ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2011.175.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 175

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

54e jaargang
15 juni 2011


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Raad

2011/C 175/01

Conclusies van de Raad over de bijdrage van cultuur aan de uitvoering van de Europa 2020-strategie

1

2011/C 175/02

Ontwerpconclusies van de Raad over informatiediensten inzake mobiliteit voor kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied

5

2011/C 175/03

Conclusies van de Raad over opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen

8

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Raad

15.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/1


Conclusies van de Raad over de bijdrage van cultuur aan de uitvoering van de Europa 2020-strategie

2011/C 175/01

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

GEZIEN:

de aanneming op 17 juni 2010 door de Europese Raad van „Europa 2020”, een strategie voor banen en slimme, duurzame en inclusieve groei (1);

de politieke achtergrond, waarnaar in de bijlage bij deze conclusies wordt verwezen;

HERINNEREND AAN:

de aanbeveling van de Raad van 13 juli 2010 betreffende de globale richtsnoeren voor het economische beleid van de lidstaten en de Unie (2), waarin in richtsnoer 4 de nadruk wordt gelegd op het grote economische potentieel van de culturele en de creatieve sector en op de rol ervan voor de bevordering van innovatie;

de conclusies van de Raad over kruisbestuiving tussen de vlaggenschipinitiatieven „Een digitale agenda voor Europa” en „Innovatie-Unie” van de Europa 2020-strategie (3), waarin het belang van culturele en creatieve inhoud online wordt onderstreept en erop wordt gewezen dat „de digitalisering en verspreiding van Europees cultureel erfgoed moeten worden versterkt, onder meer via het digitale bibliotheekproject „Europeana””;

de conclusies van de Raad over het Europa 2020-vlaggenschipinitiatief „Innovatie-Unie: in een snel veranderende wereld Europa door innoveren slagvaardiger transformeren” (4), waarin wordt onderkend dat de culturele en de creatieve sector een belangrijke bron van al dan niet technologische innovatie kunnen zijn, waarvan het potentieel volledig dient te worden ontsloten;

het werkdocument van de diensten van de Commissie „Analyse van de raadpleging naar aanleiding van het Groenboek — Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken” (5), waarin wordt benadrukt dat een overgrote meerderheid van respondenten een belangrijke rol weggelegd ziet voor de culturele en de creatieve sector in de uitvoering van de Europa 2020-strategie en de vlaggenschipinitiatieven daarvan;

INGENOMEN MET:

de geïntegreerde richtsnoeren voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie en de vlaggenschipinitiatieven daarvan;

OVERWEGENDE HETGEEN VOLGT:

cultuur kan een belangrijke en multidimensionale bijdrage leveren tot de maatregelen die in de geïntegreerde richtsnoeren en vlaggenschipinitiatieven van de Europa 2020-strategie worden voorgesteld en ten doel hebben in de EU een slimme, duurzame en inclusieve economie te scheppen;

om die bijdrage concreet in te vullen, zijn er in het werkplan van de Raad voor cultuur 2011-2014 (6) zes prioriteiten voor versterkte samenwerking geformuleerd;

samenwerking tussen alle betrokken sectoren en een doelgerichte benadering op alle beleidsniveaus zijn dringend en essentieel om deze bijdrage te laten renderen;

het is belangrijk dat in de beheersstructuren van de Europa 2020-strategie rekening kan worden gehouden met de inbreng van de culturele en de creatieve sector;

BENADRUKKEND HETGEEN VOLGT:

1.   De bijdrage van cultuur aan slimme groei

De culturele en de creatieve sector kunnen veel werkgelegenheid creëren. In het afgelopen decennium is de totale werkgelegenheid in de culturele en de creatieve sector driemaal zo snel gegroeid als in de algehele EU-economie (7). Deze sectoren zijn tevens aanjagers van creativiteit en niet-technologische innovatie in de gehele economie, die hoogwaardige en concurrerende diensten en goederen produceren. Ten slotte kan cultuur, via passende koppelingen met het onderwijs, daadwerkelijk bijdragen tot de opleiding van een geschoolde en flexibele beroepsbevolking, in aanvulling op de economische prestaties.

2.   De bijdrage van cultuur aan duurzame groei

Cultuur kan bijdragen tot duurzame groei via het bevorderen van groenere mobiliteit en het gebruik van nieuwe duurzame technologieën, onder meer digitalisering, die culturele inhoud online beschikbaar maakt. Kunstenaars en de culturele sector als geheel kunnen een cruciale rol spelen in de wijziging van de houding van de mens ten opzichte van het milieu.

