand die kan worden bovengehaald ;

„voorzorgsbenadering van het visserijbeheer”: een benadering in het kader waarvan het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie niet mag worden gebruikt als een motief voor het uitstellen of achterwege laten van beheersmaatregelen voor de instandhouding van de doelsoorten, de geassocieerde of afhankelijke soorten en de niet-doelsoorten en hun milieu;

„ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer”: een benadering in het kader waarvan wordt gegarandeerd dat de van levende aquatische hulpbronnen afkomstige baten hoog zijn en de directe en indirecte effecten van de visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen laag zijn en niet nadelig zijn voor de toekomstige werking, diversiteit en integriteit van de betrokken ecosystemen;

„visserijsterftecoëfficiënt”: ;

„bestand”: ;

„vangstbeperking”: een kwantitatieve beperking van de hoeveelheden van een visbestand of groep visbestanden die in een bepaalde periode worden aangeland;

„instandhoudingsreferentiepunt”: waarde van parameters voor de populatie van een visbestand (zoals biomassa of visserijsterfte) die in het visserijbeheer worden gebruikt, bijvoorbeeld voor het bepalen van een aanvaardbaar niveau van biologisch risico of een wenselijk opbrengstniveau;

„vrijwaringsmaatregel”: een voorzorgsmaatregel die ontworpen is ter bescherming of ter voorkoming van een onwenselijke gebeurtenis;

„technische maatregel”: een maatregel om de soortensamenstelling en de groottesamenstelling van de vangsten, alsmede de impact van visserijactiviteiten op componenten van het ecosysteem te reguleren door voorwaarden vast te stellen voor het gebruik en de structuur van het vistuig en door de toegang tot visserijgebieden te beperken;

„vangstmogelijkheid”: een gekwantificeerd wettelijk recht om te vissen, uitgedrukt als vangsten en/of visserijinspanning, en de functioneel daarmee verbonden voorwaarden voor het kwantificeren ervan op een bepaald niveau;

„visserijinspanning”: het product van de capaciteit en de activiteit van een vissersvaartuig; voor een groep vaartuigen is dit de som van de visserijinspanning van alle vaartuigen in de groep;

„overdraagbare visserijconcessies”: intrekbare gebruikersrechten op een specifiek deel van de vangstmogelijkheden die aan zijn toegewezen of zijn vastgesteld in een door overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1967/2006 (1) aangenomen beheersplan, die de houder mag overdragen aan andere in aanmerking komende houders van dergelijke overdraagbare visserijconcessies;

„individuele vangstmogelijkheden”: jaarlijkse vangstmogelijkheden die aan houders van overdraagbare visserijconcessies in worden toegewezen op basis van het deel van de vangstmogelijkheden van die ;

„vangstcapaciteit”: de tonnage van een vaartuig in GT (Gross Tonnage - brutotonnage) en het vermogen ervan in kW (kilowatt), zoals gedefinieerd in de artikelen 4 en 5 van Verordening (EEG) nr. 2930/86 (2) van de Raad;

„aquacultuur”: de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu; deze organismen blijven in de gehele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

„visvergunning”: een vergunning zoals bedoeld in artikel 4, punt 9, van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

„vismachtiging”: een machtiging zoals bedoeld in artikel 4, punt 10, van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

„visserij”: het verzamelen of vangen van in hun natuurlijke omgeving levende aquatische organismen, of het intentionele gebruik van om het even welk middel om aquatische organismen te verzamelen of te vangen;

„visserijproducten”: de aquatische organismen die naar aanleiding van een visserijactiviteit worden bovengehaald;

„marktdeelnemer”: de natuurlijke of de rechtspersoon die een bedrijf exploiteert of bezit waarvan de activiteiten betrekking hebben op een stadium van de productie-, verwerkings-, afzet-, distributie- en detailhandelsketen voor visserij- en aquacultuurproducten;

„ernstige inbreuk”: een inbreuk zoals bedoeld in artikel 42, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en in artikel 90, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad;

„eindgebruiker van wetenschappelijke gegevens”: een orgaan dat met het oog op onderzoek of beheer belang heeft bij de wetenschappelijke analyse van gegevens in de visserijsector;

„overschot van de toegestane vangst”: het deel van de toegestane vangst dat een kuststaat vanwege gebrek aan capaciteit niet kan vangen;

„aquacultuurproducten”: de zich in een fase van hun levenscyclus bevindende aquatische organismen die in het kader van een aquacultuuractiviteit worden geproduceerd;

„paaibiomassa”: de geraamde hoeveelheid vis van een specifiek bestand die zich op een bepaald moment voortplant en die bestaat uit mannetjes, vrouwtjes en levendbarende vis;

„gemengde visserij”: een visserij waarbij meerdere soorten in het beviste gebied aanwezig zijn en met het vistuig kunnen worden gevangen.

„duurzamevisserijovereenkomsten”: internationale overeenkomsten die met een ander land worden gesloten met als doel om, in ruil voor een financiële vergoeding van de Unie, toegang te krijgen tot hulpbronnen of wateren

.

Motivering

De visserijsector heeft zich verbreed en omvat inmiddels nieuwe vormen van activiteit. Het begrip „marktdeelnemer” mag niet beperkt blijven tot natuurlijke of rechtspersonen die een bedrijf exploiteren of bezitten. Ook verenigingen en andere organisaties maken deel uit van de sector. Zo is in sommige delen van Europa de recreatieve visserij van groot belang voor de visvangst. Overal heeft de recreatieve visserij in het licht van de verstedelijking goede mogelijkheden om de mensen dichter bij de natuur te brengen. Dankzij deze vorm van recreatieve visserij krijgen de mensen zin om de natuur in te trekken en wordt hun de kans geboden om zich lichamelijk en geestelijk meer te ontspannen en hun gezondheid te verbeteren. Het aantal begeleide visexcursies en de toeristische visserij in het algemeen, evenals het economisch belang ervan, zijn groeiende. De visserij heeft ook een belangrijk aandeel in de ontwikkeling van de toeristische industrie en draagt er aldus toe bij dat plaatselijke gemeenschappen aan de kust en aan rivieren kunnen voortbestaan. Daarom zal het begrip „marktdeelnemer” een bredere invulling moeten krijgen. Hiervoor spreekt ook dat de vrijetijdsvisserij inmiddels onderdeel is van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zowel via de controleverordening als via de nieuwe beheersplannen voor afzonderlijke vissoorten.

Om rekening te houden met de diversiteit en de specificiteit van de visserijtakken in de verschillende Europese regio's is er enige flexibiliteit geboden bij een eventuele Europese definitie van „kleinschalige kustvisserij”.

Visgenetische activiteiten worden van doorslaggevend belang voor de instandhouding van de bestanden van waardevolle vissen door middel van herbevolking, als tegenwicht tegen exotische soorten die belangrijke niches van de habitats bezetten.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Algemene voorschriften inzake toegang tot de wateren

1.   Behoudens de in het kader van deel III vastgestelde maatregelen hebben EU vissersvaartuigen gelijke toegang tot de wateren en de bestanden in alle andere EU wateren dan die welke in de leden 2 en 3 worden bedoeld.

2.   In de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie tot 12 zeemijl vanaf de basislijnen mogen de betrokken lidstaten vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2022 de visserij beperken tot de vissersvaartuigen die traditioneel in die wateren vissen vanuit havens aan de aangrenzende kust, onverminderd de regelingen die in het kader van bestaande nabuurschapsbetrekkingen tussen lidstaten gelden voor EU vissersvaartuigen die de vlag van een andere lidstaat voert, en onverminderd de regelingen die zijn opgenomen in bijlage I, waarin voor elke lidstaat de geografische zones van de kustwateren van de andere lidstaten zijn vastgesteld waar visserijactiviteiten mogen plaatsvinden, evenals de soorten waarop deze activiteiten betrekking mogen hebben. De lidstaten delen de beperkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben ingevoerd, mee aan de Commissie.

3.   In de wateren tot 100 zeemijl vanaf de basislijnen van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden mogen de betrokken lidstaten vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2022 de visserij beperken tot de vissersvaartuigen die in de havens van deze eilanden zijn geregistreerd. Dergelijke beperkingen zijn niet van toepassing op EU vaartuigen die traditioneel in die wateren vissen, op voorwaarde dat die vaartuigen de traditioneel uitgeoefende visserijinspanning niet overschrijden. De lidstaten delen de beperkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben ingevoerd, mee aan de Commissie.

4.   De bepalingen die van toepassing worden na afloop van de in de leden 2 en 3 bedoelde regelingen, worden vastgesteld vóór 31 december 2022.

Algemene voorschriften inzake toegang tot de wateren

1.   Behoudens de in het kader van deel III vastgestelde maatregelen hebben EU-vissersvaartuigen gelijke toegang tot de wateren en de bestanden in alle andere EU-wateren dan die welke in de leden 2 en 3 worden bedoeld.

2.   In de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie tot 12 zeemijl vanaf de basislijnen mogen de betrokken lidstaten vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2022 de visserij beperken tot de vissersvaartuigen die traditioneel in die wateren vissen vanuit havens aan de aangrenzende kust, onverminderd de regelingen die in het kader van bestaande nabuurschapsbetrekkingen tussen lidstaten gelden voor EU-vissersvaartuigen die de vlag van een andere lidstaat voert, en onverminderd de regelingen die zijn opgenomen in bijlage I, waarin voor elke lidstaat de geografische zones van de kustwateren van de andere lidstaten zijn vastgesteld waar visserijactiviteiten mogen plaatsvinden, evenals de soorten waarop deze activiteiten betrekking mogen hebben. De lidstaten delen de beperkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben ingevoerd, mee aan de Commissie.

3.   In de wateren tot 100 zeemijl vanaf de basislijnen van de mogen de betrokken lidstaten vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2022 de visserij beperken tot de vissersvaartuigen die in de havens van deze eilanden zijn geregistreerd. Dergelijke beperkingen zijn niet van toepassing op EU-vaartuigen die traditioneel in die wateren vissen, op voorwaarde dat die vaartuigen de traditioneel uitgeoefende visserijinspanning niet overschrijden. De lidstaten delen de beperkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben ingevoerd, mee aan de Commissie.

4.   De bepalingen die van toepassing worden na afloop van de in de leden 2 en 3 bedoelde regelingen, worden vastgesteld vóór 31 december 2022.

Motivering

De ultraperifere regio's bevinden zich in een moeilijke situatie, waardoor zij allemaal speciale aandacht verdienen v ondersteuning van hun ontwikkeling, die nauw verband houdt met de goede staat van de mariene hulpbronnen en het zeemilieu in het algemeen. Dit wijzigingsvoorstel houdt rekening met alle ultraperifere regio's van de Europese Unie.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Technische maatregelen kunnen onder meer bestaan uit:

(i)

wijzigingen of aanvullende inrichtingen om de selectiviteit te verbeteren of de impact op de bentische zone te reduceren;

Technische maatregelen kunnen onder meer bestaan uit:

(i)

wijzigingen of aanvullende inrichtingen om de selectiviteit te verbeteren of de impact op te reduceren;

Motivering

Artikel 8 heeft niet alleen betrekking op de bentische zone, maar ook op de pelagische zone en op het vistuig dat daar wordt gebruikt [noot van de vertaler: de eerste voorgestelde wijziging (vervanging van „verhogen” in de Poolse versie door „verbeteren”) is niet van toepassing op de Nederlandse versie].

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Meerjarenplannen

1.   Prioritair worden meerjarenplannen vastgesteld die instandhoudingsmaatregelen omvatten om de visbestanden boven een niveau te houden of te brengen dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2.   De meerjarenplannen omvatten:

(a)

de basis voor het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden op basis van vooraf omschreven instandhoudingsreferentiepunten; en

(b)

maatregelen om op doeltreffende wijze te voorkomen dat de instandhoudingsreferentiepunten worden overschreden.

3.   De meerjarenplannen hebben, waar mogelijk, betrekking op visserijtakken die afzonderlijke visbestanden exploiteren of op visserijtakken die meerdere bestanden door elkaar exploiteren, en houden naar behoren rekening met interacties tussen bestanden en visserijtakken.

4.   Prioritair worden meerjarenplannen vastgesteld die instandhoudingsmaatregelen omvatten om de visbestanden boven een niveau te houden of te brengen dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

Meerjarenplannen

1.   Prioritair worden meerjarenplannen vastgesteld die instandhoudings-maatregelen omvatten om de visbestanden boven een niveau te houden of te brengen dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2.   De meerjarenplannen omvatten:

(a)

de basis voor het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden op basis van vooraf omschreven instandhoudingsreferentiepunten;

(b)

maatregelen om op doeltreffende wijze te voorkomen dat de instandhoudingsreferentiepunten worden overschreden

(

3.   De meerjarenplannen hebben, waar mogelijk, betrekking op visserijtakken die afzonderlijke visbestanden exploiteren of op visserijtakken die meerdere bestanden door elkaar exploiteren, en houden naar behoren rekening met interacties tussen bestanden en visserijtakken .

4.   Prioritair worden meerjarenplannen vastgesteld die instandhoudingsmaatregelen omvatten om de visbestanden boven een niveau te houden of te brengen dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

Motivering

De Europese Unie heeft de regionale adviesraden in 2004 opgericht om na te gaan welke mogelijkheden een regionale aanpak binnen het gemeenschappelijk visserijbeleid kan bieden. Deze adviesraden dienen dan ook beter bij de besluitvorming te worden betrokken, met name door hen te raadplegen over de meerjarenplannen. Op die manier vinden de betrokken plannen makkelijker ingang binnen de sector en worden ze vlotter uitgevoerd.

In de overeenkomst van Johannesburg van 2002 wordt erkend dat het bij sommige soorten en bestanden onmogelijk kan blijken om tegen 2015 de maximale duurzame opbrengst te bereiken. Daarom worden de woorden „waar mogelijk” ingelast. De EU moet niet proberen verder te gaan dan wat haar internationale verplichtingen voorschrijven. In de meerjarenplannen zijn streefcijfers vastgelegd voor een geleidelijke teruggooibeperking door middel van per regio goedgekeurde maatregelen. Voor die maatregelen kunnen legio instrumenten worden ingezet, al naar gelang wat de betrokken partijen voorstellen: een selectieve aanpak, invoering in bepaalde gebieden en/of op bepaalde momenten van vangstquota voor bepaalde vissoorten die in bepaalde zones bedreigd worden enz. Via de geconsolideerde regionale adviesraden moeten de betrokken partijen daarin een hoofdrol spelen. In de meerjarenplannen moet ook formeel rekening worden gehouden met de belangen van beschermde mariene zones, omdat in sommige daarvan veel vis gevangen wordt. Anders gezegd moet daarin uitdrukkelijk worden gewezen op ecosystemen als waarborg voor de duurzame instandhouding van visbestanden.

Het is belangrijk te verduidelijken dat de meerjarenplannen ook maatregelen moeten bevatten om het milieu in een goede toestand te herstellen. Anders dreigt het milieu er nog verder op achteruit te gaan, met een vermindering van de natuurlijke productiecapaciteiten van de mariene ecosystemen tot gevolg.

Goed beheer van beschermde mariene zones is een van de doelstellingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit. Het spreekt dus vanzelf dat hiermee in het gemeenschappelijk visserijbeleid rekening moet worden gehouden.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Doelstellingen van de meerjarenplannen

1.   In het kader van de meerjarenplannen moet de visserijsterftecoëfficiënt zo worden aangepast dat alle bestanden boven een niveau worden gehouden of gebracht dat uiterlijk in 2015 de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2.   Wanneer het niet mogelijk is een visserijsterftecoëfficiënt te bepalen die het mogelijk maakt de bestanden boven een niveau te brengen en te houden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, worden in de meerjarenplannen voorzorgsmaatregelen vastgesteld die een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden garanderen.

Doelstellingen van de meerjarenplannen

1.   In het kader van de meerjarenplannen moet de visserijsterftecoëfficiënt zo worden aangepast dat alle bestanden boven een niveau worden gehouden of gebracht dat uiterlijk in 2015 de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2.   Wanneer het niet mogelijk is een visserijsterftecoëfficiënt te bepalen die het mogelijk maakt de bestanden boven een niveau te brengen en te houden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, worden in de meerjarenplannen voorzorgsmaatregelen vastgesteld die een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden garanderen.

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Inhoud van de meerjarenplannen

Een meerjarenplan omvat:

a)

het voorwerp waarop het meerjarenplan wordt toegepast, d.w.z. de betrokken bestanden, visserijtakken en mariene ecosystemen;

b)

doelstellingen die verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen;

c)

kwantificeerbare streefdoelen die worden uitgedrukt in:

i)

visserijsterftecoëfficiënt, en/of

ii)

paaibiomassa, en

ii)

stabiliteit van de vangsten.

d)

een duidelijk tijdspad voor het halen van de kwantificeerbare streefdoelen;

e)

technische maatregelen, met inbegrip van maatregelen betreffende het elimineren van ongewenste vangsten;

f)

kwantificeerbare indicatoren voor het periodieke monitoren en beoordelen van de vooruitgang in de richting van de streefdoelen van het meerjarenplan;

g)

specifieke maatregelen en doelstellingen voor het deel van de levenscyclus van anadrome en katadrome soorten dat zich in zoet water afspeelt;

h)

het tot een minimum beperken van de impact van de visserij op het ecosysteem;

i)

vrijwaringsmaatregelen en criteria voor het in werking treden van deze vrijwaringsmaatregelen;

j)

andere maatregelen die geschikt zijn om de doelstellingen van de meerjarenplannen te halen.

Inhoud van de meerjarenplannen

Een meerjarenplan omvat:

a)

het voorwerp waarop het meerjarenplan wordt toegepast, d.w.z. de betrokken bestanden, visserijtakken en mariene ecosystemen;

b)

doelstellingen die verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen;

c)

kwantificeerbare streefdoelen die worden uitgedrukt in:

i)

visserijsterftecoëfficiënt, en/of

ii)

paaibiomassa, en

ii)

stabiliteit van de vangsten.

d)

een duidelijk tijdspad voor het halen van de kwantificeerbare streefdoelen;

e)

technische maatregelen, met inbegrip van maatregelen betreffende het elimineren van ongewenste vangsten;

f)

kwantificeerbare indicatoren voor het periodieke monitoren en beoordelen van de vooruitgang in de richting van de streefdoelen van het meerjarenplan;

g)

specifieke maatregelen en doelstellingen voor het deel van de levenscyclus van anadrome en katadrome soorten dat zich in zoet water afspeelt;

)

het tot een minimum beperken van de impact van de visserij op het ecosysteem;

)

vrijwaringsmaatregelen en criteria voor het in werking treden van deze vrijwaringsmaatregelen;

)

andere maatregelen die geschikt zijn om de doelstellingen van de meerjarenplannen te halen

Motivering

Vanuit een oogpunt van behoud van de biologische diversiteit en het duurzame karakter van de visserij is het noodzakelijk dat er maatregelen ter bescherming van migrerende visbestanden worden genomen. In het gemeenschappelijk visserijbeleid van de EU dient een speciale plaats ingeruimd te worden voor anadrome visbestanden (d.w.z. visbestanden die rivieren opzwemmen om er te paaien). In het gemeenschappelijk visserijbeleid zal principieel onderscheid moeten worden gemaakt tussen het beheer van anadrome visbestanden en dat van andere visbestanden. Bij het vastleggen van de principes voor de regulering van de visserij op migrerende visbestanden dient men zich te baseren op het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, waar in artikel 66 van hoofdstuk V het beheer van anadrome visbestanden apart wordt geregeld.

Het beheer van de biologische hulpbronnen is een dynamisch proces en soms is het nodig om snel een besluit te nemen, hetgeen buitengewoon moeilijk is vanwege de zeer trage en bureaucratische medebeslissingsprocedure. Dat blijkt wel uit de ervaringen die tot nu toe zijn opgedaan in de Noord- en Oostzee. De meerjarenplannen bevatten clausules waarin staat dat het beheer na 3-5 jaar moet worden geëvalueerd. Er bestaat echter geen officiële procedure voor snelle reacties in onvoorziene situaties waarin direct moet worden gehandeld. De lidstaten zouden zelf moeten bepalen wanneer en hoe ze in dergelijke situaties actie ondernemen.

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Verplichting tot het aanlanden van alle vangsten

1.   Alle vangsten van de volgende, aan vangstbeperkingen onderworpen visbestanden die worden gedaan tijdens visserijactiviteiten in EU-wateren of door EU-vissersvaartuigen in wateren buiten de Unie, worden overeenkomstig het volgende tijdspad aan boord van de vissersvaartuigen gebracht en gehouden, en worden geregistreerd en aangeland, behalve wanneer zij als levend aas worden gebruikt:

(a)

uiterlijk vanaf 1 januari 2014:

makreel, haring, horsmakreel, blauwe wijting, evervis, ansjovis, zilvervis, sardinella's, lodde;

blauwvintonijn, zwaardvis, witte tonijn, grootoogtonijn, andere zeilvis,

(b)

uiterlijk vanaf 1 januari 2015: kabeljauw, heek, tong,

(c)

uiterlijk vanaf 1 januari 2016: schelvis, wijting, schartong, zeeduivel, schol, leng, zwarte koolvis, witte koolvis, tongschar, tarbot, griet, blauwe leng, zwarte haarstaartvis, grenadiersvis, Atlantische slijmkop, zwarte heilbot, torsk, roodbaars en de mediterrane demersale bestanden.

2.   Voor de in lid 1 genoemde visbestanden worden op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies minimale instandhoudingsreferentiegrootten vastgesteld. Vangsten van deze bestanden die de minimale instandhoudingsreferentiegrootte niet halen, mogen slechts worden verkocht om tot vismeel of diervoeder te worden verwerkt.

3.   De handelsnormen voor vangsten van vis die de vastgestelde vangstmogelijkheden overschrijden, worden vastgesteld overeenkomstig artikel 27 van de verordening houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat EU-vissersvaartuigen die hun vlag voeren, zo zijn uitgerust dat zij alle visserij- en verwerkingsactiviteiten volledig kunnen documenteren met het oog op het toezicht op de naleving van de verplichting om alle vangsten aan te landen.

5.   Lid 1 is van toepassing onverminderd internationale verplichtingen.

6.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 1 bedoelde maatregelen te specificeren met het oog op de naleving van de internationale verplichtingen van de Unie.

1.    vangsten van de volgende, aan vangstbeperkingen onderworpen vis die worden gedaan tijdens visserijactiviteiten in EU-wateren of door EU-vissersvaartuigen in wateren buiten de Unie:

(a)

uiterlijk vanaf 1 januari 2014:

makreel, haring, horsmakreel, blauwe wijting, evervis, ansjovis, zilvervis, sardinella's, lodde;

blauwvintonijn, zwaardvis, witte tonijn, grootoogtonijn, andere zeilvis,

(b)

uiterlijk vanaf 1 januari 2015: kabeljauw, heek, tong,

(c)

uiterlijk vanaf 1 januari 2016: schelvis, wijting, schartong, zeeduivel, schol, leng, zwarte koolvis, witte koolvis, tongschar, tarbot, griet, blauwe leng, zwarte haarstaartvis, grenadiersvis, Atlantische slijmkop, zwarte heilbot, torsk, roodbaars en de mediterrane demersale bestanden.

2.   Voor de in lid 1 genoemde visbestanden worden op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies minimale instandhoudingsreferentiegrootten vastgesteld. Vangsten van deze bestanden die de minimale instandhoudingsreferentiegrootte niet halen, mogen slechts worden verkocht om tot vismeel of diervoeder te worden verwerkt.

3.   De handelsnormen voor vangsten van vis die de vastgestelde vangstmogelijkheden overschrijden, worden vastgesteld overeenkomstig artikel 27 van de verordening houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat EU-vissersvaartuigen die hun vlag voeren, zo zijn uitgerust dat zij alle visserij- en verwerkingsactiviteiten volledig kunnen documenteren met het oog op het toezicht op de van de .

5.   Lid 1 is van toepassing onverminderd internationale verplichtingen.

6.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 1 bedoelde maatregelen te specificeren met het oog op de naleving van de internationale verplichtingen van de Unie.

   

   

Motivering

In het wijzigingsvoorstel wordt geopperd om het teruggooien van vangsten te beperken door middel van meerjarenplannen. Daarvan is in de behandelde documenten echter helemaal geen sprake. De Commissie stelt voor om te besluiten, het aanlanden van alle commerciële vangsten met ingang van een bepaalde datum verplicht te stellen. De maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het Commissiebesluit moeten, afhankelijk van de situatie, door de regionale adviesraden of de lidstaten worden opgesteld. Het is daarom wellicht onjuist om van meerjarenplannen te spreken, aangezien die zich over een veel langere periode uitstrekken.

Het terugwerpen van vis in de zee is om veel redenen een gangbare praktijk. Door de in gebruik zijnde visserijmethoden te verbeteren en m.b.v. technische oplossingen selectiever te gaan vangen kan de hoeveelheid vis waarop niet bedoeld wordt gevist, worden teruggedrongen. De hier voorgestelde toevoeging is in het begin van ons advies als beleidsaanbeveling opgenomen, zodat het logisch is om haar ook in dit verband in het CvdR-wijzigingsvoorstel op te nemen.

Wijzigingsvoorstel 18

Artikel 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Vangstmogelijkheden

1.   De vangstmogelijkheden worden zodanig aan de lidstaten toegewezen dat voor iedere lidstaat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk visbestand of elke visserijtak gewaarborgd is. Bij de toewijzing van nieuwe vangstmogelijkheden wordt rekening gehouden met de belangen van elke lidstaat.

2.   Een deel van de totale vangstmogelijkheden mag worden gereserveerd voor bijvangsten.

3.   De vangstmogelijkheden moeten in overeenstemming zijn met de kwantificeerbare streefdoelen, termijnen en marges zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 11, onder b), c) en h).

4.   De lidstaten mogen, na mededeling aan de Commissie, de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk uitwisselen.

Vangstmogelijkheden

1.   De vangstmogelijkheden worden zodanig aan de lidstaten toegewezen dat voor iedere lidstaat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk visbestand of elke visserijtak gewaarborgd is. Bij de toewijzing van nieuwe vangstmogelijkheden wordt rekening gehouden met de belangen van elke lidstaat.

2.   Een deel van de totale vangstmogelijkheden mag worden gereserveerd voor bijvangsten.

3.   De vangstmogelijkheden moeten in overeenstemming zijn met de kwantificeerbare streefdoelen, termijnen en marges zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 11, onder b), c) en h).

4.   De lidstaten mogen, na mededeling aan de Commissie, de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk uitwisselen.

   

Motivering

De toevoeging van deze nieuwe paragraaf sluit aan bij de huidige verordening inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid. Over de toewijzing van vangstmogelijkheden moeten de lidstaten blijven beslissen, daar deze toewijzing het belangrijkste beschikbare instrument is om de structuur en de prestaties van de visserijsector te beïnvloeden. Hierover moet worden beslist op het niveau van de lidstaten, naargelang van de sociaaleconomische prioriteiten.

Wijzigingsvoorstel 19

Artikel 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Overeenkomstig meerjarenplannen vastgestelde instandhoudingsmaatregelen

1.   De lidstaten kunnen worden gemachtigd om, in op grond van de artikelen 9, 10 en 11 vastgestelde meerjarenplannen en overeenkomstig die meerjarenplannen, maatregelen vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke instandhoudingsmaatregelen met betrekking tot in EU-wateren aanwezige bestanden waarvoor zij vangstmogelijkheden hebben gekregen, van toepassing zijn op de onder hun vlag varende vaartuigen.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de overeenkomstig lid 1 vastgestelde instandhoudingsmaatregelen:

a)

verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen;

b)

verenigbaar zijn met het toepassingsgebied en de doelstellingen van het meerjarenplan;

c)

effectief zijn met het oog op de in het meerjarenplan vastgestelde doelstellingen en kwantificeerbare streefdoelen; en

d)

niet minder stringent zijn dan de in de EU-wetgeving vastgestelde instandhoudingsmaatregelen.

Overeenkomstig meerjarenplannen vastgestelde instandhoudingsmaatregelen

   

.   De lidstaten kunnen worden gemachtigd om, in op grond van de artikelen 9, 10 en 11 vastgestelde meerjarenplannen en overeenkomstig die meerjarenplannen, maatregelen vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke instandhoudingsmaatregelen met betrekking tot in EU-wateren aanwezige bestanden waarvoor zij vangstmogelijkheden hebben gekregen, van toepassing zijn op de onder hun vlag varende vaartuigen.

.   De lidstaten zien erop toe dat de overeenkomstig lid vastgestelde instandhoudingsmaatregelen:

a)

verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen;

b)

verenigbaar zijn met het toepassingsgebied en de doelstellingen van het meerjarenplan;

c)

effectief zijn met het oog op de in het meerjarenplan vastgestelde doelstellingen en kwantificeerbare streefdoelen; en

d)

niet minder stringent zijn dan de in de EU-wetgeving vastgestelde instandhoudingsmaatregelen.

Motivering

De Europese Unie heeft de regionale adviesraden in 2004 opgericht om na te gaan welke mogelijkheden een regionale aanpak binnen het gemeenschappelijk visserijbeleid kan bieden. Deze adviesraden dienen dan ook beter bij de besluitvorming te worden betrokken, met name door hun advies over de meerjarenplannen in te winnen. Op die manier vinden de betrokken plannen makkelijker ingang binnen de sector en worden ze vlotter uitgevoerd.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Technische maatregelen

De lidstaten kunnen worden gemachtigd om, in een op grond van artikel 14 vastgesteld raamwerk van technische maatregelen en overeenkomstig dat raamwerk, maatregelen vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke technische maatregelen met betrekking tot in hun wateren aanwezige bestanden waarvoor zij vangstmogelijkheden hebben gekregen, van toepassing zijn op de onder hun vlag varende vaartuigen. De lidstaten zien erop toe dat deze technische maatregelen:

a)

verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen;

b)

verenigbaar zijn met de doelstellingen van overeenkomstig artikel 14 vastgestelde maatregelen;

c)

effectief zijn met het oog op de doelstellingen die zijn vastgesteld in overeenkomstig artikel 14 vastgestelde maatregelen; en

d)

niet minder stringent zijn dan de in de EU wetgeving vastgestelde technische maatregelen.

Technische maatregelen

lidstaten worden gemachtigd om, in een op grond van artikel 14 vastgesteld raamwerk van technische maatregelen en overeenkomstig dat raamwerk, maatregelen vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke technische maatregelen met betrekking tot in hun wateren aanwezige bestanden waarvoor zij vangstmogelijkheden hebben gekregen, van toepassing zijn op de onder hun vlag varende vaartuigen. De lidstaten zien erop toe dat deze technische maatregelen:

a)

verenigbaar zijn met de in de artikelen 2 en 3 vastgestelde doelstellingen;

b)

verenigbaar zijn met de doelstellingen van overeenkomstig artikel 14 vastgestelde maatregelen;

c)

effectief zijn met het oog op de doelstellingen die zijn vastgesteld in overeenkomstig artikel 14 vastgestelde maatregelen; en

d)

niet minder stringent zijn dan de in de EU-wetgeving vastgestelde technische maatregelen.

Motivering

De Europese Unie heeft de regionale adviesraden in 2004 opgericht om na te gaan welke mogelijkheden een regionale aanpak binnen het gemeenschappelijk visserijbeleid kan bieden. Deze adviesraden dienen dan ook beter bij de besluitvorming te worden betrokken, met name door hen te raadplegen over de meerjarenplannen. Op die manier vinden de betrokken plannen makkelijker ingang binnen de sector en worden ze vlotter uitgevoerd.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 27, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

1.   Elke lidstaat stelt uiterlijk op 31 december 2013 een systeem van overdraagbare visserijconcessies vast voor:

(a)

alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van ten minste 12 meter; en

(b)

alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die zijn uitgerust met sleeptuig.

1.   Elke lidstaat een systeem van overdraagbare visserijconcessies vast voor:

(a)

alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van ten minste 12 meter; en

(b)

alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter .

Motivering

De invoering van overdraagbare visserijconcessies moet worden bevorderd, maar daarover moeten de lidstaten evenwel t.z.t. kunnen beslissen. Dergelijke concessies gelden enkel voor gereglementeerde bestanden en elders werd al erkend dat de grootte van vaartuigen niet van invloed is op de bevissingsgraad van de betrokken bestanden.

Wijzigingsvoorstel 22

Artikel 27, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

De lidstaten mogen het systeem van overdraagbare visserijconcessies uitbreiden tot vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die met ander tuig dan sleeptuig zijn uitgerust, en delen dit aan de Commissie mee.

