ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2012.175.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 175

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

55e jaargang
19 juni 2012


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

2012/C 175/01

Advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming betreffende de voorstellen van de Commissie voor een richtlijn betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en voor een verordening betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

1

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2012/C 175/02

Mededeling overeenkomstig artikel 12, lid 5, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad over de inlichtingen die door de douaneautoriteiten van de lidstaten zijn verstrekt over de indeling van goederen in de douanenomenclatuur

9

2012/C 175/03

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak COMP/M.6555 — Posco/MC/MCHC/JV) ( 1 )

10

2012/C 175/04

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak COMP/M.6604 — CPPIB/Atlantia/Grupo Costanera) ( 1 )

10

 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europese Centrale Bank

2012/C 175/05

Advies van de Europese Centrale Bank van 25 april 2012 inzake een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese durfkapitaalfondsen en inzake een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese socialeondernemerschapsfondsen (CON/2012/32)

11

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2012/C 175/06

Wisselkoersen van de euro

17

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

2012/C 175/07

Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Aanbesteding met betrekking tot de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

18

 

V   Adviezen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

 

Europese Commissie

2012/C 175/08

Bericht betreffende de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en een gedeeltelijke heropening van het antidumpingonderzoek betreffende bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

19

2012/C 175/09

Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand

22

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2012/C 175/10

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.6631 — Permira Europe III/Telepizza) — Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

31

2012/C 175/11

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.6561 — Cytec Industries/Umeco) ( 1 )

32

2012/C 175/12

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.6616 — Lion Capital/Alain Afflelou Group) — Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

33

2012/C 175/13

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.6490 — EADS/Israel Aerospace Industries/JV) ( 1 )

34

 

ANDERE HANDELINGEN

 

Europese Commissie

2012/C 175/14

Bekendmaking van een aanvraag overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen

35

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/1


Advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming betreffende de voorstellen van de Commissie voor een richtlijn betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en voor een verordening betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

2012/C 175/01

DE EUROPESE TOEZICHTHOUDER VOOR GEGEVENSBESCHERMING,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16,

Gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7 en 8,

Gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 inzake de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (2), en met name artikel 28, lid 2,

BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT:

1.   INLEIDING

1.1.   Raadpleging van de EDPS

1.

Dit advies is onderdeel van een pakket van vier adviezen van de EDPS betreffende de financiële sector, die alle op dezelfde dag zijn aangenomen (3).

2.

Op 20 juli 2011 heeft de Commissie twee voorstellen met betrekking tot de herziening van de bankwetgeving aangenomen. Het eerste voorstel betreft een richtlijn betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (de „voorgestelde richtlijn”) (4). Het tweede voorstel betreft een verordening betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (de „voorgestelde verordening”) (5). Deze voorstellen werden op dezelfde dag aan de EDPS toegezonden voor raadpleging. Op 18 november 2011 heeft de Raad van de Europese Unie de EDPS geraadpleegd over de voorgestelde richtlijn.

3.

De EDPS is voorafgaand aan de aanneming van de voorgestelde verordening informeel geraadpleegd. De EDPS merkt op dat verschillende van zijn opmerkingen in het voorstel in aanmerking zijn genomen.

4.

De EDPS verwelkomt het feit dat hij door de Commissie en de Raad is geraadpleegd en beveelt aan om in de preambule van de aangenomen instrumenten een verwijzing naar het onderhavige advies op te nemen.

1.2.   Doelstellingen en toepassingsgebied van de voorstellen

5.

De voorgestelde wetgeving bestaat uit twee rechtsinstrumenten: een richtlijn betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en een verordening betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. De beleidsdoelstellingen van de voorgestelde herziening zijn, kort samengevat, een soepele werking van de bankensector en herstel van het vertrouwen bij marktdeelnemers en het publiek. De voorgestelde instrumenten vervangen Richtlijn 2006/48/EG en Richtlijn 2006/49/EG, die dientengevolge zullen worden ingetrokken.

6.

De belangrijkste nieuwe elementen van de voorgestelde richtlijn zijn bepalingen met betrekking tot sancties, effectieve corporate government en bepalingen die moeten voorkomen dat er te veel op externe ratings wordt vertrouwd. Het doel van de voorgestelde richtlijn is in het bijzonder de invoering van een doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctieregeling, een passende personele werkingssfeer voor administratieve sancties, de bekendmaking van sancties en mechanismen die de melding van schendingen aanmoedigen. Voorts wordt met de voorgestelde richtlijn beoogd om de rechtskaders voor corporate governance te versterken en het overdreven vertrouwen op externe ratings te verminderen (6).

7.

De voorgestelde verordening is complementair aan de voorgestelde richtlijn door de vaststelling van uniforme en rechtstreeks toepasselijke prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Zoals wordt verklaard in de toelichting, is de overkoepelende doelstelling van het initiatief ervoor te zorgen dat de effectiviteit van de regelgeving betreffende het kapitaal van instellingen in de EU wordt versterkt en dat negatieve gevolgen ervan voor het financiële stelsel binnen de perken worden gehouden (7).

1.3.   Doel van het advies van de EDPS

8.

Hoewel de meeste bepalingen van de voorgestelde instrumenten betrekking hebben op de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, kan de tenuitvoerlegging en toepassing van het rechtskader in bepaalde gevallen van invloed zijn op de rechten van natuurlijke personen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens.

9.

Verschillende bepalingen van de voorgestelde richtlijn staan de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en, mogelijk, met die van derde landen toe (8). Deze informatie kan heel goed betrekking hebben op natuurlijke personen, zoals de leden van het management van de kredietinstellingen, hun werknemers en aandeelhouders. Bovendien mogen de bevoegde autoriteiten krachtens de voorgestelde richtlijn rechtstreeks sancties opleggen aan personen en zijn ze verplicht om de opgelegde sancties bekend te maken, met inbegrip van de identiteit van de verantwoordelijke personen (9). Om de opsporing van schendingen te vergemakkelijken, omvatten de voorstellen de invoering van een verplichting voor de bevoegde autoriteiten om te voorzien in mechanismen die de melding van onregelmatigheden aanmoedigen (10). Voorts verplicht de voorgestelde verordening kredietinstellingen en beleggingsondernemingen om informatie over hun beloningsbeleid openbaar te maken, met inbegrip van de bedragen die worden betaald, uitgesplitst naar personeelscategorie en beloningsschaal (11). Al deze bepalingen kunnen voor de betrokken personen implicaties op het gebied van de bescherming van hun gegevens hebben.

10.

In het licht van het bovenstaande zal het onderhavige advies zich concentreren op de volgende aspecten van het pakket met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van gegevens: 1. de toepasselijkheid van de gegevensbeschermingswetgeving; 2. de doorgifte van gegevens aan derde landen; 3. het beroepsgeheim en het gebruik van vertrouwelijke informatie; 4. de verplichte bekendmaking van sancties; 5. mechanismen voor het melden van schendingen; 6. de bekendmakingseisen met betrekking tot het beloningsbeleid.

2.   ANALYSE VAN HET VOORSTEL

2.1.   Toepasselijkheid van de gegevensbeschermingswetgeving

11.

Overweging 74 van de voorgestelde richtlijn bevat een verwijzing naar de volledige toepasselijkheid van de gegevensbeschermingswetgeving. Een verwijzing naar de volledige toepasselijkheid van de gegevensbeschermingswetgeving zou echter moeten worden opgenomen in een inhoudelijk artikel van de voorstellen. Een goed voorbeeld van een dergelijke inhoudelijke bepaling is te vinden in artikel 22 van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (12), waarin uitdrukkelijk als algemene regel wordt vastgesteld dat Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001 van toepassing zijn op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het voorstel.

12.

Dit is met name relevant in verband met, bijvoorbeeld, de verschillende bepalingen inzake de uitwisseling van persoonsgegevens. Deze bepalingen zijn volkomen legitiem, maar moeten worden toegepast op een wijze die in overeenstemming is met de gegevensbeschermingswetgeving. Met name moet het risico worden vermeden dat ze kunnen worden uitgelegd als een „carte blanche” om allerlei soorten persoonsgegevens uit te wisselen. Een verwijzing naar de gegevensbeschermingswetgeving, ook in de inhoudelijke bepalingen, zou dat risico beduidend verminderen.

13.

De EDPS stelt daarom voor om een inhoudelijke bepaling op te nemen die vergelijkbaar is met die van artikel 22 van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (13), onderworpen aan de voorstellen die hij met betrekking tot dit voorstel heeft gedaan (14), waarbij nadruk wordt gelegd op de toepasselijkheid van de bestaande gegevensbeschermingswetgeving en de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG wordt verduidelijkt door te vermelden dat de bepalingen van toepassing zullen zijn overeenkomstig de nationale voorschriften tot uitvoering van Richtlijn 95/46/EG.

2.2.   Doorgifte aan derde landen

14.

Artikel 48 van de voorgestelde richtlijn bepaalt dat de Commissie de Raad voorstellen mag doen voor onderhandelingen over overeenkomsten met derde landen met als doel om te waarborgen dat de bevoegde autoriteiten van derde landen de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht op moederondernemingen met hoofdkantoor op hun grondgebied die een dochteronderneming hebben in een of meer lidstaten.

15.

Voor zover deze informatie persoonsgegevens bevat, zijn Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001 volledig toepasbaar op de doorgifte van gegevens aan derde landen. De EDPS stelt voor om in artikel 48 te verduidelijken dat overeenkomsten in deze gevallen moeten voldoen aan de voorwaarden voor de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen die zijn neergelegd in hoofdstuk IV van Richtlijn 95/46/EG en in Verordening (EG) nr. 45/2001. Hetzelfde zou moeten gebeuren met artikel 56 over samenwerkingsovereenkomsten met bevoegde autoriteiten van derde landen die door lidstaten of de EBA worden gesloten.

16.

Voorts beveelt de EDPS aan, met het oog op de risico's die aan dergelijke doorgiften zijn verbonden, om specifieke waarborgen in te bouwen, zoals is gebeurd in artikel 23 van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik). In het advies van de EDPS over dit voorstel verwelkomt hij het gebruik van een bepaling die passende waarborgen omvat, zoals een beoordeling per geval, de verplichting voor de desbetreffende bevoegde autoriteit om zich te overtuigen van de noodzaak van de doorgifte en het bestaan van een passend beschermingsniveau voor persoonsgegevens in het derde land dat de persoonsgegevens ontvangt.

2.3.   Beroepsgeheim en vertrouwelijke informatie

17.

Artikel 54 van de voorgestelde richtlijn bepaalt dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten aan het beroepsgeheim gebonden zijn. De tweede alinea van artikel 54 houdt een verbod in om vertrouwelijke gegevens openbaar te maken, „behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele kredietinstellingen niet kunnen worden geïdentificeerd (…).” Zoals het verbod is geformuleerd, is niet duidelijk of het ook betrekking heeft op de openbaarmaking van persoonsgegevens.

18.

De EDPS beveelt aan om het verbod op openbaarmaking van vertrouwelijke informatie als bedoeld in artikel 54, lid 1, tweede alinea, uit te breiden naar gevallen waarin natuurlijke personen identificeerbaar zijn (d.w.z. om het verbod niet alleen betrekking te laten hebben op „individuele kredietinstellingen”). Met andere woorden: de bepaling zou moeten worden geherformuleerd in de zin dat vertrouwelijke informatie niet bekend mag worden gemaakt, „behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele kredietinstellingen en natuurlijke personen niet kunnen worden geïdentificeerd” (nadruk toegevoegd).

2.4.   Bepalingen inzake de bekendmaking van sancties

2.4.1.   Verplichte bekendmaking van sancties

19.

Een van de belangrijkste doelstellingen van het voorgestelde pakket is om het rechtskader van de lidstaten wat betreft administratieve sancties en maatregelen te versterken en onderling aan te passen. De voorgestelde richtlijn voorziet in de bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten om sancties op te leggen, niet alleen aan kredietinstellingen, maar ook aan de personen die materieel verantwoordelijk zijn voor de schending (15). Artikel 68 verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten alle sancties of maatregelen die bij schending van de bepalingen van de voorgestelde verordening of van de nationale voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de voorgestelde richtlijn worden opgelegd zonder onnodige vertraging bekendmaken, waarbij informatie wordt verstrekt over de aard van de schending en de identiteit van de personen die ervoor verantwoordelijk zijn.

20.

De bekendmaking van sancties zou bijdragen aan een verbeterde afschrikkende werking, omdat feitelijke en potentiële plegers van inbreuken zouden worden ontmoedigd om inbreuken te plegen aangezien dit tot aanzienlijke reputatieschade zou kunnen leiden. Ook zou als gevolg hiervan de transparantie toenemen, omdat marktdeelnemers bewust zouden worden gemaakt van het feit dat een inbreuk door een bepaalde persoon is gepleegd (16). Deze verplichting wordt alleen beperkt wanneer bekendmaking de betrokken partijen onevenredige schade zou berokkenen, in welk geval de bevoegde autoriteiten de sancties zonder vermelding van namen bekendmaken.

