ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2011.232.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 232

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

54e jaargang
6 augustus 2011


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2011/C 232/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese UniePB C 226 van 30.7.2011

1

 

Gerecht

2011/C 232/02

Kamer voor hogere voorzieningen

2

2011/C 232/03

Criteria voor de toewijzing van de zaken aan de kamers

2

2011/C 232/04

Aanwijzing van de rechter die de president als kortgedingrechter vervangt

3

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2011/C 232/05

Zaak C-484/07: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank ’s-Gravenhage — Nederland) — Fatma Pehlivan/Staatssecretaris van Justitie (Associatieovereenkomst EEG-Turkije — Gezinshereniging — Artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad — Kind van Turkse werknemer dat gedurende meer dan drie jaar met deze werknemer heeft samengewoond, maar is gehuwd vóór verstrijken van in die bepaling gestelde termijn van drie jaar — Nationaal recht dat om die reden verblijfsvergunning van betrokkene ter discussie stelt)

4

2011/C 232/06

Zaak C-196/09: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kamer van Beroep van de Europese scholen) — Paul Miles e.a./Europese scholen (Prejudiciële verwijzing — Begrip rechterlijke instantie van een der lidstaten in zin van artikel 267 VWEU — Kamer van Beroep van Europese scholen — Stelsel van beloning van bij Europese scholen gedetacheerde leerkrachten — Niet-aanpassing van salarissen na waardevermindering van pond sterling — Verenigbaarheid met artikelen 18 VWEU en 45 VWEU)

4

2011/C 232/07

Zaak C-346/09: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 22 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof ’s-Gravenhage — Nederland) — Staat der Nederlanden/Denkavit Nederland BV e.a. (Landbouw — Veterinairrechtelijke voorschriften — Richtlijn 90/425/EEG — Tijdelijke nationale regeling die verspreiding van boviene spongiforme encefalopathie beoogt tegen te gaan door verbod op productie en verhandeling van verwerkte dierlijke eiwitten bestemd voor vervoedering aan landbouwhuisdieren — Toepassing van deze regeling vóór inwerkingtreding van beschikking 2000/766/EG waarin dat verbod is opgenomen — Toepassing van deze regeling op twee producten die konden worden vrijgesteld van in die beschikking opgenomen verbod — Verenigbaarheid met richtlijn 90/425/EEG en met beschikkingen 94/381/EG en 2000/766/EG)

5

2011/C 232/08

Zaak C-360/09: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Bonn — Duitsland) — Pfleiderer AG/Bundeskartellamt (Mededinging — Administratieve procedure — In kader van nationaal clementieprogramma verstrekte documenten en inlichtingen — Eventuele schadelijke gevolgen van toegang door derden tot dergelijke documenten op werkzaamheid en goede werking van samenwerking tussen autoriteiten van Europees netwerk van mededingingsautoriteiten)

5

2011/C 232/09

Zaak C-399/09: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 22 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud — Tsjechische Republiek) — Marie Landtová/Česká správa socialního zabezpečení (Vrij verkeer van werknemers — Sociale zekerheid — Tussen twee lidstaten vóór hun toetreding tot Europese Unie gesloten overeenkomst betreffende sociale zekerheid — Voor inaanmerkingneming van vervulde verzekeringstijdvakken bevoegde lidstaat — Ouderdomspensioen — Uitsluitend aan in lidstaat woonachtige onderdanen van deze lidstaat toegekende aanvulling op uitkering)

6

2011/C 232/10

Zaak C-462/09: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Stichting de Thuiskopie/Opus Supplies Deutschland GmbH, Mijndert van der Lee, Hananja van der Lee (Harmonisatie van wetgevingen — Auteursrecht en naburige rechten — Richtlijn 2001/29/EG — Reproductierecht — Uitzonderingen en beperkingen — Uitzondering voor kopiëren voor privégebruik — Artikel 5, leden 2, sub b, en 5 — Billijke compensatie — Schuldenaar van vergoeding ter financiering van die compensatie — Verkoop op afstand tussen twee personen die in verschillende lidstaten woonachtig zijn)

7

2011/C 232/11

Zaak C-536/09: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Upravno sodišče Republike Slovenije — Slovenië) — Marija Omejc/Republika Slovenija (Gemeenschappelijk landbouwbeleid — Communautaire steunregelingen — Geïntegreerd beheers- en controlesysteem — Verordening (EG) nr. 796/2004 — Verhinderen van uitvoering van controle ter plaatse — Begrip — Landbouwer die niet op bedrijf woont — Vertegenwoordiger van landbouwer — Begrip)

7

2011/C 232/12

Zaak C-10/10: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 juni 2011 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk (Niet-nakoming — Vrij verkeer van kapitaal — Aftrekbaarheid van giften aan onderzoeks- en onderwijsinstellingen — Beperking van aftrekbaarheid tot giften aan op nationaal grondgebied gevestigde instellingen)

8

2011/C 232/13

Zaak C-152/10: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Højesteret — Denemarken) — Unomedical A/S/Skatteministeriet (Gemeenschappelijk douanetarief — Tariefindeling — Gecombineerde nomenclatuur — Opvangzakken voor dialyse van kunststof uitsluitend bestemd voor dialysemachines (kunstnieren) — Urineopvangzakken van kunststof uitsluitend bestemd voor catheters — Posten 9018 en 3926 — Begrippen delen en toebehoren — Andere artikelen van kunststof)

8

2011/C 232/14

Zaak C-212/10: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach — Republiek Polen) — Logstor ROR Polska Sp z o.o./Dyrektor Izby Skarbowej w Katowicach (Fiscale bepalingen — Kapitaalrecht — Richtlijn 69/335/EEG — Indirecte belastingen op bijeenbrengen van kapitaal — Belastingheffing over door kapitaalvennootschap afgesloten lening bij persoon die recht heeft op percentage van winst van die vennootschap — Recht van lidstaat om belastingregeling die bij toetreding tot Europese Unie niet meer van kracht was weer in te voeren)

9

2011/C 232/15

Zaak C-317/10 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 juni 2011 — Union Investment Privatfonds GmbH/UniCredito Italiano SpA, Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (Hogere voorziening — Gemeenschapsmerk — Verordening (EG) nr. 40/94 — Artikel 8, lid 1, sub b — Woordmerken UNIWEB en UniCredit Wealth Management — Oppositie door houder van nationale woordmerken UNIFONDS en UNIRAK en van nationaal beeldmerk UNIZINS — Beoordeling van gevaar voor verwarring — Gevaar voor associatie — Merkenserie of merkenfamilie)

9

2011/C 232/16

Zaak C-32/10: Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 11 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven kasatsionen sad — Bulgarije) — Tony Georgiev Semerdzhiev/ET Del-Pi-Krasimira Mancheva (Artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering — Richtlijn 90/314/EEG — Pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten — Feiten van vóór toetreding van Republiek Bulgarije tot Europese Unie — Kennelijke onbevoegdheid van Hof om op prejudiciële vragen te antwoorden)

10

2011/C 232/17

Gevoegde zaken C-267/10 en C-268/10: Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 23 mei 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen — België) — André Rossius (C-267/10), Marc Collard (C-268/10)/Belgische Staat — FOD Financiën (Artikel 6, lid 1, VEU — Artikel 35 van Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Bezit en verkoop van producten van rooktabak — Nationale bepalingen die heffing van accijnzen op tabakswaren toestaan — Kennelijke onbevoegdheid Hof)

10

2011/C 232/18

Zaak C-460/10 P: Beschikking van het Hof van 14 april 2011 — Luigi Marcuccio/Hof van Justitie van de Europese Unie (Hogere voorziening — Niet-contractuele aansprakelijkheid — Vertegenwoordiging van rekwirant — Niet gevolmachtigd advocaat — Betekening van hogere voorziening — Verzoek om schadevergoeding — Hof van Justitie van de Europese Unie — Afwijzing — Beroep tot nietigverklaring — Beweerdelijk geleden schade — Beroep tot schadevergoeding — Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)

11

2011/C 232/19

Zaak C-613/10: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 15 april 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione tributaria provinciale di Parma — Italië) — Danilo Debiasi/Agenzia delle Entrate, Ufficio di Parma (Prejudiciële verwijzing — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

11

2011/C 232/20

Zaak C-180/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Bíróság (Hongarije) op 18 april 2011 — Bericap Záródástechnikai Bt./Plastinnova 2000 Kft.

11

2011/C 232/21

Zaak C-204/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 27 april 2011 door de Fédération Internationale de Football Association (FIFA) tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 17 februari 2011 in zaak T-385/07, Fédération Internationale de Football Association (FIFA)/Europese Commissie

12

2011/C 232/22

Zaak C-205/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 27 april 2011 door de Fédération Internationale de Football Association (FIFA) tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 17 februari 2011 in zaak T-68/08, Fédération internationale de football association (FIFA)/Europese Commissie

13

2011/C 232/23

Zaak C-218/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Ítélőtábla (Hongarije) op 11 mei 2011 — Észak-dunántúli Környezetvédelmi és Vízügyi Igazgatóság (Édukövízig) en Hochtief Construction AG Magyarországi Fióktelepe/Közbeszerzések Tanácsa Közbeszerzési Döntőbizottság

14

2011/C 232/24

Zaak C-219/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 11 mei 2011 — BrainProducts GmbH/Bio Semi V.O.F. e.a.

15

2011/C 232/25

Zaak C-221/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg (Duitsland) op 11 mei 2011 — Leyla Ecem Demirkan/Bundesrepublik Deutschland

15

2011/C 232/26

Zaak C-234/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen Sad Varna (Bulgarije) op 16 mei 2011 — TETS Haskovo AD/Direktor na Direktsia Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto, gr. Varna, pri Sentralno Upravlenie na Natsionalna Agentsia po Prihodite (Directeur van de Directie Betwisting en beheer van de tenuitvoerlegging, Varna, bij het centrale bestuur van het Nationaal Agentschap voor Inkomsten)

15

2011/C 232/27

Zaak C-241/11: Beroep ingesteld op 19 mei 2011 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

16

2011/C 232/28

Zaak C-249/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen Sad Sofia-grad (Bulgarije) op 19 mei 2011 — Hristo Byankov/Glaven Sekretar na Ministerstvo na vatreshnite raboti (MVR)

17

2011/C 232/29

Zaak C-254/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Legfelsőbb Bíróság (Republiek Hongarije) op 25 mei 2011 — Szabolcs-Szatmár-Bereg Megyei Rendőrkapitányság Záhony Határrendészeti Kirendeltsége/Oskar Shomodi

17

2011/C 232/30

Zaak C-262/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen Sad Sofia-grad (Bulgarije) op 26 mei 2011 — Kremikovtsi AD/Ministar na ikonomikata, energetikata i turizma i zamestnik-ministar na ikonomikata, energetikata i turizma

18

2011/C 232/31

Zaak C-269/11: Beroep ingesteld op 31 mei 2011 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

19

2011/C 232/32

Zaak C-271/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (Raad van State, Griekenland) op 31 mei 2011 — Techniko Epimelitirio Ellados (TEE) e.a./Ypourgoi Esoterikon, Dimosias Dioikisis kai Apokentrosis, Metaforon kai Epikoinonion, Oikonomias kai Oikonomikon

19

2011/C 232/33

Zaak C-293/11: Beroep ingesteld op 9 juni 2011 — Europese Commissie/Helleense Republiek

21

2011/C 232/34

Zaak C-295/11: Beroep ingesteld op 10 juni 2011 — Italiaanse Republiek/Raad van de Europese Unie

21

2011/C 232/35

Zaak C-298/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Varna (Bulgarije)op 14 juni 2011 — Dobrudzhanska petrolna kompania AD/Direktor na Direktsia Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto, grad Varna, pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite (Directeur van de Directie Betwisting en beheer van de tenuitvoerlegging, Varna, bij het centrale bestuur van het Nationaal Agentschap voor Inkomsten)

22

2011/C 232/36

Zaak C-547/09: Beschikking van de president van het Hof van 20 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Innsbruck — Oostenrijk) — Pensionsversicherungsanstalt/Andrea Schwab

23

2011/C 232/37

Zaak C-341/10: Beschikking van de president van het Hof van 17 mei 2011 — Europese Commissie/Republiek Polen

23

2011/C 232/38

Zaak C-437/10: Beschikking van de president van het Hof van 20 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Judicial de Vieira do Minho — Portugal) — Manuel Afonso Esteves/Axa — Seguros de Portugal SA

23

2011/C 232/39

Gevoegde zaken C-622/10 en C-623/10: Beschikking van de president van het Hof van 7 juni 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen — België) — Rémi Paquot (C-622/10), Adrien Daxhelet (C-623/10)/Belgische Staat — FOD Financiën

23

2011/C 232/40

Zaak C-110/11: Beschikking van de president van het Hof van 17 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Minister van Financiën/G. in 't Veld

23

 

Gerecht

2011/C 232/41

Zaak T-471/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — Oetker Nahrungsmittel/BHIM — Bonfait (Buonfatti) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Buonfatti — Ouder Benelux-woordmerk Bonfait — Geen gevaar voor verwarring — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

24

2011/C 232/42

Zaak T-475/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

24

2011/C 232/43

Zaak T-476/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

25

2011/C 232/44

Zaak T-477/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

25

2011/C 232/45

Zaak T-478/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

26

2011/C 232/46

Zaak T-479/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER Garden) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER Garden — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

26

2011/C 232/47

Zaak T-480/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICOCENTER) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICOCENTER — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

27

2011/C 232/48

Zaak T-481/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (maxi BRICO CENTER) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk maxi BRICO CENTER — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

27

2011/C 232/49

Zaak T-482/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER Città) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER Città — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

28

2011/C 232/50

Zaak T-483/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (Affiliato BRICO CENTER) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Affiliato BRICO CENTER — Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

28

2011/C 232/51

Zaak T-487/09: Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ReValue Immobilienberatung/BHIM (ReValue) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk ReValue — Gedeeltelijke weigering van inschrijving — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009 — Motiveringsplicht — Artikel 75 van verordening nr. 207/2009)

29

2011/C 232/52

Zaak T-207/07 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 10 juni 2011 — Eurallumina/Commissie (Kort geding — Staatssteun — Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering daarvan wordt gelast — Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging — Geen spoedeisendheid)

29

2011/C 232/53

Zaak T-259/10: Beschikking van het Gerecht van 15 juni 2011 — Ax/Raad (Beroep tot nietigverklaring — Financiële bijstand van Unie aan lidstaat die zich voor serieuze economische of financiële verstoring gesteld ziet — Verordening houdende vaststelling van voorwaarden en procedure voor toekenning van financiële bijstand van Unie — Artikel 263, vierde alinea, VWEU — Niet rechtstreeks geraakt — Niet-ontvankelijkheid)

29

2011/C 232/54

Zaak T-199/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 30 maart 2011 door Guido Strack tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 20 januari 2011 in zaak F-132/07, Strack/Commissie

30

2011/C 232/55

Zaak T-251/11: Beroep ingesteld op 18 mei 2011 — Oostenrijk/Commissie

30

2011/C 232/56

Zaak T-268/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 26 mei 2011 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 maart 2011 in zaak F-120/07, Strack/Commissie

31

2011/C 232/57

Zaak T-274/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 25 mei 2011 door Gaëtan Barthélémy Maxence Mioni tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 maart 2011 in zaak F-28/10, Mioni/Commissie

32

2011/C 232/58

Zaak T-275/11: Beroep ingesteld op 27 mei 2011 — TF1/Commissie

32

2011/C 232/59

Zaak T-276/11: Beroep ingesteld op 31 mei 2011 — Carlotti/Parlement

33

2011/C 232/60

Zaak T-279/11: Beroep ingesteld op 30 mei 2011 — T&L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie

33

2011/C 232/61

Zaak T-284/11: Beroep ingesteld op 7 juni 2011 — Metropolis Inmobiliarias y Restauraciones/BHIM — MIP Metro (METROINVEST)

35

2011/C 232/62

Zaak T-286/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 6 juni 2011 door Luigi Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 maart 2011 in zaak F-21/10, Marcuccio/Commissie

35

2011/C 232/63

Zaak T-291/11: Beroep ingesteld op 9 juni 2011 — Portovesme/Commissie

36

2011/C 232/64

Zaak T-299/11: Beroep ingesteld op 6 juni 2011 — European Dynamics Luxembourg e.a./BHIM

37

2011/C 232/65

Zaak T-305/11: Beroep ingesteld op 8 juni 2011 — Italmobiliare/Commissie

38

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2011/C 232/66

Zaak F-50/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 12 mei 2011 — Missir Mamachi di Lusignano/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Beroep tot schadevergoeding — Regel van overeenstemming tussen verzoek, klacht en beroep tot schadevergoeding — Procedure op tegenspraak — Gebruik in rechte van vertrouwelijk document met rubricering Restreint UE — Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen — Aansprakelijkheid wegens fout — Oorzakelijk verband — Meerdere oorzaken voor schade — Feit van derde — Aansprakelijkheid zonder schuld — Bijstandsplicht — Verplichting voor instelling om bescherming van haar personeel te verzekeren — Moord op ambtenaar en zijn echtgenote door derde — Verlies van kans op overleving)

39

2011/C 232/67

Zaak F-84/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 7 juni 2011 — Larue en Seigneur/ECB (Openbare dienst — Personeel van de ECB — Bezoldiging — Algemene aanpassing van bezoldigingen — Foute berekeningsmethode)

39

2011/C 232/68

Zaak F-22/10: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 25 mei 2011 — Bombín Bombín/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Verlof om redenen van persoonlijke aard — Vakantieverlof — Overdracht van verlof — Ambtenaar die zijn werkzaamheden heeft beëindigd — Financiële compensatie)

39

2011/C 232/69

Zaak F-49/10: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 28 juni 2011 — De Nicola/Europese Investeringsbank (Openbare dienst — Personeel van de Europese Investeringsbank — Ziektekostenverzekering — Weigering om ziektekosten te vergoeden — Verzoek om aanwijzing van onafhankelijk arts — Redelijke termijn)

40

2011/C 232/70

Zaak F-55/10: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 28 juni 2011 — AS/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Kennisgeving van vacature — Afwijzing van sollicitatie — Procesbelang — Invalide ambtenaar — Ondeelbaarheid van besluit tot afwijzing van sollicitatie en besluit tot aanstelling — Ontbreken — Onderscheid tussen ambtenaren die tot dezelfde functiegroep behoren en ambtenaren die dezelfde rang hebben met een ander verloop van loopbaan — Overeenstemming tussen rang en ambt)

40

2011/C 232/71

Zaak F-64/10: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 7 juni 2011 –Mantzouratos/Parlement (Openbare dienst — Ambtenaren — Bevordering — Bevorderingsronde 2009 — Weigering van bevordering — Ontvankelijkheid van exceptie van onwettigheid — Vergelijking van verdiensten — Kennelijk onjuiste beoordeling)

40

2011/C 232/72

Zaak F-66/10: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 12 mei 2011 — AQ/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordelingsrapport — Beoordelingsronde 2009 — Rang van beoordelaar lager dan die van beoordeelde — Beoordeling van prestaties over deel van de referentieperiode — Geen vaststelling van doelstellingen voor beoordeelde)

41

2011/C 232/73

Zaak F-128/10: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 28 juni 2011 — Mora Carrasco e.a./Parlement (Openbare dienst — Ambtenaren — Overplaatsing naar andere instelling in loop van bevorderingsronde waarin de ambtenaar in zijn instelling van herkomst zou zijn bevorderd — Instelling bevoegd om te beslissen over bevordering van overgeplaatste ambtenaar)

41

2011/C 232/74

Zaak F-74/07 RENV: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 25 mei 2011 — Meierhofer/Commissie (Openbare dienst — Aanwerving — Algemeen vergelijkend onderzoek — Kandidaat gezakt voor mondeling examen — Motiveringsplicht — Regels die de werkzaamheden van de jury beheersen)

41

2011/C 232/75

Zaak F-33/10: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 22 juni 2011 — Lebedef/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordelingsjaar 2005 — Loopbaanontwikkelingsrapport — AUB van artikel 43 van het Statuut — Rapport opgesteld na arrest in zaak F-36/07 — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

42

2011/C 232/76

Zaak F-88/10: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 juni 2011 — Van Asbroeck/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Besluit tot indeling in voorlopige rang — Verzoek om nieuw onderzoek — Nieuw wezenlijk feit — Ontbreken — Beroep kennelijk niet-ontvankelijk)

42

2011/C 232/77

Zaak F-125/10: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 29 juni 2011 — Schuerewegen/Parlement (Openbare dienst — Ambtenaren — Verwijdering van de werkplek — Afneming van dienstkaart — Intrekking van toegangsrechten tot computernetwerk — Voorafgaande administratieve klacht — Verzending per e-mail — Daadwerkelijke kennisneming door administratie — Tardiviteit — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

42

2011/C 232/78

Zaak F-90/10: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 20 mei 2011 — Florentiny/Parlement

43

2011/C 232/79

Zaak F-93/10: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 25 mei 2011 — AL/Parlement

43

2011/C 232/80

Zaak F-120/10: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 27 april 2011 — AR/Commissie

43

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/1


2011/C 232/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 226 van 30.7.2011

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 219 van 23.7.2011

PB C 211 van 16.7.2011

PB C 204 van 9.7.2011

PB C 194 van 2.7.2011

PB C 186 van 25.6.2011

PB C 179 van 18.6.2011

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


Gerecht

6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/2


Kamer voor hogere voorzieningen

2011/C 232/02

Op 6 juli 2011 heeft het Gerecht besloten dat voor de periode van 1 september 2011 tot en met 31 augustus 2013 de kamer voor hogere voorzieningen zal bestaan uit de president van het Gerecht en, bij toerbeurt, twee kamerpresidenten.