De lidstaten mogen het systeem van overdraagbare visserijconcessies uitbreiden tot vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die ander tuig dan sleeptuig gebruikmaken, en delen dit aan de Commissie mee.

Motivering

Wijzigingsvoorstel 23

Artikel 28, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Toewijzing van overdraagbare visserijconcessies

1.   Overdraagbare visserijconcessies behelzen het recht om gebruik te maken van overeenkomstig artikel 29, lid 1, toegewezen individuele vangstmogelijkheden.

Toewijzing van overdraagbare visserijconcessies

1.   verdraagbare visserijconcessies het recht om gebruik te maken van overeenkomstig artikel 29, lid 1, toegewezen individuele vangstmogelijkheden.

Motivering

De invoering van een systeem van overdraagbare visserijconcessies moet de lidstaten vrijstaan; als hierover overeenstemming bestaat, moet de tekst worden aangepast om aan te geven dat het kader voor het beheer van overdraagbare visserijconcessies alleen van toepassing is als voor deze optie wordt gekozen.

Wijzigingsvoorstel 24

Artikel 28, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Elke lidstaat wijst op basis van transparante criteria overdraagbare visserijconcessies toe voor elk bestand of elke groep bestanden waarvoor overeenkomstig artikel 16 vangstmogelijkheden zijn toegewezen, behalve wanneer het vangstmogelijkheden betreft die zijn verkregen in het kader van duurzamevisserijovereenkomsten.

lidstaat wijst op basis van transparante criteria overdraagbare visserijconcessies toe voor elk bestand of elke groep bestanden waarvoor overeenkomstig artikel 16 vangstmogelijkheden zijn toegewezen, behalve wanneer het vangstmogelijkheden betreft die zijn verkregen in het kader van duurzamevisserijovereenkomsten.

Wijzigingsvoorstel 25

Artikel 28, lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Toewijzing van overdraagbare visserijconcessies

5.   De lidstaten mogen de geldigheidsduur van overdraagbare visserijconcessies beperken tot ten minste 15 jaar met het oog op de hertoewijzing van deze concessies. Lidstaten die de geldigheidsduur van overdraagbare visserijconcessies niet hebben beperkt, mogen deze concessies na een voorafgaande kennisgevingstermijn van ten minste 15 jaar intrekken.

Toewijzing van overdraagbare visserijconcessies

5.   De lidstaten mogen de geldigheidsduur van overdraagbare visserijconcessies beperken.

Motivering

Iedere afzonderlijke lidstaat is bevoegd voor de modaliteiten betreffende de overdracht van visserijconcessies. Letland en sommige andere lidstaten kennen reeds een efficiënte regeling voor deze concessies. Invoering van een nieuw systeem brengt alleen maar administratieve rompslomp met zich mee en vergt bijkomende financiering, terwijl ook niet vaststaat of het doeltreffender zal zijn.

Wijzigingsvoorstel 26

Artikel 28, lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

6.   Lidstaten mogen visserijconcessies na een kortere voorafgaande kennisgevingstermijn intrekken, indien wordt geconstateerd dat de houder van de concessies een ernstige inbreuk heeft gepleegd. Bij dergelijke intrekkingen, die waar nodig onmiddellijk van kracht worden, moeten het gemeenschappelijk visserijbeleid en het evenredigheidsbeginsel onverkort worden toegepast.

6.   Lidstaten mogen visserijconcessies na een kortere voorafgaande kennisgevingstermijn intrekken, indien wordt geconstateerd dat de houder van de concessies een ernstige inbreuk heeft gepleegd. Bij dergelijke intrekkingen, die waar nodig onmiddellijk van kracht worden, moeten het gemeenschappelijk visserijbeleid en het evenredigheidsbeginsel onverkort worden toegepast.

Wijzigingsvoorstel 27

Artikel 28, lid 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

7.   Onverminderd de leden 5 en 6 mogen de lidstaten overdraagbare visserijconcessies die gedurende drie opeenvolgende jaren niet door het vissersvaartuig zijn gebruikt, intrekken.

7.   Onverminderd de leden 5 en 6 mogen de lidstaten overdraagbare visserijconcessies die gedurende opeenvolgende jaren niet door het vissersvaartuig zijn gebruikt, intrekken, .

Motivering

De voorgestelde termijn van drie jaar is te lang en nu al onderwerp van speculatie. Wat de duur betreft, is er enige flexibiliteit nodig om het voortbestaan van ondernemingen met bijzondere problemen niet in gevaar te brengen.

Wijzigingsvoorstel 28

Artikel 28, lid 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

 

Nieuw lid toevoegen:

8.   

Wijzigingsvoorstel 29

Artikel 29

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Toewijzing van individuele vangstmogelijkheden

1.   De lidstaten wijzen individuele vangstmogelijkheden toe aan houders van in artikel 28 bedoelde overdraagbare visserijconcessies op basis van vangstmogelijkheden die aan de lidstaten zijn toegewezen of zijn vastgesteld in beheersplannen die de lidstaten overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1967/2006 hebben aangenomen.

2.   Met betrekking tot soorten waarvoor de Raad geen vangstmogelijkheden heeft vastgesteld, bepalen de lidstaten welke vangstmogelijkheden op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies kunnen worden toegewezen aan vissersvaartuigen die hun vlag voeren.

3.   De vissersvaartuigen verrichten slechts visserijactiviteiten wanneer zij in het bezit zijn van voldoende individuele vangstmogelijkheden om hun potentiële vangst volledig te dekken.

4.   De lidstaten mogen een reserve van maximaal 5 % van de vangstmogelijkheden aanleggen. Zij stellen doelstellingen en transparante criteria vast voor de toewijzing van deze gereserveerde vangstmogelijkheden. Deze vangstmogelijkheden mogen slechts worden toegewezen aan in artikel 28, lid 4, bedoelde in aanmerking komende houders van overdraagbare visserijconcessies.

5.   Bij de toewijzing van overdraagbare visserijconcessies overeenkomstig artikel 28 en bij de toewijzing van vangstmogelijkheden overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel mogen de lidstaten in het kader van de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden voorzien in stimulansen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig dat ongewenste bijvangsten elimineert.

6.   De lidstaten mogen vergoedingen voor het gebruik van individuele vangstmogelijkheden vaststellen om bij te dragen in de kosten voor visserijbeheer.

Toewijzing van individuele vangstmogelijkheden

   

   

   

   

1.   Bij de toewijzing van overdraagbare visserijconcessies overeenkomstig artikel 28 en bij de toewijzing van vangstmogelijkheden overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel mogen de lidstaten in het kader van de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden voorzien in stimulansen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig dat ongewenste bijvangsten elimineert.

2.   De lidstaten mogen vergoedingen voor het gebruik van individuele vangstmogelijkheden vaststellen om bij te dragen in de kosten voor visserijbeheer.

Motivering

Toewijzing van vangstmogelijkheden dient een zaak van de lidstaten te blijven.

Wijzigingsvoorstel 30

Artikel 31, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Overdracht van overdraagbare visserijconcessies

1.   Overdraagbare visserijconcessies mogen in een lidstaat geheel of gedeeltelijk worden overgedragen tussen in aanmerking komende houders van dergelijke concessies.

2.   Een lidstaat mag de overdracht van overdraagbare visserijconcessies van en naar een andere lidstaat toestaan.

3.   De lidstaten mogen de overdracht van overdraagbare visserijconcessies reglementeren door voorwaarden vast te stellen voor de overdracht op basis van transparante en objectieve criteria.

Overdracht van overdraagbare visserijconcessies

1.    mogen in een lidstaat geheel of gedeeltelijk worden overgedragen tussen in aanmerking komende houders van dergelijke concessies.

   

.   De lidstaten mogen de overdracht van overdraagbare visserijconcessies reglementeren door voorwaarden vast te stellen voor de overdracht op basis van transparante en objectieve criteria.

Motivering

Dat systeem dient facultatief voor de lidstaten te zijn. De beheersregels zijn alleen van toepassing wanneer inderdaad voor het systeem is gekozen.

De overdraagbare visserijconcessies kunnen binnen een lidstaat worden overgedragen, maar alleen omwille van het behoud van de in artikel 16, lid 1, genoemd relatieve stabiliteit. Wil men niet terugkomen op het algemene en onbetwiste beginsel van relatieve stabiliteit, dan lijkt het ondenkbaar dat de overdracht van concessies wordt toegestaan.

Wijzigingsvoorstel 31

Artikel 32, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Leasing van individuele vangstmogelijkheden

1.   Binnen een lidstaat mogen individuele vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk worden geleast.

2.   Een lidstaat mag de leasing van overdraagbare visserijconcessies van en naar een andere lidstaat toestaan.

Leasing van individuele vangstmogelijkheden

1.   Binnen een lidstaat mogen individuele vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk worden geleast.

   

Motivering

De overdraagbare visserijconcessies kunnen binnen een lidstaat worden overgedragen, maar alleen omwille van het behoud van de in artikel 16, lid 1, genoemde relatieve stabiliteit. Wil men niet terugkomen op het algemene en onbetwiste beginsel van relatieve stabiliteit, dan lijkt het ondenkbaar dat de overdracht van concessies wordt toegestaan.

Wijzigingsvoorstel 32

Artikel 35

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

1.   Voor de vloot van elke lidstaat geldt een in bijlage II vastgesteld vangstcapaciteitsmaximum.

2.   De lidstaten mogen de Commissie vragen om vissersvaartuigen die onder een overeenkomstig artikel 27 vastgesteld systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen, uit te sluiten van de in lid 1 bedoelde vangstcapaciteitsmaxima. In dat geval worden de betrokken vangstcapaciteitsmaxima herberekend teneinde rekening te houden met de vissersvaartuigen die niet onder een systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen.

3.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de herberekening van de in de leden 1 en 2 bedoelde vangstcapaciteitsmaxima.

1.   Voor de vloot van elke lidstaat geldt een in bijlage II vastgesteld vangstcapaciteitsmaximum.

2.   De lidstaten mogen de Commissie vragen om vissersvaartuigen die onder een overeenkomstig artikel 27 vastgesteld systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen, uit te sluiten van de in lid 1 bedoelde vangstcapaciteitsmaxima. In dat geval worden de betrokken vangstcapaciteitsmaxima herberekend teneinde rekening te houden met de vissersvaartuigen die niet onder een systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen.

3.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de herberekening van de in de leden 1 en 2 bedoelde vangstcapaciteitsmaxima.

Motivering

De vissersvloot van de ultraperifere regio's bestaat hoofdzakelijk uit kleine schepen, die zich hoofdzakelijk met kustvisserij bezighouden. Het gaat hier om kleinschalige visserij, die weinig opbrengt. De voorgestelde nieuwe referentiewaarden, die uitgaan van de situatie van de vloot op 31 december 2010, brengen de overlevingskansen van de visserij in de ultraperifere regio's in groot gevaar.

Wijzigingsvoorstel 33

Artikel 53

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Taken van de adviesraden

1.   De adviesraden kunnen:

a)

bij de Commissie of bij de betrokken lidstaten aanbevelingen en suggesties indienen inzake aangelegenheden die te maken hebben met visserijbeheer en aquacultuur;

b)

de Commissie en de lidstaten op de hoogte brengen van problemen op het gebied van visserijbeheer en aquacultuur die zich in hun bevoegdheidszone voordoen;

c)

in nauwe samenwerking met wetenschappers bijdragen tot het verzamelen, aanleveren en analyseren van de gegevens die nodig zijn voor de ontwikkeling van instandhoudingsmaatregelen.

2.   De Commissie en, in voorkomend geval, de betrokken lidstaat moeten binnen een redelijke termijn reageren op de aanbevelingen, suggesties of gegevens die zij op grond van lid 1 ontvangen.

Taken van de adviesraden

1.   De adviesraden :

a)

bij de Commissie of bij de betrokken lidstaten aanbevelingen en suggesties in inzake aangelegenheden die te maken hebben met visserijbeheer en aquacultuur;

de Commissie en de lidstaten op de hoogte van problemen op het gebied van visserijbeheer en aquacultuur die zich in hun bevoegdheidszone voordoen;

in nauwe samenwerking met wetenschappers bij tot het verzamelen, aanleveren en analyseren van de gegevens die nodig zijn voor de ontwikkeling van instandhoudingsmaatregelen.

2.   De Commissie en, in voorkomend geval, de betrokken lidstaat moeten binnen een redelijke termijn reageren op de aanbevelingen, suggesties of gegevens die zij op grond van lid 1 ontvangen.

Motivering

De invoering van een gedecentraliseerd beheer moet worden aangemoedigd. Dit beheer zou moeten worden ingesteld bij de uitwerking van de regels voor het gemeenschappelijk visserijbeleid via een versterking van het regionale niveau bij de uitwerking van de voorschriften en vooral ook bij de uitvoering. De regionale adviesraden zouden een cruciale rol moeten spelen in dit gecentraliseerde beheer, hetgeen betekent dat ze meer bevoegdheden moeten krijgen om voorstellen te doen en dat er meer rekening moet wordt gehouden met hun adviezen. Dit veronderstelt ook een grotere betrokkenheid van de lidstaten en de verschillende partijen die aan hun werkzaamheden deelnemen. De regionale adviesraden, die zo meer legitimiteit verkrijgen, zullen een passend kader vormen om discussies te voeren volgens een benadering per visserijtak, en zouden afhankelijk van de regionale problemen voor een wetenschappelijke begeleiding kunnen zorgen. De regionale adviesraden dienen in aanmerking te komen voor financiële steun uit hoofde van de EFMZV-verordening en ook de lidstaten en de betrokken wetenschappelijke instellingen zouden deel moeten uitmaken van deze adviesraden. In het kader van deze nieuwe regeling zouden adviezen van de met de lidstaten en alle betrokken partijen „uitgebreide” regionale adviesraden met consensus moeten worden aangenomen. In de nieuwe voorstellen die de Commissie vervolgens bij de wetgever indient, zou rekening moeten worden gehouden met de uitgebrachte adviezen. De regionale adviesraden zouden eventueel ook regelgevingsvoorstellen bij de Commissie moeten kunnen indienen.

Wijzigingsvoorstel 34

Artikel 54

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Samenstelling, werking en financiering van de adviesraden

1.   Iedere adviesraad bestaat uit organisaties die de marktdeelnemers van de visserijsector vertegenwoordigen en uit andere belangengroepen die te maken hebben met het gemeenschappelijk visserijbeleid.

2.   Iedere adviesraad bestaat uit een algemene vergadering en een uitvoerend comité en stelt de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om zich naar behoren te organiseren en om te garanderen dat het werk transparant verloopt en dat alle naar voren gebrachte standpunten worden gerespecteerd.

3.   De adviesraden kunnen uit hoofde van hun functie als organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven, financiële EU-steun aanvragen.

4.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de samenstelling en de werking van de adviesraden.

Samenstelling, werking en financiering van de adviesraden

1.   Iedere adviesraad bestaat uit organisaties die de marktdeelnemers van de visserijsector vertegenwoordigen en andere belangengroepen die te maken hebben met het gemeenschappelijk visserijbeleid.

2.   Iedere adviesraad bestaat uit een algemene vergadering en een uitvoerend comité en stelt de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om zich naar behoren te organiseren en om te garanderen dat het werk transparant verloopt en dat alle naar voren gebrachte standpunten worden gerespecteerd.

3.   De adviesraden kunnen uit hoofde van hun functie als organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven, financiële EU-steun aanvragen.

4.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de samenstelling en de werking van de adviesraden.

Motivering

Omwille van de doeltreffendheid en legitimiteit zouden de regionale adviesraden moeten worden uitgebreid met vertegenwoordigers van de lidstaten en de betrokken wetenschappelijke instellingen. Dit maakt het mogelijk om betere en zinvollere discussies te voeren over regionale visserijproblemen.

COM(2011) 416 final

Wijzigingsvoorstel 35

Artikel 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

b)

ongewenste vangsten van commerciële bestanden optimaal gebruiken door:

aangelande producten die niet de in artikel 39, lid 2, onder a), bedoelde minimummaat voor de afzet hebben, te bestemmen voor andere doeleinden dan menselijke consumptie;

aangelande producten die de in artikel 39, lid 2, onder a), bedoelde minimummaat hebben, op de markt te brengen;

aangelande producten gratis uit te reiken voor liefdadigheidsdoeleinden;

b)

ongewenste vangsten van commerciële bestanden optimaal gebruiken door:

aangelande producten die niet de in artikel 39, lid 2, onder a), bedoelde minimummaat voor de afzet hebben, te bestemmen voor andere doeleinden dan menselijke consumptie;

aangelande producten die de in artikel 39, lid 2, onder a), bedoelde minimummaat hebben, op de markt te brengen;

aangelande producten gratis te voor liefdadigheidsdoeleinden;

Motivering

Er bestaat een wezenlijk verschil tussen gratis uitreiken (waarbij de kosten worden gedragen door de producentenorganisatie) en gratis ter beschikking stellen (waarbij de kosten door de producentenorganisatie of de ontvanger kunnen worden gedragen).

Brussel, 4 mei 2012

De voorzitster van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11.

(2)  PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1.


27.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/46


Advies van het Comité van de Regio's — Actief ouder worden: innovatie — slimme gezondheid — hogere levenskwaliteit

2012/C 225/05

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

roept de Europese Commissie op, in aansluiting op het Europees Jaar 2012 een Europees Burgemeestersconvenant inzake democratische veranderingen in het leven te roepen om lokale en regionale overheden die oplossingen op het gebied van innovatie, slimme gezondheid en beter leven ter ondersteuning van actief en gezond ouder worden willen promoten, bijeen te brengen; dit convenant zou administratieve en financiële ondersteuning moeten krijgen;

deelt het beeld van het Samenwerkingsverband voor het Europees Jaar 2012 van een maatschappij voor alle leeftijden waarin iedereen in staat wordt gesteld actief aan de samenleving deel te nemen en dezelfde rechten en kansen te genieten in alle fasen van hun leven, ongeacht leeftijd, geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, sociale of economische status, seksuele geaardheid, lichamelijke of geestelijke gesteldheid, of de behoefte aan zorg;

beklemtoont dat het van belang is dat ouderen en hun verzorgers actief geraadpleegd en betrokken worden bij het in kaart brengen van hun behoeften, het uitwerken van oplossingen en het evalueren van prestaties. Met een dergelijke op participatie gerichte aanpak wordt de sociale inclusie bevorderd en ervoor gezorgd dat de diensten zo nauw mogelijk aansluiten bij de feitelijke behoeften van de afnemers;

beveelt de Europese Commissie aan om de lokale en regionale overheden een actievere rol toe te kennen bij de beoordeling van de sociale effecten van de verschillende initiatieven ten behoeve van actief en gezond ouder worden; dit om te waarborgen dat de gevolgen voor oudere mannen en vrouwen in de dagelijkse praktijk adequaat worden beoordeeld.

Algemeen rapporteur

De heer Arnoldas ABRAMAVICIUS (LT/EVP), burgemeester en gemeenteraadslid van Zarasai

Referentiedocument

/

I.   INLEIDING

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

1.

Verwelkomt het initiatief van het Deense Voorzitterschap om subnationale overheden te betrekken bij de dialoog op EU-niveau over de vraag hoe de demografische uitdaging het hoofd geboden kan worden en hoe de kansen die een vergrijzende bevolking biedt, optimaal benut kunnen worden. Zoals in het advies van het CvdR over het opvangen van de gevolgen van de vergrijzing in de EU  (1) en in het verslag van het Europees Parlement over het Europees Jaar 2012 (2) reeds gesteld is, beschikken lokale en regionale overheden in veel lidstaten over essentiële bevoegdheden op de drie gebieden waarop het Europees Jaar van actief ouder worden en van de solidariteit tussen de generaties betrekking heeft: werkgelegenheid, deelname aan de samenleving en zelfstandig leven.

2.

Het CvdR benadrukt dat het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van de vergrijzing een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie is. Aangezien de lokale en regionale overheden de behoeften van burgers van nabij zien en verantwoordelijk zijn voor het verlenen van het merendeel van de diensten die ouderen nodig hebben om hun oude dag waardig door te kunnen brengen, dienen zij rechtstreeks betrokken te worden bij al het overleg op EU-niveau over ouder worden: dit is van cruciaal belang om de doelstellingen van Europa 2020 te bereiken en zou ook bijdragen tot de sociale, economische en territoriale cohesie.

3.

Het CvdR verwelkomt het Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden, dat beoogt een breed scala aan stakeholders op alle niveaus te mobiliseren om de gezonde levensduur van de EU-burgers met twee jaar te verlengen, en herinnert eraan dat de lokale en regionale overheden beschikken over essentiële bevoegdheden op de drie gebieden die de pijlers van het innovatiepartnerschap vormen: preventie, screening en vroegtijdige diagnose; zorg en behandeling; en actief ouder worden en zelfstandig leven.

4.

Het CvdR deelt het beeld van het Samenwerkingsverband voor het Europees Jaar 2012 van een maatschappij voor alle leeftijden waarin iedereen in staat wordt gesteld actief aan de samenleving deel te nemen en dezelfde rechten en kansen te genieten in alle fasen van hun leven, ongeacht leeftijd, geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, sociale of economische status, seksuele geaardheid, lichamelijke of geestelijke gesteldheid, of de behoefte aan zorg.

5.

Het CvdR pleit voor een positieve benadering van ouder worden en deelt de visie dat innovatie de dienstverlening aan onze vergrijzende bevolking kan verbeteren. Er moet wel worden beklemtoond dat innovatie niet slechts omwille van de verandering nagestreefd dient te worden; innovatie is eerder een waardevol aandrijfmechanisme om de kwaliteit en kostenefficiëntie van de maatregelen om aan de toenemende en zich ontwikkelende behoeften te beantwoorden in tijden van financiële beperkingen te verbeteren.

6.

Het CvdR is van mening dat het door de economisch en financiële crisis dringender dan ooit is om de manier waarop onze samenleving functioneert, fundamenteel te herzien en ons tot het uiterste in te spannen om iedereen – jong en oud – in staat te stellen een actieve rol op de arbeidsmarkt en in hun gemeenschap te spelen en zo lang mogelijk onafhankelijk te leven. De vergrijzing kan het best worden benaderd door een impuls te geven aan leeftijdvriendelijke gemeenschappen, waarin openbare ruimte, vervoer, huisvesting en plaatselijke diensten worden opgezet vanuit de behoeften van alle generaties en waarin solidariteit en samenwerking tussen generaties gestimuleerd wordt. Dergelijke gemeenschappen zijn doorgaans ook milieuvriendelijker en leiden tot een grotere sociale cohesie en een grotere sociale participatie van andere kwetsbare groepen.

7.

Het CvdR beklemtoont dat het van belang is dat ouderen en hun verzorgers actief worden geraadpleegd en betrokken bij het in kaart brengen van hun behoeften, het uitwerken van oplossingen en het evalueren van prestaties. Met een dergelijke op participatie gerichte aanpak wordt de sociale inclusie bevorderd en ervoor gezorgd dat de diensten zo nauw mogelijk aansluiten bij de feitelijke behoeften van de afnemers.

8.

Het CvdR wijst erop dat het „zilveren economie”-concept in verschillende delen van Europa zijn intrede heeft gedaan; dit concept houdt in dat er een breed scala aan producten en diensten wordt ontwikkeld voor het toenemende aantal ouderen met behoefte aan gezondheidszorg en verzorging, mobiliteitsbeperkingen en beperkingen bij hun dagelijkse activiteiten. De zilveren economie heeft zich inmiddels uitgebreid tot andere marktsegmenten, zoals wellness, fitness, vrije tijd, reizen, cultuur, communicatie, entertainment en toegang tot nieuwe technologieën. Tal van kleine en middelgrote ondernemingen en bedrijvenclusters in diverse lidstaten specialiseren zich ook in innovatieve technologie voor ouderen, zoals op het gebied van domotica, dat geweldige groeimogelijkheden biedt. Ook moeten er weliswaar gespecialiseerde producten en diensten komen voor mensen met specifieke behoeften, maar het is wel zo dat de meeste ouderen het liefst gebruik willen kunnen maken van gewone goederen en diensten. Daarom zou er een bredere aanpak bevorderd moeten worden op basis van het concept „Design for All”, waarbij de behoeften en verwachtingen van ouderen en mensen met beperkingen gemainstreamd worden, en daarnaast gespecialiseerde nicheproducten voor zeer specifieke behoeften worden ontwikkeld.

9.

Het CvdR wijst op de tendens dat steeds meer lokale en regionale overheden kijken naar sociale innovatie en oplossingen op basis van ICT om de kwaliteit en kostenefficiëntie van hun gezondheidsdiensten en langdurige zorgverlening in zowel steden als landelijke gebieden te verbeteren, daar waar dergelijke oplossingen ertoe kunnen bijdragen ouderen essentiële diensten te verlenen tegen kosten die voor de overheid en de burger beter te dragen zijn. Dergelijke initiatieven vergen echter een zekere hoeveelheid investeringen en acties die door andere bestuurslagen uitgevoerd moeten worden om de overstap te maken van proefprojecten naar grootschalige modellen die op nationaal niveau of elders in de EU ingevoerd kunnen worden. Op dit gebied hebben de lokale en regionale overheden alle steun die zij van hun nationale regering en van de EU kunnen krijgen, hard nodig.

10.

Het CvdR benadrukt dat er weliswaar veel voorbeelden zijn van innovatieve maatregelen op lokaal niveau ter ondersteuning van actief en gezond ouder worden en dat sociale incubatoren vaak lokale initiatieven zijn, dicht bij de behoeften waarin zij willen voorzien, maar dat een aanpak op projectbasis niet altijd de aangewezen manier is om een kritieke massa en betaalbaarheid op lange termijn tot stand te brengen. Er bestaat behoefte aan een overkoepelende strategische visie om een inclusieve en ondersteunende omgeving te creëren. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het sociale-innovatieproject van de Deense gemeente Fredericia, waarbij wordt getracht de zelfredzaamheid van ouderen die hulp inroepen voor hun dagelijkse activiteiten, door middel van preventie, rehabilitatie, technologie en sociale netwerken te behouden of te herstellen. Hun benadering is gebaseerd op een paradigmaverschuiving: oudere mensen worden niet meer als „hulpeloze” patienten maar als „burgers met hulpbronnen” beschouwd. Dit initiatief werd als proefproject gesteund door het Deense Ministerie van Financiën en dient voortaan als model voor andere Deense gemeenten.

11.

Het CvdR benadrukt dat de vergrijzingsproblematiek een sterke genderdimensie heeft en dat daarom extra aandacht moet uitgaan naar de gevolgen van de huidige hervormingen op het gebied van sociale bescherming en van de bezuinigingen op de sociale dienstverlening (met name kinderopvang en ouderenzorg) voor de inzetbaarheid van vrouwen en voor de loon- en pensioenverschillen tussen man en vrouw. De zorg voor hulpbehoevende verwanten zal namelijk meer terechtkomen op de schouders van mantelzorgers – voor het merendeel vrouwen – en zij zullen in te toekomst te maken krijgen met een grotere kans op armoede en sociale uitsluiting indien er niets aan deze onevenwichtigheden wordt gedaan. Stress en overbelasting in de zorgsector – waarin hoofdzakelijk vrouwen werkzaam zijn – kunnen in de toekomst ook nieuwe problemen voor oudere vrouwen opleveren.

II.   AANBEVELINGEN VAN HET CVDR AAN DE RAAD EN DE EUROPESE COMMISSIE

12.

Het CvdR meent dat er een betere coördinatie moet komen tussen de verschillende niveaus die zijn betrokken bij het ontwikkelen van oplossingen voor actief en gezond ouder worden en wijst erop dat een hogere mate van multilevel governance op dit gebied noodzakelijk is. Lokale en regionale overheden zouden niet slechts als uitvoerende partijen moeten worden beschouwd, maar moeten bij het gehele besluitvormings- en evaluatieproces worden betrokken.

13.

Het CvdR meent dat een echte meerwaarde gecreëerd zou worden indien de EU een kader zou scheppen dat overheden en actoren op alle niveaus in staat stelt van elkaars ervaringen te profiteren, succesvolle initiatieven in kaart te brengen en van mislukkingen te leren zodat wordt voorkomen dat steeds dezelfde fouten worden gemaakt, en hen helpt om hun beperkte hulpbronnen te investeren in innovatieve oplossingen die doeltreffend zijn gebleken.

14.

Het CvdR adviseert het Comité van de Regio's toe te laten als lid van de stuurgroep van het Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden, om ervoor te zorgen dat de lokale en regionale overheden adequaat vertegenwoordigd worden in het besluitvormingsproces van het partnerschap en om het CvdR in staat te stellen een multipliereffect te sorteren door een breed scala aan lokale en regionale overheden te mobiliseren om deel te nemen aan de uitvoering van het partnerschap – deze overheden beschikken immers over bevoegdheden op alle zes belangrijkste actiegebieden.

15.

Het CvdR steunt het in het kader van het Europees Innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden gedane voorstel om een Europees netwerk van leeftijdsvriendelijke omgevingen op te zetten en is verheugd over de inspanningen van het AGE Platform Europe en de Wereldgezondheidsorganisatie om de aanzet te geven tot een dergelijk netwerk. Het CvdR beveelt aan dat er EU-middelen worden uitgetrokken om een dergelijk EU-netwerk in nauwe samenwerking met de WHO te kunnen ontwikkelen.

16.

Het CvdR stelt voor dat de Commissie zich toelegt op kennis over hoogbejaarden; onder de verschillende actoren bestaat behoefte aan meer kennis over deze groep, die deels nog nieuw is. Er moet onderzoek worden gedaan om de doeltreffendheid en kosteneffectiviteit te beoordelen van gezondheidsbevorderende en preventieve maatregelen tijdens de gehele levensduur in het algemeen en tijdens de laatste levensfase in het bijzonder. Ook moet nader worden onderzocht hoe ouderen die moeilijk te bereiken zijn, gemotiveerd kunnen worden om hun leefgewoonten en leefstijl te veranderen. In statistieken en onderzoek moeten ook gegevens over hoogbejaarden opgenomen worden. De onderzoeksresultaten dienen verspreid te worden onder degenen die in de praktijk met ouderen werken.

17.

Het CvdR roept de Europese Commissie op, in aansluiting op het Europees Jaar 2012 een Europees Burgemeestersconvenant inzake democratische veranderingen in het leven te roepen om lokale en regionale overheden die oplossingen op het gebied van innovatie, slimme gezondheid en beter leven ter ondersteuning van actief en gezond ouder worden willen promoten, bijeen te brengen; dit convenant zou administratieve en financiële ondersteuning moeten krijgen.

18.

Het CvdR wijst erop dat de primaire bevoegdheden op het gebied van actief ouder worden weliswaar bij de lidstaten en hun lokale en regionale overheden berusten, maar dat de Europese Unie wetgeving kan uitvaardigen m.b.t. het functioneren van de interne markt teneinde belemmeringen van het vrije verkeer van personen uit te weg te ruimen, het vrije verkeer van diensten te bevorderen en een adequate consumentenbescherming te waarborgen. De ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap door de EU schept nieuwe wettelijke verplichtingen: de EU moet ervoor zorgen dat mensen met een handicap en zwakke ouderen in staat zijn hun recht op vrij verkeer uit te oefenen en net als andere burgers volledig deel te nemen aan het economische en sociale leven van hun gemeenschappen. Dit vergt optreden van de EU om een gecoördineerde reactie op EU-, nationaal en lokaal/regionaal niveau te waarborgen. Bovendien kan de EU de uitwisseling van ervaringen tussen landen vergemakkelijken en een impuls geven aan „zachte” maatregelen, zoals gedragscodes, om een optimale implementatie van de in de EU-verdragen verankerde fundamentele vrijheden te ondersteunen.

19.

Het CvdR neemt er kennis van dat Europese Commissie voornemens is een wetgevingsvoorstel inzake toegankelijkheid in te dienen en benadrukt dat er behoefte is aan een EU-rechtskader om alle essentiële goederen en diensten in de hele EU toegankelijk te maken en gelijke spelregels voor alle bedrijven, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, te creëren. Dit rechtskader dient echter wel proportioneel te zijn en mag niet tot extra bureaucratische lasten voor het mkb leiden. Ook zouden er EU-normen vastgesteld moeten worden om het bedrijfsleven te ondersteunen en een efficiënte interne markt tot stand te brengen van goederen en diensten die op de gehele bevolking zijn afgestemd. Er zou gezorgd moeten worden voor een toezichtsysteem om de naleving van de voorschriften te waarborgen, voor actieplannen voor nationale, regionale en lokale overheden en voor ondersteuning van lokale actoren en het lokale mkb.