21.

De EDPS is er niet van overtuigd dat de verplichte bekendmaking van sancties, zoals de bepaling nu is geformuleerd, voldoet aan de eisen van de gegevensbeschermingswetgeving zoals deze door het Hof van Justitie is uitgelegd in het arrest-Schecke  (17). De EDPS is van mening dat het doel, de noodzaak en de evenredigheid van de maatregel onvoldoende zijn aangetoond en dat in elk geval in toereikende waarborgen voor de rechten van personen had moeten worden voorzien.

2.4.2.   Noodzaak en evenredigheid van de bekendmaking

22.

In het arrest-Schecke heeft het Hof van Justitie de bepalingen van een verordening van de Raad en een verordening van de Commissie waarin werd voorzien in de verplichte bekendmaking van informatie over de begunstigden van landbouwfondsen, inclusief de identiteit van de begunstigden en de ontvangen bedragen, nietig verklaard. In genoemd arrest oordeelt het Hof dat deze bekendmaking een verwerking is van persoonsgegevens in de zin van artikel 8, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het „Handvest”) en derhalve een aantasting van de bij de artikelen 7 en 8 van het Handvest toegekende rechten inhoudt.

23.

Na de vaststelling dat „uitzonderingen op en beperkingen van de bescherming van persoonsgegevens binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke moeten blijven”, analyseerde het Hof het doel van de bekendmaking en de evenredigheid ervan. Daarbij concludeerde het Hof dat uit niets is gebleken dat de Raad en de Commissie bij de aanneming van de wetgeving andere methoden om de informatie bekend te maken, die consistent zijn met het doel van deze bekendmaking en een minder ingrijpende aantasting van de rechten van de begunstigden met zich meebrengen, in overweging hebben genomen.

24.

Artikel 68 van de voorgestelde richtlijn lijkt aan dezelfde tekortkomingen te lijden als die waarop het Hof van Justitie in het arrest-Schecke heeft gewezen. Daarbij moet in gedachte worden gehouden dat bij het beantwoorden van de vraag of een bepaling waarin de publieke bekendmaking van persoonlijke informatie wordt vereist in overeenstemming met de voorschriften inzake gegevensbescherming is, een duidelijk en welomschreven doel dat de voorgenomen bekendmaking moet dienen van cruciaal belang is. Alleen als er een duidelijk en welomschreven doel is, kan worden beoordeeld of de bekendmaking van de persoonsgegevens in kwestie feitelijk noodzakelijk en evenredig is (18).

25.

Na lezing van het voorstel en de begeleidende documenten (d.w.z. het effectbeoordelingsverslag), heeft de EDPS de indruk dat het doel, en dientengevolge de noodzaak, van deze maatregel niet duidelijk is vastgesteld. Terwijl in de overwegingen bij het voorstel niet op deze kwesties wordt ingegaan, wordt in het effectbeoordelingsverslag slechts verklaard dat de „bekendmaking van sancties een belangrijk element is van het ontmoedigende effect ervan op de adressaten en nodig is om ervoor te zorgen dat sancties een ontmoedigend effect op het algemene publiek hebben”. In het verslag wordt echter niet overwogen of minder ingrijpende methoden hetzelfde resultaat zouden kunnen garanderen, in de zin van een afschrikkende werking zonder aantasting van de privacyrechten van de betrokken personen. In het bijzonder wordt in het verslag niet uitgelegd waarom financiële of andersoortige sancties die de privacy niet aantasten onvoldoende zouden zijn.

26.

Bovendien lijken minder ingrijpende methoden om de informatie bekend te maken, zoals beperking van de informatie tot de identiteit van de kredietinstellingen of zelfs beoordeling per geval of bekendmaking noodzakelijk is, in het effectbeoordelingsverslag onvoldoende in aanmerking te worden genomen. Met name de laatstgenoemde optie lijkt op het eerste gezicht een meer evenredige oplossing, vooral omdat bekendmaking zelf een sanctie is krachtens artikel 67, lid 2, onder a), en artikel 69 bepaalt dat de bevoegde autoriteiten bij een besluit over de toepassing van sancties alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten nemen (d.w.z. dat per geval een beoordeling moet worden gemaakt), zoals de ernst van de schending, de mate van persoonlijke verantwoordelijkheid, of er sprake is van eerdere overtredingen, de omvang van de verliezen die door derden worden geleden, enz. De verplichte bekendmaking van sancties in alle gevallen in de zin van artikel 68 strookt niet met de in de artikelen 67 en 69 beschreven sanctieregeling.

27.

In het effectbeoordelingsverslag worden slechts enkele paragrafen besteed aan de vraag waarom de optie om de bekendmaking per geval te beoordelen niet voldoet. Daarin wordt gesteld dat het aan de bevoegde autoriteiten overlaten „of de bekendmaking passend is” het afschrikwekkende effect van de bekendmaking zou verminderen (19). In de opvatting van de EDPS is het echter juist dit aspect — de mogelijkheid om het geval in het licht van de specifieke omstandigheden te beoordelen — dat deze oplossing een meer evenredige en daarom te verkiezen optie maakt boven verplichte bekendmaking in alle gevallen. Deze discretionaire bevoegdheid zou de bevoegde autoriteit bijvoorbeeld de mogelijkheid bieden om niet tot bekendmaking over te gaan wanneer de schending minder ernstig is, de schending geen significante schade heeft veroorzaakt, de betrokken partij met de autoriteiten meewerkt, enz.

2.4.3.   De noodzaak van toereikende waarborgen

28.

De voorgestelde richtlijn had moeten voorzien in toereikende waarborgen om een billijk evenwicht tussen de verschillende in het geding zijnde belangen te bereiken. In de eerste plaats zijn waarborgen nodig in verband met het recht van de beschuldigde personen om het besluit bij de rechter aan te vechten en het beginsel van het vermoeden van onschuld. In de tekst van artikel 68 hadden in dit verband specifieke formuleringen moeten worden opgenomen die de bevoegde autoriteiten verplichten passende maatregelen te nemen met het oog op zowel de situatie dat het besluit afhankelijk is van de uitkomst van een beroepsprocedure als de situatie dat het besluit uiteindelijk door een rechter nietig is verklaard (20).

29.

In de tweede plaats zou de voorgestelde richtlijn ervoor moeten zorgen dat de rechten van de betrokkenen op proactieve wijze worden gerespecteerd. De EDPS waardeert het feit dat de definitieve versie van het voorstel voorziet in de mogelijkheid om bekendmaking te vermijden indien dit onevenredige schade zou veroorzaken. Een proactieve aanpak moet echter met zich meebrengen dat betrokkenen van tevoren in kennis worden gesteld van het feit dat het besluit om hun een sanctie op te leggen bekend zal worden gemaakt en dat ze krachtens artikel 14 van Richtlijn 95/46/EG het recht hebben om zich om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen te verzetten tegen de bekendmaking (21).

30.

In de derde plaats is het in de praktijk voorstelbaar, hoewel in de voorgestelde richtlijn niet wordt gespecificeerd via welk medium de informatie bekend moet worden gemaakt, dat de informatie in de meeste landen op internet bekend zal worden gemaakt. Aan bekendmaking op internet zijn specifieke vraagstukken en risico's verbonden, in het bijzonder in verband met de noodzaak om ervoor te zorgen dat de informatie niet langer online toegankelijk is dan nodig is en dat de gegevens niet kunnen worden gemanipuleerd of gewijzigd. Het gebruik van externe zoekmachines brengt ook het risico met zich mee dat de informatie uit de context wordt gehaald en door en naar buiten het internet wordt geleid op manieren die moeilijk beheersbaar zijn (22).

31.

Gezien het bovenstaande moeten de lidstaten worden verplicht ervoor te zorgen dat persoonsgegevens van de betrokken personen slechts gedurende een redelijke periode online toegankelijk worden gehouden, waarna ze systematisch moeten worden verwijderd (23). Daarnaast moeten de lidstaten worden verplicht om voor toereikende beveiligingsmaatregelen en waarborgen te zorgen, met name om bescherming te bieden tegen de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van externe zoekmachines (24).

2.4.4.   Conclusies met betrekking tot de bekendmaking

32.

De EDPS is van mening dat de bepaling inzake de verplichte bekendmaking van sancties — zoals deze op dit moment is geformuleerd — niet in overeenstemming is met het grondrecht op privacy en gegevensbescherming. De wetgever zou de noodzaak van het voorgestelde systeem zorgvuldig moeten beoordelen en moeten nagaan of de bekendmakingsverplichting verder gaat dan nodig is om het nagestreefde doel van algemeen belang te verwezenlijken en of er minder restrictieve maatregelen kunnen worden genomen om hetzelfde doel te verwezenlijken. Afhankelijk van het resultaat van deze evenredigheidstoetsing zou de bekendmakingsverplichting in elk geval moeten worden ondersteund door toereikende waarborgen voor de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld, het recht van verzet van de betrokken personen, de beveiliging/juistheid van gegevens en de verwijdering ervan na een passende tijdsperiode.

2.5.   Melding van schendingen

33.

Artikel 70 van de voorgestelde richtlijn heeft betrekking op mechanismen voor het melden van schendingen, ook wel klokkenluidersregelingen genoemd. Hoewel deze systemen een doelmatig handhavingsinstrument kunnen vormen, zijn er vanuit het oogpunt van gegevensbescherming belangrijke vraagstukken aan verbonden (25). De EDPS is ingenomen met het feit dat het voorstel specifieke, op nationaal niveau verder te ontwikkelen waarborgen bevat voor de bescherming van personen die melding van vermeende schendingen maken, en meer in het algemeen voor de bescherming van persoonsgegevens. De EDPS is zich ervan bewust dat in de voorgestelde richtlijn alleen de belangrijkste elementen van de door de lidstaten ten uitvoer te leggen regeling worden uiteengezet. Desalniettemin wil de EDPS aandacht vragen voor de volgende aanvullende punten.

34.

De EDPS wijst erop, zoals hij dat ook in andere adviezen heeft gedaan (26), dat een specifieke verwijzing naar de noodzaak om de vertrouwelijkheid van de identiteit van klokkenluiders en informanten te eerbiedigen zou moeten worden ingevoerd. De EDPS onderstreept dat de positie van de klokkenluider een gevoelige is. Personen die dit soort informatie verstrekken moet worden gegarandeerd dat hun identiteit onder voorwaarde van vertrouwelijkheid wordt verwerkt, met name tegenover de persoon van wie een vermeende overtreding wordt gemeld (27). De vertrouwelijkheid van de identiteit van klokkenluiders zou in alle fasen van de procedure moeten worden gegarandeerd, zolang dit niet in strijd is met de nationale voorschriften waarmee gerechtelijke procedures worden gereguleerd. Met name bestaat de mogelijkheid dat de identiteit bekend moet worden gemaakt in het kader van nader onderzoek of een daaropvolgende, als gevolg van het onderzoek ingestelde gerechtelijke procedure (ook als is vastgesteld dat er opzettelijk valse verklaringen over hem/haar zijn afgelegd) (28). Gezien het bovenstaande beveelt de EDPS aan om in artikel 70, lid 2, onder b), de volgende bepaling toe te voegen: „de vertrouwelijkheid van de identiteit van deze personen moet in alle fasen van de procedure worden gegarandeerd, tenzij bekendmaking vereist wordt door het nationaal recht in het kader van nader onderzoek of een daaropvolgende gerechtelijke procedure”.

35.

De EDPS wijst verder op het belang om passende voorschriften vast te stellen om de toegangsrechten van beschuldigde personen te garanderen, die nauw verband houden met de rechten van verdediging (29). De procedures voor de ontvangst van meldingen en de follow-up daarvan als bedoeld in artikel 70, lid 2, onder a), moeten ervoor zorgen dat het recht van verdediging van de beschuldigde personen, zoals het recht om te worden geïnformeerd, het recht van toegang tot het onderzoeksdossier en het vermoeden van onschuld, adequaat worden geëerbiedigd en alleen worden beperkt voor zover dat noodzakelijk is (30). De EDPS stelt in dit verband voor om in de voorgestelde richtlijn ook de bepaling van artikel 29, onder d), van het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) op te nemen; deze bepaling verplicht de lidstaten tot de aanneming van „passende procedures om het recht van verdediging van een beschuldigde persoon te waarborgen, alsmede het recht om voorafgaand aan de aanneming van een besluit dat betrekking op hem heeft te worden gehoord en het recht op een effectief beroep in rechte tegen besluiten of maatregelen die op hem betrekking hebben”.

36.