3.   De bijdrage van cultuur aan inclusieve groei

Cultuur kan bijdragen aan inclusieve groei via het bevorderen van interculturele dialoog, met volledige eerbiediging van de culturele diversiteit. Culturele activiteiten en programma's kunnen de sociale cohesie en de gemeenschapsontwikkeling versterken en ervoor zorgen dat een persoon of een gemeenschap volledig kan deelnemen aan het sociale, het culturele en het economische leven;

VERZOEKT DE LIDSTATEN:

rekening te houden met het sectoroverschrijdende karakter van cultuur bij het formuleren van relevante beleidsmaatregelen en van nationale hervormingsprogramma's met het oog op het halen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, en goede praktijken te delen wat betreft de instrumenten en methoden om de bijdrage van cultuur tot deze doelstellingen te meten;

synergieën te versterken en partnerschappen te stimuleren tussen het onderwijs, de culturele sector, onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven op nationaal, regionaal en lokaal niveau, met bijzondere aandacht voor het tot ontwikkeling laten komen van talent en de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor creatieve activiteiten;

gebruik te maken van financiële instrumenten van de EU, meer bepaald van de structuurfondsen, om het potentieel van cultuur en van de culturele en de creatieve sector als aanjagers van ontwikkeling in regio's en steden te erkennen, en deze, waar passend, te integreren in slimme specialisatiestrategieën (8);

ter bevordering van duurzame ontwikkeling, duurzame en groene technologie bij de productie en distributie van culturele goederen en diensten aan te moedigen, en kunstenaars en de culturele sector te helpen bij de bewustmaking omtrent duurzame ontwikkeling via non-formele en informele onderwijsactiviteiten;

de rol van materieel en immaterieel cultureel erfgoed bij gemeenschapsontwikkeling en het bevorderen van actief burgerschap te onderzoeken en in aanmerking te nemen bij het opstellen van relevante lokale en regionale ontwikkelingsstrategieën;

tegemoet te komen aan de opleidingsbehoeften en prioriteiten inzake capaciteitsopbouw van de gespecialiseerde instellingen en professionals die daadwerkelijk sociaal-cultureel werk verrichten;

de behoeften inzake capaciteitsontwikkeling in openbare culturele organisaties in overweging te nemen, zodat zij geschikte diensten kunnen leveren, met bijzondere aandacht voor hun sociaal-culturele functies;

VERZOEKT DE COMMISSIE:

na te gaan, zonder vooruit te lopen op de komende onderhandelingen over het nieuwe meerjarige financiële kader, hoe de bijdrage van cultuur aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie ten volle kan worden meegewogen in de voorstellen die zij doet voor toekomstige beleids- en financiële instrumenten van de EU;

de samenwerking tussen alle betrokken Commissiediensten voort te zetten om de rol van cultuur bij de uitvoering van de Europa 2020-strategie te benadrukken en ervoor te zorgen dat dit tot uiting komt in het beleid, de richtsnoeren en de beheersafspraken ter zake;

VERZOEKT DE LIDSTATEN EN DE COMMISSIE IN HET KADER VAN HUN RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN:

het door ESSnet-culture ontwikkelde statistische kader te gebruiken, teneinde betrouwbare, vergelijkbare en actuele informatie over de sociale en economische impact van cultuur te produceren, en werk te maken van toekomstige prioriteiten die gebaseerd zijn op aanbevelingen van ESSnet-culture;

voort te bouwen op de resultaten in bovengenoemd document van de diensten van de Commissie, en de Europese Alliantie voor creatieve industrieën te baat te nemen om de culturele en de creatieve sector, en met name de kmo's en de micro-ondernemingen, te versterken en nieuwe manieren te zoeken om de innovatiecapaciteit binnen de sector zelf, alsook hun capaciteit om innovatie in andere sectoren te bevorderen, verder te vergroten;

de digitalisering van en de toegang tot cultureel erfgoed en hedendaagse culturele inhoud, waaronder audiovisuele werken, te stimuleren, met name via Europeana, en aldus de culturele diversiteit en de meertaligheid te bevorderen en te behouden, met volledige eerbiediging van het auteursrecht en de naburige rechten;

duurzaam cultuurtoerisme te bevorderen als aanjager van samenhang en economische ontwikkeling;

na te gaan hoe de culturele component in een leven lang leren kan worden versterkt om bij te dragen tot de ontwikkeling van sleutelcompetenties (9), teneinde dit in te brengen in de beleidsvorming op dit gebied.


(1)  EUCO 13/1/10 REV 1.

(2)  PB L 191 van 23.7.2010, blz. 28.

(3)  Doc. 16834/10.

(4)  Doc. 17165/10.

(5)  Doc. 8224/11 — SEC(2011) 399 definitief.

(6)  PB C 325 van 2.12.2010, blz. 1.

(7)  Verslag over het Europees concurrentievermogen 2010, SEC(2010) 1276 definitief.

(8)  Mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 over „Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie” — COM(2010) 553 definitief.

(9)  Sleutelcompetenties worden omschreven in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10).