20.

Het CvdR herinnert eraan dat een adequaat rechtskader voor overheidsopdrachten op EU-, nationaal en lokaal niveau van het grootste belang is om ervoor te zorgen dat openbare investeringen de toegankelijkheid voor alle burgers bevorderen. Daarnaast zou toegankelijkheid een essentiële voorwaarde voor het verkrijgen van EU-financiering moeten worden (steun via de structuurfondsen, voor projecten of voor onderzoek) en moet er ondersteuning komen om minder ontwikkelde regio's te helpen aan de EU-wetgeving en -normen te voldoen. Er zou ook gedacht moeten worden aan financiële stimuleringsmaatregelen ter verbetering van de toegankelijkheid, met name voor overheden om bestaande gebouwen en woningen aan te passen en om investeringen in innovatieve oplossingen te ondersteunen.

21.

Het CvdR benadrukt dat de belangrijkste wetgevingsmaatregelen geflankeerd moeten worden door initiatieven om mensen bewust te maken van de huidige situatie. Deze initiatieven zouden gericht moeten worden tot lokale en regionale overheden, fabrikanten, leveranciers en dienstverleners en de mensen in het algemeen. Maatregelen op het gebied van onderwijs en opleiding zijn van belang om de toegankelijkheid te verbeteren en de ondersteunen; het is een belangrijke vereiste dat ingenieurs, architecten, webdesigners, aannemers, stedenbouwkundigen enz. goed opgeleid zijn om toegankelijkheidsaspecten te mainstreamen en universal design toe te passen.

22.

Het CvdR herinnert eraan dat een leven lang leren en vrijwilligerswerk in belangrijke mate bijdragen aan actief en gezond ouder worden. Volwasseneneducatie en vrijwilligerswerk door ouderen moet op EU-, nationaal en lokaal niveau worden ondersteund om mensen te helpen langer aan het werk te blijven, ook na hun pensioen actief te zijn en langer zelfstandig te blijven leven.

23.

Het CvdR adviseert dan ook dat de doelstellingen van het Europees Jaar 2012 van actief ouder worden en van de solidariteit tussen de generaties en die van het Europees innovatiepartnerschap voor gezond en actief ouder worden in alle relevante toekomstige EU-financieringsinstrumenten worden ondergebracht, met inbegrip van de structuurfondsen, en dat de aanvraagprocedures voor de lokale en regionale actoren worden vereenvoudigd. Het CvdR is verheugd over de Europese Dag van de Solidariteit tussen de generaties, die juist in het Europees Jaar 2012 van betekenis is en die generatieoverschrijdende projecten tussen scholieren en ouderen bevordert en daarmee een belangrijke bijdrage aan de dialoog tussen de generaties levert.

24.

Het CvdR is verheugd dat er in 2014 een kennis- en innovatiegemeenschap (KIG) opgezet zal worden dat gericht is op innovatie voor gezond leven en actief ouder worden, en adviseert het het Europees Instituut voor innovatie en technologie alles in het werk te stellen om lokale en regionale overheden en lokale/regionale actoren bij de implementatie van deze KIG te betrekken.

25.

Het CvdR beveelt de Europese Commissie aan om de lokale en regionale overheden een actievere rol toe te kennen bij de beoordeling van de sociale effecten van de verschillende initiatieven ten behoeve van actief en gezond ouder worden; dit om te waarborgen dat de gevolgen voor oudere mannen en vrouwen in de dagelijkse praktijk adequaat worden beoordeeld.

26.

Het CvdR herinnert eraan dat actief en gezond ouder worden een van de hoofddoelstellingen van Europa 2020 is, die wordt ondersteund door diverse vlaggenschipinitiatieven (nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen, platform tegen armoede, digitale agenda) en een breed scala aan EU-financieringstrumenten ter beschikking van de lokale en regionale overheden, zoals ook staat in de brochure van het Comité van de Regio's, de Europese Commissie en het AGE Platform „How to promote active ageing in Europe - EU support to local and regional actors” published in September 2011 as a contribution to the EY2012 (3).

27.

Het CvdR stelt dan ook vast dat de voorgestelde initiatieven geen problemen lijken op te leveren wat de naleving van de in de EU-verdragen vastgelegde beginselen van subsidiariteit en evenredigheid betreft.

III.   UITDAGINGEN

28.

Het CvdR herinnert eraan dat wordt aangenomen dat er in de periode tot 2060 in de EU-27 sprake zal zijn van een afname van het aantal jongeren met 9 % (4) en van de omvang van de beroepsbevolking (15-64 jaar) met 15 %. Bovendien zal het aantal ouderen naar verwachting met maar liefst 7 % toenemen. Deze demografische veranderingen hebben verschillende oorzaken, zoals de lagere vruchtbaarheidscijfers, de toegenomen leeftijdsverwachting, de totale netto migratie en de vergrijzing van de babyboomgeneratie die na de Tweede Wereldoorlog werd geboren. Het is overduidelijk dat deze demografische tendensen significante economische, sociale en budgettaire gevolgen voor het nationale en het regionale/lokale niveau zullen hebben. In de studie van het CvdR over actief ouder worden: lokale en regionale oplossingen  (5) worden de gevolgen treffend weergegeven: het arbeidsaanbod en de werkgelegenheid zullen afnemen, hetgeen een zware wissel zal trekken op de economische groei, terwijl de vraag naar diensten door ouderen zal stijgen. Bovendien zal de overheid naar verwachting steeds meer moeten uitgeven om de vergrijzende bevolking een kwalitatief hoogwaardige dienstverlening te kunnen bieden en ook nog de gezondheidszorg voor en pensioenen van het toenemende aantal ouderen te financieren. De meeste lokale en regionale overheden hebben echter te maken gekregen met drastische budgettaire beperkingen, waardoor zij nu al de grootste moeite hebben om dynamische en moderne sociale diensten van adequaat niveau te verlenen.

29.

Het CvdR beklemtoont dat er tusen landen en regio's enorme verschillen bestaan qua levensverwachting van mannen en vrouwen, gezonde levensduur, mediane leeftijd en afhankelijkheidsratio. Voor bijna alle 281 regio's van de EU-27 wordt een vergrijzing voorspeld. Slechts in zeven regio's zal de mediane leeftijd naar verwachting niet stijgen in de periode tot 2030: Wenen in Oostenrijk, Hamburg en Trier in Duitsland, Sterea Ellada en Peloponnesos in Griekenland en West Midlands en North Eastern Scotland in het VK (6). De afhankelijkheidsratio was in 2008 aan het ene uiterste bijna drie keer zo hoog als aan het andere uiterste (26,8 % tegenover 9,1 %). In 2030 zal het verschil bijna vier keer zo groot zijn (37,3 % tegenover 10,4 %) (7). Dit betekent dat de regio's zich niet allemaal in dezelfde situatie bevinden wat de vergrijzing betreft. In combinatie met de huidige economische crisis worden sommige lokale en regionale overheden dan ook harder getroffen dan andere.

30.

Er zijn enorme verschillen tussen regio's en landen wat de staatsschuld aangaat; een aantal landen heeft de broekriem zo strak moeten aanhalen dat zij mogelijk niet meer kunnen profiteren van EU-steun uit de structuurfondsen of de gemeenschappelijke programma's inzake ouder worden.

31.

Het CvdR herinnert aan zijn advies over Adequate, houdbare en zekere Europese pensioenstelsels  (8), waarin het erop wijst dat de lokale en regionale overheden altijd de grootste werkgever uit de publieke sector zullen zijn en overheidspensioenen dus cruciaal blijven voor het veiligstellen van de pensioenregelingen. De pensioenen zullen echter steeds meer worden aangetast door budgettaire maatregelen en hervormingen. Er dient dan ook rekening te worden gehouden met het feit dat de lokale en regionale overheden ervoor moeten kunnen zorgen dat alle oudere vrouwen en mannen over een behoorlijke inkomen beschikken en de nodige hulp en zorg krijgen. Het CvdR pleit er al langer voor om het macro-economische toezicht ook een sociale dimensie te geven, zodat de gevolgen van de bezuinigingen worden afgezwakt.

32.

In zijn advies over Gezond ouder worden in de informatiemaatschappij  (9) merkt het CvdR op dat ICT-oplossingen de productiviteit van de sociale diensten en de gezondheidszorg ten goede kunnen komen, tenminste als de behoeften van ouderen in aanmerking worden genomen. Het wijst er hier nogmaals op dat de lokale en regionale overheden moeten worden betrokken bij nationaal en EU-onderzoek naar ICT-oplossingen voor ouder worden; in veel gevallen zijn het immers deze overheden die als eerste gebruik zullen maken van de bevindingen van dit onderzoek.

33.

Het CvdR herhaalt echter dat de lokale en regionale overheden de doelstelling van actief en gezond ouder worden niet in hun eentje kunnen realiseren. Om resultaat te boeken moeten zij de nodige wettelijke, financiële en structurele ondersteuning krijgen, en zijn dus maatregelen nodig op nationaal én EU-niveau. Om bv. in alle regio's ICT-initiatieven ter ondersteuning van innovatie, slimme gezondheid en een beter leven te kunnen ontplooien zijn structurele investeringen op EU- en nationaal niveau vereist, zodat de breedbandtoegang kan worden uitgebreid; daarnaast moet er EU-wetgeving komen om de toegankelijkheidscriteria en de interoperabiliteitsnormen te harmoniseren.

34.

Het aantal voorwaarden om in aanmerking te komen voor steun uit de structuurfondsen blijft stijgen, net als de boekhoudkundige, financiële en auditprocedures. Dat heeft tot gevolg dat projecten steeds vaker gericht zijn op meetbare resultaten, terwijl het aantal innovatieve en risicodragende projecten afneemt; de resultaten van deze laatste zijn immers moeilijker in cijfers te vatten en laten langer op zich wachten. In de praktijk wordt sociale innovatie in veel gevallen bemoeilijkt door factoren die vaker wel dan niet verband houden met het regelgevend klimaat en de auditcultuur. Overigens is dit een problematiek die niet beperkt blijft tot de structuurfondsen maar waar tal van andere EU- en nationale financieringsinstrumenten mee te maken krijgen.

35.

Er moet verandering komen in de manier waarop de structuurfondsensteun wordt gebruikt: de voorwaarden moeten uitgaan van concrete resultaten, zodat de inspanningen om de meerwaarde en doeltreffendheid van de fondsen te vergroten, niet teniet worden gedaan. In Denemarken en Zweden zijn dergelijke procedures, waarbij feitenmateriaal moet worden aangereikt, al ingevoerd, zodat aan de hand van een reeks indicatoren kan worden nagegaan of en in hoeverre resultaat is geboekt. Die informatie kan dan worden verwerkt en gebruikt om de kwaliteit en kostenefficiëntie van de door de overheid verstrekte en gefinancierde diensten te verbeteren. De regering van het VK heeft onlangs social-impact bonds ingevoerd. Deze op resultaten gerichte overeenkomsten zijn bedoeld om nieuwe investeringen aan te trekken, wat zowel de individuele burger als de gemeenschap ten goede zal komen. Op grond van deze overeenkomsten worden particuliere investeringen gebruikt voor de financiering van projecten van dienstenaanbieders die hun sporen al hebben verdiend. Worden de sociale resultaten beter, dan staat de overheid in voor de winst van de investeerders. Is er echter geen verbetering merkbaar, dan verdienen zij hun investering niet terug (10).

IV.   KANSEN

36.

Het CvdR wijst erop dat landen waar de toegankelijkheidsnormen voor de bebouwde omgeving, het vervoer en de ICT van een hoog niveau zijn, tevens de landen zijn met de hoogste participatiegraad van zowel oudere vrouwen als oudere mannen, en met de beste prestaties als men kijkt naar de „gezonde levensjaren”-indicatoren. Het zijn ook deze landen die de hoogste participatiegraad van vrouwen en personen met een handicap kennen, en die het best scoren op het gebied van gendergelijkheidsindicatoren (inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen, pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, enz.) Dit toont aan dat een proactieve bevordering van een leeftijdsvriendelijke lokale omgeving de economie niet belemmert, maar juist ten goede komt aan de samenleving en de economie in het algemeen. Een dergelijke omgeving maakt het leven er voor iedereen gemakkelijker op en bevordert de arbeidsparticipatie van vrouwen, oudere werknemers en personen met een handicap, en een actieve en productieve bijdrage van gepensioneerden aan hun gemeenschap. Bovendien wordt ervoor gezorgd dat informele zorgverleners hun werk en zorgtaken gemakkelijker kunnen combineren.

37.

Het CvdR is ingenomen met het feit dat honderden lokale en regionale overheden uit de hele EU reeds deelnemen aan het programma voor leeftijdsvriendelijke steden van de Wereldgezondheidsorganisatie, en dat sommige lidstaten nationale programma's hebben opgezet om de lokale en regionale overheden daarbij te steunen.

38.

Gezien het toenemende aantal ouderen dat aan Alzheimer en andere vormen van dementie lijdt, is het CvdR ingenomen met het initiatief van sommige lokale en regionale overheden om een Alzheimervriendelijke leefomgeving te creëren, teneinde een betere integratie van oudere dementiepatiënten en hun informele zorgverleners in de gemeenschap mogelijk te maken.

39.

Het CvdR benadrukt dat de totstandkoming van een op de gehele bevolking afgestemde leefomgeving en de ondersteuning van het zelfstandig wonen van personen met een handicap of beperking kosteneffectief blijkt te zijn. Ervaringen in Zweden laten zien dat de dalende hulpvraag gedurende de afgelopen 15 jaar niet kan worden verklaard door verbeteringen van de gezondheid, omdat er geen bewijzen zijn dat de gezondheid van ouderen tijdens die periode zou zijn verbeterd in Zweden. De meest waarschijnlijke verklaring voor de gedaalde behoefte aan ouderenzorg is gelegen in de betere toegankelijkheidsnormen voor huisvesting en vervoer, en de betere toegang tot assistentietechnologie, waardoor het voor ouderen gemakkelijker is zich zonder hulp te redden. Van alle EU-lidstaten heeft Zweden de beste participatiegraad voor oudere werknemers en oudere vrouwen.

40.

Maar terwijl een belangrijke rol is weggelegd voor de lokale en regionale overheden als afnemers van goederen en diensten, met name via openbare aanbestedingen waarmee zij politieke druk kunnen uitoefenen om een positieve benadering van „ouder worden” te promoten, moet er iets worden gedaan aan de versnippering van de bestaande en nieuwe markten voor innovatieve oplossingen ter ondersteuning van actief en gezond ouder worden, teneinde een echte eengemaakte markt voor de zilveren economie tot stand te brengen en schaalvoordelen mogelijk te maken voor openbare inschrijvers en consumenten. Met de komende Europese toegankelijkheidsakte zal worden getracht de belemmeringen aan te pakken voor de totstandkoming van een EU-markt waar lokale/regionale innovatieve oplossingen gemakkelijker kunnen worden gemodelleerd en op grotere schaal naar andere EU-regio's kunnen worden geëxporteerd. Kleine en middelgrote ondernemingen zijn koplopers op het gebied van innovatie en staan dichter bij de lokale markten. Zij bieden vaak een gepersonaliseerde dienstverlening en passen zich aan de behoeften van de consumenten aan. Zij zouden gebaat zijn bij duidelijke regels en normen die hen toegang geven tot de hele EU-markt en die de interoperabiliteit met andere goederen en diensten vergemakkelijken, voor een optimaal resultaat.

V.   CONCLUSIES

41.

Door te zorgen voor de ontwikkeling van toegankelijke en ondersteunende lokale omgevingen die op het concept „design for all” zijn gebaseerd, wordt bijgedragen tot langere beroepsloopbanen voor vrouwen en oudere werknemers, net als tot een lagere vraag naar zorg en bijstand voor de snel groeiende groep ouderen. Het CvdR is ervan overtuigd dat het EU-optreden ter ondersteuning van actief en gezond ouder worden en van de solidariteit tussen de generaties een impuls zal zijn voor innovatie en groeipotentieel overal in de EU. Tevens zal het economische voordelen opleveren voor zowel openbare als particuliere spelers, op lokaal, nationaal en EU niveau.

42.

Het CvdR kan zich vinden in de aanpak die het Deense voorzitterschap inzake veroudering voorstaat. Om via sociale innovatie een antwoord te bieden op de vergrijzing van de samenleving is het van het allergrootste belang dat de EU een gemeenschappelijk kader schept waar het potentieel van sociale innovatie in de toekomst volledig wordt benut. Dankzij een gemeenschappelijk EU-kader ter ondersteuning van sociale innovatie zou het voor sociale innovatoren in de hele EU inderdaad eenvoudiger worden om actie te ondernemen, financiering te krijgen, aan netwerkvorming te doen en hun ondernemingen uit te breiden.

Brussel, 4 mei 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  CdR 212/2009.

(2)  Kassler, P7_TA(2011) 0332.

(3)  http://bibli.reseauope.net/opac_css/index.php?lvl=author_see&id=264

(4)  Bron: Eurostat-statistieken over bevolkingsstructuur en vergrijzing.

(5)  www.cor.europa.eu/pages/DocumentTemplate.aspx?view=detail&id=e2251011-b374-4b8b-996d-05ccfb2a33e2

(6)  Eurostat, regional EUROPOP 2008.

(7)  Ibid.

(8)  CdR 319/2010.

(9)  CdR 84/2007.

(10)  http://www.socialfinance.org.uk/work/sibs


27.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/52


Advies van het Comité van de Regio's — Energie-efficiëntie in steden en regio's, met de verschillen tussen stad en platteland als invalshoek

2012/C 225/06

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

pleit ervoor dat energie-efficiëntie een centraal en integraal onderdeel wordt van het energiebeleid en dat daar voldoende prioriteit aan wordt gegeven in de hiërarchie van energiebeleidsmaatregelen;

is voor een sterkere bundeling van de financiële steunmaatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparing in toekomstige EU-financieringsprogramma's;

pleit voor krachtigere maatregelen om menselijk gedrag en energieverbruikpatronen te beïnvloeden en denkt dat daarvoor de methode van de „wortel en de stok” moet worden gebruikt, d.w.z. economische argumenten aanvoeren, maar indien nodig ook meer nadruk leggen op dwingende voorschriften;

beseft dat met het oog op de verwezenlijking van de huidige doelstellingen het beleid thans op steden is gericht, maar benadrukt dat ook de uitdagingen en kansen van plattelandsgebieden op het punt van energieverbruik en -productie uitgebreider en op een meer gecoördineerde wijze aan de orde moeten komen;

roept lokale en regionale overheden op om goede praktijken op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing uit te wisselen en om hun veerkracht op het punt van energie te vergroten door bij de planning van en het toezicht op hun dienstverlening zo weinig mogelijk energie te verbruiken.

Rapporteur

Brian MEANEY (IE/EA), Clare County Council en Mid-West Regional Authority

Referentiedocument

Adviesaanvraag door het Deense EU-voorzitterschap van 12 januari 2012

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

A.   Inleiding

1.   benadrukt dat energie-efficiëntie een centrale rol moet gaan spelen om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te halen. Daartoe moet worden overgestapt op een economie waarin efficiënt met hulpbronnen wordt omgegaan. Energie-efficiëntie houdt niet in dat er minder wordt geproduceerd of dat er minder economische activiteit is, maar dat voor eenzelfde productie het energieverbruik per productie-eenheid (of per geproduceerde eenheid) wordt teruggedrongen. Dit betekent dat energieverspilling moet worden opgespoord en tegengegaan en dat moet worden gezocht naar doeltreffendere productiemethoden.

2.   Zorgwekkend is dat de EU naar verwachting maar de helft zal halen van de voor 2020 voorgestelde 20 % besparing op het verbruik van primaire energie. De verwezenlijking van de streefcijfers voor 2020 vraagt om een gecoördineerde inspanning op alle bestuursniveaus (EU, nationaal, regionaal en lokaal). Energie-efficiëntie moet de allerhoogste prioriteit krijgen en vergt een aangescherpt beleid op alle bestuursniveaus.

3.   Om haar doelstellingen op het gebied van een duurzame, concurrerende en veilige energievoorziening te kunnen halen, moet de EU op solidaire en efficiënte wijze collectieve actie ondernemen: bestaande en nieuw opkomende technologische ontwikkelingen moeten worden opgespoord en in praktijk worden gebracht en er moet een gedragsverandering in gang worden gezet waardoor energie-efficiëntie gemakkelijker kan worden verwezenlijkt en bevorderd. In dit verband dient de EU op korte en middellange termijn prioriteit te geven aan invoering van de meest efficiënte en commercieel meest concurrerende technologieën.

4.   Niet in de laatste plaats dankzij de inspanningen van lokale en regionale energie-instanties spelen steden, regio's en lokale overheden een belangrijke rol bij het vergemakkelijken, bevorderen en reguleren van energie-efficiëntie, zowel in hun eigen activiteiten en infrastructuurvoorzieningen als in hun betrekkingen met consumenten en energieproducenten. Om die taak te vervullen moeten overheden de nodige armslag krijgen op het gebied van financiering en ondersteuning. Aldus kunnen ze hun steentje bijdragen aan de uitvoering van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

5.   Het CvdR wijst op de rol van de lokale en regionale overheden: zij hebben een voorbeeldfunctie, trekken investeringen aan en creëren werkgelegenheid. De EU zou een impuls moeten geven aan de uitwerking van lokale en regionale energie-efficiëntieplannen die bijdragen tot de nationale en Europese energiedoelstellingen, alsmede aan de verbetering van hun energie-informatiesystemen, en zou daartoe ondersteunende mechanismen moeten invoeren.

6.   Dat 2012 tot het Internationale Jaar van duurzame energie voor iedereen is uitgeroepen, valt toe te juichen, omdat hierin een waardevolle kans ligt om de lokale, nationale, regionale en internationale overheden te doordringen van het belang van meer energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. Als mensen geen toegang hebben tot schone, betaalbare en betrouwbare energie, wordt er een rem gelegd op de menselijke, sociale en economische ontwikkeling en is dit een enorm obstakel voor de verwezenlijking van de Millenniumdoelstellingen. De volledige omschakeling op duurzame energie moet worden geschraagd door versterkte inspanningen ter vermindering van het energieverbruik en door de ontsluiting van nieuwe energiebronnen, hetgeen er ook in zal resulteren dat we minder afhankelijk worden van de import van fossiele brandstoffen.

7.   De economieën van India en China zijn zich nog maar aan het „warmlopen”. Naar verwachting zal de vraag naar energie in China de pan uitrijzen: 75 % méér in 2035 (1). De daaruit voortvloeiende fellere concurrentieslag om de energie die momenteel door de EU wordt ingevoerd, kan problemen opleveren op het gebied van levering, distributie en kosten, met mogelijk ernstige gevolgen voor de economie en de samenleving op tal van terreinen. Er moeten concrete en uitvoerbare actieplannen als reactie op deze ontwikkelingen worden opgesteld, bedoeld om zo snel mogelijk de behoeften te dekken via plaatselijk beschikbare duurzame energiebronnen. Steden, regio's en lokale overheden moeten bij de uitwerking van die plannen worden betrokken.

8.   Er bestaat een nog niet gerealiseerd maatschappelijk voordeel dat kan worden bereikt door in gemeenten en regio's groene omschakelingsprojecten op touw te zetten. In dit verband zouden de Europese Commissie en de nationale regeringen aanzienlijke middelen moeten vrijmaken om openbare gebouwen energie-efficiënt te maken.

9.   De richtlijn inzake energie-efficiëntie staat momenteel ter discussie. Er moet beslist een krachtige en ambitieuze tekst worden goedgekeurd. Steden en regio's zijn alleen maar gebaat bij meer energie-efficiëntie en minder energieverbruik: hun afhankelijkheid van de invoer van brandstoffen kan zo worden verminderd; verder kunnen er plaatselijk tot 2 miljoen banen worden gecreëerd door bouw- en retrofitwerkzaamheden (2), terwijl gezinnen behoorlijk op hun energierekening kunnen besparen. Daar komt bij dat de EU de uitstoot van broeikasgassen verder kan terugdringen en op dit gebied nog ambitieuzere doelstellingen voor zichzelf zou kunnen formuleren. De richtlijn die wordt voorgesteld, biedt een eerste stap om de huidige crisis te verlichten, maar schiet echter in brede zin tekort, omdat hiermee in eerste instantie economische doelstellingen worden nagestreefd, te weten: vermindering van de invoer van olie en gas en terugsluizing van de daardoor vrijgekomen miljarden euro's in de economie van de EU. Het ontbreekt evenwel aan concrete denkbeelden voor de noodzakelijke grootschalige verdere ontwikkeling van alternatieve energiebronnen. In dit geval is het van doorslaggevend belang dat elke lidstaat de gelegenheid krijgt om uit te gaan van zijn eigen specifieke situatie, zodat voor elk land de meest doeltreffende maatregelen kunnen worden genomen.

10.   In dit verband valt het m.n. te betreuren dat een samenhangende langetermijnvisie op de noodzakelijke renovatie van het woningbestand ontbreekt, evenals uitdrukkelijke en specifieke engagementen m.b.t. de financiële bijstand aan lokale en regionale overheden voor het bevorderen van investeringen in energie-efficiëntie op lokaal en regionaal niveau. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan het verschil tussen maatschappelijke en bedrijfseconomische doelstellingen. Voor een bedrijf is het belangrijk dat bij de renovatie van een gebouw wordt uitgegaan van wat bedrijfseconomisch mogelijk is, terwijl het voor de samenleving van belang is dat de sociale doelstellingen worden gerealiseerd.

11.   De EU zou de informatiesystemen op het gebied van energie-efficiëntie moeten uitbreiden met: informatie over energie-efficiëntiemaatregelen op zowel nationaal als regionaal niveau; systemen voor de evaluatie van de procedures voor de controle op energiebesparingen op territoriaal niveau; energie-efficiëntie-indicatoren; databanken met toepasselijke normen voor besparingsmaatregelen; richtsnoeren voor goede praktijken, handelswijzen, enz. De Europese organisatie van lokale overheden Energy Cities stelt terecht dat er niets terecht zal komen van de voorgestelde maatregelen als er geen geld voor wordt vrijgemaakt. Zorgwekkend is ook dat de voorgestelde richtlijn inzake energie-efficiëntie geen bindende doelstellingen omvat, niet voorziet in adequate evaluatieprocedures en te gemakkelijk opt-out-mogelijkheden biedt. Het goede werk dat het Poolse EU-voorzitterschap op dit gebied is begonnen, wordt momenteel voortgezet door het Deense EU-voorzitterschap, dat ernaar streeft de nodige financieringsmaatregelen en andere ontbrekende elementen alsnog in de richtlijn op te nemen. Het CvdR schaart zich ook achter de inspanningen van het Deense EU-voorzitterschap om een politiek compromis te vinden waardoor overheden een voortrekkersrol op zich kunnen nemen m.b.t. het energie-efficiënt maken van hun gebouwen, rekening houdend met de lokale en regionale situatie in de lidstaten. Het voorstel om energiebedrijven ertoe te verplichten om ieder jaar gemiddeld 1,5 % energie te besparen, verdient bijzondere bijval.

12.   Energie-efficiëntie kan niet worden bereikt via centraal vastgelegde en rigide maatregelen waarin geen rekening wordt gehouden met de situatie op lokaal en regionaal niveau. Daarom zou er moeten worden voorzien in de mogelijkheid om alternatieve benaderingen te volgen ter verwezenlijking van de energiebesparingsdoelstellingen, met dien verstande dat er een even grote besparing op het energieverbruik wordt gerealiseerd, terwijl gemeenten en regio's de kans zouden moeten krijgen om energiebesparende strategieën voor te stellen.

13.   Het beleid van de EU en de manier waarop in de Unie over energie wordt gedacht, worden gekenmerkt door hokjesdenken. Zo wordt alles per sector bezien (het vervoer, de bouw enz.), wat ten koste gaat van de aandacht voor de ruimtelijke en territoriale ongelijkheden en mogelijkheden. Vooruitgang voor de hele EU is echter alleen mogelijk als ook rekening wordt gehouden met dit laatste.

14.   Er moeten naast maatregelen voor meer energie-efficiëntie ook adequate acties ter bevordering van energiemanagement/energiebesparing worden uitgewerkt. Er is behoefte aan doelstellingen op dit gebied ter vermindering van het energieverbruik; deze zouden de doelstellingen ter bevordering van energie-efficiëntie kunnen ondersteunen of zelfs nog verder kunnen gaan dan deze.

15.   Het Deense EU-voorzitterschap zou de rol van de lokale en regionale overheden bij de verwezenlijking van de energie-efficiëntiedoelstellingen van de Europa 2020-strategie moeten erkennen. Lokale en regionale overheden worden nauwelijks genoemd in de voorstellen van de Raad voor de onderhandelingen over de toekomstige richtlijn inzake energie-efficiëntie, wat ook geldt voor de mededeling van de Commissie over de routekaart voor energie 2050. Ook zouden de verbintenissen die op het gebied van energie-efficiëntie zijn aangegaan, duidelijker naar voren moeten komen in de herziene nationale hervormingsprogramma's en in de landenspecifieke aanbevelingen die zijn gedaan.

16.   Het financieringsinitiatief „Intelligente Energie voor Europa” (IEE) wordt toegejuicht, vooral omdat daarmee wordt geprobeerd om marktbelemmeringen te overwinnen. Het IEE-programma zou met name moeten worden ingezet om acties voor gedragsverandering te promoten. Wel zou het CvdR graag willen dat de verspreiding van de resultaten van de IEE-projecten en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen overal in de EU voortvarender wordt aangepakt (voorlichtingscampagnes, wetgevingsinitiatieven enz.), en dat tegelijkertijd in de begrotingsperiode 2014-2020 wordt voorzien in de financiering van het IEE-programma of van de programma's die hiervoor in de plaats komen.

17.   Het CvdR benadrukt met het oog op de speciale territoriale dimensie van de problematiek dat

plattelandsgebieden in de EU meer vervuilende energiebronnen gebruiken dan verstedelijkte gebieden. Daarom moet als tussenoplossing met name steun worden gegeven aan de vervanging van zwaar vervuilende fossiele brandstoffen door minder vervuilende fossiele brandstoffen of in het bijzonder door hernieuwbare energie;

plattelandsgebieden bezig zijn met een inhaalslag, maar qua economische ontwikkeling nog steeds achterlopen bij het EU-gemiddelde, vooral in vergelijking met verstedelijkte gebieden. De kloof tussen plattelands- en verstedelijkte gebieden is met name heel erg groot in Oost- en Centraal-Europa. Vooral zorgwekkend is dat die kloof, vanwege de snel uitdijende hoofdsteden en andere metropolen, tussen 2000 en 2007 nog groter is geworden.

B.   Steden, regionale en lokale overheden

18.   In het beleid voor duurzame energie dat overal in de EU wordt gevoerd, moet beslist worden gezorgd voor een beter evenwicht tussen stad en platteland. Ook moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die het platteland biedt voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van energie-efficiëntie. Immers, het platteland biedt veel mogelijkheden, zowel voor de opwekking van energie als voor de terugdringing van het energieverbruik: grote terreinen voor de aanleg van windmolenparken of zonne-energiecentrales zijn alleen te vinden op het platteland. Daarentegen verbruikt de moderne landbouw enorme hoeveelheden energie. Het potentieel van de landbouw op het vlak van energiebezuiniging en ontsluiting van nieuwe energiebronnen wordt veelal over het hoofd gezien.

19.   Er zijn aanzienlijke verschillen tussen stad en platteland. Qua energie-efficiëntie scoort het platteland slecht, iets wat zo snel mogelijk moet worden verholpen. Gezinnen en kleine bedrijven op het platteland ondervinden in meer dan één opzicht nadelen als het gaat om hun energieverbruik. Die nadelen zijn vooral terug te voeren op de aard van de huishoudens en de kwaliteit van het bouwbestand. Gebouwen op het platteland zijn over het algemeen veel ouder en voor de eigenaren is de renovatie duurder en vaak niet te bekostigen. Dit is onder meer te wijten aan de bevolkingsdichtheid: isolatie van eengezinswoningen op het platteland levert niet dezelfde schaalvoordelen op als in het geval van stadswoningen die een groter aantal bewoners herbergen. Daarom zijn in alle lidstaten – in een mate die per land varieert – de stookkosten naar verhouding hoger op het platteland, terwijl het inkomen per capita lager is (21 % à 62 %) (3).

