ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2012.143.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 143

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

55e jaargang
22 mei 2012


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

478e plenaire zitting op 22 en 23 februari 2012

2012/C 143/01

Resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de sociaaleconomische toestand van de Europese Unie, goedgekeurd tijdens de 478e zitting

1

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

478e plenaire zitting op 22 en 23 februari 2012

2012/C 143/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp Hoe het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de regulering van de financiële markten? (initiatiefadvies)

3

2012/C 143/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Groei en staatsschulden in de EU: twee innovatieve oplossingen (initiatiefadvies)

10

2012/C 143/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Een internemarktbeleid waarin mens en burger centraal staan (initiatiefadvies)

17

2012/C 143/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De maatschappelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving voor economisch bestuur (initiatiefadvies)

23

2012/C 143/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De sociale economie in Latijns-Amerika

29

2012/C 143/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Landbouw- en ambachtsbedrijf — Een winnende combinatie voor het platteland (initiatiefadvies)

35

2012/C 143/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het standpunt van het EESC inzake de voorbereiding van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20) (vervolgadvies)

39

 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

478e plenaire zitting op 22 en 23 februari 2012

2012/C 143/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van de Raad en het Europees Parlement betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) (COM(2011) 608 final — 2011/0269 (COD))

42

2012/C 143/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (COM(2011) 714 final — 2011/0314 (CNS))

46

2012/C 143/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actieprogramma voor belastingen en douane in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Fiscus) en tot intrekking van Beschikkingen nr. 1482/2007/EG en nr. 624/2007/EG (COM(2011) 706 final — 2011/0341 (COD))

48

2012/C 143/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Jaarlijkse groeianalyse 2012 (COM(2011) 815 final)

51

2012/C 143/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek betreffende de onlinedistributie van audiovisuele werken in de Europese Unie: mogelijkheden en uitdagingen voor een digitale eengemaakte markt(COM(2011) 427 final)

69

2012/C 143/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van verordening (EMIR) betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (COM(2011) 652 final — 2011/0296 (COD))

74

2012/C 143/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG (COM(2011) 683 final — 2011/0307 (COD))

78

2012/C 143/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 (COM(2011) 607 final — 2011/0268 (COD))

82

2012/C 143/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011) 609 final — 2011/0270 (COD))

88

2012/C 143/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM (2011) 813 final — 2011/0390 (CNS))

94

2012/C 143/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma — Gezondheid voor groei, het derde meerjarig actieprogramma van de EU op het gebied van gezondheid voor de periode 2014-2020(COM(2011) 709 final — 2011/0339 (COD))

102

2012/C 143/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en –productieactiviteiten (COM(2011) 688 final — 2011/0309 (COD))

107

2012/C 143/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een communautair systeem voor de registratie van vervoerders van radioactief materiaal (COM(2011) 518 final)

110

2012/C 143/22

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling (COM(2011) 593 final — 2011/0254 (NLE))

113

2012/C 143/23

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility (COM(2011) 665 final — 2011/0302 (COD))

116

2012/C 143/24

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor trans-Europese telecommunicatienetwerken en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG (COM(2011) 657 final — 2011/0299 (COD))

120

2012/C 143/25

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en houdende intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG (COM(2011) 658 final — 2011/0300 (COD))

125

2012/C 143/26

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende EU-richtsnoeren voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnet (COM(2011) 650 final — 2011/0294 (COD))

130

2012/C 143/27

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1639/2006/EG tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) en van Verordening (EG) nr. 680/2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie (COM(2011) 659 final — 2011/0301 (COD))

134

2012/C 143/28

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot rijbewijzen waarin de functies van een bestuurderskaart zijn geïntegreerd (COM(2011) 710 final — 2011/0327 (COD))

139

2012/C 143/29

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Chili

141

2012/C 143/30

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat publieksvoorlichting over receptplichtige geneesmiddelen voor menselijk gebruik en geneesmiddelenbewaking betreft (COM(2011) 632 final — 2008/0255 (COD))

146

2012/C 143/31

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG wat publieksvoorlichting over receptplichtige geneesmiddelen en geneesmiddelenbewaking betreft (COM(2011) 633 final — 2008/0256 (COD))

147

2012/C 143/32

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/40/EG betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (achttiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (COM(2012) 15 final — 2012/0003 (COD))

148

2012/C 143/33

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Gemeenschap (COM(2011) 855 final — 2011/0416 (COD))

149

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Economisch en Sociaal Comité

478e plenaire zitting op 22 en 23 februari 2012

22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/1


Resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de sociaaleconomische toestand van de Europese Unie, goedgekeurd tijdens de 478e zitting

2012/C 143/01

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden zitting (vergadering van 22 februari) de volgende resolutie uitgebracht, die met 157 stemmen vóór en 30 stemmen tegen, bij 12 onthoudingen, is goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft zijn grote bezorgdheid uitgedrukt over de staat van de Unie en een dringende oproep gericht tot de Europese Instellingen en de regeringen van de lidstaten opdat zij alles in het werk zouden stellen om daadwerkelijk de absolute en onmiskenbare waarde van de Europese Unie te bevestigen. Tevens heeft het onderstaande resolutie aangenomen:

1.

Het EESC

betreurt het gebrek aan daadkracht bij en de meningsverschillen tussen de lidstaten van de EU, juist in een tijd waarin van Europa vastberadenheid, eensgezindheid en solidariteit wordt verwacht;

is desalniettemin ingenomen met het akkoord dat de eurogroep op maandag 20 februari heeft bereikt over een tweede steunplan voor Griekenland, maar betreurt het dat een definitieve oplossing zo lang op zich liet wachten;

maakt zich echter zorgen over de sociale en economische gevolgen van dit plan en vraagt de Europese Raad om economische herstelmaatregelen te ondersteunen, met name voor de landen die het hardst door de crisis worden getroffen;

herinnert aan de noodzaak om in de reële economie te investeren, met name door het voeren van een effectief industriebeleid om de spiraal van de huidige recessie te doorbreken;

verwelkomt het initiatief dat de twaalf regeringen aan de Raad en de Commissie hebben voorgelegd.

2.

Het EESC stelt vast dat de burgers steeds meer redenen worden gegeven om te twijfelen aan de instellingen van de Europese Unie, en dus aan de Europese Unie zelf, terwijl zij geneigd zijn om de schuld van de moeilijkheden waaronder de Europese Unie gebukt gaat, steeds meer bij de Europese Unie zelf te leggen.

3.

Het EESC kan zich niet vinden in maatregelen die alleen de begrotings- en fiscale discipline betreffen, en is van mening dat de economische governance in de landen van de eurozone en in de EU breder en ambitieuzer moet zijn.

4.

Het EESC onderstreept de centrale rol die de Europese Commissie moet spelen als vertegenwoordiger van het algemeen Europees belang, met name bij de tenuitvoerlegging van maatregelen van economisch en monetair beleid, met inbegrip van de maatregelen die zijn voorzien in het nieuwe intergouvernementele verdrag.

5.

Het EESC bevestigt in dat verband de noodzaak om de Europa 2020-strategie nieuw leven te blazen, met name de acties ten behoeve van jongeren, onderzoek en innovatie en de groene economie. Het EESC complimenteert Commissievoorzitter Barroso voor de nieuwe acties die hij tijdens de Europese Raad van 30 januari 2012 heeft aangekondigd om de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt te bevorderen en roept dan ook op om op dit terrein onmiddellijk tot concrete initiatieven over te gaan. Het EESC staat ook positief tegenover steunmaatregelen voor het midden- en kleinbedrijf die volledig in overeenstemming zijn met het geldende Europese recht.

6.

Het EESC benadrukt dat de EU tijdens de onderhandelingen over de meerjarige financiële vooruitzichten 2014-2020 een voldoende grote en stijgende begroting in de wacht heeft gesleept. Het EESC steunt in dit verband het voorstel van de Europese Commissie om nieuwe eigen middelen te vinden om de Europese begroting te financieren, en gebruik te maken van verschillende vormen van publieke en/of particuliere investeringen. Het EESC zal zelf een verslag uitbrengen over de kosten van het niet-bestaan van Europa, waarin de voordelen van een verdergaande Europese integratie zullen worden belicht. Het EESC hamert er tevens op dat de landen die na 2004 tot de EU zijn toegetreden niet mogen worden gediscrimineerd als het gaat om de drempels en criteria om in aanmerking te komen voor steun uit de Europese fondsen.

7.

Het EESC is voorstander van een grotere rol voor de Europese Centrale Bank om de situatie in de eurozone te stabiliseren, en van financiële instrumenteringsmechanismen die particuliere spaartegoeden en de markten (euro-obligaties) benutten om toekomstbiedende projecten te financieren die de economische bedrijvigheid opnieuw moeten aanwakkeren.

8.

Het EESC doet derhalve een oproep aan de instellingen van de Europese Unie en de overheden van de lidstaten om:

op generlei wijze de vigerende Verdragen en de door die Verdragen in het leven geroepen instellingen, te ontkrachten;

uitvoering te geven aan de in EU-verband overeengekomen maatregelen om de groei te bevorderen en steun te verlenen aan de aanleg van infrastructuur en de inspanningen van kleine en middelgrote ondernemingen, de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt te verbeteren en naar een efficiënt en milieuvriendelijk Europees energiebeleid toe te werken;

een ambitieuze begroting goed te keuren om deze maatregelen ten uitvoer te leggen en de samenhang in Europa te vergroten;

naar de burgers van Europa en naar buiten toe weer met één stem te gaan spreken;

een positieve boodschap uit te dragen naar de Europese jongeren, om de Europese Unie te presenteren als een oplossing voor de crisis en een perspectief voor hun toekomst;

zich voor besluiten, op welk bestuursniveau ook, altijd te verzekeren van een draagvlak onder de burgers, en wel door het Europees Parlement en de nationale parlementen daadwerkelijk bij die besluitvorming te betrekken en daadwerkelijk overleg te plegen met de representatieve organisaties van het maatschappelijk middenveld, gebruikmakend van de autonome sociale dialoog.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

478e plenaire zitting op 22 en 23 februari 2012

22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/3


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp „Hoe het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de regulering van de financiële markten?” (initiatiefadvies)

2012/C 143/02

Rapporteur: de heer MORGAN

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 20 januari 2011 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het onderwerp

Hoe het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de regulering van de financiële markten?

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari 2012) het volgende advies uitgebracht, dat met 66 stemmen vóór en 53 tegen, bij 41 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De ontoereikende en gebrekkige regulering van en het ontoereikend en gebrekkig toezicht op de financiële markten waren een van de oorzaken van de financiële crisis. Een van de moeilijkheden waarop die regulering stuit is uiteenlopende en bij tijd en wijlen zelfs tegengestelde standpunten op evenwichtige wijze te weerspiegelen. Zo kunnen de belangen van de financiële sector op legitieme vertegenwoordiging rekenen, maar er bestaat geen significant tegengewicht in de vorm van betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld. De politieke gedachtewisseling voltrekt zich namelijk hoofdzakelijk tussen de wetgever en het betrokken segment van het financieel bedrijf.

1.2   Juist ter zake van genoemde regulering is het EESC voorbestemd om het tekort aan betrokkenheid van het middenveld te compenseren. Want binnen het Comité zijn zowel de organisaties van de financiële branche als consumenten- en vakverenigingen vertegenwoordigd. Overigens moet daarbij onmiddellijk worden aangetekend dat het geen substituut wil en kan zijn voor de directe deelname van de organisaties van het maatschappelijk middenveld. De civiele dialoog is een democratisch en open meningsvormingsproces waaraan alle relevante actoren daadwerkelijk moeten kunnen deelnemen.

1.3   Daarbij staat buiten kijf dat de deelname van de financiële sector zelf aan de meningsvorm een volstrekt legitieme zaak is. De financiële ondernemingen zijn namelijk de adressaten van de regulering, moeten aan voorwaarden voldoen en wettelijke verplichtingen naleven. Verder weet het Comité dat het merendeel van de actoren in het financieel bedrijf serieus en integer handelt en de financiële crisis niet heeft veroorzaakt.

1.4   Op detailniveau is de regelgeving ingewikkeld en daarom is het cruciaal dat de organisaties hun inbreng niet tot principedoelstellingen beperken en slechts algemene aanscherpingen vorderen. Ze moeten juist met doelmatige voorstellen en argumenten van hoog deskundigengehalte komen. Daartoe moet heel wat werk worden verzet want de organisaties moeten met dezelfde know how met andere verbanden en de wetgever van gedachten kunnen wisselen.

1.5   Commissie, Europees Parlement, Raad en lidstaten moeten zelf initiatieven nemen om grote delen van het maatschappelijk middenveld bij de regulering te betrekken.

1.6   De Europese Centrale Bank, het Europees Comité voor systeemrisico's en de recent opgerichte Europese financiële toezichthouders moeten de middenveldorganisaties op passende wijze bij hun werkzaamheden betrekken. Verder moet bij de werkzaamheden van de wettelijk voorgeschreven stakeholdersgroepen van de financiële toezichthouders oog bestaan voor de specificiteiten van die organisaties.

1.7   Om leemten in de vertegenwoordiging van belangrijke belangen op te vullen, kan het in bepaalde gevallen dienstig zijn dat de EU de organisaties financieel ondersteund. Daarbij moet de ondersteuning met alle transparantie worden omgeven, dient de onafhankelijkheid van de organisaties gegarandeerd te zijn en moet worden voorkomen dat deze organisaties in de betrekkingen met de Commissie in vergelijking met niet-gesteunde organisaties worden voorgetrokken.

1.8   Naast consumenten- en vakverenigingen is er nog een hele reeks ander groepen die substantieel aan de gedachtewisseling over de financiële markten kan bijdragen. Te denken valt aan welzijnsorganisaties, mkb's, organisaties van institutionele beleggers, industriële ondernemingen en dienstverleners die grotere financiële transacties verrichten en hun verenigingen, financiële intermediairs en zelfs ratingbureaus. Gegeven de mededingingssituatie op de markten kunnen vertegenwoordigers van andere sectoren als de door de regulering geviseerde nuttige bijdragen leveren.

1.9   Niet alle onderwerpen lenen zich in dezelfde mate voor commentaar van de middenveldorganisaties. Consumentenbescherming, besteding van belastinggeld om financiële instellingen te redden of de belasting van de financiële sector komen zonder meer in aanmerking, maar voor technische detailkwesties betreffende bijv. solvabiliteitsberekening of financiële verslaglegging geldt dat in mindere mate.

1.10   Het volstaat niet wanneer slechts algemene en ongedifferentieerde vorderingen om verscherpte regels naar voren worden gebracht. Daarmee komt de wetgever geen stap verder. Niet alleen moeten er zo concreet mogelijke voorstellen op tafel worden gelegd, maar ook dient er een eigen afweging van de voor- en nadelen van strengere eisen te worden gemaakt.

1.11   Het Comité moedigt de Europese en nationale organisaties van het maatschappelijk middenveld aan om zich intensiever met de regulering van de financiële markten te gaan bezighouden. Voor een aantal van die organisaties zou het nuttig kunnen zijn om de bevordering van de stabiliteit op de financiële markten als een zelfstandig en eventueel nieuw doel te formuleren en hun belangen- en activiteitengebied dienovereenkomstig uit te breiden.

1.12   Ook zou het een goede zaak zijn wanneer de organisaties hun betrokkenheid bij de regulering zouden gebruiken om de succesvolle activiteiten van de Unie op dit gebied uitgebreid en positief intern en extern onder de aandacht te brengen.

1.13   Ondanks individuele fouten behoort het Europese financiële bedrijf ook tot de slachtoffers van de crisis. De branche wordt dan ook verzocht om tot een efficiënte regulering bij te dragen. Verder moeten de respectieve sectoren geen misplaatste terughoudendheid aan de dag leggen wanneer er in het belang van de stabiliteit op de financiële markten commentaar op regelingen van andere branches moet worden geleverd.

1.14   De financiële sector moet zich op zijn beurt ook openstellen voor de dialoog met de organisaties van het maatschappelijk middenveld. De burger heeft sinds de financiële crisis veel aandacht voor de sector en daarom kan die branche er baat bij hebben om met het middenveld in gesprek te geraken, argumenten uit te wisselen en voorstellen te overwegen.

1.15   Het spreekt voor zich dat de media een grote rol spelen bij de Europese meningsvorming. Dus moeten de standpunten van de middenveldorganisaties daar doordringender worden weergegeven.

1.16   Het Comité zal zich intensiever over de reguleringsvoorstellen buigen, daarover uitgebreid discussiëren en doorwrochte adviezen uitbrengen, waarbij vooral de nadruk zal worden gelegd op integratie van de opvattingen van de in hem verenigde vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Middels hoorzittingen van afdelingen en studiegroepen zullen de organisaties sterker bij zijn standpuntontwikkeling worden betrokken.

1.17   Ten slotte zal het ervoor zorgen dat bij de planning van zijn werkzaamheden, zittingen en afdelings- en studiegroepvergaderingen voldoende ruimte zal bestaan voor een intensieve discussie over de regulering. Ook zal het ervoor zorgen dat de leden in dit verband kunnen rekenen op zijn secretariaat voor voldoende deskundigenondersteuning op niveau.

2.   Doel en achtergrond van het advies

2.1   De crisis die de financiële markten (1) sinds 2008 teistert, heeft wereldwijd en met name in de Unie desastreuze gevolgen voor de burgers gehad. Het Comité heeft zich daarmee al herhaaldelijk intensief beziggehouden. Ontoereikende regulering was een van de oorzaken van het ineenstorten van de markten, de daarop vooruitlopende speculatie, de handel in zeer riskante financiële producten en gebrekkig toezicht verergerde de zaak alleen maar.

2.2   Een van de moeilijkheden bij het uitvaardigen van regels op dit gebied was en is om in het pluralistische en democratische meningsvormingsproces uiteenlopende en soms zelfs tegenstrijdige standpunten op evenwichtige wijze te weerspiegelen. Momenteel bieden de middenveldorganisaties geen significant tegengewicht tegen de, overigens legitieme, vertegenwoordiging van de belangen van de financiële sector. In het kader van de nieuwe financiële-marktregulering moet dit recht worden getrokken.

2.3   Het Comité, Europees orgaan van het maatschappelijk middenveld, brengt adviezen uit. Maar ook beschouwt het als zijn taak te bevorderen dat alle belanghebbenden in zeer hoge mate bij het Europese wetgevingsproces worden betrokken. Daarom constateert het met zorg dat het op bepaalde beleidsterreinen regelmatig mislukt om een evenwichtige discussie te organiseren.

2.4   Zodoende is het doel van dit initiatiefadvies, de deelname van het maatschappelijk middenveld aan de regulering van de financiële markten te analyseren en aanbevelingen te doen om die te verbeteren.

3.   Leemten en belemmeringen in verband met de deelname van het maatschappelijk middenveld

3.1   Zoals overduidelijk bleek tijdens de op 28 november 2011 door het EESC georganiseerde hoorzitting werd de regulering van de financiële markten tot op heden op de eerste plaats door de betrokken kringen uit de financiële sector begeleid. Dat lag niet aan een gebrek aan openbaarheid bij de EU-instellingen, maar de materie heeft tot nu toe doodeenvoudig weinig belangstelling opgewekt bij organisaties van buiten het financieel bedrijf. Dat blijkt bijv. uit de geringe respons op raadplegingen door de Commissie, de weinige aandacht voor hoorzittingen van het EP of de geringe participatie aan de openbare discussie.

3.2   De politieke gedachtewisseling over richtlijnen of verordeningen voltrekt zich ook momenteel nog hoofdzakelijk tussen de wetgever en het betrokken segment van de financiële sector. Op andere gebieden ligt dat anders. Daar behoort de beleidsdiscussie tot kern van de pluralistische gedachtewisseling tussen de organisaties van het maatschappelijk middenveld, bijv. tussen werkgevers en vakverenigingen wanneer het om sociaal beleid gaat, tussen industrie en milieuorganisaties ter zake van milieubeleid en handel en consumentenverenigingen in het geval van consumentenbeleid.

3.3   Volgens het EESC kennen de leemten in de regulering van de financiële markten een reeks oorzaken:

3.3.1   Die regulering is gecentreerd op behoud van zekerheid en stabiliteit op die markten. Dat is een weinig concreet of tastbaar publiek goed dat lang volstrekt veilig leek te zijn. Substantiële belangen van de burgers, waaraan men tegemoet had kunnen komen, waren niet terstond zichtbaar. Daarom bestond er in kringen buiten de financiële markten weinig aanleiding om zich daarmee bezig te houden.

3.3.2   Verder zitten die markten zeer ingewikkeld in elkaar en hun werking is voor leken dan ook niet zo maar te begrijpen. De verscheidenheid aan actoren, de gecompliceerdheid van de producten en de interacties op allerlei niveaus maken het voor organisaties van buiten de sector tot een karwei van jewelste om zich met de nodige deskundigheid in de discussie te mengen.

3.3.3   De indirecte en vooral directe gevolgen van een regeling voor de belangen van een lid van een middenveldorganisatie zijn vaak moeilijk te herkennen. Dat is met name het geval wanneer het niet om richtlijnen of verordeningen gaat maar om ingewikkelde uitvoeringsbepalingen en technische normen.

3.3.4   Voorts is het reguleringsproces op financieel gebied relatief ondoorzichtig. Vaak is het namelijk moeilijk om op het juiste moment met doelgerichte standpunten te komen. Dat is het gevolg van de vroegere procedure Lamfalussy en het huidige stelsel van gedelegeerde handelingen, uitvoeringsvoorschriften en dwingende technische normen met talrijke procedurele fasen en veel in verschillende mate betrokken instellingen en overheidsinstanties. Bovendien worden regelingen inhoudelijk steeds meer bepaald door mondiale organen als de G-20, het Comité van Basel of de IASB (International Accounting Standard Board), en die werken bepaald niet in alle transparantie.

3.3.5   Gegeven de vele reguleringsplannen, de snelheid van de wetgevingsprocedures en het grote aantal stakeholders zitten de besluitvormers binnen de instellingen aan de grenzen van hun mogelijkheden om gesprekken te voeren, standpunten op papier te zetten of aan een conferentie deel te nemen.

3.3.6   De hoge mate aan mondiale integratie van de financiële markten, het gemak waarmee kapitaal de hele wereld rondgaat en de hoge volatiliteit van de handel vormden steeds moeilijk weerlegbare argumenten tegen ingrijpen op de Europese markten. De concurrentiestrijd om dat beweeglijke kapitaal te bemachtigen om te kunnen investeren ten behoeve van groei en werkgelegenheid leek een strategie van "Light-touch"-regulering voor lange tijd te wettigen.

3.4   Deze problemen liggen aan de basis van het initiatief "Finance Watch", waarin zich op initiatief van leden van het Europees Parlement verschillende Europese en nationale organisaties hebben verenigd om de wetgeving betreffende de financiële sector kritisch te begeleiden.

3.5   In de lidstaten schijnt hetzelfde soort problemen te bestaan. Ook daar valt niet te constateren dat het maatschappelijk middenveld flink aan invloed op de regulering gewonnen zou hebben.

3.6   Ook schijnt het zo te zijn dat de behartiging van de belangen van mkb's in de financiële sector evenals de betrokkenheid van het middenveld op moeilijkheden stuit. Veel kleinere financiële instellingen klagen over de vele administratieve rompslomp en de ingewikkeldheid van de door hen nauwelijks na te komen voorschriften.

4.   Principiële opmerkingen

4.1   De participatiedemocratie is een hecht onderdeel van het Europees samenlevingsmodel en de Europese governance. Representatieve en participatiedemocratie zijn in het Verdrag van Lissabon verankerd. Maar de desbetreffende passage van het EU-Verdrag is wel restrictief geformuleerd: "... de burgers en de representatieve organisaties" de mogelijkheid bieden hun mening kenbaar te maken (zie artikel 11, lid 1). Het is dus aan de Europese instellingen om initiatieven te nemen wanneer het middenveld niet of slechts in geringe mate op plannen reageert.

4.2   Daarbij spreekt het voor zich dat besluiten door de democratisch gelegitimeerde instellingen worden genomen en dat de civiele dialoog slechts een voorbereidend en flankerend gebeuren is.

4.3   Het EESC is het forum bij uitstek voor vertegenwoordiging, uitwisseling van standpunten en meningsuiting door het maatschappelijk middenveld en daarmee vormt het een onmisbare brug tussen Europa en de burgers. En juist bij wetgeving functioneert het als zodanig.

4.4   En juist ter zake van onderhavige regulering is het EESC voorbestemd om een zeer belangrijke rol te spelen en het tekort aan betrokkenheid van het middenveld te compenseren. Want binnen het Comité zijn zowel de organisaties van de financiële branche als consumenten- en vakverenigingen vertegenwoordigd. Het is de taak van het Comité, over Commissievoorstellen te adviseren en bijgevolg houden zijn leden zich automatisch met wetgevingsteksten bezig en daarvoor behoeven zij geen verdere aansporing of motivering.

4.5   Zodoende heeft het Comité sinds het begin van de financiële crisis veelvuldig de stem van de middenveldorganisaties laten horen en heeft het sinds halverwege 2008 zo'n 30 adviezen uitgebracht over die crisis in het algemeen en wetgevingsinitiatieven in het bijzonder.

4.6   Het maatschappelijk middenveld is dus voor het overige te weinig betrokken en daarom worden de Europese instellingen des te meer uitgenodigd om aandacht te schenken aan de adviezen die het EESC op financieel gebied uitbrengt.

4.7   Overigens moet daarbij onmiddellijk worden aangetekend dat het Comité geen substituut wil zijn voor de directe deelname van de organisaties van het maatschappelijk middenveld. De civiele dialoog is een democratisch en open meningsvormingsproces waaraan zo veel mogelijk actoren op uiteenlopende manieren moeten kunnen deelnemen.

4.8   Daarbij staat buiten kijf dat deelname van de financiële sector zelf aan de meningsvorm net zo legitiem is als de deelname van andere sectoren. De financiële ondernemingen zijn namelijk de adressaten van de regulering, moeten aan voorwaarden voldoen en wettelijke verplichtingen naleven. Daarbij speelt natuurlijk ook dat die branche als eerste bij zoveel mogelijk financiële stabiliteit is gebaat, en haar sectorale deskundigheid broodnodig is om betrouwbare effectbeoordelingen te maken.

4.9   Verder weet het Comité ook dat het merendeel van de actoren in het financieel bedrijf serieus en integer handelt en de financiële crisis niet mede heeft veroorzaakt. Daarom wordt momenteel de plank misgeslagen wanneer men de gehele sector over één, negatieve, kam scheert. Er bestaan daar namelijk vooral ondernemingen die niet van de overdreven situaties op de financiële markten hebben geprofiteerd maar juist zelf door de crisis en de gevolgen ervan zijn geraakt. Overigens is het aantal cliënten van financiële instellingen dat geld heeft verloren, mede dank zij staatssteun, beperkt gebleven.

4.10   Toch is de individuele burger, als belastingbetaler, werknemer en consument, het grootste slachtoffer van de economische en financiële crisis. Hij wordt er dan ook door zijn middenveldorganisatie opgeroepen om intensiever aan het opstellen van nieuwe regels voor de financiële sector deel te nemen ten einde een nieuwe crisis van een dergelijke omvang te voorkomen.

4.11   Op detailniveau is de regelgeving ingewikkeld en daarom is het cruciaal dat de organisaties hun inbreng niet tot principedoelstellingen beperken en slechts algemene aanscherpingen eisen. Ze zullen ook met doelmatige voorstellen en argumenten van hoog deskundigengehalte moeten komen, en daartoe moet nog het nodige werk worden verzet want de organisaties moeten met dezelfde know how met andere verbanden en de wetgever van gedachten kunnen wisselen.

5.   Specifieke aanbevelingen

5.1   Commissie, Europees Parlement, Raad en lidstaten moeten zelf initiatieven nemen om grotere delen van het maatschappelijk middenveld bij de regulering te betrekken.

5.1.1   Doorslaggevend daarbij is dat de directe gevolgen die reguleringsvoorstellen voor het middenveld meebrengen duidelijk, transparant en nauwkeurig worden aangegeven zodat de middenveldorganisaties beter kunnen zien wat de consequenties voor de burgers zijn.

5.1.2   Vaak bleek het maatschappelijk middenveld slechts mondjesmaat te reageren op raadplegingen over de financiële markten. Daarom is het beter om organisaties voortaan individueel specifiek om hun standpunt te vragen. Zo nodig moeten de responstermijnen worden verlengd, hetgeen overigens reeds het geval is met het initiatief van de Commissie voor "smart regulation". Verder moet niet alleen naar technische aspecten worden gevraagd, maar dient de raadpleging ook op de inschattingen van het middenveld en zijn verwachtingen te zijn gericht. En vervolgens moet daarmee rekening worden gehouden.

5.1.3   Tevens moeten de betrokken organisaties van meet af aan bij hoorzittingen van de Commissie of het Europees Parlement worden betrokken. Ook moeten de instellingen ondanks tijdgebrek openstaan voor gesprekken met de middenveldorganisaties en aan hun evenementen deelnemen.

5.1.4   Daarnaast dienen deskundigengroepen van Commissie en Parlement niet alleen uit vertegenwoordigers van het financieel bedrijf maar ook uit vertegenwoordigers van andere sectoren te bestaan. Het moet dan uiteraard wel gaan om personen die over de nodige kennis beschikken. Schieten zij qua deskundigheid tekort, dan komen we geen stap verder, nietwaar?

5.1.5   Ook zou het soms helpen wanneer de Unie de deelname van de middenveldorganisaties financieel steunt om genoemde gebreken bij de vertegenwoordiging van significante belangen op te vullen. Daar staat tegenover dat een dergelijke bijdrage strijdt met de zelforganisatie en –financiering van het middenveld, de onafhankelijkheid van de organisaties in gevaar kan brengen en aan beide kanten in loyaliteitsconflicten kan uitmonden. Hoe dan ook, mocht er geld worden vrijgemaakt, dan dient zulks met alle transparantie omgeven te zijn en mogen niet-gesteunde verenigingen nimmer in hun betrekkingen met de Commissie worden achtergesteld.

5.2   De verder met de regulering belaste EU-instanties als de ECB, het Europees Comité voor systeemrisico’s en de drie financiële toezichthouders (banken, effecten en verzekeringen) moeten de opvattingen van de middenveldorganisaties bij hun werkzaamheden voor ogen houden.

5.3   Ook moet in de werkmethode van de wettelijk voorziene groepen stakeholders bij de toezichthouders rekening gehouden worden met de gezichtspunten van die organisaties en moet terugkoppeling mogelijk zijn om de betrokkenheid van het middenveld verder uit te bouwen. Dit is momenteel lang niet altijd het geval vanwege een transparantiegebrek, d.w.z. een overdosis aan vetrouwelijkheid van documenten en besprekingen.

5.4   Het middenveld kann niet uitsluitend via abstracte beleidseisen meer bij de regulering worden betrokken. Concreet moet worden bepaald wie zich wanneer over kwesties betreffende de financiële markten zou moeten uiten.

5.4.1   Naast consumenten- en vakverenigingen is er nog een hele reeks ander groepen die substantieel tot de gedachtewisseling over de financiële markten kan bijdragen. Te denken valt aan welzijnsorganisaties, mkb's, organisaties van institutionele beleggers, industriële ondernemingen en dienstverleners die grotere financiële transacties verrichten en hun verenigingen, financiële intermediairs en zelfs ratingbureaus. Ook kunnen vertegenwoordigers van andere sectoren als de door de regulering geviseerde nuttige bijdragen leveren.

5.4.2   Niet alle onderwerpen lenen zich in dezelfde mate voor commentaar van de middenveldorganisaties.

5.4.2.1

Consumentenbescherming, besteding van belastinggeld om financiële instellingen te redden of de belasting van de financiële sector komen zonder meer in aanmerking, maar voor technische detailkwesties betreffende bijv. solvabiliteitsberekening of financiële verslaglegging geldt dat in mindere mate.

5.4.2.2

Daarbij moeten de organisaties hun betrokkenheid niet staken wanneer een regeling eenmaal is uitgevaardigd, maar dienen zij zich bezig te houden met de regulering als geheel, dus ook met uitvoeringsbepalingen en technische normen, hoe lastig dat soms ook mag zijn.

5.4.2.3

Maar het Comité beseft dat stabiliteit voor de lange termijn en duurzaamheid op de financiële markten voortvloeien uit een samenspel van een groot aantal adequate individuele voorschriften, die echter afzonderlijk onderwerp van discussie zijn. Kunnen de organisaties zich niet met alle voorstellen bezighouden, dan moet het middenveld in ieder geval die onderwerpen behandelen die voor de regulering als geheel cruciaal zijn. Daarbij gaat het niet alleen om consumentenwetgeving maar ook om bijv. het toezichtrecht, de hoogte van het eigen vermogen of corporate governance.

5.4.2.4

Bovendien is het zeer verraderlijk dat achter vermeend hoogtechnische problemen vaak zeer politieke en de burgers direct rakende aangelegenheden schuilgaan. Zo heeft de bijv. de bepaling van het renteniveau voor de berekening van reserves voor particuliere pensioenverzekeringen een significant effect op de mogelijkheid van verzekeraars om op de lange termijn gegarandeerde beloftes over de pensioenhoogte te doen.

5.4.2.5

Het volstaat niet wanneer slechts algemene en ongedifferentieerde verlangens naar verscherpte regels naar voren worden gebracht. Daarmee komt de wetgever geen stap verder. Niet alleen moeten er zo concreet mogelijke voorstellen op tafel worden gelegd, maar ook dient er een eigen afweging van de voor- en nadelen van strengere eisen te worden gemaakt. Belastingen op ondernemingen (vooral mkb's), toegang tot krediet voor particulieren en bedrijven en het functioneringsvermogen van de markten moeten daarbij aan de orde komen.

5.4.3   Het middenveld dient zich zoveel mogelijk in alle fasen van het besluitvormingsproces te laten horen. Vaak worden de hoofdlijnen van een regeling reeds in een vroeg stadium getrokken, bijv. na een eerste raadpleging door de Commissie of bij het opstellen van ontwerpteksten door de financiële toezichthouders. Daarom dienen de middenveldorganisaties zich vertrouwd maken met en blijven studeren op bovenaangestipte ingewikkelde en atypische procedures.

5.5   Het Comité moedigt de Europese en nationale organisaties van het middenveld aan om zich intensiever met de regulering van de financiële markten te gaan bezighouden.

5.5.1   Voor een aantal van die organisaties zou het nuttig kunnen zijn om de bevordering van de stabiliteit op de financiële markten als een zelfstandig en eventueel nieuw doel te formuleren en hun belangen- en activiteitengebied dienovereenkomstig uit te breiden.

5.5.2   Gegeven de geschetste complexiteit van die markten en hun regulering moeten de organisaties de nodige deskundige mensen aantrekken en hun permanente bijscholing aanbieden. Soms kan het ook geboden zijn om nieuwe organen in het leven te roepen, nauwer met de nationale organisaties samen te werken en externe deskundigen in te schakelen.

5.5.3   De oprichting van "Finance Watch" is in dit verband een goede zaak. Het gaat om een nieuw Europees orgaan dat zich richt op de bevordering van de stabiliteit op de financiële markten. Een en ander volstaat echter niet om de betrokkenheid van het middenveld te vergroten.

5.5.4   De middenveldorganisaties moeten zich ook in de openbare discussie op Europees en nationaal niveau mengen om een politieke bijdrage tot de regulering te leveren.

5.5.5   Verder zou het een goede zaak zijn wanneer de organisaties hun betrokkenheid bij de regulering zouden gebruiken om de succesvolle activiteiten van de Unie op dit gebied uitgebreid en positief intern en extern onder de aandacht te brengen.

5.5.6   De samenwerking tussen de nationale en Europese organisaties is in dit verband van bijzonder belang. Juist ter zake van de financiële markten zijn de Europese en nationale reguleringsniveaus namelijk complementair. Voorts hebben de nationale organisaties vaak efficiëntere middelen dan de Europese koepelorganisaties en het is zeker zaak dat die middelen op de Europese regulering worden toegesneden.

5.5.7   Kapitaal kan wereldwijd gemakkelijk worden verplaatst en daarom moeten de regelingen voor de financiële markten mondiaal gezien naar een vergelijkbaar niveau worden getild. Daartoe kan met name een bijdrage worden geleverd door verbanden die internationaal georiënteerd zijn of over internationale contacten beschikken. Zij kunnen zich op mondiaal niveau sterk maken voor doeltreffende regulering die overal op een vergelijkbaar hoog niveau ligt om de globale mededinging betreffende vestigingsplaatsen middels zo laag mogelijke normen in te dammen. In alle financiële centra ter wereld moet het belang van mondiale stabiliteit van de financiële markten met dezelfde intensiteit worden nagestreefd.

5.6   Ondanks gebleken fouten van sommigen behoort het Europese financiële bedrijf zelf ook tot slachtoffers van de crisis. Het Comité verzoekt de sector dan ook om tot een efficiënte regulering bij te dragen.

5.6.1   Daarbij moeten de respectieve sectoren geen misplaatste terughoudendheid aan de dag leggen wanneer er in het belang van de stabiliteit op de financiële markten commentaar op regelingen van andere branches moet worden geleverd.

5.6.2   Het spreekt voor zich dat de vertegenwoordiging van de belangen van de financiële sector bij de besluitvormers transparant en integer dient te zijn en van respect moet getuigen. Representatieve organisaties van de industrie voldoen hier doorgaans aan, maar van specifieke activiteiten van individuele ondernemingen en hun commerciële vertegenwoordigers kon dit in het verleden niet altijd gezegd worden.

5.6.3   Het Comité verzoekt het financieel bedrijf om de dialoog met de middenveldorganisaties te zoeken. De financiële crisis heeft die sector midden in de schijnwerpers gezet en daarom zou de branche er baat bij kunnen hebben om met het middenveld in gesprek te komen, argumenten uit te wisselen en suggesties op te pikken. Daarmee zou zij een grote stap in de richting van de gehele samenleving zetten. Mocht de financiële sector zich middels zelfregulering tot een bepaalde gedragswijze willen verplichten, dan lijkt de betrokkenheid van het middenveld bij de voorbereiding van de desbetreffende regels een goede zaak.

5.6.4   Met het oog op een faire en transparante civiele dialoog is het Comité ingenomen met het door Commissie en Europees Parlement ingevoerde gemeenschappelijk lobbyistenregister en ook hecht het waarde aan de resultaten van de groep-Buzek van het EP. Wel waarschuwt het ervoor dat de aanscherping van de regelgeving de participatie van de middenveldorganisaties niet mag belemmeren. Dit geldt met name voor praktische kwesties als de toegang tot EU-gebouwen of deelname aan openbare vergaderingen.

5.7   De wetenschap, maatschappelijke stichtingen en Think Tanks worden verzocht om hun beoordelingsvermogen, deskundigheid en ervaringen in te brengen in de discussie over de financiële markten. Weliswaar zijn die categorieën vaak niet gericht op deelname aan het opstellen van concrete wetgeving, maar toch moeten zij de kans grijpen om hun capaciteiten te benutten om in de toekomst crises te vermijden.

5.8   Uiteraard spelen de media een hoofdrol bij de meningsvorming in Europa. Het is wenselijk dat ook zij meer ruchtbaarheid geven aan de opvattingen van de organisaties van het maatschappelijk middenveld. Daarbij moeten de organisaties er zo nodig toe worden gebracht om tot de meningsvorming over een bepaalde kwestie bij te dragen want momenteel doen slechts weinig van hun vertegenwoordigers uit eigen beweging mee aan de publieke discussie.

5.9   Het Comité is voornemens om zijn deelname aan de gedachtewisseling over en de plannen voor de regulering op te voeren.

5.9.1   Het zal zich intensiever over de reguleringsvoorstellen buigen, daarover uitgebreid discussiëren en doorwrochte adviezen uitbrengen, waarbij vooral de nadruk zal worden gelegd op integratie van de opvattingen van de in hem verenigde vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.

5.9.2   Het zal er verder voor zorgen dat de vertegenwoordigers van de drie groepen in gelijke mate aan de discussie deelnemen en bij alle fases van de procedure worden betrokken.

5.9.3   Verder zal het de middenveldorganisaties via hoorzittingen van afdelingen en studiegroepen intensiever en directer in zijn meningsvormingsproces betrekken.

5.9.4   Daarnaast zal het ervoor zorgen dat er bij de planning van zijn werkzaamheden en tijdens zittingen en afdelings- en studiegroepvergaderingen voldoende ruimte zal bestaan voor intensieve discussie over de reguleringsmaterie.

5.9.5   Ook zal het ertoe bijdragen dat zijn leden zich binnen hun organisatie intensief met de regulering van de financiële markten bezighouden en hun mensen daar bewust van de materie maken.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  In dit advies wordt niet ingegaan op de excessieve begrotingstekorten als crisisoorzaak. Wel kan men zich hier afvragen waarom het maatschappelijk middenveld niet eerder en krachtiger op schuldreductie heeft aangedrongen.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/10


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema „Groei en staatsschulden in de EU: twee innovatieve oplossingen” (initiatiefadvies)

2012/C 143/03

Rapporteur: de heer CEDRONE

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 juli 2011 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het thema:

Groei en staatsschulden in de EU: twee innovatieve oplossingen (initiatiefadvies).

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 23 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 121 stemmen vóór en 46 tegen, bij 11 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Voornaamste aanbevelingen

Jean Monnet: "Europa kan zich alleen verder ontwikkelen en een eenheid worden als het door crises tot actie wordt aangespoord."

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is van mening dat het voornaamste probleem van de euro veeleer van politieke dan van economische aard is. De geloofwaardigheid van de euro is ondermijnd doordat ratingbureaus er geen vertrouwen meer in hebben dat regeringen daadkrachtig zullen optreden om te voorkomen dat door schulden geplaagde landen niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen. Recente reacties, zoals het voorstel van de Commissie om stabiliteitsobligaties in te voeren, zijn alleen op stabiliteit, maar niet op groei gericht (1), terwijl het ontwerp van de Raad voor een verdrag inzake coördinatie en bestuur (2) een groot democratisch tekort kent omdat het voorziet in besluitvorming buiten het Europees Parlement en andere instellingen van de Unie om.

1.2   Volgens het EESC vormen een terugkeer naar nationaal egoïsme of minder rechten geen oplossing voor de crisis - die een systeemcrisis van de eurozone is - maar kan die, juist in tijden zoals de huidige, te boven worden gekomen door verandering van het economisch beleid, herstel van concurrentievermogen en consolidatie van rechtvaardigheid, solidariteit en cohesie. Dit zou het vertrouwen van de burgers in het Europese project en in de haalbaarheid van een vernieuwing van het Europees sociaal model herstellen, in plaats van het risico in de hand te werken dat de crisis niet wordt opgelost, wat gevolgen zou hebben voor iedereen, aangezien dat zou kunnen leiden tot het verval en uiteindelijk het failliet van het Europese ideaal.

1.3   De instellingen van de EU moeten niet de fout maken alleen te reageren op ratingbureaus, hoewel die soms de vinger op zwakke plekken van de markt leggen. De instellingen hebben de plicht hun burgers te laten zien hoe de EU een doeltreffende uitweg uit de crisis kan vinden, en daarbij tegelijkertijd een plan te ontvouwen voor de toekomst van de EU waarmee vertrouwen en optimisme kunnen worden gevoed en het gevoel betrokken te zijn bij en deel te nemen aan de verwezenlijking van de gemeenschappelijk idealen van sociale vooruitgang en een hoog werkgelegenheidspeil kan worden versterkt. Met name moeten de kiezers de indruk krijgen dat stabiliteit hand in hand gaat met groei, en niet alleen met bezuinigingen, terwijl een robuuste economische groei het vertrouwen in en de geloofwaardigheid van de eurozone op de financiële markten zou kunnen herstellen.

1.4   Het EESC is dan ook tevreden dat de Europese instellingen stappen hebben gezet in de richting van een gemeenschappelijk begrotings- en fiscaal beleid, hoewel de tot dusver genomen maatregelen onvolledig en beperkt zijn. Ondanks dat de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en vervolgens het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) onmiddellijk zijn geactiveerd en gebruikt, vindt het EESC het dringend noodzakelijk dat er twee concrete voorstellen worden gedaan om resp. een oplossing voor de groeiproblematiek te bieden (euro-obligaties) en staatsschulden te stabiliseren (unieobligaties) (3). Met deze voorstellen zou worden voorkomen dat de euro door sommige landen en de EU uitsluitend middels bezuinigingsmaatregelen zou worden beschermd, een aanpak waardoor sociale rechten zouden worden aangetast en groei zou worden gesmoord en die het risico inhoudt dat een recessie op gang wordt gebracht.

1.5   Om snel groei te stimuleren is het in het bijzonder noodzakelijk om een economisch, sociaal en cultureel herstelplan op te stellen, een soort "nieuw pact voor Europa", naar het voorbeeld van de "New Deal" in de VS, teneinde de lidstaten mogelijkheden aan de hand te doen voor een solide en duurzame ontwikkeling op basis van concurrentievermogen, productiviteit, werkgelegenheid, welzijn, welvaart en, bovenal, democratische consensus. Hierdoor zouden tevens de voorwaarden worden geschapen voor de verwezenlijking van een doeltreffend gemeenschappelijk bestuur op economisch en begrotingsgebied.

1.6   Als mogelijke oplossing voor de huidige crisis zijn verschillende soorten obligaties voorgesteld, in combinatie met de nodige structurele maatregelen (4), waartoe de lidstaten zouden moeten worden aangemoedigd en gemotiveerd. Een zwak punt in deze voorstellen, ook in die van het groenboek van de Commissie, is dat zij in ofwel gezamenlijke of individuele garanties van de lidstaten voorzien, waardoor zij voor de regeringen van sommige belangrijke landen, niet in de laatste plaats Duitsland, onaanvaardbaar zijn.

1.7   Het EESC stelt daarentegen dat dergelijke garanties en overdrachten niet nodig zijn om een deel van de staatsobligaties van lidstaten om te zetten in unieobligaties of voor een netto-uitgifte van euro-obligaties. Tevens is het van mening dat obligatiefinanciering niet tot een laks beheer van overheidsmiddelen leidt indien de omzetting van nationale schulden in unieobligaties op een schuldrekening, en niet op een tegoedrekening plaatsvindt. De netto-uitgifte van obligaties is geen manier om begrotingstekorten te financieren maar betekent dat spaargelden, met inbegrip van mondiale overschotten, voor investeringen worden gebruikt die de cohesie en het concurrentievermogen kunnen verhogen.

1.8   Het EESC stelt de invoering voor van twee complementaire, maar verschillende obligaties (bonds) van de Europese Unie: unieobligaties om schulden te stabiliseren en euro-obligaties om herstel en groei te stimuleren. Het EESC beveelt tevens aan met een deel van de netto-inkomsten van de euro-obligaties een Europees risicokapitaalfonds te financieren, een van de oorspronkelijke doelstellingen van het Europees Investeringsfonds (EIF) (5).

1.9   Unieobligaties: een deel van de nationale schulden (maximaal 60 % van het BBP) wordt (eventueel geleidelijk) in unieobligaties omgezet, die op een geconsolideerde maar niet verhandelbare schuldrekening zouden kunnen worden ondergebracht. (6) Omdat deze obligaties niet worden verhandeld, zouden ze beschermd zijn tegen speculaties naar aanleiding van beoordelingen van kredietbeoordelaars (ratingbureaus). Begrotingsoverdrachten zouden echter niet nodig zijn. De lidstaten waarvan schuld is omgezet in unieobligaties, zouden verantwoordelijk blijven voor de schuldendienst van hun deel daarvan. Door deze omzetting zou de staatsschuld van de meeste betrokken lidstaten zodanig verminderen dat ze weer aan de criteria van Maastricht zouden voldoen. De financiële situatie van Griekenland zou niettemin een specifiek probleem blijven, maar wel één dat beperkt en daarom beheersbaar is.

1.10   Om dit te bereiken zou het stabiliteits- en groeipact niet hoeven te worden herzien. De geloofwaardigheid ervan - waaraan het momenteel bij markten en kiezers zozeer ontbreekt - zou veeleer toenemen aangezien zonder bezuinigingen stabiliteit zou worden gerealiseerd. Bovendien zou de omzetting van een significant deel (maximaal 60 %) van de schulden van lidstaten in een schuld van de Unie kunnen worden uitgevoerd volgens een procedure van "nauwere samenwerking". Lidstaten die dat wensen kunnen hun eigen obligaties behouden (7).

1.11   Euro-obligaties, uitgegeven om herstel en groei te financieren, zullen in tegenstelling tot unieobligaties wel worden verhandeld en zouden kapitaal van buiten de EU kunnen aantrekken. In september 2011 hebben de Brics-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) verklaard bereid te zijn een reserve in euro aan te houden om de eurozone te helpen stabiliseren. Door daarvoor euro-obligaties te gebruiken in plaats van nationale obligaties zou de euro als mondiale reservemunt worden versterkt en zouden de opkomende landen tevens voor een deel hun ambitie kunnen verwezenlijken om een pluralistischer mondiaal systeem van valutareserves te creëren.

1.12   Euro-obligaties zouden niet bij de staatschuld van Duitsland of welke lidstaat dan ook moeten worden opgeteld, noch vereisen zij gezamenlijke of individuele overheidsgaranties. De Europese Investeringsbank geeft sinds 50 jaar op succesvolle wijze obligaties uit zonder dat zij daarvoor op nationale garanties is aangewezen. Dat is zelfs zo'n groot succes dat zij inmiddels twee keer zo groot is als de Wereldbank.

1.13   Euro-obligaties zouden leiden tot de toestroom van mondiale liquiditeitsoverschotten naar de EU. Daardoor zou de groei worden hersteld, wat de meest doeltreffende manier is om schulden af te bouwen en tekorten terug te dringen, zoals is gebleken tijdens de tweede ambtstermijn van president Clinton, toen de federale begroting elk jaar een overschot vertoonde. Met euro-obligaties zouden investeringen van de EIB kunnen worden gecofinancierd. De schuldendienst ervan zou moeten worden gedekt met de inkomsten van de lidstaten die daarvan profiteren en niet via begrotingsoverdrachten tussen lidstaten.

1.14   Dankzij een groei die wordt gefinancierd met obligaties en aangestuurd door investeringen in het kader van de bevoegdheden op het vlak van convergentie en cohesie van de EIB-groep (die bestaan sinds de vaststelling van het Speciale Actieprogramma Amsterdam in 1997), zou het macro-economische niveau van begrotingsoverdrachten kunnen worden bereikt.

1.15   De cohesie zou worden vergroot: met euro-obligaties zouden investeringsprojecten van de EIB kunnen worden gecofinancierd. Deze bank beschikt wat dit betreft al sinds 1997 over de nodige bevoegdheden om op de volgende gebieden de cohesie en convergentie te bevorderen: gezondheid, onderwijs, stadsvernieuwing, milieu, groene technologieën en mkb- en startersondersteuning in de sector nieuwe technologie.

1.16   Het concurrentievermogen zou worden verbeterd als met een deel van het door middel van de uitgifte van euro-obligaties verzamelde kapitaal een risicokapitaalfonds voor kleine en middelgrote ondernemingen zou worden gefinancierd. Daarmee zou de mogelijkheid worden geboden voor een Europees middenstandsbeleid – een van de doelen waarvoor het EIF (dat inmiddels in de EIB-groep is opgegaan) oorspronkelijk was opgezet.

1.17   De Europese centrale bank moet stabiliteit garanderen. De EIB-groep kan zorgen voor groei wanneer haar investeringsprojecten worden gecofinancierd door middel van euro-obligaties. Na de financiële crisis van 2008 werd de EIB verzocht om obligaties aan te houden en uit te geven met het oog op schuldstabilisatie. De EIB wees dit verzoek echter af, wat toentertijd begrijpelijk was. Bij de oprichting van het EIF was het echter de bedoeling dat dat, volgens een voorstel van Jacques Delors in het witboek "Groei, Concurrentievermogen, Werkgelegenheid" van de Commissie van 1993, unieobligaties zou uitgeven. Als onderdeel van de EIB-groep en gebruikmakend van de ervaring van de EIB met de succesvolle uitgifte van obligaties zou het EIF voor de netto-uitgifte van euro-obligaties kunnen zorgen (zie de paragrafen 5.2 tot en met 5.8 van dit advies).

1.18   Euro-obligaties zouden kunnen worden benut om te helpen een Europees groeiplan te financieren, een "Europees groeipact" waarbij Europa's beste krachten zijn betrokken: bedrijfsleven, vakbonden en verenigingen. Dit pact zou concrete oplossingen moeten bieden voor de huidige crisis. Het zou een Europese "New Deal" moeten vormen naar Amerikaans voorbeeld, dat herstel van groei en werkgelegenheid stimuleert, schulden vermindert, vertrouwen en hoop geeft in de toekomst van de EU en met name de werkloosheid onder jongeren terugdringt.

1.19   Tegelijkertijd zou er een proces op gang moeten worden gebracht om onverwijld enkele fundamentele Europese kwesties aan te pakken: economische en fiscale kwesties, zoals besproken tijdens de top van 8 en 9 december 2011 te Brussel, in het kader waarvan ook de versterking van de ECB als hoeder van de financiële stabiliteit aan bod moet komen, en sociale en politieke kwesties, om het huidige democratische tekort te bestrijden en de besluitvorming te versnellen. In de praktijk betekent dit het uit de weg ruimen van alle beperkingen (met name de beperkingen van het besluitvormingsproces en het politieke onvermogen) die de EU hebben belemmerd en nog steeds belemmeren om snel en efficiënt op te treden, niet alleen om de euro te ondersteunen, maar ook om haar eigen toekomst en bestaansreden niet op het spel te zetten, wat tot haar verval zou leiden.

2.   Achtergrond

2.1   De belangrijkste doelstelling van dit advies is een reeks maatregelen te presenteren die onmiddellijk uitvoerbaar zijn, zonder dat daarvoor nieuwe instellingen of Verdragswijzigingen vereist zijn en waarmee de grondslagen kunnen worden gelegd voor een gemeenschappelijk beheer van de schuld van de eurozone. Het EESC erkent de noodzaak om onhoudbare nationale schuldniveaus terug te dringen, en als zodanig sluit dit advies aan bij andere reeds opgestelde of nog in voorbereiding zijnde adviezen van het EESC over groei, industrie- en financieel beleid, productiviteit en concurrentievermogen.

2.2   Na de financiële crisis van 2007/2008 werd gehoopt dat het ergste achter de rug was. De aanpak van deze crisis kostte de Europese burgers veel geld en leidde tot hogere staatsschulden. Maar twee jaar later kwamen – ondanks het feit dat er slechts sprake was van een kortstondige verhoging van nationale schulden in verband met de kosten voor de redding van banken – niet particuliere maar overheidsschulden onder vuur te liggen.

2.3   De aanval op de zwakste landen heeft de kwetsbaarheid van de eurozone laten zien, ook al bedraagt de totale overheidsschuld in de eurozone – die evenwel verminderd en onder controle moet worden gebracht – minder dan die van de VS. De, zij het te laat, genomen maatregelen vormen een grote stap vooruit, maar zijn onvoldoende omdat er sprake is van een systeemcrisis, die niet meer wordt veroorzaakt door de schuld van één land in het bijzonder.

2.4   De huidige crisis heeft een voor het voortbestaan van de eurozone en voor de toekomst van de Europese integratie zelf essentieel probleem klip en klaar aan het licht gebracht, dat als volgt kan worden samengevat: "wie schrijft de wet voor en wie heeft het laatste woord?". Het Europese maatschappelijk middenveld heeft inmiddels goed begrepen dat niet langer door gekozen regeringen wordt bepaald wat er gebeurt, maar door niet-verkozen entiteiten. Daardoor loopt niet alleen de legitimiteit van afzonderlijke regeringen, maar ook het voortbestaan van de democratische besluitvorming op Europees niveau gevaar.

2.5   De euro had tot 2008 geen last van wisselkoersschommelingen, steeg in waarde ten opzichte van de dollar en werd mondiaal gezien de op één na grootste reservevaluta. Een van de redenen waarom hier verandering in is gekomen en de euro onder druk is komen te staan, is dat de ratingbureaus er tot de Griekse crisis vanuit gingen dat de Unie geen lidstaat van de eurozone ten onder zou laten gaan. Toen er geen snelle oplossing voor de Griekse crisis kwam, rees de risico-opslag op nieuwe staatsobligaties de pan uit. Doordat het twee jaar lang aan de politieke wil ontbrak om een oplossing voor de staatsschuldencrisis in Europa te vinden, werden de ratingbureaus ertoe aangezet de rating voor de obligaties van een aantal eurolanden te verlagen, wat inmiddels niet alleen voor de periferie, maar ook voor de kern van de eurozone gevolgen heeft.

2.6   Los van de noodzaak schulden te verminderen (hetgeen geleidelijk moet gebeuren om te voorkomen dat de "schuldige" zieke sterft in plaats van geneest), moet de EU krachtdadiger optreden. De lidstaten, en niet alleen die met de meeste schulden, staan nu met de rug tegen de muur, omdat ze hun tekorten niet mogen laten oplopen, en zijn door de geringe groei verzwakt, waardoor zij en de EU murw zijn geworden, of toch op zijn minst slechts zeer langzaam besluiten nemen. Noch heeft de politiek de obligatiemarkten gerust weten te stellen met haar beleid van discipline, bezuinigingen en besparingen, aangezien hierdoor een lage of negatieve groei dreigt.

2.7   Eén aspect hiervan is dat wordt vergeten dat de overschotten van het ene land de tekorten van andere landen zijn. Een ander aspect is een verkeerde opvatting over de veronderstelde verdringing van investeringen ("crowding out") en de bijbehorende misvatting dat het terugbrengen van overheidsinvesteringen en –uitgaven particuliere investeringen en uitgaven zou aantrekken ("crowding in"). Hierbij wordt over het hoofd gezien dat een bezuinigingsbeleid in kleinere lidstaten in het verleden weliswaar tot economisch herstel heeft geleid, maar dat de EU als geheel in die tijd profiteerde van een stijgende exportvraag en dat het herstel in sommige gevallen gepaard ging met een devaluatie, wat momenteel geen optie is voor de lidstaten van de eurozone.

2.8   De EU dient de Europese burgers weer het vertrouwen te geven dat zij baat hebben bij de eenheidsmunt. Hiervoor is een economisch, sociaal en cultureel actieplan nodig en een "nieuw Europees pact", geënt op de Amerikaanse "New Deal". Op grond van het succes van de New Deal steunde president Truman destijds het Marshallplan, dat niet alleen de naoorlogse wederopbouw heeft bespoedigd, maar tevens in alle Europese landen een bestendige ontwikkeling mogelijk heeft gemaakt op basis van concurrentievermogen, productiviteit, werkgelegenheid, verzorgingsstaat, welvaart en niet te vergeten consensus (inspraak en sociaal partnerschap).

2.9   Met een dergelijk vooruitzicht op stabiliteit én groei zou de politieke consensus kunnen worden verkregen voor de invoering van nieuwe instrumenten voor een gemeenschappelijk bestuur op economisch en begrotingsgebied. Het is niet logisch om een gemeenschappelijke munt te hebben en tegelijkertijd zeventien verschillende nationale benaderingen met betrekking tot het schuldenbeheer. Echter, een streng begrotingsbeleid dat op bezuinigingen is gebaseerd, volstaat niet om dit probleem op te lossen. Er zijn samenhangende strategieën voor het schuldenbeheer en gemeenschappelijke financiële instrumenten nodig om in Europa tegelijkertijd groei te kunnen financieren en te hoge nationale schulden te verminderen.

2.10   Het antwoord van de EU op de crisis mag niet alleen maar luiden in termen van "strengheid, bezuinigingen, besnoeiingen en offers", afgezien nog van de consequenties van zo'n antwoord. En er zou al helemaal niet moeten worden geoordeeld over en een onderscheid moeten worden gemaakt tussen "voorbeeldige leerlingen" en "kneusjes", hetgeen vaak geen recht doet aan de werkelijkheid en aan daadwerkelijke verantwoordelijkheden. Een dergelijke benadering veroorzaakt rancune, egoïsme, wrok en verbittering - ook in cultureel opzicht – en zal leiden tot bekrompenheid, arrogantie en een voor Europa gevaarlijk populisme. Ten grondslag aan dit alles ligt een verkeerde diagnose, een morele visie op de crisis die de zogenaamde "voorbeeldige leerlingen" belemmert om de andere te helpen.

2.11   De gelijkstelling van bezuinigingen met groei vormt een dilemma dat de EU moet oplossen, mét instemming van haar burgers. Daartoe dient zij tegelijkertijd op twee fronten actie te ondernemen. Dit wordt in de volgende twee paragrafen toegelicht.

2.12   Enerzijds dient een nieuw, verdergaander voorstel inzake de staatsschulden te worden geformuleerd, dat voorziet in een vermindering van die schulden op basis van gezamenlijke solidariteit en de beginselen uit het Verdrag, waarbij de lidstaten even verantwoordelijk blijven als vroeger en dat speculanten afschrikt. Het verdedigen van de euro, wat bovenal een politieke kwestie is, zou alle landen ten goede komen, met name de rijkere, en zou voorkomen dat de paradoxale situatie ontstaat waarin de oorspronkelijke droom van een gemeenschappelijke munt een nachtmerrie voor de burgers is geworden.

2.13   Het tweede voorstel moet de Europese burgers weer vertrouwen geven. Daarom moet er, teneinde de doelstellingen van het Europees economisch herstelplan 2020 te verwezenlijken, een economisch, sociaal en cultureel actieplan worden gelanceerd, waarvoor voldoende middelen moeten worden uitgetrokken. Bovendien zou er een groots idee, een soort van "nieuw Europees pact" moeten worden uitgewerkt, bijvoorbeeld geënt op de Amerikaanse "New Deal". Zoals bekend heeft ook het Marshallplan niet alleen de naoorlogse wederopbouw bespoedigd, maar tevens in alle Europese landen een bestendige ontwikkeling mogelijk gemaakt op basis van concurrentievermogen, productiviteit, werkgelegenheid, verzorgingsstaat, welvaart en niet te vergeten consensus (inspraak en sociaal partnerschap).

2.14   De EU moet dus alles in het werk stellen om met één stem antwoorden te geven op de vragen van de markten, die tegen hun eigen grenzen zijn aangelopen doordat ze zonder regels en ongecontroleerd hun gang zijn gegaan. Hiervoor is echter geen unanieme goedkeuring van nieuwe financiële instrumenten door alle lidstaten vereist. Wel kan hiervoor gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid van "nauwere samenwerking". In plaats van de eurozone te verkleinen tot een "harde kern" van enkele lidstaten – waarvoor dat nadelig zou kunnen uitpakken – zou het voor de landen die onder druk van speculanten staan, mogelijk moeten worden om een significant deel van hun staatsschuld op een Europese schuldrekening onder te brengen. Daarvan zouden alle lidstaten de vruchten plukken.

3.   Unieobligaties om nationale schulden te stabiliseren

3.1   In Europa kunnen staatsschulden inmiddels niet meer puur beschouwd worden als schulden van staten. De beperkte mogelijkheden en de fouten van de EU en haar lidstaten hebben, samen met het gebrek aan een doeltreffend kader voor toezicht op en controle van financiële instellingen, roofzuchtig gedrag met betrekking tot nationale valuta in de hand gewerkt. (8) Daardoor, maar ook doordat overheidsmiddelen slecht werden beheerd, is de soevereiniteit van sommige kwetsbare lidstaten aangetast.

3.2   Het EESC acht het absoluut noodzakelijk om de begrotingen van enkele landen te saneren en hun begrotingsdiscipline te verbeteren, met in de laatste plaats via rechtvaardige en onderling overeengekomen hervormingen. Op langere termijn zou een begrotingsunie met een minister van Economische Zaken en Financiën van de eurozone kunnen worden gecreëerd. Het is niet logisch dat in de eurozone één monetair (en begrotings)beleid wordt gevoerd, terwijl er sprake is van zeventien verschillende soorten schuldbeleid. Nu zijn echter dringend maatregelen nodig om de staatsschulden te stabiliseren, alsmede een gemeenschappelijk beheer van de begrotingen van de lidstaten d.m.v. toezicht op EU-niveau.

3.3   In politiek opzicht moet sterker worden benadrukt dat de Unie zelf - hoewel enkele van haar lidstaten diep in het rood staan - nog altijd vrijwel geen schulden heeft, en vóór mei 2010 en het opkopen van de schulden van sommige lidstaten helemaal geen schulden had. Ook na het opkopen van die schulden en de uitgevoerde reddingen van banken bedraagt de schuld van de EU nauwelijks 1 % van haar BBP. Daarmee kent ze een verhouding tussen schuld en BBP die minder is dan een tiende van die verhouding in de VS in de jaren dertig, toen de regering Roosevelt begon met het mobiliseren van spaargelden voor investeringen door de uitgifte van federaal schatkistpapier op te voeren. (9) In tegenstelling tot de VS destijds kan de EU nu haar voordeel doen van de eerder in Amerika opgedane ervaringen met obligaties.

3.4   De verloren soevereiniteit kan door de EU worden hersteld. Zij zou de nationale regeringen de macht moeten teruggeven die de financiële markten momenteel uitoefenen, en in dit verband het toezicht op en de verantwoordelijkheid van de spelers op de financiële markten (waaronder ratingbureaus) moeten vergroten. Daarvoor echter zijn het opkopen van schulden, gemeenschappelijke staatsgaranties en begrotingsoverdrachten niet noodzakelijk. Voor de financiering van de New Deal bijvoorbeeld heeft de regering Roosevelt geen schulden van Amerikaanse staten opgekocht en heeft ze die staten evenmin verplicht om garant te staan voor de door haar uitgegeven obligaties of om begrotingsoverdrachten uit te voeren. De VS geven schatkistpapier uit waarvan de schuldendienst met de inkomsten van federale belastingen wordt gedekt. In de EU bestaat er echter in tegenstelling tot de VS geen gemeenschappelijk fiscaal beleid. Maar de lidstaten kunnen perfect het deel van hun obligaties dat in unieobligaties is omgezet financieren. Daarvoor zijn geen onderlinge begrotingsoverdrachten nodig.

3.5   Met de goedkeuring van een bezuinigingsstrategie in reactie op de ontwikkelingen op de financiële markten is het Europees economisch herstelprogramma op de achtergrond geraakt. De meeste kiezers beseffen niet welke verplichtingen de EU in dit verband is aangegaan, maar zijn zich wel terdege bewust van de offers die hun worden gevraagd voor de redding van banken en hedgefondsen. De burgers zijn in het algemeen zelfs nauwelijks op de hoogte van het bestaan van dit programma.

3.6   De omzetting van een deel van de schulden van de lidstaten in een schuld van de Unie zou ook de vorm kunnen krijgen van een "nauwere samenwerking", waarbij belangrijke lidstaten zoals Duitsland hun eigen obligaties zouden kunnen behouden. Volgens het Verdrag van Lissabon is bij een nauwere samenwerking een minderheid van de lidstaten betrokken. Maar de invoering van de euro zelf vormde feitelijk een nauwere samenwerking tussen een meerderheid van de lidstaten. Het Brueghel-instituut heeft voorgesteld een nieuwe instelling op te richten om de in unieobligaties omgezette nationale schulden te beheren (10). Een nieuwe instelling is echter niet nodig.

3.7   De unieobligaties waarin een deel van de schulden van de lidstaten worden omgezet, zouden door de EFSF (en daarna het ESM) op een speciale conversierekening kunnen worden aangehouden in plaats van te worden verhandeld. (11) Zo zouden deze obligaties zijn beschermd tegen speculatie. De beleggers zouden de activa tegen de geldende rente aanhouden tot het einde van de looptijd van de obligaties. Hierdoor zou ook onvoorzichtig gedrag worden vermeden, aangezien obligaties op een schuldrekening niet kunnen worden gebruikt om nettokrediet te creëren. Het voordeel voor zowel de regeringen als obligatiehouders is dat het risico van wanbetaling door sommige lidstaten hierdoor aanzienlijk zou worden verminderd.

4.   Euro-obligaties om herstel en duurzame groei te stimuleren

4.1   De recente ontwikkelingen hebben de noodzaak duidelijk gemaakt van een gemeenschappelijk Europees sociaaleconomisch bestuur, in navolging van de na de invoering van de euro ontstane monetaire eenheid. Dankzij zo'n bestuur zouden de groeiende macro-economische onevenwichtigheden adequater kunnen worden aangepakt. Tot dusver hebben de Commissie en de Europese Raad echter alleen aandacht besteed aan stabiliteit, waardoor de noodzaak om de groei weer op gang te brengen op de achtergrond is geraakt.

4.2   Hierbij wordt voorbijgegaan aan de sociale dimensie van een langdurig bezuinigingsbeleid en tevens aan de mondiale gevolgen daarvan, gezien het belang voor groeilanden van een duurzame Europese vraag naar hun exportproducten. Tevens wordt zo voorbijgegaan aan het feit dat de financiering van het herstel van groei niet moet gebeuren via begrotingsoverdrachten tussen lidstaten, maar via het in omloop brengen van de overschotten van opkomende economieën.

4.3   In de pers bijvoorbeeld zijn al diverse voorstellen ter zake verschenen. Deze zijn geënt op het voorstel van het Brueghel-instituut en dat uit 1993 van Delors voor unieobligaties. Er wordt met klem in op gewezen dat de netto-uitgifte van euro-obligaties de overschotten van centrale banken uit groeilanden en van staatsinvesteringsfondsen zou aantrekken, hetgeen tot een multipliereffect zal leiden.