BIJLAGE

Bij het aannemen van deze conclusies verwijst de Raad met name naar de volgende achtergronddocumenten:

Resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur (1);

Rapport van het „Comité des Sages”: „The New Renaissance” (2);

Conclusies van de Raad over cultuur als katalysator voor creativiteit en innovatie (12 mei 2009) (3);

Conclusies van de Raad van 27 november 2009 over het stimuleren van een creatieve generatie: de creativiteit en het innoverend vermogen van kinderen en jongeren ontwikkelen door middel van culturele expressie en toegang tot cultuur (4);

Conclusies van de Raad van 10 mei 2010 over de bijdrage van cultuur aan regionale en lokale ontwikkeling (5);

Conclusies van de Raad van 18 november 2010 over de rol van cultuur bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (6);

Conclusies van het voorzitterschap aan het eind van de informele bijeenkomst van de ministers van Cultuur (Barcelona, 31 maart 2010) (7);

Verklaring van het voorzitterschap naar aanleiding van de informele bijeenkomst van de ministers van Cultuur (Brussel, 7 oktober 2010) (8);

Verklaring van het voorzitterschap naar aanleiding van de informele bijeenkomst van de ministers van Cultuur (Gödöllő, Hongarije, 28 maart 2011).


(1)  PB C 287 van 29.11.2007, blz. 1.

(2)  http://ec.europa.eu/information_society/activities/digital_libraries/doc/reflection_group/final-report-cdS3.pdf en bijlagen http://ec.europa.eu/information_society/activities/digital_libraries/index_en.htm

(3)  8175/1/2009 REV 1.

(4)  PB C 301 van 11.12.2009, blz. 9.

(5)  PB C 135 van 26.5.2010, blz. 15.

(6)  PB C 324 van 1.12.2010, blz. 16.

(7)  http://www.eu2010.es/export/sites/presidencia/comun/descargas/Ministerios/en/conclusiones_rim_cultura.pdf

(8)  http://www.culture.be/fileadmin/sites/culture/upload/culture_super_editor/culture_editor/documents/Relations_IntNat/7_octobre_2010_Reunion_informelle_des_Ministres_de_la_Culture_Declaration_de_la_Presidence_EN_final_2_.pdf


15.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/5


Ontwerpconclusies van de Raad over informatiediensten inzake mobiliteit voor kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied

2011/C 175/02

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

GEZIEN:

het programma Cultuur 2007-2013 (1) en de specifieke doelstelling ervan inzake de transnationale mobiliteit van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied;

de resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur (2), volgens welke mobiliteit van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied fundamenteel bijdraagt tot het verwezenlijken van de strategische doelstellingen;

de conclusies van de Raad van 21 mei 2008 over het Werkplan voor cultuur 2008-2010 (3), en met name prioriteit 1, „Verbeteren van de voorwaarden voor mobiliteit van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultuurgebied”;

de conclusies van de Raad van 18 november 2010 over het werkplan voor cultuur 2011-2014 (4), en met name prioriteit C, „Vaardigheden en mobiliteit”;

het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 20 oktober 2005 (5), waarbij de EU en haar vele lidstaten partij zijn; om deze redenen zijn zij vastbesloten te bewerkstelligen dat kunstenaars, andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied en burgers over de hele wereld een breed scala van culturele activiteiten, goederen en diensten, waaronder die van henzelf, kunnen scheppen, produceren, en verspreiden, en hiervan kunnen genieten;

VERWIJZEND NAAR:

het werkdocument van de Commissiediensten dat een analyse biedt van de raadpleging in verband met het Groenboek „Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken”, en met name het hoofdstuk „Mobiliteit en de mobiliteit van culturele en creatieve werken” (6), en waarin benadrukt wordt dat veel contribuanten commentaar leverden op kwesties inzake regelgeving, wetgeving en andere thema's die van invloed zijn op de mobiliteit;

het proefproject van het Europees Parlement voor de mobiliteit van kunstenaars, dat moet helpen betere omstandigheden te creëren voor de mobiliteit van kunstenaars, en tevens voorziet in een studie van de benodigde informatiesystemen (7);

het verslag van juni 2010 van de Werkgroep open-coördinatiemethode over de mobiliteit van beoefenaars van culturele beroepen, en met name haar aanbevelingen inzake het verstrekken van informatie inzake mobiliteit aan kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied, met inbegrip van de richtsnoeren voor informatiediensten mobiliteit (8);

