ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2011.326.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 326

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

54e jaargang
10 november 2011


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Rekenkamer

2011/C 326/01

Jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2010, vergezeld van de antwoorden van de instellingen

1

2011/C 326/02

Jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) over het begrotingsjaar 2010, vergezeld van de antwoorden van de Commissie

251

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Rekenkamer

10.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 326/1


Image

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 287, leden 1 en 4, VWEU en de artikelen 129 en 143, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) nr. 1081/2010 van het Europees Parlement en de Raad en de artikelen 139 en 156 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 houdende het Financieel Reglement van toepassing op het 10e Europees Ontwikkelingsfonds

heeft de Rekenkamer van de Europese Unie op haar vergadering van 8 september 2011 vastgesteld, haar

JAARVERSLAGEN

over het begrotingsjaar 2010.

Deze verslagen, tezamen met de antwoorden van de instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, zijn aan de kwijtingverlenende autoriteiten en aan de andere instellingen toegezonden.

De leden van de Rekenkamer zijn:

Vítor Manuel da SILVA CALDEIRA (President), David BOSTOCK, Morten Louis LEVYSOHN, Ioannis SARMAS, Igors LUDBORŽS, Jan KINŠT, Kersti KALJULAID, Massimo VARI, Juan RAMALLO, Olavi ALA-NISSILÄ, Karel PINXTEN, Ovidiu ISPIR, Nadejda SANDOLOVA, Michel CRETIN, Harald NOACK, Henri GRETHEN, Eoin O'SHEA, Szabolcs FAZAKAS, Louis GALEA, Ladislav BALKO, Augustyn KUBIK, Milan Martin CVIKL en Rasa BUDBERGYTĖ, Lazaros S. LAZAROU, Gijs DE VRIES, Harald WÖGERBAUER, Hans Gustaf WESSBERG.

JAARVERSLAG OVER DE UITVOERING VAN DE BEGROTING

2011/C 326/01

INHOUD

Algemene inleiding

Hoofdstuk 1 —

Betrouwbaarheidsverklaring en toelichting daarbij

Hoofdstuk 2 —

Ontvangsten

Hoofdstuk 3 —

Landbouw en natuurlijke hulpbronnen

Hoofdstuk 4 —

Cohesie, energie en vervoer

Hoofdstuk 5 —

Externe steun, ontwikkeling en uitbreiding

Hoofdstuk 6 —

Onderzoek en ander intern beleid

Hoofdstuk 7 —

Administratieve en andere uitgaven

Hoofdstuk 8 —

Resultaten behalen met de EU-begroting

Bijlage —

Financiële informatie betreffende de algemene begroting

ALGEMENE INLEIDING

0.1.

De Europese Rekenkamer is de instelling die bij het Verdrag is opgericht om de controle van de financiën van de Europese Unie (EU) te verrichten. Als externe controleur van de EU treedt zij op als onafhankelijk hoedster van de financiële belangen van de burgers van de Unie en draagt zij bij tot de verbetering van het financieel beheer van de EU. Meer informatie over de Rekenkamer is te vinden in haar jaarlijks activiteitenverslag dat, evenals haar speciale verslagen over de uitgavenprogramma’s en de ontvangsten van de EU en haar adviezen over nieuwe of gewijzigde regelgeving, beschikbaar is op haar website: www.eca.europa.eu.

0.2.

Dit is het 34ste jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting. Het heeft betrekking op het begrotingsjaar 2010. Een afzonderlijk jaarverslag betreft de Europese ontwikkelingsfondsen.

0.3.

De algemene begroting van de EU wordt jaarlijks vastgesteld door de Raad en het Europees Parlement. Het jaarverslag van de Rekenkamer vormt samen met haar speciale verslagen de grondslag voor de kwijtingsprocedure, waarbij het Europees Parlement beslist of de Europese Commissie haar verantwoordelijkheid voor de begrotingsuitvoering naar genoegen heeft vervuld. De Rekenkamer zendt haar jaarverslag naar de nationale parlementen en tegelijk ook naar het Europees Parlement en de Raad.

0.4.

De kern van het jaarverslag vormt de verklaring van de Rekenkamer (de „DAS”) over de betrouwbaarheid van de rekeningen van de Europese Unie en over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen (in het verslag genoemd „regelmatigheid van de verrichtingen”). Het verslag begint met de eigenlijke betrouwbaarheidsverklaring; in de rest van de tekst wordt voornamelijk verslag uitgebracht over het controlewerk waarop de betrouwbaarheidsverklaring berust.

Hoofdstuk 1 bevat de betrouwbaarheidsverklaring en geeft een overzicht van de resultaten van de door de Rekenkamer verrichte controle betreffende de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid van de verrichtingen, alsook een beknopt verslag over het begrotingsbeheer in 2010.

De hoofdstukken 2 tot en met 7 bevatten gedetailleerde controlebevindingen in de vorm van „specifieke beoordelingen” van de ontvangsten en uitgaven van de EU. Hoofdstuk 2 heeft betrekking op de ontvangstenzijde van de EU-begroting; de hoofdstukken 3 tot en met 7 behandelen vijf groepen van beleidsterreinen waarvoor uitgaven uit de EU-begroting worden goedgekeurd en geboekt. Deze groepen van beleidsterreinen komen in grote lijnen overeen met de rubrieken van het financieel kader 2007-2013, waarin de meerjarige bestedingsplannen van de EU globaal worden beschreven.

0.5.

De specifieke beoordelingen zijn vooral gebaseerd op de resultaten van het onderzoek van de Rekenkamer naar de regelmatigheid van de verrichtingen, op een beoordeling van de doeltreffendheid van de voornaamste systemen voor toezicht en controle op de betrokken ontvangsten en uitgaven, en op een beoordeling van de betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie.

0.6.

Het jaarverslag van dit jaar verschilt op een aantal belangrijke punten van eerdere jaarverslagen:

in de vorm en inhoud van de betrouwbaarheidsverklaring komen de herziene internationale controlestandaarden tot uitdrukking die begin 2011 van kracht werden (1);

de structuur van de specifieke beoordelingen is gewijzigd om een nuttiger analyse van de EU-bestedingen te kunnen geven. Hoofdstuk 4 omvat de EU-uitgaven aan energie en vervoer, alsmede de bestedingen uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds. Tegelijkertijd wordt over onderwijs, burgerschap, economische en financiële zaken en onderzoek verslag uitgebracht in hoofdstuk 6 — Onderzoek en ander intern beleid;

in een nieuw hoofdstuk over kwesties op het gebied van doelmatigheidscontroles (hoofdstuk 8) wordt de beoordeling van de prestaties geanalyseerd zoals die wordt uiteengezet in de door drie van de directeuren-generaal van de Commissie gepresenteerde jaarlijkse activiteitenverslagen, en wordt ingegaan op belangrijke thema’s die de door de Rekenkamer in 2010 vastgestelde speciale verslagen gemeen hebben.

0.7.

De antwoorden van de Commissie op de opmerkingen van de Rekenkamer — of, in voorkomend geval, de antwoorden van andere EU-instellingen en -organen — zijn in het document opgenomen. In een aantal van haar antwoorden geeft de Commissie een andere interpretatie van de bevindingen van de Rekenkamer of schrijft zij aan de Rekenkamer conclusies toe die de Rekenkamer niet heeft getrokken. Bij de beschrijving door de Rekenkamer van haar bevindingen en conclusies is rekening gehouden met het commentaar van de gecontroleerde. Het is echter de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer als extern controleur om verslag uit te brengen over haar bevindingen, conclusies uit die bevindingen te trekken en aldus een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen.


(1)  Met name ISSAI 1705 „Modifications to the Opinion in the Independent Auditor’s Report” (wijzigingen op de verklaring in het verslag van de onafhankelijk accountant) en ISSAI 4200 „Compliance Audit Related to the Audit of Financial Statements” (nalevingsgerichte controle in verband met de controle van de jaarrekening).


HOOFDSTUK 1

Betrouwbaarheidsverklaring en toelichting daarbij

INHOUD

De aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegde betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer — Verslag van de onafhankelijke accountant

Oordeel over de betrouwbaarheid van de rekeningen

Oordeel over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

Inleiding

Controlebevindingen betreffende het begrotingsjaar 2010

Betrouwbaarheid van de rekeningen

Regelmatigheid van de verrichtingen

Samenvatting van de specifieke beoordelingen in het kader van de DAS

Vergelijking met de resultaten van voorgaande jaren

Betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal

Oordeel van de interne controleur van de Commissie

Syntheseverslag van de Commissie

Gevolgen van het toegenomen gebruik van voorfinanciering

Begrotingsbeheer

DE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VOORGELEGDE BETROUWBAARHEIDSVERKLARING VAN DE REKENKAMER — VERSLAG VAN DE ONAFHANKELIJKE ACCOUNTANT

 (1)  (2)

 (3),

Betrouwbaarheid van de rekeningen

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

Ontvangsten

Vastleggingen

Betalingen

8 september 2011

Vítor Manuel da SILVA CALDEIRA

President

Europese Rekenkamer

12, rue Alcide De Gasperi, 1615 Luxemburg, LUXEMBURG

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

1.1.

In dit hoofdstuk van het jaarverslag:

wordt de achtergrond beschreven van de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer en worden de controlebevindingen en -conclusies die ten grondslag liggen aan de betrouwbaarheidsverklaring, samengevat en geanalyseerd (zie de paragrafen 1.2-1.25);

worden de gevolgen besproken van het toegenomen gebruik van voorfinanciering in de financiën van de Unie en de rekeningen van de Commissie (zie de paragrafen 1.26-1.37);

wordt de uitvoering van de begroting 2010 samengevat (zie de paragrafen 1.38-1.44);

wordt uitgelegd hoe de Rekenkamer haar DAS-controle verricht (zie bijlage 1.1 );

worden de door de Commissie getroffen maatregelen gepresenteerd met betrekking tot de opmerkingen van voorgaande jaren ten aanzien van de betrouwbaarheid van de rekeningen. Het omvat tevens het antwoord van de Commissie op de aanbevelingen over terugvorderingen en financiële correcties, die de Rekenkamer deed in haar Jaarverslag 2009 (zie bijlage 1.2 ).

 

1.2.

De Rekenkamer legt aan het Europees Parlement en aan de Raad een verklaring voor inzake de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen (DAS) (5). De Rekenkamer kan deze verklaring aanvullen met specifieke beoordelingen voor ieder belangrijk werkterrein van de EU (6).

 

1.3.

De werkzaamheden in verband met de betrouwbaarheid van de rekeningen van de Europese Unie zijn erop gericht conclusies te trekken over de mate waarin de ontvangsten en uitgaven, activa en passiva naar behoren zijn geboekt en vast te stellen dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële situatie per 31 december 2010, alsmede van de resultaten van de verrichtingen en kasstromen voor het per die datum afgesloten begrotingsjaar (zie de paragrafen 1.6-1.8).

 

1.4.

Het controlewerk in verband met de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen 2010 is erop gericht, te beoordelen of die verrichtingen overeenkomen met de geldende rechtsvoorschriften of contractbepalingen en of zij correct zijn berekend (zie de paragrafen 1.9-1.14 voor een overzicht van de resultaten en de hoofdstukken 2-7 voor nadere bijzonderheden).

 

1.5.

De Rekenkamer analyseerde de betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie, met name de verklaringen van de directeuren-generaal en de jaarlijkse activiteitenverslagen van de diensten van de Commissie en het daarmee verband houdende syntheseverslag, teneinde te beoordelen in hoeverre deze een getrouwe beoordeling geven van de kwaliteit van het financieel beheer en bijdragen tot de algehele zekerheid van de Rekenkamer (zie de paragrafen 1.17-1.20, alsmede 1.23-1.25 en „Betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie” in de hoofdstukken 2-7). De werkzaamheden omvatten tevens het onderzoeken van het voor het eerst uitgebrachte algemene advies van de interne controleur van de Commissie dat betrekking heeft op het financieel beheer van de Commissie in het begrotingsjaar 2010 (zie de paragrafen 1.21-1.22).

 

CONTROLEBEVINDINGEN BETREFFENDE HET BEGROTINGSJAAR 2010

Betrouwbaarheid van de rekeningen

1.6.

De opmerkingen van de Rekenkamer hebben betrekking op de jaarrekening van de Europese Unie (hierna „de rekeningen”) over het begrotingsjaar 2010, opgesteld door de rekenplichtige van de Commissie en goedgekeurd door de Commissie overeenkomstig artikel 129 van het Financieel Reglement van 25 juni 2002 (7), die de Rekenkamer op 27 juli 2011 heeft ontvangen. De jaarrekening omvat:

a)

de geconsolideerde financiële staten, die de balans (met de activa en passiva aan het eind van het jaar), de economische resultatenrekening (met de inkomsten en uitgaven over het jaar), de tabel van de kasstromen (die toont hoe mutaties op de rekeningen van invloed zijn op geldmiddelen en kasequivalenten) en de staat van veranderingen van de netto activa (die een toelichting geeft bij de mutaties in de netto activa), alsook de bijbehorende toelichtingen bevatten;

b)

de geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting, betreffende de ontvangsten en uitgaven van het jaar.

 

1.7.

De Rekenkamer ontving van de rekenplichtige van de Commissie een „representation letter” die bevestigde dat de rekeningen, behoudens enkele beperkingen zonder materieel belang (8), volledig en betrouwbaar zijn.

 

1.8.

De controle door de Rekenkamer van de rekeningen over 2010 heeft geen materiële onjuistheden aan het licht gebracht (zie echter de paragrafen 1.26-1.37 en de informatie over de follow-up van opmerkingen uit voorgaande jaren betreffende de betrouwbaarheid van de rekeningen in bijlage 1.2 ).

 

Regelmatigheid van de verrichtingen

Samenvatting van de specifieke beoordelingen in het kader van de DAS

1.9.

De Rekenkamer geeft in hoofdstuk 2 — Ontvangsten — en de hoofdstukken 3-7 specifieke beoordelingen over groepen beleidsterreinen waarop activiteitengeoriënteerd begroten (ABB) wordt toegepast (zie tabel 1.1 ). Iedere specifieke beoordeling bestaat uit een inleiding, bevindingen en conclusies met betrekking tot de regelmatigheid van de verrichtingen, de doeltreffendheid van de systemen en de betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie, alsmede rapportages over het antwoord van de Commissie op eerdere aanbevelingen van de Rekenkamer.

 

1.10.

Voor 2010 bestaat de in hoofdstuk 6 aan de orde komende beleidsgroep Onderzoek en ander intern beleid uit beleidsgroepen/-terreinen die in het Jaarverslag 2009 deel uitmaakten van andere specifieke beoordelingen (9).

 

Tabel 1.1 —   Betalingen in 2010 per hoofdstuk van het jaarverslag

(miljoen euro)

Afdelingen (Afd.) en titels (T.)  (43) overeenkomend met de begrotingsnomenclatuur 2010 uitgesplitst per hoofdstuk van het jaarverslag van de Rekenkamer

Betalingen in 2010  (44)

Hoofdstukken van het jaarverslag

Landbouw en natuurlijke hulpbronnen

56 841

Landbouw en plattelandsontwikkeling (T.05)

Milieu (T.07)

Visserij en maritieme zaken (T.11)

Gezondheidszorg en consumentenbescherming (T.17)

 

Cohesie, energie en vervoer

40 630

Werkgelegenheid en sociale zaken (T.04)

Energie en vervoer (T.06)

Regionaal beleid (T.13)

 

Externe steun, ontwikkeling en uitbreiding

6 543

Externe betrekkingen (T.19)

Ontwikkeling en betrekkingen met de ACS-landen (T.21)

Uitbreiding (T.22)

Humanitaire hulp (T.23)

 

Onderzoek en ander intern beleid

8 953

Economische en financiële zaken (T.01)

Ondernemingen (T.02)

Concurrentie (T.03)

Onderzoek (T.08)

Informatiemaatschappij en media (T.09)

Eigen onderzoek (T.10)

Interne markt (T.12)

Onderwijs en cultuur (T.15)

Communicatie (T.16)

Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (T.18)

Handel (T.20)

 

Administratieve en andere uitgaven

9 264

Parlement (Afd. I)

Raad (Afd. II)

Commissie (Afd. III)

Hof van Justitie (Afd. IV)

Rekenkamer (Afd. V)

Economisch en Sociaal Comité (Afd. VI)

Comité van de Regio's (Afd. VII)

Europese Ombudsman (Afd. VIII)

Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (Afd. IX)

 

Totaal-generaal

122 231

1.11.

De Rekenkamer concludeert dat Ontvangsten (127 795 miljoen euro) (10) en de betalingen in de beleidsgroep Administratieve en andere uitgaven (9 264 miljoen euro) geen fouten van materieel belang vertoonden en dat de toezicht- en controlesystemen doeltreffend waren (zie tabel 1.2 en de paragrafen 2.41, 2.42, 7.33 en 7.34). De vastleggingen voor alle beleidsgroepen vertoonden evenmin fouten van materieel belang.

 

1.12.

De Rekenkamer concludeert dat de beleidsgroep Onderzoek en ander intern beleid (8 953 miljoen euro) geen fouten van materieel belang vertoonde en dat de toezicht- en controlesystemen gedeeltelijk doeltreffend waren in het waarborgen van de regelmatigheid van de betalingen. De tussentijdse en saldobetalingen voor kaderprogramma's (KP's) voor onderzoek vertoonden echter fouten van materieel belang (zie tabel 1.2 en de paragrafen 6.48 en 6.49). De Rekenkamer concludeert tevens dat de beleidsgroep Externe steun, ontwikkeling en uitbreiding (6 543 miljoen euro) geen fouten van materieel belang vertoonde en dat de toezicht- en controlesystemen gedeeltelijk doeltreffend waren in het waarborgen van de regelmatigheid van de betalingen. De tussentijdse en saldobetalingen vertoonden echter fouten van materieel belang (zie tabel 1.2 en de paragrafen 5.35 en 5.36).

 

1.13.

De Rekenkamer concludeert dat de beleidsgroepen Landbouw en natuurlijke hulpbronnen (55 990 miljoen euro aan vergoede uitgaven) en Cohesie, energie en vervoer (37 556 miljoen euro aan vergoede uitgaven) fouten van materieel belang vertoonden. De door het GBCS (11) bestreken rechtstreekse betalingen aan landbouwers vertoonden echter geen fouten van materieel belang. De Rekenkamer concludeert tevens dat de gecontroleerde toezicht- en controlesystemen van de beleidsgroep Landbouw en natuurlijke hulpbronnen gedeeltelijk doeltreffend waren. Bovendien concludeert de Rekenkamer dat het geheel van de controle-instanties van de beleidsgroep Cohesie, energie en vervoer gedeeltelijk doeltreffend was in het waarborgen van de regelmatigheid van verrichtingen (zie tabel 1.2 en de paragrafen 3.55, 3.56, 4.47 en 4.48).]

1.13.

De conclusie van de Rekenkamer met betrekking tot de beleidsgroep Landbouw en natuurlijke hulpbronnen bevestigt de positieve tendens dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage de afgelopen jaren dicht bij de materialiteitsdrempel van 2 % ligt. Voorts merkt de Commissie op dat voor de uitgaven van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), die in 2010 77 % van de totale uitgaven binnen dit hoofdstuk vertegenwoordigden, het meest waarschijnlijke foutenpercentage ruim onder de materialiteitsdrempel ligt en dat het foutenpercentage voor de directe betalingen die onder het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) vallen, zelfs nog lager is. Bovendien wordt het risico voor de EU-begroting door de conformiteitsgoedkeuringsprocedure op adequate wijze afgedekt. Zie ook het antwoord op paragraaf 3.17.

De Commissie beschouwt het GBCS als een doorgaans efficiënt controlesysteem waarmee het risico op fouten of onregelmatige uitgaven kan worden beperkt. Wat betreft plattelandsontwikkeling is de Commissie van mening dat de toezicht- en controlesystemen voortdurend verbeteren.

Met betrekking tot het cohesiebeleid merkt de Commissie op dat het foutenpercentage voor het tweede achtereenvolgende jaar ruim onder het niveau ligt dat de Rekenkamer voor de periode 2006-2008 rapporteerde. De Commissie is van mening dat deze positieve ontwikkeling een weerspiegeling vormt van de versterkte controlebepalingen in de regelgeving voor de programmeringsperiode 2007-2013 en van de tenuitvoerlegging van haar actieplan 2008 (zie ook het antwoord op paragraaf 4.24).

1.14.

De Rekenkamer concludeert dat de betalingen over het geheel genomen fouten van materieel belang vertoonden en dat de toezicht- en controlesystemen voor betalingen in het algemeen gedeeltelijk doeltreffend waren (zie tabel 1.2 ).

 

Tabel 1.2 —   Samenvatting van de bevindingen over 2010 inzake de regelmatigheid van de verrichtingen

Beleidsgroep

Betalingen

(miljoen euro)

Meest waarschijnlijke foutenpercentage

(MLE)

%

Vetrouwensinterval

(%)

Foutenfrequentie  (45)

%

Beoordeling van toezicht- en controlesystemen  (46)

Onderste foutengrens

(LEL)

Bovenste foutengrens

(UEL)

Landbouw en natuurlijke hulpbronnen

55 990 (47)

2,3

0,8

3,8

37

Gedeeltelijk doeltreffend

Cohesie, energie en vervoer

37 556 (48)

7,7

4,7

10,7

49

Gedeeltelijk doeltreffend

Externe steun, ontwikkeling en uitbreiding

6 543

1,7

0,1

3,3

23

Gedeeltelijk doeltreffend

Onderzoek en ander intern beleid

8 953

1,4

0,6

2,5

39

Gedeeltelijk doeltreffend

Administratieve en andere uitgaven

9 264

0,4

0,0

1,1

7

Doeltreffend

Algehele gecontroleerde populatie

118 306  (49)

3,7

2,6

4,8

36

Gedeeltelijk doeltreffend

Ontvangsten

127 795

0,0

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Doeltreffend

Vergelijking met de resultaten van voorgaande jaren

1.15.

De controleresultaten van de Rekenkamer voor 2010 tonen een stijging van haar schatting van het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor de betalingen van de beleidsgroep Cohesie, energie en vervoer (12), in vergelijking met de beleidsgroep Cohesie van 2009 (13). De schatting door de Rekenkamer van het meest waarschijnlijke foutenpercentage met betrekking tot de betalingen van de andere beleidsgroepen bleef betrekkelijk stabiel.

1.15-1.16.

De meeste foutenpercentages zijn in de loop der jaren stabiel gebleven of gedaald. In 2010 heeft de vooruitgang die op bepaalde gebieden is geboekt, echter niet een bescheiden toename op het beleidsterrein Cohesie, wat resulteerde in een lichte stijging voor de begroting als geheel.

Met betrekking tot het cohesiebeleid merkt de Commissie op dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor 2010 ruim onder het niveau van de voor de begrotingsjaren 2006 tot en met 2008 gerapporteerde percentages ligt. Het lagere foutenniveau van 4,7 % in 2010 steekt gunstig af bij de 11 % in 2008.

1.16.

In totaal leidt dit tot een stijging van het door de Rekenkamer geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor de betalingen als geheel, van 3,3 % in 2009 naar 3,7 % in 2010 (zie figuur 1.1 ) (14). De Rekenkamer constateerde dat ongeveer een derde van de getoetste verrichtingen fouten vertoonde (2009: een kwart van het totaal aantal verrichtingen).

 

Image

Betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal

1.17.

Iedere directeur-generaal rapporteert jaarlijks in een activiteitenverslag over de resultaten van zijn/haar taken. Het verslag gaat vergezeld van een verklaring die onder meer beschrijft in hoeverre de middelen zijn gebruikt voor hun beoogde doel en in hoeverre de controleprocedures de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen waarborgen.

 

1.18.

Alle directeuren-generaal verklaarden dat aan voornoemde voorschriften werd voldaan. Dertien directoraten-generaal of diensten wierpen één of meer punten van voorbehoud (15) op, die voor het merendeel betrekking hebben op tekortkomingen inzake de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen (zie de bijlagen x.3 van de hoofdstukken 2-7).

 

1.19.

Directeuren-generaal werpen in hun betrouwbaarheidsverklaringen punten van voorbehoud op, op grond van hun beoordeling van het materieel belang van de gebreken en/of opmerkingen ten aanzien van de bouwstenen van hun jaarlijkse activiteitenverslagen. Een element van deze beoordeling dat met name in 2010 aan belang heeft gewonnen, is de berekening van een restrisico of percentage resterende fouten — doorgaans een schatting van de impact van controlemechanismen op het foutenpercentage over meerdere jaren — dat vergeleken wordt met de materialiteitsdrempel van 2 % om te bepalen of het nodig is, een punt van voorbehoud op te werpen.

1.19-1.20.

De standaardpraktijk van de Commissie voorziet in de berekening van een restrisicobedrag als percentage van de relevante activiteit van de activiteitsgestuurde begroting, dat wordt vergeleken met de materialiteitsdrempel van 2 % om te bepalen of een voorbehoud moet worden gemaakt. Daarnaast onderstreept de Commissie dat de berekening van een restfoutenpercentage slechts een van de methoden is waarover de bevoegde gedelegeerd ordonnateur beschikt om het risicobedrag te berekenen.

Omdat de beheers- en controlesystemen voor de verschillende beleidsgroepen aanzienlijk van elkaar verschillen, hanteren de diensten van de Commissie verschillende benaderingen bij het in aanmerking nemen en berekenen van restfoutenpercentages. De Commissie deelt de opvatting dat de bestaande richtsnoeren onvoldoende gedetailleerd zijn om een consistent gebruik van de terminologie en criteria door alle diensten te waarborgen. De Commissie heeft de procedure voor onderlinge toetsing ingevoerd om consistentie te bereiken wanneer verschillende directoraten-generaal vergelijkbare programma's uitvoeren.

De richtsnoeren moeten de bevoegde gedelegeerd ordonnateur in elk afzonderlijk geval een beoordelingsmarge verschaffen.

Hoewel de kwantificering van risico's in de jaarlijkse activiteitenverslagen bedoeld is om een indicatie van het risicobedrag te geven en om de potentiële financiële correcties voor de betalingen in het referentiejaar te ramen, beschikt de directeur-generaal ook over andere instrumenten om de EU-middelen te beschermen, zoals onderbrekingen en opschortingen van betalingen en financiële correcties. De kwantificering van risico's in het jaarlijkse activiteitenverslag heeft niet dezelfde functie als het vaststellen van het foutenpercentage door de Rekenkamer, en de Commissie is daarom van mening dat de resultaten daarvan niet met elkaar kunnen en moeten worden vergeleken. De directeur-generaal kan beoordelen of er „mitigerende maatregelen” bestaan die het risico beperken. In het cohesiebeleid zijn de bestaande wettelijke voorschriften inderdaad mitigerende maatregelen en bij de beoordeling van de blootstelling aan risico's in 2010 zou rekening moeten worden gehouden met die complementaire controlemechanismen, die zich veel verder kunnen uitstrekken dan tot het referentiejaar van de audits van de Rekenkamer (jaarlijkse audits door de nationale auditautoriteiten, complementaire audits door het directoraat-generaal Regionaal Beleid (DG REGIO) en het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie (DG EMPL), afsluitingsaudits aan het eind van de programma's).

1.20.

De door het secretariaat-generaal en directoraat-generaal Begroting uitgevaardigde vaste instructies voor de jaarlijkse activiteitenverslagen bevatten geen richtsnoeren voor de schatting van dit restrisico of het percentage resterende fouten. Dit leidt tot een inconsistente toepassing van dit concept door de betrokken directoraten-generaal (bv. het vooruitlopen op verwachte terugvorderingen zonder een koppeling met werkelijke bedragen, bij bepaalde programma's het niet kwantificeren van foutenrisico's tot wel 5 % —gelet op het in de verordening voorgeschreven inhoudingspercentage (16), de uitsluiting van negatieve controleresultaten voor nieuw opgestarte controleprogramma's met een beperkt controlebereik).

 

Oordeel van de interne controleur van de Commissie

1.21.

De interne controleur van de Commissie bracht voor het eerst zijn algemeen advies (17) uit over de stand van zaken wat betreft de controle bij de Commissie. Het is met name gebaseerd op de in de jaarlijkse activiteitenverslagen gegeven zekerheid en op de werkzaamheden die de dienst Interne audit (DIA) van de Commissie en de interne-auditfuncties van de verschillende directoraten-generaal hebben uitgevoerd tussen 2008 en 2010.

 

1.22.

De reikwijdte van het algemene advies is beperkt tot het eigen internecontrolekader van de Commissie. Meer dan 90 % van alle fouten wordt echter aangetroffen buiten de Commissie, op het niveau van de begunstigden. De interne controleur van de Commissie beoordeelt dit kader over het geheel genomen als toereikend. De Rekenkamer merkt echter op, dat de bestaande toezicht- en controlesystemen fouten niet in zodanige mate voorkomen of opsporen en corrigeren dat onderliggende verrichtingen bij de begroting over het geheel genomen wettig en regelmatig zijn.

1.22.

Het advies van de interne controleur heeft onder meer betrekking op de controlesystemen die de Commissie hanteert om het foutenpercentage op het niveau van de begunstigden te verlagen.

Bij het onderzoeken van de controlesystemen van de Commissie probeert de interne controleur van de Commissie zekerheid te verkrijgen dat elke dienst over een controlestrategie beschikt, waarbij de kosten van de controles in verhouding staan tot de risico's van fouten in de onderliggende verrichtingen, en dat deze strategie doeltreffend is bij het voorkomen van fouten in door de begunstigden ingediende vorderingen en bij het terugvorderen van onverschuldigde bedragen wanneer er fouten zijn gemaakt.

Syntheseverslag van de Commissie

1.23.

In de inleiding van het syntheseverslag (18) wordt vermeld dat de Commissie met de vaststelling van het verslag de politieke verantwoordelijkheid (19) op zich neemt voor de uitvoering van de EU-begroting door haar hogere management. De Commissie constateert dat de directeuren-generaal erin zijn geslaagd om voor 25 % van de in 2009 geformuleerde punten van voorbehoud de tekortkomingen te verbeteren. Zij is van oordeel dat de desbetreffende verbeteringen onder meer inhouden dat de subsidiabiliteitsregels voor door begunstigden gedeclareerde uitgaven beter worden nageleefd.

 

1.24.

De Commissie erkent echter dat er nog altijd ruimte voor verbetering is, met name waar het gedeeld beheer betreft, en stelt maatregelen voor om deze punten van zorg aan te pakken, zoals:

1.24.

herziening van het Financieel Reglement en sectorale verordeningen voor de periode na 2013 ter verbetering van de opzet van financieringsregelingen, ter bestrijding van het foutenrisico, ter beperking van de administratieve last voor begunstigden en andere belanghebbenden en ter vermindering van de operationele kosten van de controles te verminderen;

Zie het antwoord op paragraaf 1.37.

het rigoureus uitvoeren van haar taak als toezichthouder en het toepassen van systematische en tijdige onderbrekingen van betalingen, opschortingsprocedures en financiële correcties, telkens wanneer ernstige gebreken in de controle worden vastgesteld;

De Commissie en haar diensten hebben hun toezichthoudende taak uitgeoefend door middel van 63 besluiten om betalingen te onderbreken (49 in het kader van het EFRO en 14 in het kader van het ESF), één opschortingsbesluit met betrekking tot een operationeel programma voor de periode 2007-2013 en vijf opschortingsbesluiten met betrekking tot operationele programma's voor de periode 2000-2006 (ESF) waarin ernstige tekortkomingen waren geconstateerd, totdat de lidstaten de nodige corrigerende maatregelen hadden genomen. De Commissie heeft dit strenge beleid in 2011 voortgezet, met 52 besluiten om betalingen te onderbreken (40 in het kader van het EFRO en 12 in het kader van het ESF) in de eerste helft van het jaar.

extra inspanningen op het gebied van cohesie om de aanzienlijke stijging van het foutenpercentage en de omvang van foutieve betalingen door het grotere volume van verrichtingen en de hogere gedeclareerde uitgavenbedragen, aan te pakken;

 

modernisering van de EU-regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, die een belangrijke bron van fouten vormen, met name op het gebied van cohesie (20);

 

verdere verbetering van de leesbaarheid en vergelijkbaarheid van de jaarlijkse activiteitenverslagen.

 

1.25.

In haar syntheseverslag nam de Commissie nota van de verslagen van het management en gaf zij aan dat deze „het College uitsluitsel geven over de prestaties van de bestuurs- en internecontrolestructuren in de diensten en redelijke zekerheid verschaffen wat betreft het vermogen van het College om zijn doelstellingen te bereiken” (21). De Rekenkamer benadrukt echter dat zij al eerder kwesties (22) signaleerde die nog niet zijn verholpen:

1.25.

op een aantal terreinen dient de reikwijdte of omvang van de punten van voorbehoud groter te zijn (zie de paragrafen 1.20, 3.52-3.54, 4.45 en 4.46, 5.31-5.34, 6.46 en 6.47 en de bijlagen x.3 van de hoofdstukken 2-7);

De Commissie is van mening dat de reikwijdte of zwaarte van het voorbehoud passend is (zie de antwoorden op de paragrafen 1.19 en 1.20, 3.52 t/m 3.54, 4.46 en 5.33 t/m 5.34).

de gegevens van de lidstaten inzake terugvorderingen of intrekkingen zijn nog altijd onvolledig of zijn nog niet gecontroleerd en/of gevalideerd door de Commissie (zie bijlage 1.2 , punt 3);

De informatie met betrekking tot de terugvorderingen is opgenomen in toelichting 6 bij de jaarrekening.

Op het beleidsterrein Cohesie verifieert de Commissie voor de programmeringsperiode 2000-2006 dat de ingediende informatie voor de afsluiting van de programma's volledig en betrouwbaar is. Voor de programmeringsperiode 2007-2013 voert de Commissie een specifiek auditonderzoek uit naar de terugvorderingssystemen van de lidstaten om zekerheid te verkrijgen over de kwaliteit van de in de jaarlijkse verklaringen ingediende gegevens over terugvorderingen en schrappingen. De eerste resultaten van deze audit zullen naar verwachting in aanmerking worden genomen in de jaarlijkse activiteitenverslagen voor 2011.

het verschil tussen financiëlecorrectiemechanismen en terugvorderingen (financiële correcties zijn een gevolg van geconstateerde gebreken in de toezicht- en controlesystemen terwijl terugvorderingen betrekking hebben op onregelmatige betalingen) en de impact ervan (financiële correcties komen ten laste van de belastingbetaler terwijl terugvorderingen worden betaald door de individuele begunstigden) wordt nog altijd niet op gepaste wijze in aanmerking genomen (zie bijlage 1.2 , punt 3).

De Commissie rapporteert in haar jaarrekening op het niveau van de EU-begroting en is van mening dat terugvorderingen van essentieel belang zijn voor het beschermen van de EU-begroting. De Commissie begrijpt dat de verwijzing van de Rekenkamer naar terugvorderingen betrekking heeft op terugvorderingen op het niveau van begunstigden in de lidstaten en dat de Rekenkamer verlangt dat de gerapporteerde informatie ook betrekking heeft op die terugvorderingen. Bij gedeeld beheer ligt deze verantwoordelijkheid echter bij de lidstaten, zoals is toegelicht in de antwoorden van de Commissie op paragraaf 1.39 van het Jaarverslag 2009 van de Rekenkamer. Zodra een lidstaat onverschuldigde bedragen heeft terugbetaald (door middel van daadwerkelijke terugbetaling of door verrekening) is de EU-begroting in de visie van de Commissie beschermd. Het zijn evenwel de lidstaten die verplicht zijn om onverschuldigde bedragen waar mogelijk en passend terug te vorderen.

GEVOLGEN VAN HET TOEGENOMEN GEBRUIK VAN VOORFINANCIERING

1.26.