Tot slot, met betrekking tot artikel 70, lid 2, onder c), is de EDPS ingenomen met het feit dat deze bepaling van de lidstaten de bescherming van persoonsgegevens vereist, zowel van de beschuldigende als van de beschuldigde persoon, in overeenstemming met de beginselen van Richtlijn 95/46/EG. De EDPS stelt echter voor om de zinsnede „de beginselen van” te schrappen teneinde de verwijzing naar de richtlijn meer omvattend en bindend te maken. Wat betreft de noodzaak om bij de praktische tenuitvoerlegging van de regelingen de gegevensbeschermingswetgeving te eerbiedigen, wenst de EDPS met name de door de Groep Gegevensbescherming artikel 29 in zijn advies van 2006 betreffende klokkenluidersregelingen geformuleerde aanbevelingen te onderstrepen. Bij de tenuitvoerlegging van nationale regelingen moeten de betrokken entiteiten onder meer rekening houden met de noodzaak om het evenredigheidsbeginsel te respecteren door, voor zover mogelijk, de categorieën van personen die kunnen worden beschuldigd en de schendingen waarvan ze kunnen worden beschuldigd te beperken, evenals met de noodzaak om geïdentificeerde en vertrouwelijke meldingen te bevorderen ten opzichte van anonieme meldingen, de noodzaak om de identiteit van klokkenluiders bekend te maken wanneer ze opzettelijk valse verklaringen afleggen en de noodzaak om zich te houden aan strikte bewaringsperioden voor de gegevens.

3.   CONCLUSIES

37.

De EDPS doet de volgende aanbevelingen:

Neem in de voorstellen een inhoudelijke bepaling op met de volgende bewoording: „Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten in het kader van deze verordening passen de bevoegde autoriteiten de bepalingen van de nationale voorschriften voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 95/46/EG toe.”„Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de EBA in het kader van deze verordening houdt de EBA zich aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001.”;

Wijzig artikel 54, lid 1, tweede alinea, om de bekendmaking van vertrouwelijke informatie alleen in een samengevatte of geaggregeerde vorm toe te staan, „zodat individuele kredietinstellingen en natuurlijke personen niet kunnen worden geïdentificeerd” (nadruk toegevoegd);

Verduidelijk in artikel 48 en artikel 56 dat overeenkomsten met derde landen of met autoriteiten van derde landen waarin wordt voorzien in de doorgifte van persoonsgegevens, moeten voldoen aan de voorwaarden voor de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen die zijn neergelegd in hoofdstuk IV van Richtlijn 95/46/EG en in Verordening (EG) nr. 45/2001, en neem in de voorgestelde richtlijn ook een bepaling op die vergelijkbaar is met die van artikel 23 van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (31);

Beoordeel, gelet op de twijfels die in het onderhavige advies worden geuit, de noodzaak en evenredigheid van het voorgestelde systeem van verplichte bekendmaking van sancties. Voorzie, met inachtneming van het resultaat van deze noodzaak- en evenredigheidstoetsing, in elk geval in toereikende waarborgen voor de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, het recht van verzet van de betrokken personen, de beveiliging/juistheid van gegevens en de verwijdering ervan na een passende tijdsperiode;

Met betrekking tot artikel 70: 1. Voeg in lid 2, onder b), een bepaling toe die luidt: „de vertrouwelijkheid van de identiteit van deze personen moet in alle fasen van de procedure worden gegarandeerd, tenzij bekendmaking vereist wordt door het nationaal recht in het kader van nader onderzoek of een daaropvolgende gerechtelijke procedure”; 2. Voeg in lid 2, onder d) een bepaling toe waarin de lidstaten worden verplicht tot de aanneming van „passende procedures om het recht van verdediging van een beschuldigde persoon te waarborgen, alsmede het recht om voorafgaand aan de aanneming van een besluit dat betrekking op hem heeft te worden gehoord en het recht op een effectief beroep in rechte tegen besluiten of maatregelen die op hem betrekking hebben”; 3. Schrap in lid 2, onder c), de zinsnede „de beginselen van”.

Gedaan te Brussel, 10 februari 2012.

Giovanni BUTTARELLI

Europese adjunct-toezichthouder voor gegevensbescherming


(1)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(2)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(3)  EDPS-adviezen van 10 februari 2012 betreffende het wetgevingspakket voor de herziening van de bankwetgeving, kredietratingbureaus, markten in financiële instrumenten (MIFID/MIFIR) en marktmisbruik.

(4)  COM(2011) 453 def.

(5)  COM(2011) 452 def.

(6)  Toelichting van de voorgestelde richtlijn, blz. 2-3.

(7)  Toelichting van de voorgestelde verordening, blz. 2-3.

(8)  Zie met name de artikelen 24, 48 en 51 van de voorgestelde richtlijn.

(9)  Artikel 65, lid 2, en artikel 68 van de voorgestelde richtlijn.

(10)  Artikel 70 van de voorgestelde richtlijn.

(11)  Artikel 435 van de voorgestelde verordening.

(12)  Voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), COM(2011) 651.

(13)  Vgl. voetnoot 12.

(14)  Zie het advies van 10 februari 2012 betreffende het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) en het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende strafrechtelijke sancties voor handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, COM(2011) 651 en COM(2011) 654.

(15)  De personele werkingssfeer van de sancties wordt verduidelijkt in artikel 65 van de voorgestelde richtlijn, waarin wordt bepaald dat de lidstaten er zorg voor dragen dat als instellingen, financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings aan verplichtingen onderworpen zijn, bij een schending van deze verplichtingen sancties kunnen worden opgelegd aan de leden van het leidinggevend orgaan en aan alle andere personen die uit hoofde van het nationale recht voor de schending verantwoordelijk zijn.

(16)  Zie het effectbeoordelingsverslag, blz. 42 en volgende.

(17)  Gevoegde zaken C-92/09 en C-93/09, Schecke, punten 56 t/m 64.

(18)  Zie in dit verband ook het advies van de EDPS van 15 april 2011 betreffende de financiële regels van toepassing op de jaarlijkse begroting van de Unie, (PB C 215 van 21.7.2011, blz. 13).

(19)  Zie blz. 44-45.

(20)  Zo zouden de nationale autoriteiten de volgende maatregelen kunnen overwegen: de bekendmaking uitstellen tot het hoger beroep is afgewezen, of, zoals in het effectbeoordelingsverslag wordt voorgesteld, duidelijk aangeven dat het besluit nog onderworpen is aan hoger beroep en dat de persoon voor onschuldig wordt gehouden totdat het besluit definitief wordt, en een rectificatie publiceren wanneer het besluit door een rechtbank wordt vernietigd.

(21)  Zie het advies van de EDPS van 10 april 2007 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (PB C 134 van 16.6.2007, blz. 1).

(22)  Zie in dit verband het document dat is gepubliceerd door de Italiaanse gegevensbeschermingsautoriteit: ”Persoonsgegevens in registers en documenten van overheidsinstanties: richtsnoeren voor de verwerking ervan door overheidsinstanties in verband met communicatie en verspreiding via internet”, dat beschikbaar is op de website van de Italiaanse gegevensbeschermingsautoriteit: http://www.garanteprivacy.it/garante/doc.jsp?ID=1803707

(23)  Deze zorgen houden ook verband met het meer algemene recht om te worden vergeten; over de opname van dit recht in het nieuwe rechtskader voor de bescherming van persoonsgegevens wordt momenteel gediscussieerd.

(24)  Deze maatregelen en waarborgen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit de uitsluiting van de indexatie van gegevens door externe zoekmachines.

(25)  De Groep Gegevensbescherming artikel 29 heeft in 2006 een advies over dergelijke regelingen uitgebracht waarin de aan gegevensbescherming gerelateerde aspecten van dit verschijnsel worden behandeld: Advies 1/2006 over de toepassing van de EU-gegevensbeschermingsregels op interne klokkenluidersregelingen in de sfeer van boekhouding, interne boekhoudcontrole, auditing en bestrijding van omkoping en van bancaire en financiële criminaliteit (advies van de Groep Gegevensbescherming artikel 29 betreffende klokkenluidersregelingen) Dit advies is te vinden op de webpagina van de Groep Gegevensbescherming artikel 29: http://ec.europa.eu/justice/policies/privacy/workinggroup/index_en.htm

(26)  Zie bijvoorbeeld het advies van de EDPS betreffende de financiële regels van toepassing op de jaarlijkse begroting van de Unie van 15 april 2011, (PB C 215 van 21.7.2011, blz. 13), en het advies betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) van 1 juni 2011, (PB C 279 van 23.9.2011, blz. 11).

(27)  Het belang om de identiteit van de klokkenluider vertrouwelijk te houden is door de EDPS reeds onderstreept in een brief aan de Europese Ombudsman van 30 juli 2010 in zaak 2010-0458, die te vinden is op de website van de EDPS (http://www.edps.europa.eu). Zie ook de adviezen inzake voorafgaande controle van de EDPS van 23 juni 2006 betreffende interne onderzoeken door OLAF (zaak 2005-0418) en van 4 oktober 2007 betreffende externe onderzoeken door OLAF (zaken 2007-47, 2007-48, 2007-49, 2007-50, 2007-72).

(28)  Zie het advies van de EDPS betreffende de financiële regels van toepassing op de jaarlijkse begroting van de Unie van 15 april 2011, dat te vinden is op http://www.edps.europa.eu

(29)  Zie in dit verband de richtsnoeren van de EDPS met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in administratieve onderzoeken en disciplinaire procedures door Europese instellingen en organen, waarin wordt gewezen op het nauwe verband tussen het recht van toegang van betrokkenen en het recht van verdediging van de personen die worden beschuldigd (zie blz. 8 en 9): http://www.edps.europa.eu/EDPSWEB/webdav/site/mySite/shared/Documents/Supervision/Guidelines/10-04-23_Guidelines_inquiries_EN.pdf

(30)  Zie het advies van de Groep Gegevensbescherming artikel 29 betreffende klokkenluidersregelingen, blz. 13-14.

(31)  Vgl. voetnoot 12.


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/9


Mededeling overeenkomstig artikel 12, lid 5, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad over de inlichtingen die door de douaneautoriteiten van de lidstaten zijn verstrekt over de indeling van goederen in de douanenomenclatuur

2012/C 175/02

Een bindende tariefinlichting is niet meer geldig vanaf vandaag als zij niet langer verenigbaar is met de interpretatie van de douanenomenclatuur als gevolg van de hierna genoemde internationale tariefmaatregelen:

Wijzigingen van het Geharmoniseerd Systeem en het Repertorium van indelingsadviezen, goedgekeurd door de Internationale Douaneraad (IDR document NC1705 — verslag van de 48e zitting van het Comité GS):

WIJZIGINGEN VAN DE INDELINGSADVIEZEN OPGESTELD DOOR HET COMITÉ GS VAN DE WERELDDOUANEORGANISATIE

(48e ZITTING VAN HET COMITÉ GS IN SEPTEMBER 2011)

DOC. NC1705

Indelingsadviezen vastgesteld door het Comité GS

2106.90/28

O/3

3824.90/18-19

O/4

8537.10/1

O/5

Nadere informatie over de inhoud van deze maatregelen kan worden verkregen bij het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie van de Europese Commissie (Wetstraat 200, 1049 Brussel, Belgium) of worden verkregen van de internetsite van dit directoraat-generaal:

http://ec.europa.eu/comm/taxation_customs/customs/customs_duties/tariff_aspects/harmonised_system/index_en.htm


19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/10


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak COMP/M.6555 — Posco/MC/MCHC/JV)

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 175/03

Op 11 juni 2012 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector,

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/en/index.htm) onder documentnummer 32012M6555. EUR-Lex biedt online-toegang tot de communautaire wetgeving.


19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/10


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak COMP/M.6604 — CPPIB/Atlantia/Grupo Costanera)

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 175/04

Op 11 juni 2012 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector,

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/en/index.htm) onder documentnummer 32012M6604. EUR-Lex biedt online-toegang tot de communautaire wetgeving.


III Voorbereidende handelingen

Europese Centrale Bank

19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/11


ADVIES VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 25 april 2012

inzake een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese durfkapitaalfondsen en inzake een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese socialeondernemerschapsfondsen

(CON/2012/32)

2012/C 175/05

Inleiding en rechtsgrondslag

Op 20 januari 2012 ontving de Europese Centrale Bank (ECB) een verzoek van de Raad van de Europese Unie om een advies inzake een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese durfkapitaalfondsen (hierna de „ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen”) (1) en inzake een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese socialeondernemerschapsfondsen (2) (hierna de „EuSEF-ontwerpverordening”) (hierna gezamenlijk de „ontwerpverordeningen”).

De adviesbevoegdheid van de ECB is gebaseerd op artikel 127, lid 4 en artikel 282, lid 5 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aangezien de ontwerpverordeningen bepalingen bevatten betreffende de integratie van financiële markten en betreffende de bijdrage van het Europees Stelsel van centrale banken tot een goede beleidsvoering door de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel, zoals bedoeld in artikel 127, lid 5 van het Verdrag. Overeenkomstig de eerste volzin van artikel 17.5 van het Reglement van orde van de Europese Centrale Bank heeft de Raad van bestuur dit advies goedgekeurd.