20.   Desalniettemin heeft het energiebeleid van de EU tot dusverre in het teken gestaan van de behoeften van grote steden. Beleggers hebben nagenoeg alleen oog voor infrastructuurvoorzieningen die speciaal zijn afgestemd op gebruik in verstedelijkte gebieden.

21.   De toegang tot energie is over het algemeen duurder op het platteland en in afgelegen gebieden. Bovendien is de energie-efficiëntie er minder groot, omdat schone technologie en isolatie er schaarse goederen zijn. Er moeten goede oplossingen worden gevonden op het gebied van governance en financiering om plattelandsgebieden overal in de EU de kans te geven, de achterstand op steden in te halen, vooral door gebruik te maken van het potentieel van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en de hierop aansluitende Leader-aanpak. Er zijn tal van voorbeelden van geslaagde methoden en proefprojecten waaruit duidelijk is gebleken dat plattelandsgebieden het potentieel hebben om in hun eigen energiebehoeften te voorzien. Daarvoor kan worden geput uit diverse bronnen, zoals CO2-neutrale energiebronnen die geen broeikasgassen uitstoten, en ook biomassa en brandstofcellen.

22.   Bij ESF-steun voor capaciteitsontwikkeling, met name als het gaat om de uitbreiding van de vaardigheden van werknemers, waarbij ook kan worden gedacht aan het gebruik van traditionele technieken en materialen die kenmerkend zijn voor een bepaalde regio, moet rekening worden gehouden met de verschillen in behoeften van stad en platteland om te voorkomen dat werknemers op het platteland aan hun lot worden overgelaten. Zo niet, dan ontstaat er een tekort aan vaardigheden om voor het platteland geschikte technologie toe te passen en wordt de energiekloof tussen stad en platteland nog groter.

23.   Het onderwijsbeleid kan een belangrijke rol spelen bij de bewustmaking van energie-efficiëntie en een aanzet geven tot de benodigde gedragsverandering bij de mensen. De bestaande onderwijsinitiatieven zouden met elkaar moeten worden vergeleken, zodat kan worden vastgesteld wat een goede aanpak is en er leerplannen kunnen worden ontwikkeld die al in het vroegste stadium van het formele onderwijs voorzien in lessen duurzaamheid. Voorts zouden er met de volgende versie van het programma „Erasmus voor iedereen” kennisallianties moeten worden gesmeed tussen universiteiten en groene bedrijven ter ontwikkeling van nieuwe leerplannen, waarmee het gebrek aan innovatie en vaardigheden op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing wordt aangepakt.

24.   Lokale en regionale overheden kunnen ook bijdragen tot meer energie-efficiëntie door in al hun aanbestedingsprocedures milieuvereisten op te nemen. Het voorstel van de Commissie voor een richtlijn met nieuwe regels voor de gunning van overheidsopdrachten (4), valt in goede aarde. Volgens dit voorstel moeten lokale en regionale overheden de mogelijkheid hebben om milieufactoren in aanmerking te nemen, zodat ze bijv. bij aanbestedingsprocedures om energie-efficiëntie kunnen vragen. De lokale en regionale overheden dienen te worden aangemoedigd om bij de beoordeling van offertes gebruik te maken van het criterium MEAT (Most Economical Advantageous Tender), zodat gedurende de hele aanbestedingsprocedure rekening kan worden gehouden met energiebesparingen.

C.   Consumenten

25.   Er speelt hier ook een sociaal aspect, omdat energiearmoede bijzonder nadelige gevolgen kan hebben voor lagere inkomensgroepen. Ook wat de oorzaken en effecten van energiearmoede betreft, bestaan er grote verschillen tussen stedelijke en plattelandsgebieden. Daarmee moet bij de te nemen maatregelen rekening worden gehouden. Er mag niet blindelings worden afgegaan op de algehele energie-efficiëntie van bepaalde landen of regio's.

26.   Er is behoefte aan maatregelen waardoor consumenten zich actief kunnen opstellen in hun contacten met producenten en/of leveranciers, zodat ze bepaalde voordelige regelingen kunnen afdwingen in ruil voor een verandering van hun verbruikspatroon. Als particulieren bijv. collectief overschakelen op energieverbruik tijdens daluren, zouden ze net als afnemers van grote hoeveelheden goederen in aanmerking moeten kunnen komen voor kortingen. Ook de ontwikkeling van geavanceerde slimme netwerktechnologieën voor meting en facturering, die het mogelijk maken de energie-efficiëntieniveaus van de leveranciers (dankzij efficiënt netwerkbeheer, beter onderhoud van netwerken en materiaal, enz.) en van de consumenten (dankzij een beter inzicht in verbruiksmeters, facturering, energielevering, netwerkdiensten, intelligent interactief verbruik, enz.) te verhogen, dient te worden ondersteund als iets wat de gehele maatschappij ten goede komt. Bovendien mag verzet hiertegen van de kant van het bedrijfsleven niet worden getolereerd en dient de algemene invoering ervan eerder plaats te vinden dan thans is voorzien. Er dient op te worden toegezien dat de consumenten niet de rekening van de installatie van geavanceerde meetapparatuur gepresenteerd krijgen.

27.   De aan het voorstel voor een programma ter invoering van keurmerken voor stroombesparende kantoorapparatuur verbonden vernieuwing en voortzetting van het Energy-Star-keurmerkprogramma verdient bijval. Het voorstel voor een verordening COM(2012) 109 final voorziet in verlenging van de Energy-Star-overeenkomst in combinatie met een besluit van de Raad over een akkoord tussen de VS en de EU inzake de coördinatie van keurmerkprogramma's voor stroombesparende kantoorapparatuur (COM(2012) 108 final). Het gebruik van de Energy Star-programma's moet worden aangemoedigd. Het is bekend dat hoge energiekosten de verkoop van toestellen met een hoge energie-efficiëntie doen stijgen. Voorts zou het gebruik van etiketten met gegevens over de ingebedde energie die nodig is om een product te fabriceren, door de Commissie in overweging moeten worden genomen.

D.   Financiering

28.   Het CvdR herhaalt zijn reeds in het advies over klimaatverandering en de toekomst van de EU (5) uitgesproken bezorgdheid over de nadruk die dezer dagen wordt gelegd op besparingsmaatregelen, waarbij er tegen de achtergrond van de toekomstige EU-begroting (periode 2014-2020) nauwelijks nog aandacht is voor kwesties die verband houden met de reële economie. Zorgwekkend is vooral het feit dat er niet meer wordt gesproken over de zo dringend noodzakelijke uitbreiding van de middelen die de EU uittrekt voor investeringen in duurzame energie op lokaal en regionaal niveau, zowel in steden als op het platteland, iets waarop het CvdR in eerdere adviezen heeft aangedrongen. Het is daarentegen een goede zaak dat „overgang naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakken” als een investeringsprioriteit is opgenomen in het gemeenschappelijk strategisch kader (GSK) (6), al zal erop moeten worden toegezien dat de GSK-fondsen niet alleen worden gebruikt om bepaalde regionale uitdagingen aan te gaan, maar dat ook moet worden gezocht naar een evenwicht tussen duurzame productie en energie-efficiëntie.

29.   Het is te betreuren dat de Raad het niet nodig heeft geacht om in de tekst van de energie-efficiëntierichtlijn een bepaling op te nemen over het oormerken van financiële middelen, zoals de nationale energie-efficiëntiefondsen. Het is noodzakelijk om de rol van de Europese Investeringsbank (EIB) via nationale en lokale kredietinstellingen een overtuigende impuls te geven teneinde investeringen in energie-efficiëntie te financieren.

30.   Het Deense voorzitterschap wordt verzocht, ervoor te zorgen dat de toekomstige subsidiëring van maatregelen ter bevordering van een efficiënte ruimteverwarming en -koeling wordt gekoppeld aan de omvang van de besparingen die per geval op het gebied van energieverbruik worden gerealiseerd.

31.   De Europese Commissie wordt verzocht om in de aanstaande EU-begroting rekening te houden met het voorstel voor een richtlijn inzake energie-efficiëntie en ervoor te zorgen dat er genoeg middelen worden vrijgemaakt voor het bevorderen van energie-efficiënte bouwmethoden op het platteland.

32.   Een van de grote problemen voor plattelandsgebieden betreft de moeilijkheden die op lokaal en regionaal niveau worden ondervonden bij het verkrijgen van toegang tot bestaande financieringsbronnen, te weten:

de financiële mechanismen (ELENA e.d.) en energie-efficiëntiefondsen (zoals het EEEF);

de onvolledige benutting van de voor energie-efficiëntie bestemde middelen uit de structuurfondsen, zoals blijkt uit de in de huidige financieringsperiode opgedane ervaringen. Daarom moet er bij het financiële kader voor 2014-2020, dat zelfs nog meer middelen voor die efficiëntie bevat, op worden gelet dat de lokale en regionale overheden gemakkelijker toegang tot die middelen krijgen.

33.   Niet vergeten mag worden dat er in deze tijden waarin steeds minder overheidsgelden te besteden zijn, nog andere financiële instrumenten ter beschikking staan om initiatieven op het gebied van energie-efficiëntie aan te moedigen, zoals energieprestatiecontracten, publiek-private partnerschappen en nationale en regionale energie-efficiëntiefondsen. In de huidige situatie van beperkte overheidsmiddelen en in het licht van de moeilijkheden die op het ogenblik door tal van kleine en middelgrote ondernemingen worden ondervonden, zal er in het bijzonder op moeten worden toegezien dat de steun van de EU optimaal wordt verdeeld tussen enerzijds grootscheepse infrastructuurprojecten en anderzijds een gedecentraliseerde energieproductie, die essentieel is voor de energievoorziening op het platteland. Daarnaast dient de EU de rol van energiedienstenbedrijven als partijen die investeringen in efficiëntie financieren, op Europees niveau te bevorderen en te reguleren, waarmee deze bedrijven ook toegang kunnen krijgen tot relevante Europese middelen.

34.   Om de toegang tot financiering te verbeteren zijn er instrumenten nodig die het voor consumenten en overheden gemakkelijker maken om te voldoen aan de eisen inzake cofinanciering en om innovatieve plannen ter verbetering van kredietverstrekking uit te werken.

35.   Uit de begin 2010 door het CvdR gehouden Europa 2020-enquête naar „Duurzaam energiebeleid” is gebleken dat lokale en regionale initiatieven gewoonlijk neerkomen op sectoroverschrijdende, geïntegreerde acties die in gelijke mate gericht zijn op bevordering van het concurrentievermogen, de groei en de werkgelegenheid. Het is dan ook zaak dat deze feitelijke situatie op adequate wijze in aanmerking wordt genomen bij de toekomstige uitwerking van de EU-begroting.

36.   De lokale en regionale overheden moeten de nodige capaciteit krijgen om energie-efficiëntie te integreren in hun eisen op het gebied van ruimtelijke ordening en stadsplanning.

E.   Logistiek

37.   Het is belangrijk dat er logistieke systemen die de gehele EU beslaan, worden ontwikkeld, zoals een Centraal Europees Logistiek Systeem („CELS”), waardoor het vrachtvervoer efficiënter kan worden georganiseerd. Het zou hier o.a. om een cartografisch systeem gaan waarbij alle Europese vervoerswijzen (per spoor, over de weg, door de lucht, over zee en via binnenwateren) als geïntegreerd geheel in beeld worden gebracht.

38.   Een CELS zou behulpzaam kunnen zijn bij het leveren van de gevisualiseerde cartografie en kostenanalyses die nodig zijn om een groene, kosteneffectieve en doeltreffende intermodale koppeling van vervoerswijzen te bevorderen. Een en ander zou neerkomen op een digitaal vrachtvervoerdersbestand, waarvoor elke ondernemer die goederen over de weg, per spoor, door de lucht, via binnenwateren of over zee transporteert, zich kan opgeven, zodat een en ander kan uitgroeien tot het meest uitgebreide bestand van vrachtvervoerders überhaupt. Met behulp hiervan kan ook worden aangegeven welke routes geschikt zijn voor gecombineerd vervoer, waardoor kan worden gekozen voor het kortste alternatief over de weg.

39.   Een geïntegreerd en sectoroverschrijdend beleid inzake duurzame energie, met nadruk op enerzijds energie-efficiëntie in gebouwen, het vervoer enz. en anderzijds een gedecentraliseerde productie van hernieuwbare energie, is van groot belang voor plattelandsgebieden.

F.   Conclusies

40.   Het cohesiebeleid kan in dit verband een raamwerk bieden voor een gecoördineerde aanpak waarmee deze complexe uitdaging het hoofd kan worden geboden. De dwarsverbanden tussen de verschillende doelstellingen van de Europa 2020-strategie vragen erom dat de beleidsmakers in de EU zich duidelijk realiseren dat er alleen verbeteringen kunnen worden doorgevoerd op alle onderdelen van de Europa 2020-strategie als de maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie op grote schaal in de gehele EU ten uitvoering worden gebracht.

41.   De interne en externe dimensies van de energievoorziening in de EU zullen beter met elkaar in evenwicht moeten worden gebracht. Er zal minstens evenveel aandacht moeten worden besteed aan de bevordering van onderzoek en toepassing van energie-efficiëntie als aan investeringen in nieuwe pijpleidingen voor fossiele brandstoffen uit derde landen. De Europese Commissie moet zich realiseren dat er nog altijd miljarden euro's in de sectoren huisvesting en vervoer moeten worden geïnvesteerd om de doelstelling van energie-efficiëntie te verwezenlijken. Ook energiemanagement/energiebesparing zal moeten worden erkend als een onverminderd actuele prioriteit, die vraagt om passende maatregelen.

42.   Er zij eens te meer op gewezen dat de lidstaten een raadplegingsprocedure in gang moeten zetten waarbij regionale en lokale actoren een rol krijgen bij het opstellen van de nationale energie-efficiëntieplannen (bottom-upbenadering), zodat ze in overeenstemming kunnen worden gebracht met de lokale en regionale doelstellingen en mogelijkheden. De lokale en regionale overheden zouden ook betrokken moeten worden bij de follow-upfase, aangezien zij verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging.

43.   Het CvdR wijst andermaal op het belang van het Burgemeestersconvenant, dat kan worden beschouwd als een tastbaar bewijs van het vaste voornemen van het lokale bestuursniveau om energie-efficiëntie te bevorderen en de uitdaging van de klimaatverandering aan te gaan, al dient te worden gezegd dat de ondertekenaars van het convenant geen onderling overeengekomen rapportagemethode hanteren. Het Burgemeesterconvenant is een initiatief waarbij van de regio's wordt verlangd dat ze verslag uitbrengen over hun prestaties op het gebied van energie-efficiëntie met gebruikmaking van strikte en gemeenschappelijke rapportagecriteria (7).

44.   Het CvdR verzoekt de Commissie om onmiddellijk actie te ondernemen met het oog op de eventuele totstandbrenging van Europese energiedistributienetwerken. Zo kan de EU ervoor zorgen dat al haar burgers gegarandeerd toegang hebben tot een betrouwbare energievoorziening. Ook vanuit een oogpunt van veiligheidsbeleid is dit belangrijk, omdat Europa dan minder afhankelijk wordt van fossiele brandstoffen uit landen met autoritaire regimes.

45.   Kernboodschappen – actiepunten

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

a)

pleit ervoor dat energie-efficiëntie een centraal en integraal onderdeel wordt van het energiebeleid en dat daar voldoende prioriteit aan wordt gegeven in de hiërarchie van energiebeleidsmaatregelen;

(b)

is voor een sterkere bundeling van de financiële steunmaatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparing in toekomstige EU-financieringsprogramma's

(c)

pleit voor krachtigere maatregelen om menselijk gedrag en energieverbruikpatronen te beïnvloeden en denkt dat daarvoor de methode van de „wortel en de stok” moet worden gebruikt, d.w.z. economische argumenten aanvoeren, maar indien nodig ook meer nadruk leggen op dwingende voorschriften;

(d)

beseft dat met het oog op de verwezenlijking van de huidige doelstellingen het beleid thans op steden is gericht, maar benadrukt dat ook de uitdagingen en kansen van plattelandsgebieden op het punt van energieverbruik en -productie uitgebreider en op een meer gecoördineerde wijze aan de orde moeten komen;

(e)

roept lokale en regionale overheden op om goede praktijken op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing uit te wisselen en om hun veerkracht op het punt van energie te vergroten door bij de planning van en het toezicht op hun dienstverlening zo weinig mogelijk energie te verbruiken.

Brussel, 4 mei 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  IEA Global Energy Report 2011

(2)  Europese Commissie.

(3)  Eurostat.

(4)  COM(2011) 896 final.

(5)  Verkennend advies over mainstreaming van de klimaatverandering en de begroting van de Europese Unie (CdR 104/2011).

(6)  Voorstel voor een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO en het EFMZ, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen (COM2011 615 final).

(7)  http://ec.europa.eu/energy/publications/doc/2012_thinkbooklet.pdf.


III Voorbereidende handelingen

COMITÉ VAN DE REGIO'S

95e plenaire zitting van 3 en 4 mei 2012

27.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/58


Advies van het Comité van de Regio's over het voorstel voor een algemene verordening over de fondsen van het gemeenschappelijk strategisch kader

2012/C 225/07

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

dringt aan op een ambitieuze begroting voor het toekomstige cohesiebeleid (2014-2020) om de ambities van het Verdrag en van de Europa 2020-strategie waar te maken; dringt er tevens op aan dat rekening wordt gehouden met andere criteria dan het bbp bij de beoordeling van het ontwikkelingsniveau en de verdeling van de middelen;

steunt de door de Commissie voorgestelde structuur, gebaseerd op twee grote doelstellingen („investeren in groei en werkgelegenheid” en „Europese territoriale samenwerking”), waarmee het ESF binnen de sfeer van het cohesiebeleid blijft, en de invoering van de categorie „overgangsregio's”, een vangnet voor regio's die niet meer volledig onder de convergentiedoelstelling vallen;

dringt aan op grotere flexibiliteit bij de verdeling van de structuurfondsen, die meer is aangepast aan de territoriale behoeften, door de lokale en regionale overheden hier rechtstreeks bij te betrekken; deze flexibiliteit zou betrekking moeten hebben op de verdeling tussen het EFRO en het ESF en op de thematische concentratie van de steun op bepaalde doelstellingen van de Europa 2020-strategie; in dit verband vraagt het dat de minimumdrempels uit de specifieke verordeningen aanzienlijk worden verlaagd of versoepeld;

steunt de strategische benadering van het gemeenschappelijk strategisch kader, waarin alle fondsen die zijn bestemd voor regionale doeleinden worden geïntegreerd, wat zal leiden tot een betere coördinatie met het ELFPO en het EMVF; hoopt dat meer rekening wordt gehouden met het beginsel van territoriale samenhang, via stedelijke acties, lokale ontwikkelingsacties, geïntegreerde territoriale investeringen en gezamenlijke actieplannen, maar zou willen dat meer aandacht wordt besteed aan gebieden die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met demografische belemmeringen;

dringt erop aan dat de mogelijkheid van op meerdere fondsen gebaseerde programma's (EFRO, ESF, Cohesiefonds, ELFPO, EMVF) wordt aangemoedigd en dat de Commissie maatregelen neemt om de vaststelling en uitvoering hiervan mogelijk te maken, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel;

verwerpt de macro-economische voorwaarden en de prestatiereserve, omdat deze strijdig zijn met de primaire doelstelling van het cohesiebeleid; wel is het voorstander van een flexibiliteitsreserve, bestaande uit de middelen die vrijkomen na het ambtshalve doorhalen van vastleggingen, voor de financiering van experimentele initiatieven; ook stemt het in met het beginsel van de ex-anteconditionaliteit, dat wel moet worden gestroomlijnd en meer preventief dan repressief moet zijn;

dringt aan op een echte vereenvoudiging van de beheersregels, met name voor de controle- en auditautoriteiten, inkomsten genererende acties en forfaitaire bedragen.

Rapporteur

Mevrouw MARINI (IT/PSE), voorzitter van de regioraad van Umbrië

Referentiedocument

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006

COM(2011) 615 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

A.    EU-begroting en toewijzing van de middelen

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

Voor een adequate en evenwichtige EU-begroting

1.

herinnert eraan dat de Europese Unie over voldoende middelen moet kunnen beschikken om de doeltreffendheid van het cohesiebeleid te waarborgen en te beantwoorden aan de ambities van de Europa 2020-strategie.

2.

Het CvdR dringt erop aan dat voor iedere categorie regio's de communautaire steun ten minste op hetzelfde niveau blijft als tijdens de huidige programmeringsperiode.

3.

De huidige ernstige economische, financiële en sociale crisis veroorzaakt op Europees niveau een situatie van een blijvend tekort aan werkgelegenheid, met een sterke zij het verschillende impact op alle regio's van de EU. Tegen deze achtergrond vormen de structuurfondsen een onmisbare financieringsbron om de crisis te bestrijden en de ontwikkeling van de Europese regio's te steunen.

De absorptieproblemen beperken

4.

Het CvdR verzoekt de Commissie deugdelijke initiatieven te nemen om de absorptiemoeilijkheden waar sommige lidstaten mee kampen, op te vangen door het beheer van de EU-fondsen te verbeteren – met name via een vereenvoudiging en vernieuwing van de beheers- en controlesystemen – en de resultaatgerichtheid te stimuleren.

Rechtvaardigere en evenwichtigere criteria voor de verdeling van de middelen

5.

Door de economische en financiële crisis is er nog meer behoefte aan vergelijkbare en tijdig beschikbare gegevens met betrekking tot het bbp en andere indicatoren om het reële ontwikkelingsniveau van de Europese regio's correcter te kunnen meten (1), waarbij de middelen uiteraard op de regio's met een ontwikkelingsachterstand moeten worden geconcentreerd.

6.

Met het oog op de verdeling van de middelen moet adequaat rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van lidstaten die worden gekenmerkt door sterke interne economische verschillen. Het CvdR maakt zich met name zorgen over het criterium voor de verdeling van de middelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) – zie het voorstel voor een meerjarig financieel kader – omdat hierin onvoldoende rekening wordt gehouden met sociale, economische en structurele verschillen.

B.    Opzet van het cohesiebeleid

Een vereenvoudigde opzet

7.

Het CvdR stemt in met de aanwijzing van twee grote doelstellingen: „investeren in groei en werkgelegenheid” en „Europese territoriale samenwerking”, die helpen om de opzet van het cohesiebeleid te vereenvoudigen.

8.

Het is ingenomen met de invoering van de categorie overgangsregio's, vooral te financieren met middelen afkomstig van de regio's en landen die niet meer onder de convergentiedoelstelling en het cohesiefonds vallen, zonder dat de twee andere categorieën regio's daardoor minder steun krijgen. Ook is het ingenomen met het vangnet dat is voorgesteld voor regio's die niet meer volledig onder de convergentiedoelstelling vallen. Met deze categorie kunnen regio's die niet langer onder de convergentiedoelstelling vallen beter worden gesteund, maar ook alle andere regio's met een bbp per inwoner tussen 75 en 90 % van het EU-gemiddelde. De categorie maakt het ook mogelijk de Europese steun te differentiëren naargelang de verschillende ontwikkelingsniveaus en de in de huidige programmeringsperiode geconstateerde drempeleffecten enigszins op te vangen. Deze regeling moet voor alle GSK-fondsen gelden.

9.

Het Comité herhaalt dat ook de richtsnoeren voor regionale steun 2014-2020 met de structuur van het toekomstige cohesiebeleid moeten stroken en dat bij de vastlegging van de steungebieden tegenstrijdigheden tussen het cohesiebeleid en het mededingingsrecht moeten worden voorkomen.

Een adequate rol van het ESF in het cohesiebeleid

10.

Het CvdR is ermee ingenomen dat het ESF binnen het cohesiebeleid een fundamenteel instrument blijft voor de werkgelegenheid, de verbetering van de persoonlijke vaardigheden en de sociale inclusie.

11.

Wel dringt het erop aan dat de keuze van de investeringsprioriteiten en de verdeling van de structuurfondsmiddelen tussen het EFRO en het ESF wordt gemaakt door de regionale en bevoegde lokale overheden, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel.

C.    Beginselen die alle fondsen gemeen hebben

Versterkt partnerschap en meerlagig bestuur

12.

Het CvdR dringt erop aan dat de decentrale overheden in iedere lidstaat, overeenkomstig het beginsel van multilevel governance (meerlagig bestuur) en de interne bevoegdheidsverdeling als volwaardige partners worden betrokken bij de onderhandelingen over en de vaststelling en uitvoering van de strategische documenten, te weten het gemeenschappelijk strategisch kader (hierna: GSK) en met name het partnerschapscontract. Territoriale pacten tussen lokale, regionale en nationale overheden zouden ook een manier moeten zijn om partnerschapsafspraken in samenwerking met nationale regeringen vorm te geven.

13.

Het CvdR acht het onterecht dat de regionale en lokale overheden als het gaat om partnerschappen op hetzelfde niveau worden geplaatst als de economische en sociale partners: de regionale overheden, die het algemeen belang van de door hen bestuurde gemeenschappen vertegenwoordigen, zijn immers medebeheerders – binnen de institutionele kaders van de lidstaten – en medefinancierders van de cohesiebeleidsprojecten.

Een medefinancieringspercentage dat is aangepast aan het ontwikkelingsniveau van de regio's

14.

Het CvdR betuigt opnieuw zijn steun aan het Europese medefinancieringsbeginsel waarmee de territoriale actoren medeverantwoordelijk worden gemaakt.

15.

Het CvdR is van mening dat niet-terugvorderbare BTW wel subsidiabel zou moeten zijn.

16.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen maatschappelijke stakeholders en partners uit de publieke sector. De bevoegde lokale en regionale overheden of hun vertegenwoordigers zouden op nationaal en niet alleen op regionaal niveau volledig moeten worden betrokken bij de onderhandelingen ter voorbereiding van de partnerschapscontracten of -overeenkomsten.

D.    Verband tussen het cohesiebeleid en de europa 2020-strategie

Een harmonieuze en flexibele thematische concentratie

17.

Het CvdR neemt kennis van de thematische concentratie van de steun op de kerndoelstellingen van de Europa 2020-strategie en die van artikel 174 van het VWEU, die zijn voortgevloeid uit een lijst communautaire thema's, maar maakt zich zorgen over het gebrek aan flexibiliteit in de keuze van thematische doelstellingen, die op basis van een territoriale analyse hadden moeten worden vastgesteld.

18.

Het dringt dan ook aan op echte flexibiliteit voor alle fondsen van het GSK, waarbij iedere beheersautoriteit de grootst mogelijke vrijheid heeft om de thematische doelstellingen te kiezen waarop de middelen worden geconcentreerd. Ook vraagt het dat de minimumdrempels uit de specifieke verordeningen aanzienlijk worden verlaagd of versoepeld.

E.    Strategische aanpak en governance van het cohesiebeleid

Gemeenschappelijk strategisch kader: grotere integratie van de fondsen met een territoriale dimensie

19.

Het CvdR is voorstander van een betere integratie van de fondsen en stemt in met de opname in het GSK van het ELFPO en het EMVF, waarbij ieder fonds zijn specifieke karakter behoudt.

20.

Het acht het wenselijk dat het GSK wordt goedgekeurd door het Europees Parlement en de Europese Raad. Dit document zou immers op de grootst mogelijke steun van de Europese instellingen en de lidstaten moeten kunnen rekenen. Daarom steunt het de opname van het GSK in een bijlage bij de algemene verordening.

21.

De in het gemeenschappelijk strategisch kader beschreven mechanismen moeten voldoende flexibel zijn om een echte integratie met het regionaal beleid en het lokale ontwikkelingsbeleid mogelijk te maken.

22.

Het gemeenschappelijk strategisch kader moet in de eerste plaats de weg vrijmaken voor een territoriale bottom-upbenadering en de integratie van financiering. De in het gemeenschappelijk strategisch kader geformuleerde aanbevelingen moeten niet te normatief zijn, zodat voldoende flexibiliteit mogelijk is bij de keuze van de middelen om de thematische doelstellingen en investeringsprioriteiten te verwezenlijken die zijn gedefinieerd in de verordeningen inzake de structuurfondsen en het cohesiefonds.

23.

Het gemeenschappelijk strategisch kader moet een duidelijk verband leggen tussen de thematische doelstellingen uit artikel 9 van de algemene verordening en de investeringsprioriteiten die worden opgesomd in de verordeningen inzake het EFRO, ESF, Cohesiefonds, ELFPO en EFMZV. Ook moet het gemeenschappelijk strategisch kader rechtszekerheid verschaffen over de verenigbaarheid van prioriteiten alsmede hiaten en overlappingen tussen prioriteiten voorkomen, zodat uit meerdere fondsen gefinancierde en multithematische prioritaire projecten op een geïntegreerde en consistente wijze kunnen worden uitgevoerd.

Partnerschapscontract: meer contract dan partnerschap

24.

Het zou graag zien dat, rekening houdend met de uiteenlopende institutionele systemen, de regionale overheden en de bevoegde lokale overheden, als financierders en beheerders van het cohesiebeleid, als volwaardige partners deelnemen aan de onderhandelingen over en de vaststelling, uitvoering en wijziging van de partnerschapscontracten (art. 13, lid 2).

25.

In het bijzonder zouden, rekening houdend met de uiteenlopende institutionele systemen, de regionale overheden in het kader van het contract rechtstreeks moeten worden betrokken bij de vaststelling van de interne voorwaarden en de bijbehorende sancties (art. 14).

26.

Het CvdR maakt zich zorgen over mogelijke vertraging als gevolg van het feit dat het partnerschapscontract en de operationele programma's gelijktijdig moeten worden ingediend. Het vraagt derhalve dat de programma's uiterlijk 6 maanden na de indiening van het contract moeten worden ingediend.

Regionaal en geïntegreerd beheer van operationele programma's

27.

Het CvdR beveelt aan dat de regionale en lokale gemeenschappen – overeenkomstig het institutionele systeem van iedere lidstaat – een grote rol moeten krijgen bij het beheer van de Europese fondsen op, en dringt met klem aan op de vaststelling van programma's die op meerdere fondsen zijn gebaseerd.

28.

Het wijst erop dat betere harmonisatie van de gemeenschappelijke bepalingen betreffende de uitvoering van de verschillende fondsen hun integratie ten goede zou komen, en de doeltreffendheid en impact ervan zou vergroten en de administratieve rompslomp voor de eindbegunstigden zou verminderen.

29.

De Commissie zou de werking, de gevolgen en de meerwaarde van de huidige macroregionale strategieën moeten evalueren.

F.    Een op resultaten en evaluatie gerichte programmering

Macro-economische voorwaarden: lidstaten dubbel bestraft

30.

Het CvdR verwerpt met kracht de voorstellen om het cohesiebeleid te koppelen aan de naleving van het stabiliteitspact (macro-economische conditionaliteit). Het is van mening dat met de macro-economische voorwaarden heel andere doelstellingen worden gediend dan die van het cohesiebeleid.

31.

Decentrale overheden mogen niet worden gestraft voor het feit dat sommige lidstaten hun verplichtingen – met name op het gebied van het begrotingstekort – niet nakomen (art. 21).

Versoepeling van de ex-antevoorwaarden, en meer preventie in plaats van repressie

32.

Het CvdR stemt in met het beginsel van de ex-anteconditionaliteit, wanneer dit inhoudt dat er fundamentele voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan willen de investeringen doeltreffend zijn, met inbegrip van een evaluatie van eerdere ervaringen. Wel moet worden voorkomen dat het cohesiebeleid oneigenlijke verantwoordelijkheden krijgt en dat de administratieve lasten worden verzwaard.

33.

Het vreest echter dat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan door een derde (zoals het omzetten van Europese richtlijnen) de opstelling en uitvoering van programma's en projecten op regionaal en lokaal niveau in gevaar kan brengen. Het is daarom van mening dat de ex-antevoorwaarden zich moeten beperken tot zaken die rechtstreeks van toepassing zijn op de uitvoering van het cohesiebeleid.

34.

Ook wijst het CvdR er de Commissie op dat de ex-antevoorwaarden geenszins mogen leiden tot opschorting van betalingen of financiële correcties, met uitzondering van voorwaarden tot de uitvoering waarvan de lidstaat zich heeft verbonden.

Prestatiereserve

35.