Met een aanzienlijk deel van de betalingen door de Commissie worden op voorhand kosten gefinancierd die externe organen in een later stadium zullen maken. Indien deze betalingen op correcte wijze worden aangemerkt als voorfinancieringen, worden ze op het moment dat ze plaatsvinden niet als definitieve uitgaven verwerkt in de rekeningen van de Unie. Ze worden in plaats daarvan geregistreerd als activa op de balans, totdat een onderbouwing wordt verschaft voor de gemaakte kosten (of, wat minder vaak gebeurt, tot de voltooiing van de vereiste activiteit). Op grond daarvan boekt de Commissie de desbetreffende kosten op de economische resultatenrekening en vereffent zij de boeking op de balans.

 

1.27.

Wanneer voorschotten in de rekeningen worden aangemerkt als definitieve uitgave, bestaat er geen boekhoudkundige registratie waaruit blijkt dat er bewijsstukken moeten worden verschaft inzake de definitieve gebruikmaking van de middelen. Hierdoor stijgt het risico dat de gebruikmaking van de middelen niet wordt onderbouwd, en dat onregelmatigheden niet, of met een flinke vertraging worden opgespoord. Dit kan terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen bemoeilijken.

1.27.

De boekhoudkundige diensten in de Commissie zetten hun werk ter verduidelijking van de punten met betrekking tot de verwerking en verrekening van voorfinanciering voort (zie ook het antwoord op paragraaf 1.37).

Niettegenstaande de geldigheid van het beginsel dat in het tweede gedeelte van de opmerking van de Rekenkamer wordt genoemd, moet worden opgemerkt dat bijvoorbeeld in het geval van financiële instrumentering de rechtsgrondslag voorziet in slechts één toetsing van de subsidiabiliteit van gemaakte kosten, bij de afsluiting van het programma of aan het eind van de programmeringsperiode (indien die laatste datum op een eerder tijdstip ligt). Om die reden zullen eventuele onregelmatigheden pas op dat moment worden ontdekt, ongeacht welke boekhoudkundige behandeling wordt toepast op betalingen van de Commissie aan de lidstaten.

Aanzienlijke toename van voorfinanciering tussen 2005 en 2010

1.28.

De geboekte brutowaarde van gecumuleerde voorfinanciering is in de afgelopen zes jaar meer dan verdubbeld (van 39 miljard naar 84 miljard euro, zie de eerste rij van tabel 1.3 ). De Commissie schat tevens, tijdens de afsluitingsprocedure (23), de uitgaven per jaarultimo door begunstigden waarvoor nog geen betalingsverzoeken werden ontvangen. Deze te betalen kosten (zie tweede rij van tabel 1.3 ) worden in mindering gebracht op het desbetreffende brutobedrag aan uitstaande voorfinancieringen. Het daaruit voortvloeiende nettobedrag aan voorfinanciering op de balans (zie derde rij van tabel 1.3 ) is eveneens aanzienlijk gestegen, maar minder snel (van 29 miljard naar 49 miljard euro).

1.28.

De Commissie volgt de situatie met betrekking tot de groei van de bedragen die als voorfinanciering worden uitgekeerd, op de voet. Veel van deze toename wordt gerechtvaardigd door de overgang naar een nieuwe programmeringsperiode (2007-2013) en de voorfinancieringsbedragen die worden uitgekeerd op grond van de wetgeving inzake gedeeld beheer. Desalniettemin blijven de boekhoudkundige diensten van de Commissie er samen met de operationele directoraten-generaal naar streven om de uitstaande voorfinancieringen zo laag mogelijk te houden. Dit botst echter vaak met de onderliggende wetgeving.

Tabel 1.3 —   Ontwikkeling van voorfinanciering (50) en daarmee verband houdende te betalen kosten tussen 2005 en 2010 (in miljoen euro)

 

31.12.2005

31.12.2006

31.12.2007

31.12.2008

31.12.2009

31.12.2010

Verschil tussen 2005 en 2010

Bedrag

in %

Totaal bruto voorfinanciering (vóór afsluiting)

38 854

43 129

55 099

73 754

84 761

84 387

45 533

117 %

Te betalen kosten

9 489

12 649

20 501

34 469

35 934

34 966

25 477

268 %

Totaal netto voorfinanciering (na afsluiting)

29 365

30 480

34 598

39 285

48 827

49 421

20 056

68 %

Onnauwkeurige of onvolledige gegevens betreffende voorfinanciering

Gebrek aan verrekening van voorfinancieringen

1.29.

Hoewel voor de verrekening van voorfinanciering waarschijnlijk altijd een bepaalde mate van schatting nodig zal zijn, blijven verschillende directoraten-generaal op het gebied van intern beleid en externe acties schattingen opnemen in de rekeningen, zelfs wanneer zij kostenoverzichten hebben aanvaard als toereikende grondslag voor verdere betalingen aan de begunstigde (24). De gebruikmaking van schattingen voor te betalen kosten is in de loop der tijd aanzienlijk toegenomen, van minder dan een kwart van het voorgefinancierde bedrag in 2005 tot bijna de helft in 2010 (zie tweede rij van tabel 1.3 ). De Rekenkamer heeft verklaard ongerust te zijn over de toename van deze praktijk (25).

1.29.

De Commissie begrijpt de zorg van de Rekenkamer op dit gebied en spant zich in om dit te verbeteren. In de context van de huidige herziening van het Financieel Reglement heeft de Commissie voorgesteld om een regelmatige verrekening van voorfinancieringen verplicht te stellen.

Vanwege het risico van fouten in een niet-gecertificeerde of niet-gecontroleerde kostendeclaratie is een aantal gedelegeerde ordonnateurs terughoudend met het verrichten van betalingen op basis van dergelijke declaraties. Zij gebruiken niet-gecertificeerde of niet-gecontroleerde kostendeclaraties als indicatie voor de in de gesubsidieerde actie geboekte vooruitgang en betalen aanvullende voorfinancieringsbedragen om een doorlopende betalingsstroom voor de gesubsidieerde projecten veilig te stellen. De verrekening wordt dan uitgesteld tot het eind van het project.

Opgemerkt dient te worden dat de administratieve werklast zowel voor de Commissie als voor de begunstigden/contractpartijen (met name op interne beleidsterreinen en op het gebied van externe steun) een uitdaging zal vormen als de regelmatige verrekening van voorfinancieringen van kracht wordt.

Onvolledige vastlegging van voorfinanciering

1.30.

Sinds 2009 is er, met name voor financieringsinstrumenten (FI's), een aanzienlijke stijging geweest van de betalingen waarvoor onderbouwing van de kosten en/of activiteit pas in een later stadium wordt verwacht. De controle bracht een significant aantal gevallen aan het licht waarin de Commissie de betalingen aanvankelijk niet correct boekte en derhalve geen activum genereerde. Derhalve wekten de rekeningen, in strijd met het beginsel dat de economische realiteit boven de juridische vorm gaat (26), de indruk dat de ontvangers het gebruik van de middelen volledig hebben onderbouwd, terwijl dit in de praktijk niet het geval was.

1.30.

Dit kwam begin 2011 voor het eerst aan het licht. Het wettelijk kader voor gedeeld beheer vereist niet dat de als voorschot uitbetaalde bedragen in een afzonderlijke kostendeclaratie van de Commissie worden gevorderd, noch dat er periodiek wordt gerapporteerd over het specifieke gebruik ervan door de eindbegunstigde. Zie ook de antwoorden op de paragrafen 1.31 en 1.32.

Financieringsinstrumenten

1.31.

Bijdragen aan FI's (financieringsinstrumenten) vormen veruit het belangrijkste element van dit probleem. In de toepasselijke verordeningen op het gebied van cohesie en plattelandsontwikkeling (27) wordt bepaald dat betalingen uit operationele programma's voor de oprichting van of bijdragen aan fondsen ter uitvoering van FI's worden opgenomen in de uitgavendeclaraties. De Commissie volgt de praktijk om de volledige door de lidstaten gedeclareerde bedragen als uitgaven te boeken op de economische resultatenrekening, alsof het de definitieve afwikkeling van een declaratie betreft.

1.31.

Bij ontstentenis van enige informatie over betalingen voor financiële instrumentering, die in de toepasselijke rechtsgrondslag niet van de lidstaten wordt verlangd, had de Commissie aanvankelijk geen andere optie dan deze betalingen als uitgaven te beschouwen.

Op basis van de informatie die de Commissie in juni 2011 van de lidstaten heeft gevraagd en verkregen, heeft zij de betalingen voor financiële instrumentering in de rekeningen over 2010, met inbegrip van de vergelijkbare cijfers voor 2009, behandeld als activa. Zie de toelichtingen 2.5, 2.9, 2.10 en 3.4 bij de geconsolideerde jaarrekening, waarin alle details worden verstrekt. Zie ook het antwoord op paragraaf 1.32.

1.32.

Volgens de sectorale verordeningen moeten de instanties in de lidstaten moeten echter pas in een later stadium (doorgaans aan het eind van de programmeringsperiode) een einddeclaratie overleggen over de gebruikmaking ervan in de vorm van aan eindbegunstigden verstrekte leningen, garanties of kapitaalinvesteringen. Dit betekende dat de Commissie in 2010 niet over alomvattende informatie beschikte over de werkelijk door de FI's gebruikte bedragen, en pas begin 2011, toen dit probleem aan het licht kwam, in staat was de benodigde informatie te verzamelen bij de lidstaten. Als gevolg daarvan werd ongeveer 4,8 miljard euro niet geboekt als voorfinanciering op de balans van de voorlopige rekeningen over 2010 (28).

1.32.

Opgemerkt dient te worden dat de van de lidstaten gevraagde en verkregen informatie geen betrekking heeft op bedragen die daadwerkelijk zijn uitgegeven in het kader van de financiële instrumentering, maar op bedragen die zijn bijgedragen aan de financiële instrumentering. Rekening houdend met het criterium van de kosten-batenverhouding, heeft de Commissie op lineaire basis een raming van de ongebruikte bedragen gemaakt en ze heringedeeld als activa.

De activa van in totaal 4,8 miljard euro zullen op grond van de toepassing van de huidige rechtsgrondslag tegen eind 2015 volledig zijn afgewaardeerd.

Zie ook het antwoord op paragraaf 4.32.

Andere steunregelingen

1.33.

Daarnaast maakt een aantal andere subsidieregelingen het mogelijk om kasvoorschotten uit te betalen aan begunstigden, voorafgaand aan de overlegging van de definitieve kostendeclaraties. In de praktijk worden deze ook verwerkt alsof het definitieve uitgaven betreft. Zij worden derhalve niet in de balans opgenomen en gepresenteerd. De Commissie kan het betrokken bedrag moeilijk kwantificeren.

1.33.

Wat betreft bovengenoemde financiële instrumentering voorziet de rechtsgrondslag voor de steunregelingen evenmin in specifieke verslaglegging over de uitgekeerde bedragen en het gebruik daarvan. Tot dusver heeft de Commissie aanwijzingen dat de voorschotten in het kader van de steunregelingen voor een kortere periode worden uitgekeerd dan die voor de financiële instrumentering. De inherente verschuivingen vanwege de normale activiteit en de vertraging bij het declareren van de daadwerkelijk gemaakte kosten maken het moeilijk om het financiële effect van dergelijke voorschotten te kwantificeren.

Zie ook het antwoord op paragraaf 1.36.

Door de Commissie getroffen maatregelen

1.34.

De Commissie heeft getracht voldoende informatie te verkrijgen voor de definitieve rekeningen. Volgens de per eind juni 2011 van de lidstaten ontvangen informatie beliep de EU-bijdrage aan FI's 6,4 miljard euro. Op basis van de schatting van de niet door FI's gebruikte bedragen per 31.12.2010 betroffen de belangrijkste aanpassingen een herschikking van kosten naar activa in de rekeningen voor 2009 en 2010 (zie de toelichtingen 2.5, 2.9, 2.10 en 3.4 bij de jaarrekening 2010 waarin de aangebrachte wijzigingen worden toegelicht).

 

Conclusies en aanbevelingen

1.35.

De Commissie corrigeerde materiële problemen inzake de volledigheid van voorfinancieringen door middel van afsluitende boekingen en aanpassingen (zie paragraaf 1.34). Niettemin neemt door het gebrek aan actuele informatie over de werkelijk door de lidstaten gebruikte EU-middelen de bruikbaarheid van de boekhoudkundige informatie voor het beheer aanzienlijk af, met name voor de Commissie bij haar verantwoordelijkheden inzake de begrotingsuitvoering.

1.35

De Commissie wenst nadrukkelijk te wijzen op de omvang en het belang van de vergaarde informatie over de aan de financiële instrumentering betaalde bijdragen, een belangrijke stap op weg naar nauwkeurigere boekhoudkundige informatie.

1.36.

De Commissie dient verdere maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de noodzakelijke informatie beschikbaar is, de verrichtingen op consistente wijze worden verwerkt in de rekeningen, en dat alle directoraten-generaal een volledige, juiste en geactualiseerde boekhouding bijhouden.

1.36.

De toegepaste boekhoudkundige behandeling was consistent in de vier voor het gedeeld beheer verantwoordelijke DG's en in overeenstemming met de rechtsgrondslag. Bovendien zou het in dit stadium niet haalbaar zijn om de behandeling die wordt toegepast op de door de lidstaten ingediende kostendeclaratie te veranderen. In plaats daarvan zal de Commissie aan het eind van elk jaar een raming van de ongebruikte bedragen blijven maken en de nodige boekhoudkundige aanpassingen maken.

Kostenefficiëntie is een belangrijke factor die in aanmerking moet worden genomen, omdat de Commissie moet voorkomen dat de van begunstigden verlangde verslaglegging over voorschotten voor alle betrokken partijen uitermate complex wordt en veel middelen opslorpt.

De Commissie heeft al een voorstel gedaan voor een passende wijziging van de huidige sectorale rechtsgrondslag in de structuurfondsverordening. Ook zal de Commissie passende bepalingen opnemen in voorstellen voor toekomstige rechtsgrondslagen.

1.37.

Vanwege het toegenomen gebruik van voorfinanciering in de EU-begroting en van nieuwe soorten financieringsinstrumenten dient de Commissie met spoed de relevante boekhoudregel te herbezien om gepaste begeleiding te kunnen bieden bij de vastlegging en verrekening van voorfinanciering. Daarnaast dient het toezicht te worden verbeterd (29).

1.37.

De Commissie wijst erop dat er onderscheid dient te worden gemaakt tussen voorfinanciering in het kader van externe steun en intern beleid en vooruitbetalingen in het kader van gedeeld beheer, met name met betrekking tot de financiële instrumentering.

Ook benadrukt de Commissie dat verrekening van de voorfinanciering voor de definitieve betalingen niet simpelweg een kwestie van het geven van boekhoudkundige richtsnoeren is. In de praktijk betekent dit terugbetaling van de bedragen van tussentijdse kostendeclaraties, waarvan eerst moet worden geverifieerd in hoeverre deze voldoen aan ingewikkelde subsidiabiliteitsregels. Dit kan niet worden gerealiseerd zonder een substantiële toename van de administratieve werklast, zowel voor de begunstigden als voor de diensten van de Commissie.

Bovendien zou dit wijzigingen in het Financieel Reglement en in de sectorale wetgeving nodig maken, waarin op dit moment wordt voorzien in opeenvolgende voorfinancieringen op basis van de in de gesubsidieerde acties geboekte vooruitgang. De Commissie heeft in het kader van de herziening van het desbetreffende artikel van het Financieel Reglement al voorgesteld om regelmatige verrekening van voorfinancieringen verplicht te stellen.

Tot slot wenst de Commissie erop te wijzen dat haar boekhoudkundige diensten in 2010 en 2011 richtsnoeren hebben verstrekt en opleidingen en workshops hebben verzorgd, en daarmee zullen doorgaan.

BEGROTINGSBEHEER

1.38.

In dit deel wordt de uitvoering van de algemene begroting van de EU in 2010 samengevat.

 

Begrotingskredieten voor vastleggingen en betalingen

1.39.

De totale in 2010 beschikbare kredieten, rekening houdend met overgedragen kredieten (30), bestemmingsontvangsten (31) en gewijzigde begrotingen (32), belopen 147,3 miljard euro voor vastleggingen en 130,5 miljard euro voor betalingen, een stijging van respectievelijk 0,9 en 4,8 % ten opzichte van de totale in 2009 beschikbare kredieten (zie de figuren III en IV in de bijlage bij dit jaarverslag).

 

1.40.

De budgettaire vastleggingskredieten voor het jaar waren 0,6 miljard euro hoger dan de limiet van het financiële kader vanwege de gebruikmaking van middelen waarvoor dit is toegestaan (33). De totale kredieten voor betalingen bleven met 11,4 miljard euro onder het maximum.

 

Uitvoeringsgraad van de begroting

1.41.

De Commissie produceert een reeks documenten die onder meer de volgende informatie bevatten over de begrotingsuitvoering van de Europese Unie (34):

1.41.

aan het eind van 2010 bedroeg het begrotingsoverschot 4,5 miljard euro (2009: 2,3 miljard euro);

 

de bestedingsgraad bedroeg in 2010 voor vastleggingen en betalingen respectievelijk 99 en 97 %;

 

3,3 miljard euro aan gecumuleerde niet-afgewikkelde vastleggingen werd in 2010 vrijgemaakt (2009: 1,9 miljard euro). De stijging van de vrijmakingen houdt met name verband met titel 04 Werkgelegenheid en sociale zaken (1,4 miljard euro);

In 2010 heeft het DG EMPL de definitieve vorderingen voor de programmeringsperiode 2000-2006 voor het ESF ontvangen. Voor programma's waarvoor het gedeclareerde totaalbedrag lager was dan de financiële programmering, heeft het DG EMPL de overtollige nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL) vrijgemaakt.

1,5 miljard euro aan ongebruikte betalingskredieten (exclusief bestemmingsontvangsten (35)) werd overgedragen van 2010 naar 2011);

 

voor de beleidsterreinen Landbouw en plattelandsontwikkeling (titel 05), Cohesie (titels 04 en 13) en Visserij en maritieme zaken (titel 11) beliep de algemene bestedingsgraad van de betalingskredieten 98 %;

 

voor het beleidsterrein Regionaal beleid waren de betalingskredieten hoger dan gepland (106 % van de oorspronkelijke begroting). Dit werd gefinancierd met overschrijvingen ten belope van 1,8 miljard euro, voornamelijk uit de titels 04 (Werkgelegenheid en sociale zaken) en 05 (Landbouw en plattelandsontwikkeling), waarvoor de betalingen lager uitvielen dan verwacht vanwege de onderbreking en opschorting van betalingen in het kader van het Europees Sociaal Fonds (88 % uitvoering), lagere declaraties bij Plattelandsontwikkeling (94 % uitvoering) of een trage verwerking van de afsluiting van programma's (36).

De uitvoering van het ESF bedroeg in 2010 slechts 88 %, als gevolg van enkele geblokkeerde betalingen na de ontdekking van ernstige tekortkomingen in het systeem of onregelmatigheden tijdens de audits van enkele programma's uit de programmeringsperioden 2000-2006 (opschortingen van betalingen) en 2007-2013 (onderbrekingen van betalingen). Voor enkele Spaanse, Franse en Italiaanse programma's uit de programmeringsperiode 2000-2006, waarvoor betalingskredieten werden overgedragen van 2009 naar 2010 die in dit stadium nog steeds geblokkeerd blijven, zullen de financiële opschortings- en correctieprocedures worden samengevoegd met de definitieve betalingen die worden verwerkt in het kader van de door de afwikkelingsorganen afgegeven verklaringen (alle gevallen op één na). In overeenstemming met het Financieel Reglement kunnen kredieten niet naar een andere begrotingslijn worden overgedragen, waardoor ze in 2010 ongebruikt bleven.

1.42.

In de loop van het begrotingsjaar 2010 werden relevante verordeningen (37) gewijzigd teneinde aanvullende voorfinanciering beschikbaar te stellen voor structurele acties voor de periode 2007-2013. Op grond van de aangepaste verordeningen werden aan de lidstaten die in het bijzonder te lijden hadden onder de economische crisis, aanvullende voorschotten betaald ten belope van 371 miljoen euro in het kader van het Europees Sociaal Fonds, 404 miljoen euro in het kader van het Cohesiefonds en 0,8 miljoen euro in het kader van het Europees Visserijfonds. Voor Landbouw en plattelandsontwikkeling werd gedurende het begrotingsjaar 2010 zonder een passende rechtsgrondslag 401 miljoen euro aan bijkomende voorfinanciering betaald aan lidstaten. Het desbetreffende bedrag wordt in hoofdstuk 3 gerapporteerd als een fout inzake de wettigheid en regelmatigheid (38).

1.42.

De 401 miljoen euro aan voorschotten voor plattelandsontwikkeling vormen geen onregelmatige betalingen aan de eindbegunstigden. Bovendien loopt de terugvordering van deze bedragen nog. Deze zal tegen eind 2011 worden afgerond.

Niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen

1.43.

De niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen die openstaande vastleggingen vertegenwoordigen waarvoor betaling en/of vrijmaking nog niet heeft plaatsgevonden (39), namen met 17 miljard euro (9,7 %) toe tot 194 miljard euro, voornamelijk op beleidsterreinen die worden gefinancierd met gesplitste kredieten (40), hetgeen op de respectieve beleidsterreinen overeenkomt met 2,2 jaar aan gedifferentieerde vastleggingen of 2,8 jaar aan gesplitste betalingen in het bestedingstempo van 2010.

1.43-1.44.

Nog betaalbaar te stellen vastleggingen vloeien voort uit het normale beheer van meerjarige programma's en uit de groei van het algehele niveau van de nieuwe vastleggingen. Wat de structuurfondsen betreft wordt de omvang van de RAL gecontroleerd aan de hand van de in de relevante verordeningen vastgelegde N + 2/N + 3-regel. Volgens deze regel moet het verwachte niveau van de RAL gelijk zijn aan twee of drie jaar aan vastleggingen. Dientengevolge is de meerderheid van de nog betaalbaar te stellen vastleggingen „normaal” in het licht van de onderliggende regels. Bovendien wordt de begrotingsautoriteit elk jaar in kennis gesteld van potentieel abnormale nog betaalbaar te stellen vastleggingen. De Commissie ziet toe op deze vastleggingen, die moeten worden vrijgemaakt.

Image

1.44.

De meeste niet-afgewikkelde vastleggingen bevinden zich bij de beleidsgroep Cohesie (zie figuur 1.2 ). Op dit terrein bedroegen de niet-afgewikkelde vastleggingen 128 miljard euro (41) (ongeveer 66 % van het totale bedrag), hetgeen op dat terrein overeenkomt met 2,6 jaar aan vastleggingen of 3,4 jaar aan betalingen in het bestedingstempo van 2010. De overgrote meerderheid van deze niet-afgewikkelde vastleggingen (113,2 miljard euro of 88 % van het totale bedrag) heeft betrekking op de huidige periode 2007-2013. Hieruit blijkt het effect van de inspanningen om nog uitstaande vastleggingen af te wikkelen door middel van betalingen voordat de regel van annulering van rechtswege wordt toegepast („n + 2”-regel / „n + 3”-regel (42)).

 


(1)  De geconsolideerde financiële staten omvatten de balans, de economische resultatenrekening, de tabel van de kasstromen, de staat van de mutaties in de nettoactiva en een overzicht van de grondslagen van financiële verslaglegging en andere toelichtingen (met verslaglegging per begrotingsterrein).

(2)  De geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting omvatten de geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting en een overzicht van begrotingsbeginselen en andere toelichtingen.

(3)  De door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels zijn afgeleid van de International Public Sector Accounting Standards (IPSAS), uitgebracht door de Internationale Federatie van Accountants of, bij gebreke daarvan, de International Accounting Standards (IAS)/International Financial Reporting Standards (IFRS), uitgebracht door de International Accounting Standards Board. Overeenkomstig het Financieel Reglement werden de geconsolideerde financiële staten over het begrotingsjaar 2010 opgesteld (zoals sinds het begrotingsjaar 2005 het geval is) op basis van deze door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels, waarin de periodetoerekeningsbeginselen zijn aangepast aan de specifieke context van de Europese Unie, terwijl de geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting nog steeds hoofdzakelijk op kasstromen zijn gebaseerd.

(4)  Zie PB C 303 van 9.11.2010, blz. 10-12.

(5)  Uit het Frans: „Déclaration d'assurance” (betrouwbaarheidsverklaring).

(6)  Zie artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(7)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1081/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 26.11.2010, blz. 9), bepaalt dat de definitieve rekeningen uiterlijk 31 juli van het volgende begrotingsjaar moeten worden toegezonden.

(8)  Zie bijlage 1.2 , punt 1.

(9)  Over het onderdeel Onderzoek van de voormalige beleidsgroep Onderzoek, energie en vervoer werd voorheen in hoofdstuk 5 verslag uitgebracht; over de voormalige beleidsgroep Onderwijs en burgerschap werd voorheen in hoofdstuk 7 verslag uitgebracht en over de voormalige beleidsgroep Economische en financiële zaken werd voorheen in hoofdstuk 8 verslag uitgebracht (zie voor nadere bijzonderheden paragraaf 6.1). Over de onderdelen energie en vervoer van de voormalige beleidsgroep Onderzoek, energie en vervoer wordt nu verslag uitgebracht in hoofdstuk 4, samen met de voormalige beleidsgroep Cohesie.

(10)  Zie de paragrafen 2.7-2.13 voor de reikwijdte van de controle inzake Ontvangsten.

(11)  Geïntegreerd beheers- en controlesysteem.

(12)  Zie tabel 1.2 van dit jaarverslag en bijlagen x.1 voor de verschillende beleidsgroepen, alsmede de paragrafen 4.17-4.19 voor Cohesie, uit het Jaarverslag 2009.

(13)  In 2010 vormen energie en vervoer 7 % van de geconsolideerde beleidsgroep (zie ook voetnoot 9).

(14)  Zie ook paragraaf 1.26 van het Jaarverslag 2009.

(15)  Het aantal punten van voorbehoud daalde van 20 (2009) tot 17 (2010). Opgemerkt zij dat het directoraat-generaal Energie en vervoer in 2010 werd opgedeeld in twee directoraten-generaal (directoraat-generaal Mobiliteit en vervoer en directoraat-generaal Energie) en dat het punt van voorbehoud van 2009 derhalve werd overgedragen als twee punten van voorbehoud.

(16)  Zie bijlage 4.3 .

(17)  Zie punt 2.3 van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer — Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2010, COM(2011) 323 definitief van 1 juni 2011: „De dienst Interne audit van de Commissie is van oordeel dat de Commissie in 2010 procedures voor bestuur, risicobeheersing en interne controle heeft opgezet die redelijke zekerheid kunnen verschaffen wat betreft de verwezenlijking van haar financiële doelstellingen. Dit geldt niet voor de gebieden van het financiële beheer waarvoor de directeuren-generaal in hun betrouwbaarheidsverklaringen een voorbehoud hebben gemaakt, en voorts zijn de opmerkingen van toepassing over risicobeheersing betreffende fouten in de onderliggende transacties.”

(18)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer — Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2010, COM(2011) 323 definitief van 1 juni 2011.

(19)  Krachtens artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(20)  Zie het Groenboek betreffende de modernisering van het EU-beleid voor overheidsopdrachten (Richtlijnen 2004/18/EG en 2004/17/EG).

(21)  Zie punt 2.3 van COM(2011) 323 definitief van 1 juni 2011.

(22)  Zie paragraaf 1.31 van het Jaarverslag 2009 van de Rekenkamer.

(23)  De afsluitingsprocedure dient te waarborgen dat zowel de ontvangsten als de uitgaven volledig en nauwkeurig zijn geboekt in de juiste boekhoudkundige periode.

(24)  Zie paragraaf 1.28, eerste streepje, van het Jaarverslag 2006 van de Rekenkamer, de paragrafen 1.23, tweede streepje, 1.24, tweede streepje, en 1.26 van het Jaarverslag 2007, paragraaf 1.14 van het Jaarverslag 2008 en paragraaf 1.12 van het Jaarverslag 2009.

(25)  In haar Advies nr. 6/2010 over een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Unie sprak de Rekenkamer haar zorgen uit over de zeer sterke toename van niet-vereffende voorfinanciering en de noodzaak om op te treden.

(26)  De International Public Sector Accounting Standards (IPSAS)-norm nr. 1 omschrijft dit beginsel als volgt: om informatie de verrichtingen en andere gebeurtenissen waarvan zij geacht wordt verslag te doen, getrouw te laten weergeven, is het noodzakelijk dat deze worden verwerkt en gepresenteerd overeenkomstig de economische realiteit ervan en niet alleen overeenkomstig de juridische vorm. De economische realiteit van verrichtingen of andere gebeurtenissen komt niet altijd overeen met de juridische vorm ervan (bijlage A, blz. 70 van het „Handbook of International Public Sector Accounting Pronouncements 2011, Volume 1”). Zie ook artikel 124 van het Financieel Reglement.

(27)  Zie Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 210 van 31.7.2010, blz. 25), deel 4, artikel 44 en Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie (PB L 371 van 27.12.2006, blz. 1), deel 8, artikelen 43-46, inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1), artikel 71, lid 5, en Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie (PB L 368 van 23.12.2006, blz. 15), artikelen 50-52, inzake het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling.

(28)  Dit bedrag bestaat uit voorfinanciering op lange termijn (3 820 miljoen euro) en voorfinanciering op korte termijn (955 miljoen euro).

(29)  Zie ook paragraaf 1.43 van het Jaarverslag 2008.

(30)  De uit 2009 overgedragen kredieten bedragen 0,3 miljard euro voor vastleggingen en 1,8 miljard euro voor betalingen.

(31)  De bestemmingsontvangsten bedragen in 2010 (zie ook voetnoot 35) 5,4 miljard euro voor vastleggingen en 5,8 miljard euro voor betalingen.

(32)  De acht gewijzigde begrotingen die in 2010 werden goedgekeurd, leidden tot een totale toename van de kredieten voor vastleggingen met 99 miljoen euro en een stijging van de kredieten voor betalingen met 19 miljoen euro.

(33)  Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1) mogen bepaalde in de begroting opgevoerde vastleggingskredieten, zoals de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, zo nodig hoger zijn dan de maxima.

(34)  Gedetailleerde informatie over de begrotingsuitvoering 2010 is te vinden in deel II van de jaarrekening van de Europese Unie, begrotingsjaar 2010, het verslag van de Commissie (directoraat-generaal Begroting) over het begrotings- en financieel beheer dat de communautaire rekeningen vergezelt — begrotingsjaar 2010, en het verslag over de analyse van de begrotingsuitvoering van de structuurfondsen en het Cohesiefonds in 2010.

(35)  Bestemmingsontvangsten omvatten onder meer teruggaven voortvloeiend uit de terugvordering van abusievelijk betaalde bedragen die opnieuw worden toegewezen aan hun oorspronkelijke begrotingslijn, bijdragen van de EFTA-leden die leiden tot stijgingen van begrotingslijnen, of ontvangsten van derden ingeval er overeenkomsten zijn gesloten met een financiële bijdrage aan EU-activiteiten.

(36)  „Report on budgetary and financial management accompanying the Community accounts — Financial year 2010” (Verslag over het begrotings- en financieel beheer bij de communautaire rekeningen — begrotingsjaar 2010),

(37)  Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad (PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1) en Verordening (EG) nr. 1083/2006.

(38)  Zie de paragrafen 3.13, 3.15 en 3.22.

(39)  Niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen zijn een rechtstreeks gevolg van gesplitste kredieten, waarbij de afronding van uitgavenprogramma's een aantal jaren in beslag neemt en vastleggingen in eerdere jaren vóór de desbetreffende betalingen worden gedaan. Daar vastleggingen worden afgewikkeld door betalingen, leiden vastleggingen die aanzienlijk hoger zijn dan de betalingen op lange termijn onvermijdelijk tot een cumulatie van niet-afgewikkelde verplichtingen, een situatie die elk jaar weer vooruitgeschoven wordt.

(40)  De begroting onderscheidt twee soorten kredieten: niet-gesplitste en gesplitste kredieten. Niet-gesplitste kredieten worden gebruikt ter financiering van verrichtingen met een jaarlijks karakter, bv. administratieve uitgaven. Gesplitste kredieten werden ingevoerd om meerjarige verrichtingen te beheren; de desbetreffende betalingen kunnen gedaan worden in het jaar van de vastlegging en gedurende de daaropvolgende jaren. Gesplitste kredieten worden voornamelijk gebruikt voor de structuurfondsen en het Cohesiefonds.

(41)  Zie voor Cohesie het verslag over het begrotings- en financieel beheer bij de communautaire rekeningen — begrotingsjaar 2010, blz. 23 en 36-41.

(42)  De termijn n + 2/n + 3 vereist een automatische vrijmaking van alle middelen die aan het eind van het tweede/derde jaar volgend op het jaar van toewijzing niet zijn besteed of waarvoor er geen betalingsverzoek is. Als onderdeel van het „derde vereenvoudigingspakket” werd de n + 2/n + 3-regel laatstelijk gewijzigd voor de vastleggingen inzake Cohesie voor 2007 (zie Verordening (EG) nr. 1083/2006, gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 539/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 158 van 24.6.2010, blz. 1)). Dit had echter geen wezenlijk effect op de bestedingsgraad van de betalingskredieten.

(43)  Over de begrotingstitels 14 en 24-31 van afdeling III van de algemene begroting, die voornamelijk betrekking hebben op administratieve uitgaven, wordt gerapporteerd in het gedeelte van hoofdstuk 7 betreffende de Europese Commissie.

(44)  De administratieve uitgaven worden niet opgevoerd bij de beleidsgroepen, maar apart in een eigen rubriek vermeld; dit leidt tot verschillen in vergelijking met de bedragen in de hoofdstukken 3-6.

(45)  De foutenfrequentie geeft aan in welke proportie de steekproef kwantificeerbare en niet-kwantificeerbare fouten vertoonde;

(46)  Systemen worden aangemerkt als „gedeeltelijk doeltreffend” wanneer de werking van sommige controleregelingen adequaat bevonden wordt, maar die van andere niet. Het is dan ook mogelijk dat zij er over het geheel genomen niet in slagen fouten in de onderliggende verrichtingen tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Voor nadere gegevens zie het onderdeel „Reikwijdte en aanpak van de controle” van de hoofdstukken 2-7.

(47)  Vergoede uitgaven (zie paragraaf 3.16).

(48)  Vergoede uitgaven (zie paragraaf 4.23).

(49)  Het verschil tussen de betalingen in 2010 (122 231 miljoen euro — zie tabel 1.1 ) en het totaalbedrag van de algehele gecontroleerde populatie in verband met de regelmatigheid van verrichtingen komt overeen met de voor de beleidsgroepen Landbouw en natuurlijke hulpbronnen (851 miljoen euro) en Cohesie, energie en vervoer (3 074 miljoen euro) betaalde voorschotten (zie de paragrafen 3.16 en 4.23).

(50)  Voorschotbetalingen voor financieringsinstrumenten ten belope van 4 775 miljoen euro in 2010 en 2 153 miljoen euro in 2009 zijn hierin niet opgenomen (zie de paragrafen 1.31-1.33).

BIJLAGE 1.1

CONTROLEAANPAK EN -METHODOLOGIE

DEEL 1 —     Controleaanpak en -methodologie voor de betrouwbaarheid van de rekeningen

1.