4.4   Met het aldus binnengehaalde verse kapitaal zou invulling kunnen worden gegeven aan de al in eind 2008 door de lidstaten en het Europees Parlement aangegane verplichtingen in het kader van het eerder genoemde Europees Economisch Herstelprogramma. Ook als de uitgifte van euro-obligaties in het begin geleidelijk zou gebeuren, dan dit zou leiden tot een aanzienlijke cumulatieve toestroom van een gedeelte van de circa 3 biljoen dollar aan overschotten van centrale banken uit groeilanden en van staatsinvesteringsfondsen.

4.5   De omvang van deze kapitaaltoestroom zou zelfs evenveel of meer kunnen bedragen dan die van de eigen middelen van de Commissie, zonder dat hiervoor begrotingsoverdrachten – waartegen Duitsland en andere lidstaten zich verzetten – nodig zijn. Met dit kapitaal zouden ook investeringen van de EIB-groep op de voor cohesie relevante gebieden gezondheid, onderwijs, stadsvernieuwing en milieu kunnen worden gecofinancierd.

4.6   In het kader van het Speciale Actieprogramma Amsterdam van 1997 zijn aan de EIB bevoegdheden verleend met betrekking tot de doelstellingen cohesie en convergentie, en sindsdien is het volume van EIB-leningen ter financiering van investeringen verviervoudigd. Met een verdere verviervoudiging van de investeringen zou de EIB hetzelfde effect bereiken als het naoorlogse Marshallplan. (12) Anders dan bij het Marshallplan of de Structuurfondsen zou de financiering echter niet op subsidies berusten, maar op het mobiliseren van spaargelden voor investeringen. Door economische multipliereffecten zouden deze investeringen voor een duurzame vraag in de particuliere sector en voor een groei van de werkgelegenheid zorgen. Hierdoor zou op de markten en onder de burgers het vertrouwen terugkeren dat een hogere levensstandaard en meer welzijn in de plaats kunnen komen van bezuinigingen. Verder zouden de groei en de toename van de werkgelegenheid in directe en indirecte belastingsinkomsten resulteren die kunnen helpen staatsschulden en tekorten op de begroting te verminderen.

5.   Wettelijke en institutionele context van het voorstel

5.1   Unieobligaties en de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF)

5.1.1

De EFSF zou de in unieobligaties omgezette nationale schulden op een speciale conversierekening kunnen aanhouden. Dit zou in overeenstemming zijn met de taakstelling van de EFSF, die voor stabiliteit moet zorgen. De EFSF biedt deze mogelijkheid, hoewel ze in juli 2012 wordt vervangen door het ESM. Na die datum zou de omgezette schuld kunnen worden aangehouden door het ESM.

5.1.2

Het beginsel dat in unieobligaties omgezette schulden niet worden verhandeld zou de EFSF hebben beschermd tegen een afwaardering door ratingbureaus en obligatiemarkten. Door de obligaties op een schuldrekening aan te houden zou Duitsland en andere lidstaten de verzekering worden gegeven dat de in unieobligaties omgezette nationale obligaties niet kunnen worden gebruikt om krediet te creëren.

5.2   Opzet van het EIF en euro-obligaties

5.2.1

De ECB hoeft niet voor de netto-uitgifte van obligaties te zorgen. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de Unie de mogelijkheid van de uitgifte van eigen obligaties zou krijgen via het EIF, dat in 1994 werd opgericht en sinds 2000 deel uitmaakt van de EIB-groep. In de eerste plaats werd het EIF destijds opgezet als instelling voor de uitgifte van gemeenschappelijke obligaties als aanvulling op de gemeenschappelijke munt. In de tweede plaats diende het EIF financiële steun te verlenen aan kleine en middelgrote ondernemingen en startende high-techbedrijven, wat sinds 1994 de enige rol is van het fonds (13).

5.2.2

Bij de oorspronkelijke opzet van het EIF werd erkend dat een gemeenschappelijke munt de lidstaten het middel van devaluatie zou ontnemen om hun betalingsbalans aan te passen en dat er geen politieke steun was voor grootschalige begrotingsoverdrachten zoals aanbevolen in het verslag MacDougall (14). Echter, in het licht van de New Deal, werd eveneens erkend dat Europese obligaties zouden kunnen worden gebruikt om maatregelen op het gebied van het structuur-, het sociaal en het regionaal beleid te financieren, zoals reeds werd beoogd in het verslag Spaak van 1956 (15). Deze visie stemt tevens overeen met de doelstellingen van het verslag MacDougall van een structureel en cyclisch werkgelegenheids- en regionaal beleid gericht op de vermindering van interregionale ongelijkheden op het vlak van investeringen en productiviteit.

5.3   Opzet van het EIF met betrekking tot risicokapitaal

5.3.1

In de aanbeveling van 1993 dat het EIF kleine en middelgrote ondernemingen diende te steunen, werden niet alleen garanties voor participaties in of leningen aan dit soort ondernemingen voorgesteld, maar ook een Europees fonds voor risicokapitaal met een begroting van maximaal 60 miljard ecu, speciaal gericht op de financiering van startende bedrijven op high-techgebied.

5.3.2

Dit bedrag had door EU-obligaties moeten worden verkregen en uitgesmeerd over verschillende jaren moeten worden geïnvesteerd, maar zou macro-economisch potentieel hebben gehad. Een degelijk beheer van het fonds, in samenwerking met nationale kredietinstellingen en regionale ontwikkelingsagentschappen met deskundigheid op het gebied van het mkb, diende ervoor te zorgen dat de obligaties zouden kunnen worden gefinancierd door de winst op het aandelenkapitaal, zodra de economische prestaties van de betrokken ondernemingen die toelieten.

5.3.3

Met deze aanpak diende het feit dat particulier risicokapitaal in Europa in vergelijking met de VS slechts mondjesmaat beschikbaar was te worden opgevangen en moesten kleine en middelgrote ondernemingen minder afhankelijk worden gemaakt van leningen tegen een vaste rentevoet, waardoor startende bedrijven, die nog geen marktaandeel hadden verworven, werden benadeeld. Op die manier dienden micro-innovatie en het concurrentievermogen te worden versterkt, waarvan tevens positieve effecten in macro-economisch en sociaal opzicht werden verwacht.

5.3.4

Toen het EIF in 1994 werd opgericht, werd de rol van het EIF als risicokapitaalverstrekker veronachtzaamd ten gunste van de rol van verstrekker van garanties voor leningen, met het gevolg dat het fonds bij de integratie in de EIB-groep in 2000 slechts voor 1 miljard ecu aan garanties had verleend voor kleine en middelgrote ondernemingen. De oorspronkelijke opzet om een micro-instrument te creëren dat een macro-effect sorteert, werd pas in september 2008 in ere hersteld toen de Raad Ecofin in Nice besloot om 30 miljard euro te reserveren voor steun aan het mkb, dat echter nog steeds alleen uit leningen in plaats van participaties bestond.

5.3.5

Het idee om het EIF ook risicokapitaal en niet alleen leningen te laten verstrekken, dient te worden heroverwogen in het kader van de netto-uitgifte van euro-obligaties, die de omzetting van een deel van de nationale schulden in unieobligaties dient te vergezellen.

5.4   De EIB

5.4.1

De EIB heeft van begin af aan eigen obligaties uitgegeven en heeft zich er duidelijk voor uitgesproken aparte EIB-obligaties te behouden die moeten worden onderscheiden van EU-obligaties. Hier zijn gegronde redenen voor. Ten eerste worden de eigen obligaties van de EIB voornamelijk voor projectfinancieringen uitgegeven, en de EIB wenst aan dit specifieke kenmerk vast te houden. Ten tweede werd aangenomen dat voor de schuldendienst van euro-obligaties begrotingsoverdrachten noodzakelijk zouden zijn, terwijl de EIB de rentebetalingen voor haar eigen obligaties dekt met de inkomsten uit haar projectfinancieringen. Ten derde zouden de begrotingsoverdrachten tot een verhoging van de eigen middelen van de Commissie kunnen nopen, wat waarschijnlijk niet haalbaar zou zijn. De EIB maakte zich bovendien zorgen over het risico dat haar eigen kredietrating zou worden verlaagd, indien zij betrokken zou worden bij de stabilisatie van staatsschulden.

5.5   Complementariteit van de EIB en het EIF

5.5.1

Deze bedenkingen zijn evenwel niet van toepassing op de netto-uitgifte van euro-obligaties door het EIF. Hoewel zij deel uitmaken van dezelfde groep, zijn de EIB en het EIF aparte instellingen. Als zodanig zouden de door het EIF uitgegeven euro-obligaties duidelijk te onderscheiden zijn van de EIB-obligaties en van de door de EFSF aangehouden unieobligaties voor de stabilisatie van staatsschulden.

5.5.2

De uitgifte van euro-obligaties door het EIF zou in het kader van gezamenlijke projectfinanciering een aanvulling kunnen vormen op de EIB-obligaties. De schuldendienst van de obligaties zou kunnen worden gedekt met de inkomsten uit investeringsprojecten, in plaats van met begrotingsoverdrachten. De EIB zou haar zeggenschap behouden, doordat de projecten afhankelijk blijven van haar goedkeuring en door haar worden beheerd, zodat een deugdelijk projectbeheer gewaarborgd is.

5.5.3

In gevallen waarin het engagement van lokale partners vereist is, iets waaraan de EIB groot belang hecht, kan zij hiervoor zorgen door in het projectbeheer samen te werken met nationale kredietinstellingen zoals Caisse des Depôts et Consignations, de Cassa Depositi e Prestiti of de Kreditanstalt für Wiederaufbau.

5.6   Obligatiebeheer door het EIF

5.6.1

Voor het EIF zou een nieuw bedrijfsplan moeten worden opgesteld voor het beheer conform de "open markt"-benadering die aan de uitgifte van obligaties verbonden is en die een centraal onderdeel vormde van de oorspronkelijk opzet van het fonds. Hiervoor is een zeer bekwaam team nodig, dat uit medewerkers van de EIB zou kunnen worden gerekruteerd en contacten zou kunnen onderhouden met nationale schuldinstellingen. Aangezien de uitgifte van euro-obligaties stapsgewijs zou plaatsvinden, zou dit nieuwe team ook geleidelijk opgebouwd kunnen worden.

5.6.2

De Raad Ecofin beheert de EIB-groep. Er is geen Verdragswijziging nodig voor het besluit om het EIF euro-obligaties te laten uitgeven. Dit geldt al sinds de oprichting van het EIF in 1994.

5.7   Voor de vaststelling van de criteria voor een Europees economisch herstelprogramma is geen besluit van de Raad Ecofin of een voorstel van de Commissie nodig. In het kader van het Speciale Actieprogramma Amsterdam van 1997 en tijdens de bijeenkomsten van de Europese Raad van 1997 in Luxemburg en van 2000 in Lissabon zijn de EIB de nodige bevoegdheden op het vlak van convergentie en cohesie verleend om investeringen te kunnen doen in gezondheidzorg, onderwijs, stadsvernieuwing, het stedelijk milieu, groene technologie, financiële steun voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor startende bedrijven op high-techgebied alsook in trans-Europese vervoers- en communicatienetwerken.

5.8   Sinds 1997 heeft de EIB het jaarlijkse volume van haar financieringen van investeringen verviervoudigd tot een bedrag dat overeenkomt met twee derde van de eigen middelen van de Commissie. Wanneer dit bedrag vóór 2020 nog eens zou worden verviervoudigd, m.b.v. cofinancieringen middels investeringen in euro-obligaties door de centrale banken en staatsinvesteringsfondsen van groeilanden, zou het Europees economisch herstelplan werkelijkheid kunnen worden. Dit kan vooral ook worden verwacht op grond van het feit dat dergelijke investeringen voor een drievoudig multipliereffect zouden zorgen en daarmee het effect van investeringen met begrotingsmiddelen met een factor twee of drie zouden overtreffen (16).

Brussel, 23 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Europese Commissie. Groenboek over de haalbaarheid van de invoering van stabiliteitsobligaties, COM(2011) 818 final van 23 november 2011.

(2)  Europese Raad, ontwerp van een international verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de Economische en Monetaire Unie van 10 januari 2012.

(3)  Er zij op gewezen dat de definitie van euro-obligaties zoals die in dit advies wordt gehanteerd, niet exact overeenstemt met die welke door sommige anderen wordt gebruikt. De stabiliteitsobligaties waarvan de haalbaarheid in het groenboek van de Europese Commissie wordt geanalyseerd, zijn in zeker opzicht vergelijkbaar met de "unieobligaties" die in dit advies worden voorgesteld, waarbij het verschil echter is gelegen in de vraag of voor deze obligaties gezamenlijke of individuele garanties nodig zijn. In andere voorstellen, zoals van Lorenzo Bini Smaghi, wordt de term euro-obligaties gebruikt in dezelfde context van stabilisering, terwijl met euro-obligaties in dit advies de netto-uitgifte van obligaties met het oog op het aanzwengelen en duurzaam maken van economisch herstel wordt bedoeld. Zie verder: Von Weizäcker, J. en Delpla, J., The Blue Bond Proposal, The Brueghel Institute. Policy Brief 2010:3; Schmidt, C. M et al, Proposal for a European Redemption Pact, 9 november 2011, Sachverständigenrat zu Begutachtung der gesamtwirtschaftlichen Entwicklung.

(4)  In de eerste plaats de voltooiing van de interne markt, zoals voorgesteld in het verslag-Monti.

(5)  Holland, Stuart, The European Imperative: Economic and Social Cohesion in the 1990s. Voorwoord Jacques Delors. Nottingham: Spokesman Press, 1993.

(6)  Daarmee zouden particuliere obligatiehouders veel beter af zijn in vergelijking met het risico op een bankroet, omdat de nationale obligaties één op één en tegen de bestaande rentevoet in unieobligaties zouden worden omgezet.

(7)  De lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie, kunnen gebruik maken van de instellingen van de Unie en die bevoegdheden uitoefenen op grond van de ter zake geldende bepalingen van de Verdragen, binnen de grenzen van en overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 VWEU en in de artikelen 326-334 VWEU. Met nauwere samenwerking wordt beoogd de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie te bevorderen, haar belangen te beschermen en haar integratieproces te versterken. Nauwere samenwerking staat te allen tijde open voor alle lidstaten. Het besluit houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan wordt in laatste instantie vastgesteld door de Raad, wanneer deze constateert dat de met de nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt en mits ten minste negen lidstaten aan de nauwere samenwerking deelnemen. De in het kader van een nauwere samenwerking vastgestelde handelingen zijn alleen verbindend voor de lidstaten die aan de nauwere samenwerking deelnemen en worden niet beschouwd als een acquis dat door de kandidaat-lidstaten van de Unie moet worden aanvaard (art. 20 VWEU). Alle leden van de Raad kunnen aan de beraadslagingen over een procedure van nauwere samenwerking deelnemen, maar alleen de leden van de Raad die de aan een nauwere samenwerking deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, nemen deel aan de stemming (art. 330 VWEU).

(8)  Zie het EESC-advies over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus, PB C 54 van 19.02.2011, blz. 37.

(9)  De VS kozen pas in de tweede ambtstermijn van president Roosevelt voor het financieren van tekorten. Toch waren zowel in diens eerste als tweede ambtstermijn met obligaties gefinancierde sociale en milieu-investeringen de voornaamste stuwende kracht achter het herstel na de grote crisis van de jaren dertig. Europa zou dit voorbeeld kunnen volgen om economisch herstel te realiseren.

(10)  Von Weizäcker, J. and Delpla, J. (2010), The Blue Bond Proposal, Brueghel Policy Brief 2010/03.

(11)  Particuliere houders van niet op de markt verhandelbare obligaties zouden deze indien nodig aan het ESM tegen nominale waarde kunnen verkopen totdat het vastgestelde plafond is bereikt.

(12)  Halverwege 1950 werden in een enquête 2 000 personen uit Frankrijk, Noorwegen, Denemarken, Nederland, Oostenrijk en Italië geïnterviewd. In alle landen had 80 % ooit van Marshallhulp gehoord en wist tussen de 25 % en 40 % hoe deze hulp functioneerde.

(13)  Stuart Holland, The European Imperative: Economic and Social Cohesion in the 1990s, 1993, op. cit.

(14)  Tussen 5 % en 7 % van het BBP - Europese Commissie, Report of the Study Group on the Role of Public Finance in European Integration, 1977.

(15)  Intergovernmental Committee on European Integration (1956), Report on the General Common Market (Spaak Report).

(16)  J. Creel, P. Monperrus-Veroni & F. Saraceno, Has the Golden Rule of public finance made a difference in the United Kingdom? Observatoire Français des Conjonctures Économiques, Working Papers 2007-13.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/17


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Een internemarktbeleid waarin mens en burger centraal staan” (initiatiefadvies)

2012/C 143/04

Rapporteur: Jorge Pegado LIZ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 20 januari 2011 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Een internemarktbeleid waarin mens en burger centraal staan.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 februari 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari 2012) onderstaand advies met 118 stemmen vóór en 3 tegen, bij 8 onthoudingen, goedgekeurd.

De argumenten die voor Europa pleiten veranderen voortdurend. Europa is een begrip dat moet worden aangepast aan de politieke en economische ontwikkelingen.

(Durão Barroso, Expresso, 19/11/2011)

1.   Inleiding

1.1   Twintig jaar nadat een interne markt zonder belemmeringen of obstakels van welke aard dan ook volgens Jacques Delors een feit had moeten zijn, is het de hoogste tijd dat het EESC als vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld gaat kijken hoe ver we gekomen zijn en welke kant we nu op moeten.

1.2   Wie zich vandaag over de interne markt buigt kan echter niet anders dan ook het hele Europese project opnieuw onder de loep nemen. Zal het ideale Europa dat sommigen van ons voor ogen hadden en waarvoor zo velen zich met hart en ziel hebben ingezet, terwijl anderen het werk van de afgelopen 60 jaar langzaamaan weer ondergraven, zal datzelfde Europa in 2050 nog steeds een boegbeeld van vrijheid, cultuur en vrede, een pleitbezorger van broederschap en een verkondiger van gelijkheid in een wereld zonder discriminatie en zonder grenzen zijn, zoals commissaris Barnier zich onlangs afvroeg in een goed onderbouwd betoog aan de Humboldt-Universiteit?

1.3   Zoveel is zeker: Europa maakt op dit moment woelige tijden door en worstelt met een langdurige crisis die niet louter conjunctureel maar systemisch van aard is, die méér is dan een economische en financiële crisis en ook de sociale en culturele waarden op losse schroeven zet, en waarvoor ook de EESC-vertegenwoordigers over het algemeen geen pasklare oplossing hebben.

1.4   We hebben te maken met een werkgelegenheidscrisis. Europa is niet langer in staat al zijn burgers werk te verschaffen. De enige manier om uit het slop te geraken is groei, en de beste manier om groei te bewerkstelligen is de volledige voltooiing van de interne markt.

1.5   Het maatschappelijk middenveld heeft dan ook terecht ernstige bedenkingen bij een en ander: is het huidige institutionele model van de EU dat is voortgekomen uit het Verdrag van Lissabon, wel opgewassen tegen de crisis? Behoort een efficiënte en adequate vorm van zelfregulering tot de mogelijkheden van het huidige sociaaleconomische model? Hoe is het mogelijk dat samenhangende en doeltreffende regulerende maatregelen uitblijven en dat willekeurige en tegenstrijdige besluiten elkaar opvolgen? Hoe kunnen we meer greep krijgen op het financiële systeem, gezien de opeenvolgende beurscrashes en alle daarmee gepaard gaande sociale en economische schade? De dieper liggende symptomen van de crisis en de imminente dreiging van een wereldwijde recessie lijken erop te wijzen dat het bestaande Europese model elk moment kan instorten. Het maatschappelijk middenveld doet dan ook een dringend beroep op zijn leiders om zich ambitieus en visionair op te stellen, zodat het Europese sociaaleconomische model, dat de waarden en beginselen van het Verdrag hoog in het vaandel draagt, weer nieuw leven kan worden ingeblazen.

1.6   Het Comité prijst zich bijgevolg bijzonder gelukkig dat ook het Raadgevend Comité van de EVA de tijd rijp achtte voor een advies over deze problematiek en dat beide organen erin geslaagd zijn tijdens een vergadering in Oslo hun standpunten op elkaar af te stemmen (1).

2.   Het hoe en waarom van de interne markt

2.1   Al in het Verdrag van Rome wordt verwezen naar een gemeenschappelijke markt als hefboom voor "de harmonische ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, een gestadige en evenwichtige expansie, een grotere stabiliteit, een toenemende verbetering van de levensstandaard en nauwere betrekkingen tussen de in de Gemeenschap verenigde Staten" (art. 2). De interne markt is niet opgezet als een op zich staand beleid en was nooit bedoeld als een eenvoudige vrijhandelszone, zoals de EVA, maar heeft altijd deel uitgemaakt van een brede strategie.

2.2   Zo zag dus de blauwdruk eruit van wat later het internemarktbeleid zou worden, dat door sommigen terecht wordt beschouwd als de kroon op het Europees beleid. Dit beleid diende "geleidelijk" tot stand te worden gebracht "gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar" (art. 8), die niet langer mocht duren dan in totaal 15 jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag.

2.3   Het instrumentarium om de idealen van 1957 te verwezenlijken was dus beschikbaar, maar de politieke, sociale en economische situatie kwam roet in het eten gooien, zodat de "gemeenschappelijke markt" 15 jaar later nog steeds geen feit was.

2.4   In het Witboek voor de voltooiing van de interne markt uit 1985 werd nauwkeurig aangegeven welke stappen nodig waren om deze doelstelling in 1992 te hebben waargemaakt. Tegelijk ging men inzien dat wijzigingen op het Verdrag van Rome noodzakelijk waren om de beleidsdoelstellingen van het Witboek dichterbij te brengen. Zo zag de Europese Akte (2) het licht, waarmee m.n. de volgende ingrijpende wijzigingen, die betrekking hebben op de voltooiing van de interne markt, werden ingevoerd:

a)

maatregelen inzake de onderlinge aanpassing van bepalingen die gericht zijn op de instelling van de interne markt kunnen voortaan met gekwalificeerde meerderheid worden goedgekeurd in plaats van met eenparigheid van stemmen (artt. 8 A en 100 A);

b)

er wordt voor het eerst verklaard dat maatregelen op het gebied van volksgezondheid, veiligheid en consumentenbescherming moeten uitgaan van een hoog beschermingsniveau (art. 100 A, lid 3);

c)

het beginsel van wederzijdse erkenning, dat voortvloeit uit het alom bekende ‘Cassis de Dijon’-arrest van het Hof van Justitie, wordt ingevoerd (art. 100 B);

d)

de economische en sociale samenhang wordt ondubbelzinnig aangemerkt als cruciale doelstelling die voor ogen moet worden gehouden bij de realisatie van de interne markt (artt. 130 A en B).

2.5   Het is echter pas in 1992, met het Verdrag van Maastricht, waarbij de Europese Unie (3) werd opgericht, dat de nieuwe bepalingen inzake de voltooiing van de interne markt meer gewicht in de schaal gaan leggen, op een moment dat het al meer dan duidelijk was dat de einddatum van 1992 bij lange na niet zou worden gehaald (4).

2.6   In de meeste lidstaten bleek het aantal wetgevende en andere obstakels juist nog toegenomen, wat door de Commissie oogluikend werd toegestaan; deze liberale opstelling leidde ertoe dat de interne markt op een aantal gebieden van kapitaal belang, zoals de dienstensector, nagenoeg tot stilstand kwam.

2.7   Heel wat van de initiatieven die werden genomen in het kader van de voltooiing van de interne markt waren in feite niet meer dan op zichzelf staande pogingen tot harmonisatie van de wetgeving, zonder dat er sprake was van een samenhangend beleid. Bovendien bleven de lidstaten, als reactie hierop, nationale maatregelen nemen die haaks stonden op het beginsel van vrije mededinging; zo kenden zij ongeoorloofde overheidssteun toe, legden zij nieuwe kwantitatieve of vergelijkbare beperkingen op en weigerden zij systematisch inspanningen te doen op cruciale gebieden als industriële integratie, fiscaliteit of economische governance.

2.8   Ook initiatieven die alom werden verwelkomd en schijnbaar tot een goed einde werden gebracht, zoals de goedkeuring van de Schengenregels, de invoering van de euro, en meer recent ook de communautarisering van de ruimte van vrijheid en recht en het opnemen van het Handvest van de grondrechten van de EU in de definitieve versie van het Verdrag van Lissabon, bleken uiteindelijk toch niet het verwachte effect te sorteren, niet alleen omdat bepaalde lidstaten zich er niet of niet onvoorwaardelijk bij aansloten, maar ook omdat beperkingen werden opgelegd aan de reikwijdte en toepassing ervan, als zij al niet ronduit werden geboycot. De noodzakelijke begeleidende maatregelen, zoals een daadwerkelijk Europees financieel beleid, bleven bovendien uit. Dat is de werkelijke oorzaak van het feit dat Europa niet opgewassen blijkt tegen de huidige crisis, die het aan de rand van de afgrond heeft gebracht, zoals Jacques Delors opmerkte in een interview met Le Soir en Le Temps op 18 augustus 2011.

2.9   Het Comité heeft er in het verleden al herhaaldelijk op gewezen dat een mentaliteitswijziging noodzakelijk is: wat telt is de kwaliteit van de maatregelen ter voltooiing van de interne markt. De concrete belangen en de grondrechten van de burgers in het algemeen en de consumenten en werknemers in het bijzonder moeten centraal komen te staan, en de internemarktproblematiek moet worden bekeken vanuit een humanistisch perspectief, waarbij de sociale aspecten evenveel gewicht in de schaal leggen als de economische kant van de zaak, dit in tegenstelling tot de puur economische benadering die tot nog toe is gevolgd en die enkel heeft geleid tot beperkingen, terughoudendheid, aarzeling en wantrouwen (5).

2.10   Toen de huidige Commissievoorzitter bij het aanbreken van zijn tweede mandaat zijn nieuwe visie op de interne markt voor de XXIe eeuw (6) uiteenzette, daarmee voortbordurend op een eerdere mededeling over "Een agenda voor de burgerConcrete resultaten voor Europa" (7), waren de verwachtingen hooggespannen. De Commissie leek hiermee immers een resolute koerswijziging aan te kondigen van haar internemarktbeleid, dat voortaan op de eerste plaats op de burgers en consumenten gericht zou zijn. Eindelijk zag de Commissie het internemarktbeleid niet langer als een op zichzelf staand beleidsgebied maar als onderdeel van een bredere strategie, voorloper van de Europa 2020-strategie. Als voornaamste doelstellingen vermeldde zij het herstel van het consumentenvertrouwen, het bevorderen van economische integratie en sociale samenhang en de ontwikkeling van de kennismaatschappij in een duurzaam Europa, en wel in de context van de globalisering. Spil van de nieuwe aanpak was de voortdurende verbetering van de regelgeving in een gezond en vereenvoudigd wetgevingskader (8).

2.11   Om haar koerswijziging kracht bij te zetten verzocht de Commissie oud-commissaris Mario Monti een grootschalige studie uit te voeren, die in mei 2010 werd voorgelegd (9); in diezelfde periode verzocht ook de Raad een reflectiegroep bestaande uit een aantal prominente figuren, waaronder Mario Monti en voorgezeten door de Spaanse oud-premier Felipe González, om een verslag op te stellen over de vooruitzichten van Europa voor 2030 (10); het EP op zijn beurt presenteerde eveneens in mei 2010 het verslag Grech, dat ten grondslag lag aan zijn resolutie van 20 mei over "Het verwezenlijken van een interne markt voor consumenten en burgers" (11).

2.12   Dit zijn stuk voor stuk belangrijke documenten die er allemaal op wijzen dat het beleid inzake de voltooiing van de interne markt op een nieuwe leest moet worden geschoeid, zowel qua opzet als qua uitvoering. Het huidige model is voorbijgestreefd, en hoewel er op bepaalde terreinen ontegenzeggelijk vooruitgang is geboekt, zijn de resultaten over het algemeen onderbelicht, onvoldoende en teleurstellend, zeker nu Europa te maken krijgt met onverwachte uitdagingen en de vooruitzichten allerminst rooskleurig zijn.

2.13   Deze opmerkingen en conclusies worden overigens ruimschoots gestaafd door de geregeld verschijnende scoreboards voor de interne markt (12), alsook door de gedetailleerde periodieke verslagen van Eurobarometer over de manier waarop burgers en bedrijfsleven aankijken tegen de interne markt en hun ervaringen hiermee, de scoreboards voor de consumenten op de interne markt (13), en de jaarverslagen van de Commissie over de toepassing van het gemeenschapsrecht in het algemeen (14) en het acquis op het gebied van consumentenwetgeving in het bijzonder (15); al deze analyses, als zij tenminste correct worden geïnterpreteerd, zorgvuldig worden bestudeerd en kritisch tegen het licht worden gehouden, vormen een bevestiging van de twijfels en de bezorgdheid waaraan in bovenbedoelde documenten uiting wordt gegeven.

2.14   Het zag er dus naar uit dat de Commissie een nieuwe weg zou gaan bewandelen en de hier vermelde conclusies zou meenemen in een heel nieuw beleid, een beleid dat rekening zou houden met de financiële crisis, de interne markt zou klaarstomen voor de XXIe eeuw en zou beantwoorden aan de verwachtingen die werden gewekt door de vele verklaringen van de allerhoogste politiek verantwoordelijken. Die hoop werd echter de bodem ingeslagen met de publicatie van de mededeling "Voor een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen". De vele verdiensten ervan ten spijt is deze tekst niet meer dan een opsomming van 50 afzonderlijke maatregelen, zonder duidelijke strategie (16); de minpunten en tekortkomingen ervan worden duidelijk aan het licht gebracht in de resolutie van het EP van 6 april 2011 (17).

2.15   Ook de meest recente Commissiemededeling lijdt aan dezelfde kwaal. Hierin worden twaalf "hefbomen" voor de voltooiing van de interne markt voorgesteld, maar het blijft onduidelijk welke beleidskeuzes ten grondslag liggen aan deze strategische selectie, en waarom juist voor deze hefbomen is gekozen en niet voor bepaalde andere uit bv. de lijst die al door het Comité was opgesteld in zijn advies ter zake (18).

2.16   Toch kan uit diverse recente toespraken van m.n. de Commissievoorzitter en van commissaris Barnier, alsook uit het programma dat de Commissie inmiddels heeft ingediend (19), worden afgeleid dat zich een nieuwe kijk op de verwezenlijking van de interne markt aandient. Ook de Verklaring van Krakau (20) en de verklaring van de Europese Stuurgroep van de denktank Notre Europe wijzen daarop.

3.   Een nieuw model voor de voltooiing van de interne markt

3.1   We moeten erop blijven hameren dat in het licht van de grondbeginselen van het Verdrag van Lissabon, de voltooiing van de interne markt geen doel op zich is, maar een middel, een instrument om op verschillende gebieden een reeks beleidsdoelstellingen te realiseren (21).

3.2   Daarnaast moet worden beklemtoond dat het hier tegelijk om economische, sociale en milieudoelstellingen gaat, die op gelijke voet staan en in laatste instantie stuk voor stuk gericht zijn op het welzijn van de bevolking en de bevordering van menselijke waardigheid, gelijkheid, vrijheid, solidariteit, democratie, de rechtstaat en de eerbiediging van de mensenrechten (artt. 2 en 3 van het VEU) (22).

3.3   Maatregelen voor de voltooiing van de interne markt, waarvan de doeleinden juridisch gezien vandaag veel grootschaliger zijn dan in 1957, dienen dan ook steeds te worden beschouwd in het licht van deze beginselen, waarden en doelstellingen.

3.4   De interne markt was oorspronkelijk duidelijk bedoeld als economische pijler van een federaal Europa. Vandaag echter moet dat uitgangspunt opnieuw onder de loep worden genomen, rekening houdend met de ontwikkelingen van de laatste 30 jaar en de huidige situatie. De interne markt gaat door het huidige klimaat steeds meer de richting uit van een vrijhandelszone, zoals haar voorganger de EVA, en dreigt te verworden tot de kleinste gemene deler van de nationale belangen van de lidstaten, wat betekent dat het politiek project van supranationale aard geen vrucht zal dragen.

3.5   We moeten er dan ook op blijven hameren dat de interne markt moet fungeren als bindmiddel tussen deze nationale belangen, binnen een samenhangend institutioneel systeem van economische en financiële governance, dat zo snel mogelijk concreet vorm moet krijgen.

3.6   Dit impliceert een realistische kijk op de grenzen van de interne markt: het is zaak te weten hoe ver we kunnen en mogen gaan. Zo heeft het geen zin overbodige en niet gerechtvaardigde maatregelen op te leggen die er enkel toe leiden dat bedrijven, en m.n. het mkb (23) (inclusief vrije beroepen), het leven lastig wordt gemaakt. Ook mag niet worden vergeten dat volledige harmonisatie niet altijd aangewezen is, omdat bepaalde waarden van een andere orde (bijv. kwaliteitswaarborging) de bovenhand hebben; dat kan bv. het geval zijn waar het gaat om de rechten van consumenten en hun bescherming. Naast het harmonisatieaspect moet hier ook het credo "kracht in veelvoud" weer een centrale rol in het internemarktbeleid gaan spelen.

3.7   Het is van kapitaal belang dat het programma "Beter wetgeven", waarvoor het Comité zich altijd actief heeft ingezet (24), ook in de toekomst onverkort en met vaste hand wordt uitgevoerd. Bedoeling is niet alleen teksten te produceren die vanuit technisch oogpunt kloppen en alle overbodige en schadelijke bureaucratische rompslomp overboord te gooien, maar ook en vooral proactief op te treden, zodat het maatschappelijk middenveld en de ondernemingen in kwestie daadwerkelijk worden betrokken bij alle fases van de uitwerking van de wetgeving en bij de administratie. In dat verband moet m.n. meer aandacht uitgaan naar effectbeoordelingen vooraf. Ook moet bij het streven naar harmonisatie van de wetgeving systematischer worden gekozen voor verordeningen i.p.v. richtlijnen en mag men niet bang zijn om het bekende wetgevingsarsenaal, telkens wanneer dat gerechtvaardigd lijkt, te vervangen door nieuwe en meer geschikte instrumenten, zoals optionele regelingen  (25). Evenmin moet men bang zijn om volledig af te zien van gemeenschappelijke initiatieven als die niet doeltreffend zijn en geen voordelen opleveren.

3.8   Voorts is het zaak het communautaire acquis en de administratieve formaliteiten te herzien, te vereenvoudigen en te codificeren  (26) en alle overbodige, contraproductieve of zelfs schadelijke aspecten met chirurgische precisie te verwijderen (27). Een en ander dient wel in samenspraak te gebeuren, om te voorkomen dat fundamentele aspecten van de regelgeving zouden worden afgeschaft.

3.9   Reguleren, niet verstikken, zo luidt het devies. Dit vereist niet alleen een innovatieve en creatieve opstelling, er dient ook te worden teruggegrepen op de voorstellen uit het eerste rapport van onafhankelijke deskundigen over vereenvoudiging van de wetgeving en administratie, die nog steeds actueel zijn en dringend moeten worden uitgevoerd (28).

3.10   Belangrijk in dit verband is normalisatie of standaardisering volgens de "nieuwe aanpak", die niet alleen van toepassing is op producten maar ook op diensten (29). Ook hier echter moeten de noodzaak, doelmatigheid en effecten van maatregelen nauwkeurig worden geanalyseerd, zodat bij de normalisatie de verschillende vormen van dienstverlening voor de interne markt van elkaar kunnen worden onderscheiden.

3.11   Voorts moet ook het informatiesysteem interne markt (IMI) een nieuwe impuls krijgen en worden versterkt: het toepassingsgebied ervan moet worden uitgebreid en de bestuurlijke samenwerking moet vlotter verlopen, overeenkomstig de herhaalde aanbevelingen van het Comité (30). Tevens moet zo ook het SOLVIT-netwerk worden herzien en de nodige middelen krijgen.

3.12   Ook belangrijk is een nieuwe kijk op de belangrijkste pijlers van de interne markt, zoals m.n. de beginselen van wederzijdse erkenning (31), subsidiariteit (32) en evenredigheid (33), alsook het voorzorgsbeginsel, dat vooralsnog enkel van toepassing is op specifieke gebieden, zoals voedselveiligheid, maar tot een algemeen beginsel zou moeten worden verheven. Deze beginselen moeten opnieuw worden afgebakend en de toepassing ervan moet nauwer worden afgestemd op de reële behoeften van de burgers.

3.13   Bij de vaststelling van de prioriteiten moet zorgvuldig te werk worden gegaan. Het gaat niet aan om willekeurig een aantal symbolische maatregelen uit te kiezen. Bedoeling is aan de hand van een aantal duidelijk criteria een strikte beleidskoers uit te zetten – wat Europa tot nog toe heeft nagelaten –, waarin mensen centraal staan.

3.14   Bovenaan de prioriteitenlijst moet een plaats worden ingeruimd voor de dienstensector  (34), en meer specifiek de retailmarkt voor financiële diensten voor consumenten  (35); dit is immers bij uitstek een van de terreinen waarop de interne markt te kort schiet, terwijl er juist behoefte is aan meer innovatieve maatregelen én instrumenten. Zo zou het Comité m.n. graag zien dat de Commissie toeziet op de uitvoering van de Dienstenrichtlijn en daarover regelmatig en in alle openheid verslag uitbrengt; deze richtlijn is tot nog toe immers het enige wetgevingsinstrument dat erop gericht is de grensoverschrijdende handel in diensten open te stellen.

3.15   Bijzondere aandacht verdient voorts de voltooiing van de interne markt voor grensoverschrijdende elektronische handel, die immers sociaaleconomische voordelen meebrengt voor de Europese consumenten in het algemeen en meer in het bijzonder voor de bewoners van minder toegankelijke gebieden en mensen met een handicap. Ook het bedrijfsleven, en dan vooral het MKB, zal hier garen bij spinnen. Hiermee komt immers een einde aan tal van problemen die wel al uitgebreid in kaart werden gebracht zonder dat echter werk werd gemaakt van de instrumenten en mechanismen die onontbeerlijk zijn om het vertrouwen van de consument te winnen en hem te beschermen en om een gunstig klimaat te scheppen voor het bedrijfsleven (36).

3.16   Het gaat m.n. om de versnippering van de markt, de uiteenlopende toepasselijke regels, de onzekerheid omtrent privacy en vertrouwelijkheid van gegevens, de veiligheid van transacties, de juridische bescherming bij geschillen, het bestaan van illegale onlinediensten, piraterij en cybercriminaliteit. Om een samenhangend wettelijk kader voor een echte digitale interne markt te kunnen uitwerken is dus een horizontale aanpak door de verschillende DG's van de Commissie vereist.

3.17   Een terrein waarop nog veel werk aan de winkel is, en waarop de EU helaas nog geen overtuigend resultaat geboekt heeft, is de daadwerkelijke toepassing van het Gemeenschapsrecht. Dit is immers de enige manier om de naleving van het recht en de efficiëntie van de regelgeving (37) veilig te stellen, en ervoor te zorgen dat men zich niet blindstaart op "administratieve samenwerking" zonder meer (38). Voor de burgers is het in dit verband cruciaal dat het recht op collectief verhaal op Europees niveau zonder verdere vertraging en ondubbelzinnig wordt vastgelegd, zodat duidelijk wordt wie in laatste instantie verantwoordelijk is voor niet-naleving van de EU-regels, en de vrijwillige naleving ervan wordt gestimuleerd (39).

3.18   Het allerbelangrijkste is echter dat parameters worden vastgelegd voor een interne markt waarbij mens en burger centraal staan. Een dergelijke taak hoort niet te worden toevertrouwd aan een groepje van zogenaamde wijzen; de burgers en de maatschappelijke organisaties moeten een vinger in de pap krijgen; er moet worden geluisterd naar hun wensen en verlangens, maar ook naar hun frustraties en teleurstellingen.

3.19   Het Comité zou dan ook graag zien dat met de viering van de 20 jaar die sinds 1992 verstreken zijn, het startsein wordt gegeven voor een periode van reflectie. Het is tijd om actie te ondernemen, maar het is van belang dat gecoördineerd en doordacht te werk wordt gegaan. Het Comité zou aan het debat willen bijdragen door een aantal in zijn ogen essentiële parameters aan te reiken.

3.19.1

Op de eerste plaats dient duidelijk te worden gemaakt dat het internemarktbeleid ondergeschikt is aan de grondbeginselen en hoofddoelstellingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, meer i.h.b. de bepalingen van de titels IV en V en de versterking van de sociale dimensie en de rechten van de consument (40).

3.19.2

Daarnaast dient te worden bekeken hoe sectorale beleidsmaatregelen kunnen worden samengebracht onder een gemeenschappelijke strategische doelstelling, zodat het economisch, industrie-, handels-, vervoer-, energie-, milieu-, consumenten- en mededingingsbeleid onder hetzelfde algemeen wettelijk kader vallen, dat gericht is op integratie en het vertrouwen van de sociale en maatschappelijke partners (consumenten, gezinnen, werknemers, bedrijven, ngo's, enz.) versterkt. Dit houdt in dat de 2020-strategie opnieuw onder de loep wordt genomen en nieuw leven wordt ingeblazen.

3.19.3

Daarnaast moet de discussie worden aangegaan over de versterking en verzekering van de vrijheid van verkeer en de mobiliteit van burgers in het algemeen en i.h.b. van werknemers, zelfstandigen, beoefenaars van vrije beroepen, docenten en studenten. Het is zaak dat de sociale rechten (sociale zekerheid, juridische bescherming, ziekte- en ongevallenverzekering, pensioenen, enz.) van al deze groepen in alle omstandigheden en zonder discriminatie worden geëerbiedigd. Een en ander houdt ook in dat de regeling voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties en diploma's wordt herzien. Hierbij zullen hoge kwaliteitseisen t.a.v. de veiligheid en gezondheid van de consument als maatstaf moeten worden gehanteerd.

3.19.4

Bij het streven naar sociale integratie en werkgelegenheid dient aandacht te worden besteed aan de daadwerkelijke openstelling van de arbeidsmarkten voor alle Europese burgers. Ook moet de vraag worden gesteld hoe discriminatie en ongerechtvaardigde obstakels na zorgvuldig onderzoek uit de wereld kunnen worden geholpen.

3.19.5

Een discussiepunt dat bovenaan de agenda verdient te staan is de langverwachte vaststelling van een juridisch kader voor de ondernemingen van de sociale economie in het algemeen, en stichtingen, onderlingewaarborgmaatschappijen en Europese verenigingen in het bijzonder.

3.19.6

Een ander dringend aandachtspunt is de afbakening van een duidelijk juridisch kader voor de diensten van algemeen belang en meer i.h.b. de sociale diensten. In dit verband is het zaak kwaliteitscriteria voor essentiële openbare diensten vast te leggen en verduidelijking te brengen in de regels voor openbare aanbestedingen, mededinging en staatssteun (41).

3.20   Ten slotte moeten de nodige middelen worden vrijgemaakt en inspanningen worden gedaan voor een doeltreffend beleid inzake communicatie over de interne markt, in het kader van een samenhangend en geïntegreerd beleid inzake communicatie over Europa, waarbij ook de burgers een vinger in de pap krijgen en terdege rekening wordt gehouden met de publieke opinie en de Europese media, zodat de EU-burgers en vooral de consumenten dankzij een innovatief gebruik van digitale media waarheidsgetrouwe informatie krijgen (42).

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Zie de gemeenschappelijke conclusies van het Raadgevend Comité van de EVA en de WIM: http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.smo-observatory-smo-spotlight.21343

(2)  PB L 169 van 29.6.1987.

(3)  PB C 191 van 29.7.1992, in navolging van het Spinelli-project, in een poging zowel de federalisten als hun tegenstanders tevreden te stellen.

(4)  Mededeling van de Commissie inzake de werking van de interne markt van de Gemeenschap na 1992 - follow-up van het Verslag-Sutherland (SEC(92) 2277 van 2.12.1992), en het EESC-advies terzake (PB C 201 van 26.7.1993, blz. 59), waarvan de conclusies ook vandaag nog brandend actueel zijn en nadere studie verdienen.

(5)  Relevant in dit verband zijn de volgende adviezen van het EESC: PB C 39 van 12.2.1996, blz. 70, PB C 255 van 14.10.2005, blz. 22, PB C 204 van 9.8.2008, blz. 1, PB C 347 van 18.12.2010, blz. 8, PB C 44 van 11.2.2011, blz. 68, informatief rapport "De impact van het Verdrag van Lissabon op de werking van de interne markt"

(6)  Mededeling "Een interne markt voor de burger" (COM(2007) 60 definitief van 21.2.2007).

(7)  COM(2006) 211 definitief van 10.5.2006.

(8)  PB C 77 van 31.3.2009, blz. 15.

(9)  "Een nieuwe strategie voor de eengemaakte markt ten dienste van de Europese economie en samenleving".

(10)  "Project Europa 2030: uitdagingen en kansen", eveneens gepubliceerd in mei 2010.

(11)  EP-resolutie A7-0132/2010.

(12)  SEC(2011) 372 definitief van 21.3.2011.

(13)  SEC(2011) 299 definitief van 4.3.2011; deze bevindingen worden overigens gestaafd door het rapport van Eurobarometer “E-Communications Household Survey” van juli 2011.

(14)  COM(2010) 538 definitief van 1.10.2010.

(15)  PB C 18 van 19.1.2011, blz. 100.

(16)  PB C 132 van 3.5.2011, blz. 47.

(17)  Doc A7-0072/2011, gebaseerd op het verslag van de Commissie IMCO over “De interne markt voor Europeanen” (2010/2278 (INI). PE 456.691v02-00 van 24.3.2011), Rapp. Correia de Campos.

(18)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 99.

(19)  COM(2011)777 definitief van 15.11.2011.

(20)  Goedgekeurd na het Forum van de interne markt van 3 en 4 oktober 2011, dat in de ogen van het Comité een lovenswaardig initiatief was.

(21)  PB C 93 van 27.4.2007, blz. 25.

(22)  PB C 182 van 4.8.2009, blz. 1.

(23)  PB C 376 van 22.12.2011, blz. 51.

(24)  PB C 24 van 31.1.2006, blz. 39, PB C 175 van 27.7.2007, blz. 21, PB C 48 van 15.2.2011, blz. 107.

(25)  PB C 24 van 31.1.2006, blz. 52, PB C 175 van 28.7.2009, blz. 26, PB C 21 van 21.1.2011, blz. 26

(26)  Hiermee wordt voortgeborduurd op de koers die door de Commissie is uitgezet in haar mededeling "Modernisering en vereenvoudiging van het acquis communautaire" (COM(2003) 71 definitief van 11.2.2003), waaraan het Comité expliciet zijn steun heeft betuigd (PB C 112 van 30.4.2004, blz. 4), maar die daarna blijkbaar in de vergeethoek terecht is gekomen.

(27)  Zie de adviezen PB C 14 van 16.1.2001, blz. 1, PB C 125 van 27.5.2002, blz. 105, PB C 133 van 6.6.2003, blz. 5, PB C 309 van 16.12.2006, blz. 18, PB C 10 van 15.1.2008, blz. 8

(28)  COM(95)288 def. van 21.6.1995.

(29)  Zie. PB C 120 van 16.5.2008, blz. 1, PB C 376 van 22.12.2011, blz. 69 en PB C 68 van 6.3.2012, blz. 35.

(30)  Zie het advies in PB C 43 van 15.2.2012, blz. 14, en de eerdere adviezen die hierin worden vermeld.

(31)  Dit sluit aan bij de verslagen van de Commissie over de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning, waarvoor het startsein werd gegeven met de mededeling van 16.6.1999 (COM(99) 299 def.), maar waarvan later werd afgestapt. Zie het advies in PB C 116 van 20.4.2001, blz. 14.

(32)  Daarbij moet worden teruggegrepen op het Molitorverslag, om de onterechte beschuldiging van "één stap vooruit, twee achteruit" te weerleggen (zie Alexis Feral, “Le principe de subsidiarité, progrés ou statu quo après le Traité d’Amsterdam?”, in Rev. du Marché Unique Européen, I, 1998, blz. 95), een beschuldiging die het gevolg was van de ongelukkige manier waarop de Commissie het beginsel tot nog toe heeft toegepast; zaak is nu ervoor te zorgen dat met het subsidiariteitsbeginsel een echt antwoord wordt geboden op "de uitdaging van de verandering", zodat het strookt met het beeld dat Jacques Delors voor ogen had.

(33)  Hierbij dient rekening te worden gehouden met de EESC-adviezen over de opeenvolgende jaarverslagen van de Commissie conform art. 9 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

(34)  Zie de adviezen PB C 221 van 8.9.2005, blz. 113, PB C 175 van 27.7.2007, blz. 14, PB C 318 van 29.10.2011, blz. 109.

(35)  Zie de adviezen PB C 56 van 24.2.1997, blz. 76, PB C 95 van 30.3.1998, blz. 72, PB C 209 van 22.7.1999, blz. 35, PB C 157 van 28.6.2005, blz. 1, PB C 302 van 7.12.2004, blz. 12, PB C 221 van 8.9.2005, blz. 126, PB C 65 van 17.3.2006, blz. 113, PB C 65 van 17.3.2006, blz. 134, PB C 309 van 16.12.2006, blz. 26, PB C 318 van 23.12.2006, blz. 51, PB C 115 van 16.5.2006, blz. 61, PB C 100 van 30.4.2009, blz. 84, PB C 27 van 3.2.2009, blz. 18, PB C 100 van 30.4.2009, blz. 22, PB C 228 van 22.9.2009, blz. 62, PB C 228 van 22.9.2009, blz. 66, PB C 218 van 11.9.2009, blz. 30, PB C 318 van 29.10.2011, blz. 133.

(36)  Ondanks de mededeling van de Commissie van 22.10.2009 over Grensoverschrijdende elektronische handel tussen ondernemingen en consumenten in de EU (COM(2009) 557 definitief).

(37)  Zie de adviezen in PB C 317 van 23.12.2009, blz. 67, PB C 18 van 19.1.2011, blz. 95.

(38)  PB C 128 van 18.5.2010, blz. 103.

(39)  Het EESC wordt terecht beschouwd als pleitbezorger van groepsacties; het heeft hierover al herhaaldelijk advies uitgebracht. Zie m.n. PB C 309 van 16.12.2006, blz. 1, PB C 324 van 30.12.2006, blz. 1, PB C 162 van 25.6.2008, blz. 1, PB C 228 van 22.9.2009, blz. 40, PB C 128 van 18.5.2010, blz. 97.

(40)  In dit verband moeten het Verslag van de Commissie over vorderingen op weg naar een echt EU-burgerschap 2007-2010 (COM(2010) 602 definitief van 27.10.2010) en het Verslag over het EU-burgerschap 2010 - Het wegnemen van de belemmeringen voor de rechten van EU-burgers (COM(2010) 603 definitief van 27.10.2010) tot het uiterste worden doorgetrokken.

(41)  Zie het EESC-advies in PB C 161 van 13.7.2007, blz. 80.

(42)  Zie het verkennend advies van het EESC in PB C 27 de 3.2.2009, p. 152 en het initiatiefadvies in PB C 44 de 11.2.2011, p. 62.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/23


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De maatschappelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving voor economisch bestuur” (initiatiefadvies)

2012/C 143/05

Rapporteur: mevrouw BISCHOFF

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 juli 2011 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten om een initiatiefadvies op te stellen over

De maatschappelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving voor economisch bestuur (initiatiefadvies).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 25 januari 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari) het volgende advies uitgebracht, dat met 232 stemmen vóór en 8 stemmen tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Samenvatting en aanbevelingen

1.1   Europa moet met één stem spreken, sneller en minder aarzelend optreden en de juiste richting inslaan om de zwaarste financiële, economische en vertrouwenscrisis sinds het bestaan van de EU te bestrijden.

1.2   Het Comité is ingenomen met het uitgangspunt van de regeringen om kinderziekten van de eurozone te corrigeren en elementen van een nieuwe architectuur voor een Europese economische governance op de rails te zetten. Dat is nodig omdat de huidige instrumenten en procedures niet in de gewenste vermindering van de schulden en macro-economische onevenwichtigheden hebben geresulteerd. In de nieuwe structuur van het economisch bestuur van Europa moeten echter de democratische rechten van de lidstaten en hun vrij gekozen parlementen, evenals de autonomie van de sociale partners en hun vrijheid om over cao’s te onderhandelen, worden beschermd.

1.3   Het economische bestuur is gericht op economisch beleid maar zal vooral sociale structuren treffen omdat de lidstaten middels (semi)automatische sancties worden gedwongen deze te hervormen. Het Comité beveelt intelligente en duurzame begrotingsconsolidering aan waardoor de nodige sociale investeringen worden gewaarborgd zodat sociale scheeftrekkingen worden vermeden.

1.4   Een aantal reeds uitgevoerde of geplande bezuinigingsmaatregelen zullen een impact hebben op mensen en ondernemingen wanneer in sociale dienstverlening of op de arbeidsmarkt gerichte maatregelen voor kwetsbare groepen wordt gesneden en de noodzakelijke sociale infrastructuur voor bijv. kinderopvang of onderwijs wordt afgeschaft. Dit heeft een negatieve impact op toegang tot en kwaliteit van diensten en dat zal de levenskwaliteit van die groepen serieus aantasten.

1.5   De doelstellingen van de strategie Europa-2020 en die van het economisch bestuur van Europa conflicteren impliciet. Verder mag de uitvoering van het “Europese Semester” en het "sixpack" er niet in resulteren dat bijv. het terugdringen van de armoede in het kader van de strategie Europa-2020 mislukt. Daarom moet bij alle maatregelen worden bekeken of zij niet juist in een toename van de armoede resulteren.

1.6   Het Comité herhaalt dat er een uitgebreide sociale effectbeoordeling van de nieuwe voorschriften voor het economisch bestuur moet worden gemaakt en dringt daarbij in het bijzonder aan op:

1)

een sociaal “investeringspact”;

2)

tijdige en intensieve betrokkenheid van representatieve maatschappelijke organisaties, met name de sociale partners, vanwege hun specifieke taken en bevoegdheden, bij alle maatregelen;

3)

bijeenroeping van een vergadering om met het oog op de komende Verdragswijzigingen een concept voor sociale vooruitgang te ontwerpen;

4)

een “sociaal vangnet” door een gelijkwaardige gerichte “sociale focus” (social governance);

5)

garanties voor en ondersteuning van de cao-autonomie van de sociale partners;

6)

nieuwe bronnen van inkomsten om de overheidsbegrotingen te kunnen consolideren;

7)

efficiëntere en meer trefzekere besteding van overheidsgeld en intensievere bestrijding van belastingvlucht.

2.   Een nieuwe structuur om de crisis het hoofd te bieden

2.1   In het Verdrag van Lissabon werden de sociale dimensie van Europa bekrachtigd, de sociale markteconomie als doel verankerd, de sociale grondrechten en een beoordeling van de effecten op sociaal gebied van alle EU-plannen en initiatieven dwingend voorgeschreven. Het Comité wijst er al tijden op dat in de Europese sociale markteconomie concurrentievermogen en sociale rechtvaardigheid hand in hand dienen te gaan. Economische dynamiek en sociale vooruitgang zijn geen tegenpolen maar zijn juist twee delen van hetzelfde lichaam. (1)

2.2   Verder schaarde het zich achter de strategie Europa-2020 van de Unie om intelligente, duurzame en inclusieve groei te creëren.

2.3   De Unie bevindt zich momenteel in de zwaarste crisis sinds haar oprichting. De financiële crisis groeide uit tot een diep ingrijpende economische, schulden- en sociale crisis. Bovendien speelt er ook een crisis betreffende het optreden van en het vertrouwen in de Europese instellingen. Europa moet met één stem spreken, sneller en minder aarzelend optreden en de juiste richting inslaan.

2.3.1   Bezuinigingsprogramma’s en vangnetten staan in het middelpunt van de belangstelling. Maatregelen voor een beter economisch bestuur (economic governance) en meer groei zijn echter nog altijd versnipperd en weinig transparant en de discussie over de voor- en nadelen van verdieping van de integratie laat op zich wachten.

2.3.2   Verder wordt steeds meer het bezwaar aangevoerd dat de huidige vertrouwenscrisis met name door de vrees voor sancties een crisis van de democratie gaat worden. Het EESC benadrukt dat direct gekozen nationale parlementen overeenkomstig hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden in alle vrijheid over begrotingen en regeringsakkoorden moeten kunnen besluiten.

2.3.3   Het Comité heeft reeds in meerdere adviezen opgemerkt dat de huidige crisis zich tot een zware lakmoesproef voor Europa heeft ontwikkeld. Het bezuinigingsbeleid lokt in veel lidstaten sociale onrust uit en wakkert anti-Europese resp. nationalistische gevoelens aan.

2.4   De zog. schuldencrisis was onder meer het gevolg van de massale deregulering van de financiële markten die werd doorgevoerd naar aanleiding van de financiële crisis van de laatste jaren. De EU-politici en de nationale regeringen reageerden met geforceerde bezuinigingsprogramma’s om die markten weer te kalmeren. Het Comité heeft herhaaldelijk aangegeven zich erin te kunnen vinden dat de Commissie ondanks veel verzet voorstellen voor een heffing op financiële transacties en stabiliteitsobligaties heeft gedaan. (2)

2.5   Tevens werd gepoogd om enige kinderziekten van de eurozone te corrigeren en elementen van een nieuwe architectuur voor een Europese economische governance op de rails te zetten. Dat zou moeten resulteren in een betere coördinatie van economisch beleid, striktheid op het gebied van begrotingsbeleid en –controle en meer concurrentievermogen. (3) Najaar 2011 stemde het Europees Parlement in met vijf verordeningen en een richtlijn voor de hervorming van de governance (het zog. "sixpack")

2.5.1   Het sixpack is op drie pijlers gebaseerd:

versterking van het Groei- en stabiliteitspact: de excessief-tekortprocedure (EDP) bevat bijkomende, veel strengere regels om overheidstekorten en –schulden terug te dringen: de lidstaten worden verplicht om hun lopende schulden binnen 20 jaar te reduceren tot het plafond van het Verdrag van Maastricht (60 %) en zulks ongeacht de stand van de conjunctuur. Dat is procyclisch maar kan groei en werkgelegenheid belemmeren.

Invoering van een buitensporige-onevenwichtigheidsprocedure (EIP): dit is een volkomen nieuw beleidsproces op Europees niveau en is gericht op vaststelling en correctie van macro-economische onevenwichtigheden die de stabiliteit van de euro in gevaar kunnen brengen.

Versterking van het stabiliteitspact en de EIP middels echt afschrikkende sancties: sinds de ondertekening van het Verdrag van Maastricht bestaan er reeds Europese aanbevelingen om nationale besluiten te “stroomlijnen”. Volkomen nieuw is nu dat die aanbevelingen vergezeld gaan van bijna “automatische” sancties voor de lidstaten van de eurozone. Dat gebeurt via “stemming met omgekeerde meerderheid”. Dat laatste is zeker voor twijfel vatbaar want het gaat om een volkomen nieuwe procedure die het Verdrag niet kent. Om het eenvoudig uit te leggen: een voorstel van de Commissie om een lidstaat die haar aanbevelingen niet opvolgt een jaarlijkse boete van 0,1 of 0,2 % van het BBP op te leggen, wordt geacht goedgekeurd te zijn tenzij de Raad “Financiën” het binnen 10 dagen met gekwalificeerde meerderheid verwerpt. Dit belichaamt een vergaand “automatisme” in het sanctieproces waardoor de lidstaten worden gedwongen om de Europese beleidsaanbevelingen niet in de wind te slaan.

2.5.2   Op 23 november 2011 voegde de Commissie twee verordeningen aan het sixpack toe. De eerste betreft verhoogd toezicht op lidstaten die met serieuze financiële-stabiliteitsproblemen te kampen hebben en de tweede gaat om toezicht op en correctie van ontwerpbegrotingsplannen van lidstaten. De eerste zal de aanbevelingen voor een lidstaat die aan een macro-economisch aanpassingsprogramma is onderworpen verbreden, versterken en verdiepen: worden die aanbevelingen niet opgevolgd, dan zullen betalingen uit het Structuurfonds en het ESF worden opgeschort. De tweede verordening versterkt de bevoegdheden van de Commissie in verband met het toezicht op de nationale begrotingsprocedures: van de lidstaten wordt gevergd om dwingende regels voor tekorten uit te vaardigen. Beide regelingen zullen de wederzijdse druk op de lidstaten doen toenemen en het inherente procyclisch effect versterken en zulks met dus alle welbekende gevolgen van dien.

2.5.3   Het halfjaarlijkse overzicht (“het Europese Semester”) is opgezet om tegenstrijdige verlangens van de lidstaten op het gebied van begrotingsbeleid te vermijden en oog te houden op de versterking van de doelstellingen van Europa-2020. Het strekt ertoe dat de hoofddoelstellingen van de Unie echt tijdig in de nationale begrotingsplanning worden meegenomen, en wel voordat de nationale parlementen over de begroting voor het volgende jaar stemmen. Het bestuur is weliswaar gericht op economisch beleid maar zal vooral sociale stelsels treffen omdat de lidstaten middels (semi)automatische sancties worden gedwongen deze te hervormen.

3.   De sociale impact van de nieuwe regels

3.1   In het vierde jaar van de financiële en economische crisis blijven de vooruitzichten betreffende economie en werkgelegenheid in Europa verslechteren. Er zijn 23 miljoen werklozen en uit de meest recente werkloosheidscijfers (4) blijkt dat in september 2011 het werkloosheidspercentage voor de EU-27 9,7 en dat voor de eurozone 10,2 % bedroeg, hetgeen een toename ten opzichte van dezelfde periode in 2010 betekent. De jeugdwerkeloosheid nam tussen 2008 en 2011 toe van 15,5 % tot 21,4 % en het percentage niet-actieven steeg van 55,6 tot 56,9 %. In Griekenland en Spanje zit nagenoeg iedere tweede jongere zonder baan. (5) Halverwege 2011 bleken er 1,5 miljoen banen bij te zijn gekomen maar dat woog nauwelijks op tegen het grote banenverlies tijdens de crisis (6 miljoen). De toename van het aantal banen vloeit vooral voort uit meer tijdelijke contracten en deeltijdwerk,

3.2   Als gevolg van dit alles zijn de groeiramingen drastisch naar beneden bijgesteld en merkte de Commissie in haar onlangs gepubliceerde najaarsvooruitzichten voor de periode 2011-2013 op dat het herstel van de Europese economie is gestopt en er geen voorzienbare verbetering zal optreden ter zake van de hoge werkloosheid. (6)

3.3   De mondiale bankcrisis 2007-2009 heeft zonder meer de huidige begrotingscrisis uitgelokt want overheden moesten veel geld uittrekken voor bankleningen en staatsgaranties om het monetair systeem gaande te houden. Daarmee stegen de gemiddelde schuldpercentages van 60 naar 80 % van het BBP waardoor de handelingsruimte voor automatische stabilisatoren en andere vormen van anticyclisch beleid significant inkromp. Dit betekende dat het prijskaartje voor de aanpassingen grotendeels op het bordje van het arbeidsmarkt- en sociaal beleid kwam te liggen. Alle Europese beleidsinitiatieven werden gekenmerkt door de rode lijn dat de lonen middels loonsverlaging en –deflatie een sleutelinstrument voor aanpassingen werden.

3.4   De gevolgen van deze ontwikkelingen vormen een potentieel gevaar voor zowel de fundamenten van een gezonde economie als voor de sociale structuur van Europa. Het comité voor sociale bescherming wees er in zijn verslag van 2010 over de sociale impact van de crisis op dat uitgevoerde of geplande bezuinigingsmaatregelen een impact zullen hebben op maatschappelijke integratie omdat in de middelen voor kwetsbare groepen (bijv. gehandicapten) wordt gesneden. Dit heeft een negatieve impact op toegang tot en kwaliteit van diensten en dat zal de levenskwaliteit van mensen en bedrijven serieus aantasten. (7) Hoge en nog stijgende rentetarieven maken het voor lidstaten bijna onmogelijk om hun begrotingstekort en schuldenniveau terug te dringen. Bijv. Griekenland kent sinds het voorjaar 2011 een eerste begrotingsoverschot, maar de tekorten lopen op vanwege ondraaglijk hoge renteniveaus.

3.5   Bezuinigingsmaatregelen die juist de benodigde sociale investeringen in gevaar brengen versterken de neerwaartse spiraal nog verder. Waar geen nieuwe groeibronnen zijn, resulteren bezuinigingen in minder begrotingsinkomsten: de belastingopbrengsten gaan omlaag en het volume van de werkloosheidsuitkeringen omhoog. Begrotingstekorten dreigen toe te nemen met potentieel verwoestende consequenties op de financiële markten, die de trends in alle lidstaten nauwlettend volgen.

3.5.1   Verder kunnen bezuinigingsmaatregelen die in een lidstaat de vraag doen afnemen substantiële negatieve uitwerkingen in andere lidstaten hebben, wat weer een neerwaartse spiraal in gang zet. Dit kan vorm krijgen via de meerwaardeketen op de gehele interne markt of via de handel. Gaan meerdere landen gelijktijdig tot bezuinigingsprogramma’s over, dan werkt dat sombere groeivooruitzichten in de hand en kan dat resulteren in een vicieuze cirkel van onzekerheid voor onder meer investeringen in onderwijs en opleiding, onderzoek en innovatie, werkgelegenheid en consumptie.

3.6   Bij de voorbereiding en tenuitvoerlegging van EU-belastingmaatregelen moet goed worden gekeken of en zo ja in hoeverre negatieve nationale en regionale economische tendensen ook samenhangen met onevenwichtigheden op de markten, economische concentratieprocessen en machtsmisbruik door grote handelsbedrijven. Dat alles moet op alle niveaus worden tegengegaan met efficiënte, bijv. gecoördineerde belastingmaatregelen die in de consolideringsmaatregelen dienen te worden geïntegreerd. Het concurrentievermogen van het MKB moet daarbij in dezelfde mate worden versterkt als dat van de exporterende industriële ondernemingen. Dit moet door de nodige structurele maatregelen voor de veiligstelling van groei en banencreatie worden geflankeerd.

3.7   Het valt te betreuren dat alle beleidsprocessen in dit verband op asymmetrie zijn gebaseerd en structureel eenzijdig zijn. In een brief van Commissielid Rehn aan het Poolse voorzitterschap komt tot uitdrukking dat de Commissie in verband met de onevenwichtigheden in de eurozone zich weliswaar bewust is van de problemen die door hoge betalingsbalansproblemen kunnen ontstaan, maar grote en aanhoudende overschotten op de lopende rekening acht zij geen probleem voor de hechtheid van de euro. (8) Een dergelijke herdefiniëring van de randvoorwaarden voor concurrentieposities zou erop neerkomen dat het probleem ligt bij de landen die schulden maken om hun tekorten ten opzichte van buitenlandse schuldeisers te financieren terwijl landen met overschotten worden aangemoedigd om daarmee door te gaan.

3.8   Bij de vaststelling van "macro-economische onevenwichtigheden" stelt de Commissie de indicatoren op dusdanige wijze vast dat dynamische loontwikkelingen in de respectieve economische sectoren terstond in het oog springen en onderzocht worden, terwijl aan lidstaten die op loonmatiging zijn gericht geen aandacht wordt besteed. Ook wordt gedacht aan "relatieve" vergelijkingen waarbij de ontwikkelingen van de loonkosten per eenheid product met die van de voornaamste concurrenten wordt vergeleken. Dit soort vergelijkingen kunnen ertoe dienen om het uiteenlopen van concurrentievermogen te constateren, maar mogen er evenwel niet in resulteren dat loonsverhoging automatisch als negatief en lage lonen en loonakkoorden automatisch als positief wordt gewaardeerd. In plaats daarvan moet de ontwikkeling van de productiviteit en de inflatie als graadmeter voor loonsverhoging gelden.

3.9   Het Comité is er met name over bezorgd dat de lidstaten zich hebben vastgelegd op maatregelen en gedragsregels die zich buiten hun reikwijdte en dus hun invloedssfeer situeren. De verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden bevat een vroege-waarschuwingsmechanisme waarin een "scorebord" voor de indicatoren centraal staat (artikel 3). Die indicatoren bepalen zowel de beneden- als de bovendrempels voor de interne en externe onevenwichtigheden die de buitensporige-onevenwichtigheidsprocedure in gang moeten zetten. De loonkosten per eenheid product behoren tot die indicatoren, maar die zijn toch in de eerste plaats het resultaat van collectieve onderhandelingen tussen de sociale partners en niet van economisch beleid.

3.10   Daarom is het Comité van mening dat de sociale partners op nationaal en eurozoneniveau duurzaam bij de uitvoering van de verordening moeten worden betrokken. Ongeacht de institutionele vorm waarin die betrokkenheid wordt gegoten, mag de overlegautonomie van de partners niet worden aangetast en dienen de IAO-conventies 87 en 98 integraal te worden gerespecteerd. Verder moeten in dit verband de algemene doelstellingen van de Unie, met name sociale vooruitgang en opwaartse harmonisatie van sociaal beleid, een essentieel onderdeel te zijn, en dienen de fundamentele sociale grondrechten van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten te worden nageleefd.

3.11   In tijden van economische en sociale problemen is het van belang dat de sociale ondersteuningsdiensten bij de beleidsvorming en de uitvoering van sturings- en consolideringsmaatregelen worden betrokken. Zij leveren een waardevolle bijdrage tot opleiding, preventie, werkgelegenheid en sociale vrede, die op respect voor menselijke waarden en maatschappelijke solidariteit is gebaseerd.

4.   De sociale gevolgen van de maatregelen in de lidstaten

4.1   Het Comité is zeer bezorgd over de sociale gevolgen van de huidige crisis, die in de meeste lidstaten duidelijk naar voren komen, en beveelt aan om de structurele hervormingen groei- en werkgelegenheidsvriendelijk door te voeren. Garanties voor en bevordering van werknemers- en fundamentele sociale rechten heeft een positief effect op de productiviteit van een volkshuishouding. Zaak is, ervoor te zorgen dat er voldoende belastingopbrengsten zijn om de handelingsruimte van de regeringen te waarborgen en belastingontduiking moet dan ook met alle mogelijke middelen worden bestreden.

