ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2011.084.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 84

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

54e jaargang
17 maart 2011


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

468e plenaire zitting op 19 en 20 januari 2011

2011/C 084/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek van de Commissie over beleidsopties voor de ontwikkeling van een Europees contractenrecht voor consumenten en ondernemingen (COM(2010) 348 definitief)

1

2011/C 084/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het verslag van de Commissie — Verslag over het mededingingsbeleid 2009 (COM(2010) 282 definitief)

7

2011/C 084/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het groenboek Corporate governance in financiële instellingen en het beloningsbeleid(COM(2010) 284 definitief)

13

2011/C 084/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Monitoringactie van de handels- en distributiemarkt Naar een efficiëntere en eerlijkere interne handels- en distributiemarkt tegen 2020(COM(2010) 355 definitief)

19

2011/C 084/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven (COM(2010) 473 definitief — 2010/0246 (COD))

25

2011/C 084/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad — Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (COM(2010) 542 definitief — 2010/0271 (COD))

30

2011/C 084/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende baissetransacties en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps (COM(2010) 482 definitief — 2010/0251 (COD))

34

2011/C 084/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek Naar adequate, houdbare en zekere Europese pensioenstelsels(COM(2010) 365 definitief)

38

2011/C 084/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/112/EG van de Raad inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtensappen en bepaalde soortgelijke producten (COM(2010) 490 definitief)

45

2011/C 084/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad tot vaststelling van technische overgangsmaatregelen van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011(COM(2010) 488 definitief — 2010/0255 (COD))

47

2011/C 084/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de verstrekking van levensmiddelen aan de meest behoeftigen in de Unie betreft (COM(2010) 486 definitief — 2008/0183 (COD))

49

2011/C 084/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten (COM(2010) 641 definitief — 2007/0206 (CNS))

53

2011/C 084/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (COM(2010) 610 definitief — 2010/0302 (COD))

54

2011/C 084/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten (COM(2010) 635 definitief — 2010/0309(COD))

55

NL

 


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

468e plenaire zitting op 19 en 20 januari 2011

17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek van de Commissie over beleidsopties voor de ontwikkeling van een Europees contractenrecht voor consumenten en ondernemingen

(COM(2010) 348 definitief)

2011/C 84/01

Rapporteur: de heer PEZZINI

De Europese Commissie heeft op 1 juli 2010 besloten om, overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Groenboek van de Commissie over beleidsopties voor de ontwikkeling van een Europees contractenrecht voor consumenten en ondernemingen

COM(2010) 348 final.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 december 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 19 en 20 januari gehouden 468e zitting (vergadering van 19 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 148 stemmen vóór en 5 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) onderschrijft het standpunt van de Commissie dat ook op het gebied van het contractenrecht verder werk moet worden gemaakt van de voltooiing van de Europese interne markt. Ook onderkent het EESC het belang van de werkzaamheden die academici m.b.t. het gemeenschappelijk referentiekader hebben verricht en waarvan ook in de praktijk profijt moet kunnen worden getrokken.

1.2   Van de verschillende opties die de Commissie voorstelt, verkiest het EESC een gecombineerde oplossing waarbij wordt gestreefd naar zowel een beperking van de kosten als voldoende rechtszekerheid. Een en ander kan daarbij de vorm aannemen van:

een „pakket instrumenten” dat als gemeenschappelijk referentiekader kan dienen en de partijen wordt aangeboden voor het opstellen van transnationale contracten, en dat gepaard gaat met

een optioneel regelgevingsstelsel, met clausules die voor de partijen het gunstigst uitvallen. Van dit „nieuw facultatief geavanceerd stelsel” zou in het kader van transnationale contractuele betrekkingen gebruik kunnen worden gemaakt als alternatief voor de nationale regelingen, op voorwaarde dat zowel het „pakket” als de regelgeving in alle communautaire talen beschikbaar zijn en dat zij rechtszekerheid bieden op grond van bepalingen die burgers en ondernemingen de meest geavanceerde bescherming bieden. Dergelijke regelgeving laat onverlet dat lidstaten stringentere beschermingsmaatregelen voor consumenten kunnen handhaven of invoeren.

1.3   Deze doelstellingen moeten stapsgewijs worden verwezenlijkt. Eerst moet worden gedacht aan transnationale verkoopovereenkomsten (B2B) die als proefprojecten kunnen dienen en nuttig kunnen zijn om na te gaan hoe verschillende regelingen naast elkaar kunnen bestaan en concreet worden toegepast.

1.4   Het door het gemeenschappelijk referentiekader geboden instrumentarium zou volgens het EESC kunnen bijdragen aan de algehele samenhang van het Europese contractenrecht, aan de beperking van de handelsbelemmeringen en aan de bevordering van de concurrentie op de interne markt.

1.5   Tegelijk met dit „nieuw optioneel geavanceerd stelsel” dat via een communautaire verordening in het Europese recht en de nationale rechtsstelsels zou worden opgenomen, zou aan de partijen die er voor transnationale handelstransacties gebruik van maken, moeten worden gegarandeerd dat het algemeen geldig en duidelijk van toepassing is en rechtszekerheid biedt.