De voornaamste criteria om te beoordelen of de geconsolideerde rekeningen, bestaande uit de geconsolideerde financiële staten en de geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting (1), een in elk materieel opzicht getrouw beeld geven van de financiële situatie van de Europese Unie en de resultaten van de verrichtingen en kasstromen aan het eind van het jaar, zijn:

a)   wettigheid en regelmatigheid: de rekeningen zijn opgesteld overeenkomstig de regels, en de begrotingskredieten zijn beschikbaar;

b)   volledigheid: alle ontvangsten- en uitgavenverrichtingen en alle activa en passiva (inclusief posten buiten de balans om) horend bij de betreffende periode zijn in de rekeningen opgenomen;

c)   realiteit van de verrichtingen en bestaan van de activa en passiva: iedere ontvangsten- en uitgavenverrichting berust op een gebeurtenis die hoort bij de entiteit en de periode; het activum of passivum bestaat op de balansdatum en hoort bij de rapporterende entiteit;

d)   meting en waardering: de ontvangsten- en uitgavenverrichting en het activum of passivum zijn tegen een passende waarde geboekt in de rekeningen, met inachtneming van het voorzichtigheidsbeginsel;

e)   presentatie van informatie: de ontvangsten- en uitgavenverrichting, het activum of passivum wordt bekendgemaakt en omschreven overeenkomstig de toepasselijke boekhoudkundige regels en conventies en het transparantiebeginsel.

2.

De controle bestaat uit de volgende basiselementen:

a)

actualisering van de evaluatie van de boekhoudkundige controleomgeving;

b)

controle van de werking van de essentiële boekhoudprocedures en het proces van afsluiting van het begrotingsjaar;

c)

analytische controles (consistentie en redelijkheid) van de voornaamste boekhoudgegevens;

d)

analyses en aansluitingen van rekeningen en/of saldi;

e)

gegevensgerichte controles van vastleggingen, betalingen en specifieke balansposten op basis van representatieve steekproeven.

DEEL 2 –     Controleaanpak en -methodologie voor de regelmatigheid van de verrichtingen

3.

De aanpak die de Rekenkamer heeft gevolgd om de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen te controleren, bestaat uit:

rechtstreekse toetsing van verrichtingen voor ieder ontvangsten- of uitgaventerrein (zie tabel 1.1 ) om vast te stellen in hoeverre zij regelmatig zijn;

beoordeling van de doeltreffendheid van de toezicht- en controlesystemen die de regelmatigheid van verrichtingen waarborgen.

4.

Hierbij komt nog controle-informatie die voortkomt uit het werk van andere controleurs (indien relevant) en een analyse van de „management representations” van de Commissie.

Hoe de Rekenkamer de verrichtingen toetst

5.

De rechtstreekse toetsing van verrichtingen geschiedt voor iedere specifieke beoordeling (hoofdstukken 2-7) op basis van een representatieve steekproef van de ontvangsten (in het geval van ontvangsten) en betalingen uit de betrokken beleidsgroep (2). Deze toetsing biedt een statistisch onderbouwde inschatting van de mate waarin de verrichtingen van de betrokken populatie onregelmatig zijn.

6.

De Rekenkamer hanteert een controlezekerheidsmodel teneinde de voor een betrouwbaar resultaat benodigde omvang van de steekproef te bepalen. Dit model omvat een beoordeling van het risico dat zich fouten voordoen in de verrichtingen (inherent risico) en het risico dat de systemen dergelijke fouten niet voorkómen, dan wel opsporen en corrigeren (controlerisico).

7.

Het toetsen van verrichtingen behelst een gedetailleerde controle van iedere in de steekproeven geselecteerde verrichting, inclusief de vaststelling of de declaratie of betaling al dan niet correct is berekend en voldoet aan de relevante regels en rechtsvoorschriften. De Rekenkamer trekt een steekproef van de in de begrotingsrekeningen opgenomen verrichtingen en volgt de betaling tot op het niveau van de eindbegunstigde (bijv. een landbouwer, een organisator van cursussen, of een projectontwikkelaar op het gebied van ontwikkelingshulp) en toetst de naleving op ieder niveau. Indien de verrichting (op om het even welk niveau) onjuist is berekend, of niet in overeenstemming is met een rechtsvoorschrift of contractbepaling, wordt deze geacht een fout te bevatten.

Hoe de Rekenkamer de resultaten van de toetsing van verrichtingen evalueert en presenteert

8.

Fouten in de verrichtingen komen om uiteenlopende redenen voor en nemen verschillende vormen aan, afhankelijk van de aard van de overtreding en de specifieke regel of contractbepaling die niet nageleefd werd. Fouten in individuele verrichtingen zijn niet altijd van invloed op het totale betaalde bedrag.

9.

De Rekenkamer deelt fouten als volgt in:

zijn ze kwantificeerbaar of niet-kwantificeerbaar, afhankelijk van de mogelijkheid te meten welk deel van het uit hoofde van de EU-begroting betaalde of ontvangen bedrag fouten vertoonde;

naar hun aard, met name de subsidiabiliteit (de betaling voldoet niet aan de subsidiabiliteitsvereisten), realiteit (vergoeding van kosten waarvan niet is bewezen dat ze zijn gemaakt), of juistheid (de betaling is onjuist berekend).

10.

Op het gebied van de plaatsing van overheidsopdrachten treft de Rekenkamer regelmatig fouten aan. De EU-wetgeving inzake de plaatsing van overheidsopdrachten bestaat voornamelijk uit een reeks procedurele voorschriften. Om het in het Verdrag vervatte basisbeginsel van concurrentie te waarborgen, moeten de contracten worden aangekondigd, moeten offertes worden beoordeeld volgens gespecificeerde criteria, mogen contracten niet op kunstmatige wijze worden gesplitst om onder bepaalde drempelwaarden uit te komen, etc.

11.

Voor haar controledoeleinden koppelt de Rekenkamer een waarde aan het niet in acht nemen van een procedureel voorschrift. De Rekenkamer:

a)

beschouwt fouten als „ernstig” indien deze de doelstellingen van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten hinderen: eerlijke concurrentie en toekenning van het contract aan de best gekwalificeerde bieder (3);

b)

stelt de impact van „ernstige” inbreuken op de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten gelijk aan de volledige waarde van de met het contract verband houdende betaling — een kwantificeerbare fout van 100 % (4);

c)

behandelt minder ernstige fouten die niet van invloed zijn op de uitkomst van de aanbestedingsprocedure als niet-kwantificeerbare fouten (5).

De kwantificering door de Rekenkamer kan afwijken van die welke gehanteerd wordt door de Commissie of de lidstaten wanneer besloten wordt op welke wijze gereageerd zal worden op de onjuiste toepassing van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten.

12.

De Rekenkamer beschrijft de frequentie waarmee zich fouten voordoen door aan te geven in welke proportie de steekproef kwantificeerbare en niet-kwantificeerbare fouten vertoonde. Dit geeft aan op welke schaal zich waarschijnlijk fouten voordoen binnen de gehele beleidsgroep. Deze informatie wordt verstrekt in de bijlagen x.1 van de hoofdstukken 2-7 indien er sprake is van fouten van materieel belang.

13.

Op basis van de fouten die zij heeft gekwantificeerd, schat de Rekenkamer met gebruikmaking van statistische standaardtechnieken het meest waarschijnlijke foutenpercentage (MLE – „most likely error rate”) voor iedere specifieke beoordeling en voor het geheel van de uitgaven uit de begroting. Het meest waarschijnlijke foutenpercentage is het gewogen gemiddelde van de in de steekproef aangetroffen foutenpercentages (6). De Rekenkamer schat eveneens, opnieuw met gebruikmaking van statistische standaardtechnieken, het bereik waarvan zij er voor 95 % op vertrouwt dat zich daarbinnen het foutenpercentage van de populatie voor iedere specifieke beoordeling (en het geheel van de uitgaven) bevindt. Dit is het bereik tussen de onderste foutengrens (LEL — lower error limit) en de bovenste foutengrens (UEL — upper error limit) (7) (zie illustratie hierna).

Image

14.

Het percentage van het gearceerde gebied onder de curve geeft aan hoe waarschijnlijk het is dat het werkelijke foutenpercentage van de populatie tussen de LEL en de UEL ligt.

15.

Bij de planning van haar controlewerk streeft de Rekenkamer ernaar procedures te volgen die haar in staat stellen het geschatte foutenpercentage in de populatie te vergelijken met een gepland materieel belang van 2 %. De Rekenkamer laat zich bij het beoordelen van de controleresultaten leiden door dit materialiteitsniveau en houdt bij de vorming van haar controleoordeel rekening met de aard, het bedrag en de context van de fouten.

Hoe de Rekenkamer systemen beoordeelt en verslag doet van de resultaten

16.

Toezicht- en controlesystemen worden door de Commissie en — in het geval van gedeeld of gedecentraliseerd beheer — door lidstaten en begunstigde staten ingesteld om de risico's voor de begroting te beheren, met inbegrip van de regelmatigheid van de verrichtingen. Het beoordelen van de doeltreffendheid van systemen in het waarborgen van de regelmatigheid is dan ook een essentiële controleprocedure, en bijzonder nuttig om aanbevelingen voor verbeteringen te doen.

17.

Iedere beleidsgroep kent een veelheid aan afzonderlijke systemen, zo ook de ontvangsten. De Rekenkamer selecteert daarom gewoonlijk ieder jaar een steekproef van de te beoordelen systemen. De resultaten van de systeembeoordelingen worden gepresenteerd in de vorm van een tabel getiteld „Resultaten van het onderzoek van systemen”, die is opgenomen in de bijlagen x.2 van de hoofdstukken 2-7. De systemen worden aangemerkt als doeltreffend in het beperken van het risico op fouten in de verrichtingen, gedeeltelijk doeltreffend (indien er enkele gebreken zijn die de operationele doeltreffendheid beïnvloeden) of niet doeltreffend (wanneer gebreken wijdverbreid zijn en daardoor de operationele doeltreffendheid volledig ondermijnen).

18.

Daarnaast, en indien voldoende controle-informatie is verkregen, verstrekt de Rekenkamer een algehele beoordeling van de systemen voor de beleidsgroep (tevens weergegeven in de bijlagen x.2 bij de hoofdstukken 2-7), waarin zowel de beoordeling van de geselecteerde systemen als de resultaten van de toetsing van de verrichtingen zijn meegewogen.

Hoe de Rekenkamer de „management representations” van de Commissie beoordeelt en verslag doet van de resultaten

19.

Zoals voorgeschreven in de internationale controlenormen, ontvangt de Rekenkamer een „letter of representation” van de Commissie, waarin wordt bevestigd dat de Commissie haar verantwoordelijkheden is nagekomen en alle informatie openbaar heeft gemaakt die relevant zou kunnen zijn voor de controleur. Dit omvat de bevestiging dat de Commissie alle informatie openbaar heeft gemaakt betreffende de beoordeling van het risico op fraude, alle informatie met betrekking tot fraude of vermoede fraude waarvan de Commissie op de hoogte is, en alle gevallen van materieel belang waarbij wetten en regelgeving niet werden nageleefd.

20.

Daarnaast worden in de hoofdstukken 2-7 de jaarlijkse activiteitenverslagen van de betrokken directoraten-generaal besproken. Daarin wordt verslag gedaan van de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen en de beheers- en controlesystemen die zijn ingesteld ter waarborging van de regelmatigheid van de verrichtingen en het deugdelijk gebruik van de middelen. Ieder jaarlijks activiteitenverslag gaat vergezeld van een verklaring van de directeur-generaal die onder meer beschrijft in hoeverre de middelen zijn gebruikt voor hun beoogde doel en in hoeverre de controleprocedures de regelmatigheid van de verrichtingen waarborgen (8).

21.

De Rekenkamer beoordeelt de jaarlijkse activiteitenverslagen en de bijgaande verklaringen om te bepalen in hoeverre zij een getrouwe weergave bieden van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid van verrichtingen. De Rekenkamer brengt verslag uit over de resultaten van deze beoordeling in het onderdeel „Betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie” van de hoofdstukken 2-7, en — in het geval van belangrijke bevindingen — door middel van een opmerking in aansluiting op de conclusies over de regelmatigheid van de verrichtingen en de doeltreffendheid van de systemen.

Hoe de Rekenkamer tot haar oordeel in de betrouwbaarheidsverklaring komt

22.

De Rekenkamer komt tot haar oordeel over de regelmatigheid van de verrichtingen die ten grondslag liggen aan de rekeningen van de Europese Unie, zoals beschreven in de betrouwbaarheidsverklaring, op grond van al haar in de hoofdstukken 2-7 van dit verslag beschreven controlewerk, met inbegrip van een beoordeling van de vraag hoe wijdverbreid de fouten zijn. Een essentieel onderdeel is de beoordeling van de resultaten van de toetsing van uitgavenverrichtingen. Over het geheel genomen is de beste schatting van het foutenpercentage voor het geheel van de uitgaven in 2010 3,7 %. De Rekenkamer heeft 95 % zekerheid dat het foutenpercentage in de populatie tussen 2,6 % en 4,8 % ligt. Het bij de verschillende beleidsterreinen geconstateerde foutenpercentage loopt uiteen, zoals wordt beschreven in de hoofdstukken 3-7. De Rekenkamer beoordeelde de fouten als wijdverbreid — verspreid over het merendeel van de uitgaventerreinen.] De Rekenkamer geeft een algemeen oordeel over de regelmatigheid van de vastleggingen op basis van een aanvullende horizontale steekproef.

Onregelmatigheid of fraude

23.

Verreweg de meeste fouten komen voort uit de onjuiste toepassing of interpretatie van de vaak ingewikkelde EU-uitgavenregelingen. Heeft de Rekenkamer redenen om te vermoeden dat er frauduleus is gehandeld, dan meldt zij dit bij OLAF, het fraudebestrijdingsbureau van de Unie dat bevoegd is om op grond daarvan een onderzoek in te stellen. In de praktijk meldt de Rekenkamer naar aanleiding van haar controles ongeveer drie gevallen per jaar bij OLAF.


(1)  Inclusief de toelichting.

(2)  Daarnaast wordt een horizontale representatieve steekproef van vastleggingen getrokken en getoetst op de naleving van de relevante regels en rechtsvoorschriften.

(3)  In wezen zijn er twee systemen voor toewijzing: het laagste bod of het voordeligste bod.

(4)  Voorbeelden van kwantificeerbare fouten: geen of beperkte concurrentie (behoudens waar dit uitdrukkelijk is toegestaan in het juridisch kader) voor het hoofdcontract of een aanvullend contract; ondeugdelijke beoordeling van offertes die van invloed is op de uitkomst van de aanbesteding; aanzienlijke wijziging van de reikwijdte van het contract; splitsen van contracten voor verschillende bouwlocaties die dezelfde economische functie vervullen. De Rekenkamer past in het algemeen een andere aanpak toe voor de onjuiste toepassing van de richtlijnen voor openbare aanbesteding door de EU-instellingen, op grond van het feit dat de betrokken contracten doorgaans nog geldig zijn. Dergelijke fouten worden niet gekwantificeerd in het kader van de DAS.

(5)  Voorbeelden van niet-kwantificeerbare fouten: ondeugdelijke beoordeling van offertes zonder invloed op de uitkomst van de aanbesteding, formele gebreken in de aanbestedingsprocedure of het bestek, niet in acht nemen van formele aspecten inzake de doorzichtigheidsvereisten.

(6)  Formula, waarbij ASI („average sampling interval”) het gemiddelde steekproefinterval is en i het nummer van de verrichting in de steekproef.

(7)  Formula en Formula, waarbij t de t-verdelingsfactor is, n de steekproefomvang en s de standaarddeviatie van het foutenpercentage.

(8)  Nadere informatie over deze processen, alsmede links naar de meest recente verslagen zijn te vinden op http://ec.europa.eu/atwork/synthesis/index_en.htm.

BIJLAGE 1.2

FOLLOW-UP VAN OPMERKINGEN UIT VOORGAANDE JAREN OVER DE BETROUWBAARHEID VAN DE REKENINGEN

Opmerkingen uit voorgaande jaren

Geboekte vooruitgang

Antwoord van de Commissie

Analyse van de Rekenkamer

1.

De „representation letter” van de rekenplichtige

De „representation letter” van de rekenplichtige

De „representation letter” van de rekenplichtige

De „representation letter” van de rekenplichtige

In de „representation letters” van de rekenplichtige van de Commissie werd benadrukt dat de rekenplichtigen van een aantal geconsolideerde entiteiten „representations” hadden weggelaten of aangepast. Met name werd de vereiste informatie betreffende de validering van de boekhoud- en lokale systemen niet verstrekt.

Met betrekking tot de geconsolideerde rekeningen over 2010:

geeft de rekenplichtige van de Commissie aan dat de boekhoudkundige en/of lokale systemen bij vier agentschappen en twee gemeenschappelijke ondernemingen die voor het eerst zijn geconsolideerd, niet of slechts gedeeltelijk zijn gevalideerd, en benadrukt hij dat deze valideringen behoren tot de verantwoordelijkheid van de betrokken rekenplichtigen;

merkt de rekenplichtige van de Commissie op dat één uitvoerend agentschap het model van vorig jaar gebruikte voor zijn „management representation letter”, waardoor een aantal nieuw toegevoegde „representations” ontbreken.

De rekenplichtige van de Commissie benadrukte echter dat deze punten naar zijn oordeel niet van materieel belang zijn voor de rekeningen van de Commissie.

Het genoemde ontbreken van validaties heeft geen invloed op de betrouwbaarheid van de jaarrekening.

De Rekenkamer heeft nota genomen van de algehele zekerheid die is verschaft door middel van de „representation letter” van de rekenplichtige. De Rekenkamer zal in haar toekomstige controles aandacht schenken aan de specifieke geconstateerde kwesties.

2.

Voorfinanciering, crediteuren en afsluitingsprocedures

Voorfinanciering, crediteuren en afsluitingsprocedures

Voorfinanciering, crediteuren en afsluitingsprocedures

Voorfinanciering, crediteuren en afsluitingsprocedures

Wat betreft voorfinanciering, crediteuren en de desbetreffende afsluiting constateerde de Rekenkamer boekhoudkundige fouten die over het geheel genomen geen financiële impact van materieel belang, maar wel een hoge frequentie hebben. Dit wijst erop dat de boekhoudkundige basisgegevens op het niveau van bepaalde directoraten-generaal verder moeten worden verbeterd.

Met betrekking tot de boekhoudkundige verwerking van voorgefinancierde bedragen constateerde de Rekenkamer tevens de volgende problemen:

de verrekening van uitstaande voorfinancieringen wordt niet altijd correct uitgevoerd. Een aantal verrekeningen werd helemaal niet, of voor onjuiste bedragen uitgevoerd;

enkele directoraten-generaal verwerken de beschikbare informatie over de geboekte vooruitgang en de desbetreffende gemaakte kosten niet en verlenen de goedkeuring voor de overeenkomstige voorfinanciering niet op basis van deze vooruitgang, maar hanteren schattingen bij de afsluitingsberekening.

Voorts voldeed een aantal directoraten-generaal niet aan het voorschrift de facturen en kostendeclaraties binnen vijf werkdagen na ontvangst te registreren.

De Commissie bleef zich inspannen om de nauwkeurigheid van haar boekhoudkundige gegevens verder te verbeteren door lopende acties, zoals het project voor boekhoudkundige kwaliteit en de validering van lokale systemen.

Ondanks de inspanningen van de diensten van de rekenplichtige om de situatie te verbeteren, constateerde de Rekenkamer dat verschillende directoraten-generaal op het gebied van intern beleid en externe acties schattingen blijven opnemen in de rekeningen, zelfs als zij een toereikende grondslag hebben om de desbetreffende voorfinanciering te verrekenen (zie paragraaf 1.29).

De controle van de Rekenkamer betreffende representatieve steekproeven van voorfinanciering en van facturen/kostendeclaraties bracht opnieuw fouten aan het licht die over het geheel genomen geen financiële impact van materieel belang, maar wel een hoge frequentie hebben. De Commissie dient zich derhalve te blijven inspannen om de boekhoudkundige basisgegevens op het niveau van bepaalde directoraten-generaal te verbeteren.

Ondanks geconstateerde verbeteringen wat betreft de tijd die nodig is om nieuwe kostendeclaraties te registreren, voldoen sommige directoraten-generaal nog altijd niet volledig aan het voorschrift om hun facturen en kostendeclaraties snel te registreren.

Zie het antwoord van de Commissie op paragraaf 1.29.

De Commissie blijft zich inspannen om de nauwkeurigheid van haar boekhoudkundige gegevens verder te verbeteren door lopende acties, zoals de projecten voor boekhoudkundige kwaliteit.

De Rekenkamer zal aandacht blijven schenken aan de geconstateerde kwesties.

Voorts kwam bij de controle van 2010 een nieuw probleem aan het licht betreffende een aanzienlijk aantal gevallen waarin de Commissie betalingen aanvankelijk niet correct boekte en geen activum genereerde (bv. financieringsinstrumenten) Dit probleem is verholpen in de definitieve rekeningen na ontvangst van informatie van de lidstaten in juni 2011 — zie paragraaf 1.32. De Commissie heeft voorgesteld het huidige rechtskader te wijzigen en zal passende voorstellen doen voor de periode na 2013.

3.

Vermeldingen betreffende terugvorderingen en financiële correcties

Vermeldingen betreffende terugvorderingen en financiële correcties

Mededelingen betreffende terugvorderingen en financiële correcties

Vermeldingen betreffende terugvorderingen en financiële correcties

Hoewel de Commissie stappen heeft ondernomen om meer en betere informatie te verstrekken inzake de correctiemechanismen die worden toegepast op de EU-begroting, is de informatie die zij verstrekt nog niet volkomen betrouwbaar, omdat de Commissie niet altijd betrouwbare informatie ontvangt van de lidstaten.

De controles ter plaatse van de Commissie wezen uit dat de systemen voor het registreren en melden van gegevens nog niet in alle lidstaten volledig betrouwbaar zijn. De Commissie zorgde voor follow-up van inconsistenties in deze gegevens en deed de lidstaten aanbevelingen voor verbeteringen.

De betrouwbaarheid van de van de lidstaten ontvangen gegevens over terugvorderingen is verbeterd ten opzichte van vorig jaar, maar de Commissie is het ermee eens dat verdere verbetering noodzakelijk is. In dit verband is de Commissie begin 2011 een audit van de terugvorderingssystemen van de lidstaten gestart op basis van de verslaglegging die elk jaar op 31 maart plaatsvindt, met als doel de verslaglegging van de nationale financiële correcties aan de Commissie te verbeteren en de volledigheid, correctheid en tijdigheid van de verslaglegging te waarborgen.

De Rekenkamer zal aandacht blijven schenken aan de geconstateerde kwesties. Zij handhaaft haar standpunt dat, waar mogelijk, een aansluiting tussen de fouten en de daarmee verband houdende terugvorderingen en/of financiële correcties moet worden verschaft.

Voorts dient de noodzaak tot verfijning van de richtsnoeren voor financiële verslaglegging te worden onderzocht op het punt van de informatie die moet worden opgenomen en hoe daarmee moet worden omgegaan.

Wat betreft het verzoek van de Rekenkamer om de richtsnoeren over de vermelding van terugvorderingen en financiële correcties te verbeteren, heeft de Commissie een instructie inzake afsluiting afgegeven, die echter nog verbetering behoeft.

De Commissie zal de richtsnoeren en instructies voor de afsluiting verder verbeteren met het oog op de afsluiting voor 2011.

 

Voor een aantal uitgaventerreinen verschaft de Commissie geen informatie waarmee een aansluiting kan worden verricht tussen het jaar waarin de desbetreffende betaling is gedaan, het jaar waarin de betrokken fout is opgespoord en het jaar waarin de daaruit voortvloeiende financiële correctie bekend is gemaakt in de toelichting bij de rekeningen.

Er wordt nog geen informatie gegeven waarin betalingen, fouten en financiële correcties worden aangesloten.

De Commissie controleert alle betalingen diverse jaren na het jaar waarin een gegeven betaling feitelijk is verricht, met name bij de afsluiting van een programma. Ook kunnen financiële correcties het resultaat zijn van de ontdekking van tekortkomingen in de controlesystemen van de lidstaten, in welk geval er geen direct verband met betalingen bestaat. Als gevolg hiervan is het mogelijk noch relevant om het jaar van de desbetreffende betaling aan te sluiten op het jaar waarin de financiële correctie in de toelichtingen bij de rekening wordt vermeld.

De bewijsstukken die de lidstaten dienen te verstrekken bij de afsluiting van een programma, zijn vastgesteld in het wettelijk kader. Alle bewijsstukken met betrekking tot uitgaven en controles wordt door de beheersautoriteit van het operationele programma beschikbaar gehouden voor de Commissie.

 

Per jaarultimo 2009 moest voor Cohesie nog een totaalbedrag van 2,3 miljard euro worden uitgevoerd (d.w.z. „geïncasseerd” doordat de Commissie een terugbetaling ontvangt of de lidstaat het bedrag van betalingsaanvragen aftrekt).

In 2010 is het nog niet uitgevoerde bedrag voor Cohesie toegenomen met ongeveer 0,2 miljard euro (d.w.z. de bevestigde/goedgekeurde maar nog niet uitgevoerde bedragen stegen van 2 327 miljoen euro in 2009 tot 2 516 miljoen euro in 2010). De lage uitvoeringsgraad van 71 % is het resultaat van het lopende afsluitingsproces. De eind 2010 ontvangen betalingsaanvragen zijn nog niet goedgekeurd, waardoor de daarmee verband houdende financiële correcties voor een totaalbedrag van 2,3 miljard euro niet in aanmerking kunnen worden genomen voor de uitvoeringscijfers over 2010. (zie toelichting 6 bij de jaarrekening 2010, onderdeel 6.3.3 „financiële correcties — cumulatieve cijfers en uitvoeringsgraad”).

Voor enkele programma's uit de programmeringsperiode 2000-2006 blijkt uit de resultaten van zowel de Rekenkamer als de Commissie dat er twijfels bestonden over de volledigheid en betrouwbaarheid van de geregistreerde en gerapporteerde cijfers over intrekkingen en terugvorderingen. De Commissie heeft in haar audits in de periode 2007-2010 weliswaar in alle lidstaten verbeteringen waargenomen, maar blijft prudent omgaan met afsluitingen en heeft alle programma-autoriteiten verzocht om verslag uit te brengen over de follow-up (met inbegrip van financiële correcties) die op nationaal niveau is gegeven aan alle onregelmatigheden die waren geconstateerd in het grootboek van de debiteur voor elk programma. De Commissie zal geen programma's afsluiten voordat deze informatie door haar coherent en volledig is bevonden.

Voor het wettelijk kader voor 2007-2013 dient de certificeringsautoriteit de Commissie tegen 31 maart van elk jaar een verklaring over de financiële correcties met betrekking tot het voorgaande jaar te doen toekomen. Door deze nieuwe verslagleggingsbepalingen wordt meer betrouwbare en uniforme informatie over de uitgevoerde correcties in elektronische vorm (via SFC 2007) ontvangen. Bovendien hebben het DG REGIO en het DG EMPL hun auditstrategieën herzien en daarin een specifieke module opgenomen om met ingang van de tweede helft van 2011 audits uit te voeren van de nationale terugvorderingssystemen die de grootste risico's meebrengen.

De Commissie houdt vast aan haar standpunt dat vanwege het meerjarige karakter van de correctiesystemen voor programma's met gedeeld beheer (financiële correcties worden niet altijd uitgevoerd in het jaar dat ze door de lidstaten worden aanvaard), een aansluiting van betalingen, fouten en financiële correcties nauwelijks iets toevoegt. Bovendien is een dergelijke aansluiting nagenoeg onmogelijk omdat het systeem voor het declareren van kosten cumulatief is over een periode van meerdere jaren en het in sommige gevallen om systeemcorrecties gaat.

 

Hoewel de toelichting bij de geconsolideerde rekeningen de informatie bevat dat sommige verrichtingen op een later tijdstip waarschijnlijk zullen worden gecorrigeerd door de diensten van de Commissie of door de lidstaten, vermeldt zij nog steeds niet de bedragen en de uitgaventerreinen waarvoor eventueel nog nadere verificatie en goedkeuring van de rekeningen moet plaatsvinden.

De bedragen waarvoor nog nadere verificatie en goedkeuring van de rekeningen moet plaatsvinden, worden nog niet vermeld in de toelichting bij de geconsolideerde rekeningen (in tegenstelling tot kwantificeerbare bedragen van mogelijke terugvorderingen).

Zoals ook in voorgaande jaren is geantwoord, mag de Commissie volgens het Financieel Reglement uitgaven nog meerdere jaren na het jaar waarin deze zijn gedaan, controleren. De jaarrekening mag niet de indruk wekken dat alle betrokken uitgaven vanwege de in latere jaren te verrichten controles nog moeten worden aanvaard. Anders zouden alle begrotingsuitgaven als voorlopig gelden tot een controle achteraf wordt verricht of de bedoelde verjaringstermijn is verstreken. Wanneer de bedragen van potentiële terugvorderingen kunnen worden gekwantificeerd, worden zij bekendgemaakt in toelichting 6 bij de geconsolideerde jaarrekening. Voor het beleidsterrein Landbouw wordt circa zes maanden na het betrokken begrotingsjaar een financiële goedkeuringsbeschikking gegeven, waarmee de Commissie het uitgavenbedrag vaststelt dat ten laste komt van de EU-begroting voor dat jaar. Het feit dat er nadien financiële correcties aan de lidstaten kunnen worden opgelegd door middel van conformiteitsbeschikkingen doet geen afbreuk aan de rol van de financiële goedkeuringsbeschikking. Het uitgavenbedrag dat waarschijnlijk door dergelijke toekomstige conformiteitsbeschikkingen wordt uitgesloten van EU-financiering, wordt bekendgemaakt in een toelichting bij de financiële staten.

Zowel de kwantificeerbare bedragen van potentiële terugvorderingen door de lidstaten als het uitgavenbedrag dat waarschijnlijk door dergelijke toekomstige conformiteitsbeschikkingen wordt uitgesloten van EU-financiering, worden in het boekhoudsysteem van de Commissie en in een toelichting bij de financiële staten geboekt als activa (of vermeld als voorwaardelijke activa).

De Commissie is van mening dat voor het landbouwbeleid geldt dat de informatie over terugvorderingen die ze van de lidstaten ontvangt betrouwbaar is, omdat deze is gecertificeerd door onafhankelijke controleorganen.

Op het beleidsterrein Landbouw wordt in de conformiteitsbeschikkingen voor elke financiële correctie het jaar waarin de desbetreffende betaling is verricht vastgesteld.

De financiële verslaglegging in Landbouw omvat informatie over terugvorderingen door de lidstaten en correcties die de Commissie heeft toegepast, over het bedrag van de correcties waarover per begrotingsjaar en per kalenderjaar een besluit is genomen, over de financiële tenuitvoerlegging van deze correcties en over de bijbehorende geïnde bedragen, zowel met betrekking tot het ELGF als met betrekking tot plattelandsontwikkeling.

 

4.

Overdracht van activa van Galileo

Overdracht van activa van Galileo

Overdracht van activa van Galileo

Overdracht van activa van Galileo

De overeenkomsten voor de overdracht naar de Unie van de eigendom van alle in het kader van het Galileo-programma gecreëerde, ontwikkelde en verworven activa worden nog niet volledig uitgevoerd. Aangezien alle tot op heden gedane uitgaven zijn behandeld als onderzoekskosten, is er geen impact op de balans. De Commissie moet er echter voor zorgen dat alle informatie beschikbaar is op het moment van overdracht teneinde de activa op doeltreffende wijze veilig te stellen.

De Commissie werkt samen met het Europees Ruimteagentschap (ESA) om ervoor te zorgen dat op het moment van de overdracht alle nodige boekhoudkundige en technische informatie beschikbaar is, teneinde een vlotte overdracht te garanderen. De overdracht is gepland voor het eind van de valideringsfase in de ruimte, naar verwachting in 2012.

De Rekenkamer wijst echter op het punt van voorbehoud dat werd opgeworpen door de verantwoordelijke directeur-generaal in zijn jaarlijks activiteitenverslag 2010, betreffende de betrouwbaarheid van de financiële verslaglegging van het Europees Ruimteagentschap.

De Commissie volgt nauwlettend de vooruitgang die het Europees Ruimteagentschap (ESA) boekt bij de tenuitvoerlegging van zijn nieuwe boekhoudsysteem en de daaruit voortvloeiende verbetering van zijn financiële verslaglegging.

De Rekenkamer blijft aandacht schenken aan deze kwestie.


HOOFDSTUK 2

Ontvangsten

INHOUD

Inleiding

Specifieke kenmerken van de ontvangsten

Reikwijdte en aanpak van de controle

Traditionele eigen middelen

Eigen middelen btw en bni

Regelmatigheid van de verrichtingen

Traditionele eigen middelen

Eigen middelen btw en bni

Overige ontvangsten

Doeltreffendheid van de systemen

Traditionele eigen middelen

Eigen middelen btw

Er bestaan nog steeds langdurig hangende punten van voorbehoud, maar de achterstand wordt weggewerkt

Vertragingen in het toezicht op de toepassing van de btw-richtlijnen

Eigen middelen bni

Algemene en specifieke punten van voorbehoud

Verificatie van bni-overzichten in de lidstaten nog niet voltooid

VK-correctie

Afzien van in te vorderen bedragen

Betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

Aanbevelingen

Follow-up van speciaal verslag nr. 2/2008 over bindende tariefinlichtingen

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

2.1.

Dit hoofdstuk betreft de specifieke beoordeling door de Rekenkamer van de Ontvangsten, die de eigen middelen en andere ontvangsten omvatten. Essentiële financiële gegevens over de ontvangsten zijn opgenomen in tabel 2.1. De eigen middelen vormen veruit de belangrijkste financieringsbron van begrotingsuitgaven (93,8 %). Het hoofdstuk bevat tevens een samenvatting van de wijze waarop de Commissie gevolg gaf aan de bevindingen in speciaal verslag nr. 2/2008 van de Rekenkamer betreffende bindende tariefinlichtingen.

 

Tabel 2.1 —   Ontvangsten — Essentiële informatie

Begrotings-titel

Soort ontvangsten

Omschrijving

Ontvangsten 2010

miljoen euro

%

1

Traditionele eigen middelen (TEM)

Productieheffing voor suiker (hoofdstuk 1 1)

145

0,1

Douanerechten (hoofdstuk 1 2)

15 514

12,1

Eigen middelen btw

Middelen uit btw (belasting over de toegevoegde waarde) over het lopende begrotingsjaar (hoofdstuk 1 3)

13 393

10,5

Eigen middelen bni

Middelen uit bni (bruto nationaal inkomen) over het lopende begrotingsjaar (hoofdstuk 1 4)

90 948

71,2

Correctie van begrotingsonevenwichtigheden

VK-correctie (hoofdstuk 1 5)

– 128

–0,1

Bruto verlaging van de jaarlijkse bijdrage op basis van het bni

Toegekend aan Nederland en Zweden (hoofdstuk 1 6)

–3

0,0

 

TOTAAL EIGEN MIDDELEN

119 869

93,8

3

 

Overschotten, saldi en aanpassingen

1 460

1,1

4

 

Ontvangsten afkomstig van personen die verbonden zijn aan de instellingen en andere communautaire organen

1 123

0,9

5

 

Ontvangsten voortvloeiende uit de administratieve werking van de instellingen

388

0,3

6

 

Bijdragen en terugbetalingen in het kader van communautaire overeenkomsten en programma’s

3 511

2,7

7

 

Rente over te late betalingen en boetes

1 408

1,1

8

 

Opgenomen en verstrekte leningen

0,0

9

 

Diverse ontvangsten

36

0,0

 

 

TOTAAL ANDERE ONTVANGSTEN

7 926

6,2

Totaal ontvangsten over het jaar

127 795

100,0

Bron: Jaarrekening 2010 van de Europese Unie.

Specifieke kenmerken van de ontvangsten

2.2.

Er zijn drie categorieën eigen middelen (1): traditionele eigen middelen (douanerechten die worden geheven op importen en productieheffingen voor suiker — TEM), eigen middelen die zijn berekend op basis van de door de lidstaten geïnde belasting over de toegevoegde waarde (btw) en eigen middelen op basis van het bruto nationaal inkomen (bni) van de lidstaten.

 

2.3.