4.1.1   Ook neemt het met zorg kennis van de toenemende nationale en regionale verschillen. Die vormen een grote bedreiging voor de integratie omdat de economische en sociale samenhang nu voor het eerst in hoge mate wordt aangetast. In het verleden daarentegen was er enkel vanwege de toetreding van nieuwe lidstaten sprake van een voorlopige vergroting van economische en sociale divergenties.

4.2   Het comité voor sociale bescherming concludeert in zijn rapport “The social impact of the crisis” dat de sociale situatie van een groot deel van de bevolking (met name jongeren, deeltijdwerkers en immigranten) door de financiële en economische crisis aanzienlijk is verslechterd en dat in alle lidstaten werklozen een van de meest door armoede bedreigde groepen vormen. (9) Sociale onrust en protesten in Griekenland, Spanje en in veel andere lidstaten zijn het gevolg daarvan.

4.3   Ook uit de jongste enquête van Eurostat (2011) blijkt dat de EU-burgers bezorgd zijn en meer armoede constateren:

Een groot en groeiend deel van de Europeanen (87 %) is in vergelijking met het najaar 2010 nog sterker van mening dat de armoede de laatste drie jaar is toegenomen. Slechts 22 % denkt dat er voldoende aan armoedebestrijding wordt gedaan. (10)

4.4   Het EESC vreest ten zeerste dat Europa door de sociale impact van de crisismaatregelen nog dieper zal worden verdeeld en vervolgens de steun van de mensen zal verliezen. De Unie moet het vertrouwen echter terugwinnen.

4.5   Er moet dus alles in het werk worden gesteld om te voorkomen dat de bezuinigingsmaatregelen het armoederisico verhogen. De sociale consequenties dienen derhalve echt goed te worden ingeschat om, ondanks gewijzigde randvoorwaarden, de komende 10 jaar minstens 20 miljoen mensen van armoede en maatschappelijke uitsluiting te bevrijden en te bezien wat daarvoor nodig is. Tegenover meer armoede staan meer vermogen en winsten en die situatie wordt in sommige lidstaten door ontoereikende fiscale en begrotingsstrategieën alleen maar verergerd. De structuur van het economisch bestuur van de Unie en de tenuitvoerlegging van het Europees Semester mogen er niet in resulteren dat de doelstelling “terugdringing van armoede” van de fundamentele Europa 2020-strategie niet kan worden verwezenlijkt.

5.   De noodzaak van alomvattende effectbeoordelingen op sociaal vlak

5.1   Het EESC wees er reeds in 2009 op dat de horizontale clausule (artikel 9 van het VWEU) een essentiële vernieuwing belichaamt en verplichtingen voor de Unie inhoudt bij het ontwerpen van beleid en het uitvoeren van maatregelen. (11)

5.2   Ook heeft het Comité in dit verband reeds opgemerkt dat de clausule van toepassing dient te zijn op de hoofdgebieden en de gehele structuur van het nieuwe Europese sociaal en economisch bestuur waarover de Raad in het kader van Europa-2020 in 2010 tot overeenstemming kwam. (12) Daartoe behoren het Europees semester, het sixpack, het Euro-plus-pact en de vangnetten.

5.3   Het herhaalt dat de crisismaatregelen nooit en te nimmer in schending van de in het Handvest van de grondrechten neergelegde fundamentele rechten mogen resulteren. Verder moet worden vastgelegd, welke maatregelen er binnen een jaar zullen worden genomen om die rechten te waarborgen. (13)

5.4   De Commissie en het comité voor sociale bescherming constateren met zorg dat tot op heden slechts weinig betrokken lidstaten zich met de sociale gevolgen van hun begrotingsconsolideringsmaatregelen hebben beziggehouden. (14)

5.5   Een beoordeling van de sociale impact van de nieuwe regelingen voor economisch bestuur is dus dringend geboden. De Unie heeft zich tot bevordering van maatschappelijke integratie verplicht en zulks niet uitsluitend met kwantitatieve doelstellingen verbonden maar ook met kwalitatieve (de in het Verdrag verankerde sociale grondrechten). Het gaat hier zonder meer om de levenskwaliteit van de mensen en die moet in de beoordeling kwantitatief en kwalitatief alle nodige aandacht krijgen. Bij de wetgevingsvoorstellen was dat maar zeer ten dele het geval en ook werd vaak nauwelijks rekening met de resultaten van de, weinige, effectbeoordelingen rekening gehouden. (15)

6.   Europa heeft een sociaal investeringspact nodig

6.1   Nog nooit is er dusdanig, al dan niet direct, ingegrepen in sociale rechten, structuren en verworvenheden. Daarom is een alomvattende aanpak geboden waarbij op basis van een uitvoerige en onafhankelijke effectbeoordeling de volgende elementen meer met elkaar in samenhang worden gebracht:

6.1.1   Tijdige en brede betrokkenheid van de sociale partners bij alle maatregelen

6.1.1.1

Aan alle genomen en te nemen maatregelen dient uitvoerig overleg met de sociale partners ten grondslag te liggen. Dit is zeker niet in de laatste plaats een uitvloeisel van artikel 152 van het VWEU. Dat geldt vooral met het oog op de als zuiver economische of begrotingstechnisch bestempelde besparingsmaatregelen want die komen in wezen feitelijk vaak op sociale kaalslag neer. Als voorbeeld voor de nodige betrokkenheid van de sociale partners wijst het Comité op de EU-taskforce voor Griekenland. Bovendien moeten de maatschappelijke organisaties en ngo's tijdig en over de gehele linie bij alle maatregelen worden betrokken.

6.1.2   Een “sociaal investeringspact”

6.1.2.1

Een crisis, zoals in Griekenland of andere lidstaten heerst kan men in principe niet overwinnen door te besparen maar slechts door te groeien. Het Comité stelt daarom voor om in het kader van het economisch bestuur duurzaam in kwalificaties, infrastructuur en producten te investeren en investeringen in de sociale economie, het sociale ondernemerschap (16) en de sociale dienstverlening te ondersteunen.

6.1.2.2

Daarom sluit het zich aan bij de oproep van Vandenbroucke, Hemerijk en Palier om een sociaal investeringspact. Zij vinden dat in de eerste plaats moet worden bereikt dat er zowel op EU-niveau als in de lidstaten moet worden gezorgd voor wederzijdse ondersteuning van sociale investeringen voor de lange termijn en besparingen voor de korte termijn. De doelstellingen van Europa-2020 bieden wellicht de randvoorwaarden daartoe. Maar dan moet dit Europees pact wel worden opgenomen in op groei gericht begrotings- en financieel beleid. Dat impliceert dat het nieuwe macro-economisch en begrotingstoezicht door een sociaal investeringspact moet worden geflankeerd. (17)

6.1.2.3

Verder maakt het Comité zich grote zorgen over de eventuele sociale gevolgen wanneer als gevolg van de crisisbestrijding vooral op kleine pensioenen wordt gekort. Het herhaalt dat de Commissie ermee moet beginnen om een voor de gehele Unie geldende definitie van passend pensioen te ontwerpen. (18)

6.1.3   Nieuwe begrotingsinkomsten

6.1.3.1

Uit de overheidsbegrotingen kan niet van alles en nog wat worden betaald: bijv. redding van banken, verhoging van de sociale uitgaven, innovatieve investeringen en bedrijfssteun. De overheid moet dus meer bronnen van inkomsten krijgen. Dit moet worden geflankeerd door verhoging van de efficiëntie en trefzekerheid van de overheidsuitgaven. Dat betekent dus ook hogere belastingopbrengsten en dat kan onder meer door een heffing op financiële transacties, sluiting van belastingparadijzen, beëindiging van fiscale concurrentie en bestrijding van belastingontduiking. Daarnaast moet de kwaliteit van de investeringen centraler staan wanneer alle lidstaten zich tot sociale investeringen verbinden en de begrotingen middels groei en hervormingen consolideren. Bovendien moet eens worden nagedacht over een algemene hervorming van de belastingstelsels, waarbij oog moet zijn voor de afdrachten van diverse soorten inkomen en vermogen. (19)

6.1.4   Een “sociaal vangnet” door evenwichtige sociale gerichtheid (social governance)

6.1.4.1

Zonder een sociaal vangnet (Jean-Claude Juncker) blijft de architectuur van de EU onvolmaakt en zet Europa een stap terug. Het continent wordt dan tot een zuivere economische en begrotingsunie gedegradeerd en dat is ver verwijderd van de nagestreefde sociale markteconomie. Ook het Comité waarschuwt nadrukkelijk voor dit gevaar.

6.1.4.2

De staat moet van begin af aan op economisch en sociaal gebied met verantwoordelijkheidsgevoel optreden (economic and social governance). Daarom moeten de korte-termijnbezuinigingen veel sterker aan de doelstellingen van Europa-2020 worden gekoppeld om intelligente groei, sociale cohesie en maatschappelijke integratie te versterken.

6.1.4.3

Verder moet de EU ervoor zorgen dat bij alle economische en begrotingsmaatregelen integraal respect bestaat voor de Verdragsrechtelijke sociale bepalingen en de sociale grondrechten (inclusief vooral het recht op collectieve onderhandelingen en staking) en dat de sociale verworvenheden niet worden aangetast.

6.1.5   Een conventie voor een op sociale vooruitgang gericht concept bij de komende Verdragswijzigingen

6.1.5.1

Het Comité wil die conventie! Gegeven de nu geplande verstrekkende Verdragswijzigingen zijn een uitvoerige discussie en democratische legitimiteit geboden. Evenals bij de laatste conventie het geval was, moeten de nationale parlementen, het EP, de sociale partners en het EESC van de partij zijn. Het desbetreffende tussenverslag en de routekaart moeten de Verdragswijzigingen en evenwichtige sociale flankering bevatten en ook de resultaten van het voor maart geplande rapport over de uitvoering van de overeengekomen maatregelen.

6.1.6   Garanties voor en bevordering van de cao-autonomie van de sociale partners

6.1.6.1

Alle EU-instellingen en organen zijn gehouden tot de in het Handvest van de grondrechten verankerde verplichtingen. Daarom is aantasting van de cao-autonomie uit den boze en dient de Commissie bij schending daarvan terstond in te grijpen. Zij mag de lidstaten nooit en te nimmer aanbevelingen doen die het Handvest schenden. Het is daarentegen haar taak om die grondrechten niet alleen te waarborgen maar ook te bevorderen. De crisis zal leren hoe goed de grondrechtencultuur in Europa verankerd is (20).

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  EESC-advies over de sociale agenda, PB C 182 van 4 augustus 2009, blz.65.

(2)  EESC-adviezen over "Belasting op financiële transacties", PB C 44 van 11 februari 2011, blz. 81 en over de "Jaarlijkse groeianalyse", PB C 132 van 3 mei 2011, blz. 26.

(3)  Zie de opsomming in het advies over de "Jaarlijkse groeianalyse", PB C 132 van 3 mei 2011, blz. 26.

(4)  http://epp.eurostat.ec.europa.eu/cache/ITY_PUBLIC/3-31102011-BP/EN/3-31102011-BP-EN.PDF

(5)  Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2011, COM(2011) 815 definitief, blz. 2 en 4.

(6)  http://europa.eu/rapid/pressReleasesAction.do?reference=IP/11/1331&format=HTML&aged=0&language=EN&guiLanguage=en.

(7)  Gezamenlijk standpunt van dit comité en de Commissie aangaande de sociale impact van de economische crisis en daarop reagerend beleid 2010, blz. 9-10.

(8)  Brief van 4 november 2011 aan Jan Vincent-Rostowski over "Treatment of current account deficits and surpluses in the EIP".

(9)  Zie het gemeenschappelijk rapport van het comité voor sociale bescherming en de Commissie van 26 november 2010 (16905/10, SOC 793, ECOFIN 786), blz. 2.

(10)  Special Eurobarometer 377

(11)  EESC-advies over "Een samenhangender en beter gecoördineerd beleid van de Unie op sociaal gebied", PB C 24 van 28 januari 2012, blz. 29.

(12)  Ibidem

(13)  EESC-advies over een "Strategie betreffende het Handvest van de grondrechten", PB C 376 van 22 december 2011, blz. 74.

(14)  Zie voetnota 9.

(15)  Beoordeling van EAPN 2011

(16)  Het sociale ondernemerschap is een belangrijk onderdeel van het Europese sociale model. Het EESC stemt in met de lancering door de Commissie van een beleidskader en een actieplan ter bevordering van sociaal ondernemerschap in Europa en acht het van belang dat beide zowel op Europees als nationaal niveau volledig worden uitgevoerd. Zie het EESC-advies "Sociaal ondernemerschap en sociale ondernemingen", PB C 24, 28.1.2012, blz. 1.

(17)  Vandenbroucke, Frank, e.a., The EU needs a social investment pact, OSE No 5, 2011, blz. 5.

(18)  EESC-advies over het "Groenboek pensioenen", PB C 84 van 17 maart 2011, blz. 38.

(19)  EESC-advies over "De resultaten van de werkgelegenheidstop" – par. 3.4.2, PB C 306 van 16 december 2009, blz. 70.

(20)  Zie noot 13.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/29


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De sociale economie in Latijns-Amerika”

2012/C 143/06

Rapporteur: Miguel ÁNGEL CABRA DE LUNA

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 18 januari 2011 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De sociale economie in Latijns-Amerika.

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 24 januari 2012 goedgekeurd.

Tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari 2012), heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité onderstaand advies uitgebracht, dat met 41 stemmen vóór en 3 tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Comité wil in dit advies de sociale economie van Latijns-Amerika onder de loep nemen; het gaat hier immers om een georganiseerde sector van het maatschappelijk middenveld die door de EU in haar samenwerkingsactiviteiten veel te vaak veronachtzaamd is. Het zal daarbij rekening houden met de Latijns-Amerikaanse diversiteit en de verschillen tussen beide regio's. Gezien deze context kiest het Comité ervoor de term sociale en solidaire economie te gebruiken, zonder daarmee te willen beweren dat andere termen niet in aanmerking zouden komen.

1.2   Met Resolutie 47/90 hebben de VN de eerste zaterdag van juli van elk jaar uitgeroepen tot Internationale Dag van de Coöperaties, terwijl het jaar 2012 bij Resolutie 64/136 is uitgeroepen tot het Internationale Jaar van de Coöperaties. De IAO heeft herhaaldelijk (en m.n. in Resolutie 193) de nadruk gelegd op de troeven van coöperaties en de sociale en solidaire economie, terwijl ook het IMF en de Wereldbank belangstelling voor de sector aan de dag hebben gelegd. De EU op haar beurt heeft al diverse malen gehamerd op het belang van coöperaties en de sociale economie, en de EIB neemt dan weer deel aan projecten met ondernemingen uit de Latijns-Amerikaanse sociale en solidaire economie, een voorbeeld dat is gevolgd door de Mercosur en andere Latijns-Amerikaanse instellingen. Het Comité wil met dit advies deze acties en standpunten kracht bijzetten.

1.3   Dit advies zal voor het EESC als uitgangspunt dienen bij de voorbereiding van de 7e vergadering van organisaties van het maatschappelijk middenveld uit de EU en Latijns-Amerika, die in 2012 in Santiago de Chile zal worden gehouden. Bedoeling is zowel voor de voorbereidende werkzaamheden als voor de vergadering vertegenwoordigers van de sociale en solidaire economie uit Latijns-Amerika en de EU uit te nodigen, zodat zij op een constructieve manier van gedachten kunnen wisselen over de inhoud van dit advies. Ook zou het Comité graag zien dat de deelnemers aan de 7e vergadering zich uitspreken over de resultaten van die dialoog. Latijns-Amerika krijgt af te rekenen met een schrijnend gebrek aan sociale en economische gelijkheid en schendingen van de grondrechten; de sociale en solidaire economie helpt hieraan paal en perk te stellen en is een cruciale schakel in de strijd om meer fatsoenlijke banen te creëren en een einde te maken aan het informele sociaaleconomische circuit. De sociale en solidaire economie is m.a.w. een hefboom voor lokale ontwikkeling en sociale samenhang. Bovendien is zij bevorderlijk voor pluraliteit en economische democratie. Om al deze redenen is het Comité van mening dat de slagkracht en het gewicht van de sociale en solidaire economie nog moeten worden versterkt, zodat zij kan bijdragen tot de noodzakelijke verandering van productiemodel.

1.4   De verschillende geledingen van de sociale en solidaire economie in Latijns-Amerika werken onderling samen, wat in de ogen van het Comité een groot voordeel is. Zo zal de meer bedrijfsgerichte tak beter rekening houden met het solidariteitsbeginsel i.p.v. zich hoofdzakelijk te laten leiden door winstbejag, en aldus bijdragen aan het algemeen welzijn. De tak die op de eerste plaats streeft naar sociaalpolitieke veranderingen zal op zijn beurt inzien dat bedrijven hoe dan ook efficiënt moeten zijn en winst moeten maken, en trachten zich staande te houden op de markt door netwerken op te richten. De sociale en solidaire economie mag zich niet neerleggen bij een economie van armoede, maar moet werken aan een mentaliteitsverandering en ervoor zorgen dat ontwikkeling, economische efficiëntie en sociale rechtvaardigheid hand in hand gaan, zodat alle vormen van ongelijkheid worden uitgeroeid.

1.5   De ontwikkeling van de sociale en solidaire economie in Latijns-Amerika wordt bemoeilijkt door een aantal fundamentele struikelblokken, waarvan het gebrek aan sociale en institutionele zichtbaarheid wel een van de grootste is. Daarbij komt nog dat er geen nauwkeurige methodes voor meten en kwantificeren zijn, waardoor er geen duidelijk beeld ontstaat van de reikwijdte en de aanzienlijke sociale impact van deze sector. Ook zijn dringend internationaal erkende statistieken nodig, wat de medewerking vereist van internationale organisaties zoals de Eclac, ACI-Américas, Fundibes, Cicopa of Ciriec. Het gebrek aan institutionele aanwezigheid van de representatieve organisaties vormt eveneens een serieus probleem, dat enkel kan worden aangepakt als de overheid en andere sociale actoren de sociale en solidaire economie gaan erkennen als gesprekspartner bij overleg over het sociaal en economisch beleid. De sociaaleconomische raden en andere organen voor maatschappelijke participatie kunnen worden ingezet om de participatie van de organisaties van de sociale en solidaire economie te vergroten.

1.6   Op uitzonderlijke gevallen na is het ontbreken van een participatief en breed overheidsbeleid inzake de sociale en solidaire economie een enorme belemmering voor de bestendiging en ontwikkeling van deze sector. Het is dan ook absoluut zaak verder te gaan dan voorstellen die berusten op directe economische steun zonder tegenprestatie, en maatregelen die erop gericht zijn het gebrek aan financieringsbronnen aan te pakken, juist te stimuleren. Er moeten structurele beleidsmaatregelen van algemeen belang worden genomen. Dit houdt ook in dat wetgeving wordt goedgekeurd en dat maatregelen worden genomen ter bevordering van onderwijs, innovatie en verbetering van beroepskwalificaties, ook in een universitaire context. De sociale en solidaire economie moet meer gewicht in de schaal leggen bij de ontwikkeling van de sociale bescherming via gezondheidsstelsels die worden beheerd door de gebruikers. Er is een echt, op continuïteit gericht overheidsbeleid nodig dat de opeenvolgende regeringswisselingen overstijgt.

1.7   Vakverenigingen en andere sociale actoren, met inbegrip van de sociale en solidaire economie, kunnen samen een cruciale bijdrage leveren aan de ontwikkeling van institutionele mechanismen om de misstanden en fraude die samenhangen met het zwarte circuit te bestrijden en het fenomeen van schijnzelfstandigen aan banden te leggen. Ook staan zij garant voor fatsoenlijk werk en degelijke universele openbare diensten en dragen zij bij aan de bevordering van capaciteitsopbouw.

1.8   Het Comité zou graag zien dat de overwegingen en voorstellen uit dit advies de grondslag vormen voor een EU-beleid voor samenwerking met Latijns-Amerika op het gebied van de sociale en solidaire economie. Er moeten samenwerkingsprojecten worden opgezet om gezonde ondernemingen van de sociale en solidaire economie uit de grond te stampen, die kunnen fungeren als hefboom voor sociale samenhang, lokale ontwikkeling, pluralisme, economische democratie en het op grote schaal legaliseren van de zwarte economie en zwartwerk. De sociale en solidaire economie moet centraal staan in het samenwerkingsbeleid van de EU, zodat netwerken die de uitvoering van het beleid inzake economische en gezamenlijke ontwikkeling vergemakkelijken, worden versterkt. Samenwerkingsprojecten op het gebied van de sociale en solidaire economie moeten gericht zijn op coördinatie van de actoren en netwerken; versnippering en overlappingen zijn uit den boze. Waar het op aankomt is dat de acties meer op internationale en strategische leest worden geschoeid.

1.9   Voorts is het in deze tijden van wereldwijde crisis noodzakelijk dat de sociale en solidaire economieën van de EU en Latijns-Amerika de zakelijke en commerciële banden aanhalen. De goede praktijkervaringen van de sociale en solidaire economie van Latijns-Amerika kunnen daarbij tot voorbeeld strekken. Ten slotte zij nog opgemerkt dat handelsovereenkomsten met de landen van Latijns-Amerika gericht moeten zijn op de bevordering van middelgrote, kleine en micro-ondernemingen, en meer concreet de sociale en solidaire economie.

2.   De sociale economie in Latijns-Amerika

2.1   Een meervoudig begrip

2.1.1   Twee zaken staan voor het Comité als een paal boven water: de sociale situatie in de EU verschilt van die in Latijns-Amerika, en Latijns-Amerika is geen homogeen geheel. Wij zullen in onze analyse dan ook ten volle rekening houden met deze verschillen. Daarnaast is het echter ook de bedoeling de overeenkomsten in kaart te brengen die samenwerking op voet van gelijkheid mogelijk maken, daarbij de veranderingen in beide regio's in aanmerking nemend (1).

2.1.2   In Latijns-Amerika wordt voornamelijk gebruikgemaakt van de termen "sociale economie" en "solidaire economie". De laatste term is meer algemeen van aard en de meningen over de juiste betekenis ervan lopen uiteen (zo vatten sommigen het begrip op als "volkseconomie"). De term sociale economie is in Europa ingeburgerd en verwijst naar een alternatieve economie die ontegensprekelijk banden heeft met het bedrijfsleven maar de zaken anders aanpakt; winstbejag wordt niet als een probleem op zich beschouwd. De hamvraag in dit verband is hoe overschotten dienen te worden verdeeld, aangezien ook ondernemingen van de sociale economie concurrerend moeten zijn en winst moeten maken. In de EU bestaat er een ruime consensus over de betekenis van de term sociale economie (2), in Latijns-Amerika daarentegen worden verschillende criteria gehanteerd.

2.1.3   Als gevolg van de politieke en economische veranderingen is het gebruik van de term "sociale en solidaire economie" in Latijns-Amerika de laatste jaren schering en inslag (3). Wij zouden willen voorstellen deze term in dit advies aan te houden.

2.1.4   Als eerste zij opgemerkt dat de sociale en solidaire economie volledig uit particuliere organen bestaat, die zijn opgericht om tegemoet te komen aan persoonlijke en sociale behoeften, niet om beleggers rendement op hun kapitaal te verschaffen. De sociale en solidaire economie in Latijns-Amerika kan van land tot land verschillen, hoewel bepaalde modellen overal terug te vinden zijn. Het is wellicht aan de hand van deze overeenkomsten dat een samenhangende definitie kan worden uitgewerkt. De sociale en solidaire economie in Latijns-Amerika bestaat voornamelijk uit coöperaties, onderlingewaarborgmaatschappijen, stichtingen, verenigingen, werknemerscoöperaties, organisaties van sociale solidariteit, burgerorganisaties en verschillende soorten micro-ondernemingen. Deze ondernemingen en organen zijn stuk voor stuk gebaseerd op solidariteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het merendeel ervan is aanwezig op de markt, maar het gebeurt dat specifieke markten worden geopend (eerlijke handel) waar niet de mededingingsregels maar andere beginselen gelden.

2.1.5   De organisaties en ondernemingen van de sociale en solidaire economie onderscheiden zich van de gewone openbare en particuliere ondernemingen, maar houden zich net zo goed bezig met de productie van goederen en het verlenen van diensten. Het gaat dus niet om ondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk gericht zijn op liefdadigheid of geen winstoogmerk hebben; winst is noodzakelijk. Waar het om draait is de verdeling van de winst, die overigens niet alleen wordt afgemeten aan de financiële rentabiliteit en de opbrengst voor de betrokkenen en de omgeving, maar ook aan de maatschappelijke meerwaarde.

2.2   Meetbaarheid van de impact

2.2.1   Een van de grote problemen die de ontwikkeling van de sociale en solidaire economie in Latijns-Amerika belemmeren, is het feit dat het lastig is om informatie over de sector in kaart te brengen, waardoor de maatschappelijke onzichtbaarheid aanhoudt. We moeten een nauwkeurig beeld krijgen van de reële impact van de sociale en solidaire economie, het volstaat niet een en ander bij benadering weer te geven. Het ontbreken van meetbare gegevens maakt het moeilijk na te gaan in hoeverre de sector werkelijk maatschappelijke relevantie heeft en de impact op economisch, sociaal en solidair gebied te vergelijken met die van andere soorten ondernemingen. Het zou overigens een goede zaak zijn als ook in de EU aan de volgende voorwaarden werd voldaan: statistische erkenning, opstelling van betrouwbare openbare registers, satellietrekeningen per institutionele sector en per gebied, dit alles teneinde de zichtbaarheid van de sociale en solidaire economie te vergroten (4).

2.3   Organisaties van de sociale en solidaire economie

2.3.1   Net als in vele EU-lidstaten is het ook in Latijns-Amerika van kapitaal belang dat iets wordt gedaan aan het feit dat de sociale en solidaire economie niet op voldoende efficiënte, geïntegreerde en duurzame wijze is vertegenwoordigd. Hoewel de laatste jaren heel wat vooruitgang is geboekt moeten de representatieve structuren van de verschillende categorieën van de sociale en solidaire economie volgens een piramidemodel en vanuit een sectorale en territoriale bottom-upbenadering worden samengebracht, waarbij versnippering, onderlinge concurrentie en corporatisme dienen te worden vermeden. Het feit dat deze organisaties dicht bij de lokale en regionale overheden staan, maakt dat zij sneller zullen worden beschouwd als instellingen met maatschappelijke relevantie en aanjagers van innovatie, die een antwoord kunnen bieden op de meest nijpende sociaaleconomische problemen.

2.3.2   Organisaties van de sociale en solidaire economie die erkenning krijgen (5), kunnen optreden als volwaardige gespreks- en onderhandelingspartners en ertoe bijdragen dat synergie-effecten worden gecreëerd op het gebied van capaciteitsopbouw, bedrijfsefficiency, maatschappelijk verantwoord ondernemen, nieuwe beheersmodellen en de bestrijding van misstanden; zij kunnen kortom beter hun stempel drukken op het economisch bestel.

2.4   Overheidsbeleid

2.4.1   Een taak waar de sociale en solidaire economie haar schouders moet onderzetten is het aangaan van overeenkomsten en allianties met de overheid, waarbij de partijen elkaars standpunten en zelfstandigheid dienen te respecteren. Het beleid van de overheid moet bovenaan de agenda van de sociale en solidaire economie in Latijns-Amerika staan. Beleidsmaatregelen die voornamelijk gericht zijn op directe economische steun zonder tegenprestaties, zijn niet te controleren en onvoorspelbaar en kunnen gemakkelijk verworden tot een manier om druk uit te oefenen en te manipuleren. Beleid dat niet meer is dan een doekje voor het bloeden of enkel ondersteuning biedt, kan dan weer misstanden in de hand werken.

2.4.2   Er is behoefte aan een breed, participatief beleid, dat strookt met de voornaamste doelstellingen van de sociale en solidaire economie en de overheden die vertrouwen hebben in het vermogen van deze economie om gemeenschapsmiddelen nuttig te gebruiken, ook op de markt, zodat innovatieve oplossingen worden geboden voor complexe problemen, wat op alle vlakken voordelig is. Het is zonneklaar dat de overheid en de organisaties van de sociale en solidaire economie hetzelfde sociale doel nastreven, nl. tegemoetkomen aan de eerste behoeften van de bevolking (6).

2.4.3   Toegang tot financiering is voor de sociale en solidaire economie een chronisch probleem dat de ontwikkeling radicaal afremt. De sociale en solidaire economie put op de eerste plaats uit de bijdragen van partners en promotors, niet uit speculatief kapitaal van derden. Bovendien handelt de sociale en solidaire economie in het algemeen belang. De overheid laat zich door de bank genomen niet veel gelegen liggen aan de invoering van reguliere financieringsmethoden, waartoe wettelijke hervormingen en macro-economische maatregelen op maat van de sociale en solidaire economie nodig zouden zijn. Het is zaak dat de overheid in haar algemene economische planning rekening houdt met de sociale en solidaire economie. Voorts ontbreekt het aan financieringsmaatregelen voor de industrie waarmee nieuw kapitaal zou worden ingebracht en waarbij de risicokapitaalfondsen worden versterkt, alsook aan financiering van de economische participatie van werknemers en partners, steun voor de oprichting van ondernemingsgroepen, en stimulansen voor deelname van de sociale en solidaire economie aan openbare aanbestedingen. Maatregelen die onterecht een rem zetten op de ontwikkeling van de financiële instellingen van de sociale en solidaire economie, zoals ethische banken en microkredietverstrekkers, zijn dringend aan een herziening toe.

2.4.4   De meeste landen beschikken niet over duidelijke beleidsrichtsnoeren voor de uitwerking van programma's waarbij de verschillende niveaus, bevoegdheden en administratieve structuren op elkaar worden afgestemd, waardoor de sociale en solidaire economie een eigen institutionele plek zou krijgen en een intersectorale aanpak mogelijk zou worden. De administratieve procedures zijn niet voldoende flexibel en de nationale en supranationale harmonisatie van de algemene regels voor bevordering en ondersteuning van de sociale en solidaire economie is ondoeltreffend. De overheid onderneemt niets om te verhinderen dat kleine sociale ondernemingen kopje onder gaan en lokale en solidaire productiestructuren verdwijnen. Tevens zijn inspanningen vereist op het gebied van beroepsopleiding en bedrijfsvoering, i.h.b. op gemeentelijk niveau (7) en moeten de regelgevingskaders voor de verschillende categorieën van de sociale en solidaire economie worden aangepast. Schrijnend is ten slotte het in gebreke blijven van de overheid bij voorlichting over de sociale en solidaire economie (Aanbeveling 193 IAO-2002). Overheidsinstellingen, waaronder universiteiten, en de sociale en solidaire economie hebben te weinig samengewerkt.

2.5   Economische ontwikkeling in Latijns-Amerika en de rol van de sociale en solidaire economie

2.5.1   Eerlijke economische groei en ontwikkeling

2.5.1.1

Wat de conventionele groei aangaat is de macro-economische ontwikkeling in Latijns-Amerika op dit moment gunstig, al verschilt de situatie van land tot land. De lasten die de regio torst maken echter dat de groei gebouwd is op enorme sociale ongelijkheid. Zo heerst er in bepaalde sociale sectoren massale werkloosheid, is de arbeidssituatie over het algemeen precair en vieren sociale uitsluiting en armoede hoogtij. De overheid stelt zich echter steeds meer proactief op en is zich ervan bewust dat deze sociale tweedeling onhoudbaar is, zodat de regio toch op weg lijkt te zijn naar een meer rechtvaardige en groene groei (8).

2.5.1.2

De bijdrage van een goed verankerde sociale en solidaire economie aan de ontwikkeling in Latijns-Amerika bestaat er m.n. uit dat zij oplossingen aandraagt voor de meest schrijnende vormen van armoede, ongelijkheid, uitsluiting, het illegale circuit, uitbuiting, het gebrek aan sociale samenhang en bedrijfsverplaatsing. Daarnaast zorgt zij er mede voor dat de noodzakelijke verandering van productiemodel realiteit wordt, en draagt zij zo bij tot een eerlijkere verdeling van winsten en rijkdom. Dergelijke maatregelen zijn kenmerkend voor de sociale en solidaire economie, die welzijnszorg aanbiedt en in vergelijking met andere sectoren efficiënter is op het vlak van essentiële sociale diensten en producten. De sociale en solidaire economie bereikt grote delen van de bevolking, ook in de gebieden die het verst verwijderd zijn van de economische en machtscentra, en is dus bij uitstek geschikt om een meer rechtvaardige groei te bewerkstelligen.

2.5.2   Informele economie en sociale rechten

2.5.2.1

Informele economische activiteiten zijn in Latijns-Amerika schering en inslag, en komen ook in de EU voor (het zwarte circuit). Het gaat om arbeid of economische activiteiten waarbij de wetgeving niet of onvolledig wordt nageleefd en er geen of onvoldoende sprake is van sociale bescherming. Werkloosheid, latente werkloosheid en slechte arbeidsomstandigheden zijn strijdig met de verklaringen van de IAO inzake fatsoenlijk werk (9), en moeten dringend worden aangepakt. Gebleken is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het illegale arbeidscircuit of latente werkloosheid en de armoedecijfers. Het zijn steevast vrouwen, jongeren, de inheemse bevolking en mensen van Afrikaanse origine en gehandicapten die zwartwerken en aan het kortste eind trekken wat gelijke lonen en gelijke behandeling aangaat. De sociale en solidaire economie is een efficiënt wapen in de strijd tegen het illegale circuit, waarvoor overigens ook andere actoren zich inzetten; zij biedt ondernemingen en personen sociale bescherming en geeft hun de kans terug te keren naar de legaliteit. Bovendien kan dankzij de sector worden voorkomen dat openbare diensten worden uitbesteed om bepaalde belangen veilig te stellen, wat een gebrek aan garanties en kwaliteit tot gevolg heeft en de sociale bescherming van de betrokkenen ondermijnt. Als vakverenigingen en andere sociale actoren, met inbegrip van de sociale en solidaire economie, de gelederen sluiten kunnen zij een doorslaggevende bijdrage leveren aan de ontwikkeling van institutionele mechanismen om de misstanden en frauduleuze praktijken die voortvloeien uit het zwarte circuit te bestrijden en het fenomeen van schijnzelfstandigen aan banden te leggen. Ook zijn zij onmisbaar bij het streven naar fatsoenlijk werk en degelijke universele openbare diensten en dragen zij bij aan de bevordering van capaciteitsopbouw.

2.5.2.2

De IAO erkent de rol van de sociale en solidaire economie: tot de waarden en beginselen die de betrokken ondernemingen in het vaandel dragen hoort immers ook de eerbiediging van de grondbeginselen en grondrechten op het werk (10). Al eerder is gebleken hoe de sociale en solidaire economie erin slaagt de sociale bescherming uit te breiden tot personen en consumenten die niet gedekt zijn door de normale socialezekerheidsregelingen, het onevenwicht op de arbeidsmarkt te helpen herstellen en een gelijke behandeling te garanderen.

2.5.2.3

Er bestaan tal van informele groepen van zelfstandigen uit de sociale en solidaire economie die te weinig kansen krijgen op het gebied van beroepsopleiding en financiering en niet officieel worden erkend. Door op voet van gelijkheid samen te werken en vertrouwensbanden aan te gaan zouden kleine producenten en ambachtslieden via ondernemingen van de sociale en solidaire economie gemakkelijker een officiële status kunnen verwerven. Dat is belangrijk omdat bv. producenten die niet bij een vereniging zijn aangesloten geen toegang hebben tot de officiële markt. De sociale en solidaire economie moet meer gewicht in de schaal leggen bij de ontwikkeling van de sociale bescherming via gezondheidsstelsels die worden beheerd door de gebruikers. Het is van cruciaal belang dat een mogelijk zwart circuit binnen de sociale en solidaire economie wordt uitgeroeid.

2.5.3   Lokale ontwikkeling en sociale samenhang

2.5.3.1

De afbakening van minimumparameters voor sociale samenhang is cruciaal vanuit ontwikkelingsoogpunt (11)..De lokale overheden beseffen dat ondersteuning van de ondernemers van de sociale en solidaire economie enorm belangrijk is om stedelijke en plattelandsgemeenschappen nieuw leven in te blazen. Deze ondernemingen zorgen voor lokale werkgelegenheid en hun winst kan weer geïnvesteerd worden op eigen bodem. Op die manier wordt op basisniveau aan sociale samenhang gewerkt, dankzij de lokale controle van de investeringen, producten en diensten en de winsten die binnen de lokale en regionale economie circuleren, wat de economische stabiliteit ten goede komt.

2.5.3.2

De sociale en solidaire economie toont dat zij in staat is het ondernemingsklimaat en de ondernemingsgeest te bevorderen en de economische activiteit af te stemmen op de lokale productiebehoeften. Zij stimuleert het ontwikkelingspotentieel van het platteland en blaast in verval verkerende industriegebieden en achterstandswijken in steden nieuw leven in, zodat de enorme regionale verschillen worden teruggebracht. Daarbij wordt niet vastgehouden aan één model voor lokale ontwikkeling maar wordt steeds gekeken naar de sociale en economische behoeften van de regio's.

2.5.3.3

Voorts fungeert de sociale en solidaire economie als een hefboom voor territoriale autonomie: het maatschappelijk middenveld wordt immers nauw betrokken bij de keuze van het model voor regionale ontwikkeling en het toezicht op de groei en de structurele veranderingen. Landbouwcoöperaties vervullen hierbij een sleutelrol. Beleidsmaatregelen voor sociale samenhang moeten worden toegespitst op het lokale niveau (steden én platteland), zodat sociale basisdiensten, infrastructuur en onderwijs verzekerd zijn. De sociale en solidaire economie is onmisbaar om deze taak tot een goed einde te brengen.

2.5.4   Pluralisme en economische democratie

2.5.4.1

De sociale en solidaire economie is geen marginale sector maar een van de pijlers van het economische bestel, naast de openbare en de particuliere kapitaalsector. De sector zorgt voor economisch pluralisme en biedt zo tegenwicht voor de andere twee. Voorts draagt de sociale en solidaire economie bij aan duurzame ontwikkeling en het verenigingsleven en streeft zij via voorlichting en educatie naar gelijke kansen. De sector is kortom essentieel voor sociale stabiliteit, duurzame economische groei, inkomensherverdeling en het in gang zetten van economische alternatieven.

2.5.4.2

De sociale en solidaire economie is gegrondvest op de democratische beginselen en de betrokkenheid van de burgers bij de economische besluitvorming; dat houdt in dat permanente educatie op het vlak van democratie en burgerschap noodzakelijk is. De sector versterkt bovendien het sociale weefsel, draagt met succes bij aan de oplossing van geschillen en zet zich in voor vrede en sociale rechtvaardigheid; dit alles maakt de sociale en solidaire economie tot een onmisbare schakel in het economische en sociale bestel van Latijns-Amerika. De sector moet dan ook de kans krijgen deze troeven beter uit te spelen.

3.   Internationale samenwerking inzake de sociale en solidaire economie

3.1   De noodzaak van samenwerking

3.1.1   De beginselen en praktijken van de sociale en solidaire economie zijn dezelfde in de EU en in Latijns-Amerika. Deze overeenkomsten kunnen de samenwerking tussen beide regio's vergemakkelijken, wat zowel de duurzame ontwikkeling als de zakelijke en handelsbetrekkingen ten goede komt.

3.1.2   Handelsovereenkomsten met de landen van Latijns-Amerika moeten gericht zijn op de bevordering van middelgrote, kleine en micro-ondernemingen, en meer concreet, van de sociale en solidaire economie (12).

3.2   Netwerken

3.2.1   Via de netwerken van representatieve organen van de sociale en solidaire economie, sociale ondernemingen, centra voor voorlichting, kwantificering en innovatie en universitaire opleidingscentra, kunnen platformen worden opgericht om oplossingen aan te dragen voor de hier vermelde problemen. De EU kan in dit verband zeer zeker grote diensten bewijzen. Zij mag zich daarbij echter niet uitsluitend richten op de landen of gebieden met de laagste inkomsten, maar moet ook kijken naar de opkomende landen met een gemiddeld inkomen, die meer moeten inzetten op sociale samenhang en rechtvaardige groei. Door de sociale en solidaire economie te grondvesten op solide netwerken wordt het eenvoudiger om na te gaan waar de meest nijpende problemen liggen en welke projecten de beste resultaten opleveren. Op die manier kan de EU bij de internationale samenwerking selectiever te werk gaan. De inspanningen van de EU om op de sociale en solidaire economie gebaseerde netwerken op te richten tussen Latijns-Amerika en andere ontwikkelingsregio's (Afrika, Azië, …) kunnen van cruciaal belang zijn (13).

3.3   Ontwikkelingssamenwerking en gezamenlijke ontwikkeling in de sociale en solidaire economie

3.3.1   De EU kan de samenwerking aangaan via de uitvoering van bedrijfsplannen van de sociale en solidaire economie voor duurzame ontwikkeling  (14), waaraan zou worden deelgenomen door de betrokken regeringen uit Latijns-Amerika alsook door organisaties van de sociale en solidaire economie van beide regio's. In het kader van een actief werkgelegenheidsbeleid zouden daarbij programma's voor begeleiding en technische bijstand voor ondernemers kunnen worden opgezet. Op die manier kan de EU bovendien duidelijk maken dat haar belangstelling voor Latijns-Amerika niet louter commercieel van aard is.

4.   2012 als scharniermoment: het Internationaal Jaar van de Coöperaties (VN); de zevende bijeenkomst van het maatschappelijk middenveld van de Europese Unie en Latijns-Amerika

4.1   De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft het jaar 2012 in haar resolutie 64/136 uitgeroepen tot Internationaal Jaar van de Coöperaties. In de resolutie wordt er o.m. op gewezen hoezeer coöperaties bijdragen tot de economische en sociale ontwikkeling overal ter wereld, en wordt opgeroepen deze ondernemingsvorm in 2012 extra te stimuleren. Het Comité is het volmondig eens met deze resolutie en steunt de voorstellen van de VN.

4.2   Bovendien zal in 2012 de 7de bijeenkomst van het maatschappelijk middenveld van de EU en Latijns-Amerika plaatsvinden. In het kader van de voorbereiding van deze bijeenkomst zal de inhoud van onderhavig advies worden besproken tijdens een aantal werkvergaderingen met vertegenwoordigers van de sociale en solidaire economie van Latijns-Amerika en de EU, zodat alle partijen het eens kunnen worden over de aanbevelingen die in de definitieve tekst zullen verschijnen.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Zie COM(2009) 647 over de EU 2020-strategie. PB C 347 van 18.12.2010, blz. 48–54 over De sociaaleconomische aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika.

(2)  EESC-advies INT/447,, PB C 318 van 23.12.2009, blz. 22–28, over Diversiteit van ondernemingsvormen; Rapport Toia INI/2250/2008; EESC-advies over De bevordering van coöperatieve vennootschappen in Europa (PB C 234 van 22.9.2005); EESC-advies over De sociale economie en de interne markt (PB C 117 van 26.4.2000). Zie in deze zin ook de recente Spaanse en Portugese wetten op de sociale economie van 2011, alsook andere nationale regelgeving inzake organisaties van de sociale en solidaire economie.

(3)  Dat doet bv. ook de IAO in een werkdocument uit 2010 van het Internationaal Opleidingscentrum (IAO) over Sociale en solidaire economie: streven naar een gemeenschappelijke interpretatie.

(4)  Er bestaan in Latijns-Amerika geen betrouwbare statistieken, maar uit de studies van Fundibes van 2009 kan worden afgeleid dat er op dat moment meer dan 700 000 organisaties van de sociale en solidaire economie met circa 14 miljoen leden bestonden. De omvang van het zwarte circuit in de hele regio maakt het bovendien enorm moeilijk een en ander in cijfers te vatten, al was het maar bij benadering. Volgens de ICA is Latijns-Amerika de snelst groeiende regio op het vlak van nieuwe coöperaties en leden (2009). Inacoop (Uruguay) geeft de volgende cijfers voor 2008: 1 164 coöperaties, 907 698 actieve leden, met een jaarlijkse productie van 1,708 miljard dollar (3,2 % van de totale productie), 27 449 werknemers. Nog voor 2008: Argentinië: 12 760 coöperaties en 9 392 713 daaraan verbonden personen; onderlingewaarborgmaatschappijen: 4 166 en 4 997 067 daaraan verbonden personen; werknemers 289 460 (bron: Inaes). Chili: 1 152 coöperaties en 1 178 688 daaraan verbonden personen; onderlingewaarborgmaatschappijen: 536 (bron: Fundibes). Colombia: 8 533 coöperaties en 139 703 daaraan verbonden personen; onderlingewaarborgmaatschappijen: 273 en 4 758 daaraan verbonden personen (bron: Confecoop). Guatemala: 841 coöperaties en 1 225 359 daaraan verbonden personen (diverse bronnen). Paraguay: 453 coöperaties en 1 110 000 daaraan verbonden personen (bron: Fundibes). Voor Brazilië: zie voetnoot 9. Ook zijn er studies waaruit blijkt dat de sociale en solidaire economie goed stand houdt in deze tijden van crisis. Het gaat in al deze gevallen echter om schattingen die moeilijk kunnen worden gestaafd.

(5)  Voorbeelden van representatieve organisaties: Confecoop (Colombia), Conacoop (Costa Rica), Confecoop (Guatemala), Conpacoop (Paraguay), Confederación Hondureña de Cooperativas, OCB (Brazilië), Conacoop (Dominicaanse Republiek), Cudecoop (Uruguay), Consejo Mexicano de Empresas de la Economía Solidaria y Cosucoop (Mexico). Op internationaal niveau zijn er o.m. de ICA-Amerika en Cicopa.

(6)  Overheidsinstellingen voor de sociale en solidaire economie: Infocoop (Costa Rica), Dansocial (Colombia), Incoop (Paraguay), Inaes (Argentinië), Senaes (Brazilië), Inacoop (Uruguay) en Insafocoop (El Salvador).

(7)  Zie de opmerkingen m.b.t. het mkb in EESC-advies REX/180 (15.2.2006), PB C 88 van 11.4.2006, blz. 85–93 over De betrekkingen tussen de EU en Mexico.

(8)  Volgens gegevens van de Eclac leeft meer dan de helft van de bevolking (350 miljoen mensen) onder de armoedegrens, en moeten 22 miljoen kinderen werken om te overleven. Een lichtend voorbeeld in dit verband zijn de maatregelen die het laatste decennium door de regeringen van Brazilië zijn genomen en die ertoe hebben geleid dat miljoenen niet langer in extreme armoede leven. De economische en solidaire economie in het land heeft daaraan meegewerkt via Senaes en de strategie van prof. Paul Singer, hoofd van Senaes, die onlangs nog verklaarde dat de sociale en solidaire economie meer geld, een groter marktsegment en meer kennis nodig heeft

(9)  Volgens de Mapa de la Economía Solidaria de Brasil (kaart van de solidaire economie in Brazilië) behoort een derde van de 22 000 bedrijven in het land tot het zwarte circuit (www.fbes.org.br). Zie ook EESC-advies REX/232, PB C 256 van 27.10.2007, blz. 138–143, over De betrekkingen tussen de Europese Unie en Midden-Amerika, EESC-advies SOC/250, PB C 93 van 27.4.2007, blz. 38–41, over Bevordering van waardig werk voor iedereen en het werkdocument van 12.10.2009 over Strategieën voor werkgelegenheid, met name voor vrouwen en jongeren, van de Euro-Latijns-Amerikaanse parlementaire vergadering.

(10)  Werkdocument 2011 “Economía Social y Solidaria: nuestro camino común hacia el Trabajo Decente” (Sociale en solidaire economie: de gemeenschappelijk weg naar fatsoenlijk werk) in http://socialeconomy.itcilo.org/en/2011-readers. Deze referentie geldt ook voor par. 3.2 van dit advies.

(11)  Zie onder meer het EESC-document over de zesde ontmoeting van de maatschappelijke organisaties uit de EU en Latijns-Amerika van 2010. Zie voorts de werkdocumenten van Eclac voor de Top van staatshoofden en regeringsleiders in Santiago de Chile in 2007, EESC REX/257, PB C 100 van 30.4.2009, blz. 93–99, over De betrekkingen tussen de EU en Brazilië, EESC REX/232, PB C 256 van 27.10.2007, blz. 138–143, over De betrekkingen tussen de EU en Midden-Amerika, EESC: de associatie-overeenkomst tussen de EU en Latijns-Amerika, de Top van Guadalajara EU/LA, EESC: vierde ontmoeting van de maatschappelijke organisaties uit de EU, Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied van 2006, EESC REX/210, PB C 309 van 16.12.2006, blz. 81–90, over De betrekkingen tussen de EU en de Andesgemeenschap, EESC REX/180, PB C 88van 11.4.2006, blz. 85–93, over De betrekkingen tussen de EU en Mexico, EESC REX/135, PB C 110 van 30.04.2004, blz. 40 - 54 over De Pan-Amerikaanse vrijhandelsovereenkomst, EESC REX/13 (PB C 169 van 16.6.1999), en m.n. EESC REX/152, PB C 110 van 30.4.2004, blz. 55–71, over De sociale cohesie in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied.

(12)  EESC REX/277, PB C 347 van 18.12.2010, blz. 48–54, over De bevordering van de sociaaleconomische aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika. Zie ook de standpunten van het EESC inzake de verschillende handelsovereenkomsten met Latijns-Amerikaanse landen.

(13)  Kijken we maar naar de rol die China vervult op wereldniveau en hoe belangrijk dit land in velerlei opzichten is als de motor achter strategische allianties. Belangrijke netwerken in Latijns-Amerika zijn bv. RED DEL SUR (Mercosur), Unisol (Brazilië) en Fides (Mexico).

(14)  Het is kenmerkend voor de sociale en solidaire economie dat zij milieuduurzaamheid een warm hart toedraagt. Zie ook hoofdstuk 9 van het document (waarnaar wordt verwezen in voetnoot 10, over de zogenaamde "groene banen". Zie voorts ook EESC-adviezen PB C 48 van 15.2.2011, blz. 14–20 en PB C 48 van 15.2.2011, blz. 65-71.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/35


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Landbouw- en ambachtsbedrijf — Een winnende combinatie voor het platteland” (initiatiefadvies)

2012/C 143/07

Rapporteur: Adalbert KIENLE

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 september 2011 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het thema

Landbouw- en ambachtsbedrijf – een winnende combinatie voor het platteland (initiatiefadvies).

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 20 januari 2012 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 23 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 184 stemmen vóór, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en aanbevelingen

1.1   Met dit initiatiefadvies wil het EESC de Commissie, het Europees Parlement en de Raad impulsen geven voor de manier waarop het beleid dient te worden ingevuld, in het bijzonder met het oog op de nadere uitwerking van de tweede pijler van het GLB en de structuurfondsen voor de periode 2014-2020. Het wil met deze tekst bijdragen aan de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie en concrete voorstellen doen voor de toekomstige ELFPO-financiering, EU-structuursteun en andere EU-regelingen. Voor de maatschappelijke organisaties die het landbouw- en ambachtsbedrijf vertegenwoordigen betekent de bewuste keuze voor het regionale niveau c.q. regionale waardescheppingsketens een belangrijke ondersteuning van hun activiteiten. Tegelijkertijd hoopt het EESC dat zijn initiatiefadvies een belangrijke aanzet kan vormen om het debat in de lidstaten aan te zwengelen.

1.2   Het EESC doet met betrekking tot de wetgevingsvoorstellen van de Commissie van 5 en 12 oktober 2011 inzake de ELFPO- en structuurfondsensteun voor de programmeringsperiode 2014-2020 de volgende aanbevelingen:

1.2.1

De mkb-investeringssteun in het kader van het ELFPO dient, zoals voorgesteld, te worden uitgebreid en dienovereenkomstig te worden gekwalificeerd ter bevordering van de regionale samenwerking tussen ondernemingen op het platteland, met name in de landbouw- en ambachtssector. Daartoe dienen regionale communicatienetwerken en mentorennetwerken van plaatselijke ondernemers te worden opgezet en ondersteund.

1.2.2

Met steun van het ELFPO of de structuurfondsen gefinancierde EU-acties ter bevordering van lokale initiatieven vormen een belangrijke mogelijkheid om de ambachtelijke, agrarische, toeristische en commerciële bedrijvigheid in een regio te ondersteunen. Met dien verstande dat de belangen van de economische en sociale partners daarbij vooropstaan.

1.2.3

De overdracht van kennis, informatie en innovatie in het mkb dient duurzaam te worden ondersteund om de werkgelegenheid in plattelandsgebieden te bevorderen en te garanderen en hulpbronnen- en klimaatefficiënte vormen van economische bedrijvigheid te promoten. Traditionele kennis en expertise mogen niet in vergetelheid raken. Het gaat om een waardevolle schat aan ervaring die behouden en benut moet worden.

1.2.4

Regionale waardescheppingsketens zijn voor het landbouw- en ambachtsbedrijf, het toerisme, de handel en de plattelandseconomie in het algemeen een belangrijke troef voor de toekomst. Met name met het oog op de ontwikkeling van regionale merken en de gemeenschappelijke verwerking en marketing van producten moet er voor regionale waardescheppingsketens meer aandacht komen.

1.2.5

Landbouw- en ambachtsbedrijven zijn afhankelijk van goede economische infrastructuur. Met name de structuurfondsen moeten hiervoor de voorwaarden scheppen, bijv. door flexibele regionale budgetten te verschaffen.

2.   Inleiding

2.1   Kenmerkend onderdeel van de plattelandseconomie is de rijke schakering van kleine en middelgrote ondernemingen in het landbouw- en ambachtsbedrijf, die van cruciaal belang zijn voor het behoud van de voorzieningen en voor het sociale leven in de dorpen en gemeenten van de Europese Unie.

2.2   Met het oog op de op til staande uitbouw van het EU-steunbeleid voor plattelandsgebieden voor 2014-2020 wil dit initiatiefadvies ertoe bijdragen dat sterker wordt ingezet op het in het landbouw- en ambachtsbedrijf in plattelandsgebieden voorhanden potentieel om gezamenlijk toegevoegde waarde te creëren. De directe aanleiding hiertoe vormen de wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor het GLB en het cohesiebeleid na 2013. Een belangrijke verandering is de uitbreiding van de steunverlening in het kader van het Europese Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) tot het kleinbedrijf ofwel tot alle bedrijven in plattelandsgebieden. In het licht van de overdracht van kennis en expertise wil het EESC met dit initiatiefadvies het Europese debat over slimme, inclusieve en duurzame groei stimuleren. Daarnaast wordt in het advies dieper ingegaan op de vraag hoe de voorwaarden kunnen worden verbeterd voor geïntegreerde, bedrijfstakoverkoepelende maatregelen die de leefbaarheid en economische kracht van het platteland duurzaam verbeteren en de instandhouding van voorzieningen verzekeren in plattelandsgebieden met een krimpende bevolking. Tegelijkertijd wil het EESC met dit initiatiefadvies het maatschappelijk debat bevorderen over de demografische veranderingen en hoe deze opgevangen kunnen worden, en in de lidstaten het debat aanzwengelen over de vraag hoe het concurrentievermogen en de leefbaarheid van het platteland kunnen worden vergroot.

3.   Situatie

3.1   De kleine en middelgrote landbouw- en ambachtsbedrijven op het platteland beschikken zowel vanuit hun economische bedrijvigheid als door hun maatschappelijk engagement over een groot potentieel om de bestaande economische en maatschappelijke structuren te versterken en het hoofd te bieden aan de uitdagingen die ons te wachten staan. Zij dragen rechtstreeks bij tot de leefbaarheid van het platteland en geven met hun producten en diensten mee vorm aan regionale identiteiten. Enerzijds houden zij belangrijke tradities in stand, anderzijds zijn zij gericht op vernieuwing. Het landbouw- en ambachtsbedrijf staat voor moderniteit en duurzaamheid, voor kwalitatief hoogstaande producten, voor de veiligstelling van de energievoorziening, duurzame milieu- en natuurbescherming en instandhouding van het cultureel erfgoed. Mensen die actief zijn in het landbouw- of ambachtsbedrijf beschikken over een grote expertise, zijn zelfstandig en in staat om zich snel aan te passen en nieuwe dingen te leren. Deze eigenschappen vormen de basis voor tal van economische en sociale succesmodellen in dorpen en stadjes in plattelandsgebieden.

3.2   In vrijwel alle plattelandsgebieden in de EU bestaan nog vele onaangeboorde mogelijkheden voor gemeenschappelijke waardeschepping door het landbouw- en ambachtsbedrijf. Dit potentieel situeert zich vooral in de samenwerking op het vlak van de productie, verwerking en verkoop op regionaal en interregionaal niveau, maar ook in eerlijke mededinging tussen de actoren en de gelijkwaardige participatie van mannen en vrouwen.

3.3   Nu zijn de plattelandsgebieden in de EU zeer verscheiden van structuur. Naast zeer welgestelde plattelandsgebieden met lage werkloosheidscijfers en een sterke groei zijn er plattelandsgebieden die met economische problemen, leegloop en vergrijzing te kampen hebben. In sommige gevallen ontbreekt het ook aan onderwijs- en opleidingsmogelijkheden op aanvaardbare afstand. Deze gebieden dreigen steeds meer achter te blijven bij de sociale en economische ontwikkelingen en de basisnormen voor infrastructuur.

3.4   Met name ouderen zijn aangewezen op goed bereikbare buurtvoorzieningen, waarvoor zij geen lange afstanden hoeven af te leggen. Jonge mensen hebben daarnaast een goed functionerende basisinfrastructuur nodig met internetaansluiting en kleuter- en basisonderwijs. Met het oog op de demografische ontwikkelingen moeten de infrastructuur en de bevoorradings- en afvalverwerkingssystemen op het platteland dringend worden aangepast. Bij het zoeken naar oplossingen wordt nu dikwijls nog te weinig gekeken naar de expertise van het lokale bedrijfsleven, met name het mkb. Maatschappelijk verantwoorde en plaatselijk geëngageerde landbouw- en ambachtsbedrijven dragen in belangrijke mate bij tot de maatschappelijke integratie van mindervaliden.

3.5   Belangrijk is dat ambachts- en landbouwbedrijven en andere regionale economische partners over snel internet beschikken, willen zij, alleen of samen, economisch goed kunnen presteren. Vooral in perifere plattelandsgebieden wil het echter nog wel eens aan goede breedbandverbindingen schorten.

3.6   In de maatschappelijke discussie is steeds meer aandacht voor het regionale niveau. Deze aandacht voor het regionale aspect is kenmerkend voor een samenleving die gebaseerd is op waarden en verantwoordelijkszin en vormt een basisvereiste voor een duurzame economie en samenleving. Toch zien wij in de regio's weinig impulsen in die richting, of wordt het benutten van het regionale waardescheppingspotentieel onvoldoende gestimuleerd. De uitwisseling tussen ondernemers in een regio is dikwijls onbestaand of staat nog in de kinderschoenen.

3.7   Landbouw- en ambachtsbedrijven staan voor dezelfde – steeds groter wordende – uitdaging om de hulpbronnen en het klimaat beter te beschermen. Voor beide sectoren vormen een efficiënt gebruik van hulpbronnen en klimaatvriendelijk ondernemen de kern van een toekomstgerichte ondernemingsstrategie. Plattelandsgebieden kunnen via de samenwerking tussen beide sectoren een belangrijke bijdrage leveren om uitdagingen het hoofd te bieden die de samenleving in haar geheel betreffen.

4.   Doelstellingen

4.1   Het EESC acht het van essentieel belang dat er, zowel bij de Europese instellingen als bij de nationale regeringen en het openbaar bestuur in de lidstaten grotere erkenning komt voor het potentieel van het ambachts- en landbouwbedrijf en dat passende beleidsmaatregelen worden uitgewerkt om de toekomst van het platteland te verzekeren..

4.2   Het EESC steunt nadrukkelijk de activering van gemeenschappelijk waardescheppingspotentieel in het landbouw- en ambachtsbedrijf:

in samenwerking met andere sectoren, bijv. handel, toerisme, gezondheidssector en bosbouw en houtindustrie, moeten regionale waardescheppingsketens van het landbouw- en ambachtsbedrijf worden opgezet en geconsolideerd, waarbij faire mededingingsregels moeten gelden en structuren moeten worden ontwikkeld om het regionale economische potentieel met behulp van het plaatselijke mkb beter te kunnen benutten;

de instandhouding, diversifiëring, oprichting en ontwikkeling van middelgrote en kleine bedrijven in plattelandsgebieden en de oprichting van bedrijfstakoverkoepelende economische samenwerkingsverbanden moeten worden ondersteund;

de steunverlening aan kleine ondernemingen in plattelandsgebieden moet worden verbeterd met behulp van laagdrempelige programma's voor economische ontwikkeling, innovatie en ontwikkeling van vaardigheden; in alle regio's van Europa moeten er voldoende toegangsmogelijkheden zijn voor onderwijs en opleiding en dient toepassingsgerichte kennis te worden overgedragen over speerpunttechnologieën die het gezicht van de toekomst zullen bepalen;

schoolkinderen dienen door bezoeken aan lokale ambachts- en landbouwbedrijven vertrouwd te worden gemaakt met traditionele en moderne productiewijzen en de waarden van werk waarin zelfstandig ondernemerschap en eigen verantwoordelijkheid centraal staan;

de productie, verwerking en marketing van regionale voedingsmiddelen en andere regionale grondstoffen dienen consequent te worden afgestemd op regionale eisen en kwaliteitscriteria. In het verlengde hiervan dient ook de ontwikkeling van kwaliteitskeurmerken te worden ondersteund en moeten merkontwikkeling en marketing worden bevorderd;

hulpbronnenefficiënte en klimaatvriendelijke economische activiteiten dienen te worden ondersteund;

diensten van algemeen nut, infrastructuur en het sociale leven in plattelandsgebieden moeten in stand worden gehouden en versterkt;

als eerste vereiste voor het benutten van het waardescheppingspotentieel in plattelandsgebieden door het mkb dient een versnelde aansluiting op moderne breedbandnetwerken te worden bevorderd;

gedecentraliseerde energievoorzieningssystemen en maatregelen ter bevordering van een efficiënter energiegebruik moeten worden gezien als mogelijkheid bij uitstek om toegevoegde waarde te creëren;

met het oog op de zwaarwegende gevolgen van de demografische ontwikkeling moet ervoor gezorgd worden dat geschoolde arbeidskrachten op het platteland blijven en behouden blijven voor banen met toekomst in het ambachts- of landbouwbedrijf;

instellingen, organisaties en bedrijven in plattelandsgebieden, in de eerste plaats uit de landbouw- en ambachtssector, moeten worden gestimuleerd om actiever deel te nemen aan de civiele dialoog, op economisch vlak nauwer samen te werken en lering te trekken uit bestaande succesvolle praktijken.

4.3   Om dit potentieel voor de regionale economie in de toekomst als partners met elkaar beter te kunnen ontsluiten zou het EESC de volgende drie aandachtspunten centraal willen stellen:

4.3.1   Regionaliteit en waardeschepping

Het potentieel van het landbouw- en ambachtsbedrijf ligt vooral in het feit dat dit soort ondernemingen stevig ingebed is in het lokale en regionale weefsel. In een wereld die in toenemende mate mondialiseert, wordt het lokale en regionale aspect steeds belangrijker. Maatregelen op lokaal niveau vormen vaak de sleutel tot de oplossing van de huidige problemen. Vanuit dit oogpunt is het van steeds groter belang om regionale waardescheppingsketens te ontwikkelen. Met name in de levensmiddelensector zijn er in veel regio's van oudsher nauwe verbindingen en samenwerkingsverbanden tussen het landbouw- en ambachtsbedrijf, die in deze gebieden een belangrijke meerwaarde creëren voor de consument. Er zijn tal van positieve voorbeelden te noemen, die door andere regio's verder zouden moeten worden uitgewerkt en verspreid. Ook andere product- en dienstensectoren, zoals de houtverwerkende industrie en het plattelandstoerisme, zouden dit als model moeten overnemen. Tegelijkertijd kan deze samenwerking bijdragen tot de instandhouding van voorzieningen in de onmiddellijke omgeving en tot vermindering van het verkeer, hetgeen weer bijdraagt tot de bescherming van het klimaat.

De idee van waardescheppingsketens gebaseerd op nauwere samenwerking tussen centrale plattelandsactoren maakt het ook mogelijk om de productie en verkoop van levensmiddelen af te stemmen op regionale vereisten en kwaliteitscriteria zodat een unieke lokale identiteit kan worden gecreëerd. De ontwikkeling van regionale merken voor gemeenschappelijke marketingdoeleinden komt tegemoet aan de steeds strengere eisen van de consument m.b.t. de kwaliteit en herkomst van producten. Voor ambachtelijke producten moeten er, net zoals voor levensmiddelen, kwaliteitskeurmerken en herkomstlabels komen.

4.3.2   Energie en grondstoffen

De invoering van gedecentraliseerde energievoorzieningsystemen en maatregelen voor een efficiënter energiegebruik in plattelandsgebieden zal in de toekomst duidelijk aan belang winnen in Europa en biedt een ideaal terrein voor samenwerking tussen ambachts- en landbouwbedrijven. Voor een optimale ecologische energiebalans moeten de productie en verwerking van hernieuwbare energiebronnen en duurzame grondstoffen in dezelfde regio plaatsvinden. Daarvoor zijn lokale deskundigen nodig.

Een ander terrein dat goede perspectieven biedt voor regionale samenwerking vormen de teelt, verwerking en verkoop van hernieuwbare grondstoffen.

4.3.3   Geschoolde arbeidskrachten aantrekken

Door de demografische ontwikkeling en de in perifere landelijke gebieden duidelijk waarneembare plattelandsvlucht wordt het voor landbouw- en ambachtsbedrijven steeds moeilijker om geschoold personeel te vinden (1). Zoals in een eerder EESC-advies reeds opgemerkt verdient de werkgelegenheid onder vrouwen bijzondere aandacht (2). De zachte vestigingsfactoren (alles wat onder de noemer "levenskwaliteit" valt, van huisvesting tot onderwijs-, vrijetijds- en culturele voorzieningen en vooral voorzieningen voor jonge gezinnen) zullen moeten worden verbeterd om ervoor te zorgen dat het platteland als vestigingsgebied aantrekkelijk blijft. De inspanningen van het bedrijfsleven om scholieren en jongeren warm te maken voor beroepen met toekomst in het landbouw- en ambachtsbedrijf dienen via de arbeidsbureaus en het openbaar onderwijs ruggensteun te krijgen van de politiek. De inzetbaarheid van mensen die voor dit soort beroepen zijn opgeleid, is hoog. Zo'n eigenschap komt zeer van pas op een arbeidsmarkt met steeds nieuwe eisen waaraan de werknemer zich moet aanpassen (3).

5.   Maatregelen

5.1   Om de hierboven genoemde doelstellingen te verwezenlijken moet volgens het EESC consequent worden voortgebouwd op de Europa 2020-strategie ter bevordering van een slimme, inclusieve en duurzame groei, met voldoende aandacht voor steun voor het platteland via het ELFPO met zijn zes prioritaire actiegebieden en via de structuurfondsen, en met een geïntegreerde beleidsaanpak om de leefbaarheid en de economische kracht van het platteland duurzaam te verbeteren. Een sector- en fondsoverkoepelende aanpak zou in hoge mate bijdragen tot de ontwikkeling van gemeenschappelijke waardescheppingsketens, inperking van de plattelandsvlucht en instandhouding van voorzieningen in landelijke gebieden en aldus alle lokale bedrijfstakken en bevolkingsgroepen ten goede komen.

5.2   Concrete punten van aanpak in het nieuwe EU-structuurbeleid voor plattelandsgebieden dienen naar de mening van het EESC te zijn:

investeringen in de diversifiëring, oprichting, overname en ontwikkeling van middelgrote en kleine bedrijven in plattelandsgebieden;

bevordering en oprichting van sectoroverkoepelende samenwerkingsverbanden en fora (bijv. via op gezette tijden te organiseren "rondetafelbijeenkomsten");

bevordering van regionale (traditionele) economische systemen met korte vervoerstrajecten;

bevordering van regionale merken voor de gemeenschappelijke verwerking en verkoop/marketing van regionale producten en diensten;

bevordering van de kwaliteit en van kwaliteitskeurmerken als sleutel tot een succesvolle verkoop van producten;

ondersteuning van hulpbronnen- en klimaatefficiënte vormen van economische bedrijvigheid;

ondersteuning van een gerichte overdracht van kennis en vaardigheden aan ondernemingen in de ambachts- en landbouwsector en aan andere economische partners in plattelandsgebieden;

bevordering van innovatiepartnerschappen tussen onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven, met bijzondere aandacht voor toepassings- en procesgerichte innovaties die relevant zijn voor het mkb;

waarborging en uitbreiding van economische infrastructuur ten behoeve van ondernemingen in plattelandsgebieden (met name breedband);

flankerende maatregelen ter ondersteuning van de maatregelen van de economische en sociale partners om te voorzien in de vraag naar geschoolde arbeidskrachten;

voorlichting in de vorm van bedrijfsbezoeken voor scholen en het grote publiek;

uitbreiding van de bestaande LEADER-aanpak waarbij het bedrijfsleven veel sterker als partner in het proces betrokken wordt in het streven het economisch ontwikkelingspotentieel van plattelandsgebieden te benutten;

bevordering van uit mkb-ondernemers bestaande mentorennetwerken, met name ter begeleiding van samenwerkingsverbanden;

oprichting en uitbreiding van fora voor het verzamelen en verspreiden van succesvolle praktijken op het gebied van regionale ontwikkeling en samenwerking tussen economische en sociale actoren in plattelandsgebieden;

ondersteuning van plattelandsgebieden door de verschaffing van flexibele regionale budgetten.