1.6   Onder het toepassingsgebied van de twee nieuwe instrumenten - het „gemeenschappelijk instrumentarium” en het „nieuwe optionele geavanceerde regelgevingsstelsel”- zouden transnationale overeenkomsten voor de verkoop van goederen (B2B) vallen. Contracten, met name op het gebied van het arbeids- en het socialezekerheidsrecht, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de nieuwe instrumenten.

1.7   Het EESC pleit voor vrijheid bij het sluiten van contracten en het onderhandelen over contractvoorwaarden. Voor B2C-contracten (Business to Consumer) en voor het MKB moet het hoogste beschermingsniveau evenals voldoende rechtszekerheid en consumentenbescherming worden gegarandeerd.

1.8   Wanneer deze twee nieuwe instrumenten reeds een aantal jaren in gebruik zullen zijn, moet de Commissie, vooraleer dit gebruik ook tot andere dan transnationale overeenkomsten voor de verkoop van goederen uit te breiden, de impact ervan op de interne markt beoordelen en de verworven meerwaarde op Europees vlak evalueren, rekening houdend met de kosten en voordelen voor de economische actoren en de consumenten.

1.9   Volgens het EESC is het van cruciaal belang dat de Commissie zo spoedig mogelijk de belemmeringen in kaart brengt m.b.t. transactiekosten en rechtsonzekerheid, die verhinderen dat met name kleine en middelgrote bedrijven (die 99 % van alle ondernemingen in de EU uitmaken) en consumenten ten volle profijt trekken van de voordelen en mogelijkheden van de interne markt.

1.10   Het EESC verzoekt de Commissie een effectbeoordeling te maken van de beschikbare middelen op de interne markt en de Europese meerwaarde te evalueren van dit nieuwe wetgevingssysteem, rekening houdend met de kosten en voordelen voor de economische actoren en de consumenten.

1.11   Het EESC zou ook graag zien dat de Commissie zonder dralen een initiatief lanceert met het oog op zowel theoretische als praktische opleiding in en voorlichting over de nieuw gecreëerde juridische instrumenten. De doelgroep voor dit initiatief zouden juristen en academici alsook de eindgebruikers van de nieuwe instrumenten moeten zijn.

1.12   Het EESC zou, zoals ook met het Europees Parlement gebeurt, als waarnemer graag méér betrokken worden bij de werkzaamheden van de deskundigengroepen die door de Commissie worden ingesteld. Doel is dieper te kunnen ingaan op de ontwikkeling van de initiatieven, met name t.a.v. het gemeenschappelijk referentiekader voor het Europese contractenrecht en de follow-up van de resultaten van de thans lopende openbare raadpleging.

2.   Inleiding

2.1   De interne markt stoelt op een groot aantal contracten die onder verschillende nationale regelingen ressorteren. Het uiteenlopende karakter van deze nationale regelingen kan evenwel:

leiden tot extra transactiekosten;

voor ondernemingen een bron van rechtsonzekerheid vormen;

het vertrouwen van consumenten in de interne markt ondermijnen;

handelsbelemmeringen creëren.

2.1.1   Met het Lissabonverdrag kan gemakkelijker op Europees niveau worden opgetreden op het gebied van juridische samenwerking en consumentenbescherming in civiele zaken, en wel dankzij:

de artt. 12, 38, 164 en 168 van het Verdrag; voorts wordt in art. 169, lid 4, verzekerd dat de nationale wetgeving geldt indien deze gunstiger uitvalt voor de consument;

de veralgemening van de toepassing van de communautaire methode (1);

de goedkeuring bij gekwalificeerde meerderheid van de door de Commissie ingediende voorstellen;

de versterking van de rol van het Europees Parlement;

de grotere democratische betrokkenheid van de nationale parlementen;

een beter wettigheidstoezicht door het Europese Hof van Justitie.

2.1.2   Overeenkomstig het Programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger kan de Unie gemeenschappelijke minimumnormen vaststellen om de wederzijdse erkenning van arresten en rechterlijke uitspraken te vergemakkelijken en de samenwerking van de gerechtelijke politie in strafzaken te vergroten.

2.1.3   Ondernemingen en burgers stuiten, ondanks de juridische onderbouwing van de interne markt, dagelijks op obstakels die transnationale activiteiten blijven belemmeren. Het is voor hen duidelijk dat de onderlinge verbinding van netwerken te wensen overlaat en dat de internemarktregels nog steeds op uiteenlopende wijze worden toegepast.

2.1.4   Volgens de Commissie (2) moeten maatregelen worden genomen om de knelpunten op de interne markt weg te nemen door:

„de agenda voor „slimme regelgeving” door te zetten en onder meer te overwegen om vaker te kiezen voor verordeningen dan voor richtlijnen;

het eenvoudiger en goedkoper te maken voor bedrijven en consumenten om overeenkomsten te sluiten met partners in andere EU-landen, met name door te zorgen voor geharmoniseerde oplossingen voor consumentencontracten en EU-modelcontractbepalingen;

het eenvoudiger, doeltreffender en goedkoper te maken voor bedrijven en consumenten om de naleving van contracten af te dwingen en gerechtelijke beslissingen en stukken in andere EU-lidstaten te laten erkennen.”