Het CvdR maakt zich zorgen over de invoering van een prestatiereserve, omdat het vreest dat dit mechanisme de vaststelling van zeer bescheiden en dus makkelijk haalbare doelstellingen in de hand werkt, om maar in aanmerking te komen voor extra financiële steun, waardoor weinig ambitieuze projecten voorrang krijgen en innovatie wordt ontmoedigd. Het wijst in dit verband op de volgende opmerking uit advies 7/2011 van de Europese Rekenkamer: „In de periode 2000-2006 bestond een soortgelijke prestatiereserve die maar beperkt succes had vanwege het zeer lage aantal uitgaven dat op tijd was afgerond voor de tussentijdse evaluatie en vanwege het gebrek aan geschikte methoden om de door de programma's geboekte vooruitgang te beoordelen.”

36.

Wel is het voorstander van een flexibiliteitsreserve, bestaande uit de middelen die vrijkomen na het ambtshalve doorhalen van vastleggingen, voor de financiering van experimentele initiatieven op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei of om maatregelen te kunnen treffen in geval van crisis.

Het prestatiekader als sturend instrument

37.

Het prestatiekader omvat de vaststelling van stapsgewijze doelstellingen („mijlpalen”) voor iedere prioriteit, te verwezenlijken in 2016 en 2018. Dit moet volgens het CvdR een instrument zijn voor het sturen en controleren van de doelstellingen die tijdens de gehele programmeringsperiode worden behaald, zonder dat dit aanleiding mag geven tot toepassing van financiële correcties op de betrokken prioritaire assen wanneer uit het eindverslag over de uitvoering van het operationele programma blijkt dat de streefdoelen niet zijn behaald. Dat kan namelijk het gevolg zijn van door nationale en regionale overheden doorgevoerde noodzakelijke beleidswijzigingen n.a.v. veranderde sociaaleconomische omstandigheden.

38.

Het CvdR is van mening dat deze nieuwe bepaling niets nuttigs toevoegt aan de verschillende voorwaarden die de Commissie heeft voorgesteld (macro-economische, ex-ante en ex-post), noch aan het systeem van evaluaties (ex-ante, tijdens de programmeringsperiode en ex-post), evenals de vaststelling van kwantificeerbare doelstellingen en resultaatindicatoren. Het CvdR dringt aan op een nauwere koppeling met de in de artt. 48, 49 en 50 genoemde evaluatie.

Verhoging van de voorschotten

39.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel om de beheersautoriteiten te verplichten eerst de begunstigden te betalen en pas daarna een vergoeding aan de Commissie te vragen. Om de liquiditeit van de beheersautoriteiten te verbeteren zou het systeem van voorschotten flexibeler moeten worden gemaakt en zouden de voorschotten moeten worden verhoogd.

Sancties en financiële correcties: meer preventie in plaats van repressie

40.

Indien een lidstaat in ernstige financiële crisis steun ontvangt van de Unie, zou de Commissie het partnerschapscontract en de operationele programma's moeten kunnen wijzigen in het kader van een constructieve dialoog met de lidstaat en de betrokken decentrale overheden. De deskundigen van de Commissie zouden in dat geval de nationale en regionale overheden moeten helpen de Europese fondsen op doeltreffende wijze te beheren.

G.    Versterking van het cohesiebeginsel

Bevorderen van lokale en stedelijke ontwikkelingsacties en geïntegreerde territoriale investeringen

41.

Het CvdR stemt volmondig in met de aandacht voor het thema geïntegreerde stedelijke ontwikkeling en is met name ingenomen met de voorstellen van de Commissie met betrekking tot lokale ontwikkelingsacties en geïntegreerde territoriale investeringen, die in de volgende programmeringsperiode belangrijke uitvoeringsinstrumenten zouden moeten worden, maar vraagt wel meer uitleg over de uitvoering van deze nieuwe bepalingen.

42.

Deze bepalingen zouden met bijzondere aandacht moeten worden toegepast om te waarborgen dat de geïntegreerde territoriale ontwikkeling op doeltreffende wijze haar beslag krijgt. Hierbij valt te denken aan coördinatie van de steun van de verschillende fondsen (met name EFRO en ELFPO in peri-urbane en functionele gebieden), integratie van de fondsen, vaststelling van projectgebieden, uitwerking van een samenhangende strategie, enz.

43.

Het CvdR is zeer ingenomen met de toeslag van 10 % extra medefinanciering voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en bepleit eenzelfde toeslag voor geïntegreerde territoriale investeringen. Het vindt dat de beheersautoriteiten en de lokale partners op nationaal niveau overeenstemming moeten bereiken over de organisatie en werking van de lokale actiegroepen.

44.

De bepaling dat overheden niet meer dan 49 % van de stemrechten mogen hebben, moet worden herzien als er al geïnstitutionaliseerde lokale ontwikkelingspartnerschappen bestaan.

45.

Lokale ontwikkeling moet worden beschouwd als totaalconcept in het kader waarvan geïntegreerde territoriale investeringen, stedelijke acties en gezamenlijke actieplannen kunnen worden uitgevoerd.

Een passende aanpak voor regio's met specifieke geografische en demografische kenmerken

46.

Er zou bijzondere aandacht moeten worden besteed aan gebieden die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen en daardoor qua economische en territoriale cohesie naar verhouding achterliggen, maar ook aan ultraperifere regio's (artt.174 en 349 VWEU).

Via de financiering van infrastructuur de onderlinge koppeling van territoria blijven ondersteunen

47.

Verontrustend is dat er wat de ontwikkelde regio's betreft geen aandacht wordt besteed aan de financiering van infrastructuur, waarbij met name ultrasnelle ICT-netwerken van belang zijn.

H.    Vereenvoudiging van de beheers-, controle- en auditregels

Verdere vereenvoudiging van het beheer en gedeelde verantwoordelijkheid voor de controles

48.

Het CvdR dringt aan op een echte vereenvoudiging van de uitvoeringsbepalingen voor de beheers-, controle- en auditautoriteiten, zodat de begunstigden ook gemakkelijker toegang krijgen tot financiering.

49.

Het baart het CvdR zorgen dat de steun voor administratieve capaciteit voor het ESF beperkt is tot lidstaten met minder ontwikkelde regio's of regio's die in aanmerking komen voor het cohesiefonds, terwijl dit niet het geval is voor het EFRO, hoewel voor de nationale systemen voor de twee fondsen vergelijkbare voorwaarden gelden.

50.

Het CvdR hoopt dat een grotere resultaatgerichtheid zal leiden tot meer aandacht voor de prestaties, de kwaliteit en de doeltreffendheid van de wijze waarop de fondsen worden gebruikt, en niet zozeer voor de formele naleving van de voorschriften en de omvang van de uitgaven.

51.

Het CvdR is van mening dat het buitensporige gebruik van gedelegeerde handelingen van de Commissie (circa 50 maal genoemd in de verordening) het gebruik van de fondsen kan vertragen, en stelt dan ook voor om de uitvoeringsvoorschriften op voorhand vast te leggen in een uitvoeringsverordening van de Commissie.

Proportionelere en beter gecoördineerde controles

52.

Het CvdR heeft twijfels over de aanwijzing van een accreditatie-instantie op ministerieel niveau, die een extra en onnodige controlelaag zou vormen en tot taak zou krijgen de beheers- en certificeringsautoriteiten te accrediteren op basis van een voorafgaand onderzoek. De accreditatie zou namelijk meer betrekking moeten hebben op de systemen dan op de beheersautoriteiten.

53.

Verkeerde toepassing van het evenredigheidsbeginsel kan ongelijke behandeling van de lidstaten in de hand werken. De controles en audits dreigen veel zwaarder te zijn voor lidstaten die de meeste steun ontvangen uit de structuurfondsen. Het niveau van de controles aanpassen aan de financiële omvang van de programma's zou bovendien de keuze voor op meerdere fondsen gebaseerde programma's kunnen ontmoedigen.

54.

De voorgestelde jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen zou facultatief moeten zijn, zodat beheersautoriteiten desgewenst de afsluitende procedure aan het einde van de periode kunnen vereenvoudigen en de termijn voor het bewaren van boekhoudkundige documenten kunnen inkorten (artt. 67, 76, 77 en 131).

55.

Het CvdR wil voorkomen dat er een opeenstapeling van controles is die door de nationale of regionale auditautoriteit, de Commissie of de Rekenkamer en de operatoren zelf worden uitgevoerd. Het stelt daarentegen voor om systematisch gemeenschappelijke audits te organiseren in een bepaald gebied, om dubbel werk te voorkomen en gezamenlijke „diagnoses” te bevorderen (art. 65, lid 2).

Eenvoudigere en op ondernemerschap gerichte financieringsinstrumenten

56.

Er moet meer duidelijkheid komen over het gebruik van financieringsinstrumenten wat betreft de boekhoudkundige vastlegging van het gebruik van EU-middelen, het toezicht en het ownership. Het CvdR stemt echter in met het gebruik van financieringsinstrumenten om het hefboomeffect van de fondsen te vergroten, op voorwaarde dat dit een aanvulling vormt op en niet ten koste gaat van het steunelement van het cohesiebeleid en dat de steun beperkt blijft tot conventionele vormen van financieringsinstrumenten (aandelendeelnemingen, leningen, garanties) en steun voor ondoorzichtige financieringsinstrumenten, zoals derivaten of gestructureerde financieringsinstrumenten, is uitgesloten.

57.

De bepaling dat de financieringsinstrumenten binnen twee jaar na hun activering en voor een periode van ten minste tien jaar na de afsluiting van het programma overeenkomstig de doelen van het programma moeten worden gebruikt, is naar de mening van het CvdR excessief.

Gemeenschappelijk actieplan: een welkome vernieuwing

58.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel van de Commissie om gemeenschappelijke actieplannen vast te stellen. Een gemeenschappelijk actieplan omvat een groep projecten die in het kader van een of meer operationele programma's onder verantwoordelijkheid van de begunstigde worden uitgevoerd, in ruil voor een aanzienlijke terugdringing van de voorschriften inzake beheer en controle. Wel betreurt het CvdR dat infrastructuurprojecten uitgesloten zijn.

59.

Het gemeenschappelijk actieplan zou samen met de Commissie, de lidstaat en de bij het programma betrokken decentrale overheden moeten worden goedgekeurd, mede gezien de hoogte van de steun (de drempel zou moeten worden verlaagd tot 5 miljoen euro).

Inkomstengenererende maatregelen: noodzaak van meer flexibiliteit

60.

Het CvdR geeft er de voorkeur aan om opnieuw uit te gaan van de voor de periode 2000-2006 geldende voorschriften, die inhielden dat voor inkomstengenererende projecten een specifiek en uniform (gereduceerd) steunpercentage werd gehanteerd.

Forfaitaire vaststelling van de kosten: een vereenvoudiging die maar niet van de grond lijkt te komen

61.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel van de Commissie betreffende de verschillende soorten vereenvoudigde subsidies en moedigt de beheersautoriteiten en begunstigden aan om meer gebruik te maken van de standaardschalen van eenheidskosten, forfaitaire bedragen en forfaitaire financiering.

62.

Het dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om zo snel mogelijk over te gaan tot goedkeuring van een eerlijke, billijke en controleerbare berekeningsmethode en methodes en standaardschalen van eenheidskosten, zodat de exploitanten van projecten hier bij aanvang van de programmering gebruik van kunnen maken. Hierbij moet rekening worden gehouden met de ervaringen die tijdens de huidige programmeringsperiode zijn opgedaan.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging (14)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie moet door middel van een gedelegeerde handeling een gemeenschappelijk strategisch kader goedkeuren dat de doelstellingen van de Unie vertaalt in kernacties voor de GSK-fondsen, teneinde het programmeringsproces van de lidstaten en de regio's een duidelijker strategische richting te bieden. Het gemeenschappelijk strategisch kader moet de sectorale en territoriale coördinatie van steunmaatregelen van de Unie in het kader van de GSK-fondsen en de coördinatie met ander beleid en andere instrumenten van de Unie op dit gebied vergemakkelijken

e Commissie een gemeenschappelijk strategisch kader dat de doelstellingen van de Unie vertaalt in kernacties voor de GSK-fondsen, teneinde het programmeringsproces van de lidstaten en de regio's een duidelijker strategische richting te bieden. Het gemeenschappelijk strategisch kader moet de sectorale en territoriale coördinatie van steunmaatregelen van de Unie in het kader van de GSK-fondsen en de coördinatie met ander beleid en andere instrumenten van de Unie op dit gebied vergemakkelijken

Motivering

Gedelegeerde handelingen bieden de wetgever de mogelijkheid aan de Commissie de bevoegdheid over te dragen om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling. Het gemeenschappelijk strategisch kader is bedoeld om gemeenschappelijke richtsnoeren en regels vast te stellen voor alle fondsen met gedeeld beheer. Het bevat dus essentiële onderdelen die aan alle communautaire instellingen moeten worden voorgelegd en eventueel kunnen worden gewijzigd.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging (16)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Op basis van het door de Commissie goedgekeurde gemeenschappelijk strategisch kader moet elke lidstaat, in samenwerking met zijn partners en in overleg met de Commissie, een partnerschapscontract opstellen. Dit moet de in het gemeenschappelijk strategisch kader opgenomen elementen vertalen naar de nationale context en vaste verbintenissen bevatten om de doelstellingen van de Unie te bereiken door middel van de programmering van de GSK-fondsen.

Op basis van het door de Commissie goedgekeurde gemeenschappelijk strategisch kader moet elke lidstaat, in samenwerking met zijn partners en in overleg met de Commissie, een partnerschapscontract opstellen. Dit moet de in het gemeenschappelijk strategisch kader opgenomen elementen vertalen naar de nationale context en verbintenissen bevatten om de doelstellingen van de Unie te bereiken door middel van de programmering van de GSK-fondsen.

Motivering

De regionale en lokale overheden, als financierders en uitvoerders van het cohesiebeleid, zouden als volwaardige partners moeten deelnemen aan de onderhandelingen over en de vaststelling, uitvoering en wijziging van het partnerschapscontract.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging (18)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voor elk programma moet een prestatiekader worden vastgesteld teneinde toezicht te kunnen uitoefenen op de vorderingen die in de loop van de programmeringsperiode met betrekking tot de doelstellingen en streefdoelen van elk programma worden gemaakt. De Commissie moet de prestaties in 2017 en 2019 evalueren in samenwerking met de lidstaten. Er moet worden voorzien in een prestatiereserve die in 2019 moet worden toegewezen wanneer de in het prestatiekader gestelde mijlpalen zijn bereikt. Omdat de programma's in het kader van de Europese territoriale samenwerking sterk uiteenlopen en meer dan een land bestrijken, moet er voor deze programma's geen prestatiereserve komen. Wanneer de tekortkomingen bij het bereiken van mijlpalen of streefdoelen significant zijn, moet de Commissie betalingen aan het programma kunnen schorsen of, aan het eind van de programmeringsperiode, financiële correcties kunnen toepassen om ervoor te zorgen dat de begroting van de Unie niet wordt verspild of inefficiënt wordt gebruikt.

Voor elk programma moet een prestatiekader worden vastgesteld teneinde toezicht te kunnen uitoefenen op de vorderingen die in de loop van de programmeringsperiode met betrekking tot de doelstellingen en streefdoelen van elk programma worden gemaakt. De Commissie moet de prestaties in 2017 en 2019 evalueren in samenwerking met de lidstaten. Er moet worden voorzien in een

Motivering

Het wijzigingsvoorstel weerspiegelt de bezorgdheid over de invoering van een nationale prestatiereserve, omdat wordt gevreesd dat dit mechanisme de vaststelling van zeer bescheiden en dus makkelijk haalbare doelstellingen in de hand werkt, om maar in aanmerking te komen voor extra financiële steun, waardoor weinig ambitieuze projecten voorrang krijgen en innovatie wordt ontmoedigd.

Wel is het CvdR voorstander van een flexibiliteitsreserve, bestaande uit de middelen die vrijkomen na het ambtshalve doorhalen van vastleggingen, voor de financiering van experimentele initiatieven op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei of om maatregelen te kunnen treffen in geval van crisis.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging (19)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Wanneer een nauwere band tussen het cohesiebeleid en het economisch bestuur van de Unie tot stand wordt gebracht, wordt gewaarborgd dat de doeltreffendheid van de uitgaven in het kader van de GSK-fondsen gebaseerd is op gezond economisch beleid en dat de GSK-fondsen zo nodig kunnen worden omgebogen naar de aanpak van economische problemen waarmee een land te kampen heeft. Dit proces moet geleidelijk plaatsvinden, te beginnen met wijzigingen in het partnerschapscontract en de programma's, ter ondersteuning van aanbevelingen van de Raad om macro-economische onevenwichtigheden en sociale en economische problemen aan te pakken. Wanneer een lidstaat ondanks het toegenomen gebruik van de GSK-fondsen geen doeltreffende actie in het kader van het economisch bestuur onderneemt, moet de Commissie het recht hebben alle betalingen en verbintenissen of een deel daarvan te schorsen. Besluiten over schorsingen moeten evenwichtig en doeltreffend zijn en rekening houden met het effect van de afzonderlijke programma's voor de aanpak van de economische en sociale situatie van de betrokken lidstaat en met eerdere wijzigingen van het partnerschapscontract. Bij besluiten over een schorsing moet de Commissie ook een gelijke behandeling van de lidstaten in acht nemen en daarbij in het bijzonder rekening houden met het effect van de schorsing voor de economie van de betrokken lidstaat. De schorsing moet worden beëindigd en er moeten weer fondsen voor de betrokken lidstaat beschikbaar zijn zodra deze de noodzakelijke actie onderneemt.

Wanneer een nauwere band tussen het cohesiebeleid en het economisch bestuur van de Unie tot stand wordt gebracht, wordt gewaarborgd dat de doeltreffendheid van de uitgaven in het kader van de GSK-fondsen gebaseerd is op gezond economisch beleid en dat de GSK-fondsen zo nodig kunnen worden omgebogen naar de aanpak van economische problemen waarmee een land te kampen heeft. Dit proces moet geleidelijk plaatsvinden, te beginnen met wijzigingen in het partnerschapscontract en de programma's, ter ondersteuning van aanbevelingen van de Raad om macro-economische onevenwichtigheden en sociale en economische problemen aan te pakken.

Motivering

Het Comité van de Regio's maakt bezwaar tegen de bepalingen op het gebied van macro-economische voorwaarden. Het toepassen van sancties of financiële prikkels die zijn gekoppeld aan het stabiliteits- en groeipact, om zo de naleving van de macro-economische voorwaarden te waarborgen, dreigt zeer nadelig te zijn voor regionale en lokale overheden die zelf niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het feit dat sommige lidstaten hun verplichtingen niet nakomen.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging (29)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De regelingen van de GSK-fondsen inzake toezicht en verslaglegging moeten op elkaar worden afgestemd om de beheersregelingen op alle niveaus te vereenvoudigen. Het is van belang te zorgen voor evenredige verslagleggingsvereisten, maar daarnaast ook voor de beschikbaarheid van uitgebreide informatie over de vorderingen die op de belangrijkste geëvalueerde punten zijn gemaakt. Daarom moeten de verslagleggingsvereisten aangepast zijn aan de informatiebehoeften in bepaalde jaren en afgestemd zijn op het tijdschema voor de prestatie-evaluaties.

De regelingen van de GSK-fondsen inzake toezicht en verslaglegging moeten op elkaar worden afgestemd om de beheersregelingen op alle niveaus te vereenvoudigen. Het is van belang te zorgen voor evenredige verslagleggingsvereisten, maar daarnaast ook voor de beschikbaarheid van uitgebreide informatie over de vorderingen die op de belangrijkste geëvalueerde punten zijn gemaakt. Daarom moeten de verslagleggingsvereisten aangepast zijn aan de informatiebehoeften in bepaalde jaren .

Motivering

Met betrekking tot de prestatie-evaluaties is het Comité van mening dat dit een instrument moet zijn voor het sturen en controleren van de doelstellingen die tijdens de gehele programmeringsperiode worden behaald.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging (43)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In overeenstemming met het beginsel van gedeeld beheer dienen de lidstaten, via hun beheers- en controlesystemen, in eerste instantie verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van en het toezicht op de concrete acties in de programma's. Om de doeltreffendheid van het toezicht op de selectie en uitvoering van concrete acties en de werking van het beheers- en controlesysteem te versterken, moeten de functies van de beheersautoriteit worden gespecificeerd.

In overeenstemming met het beginsel van gedeeld beheer dienen de lidstaten , via hun beheers- en controlesystemen, in eerste instantie verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van en het toezicht op de concrete acties in de programma's. Om de doeltreffendheid van het toezicht op de selectie en uitvoering van concrete acties en de werking van het beheers- en controlesysteem te versterken, moeten de functies van de beheersautoriteit worden gespecificeerd.

Motivering

De fondsen van het gemeenschappelijk strategisch kader vallen binnen het toepassingsgebied van het regionaal beleid, zodat telkens wanneer in de Verordening wordt verwezen naar de deelnemende overheden, niet mag worden voorbijgegaan aan de belangrijkste hoofdrolspelers, te weten de regionale en lokale overheden.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging (44)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om zekerheid vooraf te geven met betrekking tot de structuur en opzet van de belangrijkste beheers- en controlesystemen, moeten de lidstaten een accreditatie-instantie aanwijzen die verantwoordelijk is voor de accreditatie en de intrekking van de accreditatie van beheers- en controleorganen.

Motivering

Om te voorkomen dat er nog meer instanties in het leven worden geroepen die het beheers- en controlesysteem alleen maar ingewikkelder zouden maken.

Wijzigingsvoorstel 8

Nieuwe overweging na overweging (55)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Motivering

Het streven naar gemeenschappelijke bepalingen voor de respectieve fondsen met het oog op overgangsregelingen en de daarmee verbonden quota voor medefinanciering door de EU is nog niet geconcretiseerd. Voor het EFRO en het ESF bestaan overgangsregelingen (inclusief een vangnet) maar voor het ELFPO is dat niet het geval. Dat leidt tot duidelijk verschillende steunvoorwaarden per fonds. Dat strijdt met de nagestreefde harmonisatie en daarom moeten de overgangsregelingen ook voor het ELFPO gelden.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging (58)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om de resultaatgerichtheid en de nadruk op het bereiken van de doelstellingen en streefdoelen van de Europa 2020-strategie te vergroten, moet vijf procent van de middelen voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid” apart worden gezet als prestatiereserve voor elk Fonds en categorie regio's in elke lidstaat.

Motivering

Het wijzigingsvoorstel weerspiegelt de bezorgdheid over de invoering van een nationale prestatiereserve, omdat wordt gevreesd dat dit mechanisme de vaststelling van zeer bescheiden en dus makkelijk haalbare doelstellingen in de hand werkt, om maar in aanmerking te komen voor extra financiële steun, waardoor weinig ambitieuze projecten voorrang krijgen en innovatie wordt ontmoedigd.

Wel is het CvdR voorstander van een flexibiliteitsreserve, bestaande uit de middelen die vrijkomen na het ambtshalve doorhalen van vastleggingen, voor de financiering van experimentele initiatieven op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei of om maatregelen te kunnen treffen in geval van crisis. Deze reserve zou verbonden moeten zijn aan het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Solidariteitsfonds van de Europese Unie.

Wijzigingsvoorstel 10

Overweging (84)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen moet gepaard gaan met een jaarlijkse afsluiting van voltooide concrete acties (voor het EFRO en het CF) of de uitgaven (voor het ESF). Om de kosten in verband met de eindafsluiting van operationele programma's te beperken, de administratieve last voor de begunstigden te verminderen en rechtszekerheid te verschaffen, moet de jaarlijkse afsluiting verplicht zijn, waardoor de periode dat de bewijsstukken bewaard moeten blijven, er een audit van de concrete acties kan worden gehouden en er financiële correcties kunnen worden toegepast, wordt ingekort.

De jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen gepaard gaan met een jaarlijkse afsluiting van voltooide concrete acties (voor het EFRO en het CF) of de uitgaven (voor het ESF). Om de kosten in verband met de eindafsluiting van operationele programma's te beperken, de administratieve last voor de begunstigden te verminderen en rechtszekerheid te verschaffen, jaarlijkse afsluiting , waardoor de periode dat de bewijsstukken bewaard moeten blijven, er een audit van de concrete acties kan worden gehouden en er financiële correcties kunnen worden toegepast, wordt ingekort.

Motivering

Het voorstel voor een jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen leidt in feite tot de invoering van een jaarlijkse afsluiting. Het gevolg is dat de administratieve rompslomp zal toenemen, er verplicht financiële correcties zullen moeten worden doorgevoerd indien de Europese Commissie en/of de Europese Rekenkamer onregelmatigheden constateren, en het minder eenvoudig zal worden om „verschoven” uitgaven op te geven en te vervangen, hetgeen in de huidige periode (2007-2013) wel mogelijk is.

Wijzigingsvoorstel 11

Overweging (87)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De frequentie van audits van concrete acties moet evenredig zijn aan de omvang van de steun die de Unie uit de Fondsen verstrekt. Met name moeten minder audits worden uitgevoerd wanneer de totale subsidiabele uitgaven voor een concrete actie 100 000 euro niet overschrijden. Desondanks moet het mogelijk zijn te allen tijde een audit uit te voeren wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude, dan wel, na afsluiting van een voltooide concrete actie, als onderdeel van een auditsteekproef. Om ervoor te zorgen dat de omvang van de auditing door de Commissie evenredig is aan het risico, moet de Commissie haar auditwerkzaamheden kunnen verminderen voor operationele programma's die geen grote tekortkomingen te zien geven of waarvoor op de auditautoriteit kan worden vertrouwd

De frequentie van audits van concrete acties moet evenredig zijn aan de omvang van de steun die de Unie uit de Fondsen verstrekt. Met name moet audit worden uitgevoerd wanneer de totale subsidiabele uitgaven voor een concrete actie  euro niet overschrijden. Desondanks moet het mogelijk zijn te allen tijde een audit uit te voeren wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude, dan wel, na afsluiting van een voltooide concrete actie, als onderdeel van een auditsteekproef. Om ervoor te zorgen dat de omvang van de auditing door de Commissie evenredig is aan het risico, moet de Commissie haar auditwerkzaamheden kunnen verminderen voor operationele programma's die geen grote tekortkomingen te zien geven of waarvoor op de auditautoriteit kan worden vertrouwd

Motivering

Om te zorgen voor een echte evenredigheid bij de controle op operationele programma's stelt het Comité voor dat concrete acties waarvan de subsidiabele uitgaven niet meer dan 250 000 euro bedragen, aan niet meer dan één audit worden onderworpen.

Wijzigingsvoorstel 12

Overweging (88)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te kunnen aanvullen of wijzigen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake een gedragscode betreffende de doelstellingen en criteria ter ondersteuning van de uitvoering van partnerschappen, de goedkeuring van een gezamenlijk strategisch kader, aanvullende regels over de toewijzing van de reserve voor groei en concurrentievermogen, de vaststelling van het gebied en de bevolking waarop de strategieën voor lokale ontwikkeling van toepassing zijn, gedetailleerde regels voor financieringsinstrumenten (ex-antebeoordeling, subsidiabiliteit van uitgaven, soorten activiteiten waarvoor geen steun wordt verleend, combinatie van steun, overdracht en beheer van activa, betalingsverzoeken, kapitalisatie van jaartranches), de vaststelling van het forfaitaire bedrag voor inkomsten genererende concrete acties, de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de procedure voor het melden van onregelmatigheden en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, het model van de jaarlijkse beheersverklaring over de werking van het beheers- en controlesysteem, de voorwaarden voor nationale audits, de accreditatiecriteria voor beheers- en certificeringsautoriteiten, de identificatie van algemeen aanvaarde gegevensdragers, de hoogte van de toe te passen financiële correctie, de wijziging van bijlagen en de specifieke maatregelen die nodig zijn voor de vereenvoudiging van de overgang van Verordening (EG) nr. 1083/2006. De Commissie moet ook de bevoegdheid krijgen de bijlagen I en IV te wijzigen om deze aan toekomstige behoeften aan te passen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op deskundigenniveau.

Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te kunnen aanvullen of wijzigen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake een gedragscode betreffende de doelstellingen en criteria ter ondersteuning van de uitvoering van partnerschappen, gedetailleerde regels voor financieringsinstrumenten (ex-antebeoordeling, subsidiabiliteit van uitgaven, soorten activiteiten waarvoor geen steun wordt verleend, combinatie van steun, overdracht en beheer van activa, betalingsverzoeken, kapitalisatie van jaartranches), de vaststelling van het forfaitaire bedrag voor inkomsten genererende concrete acties, de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de procedure voor het melden van onregelmatigheden en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, het model van de jaarlijkse beheersverklaring over de werking van het beheers- en controlesysteem, de voorwaarden voor nationale audits, de accreditatiecriteria voor beheers- en certificeringsautoriteiten, de identificatie van algemeen aanvaarde gegevensdragers, de hoogte van de toe te passen financiële correctie, de wijziging van bijlagen en de specifieke maatregelen die nodig zijn voor de vereenvoudiging van de overgang van Verordening (EG) nr. 1083/2006. De Commissie moet ook de bevoegdheid krijgen de bijlagen I en IV te wijzigen om deze aan toekomstige behoeften aan te passen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op deskundigenniveau.

Motivering

Met gedelegeerde handelingen biedt de wetgever de mogelijkheid aan de Europese Commissie om niet-wetgevingshandelingen vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde onderdelen van een wetgevingshandeling. Het voorstel om tekst te schrappen is in overeenstemming met de standpunten in het advies ten aanzien van art. 12 over het gemeenschappelijk strategisch kader, art. 18 over de prestatiereserve en art. 29 over de strategieën voor lokale ontwikkeling.

Wijzigingsvoorstel 13

Overweging (90)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om door middel van uitvoeringshandelingen met betrekking tot alle GSK-fondsen besluiten tot goedkeuring van partnerschapscontracten, tot toewijzing van de prestatiereserve en tot schorsing van betalingen in verband met het economisch beleid van de lidstaten, en met betrekking tot de Fondsen besluiten tot vaststelling van operationele programma's, tot goedkeuring van belangrijke projecten, tot schorsing van betalingen en tot vaststelling van financiële correcties goed te keuren.

De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om door middel van uitvoeringshandelingen met betrekking tot alle GSK-fondsen besluiten tot goedkeuring van partnerschapscontracten, besluiten tot vaststelling van operationele programma's, tot goedkeuring van belangrijke projecten, tot schorsing van betalingen en tot vaststelling van financiële correcties goed te keuren.

Motivering

Het wijzigingsvoorstel weerspiegelt de bezorgdheid over de invoering van een nationale prestatiereserve, omdat wordt gevreesd dat dit mechanisme de vaststelling van zeer bescheiden en dus makkelijk haalbare doelstellingen in de hand werkt, om maar in aanmerking te komen voor extra financiële steun, waardoor weinig ambitieuze projecten voorrang krijgen en innovatie wordt ontmoedigd.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 5, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Partnerschap en meerlagig bestuur

1.   Een lidstaat brengt voor het partnerschapscontract en voor elk programma een partnerschap tot stand met de volgende partners:

a)

de bevoegde regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden;

b)

de economische en sociale partners; en

c)

instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, waaronder milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en instanties die tot taak hebben gelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.

Partnerschap en meerlagig bestuur

1.    voor het partnerschapscontract en voor elk programma een partnerschap tot stand met de volgende partners:

a)

de bevoegde overheden;

b)

de economische en sociale partners; en

c)

instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, waaronder milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en instanties die tot taak hebben gelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.

Motivering

Het wijzigingsvoorstel wil benadrukken dat de decentrale overheden in iedere lidstaat, overeenkomstig het beginsel van multilevel governance als volwaardige partners worden betrokken bij de onderhandelingen over en de vaststelling en uitvoering van de strategische documenten, te weten het gemeenschappelijk strategisch kader (GSK), het partnerschapscontract en de operationele programma's. Het CvdR acht het onterecht dat de regionale en lokale overheden als het gaat om partnerschappen op hetzelfde niveau worden geplaatst als de economische en sociale partners: de regionale en lokale overheden, die het algemeen belang van de door hen bestuurde burgers en gebieden vertegenwoordigen, zijn immers medebeheerders en medefinancierders van de structuurfondsen.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 9, lid 6 en 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Thematische doelstellingen

[…]

6)

bescherming van het milieu en bevordering van efficiënt gebruik van hulpbronnen;

[…]

11)

vergroting van de institutionele capaciteit en een doelmatig openbaar bestuur.

Thematische doelstellingen

[…]

6)

bescherming van het milieu en bevordering van efficiënt gebruik van hulpbronnen;

[…]

11)

vergroting van de institutionele capaciteit en een doelmatig openbaar bestuur .