Brussel, 23 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  CESE 1704/2007, PB C 120 van 16.5.2008, blz. 47.

(2)  CESE 1175/2011, PB C 318 van 29.10.2011, blz. 43.

(3)  Idem


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/39


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Het standpunt van het EESC inzake de voorbereiding van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20)” (vervolgadvies)

2012/C 143/08

Algemeen rapporteur: Hans-Joachim WILMS

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 17 januari 2012 besloten om overeenkomstig artikel 29, sub a), van de uitvoeringsbepalingen van zijn reglement van orde een vervolgadvies op te stellen over

Het standpunt van het EESC inzake de voorbereiding van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20) (vervolgadvies).

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari) de heer Wilms als algemeen rapporteur aangewezen en vervolgens onderstaand advies met 211 stemmen vóór en 3 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

In de Braziliaanse stad Rio de Janeiro zal van 20 t/m 22 juni 2012 een VN-conferentie over duurzame ontwikkeling worden gehouden. Tijdens de tweede vergadering van het comité dat deze conferentie voorbereidt, is de lidstaten van de Verenigde Naties, de betrokken VN-organisaties en andere belanghebbende partijen gevraagd om vóór 1 november 2011 suggesties en ideeën voor de conferentie in te dienen bij het secretariaat, zodat het deze kon verwerken in een compilatietekst op basis waarvan een "nulontwerp" (zero-draft) van het slotdocument moest worden opgesteld dat in januari 2012 zou worden gepresenteerd.

1.2

Het EESC heeft met zijn in september 2011 goedgekeurde advies (1)"Rio+20: naar een groene economie en betere governance - Bijdrage van Europese maatschappelijke organisaties" een bijdrage geleverd aan het gemeenschappelijke standpunt van de EU en haar lidstaten voor het compilatiedocument.

1.3

Zoals aangegeven in het actieprogramma dat bij bovengenoemd advies is opgenomen, heeft het EESC verder overleg gevoerd met maatschappelijke organisaties van binnen en buiten Europa. Op internationaal niveau vindt de dialoog plaats in het kader van de rondetafelbijeenkomsten van maatschappelijke organisaties EU-Brazilië en EU-China, de ontmoetingen tussen het EESC en de Russische Civiele Kamer, en AICESIS. Ook zijn er activiteiten gepland als onderdeel van de samenwerking met de ACS-landen.

1.4

Op Europees niveau heeft het EESC een breed overlegproces in gang gezet over de thema's van de Rio+20-conferentie, inclusief eerste reacties op het nulontwerp, dat op 10 januari 2012 is gepresenteerd. Dit overlegproces diende ter voorbereiding op de grote conferentie die op 7 en 8 februari 2012 door het EESC is gehouden met als titel "Go sustainable, be responsible! Het Europees maatschappelijk middenveld op weg naar Rio+20". Doel was om het eens te worden over een gemeenschappelijke boodschap van de conferentie.

1.5

Met onderhavig advies wordt nogmaals gewezen op de aanbevelingen en conclusies uit het eerdere EESC-advies "Rio+20: naar een groene economie en betere governance - Bijdrage van Europese maatschappelijke organisaties" (2) en wordt de boodschap van de conferentie "Go sustainable, be responsible! Het Europees maatschappelijk middenveld op weg naar Rio+20" ten volle bekrachtigd.

2.   Conclusies en aanbevelingen

2.1

Volgens het EESC zijn de huidige economische, sociale en milieucrises nauw met elkaar verweven en kan er zeker niet op de oude weg worden doorgegaan.

2.2

Het wil nog eens wijzen op onderstaande boodschap, afgegeven tijdens de conferentie "Go sustainable, be responsible! Het Europees maatschappelijk middenveld op weg naar Rio+20", die het EESC op 7 en 8 februari 2012 in Brussel heeft gehouden.

2.3

Op de Rio+20-conferentie van de VN moeten de wereldleiders afspraken maken over een concreet actieplan om werk te maken van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, binnen de grenzen van wat de planeet aankan. Bevordering van een groene economie moet deel uitmaken van een overkoepelende duurzame-ontwikkelingsstrategie waarin sociale, milieu- en economische aspecten met elkaar in evenwicht zijn en waarmee tegelijkertijd een evenwichtige verdeling tussen de generaties wordt gewaarborgd.

2.4

Uitbanning van armoede en een gegarandeerde toegang tot voldoende voedsel, schoon water en duurzame energie voor iedereen moeten helemaal bovenaan de agenda van Rio+20 staan. Het promoten van milieuvriendelijke lokale landbouw in ontwikkelingslanden is van cruciaal belang om armoede te bestrijden en de voedselzekerheid te verbeteren, en vormt een drijvende kracht achter de totstandbrenging van economisch florerende plattelandsgebieden. Tevens moet gegarandeerd worden dat vrouwen op politiek, economisch en sociaal gebied gelijke rechten genieten.

2.5

Politieke leiders moeten hun beloften inzake de millenniumdoelstellingen nakomen en er via extra maatregelen voor zorgen dat de benodigde financiële middelen ook inderdaad beschikbaar worden gesteld. Met name is het zaak dat ontwikkelde landen daadwerkelijk minstens 0,7% van hun bruto nationaal inkomen aan ontwikkelingshulp besteden, zoals toegezegd.

2.6

De Europese onderhandelaars moeten veel meer nadruk op de sociale dimensie van duurzame ontwikkeling leggen dan in het nulontwerp het geval is. De sociale en inkomensongelijkheden binnen en tussen landen nemen toe. Wordt dit probleem niet dringend aangepakt, dan zal het moeilijk zijn om duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen en de koek eerlijk te verdelen. Een rechtvaardige transitie moet ook gepaard gaan met fatsoenlijke werkomstandigheden en hoogwaardige arbeidsplaatsen voor de beroepsbevolking. Voorts moeten de voornaamste arbeidsnormen van de IAO geratificeerd en toegepast worden. Het IAO-initiatief inzake een sociale beschermingsbodem verdient alle bijval.

2.7

De politieke leiders in Rio moeten afspraken maken over een stappenplan voor een groene economie, met heldere doelstellingen en controlemechanismen, teneinde te zorgen voor een overgang naar duurzame samenlevingen die economisch efficiënt, sociaal rechtvaardig en in milieuopzicht verstandig is. In het overgangsproces moet steeds een rol zijn weggelegd voor het maatschappelijk middenveld, onder meer via de sociale dialoog.

2.8

Europese en andere ontwikkelde landen moeten in Rio ook afspraken maken over maatregelen om substantieel minder gebruik te maken van de beperkte natuurlijke hulpbronnen van de aarde. De Europese leiders moeten zich aan de overeengekomen EU-doelstellingen houden en voorbereidingen treffen voor verdergaande maatregelen. Opkomende landen zouden efficiënter met hun natuurlijke hulpbronnen moeten omspringen.

2.9

Geleidelijk aan moet een eind worden gemaakt aan niet-duurzame productie- en consumptiepatronen. Daartoe dient een breed scala aan beleidsinstrumenten te worden ingezet, waarbij te denken valt aan regelgevingsmaatregelen, belastingmaatregelen, groene en sociale overheidsopdrachten, uitfasering van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu, onderzoek naar eco-innovatie, internalisering van milieukosten, en andere marktprikkels. Tegelijkertijd moet een lans worden gebroken voor duurzame levenswijzen en moet worden bevorderd dat consumenten actief bij het overgangsproces worden betrokken. In Rio zou een tienjarig werkprogramma over duurzame productie en consumptie moeten worden aangenomen.

2.10

In het nulontwerp wordt erkend dat het bbp zo zijn beperkingen heeft als middel om het welzijn te meten. Met inspraak van het maatschappelijk middenveld moeten er dringend aanvullende indicatoren worden vastgesteld.

2.11

Het is een goede zaak dat wordt overwogen om in 2015 een aantal wereldwijde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling af te spreken waarbij alle drie dimensies van duurzame ontwikkeling evenwichtig worden benaderd. In Rio moet de aanzet worden gegeven tot een inclusief proces dat ertoe moet leiden dat de millenniumontwikkelingsdoelen aan alomvattende duurzame-ontwikkelingsdoelen worden gekoppeld en dat er een strategie en indicatoren voor duurzame ontwikkeling worden ontwikkeld met duidelijke verantwoordingsmechanismen.

2.12

Het is zaak om in Rio tot een nieuw wereldwijd akkoord te komen om ervoor te zorgen dat er voldoende wordt geïnvesteerd in een meer groene economie.

2.13

Erkend wordt dat de particuliere sector bij de overgang naar duurzame ontwikkeling een sleutelrol vervult en in dezen ook verantwoordelijkheid draagt. Het "vergroenen" van de economie biedt het bedrijfsleven zeker kansen. Die kansen moeten worden aangegrepen. De politiek moet duidelijke en stabiele beleidskaders voor een groene economie creëren. Zo moet ervoor worden gezorgd dat bedrijven weten waar ze aan toe zijn, dat ze vertrouwen krijgen en dat er een regelgevingskader en stimulerende maatregelen komen voor de noodzakelijke investeringen.

2.14

Ter vervanging van de Commissie voor duurzame ontwikkeling zou er een nieuwe Raad voor duurzame ontwikkeling moeten worden opgericht, alsook een nieuw VN-agentschap voor het milieu, gebaseerd op het UNEP. In beide organen moet plaats worden ingeruimd voor daadwerkelijke participatie van maatschappelijke organisaties zoals die in de "belangrijke groepen" zijn vertegenwoordigd.

2.15

Het voorstel om een ombudsman voor komende generaties aan te stellen wordt verwelkomd.

2.16

Politieke leiders moeten het op de Rio+20-conferentie eens zien te worden over aanvullende maatregelen om maatschappelijke organisaties meer bij het beleid te betrekken en om hun op mondiaal, nationaal en lokaal niveau mogelijkheden aan te reiken voor de overgang naar duurzame samenlevingen. Er moeten wettelijke en institutionele kaders worden geschapen om de toegang van de burgers tot informatie, overleg, inspraak en controle te verzekeren. Fora waarmee verschillende groepen belanghebbenden een stem in het kapittel krijgen, zoals sociaaleconomische raden en nationale duurzaamheidsraden, moeten gepromoot worden als voorbeelden om maatschappelijke discussie te stimuleren. Ook zijn er meer bewustwordingscampagnes en voorlichtingsprogramma's over duurzame ontwikkeling nodig.

2.17

Maatschappelijke organisaties uit de hele wereld moeten blijven aandringen op een zodanige uitkomst van de conferentie dat de problemen waarmee we te maken hebben kunnen worden aangepakt. Het maatschappelijk middenveld moet wereldwijd zijn verantwoordelijkheid nemen!

2.18

Het nulontwerp dat het bureau van de Rio+20-conferentie van de VN heeft bekendgemaakt is een goed uitgangspunt voor verdere onderhandelingen. Gezien de uitdagingen die voor de deur staan, gaat het nulontwerp echter nog lang niet ver genoeg.

2.19

De Europese regeringsleiders moeten de verantwoordelijkheid op zich nemen en op de Rio+20-conferentie het nodige engagement aan de dag leggen. De EU-onderhandelaars dienen qua doelstellingen, tijdschema, financiering, wettelijke afspraken en follow-up te ijveren voor een ambitieuzer document. Het verdient aanbeveling om de overkoepelende duurzame-ontwikkelingsstrategie van de EU naar aanleiding van de Rio+20-conferentie te herzien en er nieuw leven in te blazen.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 376 van 22.12.2011, blz.102.

(2)  PB C 376 vab 22.12.2011, blz.102.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

478e plenaire zitting op 22 en 23 februari 2012

22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/42


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van de Raad en het Europees Parlement betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020)

(COM(2011) 608 final — 2011/0269 (COD))

2012/C 143/09

Rapporteur: Martin SIECKER

Corapporteur: Jean-Pierre HABER

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 24 en 25 oktober 2011 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig de artikelen 175, lid 3, en 304 van het VWEU te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014 – 2020)

COM(2011) 608 final – 2011/0269 (COD).

De CCMI, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 9 februari 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 23 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 158 stemmen vóór en 10 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een vervolg te geven aan de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (hierna: EFG), alhoewel de kans niet groot is dat alle suggesties daarin helpen om de problemen met dit fonds op te lossen. Het aantal steunaanvragen voor het EFG was en is nog steeds erg klein en het EESC beschouwt de verruiming van het toepassingsgebied ervan tot de landbouw niet als de aangewezen manier om dit euvel te verhelpen. Daarvoor in de plaats stelt het enkele aanvullende maatregelen voor om de benutting van het EFG te verbeteren, zoals de verlaging van de drempels voor steunaanvragen en de verkorting van de procedures. Immers, telkens áls een beroep op dit fonds wordt gedaan, blijkt het vrij goed te werken.

1.2

Een van de redenen waarom het EFG wordt onderbenut, is dat de procedure die vanwege het geheel eigen karakter van het EFG moet worden gevolgd, traag en bureaucratisch is. De Commissie mag geen besluit nemen zonder het Europees Parlement en de Raad daarbij te betrekken. Zodra de begrotingsautoriteit zich ermee gaat bezighouden, moeten er bepaalde zeer tijdrovende procedures worden gevolgd voor de uiteindelijke goedkeuring van álle steunaanvragen, waar aanzienlijke administratiekosten mee gemoeid zijn: geld dat beter ergens anders voor zou kunnen worden gebruikt.

1.3

Het EESC stelt voor om de drempel voor steunaanvragen te verlagen tot 200 ontslagen werknemers, in plaats van de voorgestelde 500. Ook zou het medefinancieringspercentage voor de EU moeten worden opgetrokken tot 75% om de benutting van het EFG nog verder te verbeteren. Ook is het EESC er goed over te spreken dat het begrip "werknemer" nu ook van toepassing is geworden op uitzendwerkers en werknemers die een arbeidscontract met een beperkte looptijd hebben. Het stemt ermee in dat dit begrip ook betrekking zou moeten hebben op zelfstandigen, die aanzienlijke en belangrijke actoren op de arbeidsmarkt zijn en als eersten worden getroffen door de gevolgen van globalisering en economische crises. Het is daarentegen nooit de bedoeling geweest dat het EFG zou worden ingezet voor werkgevers. Daarom vindt het EESC niet dat het EFG moet worden opengesteld voor eigenaars of managers van kleine of middelgrote ondernemingen. DG Ondernemingen van de Commissie heeft een aparte dienst die zich bezighoudt met beleid voor het mkb en daarvoor een beroep kan doen op omvangrijke steunprogramma's. Het EFG en die steunprogramma's moeten elkaar niet in de weg zitten.

1.4

Het EESC heeft twee suggesties waardoor het EFG beter kan gaan werken. Om te beginnen zou het mkb op de hoogte kunnen worden gebracht van de mogelijkheden van het EFG d.m.v. groots opgezette voorlichtingscampagnes. Verder zouden de sociale partners van meet af aan bij de procedure voor steunaanvragen bij het EFG kunnen worden betrokken. Daarenboven wil het EESC uiting geven aan zijn verbazing over het besluit van de Raad in december 2011 om de mogelijkheid om het EFG voor de bestrijding van onverwachte maatschappelijke consequenties van de economische crisis te gebruiken, voor 2012 en 2013 in te trekken, dus voor de laatste twee jaar van de huidige looptijd van het fonds. Het EESC is daar vooral verbaasd over omdat uit het overzicht van de steunaanvragen naar voren komt dat het EFG tot nu toe juist op dat gebied goed heeft gefunctioneerd. Daarom dringt het EESC er bij de Raad op aan om zich te herbezinnen op dit besluit. Ook pleit het er met klem voor dat deze dimensie ook deel gaat uitmaken van het EFG bij de continuering ervan (van 2014 tot 2020).

1.5

Het EESC stemt niet in met het voorstel om het EFG ook open te stellen voor de landbouw, maar geeft toe dat er wel iets voor deze sector moet worden gedaan als er in de toekomst handelsverdragen, zoals het Mercosur-Verdrag, in werking treden. Dit Mercosur-Verdrag zal voordelen opleveren voor de EU als geheel, maar binnen de EU zullen die voordelen vooral naar de industrie en de dienstensector gaan, terwijl de landbouw voor de kosten opdraait. De Commissie heeft verklaard te verwachten dat toekomstige handelsovereenkomsten dezelfde impact kunnen hebben. Het is dan ook niet meer dan terecht om de landbouwers voor dergelijke nadelen te compenseren. Alleen moet dit wel gebeuren door voor de landbouw te zoeken naar een op maat gesneden oplossing, bijvoorbeeld m.b.v. aan het GLB gerelateerde structuurfondsen. Het EESC zou graag zien dat het EFG ook in de toekomst gereserveerd blijft voor het doel waarvoor het is opgericht, nl. om ontslagen werknemers bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt te helpen.

1.6

Het EESC dringt erop aan dat het EFG tijdens perioden van crisis blijft functioneren. Het zou m.n. moeten kunnen worden ingezet bij verplaatsing of herplaatsing van bedrijven op het grondgebied van de de EU.

2.   Samenvatting van het Commissievoorstel

2.1

De Commissie diende in maart 2006 een voorstel in voor een EFG. Doel van dit fonds is specifieke eenmalige herintredingssteun te verlenen aan werknemers die als gevolg van een ernstige verstoring van de economie, in een bepaald gebied of in een bepaalde sector, hun baan zijn kwijtgeraakt. Bij "ernstige verstoring van de economie" moet bijvoorbeeld worden gedacht aan verplaatsing van werkgelegenheid naar het buitenland, massale toename van invoer of een geleidelijk inkrimping van het marktaandeel van de EU in een bepaalde sector. De voornaamste maatstaf om voor steun uit het EGF in aanmerking te komen, was dat meer dan 1 000 werknemers worden ontslagen in een bedrijf of groep van bedrijven in één sector of in één regio of in twee naast elkaar gelegen regio's.

2.2

Het EFG werd opgericht voor zeven jaar (van 2007 tot 2013). Onder dit fonds vallen ook maatregelen als herscholing, hulp bij bedrijfsverplaatsingen, hulp voor startende ondernemers en aanvulling van inkomens. Tussenkomst door het EFG moet door een lidstaat worden aangevraagd. De financiële bijdrage van de EU mocht in dit eerste stadium niet groter zijn dan 50% van de kosten van alle door de betrokken lidstaat voorziene maatregelen. Onder druk van de economische crisis zijn de criteria voor steun via het EFG in 2009 aangepast: het vereiste aantal ontslagen werknemers werd van 1 000 verlaagd naar 500 en het medefinancieringspercentage voor de EU werd van 50% opgetrokken tot 65%.

2.3

Vervolgens stelde de Commissie in oktober 2011 voor om een verordening van het Europees Parlement en de Raad goed te keuren waardoor het EGF met nog eens zeven jaar wordt verlengd (van 2014 tot 2020), met als tweeledig doel om aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie bij te dragen en ook landbouwers voor EFG-steun in aanmerking te laten komen. Om er zeker van te zijn dat werknemers die steun ongeacht de aard van hun arbeidscontract of arbeidsverhoudingen ontvangen, geldt het begrip "werknemer" niet alleen voor werknemers met een arbeidscontract voor onbepaalde tijd, maar ook voor werknemers die een arbeidscontract met een beperkte looptijd hebben, evenals voor uitzendwerkers, eigenaren/managers van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en zelfstandigen (waaronder landbouwers). De EU draagt voor 50 à 65% bij aan de kosten van EFG-projecten.

2.4

De Commmissie heeft voorgesteld om het EFG buiten het meerjarig financieel kader (MFK) te houden, omdat de benutting ervan afhangt van onvoorspelbare en spoedeisende omstandigheden. Uitgaven op EU-niveau moeten zijn gekoppeld aan de resultaten die ermee worden behaald. Zo geldt voor steun uit het EFG als MFK-streefcijfer dat minstens de helft van alle ontslagen werknemers die EFG-steun krijgen, binnen een jaar weer een vaste baan moet hebben gevonden. De Commissie moet in de gaten houden of de lidstaten dat streefcijfer halen. Met het oog daarop moeten de lidstaten na 15 maanden een tussentijds verslag uitbrengen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EFG is opgericht als een soort "eerste hulp": met behulp van dit fonds moet de EU snel en soepel te hulp kunnen schieten als werknemers door de globalisering hun baan kwijtraken. Voor de hele eerste periode van zeven jaar (2007–2013) was 3,5 miljard euro uitgetrokken, waarvan in de eerste vijf jaar (2007-2011) net iets meer dan 364 miljoen euro was opgebruikt (voor die periode was 2.5 miljard euro gereserveerd). De voornaamste oorzaken voor die matige benutting van het EFG waren de tijdrovende en bureaucratische administratieve procedure die moest worden gevolgd, de hoge steundrempel (1 000 ontslagen werknemers) en het lage medefinancieringspercentage voor de EU (50%). Vanaf 2009 is meer gebruik gemaakt van het EFG, omdat de steundrempel toen is verlaagd naar 500 ontslagen werknemers en het medefinancieringspercentage voor de EU - onder bepaalde voorwaarden - werd opgetrokken tot 65%. Bovendien mag sinds dat jaar ook EFG-steun worden aangevraagd voor maatregelen om de gevolgen van de economische crisis te ondervangen (dus niet alleen meer voor die van de globalisering).

3.2

Sinds die aanpassing van de criteria voor steun uit het EFG in 2009 is het aantal aanvragen gestegen tot 29 in 2009 en 2010 (van acht in 2007 en vijf in 2008). In 2011 zijn er acht steunaanvragen goedgekeurd, terwijl achttien steunaanvragen nog in behandeling zijn. Het EFG werd vooral ingezet voor het ondervangen van de gevolgen van de crisis, méér dan voor die van de globalisering: in drie jaar zijn 53 aanvragen vanwege de crisis ingediend (vanaf het tijdstip waarop die mogelijkheid in 2009 werd geopend tot november 2011), terwijl er in vijf jaar 26 aanvragen zijn binnengekomen voor steun vanwege de globalisering. Die 53 aanvragen vanwege de crisis betroffen 48 607 werknemers tegen 28 135 werknemers in het geval van de 26 aanvragen vanwege de globalisering. In totaal zijn dus 76 742 werknemers geholpen om inzetbaar te blijven.

3.3

In de tussentijdse beoordeling van het EFG is nagegaan hoeveel ontslagen werknemers binnen een jaar een nieuwe baan hebben gevonden. Daarvoor is uitgegaan van de vijftien eindverslagen die toen beschikbaar waren voor de periode 2007-2009. Het gemiddelde percentage heringetrede werknemers was 41,8 %. Het herintredingspercentage is hoger dan 50% in 6 van de 15 eerste gevallen van medefinanciering uit het EFG: in de resterende 9 gevallen wordt dat streefpercentage niet gehaald. De verschillen in dit opzicht zijn erg groot: de bereikte percentages variëren van 78,2 % in Duitsland tot veel lagere percentages (4 à 6 %) in Portugal, Spanje en Italië. In het streven naar een vergelijkbare mate van effectiviteit van de geboden steun zou moeten worden overwogen of die steun niet voor een deel kan worden gekoppeld aan de resultaten ervan. Op de middellange termijn (12 maanden na de goedkeuring van steun uit het EFG) steeg het herintredingspercentage in de meeste gevallen (voor zover daar informatie over was) in weerwil van de gevolgen die de economische wereldcrisis heeft gehad voor de lokale economieën. Het werkgelegenheidspercentage van ontvangers van EFG-steun is in de loop der tijd in 8 gevallen gestegen en in 3 gevallen gedaald. Gemiddeld is het herintredingspercentage in die gevallen met 7 procentpunten gestegen. Er zijn dus argumenten om te stellen dat de resultaten – afgezien van het matige gebruik van het EFG – goed kunnen worden genoemd.

3.4

Nog niet besproken is de derde reden waarom het EFG maar matig wordt benut: het feit dat het EFG geen eigen budget heeft. De begrotingsautoriteit (in dit geval de Raad en het Europees Parlement) moet daarom over iedere aanvraag een apart besluit nemen (of aanvragers al dan niet voor steun in aanmerking komen). Het gekozen model, nl. een instrument buiten de structuren van de EU om, maakt op zich dus wel een snelle en flexibele reactie mogelijk, maar de administratieve procedure die zorgvuldigheidshalve moet worden gevolgd, is erg tijdrovend en bureaucratisch. Daar komt nog bij dat die procedure erg duur is: in de diverse stadia ervan moet worden vertaald in 22 talen en zijn vergaderruimtes en vergaderstukken nodig, moeten deelnemers er tijd aan besteden en moet er tijdens vergaderingen worden getolkt. Alle steunaanvragen werden goedgekeurd, wat de vraag doet rijzen of het geld dat daarvoor is uitgegeven, niet beter had kunnen worden gebruikt ten behoeve van de getroffen werknemers. Het voordeel van de huidige EFG-procedure is dat deze erg transparant is en dat het streven van de EU naar armoedebestrijding daardoor zichtbaar wordt gemaakt. Alhoewel transparantie en zichtbaarheid van het allergrootste belang zijn, moet er toch ook iets worden gedaan om de procedure te versnellen en goedkoper te maken.

3.5

Alternatieven waarvan in het Commissievoorstel en de bijbehorende documenten melding wordt gemaakt (1), zijn de integratie van het EFG in het Europees Sociaal Fonds of de handhaving van het EFG als een zelfstandig fonds, maar dan wel met een eigen budget. Aan beide opties zitten voor- en nadelen. Het grootste nadeel van integratie van het EFG in het Europees Sociaal Fonds is dat er dan een duidelijke toewijzing vanuit de EU-begroting moet plaatsvinden, in weerwil van het feit dat massale ontslagen onmogelijk kunnen worden gepland of geprogrammeerd. Ontegenzeggelijke voordelen van deze optie is dat het EFG dan samenhang gaat vertonen met het Europees Sociaal fonds en dat beide fondsen elkaar kunnen aanvullen, dat de besluitvorming wellicht minder tijd gaat kosten en dat steunaanvragen voor het EFG worden vereenvoudigd en gestroomlijnd. De derde optie (handhaving van het EFG als een zelfstandig fonds met een eigen budget) heeft een aantal nadelen, maar één voordeel, nl. dat de solidariteit in Europa zichtbaarder wordt.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Om te beginnen wil het EESC uiting geven aan zijn verbazing over het besluit van de Raad in december 2011 om de mogelijkheid, het EFG te gebruiken voor de bestrijding van onverwachte maatschappelijke consequenties van de economische crisis, als er "eerste hulp" nodig is, voor 2012 en 2013 in te trekken, dus voor de laatste twee jaar van de huidige looptijd van het fonds. Uit het overzicht van de steunaanvragen tot november 2011 komt heel duidelijk naar voren dat het EFG juist vrij goed heeft gewerkt voor de bestrijding van de gevolgen van de economische crisis en minder goed als het gaat om het oorspronkelijke doel ervan, nl. de aanpassing aan de gevolgen van de globalisering. Zowel in 2009 als in 2010 zijn 23 steunaanvragen voor de bestrijding van de gevolgen van de economische crisis goedgekeurd, tegen zes steunaanvragen voor aanpassing aan de globalisering. Daarom dringt het EESC er bij de Raad op aan om, zolang de crisis voortduurt, de mogelijkheid open te houden dat het EFG ook wordt ingezet voor de bestrijding van de gevolgen ervan. Het EESC is er een vurig pleitbezorger van dat het EFG bij continuering ervan uitgebreid blijft tot de gevolgen van de economische crisis, terwijl de steundrempels nog verder zouden moeten worden verlaagd.

4.2

Alhoewel het aantal steunaanvragen vanaf 2008 een stijgende lijn is gaan vertonen, wordt nog steeds maar heel weinig gebruik gemaakt van het EFG. Daarom lijkt het logisch dat de steundrempels nog meer worden verlaagd dan thans het geval is. In de tussentijdse analyse van de voorlopige resultaten van het EFG staat over de verlaging van de steundrempel van 1 000 naar 500 ontslagen werknemers dat zelfs een steundrempel van 500 onder sommige omstandigheden nog te hoog kan worden bevonden: zelfs een verlies van 200 à 300 banen kan hard aankomen voor een lokale of regionale economie. De bestaande steundrempel van 500 ontslagen werknemers zou heel goed toch nog te hoog kunnen uitvallen, gezien de huidige bedrijfsverplaatsingen en uitbestedingen. Het EESC stelt dan ook voor om de steundrempel te verlagen naar 200 ontslagen werknemers.

4.3

Het EESC heeft twee suggesties waardoor de werking van het EFG kan worden verbeterd. Kleine en middelgrote ondernemingen zijn over het algemeen te kleinschalig en beschikken over te weinig middelen om volledig op de hoogte te zijn van de actuele mogelijkheden die het EFG onder bepaalde omstandigheden biedt. Waarschijnlijk zijn veel van deze bedrijven, die met problemen worstelen waarvoor het EFG een oplossing zou kunnen bieden, niet eens bekend met het bestaan ervan, laat staan dat ze ervan profiteren. Er valt dan ook alles voor te zeggen om eigenaren en managers van kleine en middelgrote ondernemingen over de mogelijkheden van het EFG te informeren door middel van grootschalige voorlichtingscampagnes. Een andere suggestie om de werking van het EFG te verbeteren, zou kunnen zijn om de sociale partners van meet af aan bij de procedure voor steunaanvragen voor het EFG te betrekken.

4.4

Uit de analyse is min of meer duidelijk geworden dat de grote terughoudendheid van de lidstaten in de eerste looptijd van het EFG voor een deel is terug te voeren op de hoge eigen bijdrage die de lidstaten moesten betalen. Om die reden zijn de percentages gewijzigd in 2009, wat kennelijk een positief effect heeft gehad. Aangezien instrumenten om krachtdadig en actief te kunnen optreden op de arbeidsmarkt, noodzakelijk blijven in de huidige economische crisis, adviseert het EESC om het medefinancieringspercentage voor de EU op te trekken tot 75%, zodat de benutting van het EFG nog verder wordt verbeterd.

4.5

De Commissie stelt voor om het EFG in het vervolg te blijven gebruiken als crisisinstrument dat buiten het MFK wordt gehouden. Het nadeel van dit model is dat de bijbehorende procedures traag en bureaucratisch zijn. Het bureaucratische karakter van die procedures is deels te wijten aan knelpunten in Brussel en deels aan knelpunten in de lidstaten. Het EESC vraagt de Commissie met klem om een oplossing te vinden voor die knelpunten, zodat de procedure soepeler en minder tijdrovend wordt en potentiële aanvragers daarin niet langer een belemmering zien. Zo moeten aanvragen van regio's via de nationale overheid worden ingediend, wat heel veel extra tijd kost. De efficiëntie kan aanzienlijk worden vergroot door dergelijke procedures te herzien.

4.6

Het EESC stemt ermee in dat het begrip "werknemer" in de voorgestelde verordening ook van toepassing wordt op uitzendwerkers en werknemers die een arbeidscontract met een beperkte looptijd hebben, en dus niet alleen meer geldt voor werknemers met een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Wel heeft het bedenkingen bij de mogelijkheid om daaronder ook zelfstandigen te laten vallen. Het EFG is opgezet als flexibel instrument om werknemers te helpen die door de globalisering hun baan kwijtraken. Wat een zelfstandige precies is, verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat. De invulling van dit begrip varieert van hoog opgeleide deskundigen die heel sterk staan op de arbeidsmarkt, tot economisch afhankelijke zelfstandigen van wie de positie in feite niet anders is dan die van gewone werknemers, en tot mensen die een éénpersoonsbedrijf vormen. Een hoog percentage van die zelfstandigen maakt een belangrijk deel uit van de arbeidsmarkt. Zelfstandigen behoren tot de eerste slachtoffers van zowel de globalisering als een economische crisis. Daarom stelt het EESC voor om het EFG ook op deze deelnemers aan de arbeidsmarkt van toepassing te laten zijn, zulks om werkloosheid te voorkomen en tegelijkertijd te stimuleren dat het EFG beter wordt benut.

4.7

Het EESC blijft huiverig staan tegenover opname in het EFG van eigenaars of managers van kleine of middelgrote ondernemingen, omdat deze werknemers in dienst hebben en dus als zodanig werkgevers zijn en niet in aanmerking komen voor steun uit het EFG, dat immers is opgezet voor werknemers die hun baan zijn kwijtgeraakt. Steun voor de betrokken ondernemingen kan gemakkelijk ontaarden in scheeftrekking van de concurrentie met andere kleine en middelgrote ondernemingen. Steunaanvragen bij het EFG voor deze groep zou het mkb-beleid van DG Ondernemingen, dat daarvoor gebruik kan maken van een breed scala aan onderwijs-, opleidings- en innovatie-programma's, in de weg staan. Daarom vindt het EESC dat eigenaars en managers van kleine en middelgrote ondernemingen niet in aanmerking moeten komen voor steun uit het EFG. Daarentegen vallen werknemers van dergelijke ondernemingen wel onder het EFG als zij als gevolg van de globalisering onverwachts hun baan kwijtraken en ook aan de andere voorwaarden van het EFG voldoen.

4.8

Het EESC stemt niet in met de uitbreiding van het toepassingsgebied van het EFG tot landbouwers. De Commissie motiveert haar voorstel om meer dan 80% van de EFG-middelen voor landbouwbedrijven te laten gebruiken, door te verwijzen naar de onderhandelingen over toekomstige handelsovereenkomsten. De EU heeft al uitgerekend dat verdragen zoals het Mercosur-Verdrag tussen de EU en een aantal Latijns Amerikaanse landen voordelen opleveren voor de EU als geheel, maar dat die voordelen binnen de EU vooral naar de industrie en de dienstensector gaan, terwijl de landbouw voor de nadelen opdraait. Dit geldt waarschijnlijk voor een groot aantal toekomstige verdragen.

4.9

Volgens het Commissievoorstel wordt met het EFG "eenmalige ondersteuning … geboden aan werkenden die werkloos zijn geworden als gevolg van de door de toenemende globalisering van de productie en de wereldhandelspatronen veroorzaakte ingrijpende structurele veranderingen". In de volgende paragraaf voegt de Commissie daaraan toe dat " … de Unie via het EFG ook in staat moet zijn om steun te bieden bij grootschalige gedwongen ontslagen die het gevolg zijn van een door een onverwachte crisis veroorzaakte ernstige verstoring van de lokale, regionale of nationale economie. Voorts zal het toepassingsgebied van het EFG zodanig worden uitgebreid dat tijdelijke steun aan landbouwers kan worden verleend om hun aanpassing te vergemakkelijken aan een nieuwe marktsituatie die ontstaat wanneer de Unie handelsovereenkomsten sluit die van invloed zijn op landbouwproducten".

4.10

Er zijn enkele zwaarwegende redenen waarom het EFG niet geschikt is voor uitbreiding tot de landbouw. De problemen waarmee de landbouw als gevolg van bedoelde landbouwovereenkomsten zal worden geconfronteerd, zijn van structurele aard, omdat alle toekomstige verdragen naar verwachting ditzelfde resultaat zullen hebben en het EFG slechts een tijdelijk instrument is. Bovendien wordt over verdragen als het Mercosur-Verdrag meestal jarenlang onderhandeld en kunnen dergelijke verdragen dus niet worden beschouwd als "een door een onverwachte crisis veroorzaakte ernstige verstoring van de lokale, regionale of nationale economie". Integendeel, dergelijke verdragen zijn ernstige verstoringen van de lokale, regionale of nationale economie als gevolg van een welbewust en zorgvuldig voorbereid optreden van de EU. Uiteraard moeten landbouwers compensatie krijgen voor de berokkende nadelen. Alleen moet dit wel gebeuren door voor de landbouw een op maat gesneden instrument te creëren. Het EESC dringt erop aan dat het EFG, dat opgericht is om ontslagen werknemers bij hun herintegratie in de arbeidsmarkt te ondersteunen, ook in de toekomst voor dit doel voorbehouden blijft.

Brussel, 23 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  SEC(2011) 1130, 1131 en 1133 final.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/46


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten

(COM(2011) 714 final — 2011/0314 (CNS))

2012/C 143/10

Rapporteur: de heer MORGAN

De Raad heeft op 20 december 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (herschikking)

COM(2011) 714 final - 2011/0314 (CNS).

De afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 230 stemmen vóór en 4 tegen, bij 10 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) kan zich vinden in de werkingssfeer van het voorstel tot wijziging van de richtlijn. Het is ermee ingenomen dat de gewijzigde richtlijn en de moeder-dochterrichtlijn nu op één lijn zullen worden gebracht. De deelnemingsdrempel van 10 % als criterium voor de verbondenheid van ondernemingen is een zeer goede keuze. Het EESC pleitte reeds in juli 1998 voor dit percentage. (1)

1.2

Veel lidstaten zullen hun belastingopbrengsten door dit voorstel zien teruglopen en daarom mag men ervan uitgaan dat het in deze periode van begrotingscrisis de nodige tijd zal kosten om de instemming van alle 27 lidstaten te krijgen. De vorige richtlijn werd pas vijf jaar na de publicatie van het voorstel door de Raad goedgekeurd.

1.3

Het EESC steunt het voorstel en dringt er bij de lidstaten op aan om het snel goed te keuren zodat inhoudingen aan de bron kunnen worden gerationaliseerd en er weer een belemmering voor het soepel functioneren van de interne markt kan worden geëlimineerd.

2.   Inleiding

2.1

De Unie kent twee parallelle wettelijke regelingen inzake de eliminatie van dubbele heffing bij moeders en in een andere lidstaat gevestigde dochters. De moeder-dochterrichtlijnen waren gericht op dubbele heffing over dividenden. De tweede groep was gericht op eliminatie van dubbele heffing over interest en royalty's. De groepen zijn nooit op elkaar afgestemd.

2.2

De eerste moeder-dochterrichtlijn (90/435/EEG) werd in 1990 goedgekeurd. Hoofdvoorwaarde voor vrijstelling was dat de moeder voor minstens 25 % in het aandelenkapitaal van de dochter deelnam. Deze richtlijn werd gewijzigd bij Richtlijn 2003/123/EG van de Raad: fasegewijs werd de vrijstellingsdrempel tot 10 % in januari 2009 verlaagd. Ook werd bij die tweede richtlijn de lijst van ondernemingen die onder de eerste richtlijn vielen geactualiseerd.

2.3

Het voorstel was om voor interest en royalty's hetzelfde tijdschema te volgen als voor de moeder-dochterrichtlijn. In het Ruding-verslag uit 1992 werd dit zelfs aangemerkt als prioriteit. (2) Er kon echter geen overeenstemming worden bereikt totdat de Commissie in 1998 met voorstellen ter zake kwam (COM(1998) 67). Maar ook die bleven omstreden - er waren winnaars en verliezers onder de lidstaten - met als gevolg dat de Raad pas in juni 2003 de desbetreffende richtlijn goedkeurde (2003/49/EG). Vanwege het omstreden karakter daarvan werden overgangsperioden ingesteld voor Griekenland, Spanje en Portugal voor zowel interest als royalty's. In 2004 werden bij een latere richtlijn ook overgangsbepalingen ingesteld voor sommige nieuwe lidstaten (Tsjechië, Letland, Litouwen en Polen; in 2005 kwam daar een protocol bij voor Bulgarije en Roemenië).

2.4

Het EESC stemde tijdens zijn zitting van juli 1998 in met de voorstellen inzake interest en royalty's uit dat jaar. (3) In zijn advies daarover maakte het vier specifieke opmerkingen: naast drie verzoeken om zaken te verduidelijken, stelde het voor om de drempel van 25 % te verlagen tot 10 %.

2.5

De Commissie publiceerde in juni 2006 een onderzoek over de uitvoering van de Richtlijn. Naar aanleiding daarvan keurde zij op 11 november 2011 een voorstel goed voor de herschikking van de Richtlijn, teneinde de werkingssfeer ervan uit te breiden. Daarmee zullen de bepalingen inzake interest en royalty's in overeenstemming worden gebracht met de moeder-dochterrichtlijn.

2.6

Een aantal alternatieven zijn het voorwerp geweest van een effectbeoordeling voordat de Commissie besloot voor te stellen om de richtlijn inzake interest en royalty's in lijn te brengen met de bepalingen inzake rentebetalingen uit de moeder-dochterrichtlijn.

2.7

Uit de effectbeoordeling van dat voorstel bleek het volgende:

Ten aanzien van rentebetalingen zou de derving niet meer dan 200 tot 300 miljoen euro bedragen en zij zou de 13 EU-lidstaten treffen die nog altijd bronbelasting heffen op uitgaande rentebetalingen, namelijk België, Bulgarije, Tsjechië, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië en het Verenigd Koninkrijk.

Ten aanzien van royaltybetalingen zou de derving niet meer dan 100 tot 200 miljoen euro bedragen en zij zou de zeven landen treffen met de grootste negatieve royaltysaldo's als aandeel van het bbp, namelijk Bulgarije, Tsjechië, Griekenland, Polen, Portugal, Roemenië en Slowakije. Dit is het alternatief dat de voorkeur kreeg van de meerderheid van de belanghebbenden die op de openbare raadpleging hadden gereageerd.

2.8

Volgens de effectbeoordeling zouden de in het herschikkingsvoorstel opgenomen initiatieven om de bronbelastingen in een groter aantal gevallen af te schaffen, het bedrijfsleven een besparing aan nalevingskosten van naar schatting 38,4 tot 58,8 miljoen euro opleveren.

3.   Samenvatting van het voorstel

3.1

De Commissie beoogt met de goedkeuring van het voorstel van 11 november 2011 om:

de werkingssfeer van de Richtlijn te wijzigen door de lijst van vennootschappen waarop de richtlijn van toepassing is, uit te breiden;

de deelnemingsdrempels te verlagen en het criterium voor de verbondenheid van ondernemingen vast te stellen op 10 % deelneming i.p.v. 25 % rechtstreekse deelneming;

de definitie van "verbonden onderneming" te verruimen zodat ook middellijke deelneming daaronder valt;

duidelijk te maken dat de lidstaten de richtlijnvoordelen alleen moeten toekennen aan in aanmerking komende vennootschappen van een lidstaat wanneer de rente- of royaltybetaling in kwestie niet is vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Dit regelt met name de situatie waarbij een onderneming die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, ook profiteert van een bijzondere nationale belastingregeling waarbij uit het buitenland ontvangen rente- of royaltybetalingen zijn vrijgesteld. De richtlijn zou de bronstaat in dergelijke gevallen niet langer verplichten vrijstelling van bronbelasting te verlenen.

De overgangsperioden blijven ongewijzigd.

3.2

In lijn met de fusierichtlijn en de moeder-dochterrichtlijn worden de voordelen van de richtlijn inzake interest en royalty's alleen toegekend aan ondernemingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting in de EU, hun fiscale woonplaats in een EU-lidstaat hebben en een van de in de bijlage bij de Richtlijn vermelde rechtsvormen hebben. Aangezien in de bijlage bij de Richtlijn alleen de soorten vennootschappen waren opgenomen die bestonden in de 15 landen die al vóór 1 mei 2004 EU-lid waren, werden de soorten vennootschappen die in de nieuwe lidstaten bestaan daaraan toegevoegd bij Richtlijn 2004/66/EG van de Raad van 26 april 2004.

3.3

Het nu voorliggende voorstel tot wijziging herschikt alle desbetreffende richtlijnen en voorziet aldus in een actualisering van de in de bijlage bij de Richtlijn opgenomen lijst van vennootschappen. De voorgestelde nieuwe lijst omvat tevens:

de Europese vennootschap, (Verordening (EG) 2157/2001 van de Raad en Richtlijn 2001/86/EG van de Raad), die vanaf 2004 kan worden opgericht, en

de Europese coöperatieve vennootschap, (Verordening (EG) 1435/2003 van de Raad en Richtlijn 2003/72/EG van de Raad), die vanaf 2006 kan worden opgericht.

3.4

De herziene Richtlijn zou op 1 januari 2013 in werking moeten treden.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Advies van het EESC over het Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake betalingen van rente en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten, PB C 284 van 14.09.1998, blz. 50.

(2)  Verslag van het comité van onafhankelijke experts over de belastingheffing van ondernemingen, maart 1992.

(3)  PB C 284 van 14.09.1998, blz. 50


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/48


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actieprogramma voor belastingen en douane in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Fiscus) en tot intrekking van Beschikkingen nr. 1482/2007/EG en nr. 624/2007/EG

(COM(2011) 706 final — 2011/0341 (COD))

2012/C 143/11

Rapporteur: de heer CASSIDY

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 20 en 14 december 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 33 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een actieprogramma voor belastingen en douane in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Fiscus) en tot intrekking van Beschikkingen nr. 1482/2007/EG en nr. 624/2007/EG

COM(2011) 706 final - 2011/0341 (COD).

De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 231 stemmen vóór en 3 tegen, bij 11 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) onderschrijft in het algemeen het voorstel voor Fiscus. Het wil echter het volgende onder de aandacht brengen:

De nationale belasting- en douanediensten moeten toereikend uitgerust zijn om de uitdagingen van het komende decennium aan te gaan.

De belasting- en douanesector moet kunnen beschikken over een modern en efficiënt IT-systeem. Daartoe behoren zaken als het gemoderniseerde douanewetboek (MCC).

Het EESC zou graag een uitgebreide evaluatie willen zien van de gevolgen voor de begrotingen van de EU en de lidstaten.

De samenvattende begroting voor Fiscus laat ten opzichte van de huidige activiteiten een stijging zien van 9 % van de totale begroting voor de sectoren belastingen en douane. De geplande begroting voor de douane bedraagt 479 622 792 euro (voor de belastingen gaat het om 23 692 892 euro). Dit betekent een stijging van 13 % voor de douane en een daling van 1 % voor de belastingen.

1.2

Het EESC beseft dat de lidstaten er in de werkgroepen van de Raad uiteenlopende meningen op na houden. Het is van belang dat de Commissie kan aantonen dat de lidstaten in vergelijking met de huidige activiteiten fors op de Fiscus-begroting zullen besparen. Volgens het EESC zal de Commissie niet zonder slag of stoot toestemming krijgen van het Parlement voor meer uitgaven uit hoofde van de EU-begroting, zonder informatie over compenserende bezuinigingen op de begrotingen van de lidstaten.

1.3

Het EESC herinnert aan de opmerkingen in zijn advies "Actieprogramma voor de douane" (1), waarin het aandrong op verdere integratie van douanepraktijken, indachtig de doelstellingen van de Lissabonstrategie, daarbij benadrukkend dat deze vorm van integratie bereikt moet worden zonder de douaneadministraties verder te integreren.

1.4

Wezenlijk onderdeel van het nieuwe programma is de verbetering van de opleiding en de doeltreffendheid hiervan voor ambtenaren uit de lidstaten (2).

2.   Inleiding en achtergrond

2.1

Het EU-beleid voor douane en belastingen draagt elk jaar essentieel bij aan hogere inkomsten voor de begrotingen van de EU en de lidstaten. Voorts levert het beleid aanzienlijke voordelen voor de EU-burgers en ondernemingen op, of het nu is door de belemmering van onveilige of illegale invoer, het mogelijk maken van vlotte handel en een sterke interne markt, of door nalevingskosten en de papierwinkel voor grensoverschrijdende ondernemingen terug te dringen.

2.2

Het voorstel voor een verordening (COM(2011) 706 final) is een belangrijke stap voorwaarts in het jaren geleden gelanceerde streven om de acties van de lidstaten op één lijn te brengen en te coördineren ter bescherming van hun financiële belangen en die van de EU: in 2010 waren de douanerechten en aanverwante heffingen goed voor 12,3 % van de EU-begroting. Het nieuwe, door de Commissie in juni 2011 goedgekeurde meerjarig financieel kader 2014-2020 omvat onder andere een nieuwe generatie douane- en Fiscalisprogramma's. Beide programma's hebben mettertijd twee gescheiden, hoewel parallelle, trajecten afgelegd. De meest recente waren Douane 2013 en Fiscalis 2013. Ze worden nu gecombineerd in één programma (Fiscus), een echte vernieuwing in de aanpak van de Commissie.

2.3

Fiscus is niet alleen het resultaat van het "vereenvoudigingsbeleid", om de Commissie te citeren, maar ook de erkenning van het vitale belang van de "samenwerking tussen de belasting- en de douanediensten en andere betrokken partijen ." Het meest positieve element van het programma is de aandacht voor de menselijke factor: douane- en belastingsamenwerking wordt gebaseerd op "networking en competentieontwikkeling" (3). Technische en IT-capaciteitsopbouw is natuurlijk nodig, maar de menselijke factor is van primair belang, een zaak die het EESC zeer op prijs stelt.

2.4

Het Commissieprogramma Fiscus heeft naar verwachting een looptijd van 7 jaar, ingaand op 1 januari 2014. Het budget voor de kosten van het programma voor de gehele duur (2014-2020) bedraagt 777,6 miljoen euro in huidige prijzen: een fors bedrag, waarvan de samenhang met de doelstellingen moeilijk te beoordelen valt. Het programma verstrekt financiële steun voor negen verschillende soorten gezamenlijke gemeenschappelijke acties, in de vorm van subsidies, overheidsopdrachten, of vergoeding van kosten van externe deskundigen.

2.5

De meeste kosten betreffen de opleiding van ambtenaren en gemeenschappelijke IT-initiatieven, maar de subsidies kunnen ook de "kosten dekken van voorbereidende werkzaamheden, toezicht, bewaking, controles en evaluaties" (4). Volgens het EESC betekent dit dat er speciale aandacht uitgaat naar de uitvoering van de gezamenlijke gemeenschappelijke acties , maar het hoopt dat evenveel aandacht wordt besteed aan de uitvoering van nationale acties , ter wille van de uniformiteit.

2.6

De specifieke doelstellingen van het actieprogramma zijn dezelfde als die van de eerdere en huidige programma's. Het EESC heeft zich hierover al uitgesproken en het heeft geen zin een en ander te herhalen, behalve een punt dat meermaals is aangeroerd, maar waarop tot nu toe niet is gereageerd, te weten een regelmatige uitwisseling van informatie tussen douane- en belastingautoriteiten als middel om fraude en/of belastingontwijking te ontdekken  (5).

2.7

In het kader van de eerste pijler - networking - zullen goede praktijken en praktische kennis kunnen worden uitgewisseld. Dit is niet nieuw: de meeste, zo niet alle voorgaande programma's spraken hierover, soms zelfs in exact dezelfde bewoordingen. Om meerdere redenen echter waren eerdere acties op dit vlak niet altijd een groot succes. Zo vormden taalproblemen en uiteenlopende ervaring of achtergrond van de deelnemers grote obstakels. De nieuwe, door Fiscus te geven impuls voor samenwerking tussen diverse overheidsdiensten, moet de uitwisseling van ervaringen en de komst van hoogopgeleide professionals bevorderen. Dat is inderdaad iets wat de EU zou moeten ondersteunen.

2.8

Onder de tweede pijler, zo schrijft de Commissie, "zal worden voorzien in middelen voor de financiering van geavanceerde IT-infrastructuur en -systemen die de belasting- en douanediensten in de Unie in staat zullen stellen zich te ontwikkelen tot volwaardige e-overheden". (6) Ook dit kwam in min of meer dezelfde bewoordingen al in voorgaande programma's ter sprake. Maar de hier met eerdere acties behaalde resultaten stemden helemaal niet tot tevredenheid. Oorzaken waren verschillen in ontwikkeling van de IT-technologieën van de lidstaten, en helaas ook vaak de onwil van enkele (of veel) lidstaten om van werkmethoden of apparatuur te veranderen.

2.9

De onwil van lidstaten om samen te werken vormt het grootste struikelblok voor de ontwikkeling van een solide Europees belastingnetwerk. Deze onwil beperkt zich niet tot IT-technologie, maar komt op dat vlak wel het duidelijkst naar voren. Het EESC heeft die houding in veel van zijn adviezen over fiscale initiatieven bekritiseerd. (7) Het hoopt dat de huidige crisis heeft aangetoond dat geen enkel land zich kan afsluiten voor gebeurtenissen met mondiale gevolgen, en dat samenwerking de enige oplossing is.

2.10

In 2011 heeft een contractant na raadpleging van vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven de tussentijdse resultaten van de twee afzonderlijke programma's Fiscalis-2013 en Douane-2013 geanalyseerd. Door een andere contractant is een studie verricht naar het mogelijke kader voor het toekomstige Fiscus-programma. Uit de tussentijdse resultaten blijkt niet dat er grote obstakels bestaan noch dat er speciale maatregelen nodig zijn om ongewenste effecten te corrigeren.

2.11

Fiscus voegt de twee bestaande programma's voor belastingen en douane samen, hetgeen tegemoetkomt aan het streven van de Commissie naar vereenvoudiging en kostenbesparingen, maar niet ten koste gaat van de activiteiten op beide terreinen.

2.12

De nieuwe verordening vervangt Beschikking nr. 1482/2007/EG tot vaststelling van een communautair programma ter verbetering van het functioneren van de belastingstelsels in de interne markt (Fiscalis-2013) alsook Beschikking nr. 624/2007/EG tot vaststelling van een actieprogramma voor de douane in de Gemeenschap (Douane-2013). Beide beschikkingen zullen derhalve worden ingetrokken.

2.13

De Commissie heeft omvangrijke raadplegingen gehouden in zowel de douane- als de belastingsector. Daaruit kwam een groot aantal problemen naar voren, die in deel I (douane) en deel II (belastingen) van het werkdocument van de diensten van de Commissie (Effectbeoordeling) zijn samengevat. (8)

2.14

Verder heeft de Commissie met het oog op het nieuwe programma een effectbeoordeling uitgevoerd. Die laat zien dat er nog altijd veel onzekerheid bestaat over de Europese informatiesystemen en de uitwisseling van informatie i.v.m. toekomstige beleidsontwikkelingen. Enkele van deze kwesties kwamen al aan bod in het EESC-advies "Actieprogramma voor de douane". (9) De aanpassingen die nodig zijn om het functioneren van het Fiscalis-programma te verbeteren, zijn in detail beschreven in het EESC-advies "Beter functioneren van de belastingstelsels in de interne markt (Fiscalis 2013)". (10)

2.15

Het EESC kan zich in beginsel vinden in de door de Commissie voorgestelde maatregelen. Het wijst erop dat de moeizame samenwerking tussen verschillende overheidsdiensten, zowel op nationaal als Europees niveau, zich ook op veel andere terreinen voordoet. Vooruitgang wordt slechts langzaam en met veel moeite geboekt. De oorzaken daarvoor zijn velerlei, met als belangrijkste het gebrek aan enthousiasme bij nationale overheden.

2.16

Het EESC staat achter het Commissievoorstel voor meer samenwerking tussen douane- en belastingdiensten. Dat voorstel zou echter slechts de eerste stap moeten vormen op weg naar een georganiseerde samenwerking tussen alle nationale en Europese agentschappen en diensten die betrokken zijn bij de bestrijding van financiële fraude en criminaliteit (witwassen van geld, georganiseerde misdaad, terrorisme, smokkel enz.). Het EESC heeft al vaak voor een dergelijke samenwerking gepleit. (11)

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 324 van 30.12.2006, blz. 78, par. 1.3.

(2)  Deze opmerking werd gemaakt in par. 1.2 van EESC-advies Verbetering van het functioneren van de belastingstelsels in de interne markt (Fiscalis 2013), PB C 93 van 27.04.2007, blz. 1.

(3)  COM(2011) 706 final, blz. 2, punt 1, derde alinea.

(4)  COM (2011) 706 final, blz. 21, artikel 10, lid 2.

(5)  EESC-adviezen Bestrijding van btw-fraude, PB C 347 van 18.12.2010, blz. 73, en Bevordering van goed bestuur in belastingzaken, PB C 255 van 22.09.2010, blz. 61.

(6)  COM(2011) 706 final, blz. 3, punt 1, derde alinea.

(7)  EESC-adviezen Bestrijding van btw-fraude, PB C 347 van 18.12.2010, blz. 73; Bevordering van goed bestuur in belastingzaken, PB C 255 van 22.09.2010, blz. 61; Belastingontduiking bij invoer, PB C 277 van 17.11.2009, blz. 112; Invordering van schuldvorderingen uit belastingen, PB C 317 van 23.12.2009, blz. 120, en Administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, PB C 317 van 23.12.2009, blz. 120.

(8)  Werkdocument van de diensten van de Commissie - Effectbeoordeling, SEC(2011) 1318 final.

(9)  PB C 324 van 30.12.2006, blz. 78.

(10)  PB C 93 van 27.04.2007, blz. 1.

(11)  EESC-adviezen Bestrijding van btw-fraude, PB C 347 van 18.12.2010, blz. 73; Bevordering van goed bestuur in belastingzaken, PB C 255 van 22.09.2010, blz. 61; Belastingontduiking bij invoer, PB C 277 van 17.11.2009, blz. 112; Invordering van schuldvorderingen uit belastingen, PB C 317 van 23.12.2009, blz. 120, en Administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, PB C 317 van 23.12.2009, blz. 120.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/51


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Jaarlijkse groeianalyse 2012

(COM(2011) 815 final)

2012/C 143/12

Algemeen rapporteur: de heer CROUGHAN

De Commissie heeft op 23 november 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Jaarlijkse groeianalyse 2012

COM(2011) 815 final.

Op 6 december 2011 heeft het bureau van het Comité besloten de stuurgroep Europa 2020 met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden te belasten.

Gelet op het spoedeisende karakter van de werkzaamheden heeft het Comité tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari 2012) de heer CROUGHAN aangewezen als algemeen rapporteur en onderstaand advies met 171 stemmen vóór en 19 stemmen tegen, bij 21 onthoudingen, goedgekeurd.

INLEIDING

i

Dit ontwerpadvies, opgesteld voor de Voorjaarstop van de Europese Raad, bevat commentaar op de "Jaarlijkse groeianalyse" (AGS) 2012 van de Commissie.

ii

De AGS is de eerste stap in het Europees semester van economische governance 2012, dat tevens het eerste semester is in het kader van het vastgelegde wetgevingskader inzake de aangescherpte economische governance ("het six-pack").

iii

De AGS bevat het standpunt van de Commissie over de prioriteiten van de EU voor de komende twaalf maanden op het gebied van economisch en begrotingsbeleid en van de hervormingen voor het bevorderen van groei en werkgelegenheid in het kader van de Europa 2020-strategie. Zodra die prioriteiten in maart door de Europese Raad zijn goedgekeurd, zullen ze door de lidstaten in overweging moeten worden genomen in hun nationaal beleid en in hun begroting.

iv

In deel I van dit ontwerpadvies wordt ingegaan op algemene vraagstukken in verband met de AGS, zoals de nadruk op groei, begrotingsconsolidatie en de tenuitvoerlegging van de hervormingen die zijn vastgelegd in het kader van het Europees semester, maar ook op de rol van het georganiseerde maatschappelijk middenveld en de sociale partners in het AGS-proces.

v

Deel II bevat specifieke opmerkingen en aanbevelingen met betrekking tot verschillende EU-beleidsterreinen. Er zal uitgebreid worden ingegaan op de vijf prioriteiten die de Commissie in de AGS naar voren heeft gebracht: een gedifferentieerd, groeivriendelijk beleid van begrotingsconsolidatie voeren; de kredietverschaffing aan de economie normaliseren; groei en concurrentievermogen bevorderen; de werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis aanpakken en het overheidsapparaat moderniseren. Deze bijdragen zijn afkomstig van diverse EESC-adviezen en geven de laatste stand van zaken weer met betrekking tot het standpunt dat het Comité in maart 2011 over de AGS 2011 (1) heeft ingenomen.

vi

Dit ontwerpadvies is ook een follow-up van het advies over het Europees semester 2011 dat het Comité in december 2011 heeft goedgekeurd (2).

DEEL I

STANDPUNTEN VAN HET EESC AAN HET ADRES VAN DE VOORJAARSTOP VAN DE EUROPESE RAAD

Tijdens die top moet de Unie aantonen dat ze politiek in staat is om de schuldencrisis aan te pakken en met ambitieuze en afdoende maatregelen het vertrouwen te herstellen, wat tijdens de afgelopen toppen niet gebeurd is. Een van die maatregelen is veel meer nadruk leggen op groei.

A.    INLEIDING

1.   De context van de AGS 2012 van de Commissie is duister: de Unie bevindt zich in de ernstigste financiële, economische en sociale en vertrouwenscrisis in haar geschiedenis. Dat heeft allerlei gevolgen: moeilijkheden voor huishoudens en ondernemingen, toenemende jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, een toenemend aantal burgers dat door armoede en uitsluiting wordt bedreigd, bezorgdheid in de samenleving, het risico van groeiend nationalisme en populisme.

2.   Het EESC maakt zich ernstig zorgen over het feit dat er op nationaal niveau nog maar nauwelijks iets is terechtgekomen van de afspraken die tijdens het Europees semester zijn gemaakt. De EU dient meer dan ooit te laten zien dat ze in staat is om effectief op te treden teneinde het vertrouwen van consumenten en investeerders te herstellen, en om met ambitieuze oplossingen te komen voor de uitdagingen van dit moment. Zonder doortastende maatregelen en een doeltreffende tenuitvoerlegging van de hervormingen door Europese instellingen en de lidstaten stevent Europa af op een langdurige groeicrisis en een steeds groter wordende onderlinge kloof, waardoor de druk op de eurozone alleen maar zal toenemen.

3.   Nu het Europees semester 2012 met een aanzienlijk lagere groeivoorspelling begint en de mogelijkheid van een recessie zeer reëel is, betreurt het EESC dat de leiders tijdens de Europese Top in december 2011 er niet in zijn geslaagd om het vertrouwen in de governance in de Europese Unie, dat in de afgelopen achttien maanden na elke top steeds verder is geslonken, te herstellen. Het is duidelijk dat er tijdens de top geen bereidheid was om de ernstige problemen die in de jaarlijkse groeianalyses naar voren zijn gebracht, aan te pakken. Dat heeft ertoe geleid dat er nog steeds beleidskeuzes worden gemaakt die wereldwijd niet kunnen rekenen op het vertrouwen van regeringen en investeerders, en al evenmin van de Europese burgers.

4.   Het EESC is van mening dat de tot nu toe voorgestelde oplossingen voor de staatsschuld en voor de financiële crisis die daarmee verband houdt, slechts deeloplossingen zijn, dat ze het voor bepaalde landen met hoge schulden wel eens langer dan gepland onmogelijk kunnen maken om naar de markten terug te keren, en dat ze leiden tot een hoog risico van verdere besmetting van bepaalde grotere lidstaten. Een wanordelijk faillissement van Griekenland is nog steeds denkbaar; dat zou ernstige gevolgen kunnen hebben voor andere landen die problemen hebben met hun staatsschuld, en zou kunnen leiden tot een reeks gebeurtenissen met ernstige gevolgen voor de Europese economie én de wereldeconomie. De Europese Unie is er nog niet in geslaagd om haar onmiskenbare economische kracht te gebruiken om lidstaten die in de problemen zitten, te beschermen tegen financiële aanvallen. Dit heeft ertoe geleid dat de internationale markten het Europese huis ernstig hebben verzwakt door te profiteren van de structurele fragmentatie. We hebben dus zowel met een politiek als een economisch probleem te maken.

5.   Het EESC is zeer bezorgd over het feit dat de daardoor ontstane ernstige onzekerheid schadelijke gevolgen heeft voor de reële economie van de Unie in de vorm van lagere investeringen, productie en werkgelegenheid, omdat investeerders hun heil elders zoeken, en zelfs al rekening houden met een eventueel uiteenvallen van de eurozone, wat voor de hele wereld rampzalige gevolgen zou hebben.

6.   Tijdens vroegere crises van de Europese integratie is gebleken dat Europa in staat is om oplossingen te vinden. Het EESC doet een beroep op de Europese instellingen en de lidstaten om politieke moed en visie te tonen, en te streven naar meer integratie, opleving van de economie en het aantrekken van investeringen, wat nu de enige opties zijn om uit de crisis te geraken.

7.   De EU pakt de crisis op dit moment met allerlei noodmaatregelen aan, maar zij moet duurzame oplossingen bedenken voor de structurele uitdagingen die deze crisis aan het licht heeft gebracht, en op die manier de welvaart van de Europese burgers op de lange termijn garanderen. Dit betekent dat er een Europese verdedigingslinie moet worden opgetrokken om verdere aanvallen te voorkomen, dat landen in moeilijkheden de tijd moeten krijgen om zich te herstellen en dat er speciale aanvullende maatregelen nodig zijn om de economische groei in Europa een impuls te geven.

8.   Voor de schuldencrisis moet er een geloofwaardige Europese aanpak komen, maar daarnaast moet er een sterkere begrotingsunie worden opgebouwd. Het EESC verwelkomt de invoering in het proces van het Europees semester van een veel sterker toezicht op het begrotingsbeleid van de lidstaten, en op het naleven van de verplichtingen die voor de lidstaten voortvloeien uit het begrotingspact, hoewel er goed moet worden gekeken naar de maatschappelijke impact van dergelijke maatregelen. Het nieuwe stelsel van Europese economische governance mag echter geen afbreuk doen aan de autonomie van de sociale partners en aan hun vrijheid om collectieve overeenkomsten te sluiten.

9.   Bovendien bevestigt het EESC zijn volledige steun voor de Europa 2020-strategie als een positieve toekomstvisie en een coherent kader voor het uitvoeren van hervormingen met het oog op een toekomstige groei die slim, duurzaam en inclusief is. Het wijst er ook op dat er een goed evenwicht moet worden gevonden tussen de economische, sociale en werkgelegenheidsaspecten van de strategie.

10.   Het EESC maakt zich ernstig zorgen over het feit dat de communautaire methode minder wordt toegepast, en vaker een intergouvernementele aanpak wordt gevolgd, meestal door een zeer klein aantal lidstaten, wat de beleidsrespons een enigszins opgelegd karakter heeft gegeven. De acute problemen van de Europese Unie zijn niet vanuit het perspectief van de Unie aangepakt, maar vanuit het perspectief van de individuele lidstaten en met het oog op hun politieke wensen. Dit ligt ten dele aan het feit dat de instellingen van de Gemeenschap vanwege de intergouvernementele aanpak die de afgelopen twee jaar is gevolgd, een bijrol hebben gespeeld.

11.   Het EESC stelt vast dat uiterlijk binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het op 30 januari door 25 lidstaten ondertekende Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en governance in de Economische en Monetaire Unie en op basis van een beoordeling van de ervaringen met de tenuitvoerlegging daarvan de nodige stappen zullen worden gezet om de essentiële bepalingen uit het verdrag in het rechtskader van de Europese Unie te incorporeren. Het roept de landen (3) die uitgesloten wensen te blijven van het intergouvernementele proces dat ten grondslag ligt aan het Verdrag, dan ook op om hun standpunt te herzien.

12.   Het EESC pleit voor een belangrijke rol voor de Europese Commissie en moedigt de Commissie aan om vergaande voorstellen te doen. Ook zou het graag zien dat het Europees Parlement volledig wordt betrokken bij het proces van het Europees semester. Dit zal de transparantie en legitimiteit van het semester vergroten.

13.   Het EESC dankt de Commissie voor het feit dat ze de AGS 2012 reeds eind november 2011, dus eerder dan oorspronkelijk was gepland, heeft gepubliceerd. Daardoor kon het, ondanks de nog altijd krappe termijn, de AGS bespreken, zijn netwerk van nationale SER's en vergelijkbare instanties raadplegen en dit advies uitbrengen voordat de Voorjaarstop van de Europese Raad de jaarlijkse prioriteiten vastlegt.

B.    DE JUISTE NADRUK OP GROEI

14.   Het EESC is van mening dat de AGS 2012 in meerdere opzichten een verbetering is ten opzichte van de vorige analyse.

15.   Het EESC verwelkomt het feit dat in het algemeen de nadruk ligt op groei, en stelt met tevredenheid vast dat in de AGS 2012 rekening wordt gehouden met veel van de ideeën uit zijn vorige advies over de Jaarlijkse groeianalyse 2011 (4).

16.   Het benadrukt dat voldoende economische groei een voorwaarde is voor het oplossen van de staatsschuldencrisis, met name in de landen die in moeilijkheden verkeren. Wanneer onvoldoende prioriteit wordt gegeven aan de groei, is het gevaar groot dat de economie in veel lidstaten van de Unie in een recessie terechtkomt, en in sommige lidstaten zelfs in een depressie.

17.   In de AGS wordt erkend dat de financiële markten de betaalbaarheid van de schulden van de lidstaten op de lange termijn beoordelen op basis van de volgende criteria: wat zijn de groeiperspectieven op de lange termijn, zijn de lidstaten in staat om verstrekkende besluiten over structurele hervormingen te nemen en zijn ze vastberaden om hun concurrentievermogen te verbeteren?

18.   Het EESC deelt de inschatting in de AGS dat de groeiperspectieven in alle lidstaten van de EU absoluut afhankelijk zijn van een krachtige aanpak van de staatsschuldencrisis en van een gezond economisch beleid, en dat de politiek te veel tijd en energie steekt in noodmaatregelen, en te weinig tijd wijdt aan het implementeren van de beleidskeuzes die weer tot meer groei in onze economie leiden.

19.   Het EESC is het er absoluut mee eens dat er nadruk moet worden gelegd op zowel hervormingsmaatregelen die op de korte termijn tot meer groei leiden, als het juiste groeimodel voor de middellange termijn.

20.   Het herhaalt dat de drie aspecten van de groei – slim, duurzaam en inclusief – met elkaar verweven zijn en elkaar versterken. Er moet ook de nodige aandacht worden gegeven aan de economische, sociale en milieuaspecten.