De TEM worden vastgesteld en geïnd door de lidstaten. Driekwart van deze bedragen wordt aan de Unie afgedragen, terwijl het resterende kwart wordt ingehouden ter dekking van de inningskosten. Elke lidstaat stuurt de Commissie een maandoverzicht van vastgestelde rechten toe (de „A-boekhouding”) en een kwartaaloverzicht met de vastgestelde rechten die niet hierin zijn opgenomen (de „B-boekhouding”) (2).

 

2.4.

De eigen middelen btw en bni zijn bijdragen die voortvloeien uit de toepassing van uniforme percentages op hypothetisch geharmoniseerde btw-grondslagen, respectievelijk het bni van de lidstaten.

 

2.5.

Bepaalde lidstaten mogen in de periode 2007-2013 een geringer percentage van de btw-bron (3) afdragen en hun jaarlijkse bni-bijdrage (4) wordt met een brutobedrag verminderd. Bovendien wordt het Verenigd Koninkrijk een correctie voor begrotingsonevenwichtigheden toegestaan (de „VK-correctie”) welke bestaat uit een vermindering van zijn afdrachten aan eigen middelen bni.

 

2.6.

Nadat het totaal aan TEM, eigen middelen btw en overige ontvangsten in aanmerking is genomen, worden de eigen middelen bni gebruikt om de begroting in evenwicht te brengen. Wordt het bni voor een bepaalde lidstaat te laag (of te hoog) opgegeven — zonder dat dit van invloed is op de totale eigen middelen bni — dan heeft dit tot gevolg dat de bijdragen van de overige lidstaten toenemen (of afnemen) totdat het probleem is verholpen.

 

Reikwijdte en aanpak van de controle

2.7.

In bijlage 1.1, deel 2 wordt de algemene controleaanpak en -methodologie van de Rekenkamer beschreven. Ten aanzien van de controle van de ontvangsten dienen de volgende specifieke punten te worden opgemerkt:

a)

de controle omvatte een onderzoek op het niveau van de Commissie van een representatieve statistische steekproef van 55 invorderingsopdrachten die alle soorten ontvangsten bestreek (zie bijlage 2.1 );

b)

de systeembeoordeling bestreek;

i)

de systemen voor TEM en eigen middelen btw en bni;

ii)

de systemen van de Commissie die ten grondslag liggen aan de berekening van de VK-correctie (met inbegrip van een onderzoek van de berekening van het definitieve bedrag voor 2006);

iii)

de systemen om af te zien van de bedragen waarvoor invorderingsopdrachten bestaan, op basis van een steekproef van 19 gevallen waarin de Commissie (5) in 2010 afzag van invordering (ten belope van in totaal 11 miljoen euro) op een totaal van 22 miljoen euro;

iv)

het beheer van de Commissie van boetes en sancties;

c)

de beoordeling van de „management representations” van de Commissie had betrekking op het jaarlijkse activiteitenverslag van DG BUDG.

 

Traditionele eigen middelen

2.8.

Niet-aangegeven importen of importen die aan douanetoezicht zijn ontsnapt, vallen buiten het bestek van de door de Rekenkamer uitgevoerde controle van verrichtingen die ten grondslag liggen aan de rekeningen.

 

2.9.

De Rekenkamer beoordeelde de toezicht- en controlesystemen in Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, landen die samen ongeveer 38 % van de totale TEM bijdragen. Zij onderzocht hun boekhoudsystemen en de geldstromen van de TEM vanaf de vaststelling tot aan de opgave bij de Commissie, om redelijke zekerheid te verkrijgen dat de geboekte bedragen correct en volledig zijn. De controleurs verrichtten een toetsing van essentiële controles met betrekking tot de toepassing van preferentiële douanetarieven, de toekenning van een „supervereenvoudiging” voor gebruikers van de domiciliëringsprocedure (vrijstelling van kennisgeving) (6) en de behandeling van vracht- en verzekeringskosten in de desbetreffende lidstaten.

 

2.10.

Daarnaast verrichtte de Rekenkamer bij de zes terugvorderingsopdrachten betreffende TEM uit de in paragraaf 2.7 bedoelde steekproef een aansluiting van de geselecteerde maandoverzichten met de onderliggende boekhoudkundige stukken van de betrokken lidstaat (7).

 

2.11.

De Rekenkamer beoordeelde tevens de toezicht- en controlesystemen bij de Commissie, met inbegrip van haar inspecties in de lidstaten.

 

Eigen middelen btw en bni

2.12.

De eigen middelen btw en bni zijn gebaseerd op statistische gegevens waarvan de onderliggende verrichtingen niet rechtstreeks kunnen worden gecontroleerd. Om die reden werd voor de controle uitgegaan van de ontvangst door de Commissie van de door de lidstaten opgestelde macro-economische grootheden en werden vervolgens de systemen van de Commissie voor de verwerking van de gegevens beoordeeld teneinde de bedragen te bepalen die in de definitieve begrotingsrekeningen worden opgenomen. De Rekenkamer onderzocht dus de opstelling van de begroting en de juistheid van de bijdragen van de lidstaten.

 

2.13.

De Rekenkamer beoordeelde de toezicht- en controlesystemen van de Commissie die ertoe dienen, redelijke zekerheid te verschaffen dat deze middelen correct zijn berekend en geïnd. De controle bestreek eveneens het beheer van de Commissie van punten van voorbehoud betreffende de btw en het bni, haar verificatie van bni-overzichten in de lidstaten en haar toezicht op de toepassing van de btw-richtlijnen. De controle van de Rekenkamer omvat geen oordeel over de kwaliteit van de btw- en bni-gegevens die de Commissie van de lidstaten ontving.

 

REGELMATIGHEID VAN DE VERRICHTINGEN

2.14.

De resultaten van de toetsing van verrichtingen zijn samengevat in bijlage 2.1 . De toetsing door de Rekenkamer van haar steekproef van verrichtingen bracht geen fouten van materieel belang aan het licht (8). Zij schat meest waarschijnlijke foutenpercentage op 0 %. Met betrekking tot de toetsing van verrichtingen werden echter een aantal systeemgebreken waargenomen die hierna worden beschreven.

 

Traditionele eigen middelen

2.15.

De Rekenkamer constateerde dat de „A-boekhoudingen” die de lidstaten de Commissie toestuurden, over het geheel genomen geen materiële fouten vertoonden. Bij één (9) van de zes gecontroleerde verrichtingen was het echter niet mogelijk het opgegeven TEM-bedrag aan te sluiten met de onderliggende boekhoudkundige gegevens.

2.15.

De Commissie bespreekt het vervolg op deze paragraaf met de autoriteiten van de betrokken lidstaat.

Eigen middelen btw en bni

2.16.

Bij haar controle constateerde de Rekenkamer dat de berekening van de bijdragen van de lidstaten en de betaling ervan geen fouten van materieel belang bevatten. De Rekenkamer ontdekte echter een fout in de berekening door de Commissie van het definitieve bedrag (10) van de in de begroting voor 2010 opgevoerde VK-correctie voor 2006, die leidde tot een te hoge aan het Verenigd Koninkrijk toegekende correctie van 189 miljoen euro (3,5 % van de VK-correctie 2006) (zie bijlage 2.5 , met name de paragrafen 6 en 7). Teneinde de fout te corrigeren heeft de Commissie in overeenstemming met alle lidstaten bij wijze van uitzondering voorgesteld de begroting 2011 te wijzigen.

2.16.

Er wordt momenteel aan een rechtzetting gewerkt zodat de impact van de fout niet materieel zal zijn.

Overige ontvangsten

2.17.

De Rekenkamer constateerde dat de geteste verrichtingen op het gebied van overige ontvangsten over het geheel genomen geen materiële fouten vertoonden.

 

DOELTREFFENDHEID VAN DE SYSTEMEN

2.18.

De resultaten van het onderzoek van systemen zijn samengevat in bijlage 2.2 . De Rekenkamer constateerde dat de systemen over het geheel genomen doeltreffend waren in het waarborgen van de regelmatigheid van de verrichtingen.

 

Traditionele eigen middelen

2.19.

Evenals in voorgaande jaren (11) ontdekte de Rekenkamer problemen in de procedures en systemen die van invloed zijn op de bedragen in de B-boekhouding. Dit betreft met name:

a)

ongegronde boekingen (gegarandeerde en niet-betwiste gevallen) en afschrijvingen (12),

b)

vertragingen bij de vaststelling van TEM, bij de boekingen op de rekeningen en/of de kennisgeving van douaneschulden (13),

c)

het vertraagd opstarten van terugvorderingsacties om de verschuldigde bedragen te innen (14).

2.19.

De Commissie zal de betrokken lidstaten vragen de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen en waar nodig zullen de te weinig betaalde traditionele eigen middelen worden ingevorderd, eventueel met achterstandsrente. De Commissie zal de B-boekhouding blijven onderzoeken in het kader van haar reguliere controles.

2.20.

De nationale autoriteiten van Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk konden de in de B-boekhouding opgenomen bedragen niet volledig onderbouwen omdat zij niet overeenkwamen met de onderliggende stukken.

2.20.

De Commissie zal de bevindingen van de Rekenkamer het nodige vervolg geven, rekening houdende met de antwoorden van de lidstaten. Zij zal zo nodig vragen dat de betrokken lidstaten correcties doorvoeren.

2.21.

In de bezochte lidstaten bracht de controle van de Rekenkamer ook tekortkomingen aan het licht betreffende de verrichting van controles voorafgaand aan de vrijgave van goederen, in het bijzonder met betrekking tot de toepassing van preferentiële douanetarieven, de toekenning van een „supervereenvoudiging” voor gebruikers van de domiciliëringsprocedure en de behandeling van vracht- en verzekeringskosten. Gedeeltelijk doeltreffend nationaal douanetoezicht vergroot het risico dat er onjuiste bedragen aan TEM worden geïnd.

2.21.

De Commissie zal de bevindingen van de Rekenkamer het nodige vervolg geven, rekening houdende met de antwoorden van de lidstaten. Zij zal zo nodig vragen dat de betrokken lidstaten correcties doorvoeren en alle uitstaande bedragen aan traditionele eigen middelen ter beschikking stellen. Waar nodig, zal achterstandsrente in rekening worden gebracht. De Commissie heeft de controles van de traditionele eigen middelen de jongste jaren toegespitst op de douanecontroles van de lidstaten, met inbegrip van die van de domiciliëringsprocedure.

Eigen middelen btw

Er bestaan nog steeds langdurig hangende punten van voorbehoud, maar de achterstand wordt weggewerkt

2.22.

Door middel van een voorbehoud kunnen onzekere elementen in de door de lidstaten ingediende btw-overzichten na de wettelijke termijn van vier jaar worden opengehouden voor correctie. In 2010 werden er 52 punten van voorbehoud opgeworpen en werden er 67 opgeheven. Aan het eind van dat jaar kwam het totaal op 152 (zie tabel 2.2 ). Het netto-effect van het opheffen van 67 punten van voorbehoud was een stijging van de eigen middelen btw met bijna 90 miljoen euro (15).

 

2.23.

De Rekenkamer nam goede vooruitgang waar bij de opheffing van langdurig hangende punten van voorbehoud inzake de btw. Ultimo 2010 waren acht daarvan nog altijd van kracht met betrekking tot jaren vóór 2000, tegen 20 per ultimo 2009. De Rekenkamer is van oordeel dat langdurig hangende punten van voorbehoud moeten worden gedefinieerd als punten van voorbehoud die betrekking hebben op een minstens tien jaar eerder vallend jaar. Hierdoor stijgt het aantal nog eens met acht punten van voorbehoud die betrekking hebben op 2001.

2.23.

Aangezien noch de Commissie, noch de lidstaten, actie kunnen ondernemen ten aanzien van punten die niet als zodanig geconstateerd zijn, is de Commissie van mening dat in elke definitie van langdurig hangende punten van voorbehoud het verband moet worden gelegd met de tijd die sinds de kennisgeving van het punt van voorbehoud is verlopen. De Commissie volgt als langdurig hangende punten van voorbehoud die punten die meer dan vijf jaar na de kennisgeving ervan niet opgelost zijn.

Tabel 2.2 —   Punten van voorbehoud in verband met btw per 31 december 2010

Lidstaten

Aantal hangende punten van voorbehoud per 31.12.2009

In 2010 opgeworpen punten van voorbehoud

In 2010 opgeheven punten van voorbehoud

Aantal hangende punten van voorbehoud per 31.12.2010

Vroegste jaar waarop het voorbehoud betrekking heeft

België

3

0

3

0

 

Bulgarije

1

1

0

2

2007

Tsjechië

9

0

1

8

2004

Denemarken

5

5

1

9

2004

Duitsland

4

0

3

1

2003

Estland

8

4

3

9

2004

Ierland

17

1

8

10

1998

Griekenland

11

0

4

7

1999

Spanje

2

1

2

1

2003

Frankrijk

10

0

4

6

2001

Italië

9

5

6

8

1995

Cyprus

3

3

0

6

2004

Letland

5

2

1

6

2004

Litouwen

7

0

5

2

2005

Luxemburg

3

0

1

2

2004

Hongarije

4

1

1

4

2004

Malta

10

0

0

10

2004

Nederland

7

4

3

8

2004

Oostenrijk

5

1

0

6

2002

Polen

6

1

1

6

2004

Portugal

10

8

4

14

1999

Roemenië

0

0

0

0

 

Slovenië

3

0

3

0

 

Slowakije

3

0

3

0

 

Finland

10

1

3

8

1995

Zweden

7

9

6

10

1995

Verenigd Koninkrijk

5

5

1

9

1998

TOTAAL

167

52

67

152

 

Bron: Europese Commissie.

Vertragingen in het toezicht op de toepassing van de btw-richtlijnen

2.24.

De Commissie is verantwoordelijk voor het verzekeren van de correcte toepassing van de btw-richtlijnen en dient toezicht te houden op de omzetting en de conformiteit van de nationale uitvoeringsmaatregelen die de lidstaten hebben vastgesteld. Onjuiste of onvolledige omzetting kan van invloed zijn op het ontvangen btw-bedrag, en bijgevolg op het te betalen bedrag aan eigen middelen btw. In 2010 traden drie btw-richtlijnen in werking: twee betreffende het „btw-pakket” (16) en één betreffende het gemeenschappelijk btw-stelsel ter bestrijding van de belastingfraude in het intracommunautaire verkeer (17).

 

2.25.

Voor zeven lidstaten werkte de Commissie eind 2010, twaalf maanden nadat de richtlijnen van kracht werden, nog altijd aan de beoordeling van de nationale uitvoeringsmaatregelen van het „btw-pakket”. Toen was de beoordelingsprocedure van de Commissie voor de tenuitvoerlegging van de btw-richtlijn ter bestrijding van belastingfraude pas voor twee lidstaten opgestart.

2.25.

Op 16 mei 2011 was de stand van het toezicht door de Commissie dat de algemene beoordeling van het volledige „btw-pakket” was afgerond voor 22 lidstaten. De beoordeling van de overige vijf lidstaten loopt nog en zal tegen september 2011 afgerond zijn.

Wat de btw-richtlijn ter bestrijding van belastingfraude betreft, leidde de Commissie in maart 2010 tegen negen lidstaten inbreukprocedures in om een volwaardige beoordeling te kunnen maken.

Gedurende 2009 en 2010 stelde de Commissie de kwestie van twee andere lidstaten ter bespreking aan de orde in de ATFS (Anti Tax Fraud Strategy Group) en het SCAC (het Permanent Comité inzake administratieve samenwerking). Een volledige beoordeling zal bijgevolg eind 2011 beschikbaar zijn.

Eigen middelen bni

Algemene en specifieke punten van voorbehoud

2.26.

Eind 2010 bestonden er algemene punten van voorbehoud (18) betreffende de bni-gegevens van de EU-15-lidstaten voor de periode 2002-2006, en betreffende de EU-10-lidstaten voor de periode 2004-2006, hangende de afronding van de analyse van de geactualiseerde of nieuwe bni-overzichten (19).

 

2.27.

Begin 2010 stonden met betrekking tot de periode 1995-2001 vier (20) specifieke punten van voorbehoud (21) betreffende het bnp open. In 2010 heeft de Commissie geen enkele daarvan opgeheven. Aangezien er geen bijkomende specifieke punten van voorbehoud werden opgeworpen, blijft het aantal openstaande specifieke punten van voorbehoud aan het eind van het jaar ongewijzigd.

2.27.

De Commissie zet haar samenwerking voort met de twee lidstaten waartegen voor de periode 1995-2001 nog punten van voorbehoud inzake het bbp openstaan (één voor Griekenland en drie voor het Verenigd Koninkrijk eind 2010), opdat deze kunnen worden opgeheven. Deze inspanningen hebben ertoe geleid dat één punt van voorbehoud voor het Verenigd Koninkrijk in mei 2011 kon worden opgeheven.

Verificatie van bni-overzichten in de lidstaten nog niet voltooid

2.28.

In 2010 bezocht de Commissie zes lidstaten om bni-overzichten te verifiëren en verrichtte zij bij vier daarvan een rechtstreekse verificatie, die echter beperkt bleef tot een zeer klein aantal bni-componenten. Zoals uiteengezet in de richtsnoeren van Eurostat, hoeft deze aanpak van rechtstreekse verificatie doorgaans niet te leiden tot conclusies inzake alle onderdelen van de bni-ramingen.

2.28.

Wat de andere twee landen betreft, is een rechtstreekse verificatie verricht in Roemenië in april 2011 en is er een gepland in Bulgarije eind 2011. De Commissie verricht rechtstreekse verificatie naast de verificatie van de bni-overzichten van de landen op basis van de GNI Inventory Assessment Questionnaire (GIAQ). De conclusies van de Commissie steunen op deze totale verificatiebenadering. De Commissie is van mening dat het aantal door haar gekozen componenten adequaat voor de rechtstreekse verificatie en in overeenstemming met de door het bni-comité goedgekeurde richtsnoeren voor rechtstreekse verificatie was.

2.29.

Eind 2010 had Eurostat geen beoordelingsverslagen opgesteld over de bni-gegevens van de lidstaten voor de periode vanaf 2002 en kon het daardoor geen algemene punten van voorbehoud (zie paragraaf 2.26) vervangen door specifieke punten van voorbehoud met betrekking tot die jaren.

2.29.

De Commissie zal de beoordelingsverslagen in 2011 presenteren, zodat de algemene punten van voorbehoud waar daartoe aanleiding is door specifieke punten kunnen worden vervangen, behalve eventueel voor Bulgarije en Roemenië, die hun bni-overzichten volgens het in het bni-comité overeengekomen tijdsschema eind 2009 hebben ingediend.

2.30.

Toezicht- en controlesystemen bij de nationale bureaus voor de statistiek (NBS) van de lidstaten kunnen helpen de vergelijkbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid van de bni-gegevens te verzekeren (22). Eurostat heeft haar beoordeling van de toezicht- en controlesystemen van de NBS echter nog niet afgerond en heeft nog geen richtsnoeren vastgesteld betreffende de toepassing van dergelijke systemen voor de compilatie van de nationale rekeningen in de lidstaten.

2.30.

De Commissie is van mening dat haar aanpak (administratieve controles van de bni-vragenlijsten, verificatie van de bni-overzichten aan de hand van de GIAQ aangevuld met rechtstreekse verificatie) geschikt is om een sluitende beoordeling van het bni van de lidstaten te kunnen maken. Volgens de Commissie hangt de betrouwbaarheid van de nationale rekeningen allereerst af van de specifieke statistische bronnen en methoden die worden gehanteerd; het uitgangspunt voor haar bni-validatie is verificatie en verbetering van die bronnen en methoden. De toezicht- en controlesystemen bij de nationale bureaus voor de statistiek hebben betrekking op de inrichting en verstrekken geen specifieke indicatie van de betrouwbaarheid van de rekeningen, alhoewel die systemen wel het risico op fouten in de nationale rekeningen helpen te verminderen. De Commissie heeft al rekening gehouden met de opmerkingen van de Rekenkamer en haar inspanningen voortgezet om richtsnoeren voor de toezicht- en controlesystemen vast te stellen; zo is de kwestie opnieuw besproken in de vergadering van het bni-comité van 27 oktober 2010.

VK-correctie

2.31.

Bij haar berekening van de VK-correctie voor de referentiejaren 2007-2009 nam de Commissie ongeveer 2 % van de totale betalingen van EU-middelen niet op in het cijfer voor de totale toegerekende uitgaven, een basiselement in de berekening van de correctie. De Commissie liet deze bedragen buiten beschouwing omdat er geen informatie voorhanden was over de vraag waar deze uitgaven werden gedaan. De Commissie controleerde niet of deze uitgaven ten behoeve van de berekening konden worden toegewezen (zie bijlage 2.5 , met name de paragrafen 3-5, 10 en 11 daarvan).

2.31.

100 %-dekking nastreven zou een buitensporig beslag op de beschikbare middelen leggen omdat daarvoor duizenden verrichtingen één per één zouden moeten worden gecontroleerd.

2.32.

De Rekenkamer constateerde tevens dat de Commissie in haar definitie van „werkelijke betalingen” voor het berekenen van de totale toegerekende uitgaven:

2.32.

a)

geen uitgaven opneemt die zijn gefinancierd met bestemmingsontvangsten (ontvangsten met bestemming), welke tussen 2007 en 2009 aanzienlijk zijn gestegen, van 1 tot 5 % van de totale betalingen uit hoofde van de begroting;

a)

Externe bestemmingsontvangsten (die gewoonlijk circa één derde van het totaal uitmaken) dienen niet te worden opgenomen. De Commissie wijst erop dat het percentage met bestemmingsontvangsten gefinancierde uitgaven in 2010 tot het niveau van 2007 is verminderd.

b)

bedragen die worden gedekt door geïnde invorderingsopdrachten niet in mindering brengt op de toegerekende uitgaven, met name met betrekking tot begrotingstitel 6 „Bijdragen en terugbetalingen in het kader van communautaire overeenkomsten en programma’s”: de ontvangsten uit deze bron varieerden van 3 tot 5 % van de betalingen voor dezelfde periode.

b)

Deze middelen worden in het ideale geval in mindering gebracht op de uitgaven die aan het begunstigde land worden toegewezen, maar de informatie moet „manueel” worden verkregen en het risico op dubbeltelling is altijd aanwezig. Zoals eerder is opgemerkt, zijn er duizenden van dergelijke verrichtingen en zou het proces zeer middelenintensief zijn.

Wanneer voornoemde begrotingsverrichtingen in aanmerking worden genomen, is het mogelijk bij de toerekening van uitgaven het beginsel van de voorrang van inhoud boven vorm toe te passen (zie bijlage 2.5 , met name de paragrafen 3-5, 10 en 11 daarvan).

slechts tegen een kostprijs die volgens de Commissie niet te verantwoorden is.

2.33.

De in de twee voorgaande paragrafen beschreven omissies verkleinen de nauwkeurigheid van de berekening van de VK-correctie. Het is niet mogelijk om aan te geven in welke richting zij het resultaat van de berekening beïnvloeden.

 

Afzien van in te vorderen bedragen

2.34.

Overeenkomstig de uitvoeringsvoorschriften (23) bij het Financieel Reglement kan worden afgezien van invorderingsopdrachten wanneer de verwachte kosten van de invordering hoger zijn dan het te innen bedrag, wanneer het niet mogelijk is de schuldvordering in te vorderen vanwege de leeftijd ervan of wegens insolventie van de debiteur, of wanneer de inning afbreuk doet aan het evenredigheidsbeginsel. Het besluit om af te zien van invordering moet worden gemotiveerd.

 

2.35.

De controle van de systemen voor het afzien van invorderingen wees uit dat de Commissie in het algemeen de geldende procedures voor het afzien van invorderingsopdrachten hanteerde en de genomen besluiten motiveerde. De Rekenkamer trof in het beheer van de Commissie in de periode 1995-2008 echter gebreken aan die het risico deden toenemen dat de verschuldigde bedragen niet worden geïnd. Voor elk van de hieronder beschreven gevallen waarin de Commissie afzag van invordering werden één of meer gebreken geconstateerd (voorbeelden 2.1, 2.2 en 2.3).

2.35.

De vertragingen bij het opstellen van invorderingsopdrachten zijn in vele gevallen te wijten aan de voorgeschreven controle- en juridische procedures. De Commissie is de opvatting toegedaan dat de wijze waarop zij de zaken heeft beheerd, geen materiële negatieve impact heeft gehad op de daadwerkelijke invordering.

Voorbeeld 2.1

Beoordeling van de financiële capaciteit van de contractanten

In één geval (ten belope van ongeveer 500 000 euro) betreffende de toekenning van een KP5-subsidie (vijfde kaderprogramma voor onderzoek) viel de beoordeling van de capaciteit van een bedrijf om winst te boeken met zijn activiteiten negatief uit. De Commissie was echter niet van mening dat er financiële garanties nodig waren om een subsidieovereenkomst te kunnen sluiten. Uiteindelijk werd afgezien van invordering omdat het bedrijf failliet was verklaard.

Voor nog eens 15 gevallen (6 miljoen euro) die betrekking hadden op de procedures voor de toekenning van subsidies voor KP5 en externe acties kon de Commissie geen bewijsstukken overleggen waaruit bleek dat zij de financiële capaciteit van aanvragers had beoordeeld. In acht van deze gevallen werd afgezien van invordering vanwege de insolventie van de begunstigden.

Voorbeeld 2.1

Beoordeling van de financiële capaciteit van de contractanten

het door de Rekenkamer bedoelde geval gaat terug tot 2001 en sindsdien zijn de voor KP5 ontworpen methoden om de financiële geschiktheid na te gaan, fel verbeterd. Voor KP6 werden en voor KP7 worden meer verfijnde ratio's gebruikt. Daarnaast heeft de Commissie met het oog op een coherente beoordeling van het bestaan en de juridische status van aanvragers en van hun operationele en financiële geschiktheid (besluit van de Commissie C(2007) 2466 van 13 juni 2007) regels vastgesteld die door de betrokken DG's worden toegepast.

De Commissie is van mening dat de nodige maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat een dergelijke situatie zich herhaalt.

Sinds het in 2003 verplicht is geworden om de procedure van de oproep tot het indienen van voorstellen toe te passen, is het systeem voor de beoordeling van de financiële geschiktheid versterkt en gestandaardiseerd. Aanvragers van subsidie moeten nu aan de hand van bewijsstukken kunnen aantonen dat zij over stabiele en voldoende financieringsbronnen beschikken om hun activiteiten gedurende de gehele periode waarin deze worden uitgevoerd, te handhaven en aan de financiering ervan bij te dragen.

Voorbeeld 2.2

Contractbeheer

De coördinator van het KP5-contract waarnaar hiervoor werd verwezen, verzuimde de betaling van de voorfinanciering te verdelen over de andere contractanten die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van het project. De Commissie verzuimde te verzekeren dat de contractbepalingen betreffende de verdeling van de voorfinanciering werden nageleefd. Een groot deel van deze middelen kon niet worden ingevorderd en daar werd voor het verschuldigde bedrag (500 000 euro) van afgezien vanwege het faillissement van de coördinator, drie jaar later.

In een ander geval (145 000 euro) betreffende het financieringsinstrument European Community Investment Partners (ECIP) werden langdurige perioden (1998-2005) van administratieve inactiviteit in het contractbeheer van de Commissie waargenomen.

Voorbeeld 2.2

Contractbeheer

Er waren vertragingen in het beheer van het ECIP-programma vóór 2005, maar sindsdien is via het grootschalige afwikkelingsproces van EuropeAid 35 miljoen euro van 600 acties gerecupereerd. Wat het aangehaalde geval betreft, is twee derde van het verschuldigde bedrag (via verrekening) teruggehaald en is van de invordering van 145 000 euro afgezien omdat ondanks verschillende pogingen sinds 2005 om de stand van de dossiers te bepalen, niet met zekerheid kon worden vastgesteld bij wie na een consortiumovername de aansprakelijkheid van de bank berustte.

Voorbeeld 2.3

Vaststelling van invorderingsopdrachten en invorderingsprocedures

In vijf gevallen (2,5 miljoen euro) waarin werd afgezien van invordering traden ongerechtvaardigde vertragingen op bij de vaststelling van invorderingsopdrachten en/of bij het opstarten van invorderingsprocedures. Deze gevallen hadden betrekking op KP5 (1) en externe acties (4) en er werd afgezien van invordering vanwege insolventie van de debiteur.

In het voornoemde geval betreffende het financieringsinstrument ECIP, nam de Commissie niet alle mogelijkheden tot vereffening in aanmerking.

Voorbeeld 2.3

Vaststelling van invorderingsopdrachten en invorderingsprocedures

De vertragingen bij het opstellen van invorderingsopdrachten zijn in vele gevallen te wijten aan de voorgeschreven controle- en juridische procedures. De Commissie is de opvatting toegedaan dat de wijze waarop zij de zaken heeft beheerd, geen materiële negatieve impact heeft gehad op de daadwerkelijke invordering.

Ook zijn de interne procedures voor het tijdig uitschrijven van debetnota's verbeterd.

In het geval van ECIP was een eventuele verdere vereffening technisch niet mogelijk in 2008 wegens boekhoudprocedures betreffende de afsluiting van het jaar.

BETROUWBAARHEID VAN DE „MANAGEMENT REPRESENTATIONS” VAN DE COMMISSIE

2.36.

De resultaten van de beoordeling van de „management representations” van de Commissie zijn samengevat in bijlage 2.3 . Hieronder geeft de Rekenkamer een nadere beschrijving van significante opmerkingen.

 

2.37.

Het ernstige systeemgebrek dat door de controle van de Rekenkamer inzake de betrouwbaarheid van de rekeningen op het gebied van de TEM in één lidstaat (zie paragraaf 2.15) aan het licht werd gebracht, werd ook ontdekt bij de inspectiewerkzaamheden van de Commissie. De Rekenkamer is van oordeel dat dit gebrek vermeld had moeten worden in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG BUDG.

2.37.

De problemen in het boekhoudsysteem van de betrokken lidstaat worden door de Commissie van nabij gevolgd sinds 2008. De Commissie heeft hieraan in totaal drie specifieke TEM-inspectiebezoeken gewijd, één in 2008 en twee in 2009, en corrigerende maatregelen gevraagd, waaronder aanscherping van de interne controles en grootschalige externe audits van het boekhoudsysteem. De progressie van de lidstaat zal opnieuw worden besproken in de RCEM-vergadering van juli 2011, in het licht van het jongste inspectieverslag van de Commissie. Omdat de tekortkomingen eerder al waren geconstateerd, door de Commissie van nabij worden gevolgd, het slechts om één lidstaat gaat en er tot dusver niet is vastgesteld dat er TEM te weinig zouden zijn betaald, heeft de kwestie geen bijzondere vermelding gekregen in het jaarlijks activiteitenverslag over 2010.

2.38.

De fout die de Rekenkamer ontdekte in de berekening door de Commissie van het definitieve bedrag van de VK-correctie voor 2006 (zie paragraaf 2.16) wordt beschreven in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG BUDG, dat tevens aangeeft welke aanvullende controlemaatregelen er vervolgens zijn getroffen. Rekening houdend met de eigen materialiteitscriteria van de Commissie zou naar het oordeel van de Rekenkamer echter een punt van voorbehoud moeten zijn opgeworpen in de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal van DG BUDG.

2.38.

Door de op komst zijnde correctie zal de uiteindelijke impact van de fout in 2011 onder de materialiteitsdrempel van de Commissie blijven.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Conclusies

2.39.

Op basis van haar controlewerk (24) concludeert de Rekenkamer het volgende:

a)

de opgaven en betalingen van de TEM door de lidstaten,

b)

de berekening door de Commissie van de bijdragen van de lidstaten op basis van de door de lidstaten doorgegeven btw- en bni-gegevens, alsmede

c)

de overige ontvangsten

over het per 31 december 2010 afgesloten jaar vertonen geen fouten van materieel belang.

 

2.40.

Op basis van haar controlewerk concludeert de Rekenkamer dat de toezicht- en controlesystemen doeltreffend zijn geweest in het waarborgen van de regelmatigheid van de ontvangsten. De Rekenkamer vestigt echter de aandacht op de hiernavolgende gebreken:

2.40.

a)

De controles van de Rekenkamer brengen nog steeds problemen aan het licht in verband met de gebruikmaking van de B-boekhouding (paragraaf 2.19) en de betrouwbaarheid van de overzichten van de A- en B-boekhouding (paragrafen 2.15 en 2.20). Er werden tevens gebreken aangetroffen in het nationale douanetoezicht (paragraaf 2.21). De Rekenkamer concludeert dat de toezicht- en controlesystemen van de gecontroleerde lidstaten slechts ten dele doeltreffend zijn in het waarborgen van een volledige en juiste vastlegging van de TEM.

a)

Waar nodig zullen de diensten van de Commissie aan de betrokken lidstaten vragen het nodige te doen om de tekortkomingen die de Rekenkamer heeft vastgesteld te verhelpen. Zij zal bij haar normale inspecties de B-boekhouding blijven onderzoeken om het aantal van dergelijke tekortkomingen tot een minimum te beperken. Zoals in paragraaf 2.21 is gezegd, heeft de Commissie haar recente TEM-inspecties toegespitst op het douanetoezicht van de lidstaten en dat toezicht zal bij haar inspecties de nodige aandacht blijven krijgen.

b)

Er bestaan nog altijd langdurig hangende punten van voorbehoud (paragraaf 2.23). De Rekenkamer trof tevens gebreken aan in het toezicht van de Commissie op de toepassing van de onderzochte btw-richtlijnen door de lidstaten (paragraaf 2.25).

b)

De Commissie zoekt actief naar een oplossing voor die resterende langdurig hangende punten van voorbehoud die niet betrekking hebben op bij het EHvJ ingeleide inbreukprocedures.

Wat het btw-pakket betreft, is de beoordeling van de vijf overblijvende lidstaten nog aan de gang; de Commissie verwacht die tegen september 2011 afgerond te hebben. Wat de btw-richtlijn ter bestrijding van belastingfraude betreft, heeft de Commissie de aanmeldingen van de lidstaten met vertraging gekregen, maar is zij nu in staat om de follow-up van de omzetting tegen eind 2011 af te ronden in de vorm van een verslag aan de Raad (zie paragraaf 2.25).

c)

De Commissie heeft haar verificatie van de bni-overzichten betreffende de bni-gegevens van de lidstaten voor de periode vanaf 2002 nog niet afgerond (paragraaf 2.29) en heeft de vier resterende openstaande specifieke punten van voorbehoud inzake bnp voor de periode 1995-2001 nog niet opgeheven (paragraaf 2.27).

c)

De Commissie zal de beoordelingsverslagen over de bni-gegevens van de lidstaten in 2011 presenteren, zodat de algemene punten van voorbehoud waar zulks past door specifieke punten van voorbehoud kunnen worden vervangen. De Commissie zet haar samenwerking voort met de twee lidstaten waartegen voor de periode 1995-2001 nog punten van voorbehoud inzake het bbp openstaan, opdat deze kunnen worden opgeheven. Deze inspanningen hebben ertoe geleid dat één punt van voorbehoud voor het Verenigd Koninkrijk in 2011 kon worden opgeheven.

d)

Er was sprake van een fout in de definitieve berekening van de VK-correctie voor 2006 (25) (zie paragraaf 2.16). De berekening van de correctie voor de daaropvolgende jaren vertoonde gebreken (zie de paragrafen 2.31-2.33). De Rekenkamer concludeert dat de toezicht- en controlesystemen van de Commissie gedeeltelijk doeltreffend zijn in het waarborgen van een juiste berekening van de VK-correctie.

d)

Het toezicht- en controlesysteem is grondig herzien naar aanleiding van de ontdekking van deze fout door de Rekenkamer.