De rechters die met de president van de kamer voor hogere voorzieningen de uitgebreide formatie van vijf rechters vormen, zijn de drie rechters van de aanvankelijk aangezochte formatie en, bij toerbeurt, twee kamerpresidenten.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/2


Criteria voor de toewijzing van de zaken aan de kamers

2011/C 232/03

Op 6 juli 2011 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 12 van het Reglement voor de procesvoering de volgende criteria vastgesteld voor de toewijzing van de zaken aan de kamers in de periode van 1 september 2011 tot en met 31 augustus 2013:

1)

De hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht voor ambtenarenzaken worden onmiddellijk na de neerlegging van het verzoekschrift en onverminderd de latere toepassing van de artikelen 14 en 51 van het Reglement voor de procesvoering toegewezen aan de kamer voor hogere voorzieningen.

2)

De andere dan de sub 1 bedoelde zaken worden onmiddellijk na de neerlegging van het verzoekschrift en onverminderd de latere toepassing van de artikelen 14 en 51 van het Reglement voor de procesvoering toegewezen aan de kamers bestaande uit drie rechters.

De in de vorige paragraaf bedoelde zaken worden, afhankelijk van de volgorde van inschrijving ter griffie, over de kamers verdeeld volgens drie afzonderlijke toerbeurten:

voor de zaken betreffende de toepassing van de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, de regels betreffende staatssteun en de regels betreffende handelspolitieke beschermingsmaatregelen;

voor de zaken betreffende de in artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde intellectuele-eigendomsrechten;

voor de overige zaken.

In het kader van deze toerbeurtregeling wordt de uit vier rechters bestaande kamer die met drie rechters zetelt, tweemaal in aanmerking genomen bij elke derde toerbeurt.

De president van het Gerecht kan van deze toerbeurtregeling afwijken in geval van verknochtheid van bepaalde zaken of ter verzekering van een gelijkmatige werkverdeling.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/3


Aanwijzing van de rechter die de president als kortgedingrechter vervangt

2011/C 232/04

Op 6 juli 2011 heeft het Gerecht overeenkomstig het bepaalde in artikel 106 van het Reglement voor de procesvoering besloten dat gedurende de periode van 1 september 2011 tot en met 30 augustus 2012 rechter Prek de president van het Gerecht in geval van afwezigheid of verhindering zal vervangen als kortgedingrechter.


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/4


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank ’s-Gravenhage — Nederland) — Fatma Pehlivan/Staatssecretaris van Justitie

(Zaak C-484/07) (1)

(Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Gezinshereniging - Artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Kind van Turkse werknemer dat gedurende meer dan drie jaar met deze werknemer heeft samengewoond, maar is gehuwd vóór verstrijken van in die bepaling gestelde termijn van drie jaar - Nationaal recht dat om die reden verblijfsvergunning van betrokkene ter discussie stelt)

2011/C 232/05

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Roermond

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Fatma Pehlivan

Verwerende partij: Staatssecretaris van Justitie

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Roermond — Uitlegging van artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije — Kind van een Turkse werknemer dat gedurende ten minste drie jaar bij hem heeft gewoond maar gedurende die periode in Turkije is gehuwd met een Turk zonder de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te stellen

Dictum

Artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, moet aldus worden uitgelegd dat:

die bepaling in de weg staat aan een regeling van een lidstaat volgens welke het gezinslid aan wie naar behoren toestemming is verleend om zich te voegen bij een Turkse migrerende werknemer die reeds tot de legale arbeidsmarkt van deze staat behoort, de in die bepaling bedoelde rechten die op gezinshereniging zijn gebaseerd verliest door de enkele omstandigheid dat het, nadat het meerderjarig is geworden, een huwelijk sluit, ook al blijft het gedurende de eerste drie jaar van zijn verblijf in de gastlidstaat met deze werknemer samenwonen;

een Turkse staatsburger die, zoals verzoekster in het hoofdgeding, onder die bepaling valt, aanspraak kan maken op een verblijfrecht in de gastlidstaat op basis van die bepaling, niettegenstaande het feit dat hij vóór het verstrijken van het in de eerste alinea, eerste streepje, bedoelde tijdvak van drie jaar is gehuwd, wanneer hij gedurende dat hele tijdvak daadwerkelijk heeft samengewoond met de Turkse migrerende werknemer via wie hij tot deze lidstaat in het kader van gezinshereniging is toegelaten.


(1)  PB C 8 van 12.1.2008.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kamer van Beroep van de Europese scholen) — Paul Miles e.a./Europese scholen

(Zaak C-196/09) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Begrip „rechterlijke instantie van een der lidstaten” in zin van artikel 267 VWEU - Kamer van Beroep van Europese scholen - Stelsel van beloning van bij Europese scholen gedetacheerde leerkrachten - Niet-aanpassing van salarissen na waardevermindering van pond sterling - Verenigbaarheid met artikelen 18 VWEU en 45 VWEU)

2011/C 232/06

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Kamer van Beroep van de Europese scholen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Paul Miles, Robert Watson Mac Donald

Verwerende partij: Europese scholen

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Kamer van Beroep van de Europese scholen — Uitlegging van de artikelen 12 EG, 39 EG en 234 EG — Begrip nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG — Stelsel van beloning van bij de Europese scholen gedetacheerde leerkrachten — Niet-aanpassing van de salarissen na de waardevermindering van het pond sterling — Schending van de beginselen van gelijke behandeling en van vrij verkeer van werknemers

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd om te antwoorden op een verzoek van de Kamer van Beroep van de Europese scholen om een prejudiciële beslissing.


(1)  PB C 193 van 15.8.2009.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/5


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 22 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof ’s-Gravenhage — Nederland) — Staat der Nederlanden/Denkavit Nederland BV e.a.

(Zaak C-346/09) (1)

(Landbouw - Veterinairrechtelijke voorschriften - Richtlijn 90/425/EEG - Tijdelijke nationale regeling die verspreiding van boviene spongiforme encefalopathie beoogt tegen te gaan door verbod op productie en verhandeling van verwerkte dierlijke eiwitten bestemd voor vervoedering aan landbouwhuisdieren - Toepassing van deze regeling vóór inwerkingtreding van beschikking 2000/766/EG waarin dat verbod is opgenomen - Toepassing van deze regeling op twee producten die konden worden vrijgesteld van in die beschikking opgenomen verbod - Verenigbaarheid met richtlijn 90/425/EEG en met beschikkingen 94/381/EG en 2000/766/EG)

2011/C 232/07

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Gerechtshof ’s-Gravenhage

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Staat der Nederlanden

Verwerende partijen: Denkavit Nederland BV, Cehave Landbouwbelang Voeders BV, Arie Blok BV, Internationale Handelsmaatschappij „Demeter” BV

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Gerechtshof te ’s-Gravenhage — Uitlegging van richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224, blz. 29), van beschikking 94/381/EG van de Commissie van 27 juni 1994 betreffende bepaalde beschermende maatregelen ten aanzien van boviene spongiforme encefalopathie en het vervoederen van van zoogdieren afkomstig eiwit (PB L 172, blz. 23), van beschikking 2000/766/EG van de Raad van 4 december 2000 betreffende bepaalde beschermingsmaatregelen ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en het vervoederen van dierlijke eiwitten (PB L 306, blz. 32), en van beschikking 2001/9/EG van de Commissie van 29 december 2000 betreffende controlemaatregelen voor de tenuitvoerlegging van beschikking 2000/766/EG van de Raad betreffende bepaalde beschermingsmaatregelen ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en het vervoederen van dierlijke eiwitten (PB L 2, blz. 32) — Nationale regeling die productie en verhandeling van verwerkte dierlijke eiwitten bestemd voor vervoedering aan landbouwhuisdieren verbiedt — Datum van inwerkingtreding en overgangsperiode

Dictum

Het Unierecht, en in het bijzonder richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, alsmede de beschikkingen 94/381/EG van de Commissie van 27 juni 1994 betreffende bepaalde beschermende maatregelen ten aanzien van boviene spongiforme encefalopathie en het vervoederen van van zoogdieren afkomstig eiwit, en 2000/766/EG van de Raad van 4 december 2000 betreffende bepaalde beschermingsmaatregelen ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en het vervoederen van dierlijke eiwitten, verzet zich niet tegen een nationale regeling waarbij met het oog op de bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie een tijdelijk verbod werd gesteld op de productie en verhandeling van verwerkte dierlijke eiwitten bestemd voor vervoedering aan landbouwhuisdieren, voor zover de situatie van de betrokken lidstaat spoedeisend was, hetgeen er een rechtvaardiging voor vormde dat onmiddellijk dergelijke maatregelen werden getroffen wegens ernstige redenen uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van mens en dier. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan die voorwaarde is voldaan en of het evenredigheidsbeginsel in acht is genomen.


(1)  PB C 282 van 21.11.2009.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/5


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Bonn — Duitsland) — Pfleiderer AG/Bundeskartellamt

(Zaak C-360/09) (1)

(Mededinging - Administratieve procedure - In kader van nationaal clementieprogramma verstrekte documenten en inlichtingen - Eventuele schadelijke gevolgen van toegang door derden tot dergelijke documenten op werkzaamheid en goede werking van samenwerking tussen autoriteiten van Europees netwerk van mededingingsautoriteiten)

2011/C 232/08

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Bonn

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pfleiderer AG

Verwerende partij: Bundeskartellamt

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Amtsgericht Bonn — Uitlegging van de kartelrechtelijke bepalingen van het gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 11 en 12 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1) en artikel 10, tweede alinea, EG juncto artikel 3, lid 1, sub g, EG — Documenten en gegevens die overeenkomstig een nationaal clementieprogramma aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten zijn verstrekt door ondernemingen die om clementie verzoeken — Mogelijke nadelige gevolgen van de toegang van derden tot dergelijke documenten voor de doeltreffendheid en de goede werking van de samenwerking tussen de autoriteiten die het Europese concurrentienetwerk vormen

Dictum

De bepalingen van het Unierecht inzake mededingingsregelingen, inzonderheid verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat personen die als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie schade hebben geleden en schadevergoeding willen verkrijgen, toegang tot documenten over een clementieprocedure betreffende de inbreukmaker verkrijgen. Het staat evenwel aan de rechters van de lidstaten om op basis van hun nationaal recht te bepalen onder welke voorwaarden deze toegang moet worden toegestaan of geweigerd, waarbij zij de door het Unierecht beschermde belangen afwegen.


(1)  PB C 297 van 5.12.2009.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/6


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 22 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud — Tsjechische Republiek) — Marie Landtová/Česká správa socialního zabezpečení

(Zaak C-399/09) (1)

(Vrij verkeer van werknemers - Sociale zekerheid - Tussen twee lidstaten vóór hun toetreding tot Europese Unie gesloten overeenkomst betreffende sociale zekerheid - Voor inaanmerkingneming van vervulde verzekeringstijdvakken bevoegde lidstaat - Ouderdomspensioen - Uitsluitend aan in lidstaat woonachtige onderdanen van deze lidstaat toegekende aanvulling op uitkering)

2011/C 232/09

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Nejvyšší správní soud

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Marie Landtová

Verwerende partij: Česká správa socialního zabezpečení

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Nejvyšší správní soud — Uitlegging van artikel 12 EG, de artikelen 3, lid 1, 7, lid 2, sub c, 10 en 46, alsmede van punt 6 van deel A van bijlage III bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2) — Ouderdomspensioen — Bepaling van de lidstaat die bevoegd is om de vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking te nemen — Gevolgen van de gemeenschapsregeling voor een door twee lidstaten vóór hun toetreding tot de Europese Unie gesloten overeenkomst betreffende sociale zekerheid

Dictum

1)

Het bepaalde in deel A, punt 6, van bijlage III bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 629/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, sub c, daarvan, verzet zich niet tegen een nationale regel als die in het hoofdgeding, die voorziet in de betaling van een aanvulling op de ouderdomsuitkering wanneer het uitkeringsbedrag dat wordt toegekend op grond van artikel 20 van de op 29 oktober 1992 tussen de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek gesloten bilaterale overeenkomst houdende maatregelen tot regeling van de situatie na de splitsing van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek op 31 december 1992, lager is dan het bedrag dat zou zijn verkregen indien het ouderdomspensioen volgens het recht van de Tsjechische Republiek was berekend.

2)

Artikel 3, lid 1, juncto artikel 10 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 629/2006, verzet zich tegen een nationale regel als die in het hoofdgeding, op grond waarvan een aanvulling op de ouderdomsuitkering uitsluitend aan op het grondgebied van de Tsjechische Republiek woonachtige Tsjechische onderdanen mag worden betaald, zonder dat dit uit het oogpunt van het recht van de Unie noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat deze aanvulling een persoon die aan deze twee voorwaarden voldoet, moet worden ontnomen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/7


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Stichting de Thuiskopie/Opus Supplies Deutschland GmbH, Mijndert van der Lee, Hananja van der Lee

(Zaak C-462/09) (1)

(Harmonisatie van wetgevingen - Auteursrecht en naburige rechten - Richtlijn 2001/29/EG - Reproductierecht - Uitzonderingen en beperkingen - Uitzondering voor kopiëren voor privégebruik - Artikel 5, leden 2, sub b, en 5 - Billijke compensatie - Schuldenaar van vergoeding ter financiering van die compensatie - Verkoop op afstand tussen twee personen die in verschillende lidstaten woonachtig zijn)

2011/C 232/10

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Stichting de Thuiskopie

Verwerende partijen: Opus Supplies Deutschland GmbH, Mijndert van der Lee, Hananja van der Lee

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 5, leden 2, sub b, en 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10) — Reproductierecht — Billijke compensatie — Koop op afstand tussen twee in verschillende lidstaten gevestigde personen — Wettelijke regeling die inning van compensatie onmogelijk maakt

Dictum

1)

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, in het bijzonder artikel 5, leden 2, sub b, en 5 ervan, moet aldus moeten worden uitgelegd dat de eindgebruiker die voor privégebruik een reproductie vervaardigt van een beschermd werk, in beginsel moet worden aangemerkt als de schuldenaar van de in voornoemd lid 2, sub b, bedoelde billijke compensatie. Het staat de lidstaten evenwel vrij een vergoeding voor privégebruik in te voeren die dient te worden betaald door de personen die installaties, apparaten of informatiedragers ter beschikking stellen van de eindgebruiker, wanneer die personen beschikken over de mogelijkheid om het bedrag van die vergoeding door te berekenen in de door de eindgebruiker betaalde prijs van die terbeschikkingstelling.

2)

Richtlijn 2001/29, in het bijzonder artikel 5, leden 2, sub b, en 5 ervan, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaat die een stelsel heeft ingevoerd waarin de vergoedingen voor het kopiëren voor privégebruik van beschermde werken moeten worden betaald door de fabrikant of importeur van informatiedragers, en op wiens grondgebied het nadeel ontstaat dat auteurs lijden als gevolg van het privégebruik van hun werken door de aldaar wonende kopers, verplicht is om te garanderen dat die auteurs daadwerkelijk de billijke compensatie ontvangen die is bestemd om hen schadeloos te stellen voor dat nadeel. Dienaangaande is de enkele omstandigheid dat de bedrijfsmatig handelende verkoper van installaties, apparaten en informatiedragers is gevestigd in een andere lidstaat dan die waar de kopers wonen, niet van invloed op die resultaatsverplichting. Het staat aan de nationale rechter om, wanneer het onmogelijk is om de billijke compensatie bij de kopers te incasseren, het nationale recht aldus uit te leggen dat die compensatie bij een schuldenaar die optreedt als handelaar kan worden geïncasseerd.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/7


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Upravno sodišče Republike Slovenije — Slovenië) — Marija Omejc/Republika Slovenija

(Zaak C-536/09) (1)

(Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Communautaire steunregelingen - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem - Verordening (EG) nr. 796/2004 - Verhinderen van uitvoering van controle ter plaatse - Begrip - Landbouwer die niet op bedrijf woont - Vertegenwoordiger van landbouwer - Begrip)

2011/C 232/11

Procestaal: Sloveens

Verwijzende rechter

Upravno sodišče Republike Slovenije

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Marija Omejc

Verwerende partij: Republika Slovenija

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Upravno sodišče Republike Slovenije — Uitlegging van artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 141, blz. 18) — Begrip verhinderen van de controle ter plaatse — Begrip vertegenwoordigen van de landbouwer wanneer de landbouwer niet op het bedrijf woont

Dictum

1)

De uitdrukking „de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert” in artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, vormt een autonoom unierechtelijk begrip dat in alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd in die zin dat het niet alleen betrekking heeft op opzettelijke gedragingen, maar ook op elk aan de nalatigheid van de landbouwer of zijn vertegenwoordiger toe te schrijven handelen of nalaten waardoor de controle ter plaatse niet volledig kon worden uitgevoerd, wanneer deze landbouwer of zijn vertegenwoordiger niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om te waarborgen dat deze controle volledig wordt uitgevoerd.

2)

De afwijzing van de betrokken steunaanvragen op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 796/2004 is niet afhankelijk van de voorwaarde dat de landbouwer of zijn vertegenwoordiger naar behoren is ingelicht over het gedeelte van de controle ter plaatse waarvoor zijn medewerking is vereist.