OVERWEGENDE HETGEEN VOLGT:

de mobiliteit van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied in Europa is essentieel om culturele en taalkundige diversiteit en de interculturele dialoog te verbeteren. Dit verdient actief door de Europese Unie en haar lidstaten te worden bevorderd;

de mobiliteit van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied bevordert creatieve ontmoetingen alsmede de productie en uitwisseling van culturele goederen en diensten;

mobiliteit versterkt het gevoel tot de Europese Unie te behoren en verdiept de kennis van de culturen die wij gemeen hebben;

mobiliteit is belangrijk voor het volwaardig functioneren van de Europese arbeidsmarkt in overeenstemming met de Verdragen; een actiever en doelmatiger gebruik van de kansen die de eengemaakte markt biedt, kan nieuwe banen en kansen op werk opleveren voor kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied, en tevens de werkgelegenheid in de culturele sector en in de economie in haar geheel bevorderen;

cultureel en artistiek werk speelt zich in toenemende mate af in een internationale context, waarin kansen op het gebied van werk, rondreizen, verblijf, samenwerking, coproductie, carrièreontwikkeling, opleiding en leren van elkaar zich vaak buiten de landsgrenzen voordoen;

meer en betere mobiliteit kan ertoe bijdragen dat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, namelijk een slimme, duurzame en inclusieve groei, worden verwezenlijkt (9);

het oplossen van kwesties qua administratie en regelgeving die een obstakel vormen voor de mobiliteit van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied valt meestal buiten de bevoegdheden van de autoriteiten op cultuurgebied; derhalve zijn netwerkvorming en samenwerking tussen verschillende diensten op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau van belang;

een van de belangrijkste hinderpalen waarvan kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied die binnen de EU mobiel wensen te zijn, gewag maken, is het vinden van nauwkeurige en volledige informatie en adviezen over mobiliteitsaangelegenheden;

ROEPT DE LIDSTATEN EN DE COMMISSIE, IN HET KADER VAN HUN RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN EN CONFORM HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL, OP OM:

voorwaarden te scheppen voor volledige en nauwkeurige verstrekking van informatie door informatiediensten inzake mobiliteit aan kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied die binnen de EU mobiel willen zijn; hiertoe optimaal gebruik te maken van de deskundigheid die beschikbaar is bij de overheid en bij organisaties in de culturele sector; in voorkomend geval aansluiting te vinden bij bestaande diensten om de informatie te verspreiden, in het besef dat deze in bepaalde gevallen de belangrijkste bron van accurate informatie zijn.

In dit verband wordt onder informatiediensten inzake mobiliteit verstaan: diensten die informatie verstrekken aan kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied die binnen de EU mobiel willen zijn.

De doelgroep van de informatiediensten inzake mobiliteit moet gevormd worden door kunstenaars en beoefenaren van andere culturele beroepen die uit andere lidstaten komen, in de lidstaat verblijven of die zich naar andere lidstaten wensen te begeven. De gemeenschap van „kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied” omvat alle beoefenaren van alle artistieke, leidinggevende, logistieke, communicatieve en andere beroepen in de culturele sector, alsook beoefenaren van artistieke beroepen in andere sectoren (10). Naast individuele kunstenaars en andere beoefenaren van culturele beroepen maken in het bijzonder groepen, ensembles en organisaties deel uit van de doelgroep. Aangezien een aantal van de kunstenaars die in Europa verblijven onderdaan zijn van een derde land, moet er speciale aandacht besteed worden aan hun specifieke behoeften.

In deze context kenmerken informatiediensten inzake mobiliteit zich door gemeenschappelijke kwaliteitsnormen, overeengekomen informatieonderwerpen en strategische partnerschappen.

De kwaliteitsnormen omvatten een gezamenlijke, vrijwillige inzet van alle bij het (netwerk van) informatiediensten inzake mobiliteit betrokken personen en instanties om de gebruikers informatie van hoge kwaliteit te leveren.

Gestreefd wordt naar een gezamenlijke minimuminformatie aangaande regelgevings- en administratieve en andere aspecten betreffende mobiliteit, waaronder sociale zekerheid, belastingen, intellectuele-eigendomsrechten, visa en werkvergunningen, verzekeringen en douane, alsmede de erkenning van beroepskwalificaties. Daarnaast zou er informatie verstrekt kunnen worden over de mogelijkheden op het gebied van financiering en opleiding.

Strategische partnerschappen zijn noodzakelijk om op deze gebieden de kwaliteit van de informatie te kunnen waarborgen. Betrokken hierbij zijn onder andere de EU-, nationale en regionale instanties, culturele instellingen, werkgevers- en werknemersorganisaties, en opleidingsinstellingen;