De methodologie voor de berekening van de toegewezen uitgaven is volgens de Commissie voldoende doeltreffend om het aandeel van het Verenigd Koninkrijk daarin te berekenen. De Rekenkamer kon deze „tekortkomingen” vaststellen omdat de Commissie de afweging heeft gemaakt dat de extra kosten van een verdere verfijning van de berekening niet zouden opwegen tegen de baten.

e)

De op de begroting geleden verliezen met betrekking tot het afzien van de invordering van verschuldigde bedragen hadden wellicht vermeden hadden kunnen worden, of ten minste lager kunnen uitvallen als de Commissie proactiever was geweest (paragraaf 2.35).

e)

De geldigheid van de besluiten van de Commissie om af te zien van invordering is door het Hof niet in twijfel getrokken. De onderliggende systemen die de Rekenkamer met betrekking hiertoe heeft onderzocht, moeten hoofdzakelijk worden gesitueerd in een beheers- en regelgevingscontext van meer dan tien jaar geleden. Sindsdien is EuropeAid opgericht (2001), is een nieuw Financieel Reglement goedgekeurd (2003), is het informatieverwerkingssysteem CRIS (Common RELEX Information System) geïntroduceerd (2003) en is het beheer van de externe bijstand overgedragen aan de delegaties op het terrein (2004).

Aanbevelingen

2.41.

Bijlage 2.4 toont het resultaat van de beoordeling door de Rekenkamer van de vooruitgang bij de uitvoering van haar in voorgaande jaarverslagen gedane aanbevelingen. De volgende punten dienen te worden opgemerkt:

2.41.

op het gebied van de TEM heeft de Commissie een beoordeling verricht van de gebreken in verband met de vereenvoudigde douaneprocedures voor importen. De Rekenkamer handhaaft haar standpunt inzake de boeking in de B-boekhouding van douaneschulden op in beslag genomen goederen;

De Commissie heeft in haar jaarlijks activiteitenverslag over 2010 een beoordeling gemaakt van de gebreken in verband met vereenvoudigde douaneprocedures. Zij heeft eveneens de douanecontrolestrategie in alle lidstaten aan een inspectie onderworpen en een themaverslag gewijd aan de gebreken die naar aanleiding van die inspecties en de audit van de Rekenkamer zijn vastgesteld. Een ontwerp van dat verslag is in de RCEM-vergadering van december 2010 voorgesteld en een definitieve versie ervan zal in de RCEM-vergadering van juli 2011 worden besproken.

Wat betreft de boeking in de B-boekhouding van douaneschulden op in beslag genomen goederen wordt het standpunt van de Rekenkamer door de Commissie niet gedeeld. De Commissie heeft de arresten van het EHvJ in Elshani (zaak C-459/07) en Dansk Logistik (zaak C-230/08) bestudeerd en geconcludeerd dat zij haar huidige standpunt kan handhaven.

Zie het antwoord van de Commissie in bijlage 2.4.

Wat betreft de eigen middelen bni worden de richtsnoeren over het melden van ingrijpende statistische herzieningen niet altijd toegepast door de lidstaten en is er geen vooruitgang geboekt ten aanzien van de uitvoering van een gemeenschappelijk herzieningsbeleid in de EU.

wat de bni-eigen-middelen betreft, wordt de kwestie van de herzieningen behandeld in document GNIC/085 en worden de herzieningen van het bni van de lidstaten opgevolgd via de jaarlijkse, door de bni-verordening voorgeschreven kwaliteitsverslagen. De Commissie zal er bij de lidstaten, met name in de vergaderingen van het bni-comité, blijven op aandringen dat zij de CMFB-richtsnoeren (30) voor het melden van ingrijpende statistische herzieningen toepassen. De Commissie voert gesprekken met de lidstaten over een gemeenschappelijk herzieningsbeleid in de EU en houdt daarbij rekening met de opmerkingen van de Rekenkamer.

Op grond van deze beoordeling en de bevindingen en conclusies voor 2010 beveelt de Rekenkamer de Commissie aan:

 

haar inspanningen voort te zetten om te waarborgen dat de B-boekhouding correct wordt gebruikt, dat de boekhoudsystemen ervoor zorgen dat de overzichten van de A- en B-boekhoudingen van de lidstaten aantoonbaar volledig en juist zijn, en dat het nationale douanetoezicht wordt versterkt (TEM);

De Commissie blijft de B-boekhouding en de boekhoudsystemen onverminderd controleren in het kader van haar inspecties om zich ervan te vergewissen dat de overzichten van de A- en B-boekhoudingen van de lidstaten juist zijn. Zoals vermeld in paragraaf 2.21, heeft de Commissie haar recente inspecties op het gebied van de traditionele eigen middelen in het bijzonder toegespitst op de douanecontroles van de lidstaten, en bij toekomstige inspecties zal zij blijven letten op het nationaal douanetoezicht en op de maatregelen die de lidstaten nemen om dat toezicht te verscherpen.

het bni-comité de beoordelingsverslagen betreffende de bni-gegevens van de lidstaten aan te bieden om in 2011 alle bestaande algemene punten van voorbehoud te kunnen vervangen door specifieke punten van voorbehoud voor de periode vanaf 2002. Bij de beoordeling van het bni van de lidstaten dient zij rekening te houden met de evaluatie van de toezicht- en controlesystemen van de NBS voor de compilatie van de nationale rekeningen alsmede de reikwijdte te verduidelijken van het advies dat zij uitbrengt (eigen middelen bni).

De Commissie zal de beoordelingsverslagen in 2011 presenteren, zodat de algemene punten van voorbehoud waar zulks past door specifieke punten van voorbehoud kunnen worden vervangen. De Commissie is van mening dat haar aanpak (administratieve controles van de bni-vragenlijsten, verificatie van de bni-overzichten aan de hand van de GIAQ aangevuld met rechtstreekse verificatie) geschikt is om een sluitende beoordeling van het bni van de lidstaten te kunnen maken. In dit verband wijst zij erop dat de toezicht- en controlesystemen betrekking hebben op het organisatorische aspect en geen specifieke indicaties verschaffen over de betrouwbaarheid van de rekeningen, die in de eerste plaats wordt bepaald door de gebruikte statistische bronnen en methoden, ook al kunnen de systemen helpen om het risico op fouten in nationale rekeningen te verkleinen. De Commissie zal zich blijven inspannen om richtsnoeren te ontwikkelen voor de toezicht- en controlesystemen met het oog op het opstellen van de nationale rekeningen door de lidstaten en daarbij rekening houden met de opmerkingen van de Rekenkamer.

FOLLOW-UP VAN SPECIAAL VERSLAG NR. 2/2008 OVER BINDENDE TARIEFINLICHTINGEN

Inleiding

2.42.

In augustus 2008 publiceerde de Rekenkamer haar speciaal verslag nr. 2/2008 over bindende tariefinlichtingen (BTI’s) (26). Een BTI is een schriftelijk besluit over tariefindeling dat door de douaneautoriteiten van een lidstaat wordt genomen op verzoek van marktdeelnemers. Een BTI is voor alle douaneautoriteiten binnen de EU juridisch bindend jegens de houder tot maximaal zes jaar, te rekenen vanaf het tijdstip van de verstrekking.

 

2.43.

Over het geheel genomen bleek het BTI-systeem naar behoren te functioneren. Er waren echter verbeteringen nodig.

 

2.44.

In zijn kwijtingsbesluit over 2007 (27) spoorde het Parlement de Commissie aan zich in te zetten voor het oplossen van de openstaande gebreken en de geschillen over de tariefindeling. De Raad verzocht de Commissie het BTI-systeem verder te verbeteren en toe te zien op de uitvoering en toepassing ervan in de lidstaten, maar benadrukte dat uiterst terughoudend moet worden omgegaan met een eventuele financiële aansprakelijkheid van de lidstaten, zo daar al sprake van is (28).

2.44.

Follow-up van de aanbevelingen

a)

Aanbeveling: de Commissie dient de vertragingen bij het oplossen van de inconsistente tariefindelingen terug te dringen (paragrafen 43 en 44 van speciaal verslag nr. 2/2008).

 

Geboekte vooruitgang: het aantal personeelsleden dat zich bezighoudt met BTI-aangelegenheden is verhoogd en de vertragingen die werden waargenomen bij het verhelpen van inconsistente tariefindelingen zijn afgenomen.

 

b)

Aanbeveling: de Commissie dient na te gaan wat de totale financiële impact van onjuiste BTI’s is en de gegevensbank Europese bindende tariefinlichtingen (EBTI-3) bij te werken (paragrafen 45 en 46 van speciaal verslag nr. 2/2008).

b)

Geboekte vooruitgang: De Commissie kon aantonen dat zij probeerde lidstaten aansprakelijk te stellen voor de verliezen die voortvloeien uit de verstrekking van onjuiste BTI’s.

Er werden nieuwe functies geïntroduceerd in de gegevensbank EBTI-3 om de wettelijke bepalingen beter na te leven. De gebruikersinterface van de algemeen toegankelijke EBTI-3-gegevensbank wordt thans vertaald in alle officiële talen van de EU (behoudens Maltees en Iers) en de Thesaurus wordt steeds verder bijgewerkt.

De Commissie zal onjuist gebruik van BTI's met nadelige gevolgen voor de traditionele eigen middelen blijven onderzoeken en de lidstaten waar nodig financieel aansprakelijk stellen.

c)

Aanbeveling: de wetgeving, aangevuld met de administratieve richtsnoeren van de Commissie, dient te worden versterkt (paragraaf 47 van speciaal verslag nr. 2/2008).

 

Geboekte vooruitgang: de verplichting voor een importeur om de BTI die hij heeft voor de goederen aan te geven, is vastgesteld (29), maar wordt pas van toepassing als de TBGDW in werking treden. Deze bepalingen dienen ook te leiden tot een verbetering van het beheer van de overgangsperiode.

 

d)

Aanbeveling: de Commissie dient de lidstaten te stimuleren om geconstateerde gebreken te verhelpen (paragraaf 48 van speciaal verslag nr. 2/2008).

d)

De Commissie heeft een volledige monitoring van de lidstaten verricht met betrekking tot de procedures die verband houden met het BTI-beheer. Die actie is medio 2007 begonnen en gaat nog steeds door in de vorm van follow-upacties. Overigens plant de Commissie 5 TEM-inspecties ter plaatse in verband met BTI in 2011.

Geboekte vooruitgang: Tijdens haar controlebezoeken heeft de Commissie gevallen van niet-naleving van wettelijke voorschriften en de door de Rekenkamer gerapporteerde gebreken opgevolgd.

De Commissie volgt de vooruitgang die de lidstaten boeken op de voet en pakt de tekortkomingen in de naleving van de wettelijke voorschriften op regelmatige basis aan.

Conclusies

2.45.

De Commissie heeft het BTI-systeem verbeterd en toegezien op de uitvoering en toepassing ervan in de lidstaten. De belangrijkste herstelmaatregelen zullen echter pas doeltreffend zijn wanneer de TBGDW in werking treden, en de Commissie dient zich te blijven inspannen om de tijd die nodig is om indelingskwesties te verhelpen, te verkorten.

2.45.

De Commissie neemt hiervan nota en blijft zich inspannen om de oplossing van indelingskwesties te bespoedigen.

(1)  Zie Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17), en Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130 van 31.5.2000, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 105/2009 (PB L 36 van 5.2.2009, blz. 1).

(2)  Wanneer betaling van rechten of heffingen uitblijft en er geen zekerheid is gesteld, of er zekerheden voor zijn gesteld maar de rechten of heffingen worden betwist, mogen de lidstaten de terbeschikkingstelling van deze middelen opschorten door ze in deze afzonderlijke boekhouding op te nemen.

(3)  Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden.

(4)  Nederland en Zweden.

(5)  De dienst voor samenwerking EuropeAid (AIDCO), die in 2011 zal overgaan in het directoraat-generaal EuropeAid Ontwikkeling en samenwerking, en de directoraten-generaal Concurrentie (COMP) en Energie (ENER).

(6)  Artikel 266, lid 2, van de uitvoeringsbepalingen van het douanewetboek: „Voor zover dit geen gevolgen heeft voor de controle op de regelmatigheid van de handelingen, kunnen de douaneautoriteiten: … b) in bepaalde, door de aard van de betrokken goederen en de snelle opeenvolging van de verrichtingen gerechtvaardigde bijzondere omstandigheden, de vergunninghouder ontslaan van de verplichting iedere aankomst van goederen ter kennis te brengen van de bevoegde douanedienst, …”, Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 430/2010 (PB L 125 van 21.5.2010, blz. 10).

(7)  België, Tsjechië, Duitsland, Frankrijk, Nederland, en Zweden.

(8)  De Rekenkamer berekent haar schatting van het foutenpercentage op basis van een representatieve statistische steekproef. Voor de controle van de ontvangsten heeft de Rekenkamer 95 % zekerheid dat het foutenpercentage in de populatie minder dan 2 % bedraagt.

(9)  Een maandoverzicht van België. Deze lidstaat was goed voor 9,5 % van de totale TEM in 2010.

(10)  De definitieve berekening van de VK-correctie voor jaar n wordt opgevoerd in de begroting van jaar n + 4.

(11)  Bijvoorbeeld paragraaf 2.20 van het Jaarverslag 2009.

(12)  Verenigd Koninkrijk.

(13)  Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

(14)  Verenigd Koninkrijk.

(15)  Dit bedrag bestaat uit een stijging van ongeveer 105 miljoen euro en een daling van bijna 15 miljoen euro.

(16)  Richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de plaats van een dienst (PB L 44 van 20.2.2008, blz. 11), en Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtige personen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (PB L 44 van 20.2.2008, blz. 23).

(17)  Richtlijn 2008/117/EG van de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde ter bestrijding van de belastingfraude in het intracommunautaire verkeer (PB L 14 van 20.1.2009, blz. 7).

(18)  Artikel 10, lid 7, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000, zoals gewijzigd, bepaalt dat eventuele wijzigingen van het bnp/bni na 30 september van het vierde jaar volgende op een bepaald begrotingsjaar niet meer in aanmerking worden genomen, behalve op vóór het verstrijken van deze termijn hetzij door de Commissie, hetzij door de lidstaat ter kennis gebrachte punten. Deze punten zijn bekend als punten van voorbehoud. Een algemeen voorbehoud betreft alle gegevens van een lidstaat. Alle bni-gegevens van Bulgarije en Roemenië worden opengehouden overeenkomstig de vierjarenregel.

(19)  Overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad (PB L 181 van 19.7.2003, blz. 1) verschaffen de lidstaten de Commissie (Eurostat) een overzicht van de procedures en statistieken die zijn gehanteerd voor de berekening van het bni en zijn componenten overeenkomstig het ESR 95.

(20)  Deze hangende punten van voorbehoud betreffen Griekenland (1) en het Verenigd Koninkrijk (3) en hebben met name betrekking op aspecten van methodologie en compilatie.

(21)  Een specifiek punt van voorbehoud heeft betrekking op specifieke elementen van het bni (bnp tot 2001) zoals de bruto toegevoegde waarde van geselecteerde activiteiten, de totale consumptieve bestedingen of het bruto-exploitatieoverschot en gemengd inkomen.

(22)  Zie paragraaf 2.28 van het Jaarverslag 2009.

(23)  Artikel 87 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 (PB L 111 van 28.4.2007, blz. 13).

(24)  Om de in de paragrafen 2.12 en 2.13 toegelichte redenen omvat deze conclusie geen beoordeling van de kwaliteit van de btw- of bni-gegevens die de Commissie ontving van de lidstaten.

(25)  In december 2009 ontdekte de Commissie voorts een fout in haar berekening van de voorlopige ramingen voor de VK-correctie betreffende de jaren 2008 en 2009, en wel een te hoge raming van respectievelijk 138 miljoen euro (2,6 %) en 458 miljoen euro (13 %). Zie paragraaf 2.17 van het Jaarverslag 2009. De gecorrigeerde bedragen zijn in aanmerking genomen in het kader van de berekening van bijgewerkte ramingen van de VK-correctie die werd verricht in 2010 (voordat de definitieve bedragen worden berekend in 2012 en 2013).

(26)  PB C 103 van 24.4.2008, blz. 1.

(27)  Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, afdeling III — Commissie.

(28)  2 881e vergadering van de Raad te Luxemburg, van 23 en 24 juni 2008.

(29)  Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1).

(30)  Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek.

BIJLAGE 2.1

RESULTATEN VAN DE TOETSING VAN VERRICHTINGEN VOOR ONTVANGSTEN

 

2010

2009

2008

2007

TEM

Btw/bni, correcties in het kader van begrotingstitel 1

Overige ontvangsten

Totaal

OMVANG EN STRUCTUUR VAN DE STEEKPROEF

Totaal verrichtingen (waarvan):

6

43

6

55

62

60

66

Invorderingsopdrachten

6

43

6

55

62

60

66

RESULTATEN VAN DE TOETSING  (1)

Deel van de getoetste verrichtingen:

zonder fouten

100 %

(6)

100 %

(43)

100 %

(6)

100 %

(55)

95 %

100 %

100 %

met één of meer fouten

0 %

(0)

0 %

(0)

0 %

(0)

0 %

(0)

5 %

0 %

0 %

GESCHATTE IMPACT VAN KWANTIFICEERBARE FOUTEN

Meest waarschijnlijke foutenpercentage (2)

0 %

 

 

 


(1)  De tussen haakjes geplaatste getallen tonen het werkelijke aantal verrichtingen.

(2)  Aangezien er geen fout van materieel belang werd aangetroffen, wordt uitsluitend het meest waarschijnlijke foutenpercentage weergegeven.

BIJLAGE 2.2

RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK VAN SYSTEMEN VOOR ONTVANGSTEN

Beoordeling van geselecteerde toezicht- en controlesystemen

Betrokken systeem

Essentiële interne controles (Commissie)

Essentiële interne controles in gecontroleerde lidstaten

Algehele beoordeling

Controles van de Commissie in de lidstaten

Berekening / controles op stukken van te ontvangen bedragen door de Commissie

Beheer punten van voorbehoud door de Commissie / begrotingsuitvoering

TEM

Doeltreffend

Doeltreffend

n.v.t.

Gedeeltelijk doeltreffend

Doeltreffend

btw/bni

Doeltreffend

Doeltreffend

Doeltreffend

n.v.t.

Doeltreffend

VK-correctie

n.v.t.

Gedeeltelijk doeltreffend

n.v.t.

n.v.t.

Gedeeltelijk doeltreffend

Afzien van in te vorderen bedragen

n.v.t.

Doeltreffend

Doeltreffend (1)

n.v.t.

Doeltreffend

Boetes en sancties

n.v.t.

Doeltreffend

n.v.t.

n.v.t.

Doeltreffend

N.v.t.:

niet van toepassing (niet van toepassing of niet beoordeeld).


Algehele beoordeling van toezicht- en controlesystemen

Algehele beoordeling

2010

2009

2008

2007

Doeltreffend

Doeltreffend

Doeltreffend

Doeltreffend


(1)  Bij de gevallen waarvoor in 2010 werd afgezien van terugvordering constateerde de Rekenkamer gebreken in het beheer van de Commissie in voorgaande jaren waardoor het risico toenam dat de verschuldigde bedragen niet geïnd zouden worden.

BIJLAGE 2.3

RESULTATEN VAN DE BEOORDELING VAN DE „MANAGEMENT REPRESENTATIONS” VAN DE COMMISSIE VOOR ONTVANGSTEN

Belangrijkste betrokken DG's

Aard van door de directeur-generaal afgegeven verklaring (1)

Punten van voorbehoud

Opmerkingen van de Rekenkamer

Algehele beoordeling van de betrouwbaarheid

2010

2009

BUDG

zonder voorbehoud inzake eigen middelen

n.v.t.

Het significante systeemgebrek dat door de controle van de Rekenkamer inzake de betrouwbaarheid van de rekeningen op het gebied van de TEM in België aan het licht werd gebracht, werd ook ontdekt bij de inspectiewerkzaamheden van de Commissie. De Rekenkamer is van oordeel dat dit gebrek vermeld had moeten worden in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG BUDG (zie paragraaf 2.37).

De fout die de Rekenkamer ontdekte in de berekening door de Commissie van het definitieve bedrag van de VK-correctie voor 2006 wordt beschreven in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG BUDG, dat tevens aangeeft welke aanvullende controlemaatregelen er vervolgens zijn getroffen. Rekening houdend met de eigen materialiteitscriteria van de Commissie zou naar het oordeel van de Rekenkamer echter een punt van voorbehoud moeten zijn opgeworpen in de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal van DG BUDG (zie paragraaf 2.38).

B

A

n.v.t.:

niet van toepassing

A:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijks activiteitenverslag geven een getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid

B:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijks activiteitenverslag geven een gedeeltelijk getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid

C:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijks activiteitenverslag geven geen getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid


(1)  Blijkens de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal heeft hij/zij redelijke zekerheid dat de bestaande controleprocedures de nodige waarborgen bieden betreffende de regelmatigheid van de verrichtingen.

A:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijks activiteitenverslag geven een getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid

B:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijks activiteitenverslag geven een gedeeltelijk getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid

C:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijks activiteitenverslag geven geen getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid

BIJLAGE 2.4

TABEL INZAKE DE FOLLOW-UP VAN AANBEVELINGEN VOOR ONTVANGSTEN

Jaar

Aanbeveling van de Rekenkamer

Geboekte vooruitgang

Antwoord van de Commissie

Analyse van de Rekenkamer

2009

In haar Jaarverslag 2009 (paragraaf 2.32) vestigde de Rekenkamer de aandacht op de controleresultaten in haar speciaal verslag nr. 1/2010 over vereenvoudigde douaneprocedures voor importen en stelde zij dat de Commissie in haar jaarlijks activiteitenverslag over 2010 rekening diende te houden met de conclusies van dit verslag, evenals met de follow-up van haar eigen bevindingen bij inspecties van vereenvoudigde procedures en de controlestrategie van de lidstaten.

De Commissie erkende dat er in de lidstaten gebreken optraden bij de douanecontroles voor vereenvoudigde procedures. Rekening houdend met haar lopende inspectie-activiteiten, de in het algemeen positieve reactie van de lidstaten op de bevindingen van de Rekenkamer en de lage totale financiële impact van de ontdekte fouten, achtte de Commissie het niet noodzakelijk om voor deze kwestie een punt van voorbehoud op te werpen in de verklaring van de directeur-generaal (opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG BUDG).

De Commissie heeft in haar jaarlijks activiteitenverslag over 2010 een beoordeling gemaakt van de gebreken in verband met vereenvoudigde douaneprocedures. Zij volgt de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om tegemoet te komen aan de bevindingen van haar eigen inspecties en van de audits van de Rekenkamer. Diverse lidstaten hebben reeds verslag uitgebracht over de acties die zij hebben ondernomen of zullen ondernemen om iets te doen aan de geconstateerde gebreken van de controles. Deze acties zullen bij toekomstige inspecties worden onderzocht. De Commissie heeft eveneens de douanecontrolestrategie in alle lidstaten aan een inspectie onderworpen en een themaverslag gewijd aan de gebreken die naar aanleiding van die inspecties en de audit van de Rekenkamer zijn vastgesteld. Zij heeft een ontwerp van dit verslag gepresenteerd in de RCEM-vergadering van december 2010. De lidstaten zijn in de gelegenheid gesteld om hun opmerkingen over dat ontwerp bekend te maken en een definitieve versie van het verslag waarin die opmerkingen zijn verwerkt, zal in de RCEM-vergadering van juli 2011 worden besproken.

De Rekenkamer neemt nota van de beoordeling van de Commissie en zal haar eigen analyse verrichten, tegelijkertijd met de follow-up van haar speciaal verslag over vereenvoudigde douaneprocedures voor importen.

2009

In haar Jaarverslag 2009 (paragraaf 2.22) nam de Rekenkamer het standpunt in dat ontstane douaneschulden voor goederen die in beslag zijn genomen nadat deze het eerste in het gebied van de Gemeenschap gelegen douanekantoor zijn gepasseerd, in de B-boekhouding moeten worden geboekt. Dit standpunt, dat overeenkwam met het arrest van het Hof van Justitie van april 2009 (zaak C-459/07), werd niet gedeeld door de Commissie.

De Commissie analyseerde een recent arrest van het Hof van Justitie (in april 2010) over een vergelijkbare kwestie (zaak nummer C-230/08).

Wat betreft de boeking in de B-boekhouding van douaneschulden op in beslag genomen goederen wordt het standpunt van de Rekenkamer door de Commissie niet gedeeld. Het standpunt van de Commissie is gebaseerd op artikel 867 bis van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek, volgens hetwelk goederen die in beslag zijn genomen of verbeurdverklaard, worden geacht onder het stelsel van douane-entrepots overeenkomstig artikel 98 van het douanewetboek te zijn geplaatst. Voor onder dit stelsel geplaatste goederen wordt de douaneschuld geacht opgeschort te zijn en dient geen boeking plaats te vinden. De Commissie heeft de arresten van het EHvJ in Elshani (zaak C-459/07) en Dansk Logistik (zaak C-230/08) bestudeerd en geconcludeerd dat zij haar huidige standpunt kan handhaven.

De Rekenkamer handhaaft haar standpunt met betrekking tot het in de B-boekhouding boeken van ontstane douneschulden voor in beslag genomen goederen. Dit standpunt wordt ondersteund door de twee arresten van het Hof van Justitie.

In haar Jaarverslag 2009 (paragraaf 2.27) meldde de Rekenkamer dat de Commissie (in haar verslag van januari 2010 over het Griekse overheidstekort en de schuldstatistieken aan de Ecofin-Raad) de kwaliteit van de Griekse macro-economische statistieken, waaronder die van de nationale rekeningen, ter discussie stelde, en dat de Commissie en de Raad twijfels uitten over de doeltreffende werking van de toezicht- en controlesystemen bij het Griekse nationaal bureau voor de statistiek dat ook de bni-gegevens opstelt voor de berekening van de eigen middelen.

De grondige analyse door de Commissie van de mogelijke impact van de problemen die uit deze verificatie van de Griekse gegevens over het tekort en de schuld naar voren zijn gekomen wees niet op significante gevolgen voor het niveau van het bbp/bni. De verificatiewerkzaamheden die de Commissie (Eurostat) in de loop van 2010 verrichtte op Griekse fiscale gegevens om follow-up te geven aan de in haar verslag van januari 2010 gemelde gebreken bracht een impact van 0,5 à 0,9 % op het niveau van het Griekse bbp aan het licht.

Het antwoord dat de Commissie in het voorjaar van 2010 verstrekte op de opmerking van de Rekenkamer ten tijde van de opstelling van het jaarverslag 2009 van de Rekenkamer, had betrekking op de bevindingen van het verslag van januari 2010, en de kwestie van de herindeling van overheidsbedrijven was daarin niet aan de orde gesteld. De impact op het bbp waarnaar de Rekenkamer verwijst, vloeit voort uit de herindeling van overheidsbedrijven als gevolg van werkzaamheden die in november 2010 werden voltooid. Er is bijgevolg geen reden tot herziening van het antwoord dat de Commissie verstrekte op de opmerking in het jaarverslag van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 2009. Herzieningen van de gegevens van de lidstaten voor eerdere jaren krijgen een follow-up door de Commissie in de jaren daarna, volgens vaste procedures voor het bni-toezicht.

Bij de door de Commissie verrichte beoordeling van de impact op het bbp/bni van de gebreken met betrekking tot het Griekse overheidstekort en de schuldstatistieken dienen de resultaten van haar in november 2010 afgeronde werkzaamheden in aanmerking te worden genomen.

2009

In haar Jaarverslag 2006 maakte de Rekenkamer opmerkingen over de herziening van het Griekse bni (paragrafen 4.24-4.26) en beval zij in paragraaf 4.32 aan dat de Commissie:

 

 

 

a)

regels vaststelt voor het melden van ingrijpende herzieningen en daarvan, samen met het bni-comité, vooraf in kennis wordt gesteld,

a)

Vier lidstaten lieten ingrijpende herzieningen zien in hun bni-vragenlijsten en kwaliteitsverslagen over 2010. In één geval (Finland) werd voorafgaand aan de herziening geen kennisgeving verstuurd.

a)

De Commissie dringt er steevast bij de lidstaten op aan, met name tijdens vergaderingen van het bni-comité en bij bilaterale contacten, om de richtsnoeren toe te passen. Niettegenstaande dat in het geval van Finland van tevoren volledige informatie is verstrekt tijdens vergaderingen van het bni-comité en een bni-inspectiebezoek aan Finland, zal de Commissie blijven toezien op en drukken op het belang dat de lidstaten de CMFB-procedure volgen.

a)

De Commissie dient passende maatregelen te treffen om te waarborgen dat de (door het CMFB opgestelde) richtsnoeren over de melding van ingrijpende statistische herzieningen altijd worden toegepast door de lidstaten.

b)

een gecoördineerd beleid gaat voeren voor herzieningen van de gegevens van de nationale rekeningen, met inbegrip van het vereiste van regelmatige bench-marking, en

b)

In de vergadering van het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek (CMFB) van januari 2010 werd geconcludeerd dat de Commissie (Eurostat) en de Europese Centrale Bank in het najaar van 2010 een effectbeoordeling moesten uitvoeren inzake herzieningsbeleid voor de nationale rekeningen en de betalingsbalans, en de resultaten van de enquête betreffende dit onderzoek moesten presenteren aan de vergadering van het CMFB in januari 2011. Vanwege de afronding van het nieuwe ontwerp-ESR (Europese stelsel van rekeningen) en andere taken werd besloten de start van de enquête uit te stellen tot begin 2011 en de resultaten van de effectbeoordeling te presenteren in de vergadering van het CMFB van juli 2011.

b)

Geen commentaar.

b)

De Rekenkamer stelt vast dat er in 2010 geen vooruitgang is geboekt door de Commissie (Eurostat) met betrekking tot de implementatie van een gemeenschappelijk herzieningsbeleid in de Europese Unie.

c)

ervoor zorgt dat de conclusies van de controle van het Griekse overzicht snel genoeg beschikbaar zijn, zodat de gecorrigeerde gegevens kunnen worden opgenomen in de rekeningen voor het begrotingsjaar 2007.

In haar Jaarverslagen over 2007, 2008 en 2009 gaf de Rekenkamer follow-up aan deze kwesties in respectievelijk bijlage 4.2 (2007 en 2008) en bijlage 2.4 (2009).

c)

De Commissie (Eurostat) werkt nog steeds samen met het Griekse NBS om het ene resterende bni-voorbehoud voor de periode 1995-2001 op te kunnen heffen.

c)

De Commissie (Eurostat) blijft met de Griekse autoriteiten samenwerken om het ene resterende punt van voorbehoud betreffende het bnp voor de periode 1995-2001 te kunnen opheffen.

c)

Zie de paragrafen 2.26-2.27 en 2.29.

BIJLAGE 2.5

BEREKENING VAN DE CORRECTIE VOOR HET VERENIGD KONINKRIJK VOOR 2006 EN DAAROPVOLGENDE JAREN

1.

De bepalingen voor het berekenen van de correctie voor het Verenigd Koninkrijk voor 2006 zijn neergelegd in het Besluit betreffende de eigen middelen (1) van 2000 en in een werkdocument van de Commissie dat werd goedgekeurd door de Raad bij de vaststelling van het Besluit betreffende de eigen middelen (2).

2.

De berekening van de correctie voor het Verenigd Koninkrijk geschiedt in een aantal stappen.

3.

De eerste stap wordt verkregen door

a)

het berekenen van het verschil tussen:

i)

het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de som van de niet-afgetopte (3) btw-grondslagen, en

ii)

het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de totale toegerekende uitgaven;

b)

het aldus verkregen verschil te vermenigvuldigen met de totale toegerekende uitgaven;

c)

het resultaat van b) te vermenigvuldigen met 0,66.

4.

„Niet-afgetopte btw-grondslagen” vormden de basis voor de eigen middelen btw zoals dit gold ten tijde van de invoering van de correctie voor het Verenigd Koninkrijk.

5.

„Toegerekende uitgaven” zijn uitgaven uit de Unie-begroting die kunnen worden toegerekend aan ontvangers in de lidstaten. Dit omvat dus geen uitgaven buiten de Europese Unie of uitgaven die niet kunnen worden toegerekend of geïdentificeerd. De totale toegerekende uitgaven worden verlaagd met een bedrag dat gelijk is aan de pretoetredingsuitgaven in de lidstaten die in 2004 tot de Unie zijn toegetreden.

6.

De tweede fase in de berekening van de correctie is het berekenen van het „voordeel voor het VK” dat voortvloeit uit wijzigingen in de eigen middelen btw sinds de invoering van de correctie voor het Verenigd Koninkrijk (verlaging van het percentage waartegen de eigen middelen btw worden geheven, „aftopping” van de btw-grondslagen tot 50 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de lidstaat) en uit de invoering van de vierde middelenbron op basis van het bni.

7.

Een detail in de berekening van het „voordeel voor het VK” dat van belang is voor de in paragraaf 2.16 vermelde kritiek betreft de berekening van het in 2006 geldende uniforme tarief voor de eigen middelen btw. Dit wordt gedaan door op het maximumafdrachtpercentage voor btw (0,50 % in 2006) een „bevroren percentage” in mindering te brengen dat gekoppeld is aan de hoogte van de korting voor het Verenigd Koninkrijk. De in paragraaf 2.16 genoemde fout wordt veroorzaakt door het feit dat de Commissie het „bevroren percentage” optelde bij het „maximumafdrachtpercentage” in plaats van het daarop in mindering te brengen.

8.

Een andere aanpassing van de correctie behelst de aftrek van de met de TEM verband houdende „buitengewone voordelen”. Lidstaten behouden 25 % van de opbrengsten aan TEM; toen de korting voor het Verenigd Koninkrijk werd geïntroduceerd, bedroeg dit 10 %. De correctie wordt verlaagd voor zover dit de eigenmiddelenbetalingen van het Verenigd Koninkrijk doet afnemen.

9.

De bepalingen voor het berekenen van de correctie voor het Verenigd Koninkrijk in de jaren na 2006 zijn neergelegd in het Eigenmiddelenbesluit (4) van 2007 en in een nieuw werkdocument van de Commissie dat werd onderschreven door de Raad (5). De bepalingen voor de periode na 2006 wijken op enkele gedetailleerde punten af van die welke van toepassing zijn op de correctie 2006.

10.

Ten aanzien van de toegerekende uitgaven, waarvan de algemene beginselen niet wijzigen (vergeleken met het besluit betreffende de eigen middelen van 2000), dienen twee details te worden vermeld, met name in verband met de in de paragrafen 2.31-2.33 geuite kritiek:

a)

in het werkdocument van de Commissie wordt bepaald dat in gevallen waarin de Commissie weet dat er uitgaven plaatsvinden waarvan de ontvanger optreedt als tussenpersoon, de betalingen — voor zover mogelijk — worden toegerekend aan de lidstaat of lidstaten waarin de begunstigde(n) gevestigd is (zijn), overeenkomstig hun respectieve aandeel in deze betalingen;

b)

het door de Commissie voor de berekening van de VK-correctie gehanteerde begrip van uitgaven omvat de „werkelijke betalingen” met betrekking tot het betrokken jaar uit hoofde van de jaarlijkse begroting, ofwel uit hoofde van naar het volgende jaar overgedragen niet-bestede kredieten.

11.

De paragrafen 2.31-2.33 geven aan dat de Commissie niet de juiste stappen ondernam om de totale toegerekende uitgaven in de berekening op te nemen of om betalingen, voor zover mogelijk, toe te rekenen.


(1)  Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42).

(2)  Werkdocument van de Commissie inzake de berekening, financiering, betaling en opneming in de begroting van de correctie van begrotingsonevenwichtigheden overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van Besluit 2000/597/EG (referentie 10646/00, addendum 2 bij de NOTA I/A-PUNT van 21 september 2000 van het Secretariaat-generaal van de Raad aan het Comité van permanente vertegenwoordigers/de Raad, aanneming van Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de EU).

(3)  Zoals bepaald in artikel 2, lid 1, sub c), van Besluit 2000/597/EG, mogen de btw-grondslagen die in aanmerking worden genomen voor de eigen middelen niet meer bedragen dan 50 % van het bnp (tot en met 2001)/bni (vanaf 2002).