3)

Het begrip „vertegenwoordiger” in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 796/2004 vormt een autonoom unierechtelijk begrip dat in alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd in die zin dat het in het kader van de controles ter plaatse iedere handelingsbekwame meerderjarige persoon omvat die op het landbouwbedrijf woont en aan wie ten minste een deel van het beheer van dit bedrijf is toevertrouwd, voor zover de landbouwer duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij deze persoon wenste te machtigen om hem te vertegenwoordigen, en zich er dus toe heeft verbonden in te staan voor elk handelen of nalaten van die persoon.

4)

Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 796/2004 moet aldus worden uitgelegd dat de landbouwer die niet op zijn bedrijf woont, niet verplicht is om een vertegenwoordiger die in de regel te allen tijde op dit bedrijf aanwezig is, aan te wijzen.


(1)  PB C 63 van 13.3.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/8


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 juni 2011 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk

(Zaak C-10/10) (1)

(Niet-nakoming - Vrij verkeer van kapitaal - Aftrekbaarheid van giften aan onderzoeks- en onderwijsinstellingen - Beperking van aftrekbaarheid tot giften aan op nationaal grondgebied gevestigde instellingen)

2011/C 232/12

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal en W. Mölls, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: C. Pesendorfer, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikel 56 EG en artikel 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) — Nationale regeling waarbij voor toekenning van fiscale aftrekmogelijkheid in verband met giften aan onderzoeks- en openbare onderwijsinstellingen voorwaarde geldt dat ontvanger van gift op nationaal grondgebied is gevestigd

Dictum

1)

Door de belastingaftrek van giften aan onderzoeks- en onderwijsinstellingen alleen te aanvaarden wanneer deze instellingen in Oostenrijk zijn gevestigd, is de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 56 EG en artikel 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992.

2)

De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 63 van 13.3.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/8


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Højesteret — Denemarken) — Unomedical A/S/Skatteministeriet

(Zaak C-152/10) (1)

(Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefindeling - Gecombineerde nomenclatuur - Opvangzakken voor dialyse van kunststof uitsluitend bestemd voor dialysemachines (kunstnieren) - Urineopvangzakken van kunststof uitsluitend bestemd voor catheters - Posten 9018 en 3926 - Begrippen „delen” en „toebehoren” - Andere artikelen van kunststof)

2011/C 232/13

Procestaal: Deens

Verwijzende rechter

Højesteret

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Unomedical A/S

Verwerende partij: Skatteministeriet

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Højesteret — Uitlegging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987, met betrekking tot de tarief– en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1) — Opvangzakken uit kunststof alleen voor kunstnieren — Indeling onder postonderverdeling 9018 90 30 of 3926 90 99 — Opvangzakken alleen voor catheters — Indeling onder postonderverdeling 9018 39 00 of 3926 90 99 — Begrip „Deel en toebehoren”

Dictum

De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, in de op het hoofdgeding toepasselijke versies, moet aldus worden uitgelegd dat een kunststof opvangzak voor dialyse die speciaal is ontworpen om te worden gebruikt met een dialysemachine (kunstnier) en slechts op deze wijze kan worden gebruikt, tussen mei 2001 en december 2003 moest worden ingedeeld onder postonderverdeling 3926 90 99 van deze nomenclatuur als „kunststof en werken daarvan”, en dat een urineopvangzak van kunststof die speciaal is ontworpen om te worden gebruikt met een catheter en dus slechts op deze wijze kan worden gebruikt, voor dezelfde periode moest worden ingedeeld onder postonderverdeling 3926 90 99 van deze nomenclatuur als „kunststof en werken daarvan”.


(1)  PB C 148 van 5.6.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/9


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach — Republiek Polen) — Logstor ROR Polska Sp z o.o./Dyrektor Izby Skarbowej w Katowicach

(Zaak C-212/10) (1)

(Fiscale bepalingen - Kapitaalrecht - Richtlijn 69/335/EEG - Indirecte belastingen op bijeenbrengen van kapitaal - Belastingheffing over door kapitaalvennootschap afgesloten lening bij persoon die recht heeft op percentage van winst van die vennootschap - Recht van lidstaat om belastingregeling die bij toetreding tot Europese Unie niet meer van kracht was weer in te voeren)

2011/C 232/14

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Logstor ROR Polska Sp z o.o.

Verwerende partij: Dyrektor Izby Skarbowej w Katowicach

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach — Uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 (PB L 156, blz. 23) — Recht van een lidstaat om een bij zijn toetreding tot de Europese Unie afgeschafte belasting opnieuw in te voeren — Kapitaalrecht — Heffing van belasting over een lening die een kapitaalvennootschap afsluit bij een persoon die recht heeft op een aandeel in de winst van die vennootschap

Dictum

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juni 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat een kapitaalrecht opnieuw invoert dat wordt geheven over de lening die een kapitaalvennootschap afsluit, indien de schuldeiser recht heeft op een aandeel in de winst van de vennootschap, wanneer die lidstaat eerder afstand had gedaan van de heffing van dit recht.


(1)  PB C 209 van 31.7.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/9


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 juni 2011 — Union Investment Privatfonds GmbH/UniCredito Italiano SpA, Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

(Zaak C-317/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikel 8, lid 1, sub b - Woordmerken UNIWEB en UniCredit Wealth Management - Oppositie door houder van nationale woordmerken UNIFONDS en UNIRAK en van nationaal beeldmerk UNIZINS - Beoordeling van gevaar voor verwarring - Gevaar voor associatie - Merkenserie of merkenfamilie)

2011/C 232/15

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: Union Investment Privatfonds GmbH (vertegenwoordigers: J. Zindel en C. Schmid, Rechtsanwälte)

Andere partijen in de procedure: UniCredito Italiano SpA (vertegenwoordiger: G. Floridia, avvocato), Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 27 april 2010 — UniCredito Italiano/BHIM — Union Investment Privatfonds (gevoegde zaken T-303/06 en T-337/06), waarbij het Gerecht heeft verworpen de verzoeken van Union Investment Privatfonds GmbH betreffende de beroepen die zijn ingesteld tegen twee beslissingen van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 5 september 2006 (gevoegde zaken R 196/2005-2 en R 211/2005-2) en van 25 september 2006 (gevoegde zaken R 456/2005-2 en R 502/2005-2) inzake oppositieprocedures tussen Union Investment Privatfonds GmbH en UniCredito Italiano SpA

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 27 april 2010, UniCredito Italiano/BHIM — Union Investment Privatfonds (UNIWEB) (T-303/06 en T-337/06), wordt vernietigd.

2)

De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3)

De beslissing over de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 146 van 11.9.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/10


Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 11 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven kasatsionen sad — Bulgarije) — Tony Georgiev Semerdzhiev/ET Del-Pi-Krasimira Mancheva

(Zaak C-32/10) (1)

(Artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering - Richtlijn 90/314/EEG - Pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten - Feiten van vóór toetreding van Republiek Bulgarije tot Europese Unie - Kennelijke onbevoegdheid van Hof om op prejudiciële vragen te antwoorden)

2011/C 232/16

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven kasatsionen sad (Bulgarije)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Tony Georgiev Semerdzhiev

Verwerende partij: ET Del-Pi-Krasimira Mancheva

Andere partij in de procedure: ZAD Bulstrad VIG

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Varhoven kasatsionen sad — Uitlegging van artikel 2, punt 1, sub c, artikel 4, lid 1, sub b–iv, en artikel 5, lid 2, derde en vierde alinea, van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen (PB L 158, blz. 59) — Begrip „andere, niet met vervoer of logies verband houdende toeristische diensten” ten laste van de organisator — Verplichting voor de organisator om voor iedere consument een individuele verzekeringsovereenkomst af te sluiten en hem voor de reis het origineel te overhandigen — Verplichting voor de organisator om een individuele bijstandsovereenkomst af te sluiten die de repatriëringskosten bij ongeval dekt — Begrip „schade” die de consument ondervindt ingevolge het niet of slecht uitvoeren van de overeenkomst — Inbegrip van morele schade

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om op de vragen van de Varhoven kasatsionen sad (Bulgarije) te antwoorden.


(1)  PB C 100 van 17.4.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/10


Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 23 mei 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen — België) — André Rossius (C-267/10), Marc Collard (C-268/10)/Belgische Staat — FOD Financiën

(Gevoegde zaken C-267/10 en C-268/10) (1)

(Artikel 6, lid 1, VEU - Artikel 35 van Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Bezit en verkoop van producten van rooktabak - Nationale bepalingen die heffing van accijnzen op tabakswaren toestaan - Kennelijke onbevoegdheid Hof)

2011/C 232/17

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Rechtbank van eerste aanleg te Namen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: André Rossius (C-267/10), Marc Collard (C-268/10)

Verwerende partij: Belgische Staat — FOD Financiën

in tegenwoordigheid van: Belgische Staat — Federale overheidsdienst Defensie

Voorwerp

Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Rechtbank van eerste aanleg te Namen — Uitlegging van artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU en van artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Verenigbaarheid, met de doelstelling van bescherming van de menselijke gezondheid, van een nationale regeling die de vervaardiging, de invoer, de verkoopbevordering en de verkoop van producten van rooktabak toestaat, die als zeer schadelijk voor de gezondheid zijn erkend — Geldigheid, vanuit het oogpunt van de genoemde bepalingen, van nationale bepalingen die de heffing van accijns op tabakswaren toestaat

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om te antwoorden op de vragen die bij beslissingen van 24 maart 2010 door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen (België) zijn gesteld.


(1)  PB C 221 van 14.8.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/11


Beschikking van het Hof van 14 april 2011 — Luigi Marcuccio/Hof van Justitie van de Europese Unie

(Zaak C-460/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Vertegenwoordiging van rekwirant - Niet gevolmachtigd advocaat - Betekening van hogere voorziening - Verzoek om schadevergoeding - Hof van Justitie van de Europese Unie - Afwijzing - Beroep tot nietigverklaring - Beweerdelijk geleden schade - Beroep tot schadevergoeding - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)

2011/C 232/18

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirant: Luigi Marcuccio (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)

Andere partij in de procedure: Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. V. Placco, gemachtigde)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht (Zesde kamer) van 6 juli 2010, Marcuccio/Commissie (T-401/09), houdende enerzijds afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van de besluiten waarbij het Hof van Justitie afwijzend zou hebben beslist op de vordering tot vergoeding van de schade die zou zijn voortgevloeid uit een onregelmatigheid bij de betekening van de hogere voorziening in het kader van zaak T-20/09 P aan Luigi Marcuccio, en anderzijds afwijzing van een vordering tot schadevergoeding

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Marcuccio wordt verwezen in de kosten van de hogere voorziening.


(1)  PB C 328 van 4.12.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/11


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 15 april 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione tributaria provinciale di Parma — Italië) — Danilo Debiasi/Agenzia delle Entrate, Ufficio di Parma

(Zaak C-613/10) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

2011/C 232/19

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Commissione tributaria provinciale di Parma

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Danilo Debiasi

Verwerende partij: Agenzia delle Entrate, Ufficio di Parma

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Commissione tributaria provinciale di Parma — Uitlegging van artikel 13, A, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Aftrek van voorbelasting — Openbare of particuliere gezondheidsinrichtingen die een vrijgestelde activiteit verrichten — Nationale wettelijke regeling die de aftrek van de belasting op de aankoop van in het kader van die vrijgestelde activiteiten gebruikte goederen of diensten uitsluit

Dictum

Het door de Commissione tributaria provinciale di Parma (Italië) bij beslissing van 7 juli 2010 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is kennelijk niet-ontvankelijk.


(1)  PB C 80 van 12.3.2011.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Bíróság (Hongarije) op 18 april 2011 — Bericap Záródástechnikai Bt./Plastinnova 2000 Kft.

(Zaak C-180/11)

2011/C 232/20

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bericap Záródástechnikai Bt.

Verwerende partij: Plastinnova 2000 Kft.

Andere partij in de procedure: Szellemi Tulajdon Nemzeti Hivatala (voorheen Magyar Szabadalmi Hivatal)

Prejudiciële vragen

1)

Is het verenigbaar met het Unierecht dat in een wijzigingsprocedure met betrekking tot een vordering tot nietigverklaring van een gebruiksmodel de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zo zijn gestructureerd dat de nationale rechter niet gebonden is aan de door de partijen geformuleerde vorderingen en overige verklaringen met rechtsgevolgen en, met name dat de rechter ambtshalve de noodzakelijk geachte bewijsmaatregelen kan gelasten?

2)

Is het verenigbaar met het Unierecht dat in een wijzigingsprocedure met betrekking tot een vordering tot nietigverklaring van een gebruiksmodel de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zo zijn gestructureerd dat de nationale rechter bij zijn beoordeling niet gebonden is aan de administratieve beslissing die op de vordering tot nietigverklaring is gegeven, noch aan de daarin vastgestelde feiten evenmin als aan met name de nietigheidsgronden die tijdens de administratieve procedure zijn aangevoerd, of aan de verklaringen, beoordelingen en bewijzen die tijdens de administratieve procedure zijn overgelegd?

3)

Is het verenigbaar met het Unierecht dat in een wijzigingsprocedure met betrekking tot een nieuwe vordering tot nietigverklaring van een gebruiksmodel de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zo zijn gestructureerd dat de nationale rechter van de documenten die de nieuwe vordering betreffen — met inbegrip van het bewijs omtrent de stand van de techniek — die documenten uitsluit die reeds ter ondersteuning van de vorige vordering tot nietigverklaring van de gebruiksmodelbescherming zijn aangevoerd?


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/12


Hogere voorziening ingesteld op 27 april 2011 door de Fédération Internationale de Football Association (FIFA) tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 17 februari 2011 in zaak T-385/07, Fédération Internationale de Football Association (FIFA)/Europese Commissie

(Zaak C-204/11 P)

2011/C 232/21

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Fédération Internationale de Football Association Internationale (FIFA) (vertegenwoordigers: A. Barav en D. Reymond, avocats)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Koninkrijk België, Bondsrepubliek Duitsland en Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Conclusies

Rekwirante concludeert dat het het Hof behage:

het arrest van het Gerecht van 17 februari 2011 in zaak T-385/07 te bevestigen wat ontvankelijkheid betreft;

het arrest van het Gerecht van 17 februari 2011 in zaak T-385/07 ten gronde te vernietigen voor zover daarbij de opneming van de „gewone wedstrijden” van de FIFA World CupTM in de Belgische lijst van evenementen „van aanzienlijk belang voor de samenleving” in de zin van de richtlijn wordt goedgekeurd;

de zaak af te doen krachtens artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de FIFA betreffende de procedure in eerste aanleg en de onderhavige hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

1)   Onjuiste rechtsopvatting, schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie, schending van artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn 89/552/EEG  (1), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG  (2), en van het Unierecht, en onjuiste toepassing van artikel 296 VWEU (overschrijding van de grenzen van de rechterlijke toetsing, tegenstrijdige motivering, niet in het bestreden besluit gegeven motivering van de kwalificatie van de FIFA World CupTM waaraan onjuiste juridische conclusies zijn verbonden, en omkering van de bewijslast)

Het Gerecht heeft volgens rekwirante het Unierecht geschonden door ter ondersteuning van de vaststelling dat de Commissie de FIFA World CupTM terecht heeft aangemerkt als een evenement dat „een geheel vormt” voor de toepassing van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, gebruik te maken van een niet in het besluit van de Commissie (3) gegeven motivering, door een onsamenhangende en tegenstrijdige motivering te geven, door te oordelen dat de lidstaten geen specifieke motivering voor de opneming van de gehele FIFA World CupTM in hun lijst van evenementen van aanzienlijk belang hoeven te geven en door de bewijslast om te keren.

2)   Onjuiste rechtsopvatting, schending van artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, onjuiste toepassing van artikel 296 VWEU en schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie (onjuiste kwalificatie van de FIFA World CupTM, overschrijding van de grenzen van de rechterlijke toetsing, niet in het bestreden besluit vermelde overwegingen, verkeerde beoordeling van de feiten betreffende de „gewone wedstrijden” waaraan onjuiste juridische conclusies zijn verbonden, vaststelling dat de in het bestreden besluit gegeven motivering toereikend is en verzuim om in te gaan op aangevoerde argumenten)

Het Gerecht heeft volgens rekwirante het Unierecht geschonden door te oordelen dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld en toereikend heeft gemotiveerd dat de gehele FIFA World CupTM een evenement van aanzienlijk belang voor de Belgische samenleving in de zin van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, is. In het bijzonder heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en aan de feiten onjuiste juridische conclusies verbonden door de niet-onderbouwde vaststelling van de Commissie te bevestigen dat de gehele FIFA World CupTM„een bijzondere algemene weerklank binnen België” heeft, traditioneel op de kosteloze televisie wordt uitgezonden en hoge kijkcijfers haalt.

3)   Onjuiste rechtsopvatting, schending van het VWEU, schending van artikel 3 bis, leden 1 en 2, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, onjuiste toepassing van artikel 296 VWEU en schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie (miskenning van de omvang van de rechterlijke toetsing, vaststelling dat de Commissie terecht van mening was en toereikend heeft gemotiveerd dat de aangemelde Belgische maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht en dat de daaruit voortvloeiende beperkingen evenredig zijn, en miskenning van de omvang van het recht op informatie en van het publieke belang van ruime toegang tot op televisie uitgezonden evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving)

Dit middel bevat twee onderdelen.

Eerste onderdeel: rekwirante stelt dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld dat de aangemelde Belgische maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht, ofschoon in het bestreden besluit niet is ingegaan op de beperkingen van de vrijheid van vestiging. Het Gerecht heeft het Unierecht tevens geschonden door te oordelen dat de beperkingen van de vrijheid van vestiging evenredig zijn en dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld en toereikend heeft gemotiveerd dat de beperkingen van het vrij verrichten van diensten evenredig zijn.

Tweede onderdeel: rekwirante betoogt dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld dat de aangemelde Belgische maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht, ofschoon in het bestreden besluit niet is ingegaan op de beperkingen van het eigendomsrecht van de FIFA. Het Gerecht heeft het Unierecht tevens geschonden door te oordelen dat de beperkingen van het eigendomsrecht van de FIFA evenredig zijn.


(1)  Richtlijn van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23).

(2)  Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 202, blz. 60).

(3)  Besluit van de Commissie (2007/479/EG) van 25 juni 2007 inzake de verenigbaarheid met de gemeenschapswetgeving van maatregelen die door België zijn genomen overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 180, blz. 24).