TENEINDE DE ZO DOELMATIG EN DOELTREFFEND MOGELIJKE WERKING VAN DE INFORMATIEDIENSTEN VOOR KUNSTENAARS EN ANDERE BEROEPSBEOEFENAREN OP CULTUREEL GEBIED TE BEVORDEREN, ZOU HET VOLGENDE DE REGEL MOETEN ZIJN:

intercollegiaal leren en opleidingsmogelijkheden voor informatieverstrekkers moeten worden bevorderd, opdat die een goed inzicht kunnen ontwikkelen in de levens- en arbeidsomstandigheden van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied en kennis kunnen opbouwen met betrekking tot de voorschriften en procedures van de lidstaten en de EU. Aldus zullen de informatieverstrekkers in staat zijn de gebruikers door te verwijzen naar de informatie over regels, voorschriften, procedures, rechten en plichten op nationaal en EU-niveau;

netwerkvorming tussen informatieverstrekkers is essentieel om ervoor te zorgen dat ze in verschillende lidstaten met elkaar in contact kunnen treden om, ten behoeve van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied uit hun eigen land, de informatie over de voorschriften en omstandigheden in de lidstaat van bestemming te verkrijgen die dezen nodig hebben. Netwerkvorming schept ook kansen voor capaciteitsopbouw en intercollegiaal leren. Wil het systeem goed kunnen functioneren, dan moeten de informatieverstrekkers uit alle lidstaten erbij betrokken zijn;

er dienen basisgegevens over het gebruik van informatiediensten inzake mobiliteit te worden verzameld om de kwaliteit en de toegankelijkheid van deze diensten te verbeteren. Terugkerende en structurele thema's met betrekking tot voorschriften en de toepassing daarvan dienen ter kennis gebracht te worden van de bevoegde nationale instanties en de betrokken diensten van de Europese Commissie, teneinde de mogelijkheden voor mobiliteit op de langere termijn te verbeteren;

HIERTOE WORDT DE COMMISSIE VERZOCHT:

overeenkomstig het werkplan voor Cultuur 2011-2014, een werkgroep van deskundigen in te stellen die gezamenlijke normen inzake de inhoud en de kwaliteit van informatie zal voorstellen voor informatie- en adviesdiensten ten behoeve van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied in de EU die mobiel willen zijn. Deze groep zal voor informatiediensten inzake mobiliteit de precies te behandelen onderwerpen alsook richtsnoeren voor de inhoud aangeven, met inbegrip van informatie voor onderdanen van derde landen. Het verslag van juni 2010 van de Werkgroep open-coördinatiemethode over de mobiliteit van kunstenaars en andere beoefenaars van culturele beroepen, dat tevens richtsnoeren voor informatiediensten inzake mobiliteit bevat, vormt de basis voor de werkzaamheden van de groep van deskundigen;

los van de besprekingen over het komende meerjarig financieel kader, bij het uitwerken van haar voorstellen voor nieuwe programma's te onderzoeken of financiële steun kan worden gevonden voor informatiediensten die zich richten op kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied die mobiel willen zijn;

informatie over mobiliteit te verspreiden via de platforms van de EU (11) en vragenlijsten toe te zenden aan gespecialiseerde diensten van de lidstaten of van de culturele sectoren die in staat zijn kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied volledige, nauwkeurige informatie en bijstand inzake mobiliteit te verstrekken;

DE LIDSTATEN WORDT VERZOCHT:

op basis van, onder meer, het voorstel van de bovengenoemde werkgroep van deskundigen gezamenlijke minimumnormen voor inhoud en kwaliteit goed te keuren voor het organiseren of verder ontwikkelen van mobiliteitsinformatiediensten voor kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied, en indien nodig leemten in de bestaande nationale informatiediensten op te vullen;

op grond van nationale structuren en tradities te zorgen voor mobiliteitsinformatiediensten die zo neutraal, kostenefficiënt, flexibel en gebruikersgericht mogelijk zijn;

instrumenten te selecteren voor de openbare verspreiding van mobiliteitsinformatie onder kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied en daarbij waar passend gebruik te maken van bestaande diensten;

hun informatie op nationaal niveau die voor de mobiliteit van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied van belang is, zo mogelijk te verstrekken via een meertalige website. Vertaling, ook automatische, moet worden aangemoedigd om veeltaligheid te bevorderen, de informatie gemakkelijk toegankelijk te maken en mobiliteitsprojecten te stimuleren;

DE LIDSTATEN EN DE COMMISSIE WORDT VERZOCHT:

nauw met elkaar samen te werken om netwerkvorming tussen mobiliteitsinformatiediensten op Europees niveau aan te moedigen en zo de informatieverstrekking aan kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied die binnen de EU mobiel willen zijn, te verbeteren en daarbij voort te bouwen op de bestaande partnerschappen voor informatie- en adviesverstrekking, met inbegrip van die in de cultuursector, en deze in voorkomend geval verder te ontwikkelen.

de mobiliteitsinformatiediensten te controleren om de kwaliteit en de toegankelijkheid van deze diensten te verbeteren.


(1)  PB L 372 van 27.12.2006, blz. 1.

(2)  PB C 287 van 29.11.2007, blz. 1.

(3)  PB C 143 van 10.6.2008, blz. 9.