(4)  Zie Besluit 2007/436/EG, Euratom.

(5)  Werkdocument van de Commissie inzake de berekening, financiering, betaling en opneming in de begroting van de correctie van begrotingsonevenwichtigheden (referentie 9851/07, addendum 2 bij de NOTA I/A-PUNT van 23 mei 2007 van het secretariaat-generaal van de Raad aan het Comité van permanente vertegenwoordigers/de Raad, aanneming van Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de EU).


HOOFDSTUK 3

Landbouw en natuurlijke hulpbronnen

INHOUD

Inleiding

Specifieke kenmerken van de beleidsgroep

Reikwijdte en aanpak van de controle

Regelmatigheid van de verrichtingen

Doeltreffendheid van de systemen

Beleidsterrein Landbouw en plattelandsontwikkeling

Systemen betreffende de regelmatigheid van verrichtingen

Systemen met betrekking tot terugvorderingen en financiële correcties

De beleidsterreinen Milieu, Maritieme zaken en visserij, en Gezondheidszorg en consumentenbescherming

Betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

Aanbevelingen

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

3.1.

Dit hoofdstuk betreft de specifieke beoordeling door de Rekenkamer van de beleidsgroep Landbouw en natuurlijke hulpbronnen, die bestaat uit de beleidsterreinen 05 — Landbouw en plattelandsontwikkeling, 07 — Milieu, 11 — Maritieme zaken en visserij, en 17 — Gezondheidszorg en consumentenbescherming. Essentiële informatie over de betrokken activiteiten en de uitgaven in 2010 is opgenomen in tabel 3.1 .

 

Tabel 3.1 —   Landbouw en natuurlijke hulpbronnen — essentiële informatie 2010

(miljoen euro)

Begrotingstitel

Beleidsterrein

Omschrijving

Betalingen

Wijze van begrotingsbeheer

5

Landbouw en plattelandsontwikkeling

Administratieve uitgaven

131

Direct gecentraliseerd

Interventies op de landbouwmarkten

4 314

Gedeeld

Rechtstreekse steun

39 676

Gedeeld

Plattelandsontwikkeling

11 483

Gedeeld

Pretoetredingsmaatregelen

14

Gedecentraliseerd

Overige

(7)

Gedeeld

 

55 611

 

7

Milieu

Administratieve uitgaven

91

Direct gecentraliseerd

Beleidsuitgaven

267

Direct gecentraliseerd/Indirect gecentraliseerd

 

358

 

11

Maritieme zaken en visserij

Administratieve uitgaven

40

Direct gecentraliseerd

Beleidsuitgaven

616

Gecentraliseerd/Gedeeld

 

656

 

17

Gezondheidszorg en consumentenbescherming

Administratieve uitgaven

112

Direct gecentraliseerd

Beleidsuitgaven

478

Direct gecentraliseerd/Indirect gecentraliseerd

 

590

 

Totaal administratieve uitgaven (41)

374

 

Totaal beleidsuitgaven

56 841

 

waarvan — voorschotten

851

 

— tussentijdse/saldobetalingen

55 990

 

Totaal betalingen over het jaar

57 215

 

Totaal vastleggingen over het jaar

60 992

 

Bron: Jaarrekening 2010 van de Europese Unie.

Specifieke kenmerken van de beleidsgroep

Beleidsterrein Landbouw en plattelandsontwikkeling

3.2.

Zoals in het Verdrag is bepaald (1), heeft het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten doel de productiviteit van de landbouw te doen toenemen om aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, de markten te stabiliseren, de voorziening veilig te stellen en redelijke prijzen te verzekeren bij de levering aan verbruikers.

 

3.3.

De EU-begroting financiert het gemeenschappelijk landbouwbeleid hoofdzakelijk via twee fondsen (2): het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), waaruit rechtstreekse steun en marktmaatregelen van de EU volledig worden gefinancierd (3), en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), waaruit programma’s voor plattelandsontwikkeling voor verschillende percentages worden medegefinancierd.

 

3.4.

De voornaamste uit het ELGF gefinancierde maatregelen (43 990 miljoen euro) zijn de volgende:

de regeling voor rechtstreekse steun „bedrijfstoeslagregeling” (BTR). BTR-betalingen zijn gebaseerd op „rechten” (4); elk recht wordt geactiveerd op één hectare subsidiabele, door de landbouwer opgegeven grond. De BTR was in 2010 goed voor 29 070 miljoen euro aan uitgaven (73 % van de rechtstreekse steun);

de „regeling inzake een enkele areaalbetaling” voor rechtstreekse steun (REAB), die in de betaling van uniforme bedragen per subsidiabele hectare landbouwgrond voorziet. De REAB wordt momenteel toegepast in tien van de nieuwe lidstaten (5) en was in 2010 goed voor 4 460 miljoen euro aan uitgaven (11 % van de rechtstreekse steun);

overige regelingen voor rechtstreekse steun„gekoppelde betalingen” die betrekking hebben op welbepaalde soorten landbouwproductie. In 2010 waren deze regelingen goed voor 6 146 miljoen euro aan uitgaven (16 % van de rechtstreekse steun);

interventies op landbouwmarkten: de voornaamste maatregelen zijn interventieopslag en uitvoerrestituties, die de laatste jaren beide aan belang hebben ingeboet, en andere maatregelen zoals specifieke steun voor wijn, groenten en fruit en voedselprogramma’s (in 2010 in totaal goed voor 4 314 miljoen euro).

 

3.5.

Het ELFPO cofinanciert uitgaven voor plattelandsontwikkeling die een groot aantal maatregelen betreffen, zoals agromilieuregelingen, compensatiebedragen voor landbouw in probleemgebieden, investeringen in landbouwbedrijven en infrastructuur in plattelandsgebieden (11 497 miljoen euro) (6).

 

3.6.

Volgens alle ELGF-regelingen voor rechtstreekse steun (7) en bepaalde ELFPO-steunregelingen zijn begunstigden van EU-steun wettelijk verplicht om aan bepaalde randvoorwaarden te voldoen („cross compliance”). Deze vereisten hebben betrekking op de bescherming van het milieu, de gezondheid van mens, dier en plant, dierenwelzijn (uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen) en op de verplichting om de landbouwgrond in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) te houden (8). In de EU-wetgeving is bepaald dat wanneer niet-naleving van die vereisten wordt vastgesteld, een korting of uitsluiting (9) wordt toegepast op het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen dat is of moet worden toegekend op grond van steunaanvragen ingediend in de loop van het kalenderjaar waarin de niet-naleving wordt geconstateerd.

3.6.

Kortingen en uitsluitingen zijn uitsluitend van toepassing als de niet-naleving te wijten is aan een handeling of omissie die direct toerekenbaar is aan de landbouwers en significant is.

3.7.

Alleen landbouwers komen in aanmerking voor steun. „Landbouwer” wordt gedefinieerd als een natuurlijk of rechtspersoon die een landbouwactiviteit uitoefent. Onder „landbouwactiviteit” wordt verstaan: landbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de grond in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) houden (10). Het houden van de grond in GLMC vormt de minimale landbouwactiviteit die de aanvrager moet verrichten om in aanmerking te komen voor steun.

 

3.8.

De uitgaven in het kader van beide fondsen vinden plaats via circa 80 (11) nationale of regionale betaalorganen in de 27 lidstaten. Deze betaalorganen zijn bevoegd tot het verrichten van betalingen aan de begunstigden en voordat zij dat doen, moeten zij zich er rechtstreeks of via gedelegeerde instanties van hebben overtuigd dat de steunaanvragen subsidiabel zijn. De rekeningen en betalingsregisters van de betaalorganen worden onderzocht door onafhankelijke auditorganen (certificerende instanties), die in februari van het volgende jaar aan de Commissie verslag uitbrengen.

3.8.

Krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie onderzoeken de certificerende instanties naast de jaarrekeningen jaarlijks ook de interne controleprocedures van de betaalorganen.

Beleidsterreinen Milieu, Maritieme zaken en visserij, en Gezondheidszorg en consumentenbescherming

3.9.

Het milieubeleid van de Unie heeft ten doel bij te dragen tot de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, de menselijke gezondheid en een rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, ook op internationaal niveau. Wat betreft financiering (205 miljoen euro aan uitgaven in 2010) is het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE) (12) het belangrijkste instrument voor EU-steun aan projecten in de lidstaten ten gunste van de natuur en de biodiversiteit en op het gebied van het milieubeleid, bestuur, informatie en communicatie.

 

3.10.

Het Europees Visserijfonds (13) (EVF) is het voornaamste instrument (395 miljoen euro aan uitgaven (14) in 2010) voor het beleidsterrein Maritieme zaken en visserij. Op zijn eigen terrein kent het gemeenschappelijk visserijbeleid dezelfde doelstellingen als het gemeenschappelijk landbouwbeleid (zie paragraaf 3.2).

 

3.11.

Wat betreft Gezondheidszorg en consumentenbescherming draagt de EU enerzijds bij tot de bescherming van de menselijke gezondheid en de gezondheid van dieren en planten en anderzijds tot het welzijn van de consument (478 miljoen euro aan uitgaven in 2010).

 

Voorschotten en tussentijdse/saldobetalingen

3.12.

De uitgaven in het kader van het ELGF bestaan voornamelijk uit vergoedingen (tussentijdse/saldobetalingen) door de EU van subsidies die door de lidstaten aan landbouwers en andere begunstigden zijn uitbetaald.

 

3.13.

Voor het ELFPO betroffen alle in 2010 verrichte betalingen voorschotten en tussentijdse betalingen. Voor het EVF waren er alleen tussentijdse betalingen.

 

3.14.

Op het gebied van Gezondheid en consumentenbescherming worden geen voorschotten betaald; de lidstaten ontvangen een vergoeding op basis van de door hen gedeclareerde uitgaven. Wat Milieu betreft, is voorzien in een voorfinanciering van maximaal 40 % van de EU-bijdrage voor elk LIFE-project, zoals vastgelegd in de subsidieovereenkomst.

 

Significante vermindering van de betalingskredieten voor het ELFPO

3.15.

Op het terrein van het ELFPO werden de betalingskredieten eind 2010 verlaagd met 1 160 miljoen euro (ongeveer 9 % van de oorspronkelijke betalingskredieten) (15), voornamelijk als gevolg van de vertragingen bij de besteding door de lidstaten wegens problemen bij de beschikbaarstelling van nationale cofinancieringsmiddelen in de huidige economische situatie.

 

Reikwijdte en aanpak van de controle

3.16.

In bijlage 1.1, deel 2 wordt de algemene controleaanpak en -methodologie van de Rekenkamer beschreven. Ten aanzien van de controle van de beleidsgroep Landbouw en natuurlijke hulpbronnen dienen de volgende specifieke punten te worden opgemerkt:

de controle omvatte een onderzoek van een steekproef van 238 betalingen, waarvan 146 voor het ELGF, 80 voor het ELFPO en 12 betalingen betreffende Milieu, Maritieme zaken en visserij, en Gezondheidszorg en consumentenbescherming, allemaal tussentijdse en saldobetalingen;

de systeembeoordeling bestreek voor het ELGF GBCS-controles geselecteerd op basis van een combinatie van materialiteits-, risico- en aselecte (MUS)-criteria bij vijf betaalorganen in drie lidstaten die de BTR toepassen: Duitsland (Saksen en Neder-Saksen), Spanje (Castilla La Mancha en Extremadura) en het Verenigd Koninkrijk (Wales); tevens werd in één lidstaat (Frankrijk) gekeken naar het controlesysteem betreffende de maatregel „herstructurering van de suikerindustrie”. Voor Plattelandsontwikkeling onderzocht de Rekenkamer een aselecte steekproef van toezicht- en controlesystemen in Duitsland (Mecklenburg-Vorpommern), het Verenigd Koninkrijk (Schotland), Roemenië, Polen, Portugal, Italië (Toscane), Letland en Frankrijk. Voor Milieu testte de Rekenkamer het interne controlesysteem van DG ENV;

voor drie betaalorganen in Griekenland, Bulgarije en Roemenië werd follow-up gegeven aan de gebreken in het „landbouwperceelidentificatiesysteem” (LPIS) en de gebreken bij inspecties ter plaatse waarover werd gerapporteerd in het kader van de DAS 2008 en 2009;

naast de voornoemde controles van betalingen en systemen werden voor Nederland en Tsjechië gecoördineerde controles verricht met de Nederlandse en Tsjechische hoge controle-instanties. In Nederland omvatte de controle onderzoek van een bijkomende steekproef van 55 betalingen, waarvan 53 voor ELGF-maatregelen en 2 voor uitgaven voor plattelandsontwikkeling, alsook een beoordeling van de desbetreffende toezicht- en controlesystemen. In Tsjechië omvatte de controle onderzoek van 30 betalingen voor vier maatregelen in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling, alsook een beoordeling van de desbetreffende toezicht- en controlesystemen. De resultaten van het onderzoek van deze bijkomende steekproeven werd meegenomen in de berekening van het foutenpercentage (16);

wat betreft de randvoorwaarden beperkte de Rekenkamer haar toetsing tot GLMC-verplichtingen (minimale bodembedekking, voorkomen van verstruiking door ongewenste vegetatie) waarvoor tijdens het controlebezoek bewijzen kunnen worden verkregen en een conclusie kan worden getrokken. Met betrekking tot ELFPO-betalingen werden bepaalde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (identificatie en registratie van dieren) getoetst. Voorts heeft de Rekenkamer in het kader van haar systeemcontroles de toepassing van de GLMC-normen (op nationaal niveau) en de door de lidstaten ingevoerde controlesystemen geanalyseerd. Wanneer niet-naleving wordt ontdekt, wordt dit momenteel niet meegenomen in de berekening van het foutenpercentage;

de beoordeling van de „management representations” van de Commissie had betrekking op de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG AGRI, DG CLIMA, DG ENV, DG MARE en DG SANCO;

teneinde de grondslagen voor de financiële goedkeuringsbeschikkingen van de Commissie te evalueren, heeft de Rekenkamer daarnaast 61 certificaten en verslagen gecontroleerd die door de certificerende instanties voor 56 betaalorganen zijn opgesteld.

 

REGELMATIGHEID VAN DE VERRICHTINGEN

3.17.

De resultaten van de toetsing van verrichtingen zijn samengevat in bijlage 3.1 . Uit de toetsing van de steekproef van verrichtingen door de Rekenkamer bleek dat 37 % fouten bevatte. Op basis van de toetsing van de verrichtingen schat de Rekenkamer het meest waarschijnlijke foutenpercentage op 2,3 % (17). De Rekenkamer constateerde tevens onregelmatige voorschotbetalingen door de Commissie aan lidstaten ten bedrage van 401 miljoen euro (ofwel 0,7 % van de totale betalingen van het jaar) (zie paragraaf 3.22) (18).

3.17.

De conclusie van de Rekenkamer met betrekking tot de beleidsgroep Landbouw en natuurlijke hulpbronnen bevestigt de positieve trend dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage de afgelopen jaren dicht bij de materialiteitsdrempel van 2 % ligt. Voorts merkt de Commissie op dat voor de uitgaven van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), die in 2010 77 % van de totale uitgaven binnen dit hoofdstuk vertegenwoordigden, het meest waarschijnlijke foutenpercentage ruim onder de materialiteitsdrempel ligt en dat het foutenpercentage voor de directe betalingen die onder het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) vallen, zelfs nog lager is.

Bovendien wordt het risico voor de EU-begroting door de conformiteitsgoedkeuringsprocedure op adequate wijze afgedekt.

De 401 miljoen euro aan voorschotten voor plattelandsontwikkeling vormen geen onregelmatige betalingen aan de eindbegunstigden. Bovendien loopt de terugvordering van deze bedragen nog. Deze zal tegen eind 2011 worden afgerond.

3.18.

De controle van de Rekenkamer bevestigde de resultaten van de voorgaande jaren, namelijk dat de fouten in de betalingen qua frequentie en impact niet gelijkmatig waren verdeeld over alle beleidsterreinen. De Rekenkamer merkt op dat de uitgaven voor plattelandsontwikkeling bijzonder foutgevoelig zijn. Rechtstreekse betalingen in het kader van het GBCS bleken daarentegen geen materiële fouten te vertonen.

3.18.

De Commissie deelt de opvatting van de Rekenkamer dat bij de uitgaven op sommige gebieden van plattelandsontwikkeling een hogere incidentie van fouten kan worden geconstateerd, maar is van mening dat de toezicht- en controlesystemen voortdurend verbeteren en dat als gevolg daarvan het foutenpercentage op dit gebied afneemt.

3.19.

Bij het ELGF bevatten 39 (27 %) van de 146 in de steekproef opgenomen verrichtingen fouten. 29 (74 %) van deze verrichtingen vertoonden kwantificeerbare fouten. Met betrekking tot de uitgaven voor plattelandsontwikkeling bevatten 40 (50 %) van de 80 verrichtingen in de steekproef fouten. 21 (52 %) van deze verrichtingen vertoonden kwantificeerbare fouten. Wat betreft Milieu, Maritieme zaken en visserij, en Gezondheidszorg en consumentenbescherming bevatten 8 (67 %) van de 12 verrichtingen in de steekproef fouten. 4 (50 %) van deze verrichtingen vertoonden kwantificeerbare fouten.

3.19.

De Commissie wijst erop dat de meeste kwantificeerbare fouten financieel weinig implicaties hebben en vooral betrekking hebben op geringe verschillen in de nieuwe meting van percelen door de Rekenkamer (zie punt 3.20).

3.20.

In 2010 vertoonden 54 (62 %) van de verrichtingen die fouten bevatten kwantificeerbare fouten betreffende de subsidiabiliteit en meestal de nauwkeurigheid (97 % voor het ELGF en 52 % voor het ELFPO), vooral door een te hoog opgegeven subsidiabel areaal.

 

3.21.

Voorbeelden van door de Rekenkamer aangetroffen fouten worden hierna beschreven (zie voorbeeld 3.1).

 

Voorbeeld van ELGF-fout inzake subsidiabiliteit

Aan de nationale overheid van een lidstaat werd een bedrag van 4,3 miljoen euro betaald voor 1 965 ton interventieboter (19) die in het kader van de ruilregeling werd geleverd als betaling aan de winnende inschrijvers (20) in een andere lidstaat krachtens het EU-voedselprogramma voor behoeftigen. In ruil voor de boter hadden de winnende inschrijvers (marktdeelnemers) voorgesteld diverse soorten kaas en andere zuivelproducten te leveren aan behoeftigen.

Volgens de geldende EU-regels (21) mag de marktdeelnemer de boter niet verkopen in de lidstaat van de interventie, maar moet hij het product overbrengen naar de andere lidstaat: het doel van dit voorschrift is te voorkomen dat de boter terugkeert naar de lidstaat waar de boter gekocht werd voor interventie in het kader van marktbeheersing (22). De interventieboter was vervoerd naar de grens van de andere lidstaat (23), waar de controledocumenten van de EU werden afgehandeld. Het grootste deel van de lading werd echter niet gelost maar werd onmiddellijk teruggebracht naar de eerste lidstaat en te koop aangeboden op de binnenlandse markt, waarmee de EU-regelgeving omzeild werd (24).

Voorbeeld van een subsidiabiliteitsfout (ELGF)

De Commissie is van mening dat de doelstelling van de regeling — kosteloos voedsel verstrekken aan de meest hulpbehoevenden — in dit geval volledig is verwezenlijkt en dat de waarde van de aan deze personen verstrekte kaas en boter groter was dan de financiële last voor de EU-begroting. Voorts is de Commissie van mening dat dit geval primair betrekking heeft op de doelmatigheid van een specifieke regel in de regeling voor 2009, die geen verbod omvat voor het overdragen van de producten aan in dit geval de eerste lidstaat door een andere marktdeelnemer, overeenkomstig het beginsel van vrij verkeer van goederen. Hoewel het achterliggende doel van de bepaling derhalve niet volledig is verwezenlijkt, ziet de Commissie geen basis voor terugvordering van de bedragen in kwestie.

Het probleem beperkte zich tot het programma voor 2009, aangezien dergelijke regels niet zijn opgenomen in de daaropvolgende programma's.

De Commissie zal zich echter buigen over opties om de transparantie van ruilhandelregelingen te verbeteren, omdat deze een essentiële component van de steunregeling voor de meest hulpbehoevenden vormen en de Commissie daarom van plan is daar in de toekomst gebruik van te blijven maken.

Voorbeeld van ELGF-fout inzake nauwkeurigheid

De Rekenkamer constateerde dat er aan ongeveer 12 500 individuele begunstigden BTR-betalingen waren gedaan op basis van een verouderd LPIS, zodat in totaal 11 miljoen euro te veel werd betaald. In strijd met de EU-regelgeving besloten de nationale instanties, het bedrag ten laste van de nationale begroting te brengen in plaats van het te veel betaalde terug te vorderen van de landbouwers, zodat niet-goedgekeurde nationale steun werd toegekend. De afzonderlijke betalingen aan de landbouwers waren te hoog opgegeven en dus onregelmatig.

Voorbeeld van een nauwkeurigheidsfout (ELGF)

De Commissie is zich bewust van deze tekortkomingen in het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) in kwestie en probeert deze tekortkomingen te detecteren door middel van de conformiteitsgoedkeuringsprocedures. Opgemerkt dient echter te worden dat volgens artikel 73, lid 4, van Verordening (EG) nr. 796/2004 de terugbetalingsverplichting niet geldt indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde autoriteit of van een andere autoriteit en indien de fout redelijkerwijs niet door de landbouwer kon worden ontdekt. Hoe dan ook heeft het besluit van de nationale autoriteiten om de bedragen ten laste van de nationale begroting te brengen ervoor gezorgd dat geen ongepaste uitgaven uit de EU-begroting zijn verricht.

Voorbeelden van ELFPO-fouten inzake subsidiabiliteit

Veronachtzaming van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten: Bij een ELFPO-project voor het aanleggen van een fietspad werd een deel van de werken rechtstreeks gegund door de begunstigde. Wegens het ontbreken van een openbare inschrijvingsprocedure is een deel van de betalingen voor dit contract onregelmatig.

Niet-naleving van specifieke subsidiabiliteitscriteria: er werd een betaling gedaan krachtens de maatregel voor plattelandsontwikkeling „verbetering van de economische waarde van bossen”. Doel van het project was het uitdunnen van de boomdichtheid in het bos teneinde de kwaliteit en dus ook de waarde van het hout te verbeteren. Twee van de subsidiabiliteitscriteria waaraan de begunstigde moest voldoen, waren: 1. de boomdichtheid vóór de uitdunning moest ten minste gelijk zijn aan 800 stammen per hectare, en 2. de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd tussen oktober en januari om de risico’s voor de gezondheid van de planten te beperken. Aan deze twee subsidiabiliteitscriteria was niet voldaan: de boomdichtheid vóór de uitdunning was 600 en de werkzaamheden werden uitgevoerd tussen maart en mei. De betaling is dus onregelmatig.

Voorbeeld van een subsidiabiliteitsfout (ELFPRO)

Negeren van aanbestedingsregels:

De Commissie zal dit geval aanpakken door middel van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure.

Niet-naleving van specifieke subsidiabiliteitscriteria:

De Commissie merkt op dat de subsidiabiliteitsvoorwaarde met betrekking tot de duur van de werkzaamheden door de regionale autoriteiten lijkt te zijn vastgesteld zonder dat een passende beoordeling van de onderbouwing en het effect ervan is gemaakt. De Commissie beveelt de lidstaten aan om bij het vaststellen van specifieke subsidiabiliteitsvoorwaarden op regionaal niveau transparante procedures voor alle betrokkenen op te stellen.

Voorbeeld van fout in Milieu, Maritieme zaken en visserij, en Gezondheidszorg en consumentenbescherming

Subsidiabele personeelskosten voor een project van LIFE III werden ten onrechte afgetrokken door DG ENV. Dit werd deels gecorrigeerd door het ten onrechte accepteren van lonen die waren betaald buiten de subsidiabele periode. Bovendien waren de onderliggende stukken bij de gedeclareerde uitgaven onvolledig.

 

3.22.

Tussen 2007 en 2009 heeft de Raad verscheidene besluiten vastgesteld om de begroting voor plattelandsontwikkeling te verhogen met 5,43 miljard euro, vooral om „nieuwe uitdagingen” te kunnen aangaan (bijvoorbeeld de klimaatwijziging, de bescherming van de biodiversiteit …). Van dit bedrag bestond 3 miljard euro uit een overschrijving van kredieten van maatregelen voor rechtstreekse steun naar maatregelen voor plattelandsontwikkeling („modulatie”). Op grond daarvan stelden de lidstaten hun programma’s voor plattelandsontwikkeling naar boven bij en betaalde de Commissie in 2010 voorschotten op die bijkomende programma’s voor een bedrag van 401 miljoen euro. De regelgeving voorziet echter niet in dergelijke bijkomende voorschotten (voorfinanciering is alleen toegestaan bij de vaststelling van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s aan het begin van de programmeringsperiode, dus in 2007-2008, niet bij herziening ervan). Bovendien verbiedt de regelgeving uitdrukkelijk modulatiemiddelen te voorfinancieren. Voor deze betaling van 401 miljoen euro bestond dus geen rechtsgrondslag.

3.22.

De Commissie is het eens met de opmerkingen van de Rekenkamer, maar merkt op dat de 401 miljoen euro aan voorschotten geen onregelmatige betalingen aan de eindbegunstigden vormen. Bovendien loopt de terugvordering van deze bedragen nog. Deze zal tegen eind 2011 worden afgerond.

DOELTREFFENDHEID VAN DE SYSTEMEN

Beleidsterrein Landbouw en plattelandsontwikkeling

Systemen betreffende de regelmatigheid van verrichtingen

3.23.

De resultaten van het onderzoek van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS), het voornaamste controlesysteem om de regelmatigheid van de ELGF- en ELFPO-verrichtingen te waarborgen (25), zijn samengevat in bijlage 3.2 .

 

3.24.

Bij haar controle van zes betaalorganen in 2010 stelde de Rekenkamer vast dat het GBCS bij vier betaalorganen doeltreffend was in het waarborgen van de regelmatigheid van de betalingen en gedeeltelijk doeltreffend bij de andere twee. Ook verrichtte de Rekenkamer follow-upcontroles bij drie betaalorganen en constateerde zij daarbij nog steeds gebreken in het LPIS en in de kwaliteit van de controles ter plaatse.

3.24.

Wat betreft de zes betaalorganen waarvoor de Rekenkamer in 2010 een audit heeft uitgevoerd, vormen de bevindingen van de Rekenkamer een aanmerkelijke verbetering ten opzichte van vorig jaar, toen de Rekenkamer slechts één van de acht geaudite geïntegreerde beheers- en controlesystemen (GBCS) als doeltreffend beoordeelde. Bovendien waren de tekortkomingen die de Rekenkamer in twee van deze systemen heeft geconstateerd niet heel significant en hielden ze deels geen risico voor de EU-begroting in. In elk geval laten de controlestatistieken van deze betaalorganen, die door de certificerende instanties zijn gevalideerd, zien dat het potentiële financiële effect van de tekortkomingen op het niveau van de betaalorganen niet materieel was.

Wat betreft de drie follow-upaudits die de Rekenkamer heeft uitgevoerd, hebben de betrokken lidstaten (BG, RO en GR) actieplannen voltooid of bijna voltooid om de tekortkomingen in hun GBCS te corrigeren. Als gevolg hiervan is de situatie in deze lidstaten aanmerkelijk verbeterd.

Wat betreft de beoordeling van de GBCS in het algemeen, zie ook het antwoord op punt 3.29.

3.25.

Met betrekking tot de negen gecontroleerde toezicht- en controlesystemen voor plattelandsontwikkeling constateerde de Rekenkamer dat twee van de toegepaste controlesystemen niet doeltreffend waren, dat zes ervan gedeeltelijk doeltreffend waren en een ervan doeltreffend was in het waarborgen van de regelmatigheid van de betalingen.

3.25.

De Commissie is het eens met de Rekenkamer over de beoordeling van twee toezicht- en controlesystemen als niet doelmatig. Met betrekking tot andere lidstaten blijkt uit de audits van de Commissie dat zij systemen hebben ingevoerd die doeltreffend of gedeeltelijk doeltreffend zijn, met uitzondering van de systemen voor maatregelen in het kader van as 2 in Bulgarije, Polen en Roemenië (zie het jaarlijkse activiteitenverslag 2010 van het DG AGRI).

3.26.

Het GBCS bestaat in elke lidstaat uit een database van bedrijven en aanvragen, systemen voor het identificeren van landbouwpercelen en het registreren van dieren, alsmede een register van toeslagrechten in de lidstaten die de BTR toepassen. Het systeem voorziet in meerdere subsidiabiliteitscontroles: een administratieve controle van alle aanvragen, kruiscontroles met databases om te voorkomen dat eenzelfde perceel/dier tweemaal wordt aangegeven, en een minimumpercentage van 5 % voor inspecties op bedrijven, uit te voeren door de betaalorganen.

 

3.27.

Het GBCS omvat de voornaamste uit het ELGF gefinancierde regelingen, namelijk de BTR en de REAB, alsmede alle areaalgerelateerde regelingen inzake gekoppelde steun en regelingen inzake dierpremies. Bij het ELFPO, en vooral op agromilieugebied en in probleemgebieden, worden bepaalde essentiële elementen, zoals de subsidiabele oppervlakte of het aantal dieren, door het GBCS nagetrokken, terwijl andere vereisten onder specifieke controles vallen (26).

 

3.28.

De GBCS-controle van de Rekenkamer had betrekking op de naleving van de bepalingen van de betrokken verordeningen en op een beoordeling van de doeltreffendheid van de systemen in het waarborgen van de regelmatigheid van de verrichtingen. Meer bepaald werden de volgende elementen onderzocht:

3.28.

I)

administratieve procedures en controles om correcte betaling te verzekeren, met inbegrip van de kwaliteit van de databases;

 

II)

controlesystemen op basis van controles ter plaatse;

 

III)

systemen om de tenuitvoerlegging en controle van „cross compliance” te verzekeren.

III)

De Commissie herinnert eraan dat eerbiediging van randvoorwaarden door landbouwers geen subsidiabiliteitscriterium is en de controle van deze criteria derhalve niet in het kader van de beoordeling van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties plaatsvindt. Landbouwers die deze criteria niet eerbiedigen hebben het recht om betalingen te ontvangen, maar krijgen een sanctie opgelegd op basis van de ernst, de omvang, de persistentie en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving en de nalatigheid of intentie van de betrokken begunstigde.

De niet-naleving van randvoorwaarden heeft belang voor de volledige betaling van de rechtstreekse EU-steun aangezien de begunstigden wettelijk gehouden zijn de randvoorwaarden na te leven (zie paragraaf 3.6).

 

3.29.

Bij de jaarlijkse controles van GBCS-systemen die in de afgelopen jaren door de Rekenkamer zijn uitgevoerd, bleek dat de doeltreffendheid van het GBCS te lijden heeft onder onjuiste gegevens in de databases, onvolledige kruiscontroles of een onjuiste dan wel onvolledige follow-up van anomalieën. De Rekenkamer constateerde deze gebreken bij een aantal betaalorganen. Met name bleken twee essentiële controles — de kruiscontrole van de bij het LPIS gedeclareerde percelen en de verificatie van die percelen ter plaatse – bij verscheidene door de Rekenkamer gecontroleerde betaalorganen gebreken te vertonen.

3.29.

De Commissie beschouwt het GBCS als een doorgaans efficiënt controlesysteem waarmee het risico op fouten of onregelmatige uitgaven kan worden beperkt.

Dat het GBCS efficiënt werkt en constant verbetert, wordt bevestigd door de resultaten van de conformiteitscontroles die de Commissie de afgelopen jaren in alle lidstaten heeft uitgevoerd, door het lage foutenpercentage in de controlestatistieken die zij van de lidstaten ontvangt en die door de certificerende instanties worden geverifieerd en gevalideerd, en door de eigen bevindingen van de Rekenkamer in het kader van de betrouwbaarheidverklaring voor 2010, waarin voor directe betalingen een foutenpercentage van 1 % wordt vermeld.

De resterende tekortkomingen zijn over het algemeen van minder groot belang: de systemen worden er niet minder doeltreffend door, maar blijken wel vatbaar voor verbetering. Al deze tekortkomingen worden opgevolgd in het kader van conformiteitsgoedkeuringsprocedures, die ervoor zorgen dat het risico voor de EU-begroting adequaat wordt opgevangen.

Zie ook het antwoord van de Commissie op punt 3.24.

I)   Administratieve procedures en controles om correcte betaling te verzekeren, met inbegrip van de kwaliteit van de databases

3.30.

De betaalorganen moeten administratieve controles uitvoeren om vast te stellen of de aanvragen overeenkomen met de bepalingen van de regeling (27). De administratieve controles moeten, voor zover mogelijk en zinvol, kruiscontroles omvatten, onder meer met gegevens uit de GBCS-databases. De Rekenkamer controleerde of de databases volledig en betrouwbaar waren, of bij de controles anomalieën werden ontdekt en of corrigerende maatregelen werden getroffen om fouten te corrigeren. De belangrijkste systeemgebreken die werden geconstateerd, worden hierna beschreven.

 

ELGF

3.31.

Het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) is een database waarin het hele landbouwareaal (referentiepercelen) van de lidstaat is geregistreerd, met optionele toepassing van orthofotografie (28). In drie lidstaten (Griekenland, Roemenië en Spanje) ontdekte de Rekenkamer gevallen waarin referentiepercelen van „blijvend grasland” (29) in het LPIS waren geregistreerd als 100 % subsidiabel, ondanks het feit dat ze gedeeltelijk waren bedekt met dichte bebossing of andere niet-subsidiabele zaken en dus slechts deels subsidiabel waren (zie voorbeeld 3.2).

3.31.

Wanneer bij audits is vastgesteld dat er in strijd met de wettelijke bepalingen directe steun voor bepaalde percelen is uitbetaald, zijn conformiteitsgoedkeuringsprocedures in gang gezet.

Voorbeeld 3.2

In Spanje (Castilla La Mancha en Extramadura) ontdekte de Rekenkamer gevallen waarin referentiepercelen met blijvend grasland in het LPIS als volledig subsidiabel waren geregistreerd, hoewel ze slechts ten dele waren bedekt met gras en de rest met niet-subsidiabele zaken zoals rotsen, struiken, dichte bebossing, enz.). In Griekenland waren er gevallen waarin volledige bossen werden beschouwd als blijvend grasland en dus werden geacht recht te geven op BTR-betalingen. Daardoor werd de subsidiabele oppervlakte die is geregistreerd in het LPIS en wordt gebruikt voor kruiscontroles vaak te hoog opgegeven. Dit was nadelig voor de kwaliteit van die kruiscontroles.

Voorbeeld 3.2

De Commissie is zich bewust van de situatie in Griekenland en heeft de Griekse autoriteiten verzocht de problemen op te lossen. Wat betreft de situatie in Spanje heeft de Commissie in andere autonome gemeenschappen vergelijkbare problemen geconstateerd als die welke door de Rekenkamer worden genoemd.

De in beide lidstaten vastgestelde problemen leiden echter niet altijd stelselmatig tot onregelmatige betalingen, en wanneer dat wel het geval is, start de Commissie conformiteitsgoedkeuringsprocedures.

3.32.

In vijf lidstaten (Bulgarije, Nederland (30), Griekenland, Roemenië en Spanje) constateerde de Rekenkamer zwakke punten wat betreft het actualiseren van het LPIS.

3.32.

Met betrekking tot Nederland wordt verwezen naar het antwoord van de Commissie op punt 3.21 (voorbeeld van een nauwkeurigheidsfout met betrekking tot het ELGF). Voor Griekenland is eind 2008 een nieuw, up-to-date LPIS voltooid. Voor Roemenië is in 2009 een corrigerend actieplan aangenomen, dat begin 2011 is afgerond. Voor Bulgarije is in 2009 een corrigerend actieplan aangenomen, dat eind 2011 zal worden afgerond. Spanje heeft een actualiseringsplan, maar is verzocht om zijn inspanningen in dit verband in de loop van 2011 op te voeren.