Motivering

Met betrekking tot lid 6:

Het is van fundamenteel belang om bescherming van het cultureel erfgoed op te nemen bij de thematische doelstellingen van de GSK-fondsen. Dit sluit bovendien aan op de bepalingen van art. 5, lid 6 c) van het voorstel voor een verordening inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling.

Met betrekking tot lid 11:

Technische bijstand dient er ook toe om de strategische aanpak van onderop te vereenvoudigen. De in 2011 door de lidstaten goedgekeurde Territoriale agenda 2020 bevat zeer nuttige aanbevelingen met betrekking tot de territoriale ontwikkeling in de EU.

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In het gemeenschappelijk strategisch kader wordt het volgende vastgesteld:

a)

voor elke thematische doelstelling: de kernacties die door elk GSK-fonds zullen worden ondersteund;

b)

de voornaamste territoriale vraagstukken voor stedelijke, plattelands-, kust- en visserijgebieden, alsook voor gebieden met bijzondere territoriale kenmerken, zoals bedoeld in de artikelen 174 en 349 van het Verdrag, die door de GSK-fondsen zullen worden aangepakt;

c)

horizontale beginselen en beleidsdoelstellingen voor de uitvoering van de GSK-fondsen;

d)

prioritaire gebieden voor samenwerkingsactiviteiten voor elk van de GSK-fondsen, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met macroregionale en zeegebiedstrategieën;

e)

mechanismen voor de coördinatie tussen de GSK-fondsen, alsmede met andere relevante beleidsmaatregelen en instrumenten van de Unie, waaronder externe instrumenten voor samenwerking;

f)

mechanismen om de samenhang en de consistentie van de programmering van de GSK-fondsen met de specifieke aanbevelingen per land uit hoofde van artikel 121, lid 2, van het Verdrag en de desbetreffende aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 148, lid 4, van het Verdrag, te waarborgen.

In het gemeenschappelijk strategisch kader wordt het volgende vastgesteld:

a)

voor elke thematische doelstelling: de kernacties die door elk GSK-fonds zullen worden ondersteund;

)

horizontale beginselen en beleidsdoelstellingen voor de uitvoering van de GSK-fondsen;

)

mechanismen voor de coördinatie tussen de GSK-fondsen, alsmede met andere relevante beleidsmaatregelen en instrumenten van de Unie, waaronder externe instrumenten voor samenwerking;

)

mechanismen om de samenhang en de consistentie van de programmering van de GSK-fondsen met de specifieke aanbevelingen per land uit hoofde van artikel 121, lid 2, van het Verdrag en de desbetreffende aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 148, lid 4, van het Verdrag, te waarborgen.

Motivering

Het CvdR is van mening dat de kernacties die door de Commissie in het gemeenschappelijk strategisch kader worden voorgesteld, een nieuwe vorm van concentratie zijn. Bovendien is het van mening dat de territoriale vraagstukken in het kader van de operationele programma's moeten worden behandeld. Hetzelfde geldt voor de eventuele wisselwerking tussen de regionale strategieën en, in voorkomend geval, de macroregionale strategieën.

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie is bevoegd binnen drie maanden na de vaststelling van deze verordening overeenkomstig artikel 142 een gedelegeerde handeling vast te stellen met betrekking tot het gemeenschappelijk strategisch kader.

Als de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei ingrijpend wordt gewijzigd, voert de Commissie een evaluatie uit en stelt zij zo nodig bij gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 142 een herzien gemeenschappelijk strategisch kader vast.

De lidstaten stellen zo nodig binnen zes maanden na de vaststelling van een herzien gemeenschappelijk strategisch kader wijzigingen op hun partnerschapscontract en programma's voor om te waarborgen dat deze consistent zijn met het herziene gemeenschappelijk strategisch kader.

e Commissie gemeenschappelijk strategisch kader .

Als de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei ingrijpend wordt gewijzigd, voert de Commissie een evaluatie uit en stelt zij zo nodig bij gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 142 een herzien gemeenschappelijk strategisch kader vast.

De lidstaten stellen zo nodig binnen zes maanden na de vaststelling van een herzien gemeenschappelijk strategisch kader wijzigingen op hun partnerschapscontract en programma's voor om te waarborgen dat deze consistent zijn met het herziene gemeenschappelijk strategisch kader.

Motivering

Gedelegeerde handelingen bieden de wetgever de mogelijkheid aan de Commissie de bevoegdheid over te dragen om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling. Het gemeenschappelijk strategisch kader is bedoeld om gemeenschappelijke richtsnoeren en regels vast te stellen voor alle fondsen met gedeeld beheer. Het bevat dus essentiële onderdelen die aan alle communautaire instellingen moeten worden voorgelegd en eventueel kunnen worden gewijzigd.

Wijzigingsvoorstel 18

Artikel 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voorbereiding van het partnerschapscontract

1.   Elke lidstaat bereidt een partnerschapscontract voor dat de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 behelst.

2.   De lidstaten stellen het partnerschapscontract op in samenwerking met de in artikel 5 bedoelde partners. Het partnerschapscontract wordt in dialoog met de Commissie voorbereid.

3.   Het partnerschapscontract heeft betrekking op alle steun uit de GSK-fondsen in de betrokken lidstaat.

4.   Elke lidstaat doet zijn partnerschapscontract binnen drie maanden na de vaststelling van het gemeenschappelijk strategisch kader aan de Commissie toekomen.

Voorbereiding van het partnerschapscontract

1.   Elke lidstaat bereidt een partnerschapscontract voor dat de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 behelst.

   

.   De lidstaten stellen het partnerschapscontract op in samenwerking met de in artikel 5 bedoelde partners. Het partnerschapscontract wordt in dialoog met de Commissie voorbereid.

4.   Het partnerschapscontract heeft betrekking op alle steun uit de GSK-fondsen in de betrokken lidstaat.

5.   Elke lidstaat doet zijn partnerschapscontract binnen maanden na de vaststelling van het gemeenschappelijk strategisch kader aan de Commissie toekomen.

Motivering

De regionale en lokale overheden, als financierders en uitvoerders van het cohesiebeleid, zouden als volwaardige partners moeten deelnemen aan de onderhandelingen over en de vaststelling, uitvoering en wijziging van het partnerschapscontract. Rekening houdend met de hoeveelheid gedetailleerde informatie die gevraagd wordt, met het feit dat de programma's tegelijk met het contract moeten worden ingediend (zie art. 23, lid 3) en met de noodzaak om een doeltreffend partnerschap tot stand te brengen, is het CvdR van mening dat dit méér tijd vergt.

Wijzigingsvoorstel 19

Artikel 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Inhoud van het partnerschapscontract

Het partnerschapscontract omvat het volgende:

a)

regelingen om afstemming op de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te waarborgen, met inbegrip van:

i)

een analyse van de ongelijkheden en ontwikkelingsbehoeften ten aanzien van de in het gemeenschappelijk strategisch kader vastgestelde thematische doelstellingen en kernacties, alsook ten aanzien van de streefdoelen die zijn vastgesteld in de specifieke aanbevelingen per land uit hoofde van artikel 121, lid 2, van het Verdrag en in de desbetreffende aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 148, lid 4, van het Verdrag;

ii)

een samenvattende analyse van de ex-ante-evaluaties van de programma's die de selectie van de thematische doelstellingen en de indicatieve toewijzingen van de GSK-fondsen rechtvaardigen;

iii)

voor elke thematische doelstelling: een samenvatting van de voornaamste verwachte resultaten voor elk van de GSK-fondsen;

iv)

de indicatieve toewijzing van steun door de Unie per thematische doelstelling op nationaal niveau voor elk van de GSK-fondsen, alsook het indicatieve totaalbedrag van de voorziene steun voor doelstellingen op het gebied van klimaatverandering;

v)

de belangrijkste prioritaire gebieden voor samenwerking, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met macroregionale en zeegebiedstrategieën;

vi)

horizontale beginselen en beleidsdoelstellingen voor de uitvoering van de GSK-fondsen;

vii)

de lijst van de programma's van het EFRO, het ESF en het CF, met uitzondering van die voor het doel „Europese territoriale samenwerking”, en van de programma's van het Elfpo en het EFMZV, met de respectieve indicatieve toewijzingen per GSK-fonds en per jaar;

b)

een geïntegreerde benadering voor de door de GSK-fondsen gesteunde territoriale ontwikkeling, waarin het volgende wordt uiteengezet:

i)

de mechanismen op nationaal en regionaal niveau die zorgen voor coördinatie tussen de GSK-fondsen en andere financieringsinstrumenten van de Unie en de lidstaten, alsook met de EIB;

ii)

de regelingen die zorgen voor een geïntegreerde aanpak voor het gebruik van de GSK-fondsen voor de territoriale ontwikkeling van stedelijke, plattelands-, kust- en visserijgebieden, alsook van gebieden met bijzondere territoriale kenmerken, in het bijzonder de uitvoeringsregelingen voor de artikelen 28, 29 en 99, in voorkomend geval vergezeld van een lijst van de steden die aan het in artikel 8 van de EFRO-verordening bedoelde platform voor stedelijke ontwikkeling zullen deelnemen;

[….]

e)

regelingen om een doelmatige uitvoering van de GSK-fondsen te waarborgen, met inbegrip van:

i)

een beoordeling of de administratieve capaciteit van de autoriteiten, en in voorkomend geval van de begunstigden, moet worden vergroot, alsook de maatregelen die hiervoor nodig zijn;

ii)

een samenvatting van de geplande maatregelen en de desbetreffende streefdoelen in de programma's om de administratieve belasting van de begunstigden te reduceren;

iii)

een beoordeling van de bestaande systemen voor de elektronische uitwisseling van gegevens en de geplande maatregelen om het mogelijk te maken dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de autoriteiten die voor het beheer en de controle van de programma's verantwoordelijk zijn, uitsluitend elektronisch plaatsvindt.

Inhoud van het partnerschapscontract

Het partnerschapscontract omvat het volgende:

a)

regelingen om afstemming op de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te waarborgen, met inbegrip van:

i)

een analyse van de ongelijkheden en ontwikkelingsbehoeften ten aanzien van de in het gemeenschappelijk strategisch kader vastgestelde thematische doelstellingen en kernacties, alsook ten aanzien van de streefdoelen die zijn vastgesteld in de specifieke aanbevelingen per land uit hoofde van artikel 121, lid 2, van het Verdrag en in de desbetreffende aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 148, lid 4, van het Verdrag;

ii)

voor elke thematische doelstelling: een samenvatting van de voornaamste verwachte resultaten voor elk van de GSK-fondsen;

)

horizontale beginselen en beleidsdoelstellingen voor de uitvoering van de GSK-fondsen;

v)

de lijst van de programma's van het EFRO, het ESF en het CF, met uitzondering van die voor het doel „Europese territoriale samenwerking”, en van de programma's van het Elfpo en het EFMZV, met de respectieve indicatieve toewijzingen per GSK-fonds en per jaar;

b)

een geïntegreerde benadering voor de door de GSK-fondsen gesteunde territoriale ontwikkeling, waarin het volgende wordt uiteengezet:

i)

de mechanismen op nationaal en regionaal niveau die zorgen voor coördinatie tussen de GSK-fondsen en andere financieringsinstrumenten van de Unie en de lidstaten, alsook met de EIB;

ii)

de regelingen die zorgen voor een geïntegreerde aanpak voor het gebruik van de GSK-fondsen voor de territoriale ontwikkeling van stedelijke, plattelands-, kust- en visserijgebieden, alsook van gebieden met bijzondere territoriale kenmerken, in het bijzonder de uitvoeringsregelingen voor de artikelen 28, 29 en 99, in voorkomend geval vergezeld van een lijst van de steden die aan het in artikel 8 van de EFRO-verordening bedoelde platform voor stedelijke ontwikkeling zullen deelnemen;

[….]

e)

regelingen om een doelmatige uitvoering van de GSK-fondsen te waarborgen, met inbegrip van:

i)

een samenvatting van de geplande maatregelen en de desbetreffende streefdoelen in de programma's om de administratieve belasting van de begunstigden te reduceren;

ii)

een beoordeling van de bestaande systemen voor de elektronische uitwisseling van gegevens en de geplande maatregelen om het mogelijk te maken dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de autoriteiten die voor het beheer en de controle van de programma's verantwoordelijk zijn, uitsluitend elektronisch plaatsvindt.

Motivering

Het CvdR vindt het niet nodig dat het partnerschapscontract gegevens bevat die al in de operationele programma's staan. Deze bepalingen zijn dan ook overbodig en dragen niet bij tot een vereenvoudiging. Bovendien kunnen de lidstaten geen verbintenissen aangaan die al eerder op regionaal en lokaal niveau zijn aangegaan.

Een geïntegreerd gebruik van de GSK-fondsen in peri-urbane gebieden is van essentieel belang. Anders dreigen deze gebieden niet alleen voor plattelandszones, maar ook voor steden bestemde gelden mis te lopen, en dat terwijl hun aantal hand over hand toeneemt in de EU.

De Europese territoriale samenwerking kan vanwege haar multilaterale aard niet via partnerschapsovereenkomsten worden gestuurd. Daarom moet die buiten de reikwijdte van de partnerschapsovereenkomsten blijven.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Thematische concentratie

De lidstaten concentreren de steun, overeenkomstig de fondsspecifieke voorschriften, op acties die de grootste meerwaarde opleveren ten aanzien van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, die de vraagstukken aanpakken die in de specifieke aanbevelingen per land uit hoofde van artikel 121, lid 2, van het Verdrag en in de desbetreffende aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 148, lid 4, van het Verdrag zijn vastgesteld en die rekening houden met de nationale en regionale behoeften.

Thematische concentratie

De lidstaten concentreren de steun, overeenkomstig de fondsspecifieke voorschriften, op acties die de grootste meerwaarde opleveren ten aanzien van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, die de vraagstukken aanpakken die in de specifieke aanbevelingen per land uit hoofde van artikel 121, lid 2, van het Verdrag en in de desbetreffende aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 148, lid 4, van het Verdrag zijn vastgesteld en die rekening houden met de nationale en regionale behoeften.

Motivering

Het Comité stemt ermee in dat het grootste deel van de middelen op een beperkt aantal thematische doelstellingen c.q. investeringsprioriteiten moet worden geconcentreerd, maar is wel van mening dat de keuze van doelstellingen en prioriteiten aan de beheersautoriteiten moet worden overgelaten, door een lokale invulling te geven aan de doelstellingen van Europa-2020 en het gemeenschappelijk strategisch kader.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Ex-antevoorwaarden

1.   In de fondsspecifieke voorschriften worden voor elk GSK-fonds ex-antevoorwaarden vastgesteld.

2.   De lidstaten beoordelen of aan de toepasselijke ex-antevoorwaarden wordt voldaan.

3.   Als op de datum van indiening van het partnerschapscontract niet aan de ex-antevoorwaarden wordt voldaan, nemen de lidstaten in het partnerschapscontract een samenvatting op van de maatregelen die op nationaal of regionaal niveau moeten worden genomen, met een tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen, om te waarborgen dat uiterlijk twee jaar na de vaststelling van het partnerschapscontract, of als dat eerder is uiterlijk op 31 december 2016, aan die voorwaarden wordt voldaan.

4.   De lidstaten beschrijven in de desbetreffende programma's in detail de maatregelen die nodig zijn om aan de ex-antevoorwaarden te voldoen, met een tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen.

5.   Bij haar beoordeling van het partnerschapscontract en de programma's beoordeelt de Commissie ook de informatie die wordt gegeven over het vervullen van de ex-antevoorwaarden. Wanneer zij een programma vaststelt, kan zij besluiten de tussentijdse betalingen aan het programma geheel of gedeeltelijk te schorsen totdat de maatregelen om aan een ex-antevoorwaarde te voldoen, naar tevredenheid zijn voltooid. Wanneer de maatregelen om aan een ex-antevoorwaarde te voldoen niet op de in het programma vastgestelde uiterste termijn zijn voltooid, vormt dit voor de Commissie een grond om haar betalingen te schorsen.

6.   De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing op programma's in het kader van het doel „Europese territoriale samenwerking”.

Ex-antevoorwaarden

1.   In de fondsspecifieke voorschriften worden voor elk GSK-fonds ex-antevoorwaarden vastgesteld.

2.   De lidstaten beoordelen of aan de toepasselijke ex-antevoorwaarden wordt voldaan, .

3.   Als op de datum van indiening van het partnerschapscontract niet aan de ex-antevoorwaarden wordt voldaan, nemen de lidstaten in het partnerschapscontract een samenvatting op van de maatregelen die op nationaal of regionaal niveau moeten worden genomen, met een tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen, om te waarborgen dat uiterlijk jaar na de vaststelling van het partnerschapscontract, of als dat eerder is uiterlijk op 31 december 2016, aan die voorwaarden wordt voldaan.

4.   De lidstaten beschrijven in de desbetreffende programma's de maatregelen die nodig zijn om aan de ex-antevoorwaarden te voldoen, met een tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen.

5.   Bij haar beoordeling van het partnerschapscontract en de programma's beoordeelt de Commissie ook de informatie die wordt gegeven over het vervullen van de ex-antevoorwaarden. Wanneer de maatregelen om aan een ex-antevoorwaarde te voldoen niet op de in het programma vastgestelde uiterste termijn zijn voltooid, dit voor de Commissie een grond om haar betalingen te schorsen.

6.   De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing op programma's in het kader van het doel „Europese territoriale samenwerking”.

Motivering

Het CvdR is van mening dat de ex-antevoorwaarden geenszins mogen leiden tot opschorting van betalingen of financiële correcties, met uitzondering van voorwaarden tot de uitvoering waarvan de lidstaat zich heeft verbonden. Immers, indien aan het begin van de programmeringsperiode niet aan de ex-antevoorwaarden is voldaan zal de daaraan verbonden investering niet kunnen worden geprogrammeerd, zodat er ook geen reden is om achteraf sancties op te leggen. Verder is het van fundamenteel belang dat de Commissie rekening houdt met de institutionele context van iedere lidstaat, en de interne bevoegdheidsverdeling. Het is immers ondenkbaar dat een lidstaat verbintenissen aangaat ten aanzien van bevoegdheden die toebehoren aan de regionale of lokale overheden, en omgekeerd.

Wijzigingsvoorstel 22

Artikel 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Prestatiereserve

5 % van de aan elk GSK-fonds en elke lidstaat toegewezen middelen, met uitzondering van de aan het doel „Europese territoriale samenwerking” en aan titel V van de EFMZV-verordening toegewezen middelen, vormt een prestatiereserve, die overeenkomstig artikel 20 zal worden toegewezen.

reserve

Motivering

Het wijzigingsvoorstel weerspiegelt de bezorgdheid over de invoering van een nationale prestatiereserve, omdat wordt gevreesd dat dit mechanisme de vaststelling van zeer bescheiden en dus makkelijk haalbare doelstellingen in de hand werkt, om maar in aanmerking te komen voor extra financiële steun, waardoor weinig ambitieuze projecten voorrang krijgen en innovatie wordt ontmoedigd.

Wel is het CvdR voorstander van een flexibiliteitsreserve, bestaande uit de middelen die vrijkomen na het ambtshalve doorhalen van vastleggingen, voor de financiering van experimentele initiatieven op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei of om maatregelen te kunnen treffen in geval van crisis, zonder de aan iedere lidstaat toegewezen middelen te overschrijden.

Wijzigingsvoorstel 23

Artikel 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Evaluatie van de prestaties

1.   In 2017 en 2019 verricht de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een evaluatie van de prestaties van de programma's in elke lidstaat ten opzichte van het in het partnerschapscontract en de programma's vastgestelde prestatiekader. De methode voor de vaststelling van het prestatiekader is opgenomen in bijlage I.

2.   Bij deze evaluatie wordt aan de hand van de informatie en de beoordelingen in de in 2017 en 2019 door de lidstaten ingediende voortgangsverslagen nagegaan of de mijlpalen van de programma's op het niveau van de prioriteiten zijn bereikt.

Evaluatie van de prestaties

1.   In 2017 en 2019 verricht de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een evaluatie van de prestaties van de programma's in elke lidstaat ten opzichte van het in het partnerschapscontract en de programma's vastgestelde prestatiekader. De methode voor de vaststelling van het prestatiekader is opgenomen in bijlage I.

2.   Bij deze evaluatie wordt aan de hand van de informatie en de beoordelingen in de in 2017 en 2019 door de lidstaten ingediende voortgangsverslagen nagegaan of de mijlpalen van de programma's op het niveau van de prioriteiten zijn bereikt.

   

Motivering

Het wijzigingsvoorstel weerspiegelt de bezorgdheid over de invoering van een nationale prestatiereserve, omdat wordt gevreesd dat dit mechanisme de vaststelling van zeer bescheiden en dus makkelijk haalbare doelstellingen in de hand werkt, om maar in aanmerking te komen voor extra financiële steun, waardoor weinig ambitieuze projecten voorrang krijgen en innovatie wordt ontmoedigd.

Wat het prestatiekader betreft is het CvdR van mening dat dit een mechanisme moet zijn om de tijdens de programmeringsperiode behaalde doelstellingen te controleren en bij te sturen. Indien de doelstellingen niet worden gehaald moet dit niet leiden tot financiële correcties maar tot een technische ondersteuning door de Commissie.

Wijzigingsvoorstel 24

Artikel 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Toewijzing van prestatiereserve

1.   Wanneer in 2017 bij de evaluatie van de prestaties blijkt dat ten aanzien van een prioriteit van een programma de voor 2016 vastgestelde mijlpalen niet zijn bereikt, richt de Commissie aanbevelingen tot de betrokken lidstaat.

2.   Op grond van de evaluatie van 2019 stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een besluit vast om voor elk GSK-fonds en elke lidstaat te bepalen welke programma's en prioriteiten hun mijlpalen hebben bereikt. De lidstaten doen een voorstel voor de toewijzing van de prestatiereserve aan de in dat besluit van de Commissie vermelde programma's en prioriteiten. De Commissie keurt de wijziging van de betrokken programma's overeenkomstig artikel 26 goed. Wanneer een lidstaat nalaat informatie overeenkomstig artikel 46, leden 2 en 3, te verstrekken, wordt de prestatiereserve voor de betrokken programma's of prioriteiten niet toegewezen.

3.   Wanneer een evaluatie van de prestaties uitwijst dat de in het prestatiekader vastgestelde mijlpalen voor een prioriteit niet zijn bereikt, kan de Commissie een tussentijdse betaling voor een prioriteit van een programma geheel of gedeeltelijk schorsen volgens de in de fondsspecifieke voorschriften vastgestelde procedure.

4.   Wanneer de Commissie na bestudering van het eindverslag over de uitvoering van het programma vaststelt dat ernstig tekortgeschoten is bij het bereiken van de in het prestatiekader vastgestelde streefdoelen, kan zij financiële correcties voor de betrokken prioriteiten toepassen overeenkomstig de fondsspecifieke voorschriften. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 142 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de criteria en de methode voor het bepalen van de hoogte van de toe te passen financiële correctie vast te leggen.

5.   Lid 2 is niet van toepassing op programma's voor het doel „Europese territoriale samenwerking” en op titel V van de EFMZV-verordening.

   

   

   

   

   

Motivering

Het wijzigingsvoorstel weerspiegelt de bezorgdheid over de invoering van een nationale prestatiereserve, omdat wordt gevreesd dat dit mechanisme de vaststelling van zeer bescheiden en dus makkelijk haalbare doelstellingen in de hand werkt, om maar in aanmerking te komen voor extra financiële steun, waardoor weinig ambitieuze projecten voorrang krijgen en innovatie wordt ontmoedigd.

Wijzigingsvoorstel 25

Artikel 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voorwaardelijkheid in verband met de coördinatie van economisch beleid van de lidstaten

 

   […]

4.   In afwijking van lid 1 kan de Commissie, als financiële bijstand overeenkomstig lid 1, onder d), aan een lidstaat ter beschikking wordt gesteld die verband houdt met een aanpassingsprogramma, het partnerschapscontract en de programma's zonder voorstel van de lidstaat wijzigen om het effect van de beschikbare GSK-fondsen op de groei en het concurrentievermogen zo groot mogelijk te maken. Om een doeltreffende uitvoering van het partnerschapscontract en de betrokken programma's te waarborgen, wordt de Commissie bij het beheer betrokken zoals bepaald is in het aanpassingsprogramma of in het met de betrokken lidstaat gesloten memorandum van overeenstemming.

5.   Wanneer de lidstaat niet antwoordt op het in lid 1 bedoelde verzoek van de Commissie of niet binnen een maand naar tevredenheid antwoordt op de in lid 2 bedoelde opmerkingen van de Commissie, kan de Commissie binnen drie maanden nadat zij opmerkingen heeft gemaakt door middel van uitvoeringshandelingen een besluit tot schorsing van alle of een deel van de betalingen voor de betrokken programma's vaststellen.

6.   De Commissie schorst door middel van uitvoeringshandelingen alle of een deel van de betalingen en vastleggingen voor de betrokken programma's wanneer:

a)

de Raad besluit dat de lidstaat niet voldoet aan specifieke maatregelen die de Raad overeenkomstig artikel 136, lid 1, van het Verdrag heeft vastgesteld;

b)

de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8 of 11, van het Verdrag besluit dat de betrokken lidstaat geen effectieve maatregelen heeft genomen om zijn buitensporige tekort te corrigeren;

c)

de Raad overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. […]/2011 [betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden] vaststelt dat de lidstaat twee opeenvolgende keren geen toereikend plan met corrigerende maatregelen heeft ingediend of de Raad overeenkomstig artikel 10, lid 4, van die verordening een besluit vaststelt waarin niet-naleving wordt geconstateerd;

d)

de Commissie vaststelt dat de lidstaat geen maatregelen heeft genomen om een aanpassingsprogramma als bedoeld in Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad of Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad uit te voeren en bijgevolg besluit de uitbetaling van de aan deze lidstaat toegekende financiële bijstand niet goed te keuren; of

e)

de Raad van bewind van het Europees Stabiliteitsmechanisme vaststelt dat niet voldaan is aan een voorwaarden die verbonden is aan financiële bijstand uit het ESM in de vorm van een ESM-lening aan de betrokken lidstaat en bijgevolg besluit de aan deze lidstaat toegekende stabiliteitssteun niet uit te betalen.

7.   Wanneer de Commissie besluit betalingen of vastleggingen overeenkomstig lid 5, respectievelijk lid 6 geheel of gedeeltelijk te schorsen, zorgt de Commissie ervoor dat de schorsing evenredig en doeltreffend is, rekening houdend met de sociaaleconomische omstandigheden van de betrokken lidstaat, en dat de lidstaten gelijk worden behandeld, in het bijzonder ten aanzien van het effect van de schorsing op de economie van de betrokken lidstaat.

8.   De Commissie heft de schorsing van betalingen en vastleggingen onverwijld op wanneer de lidstaat wijzigingen op het partnerschapscontract en de betrokken programma's heeft voorgesteld, zoals gevraagd door de Commissie, die door de Commissie zijn goedgekeurd, en, indien van toepassing:

a)

de Raad heeft besloten dat de lidstaat voldoet aan de specifieke maatregelen die de Raad overeenkomstig artikel 136, lid 1, van het Verdrag heeft vastgesteld;

b)

de procedure bij buitensporige tekorten overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1467/97 is opgeschort of de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 12, van het Verdrag heeft besloten het besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in te trekken;

c)

de Raad het door de betrokken lidstaat ingediende plan met corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. […] [EIP-verordening] heeft onderschreven of de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden overeenkomstig artikel 10, lid 5, van die verordening is opgeschort, dan wel de Raad de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden overeenkomstig artikel 11 van die verordening heeft afgesloten;

d)

de Commissie heeft vastgesteld dat de lidstaat maatregelen heeft genomen om een aanpassingsprogramma als bedoeld in Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad of Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad uit te voeren en bijgevolg de uitbetaling van de aan deze lidstaat toegekende financiële bijstand heeft goedgekeurd; of

e)

de Raad van bewind van het Europees Stabiliteitsmechanisme heeft vastgesteld dat voldaan is aan een voorwaarden die verbonden is aan financiële bijstand in de vorm van een ESM-lening aan de betrokken lidstaat en bijgevolg heeft besloten de aan deze lidstaat toegekende stabiliteitssteun uit te betalen.

Terzelfder tijd besluit de Raad, op voorstel van de Commissie, om de geschorste vastleggingen overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) nr. […] van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020, opnieuw op de begroting te plaatsen.

Voorwaardelijkheid in verband met de coördinatie van economisch beleid van de lidstaten

 

   […]

   

   

   

   

   

Motivering

Het CvdR verwerpt met kracht de voorstellen om het cohesiebeleid te koppelen aan de naleving van het stabiliteitspact (macro-economische conditionaliteit). Het is van mening dat met de macro-economische voorwaarden heel andere doelstellingen worden gediend dan die van het cohesiebeleid. Decentrale overheden mogen niet worden gestraft voor het feit dat sommige lidstaten hun verplichtingen – met name op het gebied van het begrotingstekort – niet nakomen. Het CvdR erkent dat het in sommige gevallen noodzakelijk is om wijzigingen aan te brengen in het partnerschapscontract en de operationele programma's, maar verwerpt de mogelijkheid om over te gaan tot schorsing van alle of een deel van de betalingen.

Wijzigingsvoorstel 26

Artikel 23

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voorbereiding van programma's

1.   De GSK-fondsen worden uitgevoerd door middel van programma's overeenkomstig het partnerschapscontract. Elk programma heeft betrekking op de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

2.   De programma's worden opgesteld door de lidstaten of door een door hen aangewezen autoriteit, in samenwerking met de partners.

3.   De programma's worden door de lidstaten gelijktijdig met het partnerschapscontract ingediend, met uitzondering van programma's voor Europese territoriale samenwerking, die binnen zes maanden na goedkeuring van het gemeenschappelijk strategisch kader worden ingediend. Alle programma's gaan vergezeld van een ex-ante-evaluatie overeenkomstig artikel 48.

Voorbereiding van programma's

1.   De GSK-fondsen worden uitgevoerd door middel van programma's overeenkomstig het partnerschapscontract. Elk programma heeft betrekking op de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

2.   De programma's worden opgesteld door de lidstaten of door een door hen aangewezen autoriteit, in samenwerking met de partners.

   

.   De programma's worden door de lidstaten het partnerschapscontract ingediend, met uitzondering van programma's voor Europese territoriale samenwerking, die binnen zes maanden na goedkeuring van het gemeenschappelijk strategisch kader worden ingediend. Alle programma's gaan vergezeld van een ex-ante-evaluatie overeenkomstig artikel 48.

Motivering

Het Comité is van mening dat de eventuele keuze voor op meerdere fondsen gebaseerde programma's (waarvan het Comité een groot voorstander is) moet worden aangemoedigd en concreet moet worden gesteund door alle actoren (Europese Commissie, lidstaten, lokale en regionale overheden). De Commissie zou hiervoor alle procedurele belemmeringen moeten wegnemen. Ook moet worden voorkómen dat er een opeenstapeling van controles komt die – op grond van het evenredigheidsbeginsel – het gevolg zou kunnen zijn van het feit dat een op meerdere fondsen gebaseerd programma een groter financieel volume heeft. Verder vreest het Comité dat de gelijktijdige indiening van het contract en de programma's de start van de werkzaamheden kan vertragen, zodat het een termijn van zes maanden voorstelt.

Wijzigingsvoorstel 27

Artikel 25, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Procedure voor de vaststelling van programma's

1.   De Commissie beoordeelt, rekening houdend met de ex-ante-evaluatie, of de programma's verenigbaar zijn met deze verordening, met de fondsspecifieke voorschriften, met het gemeenschappelijk strategisch kader, met het partnerschapscontract, met de specifieke aanbevelingen per land uit hoofde van artikel 121, lid 2, van het Verdrag en met de aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 148, lid 4, van het Verdrag, alsook de feitelijke bijdrage van het programma tot de verwezenlijking van de specifieke thematische doelstellingen en prioriteiten van de Unie voor elk GSK-fonds. In de beoordeling wordt in het bijzonder gelet op de toereikendheid van de programmastrategie, de overeenkomstige doelstellingen, indicatoren en streefdoelen, en de toewijzing van begrotingsmiddelen.