Algemene opmerkingen

1.

De ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen beoogt het probleem van financieringstekorten te verhelpen waarmee Europese kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) kampen in de oprichtingsfase. Aangezien het leeuwendeel van de kapitaalverschaffing aan deze ondernemingen afkomstig is van kleine fondsen met een gemiddelde grootte van 60 miljoen EUR aan beheerde activa, beoogt de verordening kapitaalverschaffingsmogelijkheden in de gehele EU te verbeteren. De verordening richt specifieke Europese durfkapitaalfondsen op met gemeenschappelijke kenmerken onder één regelgevingskader. Zulks zou zekerheid en transparantie verschaffen aan alle betrokkenen, waaronder investeerders, regelgevers en de voor investeringen in aanmerking komende ondernemingen. De invoering van één paspoort voor de gemeenschappelijke markt, middels welke een in een lidstaat geregistreerd fonds rechten en aandelen in andere lidstaten zou kunnen aanbieden, zou de administratieve last verminderen en de regelgevende hindernissen beperken.

2.

Dit kader wordt aangevuld door de EuSEF-ontwerpverordening die beoogt kapitaalverschaffing voor sociaal ondernemerschap te stimuleren door de oprichting van een nieuwe categorie van Europese socialeondernemerschapsfondsen (hierna de „EuSEF’s”). Zulks zou investeerders helpen fondsen te identificeren en te vergelijken die investeren in sociaal ondernemerschap en de mogelijkheden te verruimen deze fondsen aan internationale investeerders aan te kunnen bieden.

3.

De Europa-2020 Strategie (3) herhaalde de noodzaak een gerichte regelgevende actie te starten om de toegang voor kmo's tot financiering middels gerichte investeringsfondsen te verbeteren, met name door hindernissen te adresseren die de doorstroming van durfkapitaalfinanciering belemmeren. De Europese Raad onderschreef deze aanpak door op te roepen tot het verwijderen van resterende regelgevende obstakels die grensoverschrijdende doorstroming van durfkapitaal belemmeren (4). Dientengevolge kondigde de Commissie in april 2011 een initiatief aan om te waarborgen dat in een lidstaat gevestigde durfkapitaalfondsen in de gehele EU kapitaal kunnen aantrekken (5).

4.

De ECB heeft de problemen reeds opgemerkt waarmee menig kmo te kampen had bij het verkrijgen van toegang tot financiering, zulks meer dan grote ondernemingen, in het bijzonder nu de markt onder druk staat (6). Door toegang tot financiering voor snel expanderende kmo's te vergemakkelijken en de toepasselijke regelgevende vereisten te stroomlijnen, vertrouwt de ECB erop dat de voorgestelde nieuwe regelingen aanzienlijk zouden bijdragen aan de ontwikkeling van een innoverende en duurzame economie. Ondervanging van de financieringsfragmentatie voor innoverende en sociaal-gerichte kmo's en bevordering van het ontstaan van een geïntegreerde en soepele pan-Europese financiële markt, zou grensoverschrijdende investering in deze sectoren aanmoedigen en vergemakkelijken, hetgeen doorslaggevend is voor het welslagen en de tijdige verwezenlijking van de Europa-2020 Strategie.

5.

Derhalve verwelkomt de ECB de ontwerpverordeningen die uniforme vereisten zullen invoeren voor fondsen die optreden onder één Europese benaming en een identiek omvangrijk regelgevend kader, terwijl tevens adequaat toezicht wordt gewaarborgd. Dienaangaande merkt de ECB meerdere kenmerken op die zouden bijdragen aan de verwezenlijking van een passend en evenwichtig regelgevend kader: de vrijwillige aard van de regeling (7), het grensoverschrijdende kennisgevingsproces tussen de bevoegde autoriteiten (8), de regels tot regeling van het gedrag van de in aanmerking komende managers en de publicatievereisten (9), alsook de bepalingen die ertoe dienen het effectieve toezicht op het gebruik van het paspoort te waarborgen (10).

Specifieke opmerkingen

6.

De ECB steunt de doelstelling van de Commissie de consistentie te waarborgen van de ontwerpverordening met de vigerende regeling voor beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (11). Dienaangaande verwelkomt de ECB de verwijzing in de ontwerpverordeningen naar de drempel in Richtlijn 2011/61/EU (12), die een kapitaalfondsenlimiet invoert van 500 miljoen EUR, welke limiet een afbakening vormt tussen kapitaalfondsen en de Europese durfkapitaalfondsen en de EuSEF-regelingen uit het bij Richtlijn 2011/61/EU ingevoerde kader.

7.

De ECB merkt op dat de bovengenoemde drempels beogen een onderscheid te maken tussen enerzijds beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen met activiteiten die „aanzienlijke consequenties voor de financiële stabiliteit” zouden kunnen hebben en anderzijds diegenen voor wie dat niet waarschijnlijk is en dat de voorgestelde regelingen toepasselijk zullen zijn op fondsen die niet systeemrelevant zijn (13).

8.

Het toepassingsbereik van de ontwerpverordeningen is tevens voor alle in aanmerking komende durfkapitaal- en socialeondernemerschapsfondsen onderworpen aan het vereiste dat zij niet aan hefbomen onderworpen zijn, zulks om te waarborgen dat in aanmerking komende fondsen niet bijdragen aan het doen ontstaan van systeemrisico’s en dat deze zich focussen op het ondersteunen van in aanmerking komende portefeuilleondernemingen (14). Derhalve, enerzijds is het hefboomconcept cruciaal voor het ondernemingsmodel dat menig beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen (15) toepast, anderzijds acht de ECB het in het geval van Europese durfkapitaalfondsen en EuSEF-regelingen (16) passend de uitsluiting van enige mogelijke hefboomwerking te expliciteren.

Indien de ECB wijzigingen van de ontwerpverordening aanbeveelt, worden daartoe specifiek onderbouwde formuleringsvoorstellen in de bijlage opgenomen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 25 april 2012.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  COM(2011) 860 definitief.

(2)  COM(2011) 862 definitief.

(3)  Mededeling van de Commissie inzake „Europa 2020 een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”, COM(2010) 2020 definitief.

(4)  Conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011, paragraaf 22.

(5)  Mededeling van de Commissie inzake de „Akte voor de interne markt — Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen — Samen werk maken van een nieuwe groei”, COM(2011) 206 definitief, met name punt 2.1.

(6)  Advies ECB CON/2012/21 van 22 maart 2012 inzake i) een voorstel voor een richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad, ii) een voorstel voor een verordening betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening [EMIR] betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters, iii) een voorstel voor een richtlijn betreffende strafrechtelijke sancties voor handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, en iv) een voorstel voor een verordening betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), paragraaf 8. Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad. De Engelse versie is beschikbaar op de website van de ECB onder http://www.ecb.europa.eu

(7)  Artikel 4 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen en artikel 4 van de EuSEF-ontwerpverordening.

(8)  Artikel 15 en artikel 20, lid 3 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen en artikel 16 en artikel 21, lid 3 van de EuSEF-ontwerpverordening.

(9)  Artikel 7 tot en met 12 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen en artikel 7 tot en met 13 van de EuSEF-ontwerpverordening.

(10)  Artikel 13 tot en met 22 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen en artikel 14 tot en met 23 van de EuSEF-ontwerpverordening.

(11)  PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1. Werkdocument van de diensten van de Commissie — Effectenbeoordeling bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese Durfkapitaalfondsen SEC(2011) 1515, blz. 37.

(12)  Artikel 3, lid 2, onder b) van Richtlijn 2011/61/EU.

(13)  Overweging 17 van Richtlijn 2011/61/EU.

(14)  Overweging 13 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen en overweging 13 van de EuSEF-ontwerpverordening.

(15)  Paragraaf 11 van ECB-Advies CON/2009/81 van 16 oktober 2009 inzake een voorstel voor een Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG (PB C 272 van 13.11.2009, blz. 1).

(16)  Artikel 5, lid 2 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen en artikel 5, lid 2 van de EuSEF-ontwerpverordening.


BIJLAGE

Formuleringsvoorstellen  (1)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Door de ECB voorgestelde wijzigingen (2)

Wijziging 1

Artikel 5, lid 2 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen

„2.   De durfkapitaalfondsbeheerder gaat geen leningen aan, geeft geen schuldpapier uit en verschaft geen garanties op het niveau van het in aanmerking komende durfkapitaalfonds; evenmin maakt hij op het niveau van het in aanmerking komende durfkapitaalfonds gebruik van methoden die de risicopositie van het fonds doen toenemen, zoals het lenen van contanten of effecten, het innemen van posities in derivaten of enigerlei andere handeling.”

„2.   De durfkapitaalfondsbeheerder gaat geen leningen aan, geeft geen schuldpapier uit en verschaft geen garanties op het niveau van het in aanmerking komende durfkapitaalfonds; evenmin maakt hij op het niveau van het in aanmerking komende durfkapitaalfonds gebruik van methoden die de risicopositie van het fonds doen toenemen, zoals het lenen van contanten of effecten, het innemen van contracten in derivaten of enigerlei andere handeling.”

Uitleg

Het innemen van derivatenposities zou ook hedgingdoeleinden kunnen dienen, in welk geval het eerder risico’s zou verminderen en niet verhogen. Derhalve, aangezien de ECB opmerkt dat de voorgestelde tekst is afgeleid van de overeenkomstige definitie van artikel 4, lid 1, onder v), stelt zij voor de term „posities in derivaten” te vervangen door „derivatencontracten”, zulks overeenkomstig in andere vigerende of financiële ontwerpwetgeving van de EU, zoals bijvoorbeeld Verordening (EU) nr. 236/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 betreffende short selling en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps  (3), Richtlijn 2004/39 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten houdende wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 93/22/EEG  (4), en de voorstellen voor verordeningen van Europees Parlement en de Raad betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters  (5) en betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen  (6).

Wijziging 2

Artikel 6, lid 2 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen

„Durfkapitaalfondsbeheerders bieden de deelnemingsrechten en aandelen van in aanmerking komende durfkapitaalfondsen uitsluitend aan aan beleggers die overeenkomstig afdeling I van bijlage II bij Richtlijn 2004/39/EG als professionele cliënten worden aangemerkt of die overeenkomstig afdeling II van bijlage II bij Richtlijn 2004/39/EG op verzoek als professionele cliënten kunnen worden behandeld, of aan andere beleggers ingeval:”

„Durfkapitaalfondsbeheerders bieden de deelnemingsrechten en aandelen van in aanmerking komende durfkapitaalfondsen uitsluitend aan aan beleggers die overeenkomstig afdeling I van bijlage II bij Richtlijn 2004/39/EG als professionele cliënten worden aangemerkt, tenzij zij op verzoek als niet-professionele cliënten worden behandeld, of die overeenkomstig afdeling II van bijlage II bij Richtlijn 2004/39/EG op verzoek als professionele cliënten kunnen worden behandeld, of aan andere beleggers ingeval, in welk geval aan alle hiernavolgende voorwaarden wordt voldaan:”

Uitleg

Artikel 6 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen verwijst naar „professionele cliënten overeenkomstig Afdeling I van bijlage II bij Richtlijn 2004/39/EG”. Het is onduidelijk welke regeling toepasselijk zou zijn op professionele cliënten die krachtens dezelfde bepaling op verzoek als niet-professionele cliënten worden behandeld. Ter vermijding van verwarring zou de voorgestelde wijziging het concept van „professionele cliënten” in de ontwerpverordening op één lijn brengen met de definitie in bijlage II bij Richtlijn 2004/39/EG.

Voorts, staat de verordening het toe dat Europese durfkapitaalfondsen aan andere investeerders worden aangeboden, die „over kennis, ervaring en draagkracht beschikken om de risico's te nemen die aan deze fondsen verbonden zijn  (7)”. Enerzijds is de ECB van mening dat deze criteria de noodzakelijke investeerdersbescherming bieden, anderzijds stelt zij voor te waarborgen dat al deze criteria bindend worden gemaakt.

Wijziging 3

Artikel 10a van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen (nieuw)

Thans geen tekst

„Artikel 10a

Bewaarder

1.   De durfkapitaalfondsbeheerder verzekert dat één bewaarder wordt aangesteld overeenkomstig dit artikel voor ieder Europees durfkapitaalfonds dat hij beheert.

2.   De bewaarder is een instelling zoals bepaald in artikel 21 van Richtlijn 2011/61/EU.

3.   Teneinde een consistente toepassing van lid 1 te verzekeren, ontwikkelt ESMA ontwerpen van technische normen ter specificatie van de voorwaarden voor het uitvoeren van de bewaardersfunctie voor Europese durfkapitaalfondsen. ESMA dient binnen zes maanden volgende op de inwerkingtreding van deze verordening ontwerpen van technische normen in bij de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

Uitleg

Teneinde de investeerdersbescherming aan te scherpen, stelt de ECB voor specifiek te voorzien in de aanstelling van een bewaarder, zulks overeenkomstig het kader dat werd vastgesteld in Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s)  (8) en Richtlijn 2011/61/EU  (9). De hier voorgestelde vereenvoudigde regeling beoogt dat enige resulterende verplichting evenredig is aan de aard en de omvang van de fondsen.