3.33.

Bij het buiten het GBCS staande controlesysteem voor de maatregel „herstructurering van de suikerindustrie” in Frankrijk constateerde de Rekenkamer dat het slechts gedeeltelijk doeltreffend was (zie voorbeeld 3.3).

 

Voorbeeld 3.3

Volgens een EU-herstructureringsplan ontvangen de suikerproducenten die hun quota geheel of gedeeltelijk opgeven steun die per ton in 2008/2009 opgegeven suikerquotum gaat van 218,75 euro (eenvoudige opgave) tot 625 euro (bij volledige ontmanteling van de productie-installatie). De producent moet de opgegeven quota koppelen aan productie-installaties tot de maximale productiecapaciteit van die installaties. 10 % van de steun moet worden betaald aan de telers die door die opgave hun rechten verliezen om suikerbiet te leveren aan de suikerproducent.

In Frankrijk ontving een suikerproducent voor het ontmantelen van zijn productie-installatie steun die overeenkwam met een opgegeven quotum van 93 500. Net voor de begunstigde die steun aanvroeg, had hij echter een verhoging van de productiecapaciteit van die installatie aangevraagd van 72 000 tot 93 500 ton en zijn verzoek was goedgekeurd. De werkelijke productie van de fabriek bedroeg echter nooit meer dan 60 000 ton. De capaciteitsverhoging was een kunstgreep om voor een hoeveelheid van ten minste 21 500 ton het hogere steuntarief van 625 euro per ton te krijgen. Bovendien werd de 10 % van deze steun betaald aan telers die nooit suikerbieten hadden geleverd aan de ontmantelde fabriek.

Voorbeeld 3.3

De EU-regels bepalen dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat een besluit neemt over de subsidiabiliteit van elke aanvraag voor herstructureringssteun. In het kader van het herstructureringsplan van de door de Rekenkamer genoemde producent is overeengekomen dat afstand zal worden gedaan van een hoeveelheid suiker en dat dit zal worden bereikt door één productielocatie volledig te ontmantelen en op drie andere locaties afstand te doen van quota.

De EU-regels bepalen verder dat in door aanvragers ingediende herstructureringsplannen voor elke betrokken fabriek moet worden aangegeven van welk quotumdeel afstand zal worden gedaan, „welke hoeveelheid niet meer mag bedragen dan de productiecapaciteit” die door de volledige of gedeeltelijke ontmanteling zal verdwijnen. De regels bepalen niet hoe de productiecapaciteit moet worden vastgesteld en de lidstaten kunnen derhalve in beginsel zelf bepalen welke methode daarvoor het meest geschikt is. De Franse autoriteiten hebben bevestigd dat de gebruikte methode erop was gericht om de productiecapaciteit van een fabriek vast te stellen en niet de daadwerkelijke productie op een gegeven tijdstip. De Commissie houdt zich in de context van een lopende conformiteitsgoedkeuringsprocedure met de zaak bezig om te bepalen of de EU-regels volledig zijn nageleefd.

ELFPO

3.34.

Administratieve controles hebben betrekking op de juistheid van de opgaven van de aanvrager en op de vraag of aan de voorwaarden voor steunverlening is voldaan (31). Dergelijke controles omvatten kruiscontroles met gegevens die de administratieve instanties reeds ter beschikking staan, bijvoorbeeld in de GBCS-databases.

 

3.35.

Een der voornaamste administratieve controles van maatregelen (32) ter verbetering van het concurrentievermogen van de landbouwsector, zoals de modernisering van de landbouwbedrijven en de verbetering en ontwikkeling van de plattelandsinfrastructuur, dient om de redelijkheid van de gedeclareerde kosten te beoordelen. Daarom moeten de lidstaten geschikte systemen invoeren om de door de begunstigden gevraagde bedragen te evalueren. De Rekenkamer stelde vast dat dit voorschrift niet doeltreffend was nageleefd door vier van de zeven nationale instanties die op dit punt werden gecontroleerd.

3.35.

De Commissie deelt de opvatting dat administratieve controles van de redelijkheid van kosten van essentieel belang zijn om de doeltreffendheid van het hele controlesysteem te waarborgen. Deze essentiële controles worden door de Commissie systematisch onderzocht tijdens auditmissies. Het algemene oordeel is dat, twee uitzonderingen daargelaten, de door de Commissie geaudite lidstaten over doeltreffende of gedeeltelijk doeltreffende systemen beschikken.

3.36.

Voor sommige ELFPO-projecten moet bij de administratieve controles ook worden nagegaan of de verrichting voldoet aan de toepasselijke nationale en EU-regels, waaronder die inzake het plaatsen van overheidsopdrachten. De Rekenkamer ontdekte dat in Portugal de kosten voor de bouw van een dam waren verdeeld over meerdere contracten, zodat die rechtstreeks konden worden gegund in plaats van via inschrijving. Dit was bij de administratieve controles niet opgemerkt.

3.36.

De Commissie zal dit geval opvolgen in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure.

II)   Controlesystemen op basis van controles ter plaatse

3.37.

De lidstaten moeten elk jaar controles ter plaatse verrichten die voor de meeste steunregelingen ten minste 5 % van alle begunstigden moeten bestrijken (33) De controle van de Rekenkamer was toegespitst op de toereikendheid van de risicoanalyseprocedures voor de selectie van de begunstigden voor dergelijke controles, de kwaliteit van de controles en de deugdelijkheid van de verrichte correcties.

 

3.38.

Bij het herhalen van door de betaalorganen verrichte controles ter plaatse constateerde de Rekenkamer vaak dat de controles niet correct waren uitgevoerd (zie voorbeeld 3.4).

 

Voorbeeld 3.4

In Bulgarije, Griekenland, Roemenië, Tsjechië en Nederland deed de Rekenkamer door nationale inspecteurs verrichte perceelmetingen over. De door de nationale inspecteurs gemelde subsidiabele oppervlakten bleken onjuist voor 13 van de 43 percelen in Bulgarije, 6 van de 32 percelen in Griekenland, 12 van de 29 percelen in Roemenië, 35 van de 67 percelen in Tsjechië en 16 van de 174 percelen in Nederland. In de onderzochte gevallen was de financiële weerslag echter beperkt.

Voorbeeld 3.4

Voor Griekenland beperkt het probleem zich tot de kwestie van de weidegronden en hier wordt follow-up aan gegeven in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure.

3.39.

Bij het ELFPO ontdekte de Rekenkamer gebreken in de planning van de controles ter plaatse en de analyse van de resultaten. Zo werden in Portugal bijna alle controles (97,5 %) verricht met aanzienlijke vertraging, bijvoorbeeld een of zelfs twee jaar na het jaar waarvoor de betaling was gevraagd, waardoor het moeilijker wordt gevallen van niet-naleving te ontdekken.

3.39.

De Commissie heeft tijdens audits in Portugal dezelfde tekortkomingen vastgesteld. De Portugese autoriteiten hebben de Commissie echter informatie verstrekt waaruit blijkt dat de situatie voor het aanvraagjaar 2010 sterk is verbeterd en dat de overgrote meerderheid van de controles in december 2010 was voltooid.

III)   Systeem om de tenuitvoerlegging en controle van „cross compliance” te verzekeren

3.40.

De randvoorwaarden voor steunverlening („cross compliance”-vereisten) omvatten uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en GLMC-normen (zie paragraaf 3.6). Terwijl die beheerseisen in diverse EU-richtlijnen en -verordeningen zijn vastgesteld, worden de GLMC-normen op nationaal niveau bepaald. Wat betreft de randvoorwaarden moeten de betaalorganen ten minste 1 % van de aanvragen voor directe betalingen controleren.

 

3.41.

Tijdens haar bezoeken ter plaatse heeft de Rekenkamer op basis van de beperkte controle (zie paragraaf 3.16, vijfde streepje) inbreuken op de „cross compliance”-vereisten vastgesteld met betrekking tot ongeveer 12 % van de betalingen waarvoor dergelijke randvoorwaarden gelden. De geconstateerde gevallen van niet-naleving hadden zowel betrekking op uit de regelgeving voortvloeiende beheereisen (identificatie en registratie van dieren) als op GLMC-normen (verstruiking door ongewenste vegetatie).

3.41.

De bevindingen van de Rekenkamer worden bevestigd door de controlestatistieken die de Commissie van de lidstaten heeft ontvangen. Uit deze statistieken blijkt dat sancties worden toegepast.

Systemen met betrekking tot terugvorderingen en financiële correcties

Terugvorderingen

3.42.

De Rekenkamer heeft een speciaal verslag uitgebracht over de controle van de terugvorderingen in het kader van het GLB (34) waarin werd vastgesteld dat de systemen thans doeltreffender zijn in het beschermen van de financiële belangen van de EU en dat de inningspercentages voor gevallen vanaf 2006 zijn verbeterd. Toch behoeven de systemen nog verdere verbetering door verduidelijking van de regels, hetgeen de ruimte voor interpretatie evenals praktijkverschillen in de lidstaten zou beperken.

3.42.

De Commissie verwelkomt de beoordeling van de Rekenkamer dat het beheer en de controle van terugvorderingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) de afgelopen jaren zijn verbeterd. Met betrekking tot de aanbevelingen die in het speciaal verslag worden gedaan om het systeem verder te verbeteren, zal de Commissie zich buigen over mogelijke wijzigingen om de relevante regels in het kader van haar wetgevingsvoorstellen voor het GLB tot 2020 waar passend te versterken, te harmoniseren of te verduidelijken.

De procedure van de Commissie voor de goedkeuring van de rekeningen

3.43.

Het beheer van de meeste landbouwuitgaven wordt gedeeld door de lidstaten en de Commissie. De steun wordt uitbetaald door de lidstaten, die deze vervolgens vergoed krijgen van de Commissie (35). De uiteindelijke erkenning van de uitgaven volgt in een procedure die „goedkeuring van de rekeningen” wordt genoemd en twee fasen omvat: een jaarlijkse financiële beschikking en meerjarige conformiteitsbeschikkingen van de Commissie.

 

3.44.

In voorgaande jaarverslagen evenals in het speciaal verslag (36) over de controle van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen heeft de Rekenkamer kritiek geuit op het feit dat de financiële correcties niet voor rekening van de eindbegunstigden, maar van de lidstaten komen en dat de conformiteitsaanpassingen goeddeels zijn gebaseerd op het gebruik van forfaitaire correcties, zodat er geen rechtstreeks verband is met het werkelijke bedrag van de onregelmatige betalingen. Het systeem voor conformiteitsgoedkeuring bleef in 2010 ongewijzigd.

3.44.

Wat de Rekenkamer in het conformiteitsgoedkeuringssysteem bekritiseert is inherent aan dit systeem. De conformiteitsgoedkeuringsprocedure heeft tot doel uitgaven die niet in overeenstemming met de communautaire voorschriften zijn verricht, aan communautaire financiering te onttrekken. Deze procedure is evenwel niet opgezet als mechanisme om onregelmatige betalingen aan begunstigden terug te vorderen, aangezien op grond van het beginsel inzake het gedeelde beheer van de controles op begrotingsuitgaven uitsluitend de lidstaten daarvoor verantwoordelijk zijn.

Wanneer in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure wordt geconstateerd dat onverschuldigde betalingen zijn gedaan, moeten de lidstaten de betrokken bedragen terugvorderen van de eindbegunstigden. Ook wanneer geen terugvordering van de begunstigde noodzakelijk is omdat de financiële correctie alleen betrekking heeft op tekortkomingen in het beheer en het controlesysteem van de lidstaten en niet op onverschuldigd gedane betalingen, zijn deze correcties toch een belangrijk middel om de systemen van de lidstaten te verbeteren en aldus onregelmatige betalingen aan begunstigden te voorkomen of te detecteren en terug te vorderen.

De toepassing van forfaitaire bedragen is door het Hof van Justitie in overeenstemming geacht met de wettelijke regels inzake conformiteitshandhaving en — in bepaalde omstandigheden — aanvaard door het Europees Parlement (zie de kwijtingsresolutie voor 2007, paragraaf 83).

Tot slot heeft de Commissie de lidstaten meegedeeld dat, als hun certificerende instanties een nieuwe representatieve steekproef van transacties die het betaalorgaan ter plaatse heeft gecontroleerd, uitvoeren en op grond daarvan de betrouwbaarheid van hun controlestatistieken bevestigen, de Commissie zal aanvaarden dat het resulterende foutenpercentage het maximaal mogelijke risico vormt en dat eventuele financiële correcties voor het desbetreffende jaar dat niveau niet zullen overschrijden.

Validering van de inspectieresultaten van de betaalorganen

3.45.

De certificerende instanties wordt verzocht advies uit te brengen over de kwaliteit van de door de betaalorganen ter plaatse uitgevoerde controles en de compilatie van de inspectieresultaten te valideren. De Commissie benut de inspectieresultaten in haar jaarlijks activiteitenverslag om het percentage resterende fouten in de landbouwuitgaven te beoordelen.

 

3.46.

De richtsnoeren van de Commissie laten de certificerende instanties de keuze of zij inspecties ter plaatse begeleiden of overdoen. Veruit de meeste certificerende instanties verkiezen de kwaliteit van de inspecties te valideren door de nationale inspecteurs te vergezellen in plaats van de inspecties over te doen. Op basis van haar ervaring is de Rekenkamer van oordeel dat de inspectiekwaliteit zou verbeteren als de certificerende instanties systematisch werden verplicht eerdere inspecties over te doen.

3.46.

Hoewel de Commissie het ermee eens is dat het tijdig herhalen van inspecties een beter houvast biedt voor de beoordeling van de kwaliteit van inspecties ter plaatse, blijft zij van mening dat de controleomgeving kan worden beoordeeld aan de hand van inspecties die worden begeleid door de certificerende instanties. In sommige gevallen is het onmogelijk een inspectie tijdig te herhalen. Deze beperkingen zijn inherent aan tal van ex-postinspecties die door externe auditoren worden uitgevoerd. Begeleide inspecties zijn dan een goed alternatief. Zij hebben het extra voordeel dat de administratieve last voor de landbouwer wordt beperkt omdat een opeenstapeling van controles wordt voorkomen.

Uit een analyse van de verslagen van de certificerende instanties betreffende het begrotingsjaar 2010 blijkt dat de certificerende instanties betrokken waren bij circa 3 000 inspecties. In de gevallen waarin de certificerende instanties de vereiste inspecties hebben gecontroleerd, werden de inspecties in 24 % van de gevallen herhaald en in 45 % van de gevallen begeleid, terwijl in 12 % van de gevallen beide benaderingen werden gebruikt. In nog eens 19 % van de gevallen maakten de certificerende instanties geen expliciet onderscheid tussen beide methoden.

3.47.

Hoewel de herhaling door de Rekenkamer van in Bulgarije, Roemenië, Griekenland en Nederland (37) verrichte ELGF-areaalinspecties wees op zwakke punten wat betreft de kwaliteit van de nationale inspecties, werd deze in de rapporten van de respectieve certificerende instanties goed (38) of tenminste voldoende (39) genoemd.

3.47.

In het geval van Bulgarije, Roemenië en Nederland was het financiële effect van de zwakke punten in de door de betaalorganen uitgevoerde inspecties niet materieel en werden deze inspecties door de certificerende instantie overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie derhalve terecht als goed of toereikend beoordeeld.

Met betrekking tot Griekenland merkt de Commissie op dat de certificerende instantie in haar verslag over het begrotingsjaar 2010 bepaalde elementen van de controles ter plaatse als zwak en andere als adequaat heeft beoordeeld.

3.48.

Bovendien schrijft de EU-regelgeving voor dat de certificerende instanties operationeel onafhankelijk moeten zijn van de betaalorganen om mogelijke belangenconflicten te vermijden. Terwijl de meeste lidstaten de certificeringsfunctie hebben toegewezen aan de nationale controle-instantie, een particulier accountantskantoor of de interne auditdienst van het ministerie van financiën, heeft Nederland deze functie toegewezen aan de interne auditdienst van het Ministerie van Landbouw, die de Rekenkamer niet onafhankelijk acht van de instanties die het GLB uitvoeren.

3.48.

De Commissie zal hier samen met de Nederlandse autoriteiten opvolging aan geven om de operationele onafhankelijkheid van de certificerende instantie te versterken. De Commissie merkt echter op dat de Rekenkamer niets heeft vastgesteld dat erop wijst dat het onafhankelijkheidsrisico realiteit is geworden.

De beleidsterreinen Milieu, Maritieme zaken en visserij, en Gezondheidszorg en consumentenbescherming

3.49.

Milieu, Maritieme zaken en visserij en Gezondheidszorg en consumentenbescherming worden door de Commissie beheerd met behulp van specifieke controlesystemen. De controle had betrekking op het internecontrolesysteem van DG ENV.

 

Het internecontrolesysteem van DG ENV

3.50.

Dertig aselect gekozen betalingen die waren gefinancierd uit het programma LIFE+ werden getoetst. Uit de controle bleek dat essentiële controles onvoldoende waren gedocumenteerd, met het risico dat die controles niet werden uitgevoerd. Bovendien waren de verificaties van de gedeclareerde kosten in bepaalde gevallen niet behoorlijk gedocumenteerd.

3.50.

Elke financiële en technische functionaris erkent door het ondertekenen van de transacties dat de noodzakelijke controles onder zijn of haar verantwoordelijkheid zijn uitgevoerd. Een aantal notities voor de dossiers, de uitwisseling van e-mails en handgeschreven notities laten zien dat de dossiers zijn gecontroleerd. De Commissie beschouwt haar internecontrolesysteem als betrouwbaar, maar zal de documentatie van enkele essentiële controles verder verbeteren.

3.51.

Drie van de dertig getoetste betalingen betroffen door de OESO toegekende subsidies. DG Milieu controleerde de bewijsstukken voor de gemaakte kosten niet en achtte deze kosten subsidiabel, louter op grond van hun beschrijving in het eindverslag. Dat eindverslag bevatte echter onvoldoende informatie om te kunnen bepalen of die kosten werkelijk waren gemaakt en of ze subsidiabel waren.

3.51.

De boekhoud-, internecontrole-, audit- en aanbestedingsprocedures van de OESO zijn door de Commissie gecontroleerd in het kader van artikel 53 quinquies van het Financieel Reglement en bieden garanties die overeenkomen met internationaal aanvaarde normen. Het eindverslag werd aanvaardbaar geacht, rekening houdend met de specifieke controleregelingen die zijn vastgelegd in de kaderovereenkomst van 2006 tussen de Commissie en de OESO.

BETROUWBAARHEID VAN DE „MANAGEMENT REPRESENTATIONS” VAN DE COMMISSIE

3.52.

De resultaten van de beoordeling van de „management representations” van de Commissie, met name de jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV) en de verklaringen van de directeuren-generaal voor de DG’s AGRI, CLIMA, ENV, MARE en SANCO van de Commissie, zijn samengevat in bijlage 3.3 .

3.52.

In deze bijlage verklaart de Rekenkamer dat het DG ENV een voorbehoud heeft opgeheven op basis van onbewezen veronderstellingen. Het DG ENV is van mening dat zijn oordeel is gebaseerd op de analyse van vier jaar van op risico's gebaseerde audits en vertrouwt erop dat deze analyse een deugdelijke basis vormt voor de berekening van het foutenpercentage en het opheffen van het voorbehoud. Ook achtte de Commissie het niet nodig om een voorbehoud te maken voor het DG SANCO, aangezien het resterende foutenpercentage na correctie van de gedetecteerde fouten lager was dan 2 %.

Het DG MARE trok een voorbehoud in, ofschoon de lidstaat de correctie niet volledig accepteerde omdat de afsluiting van het betrokken programma nog loopt en de Commissie de noodzakelijke (volledige) financiële correctie zal toepassen tijdens de afsluiting van de rekeningen. In deze omstandigheden achtte het DG MARE het passend om het voorbehoud niet te handhaven.

Dit zijn beheerbesluiten die worden genomen na een zorgvuldige afweging van de omstandigheden en een risicobeoordeling die de meest betrouwbare basis voor de betrouwbaarheidsverklaring biedt.

3.53.

In het JAV 2009 van DG AGRI werd een voorbehoud gemaakt met betrekking tot de uitgaven voor maatregelen voor plattelandsontwikkeling van as 2 (verbetering van het milieu en het platteland). De directeur-generaal achtte het niet noodzakelijk dit voorbehoud te herhalen in het JAV 2010. De Rekenkamer is van oordeel dat het intrekken van dit voorbehoud niet gerechtvaardigd was (zie bijlage 3.3 .).

3.53.

Het voorbehoud in de jaarlijkse activiteitenverslagen voor 2008 en 2009 van het DG AGRI met betrekking tot de uitgaven voor plattelandsontwikkelingsmaatregelen in het kader van as 2 werd gerechtvaardigd door het feit dat de controlestatistieken van de lidstaten voor deze maatregelen een foutenpercentage lieten zien dat aanmerkelijk hoger lag dan de materialiteitsdrempel van 2 % die momenteel door de Rekenkamer wordt gebruikt, wat op zijn beurt de reden was voor het feit dat het foutenpercentage voor de uitgaven voor plattelandsontwikkeling als geheel, dat volgens de geldende instructies van de Commissie voor het maken van een voorbehoud de basis vormt voor het beoordelen van de materialiteit van fouten, ook boven het niveau van 2 % bleef.

In 2010 is de kwaliteit en betrouwbaarheid van deze controlestatistieken en de mate van kwantificatie van de geconstateerde en gerapporteerde fouten aanmerkelijk verbeterd. Deze verbeteringen stelden het DG AGRI in staat om het resterende foutenpercentage voor plattelandsontwikkeling als geheel nauwkeuriger te berekenen dan in eerdere jaren, toen het DG onvoldoende zekerheid had dat de lidstaten hun statistieken met de nodige zorgvuldigheid hadden samengesteld, door nu van dezelfde methode gebruik te maken als die welke wordt gebruikt voor de uitgaven uit het ELGF. Op basis van deze aanpak lag het resterende foutenpercentage voor plattelandsontwikkeling als geheel onder de materialiteitsdrempel van 2 %.  (40).

Bovendien was het in het voorbehoud van eerdere jaren uiteengezette actieplan voltooid en werden de gerapporteerde foutenpercentages, enkele uitzonderingen daargelaten, als aanvaardbaar beschouwd. Verdere verlagingen van het foutenpercentage konden alleen worden gerealiseerd door het aantal controles ter plaatse te verhogen, hetgeen niet kosteneffectief zou zijn geweest.

Tot slot merkt de Commissie met betrekking tot de hoge foutenpercentages voor Bulgarije en Roemenië betreffende maatregelen in het kader van as 2, op dat de relevante uitgaven voor deze twee lidstaten onder het voorbehoud voor het GBCS vielen. Evenzo had het nieuwe voorbehoud voor Portugal vanwege de ernstige tekortkomingen in het GBCS van dat land ook betrekking op de uitgaven in het kader van as 2.

3.54.

Evenals in 2009 vindt DG AGRI dat de anomalieën die de nationale inspecteurs tijdens aselecte inspecties ter plaatse aantreffen overeenkomen met het restfoutenpercentage voor de betrokken steunregeling. De Rekenkamer handhaaft haar opmerking uit haar Jaarverslag 2009 dat zij niet kan instemmen met deze aanpak, die de volgende gebreken vertoont:

hij steunt op inspecties die blijkens de controles van de Commissie zelf en van de Rekenkamer bij verscheidene betaalorganen onvoldoende kwaliteit hebben;

hij vertrouwt op statistieken waarvan de Commissie reeds weet dat ze niet correct zijn opgesteld, en

hij is onvolledig omdat geen rekening wordt gehouden met restfouten in het administratieve beheer van de aanvragen die gebreken bleken te bevatten.

3.54.

De controlestatistieken van de lidstaten worden in belangrijke mate geverifieerd en gevalideerd door de certificerende instanties, hetgeen door de Rekenkamer in een aanbeveling in zijn jaarverslag 2005 als optie was genoemd, en de resultaten van deze werkzaamheden worden bekendgemaakt in het jaarlijkse activiteitenverslag van het DG AGRI.

Om het risico te beperken dat de foutenpercentages die uit deze controlestatistieken resulteren lager zijn dan de werkelijke foutenpercentages, vanwege de door de Rekenkamer genoemde onnauwkeurigheden in de databanken of ontoereikende follow-up van anomalieën, heeft het DG AGRI een veiligheidsmarge van een toename met 25 % toegepast, die het DG grotendeels voldoende acht om de door de Commissie genoemde risico's af te dekken. Zelfs met een dergelijke toename liggen de resterende foutenpercentages voor directe steun-, marktinterventie- en plattelandsontwikkelingsmaatregelen nog steeds ver onder het niveau van 2 %.

Bovendien bevestigen de resultaten van de eigen audits van de Rekenkamer voor de eerste pijler, en met name de directe betalingen waarop het GBCS betrekking heeft, een foutenpercentage dat ruim onder de materialiteitsdrempel van 2 % ligt, hetgeen de resultaten van de controlestatistieken ondersteunt en laat zien dat de toezicht- en controlesystemen efficiënt functioneren.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Conclusies

3.55.

Op basis van haar controlewerk concludeert de Rekenkamer dat de betalingen over het per 31 december 2010 afgesloten jaar voor Landbouw en natuurlijke hulpbronnen materiële fouten vertonen. Betalingen in het kader van het GBCS vertoonden daarentegen geen materiële fouten.

3.55.

De conclusie van de Rekenkamer met betrekking tot de beleidsgroep Landbouw en natuurlijke hulpbronnen bevestigt de positieve trend dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage de afgelopen jaren dicht bij de materialiteitsdrempel van 2 % ligt. Voorts merkt de Commissie op dat voor de uitgaven van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), die in 2010 77 % van de totale uitgaven binnen dit hoofdstuk vertegenwoordigden, het meest waarschijnlijke foutenpercentage ruim onder de materialiteitsdrempel ligt en dat het foutenpercentage voor de directe betalingen die onder het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) vallen, zelfs nog lager is.

Bovendien wordt het risico voor de EU-begroting door de conformiteitsgoedkeuringsprocedure op adequate wijze afgedekt.

3.56.

Op basis van haar controlewerk concludeert de Rekenkamer dat de gecontroleerde toezicht- en controlesystemen voor Landbouw en natuurlijke hulpbronnen gedeeltelijk doeltreffend zijn geweest in het waarborgen van de regelmatigheid van de betalingen.

3.56.

De Commissie beschouwt het GBCS als een doorgaans efficiënt controlesysteem waarmee het risico op fouten of onregelmatige uitgaven kan worden beperkt.

Met betrekking tot plattelandsontwikkeling is de Commissie van mening dat de toezicht- en controlesystemen voortdurend verbeteren en dat als gevolg daarvan het foutenpercentage op dit gebied afneemt.

Aanbevelingen

3.57.

Bijlage 3.4 toont het resultaat van de beoordeling door de Rekenkamer van de vooruitgang bij de uitvoering van haar in voorgaande jaarverslagen gedane aanbevelingen (2008 en 2009). Daarbij valt het volgende op te merken:

3.57.

De Commissie heeft belangrijke corrigerende maatregelen getroffen wat betreft de vereenvoudiging van de maatregelen voor plattelandsontwikkeling en de betrouwbaarheid en volledigheid van de informatie in het LPIS.

In de afgelopen vier jaar hebben de Commissie en de lidstaten een actieplan ten uitvoer gelegd dat ten doel had om voor een betere controleerbaarheid van de agromilieumaatregelen te zorgen en dat tot een lager foutenpercentage heeft geleid. Voor de huidige programmeringsperiode zijn vereenvoudigingsinitiatieven genomen en de Commissie zal hier in de toekomst, bij de hervorming van het GLB na 2013, mee doorgaan. Het is evenwel duidelijk dat het juiste evenwicht moet worden gevonden tussen beleidsdoelen, administratieve kosten en het risico van fouten.

Met ingang van het aanvraagjaar 2010 zijn de lidstaten verplicht om de kwaliteit van hun LPIS te beoordelen. Hoewel 2010 het eerste jaar is waarvoor die verplichting geldt, heeft dit de lidstaten al geholpen bij het vaststellen van gebieden die aandacht behoeven.

Met betrekking tot de aanbevelingen dat de minimumeisen inzake jaarlijks onderhoud van grasland op EU-niveau moeten worden vastgesteld en dat de EU-regelgeving moet uitsluiten dat rechtstreekse steun wordt betaald aan aanvragers die hun grond niet gebruiken voor landbouwdoeleinden noch het in GLMC houden, is het zo dat deze kwesties in de nieuwe verordening van de Raad aan de lidstaten worden overgelaten.

Het huidige systeem omvat een gemeenschappelijk rechtskader waarbinnen de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van de onderhoudscriteria in het kader van de verplichting om landbouwgrond in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) te houden. Op die manier is ruimte gecreëerd voor de diversiteit aan landbouwgebieden en -tradities in de EU.

De door de Rekenkamer aangehaalde kwestie van de omschrijving van wie als landbouwer wordt beschouwd, is behandeld in het kader van de gezondheidscontrole. De lidstaten hebben toen de mogelijkheid gekregen natuurlijke personen en rechtspersonen wier ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is of wier landbouwactiviteiten onaanzienlijk zijn, van de rechtstreeksebetalingsregelingen uit te sluiten (artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009).

Over gerichte steun aan actieve landbouwers, zoals wordt opgemerkt in de mededeling van de Commissie over het GLB tot 2020, kan verder worden nagedacht in het kader van de hervorming van het GLB na 2013. Wel moet worden voorkomen dat gecompliceerde voorschriften worden opgesteld die uitmonden in een ingewikkeld controlesysteem dat hoge uitvoeringskosten met zich brengt en haaks staat op de vereenvoudigingsdoelstellingen van de Commissie.

3.58.

Op grond van deze beoordeling en de bevindingen en conclusies voor 2010 beveelt de Rekenkamer aan dat de Commissie passende maatregelen treft om ervoor te zorgen dat

3.58.

a)

orthofotografie verplicht wordt gesteld en dat het LPIS regelmatig wordt bijgewerkt op basis van nieuwe ortho-opnamen (zie paragraaf 3.31);

a)

Het punt van de regelmatige actualisering van het LPIS wordt in aanmerking genomen in de nieuw ingevoerde verplichte kwaliteitsbeoordeling van het LPIS. In het kader van de hervorming van het GLB na 2013 wordt overwogen om het gebruik van orthofoto's verplicht te stellen.

b)

de betaalorganen de vastgestelde tekortkomingen verhelpen waar is gebleken dat de controlesystemen en GBCS-databases tekortschieten (zie de paragrafen 3.23 – 3.25);

b)

De Commissie werkt samen met de lidstaten aan een voortdurende verbetering van de toezicht- en controlesystemen. In dit verband worden in het kader van de normale audits aanbevelingen gedaan, en de lidstaten met ernstige problemen ontwikkelen actieplannen en voeren deze uit. De Commissie is van mening dat deze plannen succesvol zijn.

Bovendien zijn de lidstaten met ingang van het aanvraagjaar 2010 verplicht om de kwaliteit van hun LPIS te beoordelen. Hoewel 2010 het eerste jaar is waarvoor die verplichting geldt, heeft dit de lidstaten al geholpen bij het vaststellen van gebieden die aandacht behoeven.

De resterende zwakheden worden opgevolgd door middel van conformiteitsgoedkeuringsprocedures om de financiële belangen van de EU te beschermen.

c)

de inspecties ter plaatse de nodige kwaliteit hebben om op betrouwbare wijze de subsidiabele oppervlakte te kunnen bepalen (zie de paragrafen 3.38 en 3.39);

c)

Wanneer de Commissie dergelijke zwakheden constateert, worden aanbevelingen voor rectificatie gedaan aan de lidstaten en financiële correcties opgelegd in het kader van conformiteitsgoedkeuringsprocedures om de financiële belangen van de EU te beschermen.

d)

de kwaliteit van de inspecties naar behoren wordt gecontroleerd en gerapporteerd door de certificerende instanties (zie de paragrafen 3.46 en 3.47).

d)

De Commissie beschouwt de algehele structuur van en de verslagleggingsvoorschriften voor de evaluatie van controles ter plaatse door de certificerende instanties als passend (zie ook het antwoord op de punten 3.46 en 3.47). Dientengevolge zijn voor het begrotingsjaar 2011 geen wijzigingen in de richtsnoeren voor de certificerende instanties voorzien. De Commissie zal de kwaliteit van de werkzaamheden van de certificerende instanties echter nauwlettend blijven volgen.

3.59.

Op het gebied van plattelandsontwikkeling geeft de Rekenkamer de Commissie en de lidstaten de aanbeveling, de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, met name door de doeltreffendheid te verbeteren van de controles die worden verricht voor niet-GBCS-maatregelen.

3.59.

De Commissie is van mening dat er veel vooruitgang is geboekt bij het verbeteren van de beheers- en controlesystemen voor plattelandsontwikkeling en dat dit wordt bevestigd door de aanhoudend dalende trend in de foutenpercentages, met name voor de niet-GBCS-maatregelen, waarvoor het foutenpercentage voor 2010 volgens de controlestatistieken van de lidstaten ver onder de materialiteitsdrempel van 2 % ligt.

3.60.

Ten slotte moeten de Commissie en de lidstaten doeltreffende maatregelen nemen om de vastgestelde problemen op de beleidsterreinen milieu, visserij en gezondheidszorg en consumentenbescherming te verhelpen.

3.60.

De Commissie zal de door de Rekenkamer vastgestelde fouten onderzoeken om te bepalen of ze het gevolg zijn van zwakheden in het systeem, en zij zal, indien dat het geval is maatregelen nemen om ze te herstellen. Daarnaast zal de Commissie er bij voorstellen voor nieuwe uitgavenprogramma's naar streven om de regels te vereenvoudigen met behoud van een passend controleniveau. Het doel is om potentiële begunstigden aan te moedigen financiële steun van de EU aan te vragen en om het aantal fouten en de administratieve lasten voor de begunstigden, de Commissie en de lidstaten te verminderen. In het kader van het gedeeld beheer zullen de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de subsidiabiliteitsregels duidelijk en eenvoudig zijn en doeltreffend worden gecontroleerd teneinde de foutenpercentages te verlagen.

(1)  Artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(2)  Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1).

(3)  Met uitzondering van bepaalde maatregelen, zoals verkoopbevorderende maatregelen en de schoolfruitregeling, die worden gecofinancierd.

(4)  Het aantal en de waarde van de toeslagrechten van elke landbouwer werden door de nationale autoriteiten berekend volgens een van de modellen waarin de EU-wetgeving voorziet. Volgens het historisch model krijgt elke landbouwer rechten op basis van de gemiddelde hoeveelheid ontvangen steun en bebouwde grond gedurende de referentieperiode 2000 - 2002. In het regionale model hebben alle rechten in een regio dezelfde forfaitaire waarde en wordt de landbouwer een recht toegewezen voor elke subsidiabele hectare die in het jaar van de eerste aanvraag is opgegeven. Het hybride model combineert het historisch element met een forfaitair bedrag, en indien het een dynamisch model is, neemt de historische component elk jaar af tot het systeem hoofdzakelijk forfaitair is geworden.

(5)  Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië en Slowakije.

(6)  Dit bedrag omvat zowel uitgaven voor de vorige programmeringsperiode als uitgaven voor pretoetredingsinstrumenten.

(7)  Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 30 van 31.1.2009, blz.16).

(8)  Terwijl de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 73/2009 omschreven GLMC-normen in alle lidstaten van toepassing zijn, zijn de in bijlage II bij die verordening vermelde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen slechts in de EU-15 bindend. Voor de EU-10 worden deze eisen tussen 2009 en 2013 geleidelijk ingevoerd, voor de EU-2 gebeurt dat tussen 2012 en 2014.