(4)  PB C 325 van 2.12.2010, blz. 1.

(5)  Besluit 2006/515/EG van de Raad van 18 mei 2006 inzake de sluiting van het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen (PB L 201 van 25.7.2006, blz. 15). Dit verdrag bevat maatregelen die van belang zijn voor mobiliteit en culturele uitwisseling.

(6)  SEC(2011) 399 definitief.

(7)  „Information systems to support the mobility of artists and other professionals in the culture field: a feasibility study”, ECOTEC, 2009 — http://ec.europa.eu/culture/key-documents/doc2039_en.htm

(8)  http://ec.europa.eu/culture/our-policy-development/doc1569_en.htm

(9)  COM(2010) 2020 definitief.

(10)  De ruimere groep van beoefenaren van beroepen in de culturele sector omvat bijvoorbeeld curatoren, directeuren en personeel van culturele instellingen, technici, decorbouwers, ICT-deskundigen, communicatiedeskundigen enz.

(11)  Your Europe (http://ec.europa.eu/youreurope/); Eures (European Job Mobility portal, http://ec.europa.eu/eures).


15.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/8


Conclusies van de Raad over opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen

2011/C 175/03

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

GEZIEN HET VOLGENDE:

de conclusies van 14 november 2006 van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over doelmatigheid en rechtvaardigheid in onderwijs en opleiding (1);

de conclusies van 21 november 2008 van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende het voorbereiden van jongeren op de 21ste eeuw: een agenda voor Europese samenwerking op schoolgebied (2);

de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding („ET 2020”) (3);

de conclusies van de Raad van 26 november 2009 over het onderwijs aan kinderen met een migrantenachtergrond (4);

de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de sociale dimensie van onderwijs en opleiding (5).

HERINNEREND AAN HETGEEN VOLGT:

onderwijs en opleiding op elk niveau — vanaf de vroegste schooljaren tot op volwassen leeftijd — doelmatiger en rechtvaardiger maken zal een fundamentele factor moeten zijn bij het verwezenlijken van de doelstellingen van Europa 2020, namelijk slimme, duurzame en inclusieve groei (6).

BEVESTIGT HET VOLGENDE:

hoewel de verantwoordelijkheid voor de organisatie en de inhoud van onderwijs- en opleidingsstelsels bij de afzonderlijke lidstaten berust, kan samenwerking op Europees niveau, via de open-coördinatiemethode, in combinatie met een efficiënte benutting van uniale programma's bijdragen tot de ontwikkeling van onderwijs en opleiding van een hoog gehalte, doordat op nationaal niveau genomen maatregelen worden ondersteund en aangevuld en de lidstaten worden geholpen bij het aangaan van gemeenschappelijke uitdagingen.

ALSMEDE IN HET LICHT VAN:

de conferentie over expertise en kansengelijkheid bij opvang en onderwijs voor jonge kinderen, die het voorzitterschap op 21 en 22 februari 2011 in Boedapest heeft georganiseerd, en die benadrukt heeft dat de kwantitatieve en de kwalitatieve dimensie van opvang en onderwijs voor jonge kinderen moeten worden gecombineerd, en voorts de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een EU-agenda voor de rechten van het kind  (7).

VERWELKOMT de Mededeling van de Commissie „Opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen (8).

CONSTATEERT HET VOLGENDE:

1.

Opvang en onderwijs voor jonge kinderen (OOJK) van hoge kwaliteit (9) biedt zowel individueel als maatschappelijk tal van korte- en langetermijnvoordelen. Het vormt een aanvulling op de centrale rol van het gezin en is de basis voor het verwerven van talenkennis, succes op het gebied van levenslang leren, sociale integratie, persoonlijke ontwikkeling en inzetbaarheid. Als er een solide grondslag wordt gelegd in de vormingsjaren van het kind, zal het later gemakkelijker leren en met grotere waarschijnlijkheid zijn leven lang blijven leren; het heeft meer kansen op billijke schoolresultaten, en de maatschappij zal minder talent en uitgaven aan welzijn, volksgezondheid en zelfs justitie verloren zien gaan.

2.

OOJK van hoge kwaliteit komt ten goede aan alle kinderen, maar speciaal aan kinderen uit een sociaaleconomisch kansarme omgeving, aan migranten- en Romakinderen, en aan kinderen met speciale onderwijsbehoeften, zoals gehandicapten. Omdat het de prestatiekloof helpt dichten en de cognitieve, taalkundige, sociale en emotionele ontwikkeling ondersteunt, kan het ertoe bijdragen dat de vicieuze cirkel van kansarmoede en afhaken, die vaak leidt tot schooluitval en generatiearmoede, wordt doorbroken.

3.