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/13


Hogere voorziening ingesteld op 27 april 2011 door de Fédération Internationale de Football Association (FIFA) tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 17 februari 2011 in zaak T-68/08, Fédération internationale de football association (FIFA)/Europese Commissie

(Zaak C-205/11 P)

2011/C 232/22

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Fédération Internationale de Football Assocation (FIFA) (vertegenwoordigers: A. Barav en D. Reymond, avocats)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Koninkrijk België en Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Conclusies

Rekwirante concludeert dat het het Hof behage:

het arrest van het Gerecht van 17 februari 2011 in zaak T-68/08 te bevestigen wat ontvankelijkheid betreft;

het arrest van het Gerecht van 17 februari 2011 in zaak T-68/08 ten gronde te vernietigen voor zover daarbij de opneming van de „gewone wedstrijden” van de FIFA World CupTM in de Britse lijst van evenementen „van aanzienlijk belang voor de samenleving” in de zin van de richtlijn wordt goedgekeurd;

de zaak af te doen krachtens artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de FIFA betreffende de procedure in eerste aanleg en de onderhavige hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

1)   Onjuiste rechtsopvatting, schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie, schending van artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn 89/552/EEG  (1), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG  (2), en van het Unierecht, en onjuiste toepassing van artikel 296 VWEU (overschrijding van de grenzen van de rechterlijke toetsing, tegenstrijdige motivering, niet in het bestreden besluit gegeven motivering van de kwalificatie van de FIFA World CupTM waaraan onjuiste juridische conclusies zijn verbonden, en omkering van de bewijslast)

Het Gerecht heeft volgens rekwirante het Unierecht geschonden door ter ondersteuning van de vaststelling dat de Commissie de FIFA World CupTM terecht heeft aangemerkt als een evenement dat „een geheel vormt” voor de toepassing van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, gebruik te maken van een niet in het besluit van de Commissie (3) gegeven motivering, door een onsamenhangende en tegenstrijdige motivering te geven, door te oordelen dat de lidstaten geen specifieke motivering voor de opneming van de gehele FIFA World CupTM in hun lijst van evenementen van aanzienlijk belang hoeven te geven en door de bewijslast om te keren.

2)   Onjuiste rechtsopvatting, schending van artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie en onjuiste toepassing van artikel 296 VWEU (de vaststelling dat de Commissie terecht van mening was dat de lijst van Britse maatregelen „duidelijk en transparant” was opgesteld)

Het Gerecht heeft volgens rekwirante het Unierecht geschonden door te oordelen dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld dat de Britse evenementenlijst in overeenstemming met richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36 „op duidelijke en transparante wijze” was opgesteld, en dit afgezien van het feit dat tot opneming van de gehele FIFA World CupTM in die lijst was besloten ondanks de andersluidende unanieme adviezen en aan de Commissie daarvoor met name een motivering werd gegeven die ten tijde van de opstelling van die lijst niet voorhanden was.

3)   Onjuiste rechtsopvatting, schending van artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, onjuiste toepassing van artikel 296 VWEU en schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie (onjuiste kwalificatie van de FIFA World CupTM, overschrijding van de grenzen van de rechterlijke toetsing, niet in het bestreden besluit vermelde overwegingen, verkeerde beoordeling van de feiten betreffende de „gewone wedstrijden” waaraan onjuiste juridische conclusies zijn verbonden, vaststelling dat de in het bestreden besluit gegeven motivering toereikend is en verzuim om in te gaan op aangevoerde argumenten)

Het Gerecht heeft volgens rekwirante het Unierecht geschonden door te oordelen dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld en toereikend heeft gemotiveerd dat de gehele FIFA World CupTM een evenement van aanzienlijk belang voor de Britse samenleving in de zin van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, is. In het bijzonder heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en aan de feiten onjuiste juridische conclusies verbonden door de niet-onderbouwde vaststelling van de Commissie te bevestigen dat de gehele FIFA World CupTM„een bijzondere algemene weerklank binnen het Verenigd Koninkrijk” heeft, traditioneel op de kosteloze televisie wordt uitgezonden en hoge kijkcijfers haalt.

4)   Onjuiste rechtsopvatting, schending van het Unierecht, schending van artikel 3 bis, leden 1 en 2, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, onjuiste toepassing van artikel 296 VWEU en schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie (miskenning van de omvang van de rechterlijke toetsing, vaststelling dat de Commissie terecht van mening was en toereikend heeft gemotiveerd dat de aangemelde Britse maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht en dat de daaruit voortvloeiende beperkingen evenredig zijn, en miskenning van de omvang van het recht op informatie en van het publieke belang van ruime toegang tot op televisie uitgezonden evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving)

Dit middel bevat drie onderdelen.

Eerste onderdeel: rekwirante stelt dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld dat de aangemelde Britse maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht, ofschoon in het bestreden besluit niet is ingegaan op de beperkingen van de vrijheid van vestiging. Het Gerecht heeft het Unierecht tevens geschonden door te oordelen dat de beperkingen van de vrijheid van vestiging evenredig zijn en dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld en toereikend heeft gemotiveerd dat de beperkingen van het vrij verrichten van diensten evenredig zijn.

Tweede onderdeel: rekwirante betoogt dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld dat de aangemelde Britse maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht, ofschoon in het bestreden besluit niet is ingegaan op de beperkingen van het eigendomsrecht van de FIFA. Het Gerecht heeft het Unierecht tevens geschonden door te oordelen dat de beperkingen van het eigendomsrecht van de FIFA evenredig zijn.

Derde onderdeel: rekwirante voert aan dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld en toereikend heeft gemotiveerd dat de aangemelde Britse maatregelen verenigbaar zijn met de Unierechtelijke mededingingsregels aangezien de beperkingen van het vrij verrichten van diensten gerechtvaardigd zijn. Het Gerecht heeft het Unierecht tevens geschonden door te oordelen dat de Commissie de relevante markt niet behoefde af te bakenen voor de beoordeling van mededingingsbeperkingen en dat die maatregelen niet tot verlening van bijzondere rechten in de zin van artikel 106, lid 1, VWEU hebben geleid.


(1)  Richtlijn van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23).

(2)  Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 202, blz. 60).

(3)  Besluit van de Commissie (2007/730/EG) van 16 oktober 2007 inzake de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van maatregelen die het Verenigd Koninkrijk heeft genomen op grond van artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 295, blz. 12).


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Ítélőtábla (Hongarije) op 11 mei 2011 — Észak-dunántúli Környezetvédelmi és Vízügyi Igazgatóság (Édukövízig) en Hochtief Construction AG Magyarországi Fióktelepe/Közbeszerzések Tanácsa Közbeszerzési Döntőbizottság

(Zaak C-218/11)

2011/C 232/23

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Ítélőtábla

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Észak-dunántúli Környezetvédelmi és Vízügyi Igazgatóság (Édukövízig) en Hochtief Construction AG Magyarországi Fióktelepe

Verwerende partij: Közbeszerzések Tanácsa Közbeszerzési Döntőbizottság

Interveniënten: Vegyépszer Építő és Szerelő Zrt. en MÁVÉPCELL Kft.

Prejudiciële vragen

1)

Kan de bepaling dat de minimumeisen inzake draagkracht en bekwaamheden in artikel 44, lid 2, van richtlijn 2004/18/EG (1) overeenkomstig artikel 47, lid 1, sub b, van deze richtlijn worden gesteld, aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende diensten de minimumeisen inzake draagkracht en bekwaamheden mogen verbinden aan één enkele indicator in het boekhoudkundige document (balans) welke zij in aanmerking nemen ter verificatie van de economische en financiële draagkracht?

2)

Zo ja, voldoet aan het in artikel 44, lid 2, van de richtlijn gestelde verenigbaarheidsvereiste een bij de beoordeling van de minimumeis inzake draagkracht en bekwaamheden in aanmerking genomen gegeven (resultaat van het boekjaar) dat een verschillende inhoud heeft al naargelang de boekhoudkundige voorschriften van elke lidstaat?

3)

Volstaat het ter correctie van de verschillen die tussen de lidstaten ongetwijfeld bestaan, dat de aanbestedende dienst, afgezien van de bescheiden die in aanmerking worden genomen ter verificatie van de economische en financiële draagkracht, de mogelijkheid waarborgt om een beroep te doen op externe referenties (artikel 47, lid 3) of dient hij, om te voldoen aan het verenigbaarheidsvereiste voor alle door hem aangeduide bescheiden, te waarborgen dat die draagkracht op een andere wijze kan worden aangetoond (artikel 47, lid 5)?


(1)  Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114).


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 11 mei 2011 — BrainProducts GmbH/Bio Semi V.O.F. e.a.

(Zaak C-219/11)

2011/C 232/24

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: BrainProducts GmbH

Verwerende partijen: Bio Semi V.O.F., Antonius Pieter Kuiper, Robert Jan Gerard Honsbeek, Alexander Coenraad Metting van Rijn

Prejudiciële vraag

Is een artikel dat door de fabrikant is bestemd om bij de mens te worden aangewend voor het onderzoek van een fysiologisch proces, slechts een medisch hulpmiddel in de zin van artikel 1, lid 2, sub a, derde streepje, van richtlijn 93/42/EEG (1) indien het op een medisch doel is gericht?


(1)  Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2007/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 (PB L 247, blz. 21).


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg (Duitsland) op 11 mei 2011 — Leyla Ecem Demirkan/Bundesrepublik Deutschland

(Zaak C-221/11)

2011/C 232/25

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Leyla Ecem Demirkan

Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland

Prejudiciële vragen

1)

Valt onder het begrip vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 41, lid 1, van het aanvullend protocol van 23 november 1970 (1) bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, ook de passieve vrijheid van dienstverrichting?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: Geldt de bescherming van de passieve vrijheid van dienstverrichting waarin artikel 41, lid 1, van het aanvullend protocol voorziet in het kader van de associatie-overeenkomst, ook voor Turkse staatsburgers die — zoals verzoekster — de Bondsrepubliek Duitsland niet willen binnenkomen om concrete diensten te ontvangen, maar voor familiebezoek in het kader van een verblijf van ten hoogste drie maanden, en zich op de loutere mogelijkheid om diensten in Duitsland te ontvangen beroepen?


(1)  PB 1972, L 293, blz. 4.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen Sad Varna (Bulgarije) op 16 mei 2011 — TETS Haskovo AD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto”, gr. Varna, pri Sentralno Upravlenie na Natsionalna Agentsia po Prihodite (Directeur van de Directie „Betwisting en beheer van de tenuitvoerlegging”, Varna, bij het centrale bestuur van het Nationaal Agentschap voor Inkomsten)

(Zaak C-234/11)

2011/C 232/26

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen Sad Varna

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: TETS Haskovo AD

Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto”, gr. Varna, pri Sentralno Upravlenie na Natsionalna Agentsia po Prihodite (Directeur van de Directie „Betwisting en beheer van de tenuitvoerlegging”, Varna, bij het centrale bestuur van het Nationaal Agentschap voor Inkomsten)

Prejudiciële vragen

1)

Welke uitlegging dient te worden gegeven aan het begrip „vernietiging van bezit” in de zin van artikel 185, lid 2, van richtlijn 2006/112 (1), en zijn de beweegredenen voor de vernietiging en/of de omstandigheden waarin deze heeft plaatsgevonden, van belang voor de herziening van bij de verkrijging van activa afgetrokken voorbelasting?

2)

Dient een naar behoren bewezen vernietiging van economische goederen die uitsluitend ertoe strekt nieuwe, modernere economische goederen met dezelfde bestemming tot stand te brengen, te worden verstaan als een wijziging van de elementen die het bedrag van de aftrek bepalen in de zin van artikel 185, lid 1, van richtlijn 2006/112?

3)

Dient artikel 185, lid 2, van richtlijn 2006/112 aldus te worden uitgelegd, dat de lidstaten mogen voorzien in herzieningen bij vernietiging van activa wanneer de aankoop ervan geheel onbetaald is gebleven of gedeeltelijk is betaald?

4)

Dient artikel 185, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112 aldus te worden uitgelegd, dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling zoals in casu deze van de artikelen 79, lid 3, btw-wet en 80, lid 2, punt 1, btw-wet, die de herziening van de toegepaste aftrek vereist in het geval van vernietiging van activa die werden verkregen met volledige betaling van het basisbedrag en de aangerekende belasting, en die de niet-herziening afhankelijk stelt van een andere voorwaarde dan de betaling?

5)

Dient artikel 185, lid 2, van richtlijn 2006/112 aldus te worden uitgelegd, dat het de mogelijkheid van herziening van aftrek uitsluit in het geval van de sloop van een gebouwencomplex die uitsluitend ertoe strekt op die plaats een nieuw, moderner gebouwencomplex op te richten dat dezelfde bestemming als het gesloopte complex heeft en dat leveringen meebrengt die voor aftrek van voorbelasting in aanmerking komen?


(1)  PB L 347, blz. 1; bijzondere uitgave in het Bulgaars: hoofdstuk 9, deel 3, blz. 7.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/16


Beroep ingesteld op 19 mei 2011 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

(Zaak C-241/11)

2011/C 232/27

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: Z. Malůšková, N. Yerrell en K. Ph. Wojcik, gemachtigden)

Verwerende partij: Tsjechische Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Tsjechische Republiek de haar bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde verplichtingen en bijgevolg ook de krachtens artikel 260 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4 van richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (1), en aldus niet aan de krachtens artikel 22, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen te voldoen;

de Tsjechische Republiek veroordelen om de Commissie op de rekening „eigen middelen van de Europese Unie” volgende bedragen te betalen:

de forfaitaire som van 5 644,80 EUR voor elke dag achterstand bij het vaststellen van de bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde maatregelen, vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest (14 januari 2010)

tot op de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak, of

tot op de dag waarop de Tsjechische Republiek de bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde maatregelen vaststelt, indien die dag zou voorafgaan aan de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak, en

een dwangsom van 22 364,16 EUR voor elke dag achterstand bij het vaststellen van de bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde maatregelen, vanaf de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot op de dag waarop de Tsjechische Republiek de bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde maatregelen vaststelt; en

de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Op 14 januari 2010 wees het Hof zijn arrest in zaak C-343/08, Commissie/Tsjechische Republiek (2), waarin het oordeelde dat „[d]oor niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, […] de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 22, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet [is] nagekomen”.

De Tsjechische Republiek heeft de Commissie er vooralsnog niet van op de hoogte gesteld dat zij de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen heeft vastgesteld om aan de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41/EG te voldoen en aldus de krachtens artikel 22, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen na te komen. De Commissie is derhalve van mening dat de Tsjechische Republiek de haar bij het arrest in zaak C-343/08 opgelegde maatregelen niet heeft vastgesteld. Overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU kan de Commissie, indien zij van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het arrest van het Hof, de zaak voor het Hof brengen en daarbij het bedrag vermelden van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. Op basis van de in de mededeling van de Commissie over de tenuitvoerlegging van artikel 228 van het EG-Verdrag [SEC (2005) 1658] neergelegde methode, betoogt de Commissie dat het Hof de in haar conclusies vermelde forfaitaire som en dwangsom moet opleggen.


(1)  PB L 235, blz. 10.

(2)  Nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen Sad Sofia-grad (Bulgarije) op 19 mei 2011 — Hristo Byankov/Glaven Sekretar na Ministerstvo na vatreshnite raboti (MVR)

(Zaak C-249/11)

2011/C 232/28

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen Sad Sofia-grad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Hristo Byankov

Verwerende partij: Glaven Sekretar na Ministerstvo na vatreshnite raboti (hoofdsecretaris van het ministerie van binnenlandse zaken)

Prejudiciële vragen

1)

Vereist het beginsel van de loyale samenwerking overeenkomstig artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie junctis de artikelen 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gelet op de feiten in het hoofdgeding, dat een nationale bepaling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is — volgens welke bepaling de intrekking van een definitief bestuursbesluit toelaatbaar is om een einde te maken aan een door een arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens vastgestelde schending van grondrechten, welk grondrecht tegelijkertijd eveneens in het recht van de Europese Unie wordt erkend en waarbij het gaat over het recht op vrij verkeer van staatsburgers van de lidstaten — ook wordt toegepast met betrekking tot de in een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uitlegging van inzake de beperkingen aan de uitoefening van genoemd recht dienende bepalingen van Unierecht, indien voor de beëindiging van de inbreuk de intrekking van het bestuursbesluit vereist is?

2)

Volgt uit artikel 31, leden 1 en 3, van richtlijn 2004/38/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, dat wanneer een lidstaat in zijn nationale recht een procedure heeft voorzien ter controle van een bestuursbesluit dat het in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn vervatte recht beperkt, de bevoegde administratieve dienst ook dan verplicht is om op verzoek van degenen tot wie het bestuursbesluit is gericht dit besluit te controleren en de rechtmatigheid ervan te beoordelen, waarbij ook rekening wordt gehouden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake uitlegging van relevante bepalingen van Unierecht die de voorwaarden en de beperkingen waaronder dit recht wordt uitgeoefend regelen ter waarborging dat de opgelegde beperking van het recht op het tijdstip van de vaststelling van het controlebesluit niet onevenredig is, wanneer het bestuursbesluit inzake de oplegging van de beperking op dat tijdstip reeds definitief is?

3)

Is het op grond van de bepalingen van artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, respectievelijk artikel 27, lid 1, van richtlijn 2004/38 toelaatbaar dat een nationale bepaling, die voorziet in de oplegging van een beperking van het recht op vrij verkeer van een staatsburger van een lidstaat van de Europese Unie in het kader van de Europese Unie wegens het loutere bestaan van een schuld tegenover een particulier (een handelsvennootschap) die een bepaald wettelijk voorzien bedrag overschrijdt en niet gewaarborgd is, wordt toegepast in het kader van een aanhangige exequaturprocedure tot inning van de schuldvordering en zonder inachtneming van de in het Unierecht voorziene mogelijkheid dat een instantie van een andere lidstaat de schuldvordering int?


(1)  PB L 158, blz. 77; bijzondere Bulgaarse uitgave, hoofdstuk 5, deel 7, blz. 56.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Legfelsőbb Bíróság (Republiek Hongarije) op 25 mei 2011 — Szabolcs-Szatmár-Bereg Megyei Rendőrkapitányság Záhony Határrendészeti Kirendeltsége/Oskar Shomodi

(Zaak C-254/11)

2011/C 232/29

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Legfelsőbb Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Szabolcs-Szatmár-Bereg Megyei Rendőrkapitányság Záhony Határrendészeti Kirendeltsége

Verwerende partij: Oskar Shomodi

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 5 van verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 (1) (hierna: „verordening nr. 1931/2006”), dat bepaalt dat de maximale toelaatbare duur van elk ononderbroken verblijf drie maanden bedraagt — in het bijzonder gelet op het bepaalde in de artikelen 2, sub a, en 3, punt 3, van deze verordening — aldus worden uitgelegd dat deze verordening een persoon de mogelijkheid biedt om een land, op grond van bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en aangrenzende derde landen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening, veelvuldig in en uit te reizen en aldaar een ononderbroken verblijf van maximaal drie maanden te houden, zodat een grensbewoner die over een vergunning voor klein grensverkeer beschikt, alvorens de verblijfsduur van drie maanden verstrijkt, zijn ononderbroken verblijf mag onderbreken en, na weer de grens te zijn overgestoken, opnieuw recht heeft op een ononderbroken verblijf van drie maanden?

2)

Zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kan het ononderbroken verblijf in de zin van artikel 5 van verordening nr. 1931/2006 dan worden geacht te zijn onderbroken wanneer de inreis en de uitreis plaatsvinden op dezelfde dag of op opeenvolgende dagen?

3)

Zo de eerste vraag bevestigend maar de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, welke tijdspanne of welk ander beoordelingscriterium moet dan in aanmerking worden genomen om een onderbreking van het ononderbroken verblijf in de zin van artikel 5 van verordening nr. 1931/2006 vast te stellen?

4)

Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, kan het bepaalde in artikel 5 van verordening nr. 1931/2006 op grond waarvan een ononderbroken verblijf van maximaal drie maanden is toegestaan, dan aldus worden uitgelegd dat de verblijfsduur in het kader van het veelvuldig in- en uitreizen moet worden samengeteld en dat de vergunning voor klein grensverkeer, gelet op artikel 20, lid 1, van de Overeenkomst van 14 juni 1985 ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord (PB 2000, L 239, blz. 19) — en andere bepalingen inzake de Schengenruimte —, indien de aldus samengetelde verblijfsduur 93 dagen (drie maanden) bedraagt, geen recht geeft op een verder verblijf binnen een periode van zes maanden vanaf de datum van eerste binnenkomst?