(9)  Volgens de artikelen 66 en 67 van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie (PB L 141 van 30.4.2004, blz. 18) bedraagt de korting per niet nagekomen beheerseis of GLMC-verplichting tussen 1 en 5 % bij nalatigheid en kan de steun geheel worden geweigerd in het geval van opzettelijke niet-naleving.

(10)  Zie artikel 1 en artikel 2, onder a) en c), van Verordening (EG) nr. 73/2009.

(11)  Aantal betaalorganen: 82 aan het begin van het begrotingsjaar 2010, 81 aan het einde van het begrotingsjaar 2010 (Bron: JAV DG AGRI, blz. 32).

(12)  Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 9.6.2007, blz. 1).

(13)  Het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) is voor de lopende programmeringsperiode (2007-2013) vervangen door het EVF — Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad (PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1).

(14)  Dit bedrag omvat uitgaven voor vorige programmeringsperioden, vooral in het kader van het FIOV.

(15)  Herschikt voor andere programma’s door middel van een globale overschrijving van kredieten.

(16)  Bij haar schatting van het foutenpercentage vermenigvuldigde de Rekenkamer de resultaten van de Nederlandse en Tsjechische steekproeven van verrichtingen met een bepaalde factor die aangeeft welk deel van de uitgaven respectievelijk in Nederland en Tsjechië werd gedaan.

(17)  De Rekenkamer berekent haar schatting van het foutenpercentage op basis van een representatieve statistische steekproef. Het genoemde cijfer is de beste schatting (bekend als „meest waarschijnlijk foutenpercentage”). De Rekenkamer heeft 95 % zekerheid dat het foutenpercentage in de populatie tussen 0,8 % en 3,8 % ligt (de onderste, respectievelijk de bovenste foutengrens).

(18)  In de huidige aanpak van de Rekenkamer behoorden deze voorschotbetalingen niet tot de populatie van de steekproef. Hoewel ze onregelmatig zijn, hebben deze betalingen geen belang voor de vraag of de correcte bedragen zijn betaald aan de eindbegunstigden.

(19)  Dit bedrag maakt deel uit van de totale betaling aan deze lidstaat ten belope van 21,6 miljoen euro voor een totale hoeveelheid interventieboter van 9 894 ton.

(20)  Inschrijvers worden uitgenodigd een bod te doen voor de levering van een product in ruil voor boter uit interventieopslag.

(21)  Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1111/2009 van de Commissie.

(22)  Overweging (7) van Verordening (EG) nr. 1111/2009.

(23)  Het ten laste van de EU-begroting komende bedrag voor het vervoer van 9 894 ton boter beliep in totaal 0,9 miljoen euro.

(24)  In haar speciaal verslag nr. 6/2009 over EU-voedselhulp voor de behoeftigen stelde de Rekenkamer reeds dat ruilregelingen met gebruikmaking van interventievoorraden ongeschikt waren, niet altijd garant stonden voor transparantie, niet altijd kosteneffectief waren en moesten worden stopgezet.

(25)  Verordening (EG) nr. 73/2009 en Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie (PB L 316 van 2.12.2009, blz. 65).

(26)  Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (PB L 368 van 23.12.2006, blz. 74).

(27)  Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 en artikel 24 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

(28)  Artikel 17 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bepaalt dat het systeem voor de landbouwpercelen wordt opgezet op basis van kaarten of kadastrale documenten of andere cartografische gegevens. Daarbij wordt gebruikgemaakt van technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem, bij voorkeur inclusief orthobeelden van lucht- of satellietopnamen, met een homogene norm die een precisie waarborgt die ten minste overeenkomt met die van kaarten op schaal 1:10 000.

(29)  Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie (PB L 316 van 2.12.2009, blz. 1) bepaalt dat blijvend grasland grond is met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen. Dat betekent dat grond zonder begroeiing met grassen of kruidachtige voedergewassen, bijvoorbeeld bossen, rotsen, vijvers en paden, geen deel uitmaakt van het gebied van blijvend grasland en dus niet meetelt als subsidiabel terrein als bedoeld in artikel 34, lid 2, en artikel 2, onder h), van Verordening (EG) nr. 73/2009.

(30)  Deze tekortkomingen hadden in Nederland slechts een beperkte impact en de Nederlandse instanties hebben vanaf aanvraagjaar 2010 passende corrigerende maatregelen getroffen.

(31)  Voor de plattelandsontwikkelingsmaatregelen in de programmeringsperiode 2007-2013 zijn gedetailleerde vereisten met betrekking tot administratieve controles gesteld bij Verordening (EG) nr. 1975/2006.

(32)  Bedoeld in titel II van Verordening (EG) nr. 1975/2006.

(33)  Artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 en artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1122/2009.

(34)  Speciaal verslag nr. 8/2011.

(35)  Op maandelijkse basis voor het ELGF en op kwartaalbasis voor het ELFPO.

(36)  Speciaal verslag nr. 7/2010.

(37)  Zie voorbeeld 3.4.

(38)  Griekenland en Nederland.

(39)  Bulgarije en Roemenië.

(40)  De berekening is gebaseerd op de informatie die door alle lidstaten is verstrekt, met uitzondering van Cyprus en Portugal, die niet in staat waren om te voldoen aan de nieuwe verslagleggingsregels voor de financieel belangrijke agromilieumaatregelen. Maar zelfs als deze twee lidstaten een hoger dan gemiddeld foutenpercentage zouden hebben, zou het effect daarvan naar alle waarschijnlijkheid niet leiden tot een verhoging van het restfoutenpercentage voor plattelandsontwikkeling als geheel tot boven de materialiteitsdrempel van 2 %.

(41)  Over de controle van de administratieve uitgaven wordt gerapporteerd in hoofdstuk 7.

Bron: Jaarrekening 2010 van de Europese Unie.

BIJLAGE 3.1

RESULTATEN VAN DE TOETSING VAN VERRICHTINGEN VOOR LANDBOUW

 

2010

2009

2008

2007

ELGF

Pl. ontw.

SANCO, ENV, MARE

Totaal

OMVANG EN STRUCTUUR VAN DE STEEKPROEF (1)

Totaal verrichtingen (waarvan):

146

80

12

238

241

204

196

Voorschotten

0

0

0

0

0

0

0

Tussentijdse/saldobetalingen

146

80

12

238

241

204

196

RESULTATEN VAN DE TOETSING (1)  (2)  (3)

Deel van de getoetste verrichtingen:

Zonder fouten

73 %

(107)

50 %

(40)

33 %

(4)

63 %

(151)

73 %

68 %

69 %

Met één of meer fouten

27 %

(39)

50 %

(40)

67 %

(8)

37 %

(87)

27 %

32 %

31 %

Analyse van verrichtingen met fouten

Analyse per soort uitgave

Voorschotten

0 %

(0)

0 %

(0)

0 %

(0)

0 %

(0)

0 %

0 %

0 %

Tussentijdse/saldobetalingen

100 %

(39)

100 %

(40)

100 %

(8)

100 %

(87)

100 %

100 %

100 %

Analyse per soort fout

Niet-kwantificeerbare fouten

26 %

(10)

48 %

(19)

50 %

(4)

38 %

(33)

36 %

32 %

36 %

Kwantificeerbare fouten

74 %

(29)

52 %

(21)

50 %

(4)

62 %

(54)

64 %

68 %

64 %

Subsidiabiliteit

3 %

(1)

48 %

(10)

100 %

(4)

28 %

(15)

17 %

20 %

36 %

Realiteit

0 %

(0)

0 %

(0)

0 %

(0)

0 %

(0)

2 %

2 %

3 %

Juistheid

97 %

(28)

52 %

(11)

0 %

(0)

72 %

(39)

81 %

78 %

61 %

GESCHATTE IMPACT VAN KWANTIFICEERBARE FOUTEN (4)

Meest waarschijnlijke foutenpercentage

2,3 %

 

 

 

Onderste foutengrens

0,8 %

 

 

 

Bovenste foutengrens

3,8 %

 

 

 


(1)  Deze delen van de tabel betreffen alleen de steekproef waarvan sprake is in paragraaf 3.16, eerste streepje, exclusief de verrichtingen die werden onderzocht in het kader van de gecoördineerde controles.

(2)  Ter verbetering van het inzicht in de terreinen met verschillende risicoprofielen binnen de beleidsgroep werd de steekproef opgesplitst in segmenten.

(3)  De tussen haakjes geplaatste getallen tonen het werkelijke aantal verrichtingen.

(4)  De resultaten van het onderzoek van de verrichtingen die werden bekeken in het kader van de gecoördineerde controles zijn meegenomen in de berekening van het foutenpercentage.

BIJLAGE 3.2

RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK VAN SYSTEMEN VOOR LANDBOUW EN NATUURLIJKE HULPBRONNEN

3.2.1.   Beoordeling van geselecteerde toezicht- en controlesystemen (GBCS) — ELGF

Lidstaat

(betaalorgaan)

Regeling

Uitgaven i.v.m. GBCS

(= nationaal maximum — Bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 73/2009)

(1 000 euro)

Administratieve procedures en controles om correcte betaling te verzekeren, met inbegrip van de kwaliteit van databases

Methodologie voor controles ter plaatse, selectie, uitvoering, kwaliteitscontrole en rapportage over afzonderlijke resultaten

Tenuitvoerlegging en controle van GLMC/„cross compliance”

Algehele beoordeling

Duitsland

(Nedersaksen)

BTR

5 770 254

Doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

C

Gedeeltelijk doeltreffend

b

Doeltreffend

Duitsland

(Saksen)

BTR

5 770 254

Doeltreffend

Doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

b

Doeltreffend

Spanje

(Castilla La Mancha)

BTR

4 858 043

Gedeeltelijk doeltreffend

1, 2, 3, 4

Gedeeltelijk doeltreffend

A, B

Doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

Spanje

(Extremadura)

BTR

4 858 043

Gedeeltelijk doeltreffend

1, 4, 5, 6

Gedeeltelijk doeltreffend

C

Gedeeltelijk doeltreffend

a

Gedeeltelijk doeltreffend

Verenigd Koninkrijk

(Wales)

BTR

3 985 895

Doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

B, D

Gedeeltelijk doeltreffend

b

Doeltreffend

Nederland

BTR

853 090

Doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

D

Gedeeltelijk doeltreffend

a

Doeltreffend

N.B. De algehele beoordeling kan niet beter zijn dan de beoordeling van de administratieve procedures en controles.

1

Niet-subsidiabele terreinen voor blijvend grasland bedekt met dichte bebossing zijn niet op betrouwbare wijze vastgesteld.

2

Sancties voor te hoge opgaven niet correct toegepast.

3

Sancties voor te lage opgave niet correct toegepast.

4

Onjuiste behandeling van aanvraagwijzigingen.

5

LPIS niet correct bijgewerkt na controles ter plaatse.

6

Begrip kennelijke fout niet correct toegepast.

A

De indeling van de gecontroleerde populatie op basis van risicoanalyse of van willekeurige selectie in de controlestatistieken gebeurt achteraf.

B

Snelle bezoeken ter plaatse worden behandeld als controles ter plaatse.

C

De subsidiabele oppervlakte voor een gewasgroep is niet correct vastgesteld.

D

Controles ter plaatse van ontoereikende kwaliteit.

a

Onvoldoende nationale GLMC-eisen voor grasland en grasland van slechte kwaliteit.

b

Ontoereikende eisen voor onderhoud van uit productie genomen grond.


3.2.2.   Beoordeling van geselecteerde toezicht- en controlesystemen — plattelandsontwikkeling

Lidstaat

(betaalorgaan)

Administratieve procedures en controles om correcte betaling te verzekeren, met inbegrip van de kwaliteit van databases

Methodologie voor controles ter plaatse, selectie, uitvoering, kwaliteitscontrole en rapportage over afzonderlijke resultaten

Tenuitvoerlegging en controle van GLMC/„cross compliance”

Algehele beoordeling

Frankrijk

Niet doeltreffend

1, 2, 3

Gedeeltelijk doeltreffend

A, B, C

Gedeeltelijk doeltreffend

c

Niet doeltreffend

Duitsland

(Mecklenburg-Vorpommern)

Doeltreffend

Doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

b

Doeltreffend

Italië

(Toscane)

Gedeeltelijk doeltreffend

2, 3

Gedeeltelijk doeltreffend

A, B, C

Gedeeltelijk doeltreffend

a

Gedeeltelijk doeltreffend

Letland

Niet doeltreffend

2, 3, 4

Doeltreffend

Doeltreffend

d

Niet doeltreffend

Polen

Gedeeltelijk doeltreffend

2, 3, 4

Doeltreffend

B

Gedeeltelijk doeltreffend

b

Gedeeltelijk doeltreffend

Portugal

Gedeeltelijk doeltreffend

3, 4

Gedeeltelijk doeltreffend

B, C, D

Gedeeltelijk doeltreffend

a

Gedeeltelijk doeltreffend

Roemenië

Gedeeltelijk doeltreffend

2, 3, 4

Gedeeltelijk doeltreffend

3, C

Doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

VK (Schotland)

Gedeeltelijk doeltreffend

1

Gedeeltelijk doeltreffend

1, C, D

Gedeeltelijk doeltreffend

1, c, d

Gedeeltelijk doeltreffend

Tsjechië

Gedeeltelijk doeltreffend

2, 3, 5

Gedeeltelijk doeltreffend

C, E, a

Gedeeltelijk doeltreffend

a, c, e, E

Gedeeltelijk doeltreffend

1

Betalingen vóór de voltooiing van de verplichte controles.

2

Onjuiste regels, berekeningen en betalingen (te veel betaald, tolerantieregels, niet-subsidiabele uitgaven, kortingen).

3

Ontbrekend bewijs, gebreken en ondoeltreffende controles inzake subsidiabiliteitsvoorwaarden en verplichtingen.

4

Geen geschikt systeem om de redelijkheid van de voorgestelde kosten te beoordelen.

5

Gebreken in de administratieve controles van geheel of gedeeltelijk ingetrokken steunaanvragen.

A

Geen beoordeling van de resultaten van controles ter plaatse en geen verruiming van de steekproef van te controleren begunstigden.

B

Gebreken in de selectiemethodologie en veronachtzaming van het voorgeschreven minimumpercentage voor controles ter plaatse.

C

Gebreken betreffende de kwaliteit van de verrichte controles ter plaatse en de controles achteraf.

D

Vertragingen en incoherenties in de aan de Commissie gemelde statistieken en controleresultaten.

E

Sanctieregels stemmen niet overeen met de EU-regelgeving.

a

Controles verricht met vertraging en niet gespreid over het jaar.

b

Veronachtzaming van de identificatie en registratie van dieren en niet-naleving van de verplichting tot kennisgeving.

c

Geen evaluatie van geconstateerde overtredingen en incoherenties in de onderzochte controleverslagen.

d

Vereist controleniveau voor beheerseis 7 niet bereikt en verschillen in de statistieken betreffende de controles van de randvoorwaarden.

e

Ontoereikende nationale GLMC-normen.


Algehele beoordeling van toezicht- en controlesystemen

Algehele beoordeling

2010

2009

2008

2007

Gedeeltelijk doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

Gedeeltelijk doeltreffend

BIJLAGE 3.3

RESULTATEN VAN DE BEOORDELING VAN DE „MANAGEMENT REPRESENTATIONS” VAN DE COMMISSIE VOOR LANDBOUW EN NATUURLIJKE HULPBRONNEN

Belangrijkste betrokken DG's

Aard van de door de directeur-generaal afgegeven verklaring (1)

Punten van voorbehoud

Opmerkingen van de Rekenkamer

Algehele beoordeling van de betrouwbaarheid

2010

2009

DG AGRI

met punten van voorbehoud

Ernstige tekortkomingen in het GBCS in Bulgarije, Portugal en Roemenië

De handhaving van de punten van voorbehoud komt overeen met de bevindingen van de Rekenkamer in deze lidstaten.

De betrouwbaarheidsverklaring in het JAV 2009 van DG AGRI bevatte een voorbehoud inzake de uitgaven voor maatregelen voor plattelandsontwikkeling van as 2 (verbetering van het milieu en het platteland) van de programmeringsperiode 2007-2013. In het JAV 2010 heeft DG AGRI dit voorbehoud niet herhaald. De Rekenkamer is van oordeel dat dit voorbehoud gehandhaafd had moeten worden omdat:

a)

de methode van de Commissie voor de berekening van het foutenpercentage niet volledig doorzichtig was en steunde op een aantal keuzes. Andere keuzes zouden hebben geleid tot een foutenpercentage boven de drempel van 2 %;

b)

de gegevens die werden gebruikt voor de berekening van het foutenpercentage gebreken vertoonden en in sommige gevallen niet betrouwbaar waren; vooral de controlestatistieken van de lidstaten, die de basis vormden voor de berekening van het foutenpercentage, bleken onvoldoende kwaliteit te hebben.

B

B

DG CLIMA

met punten van voorbehoud

Voorbehoud vanwege eventuele reputatieschade wegens een ernstige inbreuk op de beveiliging van de nationale registers van het EU-systeem voor emissiehandel.

 

A

DG ENV

zonder voorbehoud

 

DG ENV handhaafde zijn voorbehoud niet, hoewel het foutenpercentage in de controles achteraf — dat in 2009 reden was voor het voorbehoud — was gestegen van 5,97 % tot 7,14 %. DG ENV rechtvaardigde dit met niet-bewijsbare veronderstellingen over het effect van de steekproefmethode op het foutpercentage.

B

DG MARE

met punten van voorbehoud

Beheers- en controlesystemen voor de operationele programma's van het FIOV in Duitsland — Doelstelling 1

DG MARE trok zijn voorbehoud betreffende Wales en de Valleys-streek in het VK in, hoewel de Britse instanties de correctie niet volledig hadden geaccepteerd.

B

B

DG SANCO

zonder voorbehoud

 

Hoewel controles van de Rekenkamer en van de DIA wezen op aanzienlijke gebreken, maakte DG SANCO geen voorbehoud.

B

A:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijkse activiteitenverslag geven een getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid.

B:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijkse activiteitenverslag geven een gedeeltelijk getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid.

C:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijkse activiteitenverslag geven geen getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid.


(1)  Blijkens de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal heeft hij/zij redelijke zekerheid dat de bestaande controleprocedures de nodige waarborgen bieden betreffende de regelmatigheid van de verrichtingen.

A:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijkse activiteitenverslag geven een getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid.

B:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijkse activiteitenverslag geven een gedeeltelijk getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid.

C:

de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijkse activiteitenverslag geven geen getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de regelmatigheid.

BIJLAGE 3.4

FOLLOW-UP VAN EERDERE AANBEVELINGEN BETREFFENDE LANDBOUW EN NATUURLIJKE HULPBRONNEN

Jaar

Aanbeveling van de Rekenkamer

Geboekte vooruitgang

Antwoord van de Commissie

Analyse van de Rekenkamer

2008 en 2009

De Rekenkamer beveelt aan de geconstateerde systeemgebreken te verhelpen. In dit verband moeten de volgende tekortkomingen met betrekking tot de BTR en de REAB het meest dringend worden aangepakt: (paragraaf 3.73 van JV 2009 (1))

 

 

 

a)

de systeemgebreken verhelpen die leiden tot fouten betreffende niet-subsidiabele grond of te hoge opgaven van grond of onjuiste rechten, met name door de betrouwbaarheid en volledigheid van de in het LPIS geregistreerde gegevens te verhogen (bijv. de meest recente orthofoto’s);

Verordening (EU) nr. 146/2010 van de Commissie schrijft voor dat de lidstaten vanaf aanvraagjaar 2010 jaarlijks de kwaliteit van hun LPIS beoordelen. Het resultaat van de beoordeling en eventuele corrigerende maatregelen moeten jaarlijks aan de Commissie worden gemeld.

Betreffende de betrouwbaarheid van de rechtendatabase bepaalt de nieuwe verordening dat de vóór 2009 toegewezen rechten vanaf aanvraagjaar 2010 wettig en regelmatig zullen worden geacht.

a)

De Commissie sluit zich aan bij de evaluatie van de Rekenkamer. De Commissie zal de resultaten de komende jaren blijven volgen.

Dit nieuwe voorschrift is een nuttige stap op weg naar een betere LPIS-kwaliteit in de lidstaten. De Rekenkamer zal in haar latere controles de uitvoering van deze verplichting blijven volgen.

De Rekenkamer is tevreden met de nieuwe bepaling, die juridische zekerheid biedt.

b)

ervoor zorgen dat alle GBCS-databases een betrouwbaar en volledig controlespoor verschaffen voor alle aangebrachte wijzigingen;

Geen vorderingen

b)

Als onderdeel van haar audits doet de Commissie aanbevelingen aan de lidstaten om de situatie permanent te verbeteren. In de loop der jaren laten de resultaten van de audits vooruitgang zien op het gebied van de kwaliteit van de informatie in de databanken.

 

c)

de regels verder verduidelijken en aanscherpen, zodat rechtstreekse EU-steun niet wordt betaald aan aanvragers die de grond niet voor landbouwactiviteiten hebben gebruikt, noch actief in GLMC hebben gehouden;

Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad bepaalt dat de lidstaten met ingang van 2010 passende objectieve en niet-discriminerende criteria kunnen vaststellen om ervoor te zorgen dat geen rechtstreekse betalingen worden verstrekt aan een natuurlijke of rechtspersoon

a)

wiens landbouwactiviteiten slecht een onaanzienlijk deel uitmaken van zijn totale economische activiteiten, of

b)

wiens voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit.

c)

De door de Rekenkamer aangehaalde kwestie van de omschrijving van wie als landbouwer wordt beschouwd, zal worden behandeld in het kader van de post 2013-hervorming van het GLB, zoals vermeld in de mededeling van de Commissie „GLB tot 2020” van 18 november 2010.

Daar dit voorschrift werd overgelaten aan de lidstaten, oordeelt de Rekenkamer dat het risico van betalingen aan aanvragers die de grond niet voor landbouw gebruiken noch het in GLMC houden, blijft bestaan.

2008 en 2009

d)

op EU-niveau minimumeisen stellen met betrekking tot jaarlijks onderhoud van grasland dat in aanmerking komt voor rechtstreekse EU-steun.

Geen vorderingen

d)

Het huidige systeem omvat een gemeenschappelijk rechtskader waarbinnen de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van de onderhoudscriteria in het kader van de verplichting om landbouwgrond in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) te houden. Op die manier is ruimte gecreëerd voor de diversiteit aan landbouwgebieden en -tradities in de EU.

 

Nog meer inspanningen zijn nodig op het gebied van plattelandsontwikkeling om de regels en voorwaarden verder te vereenvoudigen (paragraaf 3.74 van JV 2009 en 5.66 van JV 2008).

Vereenvoudiging kreeg in 2010 volop aandacht. Naast besprekingen in het algemene kader van het debat over de toekomst van het GLB waren er voor pijler 2 de volgende acties. Vereenvoudiging werd besproken in zes van de acht vergaderingen van het comité voor plattelandsontwikkeling in 2010. Die besprekingen steunden op bijdragen van de lidstaten en werkdocumenten van de Commissie. Een hoofdonderwerp bij deze besprekingen betrof de subsidiabiliteitsregels. Deze themata werden ook bekeken in de deskundigengroep vereenvoudiging. In september 2010 was er een seminar over het zorgen voor een goed beheer van de programma’s voor plattelandsontwikkeling 2007-2013. Daarnaast werd er een studie opgezet over het papierwerk voor begunstigden van de tweede pijler, met het doel de administratieve lasten in verband met plattelandsontwikkeling te verminderen.

In reactie op de lijst van 39 vereenvoudigingsvoorstellen die de lidstaten tijdens de Raad van april 2009 naar voren hebben gebracht, heeft de Commissie de volgende activiteiten op het vlak van vereenvoudiging verricht:

In de eerste plaats heeft de Commissie in oktober 2010 een voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad aangenomen om:

het aantal strategische toezichtsverslagen voor plattelandsontwikkeling te verlagen van drie naar twee;

het aanbieden van op maat gesneden advies door bedrijfsadviesdiensten te vergemakkelijken;

lidstaten toe te staan om follow-upcontroles voor niet te ernstige inbreuken en de„de minimis”-regel toe te passen op basis van een risicosteekproef in plaats van op basis van systematische (100 %)-controles.

Het voorstel wordt momenteel behandeld door het Europees Parlement en de Raad.

In de tweede plaats, eveneens in reactie op de 39 vereenvoudigingsvoorstellen, zijn de bepalingen inzake controleprocedures en naleving van randvoorwaarden duidelijker gemaakt en zijn in het kader van een herschikking (Verordening (EU) nr. 65/2011) precieze en nauwkeurig omschreven verplichtingen opgenomen in de uitvoeringsregels.

Andere belangrijke vereenvoudigingsinspanningen op het gebied van plattelandsontwikkeling zijn gericht op de volgende programmeringsperiode, hetgeen kan worden verklaard uit het feit dat het moeilijk is om grote veranderingen door te voeren terwijl programma's lopen.

Tot slot zouden de resultaten van de studie naar de administratieve lasten in de tweede pijler, zodra deze bekend zijn, door de Commissie en de lidstaten in aanmerking genomen kunnen worden om de bureaucratische rompslomp voor begunstigden verder terug te dringen.

Er werden in 2010 aanzienlijke inspanningen geleverd om de vereenvoudiging van de regels en voorwaarden te bespreken en te analyseren. Dit zal een nuttige input leveren om de plattelandsontwikkeling te stroomlijnen in de volgende programmeringsperiode. Het heeft echter nog niet geleid tot concrete acties ter vereenvoudiging in de lopende programmeringsperiode.

2008 en 2009

Samen met de betrokken nationale autoriteiten dienen effectieve maatregelen te worden genomen om betalingen voor niet-subsidiabele uitgaven voor visserijprojecten te voorkomen (paragraaf 3.76 van JV 2009 (2)).

De in het kader van het Europees Visserijfonds voorgeschreven controles van de subsidiabele uitgaven zijn versterkt ten opzichte van de controles die werden verricht in het kader van het oude Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij.

Tijdens de auditactiviteiten van het DG MARE is geen materieel bedrag aan niet-subsidiabele kosten vastgesteld.

De Rekenkamer zal in haar latere controles de herziene controleregelingen blijven volgen.

Voor interne controles van betalingen voor programma’s op het gebied van de uitroeiing en bewaking van dierziekten is een duidelijke functiescheiding tussen de diensten van de Commissie en de ontwikkeling van adequate formele controleprocedures vereist (paragraaf 3.76 van JV 2009).

De diensten van de Commissie hebben de functiescheiding verduidelijkt en een project gestart om de rechtsgrondslag voor de programma’s te vereenvoudigen.

In Besluit 2010/712/EU van de Commissie wat betreft de financiële bijdrage van de Unie voor de uitroeiingsprogramma's zijn reeds verduidelijkingen en vereenvoudigingen geïntroduceerd. In 2012 zal de Commissie ook met een voorstel komen voor wijzigingen in Beschikking 90/424/EEG van de Raad, die de rechtsgrondslag vormt voor het terugbetalen van subsidiabele kosten in het kader van uitroeiingsprogramma's.

De Rekenkamer zal in haar latere controles de herziene controleregelingen blijven volgen.


(1)  Vergelijkbare aanbevelingen werden gedaan in paragraaf 5.65 van JV 2008.

(2)  Soortgelijke aanbevelingen werden gedaan in paragraaf 5.67 van JV 2008.


HOOFDSTUK 4

Cohesie, energie en vervoer

INHOUD

Inleiding

Specifieke kenmerken van de beleidsgroep

Beleidsdoelstellingen

Beleidsinstrumenten

Risico's voor de regelmatigheid

Reikwijdte en aanpak van de controle

Regelmatigheid van de verrichtingen

Doeltreffendheid van de systemen

Betrouwbaarheid van de „management representations” van de Commissie

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

Aanbevelingen

Follow-up van eerdere speciale verslagen

Follow-up van Speciaal verslag nr. 1/2006 over de bijdrage van het Europees Sociaal Fonds tot het terugdringen van vroegtijdig schoolverlaten

Follow-up van Speciaal verslag nr. 10/2006 over de evaluaties achteraf van de programma's voor de doelstellingen 1 en 3 1994-1999 (structuurfondsen)

Follow-up van Speciaal verslag nr. 7/2009 over het beheer van de ontwikkelings- en valideringsfase van het Galileo-programma

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

4.1.

Dit hoofdstuk betreft de specifieke beoordeling door de Rekenkamer van de beleidsgroep Cohesie, energie en vervoer, die bestaat uit de beleidsterreinen 04 — Werkgelegenheid en sociale zaken, 06 — Energie en vervoer en 13 — Regionaal beleid. Ook wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan van het antwoord van de Commissie op de aanbevelingen in drie speciale verslagen van de Rekenkamer. Essentiële informatie over de betrokken activiteiten en de uitgaven in 2010 is opgenomen in tabel 4.1

 

Tabel 4.1   Cohesie, energie en vervoer — Essentiële informatie 2010

(miljoen euro)

Begrotingstitel

Beleidsterrein

Omschrijving

Betalingen

Wijze van begrotingsbeheer

4

Werkgelegenheid en sociale zaken

Administratieve uitgaven

97

Direct gecentraliseerd

Europees Sociaal Fonds (ESF)

7 066

Gedeeld

Werken in Europa — Sociale dialoog en mobiliteit

56

Direct gecentraliseerd

Werkgelegenheid, sociale solidariteit en gendergelijkheid

155

Direct gecentraliseerd

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

104

Gedeeld

Instrument voor pretoetredingssteun (IPA, voorheen ISPA)

3

Gedecentraliseerd

 

7 481

 

6

Energie en vervoer

Administratieve uitgaven

153

Direct gecentraliseerd

Vervoer over land, door de lucht en ter zee

149

Direct gecentraliseerd

Trans-Europese netwerken (TEN's)

858

Direct gecentraliseerd

Conventionele en duurzame energiebronnen

773

Direct gecentraliseerd

Kernenergie

237

Direct gecentraliseerd/Indirect gecentraliseerd/gezamenlijk

Onderzoek in verband met energie en vervoer (kaderprogramma's)

226

Direct gecentraliseerd

Beveiliging en bescherming van gebruikers van energie en vervoer

3

Direct gecentraliseerd

EU-satellietnavigatieprogramma's (EGNOS en Galileo)

460

Direct gecentraliseerd

 

2 859

 

13

Regionaal beleid

Administratieve uitgaven

83

Direct gecentraliseerd

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en andere regionale acties

22 091

Gedeeld

Cohesiefonds (CF)

7 957

Gedeeld

Instrument voor pretoetredingssteun (IPA, voorheen ISPA)

479

Gedecentraliseerd

Solidariteitsfonds

13

Indirect

 

30 623

 

Totaal administratieve uitgaven (16)

333

 

Totaal beleidsuitgaven

40 630

 

waarvan:

voorschotten

3 074

 

tussentijdse/saldobetalingen

37 556

 

Totaal betalingen over het jaar

40 963

 

Totaal vastleggingen over het jaar

55 223

 

Bron: Jaarrekening 2010 van de Europese Unie.

4.2.

Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds (CF) worden ten uitvoer gelegd in meerjarige programmeringsperioden. In 2010 maakten de betalingen in het kader van het EFRO (22,1 miljard euro), het ESF (7,1 miljard euro) en het CF (8,0 miljard euro) meer dan 90 % van de beleidsuitgaven voor de beleidsgroep als geheel uit (1). De betalingen voor Energie en vervoer in 2010 beliepen 2,9 miljard euro.

 

Specifieke kenmerken van de beleidsgroep

Beleidsdoelstellingen

Cohesiebeleid

4.3.

Het cohesiebeleid is erop gericht de economische en sociale cohesie binnen de Europese Unie te versterken door het verschil in ontwikkelingsniveau tussen verschillende regio's te verkleinen.

 

Energie en vervoer

4.4.

Het energie- en vervoersbeleid is erop gericht de Europese burgers en ondernemingen te voorzien van zekere, duurzame en concurrerende energie- en vervoersystemen en -diensten, en innovatieve oplossingen te ontwikkelen die bijdragen tot de formulering en uitvoering van dit beleid.

 

Beleidsinstrumenten

Regionaal beleid

4.5.

Regionaal beleid is goed voor 75 % van de uitgaven in deze beleidsgroep. Uitgaven voor regionaal beleid worden hoofdzakelijk gedaan via het EFRO en het CF (die tezamen goed zijn voor 98 % van de uitgaven voor regionaal beleid in 2010). Uit het EFRO worden infrastructuurwerken, de schepping of het behoud van arbeidsplaatsen, regionale economische ontwikkelingsinitiatieven en — voornamelijk via financieringsinstrumenten — activiteiten van het midden- en kleinbedrijf (mkb) gefinancierd. In de lidstaten waarvan het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking minder dan 90 % van het EU-gemiddelde bedraagt, financiert het CF projecten op het terrein van de milieu- en vervoersinfrastructuur.

 

4.6.

Tot de beleidsinstrumenten voor regionaal beleid behoren ook maatregelen voor regionale en grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en het Europees Solidariteitsfonds, dat steun biedt wanneer zich natuurrampen voordoen in de lidstaten.

 

Werkgelegenheid en sociale zaken

4.7.

Werkgelegenheid en sociale zaken is goed voor 18 % van de uitgaven in deze beleidsgroep. Het leeuwendeel van de uitgaven voor werkgelegenheid en sociale zaken (94 % in 2010) vindt plaats in het kader van het ESF, dat investeringen in menselijk kapitaal door middel van opleiding en andere werkgelegenheidsmaatregelen financiert.

 

4.8.

Andere uitgaven op dit beleidsterrein omvatten subsidies en toelagen aan organisaties die sociale en werkgelegenheidacties uitvoeren, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dat steun verleent aan werknemers die worden ontslagen als gevolg van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de financiële crisis, en een bijdrage aan het IPA.

 

Beheer en controle van uitgaven uit hoofde van het EFRO, ESF en CF

4.9.

Er zijn gemeenschappelijke regels van toepassing op het EFRO, ESF en CF en het beheer wordt gedeeld door de Commissie en de lidstaten.

 

4.10.

De Commissie keurt meerjarige operationele programma's (OP's) goed, samen met indicatieve financiële plannen die de EU-bijdrage bevatten, op basis van voorstellen van de lidstaten. Projecten in het kader van de OP's worden uitgevoerd door particuliere personen, verenigingen, particuliere of overheidsbedrijven of lokale, regionale of nationale overheidsorganen.

 

4.11.

De lidstaten kennen de verantwoordelijkheid voor het dagelijks beheer toe aan beheersautoriteiten (BA's) en bemiddelende instanties (BI's) (2). Dit omvat de selectie van afzonderlijke projecten, de uitvoering van controles om fouten in de gedeclareerde uitgaven te voorkomen, dan wel op te sporen en te corrigeren, en de verificatie of projecten daadwerkelijk worden uitgevoerd („eerstelijns”-controles). Certificerende instanties (CI's) gaan na of de eerstelijnscontroles daadwerkelijk zijn uitgevoerd en verrichten, indien nodig, aanvullende controles voordat de uitgavendeclaraties bij de Commissie worden ingediend.

 

4.12.

Auditautoriteiten (AA's) in de lidstaten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van systeemcontroles en controles van activiteiten (d.w.z. projecten of groepen projecten) om redelijke zekerheid te geven over het doeltreffend functioneren van de beheers- en controlesystemen van de programma's en over de regelmatigheid van de voor ieder OP gecertificeerde uitgaven. Zij brengen aan de Commissie verslag uit over deze controles door middel van jaarlijkse controleverslagen en jaarlijkse verklaringen.

 

4.13.

Aan het begin van iedere programmeringsperiode verricht de Commissie voorfinancieringsbetalingen aan de lidstaten. De financiering van een project neemt doorgaans de vorm aan van een kostenvergoeding op basis van uitgavendeclaraties van de projectontwikkelaars. Deze individuele declaraties worden voor iedere prioritaire as van het OP samengevoegd tot periodieke u