In dit verband kan een algemene, billijke toegankelijkheid van kwaliteitsopvang en -onderwijs voor jonge kinderen in sterke mate bijdragen tot het welslagen van de Europa 2020-strategie, en in het bijzonder tot het verwezenlijken van twee kerndoelen van de Unie: voortijdig schoolverlaten terugdringen tot onder 10 %, en ten minste 20 miljoen Europeanen bevrijden van het risico van armoede en sociale uitsluiting.

4.

OOJK biedt voorts het voordeel dat leerproblemen snel worden opgemerkt en er vroeg kan worden ingegrepen; welke jonge kinderen speciale onderwijsbehoeften hebben, is dan gemakkelijker te bepalen, en ook kan het helpen om hen, indien mogelijk, hun plaats te laten innemen in een reguliere onderwijsinstelling.

5.

Weliswaar hebben de lidstaten in de afgelopen jaren de beschikbaarheid van OOJK sterk verbeterd, maar om de participatie van 95 % te halen die binnen het strategisch kader „ET 2020” als doelstelling voor 2020 is afgesproken (10), en vooral om kinderen uit kansarme milieus meer toegangsmogelijkheden te bieden, zullen verdere inspanningen moeten worden geleverd.

6.

OOJK van hoge kwaliteit is net zo belangrijk als de beschikbaarheid en betaalbaarheid ervan; aandacht moet worden geschonken aan aspecten als omgeving en infrastructuur, personeelsbezetting, leerplan, governance en kwaliteitsbewaking.

7.

OOJK moet op lokaal, regionaal en nationaal niveau op een meer systemische en geïntegreerde wijze worden aangepakt; hierbij moeten alle belanghebbenden — ook het gezin — worden ingeschakeld, en moet tussen verschillende beleidssectoren, zoals onderwijs, cultuur, sociale zaken, werkgelegenheid, volksgezondheid en justitie, nauw worden samengewerkt.

8.

Dat men naar verhouding meer mannen gaat betrekken bij OOJK is van belang om tot een attitudeverandering te komen, en te laten zien dat niet alleen vrouwen onderwijs en zorg kunnen verstrekken. Kinderen hebben er baat bij met rolmodellen van beide geslachten te worden geconfronteerd; voorts kan het genderstereotiepe percepties helpen doorbreken. Een omgeving waar zowel mannen als vrouwen werken, draagt ertoe bij de ervaringswereld van het kind te verruimen, en kan tevens gendersegregatie op de arbeidsmarkt helpen verminderen.

9.

OOJK blijkt minder aandacht te krijgen dan enig ander niveau in het onderwijsbestel, ook al is bewezen dat efficiënt investeren in kwaliteitseducatie gedurende de eerste jaren veel doeltreffender is dan later in te grijpen, en levenslang beschouwd sterk rendeert, vooral voor kansarmen.

10.

Over educatie van jonge kinderen is op EU-niveau relatief weinig onderzoek verricht of materiaal verzameld aan de hand waarvan een OOJK-beleid in de lidstaten zou kunnen worden ontwikkeld en gevoerd. Het bestaande onderzoeksmateriaal moet breder toegankelijk worden, en daarnaast moet op grotere schaal onderzoek worden verricht naar OOJK in de verschillende lidstaten en naar het effect ervan; hierbij moet rekening worden gehouden met het aspect culturele diversiteit en moeten goede praktijken en nuttige ervaringen worden geboekstaafd.

IS HET EENS OVER HET VOLGENDE:

opvang en onderwijs voor jonge kinderen moet niet alleen voor iedereen toegankelijk, maar ook beter worden; om deze dubbele uitdaging aan te gaan, zouden met name de volgende maatregelen getroffen kunnen worden:

1.

Het verschaffen van billijke toegang tot inclusieve OOJK-voorzieningen van hoge kwaliteit, in het bijzonder voor kinderen uit een sociaaleconomisch kansarme omgeving, aan migranten- en Romakinderen, en voor kinderen met speciale onderwijsbehoeften, zoals gehandicapten.

2.

Het ontwerpen van efficiënte financieringsmodellen, met inbegrip van gerichte financiering, die — naargelang van nationale en lokale omstandigheden — een juist evenwicht tussen publieke en particuliere investeringen bieden.

3.

Het bevorderen van intersectorale, geïntegreerde vormen van opvang en onderwijs, teneinde met een totaalaanpak te voorzien in de cognitieve, sociale, emotionele, psychische en fysieke behoeften van alle kinderen, en te zorgen voor een goed samenspel tussen de familiekring en de OOJK-omgeving, en voor een vlotte overgang tussen de verschillende onderwijsniveaus.

4.

Het ondersteunen van de professionalisering van het OOJK-personeel — met de nadruk op ontwikkeling van de competenties, kwalificaties, en arbeidsomstandigheden — alsook van het beroepsprestige. Voorts het uitstippelen van een beleid dat erop gericht is personeel aan te trekken, op te leiden en te houden dat voldoende gekwalificeerd is op het gebied van OOJK, alsmede het verbeteren van het genderevenwicht.