5)

Zo de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord, moet bij die optelling dan ook rekening worden gehouden met de veelvuldige in- en uitreizen die op eenzelfde dag plaatsvinden, alsmede met één enkele in- en uitreis op dezelfde dag, en welke berekeningsmethode dient daarbij te worden gebruikt?


(1)  Verordening tot vaststelling van regels inzake klein grensverkeer aan de landbuitengrenzen van de lidstaten en tot wijziging van de bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (PB L 405, blz.1).


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen Sad Sofia-grad (Bulgarije) op 26 mei 2011 — Kremikovtsi AD/Ministar na ikonomikata, energetikata i turizma i zamestnik-ministar na ikonomikata, energetikata i turizma

(Zaak C-262/11)

2011/C 232/30

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen Sad Sofia-grad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Kremikovtsi AD

Verwerende partij: Ministar na ikonomikata, energetikata i turizma i zamestnik-ministar na ikonomikata, energetikata i turizma

Prejudiciële vragen

1)

Zijn de bepalingen van de Europa-Overeenkomst, in het bijzonder de besluiten van de Associatieraad EU-Bulgarije, van toepassing op staatssteun die vóór de toetreding van de Republiek Bulgarije tot de Europese Unie is verleend overeenkomstig de bepalingen van de Europa-Overeenkomst en in het bijzonder overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Protocol nr. 2, wanneer de beoordeling van de onverenigbaarheid van de op deze wijze verleende staatssteun na de datum van de toetreding van de Republiek Bulgarije tot de Europese Unie plaatsvindt? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de volgende vraag:

a)

Moet artikel 3, tweede alinea, van het aanvullend Protocol bij de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Bulgarije, anderzijds, met betrekking tot de verlenging van de periode bedoeld in artikel 9, lid 4, van Protocol nr. 2 bij de Europa-Overeenkomst aldus worden uitgelegd dat enkel de Europese Commissie kan beslissen of het herstructureringsprogramma en de bedrijfsplannen als bedoeld in artikel 2 van het aanvullend Protocol volledig zijn uitgevoerd en voldoen aan de vereisten van artikel 9, lid 4, van Protocol nr. 2 bij de Europa-Overeenkomst? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is beantwoording van de navolgende vraag noodzakelijk:

b)

Moet artikel 3, derde alinea, van het aanvullend Protocol bij de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Bulgarije, anderzijds, met betrekking tot de verlenging van de periode bedoeld in artikel 9, lid 4, van Protocol nr. 2 bij de Europa-Overeenkomst aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale autoriteit van de Republiek Bulgarije gerechtigd is tot vaststelling van een besluit tot terugvordering van staatssteun die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 9, lid 4, van Protocol nr. 2 bij de Europa-Overeenkomst? Indien het Hof van Justitie deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is beantwoording van de navolgende vraag noodzakelijk:

2)

Moet de bepaling van punt 1 van het de mededingingsregels betreffende deel van bijlage V van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, aldus worden uitgelegd dat de litigieuze staatssteun „nieuwe steun” is in de zin van punt 1, tweede alinea, van deze bijlage? Zo ja, moeten dan de artikelen 107 VWEU en 108 VWEU (oude artikelen 87 EG en 88 EG) inzake staatssteun alsook de bepalingen van verordening nr. 659/1999 (1) op dergelijke „nieuwe steun” worden toegepast?

a)

Wanneer het antwoord hierop ontkennend luidt, moet de navolgende vraag worden beantwoord: Moeten de bepalingen van punt 1 in bijlage V bij de Toetredingsakte aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale autoriteiten pas kunnen overgaan tot terugvordering van staatssteun als die in het hoofdgeding, wanneer de Commissie de onverenigbaarheid van de betrokken staatssteun met de interne markt bij beschikking heeft vastgesteld?

b)

Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord: Moet de aan de Varhoven administrativen sad (hooggerechtshof in bestuurszaken) overgelegde beschikking van de Commissie van 15 december 2009 als negatieve beschikking met betrekking tot onrechtmatige steun in de zin van artikel 14 van verordening nr. 659/1999 worden begrepen?


(1)  PB L 83, blz. 1.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/19


Beroep ingesteld op 31 mei 2011 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

(Zaak C-269/11)

2011/C 232/31

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Lozano Palacios en M. Šimerdová, gemachtigden)

Verwerende partij: Tsjechische Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Tsjechische Republiek de krachtens de artikelen 306 tot en met 310 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat § 89 van wet nr. 235/2004 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde reisagentschappen de mogelijkheid biedt de bijzondere regeling voor reisbureaus toe te passen op het verstrekken van reisdiensten aan andere personen dan reizigers;

de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

In Tsjechië wordt de bijzondere regeling voor reisbureaus van de artikelen 306 tot en met 310 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad niet enkel toegepast op prestaties van reisbureaus ten behoeve van reizigers, maar ook op prestaties ten behoeve van andere personen dan reizigers. Overeenkomstig § 89 van wet nr. 235/2004 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde wordt de bijzondere regeling in Tsjechië ook toegepast wanneer een reisdienst wordt verstrekt aan een rechtspersoon die deze dienst aan andere reisbureaus doorverkoopt. De Commissie meent dat dit in strijd is met de artikelen 306 tot en met 310 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad, op grond waarvan de bijzondere regeling voor reisbureaus enkel mag worden toegepast op het verstrekken van reisdiensten aan reizigers. Het standpunt van de Commissie vindt steun in de bewoordingen van de artikelen 306 tot en met 310 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad en in het door deze bepalingen nagestreefde doel.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (Raad van State, Griekenland) op 31 mei 2011 — Techniko Epimelitirio Ellados (TEE) e.a./Ypourgoi Esoterikon, Dimosias Dioikisis kai Apokentrosis, Metaforon kai Epikoinonion, Oikonomias kai Oikonomikon

(Zaak C-271/11)

2011/C 232/32

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Symvoulio tis Epikrateias

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Techniko Epimelitirio Ellados (TEE), Syllogos Ellinon Diplomatouchon Aeronafpigon Michanikon (SEA), Alexandros Tsiapas, Antonios Oikonomopoulos, Apostolos Batategas, Vasilios Kouloukis, Georgios Oikonomopoulos, Ilias Iliadis, Ioannis Tertigkas, Panellinios Syllogos Aerolimenikon Ypiresias Politikis Aeroporias, Eleni Theodoridou, Ioannis Karnesiotis, Alexandra Efthymiou, Eleni Saatsaki

Verwerende partijen: Ypourgoi Esoterikon, Dimosias Dioikisis kai Apokentrosis, Metaforon kai Epikoinonion, Oikonomias kai Oikonomikon (ministeries van Binnenlandse Zaken, Overheidsadministratie en Decentralisatie; Transport en Communicatie; Economische Zaken en Financiën)

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 2 van verordening nr. 2042/2003, gelezen in samenhang met artikel M.B. 902, sub b, punt 1, in bijlage I bij deze verordening en gelet op artikel AMC M.B. 102 (c), punt 1 (sub 1.1-1.4, 1.6 en 1.7), in bijlage I bij besluit nr. 2003/19/RM/28.11.2003 van het EASA inzake aanvaardbare wijzen van naleving van verordening nr. 2042/2003, aldus worden uitgelegd dat de nationale wetgever bij de vaststelling van aanvullende maatregelen voor de toepassing van die verordening de vrijheid heeft om de taak van de inspectie van het luchtvaartuig, voor de beoordeling of dit voldoet aan de geldende luchtwaardigheidsvereisten, op te splitsen over meerdere categorieën gespecialiseerde inspecteurs, waarvan elke slechts in een bepaald opzicht de luchtwaardigheid van het toestel controleert? Is meer bepaald met deze verordening verenigbaar een nationale regeling zoals de onderhavige, die voorziet in luchtwaardigheidsinspecteurs (Airworthiness and Avionics Inspectors), vliegdienstinspecteurs (Flight Operations Inspectors), cabineveiligheidsinspecteurs (Cabin Safety Inspectors) en inspecteurs van diploma’s en vergunningen (Licensing Inspectors)?

2)

Zo ja, moet artikel M.B. 902, sub b, punt 1, in bijlage I bij verordening (EG) nr. 2042/2003 aldus worden uitgelegd dat iedere persoon die belast wordt met de herbeoordeling van slechts een bepaald onderdeel van de luchtwaardigheid van een luchtvaartuig, een ervaring van vijf jaar moet hebben met betrekking tot alle aspecten die verband houden met de waarborgen voor de permanente luchtwaardigheid van een luchtvaartuig, of is het voldoende wanneer hij een ervaring van vijf jaar bezit met de specifieke taken die hem worden opgedragen en op het gebied van zijn eigen specialisme?

3)

Indien het antwoord op de vorige vraag zou luiden, dat volstaan kan worden met een vijfjarige ervaring met de specifieke taken voor het met de herbeoordeling belaste personeel, voldoet dan een nationale regeling als de onderhavige, die bepaalt dat de luchtwaardigheidsinspecteurs (Airworthiness and Avionics Inspectors) die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op en de controle van de luchtvaartuigen, de goedgekeurde onderhoudsorganisaties en de luchtvervoerders overeenkomstig de ICAO-handleiding (doc 9760), tenminste een vijfjarige werkervaring moeten hebben in een onderhoudsploeg en onderhoudswerkzaamheden moeten hebben verricht, aan het vereiste in voornoemd artikel M.B. 902, sub b, punt 1, in bijlage I van verordening nr. 2042/2003, dat het met de herbeoordeling belaste personeel beschikt over „ten minste vijf jaar ervaring in permanente luchtwaardigheid”?

4)

Zo ja, is een nationale bepaling als de onderhavige, die de houders van een onderhoudsvergunning in overeenstemming met Deel 66, in bijlage III bij verordening (EG) nr. 2042/2003 gelijkstelt aan de houders van met de luchtvaart verband houdende titels van hogere onderwijsinstellingen, door voor te schrijven dat beide categorieën personen, om als luchtwaardigheidsinspecteurs gecertificeerd te worden, ervaring moeten hebben in een werkomgeving waar luchtvaartuigen worden onderhouden, verenigbaar met verordening nr. 2042/2003?

5)

Moet onder „vijfjarige ervaring in de permanente luchtwaardigheid” volgens artikel M.B. 902, sub b, punt 1, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003, mede gelet op het bepaalde in artikel AMC M.B. 102 (c), punt 1 (sub 4 en 5), van bijlage I bij besluit nr. 2003/19/RM van het EASA, mede de praktijkervaring worden begrepen die eventueel is verworven in het kader van een studie voor het behalen van een relevante academische titel, of alleen de ervaring die is opgedaan onder reguliere arbeidsomstandigheden, buiten de studie om, nadat deze is voltooid en de desbetreffende titel behaald?

6)

Is, volgens de in de vorige vraag genoemde bepaling van verordening nr. 2042/2003, onder de vijfjarige ervaring in de permanente luchtwaardigheid ook de ervaring begrepen die is verworven tijdens de eventuele eerdere uitoefening, nog vóór de inwerkingtreding van genoemde verordening, van taken op het gebied van de herbeoordeling van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen?

7)

Moet artikel M.B. 902, sub b, punt 2, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003 aldus worden uitgelegd, dat de houder van een vergunning voor het onderhoud van luchtvaartuigen overeenkomstig Deel 66 (bijlage III) bij de genoemde verordening, om als inspecteur te kunnen worden geselecteerd, vóór deze selectie een aanvullende opleiding moet hebben gevolgd op het gebied van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, of is het voldoende dat deze opleiding plaatsvindt na de eerste selectie, maar vóór de daadwerkelijke uitoefening van de taken van inspecteur?

8)

Moet artikel M.B. 902, sub b, punt 3, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003, waarin wordt bepaald dat het met de herbeoordeling belaste personeel moet beschikken over een „formele training in luchtvaartonderhoud”, aldus worden uitgelegd dat als zodanige training kan worden aangemerkt een door de nationale wetgever ingevoerd opleidingssysteem met de volgende kenmerken: i) de opleiding vindt plaats nadat de betrokken persoon uitsluitend op grond van formele vereisten als inspecteur is geselecteerd, ii) de opleiding verschilt niet naar gelang van de aan de geselecteerde personen gestelde formele eisen, en iii) dit opleidingssysteem voorziet noch in een procedure en criteria voor de beoordeling van de betrokkene, noch in een afsluitende toetsing aan het einde van de opleiding ter verificatie van zijn bekwaamheden?

9)

Moet artikel M.B. 902, sub b, punt 4, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003, waarin wordt bepaald dat het met de herbeoordeling belaste personeel moet beschikken over „een functie met aangepaste verantwoordelijkheden” aldus worden uitgelegd, dat de functie met aangepaste verantwoordelijkheden een kwalificatie is waarover een persoon moet beschikken om als inspecteur gecertificeerd te kunnen worden, in de zin dat hij in zijn vorige werkkring een hogere functie diende te hebben? Of dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd, mede gelet op artikel AMC M.B. 902 (b), punt 3, van bijlage I bij besluit nr. 2003/19/RM van het EASA, dat deze persoon, na zijn eerste selectie als inspecteur, bij de instantie die bevoegd is voor de inspectie van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen moet worden aangesteld in een functie waarin hij bevoegd is om die instantie te vertegenwoordigen?

10)

Wanneer het genoemde artikel M.B. 902, sub b, punt 4, van bijlage I bij de verordening de tweede vermelde betekenis heeft, kan een nationale regeling volgens welke de inspecteur wordt gecertificeerd na zijn theorie- en praktijkopleiding, zodat hij herbeoordeling van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen kan uitvoeren en voor rekening van de bevoegde instantie zelfstandig de herbeoordelingsformulieren kan ondertekenen, dan geacht worden met de verordening in overeenstemming te zijn?

11)

Wanneer genoemd artikel M.B. 902, sub b, punt 4, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003 de tweede vermelde betekenis heeft, is hiermee dan in overeenstemming een nationale bepaling als de onderhavige, die bepaalt dat het voor de eerste selectie als inspecteur, wenselijk is dat de betrokkene voorafgaand is bevorderd „tot hogere rangen in de hiërarchie, met verantwoordelijkheid voor een onderhoudsploeg voor luchtvaartuigen”?

12)

Moet verordening (EG) nr. 2042/2003, die niet regelt of en onder welke omstandigheden de personen die vóór de inwerkingtreding ervan inspecteurstaken uitoefenden en de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen controleerden, bevoegd zijn deze taken ook te blijven uitoefenen na de inwerkingtreding van deze verordening, aldus worden uitgelegd dat zij de nationale wetgever de verplichting oplegt ervoor te zorgen dat personen die inspecteurstaken uitoefenden bij de inwerkingtreding van de verordening (of eventueel ook reeds eerder), automatisch opnieuw als inspecteur werden gecertificeerd, zonder voorafgaande selectie- en evaluatieprocedure? Of moet verordening nr. 2042/2003, die is gericht op verbetering van de veiligheid van het luchtvervoer en niet op waarborging van de arbeidsrechtelijke positie van het personeel van de instantie van een lidstaat die bevoegd is voor de herbeoordeling van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, aldus worden uitgelegd dat, mede gelet op hetgeen artikel AMC M.B. 902, sub b, punt 4, van bijlage I bij besluit 2003/19/RM van de EASA dienaangaande bepaalt, de lidstaten slechts de mogelijkheid wordt geboden om, wanneer zij dit opportuun achten, personen die vóór de inwerkingtreding van die verordening inspecties uitvoerden, in dienst te houden als inspecteurs voor de herbeoordeling van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, zelfs wanneer deze personen niet over de bij de verordening vereiste kwalificaties beschikken?

13)

Wanneer beslist zou worden dat verordening (EG) nr. 2042/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om personen automatisch, zonder voorafgaande selectieprocedure, opnieuw te certificeren die reeds inspecteurstaken uitoefenden vóór de inwerkingtreding van de verordening, is dan met die verordening verenigbaar een nationaalrechtelijke bepaling als de onderhavige, volgens welke deze personen, om opnieuw als inspecteurs gecertificeerd te worden, daadwerkelijk inspecteurstaken moesten uitoefenen, niet op het tijdstip van de inwerkingtreding van de genoemde verordening, maar op dat van de — latere — inwerkingtreding van de betrokken nationaalrechtelijke bepaling?


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/21


Beroep ingesteld op 9 juni 2011 — Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-293/11)

2011/C 232/33

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en C. Soulay)

Verwerende partij: Helleense Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Helleense Republiek, door de bijzondere btw-regeling voor reisbureaus toe te passen in gevallen waarin de reisdiensten aan een andere persoon dan de reiziger worden verkocht, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 306 tot en met 310 van richtlijn 2006/112/EG (1);

de Helleense Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De regeling voor reisbureaus is enkel van toepassing op diensten die rechtstreeks aan de reizigers worden geleverd, overeenkomstig de letter van de richtlijn in de meeste talen. Ook de Engelse versie, die op één enkele plaats het woord „klant” („customer”) gebruikt, zou geen zin hebben indien zij niet enkel de reizigers zou betreffen. Dezelfde conclusie vloeit voort uit de gezamenlijke lezing van alle samenhangende bepalingen (systematisch argument). Ook de historische uitlegging leidt tot dezelfde conclusie, aangezien de btw-richtlijn gewoonweg de Zesde richtlijn heeft gecodificeerd, zonder de inhoud ervan te wijzigen. Wat de teleologische uitlegging betreft, is van belang dat de dubbele belasting van de reisbureaus van bepaalde lidstaten niet is toegestaan (met uitsluiting van de aftrekken in geval van extensieve toepassing van de regeling voor de reisbureaus). Deze tekortkoming van de richtlijn kan niet door de individuele lidstaten worden verholpen zonder officiële wijziging van de tekst ervan.


(1)  PB L 347 van 11.12.2006.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/21


Beroep ingesteld op 10 juni 2011 — Italiaanse Republiek/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-295/11)

2011/C 232/34

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, en S. Fiorentino, Avvocato dello Stato)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

nietig verklaren het besluit van de Raad van 10 maart 2011 houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming (2011/167/EU) (1);

de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Italiaanse Republiek voert ter onderbouwing van haar beroep vier middelen aan.

In de eerste plaats voert zij aan dat de Raad een machtiging tot nauwere samenwerking heeft verleend buiten de daartoe in artikel 20, lid 1, eerste alinea, EU, vastgestelde grenzen. Volgens deze bepaling is deze procedure enkel toegestaan in het kader van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie. De Unie heeft namelijk exclusieve bevoegdheid om „Europese titels” in te voeren, die op de rechtsgrondslag van artikel 118 VWEU zijn gebaseerd.

In de tweede plaats stelt zij dat de machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan in het onderhavige geval gevolgen heeft die indruisen tegen — of althans niet stroken met — de doelstelling waarvoor de Verdragen in deze procedure hebben voorzien. Voor zover deze machtiging misschien niet tegen de letter maar minstens tegen de geest van artikel 118 VWEU ingaat, is sprake van schending van artikel 326, lid 1, VWEU. Laatstgenoemde bepaling verlangt dat de verdragen en het recht van de Unie bij nauwere samenwerking worden geëerbiedigd.

In de derde plaats is volgens de Italiaanse Republiek het besluit houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan vastgesteld zonder dat de voorwaarde die uit de bewoordingen „in laatste instantie” (last resort) voortvloeit, passend is onderzocht en dienaangaande een geschikte motivering is verstrekt.