Wijziging 4

Artikel 21, lid 1 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen

„1.   De bevoegde autoriteiten en de ESMA werken met elkaar samen wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun respectieve taken uit hoofde van deze verordening.”

„1.   De bevoegde autoriteiten en de ESMA werken met elkaar samen wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun respectieve taken uit hoofde van deze verordening en, indien van toepassing, met het Europees Comité voor systeemrisico’s.

Uitleg

Teneinde consistent te zijn met artikel 50 van Richtlijn 2011/61/EU, stelt de ECB voor dat het Europees Comité voor systeemrisico’s eveneens betrokken wordt bij de samenwerking tussen ESMA en de bevoegde autoriteiten, indien van toepassing.

Wijziging 5

Artikel 22, lid 2 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen

„2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de ESMA worden niet belet informatie uit te wisselen overeenkomstig deze verordening of andere uniale wetgeving die op durfkapitaalfondsbeheerders en in aanmerking komende durfkapitaalfondsen van toepassing is.”

„2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de ESMA worden niet belet informatie uit te wisselen overeenkomstig deze verordening of andere uniale wetgeving die op durfkapitaalfondsbeheerders en in aanmerking komende durfkapitaalfondsen van toepassing is, telkens indien noodzakelijk voor de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze verordening, dan wel voor de uitvoering van hun bevoegdheden uit hoofde van deze verordening of nationale wetgeving. De bevoegde autoriteiten communiceren informatie aan de centrale banken, met inbegrip van de Europese Centrale Bank en het Europees Comité voor systeemrisico’s, indien de uitvoering van hun taken zulks vereist.

Uitleg

Dit zou verzekeren dat centrale banken, waaronder de ECB, alsook het Europees Comité voor systeemrisico’s, op gepaste wijze informatie ontvangen voor de uitvoering van hun taken.


(1)  De wijzigingen aan de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen zijn, met de nodige verschillen, van toepassing op de equivalente bepalingen in de EuSEF-ontwerpverordening.

(2)  De vet gedrukte tekst geeft aan waar de Europese Centrale Bank (ECB) voorstelt om een nieuwe tekst toe te voegen.

(3)  Artikel 1, onder b) en onder c) en artikel 2, lid 1, onder b), sub iii) (PB L 86 van 24.3.2012, blz. 24).

(4)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1. Artikel 2, lid 1, onder i) en artikel 4, lid 1.

(5)  COM(2010) 484 definitief. Artikel 1, lid 1.

(6)  COM(2011) 452 definitief. Artikel 211, lid 1, artikel 240, lid 3, artikel 250, lid 1, onder d), artikel 256, lid 1, artikel 273, lid 4, artikel 321, lid 1 en 2 en artikel 335, lid 4.

(7)  Overweging 14 van de ontwerpverordening Europese durfkapitaalfondsen.

(8)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32. Artikel 22 tot en met 26 en artikel 32 tot en met 36.

(9)  Artikel 21.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/17


Wisselkoersen van de euro (1)

18 juni 2012

2012/C 175/06

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,2618

JPY

Japanse yen

99,75

DKK

Deense kroon

7,4324

GBP

Pond sterling

0,80600

SEK

Zweedse kroon

8,8412

CHF

Zwitserse frank

1,2010

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

7,5260

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

25,493

HUF

Hongaarse forint

292,60

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,6967

PLN

Poolse zloty

4,2807

RON

Roemeense leu

4,4670

TRY

Turkse lira

2,2883

AUD

Australische dollar

1,2519

CAD

Canadese dollar

1,2944

HKD

Hongkongse dollar

9,7914

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,5947

SGD

Singaporese dollar

1,6045

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 462,30

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

10,5249

CNY

Chinese yuan renminbi

8,0232

HRK

Kroatische kuna

7,5433

IDR

Indonesische roepia

11 874,30

MYR

Maleisische ringgit

3,9829

PHP

Filipijnse peso

53,412

RUB

Russische roebel

40,8300

THB

Thaise baht

39,709

BRL

Braziliaanse real

2,5868

MXN

Mexicaanse peso

17,5660

INR

Indiase roepie

70,6540


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/18


Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Aanbesteding met betrekking tot de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 175/07

Lidstaat

Spanje

Betrokken luchtroute

El Hierro–Gran Canaria, La Gomera–Gran Canaria, La Gomera–Tenerife Norte en Tenerife Sur–Gran Canaria

Geldigheidsduur van het contract

2 jaar vanaf het begin van de dienstverlening

Uiterste termijn voor het indienen van inschrijvingen

2 maanden na de datum van publicatie van deze mededeling

Adres waarop de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie over de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichtingen kunnen worden verkregen

Dirección General de Aviación Civil

Subdirección General de Transporte Aéreo

Tel. +34 915977505

Fax +34 915978643

E-mail: mmederos@fomento.es


V Adviezen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

Europese Commissie

19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/19


Bericht betreffende de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en een gedeeltelijke heropening van het antidumpingonderzoek betreffende bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

2012/C 175/08

Bij arrest van 22 maart 2012 in zaak C-338/10 heeft het Hof van Justitie Verordening (EG) nr. 1355/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (1) (de „definitieve antidumpingverordening” of „de betwiste verordening”) ongeldig verklaard.

Als gevolg van het arrest van 22 maart 2012 zijn op de invoer in de Europese Unie van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) niet langer de bij de betwiste verordening ingestelde antidumpingmaatregelen van toepassing.

1.   Informatie voor de douaneautoriteiten

Bijgevolg moeten de definitieve antidumpingrechten die overeenkomstig de betwiste verordening zijn betaald op de invoer in de Europese Unie van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) die momenteel vallen onder de GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en ex 2008 30 90 (TARIC-codes 2008309061, 2008309063, 2008309065, 2008309067, 2008309069), van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en de voorlopige rechten die overeenkomstig artikel 3 van de betwiste verordening definitief zijn geïnd, worden terugbetaald of kwijtgescholden. De terugbetaling of kwijtschelding moet overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving bij de nationale douaneautoriteiten worden aangevraagd.

Bovendien zijn op de invoer in de Europese Unie van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.), van oorsprong uit de Volksrepubliek China, niet langer de bij de betwiste verordening ingestelde antidumpingmaatregelen van toepassing.

2.   Gedeeltelijke heropening van het antidumpingonderzoek

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 22 maart 2012 Verordening (EG) nr. 1355/2008 ongeldig verklaard. Volgens het Hof van Justitie had de Europese Commissie („de Commissie”) niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd om de normale waarde aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie vast te stellen, zoals wordt voorgeschreven door artikel 2, lid 7, onder a), van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (2) („de basisverordening”).

Het Hof van Justitie en het Gerecht (3) erkennen dat, wanneer een procedure uit verschillende administratieve stappen bestaat, de nietigverklaring van een van deze stappen niet de nietigverklaring van de volledige procedure meebrengt. De antidumpingprocedure is een voorbeeld van een dergelijke uit verschillende stappen bestaande procedure. Bijgevolg houdt de nietigverklaring van delen van de definitieve antidumpingverordening niet de nietigverklaring van de gehele procedure vóór de vaststelling van de verordening in kwestie in. Verder zijn de instellingen van de Europese Unie overeenkomstig artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verplicht het arrest van het Hof van Justitie van 22 maart 2012 uit te voeren. Bijgevolg hebben de instellingen van de Unie bij de uitvoering van het arrest de mogelijkheid om alleen de aspecten van de betwiste verordening te corrigeren die tot de nietigverklaring ervan hebben geleid en de niet-betwiste delen waarop het arrest geen betrekking heeft ongewijzigd te laten (4). Er zij op gewezen dat alle andere bevindingen in de betwiste verordening die niet betwist werden binnen de hiervoor vastgestelde termijnen en derhalve niet door het Hof van Justitie en het Gerecht werden onderzocht en geen aanleiding hebben gegeven tot de nietigverklaring van de betwiste verordening, van kracht blijven. Deze conclusie is van overeenkomstige toepassing wanneer een verordening ongeldig is verklaard.

De Commissie heeft bijgevolg besloten om het antidumpingonderzoek betreffende de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, geopend overeenkomstig de basisverordening, te heropenen. De heropening is beperkt tot de uitvoering van het voornoemde arrest van het Hof van Justitie.

3.   Procedure

De Commissie heeft na raadpleging van het Raadgevend Comité besloten dat de gedeeltelijke heropening van het antidumpingonderzoek gerechtvaardigd is. Daarom gaat zij over tot gedeeltelijke heropening van het antidumpingonderzoek betreffende de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, dat op grond van artikel 5 van de basisverordening bij een in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd bericht werd geopend (5).

De heropening is beperkt tot de keuze van een eventueel referentieland en tot het vaststellen van de normale waarde, aan de hand waarvan de dumpingmarge moet worden berekend, op grond van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

Alle belanghebbenden worden uitgenodigd hun standpunt uiteen te zetten en informatie en bewijsmateriaal te verstrekken in verband met de beschikbaarheid van derde landen met een markteconomie die in aanmerking kunnen komen om overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening voor het vaststellen van de normale waarde te worden gebruikt, waaronder Israël, Swaziland, Turkije en Thailand. Deze informatie en het bewijsmateriaal moeten binnen de in punt 4, onder a), gestelde termijn in het bezit van de Commissie zijn.

Bovendien kan de Commissie belanghebbenden horen indien zij hierom verzoeken en kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen. Het verzoek moet binnen de in punt 4, onder b), gestelde termijn worden ingediend.

4.   Termijnen

a)   Zich kenbaar maken en verstrekken van informatie

Belanghebbenden die wensen dat bij het onderzoek met hun opmerkingen rekening wordt gehouden, moeten, tenzij anders vermeld, binnen twintig dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie contact met de Commissie opnemen, hun standpunt uiteenzetten en informatie verstrekken. De aandacht wordt erop gevestigd dat de meeste in de basisverordening vermelde procedurele rechten slechts kunnen worden uitgeoefend indien de betrokkene zich binnen de genoemde termijn bij de Commissie kenbaar maakt.

b)   Aanvragen van een hoorzitting

Binnen dezelfde termijn van twintig dagen kunnen belanghebbenden ook vragen door de Commissie te worden gehoord.

5.   Schriftelijke opmerkingen en correspondentie

Alle opmerkingen en verzoeken moeten schriftelijk (niet elektronisch, tenzij anders vermeld) worden toegezonden met opgave van naam, adres, e-mailadres en telefoon- en faxnummer van de belanghebbende. Alle schriftelijke opmerkingen, met inbegrip van de in dit bericht gevraagde informatie en correspondentie, die door de belanghebbenden op vertrouwelijke basis worden verstrekt, moeten zijn voorzien van de vermelding „Limited” (6) en moeten, overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de basisverordening, vergezeld gaan van een niet-vertrouwelijke versie waarop is vermeld „For inspection by interested parties”.

Correspondentieadres van de Commissie:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Kamer: N105 04/092

1049 Brussel

BELGIË

Fax +32 22956505

6.   Niet-medewerking

Indien een belanghebbende geen toegang verleent tot de nodige gegevens, deze niet binnen de vastgestelde termijn verstrekt dan wel het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken.

Wanneer blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt, wordt deze buiten beschouwing gelaten en kan overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening gebruik worden gemaakt van de beschikbare gegevens. Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent en gebruik wordt gemaakt van de beschikbare gegevens, kunnen de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan wanneer hij wel medewerking had verleend.

7.   Verwerking van persoonsgegevens

Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (7).

8.   Raadadviseur-auditeur

Indien belanghebbenden van mening zijn dat zij bij de uitoefening van hun recht van verweer moeilijkheden ondervinden, kunnen zij vragen dat de raadadviseur-auditeur van DG Handel wordt ingeschakeld. Hij fungeert als tussenpersoon tussen de belanghebbenden en de diensten van de Commissie en kan zo nodig aanbieden te bemiddelen in procedurele kwesties aangaande de bescherming van de belangen van de belanghebbenden tijdens de procedure, met name voor kwesties inzake toegang tot het dossier, vertrouwelijkheid, verlenging van termijnen en behandeling van schriftelijke en/of mondelinge opmerkingen. Belanghebbenden die contact willen opnemen, vinden de nodige gegevens en nadere informatie op de webpagina's van de raadadviseur-auditeur op de website van DG Handel: (http://ec.europa.eu/trade/tackling-unfair-trade/hearing-officer/index_en.htm).


(1)  PB L 350 van 30.12.2008, blz. 35.

(2)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(3)  Zaak T-2/95, Industrie des poudres sphériques (IPS)/Raad, (1998) Jurispr. II-3939.