5.

Het propageren van voor de ontwikkeling gunstige programma's en leerplannen die het verwerven van cognitieve én niet-cognitieve vaardigheden bevorderen, zonder dat het belang van het spelelement — eveneens van cruciaal belang in het leerproces tijdens de vroegste jaren — wordt miskend.

6.

Het steunen van de ouders in hun rol van voornaamste opvoeder van hun kinderen in de eerste levensjaren, en het aansporen van OOJK-diensten tot werken in nauw partnerschap met ouders, gezinnen en gemeenschappen, zodat een beter inzicht in de door OOJK geboden kansen en het belang van leren vanaf jonge leeftijd ontstaat.

7.

Het bevorderen van kwaliteitsbewaking, met medewerking van alle centrale belanghebbenden, met name het gezin.

8.

Het bevorderen van onderzoek en gegevensverzameling op Europese schaal over OOJK, indien nodig in samenwerking met internationale organisaties, om over meer feitenmateriaal voor beleidsvorming en voor het uitvoeren van programma's te kunnen beschikken.

VERZOEKT DE LIDSTATEN DERHALVE:

1.

De bestaande diensten voor OOJK op lokaal, regionaal en nationaal niveau te analyseren en te beoordelen op beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit, in overeenstemming met deze conclusies.

2.

Ervoor te zorgen dat maatregelen worden getroffen die erop gericht zijn iedereen billijke toegang tot OOJK van betere kwaliteit te verschaffen.

3.

Efficiënt te investeren in OOJK, als maatregel die op lange termijn de groei bevordert.

VERZOEKT DE COMMISSIE:

1.

De lidstaten te steunen bij het aanduiden en uitwisselen, via de open-coördinatiemethode, van goede beleidsmaatregelen en praktijken.

2.

OOJK empirisch beter te onderbouwen, met onderzoek dat in de gehele Unie, op basis en ter aanvulling van internationaal onderzoek, wordt verricht en waarvan de resultaten toegankelijker worden gemaakt.

3.

Binnen het strategisch kader „ET 2020” de voortgang naar de „ET 2020”-benchmark voor onderwijsparticipatie in de vroege kinderjaren, en naar de in deze conclusies beoogde bredere toegankelijkheid en hogere kwaliteit, aan bewaking en rapportage te onderwerpen.

VERZOEKT DE LIDSTATEN OM, MET STEUN VAN DE COMMISSIE:

1.

Via de open-coördinatiemethode een beleidsmatige samenwerking met de betrokken sectoren (zoals onderwijs, cultuur, sociale zaken, werkgelegenheid, volksgezondheid en justitie) — met inschakeling van alle belanghebbenden — aan te gaan, om op Europees niveau referentie-instrumenten te creëren die de beleidsontwikkeling inzake OOJK op het geeigende niveau — lokaal, regionaal en nationaal — ondersteunen.

2.

Los van de onderhandelingen over het toekomstige financieel kader, met het oog op al deze doelstellingen efficiënt gebruik te maken van alle belangrijke instrumenten die de Unie op het gebied van een leven lang leren en van onderzoek ten dienste staan, alsook van de Europese structuurfondsen, in overeenstemming met de streefdoelen van de Europa 2020-strategie.


(1)  PB C 298, 8.12.2006, blz. 3.

(2)  PB C 319, 13.12.2008, blz. 20.

(3)  PB C 119, 28.5.2009, blz. 2.

(4)  PB C 301, 11.12.2009, blz. 5.

(5)  PB C 135, 26.5.2010, blz. 2.

(6)  Conclusies van de Europese Raad van maart 2010 — doc. EUCO 7/1/10 REV 1.

(7)  Doc. 7226/11 — COM(2011) 60 definitief.

(8)  Doc. 6264/11 — COM(2011) 66 definitief.

(9)  In deze conclusies wordt onder opvang en onderwijs voor jonge kinderen (OOJK) verstaan elke regeling inzake het verstrekken van opvang en onderwijs voor kinderen vanaf de geboorte tot de leerplichtige leeftijd — ongeacht het bestel, de financiering, het werk- of lesrooster, de programma-inhoud — met inbegrip van voorschoolse en preprimaire voorzieningen. (Bron: OECD Starting Strong I (2006), blz. 7.)

(10)  Zie bijlage I bij de conclusies (PB C 119 van 28.5.2009, blz. 7): „Uiterlijk in 2020 moet minstens 95 % van de kinderen tussen 4 jaar en de leerplichtige leeftijd voor het lager onderwijs deelnemen aan onderwijs in de vroege kinderjaren.”.

In 2008 bedroeg het Europese gemiddelde van de participatie 92,3 %.