Procedure voor de vaststelling van programma's

1.   De Commissie beoordeelt, rekening houdend met de ex-ante-evaluatie, of de programma's verenigbaar zijn met deze verordening, met de fondsspecifieke voorschriften, met het gemeenschappelijk strategisch kader, met het partnerschapscontract, met de specifieke aanbevelingen per land uit hoofde van artikel 121, lid 2, van het Verdrag en met de aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 148, lid 4, van het Verdrag, alsook de feitelijke bijdrage van het programma tot de verwezenlijking van de specifieke thematische doelstellingen en prioriteiten van de Unie voor elk GSK-fonds. In de beoordeling wordt in het bijzonder gelet op de toereikendheid van de programmastrategie, de overeenkomstige doelstellingen, indicatoren en streefdoelen, en de toewijzing van begrotingsmiddelen.

Motivering

Om te onderstrepen dat de beoordeling ook betrekking moet hebben op de concrete haalbaarheid van de strategie, naast de toereikendheid.

Wijzigingsvoorstel 28

Artikel 28, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling

1.   Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, in verband met het Elfpo „plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER” genoemd, moet:

a)

gericht zijn op specifieke subregionale grondgebieden;

b)

worden geleid vanuit de gemeenschap, namelijk door plaatselijke actiegroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij de overheidssector of één belangengroep niet meer dan 49 % van de stemrechten voor de besluitvorming mag hebben;

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling

1.   Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, in verband met het Elfpo „plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER” genoemd, moet:

a)

gericht zijn op specifieke subregionale grondgebieden;

b)

worden geleid vanuit de gemeenschap, namelijk door plaatselijke actiegroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij de overheidssector of één belangengroep niet meer dan 49 % van de stemrechten voor de besluitvorming mag hebben, ;

Motivering

Bestaande lokale partnerschappen mogen niet onrechtmatig worden benadeeld omdat hun interne stemprocedure niet volledig overeenkomt met wat de ontwerprichtlijn voorschrijft. In de verordening moet de partners voldoende speelruimte worden gelaten om tijdens de voorbereiding van het partnerschapschapscontract een werkbare oplossing te vinden.

Wijzigingsvoorstel 29

Artikel 29

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Strategieën voor lokale ontwikkeling

1.   Een strategie voor lokale ontwikkeling omvat ten minste de volgende elementen:

a)

een definitie van het gebied en de populatie waarop de strategie betrekking heeft;

b)

een analyse van de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied, met een analyse van de sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen;

c)

een beschrijving van de strategie en de doelstellingen ervan, een beschrijving van de geïntegreerde en innovatieve aard van de strategie en een hiërarchie van doelstellingen, met duidelijke en meetbare streefdoelen voor outputs of resultaten. De strategie moet verenigbaar zijn met de desbetreffende programma's van alle betrokken GSK-fondsen;

d)

een beschrijving van het proces om de gemeenschap bij de ontwikkeling van de strategie te betrekken;

e)

een actieplan waaruit blijkt hoe de doelstellingen in acties worden omgezet;

f)

een beschrijving van de beheer- en toezichtregelingen van de strategie waaruit blijkt dat de plaatselijke actiegroep in staat is de strategie uit te voeren en een beschrijving van de specifieke evaluatieregelingen;

g)

het financiële plan van de strategie, met de geplande toewijzing uit elk van de GSK-fondsen.

2.   De lidstaten stellen de criteria voor de selectie van strategieën voor lokale ontwikkeling vast. In de fondsspecifieke voorschriften kunnen selectiecriteria worden vastgesteld.

[….]

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 142 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de in lid 1, onder a), bedoelde definitie van het gebied en de populatie waarop de strategie betrekking heeft.

Strategieën voor lokale ontwikkeling

1.   Een strategie voor lokale ontwikkeling omvat de volgende elementen:

a)

een definitie van het gebied en de populatie waarop de strategie betrekking heeft;

b)

een analyse van de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied, met een analyse van de sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen;

c)

een beschrijving van de strategie en de doelstellingen ervan, een beschrijving van de geïntegreerde aard van, ;

)

een actieplan waaruit blijkt hoe de doelstellingen in acties worden omgezet;

)

een beschrijving van de beheer- en toezichtregelingen van de strategie waaruit blijkt dat de plaatselijke actiegroep in staat is de strategie uit te voeren en een beschrijving van de specifieke evaluatieregelingen;

)

het financiële plan van de strategie, met de geplande toewijzing uit elk van de GSK-fondsen .

2.   De lidstaten stellen de criteria voor de selectie van strategieën voor lokale ontwikkeling vast. In de fondsspecifieke voorschriften kunnen selectiecriteria worden vastgesteld.

[….]

   

Motivering

Het Comité is ingenomen met de voorstellen van de Commissie met betrekking tot lokale ontwikkelingsacties en geïntegreerde territoriale investeringen, maar dringt tevens aan op een vereenvoudiging van de modaliteiten en procedures in verband met de uitvoering van deze nieuwe bepalingen, om te voorkomen dat de lokale actoren worden ontmoedigd hiervan gebruik te maken. Het Comité vindt dat het te ver gaat om een gedelegeerde handeling vast te stellen voor de definitie van het gebied en de populatie waarop de strategie voor lokale ontwikkeling betrekking heeft, aangezien dit een typische bevoegdheid van de regionale en lokale overheden is omdat het een specifieke kennis van de lokale dynamiek en problematiek veronderstelt. Ook zou het mogelijk moeten zijn om in bepaalde gevallen strategieën voor lokale ontwikkeling te combineren met de tenuitvoerlegging van geïntegreerde territoriale investeringen en gemeenschappelijke actieplannen.

Bovendien is het belangrijk dat de strategieën voor lokale ontwikkeling tot een betere afstemming tussen stad en platteland kunnen leiden en dat lokale actoren in peri-urbane gebieden als volwaardige partij bij deze strategieën worden betrokken.

Wijzigingsvoorstel 30

Artikel 35

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Betalingsverzoeken die uitgaven voor financieringsinstrumenten omvatten

 

   [….]

2.   De totale subsidiabele uitgaven die vermeld worden in betalingsverzoeken voor de in artikel 33, lid 1, onder b), bedoelde financieringsinstrumenten die overeenkomstig artikel 33, lid 4, onder a) en b), ten uitvoer worden gelegd, omvatten het totaalbedrag van de aan het financieringsinstrument betaalde of naar verwachting te betalen steun voor investeringen in eindontvangers die zullen worden gedaan in een van tevoren vastgestelde periode van ten hoogste twee jaar, met inbegrip van de beheerskosten of –vergoedingen; dit bedrag wordt afzonderlijk vermeld.

3.   De overeenkomstig lid 2 bepaalde bedragen worden in latere betalingsverzoeken gecorrigeerd voor verschillen tussen het bedrag van de eerder aan de betrokken financieringsinstrumenten betaalde steun en het bedrag dat feitelijk in eindontvangers is geïnvesteerd, vermeerderd met de betaalde beheerskosten en vergoedingen. Deze bedragen worden in de betalingsverzoeken afzonderlijk vermeld.

[….]

Betalingsverzoeken die uitgaven voor financieringsinstrumenten omvatten

 

   [….]

2.   De totale subsidiabele uitgaven die vermeld worden in betalingsverzoeken voor de in artikel 33, lid 1, onder b), bedoelde financieringsinstrumenten die overeenkomstig artikel 33, lid 4, onder a) en b), ten uitvoer worden gelegd, omvatten het totaalbedrag van de aan het financieringsinstrument betaalde of naar verwachting te betalen steun investeringen in eindontvangers die zullen worden gedaan in een van tevoren vastgestelde periode van ten hoogste twee jaar, met inbegrip van de beheerskosten of –vergoedingen; dit bedrag wordt afzonderlijk vermeld.

3.   

[….]

Motivering

In het voorstel voor een verordening wordt het gebruik van de klassieke instrumenten die de Commissie in het leven heeft geroepen, sterk aangemoedigd, om een overmatig gebruik van de financieringsinstrumenten louter voor het certificeren van uitgaven af te remmen, wat een lovenswaardige doelstelling is. De door het Comité voorgestelde wijzigingen streven ernaar het evenwicht te herstellen, mede door een grotere diversifiëring van bepalingen en voorwaarden en de invoering van een tolerantiemarge voor de capaciteit om aan de verwachtingen te voldoen.

Wijzigingsvoorstel 31

Artikel 39

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Gebruik van resterende middelen na afsluiting van het programma

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de kapitale middelen en de voordelen en andere verdiensten of opbrengsten die aan de steun uit de GSK-fondsen aan de financieringsinstrumenten kunnen worden toegeschreven, tot ten minste tien jaar na de afsluiting van het programma overeenkomstig de doelen van het programma worden gebruikt.

Gebruik van resterende middelen na afsluiting van het programma

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de kapitale middelen en de voordelen en andere verdiensten of opbrengsten die aan de steun uit de GSK-fondsen aan de financieringsinstrumenten kunnen worden toegeschreven, tot ten minste jaar na de afsluiting van het programma overeenkomstig de doelen van het programma worden gebruikt.

Motivering

Het Comité is van mening dat de periode waarin men verplicht is de financieringsinstrumenten en de daarvan afkomstige middelen te gebruiken, niet zo lang moet zijn. Een periode van 10 jaar na de afsluiting van het programma creëert gedurende lange tijd een situatie van rechtsonzekerheid.

Wijzigingsvoorstel 32

Artikel 40, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verslag over de uitvoering van de financieringsinstrumenten

2.   In het in lid 1 bedoelde verslag wordt voor elk financieringsinstrument de volgende informatie opgenomen:

a)

vermelding van het programma en van de prioriteit op grond waarvan de steun uit het GSK-fonds wordt verleend;

[….]

e)

naar programma en prioriteit of maatregel uitgesplitst totaalbedrag van de steun die door het financieringsinstrument aan de eindontvangers is betaald of in garantiecontracten is vastgelegd, als vermeld in bij de Commissie ingediende betalingsverzoeken;

f)

inkomsten van en terugbetalingen aan het financieringsinstrument;

g)

multiplicatoreffect van de door het financieringsinstrument gedane investeringen en waarde van de investeringen en deelnemingen;

h)

bijdrage van het financieringsinstrument tot de verwezenlijking van de indicatoren van het programma en van de prioriteit.

[….]

Verslag over de uitvoering van de financieringsinstrumenten

2.   In het in lid 1 bedoelde verslag wordt voor elk financieringsinstrument de volgende informatie opgenomen:

a)

vermelding van het programma en van de prioriteit op grond waarvan de steun uit het GSK-fonds wordt verleend;

[….]

e)

naar programma en prioriteit of maatregel uitgesplitst totaalbedrag van de steun die door het financieringsinstrument aan de eindontvangers is betaald of in garantiecontracten is vastgelegd, als vermeld in bij de Commissie ingediende betalingsverzoeken;

)

multiplicatoreffect van de door het financieringsinstrument gedane investeringen en waarde van de investeringen en deelnemingen;

[….]

Motivering

Om de jaarlijkse verslagleggingsplicht (reporting) aan de Commissie met betrekking tot de financieringsinstrumenten te vereenvoudigen.

Wijzigingsvoorstel 33

Artikel 42, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Samenstelling van het toezichtcomité

1.   Het toezichtcomité bestaat uit vertegenwoordigers van de beheersautoriteit en intermediaire instanties en van de partners. Elk lid van het toezichtcomité heeft een stemrecht.

Het toezichtcomité van programma's in het kader van het doel „Europese territoriale samenwerking” omvat ook vertegenwoordigers van eventuele aan dat programma deelnemende derde landen.

Samenstelling van het toezichtcomité

1.   Het toezichtcomité bestaat uit vertegenwoordigers van de beheersautoriteit en intermediaire instanties en van de partners. Elk lid van het toezichtcomité heeft een stemrecht.

Het toezichtcomité van programma's in het kader van het doel „Europese territoriale samenwerking” omvat ook vertegenwoordigers van eventuele aan dat programma deelnemende derde landen.

Motivering

Onduidelijk is hoe de deelname van derde landen en aan ultraperifere gebieden grenzende gebieden aan de grensoverschrijdende samenwerking geregeld zal zijn. In het geval van programma's die naast de EFRO-steun worden gefinancierd met middelen uit het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) of het Instrument voor pretoetredingssteun (IPA), waarnaar wordt verwezen in artikel 28 van de Verordening betreffende territoriale samenwerking, is duidelijk dat de deelname van derde landen noodzakelijk is. Echter, in het geval van ultraperifere gebieden vallen derde landen en aangrenzende gebieden (met uitzondering van de Canarische eilanden en Marokko) noch onder het ENI noch onder het IPA; zij ontvangen steun van het Europees Ontwikkelingsfonds en dragen geen extra middelen bij aan de Europese territoriale samenwerking. Om die reden voorzien de programma's voor territoriale samenwerking van de ultraperifere gebieden, hoewel moet worden samengewerkt met derde landen, enkel bijdragen uit het EFRO, ofschoon 30 % hiervan buiten het grondgebied van de Unie kan worden gebruikt, en moeten derde landen niet deelnemen aan het toezichtcomité.

Wijzigingsvoorstel 34

Artikel 43, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Functies van het toezichtcomité

1.   Het toezichtcomité vergadert ten minste een keer per jaar en evalueert de uitvoering van het programma en de vooruitgang die geboekt is met de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Daarbij kijkt het naar de financiële gegevens, de gemeenschappelijke en programmaspecifieke indicatoren, met inbegrip van veranderingen in de resultaatindicatoren en de vooruitgang ten opzichte van de gekwantificeerde streefwaarden, en de in het prestatiekader vastgestelde mijlpalen.

Functies van het toezichtcomité

1.   Het toezichtcomité vergadert ten minste een keer per jaar en evalueert de uitvoering van het programma en de vooruitgang die geboekt is met de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Daarbij kijkt het naar de financiële gegevens, de gemeenschappelijke en programmaspecifieke indicatoren, met inbegrip van veranderingen in de resultaatindicatoren en de vooruitgang ten opzichte van de gekwantificeerde streefwaarden, en de in het prestatiekader vastgestelde mijlpalen.

Motivering

Om de uitvoering van het programma te evalueren moet tevens rekening worden gehouden met de in art. 49 genoemde evaluaties tijdens de programmeringsperiode.

Wijzigingsvoorstel 35

Artikel 47, nieuw lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Algemene bepalingen

1.   Er worden evaluaties verricht om de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van programma's te verbeteren en de doeltreffendheid, de doelmatigheid en het effect ervan te beoordelen. Het effect van de programma's wordt, overeenkomstig de opdracht van het betrokken GSK-fonds, beoordeeld in het licht van de streefdoelen van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei (2), en in voorkomend geval tevens in het licht van het bruto binnenlands product (bbp) en de werkloosheid.

2.   De lidstaten verstrekken de nodige middelen om de evaluaties uit te voeren en zorgen voor procedures voor het produceren en verzamelen van de voor de evaluaties vereiste gegevens, waaronder gegevens over gemeenschappelijke en in voorkomend geval programmaspecifieke indicatoren.

Algemene bepalingen

1.   Er worden evaluaties verricht om de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van programma's te verbeteren en de doeltreffendheid, de doelmatigheid en het effect ervan te beoordelen. Het effect van de programma's wordt, overeenkomstig de opdracht van het betrokken GSK-fonds, beoordeeld in het licht van de streefdoelen van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei (2), en in voorkomend geval tevens in het licht van het bruto binnenlands product (bbp) en de werkloosheid.

   

.   De lidstaten verstrekken de nodige middelen om de evaluaties uit te voeren en zorgen voor procedures voor het produceren en verzamelen van de voor de evaluaties vereiste gegevens, waaronder gegevens over gemeenschappelijke en in voorkomend geval programmaspecifieke indicatoren.

Motivering

Het is van belang dat de evaluaties ook rekening houden met andere aspecten die even belangrijk zijn, volgens de benadering „Het bbp en verder” die wordt beschreven in het CvdR-advies „Het BBP en verder - Meting van de vooruitgang in een veranderende wereld” (CoR 163/2010 fin).

Wijzigingsvoorstel 36

Artikel 48, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

3.   De ex-ante-evaluaties omvatten een beoordeling van:

[….]

g)

of de gekwantificeerde streefwaarden voor indicatoren realistisch zijn, gezien de beoogde steun uit de GSK-fondsen;

h)

de redenen voor de voorgestelde steunvorm;

i)

de toereikendheid van de personele middelen en de administratieve capaciteit voor het beheer van het programma;

j)

de geschiktheid van de procedures voor het toezicht op het programma en voor het verzamelen van de gegevens die voor de evaluaties vereist zijn;

k)

de geschiktheid van de gekozen mijlpalen voor het prestatiekader;

l)

de toereikendheid van de geplande maatregelen om gelijke kansen van mannen en vrouwen te bevorderen en discriminatie te voorkomen;

m)

de toereikendheid van de geplande maatregelen om duurzame ontwikkeling te bevorderen.

3.   De ex-ante-evaluaties omvatten een beoordeling van:

[….]

g)

of de gekwantificeerde streefwaarden voor indicatoren realistisch zijn, gezien de beoogde steun uit de GSK-fondsen;

h)

de redenen voor de voorgestelde steunvorm;

i)

de toereikendheid van de personele middelen en de administratieve capaciteit voor het beheer van het programma;

j)

de toereikendheid van de geplande maatregelen om gelijke kansen van mannen en vrouwen te bevorderen en discriminatie te voorkomen;

de toereikendheid van de geplande maatregelen om duurzame ontwikkeling te bevorderen.

Motivering

Het Comité is van mening dat de ex-ante-evaluatie geen niet-kwantificeerbare elementen kan bevatten zolang de programma's nog niet worden uitgevoerd noch elementen die al in andere documenten worden genoemd (zoals het beheers- en controlesysteem en het partnerschapscontract); het stelt dan ook voor deze informatie te schrappen.

Wijzigingsvoorstel 37

Artikel 49, nieuw lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Evaluatie tijdens de programmeringsperiode

1.   De beheersautoriteit stelt voor elk programma een evaluatieplan op en dient dit overeenkomstig de fondsspecifieke voorschriften in.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat geschikte evaluatiecapaciteit beschikbaar is.

3.   Tijdens de programmeringsperiode voeren de beheersautoriteiten voor elk programma evaluaties uit op basis van het evaluatieplan, met inbegrip van evaluaties van de doeltreffendheid, de doelmatigheid en het effect. Tijdens de programmeringsperiode wordt ten minste een keer geëvalueerd hoe de steun uit de GSK-fondsen heeft bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor elke prioriteit. Alle evaluaties worden door het toezichtcomité onderzocht en naar de Commissie gezonden.

4.   De Commissie kan op eigen initiatief evaluaties van programma's uitvoeren.

Evaluatie tijdens de programmeringsperiode

1.   De beheersautoriteit stelt voor elk programma een evaluatieplan op en dient dit overeenkomstig de fondsspecifieke voorschriften in.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat geschikte evaluatiecapaciteit beschikbaar is.

3.   Tijdens de programmeringsperiode voeren de beheersautoriteiten voor elk programma evaluaties uit op basis van het evaluatieplan, met inbegrip van evaluaties van de doeltreffendheid, de doelmatigheid en het effect. Tijdens de programmeringsperiode wordt ten minste een keer geëvalueerd hoe de steun uit de GSK-fondsen heeft bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor elke prioriteit. Alle evaluaties worden door het toezichtcomité onderzocht en naar de Commissie gezonden.

   

.   De Commissie kan op eigen initiatief evaluaties van programma's uitvoeren.

Motivering

Om de resultaatgerichtheid te vergroten is het wenselijk dat de resultaten van de evaluaties tijdens de programmeringsperiode echt worden gebruikt om de doeltreffendheid van de programma's te verbeteren.

Wijzigingsvoorstel 38

Artikel 54, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Inkomstengenererende concrete acties

1.   Netto-inkomsten die na voltooiing van een concrete actie binnen een specifieke referentieperiode worden gegenereerd, worden van tevoren met een van de volgende methoden bepaald:

a)

toepassing van een vast inkomstenpercentage voor het betrokken type concrete actie;

b)

berekening van de actuele waarde van de netto-inkomsten van de concrete actie, waarbij rekening wordt gehouden met de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt en eventueel met billijkheidsoverwegingen met betrekking tot de relatieve welvaart van de betrokken lidstaat.

De subsidiabele uitgaven van de concrete actie waarvoor medefinanciering wordt verleend, mogen niet hoger zijn dan de actuele waarde van de investeringskosten van de concrete actie na aftrek van de actuele waarde van de netto-inkomsten zoals bepaald met een van deze methoden.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 142 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van het onder a) bedoelde vaste percentage.

De Commissie stelt de onder b) bedoelde methode vast bij uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 143, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

Inkomstengenererende concrete acties

1.   Netto-inkomsten die na voltooiing van een concrete actie binnen een specifieke referentieperiode worden gegenereerd, worden van tevoren met een van de volgende methoden bepaald:

a)

toepassing van een vast inkomstenpercentage voor het betrokken type concrete actie;

b)

berekening van de actuele waarde van de netto-inkomsten van de concrete actie, waarbij rekening wordt gehouden met de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt en eventueel met billijkheidsoverwegingen met betrekking tot de relatieve welvaart van de betrokken lidstaat.

De subsidiabele uitgaven van de concrete actie waarvoor medefinanciering wordt verleend, mogen niet hoger zijn dan de actuele waarde van de investeringskosten van de concrete actie na aftrek van de actuele waarde van de netto-inkomsten zoals bepaald met een van deze methoden.

et betrekking tot de vaststelling van het onder a) bedoelde vaste percentage

De Commissie stelt de onder b) bedoelde methode vast bij uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 143, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

Motivering

Het CvdR geeft er de voorkeur aan om opnieuw uit te gaan van de voor de periode 2000-2006 geldende voorschriften, die inhielden dat voor inkomstengenererende projecten een specifiek en uniform (gereduceerd) steunpercentage werd gehanteerd, om projectontwikkelaars niet af te schrikken.

Wijzigingsvoorstel 39

Artikel 55

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Subsidiabiliteit

1.   De subsidiabiliteit van de uitgaven wordt op basis van de nationale voorschriften bepaald, tenzij specifieke voorschriften zijn vastgesteld in of op grond van deze verordening of de fondsspecifieke voorschriften.

[…]

6.   Netto-inkomsten die tijdens de uitvoering van een concrete actie rechtstreeks door die actie worden gegenereerd en waarmee bij de goedkeuring van de concrete actie geen rekening is gehouden, worden in de door de begunstigde ingediende aanvraag voor de eindbetaling van de subsidiabele uitgaven van de concrete actie afgetrokken. Dit voorschrift is niet van toepassing op financieringsinstrumenten en prijzen.

[…]

Subsidiabiliteit

1.   De subsidiabiliteit van de uitgaven wordt op basis van de nationale voorschriften bepaald, specifieke voorschriften zijn vastgesteld in of op grond van deze verordening of de fondsspecifieke voorschriften.

[…]

   

[…]

   

Motivering

Om de verificaties tijdens de uitvoering van de acties niet te verzwaren zou lid 6 buiten beschouwing moeten worden gelaten. Er moet een nieuw lid 9 worden toegevoegd, aangezien er voor „Territoriale samenwerking” een afzonderlijk steunregeling moet komen omdat het toepassen of gelijktrekken van verschillende nationale voorschriften een te grote administratieve belemmering voor een correcte uitvoering van de projecten zou vormen.

Wijzigingsvoorstel 40

Artikel 59, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Specifieke subsidiabiliteitsvoorschriften voor subsidies

3.   De volgende kosten komen niet voor een bijdrage uit de GSK-fondsen in aanmerking:

a)

debetrente;

b)

de aankoop van niet-bebouwde en bebouwde grond als dit bedrag meer dan 10 % van de totale subsidiabele uitgaven van de betrokken concrete actie uitmaakt. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan een hoger percentage worden toegestaan voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud;

c)

belasting op de toegevoegde waarde (btw). Btw-bedragen zijn echter wel subsidiabel als zij niet krachtens de nationale btw-wetgeving terugvorderbaar zijn en betaald worden door een begunstigde die geen niet-belastingplichtige zoals omschreven in artikel 13, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2006/112/EG is, mits dergelijke btw-bedragen niet verschuldigd zijn voor de totstandbrenging van infrastructuur.

Specifieke subsidiabiliteitsvoorschriften voor subsidies

3.   De volgende kosten komen niet voor een bijdrage uit de GSK-fondsen in aanmerking:

a)

debetrente;

b)

de aankoop van niet-bebouwde en bebouwde grond als dit bedrag meer dan 10 % van de totale subsidiabele uitgaven van de betrokken concrete actie uitmaakt. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan een hoger percentage worden toegestaan voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud;

c)

belasting op de toegevoegde waarde (btw). .

Motivering

Het Comité is van mening dat alleen terugvorderbare btw niet in aanmerking komt voor een bijdrage uit de GSK-fondsen. Als niet-terugvorderbare btw in door openbare instellingen uitgevoerde projecten niet in aanmerking zou komen voor een bijdrage uit de GSK-fondsen, dan zou dit tot een aanzienlijke toename van de nationale medefinanciering leiden en zou het gevaar bestaan dat lokale en regionale overheden niet meer in staat zullen zijn om projecten ten uitvoer te leggen. Ook is het Comité van mening dat de uitzondering op het niet in aanmerking komen van de btw voor de totstandbrenging van infrastructuur discriminerend is ten opzichte van andere soorten acties.

Wijzigingsvoorstel 41

Artikel 64

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Accreditatie en coördinatie

 

   […]

3.   De accreditatie wordt gebaseerd op een advies van een onafhankelijke auditinstantie die beoordeelt of de instantie aan de accreditatiecriteria voldoet. De onafhankelijke auditinstantie voert haar werkzaamheden volgens internationaal aanvaarde auditnormen uit.

[…]

5.   De lidstaat kan een coördinerende instantie aanwijzen die tot taak heeft contact met de Commissie te houden en informatie aan de Commissie te verstrekken, te bevorderen dat de voorschriften van de Unie op geharmoniseerde wijze worden toegepast, een syntheseverslag met een nationaal overzicht van alle beheersverklaringen en auditoordelen op te stellen en de uitvoering van corrigerende maatregelen voor tekortkomingen van algemene aard te coördineren.

Accreditatie en coördinatie

 

   […]

   

[…]

   

Motivering

Om te voorkomen dat er nog meer instanties in het leven worden geroepen die het beheers- en controlesysteem alleen maar ingewikkelder zouden maken.

Wijzigingsvoorstel 42

Artikel 67

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Gemeenschappelijke voorschriften voor betalingen

1.   Betalingen van de Commissie voor de bijdragen uit de GSK-fondsen aan elk programma worden verricht overeenkomstig de begrotingskredieten en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen. Elke betaling wordt afgeboekt op de oudste openstaande vastleggingen van het betrokken Fonds.

2.   De betalingen gebeuren in de vorm van een voorfinanciering, tussentijdse betalingen, eventuele betalingen van het jaarlijkse saldo en een betaling van het eindsaldo.

3.   Voor de in artikel 57, lid 1, onder b), c) en d), bedoelde vormen van steun worden de aan de begunstigde betaalde bedragen als subsidiabele uitgaven beschouwd.

Gemeenschappelijke voorschriften voor betalingen

1.   Betalingen van de Commissie voor de bijdragen uit de GSK-fondsen aan elk programma worden verricht overeenkomstig de begrotingskredieten en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen. Elke betaling wordt afgeboekt op de oudste openstaande vastleggingen van het betrokken Fonds.

2.   De betalingen gebeuren in de vorm van een voorfinanciering, tussentijdse betalingen en een betaling van het eindsaldo.

3.   Voor de in artikel 57, lid 1, onder b), c) en d), bedoelde vormen van steun worden de aan de begunstigde betaalde bedragen als subsidiabele uitgaven beschouwd.

Motivering

Het is niet aangewezen naar het „jaarlijkse saldo” te verwijzen, aangezien het impliceert dat het beginsel van de jaarlijkse goedkeuring van rekeningen (jaarlijkse afsluiting) wordt ingevoerd. De voorgestelde jaarlijkse goedkeuring van rekeningen komt in werkelijkheid neer op het invoeren van een jaarlijkse afsluiting. Hierdoor zal de administratieve last toenemen, wordt het verplicht financiële correcties aan te brengen voor door de Europese Commissie en/of de Europese Rekenkamer vastgestelde onregelmatigheden en wordt het minder eenvoudig, vergeleken bij de huidige periode (2007-2013), om „overgedragen” uitgaven aan te geven en te vervangen.

Wijzigingsvoorstel 43

Artikel 75, lid 1, punt a)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Indiening van informatie

1.   Uiterlijk op 1 februari van het jaar volgend op het einde van het boekjaar dient de lidstaat overeenkomstig [artikel 56] van het Financieel Reglement de volgende documenten en informatie bij de Commissie in:

a)

de gecertificeerde jaarrekeningen van de betrokken instanties die overeenkomstig artikel 64 zijn geaccrediteerd;

Indiening van informatie

1.   Uiterlijk op 1 februari van het jaar volgend op het einde van het boekjaar dient de lidstaat overeenkomstig [artikel 56] van het Financieel Reglement de volgende documenten en informatie bij de Commissie in:

a)

de gecertificeerde jaarrekeningen van de betrokken instanties die overeenkomstig artikel 64 zijn geaccrediteerd ;

Motivering

Het zou zinvol zijn indien de jaarlijkse verrekening een optionele keuze van de certificeringsautoriteit zelf zou blijven, zoals ook in de huidige programmeringsperiode het geval is. Het in artikel 75 vastgelegde tijdpad is te strikt en daardoor niet gemakkelijk in acht te nemen

Wijzigingsvoorstel 44

Artikel 82, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Investeren in groei en werkgelegenheid

 

   […]

2.   De middelen voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid” worden aan de volgende drie categorieën regio's van NUTS-niveau 2 toegewezen:

a)

de minder ontwikkelde regio's, waarvan het bbp per inwoner minder dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt;

b)

de overgangsregio's, waarvan het bbp per inwoner 75 % tot 90 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt;

c)

de meer ontwikkelde regio's, waarvan het bbp per inwoner meer dan 90 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt.

De drie categorieën regio's worden vastgesteld aan de hand van het bbp per inwoner, gemeten in koopkrachtpariteiten en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor de periode 2006-2008 ten opzichte van het gemiddelde bbp van de EU-27 voor dezelfde referentieperiode.

Investeren in groei en werkgelegenheid

 

   […]

2.   De middelen voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid” worden aan de volgende drie categorieën regio's van NUTS-niveau 2 toegewezen:

a)

de minder ontwikkelde regio's, waarvan het bbp per inwoner minder dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt;

b)

de overgangsregio's, waarvan het bbp per inwoner 75 % tot 90 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt;

c)

de meer ontwikkelde regio's, waarvan het bbp per inwoner meer dan 90 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt.

De drie categorieën regio's worden vastgesteld aan de hand van het bbp per inwoner, gemeten in koopkrachtpariteiten en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor de ten opzichte van het gemiddelde bbp van de EU-27 voor dezelfde referentieperiode.

Motivering

Om te beoordelen of een regio in aanmerking komt, dienen de meest recente beschikbare cijfers te worden gebruikt, in plaats van gegevens voor de periode 2006-2008, toen er nog geen sprake was van crisis.

Wijzigingsvoorstel 45

Artikel 83, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Totale middelen

Onverminderd lid 3 van dit artikel en artikel 84, lid 7, keurt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een besluit goed tot vaststelling van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen over de lidstaten.

Totale middelen

Onverminderd lid 3 van dit artikel en artikel 84, lid 7, keurt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een besluit goed tot vaststelling van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen over de lidstaten .

Motivering

Het CvdR wil waarborgen dat de Commissie de middelen die voor programma's op het gebied van territoriale samenwerking zijn bestemd, over de samenwerkingsgebieden i.p.v. over de lidstaten verdeelt.

Wijzigingsvoorstel 46

Artikel 84

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Middelen voor de doelen „investeren in groei en werkgelegenheid” en „Europese territoriale samenwerking”

2.   De verdeling over de lidstaten geschiedt aan de hand van de volgende criteria:

a)

voor de minder ontwikkelde regio's en overgangsregio's: de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart en het werkloosheidspercentage;

b)

voor de meer ontwikkelde regio's: de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, het werkloosheidspercentage, de arbeidsparticipatie, het opleidingsniveau en de bevolkingsdichtheid;

c)

voor het Cohesiefonds: de bevolking, de nationale welvaart en de oppervlakte.