(4)  Zaak C-458/98 P, Industrie des poudres sphériques (IPS)/Raad, (2000) Jurispr. I-8147.

(5)  PB C 246 van 20.10.2007, blz. 15.

(6)  Dit betekent dat het document uitsluitend voor intern gebruik bestemd is. Het document is beschermd krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43). Het document is vertrouwelijk in de zin van artikel 19 van de basisverordening en artikel 6 van de WTO-overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (Antidumpingovereenkomst).

(7)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/22


Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand

2012/C 175/09

Na de bekendmaking van een bericht (1) dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand („het betrokken land”) op korte termijn zouden vervallen, heeft de Europese Commissie („de Commissie”) op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (2) („de basisverordening”) een verzoek om een nieuw onderzoek ontvangen.

1.   Verzoek om een nieuw onderzoek

Het verzoek is op 19 maart 2012 ingediend door de Association Européenne des Transformateurs de Maïs Doux (AETMD) („de indiener van het verzoek”) namens producenten in de Unie die samen een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de productie van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels in de Unie voor hun rekening nemen.

2.   Onderzocht product

Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, niet bevroren, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2001 90 30, en suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2005 80 00, van oorsprong uit Thailand („het onderzochte product”).

3.   Bestaande maatregelen

Momenteel is een bij Verordening (EG) nr. 682/2007 (3) van de Raad ingesteld definitief antidumpingrecht van toepassing.

4.   Motivering van het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen

Het verzoek werd ingediend omdat gevreesd werd dat het vervallen van de maatregelen zou leiden tot voortzetting van de dumping en herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Unie.

4.1.    Bewering dat voortzetting van de dumping waarschijnlijk is

De bewering dat voortzetting van dumping waarschijnlijk is, is gebaseerd op een vergelijking van de berekende normale waarde (productiekosten, verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten en winst) in Thailand met de prijs (af fabriek) van het onderzochte product bij uitvoer naar de Unie.

De aldus berekende dumpingmarge is aanzienlijk.

4.2.    Bewering dat waarschijnlijk opnieuw schade zal worden veroorzaakt

Volgens de indiener van het verzoek zal waarschijnlijk opnieuw schade veroorzakende dumping plaatsvinden. De indiener van het verzoek heeft bewijsmateriaal voorgelegd waaruit blijkt dat de invoer van het onderzochte product bij het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk in omvang zal toenemen aangezien de productie in het betrokken land gemakkelijk kan worden verhoogd en de markt van de Unie erg aantrekkelijk is door de in vergelijking met de markten van bepaalde derde landen hogere prijzen die op deze markt kunnen worden verkregen. Beide factoren kunnen ertoe leiden dat de uitvoer naar andere derde landen wordt verlegd naar de Unie.

De indiener van het verzoek beweert ten slotte dat het vooral dankzij de antidumpingmaatregelen is dat de bedrijfstak van de Unie geen schade meer lijdt. Indien de maatregelen vervallen en het betrokken product weer in grote hoeveelheden tegen dumpingprijzen uit het betrokken land wordt ingevoerd, zal de bedrijfstak van de Unie waarschijnlijk opnieuw schade lijden.

5.   Procedure

Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie is gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure voor een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen in te leiden, opent zij hierbij overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening een nieuw onderzoek.

Bij het onderzoek zal worden vastgesteld of voortzetting of herhaling van dumping en schade bij het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk is.

5.1.    Procedure om vast te stellen of voortzetting van dumping waarschijnlijk is

5.1.1.   Onderzoek van producenten-exporteurs

Producenten-exporteurs (4) van het onderzochte product uit het betrokken land wordt verzocht aan dit nieuwe onderzoek mee te werken.

Gezien het potentieel grote aantal bij deze procedure betrokken producenten-exporteurs in Thailand kan de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijn te kunnen afronden, haar onderzoek tot een redelijk aantal producenten-exporteurs beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef zal overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening worden samengesteld.

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle producenten-exporteurs of hun vertegenwoordigers verzocht contact met de Commissie op te nemen. Zij moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen en de Commissie de in bijlage A bij dit bericht gevraagde informatie over hun onderneming of ondernemingen verstrekken.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van producenten-exporteurs nodig acht, zal de Commissie bovendien contact opnemen met de Thaise autoriteiten en met alle bekende verenigingen van producenten-exporteurs.

Belanghebbenden die behalve de bovenvermelde informatie nog andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.

Indien een steekproef noodzakelijk is, kunnen de producenten-exporteurs worden geselecteerd op basis van het grootste representatieve uitvoervolume van het onderzochte product naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De Commissie zal alle haar bekende producenten-exporteurs, de autoriteiten van het betrokken land en de verenigingen van producenten-exporteurs indien nodig via de autoriteiten van het betrokken land mededelen welke ondernemingen voor de steekproef zijn geselecteerd.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot producenten-exporteurs nodig acht, zal de Commissie vragenlijsten toezenden aan de voor de steekproef geselecteerde producenten-exporteurs, aan de haar bekende verenigingen van producenten-exporteurs en aan de autoriteiten van het betrokken land.

Alle voor de steekproef geselecteerde producenten-exporteurs moeten, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef een ingevulde vragenlijst indienen.

In de vragenlijst dienen zij informatie te verstrekken over onder andere de structuur van hun onderneming(en), de activiteiten van hun onderneming(en) met betrekking tot het onderzochte product, de productiekosten, de verkoop van het onderzochte product op de binnenlandse markt van het betrokken land en de uitvoer van het onderzochte product naar de Unie.

Ondernemingen die hebben ingestemd met opname in de steekproef maar uiteindelijk niet worden geselecteerd, zullen worden geacht mee te werken („niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs”).

5.1.2.   Onderzoek van niet-verbonden importeurs  (5)  (6)

Niet-verbonden importeurs die het onderzochte product uit Thailand in de EU invoeren, wordt verzocht aan dit onderzoek mee te werken.

Gezien het potentieel grote aantal bij deze procedure betrokken niet-verbonden importeurs kan de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijn te kunnen afronden, haar onderzoek tot een redelijk aantal niet-verbonden importeurs beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef zal overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening worden samengesteld.

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle niet-verbonden importeurs of hun vertegenwoordigers verzocht contact met de Commissie op te nemen. Zij moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen en de Commissie de in bijlage B bij dit bericht gevraagde informatie over hun onderneming of ondernemingen verstrekken.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van niet-verbonden importeurs nodig acht, kan de Commissie ook contact opnemen met de haar bekende verenigingen van importeurs.

Belanghebbenden die behalve de bovenvermelde informatie nog andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.

Indien een steekproef noodzakelijk is, kunnen de importeurs worden geselecteerd op basis van het grootste representatieve verkoopvolume van het onderzochte product in de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De Commissie zal alle haar bekende niet-verbonden importeurs en verenigingen van importeurs meedelen welke ondernemingen voor de steekproef zijn geselecteerd.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, zal de Commissie vragenlijsten toezenden aan de in de steekproef opgenomen niet-verbonden importeurs en aan alle haar bekende verenigingen van importeurs. Deze partijen moeten, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef een ingevulde vragenlijst indienen.

In de vragenlijst dienen zij informatie te verstrekken over onder andere de structuur van hun onderneming(en), de activiteiten van hun onderneming(en) met betrekking tot het onderzochte product en de verkoop van het onderzochte product.

5.2.    Procedure voor het vaststellen van de waarschijnlijkheid van herhaling van schade en voor het onderzoek van producenten in de Unie

Om vast te stellen of het waarschijnlijk is dat de bedrijfstak van de Unie opnieuw schade zal ondervinden, worden de producenten van het onderzochte product in de Unie uitgenodigd aan het onderzoek van de Commissie deel te nemen.

Gezien het grote aantal bij deze procedure betrokken producenten in de Unie heeft de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijn te kunnen afronden, besloten haar onderzoek tot een redelijk aantal producenten in de Unie te beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef wordt overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening uitgevoerd.

De Commissie heeft een voorlopige steekproef van producenten in de Unie samengesteld. Belanghebbenden vinden nadere details in het dossier. Belanghebbenden wordt verzocht het dossier te raadplegen (de contactgegevens van de Commissie zijn opgenomen in punt 5.6.). Andere producenten in de Unie of hun vertegenwoordigers die vinden dat er redenen zijn waarom zij in de steekproef zouden moeten worden opgenomen, moeten uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie contact met de Commissie opnemen.

Belanghebbenden die andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dit, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.

De Commissie zal alle haar bekende producenten in de Unie en/of verenigingen van producenten in de Unie mededelen welke ondernemingen uiteindelijk voor de steekproef zijn geselecteerd.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, zal de Commissie vragenlijsten toezenden aan de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en aan alle haar bekende verenigingen van producenten in de Unie. Deze partijen moeten, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef een ingevulde vragenlijst indienen.

In de vragenlijst dienen zij informatie te verstrekken over onder andere de structuur van hun onderneming(en), de financiële situatie van hun onderneming(en), de activiteiten van hun onderneming(en) met betrekking tot het onderzochte product, de productiekosten en de verkoop van het onderzochte product.

5.3.    Procedure voor het beoordelen van het belang van de Unie

Indien wordt vastgesteld dat het waarschijnlijk is dat de dumping zal worden voortgezet en dat er opnieuw schade zal worden veroorzaakt, zal uit hoofde van artikel 21 van de basisverordening een beslissing genomen worden over de vraag of het handhaven van de antidumpingmaatregelen niet in strijd is met het belang van de Unie. Producenten in de Unie, importeurs en hun representatieve verenigingen, gebruikers en hun representatieve verenigingen, en representatieve consumentenorganisaties wordt verzocht contact op te nemen binnen 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie, tenzij anders aangegeven. Om aan het onderzoek deel te nemen, moeten de representatieve consumentenorganisaties binnen dezelfde termijn aantonen dat er een objectieve band is tussen hun activiteiten en het onderzochte product.

Partijen die binnen de genoemde termijn contact opnemen, kunnen de Commissie binnen 37 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie, tenzij anders aangegeven, informatie verstrekken over het belang van de Unie. Zij kunnen deze informatie vormvrij opstellen of een vragenlijst van de Commissie invullen. Met informatie die op grond van artikel 21 wordt verstrekt, wordt alleen rekening gehouden indien daarbij tegelijkertijd het nodige bewijsmateriaal is gevoegd.

5.4.    Andere schriftelijke opmerkingen

Alle belanghebbenden worden hierbij uitgenodigd om onder de voorwaarden van dit bericht hun standpunt kenbaar te maken en informatie en bewijsmateriaal in te dienen. Tenzij anders aangegeven, moeten deze informatie en het bewijsmateriaal uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie in het bezit van de Commissie zijn.

5.5.    Mogelijkheid om door de onderzoeksdiensten van de Commissie te worden gehoord

Alle belanghebbenden kunnen een verzoek indienen om door de onderzoeksdiensten van de Commissie te worden gehoord. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. Een verzoek om een hoorzitting over zaken die betrekking hebben op het beginstadium van het onderzoek, moet uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend. Voor een verzoek betreffende de latere stadia van het onderzoek gelden de termijnen die de Commissie in haar correspondentie met de partijen vermeldt.

5.6.    Instructies voor schriftelijke opmerkingen en de verzending van ingevulde vragenlijsten en correspondentie

Alle schriftelijke opmerkingen, met inbegrip van de in dit bericht gevraagde informatie, ingevulde vragenlijsten en correspondentie waarvoor om een vertrouwelijke behandeling wordt verzocht, moeten zijn voorzien van de vermelding „Limited” (7).

Belanghebbenden die informatie met de vermelding „Limited” verstrekken, moeten hiervan krachtens artikel 19, lid 2, van de basisverordening een niet-vertrouwelijke samenvatting indienen, voorzien van de vermelding „For inspection by interested parties”. Deze samenvatting moet gedetailleerd genoeg zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de essentie van de als vertrouwelijk verstrekte gegevens. Als een belanghebbende die vertrouwelijke informatie verstrekt, geen niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan verstrekt met de vereiste vorm en kwaliteit, kan deze vertrouwelijke informatie buiten beschouwing worden gelaten.