In de vierde plaats, ten slotte, voert zij aan dat het besluit houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan schending van artikel 326 VWEU oplevert, aangezien dit besluit afbreuk doet aan de interne markt doordat het een belemmering in de handel tussen de lidstaten vormt en discriminatie van sommige ondernemingen meebrengt, zodat het de mededinging verstoort. Bovendien leidt dit besluit niet tot een versterking van het integratieproces van de Unie, waardoor het tevens in strijd is met artikel 20, lid 1, tweede alinea, EU.


(1)  PB L 76, blz. 53.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Varna (Bulgarije)op 14 juni 2011 — Dobrudzhanska petrolna kompania AD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto”, grad Varna, pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite (Directeur van de Directie „Betwisting en beheer van de tenuitvoerlegging”, Varna, bij het centrale bestuur van het Nationaal Agentschap voor Inkomsten)

(Zaak C-298/11)

2011/C 232/35

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Varna

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Dobrudzhanska petrolna kompania AD

Verwerende partijen: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto”, grad Varna, pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite (Directeur van de Directie „Betwisting en beheer van de tenuitvoerlegging”, Varna, bij het centrale bestuur van het Nationaal Agentschap voor Inkomsten)

Prejudiciële vragen

1)

Dient artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1) aldus te worden uitgelegd dat bij leveringen tussen verbonden personen, wanneer de tegenprestatie lager is dan de normale waarde, de normale waarde van de transactie alleen dan als maatstaf van heffing wordt gehanteerd wanneer de leverancier of de afnemer geen recht heeft op volledige aftrek van de op de koop respectievelijk de productie van de geleverde goederen toepasselijke voorbelasting?

2)

Dient artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112 aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat geen maatregelen mag nemen die bepalen dat de maatstaf van heffing uitsluitend de normale waarde is, wanneer de leverancier het recht op volledige aftrek van de voorbelasting heeft uitgeoefend op goederen en diensten die het voorwerp zijn van opeenvolgende leveringen tussen verbonden partijen waarvan de waarde lager is dan de normale waarde, dit recht op aftrek van btw niet overeenkomstig artikelen 173 tot en met 177 van de richtlijn is gecorrigeerd en de levering niet is vrijgesteld van belasting zoals bedoeld in de artikelen 132, 135, 136, 371, 375, 376, 377, 378, lid 2, 380, lid 2, alsmede 380 tot en met 390 van de richtlijn?

3)

Dient artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112 aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat geen maatregelen mag nemen die bepalen dat de maatstaf van heffing uitsluitend de normale waarde is, wanneer de afnemer het recht op volledige aftrek van de btw op goederen en diensten heeft uitgeoefend, waarbij de opeenvolgende leveringen tussen verbonden personen goederen betreffen waarvan de waarde lager is dan de normale waarde, en dit recht op aftrek van btw niet overeenkomstig de artikelen 173 tot en met 177 van de richtlijn is gecorrigeerd?

4)

Bevat artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112 een uitputtende opsomming van de gevallen waarin de betrokken lidstaat maatregelen kan nemen volgens welke de maatstaf van heffing bij leveringen de normale waarde is?

5)

Is een nationale wettelijke regeling zoals die van artikel 27, lid 3, nr. 1, van de Zakon za danak varhu dobavenata stoynost (btw-wet) geoorloofd in andere dan de in artikel 80, lid 1, sub a, b en c, van richtlijn 2006/112 vermelde omstandigheden?

6)

Heeft artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112 rechtstreekse werking in een situatie zoals in casu aan de orde, en kan deze bepaling door de nationale rechter rechtstreeks worden toegepast?


(1)  PB L 347, blz. 1.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/23


Beschikking van de president van het Hof van 20 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Innsbruck — Oostenrijk) — Pensionsversicherungsanstalt/Andrea Schwab

(Zaak C-547/09) (1)

2011/C 232/36

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 100 van 17.4.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/23


Beschikking van de president van het Hof van 17 mei 2011 — Europese Commissie/Republiek Polen

(Zaak C-341/10) (1)

2011/C 232/37

Procestaal: Pools

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 260 van 25.9.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/23


Beschikking van de president van het Hof van 20 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Judicial de Vieira do Minho — Portugal) — Manuel Afonso Esteves/Axa — Seguros de Portugal SA

(Zaak C-437/10) (1)

2011/C 232/38

Procestaal: Portugees

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 317 van 20.11.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/23


Beschikking van de president van het Hof van 7 juni 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen — België) — Rémi Paquot (C-622/10), Adrien Daxhelet (C-623/10)/Belgische Staat — FOD Financiën

(Gevoegde zaken C-622/10 en C-623/10) (1)

2011/C 232/39

Procestaal: Frans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaken gelast.


(1)  PB C 80 van 12.3.2011.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/23


Beschikking van de president van het Hof van 17 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Minister van Financiën/G. in 't Veld

(Zaak C-110/11) (1)

2011/C 232/40

Procestaal: Nederlands

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 160 van 28.5.2011.


Gerecht

6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/24


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — Oetker Nahrungsmittel/BHIM — Bonfait (Buonfatti)

(Zaak T-471/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Buonfatti - Ouder Benelux-woordmerk Bonfait - Geen gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/41

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Dr. August Oetker Nahrungsmittel KG (Bielefeld, Duitsland) (vertegenwoordiger: F. Graf von Stosch, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: R. Manea, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Bonfait BV (Denekamp, Nederland)

Voorwerp

Beroep tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 2 oktober 2009 (zaak R 340/2007-4) inzake een oppositieprocedure tussen Bonfait BV en Dr. August Oetker Nahrungsmittel KG.

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 2 oktober 2009 (zaak R 340/2007-4) wordt vernietigd.

2)

Het BHIM draagt zijn eigen kosten alsook de kosten van Dr. August Oetker Nahrungsmittel KG.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/24


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

(Zaak T-475/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/42

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 (zaak R 500/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 24 september 2009 (zaak R 500/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/25


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

(Zaak T-476/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/43

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 (zaak R 1006/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 24 september 2009 (zaak R 1006/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/25


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

(Zaak T-477/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/44

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 (zaak R 1008/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 24 september 2009 (zaak R 1008/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/26


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

(Zaak T-478/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/45

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 (zaak R 1009/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 24 september 2009 (zaak R 1009/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/26


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER Garden)

(Zaak T-479/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER Garden - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/46

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 (zaak R 1044/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 24 september 2009 (zaak R 1044/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/27


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICOCENTER)

(Zaak T-480/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICOCENTER - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/47

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 september 2009 (zaak R 1045/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 28 september 2009 (zaak R 1045/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/27


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (maxi BRICO CENTER)

(Zaak T-481/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk maxi BRICO CENTER - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/48

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 september 2009 (zaak R 1046/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 28 september 2009 (zaak R 1046/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/28


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER Città)

(Zaak T-482/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk BRICO CENTER Città - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/49

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 september 2009 (zaak R 1047/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 28 september 2009 (zaak R 1047/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/28


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (Affiliato BRICO CENTER)

(Zaak T-483/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Affiliato BRICO CENTER - Oudere gemeenschapsbeeldmerken ATB CENTROS DE BRICOLAGE Brico Centro en CENTROS DE BRICOLAGE BricoCentro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2011/C 232/50

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. López Ronda, G. Macias Bonilla, H. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, vervolgens F. Brandolini Kujman, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en G. Mannucci, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bricocenter Italia Srl (Rozzano, Italië) (vertegenwoordigers: G. Ghidini, M. Mergati en C. Signorini, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 september 2009 (zaak R 1048/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen ATB Norte, SL en Bricocenter Italia Srl

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 28 september 2009 (zaak R 1048/2008-4) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Bricocenter Italia Srl voor de kamer van beroep werd toegewezen met betrekking tot „reclame”, „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

ATB Norte, SL, Bricocenter Italia en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/29


Arrest van het Gerecht van 28 juni 2011 — ReValue Immobilienberatung/BHIM (ReValue)

(Zaak T-487/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk ReValue - Gedeeltelijke weigering van inschrijving - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Motiveringsplicht - Artikel 75 van verordening nr. 207/2009)

2011/C 232/51

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: ReValue Immobilienberatung GmbH (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Fischoeder en M. Schork, vervolgens S. Fischoeder, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 7 oktober 2009 (zaak R 531/2009-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het beeldteken ReValue als gemeenschapsmerk.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

ReValue Immobilienberatung GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 37 van 13.2.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/29


Beschikking van de president van het Gerecht van 10 juni 2011 — Eurallumina/Commissie

(Zaak T-207/07 R)

(Kort geding - Staatssteun - Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering daarvan wordt gelast - Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid)

2011/C 232/52

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Eurallumina SpA (Portoscuso, Italië) (vertegenwoordigers: L. Martin Alegi en R. Denton, solicitors)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: N. Khan en D. Grespan, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 2007/375/EG van de Commissie van 7 februari 2007 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio-Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën [C 78/2001 (ex NN 22/01), C 79/2001 (ex NN 23/01), C 80/2001 (ex NN 26/01)] (PB L 147, blz. 29), voor zover deze verzoekster betreft.

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/29


Beschikking van het Gerecht van 15 juni 2011 — Ax/Raad

(Zaak T-259/10) (1)

(Beroep tot nietigverklaring - Financiële bijstand van Unie aan lidstaat die zich voor serieuze economische of financiële verstoring gesteld ziet - Verordening houdende vaststelling van voorwaarden en procedure voor toekenning van financiële bijstand van Unie - Artikel 263, vierde alinea, VWEU - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid)

2011/C 232/53

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Thomas Ax (Neckargemünd, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. Baumann, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: T. Middleton, M. Bauer en A. De Gregorio Merino, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Smulders, J.-P. Keppenne, H. Krämer, gemachtigden); en Republiek Letland (vertegenwoordigers: M. Borkoveca en A. Nikolajeva, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad van 11 mei 2010 houdende instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (PB L 118, blz. 1)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Thomas Ax draagt zijn eigen kosten alsook die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Republiek Letland en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 234 van 28.8.2010.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/30


Hogere voorziening ingesteld op 30 maart 2011 door Guido Strack tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 20 januari 2011 in zaak F-132/07, Strack/Commissie

(Zaak T-199/11 P)

2011/C 232/54

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirerende partij: Guido Strack (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 20 januari 2011 in zaak F-132/07 volledig te vernietigen en te beslissen overeenkomstig de door rekwirant in die procedure geformuleerde vorderingen;

de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 17 september 2009 in zaak F-132/07 te vernietigen, voor zover daarbij rekwirants vordering tot het wijzen van een verstekvonnis werd afgewezen;

de beslissingen van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie te vernietigen waarbij zaak F-132/07, die eerst aan de Eerste kamer was toegewezen, nadien aan de Tweede kamer werd toegewezen;

het besluit van de Commissie van 23 juli 2007 alsmede de aanvullende stilzwijgende besluiten van 9 augustus 2007 en 11 september 2007 en het besluit van 9 november 2007 nietig te verklaren, voor zover hierbij zijn afgewezen rekwirants verzoeken van 9 april 2007, 11 mei 2007 en 11 oktober 2007 om toestemming tot publicatie van documenten (in het licht van alle juridische bepalingen, in het bijzonder de artikelen 17, 17a, 19 en 24 van het Ambtenarenstatuut alsmede eventuele bepalingen inzake het auteursrecht en de gegevensbescherming) en om aangifte te doen tegen (voormalige) leden en ambtenaren van de Commissie;

de Commissie te veroordelen tot betaling aan rekwirant van een schadevergoeding van ten minste 10 000 EUR voor de immateriële, de materiële en de schade aan zijn gezondheid die hij door de nietig te verklaren besluiten heeft geleden;

de Commissie te verwijzen in alle kosten van de procedure;

daarnaast vraagt rekwirant onder verwijzing naar de overeenkomstige vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens om hem wegens de te lange procesduur een vergoeding toe te kennen van ten minste 2 000 EUR, waarbij hij de precieze hoogte aan het oordeel van het Gerecht overlaat.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert rekwirant twintig middelen aan.

Hiermee beroept hij zich onder meer op: de onbevoegdheid van het orgaan dat de betwiste besluiten heeft vastgesteld; de onrechtmatige afwijzing van het verzoek om een verstekvonnis te wijzen; de onwettigheid van de aan de Commissie verleende termijnverlengingen; de niet-voeging van de procedure met andere procedures tussen partijen; de onjuiste voorstelling van de feiten in het rapport ter voorbereiding van de terechtzitting en in het bestreden arrest; de partijdigheid van de rapporteur; de schending van de taalregeling van het Gerecht; de discriminatie van rekwirant op grond van taal en het feit dat processtukken niet zijn vertaald.

Bovendien stelt hij dat het Gerecht voor ambtenarenzaken van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan en zijn arrest ontoereikend heeft gemotiveerd. Een en ander onder meer met betrekking tot de uitlegging en toepassing van de artikelen 11, 17, 17a, 19, 25 en 90 e.v. van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, de artikelen 6, 10 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en de artikelen 11, 41, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/30


Beroep ingesteld op 18 mei 2011 — Oostenrijk/Commissie

(Zaak T-251/11)

2011/C 232/55

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: C. Pesendorfer, gemachtigde)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

beschikking van de Commissie C(2011) 1363 def. van 8 maart 2011 inzake staatssteun nr. C 24/2009 van Oostenrijk voor energie-intensieve ondernemingen overeenkomstig het Ökostromgesetz, nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1)

Eerste middel: Onjuiste toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU — Geen staatssteun

Volgens de verzoekende partij is de in § 22, sub c, van het Oostenrijkse Ökostromgesetz BGBL. I, nr. 114/2008 (hierna: „ÖSG”) voorziene kostenbeperking voor energie-intensieve ondernemingen geen staatssteun, daar geen „staatsmiddelen” worden gebruikt.

2)

Tweede middel: Onjuiste toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU — Geen selectiviteit

Volgens de verzoekende partij is de maatregel noch de iure, noch de facto selectief. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat § 22, sub c, van het ÖSG leidt tot een afwijking van het referentiestelsel, lijkt deze afwijking gerechtvaardigd door de logica en de interne opbouw van het systeem ter bevordering van ecologische elektriciteit.

3)

Derde middel: Onjuiste toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU — Misbruik van bevoegdheid

Indien de voorziene maatregel toch als steun wordt beschouwd, zou deze volgens de verzoekende partij binnen de werkingssfeer van de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming vallen: er bestaat in elk geval een analogie tussen de aangemelde compensatiebetaling overeenkomstig § 22, sub c, ÖSG en de bepalingen inzake de controle van door het gemeenschapsrecht geregelde energiebelastingverlagingen overeenkomstig hoofdstuk 4 van de richtsnoeren; de compensatieregeling had dus op grond van een dergelijke analogie goedgekeurd moeten worden. Naast de analoge toepassing van de richtsnoeren, is ook een analogie met artikel 25 van de groepsvrijstellingsverordening mogelijk.

4)

Vierde middel: Verschil in behandeling van concurrentieel gelijke situaties door de Europese Commissie

Volgens de verzoekende partij rijst de vraag waarom concurrentieel vergelijkbare situaties — hier wordt verwezen naar de vergelijkbaarheid tussen het ÖSG en het Duitse Erneuerbaren-Energien Gesetz, in het bijzonder wat betreft de economische en concurrentiële gevolgen — kennelijk verschillend worden behandeld. Dit lijkt onverenigbaar met het algemene beginsel van gelijke behandeling.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/31


Hogere voorziening ingesteld op 26 mei 2011 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 maart 2011 in zaak F-120/07, Strack/Commissie

(Zaak T-268/11 P)

2011/C 232/56

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Guido Strack (Keulen, Duitsland)

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 maart 2011 in zaak F-120/07, Strack/Commissie, te vernietigen, voor zover dat Gerecht daarbij de exceptie van onbevoegdheid van de Commissie afwijst;

elke partij te verwijzen in de eigen kosten van de hogere voorziening en in die van de procedure in eerste aanleg.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij in wezen drie middelen aan.

1)

Eerste middel: schending van het recht van de Unie bij de uitlegging van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”)

Om beginnen heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken (hierna: „GVA”) artikel 4, lid 1, van bijlage V bij het Statuut aldus uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de overdracht van vakantiedagen bij langdurige ziekte, hetgeen in strijd is met het recht van de Unie en met de vaste rechtspraak.

2)

Tweede middel: schending van het Recht van de Unie door de onjuiste bepaling van de werkingssfeer van artikel 1 sexies, punt 2, van het Statuut

Voor heeft het met een ontoereikende motivering de werkingssfeer van artikel 1 sexies, punt 2, van het Statuut ten onrechte aldus uitgelegd, dat het voor de instellingen de algemene verplichting omvat om de ambtenaren met betrekking tot alle arbeidsvoorwaarden op het gebied van de bescherming van de gezondheid ten minste de normen van de op grond van artikel 153 VWEU vastgestelde richtlijn te waarborgen, hetgeen eveneens in strijd is met het recht van de Unie. Artikel 1 sexies, punt 2, dat in het kader van de hervorming van het Statuut in 2004 is ingevoerd, beoogt echter slechts een leemte aan te vullen met betrekking tot de in het Statuut ontbrekende technische voorschriften over de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de ambtenaren in de zetel van de instellingen (bijvoorbeeld bescherming tegen brand en gevaarlijke stoffen, ventilatie, ergonomie, etc). Zo is het thans op grond van het Statuut mogelijk om de technische minimumvoorschriften in de richtlijnen respectievelijk de omzetting ervan door het nationale recht toe te passen. Het voorschrift kan en moet echter geen betrekking hebben op de definitief door de vaststeller van het Statuut geregelde arbeidsvoorwaarden met betrekking tot de overdracht van vakantiedagen en de vergoeding voor niet-opgenomen verlof. Door tot deze conclusie te komen, heeft het GVA niet alleen de betrokken voorschriften van het Statuut en de rechtspraak van het Gerecht geschonden, maar ook het rechtszekerheidsbeginsel.

3)

Derde middel: procedurefout

Ten slotte heeft het GVA de procedurevoorschriften geschonden, doordat het ambtshalve als eerste grief een schending van artikel 1 sexies, punt 2, van het Statuut heeft onderzocht en de facto een voorschrift van het Statuut buiten toepassing heeft gelaten, zonder dat een exceptie van onwettigheid was aangevoerd en de Raad en het Parlement van de Europese Unie de mogelijkheid tot interventie hebben gehad.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/32


Hogere voorziening ingesteld op 25 mei 2011 door Gaëtan Barthélémy Maxence Mioni tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 maart 2011 in zaak F-28/10, Mioni/Commissie

(Zaak T-274/11 P)

2011/C 232/57

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirerende partij: Gaëtan Barthélémy Maxence Mioni (Brussel, België) (vertegenwoordiger: L. Vogel, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 15 maart 2011, dat de rekwirerende partij is betekend bij aangetekend schrijven van 15 maart 2011 en waarbij het door haar op 7 mei 2010 ingestelde beroep is verworpen, volledig te vernietigen;

de verwerende partij krachtens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering veroordelen in de kosten, daaronder begrepen de in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de advocaat, krachtens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij twee middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut alsmede aan een onjuiste opvatting van het aan het Gerecht voor ambtenarenzaken overgelegde bewijsmateriaal. De rekwirerende partij verwijt het Gerecht voor ambtenarenzaken om te beginnen dat het de als nummer 22, 23, 24 en 25 van haar dossier overgelegde stukken verkeerd heeft opgevat, door in punt 31 van zijn arrest te beslissen dat haar aanwezigheid in Frankrijk tussen 1999 en 2000 niet kon worden gelijkgesteld met een wens van de rekwirerende partij om het centrum van haar belangen naar haar geboorteland te verleggen. Voorts stelt zij dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 29, 31 en 33 van het bestreden arrest het begrip gewone verblijfplaats onsamenhangend heeft beoordeeld.