21.   Groeiherstel moet overeenstemmen met de andere doelstellingen die in het Verdrag van Lissabon zijn vastgelegd, waaronder ook het welzijn van de burgers. De noodzaak om te hervormen moet als een kans worden aangegrepen om onze manier van leven duurzamer te maken.

22.   In alle lidstaten moet de nadruk worden gelegd op hervormingen ter versterking van de groei.

23.   De specifieke situatie in vijf lidstaten waarvoor de EU en het IMF programma's voor financiële bijstand hebben opgezet  (5)

23.1   Het EESC is van mening dat de Commissie en de Raad de lidstaten met gedetailleerde aanbevelingen per land moeten blijven aanmoedigen om een beleid voor groei op de lange termijn te ontwikkelen en door te voeren. Het betreurt dat de vijf lidstaten waarvoor de EU en het IMF in 2011 programma's voor financiële bijstand hebben opgezet, alleen maar de aanbeveling hebben gekregen om verder te gaan met het uitvoeren van de maatregelen die zijn vastgelegd in de besluiten over het verlenen van financiële bijstand.

23.2   Het EESC is zeer bezorgd over het besluit van de Commissie om van deze landen niet te eisen dat ze deelnemen aan de voorbereiding van de tweede ronde van NHP's in 2012. Het ziet in dat de NHP's vaak op hetzelfde terrein betrekking hebben en dat deze landen hun nationale doelstellingen al in verband met de Europa 2020-strategie voorleggen. Niettemin vallen deze landen zo buiten het nieuwe governanceproces, dat de kern van Europa 2020 vormt en dat is ingevoerd om via hervormingen en het volgen van beste praktijken de noodzakelijke economische convergentie tot stand te brengen. Dit zal er met name toe leiden dat de burgers en de sociale partners in de lidstaten niet betrokken worden bij de uitvoering en herziening van de NHP's. Dat staat haaks op de conclusies van de Europese Raad van maart 2011 om de nationale parlementen, de sociale partners en andere belanghebbenden volledig te betrekken bij het nieuwe Europese semester.

24.   Investeren in groei – een bijzondere uitdaging in het huidige tijdsgewricht

24.1   Het EESC is zich ervan bewust dat het bijzonder moeilijk kan zijn om vast te stellen welke maatregelen moeten worden genomen om de groei te bevorderen. De crisis is niet de enige reden voor de huidige zwakke positie van de EU op het gebied van groei; ook andere problemen hebben gevolgen voor de economische prestaties van de Unie, zoals de vermindering van het concurrentievermogen, de globalisering, de schaarste aan hulpbronnen (energie, vaardigheden enz.), de klimaatverandering en de vergrijzing.

24.2   Om de doelstellingen van Europa 2020 te bereiken, zijn er aanzienlijke investeringen nodig: bijvoorbeeld in ICT, traditionele en nieuwe infrastructuur, O&O en innovatie, onderwijs, vaardigheden en energie-efficiëntie. Investeringen in groene economie zullen de innovatie en de vraag naar nieuwe producten stimuleren, waardoor de groei verder toeneemt en er tegelijkertijd een bijdrage wordt geleverd aan de duurzaamheid van de wereldwijde economie.

24.3   Dit is in tijden van bezuinigingen een grote uitdaging. Dergelijke overheidsinvesteringen op het nationale of Europese niveau in slimme, duurzame en inclusieve groei hebben echter grote voordelen, en kunnen leiden tot een sterk hefboomeffect, omdat ze een aanleiding zijn voor meer particuliere investeringen.

24.4   Het EESC is van mening dat de Unie meer moet investeren in projecten die leiden tot structurele veranderingen en die de economie van lidstaten op weg kunnen helpen naar duurzame groei. De projecten moeten overeenstemmen met de doelstellingen van Europa 2020; dit kunnen bijvoorbeeld infrastructuurprojecten met een lange looptijd zijn, die grote voordelen voor de samenleving hebben en geld kunnen opleveren.

24.5   In dat verband staat het EESC volledig achter het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties  (6) voor het financieren van grote infrastructuurprojecten op het gebied van energie, vervoer en ICT. Dat zal gunstige gevolgen hebben voor de markten voor projectobligaties, en ontwikkelaars van individuele projecten helpen om van de particuliere sector langlopende kredieten te verkrijgen.

24.6   Het EESC is van mening dat er op Europees niveau meer moet worden gedaan om investeringen te bevorderen. De middelen die in het kader van de structuurfondsen beschikbaar zijn, moeten gericht worden gebruikt om het concurrentievermogen te versterken en weer groei mogelijk te maken. De middelen van de EU moeten gekoppeld worden aan de resultaten aan verenigbaarheid met de EU 2020-strategie.

24.7   Het EESC is verheugd dat het Parlement en de Raad snel hebben ingestemd met een overeenkomst over het verhogen van de cofinancieringspercentages voor de structuurfondsen in landen die financiële bijstand ontvangen van de EU, de ECB en het IMF – zodat de middelen van de EU snel kunnen worden ingezet om de groei te bevorderen, en de absorptie wordt verbeterd (7).

24.8   Gezien de grote druk op de nationale en Europese begrotingen moeten de lidstaten en de EU-wetgevers moeilijke keuzes maken en prioriteiten vastleggen om te investeren in "groeibevorderende factoren", zoals onderwijs en vaardigheden, O&O en innovatie, milieu, en netwerken, bijvoorbeeld snel internet, energienetwerken en vervoersverbindingen.

24.9   Voor het herstel zijn (sociaal) ondernemerschap en de oprichting van bedrijven – met name mkb-ondernemingen (waaronder ook sociale ondernemingen) – van groot belang. Zij zijn de stuwende kracht achter economische groei, innovatie en nieuwe vaardigheden in het bedrijfsleven, en creëren veel nieuwe banen.

24.10   In veel landen van de Unie begint het werkloosheidspercentage een ondraaglijk niveau te bereiken. De sociale en economische kosten daarvan zijn enorm. Daarom moeten er op korte en middellange termijn absoluut maatregelen worden genomen om jongeren en vrouwen gemakkelijker toegang te bieden tot de arbeidsmarkt, om de re-integratie van werknemers die door de crisis van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, te bevorderen en om opleiding en omscholing te stimuleren. In de EU moeten er voor 2020 17,6 miljoen banen worden gecreëerd.

C.    TE VEEL NADRUK OP BEGROTINGSCONSOLIDATIE

25.   Het EESC is het er beslist mee eens dat begrotingsconsolidatie nodig is om de budgettaire onevenwichtigheden te corrigeren en het vertrouwen te herstellen. Het maakt zich echter zorgen over de sterke nadruk op bezuinigingsmaatregelen in het begrotingspact. Deze maatregelen zouden moeten worden onderworpen aan een doeltreffende maatschappelijke effectbeoordeling en er moet alles in het werk worden gesteld om te voorkomen dat dergelijke maatregelen de kans op armoede en sociale uitsluiting vergroten. Het EESC is van mening dat er een juist evenwicht moet worden gevonden tussen begrotingsconsolidatie en groei. Met alleen maar begrotingsdiscipline en bezuinigingen zal de EU niet kunnen terugkeren naar een duurzame economie. Wanneer er bepaalde bezuinigingsmaatregelen moeten worden genomen, moeten die sociaal evenwichtig zijn en rekening houden met de gevolgen ervan voor de verschillende groepen in de samenleving. Het EESC deelt het standpunt van IMF-directeur Christine Lagarde, die ervoor waarschuwde dat "de recessie alleen maar zal verergeren als er overal in Europa in de begrotingen wordt gesneden".

26.   Het EESC vreest dat het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en governance in de Economische en Monetaire Unie, dat op 30 januari door 25 lidstaten is gesloten, geen oplossing biedt voor de huidige crisis. Hoewel het op termijn moet leiden tot een betere naleving van het SGP, schiet het tekort door de nadruk op begrotingsevenwicht en wordt er geen gewag gemaakt van het vroege waarschuwingssysteem en het scorebord dat is ontwikkeld om een opeenstapeling van onevenwichtigheden op andere economische terreinen (zoals de particuliere sector), een verminderd concurrentievermogen of vastgoedbubbels – factoren die allemaal in aanzienlijke mate hebben bijgedragen tot de crisis – te voorkomen. De oplossing ligt deels in economische groei. Daarvoor zijn een aantal rigoureuze en heel specifieke stimuleringsmaatregelen nodig, vooral in de lidstaten die in een ernstige recessie dreigen terecht te komen. Consolidatie-inspanningen en hervormingen moeten hand in hand gaan met maatregelen ter bevordering van de groei.

27.   Het EESC is bezorgd over het feit dat in de AGS wordt gepleit voor meer bezuinigingen om de streefdoelen van begrotingsconsolidatie te halen zelfs als het macro-economische klimaat verslechtert. De lidstaten die financiële bijstand ontvangen, wordt gevraagd om "de overeengekomen begrotingsdoelstellingen te blijven honoreren, ondanks misschien veranderde macro-economische omstandigheden". In de AGS wordt de lidstaten die significant tekortschieten in de buitensporigtekortprocedure, verzocht om "meer te doen voor de consolidatie", en gesteld dat "eventuele neerwaartse herzieningen van het algemene macro-economische scenario niet mogen leiden tot vertragingen bij het wegwerken van buitensporige tekorten".

28.   Stabilisatie door euro-obligaties

28.1   Financiële instellingen beleggen in staatsobligaties waarvan ze verwachten dat die voor hun eigen balans niet risicodragend zijn. Daarom parkeren ze hun geld op dit moment liever bij de ECB dan de obligaties van bepaalde lidstaten te kopen waaraan een hoger risico verbonden is. Het gevolg is dat de liquiditeit van het financiële stelsel verdampt.

28.2   Om daar iets aan te doen moeten we een sterker en geloofwaardiger Europees bolwerk creëren tegen de druk die de markt uitoefent, door de Europese Centrale Bank een nog grotere rol te geven, ofwel direct, ofwel via het EFFS of het EMS.

28.3   Het EESC onderkent dat dit zeer zeker tot moral hazard kan leiden, en dat daarvoor een oplossing moet worden gevonden. Dit probleem valt echter in het niet bij het eventueel instorten van de eurozone. Aangezien de lidstaten niet bereid zijn om in te staan voor de schulden van andere lidstaten en het voor de ECB moeilijk is om deze rol te spelen, dringt het EESC erop aan om de invoering van stabiliteitsobligaties ernstig te overwegen. Naar aanleiding van de publicatie van het Groenboek van de Europese Commissie over stabiliteitsobligaties zal dit onderwerp in een apart advies worden behandeld.

D.    DE JUISTE NADRUK OP UITVOERING

29.   De Europa 2020-strategie moet ervoor zorgen dat de Europese Unie zich in de toenemende wereldwijde concurrentie staande weet te houden. Het EESC staat dan ook volledig achter de sterke nadruk die de Commissie overal in de AGS legt op de gebrekkige tenuitvoerlegging van de hervormingen op nationaal niveau.

30.   Het stelt bezorgd vast dat de lidstaten minder vooruitgang boeken dan verwacht bij de uitvoering van de richtsnoeren uit de AGS 2011, hoewel de situatie dringend is. Het duurt te lang voor besluiten op EU-niveau worden omgezet in het beleid van de lidstaten.

31.   Het EESC doet een dringend beroep op de lidstaten om de hervormingen waartoe ze zich in hun nationale hervormingsprogramma's hebben verplicht, volledig door te voeren. Zij moeten hun verantwoordelijkheid op zich nemen voor de nodige veranderingen in de toekomstige economische governance. Dat maakt duidelijk dat het proces van het Europees semester moet worden versterkt door de nationale parlementen, de sociale partners en het georganiseerde maatschappelijk middenveld in de lidstaten een grotere rol te geven in het debat over en het toezicht op de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de NHP's.

32.   Het EESC betreurt dat de verplichtingen in de Nationale Hervormingsprogramma's voor 2011 niet ver genoeg gaan om de meeste streefdoelen op het niveau van de EU te bereiken. Nu de vrees toeneemt dat de Europa 2020-doelstellingen niet kunnen worden gehaald roept het de Commissie en met name de regeringen van de lidstaten op om hun inspanningen te verdubbelen en deze zo vroeg vastgestelde ontsporing van het programma te corrigeren en ervoor te zorgen dat overheden, belanghebbenden en burgers in elk land hun verantwoordelijkheid nemen en hun hervormingsprogramma uitvoeren.

33.   Het EESC doet ook een beroep op de Commissie om te garanderen dat alle lidstaten, ook de lidstaten die financiële bijstand ontvangen van de EU en het IMF, naar draagkracht bijdragen aan het bereiken van de centrale streefcijfers.

E.    HET BELANG VAN DE AGS EN DE ROL VAN HET GEORGANISEERDE MAATSCHAPPELIJK MIDDENVELD EN VAN DE SOCIALE PARTNERS

34.   De AGS is de basis voor het opbouwen van het nodige gemeenschappelijke draagvlak voor de prioriteiten voor het beleid in 2012 op nationaal en Europees niveau, die vervolgens verwerkt zouden moeten worden in de nationale besluiten over de economie en de begroting en voor het opstellen door de lidstaten van de Nationale Hervormingsprogramma's (NHP's) en de Stabiliteits- en Convergentieprogramma's (SCP's).

35.   Daarom moet de AGS een belangrijke politieke rol spelen. Het EESC is van mening dat dit niet beperkt mag blijven tot een technocratisch proces, maar dat daarin rekening moet worden gehouden met de standpunten van het Europees Parlement en van de directe belanghebbenden, zoals het georganiseerde maatschappelijk middenveld en de sociale partners.

36.   Op dit moment bestaat er geen enkel vertrouwen in de manier waarop de crisis tot nu toe is aangepakt, en weinig vertrouwen in de Unie zelf, en daarom moet Europa de burgers bij dit proces betrekken. De sociale en civiele dialoog moet op alle niveaus worden versterkt om een breed draagvlak voor de noodzaak van de hervormingen tot stand te brengen.

37.   Naast maatregelen ter verbetering van de Europese economische governance moeten er stappen worden gezet om de legitimiteit, de verantwoordingsplicht en het eigenaarschap te verbeteren.

38.   Het EESC pleit voor een grotere en doelmatigere inbreng van belanghebbenden uit de kringen van het georganiseerde maatschappelijk middenveld in het Europees semester, en wel op het niveau van de EU, bij de AGS en bij het opstellen van aanbevelingen per land, maar ook op het nationale niveau bij het hele proces van het opstellen en uitvoeren van toekomstige NHP's en bij het toezicht daarop. De NHP's moeten gedetailleerde informatie bevatten over de mate waarin belanghebbenden bij het proces betrokken zijn en over de manier waarop er rekening is gehouden met hun bijdrage.

39.   De Europa 2020-groeistrategie kan alleen maar tot resultaten leiden als de hele samenleving erachter staat en alle partijen hun volledige verantwoordelijkheid dragen. Op dit moment worden er belangrijke besluiten genomen die gevolgen hebben voor het leven van alle belanghebbenden, en daarom is het belangrijker dan ooit dat hun mede-eigenaarschap voor de hervormingen wordt gegarandeerd.

40.   Het EESC is van plan om een actieve rol te blijven spelen in de uitvoeringsfase van de EU 2020-strategie en de follow-up van de AGS 2012. Het zal blijven samenwerken met zijn netwerk van nationale SER's en vergelijkbare organisaties om de raadpleging, de participatie en de mobilisering van het georganiseerde maatschappelijk middenveld op zowel het Europese als het nationale niveau te verbeteren.

DEEL II

VOORSTELLEN VAN HET COMITÉ M.B.T. DE DOOR DE EUROPESE COMMISSIE VASTGESTELDE PRIORITEITEN

i

Het Comité steunt de vijf prioriteiten die volgens de Commissie ten grondslag zouden moeten liggen aan de beleidsaccenten in 2012: het voeren van een gedifferentieerd, groeivriendelijk beleid van begrotingsconsolidatie; het normaliseren van de kredietverschaffing aan de economie; het bevorderen van groei en concurrentievermogen; het aanpakken van de werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis; het moderniseren van het overheidsapparaat.

ii

In dit deel II wordt een reeks specifieke bijdragen aan bovengenoemde prioriteiten gepresenteerd. Het gaat voornamelijk om citaten uit verscheidene EESC-adviezen die in 2011 zijn goedgekeurd en een follow-up vormen van het standpunt van het EESC ten aanzien van de AGS 2011 (8), dat in maart 2011 werd goedgekeurd.

1.   Het voeren van een gedifferentieerd, groeivriendelijk beleid van begrotingsconsolidatie

1.1   Begrotingsconsolidatie

1.1.1

Het EESC herhaalt de standpunten die het in zijn advies over de Jaarlijkse groeianalyse 2011 met betrekking tot punt 1 "Tenuitvoerlegging van strikte begrotingsconsolidatie" en punt 2 "Corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden" heeft ingenomen.

1.1.2

Wat de begrotingsconsolidatie betreft, is het EESC, zoals het in paragraaf 1.1 en 1.2 van zijn advies over de AGS 2011 (9) uiteengezet heeft, van mening dat het zaak is de overheidsfinanciën weer gezond te maken zonder de vraag te doen afnemen, hetgeen immers tot een recessie zou leiden die verdere tekorten zou genereren waardoor de Europese economie in een neerwaartse spiraal zou terechtkomen. Programma's ter reductie van de staatsschuld zouden zo moeten worden opgesteld dat zij aansluiten bij de doelstellingen voor economisch herstel en de sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen, zoals vastgesteld in Europa 2020–strategie.

1.1.3

Er is behoefte aan meer economisch bestuur om te zorgen voor begrotingsdiscipline in alle lidstaten, en in het bijzonder de landen van de eurozone. Het overeengekomen hervormingspakket, het zgn. six-pack, moet samen met de nieuwe wetgevingsvoorstellen en het bijbehorende "Europees semester", bedoeld om het economische beleid en het nationale begrotingsbeleid beter op elkaar af te stemmen en het EU-toezicht te verscherpen, snel en correct ten uitvoer worden gelegd.

1.1.4

Naast begrotingsdiscipline in de lidstaten dienen echter ook nog andere voorwaarden te worden vervuld om groei, werkgelegenheid en economische en sociale samenhang te creëren. Het baart het Comité in dit verband zorgen dat de huidige voorwaarden voor de uitgifte van staatsobligaties geleid hebben tot een marktsituatie die de herstelde stabiliteit en groei dreigt te ondermijnen.

1.1.5

Het Comité is dan ook ingenomen met het Groenboek over de haalbaarheid van de invoering van stabiliteitsobligaties. Het Comité is van mening dat, mits de hand wordt gehouden aan strikte regels en een dienovereenkomstig bestuur op EU-niveau om morele risico's uit te sluiten en om verantwoord en voorspelbaar overheidsgedrag in de lidstaten te bevorderen, het beheer van staatsschulden met gezamenlijke garanties in de eurozone in belangrijke mate zal bijdragen aan het oplossen van nijpende problemen, alsook van de impasse van bezuinigingen en groei.

1.1.6

Wordt er op dit terrein vooruitgang geboekt, dan zal de Europese Centrale Bank (ECB) stapsgewijs een eind kunnen maken aan haar programma voor de aankoop van staatsobligaties, dat thans nodig is om afzonderlijke lidstaten in staat te stellen de overheidsschuld te herfinancieren. In plaats daarvan zou de ECB kunnen besluiten om de nieuwe stabiliteitsobligaties te steunen, waarmee de marktspelers - op zijn minst in een overgangsfase - extra zekerheid zou worden geboden.

1.2   Prioritering van groeivriendelijke uitgaven

1.2.1

Het Comité spreekt zijn onverkorte steun uit voor het prioriteren van groeivriendelijke uitgaven. Er dient met name op te worden toegezien dat maatregelen om de economische crisis en de staatsschuld te boven te komen, de overheid er niet van weerhouden te investeren in onderwijs en opleiding. Het is noodzakelijk dat de lidstaten in het kader van hun budgettaire doelstellingen op middellange termijn extra aandacht besteden aan overheidsinvesteringen in onderwijs, onderzoek en beroepsopleiding.

1.2.2

Steunmaatregelen van de overheid voor onderzoek en innovatie d.m.v. specifiek daartoe opgezette programma's zijn van bijzonder groot belang gebleken voor energie-intensieve industrieën. Het EESC verzoekt de Europese Commissie, de Raad en het Parlement deze op energie-efficiëntie en diversificatie toegespitste programma's kracht bij te zetten en ze permanent in de ontwikkelingsacties op te nemen.

1.2.3

Gezien de moeilijkheden waarmee de economie momenteel kampt, zou het EESC bovendien graag zien dat meer wordt geïnvesteerd in onderzoek, ontwikkeling, tenuitvoerlegging en opleiding, alsook in wetenschappelijke activiteiten die op energie-intensieve industrieën zijn toegepast. Dergelijke investeringen moeten terdege worden gesteund in het volgende kaderprogramma en ervoor zorgen dat ten minste op Europees niveau ervaringen en resultaten worden uitgewisseld. Europese en nationale programma's moeten meer worden toegespitst op onderzoek naar energie-efficiëntie en innovaties op dat gebied.

1.3   Actief arbeidsmarktbeleid en arbeidsbemiddeling

1.3.1

Zoals het Comité reeds in zijn advies over de AGS 2011 (10) heeft aangegeven moet er vooral door het beschikbaar stellen van doeltreffende arbeidsmarktdiensten en niet zozeer door zgn. prikkels via de toekenning van werkloosheidsuitkeringen voor worden gezorgd dat mensen actief op zoek gaan naar werk. (…) Momenteel is een recordaantal mensen werkloos. Het probleem op de arbeidsmarkten draait niet om een gebrek aan arbeidskrachten in het algemeen, maar in sommige lidstaten om een gebrek aan gekwalificeerde arbeidskrachten en om een grootscheeps gebrek aan beschikbare banen. Er moet meer aandacht worden geschonken aan de ontwikkeling van een slim beleid m.b.t. de vraagzijde dat toekomstige groei en innovatie bevordert en extra banen helpt creëren.

1.3.2

Het Comité heeft beklemtoond dat de openbare diensten voor arbeidsbemiddeling zich actiever moeten inzetten voor de opleiding van prioritaire doelgroepen, zoals lager geschoolde werknemers en werknemers zonder vast dienstverband, en de meest kwetsbare groepen, zoals gehandicapten, oudere werklozen en immigranten. Deze diensten moeten zich ook meer inzetten om langdurig werklozen aan een baan te helpen, en moeten nauwer worden betrokken bij de ontwikkeling van actieve beleidsmaatregelen op het vlak van werkgelegenheid en beroepsopleiding. De specifieke ondersteuning van openbare diensten moet in vele lidstaten grondig worden uitgebreid, waarbij de aandacht voornamelijk uitgaat naar kansarme werklozen.

1.4   Hervorming en modernisering van pensioenstelsels

1.4.1

Het Comité onderkent de noodzaak van hervorming en modernisering van de pensioenstelsels, maar denkt dat de druk op de pensioenstelsels veel meer het gevolg is van het gebrek aan banen en investeringen dan van de demografische ontwikkelingen. Er is behoefte aan initiatieven om mensen te stimuleren lager te blijven werken, gekoppeld aan doeltreffende maatregelen voor groei en werkgelegenheid. De participatiegraad van ouderen die om gezondheidsredenen, door een te hoge werklast of na ontslag zijn gestopt met werken en die geen kans zien om nog een opleiding te volgen en weer een baan te vinden, kan alleen blijvend worden verbeterd als er een echt beleid voor "actief ouder worden" wordt gevoerd, dat erop is gericht om ouderen meer deel te laten hebben aan opleiding en levenslang leren. Het Comité is ook zeer sceptisch ten aanzien van het opschuiven van de pensioengerechtigde leeftijd en vraagt zich af of dit een zinvolle aanpak vormt van de demografische problemen. Andere sociale voorzieningen, zoals arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of het minimumloon, kunnen meer onder druk komen te staan als de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd wordt verhoogd – zoals in sommige lidstaten is gebeurd –, waardoor de beoogde verbetering van de overheidsfinanciën uiteindelijk toch weer een illusie blijkt te zijn. Volgens het Comité is het veel belangrijker dat de effectieve pensioenleeftijd dichter bij de geldende pensioengerechtigde leeftijd komt te liggen.

1.4.2

Het EESC is van mening dat systematische hervormingen nodig zijn om het arbeidsproces aan te passen aan de oudere werknemer. Hiervoor is een breed pakket van maatregelen nodig, waaronder: stimuli voor bedrijven om seniorvriendelijke arbeidsplaatsen te creëren en de bestaande banen voor oudere werknemers in stand te houden, een proactief arbeidsmarktbeleid om werkloze ouderen weer aan de slag te krijgen, met inbegrip van alomvattende advisering en begeleiding van werkzoekenden, maatregelen ter bevordering van de lichamelijke en psychische conditie van werknemers, maatregelen om meer inclusieve arbeidsplaatsen te creëren voor ouderen met een handicap, maatregelen om de individuele werknemer aan te moedigen langer te werken en open te staan voor levenslang leren, waaronder maatregelen betreffende preventieve gezondheid, ontwikkeling, in overleg met de sociale partners, van de gehele loopbaan bestrijkende arbeidstijdmodellen, maatregelen, vast te leggen binnen het bedrijf zelf, in een collectieve arbeidsovereenkomst of bij wet, om ervoor te zorgen dat meer ouderen zich laten bijscholen, maatregelen ter bevordering van het zelfbewustzijn van de oudere werknemer, waaronder brede maatschappelijke voorlichting om vooroordelen jegens ouderen en stereotype beeldvorming uit de weg te ruimen en "ouder worden" als iets positiefs te zien, advisering en ondersteuning van het bedrijfsleven, met name het mkb, bij de personeelsplanning en de ontwikkeling van een arbeidsorganisatie aangepast aan de oudere werknemer, ontwikkeling van adequate prikkels om ouderen aan het werk te houden c.q. weer aan het werk te krijgen zonder de concurrentie te vervalsen, ontwikkeling van sociaal aanvaardbare stimuli om langer te werken voor allen die nog willen en kunnen werken, en indien mogelijk of wenselijk, uitwerking van innovatieve en aantrekkelijke modellen voor een stapsgewijze overgang van het beroepsleven naar de pensionering binnen het wettelijk pensioenstelsel.

1.4.3

Wat Richtlijn 2003/41/EG betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening betreft, herhaalt het EESC voorts hetgeen het in paragraaf 5.7 van zijn advies over de AGS 2011 heeft gesteld (11).

1.5   Groeivriendelijk belastingbeleid

1.5.1

Het EESC herhaalt wat het in paragraaf 1.4 van zijn advies over de AGS 2011 (12) heeft gesteld, nl. dat het aanbeveling verdient de belastingdruk te verschuiven naar nieuwe financieringsbronnen.

1.5.2

Het EESC is van mening dat de financiële sector eerlijk en op substantiële wijze aan deze fiscale consolidatie dient bij te dragen.

Wereldwijde invoering van een belasting op financiële transacties (FTT) verdient de voorkeur boven invoering hiervan in de EU. Maar als blijkt dat goedkeuring van een FTT wereldwijd niet haalbaar is, dan zou het EESC een Europese FTT in overweging nemen.

1.5.3

Op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) schaart het Comité zich volledig achter het initiatief van de Commissie om een algehele herziening van het btw-stelsel te overwegen. De operationele kosten voor de gebruikers zouden verlaagd moeten worden, terwijl de pogingen tot fraude teruggedrongen dienen te worden. Een heel gevoelig probleem is de behandeling van grensoverschrijdende operaties.

1.5.4

Het EESC spreekt zijn steun en goedkeuring uit voor het voorstel voor een nieuwe "verordening betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen" (13), die noodzakelijk en nuttig is om de correcte inning van belastingen te waarborgen en fiscale fraude met betrekking tot accijnzen te bestrijden.

1.5.5

Om dubbele belasting te elimineren en administratieve vereenvoudiging in grensoverschrijdende situaties te bevorderen pleit het EESC voor oprichting van diensten met een éénloketsysteem waar burgers inlichtingen kunnen inwinnen, belastingen kunnen betalen en de nodige attesten en documentatie voor gebruik in de gehele EU kunnen ontvangen, en voor vereenvoudiging van administratieve procedures voor grensoverschrijdende situaties.

1.5.6

In dit verband zou het EESC graag zien dat er een Waarnemingspost voor grensoverschrijdende belastingheffing wordt opgericht, onder auspiciën van de Europese Commissie, om op permanente basis gedetailleerd en praktisch inzicht te verwerven in bestaande fiscale obstakels en hun ontwikkeling.

1.5.7

Het EESC is voorstander van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), omdat de randvoorwaarden voor grensoverschrijdend actieve ondernemingen daardoor verbeterd worden.

1.5.8

Het EESC verwacht dat een CCCTB tot een aanzienlijke daling van de nalevingskosten voor het bedrijfsleven en tot eliminatie van de fiscale distorsies van de intracommunautaire mededinging zal leiden. Op die manier bevordert de CCCTB faire en duurzame mededinging en tevens heeft de grondslag een positieve impact op groei en werkgelegenheid.

1.5.9

Het Comité steunt de herziening van de energiebelastingrichtlijn (EBR), waarmee lidstaten die dat wensen, in staat worden gesteld hun belasting op arbeid of kapitaal gedeeltelijk te veranderen in een vorm van belasting die, overeenkomstig de Europa 2020-strategie, milieuvriendelijk en energie-efficiënt gedrag stimuleert.

1.5.10

De factor "CO2-belasting" vult de regeling voor de handel in emissierechten (EU ETS) aan.

1.5.11

Toch is het jammer dat de herziening van de EBR niet ambitieuzer is en niet meer samenhang vertoont. De Commissie heeft besloten om allerlei uitzonderingen te maken om bepaalde lidstaten niet voor het hoofd te stoten of andere een plezier te doen.

1.5.12

Bij verwarmingsbrandstoffen is dit prijssignaal in de vorm van een belasting niet te horen. Met de herziene EBR lijkt daar geen verandering in te komen.

1.5.13

Andere sectoren (zoals de landbouw, de bouw, het openbaar vervoer enz.) blijven gedeeltelijk of volledig vrijgesteld. Het is moeilijk om enige samenhang te bespeuren in al deze uitzonderingen, temeer daar ze het signaal aan de sectoren die niet zijn vrijgesteld, vertroebelen.

2.   Normaliseren van de kredietverschaffing aan de economie

2.1   Een gezond financieel stelsel

2.1.1

Er moet iets worden gedaan aan de ernstige tekortkomingen bij het reguleren en controleren van de internationale financiële markten. Winsten in de financiële sector gaan naar particulieren, terwijl verliezen worden afgewenteld op de samenleving; deze toenemende onevenwichtigheid moet dringend worden aangepakt. Op het vlak van regelgeving moeten zodanige randvoorwaarden worden geschapen dat financiële intermediairs zich in eerste instantie kwijten van hun taak om de reële economie van dienst te zijn, door kredieten voor reële projecten te verstrekken en in activa te beleggen, in plaats van te speculeren op schuldposities. Steeds als er overheidssteun wordt gegeven aan financiële instellingen moeten ook de nodige verbeteringen worden doorgevoerd in het ondernemingsbestuur, als eerste stap naar een fundamentele hervorming van de sector, ter ondersteuning van de agenda voor groei en werkgelegenheid

2.1.2

Evenals de Commissie meent het EESC dat overheidssteun voor failliet gaande financiële instellingen en steun voor gelijke concurrentievoorwaarden in de interne markt niet langer aanvaardbaar zijn. Het EESC hoopt dat de Commissie grondige effectbeoordeling zal maken van de vereiste kosten, personele middelen en wetshervormingen. Een realistisch voorstel zou gepaard moeten gaan met een tijdschema voor het inhuren van personele middelen, in het besef dat deze misschien niet direct op de markt beschikbaar zijn.

2.1.3

Het EESC stelt tot zijn tevredenheid vast dat de Europese Commissie in actie komt tegen de toenemende complexiteit en het gebrek aan transparantie van het financiële stelsel. Het verzoekt de financiële sector dan ook met klem de nieuwe regels correct toe te passen en aan zelfregulering te doen om een juiste en eerlijke handelwijze te bevorderen en financiële producten doorzichtiger maken.

2.1.4

Het EESC zou graag zien dat financiële educatie een verplicht onderdeel wordt van alle onderwijsprogramma's en ook deel uitmaakt van beroepsopleidingen en her- en bijscholingscursussen voor werknemers. Zo moet o.m. bewust spaargedrag worden gestimuleerd en het belang van maatschappelijk verantwoorde financiële producten onder de aandacht worden gebracht. Financiële educatie die voor iedereen toegankelijk is, komt de hele maatschappij ten goede.

2.1.5

Het EESC herhaalt wat het in paragraaf 3.6 van zijn advies over de AGS 2011 (14) heeft gesteld, en is ingenomen met de initiatieven inzake baissetransacties en kredietverzuimswaps. Deze zullen een einde maken aan regelingen die met elkaar in strijd zijn en duidelijkheid scheppen op dit deel van de financiële markten, en de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid geven om voor instrumenten die onder het toepassingsgebied van de verordening vallen, extra transparantie te eisen.

2.1.6

Het EESC juicht de bepalingen voor meer markttransparantie toe, die naar verwachting zeer gunstig zullen zijn. Het is ook ingenomen met de regelgevende rol van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM), maar wijst erop dat buitensporige interventie de stabiliteit op de markten kan aantasten.

2.1.7

Het EESC meent dat om een werkbare regeling inzake resolutiefondsen voor banken op te kunnen stellen, de lidstaten vooraf overeenstemming moeten bereiken over de goedkeuring van gemeenschappelijke methoden en uniforme regels om verstoringen van de mededinging te voorkomen.

2.1.8

Het macro-economische scenario baart grote zorgen. Het EESC is bezorgd dat de resolutiefondsen voor banken het leenpotentieel van de bankensector negatief zullen beïnvloeden doordat een andere bestemming aan middelen wordt gegeven.

2.1.9

Het EESC is van mening dat voordat er stappen worden gezet om bankenheffingen in te voeren, de Commissie een grondige beoordeling van de cumulatieve effecten van heffingen en resolutiefondsen voor banken dient uit te voeren. Om een besluit over de invoering van resolutiefondsen voor banken te kunnen nemen, moet eerst worden geraamd hoeveel de hele regeling zal gaan kosten, in hoeverre de regeling van invloed zal zijn op de kredietverleningscapaciteit van de bankensector en hoe lang het zal duren voordat de resolutiefondsen voor banken de beoogde omvang zullen bereiken. Het EESC beveelt aan om deze ramingen te baseren op een worst case-scenario.

2.1.10

Het EESC is er ten zeerste over te spreken dat multilaterale afwikkelingsvergoedingen voor automatische afschrijvingen met de voorgestelde verordening verboden zullen zijn. Hiermee wordt duidelijkheid en transparantie gecreëerd ten aanzien van de ingewikkelde contractverhoudingen die aan die betalingen ten grondslag liggen. Dit komt met name het midden- en kleinbedrijf ten goede.

2.1.11

Volgens de impactstudie van de Commissie zal het mkb niet specifiek benadeeld worden door de nieuwe kapitaalvereisten, maar het Comité blijft in dit opzicht argwaan koesteren en dringt er bij de Commissie op aan om scherp in de gaten te houden hoe de kredietverlening aan het mkb en de bankkosten voor het mkb zich zullen ontwikkelen. Daarnaast vindt het EESC het een goede zaak dat de Commissie de risicorating voor kredietverlening aan het mkb zal herzien.

2.1.12

Als tegenwicht tegen de nieuwe verordening moeten er herstel- en afwikkelingsplannen worden uitgevoerd op basis van instrumenten zoals "banktestamenten". De staat zal garant moeten blijven staan voor kleine deposito's, terwijl een eind moet worden gemaakt aan het moreel risico dat voortvloeit uit onbeperkte overheidssteun aan failliete banken. Is de situatie duidelijk genoeg, dan zullen beleggers, schuldeisers en directeuren de rechtstreekse verantwoordelijkheid voor de toekomstige gezondheid van iedere kredietinstelling op zich moeten nemen.

3.   Groei en concurrentievermogen bevorderen, nu en voor de toekomst

3.1   Het EESC herhaalt de standpunten die het in zijn advies over de Jaarlijkse groeianalyse 2011 heeft ingenomen in paragraaf 8. Het potentieel van de eengemaakte markt optimaal benutten, paragraaf 9. Particulier kapitaal aantrekken om de groei te financieren en paragraaf 10. Toegang tot energie tegen een schappelijke prijs.

3.2   Onderzoek en innovatie

3.2.1

Het EESC dringt er bij de Europese Commissie op aan om via aanvullende structurele maatregelen binnen de Commissie en haar adviesorganen een geïntegreerde strategie voor onderzoek en innovatie uit te werken waarbij hun specifieke kenmerken en werkomstandigheden in acht worden genomen, en om het budget voor onderzoek en innovatie eindelijk op te trekken.

3.2.2

Het EESC kan zich vinden in de belangrijkste politieke taak, om in heel Europa te zorgen voor een betrouwbaar en innovatievriendelijk kader en voor voldoende ontplooiingsmogelijkheden, en aldus voor potentiële uitvinders en innovaties de obstakels weg te nemen die zijn opgeworpen door de versnippering en wildgroei van de regelgeving en door alle bureaucratische rompslomp van zowel de 27 lidstaten als de Europese Commissie.

3.2.3

Het EESC roept op veel meer te werken aan het wegnemen van belemmeringen die een snelle commercialisering van innovaties en de totstandbrenging van de Innovatie-Unie verhinderen. Om het hele innovatieproces beter te ondersteunen moet samen met de betrokken partijen zorgvuldig worden gekeken naar de subsidie-, aanbestedings- en concurrentieregels (zie vraag 19), die dit doel in de weg zouden kunnen staan (15). Dit komt doordat de mededingingswetgeving en de ondersteuning van innovatie op gespannen voet met elkaar kunnen staan. De subsidie-, aanbestedings- en concurrentieregels zouden daarom niet mogen worden toegepast op een manier die innovaties ontmoedigt. Het is zelfs mogelijk dat hervormingen nodig zijn. Er zijn ook nogal eens beschermende maatregelen geboden als concurrenten innovaties louter en alleen kopen om het innovatieproces te blokkeren.

3.2.4

Het EESC verwelkomt in het bijzonder het feit dat innovatie in ruime en geïntegreerde zin is gedefinieerd.

3.2.5

Het EESC adviseert om begeleidende maatregelen, financiële middelen en beoordelingscriteria voor beide soorten innovaties te voorzien: zowel voor de incrementele innovaties, die inspelen op heersende marktkrachten en maatschappelijke behoeften, als voor de meer grensverleggende innovaties, die zelf marktkrachten opwekken en nieuwe maatschappelijke behoeften creëren, maar vaak eerst een bijzonder zware periode moeten zien te doorstaan.

3.2.6

Het EESC wijst erop dat het mkb en micro-ondernemingen een belangrijke rol spelen in het innovatieproces en beveelt aan om steun en maatregelen specifiek af te stemmen op hun behoeften. Bovendien zou moeten worden nagedacht over de vraag of en hoe startende bedrijven gedurende een voldoende lange periode kunnen worden vrijgesteld van de gebruikelijke administratieve rompslomp en regelgeving en of er nog verdere speciale stimulansen zouden kunnen komen. Dat geldt ook voor de ondernemingen van de sociale economie.

3.3   Interne markt

3.3.1

Het EESC is ingenomen met het streven van de Commissie om de groei te stimuleren en het vertrouwen in de eengemaakte markt te versterken. Het herinnert eraan dat de eengemaakte markt aan de basis ligt van de Europese integratie: deze kan rechtstreeks voelbare voordelen voor de Europese stakeholders opleveren, en kan een duurzame economische groei in Europa genereren. In de huidige omstandigheden is een goed werkende, toekomstgerichte eengemaakte markt niet alleen wenselijk maar zelfs van essentieel belang voor de politieke en economische toekomst van de Europese Unie. Om vruchten af te werpen is het van cruciaal belang dat de voorstellen van de Commissie ambitieus zijn en niet alleen kleinschalige en op details betrekking hebbende problemen aanpakken.

3.3.2

Het EESC wenst nogmaals aan te dringen op het belang van een holistische aanpak. Hoewel het bevorderen van groei en ondernemingspotentieel van essentieel belang is, zouden de voorstellen meer gefocust moeten zijn op consumenten en burgers als onafhankelijke spelers bij de totstandkoming van de eengemaakte markt.

3.3.3

Het EESC roept op tot nultolerantie ten aanzien van het niet-uitvoeren van EU-wetgeving door de lidstaten, en herinnert de Raad en de Commissie eraan dat een te late, onsamenhangende en onvolledige uitvoering een groot obstakel voor een goed werkende eengemaakte markt is. Het zou graag zien dat de lidstaten concordantietabellen publiceren om bij te dragen aan een betere bevordering en begrip van de eengemaakte markt.

3.4   Digitale eengemaakte markt in de EU

3.4.1

Met betrekking tot de digitale eengemaakte markt verwijst het EESC naar paragraaf 8.12 van zijn advies over de Jaarlijkse groeianalyse 2011. Ook heeft het in verschillende adviezen uit 2011 (16) zijn steun uitgesproken voor de tenuitvoerlegging van de Digitale Agenda in Europa, die moet uitmonden in een digitale eengemaakte markt die duurzame economische en sociale voordelen creëert op basis van hoogstaande en snelle internetverbindingen, die voor alle burgers betaalbaar zijn in de hele EU.

3.4.2

In deze context is het EESC gecharmeerd van de creatieve oplossing die de Commissie heeft bedacht op het gebied van co-investering ter bevordering van snel en ultrasnel breedband. Het is echter wel van mening dat de lat nog hoger moet worden gelegd, wil Europa met de rest van de wereld blijven concurreren. Het EESC benadrukt het cruciale belang van de beginselen van netneutraliteit, als een fundamenteel politiek streven op EU-niveau. Het dringt aan op een dringende en proactieve aanpak om deze beginselen te verankeren in het recht van de EU, om er zo voor te zorgen dat het internet in heel Europa toegankelijk blijft.

3.4.3

Met betrekking tot het "Actieplan inzake e-overheid en interoperabiliteit" stemt het EESC in met het actieplan van de Commissie voor een duurzame en innovatieve e-overheid, erop wijzend dat de toezeggingen die zijn gedaan tijdens de ministerconferentie van 2009 in Malmö moeten worden nagekomen. Het EESC is voorstander van een platform voor de uitwisseling van informatie, ervaringen en codes op basis van vrije software zoals beschreven in het Europees interoperabiliteitskader. De meeste belemmeringen zijn momenteel het gevolg van het ontbreken van een grensoverschrijdende rechtsgrondslag, verschillen tussen het recht van de lidstaten, en nationale oplossingen die onderling niet compatibel zijn.

3.4.4

Over "Verbetering van de digitale geletterdheid, de digitale vaardigheden en de digitale inclusie" is het EESC van oordeel dat de ongelijkheden in de toegang tot digitalisering in het verlengde liggen van economische en sociale ongelijkheden, en dat ALLE burgers kritisch moeten kunnen kijken naar de inhoud van alle mediadragers. De EU en de lidstaten dienen ervoor te zorgen dat burgers door permanente educatie de digitale vaardigheden opdoen voor een baan en/of voor zichzelf. Op die manier is de digitale wereld en het burgerschap voor hen toegankelijk. De toegang tot infrastructuur en instrumenten moet worden beschouwd als een basisrecht.

3.5   Informatiemaatschappij

3.5.1

Met betrekking tot de "Nieuwe roamingverordening" wijst het EESC erop dat de voorgestelde verlagingen van de tariefplafonds, die ervoor moeten zorgen dat iedereen tegen redelijke prijzen gebruik kan maken van een dienst van algemeen economisch belang, juist zijn en in verhouding tot het beoogde doel staan. Het EESC vindt het echter jammer dat het voorstel van de Commissie niet gepaard gaat met een beoordeling van het effect van de nieuwe maatregelen op de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden in de sector mobiele telecommunicatie.

3.6   Energie

3.6.1

Het EESC is van mening dat de doeltreffendheid van de grensoverschrijdende energiemarkten de continuïteit van de voorziening en een optimaal beheer van crisissen versterkt en het risico op een verhoging van de kosten die uiteindelijk altijd op de eindgebruiker afgewenteld worden, beperkt. Een geleidelijke verbetering van de interne energiemarkt maakt aanzienlijke besparingen mogelijk, ten voordele van de bedrijven en de particuliere gebruiker.

3.6.2

Het EESC wijst erop dat de groothandelsmarkten voor elektriciteit binnen de Europese Unie nog steeds geen gelijke voorwaarden bieden en nog niet vrij van discriminatie zijn. De marktintegratie laat veel te wensen over, ook wegens de structurele tekortkomingen van het netwerk en met name bij grensoverschrijdende interconnectie. Er bestaan nog altijd ernstige barrières die de niet-discriminerende toegang tot het netwerk en de elektriciteitsverkoop in de weg staan.

3.6.3

Er moet absoluut verder werk worden gemaakt van de ontwikkeling van een "Europa van de energie", waarin de algemene belangen van de Unie en de belangen van de consumenten verdedigd worden, de continuïteit van de energievoorziening via passende maatregelen voor het delen van de voordelen en het controleren van de gepastheid van de kosten gewaarborgd wordt, waarbij de duurzaamheid op maatschappelijk, ecologisch en economisch gebied verzekerd wordt, en de integriteit van de markt beschermd wordt als een onmisbaar goed voor de ontwikkeling van de sociale markteconomie.

3.6.4

Het EESC dringt erop aan dat voor een aanpak wordt gekozen waarbij het interne en externe beleid van de EU wordt geïntegreerd met gerelateerde maatregelen uit hoofde van bijv. het nabuurschaps- en milieubeschermingsbeleid. Unilateraal optreden op energiegebied moet worden tegengegaan door een krachtig en solidair gemeenschappelijk energiebeleid te voeren dat gebaseerd is op diversifiëring, op een energiemix die past bij de specifieke omstandigheden en kenmerken van de afzonderlijke lidstaten, maar vooral op ecologische duurzaamheid.

3.6.5

Met betrekking tot de bijdrage van energie aan de groei wijst het EESC op het volgende:

hoeveel vooruitgang er wordt geboekt op het vlak van energie-efficiëntie en energiebesparing hangt grotendeels af van de vraag in hoeverre burgers, ondernemingen en werknemers zich daarvoor inzetten en hun gedrag veranderen;

energiebesparing is een middel ter bevordering van economische ontwikkeling, sociaal welzijn en levenskwaliteit;

het is van belang dat de juiste instrumenten worden gekozen; vrijwillige overeenkomsten hebben hun nut, terwijl dwangmaatregelen nodig zijn als positieve prikkels geen effect hebben;

warmtekrachtkoppeling is belangrijk als een uiterst efficiënte vorm van energieproductie;

het is geen goed plan om een algemeen bindend streefcijfer voor energie-efficiëntie vast te stellen; inspanningen zouden moeten zijn gericht op het boeken van concrete resultaten;

er moet voor voldoende financiële ondersteuning en investeringen worden gezorgd om het in de nieuwe lidstaten aanwezige grote potentieel te benutten.

3.6.6

Met betrekking tot het energieactieplan richt het EESC de volgende aanbevelingen tot de Commissie:

er zou een grondige studie moeten worden uitgevoerd naar witte certificaten en die zou moeten worden gepubliceerd;

er zou gebruik moeten worden gemaakt van doelgerichte maatregelen voor afzonderlijke gevallen waarin grote mogelijkheden voor energie-efficiënte onbenut blijven; daarbij moet er ook voor worden gezorgd dat in bepaalde specifieke gevallen staatssteun kan worden gegeven;

er zou op moeten worden aangedrongen dat via warmtekrachtkoppeling (wkk) opgewekte elektriciteit gegarandeerd tot het net wordt toegelaten om het aandeel ervan in de totale productie van warmte en elektriciteit aanzienlijk te vergroten.

3.6.7

Wat betreft de maatregelen om een gedragsverandering te bevorderen beveelt het EESC het volgende aan:

de energiegebruiker zou centraal moeten komen te staan;

de inspanningen die de publieke sector verricht om de energie-efficiëntie te verbeteren, zouden vaker als navolgenswaardig voorbeeld onder de aandacht moeten worden gebracht van ondernemingen en huishoudens;

het gedrag van mensen zou moeten worden bestudeerd en voorlichtingscampagnes en bewustmakingsmaatregelen zouden per doelgroep moeten worden aangepast;

er zou voor moeten worden gezorgd dat gebruikers baat hebben bij hun eigen gedragsveranderingen;

er zouden indien noodzakelijk, goed doordachte, adequate prikkels moeten worden gegeven; ook met simpele prikkels kunnen resultaten worden geboekt;

zowel bouwbedrijven als regeringen zouden ervoor moeten zorgen dat extra investeringen in gebouwen in de waarde daarvan tot uitdrukking komen;

er zouden meer en doelgerichtere onderwijs- en opleidingsprogramma's in de bouw moeten komen;

voor overheidsdiensten bestemde scholingsprogramma's over energie-efficiëntie (o.a. over groen aanbesteden) zouden moeten worden gestimuleerd;

de Commissie zou moeten uitzoeken welke problemen er bestaan met energieprestatiecertificaten voor gebouwen en het nieuwe systeem voor milieukeuren voor apparaten, en zou indien nodig de desbetreffende regels moeten herzien;

de Commissie zou de effecten moeten meten die de invoering van slimme meters heeft op energiegebruikers, en met aanvullende maatregelen ter zake moeten komen om echte voordelen te behalen;

goed functionerende nationale lange-termijnovereenkomsten op basis van vrijwilligheid zouden moeten worden voortgezet, uitgebreid en ook in de publieke sector moeten worden toegepast;

alle stakeholders – burgers, ondernemingen en werknemers – zouden echt bij het beleid moeten worden betrokken.

3.6.8

Er moet volgens het EESC meer worden gedaan tegen de energiearmoede waardoor steeds meer groepen burgers buiten de boot dreigen te vallen ("groene" energie kan duur uitvallen door hogere tarieven en/of door belastingen die vooral de zwakkeren in de samenleving treffen). Nagegaan moet worden welke ervaring in Europa met het scheppen van daadwerkelijke, duurzame en concurrerende "groene" banen en het wegwerken van ongelijkheden (17) is opgedaan, waarbij de consument " … de toegang tot energiediensten en tot de arbeidsmarkt in een koolstofarme economie …" (18) moet worden gegarandeerd.

3.7   Vervoer

3.7.1

Met betrekking tot de bijdrage van het vervoer aan de groei erkent het EESC dat de doelstelling uit het Witboek vervoer om de CO2-emissie tegen 2050 met 60 % te verminderen in overeenstemming is met het algemene standpunt van de EU over klimaatbescherming en een evenwicht tot stand brengt tussen de noodzaak om de broeikasgasemissies snel terug te dringen en de mogelijkheid snel alternatieve brandstoffen te gaan gebruiken in de vervoersector, die een belangrijke economische activiteit in de Unie vormt. Het EESC stelt voor deze langetermijndoelstelling aan te vullen met specifiekere, meetbare doelstellingen voor de middellange termijn t.a.v. de vermindering van de afhankelijkheid van olie en de terugdringing van geluidshinder en luchtvervuiling.

3.7.2

De Commissie houdt ook rekening met het feit dat het concurrentievermogen van alternatieven voor het wegvervoer verbeterd moet worden. Het EESC kan zich daarin vinden, op voorwaarde dat deze doelstelling gerealiseerd wordt door de capaciteit en de kwaliteit van railvervoer, binnenvaart en kustvaart te verbeteren en efficiënte intermodale dienstverlening te stimuleren, en niet door de ontwikkeling van efficiënt en duurzaam wegvervoer in de EU tegen te werken.

3.7.3

Wat het vervoer in de interne markt betreft erkent het EESC dat het vervoer een cruciale rol vervult als concurrentie- en groeifactor en dat het zaak is om een geïntegreerd Europees vervoersysteem tot stand te brengen, de duurzame dimensie van het vervoer te verbeteren en een impuls te geven aan koolstofarme vervoersmodaliteiten, energie- en hulpbronnenefficiëntie, zekerheid en onafhankelijkheid op het vlak van energievoorziening en filebestrijding. Het is het ermee eens dat in het stappenplan de nadruk wordt gelegd op de optimalisering van multimodale logistieke ketens en een efficiënter gebruik van vervoersinfrastructuur. Ook het voornemen om meer in te zetten op marktgestuurde maatregelen (in vergelijking met de eerdere witboeken), kan op instemming van het EESC rekenen.

3.8   Industrie

3.8.1

Met betrekking tot de industrie steunt het EESC de brede aanpak van de Commissie ten zeerste, alsook de nauwere verbanden die tussen de EU-beleidsterreinen worden gelegd en de versterkte coördinatie tussen de Unie en de lidstaten betreffende de industrie. Doel is een duurzame concurrentiekrachtige Europese industriële sector in de mondiale economie.

3.8.2

De betere dwarsverbanden zouden moeten uitmonden in geïntegreerde benaderingen in een voltooide interne markt binnen een sociale markteconomie. Zulks aan de hand van slimme wetgeving, O&O en innovatie, toegang tot financiering, een energiezuinige en CO2-arme economie, milieu-, vervoer-, mededingings- en werkgelegenheidsbeleid, verhoging van vaardigheden, handel en aanverwante kwesties en toegang tot grondstoffen.

3.8.3

Weliswaar is er duidelijk vooruitgang geboekt, maar deels vanwege verschillende benaderingen van bedrijvigheid is er nog altijd sprake van fragmentatie van de interne markt en een gebrek aan gerichtheid. Er wordt nog immer te weinig aandacht besteed aan het verband tussen de voltooiing van de interne markt en industriebeleid. Het EESC heeft er meerdere malen op aangedrongen om de juiste voorwaarden te scheppen en daarbij rekening te houden met de behoefte aan op sectoren toegesneden regels en met thematische kwesties betreffende de wijdvertakte mondiale waardeketens.

3.8.4

Industriebeleid heeft betrekking op allerlei soorten gekoppelde productieprocessen en diensten, en grenzen tussen sectoren vervagen. Voorts wordt het mkb steeds belangrijker in termen van zowel toegevoegde waarde als banencreatie. Dit alles vereist slimme horizontale wet- en/of regelgeving en flankerende maatregelen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de ingewikkeldheid van internationale netwerken en geïntegreerde productieprocessen.

3.9   Diensten

3.9.1

Het Comité vindt de conclusies van de Commissie over de effecten van de Dienstenrichtlijn en het functioneren van de dienstensector prematuur. De richtlijn is nog maar enkele jaren van kracht. Niet elke lidstaat is even tevreden met de richtlijn en de lidstaten moeten de richtlijn op hun eigen manier in hun eigen wetgeving implementeren.

3.9.2

De Dienstenrichtlijn is tot stand gekomen onder het oude Verdrag waarin de interne markt nog de belangrijkste prioriteit was. Onder het Verdrag van Lissabon zijn andere belangen niet langer ondergeschikt aan economische maar zijn ze nevengeschikt. Het is interessant om te onderzoeken hoe wetgeving en jurisprudentie die tot stand kwamen onder het oude Verdrag zich verhouden tot het nieuwe Verdrag.

3.10   Externe groei

3.10.1

Met betrekking tot de externe groei en het veiligstellen van de grondstoffenvoorziening dringt het EESC aan op een actiever buitenlands beleid om de grondstoffenvoorziening voor de industrie in de Europese Unie te verzekeren. Daartoe zouden de lidstaten fundamentele richtsnoeren voor een grondstoffendiplomatie moeten overeenkomen en vastleggen. Volgens het EESC zijn bilaterale handelsakkoorden en handelsdiplomatie uiterst belangrijk om de aanvoer van kritieke grondstoffen voor de in de EU gevestigde industrie te verzekeren. Voor de onlangs opgerichte diplomatieke dienst van de EU is dit een grote uitdaging, die onmiddellijk aangegaan moet worden. De diplomatie moet zich niet alleen richten op het verzekeren van de essentiële grondstoffen, ze dient ook een positief klimaat te scheppen voor de verdediging van de EU-belangen in de betrokken landen. Hierbij is het nodig de positie van de EU als één van de belangrijkste en aantrekkelijkste markten uit te spelen.

3.10.2

Wat betreft de toegang tot overheidsopdrachten van derde landen is het EESC van mening dat de onderhandelingspositie van de EU moet worden versterkt - met het primair en afgeleid EU-recht als uitgangspunt - zodat de toegang tot overheidsopdrachten van landen buiten de EU wordt verbeterd. De EU heeft haar openbare aanbestedingen immers voor meer dan 80 % opengesteld, terwijl andere ontwikkelde economische mogendheden niet verder komen dan 20 %.

3.10.3

Het EESC verzoekt het Europees Parlement, de Raad en de Commissie met klem om de belangen van de EU als het gaat om de toegang tot openbare aanbestedingen, zowel in de lidstaten als op de wereldmarkt, met meer efficiëntie en strategie te behartigen, zodat de EU aan internationale geloofwaardigheid wint en Europa's economisch en sociaal model stand houdt en verder wordt ontwikkeld.

3.10.4

Het handelsbeleid van de Unie (het externe beleid van de Europa 2020-strategie) strekt ertoe dat de handel de prikkels kan geven voor de duurzame groei die nodig is voor een uitweg uit de crisis, waarbij het voortbestaan van de sociale markteconomie wordt gegarandeerd en de overstap op een koolstofarme economie wordt gesteund. Het EESC vindt dat het huidige recht ten aanzien van bepaalde onderwerpen verduidelijking behoeft en denkt daarbij met name aan subsidies en staatssteun. Ook moeten zijn waarden en normen naar voren worden gebracht, zo nodig met behulp van procedures van het geschillenbeslechtingsorgaan van de WTO teneinde een rechtspraak te voeden die beter strookt met de kijk van de EU op faire mededinging, met name tegenover opkomende economieën.

3.10.5

Op het vlak van handel en investeringen vindt het EESC het essentieel dat de zekerheid voor investeerders gewaarborgd wordt, zowel in het belang van de bedrijven in de EU als in het belang van ontwikkelingslanden. Het EESC is ingenomen met de nieuwe bevoegdheid van de EU op het gebied van buitenlandse directe investeringen (BDI), die de onderhandelingskracht van de EU zal versterken en ertoe zou moeten leiden dat de EU een belangrijkere speler wordt en dat er een betere toegang wordt verkregen tot belangrijke markten van derde landen, terwijl investeerders worden beschermd, hetgeen tot een verbetering van het internationale concurrentievermogen van de EU zou leiden. Het EESC benadrukt tegelijkertijd dat de handelspolitiek en het investeringsbeleid van de EU in overeenstemming dienen te zijn met het EU-beleid op economisch gebied en op andere terreinen, met inbegrip van milieubescherming, aanvaardbare arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden, gezondheid en veiligheid op het werk en ontwikkeling. Investeringsovereenkomsten van de EU zouden ertoe moeten leiden dat een open investeringsklimaat wordt gecombineerd met een doeltreffende bescherming voor EU-investeerders en dat investeerders in de landen waarin zij investeren, beschikken over handelingsvrijheid. Het EESC dringt er daarom op aan dat de EU gebruik maakt van deze mogelijkheid om de investeringsovereenkomsten waarover thans wordt onderhandeld te verbeteren en te updaten. Daarbij moet zij wel van haar eigen kracht uitgaan en niet slechts anderen imiteren. De EU moet de jongste ontwikkelingen op het vlak van internationaal investeringsrecht, investeringsbeleid en investeringspraktijken (m.i.v. de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten) aan een kritische blik onderwerpen, om ervoor te zorgen dat haar ideeën en uitgangspunten m.b.t. toekomstige investeringsverdragen en investeringshoofdstukken in vrijhandelsovereenkomsten zowel up-to-date als duurzaam zijn.

3.10.6

Het EESC vindt dat er vaart moet worden gezet achter de internationalisering van kleine en middelgrote ondernemingen. De nieuwe markten moeten voor hen toegankelijker worden, zodat ze meer arbeidsplaatsen kunnen scheppen.

3.10.7

Bilaterale handelsovereenkomsten zoals de recente vrijhandelsakkoorden met Colombia, Peru en Zuid-Korea bieden heel wat nieuwe kansen die in ons voordeel moeten worden benut en adequaat aan het bedrijfsleven moeten worden bekendgemaakt. Het EESC is van mening dat bilaterale overeenkomsten geen afbreuk doen aan het multilateralisme, maar dit juist kunnen versterken. "Onze welvaart hangt van de handel af", aldus de Commissie. Het Comité dringt er evenwel op aan dat bij de nieuwe onderhandelingen voor een andere en betere benadering wordt gekozen. Bij bilaterale onderhandelingen kan beter worden ingespeeld op verschillen tussen landen en regio's. Multilaterale onderhandelingen vereisen noodgedwongen een bredere aanpak. Het EESC hamert op het belang van deze overeenkomsten om een groter draagvlak te creëren voor een effectiever beleid op het gebied van milieubescherming, duurzame ontwikkeling en sociale en arbeidsnormen. Europa moet bij de bilaterale onderhandelingen uitkomen voor de waarden en normen die de Europese samenleving zo hoog in het vaandel draagt: voedselveiligheid, een gezond milieu en een goed sociaal beleid. De internationale handel vormt in verband met de wereldwijde voedselzekerheid onderdeel van zowel het probleem als van de oplossing. De regels voor die handel moeten ertoe strekken om de voedselzekerheid van vooral de minst ontwikkelde landen te bevorderen en dienen ervoor te zorgen dat die landen overeenkomstig het beginsel van speciale en gedifferentieerde behandeling vrije toegang hebben tot de markten van de ontwikkelde en opkomende landen.

3.10.8

Het EESC is ingenomen met het voorstel van vicevoorzitter Antonio Tajani van de Europese Commissie om een "concurrentietoets" in te voeren alvorens er tussen de EU en derde landen een handelspartnerschapsovereenkomst wordt gesloten. Voorts onderschrijft het EESC dat het noodzakelijk is om ook bij initiatieven op alle andere beleidsterreinen (energie, handel, milieu, sociaal beleid, consumentenbescherming) vooraf altijd een beoordeling te maken van hun gevolgen voor het industriële concurrentievermogen.

3.10.9

De Unie moet, in haar eigen belang en dat van het klimaat, de lat hoog leggen waar het om reductie van CO2-uitstoot gaat. Zulks om tegen de achtergrond van de huidige mondiale concurrentiestrijd een groene economie te ontwikkelen en haar leiderschap ter zake te behouden. Het EESC stelt voor, impactanalyses te maken (op het gebied van concurrentievermogen, werkgelegenheid en milieu) en openbare discussies te organiseren om te anticiperen op de overgangsfasen tussen 2020 en 2050 en een stabieler karakter te geven aan de prognoses van de economische actoren en de burgers.

3.11   Het EU-budget inzetten voor groei en concurrentievermogen

3.11.1

Momenteel beschikt de Europese Unie niet over de begrotingsmiddelen om haar politieke strategie uit te voeren of om haar verbintenissen in het kader van het nieuwe Verdrag van Lissabon waar te maken. Dat is te wijten aan de economische en financiële crisis en de toenemende begrotingstekorten in de lidstaten.

3.11.2

De EU-begroting moet worden versterkt en een hefboomeffect hebben. Er moet complementariteit bestaan tussen nationale en Europese begrotingen zodat schaalvoordelen ontstaan voor de verwezenlijking van de grote politieke doelstellingen van de Europese Unie.

3.11.3

De EU-begroting een toonbeeld zijn op het vlak van governance, doeltreffendheid, transparantie en kostenbeheersing.

3.11.4

We moeten het beginsel van de "juste retour" verlaten, omdat het indruist tegen de waarden van solidariteit en wederzijds voordeel van de Europese eenwording. Het is juist belangrijk om het subsidiariteitsbeginsel toe te passen door Europees te maken wat niet langer zinvol en doeltreffend is op nationaal niveau. Het EESC is opgetogen over het voorstel van de Commissie om terug te grijpen naar het beginsel van de eigen middelen, die van de grond kunnen worden opgebouwd of nationale heffingen kunnen vervangen.

3.11.5

Het is van het grootste belang dat er een toereikende hoeveelheid particulier en publiek geld is voor concurrentievermogen en innovatie om het huidige inkrimpen van begrotingen te compenseren. Het Comité is zeer te spreken over de aangekondigde verbetering van grensoverschrijdende voorwaarden voor durfkapitaal en de voorstellen voor publieke en private EU-projectobligaties ten behoeve van investeringen in energie, vervoer en ICT. De mogelijkheid van projectobligaties op andere terreinen (bijv. onderzoeks- en demonstratieprojecten) moet ook worden onderzocht. Verder moeten de structuur- en cohesiefondsen ook worden gericht op doelstellingen van industriebeleid. Daarnaast moeten er nieuwe, innovatieve ideeën worden ontwikkeld om particulier geld voor de industrie aan te trekken.

3.11.6

Handhaving of, liever nog, verhoging van de EU-middelen voor O&O is van het grootste belang. Grote Europese projecten en mede door een of meer lidstaten gefinancierde pan-Europese infrastructuur zouden toch hefboomeffecten moeten hebben.

3.11.7

In oktober 2010 keurde de Commissie een mededeling goed met de titel Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020–strategie (19), die uitdrukkelijk het belang onderstreept van de ontwikkeling van innovatie, onderzoek en ontwikkeling in de gehele Unie en de rol benadrukt die regionaal beleid hierin kan vervullen. De mededeling benadrukt tevens de tot nu toe relatief trage opname van beschikbare middelen voor innovatie. Daarom is het een gemiste kans dat het Commissievoorstel van 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad wat betreft sommige bepalingen in verband met het financiële beheer voor bepaalde lidstaten die ten aanzien van hun financiële stabiliteit ernstige moeilijkheden ondervinden of daardoor worden bedreigd (COM(2011) 482 final), niet voorziet in volledige financiering van innovatieprojecten door de Unie, wat vooral het mkb ten goede zou komen.

3.11.8

Het EESC is altijd voorstander geweest van het programma voor de totstandbrenging van een trans-Europees vervoersnetwerk en zegt nogmaals zijn steun toe. Het benadrukt echter dat de EU na de uitbreiding behoefte heeft aan meer vervoersinfrastructuur, en dat moet worden nagedacht over aanpassing van het bestaande beleid en van de instrumenten voor de uitvoering van dat beleid aan de toekomstige uitdagingen.

3.11.9

Er moet fors in infrastructuur, ook voor wegvervoer, worden geïnvesteerd, willen alternatieve vervoerswijzen een groter marktaandeel verwerven. Er kunnen geen wonderen worden verwacht als alleen maar een algemeen beroep wordt gedaan op particuliere investeringen en infrastructuurheffingen. Het EESC is, zoals het al in talrijke eerdere adviezen heeft aangegeven, voorstander van internalisering van externe kosten in de vervoerssector. Het is het ermee eens dat, overeenkomstig het principe "de vervuiler betaalt", economische instrumenten daadwerkelijk de maatschappelijke kosten van het vervoer moeten reflecteren, zodat de markt wordt aangespoord zich duurzamer te gedragen. De inkomsten van de desbetreffende extra heffingen zouden moeten worden bestemd voor de ontwikkeling van duurzaam vervoer en voor de optimalisering van het gehele vervoerssysteem, teneinde een echt duurzaam mobiliteitsbeleid te realiseren. Er zou een onderscheid moeten worden gemaakt tussen deze heffingen en heffingen die vanuit financieringsoogpunt zijn ingevoerd, dus overeenkomstig het principe "de gebruiker betaalt".

3.11.10

Het EESC meent dat er behoefte is aan een beleidsmix van

maatregelen voor energie-efficiëntie;

veilige systemen voor de opvang en opslag van CO2 (CCS);

maatregelen voor een concurrentiekrachtige ontwikkeling van hernieuwbare energie;

maatregelen om elektriciteitscentrales koolstofarm te maken;

maatregelen ter bevordering van het gebruik van hoogrendabele warmtekrachtkoppeling (CHP).

3.11.11

Wat het "instrumentarium" van de geïntegreerde Europese energiemarkt betreft zou nu al een akkoord moeten worden gesloten over een programma voor investeringen in

slimme netwerken (smart grids) en de verbetering van de netwerken voor het vervoer van energie;

O&O van gemeenschappelijke programma's voor duurzame energie, nanowetenschappen en -technologie, informatica die op macrosystemen van netwerken wordt toegepast, en microsystemen voor woninginformatica;

het vermogen om complexe systemen te beheren en het bedrijfsleven en particuliere en overheidsactoren een stabiel referentiekader te bieden;

de opvoering van gestructureerd en interactief overleg met de sociale partners, consumentenorganisaties en de publieke opinie.

3.11.12

Er moet prioriteit worden verleend aan in buurlanden opgezette projecten voor energiediversifiëring, zoals de energiecorridor EU/Kaspische Zee/Zwarte Zee en met name de Nabucco-gaspijpleiding, aan infrastructuur voor vloeibaar aardgas (LNG), aan de onderlinge koppeling van de elektriciteitsnetwerken, de voltooiing van de Euro-mediterrane verbindingsnetten voor elektriciteit (Med-ring) en gas, en de realisering van nieuwe aardolie-infrastructuurprojecten van Europees belang, zoals de projecten Odessa-Danzig en Constanța–Triëst, en van Nord Stream.

4.   Aanpakken van werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis

4.1.1

Het EESC is van mening dat de belangrijkste voorwaarde om nieuwe banen te scheppen duurzame, stabiele economische groei is. Het EESC is verheugd dat een aantal instellingen en organisaties voorstellen om uit de economische crisis te komen heeft gedaan waarin rekening is gehouden met de sociale dimensie van het herstel.

4.1.2

Het EESC pleit voor initiatieven die de ontwikkeling in de hand werken van sectoren met het grootste banenpotentieel, bijvoorbeeld in de koolstofarme, schone economie (de "groene sector"), in de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening (de "zilveren sector") en in de digitale economie.