Belanghebbenden moeten alle opmerkingen en verzoeken elektronisch (niet-vertrouwelijke via e-mail, vertrouwelijke op cd-r/dvd) indienen onder opgave van naam, adres, e-mailadres, telefoon- en faxnummer van de belanghebbende. Volmachten en ondertekende certificaten, die bij de antwoorden op de vragenlijst worden gevoegd, alsmede bijwerkingen daarvan moeten echter op papier, per post of in persoon, op onderstaand adres worden ingediend. Als een belanghebbende niet in staat is zijn opmerkingen en verzoeken elektronisch in te dienen, moet hij de Commissie daarvan overeenkomstig artikel 18, lid 2, van de basisverordening onmiddellijk op de hoogte brengen. Nadere informatie betreffende de correspondentie met de Commissie vinden belanghebbenden op de volgende pagina van de website van het directoraat-generaal Handel: http://ec.europa.eu/trade/tackling-unfair-trade/trade-defence

Correspondentieadres van de Commissie:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Kamer: N105 04/092

1049 Brussel

BELGIË

Fax +32 22969307

E-mail: Trade-R552-sweetcorn-dumping@ec.europa.eu

(voor producenten-exporteurs, verbonden importeurs, verenigingen en vertegenwoordigers van Thailand), en

Trade-R552-sweetcorn-injury@ec.europa.eu

(voor producenten in de Unie, niet-verbonden importeurs, gebruikers, consumenten, verenigingen in de Unie)

6.   Niet-medewerking

Wanneer belanghebbenden geen toegang tot de nodige gegevens verlenen, deze niet binnen de gestelde termijn verstrekken of het onderzoek ernstig belemmeren, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening voorlopige of definitieve conclusies worden getrokken op basis van de beschikbare gegevens, zowel in positieve als in negatieve zin.

Wanneer blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, kunnen deze buiten beschouwing worden gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt.

Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent en de bevindingen daarom overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens worden gebaseerd, kunnen de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij wel medewerking had verleend.

7.   Raadadviseur-auditeur

Belanghebbenden kunnen erom vragen dat de raadadviseur-auditeur van het directoraat-generaal Handel wordt ingeschakeld. De raadadviseur-auditeur fungeert als tussenpersoon tussen de belanghebbenden en de onderzoeksdiensten van de Commissie. Hij behandelt verzoeken om toegang tot het dossier, geschillen over de vertrouwelijkheid van documenten, verzoeken om termijnverlenging en verzoeken van derden om te worden gehoord. De raadadviseur-auditeur kan een hoorzitting met een individuele belanghebbende houden en als bemiddelaar optreden om te garanderen dat de belanghebbenden hun recht van verweer ten volle kunnen uitoefenen.

Een verzoek om door de raadadviseur-auditeur te worden gehoord moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. Een verzoek om een hoorzitting over zaken die betrekking hebben op het beginstadium van het onderzoek, moet uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend. Daarna moet een verzoek om te worden gehoord, worden ingediend binnen de specifieke termijnen die de Commissie in haar correspondentie met de partijen heeft vastgesteld.

De raadadviseur-auditeur kan ook een hoorzitting voor belanghebbenden organiseren waar uiteenlopende standpunten en tegenargumenten naar voren kunnen worden gebracht met betrekking tot kwesties in verband met onder andere de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping en herhaling van schade, en het belang van de Unie.

Belanghebbenden die contact willen opnemen, vinden de nodige gegevens en nadere informatie op de webpagina's van de raadadviseur-auditeur op de website van DG Handel: http://ec.europa.eu/trade/tackling-unfair-trade/hearing-officer/index_en.htm

8.   Tijdschema voor het onderzoek

Het onderzoek wordt overeenkomstig artikel 11, lid 5, van de basisverordening binnen 15 maanden na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie afgesloten.

9.   Verzoek om een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening

Aangezien dit nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen wordt geopend overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening, kunnen de bestaande maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 6, van de basisverordening naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek worden ingetrokken of gehandhaafd, maar niet worden gewijzigd.

Belanghebbenden die van oordeel zijn dat het niveau van de maatregelen opnieuw moet worden onderzocht zodat het kan worden gewijzigd (d.w.z. verhoogd of verlaagd), kunnen een verzoek om een nieuw onderzoek indienen op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening.

Zij moeten daartoe contact opnemen met de Commissie op het bovenstaande adres. Een dergelijk onderzoek zal onafhankelijk van het in dit bericht aangekondigde onderzoek worden uitgevoerd.

10.   Verwerking van persoonsgegevens

Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (8).


(1)  PB C 258 van 2.9.2011, blz. 11.

(2)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(3)  PB L 159 van 20.6.2007, blz. 14.

(4)  Onder producent-exporteur wordt verstaan een onderneming uit het betrokken land die het onderzochte product vervaardigt en naar de markt van de Unie uitvoert, hetzij rechtstreeks hetzij via derden, met inbegrip van verbonden ondernemingen die betrokken zijn bij de productie, binnenlandse verkoop of uitvoer van het onderzochte product.

(5)  Uitsluitend importeurs die niet verbonden zijn met de producenten-exporteurs mogen in de steekproef worden opgenomen. Importeurs die met producenten-exporteurs verbonden zijn, moeten bijlage I bij de vragenlijst voor deze producenten-exporteurs invullen. Overeenkomstig artikel 143 van Verordening (EG) nr. 2454/93 van de Commissie houdende bepalingen ter uitvoering van het communautaire douanewetboek worden personen slechts geacht te zijn verbonden indien: a) zij functionaris of directeur zijn van elkaars zaken; b) zij door de wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden; c) zij werkgever en werknemer zijn; d) enig persoon, hetzij rechtstreeks of zijdelings, 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of aandelen van beiden bezit, controleert of houdt; e) één van hen de ander, rechtstreeks of zijdelings, controleert; f) beiden, rechtstreeks of zijdelings, worden gecontroleerd door een derde persoon; g) zij samen, rechtstreeks of zijdelings, een derde persoon controleren; of h) zij behoren tot dezelfde familie. Personen worden slechts geacht leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijzen met elkaar bloed- of aanverwant zijn: i) echtgenoot en echtgenote, ii) ouder en kind, iii) broers en zusters (of halfbroers en halfzusters), iv) grootouder en kleinkind, v) oom of tante en neef of nicht (oomzeggers), vi) schoonouder en schoondochter of schoonzoon, vii) zwagers en schoonzusters (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1). In deze context worden onder personen zowel natuurlijke als rechtspersonen verstaan.

(6)  Gegevens die door niet-verbonden importeurs zijn verstrekt, mogen ook worden gebruikt voor andere aspecten van dit onderzoek dan het vaststellen van dumping.

(7)  Een „Limited”-document wordt als vertrouwelijk in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51) en artikel 6 van de WTO-Overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (Antidumpingovereenkomst) beschouwd. Het is ook een beschermd document krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(8)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


BIJLAGE A

Image

Image


BIJLAGE B

Image

Image


PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/31


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.6631 — Permira Europe III/Telepizza)

Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 175/10

1.

Op 11 juni 2012 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Permira Europe III Fund („PE III”, Verenigd Koninkrijk), die onder de uiteindelijke zeggenschap staat van Permira Holdings Limited, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de EG-concentratieverordening de volledige zeggenschap verkrijgt over Telepizza, SA („Telepizza”, Spanje) door de verwerving van aandelen.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

PE III: particuliere participatiemaatschappij,

Telepizza: actief in de restaurantsector in Spanje, Portugal en Polen; staat momenteel onder de gezamenlijke zeggenschap van PE III en Carbal, SA.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van de EG-concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens de EG-concentratieverordening (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per faxbericht (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer COMP/M.6631 — Permira Europe III/Telepizza, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (de „EG-concentratieverordening”).

(2)  PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32 („mededeling betreffende een vereenvoudigde procedure”).


19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/32


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.6561 — Cytec Industries/Umeco)

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 175/11

1.

Op 11 juni 2012 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 en na een verwijzing in het kader van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Cytec Industries Inc., („Cytec”, Verenigde Staten) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de EG-concentratieverordening de volledige zeggenschap verkrijgt over Umeco plc („Umeco”, Verenigd Koninkrijk) door een openbaar bod dat op 12 april 2012 is aangekondigd.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

Cytec: vervaardiging en levering van speciale chemicaliën en materialen, met name geavanceerde composietmaterialen, voor verschillende bedrijfstakken,

Umeco: vervaardiging en levering van geavanceerde composiet- en procesmaterialen, hoofdzakelijk voor de lucht- en ruimtevaart en defensie, de industrie, de automobiel- en de recreatiesector.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de EG-concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per faxbericht (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer COMP/M.6561 — Cytec Industries/Umeco, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (de „EG-concentratieverordening”).


19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/33


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.6616 — Lion Capital/Alain Afflelou Group)

Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 175/12

1.

Op 11 juni 2012 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Lion/Seneca France 2 („LF2”, Frankrijk), die onder de uiteindelijke zeggenschap staat van Lion Capital LLP („Lion Capital”, Verenigd Koninkrijk), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de EG-concentratieverordening de uitsluitende zeggenschap verkrijgt over de gehele onderneming 3 AB Optique Developpement („3ABOD”, Frankrijk) door de verwerving van effecten.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

Lion Capital: particuliere participatiemaatschappij die zich toespitst op investeringen in ondernemingen die zich bezighouden met de productie en/of verkoop van merkartikelen,

3ABOD: uiteindelijke moederonderneming van Alain Afflelou Group die zich bezighoudt met de distributie van optische producten via een nationaal en internationaal netwerk van kleinhandelszaken (zowel eigen zaken als franchisebedrijven).

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van de EG-concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens de EG-concentratieverordening (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per faxbericht (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer COMP/M.6616 — Lion Capital/Alain Afflelou Group, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (de „EG-concentratieverordening”).

(2)  PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32 („mededeling betreffende een vereenvoudigde procedure”).


19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/34


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.6490 — EADS/Israel Aerospace Industries/JV)

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 175/13

1.

Op 11 juni 2012 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat European Advanced Technology SA („EAT”, België), die onder zeggenschap staat van Israel Aerospace Industries Ltd. („IAI”, Israël), en Airbus Invest S.A.S. (Frankrijk), die onder zeggenschap staat van de European Aeronautic Defence and Space Company N.V. („EADS”, Nederland), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de EG-concentratieverordening de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over een nieuw opgerichte gemeenschappelijke onderneming („JV”, België) door de verwerving van aandelen.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

EADS: onderzoek naar, ontwerp, ontwikkeling, vervaardiging, wijziging, verkoop en onderhoud van civiele en militaire vliegtuigen, geleide wapens, satellieten, onbemande vliegtuigen, ruimtevaartuigen, elektronica en telecommunicatieapparatuur,

Airbus: ontwikkeling, vervaardiging en verkoop van civiele en militaire vliegtuigen,

IAI: onderzoek naar, ontwikkeling, ontwerp, vervaardiging en verhandeling van hoofdzakelijk raket- en ruimtesystemen, militaire en civiele vliegtuigen, militaire elektronica en onderhoud van vliegtuigen en andere aanverwante diensten,

EAT: belangen in de lucht- en ruimtevaart, defensie en aanverwante sectoren,

JV: ontwikkeling, vervaardiging en verhandeling van pilootgestuurde semi-gerobotiseerde trekkers voor commerciële vliegtuigen.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de EG-concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per faxbericht (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer COMP/M.6490 — EADS/Israel Aerospace Industries/JV, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (de „EG-concentratieverordening”).


ANDERE HANDELINGEN

Europese Commissie

19.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/35


Bekendmaking van een aanvraag overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen

2012/C 175/14

Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag. Bezwaarschriften moeten de Commissie bereiken binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van deze bekendmaking.

ENIG DOCUMENT

VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD

„PASAS DE MÁLAGA”

EG-nummer: ES-PDO-0005-0849-24.01.2011

BGA ( ) BOB (X)

1.   Naam:

„Pasas de Málaga”

2.   Lidstaat of derde land:

Spanje

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel:

3.1.   Productcategorie:

Categorie 1.6 —

Fruit, groenten en granen, vers of verwerkt

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is:

Omschrijving

De traditionele „Pasas de Málaga” worden verkregen door rijpe vruchten van het ras Muskaat van Alexandrië van de soort Vitis vinifera L., ook wel bekend onder de namen Moscatel Gordo of Moscatel de Málaga, te laten drogen in de zon.

Fysieke kenmerken

Grootte: volgens de norm voor de beschrijving van Vitis-rassen en -soorten van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV) wordt de grootte van de druif uitgedrukt op basis van de volgende gradatie: 1 = zeer klein, 3 = klein, 5 = middelgroot, 7 = groot en 9 = zeer groot; aangezien het ras Muskaat van Alexandrië geklasseerd is in categorie 7 („groot”), betreft het een grote droge druif.

Kleur: zwartpaars, effen

Vorm: rond

De druif kan een steeltje bevatten als de druiven handmatig worden afgerist.

Dikte van de schil: Overeenkomstig de norm van de OIV wordt de dikte van de schil uitgedrukt op basis van de volgende gradatie: 1 = zeer dun, 3 = dun, 5 = gemiddeld, 7 = dik en 9 = zeer dik; het ras Muskaat van Alexandrië is geklasseerd in categorie 5 („gemiddeld”). Daarom, en aangezien de gedroogde vrucht wordt verkregen zonder dat deze een verwerking heeft ondergaan die de schil beschadigt, is de schil van een gemiddelde dikte.

Chemische kenmerken

De hoeveelheid water in rozijnen is lager dan 35 %. De hoeveelheid suiker is hoger dan 50 massaprocent.