3.   In elke lidstaat wordt ten minste 25 % van de middelen van de structuurfondsen voor de minder ontwikkelde regio's, 40 % van de middelen voor de overgangsregio's en 52 % van de middelen voor de meer ontwikkelde regio's aan het ESF toegewezen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt de steun aan een lidstaat uit het [instrument voor levensmiddelen voor hulpbehoevenden] geacht deel uit te maken van de toewijzing uit de structuurfondsen aan het ESF.

[….]

5.   De steun uit de structuurfondsen voor [levensmiddelen voor hulpbehoevenden] in het kader van „investeren in groei en werkgelegenheid” bedraagt 2 500 000 000 euro.

De Commissie keurt bij uitvoeringshandeling een besluit goed tot vaststelling van het uit de toewijzing van de structuurfondsen voor de hele periode voor elke lidstaat over te schrijven bedrag. Dit bedrag wordt afgetrokken van de toewijzing van de structuurfondsen voor elke lidstaat.

De jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de in de eerste alinea vermelde steun uit de structuurfondsen, worden vanaf begrotingsjaar 2014 in de betrokken begrotingsonderdelen van [het instrument voor levensmiddelen voor hulpbehoevenden] opgenomen.

6.   5 % van de middelen voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid” vormt de prestatiereserve, die overeenkomstig artikel 19 zal worden toegewezen.

[…]

8.   De middelen voor het doel „Europese territoriale samenwerking” bedragen 3,48 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen uit de Fondsen voor de periode 2014-2020 (d.w.z. in totaal 11 700 000 004 euro).

Middelen voor de doelen „investeren in groei en werkgelegenheid” en „Europese territoriale samenwerking”

2.   De verdeling over de lidstaten geschiedt aan de hand van de volgende criteria:

a)

voor de minder ontwikkelde regio's en overgangsregio's: de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart en het werkloosheidspercentage;

b)

voor de meer ontwikkelde regio's: de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, het werkloosheidspercentage, de arbeidsparticipatie, het opleidingsniveau en de dichtheid

c)

voor het Cohesiefonds: de bevolking, de nationale welvaart en de oppervlakte.

3.   In elke lidstaat wordt ten minste  % van de middelen van de structuurfondsen voor de minder ontwikkelde regio's,  % van de middelen voor de overgangsregio's en  % van de middelen voor de meer ontwikkelde regio's aan het ESF toegewezen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt de steun aan een lidstaat uit het [instrument voor levensmiddelen voor hulpbehoevenden] geacht deel uit te maken van de toewijzing uit de structuurfondsen aan het ESF.

[….]

5.   De steun voor [levensmiddelen voor hulpbehoevenden] bedraagt 2 500 000 000 euro.

De Commissie keurt bij uitvoeringshandeling een besluit goed tot vaststelling van het over te schrijven bedrag.

   

[…]

8.   De middelen voor het doel „Europese territoriale samenwerking” bedragen 3,48 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen uit de Fondsen voor de periode 2014-2020 (d.w.z. in totaal 11 700 000 004 euro).

Motivering

Het Comité van de Regio's vraagt dat náást de klassieke criteria voor het toewijzen van middelen aan de lidstaten, ook rekening wordt gehouden met aanvullende criteria, zoals de ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen van de regio's, zoals staat te lezen in art. 174 VWEU. Andere criteria waarmee rekening moet worden gehouden zijn de demografische spreiding, de leegloop van sommige gebieden binnen de regio, met name plattelands- en grensgebieden, en de vergrijzing van de bevolking, die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de economische ontwikkeling en de kosten van de overheidsdiensten.

Bovendien vindt het Comité het niveau dat wordt voorgesteld voor het minimumpercentage voor de toewijzing aan het ESF te hoog. Het vraagt dan ook deze drempel voor iedere categorie regio's te verlagen. De regio's moeten in staat worden gesteld te investeren in sectoren die werkgelegenheid genereren, terwijl tegelijkertijd moet worden gezorgd voor ambitieuze financieringen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken.

Het regelgevingskader van de structuurfondsen kan een nieuwe rechtsgrond vormen voor het Europees programma voor levensmiddelen voor hulpbehoevenden, maar kan de financiering van dat programma (waarvan de doelstellingen afkomstig zijn van het gemeenschappelijk landbouwbeleid) in geen geval vervangen.

Ten slotte wil het CvdR waarborgen dat de middelen die voor programma's op het gebied van territoriale samenwerking zijn bestemd, door de Europese Commissie over de samenwerkingsgebieden worden verdeeld.

Wijzigingsvoorstel 47

Artikel 86, lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Additionaliteit

4.   Alleen in de lidstaten waar de minder ontwikkelde en overgangsregio's ten minste 15 % van de totale bevolking uitmaken, wordt geverifieerd of het niveau van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid” in de betrokken periode is gehandhaafd.

In de lidstaten waar de minder ontwikkelde en overgangsregio's ten minste 70 % van de bevolking uitmaken, vindt de verificatie op nationaal niveau plaats.

In de lidstaten waar de minder ontwikkelde en overgangsregio's meer dan 15 % maar minder dan 70 % van de bevolking uitmaken, vindt de verificatie op nationaal en regionaal niveau plaats. Daartoe verstrekken die lidstaten de Commissie in elke fase van het verificatieproces informatie over de uitgaven in de minder ontwikkelde en overgangsregio's.

Additionaliteit

4.   Alleen in de lidstaten waar de minder ontwikkelde en overgangsregio's ten minste van de totale bevolking uitmaken, wordt geverifieerd of het niveau van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid” in de betrokken periode is gehandhaafd.

In de lidstaten waar de minder ontwikkelde en overgangsregio's meer dan maar minder dan 70 % van de bevolking uitmaken, vindt de verificatie op nationaal en regionaal niveau plaats. Daartoe verstrekken die lidstaten de Commissie in elke fase van het verificatieproces informatie over de uitgaven in de minder ontwikkelde en overgangsregio's.

Motivering

Het is onnodig en overbodig de verificatie te laten afhangen van het bevolkingspercentage, aangezien het de bevoegdheid van de lidstaten is om vast te stellen of aan dit beginsel wordt beantwoord. Het verdient bovendien bijval dat in die lidstaten op naleving van het bijstandbeginsel wordt toegezien waar slechts een gering percentage van de bevolking minder ontwikkelde of overgangsregio's leeft. Uit evenredigheidsoverwegingen moet ter wille van bestuurlijke vereenvoudiging de drempel op 20 % worden gelegd.

Wijzigingsvoorstel 48

Artikel 87, lid 2, punt c) en h)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Inhoud en vaststelling van operationele programma's voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid”

2.   In een operationeel programma wordt het volgende vastgesteld:

[…]

c)

de bijdrage tot de in het partnerschapscontract vastgestelde geïntegreerde aanpak voor territoriale ontwikkeling, met inbegrip van:

i)

de mechanismen die zorgen voor coördinatie tussen de Fondsen, het Elfpo, het EFMZV en andere financieringsinstrumenten van de Unie en de lidstaten, alsook met de EIB;

ii)

in voorkomend geval: een geplande geïntegreerde aanpak voor de territoriale ontwikkeling van stedelijke, plattelands, kust- en visserijgebieden, alsook van gebieden met bijzondere territoriale kenmerken, in het bijzonder de uitvoeringsregelingen voor de artikelen 28 en 29;

iii)

de lijst van steden waar geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling zullen worden uitgevoerd, de indicatieve jaarlijkse toewijzing van EFRO-steun voor die maatregelen, met inbegrip van de middelen die aan de steden worden gedelegeerd voor beheer krachtens artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. [EFRO] en de indicatieve jaarlijkse toewijzing van ESF-steun voor geïntegreerde maatregelen;

iv)

de aanwijzing van de gebieden waar vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling zal plaatsvinden;

v)

de regelingen voor interregionale en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;

vi)

in voorkomend geval, de bijdrage van de geplande steunmaatregelen tot de verwezenlijking van macroregionale strategieën en zeegebiedstrategieën;

d)

de bijdrage aan de in het partnerschapscontract vastgestelde geïntegreerde aanpak om te voorzien in de specifieke behoeften van de geografische gebieden die het hardst door armoede worden getroffen of van doelgroepen die de grootste kans maken gediscrimineerd of uitgesloten te worden, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan gemarginaliseerde gemeenschappen, met vermelding van de indicatieve financiële toewijzing;

[…]

h)

de regelingen voor de tenuitvoerlegging van het operationele programma, onder vermelding van:

i)

de accreditatie-instantie, de beheersautoriteit, de eventuele certificeringsautoriteit en de auditautoriteit;

ii)

de instantie waaraan de Commissie de betalingen zal verrichten.

Inhoud en vaststelling van operationele programma's voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid”

2.   In een operationeel programma wordt het volgende vastgesteld:

[…]

c)

de bijdrage tot de in het partnerschapscontract vastgestelde geïntegreerde aanpak voor territoriale ontwikkeling, met inbegrip van:

i)

de mechanismen die zorgen voor coördinatie tussen de Fondsen, het Elfpo, het EFMZV en andere financieringsinstrumenten van de Unie en de lidstaten, alsook met de EIB;

ii)

in voorkomend geval: een geplande geïntegreerde aanpak voor de territoriale ontwikkeling van stedelijke, plattelands, kust- en visserijgebieden, alsook van gebieden met bijzondere territoriale kenmerken, in het bijzonder de uitvoeringsregelingen voor de artikelen 28 en 29;

iii)

de lijst van steden waar geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling zullen worden uitgevoerd de indicatieve jaarlijkse toewijzing van EFRO-steun voor die maatregelen, met inbegrip van de middelen die aan de steden worden gedelegeerd voor beheer krachtens artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. [EFRO] en de indicatieve jaarlijkse toewijzing van ESF-steun voor geïntegreerde maatregelen;

iv)

de aanwijzing van de gebieden waar vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling zal plaatsvinden;

v)

de regelingen voor interregionale en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;

vii)

in voorkomend geval, de bijdrage van de geplande steunmaatregelen tot de verwezenlijking van macroregionale strategieën en zeegebiedstrategieën ;

)

de bijdrage aan de in het partnerschapscontract vastgestelde geïntegreerde aanpak om te voorzien in de specifieke behoeften van de geografische gebieden die het hardst door armoede worden getroffen of van doelgroepen die de grootste kans maken gediscrimineerd of uitgesloten te worden, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan gemarginaliseerde gemeenschappen, met vermelding van de indicatieve financiële toewijzing;

[…]

)

de regelingen voor de tenuitvoerlegging van het operationele programma, onder vermelding van:

i)

de beheersautoriteit, de eventuele certificeringsautoriteit en de auditautoriteit;

ii)

de instantie waaraan de Commissie de betalingen zal verrichten.

Motivering

Het Commissievoorstel om een vast aantal steden aan te duiden laat te weinig vrijheid. Daarom wordt een indicatieve lijst voorgesteld. Bovendien zou deze lijst in samenwerking met de lokale en regionale overheden moeten worden vastgesteld.

Voorgesteld wordt om punt d) op te nemen in punt c) (viii), om de geïntegreerde aanpak te vervolledigen. In overeenstemming met het wijzigingsvoorstel m.b.t. artikel 64, lid 3 wordt voorgesteld de verwijzing naar de externe accreditatie-instantie te schrappen.

Wijzigingsvoorstel 49

Artikel 91, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Aan de Commissie te verstrekken informatie

2.   Grote projecten die ter goedkeuring bij de Commissie worden ingediend, moeten in de lijst van grote projecten van een operationeel programma zijn opgenomen. De lijst wordt twee jaar na de vaststelling van een operationeel programma door de lidstaat of de beheersautoriteit geëvalueerd en kan op verzoek van de lidstaat volgens de procedure van artikel 26, lid 2, worden aangepast, met name om er grote projecten in op te nemen die naar verwachting uiterlijk eind 2022 zullen zijn voltooid.

Aan de Commissie te verstrekken informatie

2.   Grote projecten die ter goedkeuring bij de Commissie worden ingediend, moeten in de lijst van grote projecten van een operationeel programma zijn opgenomen. rote projecten uiterlijk eind 2022 zijn voltooid.

Motivering

Het CvdR zou graag zien dat grote projecten die tijdens de programmeringsperiode worden ingediend, van start kunnen gaan zonder de goedkeuring van de Commissie af te wachten, zoals voorgesteld in het kader van de lopende programmering. Het Comité vraagt dat de kosten kunnen worden gedeclareerd voordat de Commissie haar goedkeuring heeft gegeven voor het grote project, om de start van de activiteiten niet te vertragen.

Wijzigingsvoorstel 50

Artikel 93, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Een gezamenlijk actieplan is een concrete actie die wordt vastgesteld en beheerd aan de hand van de te realiseren outputs en resultaten. Een gezamenlijk actieplan omvat een groep projecten die niet uit de totstandbrenging van infrastructuur bestaan en die in het kader van een of meer operationele programma's onder verantwoordelijkheid van de begunstigde worden uitgevoerd. De outputs en resultaten van een gezamenlijk actieplan worden tussen de lidstaat en de Commissie overeengekomen en dragen bij tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van de operationele programma's en vormen de basis voor de steun uit de Fondsen. De resultaten betreffen de directe effecten van het gezamenlijke actieplan. De begunstigde moet een publiekrechtelijke instantie zijn. Gezamenlijke actieplannen worden niet als grote projecten beschouwd.

1.   Een gezamenlijk actieplan is een concrete actie die wordt vastgesteld en beheerd aan de hand van de te realiseren outputs en resultaten. Een gezamenlijk actieplan omvat een groep projecten die in het kader van een of meer operationele programma's onder verantwoordelijkheid van de begunstigde worden uitgevoerd. De outputs en resultaten van een gezamenlijk actieplan worden tussen de lidstaat en de Commissie overeengekomen en dragen bij tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van de operationele programma's en vormen de basis voor de steun uit de Fondsen. De resultaten betreffen de directe effecten van het gezamenlijke actieplan. De begunstigde moet een publiekrechtelijke instantie zijn. Gezamenlijke actieplannen worden niet als grote projecten beschouwd.

Motivering

Het Comité wijst erop dat het gezamenlijk actieplan met name de uitvoering van het ESF vergemakkelijkt door middel van nauwkeurig omschreven en afgebakende acties. Het betreurt echter dat het gebruik van dit mechanisme wordt bemoeilijkt door het EFRO, dat infrastructuurprojecten uitsluit.

Wijzigingsvoorstel 51

Artikel 93, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Toepassingsgebied

2.   De overheidssteun die aan een gezamenlijk actieplan wordt toegewezen, bedraagt ten minste 10 000 000 euro of, als dit minder is, 20 % van de overheidssteun van het operationele programma of de operationele programma's.

Toepassingsgebied

2.   De overheidssteun die aan een gezamenlijk actieplan wordt toegewezen, bedraagt ten minste 000000 euro of, als dit minder is,  % van de overheidssteun van het operationele programma of de operationele programma's.

Motivering

Er bestaat ruime eensgezindheid over het feit dat een lagere drempel voor de bestaande kritische massa meer aangewezen is. Het gaat hier echter om een wettelijk minimum: in veel lidstaten zal tijdens de onderhandelingen een aanzienlijk hogere drempel worden vastgelegd.

Wijzigingsvoorstel 52

Artikel 102, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Indiening van financiële gegevens

1.   Ten behoeve van het toezicht dient de beheersautoriteit uiterlijk op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober voor elk operationeel programma de volgende gegevens elektronisch bij de Commissie in, uitgesplitst naar prioritaire as:

a)

de totale en publieke subsidiabele kosten van de concrete acties en het aantal concrete acties dat voor steun is geselecteerd;

b)

de totale en publieke subsidiabele kosten van contracten of andere juridische verbintenissen die begunstigden bij de uitvoering van de voor steun geselecteerde concrete acties zijn aangegaan;

c)

de totale subsidiabele uitgaven die door de begunstigden bij de beheersautoriteit zijn gedeclareerd.

Indiening van financiële gegevens

1.   Ten behoeve van het toezicht dient de beheersautoriteit uiterlijk op 31 januari, 31 juli voor elk operationeel programma de volgende gegevens elektronisch bij de Commissie in, uitgesplitst naar prioritaire as:

a)

de totale en publieke subsidiabele kosten van de concrete acties en het aantal concrete acties dat voor steun is geselecteerd;

b)

de totale en publieke subsidiabele kosten van contracten of andere juridische verbintenissen begunstigden ;

c)

de totale subsidiabele uitgaven die door de begunstigden bij de beheersautoriteit zijn gedeclareerd.

Motivering

Het Comité wil de indiening van financiële gegevens vereenvoudigen door dit niet 4 maar 2 keer per jaar voor te schrijven. Hetzelfde geldt voor het indienen van informatie over de geselecteerde acties. Alleen de totale en publieke subsidiabele kosten van contracten of andere juridische verbintenissen tussen de beheersautoriteiten en de begunstigden.

Wijzigingsvoorstel 53

Artikel 105

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voorlichting en publiciteit

1.   De lidstaten en beheersautoriteiten zijn verantwoordelijk voor:

(a)

de oprichting van één website of portaalsite die informatie over alle operationele programma's in die lidstaat geeft, alsook toegang tot die programma's;

(b)

de voorlichting van potentiële begunstigden over de financieringsmogelijkheden van operationele programma's;

(c)

het bij de burgers van de Unie onder de aandacht brengen van de rol en de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid en van de Fondsen door middel van voorlichtings- en communicatieacties betreffende de resultaten en effecten van partnerschapscontracten, operationele programma's en concrete acties.

2.   Om de steun uit de Fondsen inzichtelijk te maken, houden de lidstaten een lijst in CSV- of XML-formaat bij van de concrete acties per operationeel programma en per Fonds, die via de website of portaalsite toegankelijk is en een lijst en samenvatting van alle operationele programma's in die lidstaat bevat.

De lijst van concrete acties wordt ten minste elke drie maanden bijgewerkt.

In bijlage V is de informatie vastgesteld die in ieder geval in de lijst van concrete acties moet worden opgenomen.

Voorlichting en publiciteit

1.   De lidstaten en beheersautoriteiten zijn verantwoordelijk voor:

(a)

de oprichting van één website of portaalsite die informatie over alle operationele programma's in die lidstaat geeft, alsook toegang tot die programma's;

(b)

de voorlichting van potentiële begunstigden over de financieringsmogelijkheden van operationele programma's;

(c)

het bij de burgers van de Unie onder de aandacht brengen van de rol en de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid en van de Fondsen door middel van voorlichtings- en communicatieacties betreffende de resultaten en effecten van partnerschapscontracten, operationele programma's en concrete acties.

   

.   Om de steun uit de Fondsen inzichtelijk te maken, houden de lidstaten een lijst in CSV- of XML-formaat bij van de concrete acties per operationeel programma en per Fonds, die via de website of portaalsite toegankelijk is en een lijst en samenvatting van alle operationele programma's in die lidstaat bevat.

De lijst van concrete acties wordt ten minste elke maanden bijgewerkt.

In bijlage V is de informatie vastgesteld die in ieder geval in de lijst van concrete acties moet worden opgenomen.

Motivering

De verordeningen dienen gezamenlijke bewustmakingsacties mogelijk te maken van de Commissie en het Comité van de Regio's om de regionale en lokale overheden te steunen bij de voorlichting over hoe cohesie werkt: ex ante, tijdens en ex post. Het CvdR zou de acties van de regionale en lokale overheden moeten kunnen steunen, die zowel begunstigden van de cohesiefondsen zijn als politieke organen die ter plaatse voor resultaten moeten zorgen. Het CvdR zou dan de middelen moeten hebben om de burgers uit te leggen hoe de fondsen in de regio's en steden ten uitvoer worden gelegd en wat de rol van de EU is in dit proces.

Bovendien wenst het Comité de procedures voor voorlichting en publiciteit te vereenvoudigen. Het volstaat om de lijst van concrete acties twee maal per jaar bij te werken.

Wijzigingsvoorstel 54

Artikel 110, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Bepaling van de medefinancieringspercentages

3.   Het medefinancieringspercentage van elke prioritaire as van operationele programma's voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid” bedraagt niet meer dan:

a)

85 % voor het Cohesiefonds;

b)

85 % voor de minder ontwikkelde regio's van de lidstaten waarvan het bbp per inwoner voor de periode 2007-2009 minder dan 85 % van het gemiddelde van de EU-27 voor dezelfde periode bedroeg en voor de ultraperifere gebieden;

c)

80 % voor de minder ontwikkelde regio's van de andere lidstaten dan bedoeld onder b) die op 1 januari 2014 in aanmerking komen voor de overgangsregeling van het Cohesiefonds;

d)

75 % voor de minder ontwikkelde regio's van de andere lidstaten dan bedoeld onder b) en c) en voor alle regio's waarvan het bbp per inwoner voor de periode 2007-2013 minder dan 75 % van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode bedroeg, maar waarvan het bbp per inwoner meer dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt;

e)

60 % voor de andere dan de onder d) bedoelde overgangsregio's;

f)

50 % voor de andere dan de onder d) bedoelde meer ontwikkelde regio's.

Het medefinancieringspercentage van elke prioritaire as van operationele programma's voor het doel „Europese territoriale samenwerking” bedraagt niet meer dan 75 %.

Bepaling van de medefinancieringspercentages

3.   Het medefinancieringspercentage van elke prioritaire as van operationele programma's voor het doel „investeren in groei en werkgelegenheid” bedraagt niet meer dan:

a)

85 % voor het Cohesiefonds;

b)

85 % voor de minder ontwikkelde regio's van de lidstaten waarvan het bbp per inwoner voor de periode 2007-2009 minder dan 85 % van het gemiddelde van de EU-27 voor dezelfde periode bedroeg en voor de ultraperifere gebieden;

c)

80 % voor de minder ontwikkelde regio's van de andere lidstaten dan bedoeld onder b) die op 1 januari 2014 in aanmerking komen voor de overgangsregeling van het Cohesiefonds;

d)

75 % voor de minder ontwikkelde regio's van de andere lidstaten dan bedoeld onder b) en c) en voor alle regio's waarvan het bbp per inwoner voor de periode 2007-2013 minder dan 75 % van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode bedroeg, maar waarvan het bbp per inwoner meer dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt;

e)

60 % voor de andere dan de onder d) bedoelde overgangsregio's;

f)

50 % voor de andere dan de onder d) bedoelde meer ontwikkelde regio's.

Het medefinancieringspercentage van operationele programma's voor het doel „Europese territoriale samenwerking” bedraagt niet meer dan  %.

Motivering

Het voorgestelde medefinancieringspercentage van 75 % voor de operationele programma's van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” bedraagt minder dan het medefinancieringspercentage voor de minder ontwikkelde regio's in het kader van de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”. Dit lagere percentage maakt de programma's voor Europese territoriale samenwerking weinig aantrekkelijk voor de minder ontwikkelde regio's. Het CvdR is het er dan ook niet mee eens dat de programma's voor Europese territoriale samenwerking volgens het lagere percentage van 75 % worden medegefinancierd. Het CvdR is van mening dat dit verschil niet gerechtvaardigd is, en vraagt dat voor beide doelstellingen hetzelfde percentage wordt gehanteerd, namelijk 85 %. Om de kwaliteit van de samenwerking te waarborgen moet worden vastgehouden aan de huidige voorwaarden die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (algemene bepalingen), artikel 53, lid 3 en 4:

„3.   Voor operationele programma's in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” waarbij ten minste één deelnemer aan het operationele programma behoort tot de lidstaten waarvan het BBP per hoofd van de bevolking voor de periode van 2001 tot en met 2003 lager was dan 85 % van het gemiddelde van de EU-25 tijdens dezelfde periode, mag de bijdrage uit het EFRO niet hoger zijn dan 85 % van de subsidiabele uitgaven. Voor alle andere operationele programma's mag de bijdrage uit het EFRO niet hoger zijn dan 75 % van de door het EFRO gecofinancierde subsidiabele uitgaven.

4.   De in lid 3 en bijlage III vastgestelde maxima gelden niet voor de bijdragen uit de fondsen op het niveau van de prioritaire assen. Zij worden evenwel zo vastgesteld dat de op het niveau van het operationele programma vastgestelde maximumbedragen voor bijdragen uit de fondsen en het maximale bijdragepercentage per fonds worden geëerbiedigd.”

Het CvdR acht het bovendien geen goede zaak dat het maximale medefinancieringspercentage op het niveau van iedere prioritaire as wordt vastgesteld. Deze maatregel laat niet toe dat het bedrag van de medefinanciering in het kader van iedere prioritaire as wordt gedifferentieerd om de begunstigden aan te moedigen bepaalde strategische prioriteiten te verwezenlijken.

Wijzigingsvoorstel 55

Artikel 111, lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Differentiëring van de medefinancieringspercentages

4)   de dekking van gebieden met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, die als volgt worden gedefinieerd:

a)

insulaire lidstaten die voor bijstand uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, en andere eilanden, behalve die waar de hoofdstad van een lidstaat gevestigd is of die een vaste verbinding met het vasteland hebben;

b)

berggebieden als gedefinieerd in de nationale wetgeving van de lidstaat;

c)

gebieden die dunbevolkt (minder dan 50 inwoners per vierkante kilometer) of zeer dunbevolkt zijn (minder dan 8 inwoners per vierkante kilometer);

Differentiëring van de medefinancieringspercentages

4)   de dekking van gebieden met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, die als volgt worden gedefinieerd:

a)

insulaire lidstaten die voor bijstand uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, en andere eilanden, behalve die waar de hoofdstad van een lidstaat gevestigd is of die een vaste verbinding met het vasteland hebben;

b)

berggebieden als gedefinieerd in de nationale wetgeving van de lidstaat;

c)

gebieden die dunbevolkt (minder dan 50 inwoners per vierkante kilometer) of zeer dunbevolkt zijn (minder dan 8 inwoners per vierkante kilometer);

Wijzigingsvoorstel 56

Artikel 112, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat beheers- en controlesystemen voor operationele programma's overeenkomstig de artikelen 62 en 63 worden ingesteld.

2.   Onregelmatigheden worden door de lidstaten voorkomen, opgespoord en gecorrigeerd en zij vorderen onverschuldigd betaalde bedragen terug, evenals eventuele rente wegens laattijdige betaling. Zij stellen de Commissie in kennis van dergelijke onregelmatigheden en houden haar op de hoogte van het verloop van de desbetreffende administratieve en gerechtelijke procedures.

Wanneer onverschuldigd aan een begunstigde betaalde bedragen door een fout of nalatigheid van een lidstaat niet kunnen worden teruggevorderd, is die lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van de betrokken bedragen aan de algemene begroting van de Unie.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 142 gedelegeerde handelingen vast te stellen die voorschriften voor de in dit lid beschreven verplichtingen van de lidstaten bevatten.

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat beheers- en controlesystemen voor operationele programma's overeenkomstig de artikelen 62 en 63 worden ingesteld.

2.    en zij vorderen onverschuldigd betaalde bedragen terug, evenals eventuele rente wegens laattijdige betaling. Zij stellen de Commissie in kennis van dergelijke onregelmatigheden en houden haar op de hoogte van het verloop van de desbetreffende administratieve en gerechtelijke procedures.

Wanneer onverschuldigd aan een begunstigde betaalde bedragen door een fout of nalatigheid van een lidstaat niet kunnen worden teruggevorderd, is die lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van de betrokken bedragen aan de algemene begroting van de Unie.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 142 gedelegeerde handelingen vast te stellen die voorschriften voor de in dit lid beschreven verplichtingen van de lidstaten bevatten.

Motivering

Er kan worden ingestemd met de precisering in de tekst van de Commissie, maar de invoering van systemen voor elektronische gegevensuitwisseling mag niet beperkt blijven tot publiekrechtelijke begunstigden.

Wijzigingsvoorstel 57

Artikel 113

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Aanwijzing van autoriteiten

 

   […]

5.   Voor het doel „investeren in groei in werkgelegenheid” mogen de beheersautoriteit, de eventuele certificeringsautoriteit en de auditautoriteit deel uitmaken van dezelfde publieke autoriteit of instantie, mits het beginsel van scheiding van functies wordt nageleefd. Voor operationele programma's waarvan het totale steunbedrag uit de Fondsen meer dan 250 000 000 euro bedraagt, mag de auditautoriteit echter geen deel uitmaken van dezelfde publieke autoriteit of instantie als de beheersautoriteit.

[…]

7.   De lidstaat of de beheersautoriteit kan het beheer van een deel van een operationeel programma aan een intermediaire instantie toevertrouwen door een schriftelijke overeenkomst met die instantie te sluiten („globale subsidie”). De intermediaire instantie verstrekt garanties omtrent haar solvabiliteit, haar competentie op het betrokken werkterrein en haar administratieve en financiële beheer.

Aanwijzing van autoriteiten

 

   […]

5.   Voor het doel „investeren in groei in werkgelegenheid” mogen de beheersautoriteit, de eventuele certificeringsautoriteit en de auditautoriteit deel uitmaken van dezelfde publieke autoriteit of instantie, mits het beginsel van scheiding van functies wordt nageleefd.

[…]

7.   De lidstaat of de beheersautoriteit kan het beheer van een deel van een operationeel programma aan een intermediaire instantie toevertrouwen door een schriftelijke overeenkomst met die instantie te sluiten („globale subsidie”). De intermediaire instantie verstrekt garanties omtrent haar solvabiliteit, haar competentie op het betrokken werkterrein en haar administratieve en financiële beheer.

Motivering

Het verdient de voorkeur het huidige systeem te handhaven waarbij, zelfs voor programma's van meer dan 250 miljoen euro, de auditautoriteit tot dezelfde publieke autoriteit mag behoren als de beheersautoriteit.

Ook is het CvdR van mening dat de vereiste garantie niet geldt indien de intermediaire instanties publiekrechtelijke rechtspersonen zijn.

Wijzigingsvoorstel 58

Artikel 114, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Functies van de beheersautoriteit

2.   Ten aanzien van het beheer van het operationele programma moet de beheersautoriteit:

a)

de werkzaamheden van het toezichtcomité ondersteunen en dat comité alle informatie verstrekken die het nodig heeft om zijn taken te verrichten, in het bijzonder gegevens over de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het operationele programma, financiële gegevens en gegevens over indicatoren en mijlpalen;

b)

de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering opstellen en, na goedkeuring door het toezichtcomité, bij de Commissie indienen;

c)

aan de intermediaire instanties en begunstigden informatie ter beschikking stellen die van belang is voor de uitvoering van hun taken, respectievelijk voor de uitvoering van concrete acties;

d)

een systeem opzetten voor de vastlegging en opslag in gecomputeriseerde vorm van de voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, verificatie en audit vereiste gegevens over elke concrete actie, in voorkomend geval met inbegrip van gegevens over individuele deelnemers aan concrete acties;

e)

waarborgen dat de onder d) bedoelde gegevens worden verzameld en in het systeem worden opgeslagen en bewaard, en dat de gegevens over indicatoren naar geslacht zijn uitgesplitst, indien voorgeschreven in bijlage I bij de ESF-verordening.

Functies van de beheersautoriteit

2.   Ten aanzien van het beheer van het operationele programma moet de beheersautoriteit:

a)

de werkzaamheden van het toezichtcomité ondersteunen en dat comité alle informatie verstrekken die het nodig heeft om zijn taken te verrichten, in het bijzonder gegevens over de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het operationele programma, financiële gegevens en gegevens over indicatoren en mijlpalen;

b)

de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering opstellen en, na goedkeuring door het toezichtcomité, bij de Commissie indienen;

c)

aan de intermediaire instanties en begunstigden informatie ter beschikking stellen die van belang is voor de uitvoering van hun taken, respectievelijk voor de uitvoering van concrete acties;

d)

een systeem opzetten voor de vastlegging en opslag in gecomputeriseerde vorm van de voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, verificatie en audit vereiste gegevens over elke concrete actie;

e)

waarborgen dat de onder d) bedoelde gegevens worden verzameld en in het systeem worden opgeslagen en bewaard, en dat de gegevens over indicatoren naar geslacht zijn uitgesplitst, indien voorgeschreven in bijlage I bij de ESF-verordening.

Motivering

Het is van belang dat de gegevens over acties beschikbaar blijven; deze kunnen om diverse redenen nuttig zijn (bijv. in geval van geschillen).

Wijzigingsvoorstel 59

Artikel 117

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Accreditatie en intrekking van de accreditatie van de beheersautoriteit en de certificeringsautoriteit

1.   De accreditatie-instantie stelt een formeel besluit vast tot accreditatie van de beheersautoriteiten en certificerende autoriteiten die voldoen aan de door de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 142 vastgestelde accreditatiecriteria.

2.   Het in lid 1 bedoelde formele besluit wordt gebaseerd op een verslag en op een oordeel