4.1.3

Prioritair zijn volgens het EESC: de ontsluiting van het potentieel van (met name vrouwelijke) nieuwe ondernemers, de werkgelegenheid onder jongeren, en de ondersteuning van het kerninitiatief "Jeugd in beweging".

4.1.4

Het is van fundamenteel belang om de ondernemingscultuur en de ondernemersgeest te promoten door een gunstig bedrijfsklimaat te scheppen waarin marktrisico's in aanmerking worden genomen en het menselijk kapitaal de nodige waardering krijgt, met inachtneming van de nationale collectieve overeenkomsten en praktijken.

4.1.5

Het EESC dringt er met name op aan via een stappenplan te garanderen dat onverwijld de voorwaarden worden geschapen waaronder nieuwe innovatieve ondernemingen zich kunnen ontwikkelen en bestaande kleine en middelgrote ondernemingen gesteund kunnen worden, om aldus bij te dragen tot het creëren van nieuwe banen (nodig om de crisis te boven te komen) en werk te maken van duurzame groei: de voorgestelde maatregelen moeten op Europees, nationaal en regionaal niveau worden gepland en betrekking hebben op commerciële en niet-commerciële ondernemingen en op de sociale economie. Naast dit stappenplan moet ook worden voorzien in opleidingsmaatregelen voor werklozen en jongeren, zodat de nieuwe banen voor hen toegankelijk worden.

4.1.6

Groene banen stimuleren moet gebeuren door een mix van maatregelen die belonen en maatregelen die straffen, naar analogie met de emissierechtenregeling. Dan komt daar genoeg geld voor vrij, zonder dat de toch al overbelaste overheidsfinanciën nog verder onder druk worden gezet. Dit is een cruciaal punt in de financiering en vereist dat alle partijen meewerken, omdat de EU 2020-strategie en de steunregelingen niet kunnen functioneren als de lidstaten geen budgettaire speelruimte meer hebben. Aan bedrijven die inspanningen leveren om de kwaliteit van hun banen te verbeteren en op een duurzamere manier te produceren, moeten voordelen worden gegund en steun worden verleend. Het bedrijfsleven is vragende partij voor een duidelijk en vast regelgevingskader met bepalingen die zo mogelijk wereldwijd zijn overeengekomen. Een algemeen aanvaarde en spoedige oplossing voor de kwestie van het Europees octrooi zou zonder twijfel een stap in de goede richting zijn.

4.1.7

Loonbeleid moet een centrale rol spelen om uit de crisis te geraken. Per saldo moet de loonontwikkeling daarom op de middellange termijn op nationale productiviteitsstijging over de gehele linie zijn gericht zodat er evenwicht bestaat tussen de ontwikkeling van de vraag en waarborging van concurrerende prijzen. De sociale partners moeten daarom loonmatigingen in de zin van een beggar thy neighbour-beleid zien te vermijden en het loonbeleid in plaats daarvan op de productiviteit afstemmen. In dit verband is het EESC pertinent tegen een ander voorstel uit de mededeling van de Commissie over de AGS 2012, namelijk om de nationale loonvormingssystemen verplicht te hervormen door de loononderhandelingen te decentraliseren. De autonomie van de sociale partners en hun vrijheid om collectieve overeenkomsten te sluiten mogen in geen geval in twijfel worden getrokken, zoals zeer duidelijk is uitgelegd in de "Sixpack"-verordening nr. 1176/2011 (pakket van 6 maatregelen).

4.1.8

Het EESC stelt vast dat ondernemingen verschillende soorten arbeid gebruiken. Dat leidt tot nieuwe vormen van werkgelegenheid. Daarbij is ook sprake van precair werk waarbij mensen op tijdelijke contracten, tegen lage lonen, met geringe sociale bescherming en zonder rechtsbescherming tewerk gesteld worden. Niet alle tijdelijk werk is precair, hoogopgeleide zelfstandigen kunnen zich op basis van opdrachten uitstekend redden op de arbeidsmarkt. Maar tijdelijke arbeid is per definitie wel precair wanneer het gaat om laag- of ongeschoold werk in productie en dienstverlening. Flexicurity kan een oplossing zijn voor de behoefte van ondernemingen aan flexibele arbeid, maar alleen wanneer is voldaan aan de voorwaarde dat de daaraan gekoppelde zekerheid van een vergelijkbaar niveau is als de zekerheid die een vaste baan biedt

4.2   Het structurele onevenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt

4.2.1

Een cruciale schakel in de aanpak van deze problemen is efficiënte samenwerking tussen onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, de sociale partners en de overheid; we denken dan m.n. aan het vooruitlopen op de vaardigheden waaraan in de toekomst behoefte zal zijn op de arbeidsmarkt en initiatieven op het gebied van onderwijs in het algemeen en beroepsonderwijs en -opleiding in het bijzonder. Het EESC roept op de kwaliteit en efficiëntie van beroepsonderwijs en -opleiding (BOO) te verbeteren teneinde de aantrekkingskracht en de relevantie ervan te vergroten. Het is misleidend om zich bij het vaststellen van onderwijsbeleid uitsluitend te focussen op het aantal jongeren dat universitair onderwijs volgt, aangezien deze indicator slechts in zekere mate iets zegt over de vaardigheidsbehoeften van de arbeidsmarkt. De onderwijs- en opleidingsstelsels moeten evenwichtiger worden gemaakt.

4.2.2

Als gevolg van demografische ontwikkelingen – een vergrijzende beroepsbevolking en een teruglopend aantal jongeren dat de arbeidsmarkt betreedt – en de snelle technologische veranderingen in productieprocessen dreigt in Europa een groot tekort aan geschoold personeel. Het is daarom van het grootste belang dat iedereen toegang krijgt en houdt tot de arbeidsmarkt en dat niemand wordt buitengesloten. Het EESC onderstreept dat werknemers de mogelijkheid moeten hebben hun competenties en beroepskwalificaties op peil te houden en nieuwe vaardigheden te verwerven tijdens hun arbeidzame leven. Daarmee zijn werknemers in staat zich aan te passen aan veranderingen in hun werkomgeving én kan worden voldaan aan de vraag naar geschoolde werknemers op de arbeidsmarkt. Dat proces op een goede en efficiënte manier organiseren is een van de belangrijkste opdrachten die de EU heeft te vervullen om concurrerend te blijven met andere regio's in de wereld.

4.2.3

Het EESC onderschrijft dat werknemers toegang moeten hebben tot met name programma's voor beroepsopleidingen. Omdat uit onderzoek blijkt dat werknemers die scholing het meest nodig hebben daar vaak het minst gebruik van maken, zijn voor verschillende groepen werknemers verschillende maatregelen nodig.

4.2.4

Een groot deel van het budget zou naar de laagst geschoolde werknemers moeten omdat die de meeste behoefte hebben aan aanvullende opleidingen. Dat zou kunnen via het toekennen van scholingsbudgetten aan individuele werknemers waarvan de hoogte omgekeerd evenredig is aan het opleidingsniveau, zodat voor de laagst opgeleide werknemers het meeste geld beschikbaar komt.

4.2.5

Voor oudere werknemers is een meer leeftijdsgericht personeelsbeleid nodig. Hoewel in menig EU-lidstaat de pensioenleeftijd wordt verhoogd, verliezen veel ouderen hun plek op de arbeidsmarkt al voor het bereiken van de huidige pensioenleeftijd, bijvoorbeeld omdat zij de ontwikkelingen niet kunnen bijhouden. Gerichte, specifieke scholing kan een bijdrage leveren aan de oplossing van dit probleem.

4.2.6

Het is van groot belang dat scholing en opleidingen effectief zijn. In verschillende lidstaten wordt ervaring opgedaan met nieuwe, effectievere trainingsmethoden en herontdekt men hoe belangrijk leren op de werkplek is. Het EESC onderstreept het belang van verdere ontwikkeling van dit soort trajecten en verzoekt de Commissie dit te stimuleren door ervoor te zorgen dat goede voorbeelden op dit terrein worden uitgewisseld.

4.3   Bevordering van werkgelegenheid, m.n. voor jongeren en langdurig werklozen

4.3.1

Het EESC dringt nogmaals aan op de formulering van meetbare Europese doelen met betrekking tot werkgelegenheid voor jongeren: in het bijzonder 1) een streefcijfer voor een significante verlaging van de jeugdwerkloosheid en 2) een maximumtermijn van vier maanden voor het "activeren" van jongeren die op zoek zijn naar een baan of een opleidingsplek. Het heeft tot dusver in elk geval nauwelijks vruchten afgeworpen dat het opstellen van specifieke doelstellingen ten aanzien van werkgelegenheid voor jongeren aan de lidstaten is overgelaten. Slechts enkele landen hebben op dit gebied doelen in hun nationale hervormingsprogramma's geformuleerd.

4.3.2

Het EESC is verheugd dat zijn roep om een garantie door de lidstaten dat alle schoolverlaters binnen vier maanden een baan, een beroepsopleiding of activeringsmaatregelen moeten worden aangeboden, in de vorm van een voorstel voor een "Jeugdgarantie" in het vlaggenschipinitiatief "Jeugd in beweging" is opgenomen.

4.3.3

Lidstaten die niet alleen een ongunstige arbeidsmarkt voor jongeren hebben, maar ook nog eens bezuinigingen moeten doorvoeren, zouden gemakkelijker toegang moeten krijgen tot middelen uit EU-fondsen voor maatregelen in het kader van de "Jeugdgarantie" en voor investeringen voor het scheppen van banen. De administratieve procedures voor het verkrijgen van middelen moeten worden vereenvoudigd en tegelijkertijd pragmatischer en flexibeler worden vormgegeven. De verplichting tot nationale cofinanciering voor het verkrijgen van middelen uit het ESF of andere Europese fondsen zou tijdelijk buiten werking moeten worden gesteld.

4.3.4

Ondanks het feit dat de begrotingsprioriteiten als gevolg van de economische crisis in alle EU-lidstaten opnieuw zullen moeten worden gedefinieerd, is het, zoals het EESC reeds heeft benadrukt, belangrijk om nationale en communautaire middelen beschikbaar te blijven stellen voor opleidingen en banen voor jongeren en waar nodig voor dit doel zelfs extra middelen te reserveren. Daarom wil het EESC dat er in de financiële vooruitzichten voor ná 2014 voldoende middelen uit het ESF worden vrijgemaakt voor op jongeren gerichte initiatieven.

4.3.5

In sommige landen zijn de voorwaarden voor toegang tot werkloosheidsuitkeringen voor de door de crisis getroffen groepen (waaronder ook jongeren) ietwat versoepeld. Deze maatregelen zijn echter tijdelijk en het is altijd mogelijk dat ze bij volgende besparingsronden worden ingetrokken. Het EESC roept alle lidstaten op om de voorwaarden voor uitkeringen ten behoeve van werkloze jongeren die een baan zoeken of een opleiding willen volgen, te analyseren en indien nodig te verbeteren. Het zou een goede zaak zijn om daarvoor in de nationale hervormingsprogramma's doelstellingen vast te leggen. Op die wijze kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan het opheffen van de onzekere situaties waarin veel jongeren in hun gang naar de arbeidsmarkt komen te verkeren.

4.3.6

De werkloosheid onder 15- tot 24-jarigen ligt twee keer zo hoog als bij volwassenen. Daar komt bij dat jongeren uit deze leeftijdscategorie vaak onzekere banen hebben (in sommige landen meer dan 60 %), of niet-gereguleerde banen in het kader van stages (vooral in zuidelijke landen ). Verder zijn ze vaak te hoog gekwalificeerd voor het werk dat ze doen. Wat de arbeidsmarktintegratie betreft, worden oplossingen die geen zekerheid bieden en uitzichtloos zijn, door het EESC afgeraden: in plaats van onzekere banen en arbeidsbetrekkingen moeten er maatregelen worden genomen om te verhinderen dat slecht betaalde tijdelijke banen met onvoldoende sociale zekerheid voor jongeren de norm worden. Wat het initiatief van de Commissie met betrekking tot stages aangaat, is het EESC voorstander van een Europees kwaliteitskader. Daartoe zal moeten worden samengewerkt met ondernemingen, zodat die leerstages kunnen aanbieden, met bindende arbeidscontracten. Speciale aandacht dient daarbij uit te gaan naar jongeren met opleidingachterstanden. Een dergelijk duaal systeem, met een algemene én een beroepsgerichte opleiding, heeft in een aantal landen tot goede resultaten geleid. Het zou dus een goede zaak zijn te onderzoeken of zo'n systeem ook – voor een deel – door andere landen kan worden overgenomen.

4.3.7

De aanhoudende aan de crisis gerelateerde stagnatie van de vraag naar arbeid leidt tot steeds meer langdurige werkloosheid, met als gevolg dat er voor plaatsing op de arbeidsmarkt grote moeilijkheden moeten worden overwonnen, en dat de armoede – gemeten aan de hand van het percentage arbeidsgeschikte of nog niet arbeidsgeschikte burgers dat deel uitmaakt van huishoudens waarin niemand in contact staat met de arbeidsmarkt – toeneemt. Het EESC beveelt de lidstaten aan om zich in het bijzonder in te zetten voor de vorming van inclusieve intermediaire arbeidsmarkten waar met overheidsgeld een toereikend aantal geschikte banen wordt gecreëerd, waardoor langdurig werklozen actief kunnen blijven en hun kennis kunnen vergroten. Op die manier wordt voorkomen dat de armoede toeneemt vanwege het verloren contact met de arbeidsmarkt, terwijl werknemers die bezig zijn met arbeidsmarktintegratie, soepel op de open arbeidsmarkt kunnen overstappen als de crisis eenmaal achter de rug is.

4.4   Sociaal ondernemerschap

4.4.1

Sociaal ondernemerschap is een centraal element van het Europese sociale model. Sociale ondernemingen leveren een relevante bijdrage aan de samenleving en zijn een belangrijk kenmerk van het Europese sociale model. Zij dragen bij aan de doelstellingen van EU-2020 door het creëren van banen, de ontwikkeling van innovatieve oplossingen voor algemene behoeften en het scheppen van sociale cohesie, inclusie en actief burgerschap.

4.4.2

Het EESC meent dat bevordering van sociaal ondernemerschap en sociale ondernemingen, vooral in deze economisch barre tijden, zowel het groeipotentieel als de sociale meerwaarde zal versterken. Om de mogelijkheden te benutten, moet er een alomvattend beleidskader komen en ingevoerd worden, waarbij partijen uit alle sectoren van de samenleving (maatschappelijk middenveld, particulieren, overheid) op elk niveau (lokaal, regionaal, nationaal, Europees) betrokken worden.

4.4.3

De lidstaten en EU-instellingen moeten garanderen dat sociale ondernemingen op gelijke voorwaarden als andere bedrijfsvormen geïntegreerd worden in beleidsinitiatieven van de overheid en in programma's voor ondernemingen.

4.4.4

Prioriteiten voor sociale ondernemingen zijn toegang tot kapitaal en financiële instrumenten op maat. De Commissie zou in de lidstaten bestaande goede praktijken en initiatieven voor innovatie moeten bundelen en verspreiden, zoals hybride kapitaal en samenwerkingsvormen tussen overheids- en particulier kapitaal, en garanderen dat het huidige regelgevingskader de ontwikkeling van nieuwe instrumenten niet in de weg staat.

4.4.5

Het is van belang dat in de volgende programmeringsperiode van de structuurfondsen programma's voor het oprichten en ontwikkelen van sociale ondernemingen expliciet worden opgenomen.

4.4.6

De Commissie zou een EU-breed onderzoek moeten lanceren ter vergelijking van de benaderingen met overheidsfinanciering die voor sociale ondernemingen bijzonder geschikt zijn. De Commissie zou de voorkeur voor aanbestedingen met sociale aspecten moeten bevorderen en de kwestie van het "vergulden" ("gold plating") van aanbestedingen moeten aanpakken. Bij de herziening van de regels voor staatssteun zou de Commissie moeten overwegen om sociale diensten van algemeen belang volledig te ontheffen, of ontheffing van aanmeldingsplicht te verlenen aan alle kleinschalige overheidsdiensten en bepaalde sociale diensten om de oprichting van sociale bedrijven aan te moedigen.

4.4.7

Gezien de diverse rechtsvormen en specifieke sociale functies bestaan in sommige lidstaten wel degelijk belastingvoordelen. Deze moeten beoordeeld en verspreid worden om de uitwerking van passende regels te bevorderen.

4.5   De kwetsbare groepen beschermen

4.5.1

Zoals al door het EESC werd opgemerkt in zijn advies over de jaarlijkse groeianalyse en ook al stilzwijgend werd erkend door de Commissie, moeten sociale uitkeringen beschouwd worden als een productieve investering die iedereen ten goede komt. Via een combinatie van werkloosheidsuitkeringen en een dynamisch arbeidsmarktbeleid is het mogelijk de economie te stabiliseren en mensen aan te sporen zich actief aan veranderingen aan te passen: hiertoe dienen hun vaardigheden verbeterd te worden en dienen er efficiënte initiatieven te komen rond omscholing en de zoektocht naar werk. Men zou zich moeten hoeden voor strengere criteria voor werkloosheidssteun. Het risico bestaat namelijk dat de uitgesloten personen in een nóg onzekerdere situatie terechtkomen, wat hun (her)integratie op de arbeidsmarkt ernstig kan belemmeren. Dit afstotingsbeleid kan leiden tot verschuivingen naar andere vormen van sociale bescherming, bijvoorbeeld sociale bijstand of arbeidsongeschiktheid. Dit is echter niet wenselijk.

4.5.2

Het EESC onderstreept dat werknemers inkomenszekerheid en sociale bescherming nodig hebben om in een snel veranderende samenleving optimaal en dus zonder angst voor de toekomst te kunnen functioneren.

4.5.3

Het EESC roept de Europese instellingen op de Europese sociale standaard met meer overtuiging te handhaven. Het gebrek aan daadkracht op dit onderwerp heeft onder meer geleid tot een groeiend aantal werkende armen, toenemende ongelijkheid, een steeds grotere angst voor de toekomst en tegelijkertijd een afnemend vertrouwen van de burgers in elkaar, in maatschappelijke instellingen en in de overheid. Niet alleen ten opzichte van de nationale overheid, maar ook ten opzichte van de Europese instellingen, zoals een groeiend euroscepticisme in een aantal lidstaten laat zien.

4.5.4

Het EESC is van mening dat de bezuinigingen het risico op armoede niet mogen verhogen en de ongelijkheid, die de afgelopen jaren is toegenomen, niet verder mogen aanscherpen. Bij alle maatregelen ter bestrijding van de crisis moet erop worden gelet dat deze de stimulering van de vraag en de werkgelegenheid niet tegenwerken, en sociale knelpunten tegengaan. De lidstaten moeten er daarbij op toezien dat de maatregelen om de economische crisis en de staatsschuld te boven te komen, de overheid er niet van weerhouden te investeren in de arbeidsmarkt en in onderwijs en opleiding. Het EESC dringt aan op doeltreffende sociale-effectbeoordelingen om na te gaan hoe de Europese doelstelling om ten minste 20 miljoen mensen tegen 2020 een uitweg uit armoede en sociale uitsluiting te bieden, kan worden verwezenlijkt.

4.5.5

Bezuinigingen treffen diegenen die afhankelijk zijn van overheidsuitkeringen, onder wie ook mensen in onzekere arbeidssituaties en andere kansarme groepen op de arbeidsmarkt, het eerst en het hardst. Degenen die het zwaarst worden getroffen door werkloosheid, zijn doorgaans ook degenen die beperkt toegang hebben tot overheidssteun. Om die reden zijn voldoende, doelmatige en duurzame sociale vangnetten nodig, waarbij de aandacht met name moet uitgaan naar de zwaarst getroffen en kansarme groepen op de arbeidsmarkt.

5.   Modernisering van overheidsdiensten

5.1.1

Wat de modernisering van overheidsdiensten aangaat is het EESC van oordeel dat goede governance "multilevel governance" en partnerschappen met representatieve actoren uit het regionale middenveld impliceert.

5.1.2

Het Comité ziet multilevel governance niet als een hiërarchische structuur waarbinnen elk bestuursniveau zijn eigen specifieke bevoegdheden heeft, maar veeleer als een flexibel samenspel tussen Commissie, lidstaten en lokale en regionale overheden waarbij de samenwerking volledig wordt toegesneden op specifieke situaties of doelstellingen. Goede governance wordt gekenmerkt door een geest van openheid in de onderlinge betrekkingen en een zekere flexibiliteit in de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel.

5.1.3

Partnerschap is een fundamenteel instrument van collectief engagement en draagt bij tot een grotere doeltreffendheid van publieke uitgaven en overheidsbeleid. In de geschetste context kunnen nieuwe vormen van "doeltreffend partnerschap", met name als consensusplatform, een hulpmiddel zijn om de innovatiestrategie te ondersteunen, via de deelname van alle betrokken partijen uit de openbare en particuliere sector (met inbegrip van de banken) en met hulp van eenvoudige, duidelijke en doeltreffende regels waarmee voor een volledige projectcyclus de termijnen, verantwoordelijkheden en eventuele sancties vastgelegd worden.

5.1.4

Het EESC dringt er allereerst bij de Commissie, het Parlement, de Raad en de lidstaten op aan om de Europese, nationale en territoriale besluiten op het fundamentele "Think small first"-beginsel te baseren. Ook vraagt het de lidstaten en regio's dit beginsel als uitgangspunt te hanteren voor hun beleid ten behoeve van het mkb en voor hun economisch en industriebeleid. Ten slotte is het van mening dat de SBA een meer bindend karakter moet krijgen, met name voor de EU-instellingen. Het keert zich daarbij tegen het voorstel van de Europese Commissie om het mkb en micro-ondernemingen vrij te stellen van nieuwe EU-regels.

5.1.5

Het EESC is van mening dat de aanwijzing van nationale mkb-gezanten (SME Envoys) de lidstaten zou moeten helpen de SBA uit te voeren. Daarnaast beveelt het EESC aan om ook regionale mkb-gezanten aan te wijzen.

5.1.6

Nu is het tijd om over te gaan naar de fase "Act small first". Om succesvol te zijn is het absoluut zaak dat de SBA hand in hand gaat met de totstandkoming van een echt "bestuur op basis van partnerschap: multi-actor and multilevel governance". Het is zaak dat de sociaaleconomische partners evenals alle representatieve publieke en particuliere actoren van begin af aan worden betrokken bij het politieke denkproces en de wetgeving. Het EESC dringt er dan ook op aan dat de representatieve organisaties van de verschillende categorieën van mkb's daadwerkelijk deelnemen aan het wetgevingsproces op alle niveaus.

5.1.7

Het deelt de opvattingen van de Raad en de Commissie over de wenselijkheid van effectieve multilevel governance en betere governance bij de besteding van het geld van de EU-fondsen en bij de tenuitvoerlegging van het EU-beleid. De vraag is niet "of" maar "hoe". Waar het vooral om gaat is dat bottom up-initiatieven en het top down-kader precies op elkaar worden afgestemd.

5.1.8

Het EESC is verder ook zeer te spreken over het voornemen om burgers en andere belanghebbenden meer te betrekken bij de totstandkoming, omzetting en toepassing van het Gemeenschapsrecht, met name door de termijn voor openbare raadplegingen te verlengen en de inbreukprocedures te versoepelen en efficiënter te maken.

5.1.9

Het EESC verwelkomt de modernisering van het EU-beleid inzake overheidsopdrachten met het oog op meer efficiëntie in de context van een beter functionerende eengemaakte markt die innovatiever, groener en socialer is. Het onderstreept dat ook bij het plaatsen van overheidsopdrachten de innovatieve, ecologische en sociale aspecten van de Europa 2020-strategie een grote impact hebben.

5.1.10

Beginselen als openheid en transparantie, efficiëntie, rechtszekerheid, rendement, eerlijke concurrentie, toegankelijkheid van de markt voor het mkb en beoefenaars van vrije beroepen, evenredigheid, bevordering van grensoverschrijdende overeenkomsten, vermijding van discriminatie en corruptie, en de behoefte aan professionalisme blijven uiteraard onverminderd gelden.

5.1.11

Nodeloze bureaucratie moet worden afgebouwd om voor alle betrokkenen optimale resultaten te behalen. Verder moet worden voorkomen dat lidstaten zich verliezen in complexe wetgeving en veelvoorkomende overregulering (zogeheten goldplating).

5.1.12

Het EESC pleit daarom een analyse van de beste praktijken en voorbeelden in de lidstaten, gevolgd door maatregelen om markten nog meer open te stellen.

5.1.13

Het EESC is ingenomen met de belangstelling die de Commissie heeft getoond voor de verbetering van de bestuurlijke, wetgevende en beleidsprocedures die leiden tot een meer rationele en betere uitwerking en toepassing van het Gemeenschapsrecht gedurende het gehele wetgevingsproces.

5.1.14

Het EESC vindt met name dat bepaalde aspecten beter moeten worden uitgewerkt, zoals daar zijn de wijze waarop de effectbeoordelingen vooraf door alle Europese instellingen met bevoegdheid ter zake worden uitgevoerd, de aard en samenstelling van de instantie die met het toezicht op de effectbeoordelingen is belast, de parameters die worden gebruikt, alsook de wijze en de middelen om meer transparantie te garanderen.

5.1.15

Het Comité verwelkomt het initiatief om de overheidsdiensten te moderniseren door zogenaamde "één-loketten" op te zetten. Administratieve samenwerking bij grensoverschrijdende aangelegenheden valt alleen maar toe te juichen. Deze samenwerking dient zich ook uit te breiden tot beleidsterreinen waarbij naleving van verplichtingen in het geding is.

5.1.16

Het Comité is ingenomen met het voornemen van de Commissie om het bestuur van de interne markt te verbeteren door de bestuurlijke samenwerking te intensiveren. Dit houdt in dat het Informatiesysteem voor de interne markt (IMI) verder wordt uitgebreid

5.1.17

Het informatiesysteem voor de interne markt, dat het belangrijkste technische middel is voor de samenwerking tussen nationale overheidsdiensten, kan ook als interface voor gebruikers van de eengemaakte markt dienen.

5.1.18

Volgens het Comité kan IMI helpen een totaal nieuwe invulling te geven aan het begrip bestuurlijke samenwerking op de interne markt, zodat wordt ingespeeld op de behoeften en de verwachtingen van de burgers, het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties; voor deze laatste is in de toekomst ook een rol weggelegd bij de ontwikkeling en het functioneren van het systeem.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de "Jaarlijkse groeianalyse: naar een krachtiger alomvattend antwoord van de EU op de crisis", COM(2011) 11 final, PB C 132 van 3.5.2011, blz. 26–38.

(2)  Advies van het EESC over de "Afsluiting van het eerste Europees semester voor economische beleidscoördinatie: richtsnoeren voor nationaal beleid in 2011-2012", PB C 43 van 15.2.2012, blz. 8-12.

(3)  Het Verenigd Koninkrijk en Tsjechië.

(4)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de "Jaarlijkse groeianalyse: naar een krachtiger alomvattend antwoord van de EU op de crisis", COM(2011) 11 final, PB C 132 van 3.5.2011, blz. 26–38.

(5)  Griekenland, Ierland, Letland, Portugal en Roemenië.

(6)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - "Een proeffase voor het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties" – COM(2011) 660 final.

(7)  Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 december 2011 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2011 van het Europees Parlement en de Raad ter wijziging van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad over een aantal bepalingen betreffende het financieel beheer ten aanzien van bepaalde lidstaten die ernstige problemen ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van financiële stabiliteit - P7_TC1-COD(2011)0209.

(8)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de "Jaarlijkse groeianalyse: naar een krachtiger alomvattend antwoord van de EU op de crisis", COM(2011) 11 final, PB C 132 van 3.5.2011, blz. 26-38 .

(9)  Ibid.

(10)  Ibid.

(11)  Ibid.

(12)  Ibid.

(13)  Zie COM(2011) 730.

(14)  Ibid.

(15)  PB C 218 van 11.9.2009, blz. 8, par. 4.8.

(16)  Bijvoorbeeld de adviezen PB C 107 van 6/04/2011, blz. 53; PB C 376 van 22/12/2011, blz. 92; PB C 318 van 29/10/2011, blz. .9; PB C 24 van 28/01/2012, blz. 131; PB C 24 van 28/01/2012, blz. 139.

(17)  PB C 48 van 15.2.2011, blz. 65.

(18)  PB C 48 van 15.2.2011, blz. 81.

(19)  Zie COM(2010) 553.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/69


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Groenboek betreffende de onlinedistributie van audiovisuele werken in de Europese Unie: mogelijkheden en uitdagingen voor een digitale eengemaakte markt”

(COM(2011) 427 final)

2012/C 143/13

Rapporteur: LEMERCIER

De Commissie heeft op 13 juli 2011 besloten om, overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

"Groenboek betreffende de onlinedistributie van audiovisuele werken in de Europese Unie: mogelijkheden en uitdagingen voor een digitale eengemaakte markt"

COM(2011) 427 final.

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 februari 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari) onderstaand advies met 226 stemmen vóór, bij 10 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC vestigt de aandacht op de jurisprudentie van het Hof van Justitie waaruit blijkt dat er, wat het auteursrecht betreft, bij de uitwisseling van bestanden op het internet een evenwicht moet worden gevonden tussen verschillende grondrechten. (1) Het auteursrecht is niet absoluut en kan niet worden beschermd door providers (ISP) algemeen internetbestanden te laten filteren (zie de zaak Scarlet v. SABAM). Opslagmedia die niet worden gebruikt om kopieën te maken van digitale audiovisuele inhoud, zoals harde schijven voor het bedrijfsmanagement, mogen niet worden onderworpen aan de heffing voor dergelijke informatiedragers (Zaak Padawan). Rekening houdend met de zich ontwikkelende jurisprudentie van het Hof van Justitie zouden bepaalde lidstaten hun al te strenge wetgeving moeten aanpassen om de ontwikkeling van de onlinedistributie van audiovisueel werk niet in de weg te staan.

1.2   De markt voor dit werk kan ook groeien door aantrekkelijke, betaalbare verkoopmodellen: het online aanbieden van muziek of films is veel goedkoper dan de distributie van cd's en dvd's. Deze aanzienlijke besparing van distributiekosten zou ook de consument ten goede moeten komen en er tegelijkertijd voor moeten zorgen dat auteurs genoeg verdienen om hun artistieke en literaire werk te kunnen voortzetten. Verder zou het auteursrecht om redenen van algemeen belang moeten worden aangepast. Zo zouden gehandicapten zonder al te hoge kosten toegang moeten hebben tot de werken in kwestie. Zoals het EESC al voorstelde in een advies van 2010 (2) zouden de uitzonderingen en beperkingen nog verder uitgebreid kunnen worden om de toegang van kansarme bevolkingsgroepen tot bibliotheken en openbare culturele centra te vergemakkelijken.

1.3   Internet is uitgegroeid tot een universele drager van online-aanbiedingen. Via de invoering van bindende normen moeten er technische en juridische eisen komen om ervoor te zorgen dat de distributeurs van content de persoonlijke levenssfeer van hun klanten respecteren en om de neutraliteit van het internet te garanderen. Als er genoeg bewijs is voor illegaal kopiëren en de houder van de auteursrechten of naburige rechten dient een klacht in, dan mag zonder uitdrukkelijke opdracht van een rechter niet het hele internetverkeer worden gefilterd. (3)

1.4   Bovendien mogen instellingen die audiovisueel werk beheren en bibliotheken niet de dupe worden van een al te strenge aanscherping van de wetgeving ter bescherming van auteursrechten. Zij moeten de werken tenslotte, in het culturele streven naar popularisering en duurzame bescherming van kunstenaars en scheppende kunstenaars, bewaren en ter beschikking stellen en dienen ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen – met name basisschoolleerlingen, middelbare scholieren en studenten – er toegang toe hebben. Een en ander dient het algemeen belang, dat onder meer belichaamd wordt door de strategie Europa 2020, de Digitale agenda en de culturele strategie (4). Ook de voorgestelde richtlijn over verweesde werken, die op steun van het EESC kan rekenen (5), zou een grote bijdrage moeten leveren aan het welslagen van de nationale en Europese cultuurstrategieën.

1.5   De drie grootste internationale distributeurs, die driekwart van de markt in handen hebben en over de nodige financiële en technische middelen beschikken om hun klanten in Europa en de rest van de wereld te bedienen, bewegen zich zonder veel moeite op de internationale online-distributiemarkt.

1.5.1

De Commissie zou met concrete voorstellen moeten komen voor de grote hoeveelheid kleine en middelgrote bedrijven, die samen de ware culturele en artistieke rijkdom van Europa – met zijn grote diversiteit aan talen en literaire en cinematografische werken – vertegenwoordigen, zodat zij actief kunnen worden op de eengemaakte markt voor de onlinedistributie van audiovisueel werk.

1.6   Het EESC vraagt aandacht voor een aantal voorstellen in de KEA-Cema-studie van oktober 2010, zoals het gezamenlijk delen van catalogi en één-loket-systemen voor de distributie van content aan het Europese publiek. (6) Bovendien is de analyse van de marktontwikkelingen grondig en relevant. De verkoopstrategieën en nieuwe businessmodellen moeten de legale distributie van de werken ten goede komen en zo voor elke window zoveel mogelijk inkomsten genereren en de werken optimaal te benutten. Kenmerkend voor de verkoopbevordering is, naast de inzet van klassieke reclamemiddelen, het gebruik van sociale media en buzz-marketing.

1.7   Eén alomvattende Europese gedragscode voor het auteursrecht, zoals voorgesteld door de Commissie, kan in de vorm van een richtlijn bijdragen tot een noodzakelijkerwijs grotere harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten. Deze gedragscode zou in de plaats komen van diverse EU-richtlijnen over hetzelfde onderwerp en de lidstaten zouden regelmatig verslag moeten uitbrengen over de omzetting ervan. De strategie Europa 2020 (7) zou ook moeten worden verwerkt in deze Europese gedragscode voor het auteursrecht.

1.7.1

Deze gedragscode zou de vraag naar het land van oorsprong bij de toepassing van de wetgeving in kwestie minder belangrijk maken en de weg banen naar een ware harmonisering. Financiert een lidstaat een cinematografisch werk, dan dient hij bij het vaststellen van de toepasselijke wetgeving beschouwd te worden als het land van oorsprong. Met het oog op de keuze van de toepasselijke wetgeving zou de Commissie ook de mogelijkheid van een "Europese oorsprong" moeten overwegen. (8)

1.7.2

Nagegaan moet worden of het mogelijk is om oneerlijke bedingen te weren uit contracten waarin de auteur (of de auteurs) van een werk zijn (hun) rechten overdraagt (overdragen) aan producenten/distributeurs. Maar al te vaak gelden deze rechten namelijk voor alle bestaande en toekomstige technologie en ontbreekt er een clausule die de auteur laat delen in de opbrengsten gegenereerd door het gebruik van nieuwe informatiedragers en nieuwe vormen van doorgifte van audiovisuele inhoud (zoals Blue-Ray en IPTV (9)).

1.7.3

Inhoud mag niet als koopwaar worden beschouwd. Hiermee moet rekening worden gehouden als het gaat om onlinedistributie, een vorm van culturele dienstverlening waarbij betekenis ("meaning") wordt gedistribueerd.

1.7.4

Het EESC benadrukt nogmaals dat gezorgd moet worden voor breedbandverbindingen, zodat internetgebruikers via een goede en snelle verbinding – kabeltelevisie, IPTV en VOD (10) – kunnen kijken en luisteren naar audiovisuele werken.

1.8   De bevoegde diensten van de Commissie zouden moeten onderzoeken of het mogelijk is om voor eigendomsrechten inzake audiovisuele werken (11) databeheersystemen in het leven te roepen. Hierbij zouden de kenmerken en behoeften van kleine en middelgrote bedrijven voorop moeten staan. Hetzelfde geldt voor de invoering van grensoverschrijdende licenties van een eigendomstitel, die voor de hele Europese markt gelden. Kleine Europese producenten zouden moeten worden aangemoedigd en geholpen (12) om hun catalogi te laten opnemen in een Europees identificatiesysteem, met een (vrijwillig) gedeelte waarin informatie staat over de houders van de in de vorm van een grensoverschrijdende licentie gegoten auteursrechten en naburige rechten.

1.9   Het systeem voor het verwerven van rechten zou een transparante en eerlijke verdeling van de voor de rechtenhouders bestemde opbrengsten moeten garanderen. (13) De beheersactiviteiten van de met de inning van royalty's belaste instanties zouden jaarlijks aan onafhankelijke en voor de auteurs en het publiek inzichtelijke controles moeten worden onderworpen; op die manier wordt democratisch toezicht gehouden op hun activiteiten en hun bijdragen aan de culturele ontwikkeling. (14)

1.10   Op basis van de reacties van de belanghebbende partijen op het Groenboek zou de Commissie moeten overwegen om in het tweede halfjaar van 2012 – en na een conferentie in het eerste halfjaar van 2012 met de belanghebbende partijen, zoals openbare instellingen (15), het EESC zelf (ambtshalve), vakbonden, Europese verenigingen die consumenten, auteurs en distributeurs vertegenwoordigen – een witboek uit te brengen met concretere voorstellen voor eventuele stappen om ondanks de taalbarrières een eengemaakte Europese markt van audiovisuele werken in te voeren. Hierbij kunnen zich uiteraard technische en juridische problemen voordoen, maar deze hoeven volgens het EESC niet onoverkomelijk te zijn.

2.   Inhoud van de Commissiemededeling

2.1   Dit advies houdt rechtsreeks verband met de strategie Europa 2020 en ligt in het verlengde van de mededeling van de Commissie "Een eengemaakte markt voor intellectuele-eigendomsrechten" (16), ofwel de IER-strategie.

2.2   De culturele sector is belangrijk voor de EU-economie: er zijn 6 miljoen mensen in werkzaam en de sector heeft een jaarlijkse marktwaarde van 500 miljard euro, ofwel 3% van Europa's bbp. Door de technologische ontwikkelingen is er een ingrijpende verandering gaande van de manier waarop audiovisueel werk wordt verspreid. Digitale technologie, breedband en superbreedband, cloud computing, de mogelijkheid om audiovisueel werk naar de pc en mobiele telefoons te downloaden/streamen zetten de traditionele distributiekanalen op losse schroeven.

2.3   In het groenboek worden weliswaar diverse mogelijkheden behandeld, maar de Commissie maakt zich sterk voor één, op grensoverschrijdende en pan-Europese licenties stoelende aanpak van de auteursrechtenkwestie.

2.4   Volgens de Commissie moet de vereffening van rechten voor de onlinetransmissie van audiovisuele mediadiensten (zoals films) buiten het grondgebied van de eerste uitzending worden vereenvoudigd. Hetzelfde geldt voor video-on-demanddiensten, waarvoor andere rechten nodig zijn dan de rechten voor de eerste uitzending.

2.5   Voor de gelijktijdige doorgifte van een uitzending is volgens de Commissie een speciale vergunning van de rechtenhouders nodig.

2.6   De rechten voor de gelijktijdige doorgifte uit andere lidstaten moeten krachtens de "Satelliet- en kabelrichtlijn (17)" door een auteursrechtenmaatschappij worden beheerd. Deze rechten komen bij de rechten die rechtstreeks met de omroepen zelf worden vereffend.

2.7   Wat doorgifte via de kabel betreft wijst de Commissie erop dat rechtenvertegenwoordigende organisaties niet altijd een volmacht hebben om de desbetreffende rechten te verlenen.

2.8   Ten slotte zijn sinds een paar jaar ook operatoren van Digital Subscriber Line (DSL), Internet Protocol TeleVision (IPTV) en Digital Terrestrial Television (DTT) en nieuwe digitale platforms actief in de doorgiftediensten voor uitzendingen, wat de handhaving van de huidige wetgeving alleen nog maar moeilijker maakt.

2.9   De EU produceerde in 2009 bijna 1 200 films. Wat het bioscoopbezoek in de EU betreft hadden Europese films een marktaandeel van nauwelijks 25%, tegen 68% voor Amerikaanse films. In de VS hebben EU-films slechts een marktaandeel van 7%. Uit commerciële overwegingen brengen producenten en distributeurs in de EU hun films achtereenvolgens op verschillende mediaplatforms uit. Meestal is een film eerst in de bioscoop te zien, dan op video, dan via video on demand, vervolgens op betaaltelevisie en ten slotte op gratis te ontvangen televisie. Door de ontwikkeling van buiten het land van productie aangeboden VoD-diensten neemt het aantal partners en dus ook het aantal contracten toe.

Om deze procedures in te dammen stelt de Commissie een collectief beheer van de werken voor en een één-loket-systeem voor de collectieve licentieverlening van rechten.

2.10   Het andere gedeelte van het Groenboek gaat over de vergoeding van auteurs

In de meeste lidstaten wordt deze vergoeding beheerd door de producenten die de auteurs een vast bedrag uitbetalen als "buy out" voor hun bijdrage aan een audiovisueel werk. In deze landen krijgen auteurs dus niet systematisch een extra vergoeding als hun werk online komt. In sommige lidstaten ontvangen collectieve beheersorganisaties die de auteurs vertegenwoordigen een vergoeding per gebruik. In sommige andere landen dient de einddistributeur de auteur "per gebruik" te vergoeden.

2.11   Vergoeding voor uitvoerende kunstenaars

Deze vergoeding is nu meestal contractueel vastgelegd en wordt met een vast bedrag uitbetaald. De Commissie stelt een billijker systeem voor waarbij collectieve beheersorganisaties het recht van deze kunstenaars op een eerlijke vergoeding afdwingen. Ze wijst er echter ook op dat deze nieuwe rechten tot economische – en dus juridische – onzekerheid voor producenten zouden kunnen leiden, wat een rem zou zetten op de onlineverspreiding van de werken in kwestie.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   Met haar groenboek wil de Commissie de nationale wetgevingen harmoniseren en aldus de interne markt verder voltooien.

De sector omvat cultuur en haar digitale distributiekanalen. Cultuur heeft te maken met de geschiedenis van een land, met zijn taal, zijn tradities, zijn strevingen, en is daarom een zeer speciaal en uiterst gevoelig liggend onderwerp. De sector kan dan ook niet als een klassieke economische sector en zelfs niet als een traditionele sector van algemeen economisch belang worden behandeld. De aanpak die de Commissie in haar groenboek voorstelt lijkt te veel gericht op de consument. Haar analyse van de verschillende mechanismen is echter grondig en zo goed als uitputtend.

3.2   In de uiterst compacte tekst kaart zij allerlei uiteenlopende onderwerpen aan, maar haar prioriteit is de totstandbrenging van een interne markt voor de sector.

3.3   Wat audiovisuele uitzendingen en de bijbehorende rechten betreft gaat de Commissie uit van een aantal observaties.

Ten eerste werkt het huidige systeem in haar ogen niet: het is complex en kost de eindgebruiker veel geld. Ten tweede zou aggregatie van nationale producties volgens haar de commerciële levensvatbaarheid van de markt in haar geheel kunnen verhogen. Voor VoD-systemen die onafhankelijk zijn van de grote toegangaanbieders of van iTunes is het moeilijk om exclusieve territoriale of Europese rechten te verkrijgen voor de betrokken werken; deze rechten zijn vaak in handen van de producenten, die via andere kanalen (vooral dvd-verkoop) zoveel mogelijk winst proberen te maken.

3.4   Naar een centraal licentiebeheer (middelen en informatiebronnen bundelen om de sector te ontwikkelen).

De Commissie stelt voor om online rechten voor grensoverschrijdende diensten te verhandelen en pleit voor de invoering van een uniform model waarbij licenties worden verleend die voor verschillende gebieden gelden.

Voor bepaalde taalgebieden kan dat een oplossing zijn.

3.5   Door de vele verspreidingskanalen, de vele interactieve ontvangers en de mobiliteit van de klanten staan de economische modellen van de distributienetwerken onder grote druk.

3.6   De toekenning van vergunningen en licenties is heden ten dage vooral een zaak van de lidstaten, waarbij de producenten van een werk en de onlineverspreiders ervan contractuele verbintenissen aangaan. Het door de Commissie voorgestelde systeem heeft onmiskenbaar voordelen, vooral wat de snelle en eenvoudige toegang tot door producenten geleverde gegevens betreft. Het kan nationale werken, die anders binnen de landsgrenzen zouden blijven, een bredere verspreiding geven.

3.7   Het is niettemin wel zo dat de omzetting van de richtlijn inzake satellietuitzendingen vijftien jaar geleden niet heeft geleid tot pan-Europese diensten voor dergelijke uitzendingen.

3.8   Aan de invoering van een Europees register voor werken kunnen moeilijk in te schatten risico's kleven.

Een dergelijke database zou een louter informatief karakter moeten hebben.

Registratie zou zeker geen voorwaarde mogen zijn voor de bescherming van auteursrechten.

3.9   Een dergelijk Europees register zou de Europese krachten op het gebied van productie en verspreiding bundelen, zodat Europa de concurrentiestrijd aankan met grote Hollywoodstudio's, die bezig zijn zich op de Europese markt te organiseren.

Interessant in dit verband is bovendien dat juist die grote Amerikaanse studio's (zoals Warner Bros en Disney) momenteel werken aan een internationaal systeem (Entertainment Identifier Registry) waarbij audiovisuele werken een uniek identificatienummer krijgen.

3.10   En Franse producenten ontwikkelen sinds 2004 het ISAN-systeem (ISAN = International Standard Audiovisual Number). De hierboven genoemde cijfers over de productie van Europese en Amerikaanse films zijn verontrustend. Bioscoopbezoekers in Europa gaan in 75% van de gevallen naar een Amerikaanse film. De manier waarop zo'n systeem wordt beheerd is dus van essentieel belang.

3.11   Zoals bekend leggen producenten tijdens de onderhandelingen met verspreiders van audiovisueel werk contractueel vast welke vaste bedragen moeten worden uitbetaald aan auteurs en rechthebbenden. Ook garanderen zij dat deze bedragen daadwerkelijk worden uitgekeerd. Door middel van een centraal beheerd systeem kan het probleem van de vergoeding van rechthebbenden gedeeltelijk worden verholpen. Het aantrekkelijke idee van een vergoeding die is gebaseerd op het aantal keren dat een werk gedurende een groot aantal jaren is bekeken of beluisterd lijkt echter moeilijk realiseerbaar.

3.12   Er is sprake van een belangenconflict tussen producenten, filmdistributeurs en medewerkers. Producenten willen dat hun films eerst in de bioscoop komen omdat dat de best mogelijke reclame ervoor is. Distributeurs willen op hun beurt dat films sneller voor hen beschikbaar komen, zodat zij ze als video, via betaaltelevisie of via video on demand kunnen aanbieden.

3.13   Gezien de toenemende invloed van IPTV, ADSL en digitale platforms moet volgens het EESC onderhandeld worden over een betere afstemming van deze termijnen. Het zou zeer interessant zijn om een systeem in te voeren voor inventarisatie van oudere werken waarop geen exclusieve rechten meer rusten, gekoppeld aan een database van rechthebbenden.

3.14   De Commissie zet dus in op een collectief beheer van de werken (database) om de sector te stimuleren. Zal de EU in staat zijn om de machtige Amerikaanse multinationals het hoofd te bieden? Het is zonder meer riskant om de huidige nationale systemen abrupt de rug toe te keren.

3.15   Voordat de huidige nationale systemen worden vervangen of verzwakt moet volgens het EESC eerst goed worden nagedacht. Zoals gezegd zijn de lobbyisten die de belangen van Amerikaanse maatschappijen behartigen zeer effectief, en uiteraard dringen zij aan op de liberalisering van deze uiterst winstgevende sector.

3.16   Met haar voorstel wil de Commissie de verspreiding van de werken in kwestie uitbreiden en reguleren. De technische en regulatorische signalen die de Commissie afgeeft zijn dan ook belangrijk, omdat ze vaart kunnen zetten achter een al door anderen in gang gezette liberalisering.

3.17   Het EESC steunt onomwonden elke maatregel van de Commissie waardoor de burger gemakkelijker toegang krijgt tot online werken. Deze toegang zou in de hele EU en tegen betaalbare prijzen mogelijk moeten zijn. Een en ander zou de verspreiding van de cultuur van de lidstaten ten goede komen en in Europa beter onderwijs aan jongeren mogelijk maken. Verder kunnen bepaalde vormen van "versioning", zoals het invoegen van reclame in werken die in hun oorspronkelijke opzet reclamevrij waren, indruisen tegen de culturele bedoelingen van de onlinedistributie, ook al zouden deze verminkte versies gratis of voor een zeer geringe prijs gedistribueerd kunnen worden. Deze overwegingen zouden kunnen worden opgenomen in een vrijwillige kwaliteitscode voor distributeurs van werken via internet, de kabel of de ether, die zichzelf aldus zouden verplichten tot het grootst mogelijke respect voor originele werken.

3.18   In zijn advies over de Commissiemededeling "Een eengemaakte markt voor intellectuele-eigendomsrechten" (18) wijst het EESC op de grote verscheidenheid van nationale modellen en de onderling strijdige manieren waarop de auteursrechten op cultureel gebied worden geregeld. In het besef dat de discussie hierover nog niet helemaal is afgerond denkt het EESC daarom dat allereerst de principes van een Europese code zouden moeten worden vastgesteld. In eerste instantie zouden in deze code, waarvoor als uitgangspunt het respect voor de culturele eigenheid van elk land dient te gelden, alleen de eenvoudige, essentiële principes moeten worden gedefinieerd waar elk land zich bij de toekenning van licenties hoort te houden.

3.19   Het verdient geen aanbeveling om het land-van-oorsprong-beginsel een bredere toepassing te geven, aangezien dienstverlenende bedrijven dit – op zichzelf goede – beginsel kunnen omzeilen door zich in het land van hun keuze te vestigen. De Commissie heeft ook een aantal projecten en raadplegingen op touw gezet om ervoor te zorgen dat netbeheerders investeren in nieuwe netten die het verkeer aankunnen en daarbij een goede en betaalbare kwaliteit leveren.

3.20   In het groenboek stelt de Commissie dat een collectief beheer van rechten tot een snellere groei van digitale netwerken zal leiden. Wel is er eerst antwoord nodig op de vraag of de netbeheerders financieel in staat zijn om moderniseringen door te voeren en hun distributiecapaciteit uit te breiden. Het EESC-advies "Het open internet en netneutraliteit in Europa (19)" biedt een goede onderbouwing voor bepaalde opmerkingen van de Commissie in het groenboek.

3.21   De rechten voor de gelijktijdige doorgifte uit andere lidstaten moeten krachtens de "Satelliet- en kabelrichtlijn" door een auteursrechtenmaatschappij worden beheerd. Deze rechten komen bij de rechten die rechtstreeks met de omroepen zelf worden vereffend. Deze dubbele procedure mag omslachtig lijken, maar is nodig om onderbrekingen van programma's te voorkomen (gebruik van dragers die al voor andere uitzendingen worden aangewend).

3.22   Volgens de Commissie zijn nationale financieringssystemen essentieel voor de ontwikkeling van de audiovisuele sector. Zij steunt het programma MEDIA, dat is opgericht om de verspreiding van audiovisuele werken over meerdere landen een impuls te geven. Het EESC is het eens met de Commissie, maar ziet tegelijkertijd dat de subsidies afnemen en dat financiers van films al hun krachten bundelen.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Recente zaken: Padawan en SABAM

(2)  PB C 228, 22.9.2009, blz. 52

(3)  Zaak SABAM v. Scarlet.

(4)  COM(2007) 242 final.

(5)  PB C 376 van 22.12.2012, blz. 66

(6)  "Multi-Territory Licensing of Audiovisual Works in the European Union", onafhankelijke studie voor DG Informatiemaatschappij en Media van de Europese Commissie, okt. Zie ook de mededeling "Creatieve online-inhoud in de interne markt", COM(2007) 836 final.

(7)  PB C 68, 6.3.2012, blz. 28.

(8)  28e regeling, ook al voorgesteld door het EESC met betrekking tot het Europese contractrecht, PB C 21, 21.01.11, blz. 26

(9)  Internettelevisie.

(10)  Video on demand.

(11)  Werk van producenten aan het internationale systeem om aan werken een identificatienummer toe te kennen (ISAN, International Standard Audiovisual Number). Maar ISAN is vrijwillig en bevat geen informatie over rechtenhouders. Een aantal grote Amerikaanse studio's werkt aan een soortgelijk systeem (EIDR, Entertainment Identifier Registry - eidr.org/how-eidr-works ), waarbij een code wordt toegewezen en ontwikkelaars API's krijgen; informatie over de rechtmatige eigenaars van de werken ontbreekt echter.

(12)  Bijvoorbeeld met het programma MEDIA, dat naar verwachting afloopt in 2013 en dan vervangen zou kunnen worden door een nieuw steunprogramma.

(13)  PB C 68, 6.3.2012, blz. 28.

(14)  Id.

(15)  Nationale instellingen die films, bibliotheken en culturele centra financieren.

(16)  COM(2011) 287 final.

(17)  Richtlijn 93/83/EEG (PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15).

(18)  PB C 68, 6.3.2012, blz. 28.

(19)  PB C 24 van 28.01.2012, blz. 139


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/74


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van verordening (EMIR) betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters

(COM(2011) 652 final — 2011/0296 (COD))

2012/C 143/14

Algemeen rapporteur: de heer IOZIA

De Raad en het Europees Parlement hebben op respectievelijk 25 november en 15 november 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de EU te raadplegen over het:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening [EMIR] betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters

COM(2011) 652 final - 2011/0296 (COD).

Het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 25 oktober 2011 de afdeling Interne markt, productie en consumptie belast met de voorbereidende werkzaamheden ter zake.

Gezien de urgente aard van de werkzaamheden heeft het Comité tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari) besloten de heer IOZIA als algemeen rapporteur aan te wijzen, en heeft het met 99 stemmen voor, bij 5 onthoudingen, onderstaand advies uitgebracht.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC stemt in met de door de Commissie voorgestelde verordening en hoopt dat deze snel zal worden goedgekeurd om spaarders doeltreffender te beschermen en de daarin vervatte beginselen toe te passen op alle financiële instrumenten (1).

1.2   Het EESC is van mening dat met het voorstel voor een verordening wordt tegemoet gekomen aan de volgende doelstellingen:

vergroten van de transparantie van de transacties en de melding van transactiegegevens aan de bevoegde autoriteiten;

verplichte handel in derivaten op georganiseerde platforms;

opheffing van belemmeringen voor niet-discriminerende toegang tot clearingfaciliteiten;

toezicht verruimen met betrekking tot financiële instrumenten en posities in derivaten;

controle op het verrichten van diensten door ondernemingen van derde landen zonder de vestiging van een bijkantoor in de EU;

controle op en verkleining van de impact van de methoden voor automatische en algoritmische handel.

1.3   De onderhavige verordening vergroot de markttransparantie en bevat enkele maatregelen die de fragmentatie tegengaan. Een uniforme toepassing van de regels vermijdt het risico – dat zeer groot is op de financiële markten – van regelgevingsarbitrage, en de eindgebruikers zullen gebaat zijn bij de verwachte daling van de transactiekosten (althans in theorie).

1.4   De Commissie zou in de wetgevingsvoorstellen die zij presenteert goed moeten benadrukken wat de voordelen zijn voor de verschillende partijen op wie de regels van toepassing zijn: individuele eindgebruikers van financiële diensten, kleine en middelgrote ondernemingen, exploitanten en de overheid.

1.5   Een algemene zaak waaraan de Commissie al haar steun zou moeten verlenen is een programma voor financiële educatie. Het EESC heeft dit idee onlangs in een initiatiefadvies opnieuw onder de aandacht gebracht (2).

1.6   Hoewel de kosten die voortvloeien uit de nieuwe verordening niet al te hoog lijken, zet het EESC vraagtekens bij de mogelijke impact op de macro-economische kosten voor het financieel stelsel, waarmee in de effectbeoordeling geen rekening lijkt te zijn gehouden. Met betrekking tot dit punt heeft het EESC al dikwijls geadviseerd "een grondig onderzoek in te stellen naar cumulatieve regelgevingsinitiatieven met het oog op de noodzakelijke maatregelen voor het financieel stelsel en de kapitaalmarkt. Een stabiele en doeltreffende regeling moet financiële stabiliteit en liquiditeit voor de reële economie in de hand werken" (3). Het EESC is ermee ingenomen dat de Commissie tot een dergelijk onderzoek heeft besloten, dat onontbeerlijk is om de totale impact van alle regelgevingsmaatregelen te begrijpen. Het hoopt dat de resultaten snel zullen worden gepubliceerd.

1.7   Het EESC wijst erop dat er een compatibiliteitsprobleem is tussen artikel 40 van de verordening (gedelegeerde handelingen) en artikel 290 VWEU. Het aantal, de inhoud en de bepalingen van de gedelegeerde handelingen stemmen niet overeen met wat in het Verdrag is voorzien, en plaatsen te veel thema's die van groot belang zijn voor de architectuur van de verordening, buiten het normale wetgevingsproces. Het EESC beveelt aan goed te bestuderen hoe artikel 40 en de betreffende bepaling uit het VWEU weer volledig op één lijn kunnen worden gebracht.

2.   De voorgestelde verordening

2.1   De financiële markten zijn de voorbije jaren ingrijpend veranderd. Nieuwe handelsplatformen en producten hebben hun intrede gedaan, en technologische ontwikkelingen zoals high frequency trading hebben het landschap herschapen.

2.2   De voorstellen zijn erop gericht de financiële markten efficiënter, veerkrachtiger en transparanter te maken én beleggers beter te beschermen. Met het nieuwe kader zullen de toezichthouders meer bevoegdheden krijgen en komen er duidelijke spelregels voor alle handelsactiviteiten.

2.3   Kernelementen van het voorstel

2.3.1

Robuustere en efficiëntere marktstructuren: De MiFID was al van toepassing op de multilaterale handelsfaciliteiten en gereglementeerde markten, maar met de herziening zal nu een nieuw type handelsplatform in het regelgevingskader ervan worden geïntroduceerd: de georganiseerde handelsfaciliteit (OTF). Dit zijn georganiseerde platforms die heden niet gereglementeerd zijn, maar een steeds belangrijkere rol spelen. Zo worden er op deze platforms steeds meer gestandaardiseerde derivatencontracten verhandeld. Met het nieuwe voorstel wordt dit hiaat gedicht. Met de herziene MiFID zullen verschillende bedrijfsmodellen mogelijk blijven maar zal ervoor worden gezorgd dat alle handelsplatformen aan dezelfde transparantieregels onderworpen zijn en dat belangenconflicten worden tegengegaan.

2.3.2

Aandacht voor technologische innovaties: Voorts zullen met de aangepaste MiFID nieuwe veiligheidsmechanismen worden geïntroduceerd voor algoritmische en hoogfrequente handelsactiviteiten die de snelheid waarmee wordt verhandeld ingrijpend hebben doen toenemen en systemische risico’s met zich mee kunnen brengen.

2.3.3

Deze mechanismen omvatten de vereiste dat alle algoritmische handelaren naar behoren worden gereglementeerd, voorzien in passende liquiditeit en regels waarmee moet worden vermeden dat handelaren de volatiliteit in de hand werken door zich op markten te begeven en zich kort daarna weer terug te trekken. Tot slot zullen de voorstellen betere mededingingsvoorwaarden in essentiële transactieverwerkende activiteiten als clearing met zich meebrengen. Zoniet kunnen deze de concurrentie tussen handelsplatformen belemmeren.

2.4   Versterkte transparantie: Dankzij de introductie van de OTF-categorie zullen de voorstellen de transparantie van handelsactiviteiten op de aandelenmarkten, waaronder ‘dark pools‧ (handelsvolumes of liquiditeiten die niet beschikbaar zijn op openbare platforms), ten goede komen. Vrijstellingen zouden enkel onder bepaalde omstandigheden worden toegestaan. De nieuwe faciliteit zal tevens voorzien in een nieuwe transparantieregeling voor de handel op niet-aandelenmarkten (bv. obligaties, gestructureerde financieringsproducten en derivaten). Dankzij de nieuwe vereisten om alle marktgegevens op één plaats samen te brengen, zullen beleggers bovendien zicht krijgen op alle handelsactiviteiten binnen de EU zodat zij een beter beredeneerde keuze kunnen maken.

2.5   Versterkte bevoegdheden voor toezicht en een strakker kader voor markten voor grondstoffenderivaten. De voorstellen zullen een versterkte rol en bevoegdheden voor toezichthouders betekenen. In overleg met de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en onder bepaalde omstandigheden zullen toezichthouders welbepaalde producten, diensten of praktijken mogen verbieden indien de belegger, de financiële stabiliteit of de ordelijke werking van de markten in gevaar komt.

2.6   Betere bescherming van de beleggers: De herziene MiFID bouwt voort op een uitgebreide reeks bestaande voorschriften en bevat strengere vereisten op het gebied van vermogensbeheer, beleggingsadvies en de verkoop van complexe financiële producten zoals gestructureerde producten. Om te vermijden dat belangenconflicten ontstaan, zal het voor onafhankelijke adviseurs en vermogensbeheerders verboden zijn betalingen aan derden te verrichten of van derden te ontvangen, of ander geldelijk voordeel te verwerven. Tot slot worden voor alle beleggingsondernemingen regels op het gebied van corporate governance en de verantwoordelijkheid van managers ingevoerd.

3.   Opmerkingen en overwegingen

3.1   Volgens gegevens van de Bank voor Internationale Betalingen is de nominale waarde van circulerende derivaten gestegen van 601 046 miljard dollar in december 2010 tot 707 569 miljard dollar in juni 2011 (BIS QuarterlyReview, december 2011).

3.2   Het nieuwe voorstel wil de efficiëntie, de integriteit en de transparantie van de markten verbeteren, met name van de minder gereglementeerde markten en dus de beleggers beter beschermen.

3.3   De laatste 20 jaar vond een explosieve toename plaats van wereldwijde transacties die de financiële markten met grote hoeveelheden liquiditeit voedden. Deze ongeziene groei, voornamelijk bepaald door kortetermijnspeculatie, hield geen gelijke tred met en werd niet gesteund door een overeenkomstige groei van de reële economie, de arbeidsmarkt en de lonen. Het EESC acht het verordeningsvoorstel nodig en geschikt om bij te dragen aan het beteugelen van zulke effecten op de markten.

3.4   Oorspronkelijk was het de taak van de financiële markten om de economische ontwikkeling te steunen door onevenwichtigheden in de informatie te beperken en zo een doelmatige toewijzing van de hulpbronnen te bevorderen. Zoals reeds opgemerkt, heeft de crisis een verkeerde werking van de markten aan het licht gebracht, waarin actoren reageerden op een andere logica dan die van de informatie-economie en de financiële markten uitsluitend voor speculatieve doeleinden op zeer korte en korte termijn gebruikten.

3.5   Onze markten zijn dus in zeer korte tijd overspoeld met liquiditeit en zijn gespeend gebleven van (en ontberen nog steeds) prikkels om de reële industrie, in plaats van de financiële, te begunstigen. Deze tendens ontwricht nog meer het natuurlijke verband tussen industrie en financiële markten, die met steeds ondoorzichtigere, abstractere en complexere instrumenten komen.

3.6   Speculatie behoort tot de marktlogica en is onlosmakelijk verbonden met de markt; ze garandeert liquiditeit en signaleert anomalieën. Daarentegen is speculatie op zeer korte termijn economisch en sociaal zinloos en draagt doorslaggevend bij aan het ontstaan van financiële zeepbellen. De huidige trend moet dringend omgebogen worden door de aandacht van de beleggers weer op reële groei te richten.

3.7   In dit kader biedt het verordeningsvoorstel zeker zinvolle maatregelen en instrumenten om aperte zwakheden en onevenwichtigheden in ons systeem het hoofd te bieden.

3.8   De nieuwe regelgeving voor effectenbeurzen onderwerpt alle onderhandelingsactiviteit aan explicietere voorschriften voor het functioneren. De diensten voor portefeuillebeheer, de advisering voor beleggen in effecten en het aanbod van financiële producten zijn aan strenge regels gebonden. De verwachte wettelijke bepalingen leggen nieuwe verplichtingen op in verband met de aansprakelijkheid van bestuurders en de herziening van de corporate governance. Dit zal van de tussenpersonen dus een flinke reorganisatie van hun bedrijfsvorm vergen. De verplichtingen die het nieuwe voorstel oplegt zijn volgens het EESC weliswaar zwaar, maar adequaat en strokend met de doelstellingen van de verordening.

3.9   Het verordeningsvoorstel introduceert systemen van georganiseerde handelsfaciliteiten (Organized Trading Facilities, OTF). Het EESC spreekt zich uit voor deze maatregel indien ze de integratie mogelijk maakt van verschillende handelssystemen waarvan verschillende tegenpartijen gebruikmaken. Dit systeem zal de markt in zijn geheel helpen om de kansen in kaart te brengen om diverse, met elkaar concurrerende, instrumenten te gebruiken, waarbij echter het beginsel van de optimale uitvoering moet gelden.

3.10   Het voorstel betreft bovendien de aan de toezichthouders toegekende speciale bevoegdheden inzake de verkoop aan cliënten van producten en diensten die de belangen van de beleggers ernstig kunnen schaden, alsook de stabiliteit van de markt.

3.11   Verder wordt het transparantiebeginsel niet alleen toegepast op de markten, maar ook op de toezichthouders. De bevoegde autoriteiten kunnen immers onderling informatie uitwisselen over de handel om eventueel en gevreesd marktmisbruik te vermijden. Het EESC juicht deze aspecten van het verordeningsvoorstel toe omdat het om belangrijke maatregelen gaat die de beleggers beter zullen beschermen.

3.12   Volgens gezaghebbende marktpartijen ‧is de nieuwe regelgeving van fundamenteel belang; zij zal de structuur van de Europese financiële markten veranderen." Er is bijvoorbeeld een intrinsiek systeemrisico waarmee rekening gehouden moet worden en dat in de recente financiële crisis aan het licht is getreden. Het faillissement van een bank kan de uitvoering van aangegane verplichtingen met otc-transacties op losse schroeven zetten en zich dus uitbreiden naar de tegenpartijen of andere instellingen. De nieuwe regelgeving beperkt het tegenpartijrisico van de otc-markt. Het verordeningsvoorstel zal een aanmerkelijke daling van het aantal onderhandse transacties tot gevolg hebben.

3.13   Een andere doelstelling van het voorstel waarover het EESC zeer te spreken is, is het streven naar het concentreren van gegevens over alle otc-transacties, en niet alleen de transacties met een centrale tegenpartij. De informatie zal beschikbaar worden gesteld aan de toezichthouders, die zo de markt doeltreffend in het oog kunnen houden. Momenteel is dit onmogelijk omdat de gegevens ontbreken. Maar voor deze aspecten schetst de verordening een open, niet vooraf gedefinieerde structuur. De exploitanten of de ESMA zullen bijvoorbeeld moeten besluiten welke types derivaten overgebracht worden naar een centrale tegenpartij. Daarom is het nu niet mogelijk om concreet te zeggen welk deel van de huidige handel deze weg zal volgen.

3.14   Een ander belangrijk aspect is dat de toekomstige Europese verordening geen aanwijzingen bevat over de opzet van de markt van de toekomstige centrale tegenpartijen. Het is dus mogelijk dat de bestaande structuren in de lidstaten zich uitbreiden, zoals de "Cassa di compensazione e garanzia" van de Italiaanse beurs, of dat er in Europa enkele grote organisaties ontstaan. Dit zijn slechts hypothesen, de verordening zwijgt hierover. Afgezien van de specifieke opzet daarvan is het niet overbodig er nog eens op te wijzen hoe belangrijk de aanpak van het risicobeheer is en de doeltreffendheid van de toezichtsregels om verdere desastreuze faillissementen te vermijden.

3.15   Voorts zou de standaardisering van de handel tot lagere kosten moeten leiden door deze onder te brengen bij centrale tegenpartijen. Concentratie zal dit effect ongetwijfeld hebben, maar er bestaat in dit verband geen zekerheid. Mits goed uitgevoerd zal de nieuwe verordening er wel toe leiden dat de risico's beter kunnen worden ingeschat, die kredietbemiddelaars in het recente verleden vaak onderschat hebben in hun zucht naar grotere volumes en kortetermijnwinst.

4.   Enkele punten van kritiek

4.1   Zorgwekkend is onder andere dat de uitvoeringskosten van deze verordening onderschat lijken en op een moment komen dat de financiële instellingen uit een oogpunt van regelgeving, rendement en kosten al onder druk staan. De financiële instellingen moeten efficiënt zijn en de economie steunen, maar ook een passend rendement behouden; de vrees bestaat dat deze kosten alleen op beleggers en cliënten kunnen worden afgewenteld. Het EESC meent dat gebruikers en ondernemingen, met name het mkb, in dat opzicht beschermd moeten worden.

4.2   Volgens de Commissie lopen de eenmalige nalevingskosten uiteen van 512 tot 732 miljoen euro, terwijl de permanente kosten 312 à 586 miljoen euro bedragen. Deze kosten lijken te zijn onderschat. De operationele kosten voor de oprichting van de technologische infrastructuur voor het toezicht op de vereisten in verband met de rapportage van gegevens zijn betwistbaar en dreigen alleen al het totale bedrag te overtreffen. Eindelijk heeft de Commissie een onderzoek gelast ter beoordeling van het totale effect van de gecumuleerde kosten ten gevolge van de nieuwe regelgeving, een zaak die het EESC al lang wenst en waar het al lang op aandringt. Om de gevolgen van de verordening voor termijnen en kosten ten volle te beseffen, moet het onderzoek op korte termijn worden voltooid en bekendgemaakt.

4.3   Als de algemene wijzigingen in de regelgeving de lasten blijven verzwaren en de financiële instellingen complexer blijven maken, zullen de instellingen belangrijke afwegingen gaan maken naar aanleiding van de vraag welke delen van hun bedrijfsvoering opgeheven moeten worden en of zij hun activiteiten naar een ander rechtsgebied moeten verplaatsen.