2)

Tweede middel, ontleend aan een onjuiste opvatting van het aan het Gerecht voor ambtenarenzaken overgelegde bewijsmateriaal en een ontoereikende motivering, aangezien dat Gerecht de tardieve intrekking van de ontheemdingstoelage rechtvaardigt „met een misverstand over de plaats waar verzoeker zijn eindexamen middelbare school had gedaan”. De rekwirerende partij verwijt het Gerecht voor ambtenarenzaken dat het geen rekening heeft gehouden met onderdeel 15 van haar dossier, dat het niet heeft geantwoord op punt 31 van haar beroep en dat het daardoor vaststellingen heeft gedaan die inhoudelijk kennelijk onjuist zijn.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/32


Beroep ingesteld op 27 mei 2011 — TF1/Commissie

(Zaak T-275/11)

2011/C 232/58

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Télévision française 1 (TF1) (Boulogne Billancourt, Frankrijk) (vertegenwoordigers: J.-P. Hordies en C. Smits, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

uit hoofde van maatregelen tot organisatie van de procesgang bedoeld in artikel 64, lid 3, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, overlegging te gelasten van de stukken op basis waarvan de Commissie heeft geconcludeerd dat de overheidsfinanciering als evenredig en transparant kan worden aangemerkt, te weten: de rapporten tot uitvoering van de artikelen 2 en 3 van het decreet voor de boekjaren 2007 en 2008 en het ontwerprapport waarin artikel 2 voor 2009 voorziet, alsook de vertrouwelijke versie van het bestreden besluit;

de Commissie te verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van besluit 2011/140/EU van de Commissie van 20 juli 2010 waarbij de steunmaatregel die de Franse autoriteiten voornemens zijn ten behoeve van France Télévisions in de vorm van een jaarlijkse begrotingssubsidie ten uitvoer te leggen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan onjuiste opvatting van het bestemmingsverband tussen de bij de hervorming van de publieke audiovisuele sector vastgestelde nieuwe heffingen en de financiering van France Télévisions. Verzoekster voert een aantal aanwijzingen aan op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de heffing op reclameboodschappen en de heffing op elektronische berichten enerzijds en de aan France Télévisions uitgekeerde begrotingssubsidies anderzijds, zowel vanuit juridisch oogpunt, rekening houdend met alle relevante nationale bepalingen ter zake, als vanuit economisch oogpunt, gelet op de methode volgens welke het bedrag van de steun wordt berekend, het tarief van de heffing en het daadwerkelijke gebruik ervan.

2)

Tweede middel, ontleend aan het risico van overcompensatie, gelet op de wijze waarop France Télévisions wordt gefinancierd. Verzoekster verwijt de Commissie om te beginnen dat zij haar recht van beroep niet naar behoren kan uitoefenen, aangezien zij geen toegang tot verschillende bestuurlijke stukken heeft. Verder stelt zij dat de Commissie artikel 106, lid 2, VWEU onjuist heeft uitgelegd door in het kader van haar onderzoek van de rechtmatigheid van de litigieuze maatregel geen rekening te houden met de voorwaarde van economische doeltreffendheid bij de verstrekking van de openbare dienst.

3)

Derde middel, ontleend aan het feit dat de andere voorschriften van het VWEU en van het afgeleide recht niet in acht zijn genomen. Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat de heffing op de elektronische berichten in strijd is met artikel 110 VWEU. In de tweede plaats stelt zij dat de litigieuze heffingen een beperking op de vrije dienstverrichting en de vrijheid van vestiging vormen, aangezien de samenvoeging van de specifieke heffingen op de sectoren van de radio-omroepdiensten en telecommunicatiediensten de mogelijkheid voor de omroeporganisaties en de telecommunicatieoperatoren om hun economische activiteiten in Frankrijk uit te oefenen, in aanzienlijke mate beperkt. In de derde plaats voert zij aan dat de litigieuze maatregel in strijd is met richtlijn 2002/20 van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, voor zover de telecommunicatieoperatoren door deze maatregel worden getroffen door een heffing die niet aan de bij de richtlijn gestelde vereisten voldoet.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/33


Beroep ingesteld op 31 mei 2011 — Carlotti/Parlement

(Zaak T-276/11)

2011/C 232/59

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Marie-Arlette Carlotti (Marseille, Frankrijk) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, É. Marchal en D. Abreu Caldas, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

te verklaren en vast te stellen,

het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 1 april 2009 houdende wijziging van de vrijwillige aanvullende pensioenregeling van de leden van het Europees Parlement, is onwettig;

het bestreden besluit wordt nietig verklaard;

het Europees Parlement wordt verwezen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroept strekt tot nietigverklaring van het besluit van 28 maart 2011 houdende weigering om de verzoekende partij op de leeftijd van 60 jaar (met ingang van 1 februari 2012) in het genot te stellen van haar aanvullend pensioen, welk besluit is genomen op basis van het besluit van het Europees Parlement van 1 april 2009 houdende wijziging van de vrijwillige aanvullende pensioenregeling van de leden van het Europees Parlement.

Tot staving van het beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan, ontleend aan:

schending van verworven rechten welke zijn verleend door wettige handelingen en het beginsel van rechtszekerheid;

schending van de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, aangezien het besluit van 1 april 2009 en het bestreden besluit tot gevolg hebben dat de pensioenleeftijd met drie jaar wordt verhoogd en wel zonder overgangsregeling;

schending van artikel 29 van de regeling betreffende de kosten en de vergoedingen van de leden van het Europees Parlement, dat bepaalt dat de quaestoren en de secretaris-generaal zorgen voor de uitlegging en de strikte toepassing van deze regeling;

het feit dat het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 1 april 2009 tot wijziging van de regeling die als basis voor het bestreden besluit heeft gediend op een kennelijk onjuiste beoordeling berust, aangezien dat besluit gebaseerd is op een ongegronde beoordeling van de financiële situatie van het pensioenfonds;

schending van de goede trouw bij de uitvoering van de overeenkomsten en de nietigheid van louter potestatieve clausules.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/33


Beroep ingesteld op 30 mei 2011 — T&L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie

(Zaak T-279/11)

2011/C 232/60

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: T&L Sugars Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) en Sidul Açúcares, Unipessoal Lda (Santa Iria de Azóia, Portugal) (vertegenwoordigers: D. Waelbroeck, lawyer, en D. Slater, Solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het onderhavige verzoek om nietigverklaring krachtens artikel 263, lid 4, VWEU en/of de exceptie van onwettigheid krachtens artikel 277 VWEU tegen verordeningen nrs. 222/2011, 293/2011, 302/2011 en 393/2011 ontvankelijk en gegrond verklaren;

verordening nr. 222/2011 tot vaststelling van buitengewone maatregelen inzake het tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie brengen van buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose in het verkoopseizoen 2010/2011 nietig verklaren;

verordening nr. 293/2011 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt, tot afwijzing van verdere aanvragen en tot sluiting van de periode voor de indiening van aanvragen voor beschikbare hoeveelheden buiten het quotum geproduceerde suiker die tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie moeten worden verkocht nietig verklaren;

verordening nr. 302/2011 tot opening, voor het verkoopseizoen 2010/2011, van een buitengewoon tariefcontingent voor de invoer van bepaalde hoeveelheden suiker nietig verklaren;

verordening nr. 393/2011 houdende vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt voor de afgifte van invoercertificaten die in de periode van 1 tot en met 7 april 2011 zijn aangevraagd voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten en houdende schorsing van de indiening van de certificaataanvragen nietig verklaren;

subsidiair, de exceptie van onwettigheid tegen de artikelen 186, sub a, en 187 van verordening nr. 1234/2007 ontvankelijk en gegrond verklaren en die bepalingen onwettig verklaren, alsmede de bestreden verordeningen die rechtstreeks of indirect hun grondslag in die bepalingen vinden, nietig verklaren;

de EU, vertegenwoordigd door de Commissie, veroordelen alle schade te vergoeden die verzoeksters ten gevolge van de schending door de Commissie van de op haar rustende wettelijke verplichtingen hebben geleden en het bedrag van die vergoeding voor de door verzoeksters geleden schade in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 maart 2011 vast stellen op 35 485 746 EUR bovenop alle aanhoudende verliezen die verzoeksters na dat tijdstip hebben geleden of op enig ander bedrag dat overeenstemt met de door verzoeksters geleden of nog te lijden schade die hierna in de loop van deze procedure door hen zal worden bewezen, met name teneinde rekening te houden met toekomstige schade;

de betaling van rente over het verschuldigde bedrag gelasten ter hoogte van de door de Europese Centrale Bank vastgestelde voet voor de voornaamste herfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten, of een andere gepaste, door het Gerecht vast te stellen rentevoet, zulks vanaf de datum van het arrest van het Gerecht tot de daadwerkelijke betaling;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan.

1)

Eerste middel: schending van verordening nr. 1234/2007 (1) en ontbreken van een passende rechtsgrondslag. In strijd met verordening nr. 1234/2007, verhoogt de bestreden verordening nr. 222/2011 effectief de aan nationale producenten toegekende productiequota. Volgens verzoeksters is de Commissie daartoe niet bevoegd en werd haar uitdrukkelijk opdracht gegeven de productiequota te verlagen. Om toch tot een gelijkwaardig resultaat te komen en niettegenstaande de wettelijke verplichting van de Commissie om de overschotheffing op een ontmoedigend peil vast te stellen, stelt verordening nr. 222/2011 de overschotheffing voor buiten het quotum geproduceerde suiker nochtans vast op 0 EUR. Bovendien schenden zowel verordening nr. 222/2011 als verordening nr. 302/2011, in een poging tot herstel van marktverstoringen veroorzaakt door een invoertekort, de krachtens verordening nr. 1234/2007 rechtmatig aan invoermaatregelen en voltijdraffinaderijen verleende voorrang.

2)

Tweede middel: schending van het verbod van discriminatie. Verzoeksters voeren aan dat, ondanks het feit dat biet- en rietsuiker chemisch identiek zijn, de bestreden verordeningen nationale producenten begunstigen ten nadele van raffinaderijen die invoeren.

3)

Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel. De bestreden verordeningen beogen het door een tekort aan ingevoerde ruwe rietsuiker veroorzaakte tekort op de EU suikermarkt aan te pakken. In plaats van het probleem evenwel op te lossen door de noodzakelijke invoer van ruwe rietsuiker toe te laten, verhoogden zij echter de mogelijkheden voor nationale suikerproductie. De verordeningen zijn bijgevolg kennelijk ongeschikt en onevenredig.

4)

Vierde middel: schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen. Volgens verzoeksters heeft de Commissie herhaaldelijk garanties gegeven dat zij de productiequota niet zou verhogen en het evenwicht tussen de belanghebbenden zou handhaven. De bestreden verordeningen strekten er echter duidelijk toe nationale productie te begunstigen ten nadele van invoerende raffinaderijen.

5)

Vijfde middel: schending van de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur. Verzoeksters voeren aan dat de Commissie om te beginnen volledig heeft verzuimd te handelen, ondanks herhaalde waarschuwingen voor marktverstoringen, vervolgens kennelijk ongeschikte maatregelen heeft vastgesteld om die verstoringen ongedaan te maken en op die manier het door de Raad vastgelegde evenwicht tussen de verschillende marktdeelnemers heeft verstoord.

Verzoeksters roepen de hierboven uiteengezette gronden tot nietigverklaring ook krachtens artikel 277 VWEU als een exceptie van onwettigheid in tegen verordening nr. 222/2011 en verordening nr. 302/2011. Subsidiair werpen verzoeksters krachtens artikel 277 VWEU tevens een exceptie van onwettigheid op tegen de artikelen 186, sub a, en 187 van verordening nr. 1234/2007, die de grondslag voor de bestreden verordeningen vormen.


(1)  Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (PB L 299, blz. 1).


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/35


Beroep ingesteld op 7 juni 2011 — Metropolis Inmobiliarias y Restauraciones/BHIM — MIP Metro (METROINVEST)

(Zaak T-284/11)

2011/C 232/61

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Metropolis Inmobiliarias y Restauraciones, SL (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: J. Carbonell Callicó, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij voor de kamer van beroep: MIP Metro Group Intellectual Property GmbH & Co. KG (Düsseldorf, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 17 maart 2011 in zaak R 954/2010-1 wijzigen en de gemeenschapsmerkaanvraag voor het woordmerk „METROINVEST” toewijzen;

subsidiair, mocht de eerste vordering worden afgewezen, de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 17 maart 2011 in zaak R 954/2010-1 vernietigen;

het bureau en de andere partij voor de kamer van beroep verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „METROINVEST” voor diensten van klasse 36 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 7112113

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Duitse merkinschrijving nr. 30348717 van het beeldmerk „METRO”, in het blauw en het geel, voor een reeks waren en diensten van de klassen 1 tot en met 45; gemeenschapsmerkaanvraag nr. 779116 van het beeldmerk „METRO”, in het geel, voor een reeks waren en diensten van de klassen 1 tot en met 42

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van de artikelen 6 en 14 van het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in verband met het recht op een eerlijk proces en het discriminatieverbod en met het in het Unierecht vervatte algemene beginsel van gelijke behandeling. Schending door de kamer van beroep van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009, aangezien er geen gevaar voor verwarring van de twee conflicterende merken bestaat.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/35


Hogere voorziening ingesteld op 6 juni 2011 door Luigi Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 maart 2011 in zaak F-21/10, Marcuccio/Commissie

(Zaak T-286/11 P)

2011/C 232/62

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirerende partij: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

de bestreden beschikking volledig te vernietigen en, bovendien, primair:

alle in eerste aanleg geformuleerde vorderingen toe te wijzen;

de verwerende partij te veroordelen tot vergoeding aan haar van de kosten die zij heeft gemaakt in het kader van de in eerste aanleg en in hogere voorziening bestreden beslissing, dan wel, subsidiair,

de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken in een andere samenstelling voor een nieuwe uitspraak ten gronde over alle hierboven genoemde vorderingen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij twee middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan het ontbreken van motivering van de „vordering tot schadevergoeding”

De rekwirerende partij beroept zich in dit opzicht op het ontbreken van een onderzoek, de verkeerde opvatting van de feiten alsmede de onjuiste en onredelijke uitlegging en toepassing van de regels voor de niet-contractuele aansprakelijkheidstelling van de instellingen van de Europese Unie, van het begrip motiveringsplicht waaraan alle instellingen en de rechter van de Europese Unie moeten voldoen en van het begrip onrechtmatige gedraging van een instelling van de Europese Unie.

2)

Tweede middel, ontleend aan de onwettigheid van de beslissingen van de rechter in eerste aanleg „over de gerechtskosten”

De rekwirerende partij betoogt in dit opzicht dat de veroordeling van een procespartij tot vergoeding aan het Gerecht voor ambtenarenzaken van de door hem gemaakte kosten krachtens artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, alleen kan worden gebaseerd op feiten die nauw verband houden met de betrokken zaak, en niet op vermeende gedragingen van die partij in andere zaken.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/36


Beroep ingesteld op 9 juni 2011 — Portovesme/Commissie

(Zaak T-291/11)

2011/C 232/63

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Portovesme Srl (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: F. Ciulli, G. Dore, M. Liberati en A. Vinci, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

1)

de beschikking van de Europese Commissie van 23 februari 2011 betreffende de steunmaatregelen nr. C 38/B/2004 (ex NN 58/2004) en nr. C 13/2006 (ex N 587/2005) die Italië ten gunste van onder meer verzoekster ten uitvoer heeft gelegd, krachtens artikel 267 VWEU onrechtmatig, en dus in haar geheel dan wel voor zover het Gerecht passend oordeelt, nietig te verklaren;

2)

subsidiair en alleen voor het geval dat de eerste conclusie zou worden afgewezen, vast te stellen dat het besluit dat is vervat in de bepaling waarbij terugbetaling van de steun wordt gelast, onrechtmatig is, aangezien het indruist tegen het algemene beginsel van het gewettigd vertrouwen;

3)

verweerster te verwijzen in de kosten, waarbij verzoekster zich voorbehoudt, een afzonderlijke schadevordering in te stellen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter onderbouwing van haar beroep voert de verzoekende partij elf middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel alsmede aan schending van de artikelen 4, 7, 10 en 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 (1)

De beschikking is nagenoeg zes en half jaar na inleiding van de formele onderzoeksprocedure vastgesteld.

2)

Tweede middel, ontleend aan onjuiste en/of onvolledige weergave van het relevante wet- en regelgevingskader en aan daaruit volgende schending van de zorgvuldigheids- en de onpartijdigheidsplicht

De onverenigbaarheidsbeschikking berust op een onvolledige en onjuiste weergave van de gegevens, feitelijk en rechtens, waaruit schending van het zorgvuldigheids- en het onpartijdigheidsbeginsel voortvloeit, waardoor de Commissie zich bij haar optreden had moeten laten leiden.

3)

Derde middel, ontleend aan onredelijke ongelijke behandeling van Portovesme ten opzichte van Alcoa Trasformazioni

Bij een andere beschikking, die een andere onderneming betrof, had de Commissie vastgesteld dat dezelfde regeling als die welke zij thans, wat verzoekster betreft, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard, rechtmatig was, wat een onredelijke ongelijke behandeling tussen de twee ondernemingen oplevert.

4)

Vierde middel, ontleend aan bestaan van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU

Met het aan verzoekster toegekende preferent tarief heeft de Italiaanse Staat een ongerechtvaardigde nadelige situatie ongedaan willen maken en de buitensporige kosten voor elektriciteitsverbruik die het gevolg zijn van het feit dat het stroomnet van het eiland niet op het nationale net is aangesloten, willen verlagen. Bijgevolg was niet voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een economisch voordeel en van een selectieve maatregel. Voorts was het optreden van de Cassa Conguaglio slechts een mogelijkheid, zodat het bij de betrokken maatregel niet om aan de Staat toerekenbare middelen kon gaan. Ten slotte kon deze maatregel het handelsverkeer tussen lidstaten niet ongunstig beïnvloeden, omdat op de zinkmarkt geen sprake is van intracommunautair handelsverkeer.

5)

Vijfde middel, ontleend aan onjuistheid van de aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende premissen

De beschikking berust op de onjuiste premisse dat de steun het evenwicht op de energiemarkt heeft verstoord, terwijl de markt waarop de regeling betrekking heeft, de markt voor de productie van zware metalen is.

6)

Zesde middel, betreffende de kwalificatie van de maatregel als nieuwe steun dan wel als bestaande steun

Het betrokken voordeel had moeten worden gekwalificeerd als bestaande steun die reeds in een eerdere beschikking van de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt was verklaard.

7)

Zevende middel, betreffende de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt

De Commissie heeft er geen rekening mee gehouden dat de betrokken maatregel heeft bijgedragen tot het verzekeren van de ontwikkeling van duurzame werkgelegenheid in het gebied in kwestie.