De zuurgraad ligt tussen 1,2 en 1,7 % wijnsteenzuur.

de pH ligt tussen 3,5 en 4,5.

Oplosbare droge stof: hoger dan 65 °Brix.

Smaakeigenschappen

Rozijnen behouden de smaak van de muskaatdruif waaruit ze worden verkregen. Overeenkomstig de norm van de OIV wordt de bijzondere smaak uitgedrukt op basis van de volgende schaal: 1 = geen, 2 = muskaatdruivensmaak, 3 = zurige smaak, 4 = kruidige smaak, 5 = andere smaak; het ras Muskaat van Alexandrië wordt geklasseerd in categorie 2 en wordt door de OIV juist als referentie gebruikt voor deze smaakcategorie.

De smaak van de muskaatdruif wordt versterkt door een intense nasmaak waarin diverse terpineolen te onderscheiden zijn: a-terpineol (aromatische kruiden), linalool (roos), geraniol (geranium) en b-citronellol (citrusvruchten).

De zuurgraad, die in de hierboven genoemde categorie valt, draagt bij aan een bijzonder evenwicht tussen zuur en zoet.

Vanwege de middelgrote vorm, de hoeveelheid water en de Brix-graad die typerend zijn, is deze rozijn elastisch, voelt deze soepel aan en is het vruchtvlees stevig en sappig in de mond. Het mondgevoel van deze rozijn is dus juist niet droog en weinig elastisch zoals gewoonlijk bij gedroogde vruchten.

3.3.   Grondstoffen (alleen voor verwerkte producten):

Rijpe vruchten van Vitis vinifera L., ras Muskaat van Alexandrië, ook wel bekend onder de namen Moscatel Gordo of Moscatel de Malaga.

3.4.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong):

3.5.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden:

De productie en de conditionering moeten plaatsvinden in het in punt 4 omschreven geografische gebied.

Het productieproces begint met het plukken of oogsten van de gezonde druiven, wat nooit plaatsvindt voordat deze de fenologische fase van „rijping” hebben bereikt (Baggiolini, 1952). Beschadigde of zieke druiven en druiven die op de grond zijn gevallen, worden verwijderd.

De volgende fase is het drogen van de druiven door de druiventrossen rechtstreeks bloot te stellen aan het zonlicht. Machinaal drogen is verboden. Het drogen wordt handmatig gedaan en vereist dagelijks toezicht van de landbouwer, die de drogende druiventrossen moet omdraaien om ervoor te zorgen dat de druiven gelijkmatig drogen.

Nadat de druiventrossen zijn gedroogd, kunnen ze worden afgerist volgens een proces dat „picado” wordt genoemd, dat ofwel handmatig plaatsvindt met een schaar van een speciale vorm en grootte om de afgeriste druiven niet te beschadigen, ofwel mechanisch met afristmachines.

Na het drogingsproces worden de al dan niet afgeriste druiven verder verwerkt door de productiebedrijven, die volgens de volgende fasen de rozijnen vervaardigen voor de verkoop in verpakkingen:

ontvangst en verzameling van door de druivenkwekers/producenten geleverde rozijnen;

afristing, voor zover dit proces niet door de druivenkweker zelf is uitgevoerd;

klassering op basis van de gemiddelde grootte van de druiven, gemeten op basis van het aantal rozijnen per 100 gram;

verpakking, te weten de vervaardiging van de uitgaande partijen op basis van het vooraf geklasseerde en opgeslagen product, voor zover het eindproduct minder dan 80 rozijnen per 100 gram nettogewicht bevat;

conditionering: deze handeling vindt handmatig of mechanisch plaats en vormt de laatste fase van het proces. Conditionering draagt op cruciale wijze bij aan de instandhouding op termijn van de kwalitatieve eigenschappen van de rozijnen die deze benaming dragen. De enige manier om het delicate, voor het product zo kenmerkende vochtigheidsevenwicht in stand te houden is namelijk door het af te sluiten voor de omgevingslucht in schone, luchtdichte verpakkingen.

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken, enz.:

3.7.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering:

Naast de beschermde oorsprongsbenaming moeten op het etiket de volgende gegevens worden vermeld:

de verkoopsbenaming van het product: in dit geval moet de aanduiding „Pasas de Málaga” duidelijk worden vermeld, gevolgd door de vermelding „Denominación de Origen” (oorsprongsbenaming) direct eronder.

het nettogewicht in kilogram (kg) of in gram (g),

de datum van minimale houdbaarheid,

de naam, de bedrijfsnaam of de benaming van de fabrikant of verwerker en, in ieder geval, zijn adres,

de partij.

De verkoopsbenaming, het nettogewicht en de houdbaarheidsdatum moeten op dezelfde plaats worden vermeld.

In elk geval moeten de verplichte vermeldingen eenvoudig te begrijpen zijn en afzonderlijk worden vermeld, zodat ze eenvoudig zichtbaar, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. Ze mogen in geen geval verborgen of bedekt zijn of door andere aanduidingen of afbeeldingen worden gescheiden.

Alle verpakkingen worden voorzien van een etiket met het logo van de oorsprongsbenaming, de vermeldingen „Denominación de Origen Protegida” en „Pasas de Málaga” en een unieke code voor elke verpakking.

4.   Beknopte omschrijving van de afbakening van het geografische gebied:

Locatie:

Land: SPANJE

Autonome gemeenschap: ANDALUSIË

Provincie: MÁLAGA

De provincie Málaga telt meerdere druiventeeltgebieden verspreid over het hele grondgebied. In twee van deze gebieden zijn de druiven van oudsher grotendeels bestemd voor de productie van rozijnen. Het belangrijkste gebied is de natuurlijke regio Axarquía in het oosten van de provincie, ten oosten van de hoofdstad. Het andere gebied bevindt zich in het uiterste westen van de kuststreek van Málaga. Het geografisch afgebakende gebied van de beschermde oorsprongsaanduiding bestaat uit de onderstaande gemeenten.

Gemeenten:

AXARQUÍA

Alcaucín

Alfarnate

Alfarnatejo

Algarrobo

Almáchar

Árchez

Arenas

Benamargosa

Benamocarra

El Borge

Canillas de Acietuno

Canillas de Albaida

Colmenar

Comares

Cómpeta

Cútar

Frigiliana

Iznate

Macharaviaya

Málaga

Moclinejo

Nerja

Periana

Rincón de la Victoria

Riogordo

Salares

Sayalonga

Sedella

Torrox

Totalán

Vélez Málaga

Viñuela

MANILVA

Casares

Manilva

Estepona

5.   Verband met het geografische gebied:

5.1.   Specificiteit van het geografische gebied:

De verwijzingen naar het verband tussen de druiventeelt en het geografisch gebied zijn oud, en nog steeds wordt naar dit verband verwezen. In zijn werk „Naturalis Historia” verwijst Plinius de Oudere (1e eeuw na Christus) al naar het bestaan van druivenstokken in Málaga. Onder de dynastie van de Nasriden (8ste tot 15de eeuw) wordt de landbouwproductie sterk aangemoedigd, met name de vervaardiging van rozijnen. Tot het eind van de 19e eeuw zijn de economische omstandigheden gunstig voor de druiventeelt, totdat een combinatie van factoren in de handel en de toestand van de druivenstokken, met name de invasie van de druifluis (Viteus vitifoliae, Fitch) leidt tot ineenstorting van de sector en de versnippering van het druiventeeltgebied over de hele provincie. In twee van deze gebieden zijn de druiven van oudsher grotendeels bestemd voor de productie van rozijnen. De overeenkomsten van deze twee productiegebieden zijn enerzijds hun zuidelijke ligging binnen de provincie met de Middellandse Zee als begrenzing, waarmee ze tot de subtropische subcategorie van het mediterrane klimaat behoren, en anderzijds de abrupte hoogteverschillen die typerend zijn voor de geografie van de provincie Málaga. Hoewel het druiventeeltgebied dat bestemd is voor de productie van rozijnen tegenwoordig niet meer zo groot is als voor de druifluisepidemie, speelt de rozijnenproductie nog steeds een belangrijke rol in de economie en de sociaalculturele omgeving van een groot deel van de provincie Málaga, aangezien 1 800 landbouwers betrokken zijn bij de productie, die zich verspreidt over 35 gemeenten van de provincie en een oppervlakte van 2 200 ha.

De eigenschappen van het eindproduct dat bekend staat als „Pasas de Málaga” wordt grotendeels bepaald door de geografische omgeving. De abrupte hoogteverschillen vormen een van de kenmerken van het geografisch gebied: het landschap ziet eruit als een opeenvolging van heuvels en dalen met een hellingsgraad van meer dan 30 %. Het gebied, dat in het noorden wordt begrensd door een hoge bergketen en in het zuiden door de Middellandse Zee, bestaat uit een opeenvolging van bergkloven en dalen die een zeer karakteristiek landschap vormen met steile hellingen, waardoor de streek Axarquía als geheel lijkt op een helling die de zee in loopt. De streek Manilva kenmerkt zich door de nabijheid van de zee ten opzichte van de druivenstokken en door het meer glooiende reliëf vergeleken met Axarquía.

De bodem van het gebied is hoofdzakelijk leisteenhoudend, arm, ondiep en zeer waterdoorlatend. De productiezone heeft een subtropisch mediterraan klimaat dat wordt gekenmerkt door zachte winters, droge zomerperioden, weinig buien en veel zonuren (gemiddeld 2 974 zonuren in de afgelopen tien jaar).

5.2.   Specificiteit van het product:

De grootte is een van de meest gewaardeerde en onderscheidende eigenschappen van de „Pasas de Málaga”, die als groot worden beschouwd, duidelijk groter dan andere producten van dezelfde soort zoals de sultanarozijn, de krent en de Thompson Seedless uit Californië.

De rozijnen behouden de typerende smaak van de muskaatdruif op basis waarvan ze worden vervaardigd. Dit ras van de muskaatdruif wordt door de OIV zelfs gebruikt als referentie voor een van de smaakniveaus.

5.3.   Causaal verband tussen het geografische gebied en de kwaliteit of de kenmerken van het product (voor een BOB) dan wel een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk van het product (voor een BGA):

Het verband tussen de geografische oorsprong en de specifieke kwaliteit van het product is het rechtstreekse gevolg van de productieomstandigheden. Enerzijds maakt het bergachtige landschap de natuurlijke blootstelling van de druiventrossen aan de zon om ze te drogen eenvoudiger: deze droogmethode zorgt voor het behoud van de consistentie van de schil en versterkt de muskaatdruifsmaak doordat de aroma’s worden geconcentreerd. Anderzijds bevordert het droge en warme klimaat tijdens het groeiproces een goede rijping, met als gevolg een verhoging van het gehalte aan droge stof en suikers in de vrucht, die essentieel is voor een goede ontwikkeling na de droging en die ervoor zorgt dat het vruchtvlees van de rozijnen zijn kenmerkende elasticiteit en sappigheid behoudt. Dankzij het hoge aantal zonuren hoeft de druif slechts kort aan de zon te worden blootgesteld en blijft de zuurgraad van de druif behouden.

Deze moeilijke landbouwomstandigheden hebben in de loop der tijd ook ertoe geleid dat het ras Muskaat van Alexandrië, dat alle landbouwkundige eigenschappen in zich draagt die nodig zijn om zich aan dit specifieke klimaat aan te passen, de overhand heeft gekregen. Dit ras heeft een genetisch potentieel van onderscheidende kenmerken zoals de grootte van de druif, de consistentie van de schil, de eigenschappen van het vruchtvlees, het muskaataroma en een hoog gehalte oplosbare droge stof (vezel) die voornamelijk van de pit afkomstig is.

Door het moeilijk bewerkbare terrein is indroging duidelijk een ambachtelijk proces geworden: werkzaamheden zoals de rijping van de druiven, het te drogen leggen in de zon, het omdraaien van de trossen en de selectie van de druiven worden handmatig verricht, hetgeen de kwaliteit gedurende het verwerkingsproces van het product bevordert. Hetzelfde geldt voor de afristing (deze handeling wordt „picado” genoemd), wat verklaart waarom er bij de „Pasas de Málaga” vaak steeltjes kunnen worden aangetroffen.

De droging is een aloude natuurlijke en ambachtelijke conserveringsmethode die het product bij de verwijdering van het overtollige vocht niet aantast. Het delicate evenwicht van de hoeveelheid water, dat is voortgekomen uit de unieke ervaring en kennis van de sector, geeft dit product enkele van zijn meest erkende smaakeigenschappen die in het bestek zijn beschreven.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(Artikel 5, lid 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006)

http://www.juntadeandalucia.es/agriculturaypesca/portal/export/sites/default/comun/galerias/galeriaDescargas/cap/industrias-agroalimentarias/denominacion-de-origen/Pliegos/PliegoPasas.pdf


(1)  B L 93 van 31.3.2006, blz. 12.