4.4   Terwijl velen zullen instemmen met het principe om risico's terug te dringen door meer transparantie, moeten we beter begrijpen wat de totale impact van de regelgeving is op het concurrentievermogen van Europa op de mondiale markt voor financiële diensten.

4.5   Onder verwijzing naar de grotere transparantie die uit de nieuwe regelgeving voortvloeit, is de vraag op zijn plaats wie er rechtstreeks en echt van de nieuwe maatregelen profiteren. Zeker zullen investeringsbanken en hedge funds van meer informatie de vruchten plukken, maar geldt dat ook voor de commerciële markten?

4.6   Het EESC vraagt zich af of de voor dark pools sterk prescriptieve regelgeving ook nadelig kan uitpakken voor de capaciteit van vermogensbeheermaatschappijen om optimaal te handelen voor rekening van de eigen cliënten (uiteindelijk kleine beleggers).

4.7   Eén van de doelstellingen van het verordeningsvoorstel is de financiële markten één te maken, te harmoniseren en te integreren. De kleine beleggers weten vaak maar weinig af van de financiële instrumenten die op de voor hen relevante markt beschikbaar zijn. Het EESC staat weliswaar achter de consolidatie van de verschillende handelsplatforms, maar tegelijkertijd beveelt het de Commissie aan haast te maken met programma's voor financiële educatie. Zonder degelijke voorbereiding en kennis bij de beleggers leidt de momenteel plaatsvindende harmonisatie misschien niet tot de verhoopte resultaten.

4.8   Een belangrijk gevolg van de nieuwe verordening is verder dat ze van toepassing is op meer activa-categorieën: het is de bedoeling dat ze tegelijk voor alle financiële instrumenten geldt, en niet alleen voor aandelen. De kern van deze verordening, te weten concurrerende handel op basis van clearing van genoteerde derivaten, heeft zeer belangrijke gevolgen voor de structuur van de markt. Sommige obligatiemarkten, die al op elektronische handelsplatforms actief zijn, komen waarschijnlijk het eerst in aanmerking voor een snelle ontwikkeling in dit verband.

4.9   Het voorstel voor een verordening vermeldt in artikel 40 een lange lijst met gedelegeerde handelingen die de Commissie kan vaststellen. De inhoud van deze handelingen is nogal ruim (om er maar enkele te noemen: vermelding van de bid-ask-noteringen, de soorten en omvang van de orders, de inhoud van de informatie die de gereglementeerde markten en investeringsmaatschappijen openbaar moeten maken voor elke categorie financieel instrument, enz.). Volgens het EESC is artikel 40 niet verenigbaar met artikel 290 VWEU, zoals gewijzigd en opgenomen in het Verdrag van Lissabon. In het Verdrag luidt het als volgt: "In een wetgevingshandeling kan aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling." Gezien de inhoud van het verordeningsvoorstel die gedelegeerd kan worden, meent het EESC dat het om essentiële, en niet om marginale onderdelen gaat. Daarom is het van oordeel dat de in artikel 40 vermelde lijst met gedelegeerde handelingen overbodig en veel te lang is en niet met het VWEU strookt.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 54 van 19.2.2011, blz. 44.

(2)  PB C 318 van 29.10.2011, blz. 24.

(3)  PB C 107 van 6 april 2011, blz. 21.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/78


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG

(COM(2011) 683 final — 2011/0307 (COD))

2012/C 143/15

Rapporteur: Paulo BARROS VALE

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 30 en 15 november 2011, op grond van de artt. 50 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG

COM(2011) 683 final – 2011/0307 (COD).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 februari 2012 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 232 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 11 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en conclusies

1.1

Het voorstel tot wijziging van de Transparantierichtlijn maakt deel uit van een groter pakket maatregelen, dat op inititiatief van de Commissie werd opgesteld met als doel de toegang tot financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen te verbeteren. Ook wordt gestreefd naar herstel van het vertrouwen van beleggers en wordt erop gewezen dat het publiceren van kwalitatief hoogstaande informatie van belang is voor de markt. Het onderhavige voorstel tot wijziging is gebaseerd op de aanbevelingen van een externe studie, die is uitgevoerd door adviesbureau Mazars, alsook op het tijdens een hoorzitting naar voren gebrachte standpunt van alle belanghebbenden. Daarnaast is ook uitgegaan van het verslag van de Commissie van mei 2010 en van een effectbeoordeling van alle aanwezige opties. Het EESC staat weliswaar achter de doelstellingen en de inhoud van dit voorstel, maar wenst hierbij toch enkele kanttekeningen te plaatsen.

1.2

De voorgestelde wijzigingen, die tot doel hebben de markt aantrekkelijker te maken voor kleine en middelgrote uitgevende instellingen, zullen op iedereen van toepassing zijn. Het is heel goed mogelijk dat de vereenvoudigingen de grootste impact zullen hebben op de grotere marktspelers, en niet op de eigenlijke doelgroep van de wijzigingen. Niet iedereen is ervan overtuigd dat de eisen van de Transparantierichtlijn de kleine en middelgrote uitgevende instellingen ervan weerhouden de markt te betreden, en daarom is het ook niet zeker dat deze vereenvoudigingen hen over de streep zullen trekken en van grote invloed zullen zijn op de aantrekkelijkheid van de markt voor kleine en middelgrote ondernemingen. Toch zullen deze vereenvoudigingen, aangezien zij volgens de belanghebbenden de geloofwaardigheid van de markt noch de bescherming van de belegger in gevaar brengen, uiteindelijk wel enige economische impact hebben op kleine en middelgrote ondernemingen, ook al kan het gebeuren dat de impact op grote ondernemingen groter is, en zullen zij derhalve belangrijk zijn voor de ondernemingen die het meest representatief zijn voor het Europese bedrijfsleven.

1.3

De publicatie van kwartaalverslagen, waarmee in 2004 werd begonnen, heeft flink wat stof doen opwaaien. Er was veel verzet tegen en ook het EESC was hier destijds geen groot voorstander van. De negatieve gevolgen waarvoor destijds werd gewaarschuwd (toename van de kwantiteit en niet van de kwaliteit van de informatie; hoge financiële en opportuniteitskosten; een strategische langetermijnvisie die plaats maakt voor een kortetermijnvisie omdat de markt resultaten wil zien) hebben zich inderdaad voorgedaan. De druk om kortetermijnresultaten te laten zien kan zelfs worden beschouwd als een factor die mede verantwoordelijk is voor de huidige crisis; de financiële sector stond immers onder druk om elk kwartaal nóg betere resultaten te presenteren. Aangezien de vereiste en gewenste transparantie hier niet in het geding is, omdat de bekendmaking van belangrijke informatie is vastgelegd in de Richtlijn betreffende het prospectus en de Richtlijn marktmisbruik, is het EESC vóór het afschaffen van de verplichting om dergelijke verslagen te publiceren, zodat de markt kan bepalen hoeveel informatie noodzakelijk is.

1.4

Volgens sommigen zijn de opportuniteitskosten in belangrijke mate toe te schrijven aan het feit dat het opstellen van de kwartaalverslagen zo ingewikkeld is, of dat hiervoor specialisten terzake in de arm moeten worden genomen. Hoewel het niet zeker is dat de kosten aanzienlijk naar beneden zullen gaan met de invoering van de modellen van het Comité van Europese effectenregelgevers (EAEM), kan dit kleine en middelgrote ondernemingen wel geld besparen omdat er geen externe instanties meer moeten worden ingehuurd om een verslag op te stellen. Overigens is het moeilijk om in de modellen rekening te houden met alle mogelijke situaties, met als gevolg dat bepaalde informatie te simpel wordt weergegeven en andere, belangrijke informatie niet wordt vermeld omdat het model hiervoor geen ruimte laat.

1.5

De verruiming van de definitie van de financiële instrumenten waarvoor de bekendmakingseis geldt toont aan dat wordt gestreefd naar aanpassing van de regels aan de innovatieve ontwikkelingen op de markt. Met deze wijziging wordt de Transparantierichtlijn aangepast aan de maatregelen die reeds in het Verenigd Koninkrijk en in Portugal zijn genomen en die in andere EU-landen en in de rest van de wereld ophanden zijn. In Frankrijk werd een wetsvoorstel ter zake ingediend, dat het echter niet heeft gehaald. Wie vreest dat de markt wordt "overspoeld" met onnodige informatie, kan gerustgesteld worden door de ervaring die is opgedaan in de landen waar deze bekendmakingseis al geldt en veel belanghebbenden die zijn geraadpleegd, verwijzen naar de lering die zij hebben getrokken uit de Engelse ervaringen.

1.6

Wat de ontwikkeling van een Europees opslagmechanisme voor gereglementeerde informatie betreft wijst het EESC erop dat de integratie van de bestaande nationale gegevens wel eens problemen zou kunnen opleveren omdat de technologie die in de verschillende nationale databanken wordt gebruikt, niet compatibel is. Hoewel diverse belanghebbenden overtuigd zijn van het nut van een dergelijk mechanisme, dat vooral beleggers en analisten van informatie voorziet, moet eerst worden nagegaan wat de kosten-batenverhouding is, zowel tijdens de opstart- als de werkingsfase. Dat neemt niet weg dat het een belangrijke maatregel is, die de interne markt ten goede komt.

1.7

Het EESC stelt voor om het toepassingsgebied van het bepaalde in artikel 6 van de richtlijn, betreffende de verplichting om informatie te verstrekken over betalingen aan regeringen, uit te breiden. Het belang van informatieverstrekking over betalingen aan regeringen door uitgevende instellingen die actief zijn in de winningsindustrie of de houtkap staat niet ter discussie, maar dit artikel zou wat ruimer mogen worden geformuleerd zodat het ook van toepassing is op aan particulieren verleende concessies (zuivere concessies of publiek-private partnerschappen) voor diensten van algemeen belang in de vervoer-, telecommunicatie- en energiesector en in de spelindustrie. Per land en per project zouden alle transacties met overheidsinstanties moeten worden gemeld. Het doel van deze maatregel is de regeringen te wijzen op hun verantwoordingsplicht ten aanzien van het gebruik van de ontvangen middelen, maar behalve voor de activiteiten die in deze richtlijn worden genoemd geldt dat ook voor een reeks andere winnings- en infrastructurele activiteiten van een land.

1.8

Het EESC is er voorstander van dat er niet alleen maximumbedragen worden vastgelegd voor de geldboetes, maar ook minimumbedragen, om te voorkomen dat bepaalde onrechtmatige handelingen onbestraft blijven of de boetes geen afschrikkend effect hebben of zelfs niet als straf worden ervaren, en tegelijkertijd het optreden van de lidstaten in dezen te harmoniseren.

1.9

Gezien de huidige stand van zaken is het weinig waarschijnlijk dat de vraag op korte termijn zal aantrekken, maar er moet toch worden gewezen op de mogelijkheid dat het voorstel tot wijziging van het bepaalde in de Transparantierichtlijn en andere voorstellen om de aantrekkelijkheid van de markt te vergroten kunnen leiden tot een stijging van het aantal transacties waarvan de impact op de werking van de markt nog niet is bestudeerd. Ook kan het feit dat kleine en middelgrote ondernemingen zichtbaarder en aantrekkelijker worden voor beleggers, het gebrek aan kennis bij de consument aan het licht brengen, waardoor deze niet in staat is de beschikbare informatie op waarde te schatten en, bijgevolg, bewust een besluit te nemen.

2.   Achtergrond van het voorstel

2.1

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 33 van de Transparantierichtlijn (Richtlijn 2004/109/EG (1)) heeft de Europese Commissie een verslag uitgebracht over de toepassing van deze richtlijn tijdens de looptijd ervan. Uit dit verslag blijkt dat de transparantievoorschriften van de richtlijn door de meerderheid van de belanghebbenden nuttig worden geacht voor het goed en efficiënt functioneren van de markt.

2.2

Dit voorstel tot wijziging van de Transparantierichtlijn gaat uit van het feit dat verbetering van de regelgevingsomgeving voor kleine en middelgrote uitgevende instellingen en hun toegang tot kapitaal een politieke prioriteit van de Commissie is. Doel is de voor beursgenoteerde kleine en middelgrote bedrijven geldende verplichtingen evenrediger te maken en tegelijkertijd eenzelfde niveau van beleggersbescherming te bieden. Het voorstel tot wijziging beoogt de financiële stabiliteit te versterken door te zorgen voor de transparantie van belangrijke economische acquisities en beleggersvertrouwen en door tevens meer nadruk te leggen op de langetermijnresultaten. Bovendien is het verbeteren van de toegang tot gereglementeerde informatie op Unieniveau erop gericht de functionele integratie van de Europese effectenmarkten te verhogen en voor een betere grensoverschrijdende zichtbaarheid van beursgenoteerde kleine en middelgrote ondernemingen te zorgen.

2.3

Het onderhavige voorstel is gebaseerd op een externe studie, uitgevoerd door adviesbureau Mazars. Deze studie bevat kwantitatieve en kwalitatieve informatie die de Commissie heeft gebruikt voor het verslag dat zij conform artikel 33 moest overleggen aan het Europees Parlement en aan de Raad. Voor het verslag van de Commissie is ook gebruik gemaakt van verslagen die op dit gebied zijn gepubliceerd door het Comité van Europese effectenregelgevers (EAEM) en door de Europese deskundigengroep voor effectenmarkten (ESME).

2.4

Op twee gebieden is werk aan de winkel: de richtlijn gaat uit van minimale harmonisatie, wat betekent dat de lidstaten restrictievere maatregelen kunnen nemen, waardoor problemen ontstaan met de toepasselijkheid en de kosten de hoogte in gaan. Daarnaast ontbreekt het aan soepelere maatregelen voor kleine en middelgrote ondernemingen, die zich daardoor vermoedelijk niet snel op de markt zullen begeven. Voorts wordt verzocht om verduidelijking van een aantal definities uit de richtlijn en meer samenhang en duidelijkheid bij het gebruik van bepaalde termen die min of meer hetzelfde betekenen. Ten slotte wordt erop gewezen dat de bekendmakingsregels aan verbetering toe zijn.

2.5

Na de impact van de verschillende opties te hebben bestudeerd, heeft de Commissie de volgende keuzes gemaakt.

2.5.1

Om de frequentie en timing van de publicatie van periodieke financiële informatie flexibeler te maken, in het bijzonder voor kleine en middelgrote uitgevende instellingen, wordt besloten dat beursgenoteerde vennootschappen niet langer verplicht zullen zijn elk kwartaal financiële verslagen uit te brengen. Hoewel het de bedoeling is de zaken te vereenvoudigen voor de kleine en middelgrote bedrijven, wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende doelgroepen; de Commissie wil vermijden met twee maten te meten omdat dat verwarrend zou zijn voor de beleggers. Het valt te hopen dat met deze maatregelen de kosten kunnen worden teruggedrongen en dat met de afschaffing van de verplichting om elk kwartaal resultaten te presenteren de druk van de ketel wordt gehaald, zodat meer naar de langetermijnresultaten zal worden gekeken. De bescherming van de investeerders is niet in het geding, aangezien de bepalingen van de Richtlijn betreffende het prospectus en de Richtlijn marktmisbruik van toepassing blijven en het verplicht blijft de markt informatie te verschaffen over belangrijke gebeurtenissen en feiten die van invloed zouden kunnen zijn op de prijs van de effecten.

2.5.2

Ook om de beschrijvende gedeelten van de financiële verslagen voor kleine en middelgrote uitgevende instellingen te vereenvoudigen valt de Commissie terug op een oplossing die voor alle partijen geldt: de EAEM zal worden verzocht niet-bindende sjablonen op te stellen voor deze gedeelten. Het Comité hoopt dat hierdoor niet alleen de kosten worden beperkt, maar dat het ook gemakkelijker zal worden voor de investeerders om informatie te vergelijken en dat de zichtbaarheid van het mkb over de grenzen heen zal toenemen.

2.5.3

Om de lacunes in de vereisten voor bekendmaking van belangrijke deelnemingen waaraan stemrechten zijn verbonden, weg te werken, stelt de Commissie voor deze regeling uit te breiden naar alle instrumenten waarvan het effect vergelijkbaar is met dat van het bezit van aandelen en het recht op het verwerven van aandelen.

2.5.4

De bekendmakingseisen voor belangrijke deelnemingen moeten beter op elkaar worden afgestemd: daartoe stelt de Commissie voor de deelnemingen in de vorm van aandelen samen te voegen met de financiële instrumenten die toegang geven tot aandelen, waaronder de derivaten die aanleiding geven tot afwikkeling in contanten.

2.6

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen, die zowel betrekking hebben op vlottere toegang van het mkb tot de markt als op de verduidelijking van de tekst van de richtlijn.

2.6.1

Er wordt standaard een lidstaat van herkomst vastgesteld voor uitgevende instellingen uit derde landen die niet binnen drie maanden een lidstaat van herkomst hebben gekozen.

2.6.2

De eis om tussentijdse bestuursverklaringen en/of kwartaalverslagen te publiceren wordt afgeschaft.

2.6.3

De definitie van de financiële instrumenten waarvoor de bekendmakingseis geldt, wordt verbreed.

2.6.4

Om de regeling voor de bekendmaking van belangrijke deelnemingen te verbeteren worden de deelnemingen in de vorm van aandelen samengevoegd met de financiële instrumenten die toegang geven tot aandelen. Wel blijft het voor de lidstaten mogelijk om lagere nationale drempels vast te stellen voor bekendmaking van belangrijke deelnemingen dan die in de Transparantierichtlijn zijn vastgelegd, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke markt en wanneer dat nodig is om voldoende transparantie van de deelnemingen te garanderen.

2.6.5

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de ontwerpen van technische regelgevingsnormen van de EAEM aan te nemen; deze werden ontwikkeld om technische eisen vast te stellen met betrekking tot toegang tot gereglementeerde informatie op het niveau van de Unie, zodat makkelijker toegang wordt verkregen tot financiële informatie en niet in 27 verschillende nationale databanken hoeft te worden gezocht. Uiteindelijk doel is de ontwikkeling van een Europees opslagmechanisme voor gereglementeerde informatie.

2.6.6

Ondernemingen die zich bezig houden met de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen worden verplicht hun betalingen aan regeringen bekend te maken, hetzij op individueel hetzij op geconsolideerd niveau.

2.6.7

De bevoegde autoriteiten krijgen meer armslag bij het opleggen van sancties; wel moeten alle sancties of maatregelen die worden opgelegd voor overtredingen van de bepalingen worden gepubliceerd.

3.   Kanttekeningen bij het voorstel

3.1

Deze herziening van de Transparantierichtlijn is o.m. bedoeld om de gereglementeerde markten aantrekkelijker te maken voor kleine en middelgrote uitgevende instellingen. Dit is cruciaal voor de ontwikkeling en groei van de markt. De voorgestelde wijzigingen van de Transparantierichtlijn zijn een goede zaak: bepaalde procedures worden vereenvoudigd zonder dat wordt geraakt aan de kwaliteit van de informatie waar investeerders en marktanalysten zich op baseren. De vereenvoudigingen zullen ongetwijfeld een besparing betekenen voor alle beursgenoteerde ondernemingen, maar kunnen vooral het mkb voordeel opleveren.

3.2

Alle vereenvoudigingen ten spijt is en blijft dit een sector met eigen regels en een eigen terminologie, die voor de consument lastig te begrijpen zijn. De bescherming van de consument is echter een bijzonder belangrijk aspect dat in toekomstige maatregelen in aanmerking moet worden genomen: het mag dan ondoenbaar zijn alle burgers in te wijden in de geheimen van de sector, de consument moet wel worden beschermd tegen technisch jargon. De toezichthoudende autoriteiten en de overheid moeten daarom voor de nodige voorlichting en informatie zorgen.

3.3

Het voorstel om sjablonen voor de beschrijvende inhoud uit te werken is in dit verband een goede zaak, omdat de gegevens daardoor inzichtelijker zullen worden en beter zullen kunnen worden vergeleken. Het opstellen van dergelijke modellen is echter geen sinecure. Enerzijds dreigt het gevaar van al te ver doorgedreven vereenvoudiging, anderzijds is het noodzakelijk alle mogelijke situaties in aanmerking te nemen. Toch zal m.n. het mkb met deze maatregel kosten kunnen besparen, en zal het voor de consument makkelijker worden informatie te doorgronden.

3.4

Er kan niet genoeg op worden gehamerd hoe belangrijk het is dat de verplichting om kwartaalverslagen te publiceren wordt afgeschaft. Op dit moment overheerst op de markt het kortetermijndenken, iets waar deze verplichting in ruime mate mede debet aan is; duurzame ontwikkeling van de markt is alleen mogelijk als hieraan een einde komt. Enkel een langetermijnvisie kan de deur openzetten naar innovatie, die een sleutelrol speelt in het streven naar duurzame en inclusieve groei, twee prioriteiten uit de Europa 2020-strategie.

3.5

Centraal in de wijzigingen van de Transparantierichtlijn staat de verbreding van de definitie van financiële instrumenten waarvoor de bekendmakingseis geldt. Met de financiële innovatie hebben nieuwe soorten financiële instrumenten het licht gezien; een en ander vereist een transparant rechtskader. Het valt te hopen dat met deze wijzigingen de lacunes in de vereisten voor bekendmaking van belangrijke deelnemingen waaraan stemrechten zijn verbonden en in de bekendmakingseisen voor belangrijke deelnemingen, zullen worden opgevuld, zodat er een einde komt aan de geheime opbouw van belangen en de bekendmaking van grootschalige deelnemingen zonder enige waarschuwing vooraf.

3.6

De instelling van één Europees opslagmechanisme waarin de gereglementeerde informatie op het niveau van de Unie wordt opgeslagen is een ambitieuze doelstelling die zeker niet op de lange baan mag worden geschoven. Een dergelijk mechanisme is ongetwijfeld van groot belang voor de verdieping van de interne markt; wel moet rekening worden gehouden met de kosten-batenverhouding, zowel tijdens de opstart- als de werkingsfase.

3.7

Voortaan zullen uitgevende instellingen die actief zijn in de winningsindustrie hun betalingen aan de regeringen van de desbetreffende landen bekend moeten maken. De Commissie tracht met dit vernieuwende voorstel de transparantie te vergroten door aan te tonen welke financiële impact ondernemingen hebben op de landen waar zij actief zijn. Het Comité meent echter dat de Commissie nog verder zou kunnen gaan, en de verplichting zou kunnen invoeren om ook de cijfers bekend te maken die verband houden met activiteiten van algemeen belang die aan privéondernemingen zijn gegund. Vooral met concessies in de vervoer-, telecommunicatie- en energiesector, en zelfs in de spelindustrie, zijn aanzienlijke bedragen gemoeid.

3.8

Voorts worden in het voorstel de sanctioneringsbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten versterkt en worden nieuwe mogelijkheden ingevoerd, zoals het recht om de uitoefening van stemrecht op te schorten. Ook wordt bepaald dat sancties moeten worden gepubliceerd. Het Comité wijst erop dat wel maximumbedragen worden vastgelegd voor de geldboetes, maar geen minimumbedragen, terwijl deze juist een sterk ontradend effect zouden kunnen hebben.

3.9

De vereenvoudiging van de regels zou de markt aantrekkelijker maken en zo kunnen leiden tot een verhoging van het aantal transacties. Het is evenwel niet duidelijk wat daarvan het effect zou zijn op het normale functioneren van de beurzen en de regelgevende instanties, die moeten kunnen inspelen op een plotselinge stijging van het aantal transacties.

3.10

Hoewel deze kwestie niet direct verband houdt met de Transparantierichtlijn wil het Comité hier toch verwijzen naar een van de grote struikelblokken voor de uitbreiding van de markt, te weten de hoge kosten die de effectenbeurzen aanrekenen. Zowel de kosten van een beursnotering als de jaarlijkse kosten die voortvloeien uit de aanwezigheid op de markt zijn zeer hoog, waardoor bedrijven zich niet zo snel op de markt zullen wagen; maatregelen op dit gebied kunnen bedrijven er dan ook toe aanzetten een beursnotering aan te vragen.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38-57; EESC-advies: PB C 80 van 30.3.2004, blz. 128.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/82


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006

(COM(2011) 607 final — 2011/0268 (COD))

2012/C 143/16

Rapporteur: de heer VERBOVEN

Corapporteur: de heer CABRA DE LUNA

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 27 oktober en 25 oktober 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het VWEU te raadplegen over het

"Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006"

COM(2011) 607 final – 2011/0268 (COD).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 25 januari 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari) onderstaand advies met 217 stemmen vóór en 5 tegen, bij 7 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De twee beginselen van solidariteit en economische, sociale en territoriale cohesie zijn verankerd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en behoren tot de belangrijkste pijlers voor de integratie van volkeren, burgers en regio's. Als belangrijkste Europees financieel instrument ter ondersteuning van de menselijke hulpbronnen zal het Europees Sociaal Fonds blijven bijdragen tot de economische, sociale en territoriale cohesie, conform artikel 162 van het VWEU.

1.2   Economische, sociale en territoriale samenhang moet centraal blijven staan in de Europa 2020-strategie. Alle actoren van het middenveld met inbegrip van het vrijwilligerswerk worden erkend als een belangrijke factor voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, zoals de Raad heeft bevestigd in zijn conclusies van 3 oktober 2011 (1).

1.3   Overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag moet de uitvoering van de door het ESF gefinancierde prioriteiten bijdragen aan de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, alsook aan de naleving van de verplichtingen in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ten aanzien van onder meer onderwijs, werkgelegenheid en toegankelijkheid.

1.4   Het Europees Sociaal Fonds moet het instrument bij uitstek zijn voor de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, met name op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs, sociale inclusie en de strijd tegen armoede. Het fonds moet het beleid ondersteunen dat door de lidstaten wordt gevoerd in het kader van de geïntegreerde richtsnoeren en de nationale hervormingsprogramma's (NHP's). Het EESC is van mening dat de NHP's onder meer doelstellingen moeten bevatten inzake de sociale inclusie van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen zoals jongeren, vrouwen, migranten, langdurig werklozen, ouderen, personen met een handicap (om te verzekeren dat de NHP's voldoen aan de verplichtingen in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap) en etnische minderheden. De NHP's moeten ook doelstellingen bevatten voor het halen van het Europa 2020-hoofddoel om het aantal armen tegen 2020 met 20 miljoen te verminderen.

1.5   Het bevorderen van de werkgelegenheid en sociale inclusie (m.n. via werk), in het bijzonder voor de meest kwetsbare groepen zoals jongeren, vrouwen, migranten, langdurig werklozen, ouderen, gehandicapten en etnische minderheden, is in alle regio's van de EU de eerste prioriteit van het ESF en moet dat ook blijven. In elke lidstaat moet ten minste 40 % van de totale ESF-middelen worden toegewezen aan de thematische doelstelling "bevordering van de werkgelegenheid en ondersteuning van de arbeidsmobiliteit".

1.6   Het EESC juicht toe dat de nadruk ligt op sociale innovatie en de mogelijkheden om steun te verlenen aan projecten die verband houden met de sociale economie, sociaal ondernemerschap en sociale ondernemingen.

1.7   De verhoging van de investeringen in infrastructuur, regionaal concurrentievermogen en de ontwikkeling van bedrijven moet gepaard gaan met maatregelen voor duurzame werkgelegenheid in het kader van beleidsmaatregelen voor de arbeidsmarkt, onderwijs en opleiding, sociale inclusie, het aanpassingsvermogen van werknemers, ondernemingen en ondernemers, en de administratieve capaciteit.

1.8   De Europese werkgelegenheidsstrategie en de Europese beleidsmaatregelen betreffende sociale inclusie moeten opnieuw bovenaan op de prioriteitenagenda van de EU komen te staan en er moeten meer middelen worden vrijgemaakt voor het creëren van nieuwe en betere banen.

1.9   Het gemeenschappelijk strategisch kader weerspiegelt volgens het EESC de investeringsprioriteiten die voortvloeien uit de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Dat kader beschrijft alle voordelen van een meer open en toegankelijke arbeidsmarkt, in het bijzonder voor groepen die het slechtst geplaatst zijn op de arbeidsmarkt (jongeren, vrouwen, migranten, langdurig werklozen, ouderen, personen met een handicap, etnische minderheden, enz.).

1.10   Het EESC onderschrijft de bijdrage van het ESF aan andere prioriteiten van de Europa 2020-strategie – onderzoek en innovatie, de toegang tot en het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën, de verbetering van het concurrentievermogen van het mkb, de bescherming van het milieu, de omschakeling naar een koolstofarme economie en het duurzame gebruik van middelen.

1.11   Het EESC staat achter de thematische concentratie en de complementariteit met de bestaande financiële instrumenten om voldoende impact en zichtbaarheid te bewerkstelligen.

1.12   Het EESC onderschrijft de doelstelling dat ten minste 20 % van de totale ESF-middelen in elke lidstaat wordt toegewezen aan de thematische doelstelling "bevordering van sociale inclusie en bestrijding van armoede", die gericht is op de integratie van de burgers die op de arbeidsmarkt het slechtst geplaatst zijn.

1.13   Het partnerschapsbeginsel, dat verwijst naar betrokkenheid van de economische en sociale partners en de maatschappelijke organisaties, waaronder milieuorganisaties, ngo's, en verenigingen voor gelijke kansen en ter bestrijding van discriminatie, moet ervoor zorgen dat de maatregelen in het kader van de structuurfondsen en met name het ESF hun uitwerking niet missen.

1.14   De "Europese gedragscode voor de toepassing van het partnerschapsbeginsel" moet de rol van elke partner op de verschillende niveaus verduidelijken en definiëren, en duidelijk aangeven dat de sociale dialoog dan wel de exclusieve bevoegdheid van de sociale partners is, maar dat alle partners zoals erkend in artikel 5 van het voorstel voor een verordening houdende algemene bepalingen inzake de fondsen toegang moeten krijgen tot de verschillende uitvoeringsstadia van de fondsen (2), met inbegrip van de definitie en tenuitvoerlegging van de operationele programma's, en moeten kunnen beschikken over de middelen die nodig zijn voor hun participatie.

1.15   Het EESC is resoluut gekant tegen het voorstel van de Commissie om op grond van de naleving van het stabiliteits- of groeipact financiële sancties of stimulansen toe te passen op de structuurfondsen.

1.16   De structuurfondsen alleen volstaan niet om de crisis het hoofd te bieden. Europa heeft een ander soort economische governance nodig, waarbij verantwoordelijk bestuur centraal staat, groei en concurrentievermogen worden aangezwengeld, investeringen in menselijk kapitaal worden aangemoedigd en rechtvaardigheid, samenhang en de beginselen van solidariteit en sociale integratie voorop worden gesteld. De EU-begroting moet op basis van deze beginselen worden hervormd.

1.17   Het budget voor het ESF moet ten minste even hoog blijven als tijdens de laatste programmeringsperiode. Het fonds moet ook de participatie van de burgers, het maatschappelijk middenveld en het bewustzijn van de gemeenschappelijke Europese waarden ondersteunen.

2.   Context: de voorstellen voor het meerjarig financieel kader van de EU en het cohesiebeleid 2014-2020

2.1   Het nieuwe beleidskader voor het komende decennium, te weten de Europa 2020-strategie, is op 17 juni 2010 door de Europese Raad goedgekeurd.

2.2   Op 29 juni 2011 heeft de Commissie het voorstel voor "Een begroting voor Europa 2020" ingediend, met daarin de nieuwe financiële vooruitzichten van de EU voor de periode 2014-2020.

2.3   Op 6 oktober 2011 heeft de Commissie wetgevingsvoorstellen inzake de structuurfondsen, inclusief het Europees Sociaal Fonds, ingediend.

2.4   In het kader van die voorstellen werd een grootschalige raadpleging van het maatschappelijk middenveld en alle belanghebbenden gehouden. Deze raadpleging werd eind 2011 afgerond. In januari 2012 zal de Commissie het nieuwste pakket van voorstellen inzake het gemeenschappelijk strategisch kader voorleggen aan het Europees Parlement, de Raad, het Comité van de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité.

2.5   In verband met de toekomst van het ESF heeft het EESC op 15 maart 2011 een advies over "Het Europees Sociaal Fonds na 2013" (3) goedgekeurd. Er moet worden nagegaan of de belangrijkste punten zijn overgenomen in het voorstel voor de toekomstige ESF-verordening, waarop dit advies betrekking heeft.

2.6   De economische context: voor een juiste analyse van de nieuwe financiële vooruitzichten moet rekening worden gehouden met de algemene context van de uitdagingen van de globalisering, de demografische en migratietrends, en vooral de ernstige economische crisis, die de grondbeginselen van de Europa 2020-strategie radicaal heeft veranderd. De verhoging van investeringen in infrastructuur, regionaal concurrentievermogen en de ontwikkeling van bedrijven, met name van het mkb en de ondernemingen van de sociale economie, moet dan ook gepaard gaan met maatregelen voor duurzame werkgelegenheid in het kader van beleidsmaatregelen voor de arbeidsmarkt, onderwijs en opleiding, sociale inclusie, het aanpassingsvermogen van werknemers, ondernemingen en ondernemers.

2.7   De in wezen positieve doelstellingen en instrumenten van de Europa 2020-strategie moeten gerichter worden gemaakt en worden aangepast aan de nieuwe situatie. Dit moet gebeuren in het kader van een gereguleerde en inclusieve arbeidsmarkt, die Europese burgers, en dan vooral degenen die het minst betrokken zijn bij de arbeidsmarkt (jongeren, vrouwen, migranten, langdurig werklozen, ouderen, gehandicapten, etnische minderheden, enz.) uitzicht biedt op stabiel en hoogwaardig werk dat overeenstemt met de verworven vaardigheden.

2.8   Er valt nog heel wat te verbeteren aan de tenuitvoerlegging en de praktische aspecten van de toegang tot financiering van het ESF. Die verbeteringen hebben vooral tot doel de bureaucratische rompslomp voor en tijdens de tenuitvoerlegging van het operationele programma te verlichten; daartoe dienen de procedures voor de toegang tot de financiering flexibeler te worden, wat m.n. inhoudt dat sneller wordt uitbetaald, zodat de financiële kosten voor de programmaverantwoordelijken tot een minimum beperkt blijven; daarnaast moeten de procedures voor de facturering en de regularisering van rekeningen eenvoudiger worden gemaakt, onder meer door het principe van geharmoniseerde percentages ruimer, maar met het nodige realisme, te hanteren.

2.9   Het gemeenschappelijk strategisch kader weerspiegelt volgens het EESC de investeringsprioriteiten die voortvloeien uit de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Dat kader beschrijft alle voordelen van een meer open en toegankelijke arbeidsmarkt, in het bijzonder voor groepen die het slechtst geplaatst zijn op de arbeidsmarkt (jongeren, vrouwen, migranten, langdurig werklozen, ouderen, personen met een handicap, etnische minderheden, enz.). De globale subsidies zouden meer moeten worden benut om de toegang tot het fonds voor kleine ngo's te vergemakkelijken.

2.10   Het Europees Sociaal Fonds moet het instrument bij uitstek zijn voor de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, met name op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs, sociale inclusie en de strijd tegen armoede. Het fonds moet het beleid ondersteunen dat door de lidstaten worden nagestreefd in het kader van de geïntegreerde richtsnoeren en de nationale hervormingsprogramma's. Het EESC is van mening dat de NHP's onder meer doelstellingen moeten bevatten inzake de sociale inclusie van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen zoals jongeren, vrouwen, migranten, langdurig werklozen, ouderen, personen met een handicap (om te verzekeren dat de NHP's voldoen aan de verplichtingen in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap) en etnische minderheden. De NHP's moeten ook doelstellingen bevatten voor het halen van het Europa 2020-hoofddoel om het aantal armen tegen 2020 met 20 miljoen te verminderen.

2.11   Het Europees Sociaal Fonds moet de participatie van de burgers, het maatschappelijk middenveld en het bewustzijn van de gemeenschappelijke Europese waarden ondersteunen.

3.   Algemene opmerkingen over het voorstel voor de toekomstige verordening betreffende het ESF

3.1   De EU-begroting moet worden versterkt, met name voor de hoofdstukken die economische groei, sociale samenhang, innovatie (ook sociale innovatie) en duurzame ontwikkeling op regionaal en nationaal niveau ondersteunen.

3.2   Het EESC is van mening dat in het licht van het voorstel van de Commissie het totaalbedrag van de EU-begroting hoe dan ook zal worden verlaagd, ondanks de eventuele invoering van de belasting op financiële transacties en de verhoging van het Europees Sociaal Fonds.

3.3   Net als in de huidige programmeringsperiode zullen de regio's gedifferentieerde steun krijgen in functie van hun economische ontwikkeling. Dat ontwikkelingsniveau mag echter niet uitsluitend op basis van het bbp per inwoner worden berekend. Er moet ook rekening worden gehouden met andere criteria, zoals werkloosheid, werkgelegenheid en arbeidsparticipatie, bekwaamheidsniveaus, armoede, welvaart en sociale integratie, en schooluitval.

3.4   De invoering van de nieuwe categorie "overgangsregio's", met een gemiddeld bbp per inwoner tussen 75 % en 90 %, kan het EESC slechts aanvaarden als hierdoor de toegewezen middelen voor de categorie van minder ontwikkelde regio's niet dalen. De acties om de situatie van de meest kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt (langdurig werklozen, jongeren, vrouwen, migranten, ouderen, personen met een handicap en etnische minderheden) te verbeteren, moeten ongeacht het type regio gefinancierd kunnen worden.

3.5   De structuurfondsen zijn cruciaal om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de regio's en tussen de verschillende sociale groepen, en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen. Deze instrumenten passen binnen de strategie om de prioriteiten voor een "slimme, duurzame en inclusieve groei" in de lidstaten, regio's en gemeenten te verwezenlijken.

3.6   Het spreekt vanzelf dat in het licht van de huidige economische crisis de Europese strategie voor werkgelegenheid opnieuw bovenaan op de prioriteitenagenda van de EU moet staan en dat meer middelen moeten gaan naar het creëren van meer en betere banen.

3.7   Het Europees Sociaal Fonds is het instrument bij uitstek om de tenuitvoerlegging van het Europees sociaal beleid, met name op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs, sociale inclusie en de strijd tegen armoede, te ondersteunen en moet die prioritaire rol in het kader van de Europa 2020-strategie behouden.

3.8   Het ESF mag niet worden beperkt tot de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren binnen het huidige werkgelegenheidsbeleid. Ook moet de rol van het ESF bij de uitvoering van de sociale agenda (4) worden versterkt.

3.9   Het ESF moet tegelijkertijd het beleid ondersteunen dat door de lidstaten wordt nagestreefd in het kader van de nationale hervormingsprogramma's en bijdragen tot het bereiken van andere belangrijke prioriteiten van de Europa 2020-strategie zoals de versterking van de investeringen in onderzoek en innovatie, de vergroting van het concurrentievermogen van het mkb, de omschakeling naar een koolstofarme economie en het duurzame gebruik van middelen.

3.10   In deze bijzonder moeilijke tijden moet het ESF ook uitzonderlijk worden ingezet om de economische crisis te bestrijden en werknemers en de meest kansarme burgers tegen de gevolgen ervan te beschermen. Na de crisis zal het fonds zich ook op preventie moeten richten, zodat mensen zich met name zekerder gaan voelen en zich beter kunnen wapenen. Concreet moet het fonds – hopelijk tijdelijk – steun bieden aan langdurig werklozen, de burgers die het minst betrokken zijn bij de arbeidsmarkt (jongeren, vrouwen, migranten, ouderen, gehandicapten, etnische minderheden, enz.).

3.11   Daartoe zou het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering het ESF moeten aanvullen en op termijn eventueel erin opgaan, zodat meer nadruk op werkloosheid kan worden gelegd en de middelen gemakkelijker kunnen worden ingezet. Essentieel is ook dat dezelfde samenhang tussen de beginselen van beide fondsen wordt verzekerd, zeker wat het partnerschap en met name de deelname van de sociale partners aangaat.

3.12   Het EESC stelt voor om het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering te combineren met de deskundigheid van het Europees Sociaal Fonds op het vlak van sociale aangelegenheden met het oog op meer complementariteit en cohesie. Aangezien het ESF over de nodige kennis beschikt om aanvragen vrij snel te beoordelen, zou goedkeuring door de begrotingsautoriteiten na positief advies van het ESF slechts een formaliteit zijn.

3.13   Het EESC is er geen voorstander van om de bevoegdheid van dit Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering uit te breiden tot landbouwers door het grootste deel of zelfs het beheer van het fonds aan de landbouwsector toe te wijzen. Via het GLB en de "nieuwe reserve voor crisissen" in de landbouwsector moet de landbouw doeltreffender kunnen worden gesteund. Het EESC wil ook de garantie dat de middelen voor technische bijstand van het ESF beschikbaar en toegankelijk zullen blijven voor het maatschappelijk middenveld (technische bijstand wordt niet expliciet vermeld in de ESF-verordening).

3.14   Het partnerschapsbeginsel moet een sleutelrol spelen en verzekeren dat de maatregelen in het kader van de structuurfondsen van de EU correct werken. Dit partnerschapsbeginsel moet in de structuurfondsverordeningen duidelijk worden afgebakend; het volstaat niet te verwijzen naar de "huidige nationale voorschriften en gebruiken". Ook moet worden aangegeven wat de rol van elk van de partners op lokaal en regionaal niveau is. Het EESC pleit voor een specifieke erkenning van het maatschappelijk middenveld (overeenkomstig de Europa 2020-strategie) als initiatiefnemer van projecten die sociale inclusie bevorderen en armoede bestrijden.

4.   Specifieke opmerkingen en voorstellen bij de verschillende hoofdstukken

4.1   Algemene bepalingen

4.1.1

Het EESC steunt de thematische benadering op basis van de volgende vier thematische doelstellingen die worden omgezet in steunverleningscategorieën of investeringsprioriteiten:

bevordering van werkgelegenheid en arbeidsmobiliteit;

investering in onderwijs, vaardigheden en een leven lang leren;

bevordering van sociale inclusie en bestrijding van armoede;

vergroting van de institutionele capaciteit en bevordering van een efficiënte overheidsadministratie.

4.1.2

In elke lidstaat moet ten minste 40 % van de totale ESF-middelen worden toegewezen aan de thematische doelstelling "bevordering van de werkgelegenheid en ondersteuning van de arbeidsmobiliteit". Het EESC steunt het voorstel dat ten minste 20 % van alle ESF-middelen moet worden toegewezen aan de verwezenlijking van de thematische doelstelling "bevordering van sociale inclusie en de bestrijding van armoede" om via werkgelegenheid en opleidingen sociale inclusie te bevorderen, met name voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen (jongeren, vrouwen, migranten, ouderen, personen met een handicap, etnische minderheden, enz.), zodat het aantal armen tegen 2020 met ten minste 20 miljoen vermindert.

4.1.3

In het kader van de Europa 2020-strategie zijn en blijven de bevordering van werkgelegenheid, sociale inclusie en onderwijs de prioriteiten van het ESF.

4.1.4

Het ESF moet een ondersteuning vormen voor de territoriale pacten en plaatselijke initiatieven voor werkgelegenheid, sociale inclusie en onderwijs, met name via de bevordering van digitale inclusie, cultuur en creativiteit om de inzetbaarheid van de Europese burgers te verbeteren, inspraak van het maatschappelijk middenveld in de besluitvorming, steun aan de maatschappelijke organisaties en bewustmaking op het gebied van de gemeenschappelijke waarden van Europa.

4.1.5

Het EESC juicht toe dat de nadruk ligt op sociale innovatie en de mogelijkheden om steun te verlenen aan projecten die verband houden met de sociale economie, sociaal ondernemerschap en sociale ondernemingen.

4.1.6

Het EESC verwelkomt de bijdrage van het ESF aan de transnationale samenwerking om wederzijds leren te bevorderen en de doeltreffendheid van de door het ESF ondersteunde beleidsmaatregelen te verbeteren.

4.2   Specifieke bepalingen voor programmering en uitvoering – het partnerschapsbeginsel

4.2.1

Het partnerschapsbeginsel moet een sleutelrol spelen en verzekeren dat de maatregelen in het kader van de structuurfondsen van de EU correct werken.

4.2.2

Dit partnerschapsbeginsel moet in de structuurfondsverordeningen duidelijk worden afgebakend; het volstaat niet te verwijzen naar de "huidige nationale voorschriften en gebruiken". Ook moet worden aangegeven wat de rol van elk van de partners op lokaal en regionaal niveau is; het is zaak hiertoe de nodige middelen ter beschikking te stellen.

4.2.3

De "Europese gedragscode voor de toepassing van het partnerschapsbeginsel" moet de rol van elke partner op de verschillende niveaus verduidelijken en definiëren, en duidelijk aangeven dat de sociale dialoog dan wel de exclusieve bevoegdheid van de sociale partners is, maar dat alle partners zoals erkend in artikel 5 van het voorstel voor een verordening houdende algemene bepalingen inzake de fondsen toegang moeten krijgen tot de verschillende uitvoeringsstadia van de fondsen (5), met inbegrip van de definitie en tenuitvoerlegging van de operationele programma's, en moeten kunnen beschikken over de middelen die nodig zijn voor hun participatie.

4.2.4

De partners moeten van bij aanvang kunnen beschikken over middelen voor technische bijstand zodat ze een strategische bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling, uitvoering en monitoring van de structuurfondsenprogramma's. Technische bijstand is ook essentieel om vertegenwoordiging te verzekeren in de toezichtcomités die de operationele programma's op alle niveaus definiëren en uitvoeren, en te garanderen dat technische bijstand beschikbaar is voor potentiële initiatiefnemers.

4.2.5

De huidige werkwijze van het ESF-comité om de sociale partners samen met de lidstaten te raadplegen, kan een goede referentiebasis vormen voor een uitbreiding tot alle fondsen. Het EESC zou graag zien dat in ditzelfde platform ook mechanismen worden opgenomen voor de participatie van alle in artikel 5 van de Verordening houdende algemene bepalingen inzake de fondsen erkende partners.

4.2.6

De steun voor de deelname van de sociale partners en andere belanghebbenden, in het bijzonder niet-gouvernementele organisaties, aan door het ESF ondersteunde acties mag niet worden beperkt tot de armste regio's en/of de regio's die onder het Cohesiefonds vallen, maar moet net gelden voor alle lidstaten en regio's van de EU.

4.2.7

Het EESC is van mening dat 2 % van de totale ESF-middelen moet worden gebruikt ter bevordering van de deelname van de sociale partners aan de door het ESF ondersteunde acties; eveneens 2 % moet gaan naar de bevordering van de deelname van de andere in artikel 5 van de Verordening houdende algemene bepalingen inzake de fondsen erkende partners.

4.3   Specifieke bepalingen met betrekking tot procedures, prestaties en voorwaarden

4.3.1

Het EESC is het ermee eens dat de fondsen beter moeten worden gecoördineerd en dat de evaluatie, prestaties en resultaten van hun gebruik moeten verbeteren.

4.3.2

Het EESC steunt tevens alle maatregelen om de prioriteiten van de structuurfondsen te concentreren en bij te stellen, de administratieve obstakels en rompslomp te verminderen en de uitgaven en betalingen te bespoedigen.

4.3.3

Er moeten niet alleen prestatie-indicatoren worden ontwikkeld, er is ook een grote behoefte aan kwantitatieve en kwalitatieve criteria. Bij het beoordelen van de resultaten moet ook worden gekeken naar de doeltreffendheid van de genomen maatregelen, de kwaliteit van de gecreëerde banen en het aantal positieve maatregelen die zijn genomen om sociale integratie te bevorderen.

4.3.4

Het EESC heeft echter ernstige bedenkingen bij de mogelijkheid om de toewijzing van middelen overal aan de resultaten te koppelen. Bij een evaluatie van het werkgelegenheidsbeleid, en het sociale beleid in het algemeen, zijn de resultaten vaak moeilijker te meten en minder zichtbaar dan bij het vervoersbeleid bijvoorbeeld. Dat is met name het geval wanneer ze worden beperkt tot harde economische maatstaven ("hard results"), zoals banen. In plaats daarvan moeten aangepaste resultaten voor de moeilijkst te helpen groepen, zoals de afgelegde weg, en meer kwalitatieve resultaten ("soft outcomes"), met name vrijwilligerswerk, worden aangemoedigd. Als bovendien de toewijzing van middelen afhankelijk wordt gemaakt van resultaten, zullen zij die het zwakst staan op de arbeidsmarkt – en dus minder gemakkelijk "positieve" resultaten op korte termijn kunnen halen – weinig of geen toegang meer hebben tot die middelen. Om de resultaten van de mede door het ESF gefinancierde programma's te kunnen meten, moeten in de ESF-verordening "gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren betreffende de deelnemers" worden vastgelegd die rekening houden met deze moeilijkheden en complicaties.

4.3.5

De ESF-verordening moet bij de gemeenschappelijke outputindicatoren voor entiteiten het aantal in partnerschap ontwikkelde projecten vermelden en bij de gemeenschappelijke langeretermijn-resultaatindicatoren betreffende de deelnemers informatie verschaffen over de deelnemers die hun sociale afhankelijkheid hebben verminderd.

4.3.6

De voorwaarden voor de bestemming van Europese steun moeten zeker de nadruk leggen op specifieke en efficiënte doelstellingen, maar mogen de zwakste lidstaten niet benadelen, en ze moeten worden gedefinieerd om economische groei, toename van de werkgelegenheid en sociale cohesie te ondersteunen.

4.3.7

Het EESC is resoluut gekant tegen het voorstel van de Commissie om op grond van de naleving van het stabiliteits- of groeipact financiële sancties of stimulansen toe te passen op de structuurfondsen. Dergelijke sancties zouden de al zwakke lidstaten, regio's en gemeenten straffen.

4.3.8

Bovendien brengt het niet nakomen van macro-economische verbintenissen de nog onvoldoende ontwikkelde Europese solidariteit verder in gevaar. Dit leidt tot een verarming van de meest kwetsbare volkeren en sociale groepen van de Europese Unie en druist in tegen de basisbeginselen van het economische en sociale beleid en het in het Verdrag van Lissabon bevestigde cohesiebeleid.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  3114e vergadering van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken in Luxemburg, 3 oktober 2011, punt 12.

(2)  COM(2011) 615 final.

(3)  PB C 132 van 3-5-2011, blz. 8-14.

(4)  Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21e eeuw (COM(2008) 412 final).

(5)  COM(2011) 615 final.


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/88


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie

(COM(2011) 609 final — 2011/0270 (COD))

2012/C 143/17

Algemeen rapporteur: mevrouw BATUT

Het Europees Parlement en de Raad hebben op respectievelijk 25 oktober en 16 november 2011, op grond van art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

"Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie"

COM(2011) 609 final – 2011/0270 (COD).

Op 25 oktober 2011 besloot het bureau van het Comité de afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Burgerschap te belasten met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden. (Algemeen rapporteur was mevrouw BATUT).

Het EESC heeft, gelet op de urgente aard van deze werkzaamheden, tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 23 februari 2012) besloten mevrouw BATUT aan te wijzen als algemeen rapporteur, en heeft vervolgens onderstaand advies met 168 stemmen vóór en 2 tegen, bij 7 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC heeft zich reeds in een eerder advies gebogen over het begrip sociale innovatie, waarin het heeft gewezen op de vaagheid van dat begrip en de onzekerheid die daarvan het gevolg is (1). Wel heeft het de voordelen van innovatie op de arbeidsplaats erkend (2). Er zijn bovendien veel actoren die iedere dag aan "sociale innovatie" doen zonder het te weten, gewoon om dat ze hun werk goed doen.

1.2   Het EESC verzoekt de Commissie om de doelstellingen "sociale innovatie" en "sociale verandering" te definiëren in haar PSVI (3). Dit zijn experimentele begrippen. Zij mogen de nationale sociale stelsels of de arbeidswetgeving niet vervangen. Mensen aan het werk helpen is dan misschien goed voor het concurrentievermogen, maar de crisis mag geen voorwendsel zijn om systemische veranderingen door te voeren die van de uitzondering de regel maken.

1.3   Het EESC wenst dat in het onderhavige programma schriftelijke clausules worden opgenomen, om te waarborgen dat de maatregelen van sociale innovatie aanvullende elementen zijn die niet concurreren met de sociale rechten en de sociale stelsels van de lidstaten of met de rechtszekerheid die zij bieden aan hun leden.

1.4   Het EESC beveelt aan dat de Commissie haar ontwerp baseert op de doelstelling ‧onderlinge aanpassing van de sociale grondrechten op de weg van de vooruitgang‧ (4), om de onderlinge verschillen terug te dringen en aldus de mobiliteit te vergemakkelijken.

1.5   De Commissie zou volgens het EESC moeten uitleggen welke gevolgen worden verwacht van de synergie tussen het Progress-programma, Eures en de Microfinancieringsfaciliteit, welke banden er zijn met de Europese fondsen (met name het ESF en het EFSO (5)) en of hun beheersregels – waarvan de zichtbaarheid te wensen over laat – verenigbaar zijn.

1.6   Het EESC wenst dat de rol van de sociale partners en de ngo's duidelijk wordt vermeld in de drie pijlers van het PSVI.

1.7   Het EESC vraagt om een flexibiliteitsclausule op te nemen in het PSVI, zodat het na een tussentijdse evaluatie kan worden aangepast. In 2017 zal een tijdelijke balans worden opgemaakt van de sociale ontwikkelingen, die zal worden voorgelegd aan het Europees Parlement en voor advies aan de raadgevende comités en hun representatieve organisaties.

1.8   Indien de drie pijlers deel blijven uitmaken van één programma, dan zou de titel volgens het EESC moeten worden gewijzigd in "Programma ter ondersteuning van sociale vooruitgang, mobiliteit en inclusie".

1.9   Met betrekking tot het Progress-programma is het EESC van mening dat het zaak is:

in kaart te brengen welke soorten banen dankzij Progress in het leven zijn geroepen;

de verwezenlijkingen te publiceren en de positieve resultaten zichtbaarheid te geven en uitwisselbaar te maken, door hiervoor een onlinethesaurus op te zetten;

een definitie te geven van "sociale experimenten" en van het toepassingsgebied, de actoren, de acties en de potentiële begunstigden;

ervoor te zorgen dat projecten met een gender- en/of non-discriminatiedimensie in aanmerking blijven komen voor steun;

Progress niet meer hoofdzakelijk op administratieve analyse- en meetactiviteiten te richten maar meer concrete resultaten na te streven;

de documenten en controleprocedures te vereenvoudigen;

de rol van sociale ondernemingen voor de sociale diensten van algemeen belang te preciseren;

de synergie tussen het PSVI en resp. het EFSO en het ESF uit te leggen, en de bestuursregels te preciseren die moeten worden toegepast, afhankelijk van de mate waarin een sociale onderneming een sociaal doel nastreeft.

1.10   Met betrekking tot de Eures-pijler beveelt het EESC aan:

de oorspronkelijke geest van Eures in stand te houden, met regionale bevoegdheden en de deelname van de sociale partners;

het beginsel te bevestigen dat het aanbod van fatsoenlijke arbeidsplaatsen prevaleert boven het aanbod van microkredieten en microbanen;

de doelstelling te bevestigen dat mobiliteit moet worden bevorderd en sociale dumping moet worden bestreden;

een wijziging van de rechtsgrondslag aan te kondigen, door Eures open te stellen voor particuliere arbeidsbemiddelingsdiensten (6) en aan te geven wat de gevolgen zullen zijn ten aanzien van het ESF en de toewijzing van de middelen;

zich te buigen over de dubbele financiering van Eures (door het PSVI en het ESF), de gevolgen van de overlapping tussen begrotingen en de controlemethoden;

een definitie van "gerichte mobiliteit" te geven; in kaart te brengen welke soorten contracten dankzij Eures zijn ondertekend; te discussiëren over de nieuwe centrale rol van de Commissie;

te hameren op het belang van de meeneembaarheid van alle sociale rechten en van systemen voor de gelijkwaardigheid van kwalificaties;

maatregelen voor digitale inclusie toe te voegen.

1.11   Met betrekking tot de pijler "microfinanciering en sociaal ondernemerschap" beveelt het EESC aan:

rekening te houden met het subsidiariteitsbeginsel;

de invoering van een verdeelsleutel tussen de lidstaten te overwegen;

een schaal vast te stellen voor de steun en de begunstigden nauwkeuriger te definiëren (omvang van de sociale ondernemingen die hiervoor in aanmerking komen);

het project zichtbaarheid te geven om burgers die voor microfinanciering in aanmerking komen te beschermen tegen ongereguleerde en gewetenloze kredietverleners, en ervoor te zorgen dat informatie over microfinanciering op de startpagina's van relevante internetsites staat, in alle talen van de Unie;

explicieter te zijn over de rol van het EIF en de EIB en hun hefboomeffect;

regels vast te stellen voor kredietverleners, opdat zij hun verantwoordelijkheid volledig op zich nemen.

2.   De context

2.1   De strategie van de sociale agenda voor het Europa van de 21e eeuw maakt deel uit van de EU 2020-strategie. Het voorstel betreffende een programma voor sociale verandering en innovatie (hierna: het PSVI) sluit hierop aan. Zoals het Comité voor sociale bescherming heeft vastgesteld wordt één op de vijf personen in Europa bedreigd door armoede en sociale uitsluiting, en wordt deze tendens momenteel nog versterkt door de sociale gevolgen van de crisis. De maatregelen van de EU en de lidstaten zijn erop gericht om vóór 2020 ten minste 20 miljoen mensen een uitweg uit de armoede te bieden. De belangrijkste instrumenten voor werkgelegenheid en sociale inclusie zijn onder meer het ESF, Progress, het Elfpo (7), het EFRO en microfinancieringen.

2.2   Algemene doelstellingen van het programma

2.2.1   In de huidige periode, waarin de nationale begrotingen in crisis verkeren, stelt de Commissie voor de drie bestaande programma's (Progress, de Europese microfinancieringsfaciliteit en Eures) te bundelen ten einde de keuzes te rationaliseren en het gebruik van de middelen beter te controleren.

2.3   De zwaartepunten van het nieuwe programma

2.3.1   In het uit 2006 daterende Progress-programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit wordt voorgesteld scoreborden voor de Europese sociale situatie in te voeren, om de nationale situaties te kunnen vergelijken.

2.3.1.1

Voor de periode 2014-2020 is Progress erop gericht de werkgelegenheid te bevorderen, vergelijkbare gegevens te verzamelen, lessen te trekken uit de ervaringen om een resultaatgerichte benadering te bevorderen, de capaciteit van Europese netwerken van maatschappelijke organisaties te ontwikkelen en de sociale beleidsdoelstellingen van de Unie uit te breiden, met een budget van 575 miljoen euro, oftewel 82,1 miljoen euro per jaar, waarvan 17 % moet worden besteed aan sociale experimenten.

2.3.2   Eures is het Europese netwerk tussen de Commissie en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's). Voortgekomen uit vroegere activiteiten van de vakbonden en de sociale partners, bevordert het de mobiliteit van werknemers in grensregio's. Sinds 2002 heeft Eures drie doelstellingen: ontwikkelen van een Europees portaal voor beroepsmobiliteit, tot stand brengen van grensoverschrijdende partnerschappen tussen ODA's en de sociale partners, en opstellen van activiteitenplannen voor de lidstaten, voor het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk (20 miljoen euro). Eures strekt zich uit over de hele Unie, en de lidstaten gebruiken 70% van het Eures-budget voor "activiteitenplannen".

2.3.2.1

Voor de periode 2014-2020 streeft Eures ernaar om in het kader van het PSVI 143 miljoen euro (20,5 miljoen euro per jaar) uit te trekken voor mobiliteit in alle regio's van de Unie, met name voor jongeren, en om op Europees niveau statistieken op te stellen, informatie te verspreiden, jaarlijks de balans op te maken van de uitwisselingen, het portaal te verbeteren door deze meertalig te maken, Eures in de nabije toekomst open te stellen voor particuliere arbeidsbemiddelingsdiensten, en te zorgen voor een programma van nationale activiteiten die door het ESF worden gefinancierd.

2.3.3   De microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (2010) is erop gericht de toegang tot microkrediet te verbeteren voor mensen die zich in een moeilijke arbeids- en/of kredietsituatie bevinden. Zelfstandige werknemers en sociale micro-ondernemingen komen hiervoor in aanmerking. Het programma wordt beheerd door het Europees Investeringsfonds: kredietverlenende financiële instellingen kunnen een beroep doen op het EIF en de EIB om zich in te dekken tegen eventuele verliezen en de liquiditeit veilig te stellen. Voor de periode 2010-2013 heeft het programma 200 miljoen euro bijeengebracht voor de 27 lidstaten.

2.3.3.1

Voor de periode 2014-2020 wordt nog altijd gestreefd naar een verbetering van de toegang tot microfinanciering en het sociaal ondernemerschap, door garanties te bieden op leningen tot 25 000 euro. Hiervoor wordt een budget van 191,6 miljoen euro voor 7 jaar (27 miljoen euro per jaar) uitgetrokken.

2.4   Elementen van het voorstel

2.4.1   De voor het nieuwe PSVI voorgestelde begroting bedraagt 958 miljoen euro, wat slechts 10 % meer is dan in 2007. Het programma sluit aan op de EU 2020-strategie en is gebaseerd op dezelfde beginselen: partnerschappen, coördinatie, voorafgaande voorwaarden, gezonde begrotingssituatie, versterking van de samenwerking en de territoriale samenhang, en voortzetten van de vereenvoudiging.

2.4.2   De Commissie, die vooral streeft naar een structurele verandering van de Europese samenleving door een "modernisering" van het sociaal beleid van de lidstaten te bevorderen (8), stelt voor:

synergie te creëren tussen de drie programma's onderling en met het Europees Sociaal Fonds;

geharmoniseerde procedures vast te stellen voor informatie, communicatie, verspreiding, beheer en evaluatie;

zich meer te concentreren op grote projecten met een sterke Europese meerwaarde, met zo min mogelijk kosten.

2.4.3   Het programma heeft vijf doelstellingen:

versterken van het draagvlak voor de doelstellingen van de Unie op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en uitsluiting;

bevorderen van goed bestuur, wederzijdse leerprocessen en sociale innovatie;

moderniseren van de Europese wetgeving en ervoor zorgen dat zij wordt toegepast;

bevorderen van de geografische mobiliteit;

verbeteren van de toegang tot microfinanciering.

3.   Algemene opmerkingen van het EESC

3.1   Het EESC kan zich vinden in het voorstel om de steunmaatregelen van de EU voor werkzoekenden te rationaliseren, en houdt rekening met het feit dat het niet gemakkelijk is een programma voor een periode van 7 jaar voor te bereiden terwijl het vorige programma nog twee jaar loopt.

3.2   Het vindt het jammer dat de doelstelling ‧onderlinge aanpassing van de sociale grondrechten op de weg van de vooruitgang‧, die erop is gericht de onderlinge verschillen terug te dringen en de mobiliteit te vergemakkelijken, niet als algemene doelstelling is opgenomen (9).

3.3   Het herinnert eraan dat de Unie op het gebied van sociaal beleid en cohesiebeleid een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid heeft (10). De Unie heeft dit hoe dan ook te respecteren, net als de algemene voorschriften van artikel 9 VWEU (11) en van de artikelen 8 en 10.

3.4   In dat verband hoopt het EESC dat de twee grote vraagstukken gelijke kansen en non-discriminatie, die tot nu toe altijd met het sociaal beleid werden geassocieerd en werden toevertrouwd aan DG Justitie, onder Progress blijven vallen, omdat discriminatie vaak leidt tot beloningsverschillen en sociale ongelijkheid. Gelijke kansen en non-discriminatie zijn opgenomen in overweging nr. 10 en de artikelen 7 en 8 van het voorstel voor een verordening betreffende het ESF (12), en de gelijke kansen staan nog altijd in het sociaal hoofdstuk van het Verdrag.

3.5   Het EESC vindt het jammer dat de synergie die wordt verwacht van de combinatie van het Progress-programma, Eures en de microfinancieringsfaciliteit, niet meer aandacht krijgt in het PSVI. Ook had rekening kunnen worden gehouden met de rol van de regio's. En de concrete mogelijkheden voor synergie met andere Europese programma's – bijvoorbeeld voor onderwijs, jeugdwerkgelegenheid en het kerninitiatief "Je eerste Eures-baan" – zijn ook niet onderzocht.

3.6   Om het nieuwe programma verder toe te lichten is het zaak een evaluatie te maken van de werkelijk verstrekte middelen, de benuttingsgraad en de praktische problemen waarop de projecten zijn gestuit (bijvoorbeeld op het gebied van microfinanciering en het scheppen van banen). Bovendien legt de Commissie niet uit hoe de sterke Europese meerwaarde wordt bepaald op grond waarvan nieuwe maatregelen in aanmerking komen voor steun. Zo baseert zij de doelstellingen op onzekere elementen, die des te onzekerder zijn omdat het vorige programma nog niet is geëvalueerd, en is de schatting van de meerwaarde van het nieuwe programma op zijn minst subjectief.

3.7   Net als in het voorstel voor een ESF-verordening is het EESC van mening dat de plaats en rol van de sociale partners ook in de drie pijlers van het PSVI hadden moeten worden genoemd. De ESF-tekst kent hen een "vitale rol op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie" toe (13).

3.8   Ook wijst het erop dat de rol van de ngo's in het (gedeeltelijk door het ESF gefinancierde) PSVI had moeten worden genoemd. In de overweging nr. 9 (14) van het voorstel voor een ESF-verordening staat immers: "Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen alle betrokken territoriale en sociaaleconomische actoren, met name de sociale partners en niet-gouvernementele organisaties".

3.9   De maatschappelijke organisaties worden wel genoemd in het PSVI (15), en het EESC is van mening dat hun plaats moet worden gedefinieerd. Dan zouden zij een rol kunnen spelen bij de uitvoering van het beleid.

3.10   Het EESC is van mening dat de Commissie bij de geplande maatregelen rekening moet houden met de digitale inclusie (16), omdat de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën een transversale hefboom voor inclusie en de werkgelegenheid zijn.

4.   Over de methode

4.1   Het EESC merkt op dat de ontwerptekst de titel "programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie" (PSVI) heeft meegekregen, en dat hierin drie oude acties van de Unie worden voortgezet zonder innovatieve elementen. De Commissie stelt weliswaar voor de drie pijlers te richten op sociale verandering en innovatie via sociale experimenten, maar verzuimt de doelstelling "sociale innovatie" te definiëren, noch in de overwegingen, noch in de tekst zelf, noch in de evaluatie vooraf.

4.2   De in verschillende landen verrichte academische studies op het gebied van "sociale innovatie" gaan uit van de gedachte dat het productie-consumptiemodel aan het eind van zijn Latijn is, en concluderen dat de sociale structuren moeten worden herzien door een herverdeling van de rollen tussen de verschillende categorieën actoren en belangen. Aangezien er geen stabiele definitie van innovatie is, leidt dit ertoe dat ondernemingen – al dan niet sociale ondernemingen – niet goed weten welk governancemodel zij moeten kiezen, en dat er onzekerheid heerst over de vertegenwoordiging van de werknemers en de vorm van de sociale dialoog (17). Volgens deze onderzoekers zal de sociale verandering zich ook doen gevoelen in de socialezekerheidsstelsels. Het gaat erom het Europese "sociaal model" te herzien zonder harde wetgeving, maar via experimenten. De Progress-pijler (18) bevordert "wetenschappelijk gefundeerde beleidsvorming en innovatie, in samenwerking met de sociale partners, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbende partijen".

4.3   De Commissie promoot deze "sociale experimenten" in haar tekst, zonder iets te zeggen over hoe die innovatie en verandering eruit moeten zien. Dit is een sociologische aanpak die burgers zonder een flauw benul van de uiteindelijke doelstelling danig in de war kan brengen. Het EESC is van mening dat eerst zou moeten worden gekeken waarom de markt, de overheidsdiensten en de Europese steun niet hebben beantwoord aan de sociale behoeften, en waarom er geen herverdeling van de rijkdom heeft plaatsgevonden om personen in moeilijkheden hun autonomie te waarborgen, met inachtneming van de beginselen van het Handvest van de grondrechten.

4.4   Het EESC denkt dat het zaak is te weten welke maatschappelijke verandering wordt nagestreefd met iedere innovatie, iets wat met de "bottom up"-methode en de onderhavige ontwerpverordening, die van deze methode gebruik maakt, onmogelijk is.

4.5   Socialezekerheidsstelsels die door de burgers worden beschouwd als duurzaam, genieten een sterke legitimiteit. Het EESC is van mening dat "het testen en het op grotere schaal toepassen van innovatieve oplossingen voor de aanpak van sociale behoeften" (19) ertoe kan leiden dat de brede solidariteit wordt gereduceerd tot cliëntelisme en het uiteenvallen van het sociale stelsel en de representatieve structuren.

4.6   Volgens het EESC zou het onderhavige programma moeten waarborgen dat de sociale innovatiemaatregelen de nationale sociale rechten (20) en socialezekerheidsstelsels aanvullen en hier niet mee concurreren. De sociale innovatie zou de op wetgeving gebaseerde stelsels en de langetermijnveiligheid die deze bieden, ook aan de meest kwetsbare personen, niet in het gedrang mogen brengen.

4.7   Meer nog dan de systemische sociale hervormingen zou de toegang tot werk, huisvesting en vervoer een echte sociale verandering voor kansarme groepen betekenen. Mensen die in de Europese Unie wonen, hebben vooral behoefte aan fatsoenlijke arbeidsplaatsen. Het programma zou ook moeten ingaan op het huisvestingsvraagstuk, omdat dit iets is wat eenieder die actief is op het gebied van werkgelegenheid en inclusie aangaat (21).