8)

Achtste middel, ontleend aan schending van de artikelen 2, 3, 5 en 12 VEG en aan niet-toepassing van het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel bij het optreden van de gemeenschapsinstellingen

Bij de bestreden beschikking is op onrechtmatige wijze een steunregeling afgewezen die beoogde een situatie van ernstige discriminatie tussen enerzijds de Italiaanse, en anderzijds de Europese producenten van zware metalen op te heffen.

9)

Negende middel, ontleend aan schending van artikel 174 VWEU en bijlage D bij verklaring nr. 30 betreffende insulaire regio’s

De Commissie heeft geen rekening gehouden met het structurele nadeel en het marktnadeel die het gevolg van het insulaire karakter zijn.

10)

Tiende middel, ontleend aan schending van de procedureregels (artikel 107, lid 3, sub a, b en c, VWEU), aan onjuiste toepassing van de „richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen” 1998, en aan onjuiste toepassing van de „richtsnoeren” 2007-2013

De Commissie heeft niet voldaan aan haar verplichting om naar behoren te verifiëren of de steun met de gemeenschappelijke markt verenigbaar was.

11)

Elfde middel, ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel

De Commissie heeft niet in overweging genomen dat de tot verzoekster uitgebreide regeling reeds bij een eerdere beschikking verenigbaar met de gemeenschappelijke markt was verklaard, en evenmin dat in de 15 jaar die sinds de vaststelling van die beschikking zijn verstreken, geen enkele bedenking met betrekking tot die regeling is geformuleerd, wat uit het perspectief van verzoeksters gewettigd vertrouwen relevant is.


(1)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/37


Beroep ingesteld op 6 juni 2011 — European Dynamics Luxembourg e.a./BHIM

(Zaak T-299/11)

2011/C 232/64

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: European Dynamics Luxembourg SA (Ettelbrück, Luxemburg) Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) en European Dynamics Belgium SA (Brussel, België) (vertegenwoordigers: N. Korogiannakis en M. Dermitzakis, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van het BHIM waarbij verzoeksters op basis van de offerte die zij in het kader van openbare aanbesteding nr. AO/021/10 voor „Externe dienstverlening voor programma- en projectbeheer en technische expertise op het gebied van informatietechnologieën” hadden ingediend, als derde contractant in het cascadesysteem zijn uitgekozen, hetgeen hun bij brief van 28 maart 2011 is meegedeeld, en alle daarmee verband houdende beslissingen van het BHIM, daaronder begrepen die om de overeenkomst aan de eerste en de tweede contractant in het cascadesysteem te gunnen, nietig verklaren;

het BHIM gelasten de schade te vergoeden die verzoeksters in verband met de betrokken aanbestedingsprocedures hebben geleden, ten bedrage van 6 500 000 EUR;

voorts het BHIM gelasten de schade te vergoeden die verzoeksters ingevolge het verlies van een kans hebben geleden, alsook de schade aan hun reputatie en geloofwaardigheid, ten bedrage van 650 000 EUR

het BHIM verwijzen in de kosten van het geding en in de andere kosten die verzoeksters in verband met dit beroep hebben gemaakt, zelfs indien het onderhavige beroep wordt verworpen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan.

1)

Eerste middel: schending van artikel 100, lid 2, van verordening nr. 1605/2002. (1) In het bijzonder is de motiveringsplicht geschonden omdat geen toereikende rechtvaardiging of verklaring aan verzoeksters is gegeven en de relatieve verdiensten van de succesvolle inschrijvers niet zijn meegedeeld.

2)

Tweede middel: schending van het bestek, aangezien bij de beoordeling met vereisten rekening is gehouden die niet in het bestek waren vermeld.

3)

Derde middel: kennelijke beoordelingsfouten en vage en ongefundeerde opmerkingen van het beoordelingscomité.

4)

Vierde middel: discriminerende behandeling van inschrijvers; niet-inachtneming van criteria voor uitsluiting van de winnende inschrijvers, schending van de artikelen 93, lid 1, sub f, 94 en 96 van verordening nr. 1605/2002 en van de artikelen 133, sub a, en 134, sub b, van verordening nr. 2342/2002 (2) alsmede schending van het beginsel van behoorlijk bestuur. De tweede winnende inschrijver had uitgesloten moeten worden.


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357, blz. 1).


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/38


Beroep ingesteld op 8 juni 2011 — Italmobiliare/Commissie

(Zaak T-305/11)

2011/C 232/65

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italmobiliare (Milaan, Italië) (vertegenwoordigers: M. Siragusa, F. Moretti, L. Nascimbene, G. Rizza en M. Piergiovanni, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de bestreden beschikking volledig of gedeeltelijk nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter onderbouwing van haar beroep voert de verzoekende partij zes middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan onjuiste bepaling van de adressaat van de bestreden beschikking met schending van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1/2003, aangezien die beschikking gericht is aan Italmobiliare, die een zuiver financiële holding is en overigens niet het volledige kapitaal in handen heeft, en niet aan Italcementi, die binnen de groep de rol van operationele holding vervult. Voorts heeft de Commissie de beginselen van hoor en wederhoor en van het gewettigd vertrouwen geschonden door verzoekster als adressaat van de bestreden beschikking aan te wijzen, terwijl zij volstrekt niet is betrokken in het tot op heden gevoerde onderzoek. Verzoekster stelt ten slotte schending van het non-discriminatiebeginsel, aangezien Italmobiliare de enige zuivere financiële holding is die in de procedure is betrokken.

2)

Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1/2003, omdat de Commissie een onderzoeksprocedure heeft ingeleid en een bindende handeling heeft vastgesteld zonder daartoe bevoegd te zijn.

3)

Derde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel. Om te beginnen zijn de gebruikte middelen niet geschikt ter verwezenlijking van de nagestreefde doelen, aangezien de Commissie zich beroept op artikel 18 van verordening nr. 1/2003 in samenhang met een onderzoek dat niet op specifieke aanwijzingen berust en waarvan het voorwerp niet is afgebakend, teneinde gegevens te verzamelen die zij via een sectoraal onderzoek overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 1/2003 had moeten achterhalen. Verder is in de bestreden beschikking geen behoorlijke afweging gemaakt tussen het belang bij de onderzoeken en de aan de afzonderlijke betrokkenen toegebrachte schade, aangezien de Commissie verzoekster ten onrechte onevenredige en onredelijke verplichtingen ter zake van het verzamelen, het inventariseren en het overbrengen van inlichtingen heeft opgelegd.

4)

Vierde middel, ontleend aan schending van de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht. De Commissie heeft nagelaten, in de handeling opgave te doen van de redenen die haar keuze rechtvaardigen om een specifiek rechtsinstrument als de beschikking ex artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 te gebruiken. De handeling is eveneens gebrekkig gemotiveerd wat betreft het voorwerp en het doel van het verzoek om inlichtingen, alsmede wat betreft de noodzakelijkheid van de gevraagde inlichtingen voor het lopende onderzoek. De schending van de motiveringsplicht resulteert in schending van de wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU en in schending van verzoeksters rechten van verweer.

5)

Vijfde middel, ontleend aan onrechtmatigheid van de bestreden beschikking wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De door de Commissie verleende termijn van enkele dagen om opmerkingen te formuleren over de vragenlijst bij de mededeling van 4 november was duidelijk te kort om het recht om te worden gehoord daadwerkelijk te kunnen uitoefenen. Voorts verschilt de inhoud van de mededeling van 4 november in zekere mate van die van de bestreden beschikking; daarmee heeft de Commissie verzoekster verhinderd om verweer te voeren met betrekking tot de diverse vragen die nadien in de definitieve handeling zijn behandeld. Bovendien is de Commissie in verschillende opzichten aan de opmerkingen voorbijgegaan. De ingeleide contradictoire procedure is dus ondermijnd, wat de mogelijkheden tot het voeren van verweer en de procedurele positie aantast.

6)

Zesde middel, ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, wat blijkt uit i) het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende, achtereenvolgens toegezonden vragenlijsten, die werden hernummerd, geherformuleerd, die methodologische aanpassingen ondergingen en werden uitgebreid, ii) de aanzienlijke, onredelijke verlenging van de duur van het onderzoek, en iii) de wijze waarop de Commissie de procedure heeft gevoerd.


Gerecht voor ambtenarenzaken

6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/39


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 12 mei 2011 — Missir Mamachi di Lusignano/Commissie

(Zaak F-50/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beroep tot schadevergoeding - Regel van overeenstemming tussen verzoek, klacht en beroep tot schadevergoeding - Procedure op tegenspraak - Gebruik in rechte van vertrouwelijk document met rubricering „Restreint UE” - Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen - Aansprakelijkheid wegens fout - Oorzakelijk verband - Meerdere oorzaken voor schade - Feit van derde - Aansprakelijkheid zonder schuld - Bijstandsplicht - Verplichting voor instelling om bescherming van haar personeel te verzekeren - Moord op ambtenaar en zijn echtgenote door derde - Verlies van kans op overleving)

2011/C 232/66

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Livio Missir Mamachi di Lusignano (Kerkhove-Avelgem, België) (vertegenwoordigers: F. Di Gianni, R. Antonini en N. Sibona, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Pignataro, B. Eggers en D. Martin, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een bedrag ter vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker heeft geleden door de moordaanslag op zijn zoon, een voormalig ambtenaar

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De uittreksels van het document uit 2006 over de zekerheidsnormen en –criteria, die de Europese Commissie in de loop van het geding aan het Gerecht heeft overgelegd, worden onmiddellijk aan de Europese Commissie teruggezonden in een gesloten envelop met de vermelding „rubricering Restreint UE”.

3)

De Europese Commissie zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 167 van 18.7.2009, blz. 27.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/39


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 7 juni 2011 — Larue en Seigneur/ECB

(Zaak F-84/09) (1)

(Openbare dienst - Personeel van de ECB - Bezoldiging - Algemene aanpassing van bezoldigingen - Foute berekeningsmethode)

2011/C 232/67

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Emmanuel Larue en Olivier Seigneur (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank (vertegenwoordigers: G. Nuvoli en N. Urban, gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van de salarisafrekeningen over januari 2009

Dictum

1)

De salarisafrekeningen van Larue en Seigneur over januari 2009 worden nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3)

De Europese Centrale Bank zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 312 van 19.12.2009, blz. 44.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/39


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 25 mei 2011 — Bombín Bombín/Commissie

(Zaak F-22/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Verlof om redenen van persoonlijke aard - Vakantieverlof - Overdracht van verlof - Ambtenaar die zijn werkzaamheden heeft beëindigd - Financiële compensatie)

2011/C 232/68

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Luis María Bombín Bombín (Rome, Italië) (vertegenwoordiger: R. Pardo Pedernera, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Martin en J. Baquero Cruz, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om verzoeker bij zijn pensionering alleen een vergoeding te geven voor maximaal twaalf niet-opgenomen verlofdagen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bombín-Bombín zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 148 van 5.6.2010, blz. 54.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/40


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 28 juni 2011 — De Nicola/Europese Investeringsbank

(Zaak F-49/10) (1)

(Openbare dienst - Personeel van de Europese Investeringsbank - Ziektekostenverzekering - Weigering om ziektekosten te vergoeden - Verzoek om aanwijzing van onafhankelijk arts - Redelijke termijn)

2011/C 232/69

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Carlo De Nicola (Strassen, Luxemburg) (vertegenwoordiger: L. Isola, advocaat)

Verwerende partij: Europese Investeringsbank (vertegenwoordigers: T. Gilliams en F. Martin, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de verwerende partij om geen vergoeding voor lasertherapie te geven

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 221 van 14.8.2010, blz. 61.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/40


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 28 juni 2011 — AS/Commissie

(Zaak F-55/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Kennisgeving van vacature - Afwijzing van sollicitatie - Procesbelang - Invalide ambtenaar - Ondeelbaarheid van besluit tot afwijzing van sollicitatie en besluit tot aanstelling - Ontbreken - Onderscheid tussen ambtenaren die tot dezelfde functiegroep behoren en ambtenaren die dezelfde rang hebben met een ander verloop van loopbaan - Overeenstemming tussen rang en ambt)

2011/C 232/70

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: AS (Brussel, België) (vertegenwoordiger N. Lhoëst, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit houdende weigering om verzoeksters sollicitatie naar een ambt van bibliotheekassistent in aanmerking te nemen en veroordeling van de Commissie tot betaling van een vergoeding voor haar materiële en immateriële schade

Dictum

1)

Het besluit van 30 september 2009 waarbij de Europese Commissie de sollicitatie van AS heeft afgewezen, wordt nietig verklaard.

2)

De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 3 000 EUR aan AS.

3)

De overige vorderingen van het beroep worden afgewezen.

4)

De Europese Commissie zal naast haar eigen kosten drie vierde van de kosten van AS dragen.

5)

AS zal één vierde van haar kosten dragen.


(1)  PB C 246 van 11.9.10, blz. 43.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/40


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 7 juni 2011 –Mantzouratos/Parlement

(Zaak F-64/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Bevorderingsronde 2009 - Weigering van bevordering - Ontvankelijkheid van exceptie van onwettigheid - Vergelijking van verdiensten - Kennelijk onjuiste beoordeling)

2011/C 232/71

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Andreas Mantzouratos (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en É. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: V. Montebello-Demogeot en K. Zejdová, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2009 niet tot de rang AD 13 te bevorderen alsmede van de besluiten om ambtenaren die minder meritepunten dan verzoeker hebben, wel tot die rang te bevorderen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 274 van 9.10.10, blz. 33.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/41


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 12 mei 2011 — AQ/Commissie

(Zaak F-66/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordelingsrapport - Beoordelingsronde 2009 - Rang van beoordelaar lager dan die van beoordeelde - Beoordeling van prestaties over deel van de referentieperiode - Geen vaststelling van doelstellingen voor beoordeelde)

2011/C 232/72

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: AQ (Brussel, België) (vertegenwoordiger: L. Massaux, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van verzoekers loopbaanontwikkelingsrapport over de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 voor zover hij daarbij is ingedeeld in prestatieniveau III en hem twee bevorderingspunten zijn toegekend

Dictum

1)

Het beoordelingsrapport van AQ over de beoordelings- en bevorderingsronde 2009 alsmede het besluit om AQ in het kader van die ronde twee bevorderingspunten toe te kennen, worden nietig verklaard.

2)

De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 2000 aan AQ.

3)

De overige vorderingen van het beroep worden afgewezen.

4)

De Europese Commissie zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 288 van 23.10.10, blz. 74.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/41


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 28 juni 2011 — Mora Carrasco e.a./Parlement

(Zaak F-128/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Overplaatsing naar andere instelling in loop van bevorderingsronde waarin de ambtenaar in zijn instelling van herkomst zou zijn bevorderd - Instelling bevoegd om te beslissen over bevordering van overgeplaatste ambtenaar)

2011/C 232/73

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Aurora Mora Carrasco e.a. (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: O. Caisou-Rousseau en J. F. de Wachter, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van de besluiten om verzoekers in de bevorderingsronde 2009 niet te bevorderen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Europees Parlement zal naast zijn eigen kosten verzoekers’ kosten dragen.


(1)  PB C 63 van 26.2.2011, blz. 35.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/41


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 25 mei 2011 — Meierhofer/Commissie

(Zaak F-74/07 RENV) (1)

(Openbare dienst - Aanwerving - Algemeen vergelijkend onderzoek - Kandidaat gezakt voor mondeling examen - Motiveringsplicht - Regels die de werkzaamheden van de jury beheersen)

2011/C 232/74

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Stefan Meierhofer (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: H.-G. Schiessl, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van de jury van het door EPSO georganiseerde vergelijkend onderzoek AD/26/05 van 10 mei 2007 om verzoeker niet op te nemen op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek, omdat hij het voor het mondelinge examen vereiste aantal punten niet had behaald

Dictum

1)

Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over het beroep van Meierhofer, voor zover hij de ontoereikende motivering van het besluit van 19 juni 2007 betwist.

2)

Het beroep van Meierhofer wordt voor het overige deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

3)

De Europese Commissie draagt twee derde van de kosten die verzoeker in het kader van de eerste procedure voor het Gerecht heeft gemaakt alsmede haar eigen kosten van de eerste procedure voor het Gerecht, de procedure voor het Gerecht van de Europese Unie en deze procedure.

4)

Verzoeker draagt één derde van zijn eigen kosten in het kader van de eerste procedure voor het Gerecht alsmede al zijn kosten die hij in de procedure voor het Gerecht van de Europese Unie en deze procedure heeft gemaakt.


(1)  PB C 223 van 22.9.07, blz. 21.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/42


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 22 juni 2011 — Lebedef/Commissie

(Zaak F-33/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordelingsjaar 2005 - Loopbaanontwikkelingsrapport - AUB van artikel 43 van het Statuut - Rapport opgesteld na arrest in zaak F-36/07 - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

2011/C 232/75

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Giorgio Lebedef (Senningerberg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: F. Frabetti, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van verzoekers loopbaanontwikkelingsrapport over de periode van 1.1.2005 tot en met 31.12.2005, zoals dat is opgesteld na de nietigverklaring ervan door het Gerecht voor ambtenarenzaken in zaak F-36/07

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Lebedef zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 209 van 31.7.10, blz. 53.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/42


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 juni 2011 — Van Asbroeck/Commissie

(Zaak F-88/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Besluit tot indeling in voorlopige rang - Verzoek om nieuw onderzoek - Nieuw wezenlijk feit - Ontbreken - Beroep kennelijk niet-ontvankelijk)

2011/C 232/76

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Marc Van Asbroeck (Dilbeek, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues, A. Blot en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Berscheid en D. Martin, gemachtigden, vervolgens J. Currall en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van verzoekers verzoek om het besluit van de Commissie van 22 oktober 2008 betreffende de invoering van een compenserende vergoeding voor ambtenaren die vóór 1 mei 2004 van categorie zijn gewijzigd gedeeltelijk buiten beschouwing te laten, herindeling, met terugwerkende kracht tot 1 mei 2004, in de rang D*4/8 en herstel van loopbaan volgens de bevorderingen, de jaarlijkse aanpassingen en de verhoging van salaristrap die sindsdien op hem van toepassing zijn geweest

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Van Asbroeck zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 317 van 20.11.2010, blz. 50.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/42


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 29 juni 2011 — Schuerewegen/Parlement

(Zaak F-125/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Verwijdering van de werkplek - Afneming van dienstkaart - Intrekking van toegangsrechten tot computernetwerk - Voorafgaande administratieve klacht - Verzending per e-mail - Daadwerkelijke kennisneming door administratie - Tardiviteit - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

2011/C 232/77

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Daniel Schuerewegen (Marienthal, Luxemburg) (vertegenwoordigers: P. Nelissen Grade en G. Leblanc, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: O. Caisou-Rousseau en E. Despotopoulou, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van het TABG waarbij verzoeker van zijn werkplek is verwijderd en zijn dienstkaart is afgenomen alsmede van alle op dat besluit volgende handelingen en verzoek om schadevergoeding

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Schuerewegen zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 30 van 29.1.11, blz. 68.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/43


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 20 mei 2011 — Florentiny/Parlement

(Zaak F-90/10) (1)

2011/C 232/78

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft na een minnelijke regeling de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 55 van 19.2.2011, blz. 36.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/43


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 25 mei 2011 — AL/Parlement

(Zaak F-93/10) (1)

2011/C 232/79

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft na een minnelijke regeling de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 328 van 4.12.2010, blz. 61.


6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/43


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 27 april 2011 — AR/Commissie

(Zaak F-120/10) (1)

2011/C 232/80

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 72 van 5.3.2011, blz. 35.