4.8   Het EESC herinnert eraan dat op het gebied van de sociale bescherming in eigenlijke zin (22), artikel 153, lid 4 VWEU het recht van de lidstaten onverlet laat om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen, en niet belet dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert zolang deze verenigbaar zijn met de Verdragen.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   Het EESC zou graag zien dat in de ontwerpverordening wordt herinnerd aan het subsidiariteitsbeginsel, en dat er een definitie van de verwachte "sterke meerwaarde" in wordt opgenomen.

5.2   Over Progress

5.2.1   De definities van de acties, actoren en potentiële begunstigden van het voorstel volstaan niet (23). In de tekst wordt niet gezegd of rekening wordt gehouden met de standpunten van de sociale partners (24) en de ngo's, met name voor de vaststelling van een serie indicatoren (25).

5.2.2   Het Progress-programma heeft "moeilijk meetbare" doelstellingen en maakt gebruik van "subjectieve variabelen", terwijl het financieel memorandum het over een resultaatgerichte beheersaanpak heeft (26). De impact op de werkgelegenheid wordt niet gemeten, de methode lijkt daarvoor ook niet geschikt. Volgens het EESC zouden met de reeds verzamelde gegevens lessen moeten worden getrokken uit de ervaringen, en zou een onlinethesaurus van positieve resultaten beschikbaar moeten worden gesteld. Alvorens verder te gaan zou volgens het EESC moeten worden gekeken welke banen zijn gecreëerd dankzij de steun. Zo zou worden voorkomen dat de Commissie aanbevelingen voor structurele hervormingen doet op basis van weinig betrouwbare evaluaties.

5.2.3   Er gaapt een kloof tussen de doelstellingen en de middelen: de aangekondigde financiering, waarmee de drie pijlers voor 2014-2020 10 % meer middelen krijgen ten opzichte van 2007, opent geen nieuwe mogelijkheden.

5.2.4   In het voorstel wordt te veel belang gehecht aan het beheer (27): het geld van de belastingbetaler zou de burgers rechtstreeks moeten helpen. Het zou bijvoorbeeld belangrijk zijn te weten welk deel ten goede komt aan de bestrijding van armoede.

5.2.5   De evaluatie van in het verleden gesteunde projecten kan extra kosten met zich meebrengen wanneer hiervoor een beroep wordt gedaan op externe controle-instanties. De documenten en procedures zouden volgens het EESC moeten worden vereenvoudigd en gestandaardiseerd.

5.2.6   Wat de sociale ondernemingen (28) betreft wenst het EESC:

te herinneren aan het subsidiariteitsbeginsel en de verantwoordelijkheid van de lidstaten;

een definitie te zien van hun rol binnen de sociale diensten van algemeen belang;

te weten welke synergie er is tussen het programma en het voorstel voor een verordening van 7 december 2011 over het "Europees Fonds voor Sociaal Ondernemerschap", dat de ontwikkeling van sociale ondernemingen moet bevorderen (door de toekenning van een EFSO-label);

nader in te gaan op de bestuursregels, afhankelijk van de mate waarin een sociale onderneming een sociaal doel nastreeft, de regels voor investeerders en de rol van de banken, zo nodig met solvabiliteitsvoorschriften;

dat zelfstandige ondernemers in aanmerking komen voor steun.

5.3   Over Eures

5.3.1   Eures zal voor 15 % worden gefinancierd door het PSVI, en verder grotendeels door het ESF. De overlapping tussen de begrotingen van de programma’s maakt het er voor de burger niet eenvoudiger op: de structuurfondsen worden geregionaliseerd volgens NUTS2, maar dit geldt niet voor de middelen van het PSVI.

5.3.2   De nationale en grensoverschrijdende activiteiten zullen door het Europees Sociaal Fonds worden gefinancierd, en de Europese activiteiten (29) door het PSVI. De participatieregels voor de sociale partners en ngo's zullen van toepassing zijn op het ESF-gedeelte, maar niet op het programma voor sociale verandering en innovatie.

5.3.3   Het EESC vraagt zich af of het wel nuttig is om zulke uiteenlopende onderdelen in één programma onder te brengen, omdat de begrotingscontrole nog moeilijker zal zijn dan in de vorige configuratie. De verdeling van de financiering tussen het ESF, de Commissie en de lidstaten zou duidelijker moeten zijn. Dit houdt in dat er andere regels moeten worden toegepast voor de comitéprocedure en de controle op de uitvoeringshandelingen van de Commissie (30).

5.3.4   Het EESC vraagt zich af of het wenselijk is dat de Commissie een gecentraliseerd systeem opzet en de regionale dynamiek van Eures afremt, terwijl de ervaringen met de sociale innovatie hebben laten zien dat de actoren in het veld hiervoor het meest aangewezen zijn. Het Parlement heeft zijn budget in 2007 zelfs willen opschroeven (31). Het EESC herinnert eraan dat de mobiliteit geen doel op zich is, maar alleen kan helpen wanneer een baan in een andere lidstaat van de Unie moet worden gezocht.

5.3.5   Het EESC denkt dat het nuttig zou zijn om in de tekst in te gaan op:

het beginsel dat het aanbod van fatsoenlijke arbeidsplaatsen prevaleert boven het aanbod van microkredieten en microbanen;

de doelstelling dat de mobiliteit moet worden bevorderd en sociale dumping moet worden bestreden;

de soorten arbeidscontracten die dankzij Eures zijn ondertekend;

de definitie van gerichte mobiliteit;

de aangekondigde wijziging van de rechtsgrondslag van Eures (32);

het belang van de meeneembaarheid van de sociale rechten van mobiele burgers en nieuwe teksten over de gelijkwaardigheid van kwalificaties (33).

5.3.6   Het EESC acht het van belang dat de rol van de sociale partners in Eures duidelijk wordt gehandhaafd.

5.4   Over de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap

5.4.1   Het EESC wenst dat de burgers uitgebreid over het programma worden geïnformeerd om te voorkomen dat zij ingaan op online-aanbiedingen van microfinanciering door de informele economie tegen woekertarieven (noodzaak van digitale inclusie). We mogen niet vergeten dat de in art. 22 genoemde personen kwetsbare personen zijn, die andere vormen van steun nodig hebben dan microkrediet en concurrerende activiteiten. Deze laatste kunnen risicovol zijn en een valstrik betekenen, en kunnen nooit een betaalde baan vervangen.

5.4.2   Het EESC zou willen dat wordt nagegaan of de invoering van een verdeelsleutel voor het programma tussen de lidstaten haalbaar is.

5.4.3   Het EESC acht het zaak om het verwachte hefboomeffect van het EIF en de EIB meer te benadrukken, en duidelijk te definiëren wie de begunstigden zijn. Immers, voor een persoon die zijn baan heeft verloren (art. 22, lid 1, a), een sociale onderneming (art. 22, lid 3) met werknemers en een begroting en een zelfstandige ondernemer en zijn micro-onderneming heeft het bedrag van 25 000 euro totaal verschillende consequenties, en de door de kredietverleners gevraagde waarborgen verschillen dan ook navenant. Het volgende zou dan ook moet worden verduidelijkt:

wat onder "sociaal" wordt verstaan in deze pijler;

wie de begunstigden zijn, en met name de omvang van de sociale ondernemingen die in aanmerking komen;

wat een "sociale micro-onderneming" is;

de uitvoeringsmodaliteiten van de steun en de exacte geboden dekking (100 % ?);

criteria om eventueel een schaal vast te stellen voor de steun;

maatregelen om de controle achteraf te vereenvoudigen, de opstelling van jaarbalansen te vergemakkelijken en de kosten van de controles terug te dringen.

5.4.4   Wat de kredietverleners betreft:

zouden duidelijker regels moeten worden opgesteld om ervoor te zorgen dat zij hun rol kunnen uitoefenen zonder dat de kredietnemers worden opgezadeld met extra en verborgen vereisten;

zou moeten worden voorzien in een evaluatie om snel de balans te kunnen opmaken.

5.4.5   Het EESC hoopt dat de meerwaarde van deze maatregelen hoger zal uitvallen dan de geschatte meerwaarde van het vorige programma, namelijk dat per verstrekte microlening 1,2 banen werden gecreëerd (34).

Brussel, 23 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Advies van het EESC, PB C 100, blz. 77, 30-4-2009.

(2)  Advies van het EESC, PB C 132, blz. 22, 3-5-2011.

(3)  PSVI: Programma voor sociale verandering en innovatie, COM(2011) 609 final.

(4)  Art. 151 VWEU.

(5)  Europees Sociaal Fonds en Europees Fonds voor Sociaal Ondernemerschap.

(6)  Werkprogramma van de Commissie voor 2012, COM(2011) 777 final.

(7)  Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling.

(8)  COM(2011) 609 final: par. 1 van de Toelichting en art. 4, lid 1, onder c).

(9)  Art. 151, lid 1, VWEU.

(10)  Art. 4, lid 2, onder b) en c), VWEU.

(11)  Advies van het EESC, PB C 24, blz. 29, 28-1-2012.

(12)  COM(2011) 607 final.

(13)  COM(2011) 607 final, zie par. 5 van de Toelichting.

(14)  COM(2011) 607 final, overweging nr. 9.

(15)  COM(2011) 609 final, overweging nr. 9.

(16)  Advies van het EESC, PB C 318, blz. 9, 29-10-2011.

(17)  Social innovation Review, Standford Graduate School of Business, Fall 2008, J.A. Phills, K. Deiglmeier, D.T. Miller; Social Innovation, J. Howaldt & M. Schwarz, IMO-Dortmund, mei 2010; Transformations et Innovation sociale en Europe: quelles sorties de crise?, N. Richez-Battesti & D. Vallade, P.U de Louvain-Cahiers du CIRTES 5, sept. 2010, blz. 45; S. Bacq & F. Janssen, ibid, blz. 207.

(18)  Art. 3 a) van het ontwerp en advies van het EESC, PB C 255, blz. 67, 14-10-2005.

(19)  Art. 9, lid 1 en art. 3 - met een zeer brede reikwijdte – COM(2011) 609.

(20)  Art. 151, lid 1, VWEU.

(21)  Artt.1, 7, 15, 24, 34, lid 3 en 52, lid 3 van het Handvest van de grondrechten, art. 8 van het EVRM, en artt. 30 en 31 van het herziene Europees Sociaal Handvest.

(22)  COM(2011) 609, art. 4, lid1 a) en b).

(23)  Bijv: de voorafgaande evaluatie, blz. 42

(24)  COM(2011) 609, art. 15, a) en c).

(25)  COM(2011) 607, art. 6.

(26)  "Financieel memorandum voor voorstellen", par. 1.4.3 (bijlage bij COM(2011) 609 final,, blz. 32).

(27)  COM(2011) 609 final, art. 5, lid 3.

(28)  Advies CESE PB C 24, blz. 1, 28-01-2012.

(29)  Portaal en initiatief "Je eerste Eures-baan".

(30)  Verordening (EU) nr. 182/2011.

(31)  EP, resolutie van 15-09-2007.

(32)  Mededeling COM(2011) 777 final.

(33)  Voorstel voor een richtlijn van 19-12-2011 (COM(2011) 883 final).

(34)  "Financieel memorandum voor voorstellen", par. 2.1.2, Indicatoren voor de resultaten (bijlage bij COM(2011) 609 final,, blz. 37).


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/94


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

(COM (2011) 813 final — 2011/0390 (CNS))

2012/C 143/18

Rapporteur: de heer GREIF

De Europese Raad heeft op 12 december 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 100, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het:

"Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten"

COM (2011) 813 definitief – 2011/0390 (CNS).

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 25 januari 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 22 februari 2012) het volgende advies uitgebracht, dat met 111 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De vooruitzichten voor de arbeidsmarkt nemen in het vierde jaar van de financiële crisis in heel Europa steeds meer af. Het EESC maakt zich grote zorgen dat de werkgelegenheidsdoelstellingen die in het kader van de prioriteit 'inclusieve groei' van de Europa 2020-strategie zijn geformuleerd, wellicht niet te verwezenlijken zijn tegen de achtergrond van de thans in de EU afgedwongen politieke uitgangspunten voor een op bezuinigingen gerichte crisisbestrijding. Het gelijktijdig doorvoeren van bezuinigingspakketten in de EU brengt het gevaar met zich dat een wederzijds versterkende laagconjunctuur wordt versneld en dat de groeivooruitzichten nog verder afnemen, hetgeen een negatieve uitwerking heeft op zowel de binnenlandse vraag (de laatste pijler van de economie), als het stabiliseren en scheppen van werkgelegenheid.

1.2   Europa stevent de komende jaren af op een zeer gespannen werkgelegenheidssituatie. Bepaalde groepen, zoals jongeren, laagopgeleiden, langdurig werklozen, mensen met een migrantenachtergrond, Roma of alleenstaande ouders, worden bovengemiddeld getroffen. Om dit tegen te gaan zijn er op korte termijn doelgerichte Europese en nationale investeringen vereist met een grote uitwerking op de werkgelegenheid. Deze zullen op gecoördineerde wijze moeten worden uitgevoerd teneinde de effecten van het werkgelegenheidsbeleid te vergroten.

1.3   Tegen de achtergrond van de toenemende jeugdwerkloosheid en het nog altijd zeer hoge aantal langdurig werklozen doet het EESC, ten behoeve van de uitvoering van de werkgelegenheidsrichtsnoeren, de volgende beleidsaanbevelingen op het vlak van jeugdwerkgelegenheid:

Om de doelstelling van de algeheel in de EU nagestreefde arbeidsparticipatie te verwezenlijken, dienen voortaan goed meetbare EU-streefdoelen te worden geformuleerd, ook ten aanzien van specifieke doelgroepen zoals langdurig werklozen, vrouwen, ouderen en met name ook jongeren (bestrijding van de werkloosheid, verbetering van de werkgelegenheidssituatie). Een vergaande aanpassing van de geformuleerde concrete doelstellingen op het vlak van werkgelegenheidsbeleid op het niveau van de lidstaten is tot op heden nog maar nauwelijks gerealiseerd.

Daarbij dient met name te worden gedacht aan een indicator voor een wezenlijke vermindering van het percentage jongeren dat noch aan de arbeidsmarkt deelneemt, noch onderwijs of een opleiding volgt (de zogeheten NEET-groep).

Het EESC verwelkomt het voorstel van de Commissie inzake de zogenaamde "jeugdgarantie", op basis waarvan de lidstaten moeten garanderen dat alle jongeren binnen vier maanden na het afronden van hun opleiding werk hebben gevonden of hun opleiding voortzetten, dan wel dat er activerende en op arbeidsmarktintegratie gerichte maatregelen voor hen worden genomen. In het kader van de nationale herstelplannen zouden hiervoor concrete maatregelen kunnen worden ontworpen.

Landen waar de arbeidsmarkt voor jongeren specifiek onder druk staat en die tegelijk aan zeer beperkende begrotingsvoorwaarden moeten voldoen, dienen eenvoudiger toegang te krijgen tot de middelen uit EU-fondsen voor maatregelen op het gebied van "jeugdgarantie" (vereenvoudigingen bij het gebruik van de middelen tot en met een tijdelijke vrijstelling van de nationale cofinancieringsplicht).

Ondanks het feit dat de overheidsbegrotingen onder druk staan, moeten de nationale en Europese middelen voor de opleiding en werkgelegenheid van jongeren en langdurig werklozen worden aangehouden en waar nodig worden uitgebreid. In dit opzicht moeten in het nieuwe financiële kader vanaf 2014 voldoende middelen van het ESF, maar ook van andere EU-fondsen voor specifieke initiatieven voor de jeugd, worden gegarandeerd.

In alle EU-lidstaten moeten de toegangsvoorwaarden voor ondersteuningsmaatregelen ten behoeve van werkloze jongeren en langdurig werklozen die een baan dan wel een opleiding zoeken, worden doorgelicht en waar nodig worden verbeterd. Aanbevolen wordt dienovereenkomstig doelstellingen op te nemen in de desbetreffende nationale herstelplannen.

Wat betreft de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt, worden de meeste oplossingen die geen zekerheid bieden en uitzichtloos zijn, door het EESC afgeraden: in plaats van in te zetten op onzekere werkgelegenheid en onzekere arbeidscontracten, moeten er maatregelen worden genomen die garanderen dat tijdelijke werkgelegenheid en arbeidsplaatsen met lage betaling en slechte sociale voorzieningen niet de norm worden.

Het EESC beveelt aan dat de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan het opzetten van inclusieve intermediaire arbeidsmarkten, waar met publieke middelen een passend aantal deeltijdbanen wordt gecreëerd die ervoor zorgen dat langdurig werklozen hun arbeidsgewoonten niet verliezen en hun kennis en vaardigheden verbeteren. Dit voorkomt een toename van armoede onder werklozen en zorgt voor een soepele doorstroming naar de open arbeidsmarkt zodra de crisis voorbij is.

Wat de voorstellen van de Commissie inzake stageplaatsen betreft, is het EESC voorstander van een Europees kwaliteitskader, met als doel leerbevorderende arbeidsplaatsen met een vast contract aan te moedigen. Daarbij zou moeten worden onderzocht of het duale systeem van leren in combinatie met het opdoen van beroepservaring, dat in sommige lidstaten sinds langere tijd met succes wordt gehanteerd, ook elders gedeeltelijk kan worden toegepast.

2.   Inleiding

2.1   De Raad van de EU heeft op 21 oktober 2010 besloten de nieuwe werkgelegenheidsrichtsnoeren tot 2014 onveranderd te laten, om zo de uitvoering ervan tot hoofddoel te maken. Aanpassingen zouden tot een minimum beperkt moeten blijven.

2.2   Desondanks wil het EESC naar aanleiding van de in artikel 148, lid 2, VWEU bepaalde jaarlijkse raadpleging terugkomen op de uitvoering van de richtsnoeren:

om na te gaan of de vastgelegde doelstellingen tegen de achtergrond van de huidige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de thans in de EU afgedwongen politieke uitgangspunten voor crisisbestrijding, wel kunnen worden verwezenlijkt;

daarnaast gaat de aandacht vooral uit naar de steeds erger wordende jeugdwerkloosheid en de verslechterende situatie van langdurig werklozen en worden daartoe dringend noodzakelijke beleidsaanbevelingen gedaan.

2.3   Het EESC is verheugd dat bij de formulering van de definitieve versie van de richtsnoeren in 2010 diverse van zijn voorstellen (1) zijn overgenomen in de tekst van het besluit van de Raad, maar constateert tegelijkertijd dat er geen aandacht is besteed aan andere vastgestelde tekortkomingen. Het komt daarom op een aantal cruciale kritiekpunten uit zijn advies terug, die nog altijd van zeer groot belang zijn. Zo is onder meer geconstateerd,

dat de richtsnoeren tegen de achtergrond van de crisis de bestrijding van de werkloosheid niet voldoende als hoogste prioriteit nemen;

dat de nieuwe richtsnoeren gekenmerkt worden door een duidelijke verzwakking van het Europese beleid, doordat op een paar Europese kerndoelen na het formuleren van het werkgelegenheidsbeleid geheel wordt overgelaten aan de lidstaten;

dat er naast de algemene werkgelegenheidsdoelstelling ook meetbare EU-doelen moeten worden geformuleerd, ook voor specifieke doelgroepen zoals langdurig werklozen, vrouwen, ouderen en ook jongeren;

dat er bovendien EU-doelen vereist zijn ten aanzien van onder andere de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de strijd tegen langdurige werkloosheid, het tegengaan van arbeidsovereenkomsten met onvoldoende sociale bescherming, de strijd tegen jeugdwerkloosheid en armoede onder kinderen en jongeren;

dat in de richtsnoeren niets concreets wordt gezegd over de kwaliteit van werk.

2.4   In dit advies worden deze punten behandeld tegen de achtergrond van de actuele ontwikkelingen op de Europese arbeidsmarkten in de huidige crisis.

3.   Toenemende druk op het gebied van werkgelegenheid als gevolg van de crisis

3.1   De financiële crisis heeft zich ontwikkeld tot een fundamentele economische, schulden- en sociale crisis (2). Officieel is vastgesteld dat het herstel van de economie van de EU tot stilstand is gekomen. Ook de vooruitzichten voor de arbeidsmarkt nemen steeds meer af (3). De gevolgen van de crisis worden steeds heviger, niet alleen door de economische stagnatie in veel EU-lidstaten, maar vooral ook omdat het overgrote merendeel van de regeringen op de huidige schuldencrisis, die onder andere is ontstaan als gevolg van de ingrijpende deregulering van de financiële markten van de afgelopen jaren, reageert met een geforceerd bezuinigingsbeleid en op die manier probeert de financiële markten tot rust te brengen. Als gevolg van de uitvoering van de onlangs aangenomen regels inzake economisch bestuur in de eurozone en daarbuiten, staat in bijna alle EU-lidstaten vermindering van de overheidstekorten met soms aanzienlijke ingrepen in de overheidsuitgaven, gericht op beperking van de sociale uitgaven en de openbare diensten, centraal bij de schuldsanering (4). Dit beleid maakt de kansen op de arbeidsmarkt alleen maar kleiner, niet in de laatste plaats voor diegenen die reeds tot de achtergestelde groepen worden gerekend.

3.2   Tegen deze achtergrond zal Europa de komende jaren te maken krijgen met een uiterst gespannen werkgelegenheidssituatie. In het vierde jaar van de financiële en economische crisis verslechteren de werkgelegenheidsvooruitzichten nog altijd. Ondanks de economische steunmaatregelen die als eerste reactie op de crisis werden genomen, en ondanks het economisch herstel in sommige EU-lidstaten steeg de werkloosheid in de EU tussen 2008 en 2011 van 6,9 % naar 9,4 % (5).

3.3   Daardoor zijn er in de gehele EU momenteel meer dan 22 miljoen mensen werkloos, hoewel er binnen de EU grote verschillen bestaan: zo loopt het werkloosheidscijfer in het tweede kwartaal van 2011 (2011KW2) uiteen van minder dan 5,5 % in Oostenrijk, Luxemburg en Nederland tot meer dan 14 % in Ierland, Litouwen, Letland en Griekenland, en maar liefst 21 % in Spanje. Jongeren worden nog erger door de werkloosheid getroffen. In tal van landen – en niet alleen in Zuid-Europa – is de toestand als gevolg van de crisis alarmerend: zo is er sprake van een verdubbeling van het aantal werklozen in bijvoorbeeld Spanje, Ierland en ook – op basis van het vrij lage niveau – in Denemarken, en zelfs van een verdrievoudiging in de Baltische staten. Alleen in Duitsland en Luxemburg werd er tot 2010 een daling van de werkloosheid gemeten. Ondanks de groeiende werkloosheid wordt er in sommige landen ook een toename van het aantal vacatures gemeld. Gezien de demografische ontwikkelingen en de aanhoudende structurele veranderingen mag ervan worden uitgegaan dat deze tegenstelling zich de komende jaren alleen maar zal verscherpen.

De groeiende werkloosheid trof tijdens de crisis vooral jongeren en laagopgeleiden. Daarbij moet worden aangetekend dat het werkloosheidscijfer voor beide groepen reeds voor de crisis duidelijk boven het gemiddelde uitkwam.

Het werkloosheidscijfer onder personen met een laag opleidingsniveau lag over 2011KW2 op 16,3 %, tegenover 8,6 % en 5,3 % voor respectievelijk middelhoog en hoog opgeleide personen.

Het werkloosheidscijfer is onder zowel mannen als vrouwen van alle leeftijdsgroepen gestegen. Het cijfer bedroeg in 2011KW2 respectievelijk 9,4 % en 9,5 %. Tijdens de eerste fase van de crisis steeg het werkloosheidscijfer sneller onder mannen, aangezien het vooral ging om bedrijfstakken die eerder door mannen worden gedomineerd (zoals de verwerkende industrie en de bouw). In de tweede fase steeg het werkloosheidscijfer juist sneller onder vrouwen, aangezien nu als gevolg van de vergaande bezuinigingsmaatregelen juist door vrouwen gedomineerde beroepen worden getroffen (bijvoorbeeld de dienstverlening of de publieke sector).

Arbeidsmigranten, die reeds voorafgaand aan de crisis een hoger werkloosheidscijfer kenden, zijn bovenmatig getroffen door de stijgende werkloosheid. Voor hen ligt het werkloosheidscijfer over 2011KW2 op 16,3 %.

Langdurige werkloosheid (>12 maanden), die als gevolg van het grote aantal nieuwe werklozen statistisch tijdelijk was gedaald, is over 2011KW2 voor de gehele EU weer terug op het niveau van voor de crisis, namelijk 43 %. Landen die sterk en in een vroeg stadium door de crisis zijn getroffen (Spanje, Ierland, de Baltische staten) laten ten opzichte van 2008 een sterke toename zien. Dit aantal zal in de toekomst als gevolg van de stagnerende vraag nog fors toenemen.

3.4   Aangezien de jeugdwerkloosheid voor de crisis al een zorgwekkend niveau had bereikt, heeft het EESC dit probleem reeds tot een van de grootste bedreigingen voor de Europese arbeidsmarkt uitgeroepen (6). Over de hele linie is deze werkloosheid drastisch toegenomen. Voor de gehele EU bedraagt ze nu bijna 21 %. Ruim 5 miljoen jongeren (15-24 jaar) zitten momenteel zonder baan en zonder opleiding, hetgeen enorme individuele, maatschappelijke en economische gevolgen met zich brengt: actuele schattingen van Eurofound ramen de kosten in verband met de uitsluiting van jongeren van de arbeidsmarkt op meer dan 100 miljard euro per jaar (7). In Griekenland en Spanje is zelfs meer dan 40 % van de jongeren werkloos, terwijl het in Letland, Litouwen en Slowakije om bijna een derde gaat.

De zorgen over de jeugdwerkloosheid worden door twee indicatoren gevoed: het werkloosheidscijfer (8) en het NEET-cijfer, die beide zijn gestegen. In dat opzicht is de NEET-indicator bijzonder interessant, aangezien deze iets zegt over de situatie van jongeren in de leeftijdsgroep van 15-24 jaar, die noch aan de arbeidsmarkt deelnemen, noch onderwijs of een opleiding volgen ("Not in Employment, Education or Training").

Tussen de afzonderlijke lidstaten bestaan duidelijke verschillen: de situatie is het beste in Denemarken, Nederland, Slovenië en Oostenrijk met percentages onder 7 %, terwijl de situatie in met name Italië en Bulgarije, met percentages van respectievelijk 19,1 % en 21,8 %, heel moeilijk is. Het gemiddelde van de EU-27 lag in 2010 op 12,8 %. Als gevolg van de crisis is met name in Spanje, Ierland, Litouwen, Estland en Letland het NEET-cijfer erg verslechterd.

Voortijdige schoolverlaters vormen weer een andere categorie personen, die als gevolg van hun lage opleidingsniveau een nog groter risico op werkloosheid hebben. Ondanks het feit dat in sommige landen het percentage voortijdige schoolverlaters gedurende de crisis is afgenomen (bijvoorbeeld Spanje, Portugal, Estland, Letland en het Verenigd Koninkrijk), ligt het EU-gemiddelde van 14,1 % over 2010 nog altijd een flink stuk boven de in het kader van Europa 2020 nagestreefde doelstelling van minder dan 10 % (9). De onderlinge verschillen tussen de landen zijn groot: Portugal en Spanje laten percentages zien van meer dan 28 % en in Malta bedraagt het percentage voortijdige schoolverlaters bijna 37 %, terwijl in Slowakije, Tsjechië en Slovenië het percentage nog geen 5 % bedraagt (10).

3.5   Deze ontwikkeling in de werkloosheidspercentages is ook terug te lezen in de arbeidsparticipatie, die tijdens de crisis aanzienlijk is teruggelopen: gemiddeld liep dit cijfer in de EU voor 20- tot en met 64-jarigen terug van 70,5 % in 2008KW2 tot 68,9 % in 2011KW2. Reeds bij de vaststelling van de richtsnoeren in 2010 was het duidelijk dat het zeker nog tien jaar zou duren voordat de ruim 10 miljoen arbeidsplaatsen die sinds het uitbreken van de crisis verloren zijn gegaan, terug zijn gewonnen. De situatie heeft zich tot op heden echter nauwelijks verbeterd. Gemiddeld is er in de EU tussen 2010KW2 en 2011KW2 slechts een minimale groei van de werkgelegenheid waar te nemen: sommige landen noteren over het laatste jaar een duidelijke groei (Estland, Litouwen, Letland en Malta), terwijl in andere landen de werkgelegenheid duidelijk afneemt (Griekenland, Bulgarije, Slovenië en Roemenië). Al met al zijn de EU-lidstaten nog ver verwijderd van de verwezenlijking van het EU 2020-kerndoel van een algehele arbeidsparticipatie van 75 % (voor 20- tot 64-jarigen) (11). In deze tijden van economische crisis worden jongeren niet alleen veel zwaarder door werkloosheid getroffen dan alle andere leeftijdscategorieën, ze worden ook nog eens geconfronteerd met een veel sterkere daling van de werkgelegenheid.

3.6   Overeenkomstig de ontwikkelingen tijdens de Lissaboncyclus houdt de geleidelijke toename van deeltijdarbeid ook tijdens de crisis aan. Het percentage deeltijdarbeid in de EU is met in achtneming van de aanmerkelijke verschillen tussen de afzonderlijke lidstaten van 17,6 % van de totale werkgelegenheid in 2008KW2 naar 18,8 % in 2011KW2 gestegen.

Vrouwen zijn met een gemiddeld percentage van 31,6 % in 2011KW2 ten opzichte van 8,1 % bij mannen duidelijk oververtegenwoordigd bij werk dat in deeltijd wordt gedaan.

Jonge werknemers worden met een toename van het percentage deeltijdarbeid in de gehele EU beduidend sterker door dit fenomeen getroffen dan werknemers van middelbare leeftijd en oudere werknemers.

Bovendien is het percentage laaggeschoolde werknemers dat in deeltijd werkt, sterker toegenomen.

Arbeidstijdverkorting geeft mensen de kans om in tijden van crisis in contact te blijven met de arbeidsmarkt en geeft hun een goede uitgangspositie om na de crisis weer voltijds aan het werk te gaan.

Tijdens de crisis is echter ook het aantal werknemers in onvrijwillige deeltijdarbeid  (12) aanzienlijk gestegen. In de landen die het sterkst door de crisis worden getroffen (de Baltische staten, Spanje, Ierland), is het percentage onvrijwillige deeltijdarbeid tussen 2008 en 2010 beduidend sterker gestegen dan het gemiddelde. Het aandeel vrouwen dat in deeltijdarbeid werkt, is vanwege de zorg voor kinderen of arbeidsongeschikte volwassenen in vele landen nog steeds hoog.

3.7   Het aandeel tijdelijke banen in de EU steeg in 2007KW2 naar een recordhoogte van 14,6 %. De gegevens van de EU-arbeidskrachtenenquête omvatten onder deze rubriek tevens uitzendkrachten, met uitzondering van uitzendkrachten met een schriftelijk arbeidscontract voor onbepaalde tijd (13). Aangezien werknemers met een arbeidscontract voor bepaalde tijd en uitzendkrachten tijdens de crisis sterk door werkloosheid werden getroffen, daalde hun aandeel in 2009KW2 in totaal naar een dieptepunt van 13,5 %. De recente stijging naar 14,2 % in 2011KW2 geeft aan dat bedrijven ertoe neigen nieuwe werknemers met een arbeidscontract voor bepaalde duur en uitzendkrachten in dienst te nemen. Hieruit blijkt niet in de laatste plaats dat werkgevers weinig vertrouwen hebben dat het economisch herstel van duurzame aard is, en dat zij hun best doen om op de situatie te reageren.

De nationale verschillen wat betreft de omvang van tijdelijke arbeid zijn aanzienlijk: terwijl het percentage in een aantal lidstaten in Midden- en Oost-Europa, zoals Roemenië, Bulgarije, Litouwen en Estland, minder dan 5 % bedraagt, laten Portugal, Spanje en Polen percentages van circa 23-27 % zien.

De kans op een tijdelijke arbeidsovereenkomst is bij jonge werknemers (15-24 jaar) met afstand het grootst (in 201042,2 %). Dit geldt voor nagenoeg alle landen. In veel beroepen is het tot op zekere hoogte vanzelfsprekend dat jongeren bij hun eerste baan een tijdelijk contract krijgen. Toch gebeurt dit vaak niet vrijwillig en dit is een van de redenen waarom de situatie van jongeren op de arbeidsmarkt tijdens de crisis ernstig verslechterd is.

Bovendien heeft circa 20 % van de laaggeschoolden een tijdelijke arbeidsovereenkomst - een percentage dat beduidend hoger is dan bij hoog en middelbaar opgeleide werknemers (circa 12-13 %).

Het aandeel werknemers dat onvrijwillig tijdelijk werk heeft, is tussen 2008 en 2010 met circa 2 % gestegen; dit fenomeen doet zich met name voor in Litouwen en Ierland, twee landen die behoren tot de landen die het zwaarst getroffen zijn door de crisis, evenals in Tsjechië, Denemarken en Groot-Brittannië.

3.8   Armoede ondanks een baan: uit de gegevens van Eurostat voor 2009 blijkt dat zowel werknemers met een arbeidscontract voor bepaalde duur als werknemers met een deeltijdbaan, maar ook jongeren en alleenstaande ouders ondanks hun baan een groter risico lopen om in armoede te vervallen dan werknemers met een arbeidscontract voor onbepaalde duur en werknemers met een voltijdbaan.

Voor jonge werknemers (18-24 jaar) is het risico op armoede ondanks het feit dat ze een baan hebben  (14), aanmerkelijk groter dan gemiddeld voor de groep van 25- tot 64-jarigen in verscheidene EU-lidstaten het geval is.

Ook alleenstaande ouders, die er dikwijls niet aan ontkomen om in deeltijd te werken, en laaggeschoolden worden onevenredig hard getroffen door het fenomeen tijdelijk werk en deeltijdarbeid en zijn daarnaast oververtegenwoordigd bij laagbetaald voltijdwerk, hetgeen resulteert in een hoger aandeel onder arme werknemers.

4.   Europees bezuinigingsbeleid bemoeilijkt de situatie op de arbeidsmarkt en de verwezenlijking van werkgelegenheidsdoelstellingen

4.1   De gelijktijdige invoering van bezuinigingsprogramma's in de EU kan de wederzijds versterkende neerwaartse beweging versnellen en de groeivooruitzichten verder versomberen. Aangezien sommige landen onvoldoende aandacht besteden aan de noodzakelijke structurele hervormingen en er zich geen nieuwe groeimogelijkheden aandienen, hebben bezuinigingen negatieve gevolgen voor de binnenlandse vraag (de laatste pijler van de economie) en leiden die tot dalende belastinginkomsten en stijgende sociale uitgaven. Het ziet ernaar uit dat de begrotingstekorten verder zullen toenemen. Daarmee dreigen steeds meer EU-lidstaten hun vermogen tot het nemen van economische maatregelen te verliezen. De aanpak om begrotingsconsolidatie hoofdzakelijk door bezuinigingen te bereiken, is daarmee niet alleen in sociaal opzicht twijfelachtig, maar heeft tevens nadelige gevolgen voor de mogelijkheden tot toekomstgericht economisch herstel. Het baart het EESC ernstige zorgen dat de crisis met deze maatregelen niet zal worden overwonnen en dat ook de in de Europese werkgelegenheidsstrategie geformuleerde doelstellingen niet te verwezenlijken zullen zijn.

4.2   Het EESC dringt derhalve nogmaals aan op een tweede Europees economisch herstelplan van veel ruimere opzet voor de arbeidsmarkt, in de orde van grootte van 2 % van het bbp (15). Behalve extra nationale investeringen, die op gecoördineerde wijze moeten worden uitgevoerd, zodat het werkgelegenheidsbeleid meer vruchten afwerpt, moeten er Europese investeringsprojecten worden afgesproken. Van de geplande extra uitgaven dient 1 % van het bbp bestemd te zijn voor investeringen die veel arbeidsplaatsen opleveren, en daarnaast dient 1 % uitdrukkelijk ter beschikking te worden gesteld voor maatregelen voor de arbeidsmarkt, die afhankelijk van de situatie ter plaatse per lidstaat verschillend kunnen zijn.

4.3   Niet alles moet op overheidsbegrotingen worden afgewenteld: het redden van banken, sociale uitgaven, innovatieve investeringen en stimulerende maatregelen voor ondernemingen. Volgens het EESC zijn voor een slimme begrotingsconsolidatie niet alleen bezuinigingen noodzakelijk, die sociaal aanvaardbaar moeten zijn, maar moeten er eveneens nieuwe inkomstenbronnen worden aangeboord. De lidstaten moeten met name meer belastingopbrengsten genereren. Ook moet het belastingstelsel integraal aan een algemene heroverweging worden onderworpen, waarbij moet worden gekeken naar de bijdragen van de verschillende soorten inkomen en vermogen. Dit dient gepaard te gaan met een verbetering van de efficiëntie en doelmatigheid van de overheidsuitgaven.

4.4   Het EESC is van mening dat de bezuinigingen het risico op armoede niet mogen verhogen en de ongelijkheid, die de afgelopen jaren is toegenomen, niet verder mogen aanscherpen. Bij alle maatregelen ter bestrijding van de crisis moet erop worden gelet dat deze de stimulering van de vraag en de werkgelegenheid tijdens en na de crisis niet tegenwerken, en sociale knelpunten tegengaan. De lidstaten moeten er daarbij op toezien dat de maatregelen om de economische crisis en de staatsschuld te boven te komen, de overheid er niet van weerhouden te investeren in de arbeidsmarkt en in onderwijs en opleiding. Het EESC dringt aan op doeltreffende sociale-effectbeoordelingen om na te gaan hoe de Europese doelstelling om ten minste 20 miljoen mensen tegen 2020 een uitweg uit armoede en sociale uitsluiting te bieden, kan worden verwezenlijkt.

4.5   Bezuinigingen treffen diegenen die afhankelijk zijn van overheidsuitkeringen, onder wie ook mensen in onzekere arbeidssituaties en andere kansarme groepen op de arbeidsmarkt, het eerst en het hardst. Degenen die het zwaarst worden getroffen door werkloosheid, zijn doorgaans ook degenen die beperkt toegang hebben tot overheidssteun. Om die reden zijn voldoende, doelmatige en duurzame sociale vangnetten nodig, waarbij de aandacht met name moet uitgaan naar de zwaarst getroffen en kansarme groepen op de arbeidsmarkt (onder meer jongeren, migranten, Roma, gehandicapten, alleenstaande ouders, laaggeschoolden).

4.6   Het EESC heeft zich onlangs uitgesproken over de uitdagingen ten aanzien van de vergrijzing van de Europese arbeidsmarkt en heeft daarbij geconstateerd dat een optimale benutting van het beschikbare arbeidspotentieel de meest doeltreffende strategie is om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Dit vergt een gericht groeibeleid evenals een arbeidsparticipatiebevorderend beleid. Dit betekent aanpassing van de organisatie van het werk aan de oudere werknemer, uitbreiding van de opleidings- en bijscholingsmogelijkheden, het scheppen van hoogwaardige, productieve arbeidsplaatsen, waarborging van een solide socialezekerheidsstelsel en omvattende maatregelen om werk en gezin te combineren (16). Daarnaast moet ten volle worden geprofiteerd van het potentieel van de zilveren economie ("Silver Economy").

5.   Eisen en aanbevelingen ten aanzien van werkgelegenheid voor jongeren en langdurig werklozen

5.1   Vastlegging van ambitieuze Europese doelstellingen met betrekking tot werkgelegenheid voor jongeren en langdurig werklozen

5.1.1

De huidige richtsnoeren omvatten een indicator voor de vermindering van het aantal jongeren dat noch aan het werk is, noch onderwijs of een opleiding volgt (NEET). De lidstaten hebben weliswaar onderscheid gemaakt in de maatregelen overeenkomstig de uiteenlopende bijzonderheden van de NEET-groepen, waarbij de aandacht met name uitging naar de kansarmen (17), maar desondanks zijn er nog steeds geen concrete doelstellingen ten aanzien van de bestrijding van jeugdwerkloosheid en het verbeteren van de werkgelegenheid voor jongeren. Het EESC dringt er nogmaals op aan dat dit centrale thema duidelijker tot uitdrukking komt in de richtsnoeren, onder meer door de formulering van meetbare Europese doelen met betrekking tot werkgelegenheid voor jongeren: in het bijzonder 1) een streefcijfer voor een significante verlaging van de jeugdwerkloosheid en 2) een maximumtermijn van vier maanden voor het "activeren" van jongeren die op zoek zijn naar een baan of een opleidingsplek. Het heeft tot dusver in elk geval nauwelijks vruchten afgeworpen dat het opstellen van specifieke doelstellingen ten aanzien van werkgelegenheid voor jongeren aan de lidstaten is overgelaten. Slechts enkele landen hebben op dit gebied doelen in hun nationale hervormingsprogramma's geformuleerd (18).

5.2   Systematische tenuitvoerlegging door de lidstaten van "Jeugdgarantie" met betrekking tot NEET

5.2.1

Het EESC is verheugd dat zijn roep om een garantie door de lidstaten dat alle schoolverlaters binnen vier maanden een baan, een beroepsopleiding of activerende en op arbeidsmarktintegratie gerichte maatregelen moeten worden aangeboden, in de vorm van een voorstel voor een "Jeugdgarantie" in het vlaggenschipinitiatief "Jeugd in beweging" is opgenomen (19). Het EESC sluit zich in dit verband volledig aan bij de eisen van de Commissie dat de lidstaten onmiddellijk moeten vaststellen welke belemmeringen er op dit gebied bestaan. Er moeten in het kader van de nationale hervormingsplannen concrete maatregelen worden geformuleerd om deze belemmeringen op te heffen. Om die reden zal de specifieke ondersteuning van openbare diensten voor de arbeidsvoorziening in vele lidstaten grondig moeten worden uitgebreid, waarbij de aandacht voornamelijk uitgaat naar kansarmen (vooral ook mensen met een migrantenachtergrond en Roma).

5.2.2

De lidstaten worden opgeroepen om de algemene prioriteiten in de werkgelegenheidsrichtsnoeren op het gebied van jongeren op doeltreffende wijze te verwezenlijken en voor zichzelf ambitieuze doelen en oogmerken te stellen, zoals evenwichtige maatregelen voor meer flexibiliteit en zekerheid, een beleid ter bevordering van arbeidsmobiliteit, de invoering van adequate socialezekerheidsstelsels ter waarborging van arbeidsmarkttransities, de bevordering van ondernemerschap en adequate randvoorwaarden voor het behoud en het scheppen van arbeidsplaatsen, met name bij het midden- en kleinbedrijf.

5.3   Extra EU-middelen en gemakkelijker toegang tot EU-middelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid

5.3.1

Om de jeugdwerkloosheid op korte termijn terug te dringen moeten er volgens het EESC in het kader van het sociale, onderwijs- en arbeidsmarktbeleid specifieke maatregelen worden genomen, zeker nu de begrotingen overal onder druk staan. Zoals de Commissie in haar recente initiatief "Kansen voor jongeren" (20) stelt, is het inderdaad zo dat "snelle en niet-bureaucratische steun geboden is, en dan vooral in die landen waar de jeugdwerkloosheid het ernstigst is" (21). Lidstaten die niet alleen een ongunstige arbeidsmarkt voor jongeren en een hoog aantal langdurig werklozen hebben, maar ook nog eens bezuinigingen moeten doorvoeren, zouden gemakkelijker toegang moeten krijgen tot middelen uit EU-fondsen voor met name maatregelen in het kader van de "Jeugdgarantie" en voor investeringen voor het scheppen van banen. De administratieve procedures voor het verkrijgen van middelen moeten worden vereenvoudigd en tegelijkertijd pragmatischer en flexibeler worden vormgegeven. De verplichting tot nationale cofinanciering voor het verkrijgen van middelen uit het ESF of andere Europese fondsen zou tijdelijk buiten werking moeten worden gesteld.

5.4   Adequate middelen voor het bestrijden van de jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid in de EU-begroting

5.4.1

Ondanks het feit dat de begrotingsprioriteiten als gevolg van de economische crisis in alle EU-lidstaten opnieuw zullen moeten worden gedefinieerd, is het, zoals het EESC reeds heeft benadrukt, belangrijk om nationale en communautaire middelen beschikbaar te blijven stellen voor opleidingen en banen voor jongeren en langdurig werklozen en waar nodig voor dit doel zelfs extra middelen te reserveren (22). Daarom wil het EESC dat er in de financiële vooruitzichten voor ná 2014 voldoende middelen uit het ESF worden vrijgemaakt voor op jongeren en langdurig werklozen gerichte initiatieven  (23). Het EESC vindt ook dat onderzocht moet worden welke andere EU-fondsen kunnen worden ingezet voor het financieren van maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid.

5.5   Betere toegang van jongeren en langdurig werklozen tot uitkeringen bij werkloosheid

5.5.1

De EU-lidstaten verschillen sterk van elkaar als het gaat om de toegang tot en de omvang van sociale uitkeringen, en dat geldt niet alleen voor jongeren. In de werkgelegenheidsrichtlijnen worden de lidstaten terecht opgeroepen hun systemen voor sociale zekerheid aan te passen om ervoor te zorgen dat er bij het flexibeler maken van de arbeidsmarkt geen sociale lacunes ontstaan. Die eis is op alle leeftijdscategorieën in gelijke mate van toepassing. Volgens het EESC wordt in de meeste lidstaten aan de steeds beperktere toegang van jongeren tot werkloosheidsuitkeringen echter te weinig aandacht besteed (24). In sommige landen zijn de voorwaarden voor toegang tot zulke uitkeringen voor de door de crisis getroffen groepen (waaronder ook jongeren) ietwat versoepeld. Deze maatregelen zijn echter tijdelijk en het is altijd mogelijk dat ze bij volgende besparingsronden worden ingetrokken.

5.5.2

Het EESC roept alle lidstaten op om de voorwaarden voor uitkeringen ten behoeve van werkloze jongeren en langdurig werklozen die werkwillig zijn en een baan zoeken of een opleiding willen volgen, te analyseren en indien nodig te verbeteren. Het zou een goede zaak zijn om daarvoor in de nationale hervormingsprogramma’s doelstellingen vast te leggen. Op die wijze kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan het opheffen van de onzekere situaties waarin veel jongeren in hun gang naar de arbeidsmarkt komen te verkeren.

5.6   Bestrijding van onzekere en niet gereguleerde banen in het kader van stages

5.6.1

De werkloosheid onder 15- tot 24-jarigen ligt twee keer zo hoog als bij volwassenen. Daar komt bij dat jongeren uit deze leeftijdscategorie vaak onzekere banen hebben (in sommige landen meer dan 60 %), of niet-gereguleerde banen in het kader van stages (vooral in zuidelijke landen (25)). Verder zijn ze vaak te hoog gekwalificeerd voor het werk dat ze doen. Wat de arbeidsmarktintegratie betreft, wordt door het EESC afgeraden om al te veel gebruik te maken van oplossingen die geen zekerheid bieden en uitzichtloos zijn: in plaats van onzekere banen en arbeidsbetrekkingen moeten er maatregelen worden genomen om te verhinderen dat slecht betaalde tijdelijke banen met onvoldoende sociale zekerheid voor jongeren de norm worden.

5.6.2

Het EESC heeft er in talrijke adviezen op gewezen dat opleidingen voor jongeren moeten worden aangepast en dat trainingsdoelstellingen zodanig moeten worden gedefinieerd, dat jongeren die opleidingen kiezen waar op de arbeidsmarkt daadwerkelijk behoefte aan bestaat (26). Om de bestaande kloof tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt – voor een deel het gevolg van ontoereikende kwalificaties, beperkte geografische mobiliteit en inadequate beloningen (27) – te verkleinen moeten onderwijsinstellingen hun leerprogramma's ook afstemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt; werkgevers zullen van hun kant hun kanalen voor de aanwerving van personeel moeten verbreden en overheden zullen moeten investeren in werkzame en doeltreffende, op de arbeidsmarkt gerichte maatregelen. Zij die een opleiding volgen, hebben zelf ook een verantwoordelijkheid wat betreft hun toekomstige kansen op de arbeidsmarkt.

5.6.3

Wat het initiatief van de Commissie met betrekking tot stages aangaat, is het EESC voorstander van een Europees kwaliteitskader. Daartoe zal moeten worden samengewerkt met ondernemingen, zodat die leerstages kunnen aanbieden, met wederzijds bindende arbeidscontracten. Speciale aandacht dient daarbij uit te gaan naar jongeren met opleidingachterstanden. Een dergelijk duaal systeem, met een algemene én een beroepsgerichte opleiding, heeft in een aantal landen tot goede resultaten geleid. Het zou dus een goede zaak zijn te onderzoeken of zo’n systeem ook – voor een deel – door andere landen kan worden overgenomen.

5.7   Grondbeginselen voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid

5.7.1

Bij de aanpak van de jeugdwerkloosheid zouden de volgende grondbeginselen moeten gelden: de inzetbaarheid van jongeren verbeteren door het onderwijs beter af te stemmen op de arbeidsmarkt, mede door middel van samenwerkingsverbanden tussen scholen, bedrijven en sociale partners; actieve arbeidsmarktmaatregelen, zoals betere steun en stimulansen voor jongeren om te gaan werken; nagaan wat het effect is van de wetgeving op de arbeidsbescherming (employment protection legislation - EPL); ondernemersschap van jongeren steunen.

5.8   Bestrijding van langdurige werkloosheid en verlies van het contact met de arbeidsmarkt

5.8.1

De als gevolg van de crisis almaar voortdurende stagnering van de vraag naar arbeidskrachten leidt tot een toename van langdurige werkloosheid, waardoor de toegang tot de arbeidsmarkt ernstig wordt bemoeilijkt en dientengevolge de werkloosheidsgerelateerde armoede groter wordt. Het EESC beveelt de lidstaten aan om in het bijzonder aandacht te schenken aan het creëren van intermediaire arbeidsmarkten, waarbij m.b.v. overheidsmiddelen een redelijk aantal passende arbeidsplaatsen wordt geschapen, zodat langdurig werklozen hun aansluiting op de arbeidsmarkt niet verliezen en hun vaardigheden kunnen bijspijkeren. Dit zal een toename van werkloosheidsgerelateerde armoede voorkomen en werklozen de kans bieden om na de crisis vlot weer toegang te krijgen tot de open arbeidsmarkt.

Brussel, 22 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  EESC-advies over het "Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten – Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020"; rapporteur: de heer Greif (PB C 21 van 21.1.2011, blz. 66).

(2)  Het EESC heeft in talloze adviezen en bij meerdere gelegenheden zijn visie gegeven op de effecten van de crisis en de stappen die nodig zijn om deze te bestrijden. Een goed voorbeeld is de verklaring van de voorzitter tijdens de zitting van december 2011: http://www.eesc.europa.eu/resources/docs/di_ces20-2011_di_nl.doc.

(3)  Zie bijvoorbeeld de onlangs gepubliceerde Najaarsprognose 2011-2013 van de Europese Commissie.

(4)  Zie voor de maatschappelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving voor economisch bestuur het EESC-advies van 22 februari 2012 over "De maatschappelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving voor economisch bestuur"; rapporteur: mevrouw Bischoff (zie blz. 23 van dit Publicatieblad).

(5)  Tenzij anders aangegeven, zijn de gegevens afkomstig uit de EU-arbeidskrachtenenquête: (http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/labour_market/introduction) en hebben zij betrekking op het tweede kwartaal van 2011. De leeftijdsgroep betreft doorgaans 15- tot en met 64-jarigen.

(6)  Zie hoofdstuk 7 van het EESC-advies getiteld "Jeugd in beweging", rapporteur: de heer Trantina, mederapporteur: de heer Mendoza Castro (PB C 132 van 3.5.2011, blz. 55).

(7)  De kosten van de uitsluiting van jongeren van de arbeidsmarkt in de EU bedragen volgens de meest recente berekeningen van Eurofound bijna 100 miljard euro per jaar.

(8)  Om mogelijke vertekeningen als gevolg van hoge percentages inactieve jongeren die nog een opleiding volgen, weg te nemen, gaat het bij dit cijfer om alle economisch actieve jongeren.

(9)  Zie: http://ec.europa.eu/europe2020/priorities/smart-growth/index_nl.htm.

(10)  Zie: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/education/introduction.

(11)  Zie: EMCO/28/130911/EN-rev3, blz. 27 e.v.

(12)  Onvrijwillige deeltijdarbeid wordt gedefinieerd als "kon geen voltijdbaan vinden".

(13)  Het is raadzaam dat Eurostat de cijfers voor werknemers met een arbeidscontract voor bepaalde tijd en uitzendkrachten in de toekomst apart vermeldt.

(14)  Minder dan 60 % van het nationale equivalent van het middeninkomen van gezinnen.

(15)  Zie paragraaf 3.1 van het EESC-advies over de "Resultaten van de werkgelegenheidstop", rapporteur: de heer Greif (PB C 306/70 van 16.12.2009).

(16)  EESC-advies over "De toekomst van de Europese arbeidsmarkt – Adequaat reageren op de demografische ontwikkelingen", rapporteur: de heer Greif (PB C 318/1 van 29.10.2011).

(17)  "Young People and NEETs in Europe: first findings" – EUROFOUND – EF1172EN http://www.eurofound.europa.eu/pubdocs/2011/72/en/1/EF1172EN.pdf.

(18)  Slechts vier landen (België, Tsjechië, Bulgarije, Estland) hebben in 2011 nationale doelen ter bestrijding van jeugdwerkloosheid in hun nationale hervormingsplannen geformuleerd.

(19)  "Jeugd in beweging", COM(2010) 477, paragraaf 5.4.

(20)  Zie de daarop betrekking hebbende voorstellen van de Commissie in het recente initiatief "Kansen voor jongeren" COM(2011)933.

(21)  In richtsnoer 7, Besluit 2010/707/EU van de Raad.

(22)  Zie ook het EESC-advies over het "Jeugd in beweging" (PB 132/55 van 3.5.2011) en hoofdstuk 8 van het EESC-advies over "De crisis, het onderwijs en de arbeidsmarkt", rapporteur Mário SOARES (PB C 318/50 van 29.10.2011).

(23)  Zo verlangt het EESC dat ten minste 40 % van de ESF-middelen voor het scheppen van banen en beroepsmobiliteit wordt gereserveerd. Bij te ondernemen projecten komen dan vooral maatregelen voor jongeren centraal te staan. Zie EESC-advies over het Europees Sociaal Fonds, rapporteur de heer Verboven, corapporteur: de heer Cabra de Luna, paragraaf 1.5 en 4.1.2 (zie blz. 82 van dit Publicatieblad).

(24)  Uit gegevens van de arbeidskrachtenenquête (Eurostat) blijkt dat jongeren in de leeftijdscategorie van 15 tot 24 jaar in de EU-27 gemiddeld driemaal minder toegang tot werkloosheidsuitkeringen hebben dan andere groepen. Sinds het begin van de crisis is geen noemenswaardige verandering vastgesteld.

(25)  In Noord-Europese landen is dit een minder ernstig probleem. Men heeft daar jarenlange praktische ervaring met gereguleerde betrekkingen tussen leerlingen/studenten, onderwijsinstellingen en werkgevers. Hetzelfde geldt voor de landen waar een goed ontwikkeld en beproefd duaal onderwijssysteem bestaat (Duitsland, Oostenrijk).

(26)  Zie het EESC-advies inzake "Modernisering hoger onderwijs" (in voorbereiding) (nog niet gepubliceerd in het PB), het EESC-advies inzake "Werkgelegenheid voor jongeren, technische kwalificaties en mobiliteit" (PB C 68/11 van 6.3.2012), rapporteur: mevrouw Andersen; en het EESC-advies inzake "Beroepsonderwijs en opleiding op postsecundair niveau" (PB C 68/1 van 6.3.2012), rapporteur mevrouw Drbalová.

(27)  Zie ook COM(2011)933: Initiatief "Kansen voor jongeren".


22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/102


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma — „Gezondheid voor groei, het derde meerjarig actieprogramma van de EU op het gebied van gezondheid voor de periode 2014-2020”

(COM(2011) 709 final — 2011/0339 (COD))

2012/C 143/19

Algemeen rapporteur: Béatrice OUIN

Het Europees Parlement en de Raad hebben op respectievelijk 30 november en 12 december 2011 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Gezondheid voor groei, het derde meerjarig actieprogramma van de EU op het gebied van gezondheid voor de periode 2014-2020

COM(2011) 709 final – 2011/0339 (COD).

Op 6 december 2011 heeft het bureau van het EESC besloten om de afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden te belasten (algemeen rapporteur: Béatrice OUIN).

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het EESC tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 23 februari) mevrouw OUIN als algemeen rapporteur aangewezen en vervolgens onderstaand advies met 169 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 4 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité verheugt zich over het initiatief van de Commissie omdat het derde programma in deze tijden van crisis een positief signaal geeft aan de Europese burgers. Het is ingenomen met dit specifieke programma voor gezondheid waarvan het (weliswaar bescheiden) budget is opgetrokken.

1.2

Het is zeer tevreden dat het programma op een beperkt aantal prioriteiten is toegespitst en dat de maximumsubsidie voor landen met een bruto nationaal inkomen per inwoner van minder dan 90% van het EU-gemiddelde wordt verhoogd (1).

1.3

Het deelt de mening dat er moet worden gestreefd naar een beter gebruik van de personele en financiële hulpmiddelen en waarschuwt tegen pogingen om in tijden van crisis te snijden in overheidsbegrotingen en -diensten voor gezondheid.

1.4

Op gezondheidsgebied wordt een Europese meerwaarde verworven door uitwisseling van goede praktijken aan te moedigen en door breder invulling te geven aan de principes dat gezondheid in alle beleidslijnen moet worden meegenomen, dat ongelijkheid op gezondheidsgebied moet worden bestreden en dat armoede en sociale uitsluiting moeten worden tegengegaan.

1.5

Preventie is van cruciaal belang om de bevolking gezond te houden. Gezondheidseducatie, verbetering van de arbeids-, leef- en woonomstandigheden spelen daarbij een rol. Gezond ouder worden wordt gedurende het hele leven voorbereid.

1.6

Ook al is er een algemeen gebrek aan arbeidskrachten in deze sector, toch kan naar gemeenschappelijke oplossingen worden gezocht. Zo kan worden gedacht aan gelijke behandeling van vrouwen en mannen in het beroepsleven, herwaardering van vaardigheden en lonen, erkenning van de technische hoogwaardigheid, aandacht voor opgedane kennis in het kader van informeel werk voor het gezin, gemengde beroepen, verbetering van de arbeidsomstandigheden en de organisatie van de werktijd, levenslang leren, loopbaanbeëindiging rekening houdend met de fysieke en psychologische lasten voor zorgwerkers.

1.7

Het is beter om werklozen voor de bedoelde beroepen op te leiden dan om reeds opgeleide werknemers aan te trekken uit derde landen of andere EU-landen, daar die landen het anders immers zonder hun competenties moeten stellen.

1.8

Het moet voor de familie en de gemeenschap (vrienden, buren, enz.) daadwerkelijk mogelijk worden om voor zieken en hulpbehoevenden te zorgen; dit kan door de tijd waarin gewerkt wordt, beter over het hele leven te spreiden.

1.9

Er moeten meer ervaringen worden uitgewisseld m.b.t. het gebruik van e-gezondheidssystemen door zowel zorgwerkers als particulieren. Ook moet een Europees kader worden uitgewerkt om:

vertrouwelijke gegevens te beschermen in geval van grensoverschrijdende uitwisseling van patiëntendossiers of voorschriften;

de juistheid van de op websites verspreide informatie voor allen te verzekeren via een systeem van accreditatie door de bevoegde gezondheidsautoriteiten.

1.10

Wat de prioriteiten (tabak, alcohol, obesitas en hiv) betreft, dient melding te worden gemaakt van de volgende nieuwe risico's i.v.m.:

klimaatverandering, vervuiling, verspreiding van chemische producten, nanotechnologieën;

veiligheid van medicijnen en prothesen, en overconsumptie van geneesmiddelen;

veranderde levens- en voedingsgewoonten en de gevolgen daarvan voor de voortplanting;

de geestelijke gezondheid, stress, depressie, de ziekte van Alzheimer.

1.11

Nieuwe technologieën in de gezondheidszorg moeten volgens het EESC verder worden bevorderd teneinde de werklast van zorgwerkers te verlichten, de zorgkwaliteit en de steun aan patiënten te verbeteren en mobiliteit van ouderen te vergroten en in stand te houden.

2.   De context

2.1

Het Comité heeft de laatste twee jaar tal van adviezen over gezondheidskwesties uitgebracht, gaande van de bestrijding van ongelijkheid in de gezondheidszorg, over de bestrijding van alcoholmisbruik, de ziekte van Alzheimer, kanker en tabaksverslaving tot de patiëntveiligheid (2).

2.2

Ook al kan de sector van de gezondheidszorg een waardevolle bijdrage leveren aan de economische groei, voor gezondheid is méér nodig. Als gestreefd wordt naar verbetering van de duurzaamheid van de gezondheidsstelsels, waarvan gebruik wordt gemaakt als er reeds van ziekte sprake is, dan is het eerst en vooral zaak de bevolking gezond te houden door preventieve en volksgezondheidsmaatregelen, alsook door gezondheid in alle beleidslijnen mee te nemen. Het zou van nut zijn als meer statistieken over de prestaties van de zorgstelsels beschikbaar zouden zijn.

2.3

De economische crisis leidt tot zware bezuinigingen, die de kwaliteit van de openbare gezondheidsdiensten en de toegang van iedereen tot zorg op de helling zetten. Om de gezondheid van de bevolking in een context van demografische en klimaatverandering te beschermen moeten voldoende middelen worden ingezet.

2.4

Om in goede gezondheid te blijven moet al vanaf jonge leeftijd gezondheidsvoorlichting worden gegeven (in gezinsverband, door onderwijsinstellingen en media). Deze kan betrekking hebben op gezonde voeding voor alle leeftijden, het tegengaan van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, waardige levensomstandigheden, fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden, enz. Bijzondere nadruk moet worden gelegd op gezond ouder worden, daar ouderen – naast pasgeborenen – immers de grootste zorggebruikers zijn. Gezond oud worden moet vroeg worden voorbereid.

2.5

Om de gezondheidstoestand van de bevolking op peil te houden, en vandaar absenteïsme op het werk tegen te gaan en de kosten van de gezondheidszorg te verminderen, moeten de levens- en werkomstandigheden worden verbeterd en moet aan preventie worden gedaan.

2.6

Eerst en vooral dient de strijd te worden aangebonden tegen armoede en sociale uitsluiting. Koude, honger, onevenwichtige voeding, een gebrek aan hygiëne, ongezonde woonomstandigheden, vaak gekoppeld aan eenzaamheid, en het ontbreken van preventieve geneeskunde zijn maar enkele van de vele factoren die de ontwikkeling van ziekten in de hand werken, met name chronische ziekten, die met een zeer hoog kostenplaatje gepaard gaan voor de socialezekerheidsstelsels, d.i. voor alle burgers die aan de financiering ervan deelnemen.

2.7

Het Comité onderschrijft de doelstelling om bij te dragen aan innoverende en duurzame gezondheidszorgstelsels. Daarvoor moeten dan wel de nodige gemeenschappelijke instrumenten en mechanismen in het leven worden geroepen om het tekort aan personele en financiële middelen het hoofd te bieden. Er moeten meer middelen worden vrijgemaakt voor thuiszorg en lichte zorg door de uitgaven voor ziekenhuiszorg te herbekijken. Zo zou worden erkend dat er voor gezinnen een belangrijke rol is weggelegd wil men de volksgezondheid in stand houden en de duurzaamheid van het zorgstelsel verbeteren.

2.8

Gezondheidseducatie begint op prille leeftijd binnen het gezin en heeft betrekking op aspecten als hygiëne, evenwichtige voeding, gedrag alsook op stabiele affectieve relaties. Het gezin is niet alleen de plek waar in eerste instantie wordt aangeleerd hoe men gezond kan blijven, maar is ook de plek waar zieken verzorgd worden. Tal van ziekten vergen immers geen ziekenhuisopname, zodat zieken thuis in de familiekring kunnen blijven. Is opname wel noodzakelijk, dan zijn het naast de ziekenhuismedewerkers ook de gezinsleden en verwanten die de zieke psychologische en materiële steun bieden. Deze centrale functie van gezin en entourage moet behouden blijven, want personen die door ziekte verzwakt zijn, willen zich eerst en vooral door hun verwanten omringd en gesteund weten.

2.9

De wijzigingen in de gezinsstructuren zijn niet zonder gevolgen voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid. Daarom moet ook in een vroeg stadium worden opgetreden om te garanderen dat het gezin een gevoel van zekerheid kan blijven geven.

2.10

Het is geen vaststaand feit dat "de beschikbaarheid van informele zorg door de familie afneemt". Zieken verlangen in eerste instantie geen professionele zorg. Gezinsleden kunnen gezondheidswerkers niet vervangen voor handelingen die gespecialiseerde vakkennis vergen. Zieken en hun familie moeten evenwel een keuzemogelijkheid hebben wat betreft begeleidende taken bij thuisverzorging. Werkenden moeten dan ook de kans krijgen om tijdelijk niet te werken indien een gezinslid verzorging nodig heeft.

2.11

Nu alle pensioenstelsels moeten worden herzien, moet van de gelegenheid gebruik worden gemaakt om de tijd waarin gewerkt wordt, op een meer evenwichtige manier over het hele leven te spreiden. Door de langere levensduur kunnen mensen langer werken, en in dat verband moeten mannen en vrouwen ook de wens kunnen uiten om tijdens hun actieve leven gedurende langere perioden op voltijdse of deeltijdse basis vrij te nemen en daarbij, zoals bij een pensioen, een inkomen te blijven krijgen. Zo kunnen ze zich dan bezighouden met zieke naastefamilieleden, met zorgbehoevende ouderen, enz. Er moeten meer keuzemogelijkheden worden geboden zodat werknemers naargelang van hun behoeften kunnen beschikken over de tijd die door hun arbeid gefinancierd is, en niet alleen bij hun pensioen. De Europese sociale partners die reeds over ouderschapsverlof hebben onderhandeld, zouden dit ook kunnen doen voor de bedoelde vrije tijd of het tijdskrediet dat opgenomen wordt om indien nodig gezins- en beroepsleven beter op elkaar af te stemmen.

2.12

Wil het gezin een plek van solidariteit bij uitstek blijven, dan moet het ook over de nodige middelen kunnen beschikken. Er moet bij de berekening van de socialezekerheids- en pensioenrechten meteen rekening worden gehouden met de tijd die mensen hebben besteed aan de zorg voor een ziek of afhankelijk familielid.

2.13

Ook moet worden voorzien in diensten om zorgafhankelijken te helpen in hun dagelijks leven. Daarbij zij gedacht aan hulp bij het zich wassen, in het huishouden, bij het bereiden van maaltijden, alsook aan nachtoppas. De sector gezinshulp is dan ook volop in ontwikkeling en creëert tal van banen. In te veel landen is thuiswerk nog informeel werk, d.i. niet aangegeven en niet beschermd werk, zonder erkende kwalificatie, dat vaak door migrantenvrouwen wordt verricht. Op dit gebied is het van cruciaal belang gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen, want de rolpatronen zijn er nog erg stereotiep, vakmanschap wordt niet erkend, de contracten zijn tijdelijk of onbestaand en het loon is erg laag. Niettemin zijn dergelijke banen onontbeerlijk om de economie draaiende te houden. De conventie die de Internationale Arbeidsorganisatie onlangs heeft aangenomen over fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor huishoudelijk personeel zou de sector op een betere morele en professionele leest moeten helpen schoeien. Wel moeten hiervoor dan ook de nodige financieringsmiddelen worden gevonden, die niet alleen kunnen komen van de zieken of hun familie die deze zorg nodig hebben.

3.   Doelstellingen van het programma

3.1

In het programma wordt gepleit voor innoverende oplossingen om het personeelstekort aan te pakken. Nu er in Europa massale werkloosheid heerst, moet worden nagedacht over de moeilijkheden die de zorgsector niettemin heeft om mensen aan te werven. Deze bedrijfstak waarin vooral vrouwen werkzaam zijn, trekt niet genoeg jongeren en mannen aan. Een en ander is te wijten aan de kwalificaties en vaardigheden die onvoldoende worden erkend, de lastige werktijden en arbeidsvoorwaarden, alsook de lage lonen. Om op dit gebied gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen is een herwaardering van de lonen nodig, alsook meer erkenning van de technische vaardigheden en toegang tot levenslang leren.

3.2

Een belangrijke innovatie zou zijn de participatie van mannen te verhogen. Daarvoor zijn echter maatregelen nodig. De sociale partners moeten maatregelen aanmoedigen om de deelname van ondervertegenwoordigde groepen te bevorderen. Er moet op worden toegezien dat mensen die als zelfstandige zorgwerkers werken, toch de nodige rusttijd in acht nemen en niet doorgaan tot ze uitgeput zijn. Er moet meer aandacht uitgaan naar alle technische, organisatorische en sociale innovaties die de werkomstandigheden kunnen verbeteren en de vereiste inspanningen kunnen verlichten.

3.3

Een baan in de zorgsector is veeleisend omdat zieken de klok rond en iedere dag van de week hulp nodig hebben. Er moet 's nachts worden gewerkt en de arbeidstijden zijn moeilijk verenigbaar met een gezinsleven. Om tot aanvaardbare werkomstandigheden te komen moet het personeel nauw bij de beslissingen ter zake worden betrokken. De sociale partners moeten in het kader van het sociaal overleg in de sector nadenken over het hanteren van innoverende benaderingen van werken. Zo zou individueel beheer van de werktijd (self-rostering) in overweging kunnen worden genomen, met ondersteuning van ICT-instrumenten (informatie- en communicatietechnologie).