2.1.5   Overigens is de instelling van een optioneel instrument voor contractenrecht een van de sleutelacties waarin de op 19 mei 2010 door de Europese Commissie gepresenteerde Europese digitale agenda voorziet.

2.1.6   Reeds in 2001 heeft de Commissie een discussie over het Europees contractenrecht gelanceerd waarbij het Europees Parlement, de Raad en de diverse belanghebbende partijen (ondernemingen, juristen, academici en consumentenverenigingen) betrokken waren.

2.1.7   Het Europees Parlement heeft een aantal resoluties over de mogelijke harmonisatie van het materiële privaatrecht aangenomen. In 1989 en 1994 heeft het de wens geuit dat er een begin zou worden gemaakt met de werkzaamheden voor de opstelling van een gemeenschappelijk Europees Wetboek van privaatrecht.

2.1.8   Het Europees Parlement beklemtoonde dat harmonisatie van bepaalde sectoren van het privaatrecht van essentieel belang is voor de voltooiing van de interne markt en dat de eenmaking van grote onderdelen van het privaatrecht in de vorm van een Europees Wetboek van privaatrecht de meest doeltreffende vorm van harmonisatie is.

2.1.9   Het EESC heeft in zijn advies van 2002 reeds het volgende standpunt verdedigd: „Het Comité denkt dat het uitwerken van een uniform, algemeen geldend Europees verbintenissenrecht, bijvoorbeeld in de vorm van een verordening, de beste manier is om tegenstrijdigheden te vermijden. Dit zou wel eens extra tijd en nadere studie kunnen vergen. Wel zou de operatie moeten worden gebaseerd op de reeds genoemde werkzaamheden van verschillende commissies en instellingen, alsmede op de bestaande internationale regels en praktijken. (3)

2.1.10   In 2010 beklemtoonde het EESC in een daarbij aansluitend advies: „Het netwerk voor gemeenschappelijke beginselen van Europees verbintenissenrecht (CoPECL-netwerk) heeft onlangs een ontwerp voor een gemeenschappelijk referentiekader opgesteld en aan de Europese Commissie gepresenteerd. Met deze regels heeft de Europese wetgever een model dat hij kan gebruiken bij de invoering van een optioneel instrument zoals bepleit door commissaris Reding. (4)

2.1.11   Zo ook heeft het EESC onderstreept dat „het gemeenschappelijk referentiekader, dat betrekking heeft op het algemene verbintenissenrecht, in feite niet ontworpen is als optioneel instrument. De auteurs van het gemeenschappelijk referentiekader geven echter in hun inleiding aan dat het kader kan worden gebruikt „als basis voor een of meerdere optionele instrumenten””. Volgens het EESC „kan dit voorstel ook restrictief worden uitgevoerd door de algemene bepalingen van het gemeenschappelijk referentiekader op te nemen in een optioneel instrument dat alleen van toepassing is op specifieke onderdelen van het verbintenissenrecht. Zo worden lacunes in de regelgeving, die onvermijdelijk zouden ontstaan indien alleen bepalingen met betrekking tot specifieke soorten overeenkomsten zouden worden opgenomen, voorkomen.”

3.   Het nieuwe Groenboek van de Commissie

3.1   In haar groenboek stelt de Commissie verschillende benaderingen voor met het oog op een grotere samenhang van het contractenrecht. Strategische opties zijn in deze context o.m.:

de publicatie op het internet van (niet bindende) modelcontractbepalingen die binnen de Europese eengemaakte markt toegepast zouden kunnen worden;

een (al dan niet bindend) „instrumentarium” waarvan de wetgevers van de EU gebruik kunnen maken bij het opstellen van nieuwe wetgeving, ter verzekering van betere en meer samenhangende regelgeving;

een aanbeveling m.b.t. het contractenrecht waarbij de lidstaten worden opgeroepen het Europese contractenrecht in hun verschillende nationale rechtsstelsels op te nemen, enigszins naar het model van de Verenigde Staten, waar op één na alle 50 staten vrijwillig een Uniform Commercial Code (uniform handelswetboek) hebben aangenomen;

een optioneel Europees contractenrecht of „28e regeling” die van toepassing zou zijn op contractuele betrekkingen en waarvoor consumenten en ondernemingen vrij zouden kunnen kiezen. Deze facultatieve regelgeving zou een alternatief bieden voor de bestaande nationale regelingen en zou in alle talen beschikbaar zijn. Ze zou alleen op transnationale contracten van toepassing kunnen zijn of ook tot nationale contracten uitgebreid kunnen worden. Een en ander zou een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgen en rechtszekerheid bieden voor de gehele levenscyclus van het contract;

harmonisatie van de nationale regelingen inzake contractenrecht via een EU-richtlijn;

volledige harmonisatie van de nationale regelingen inzake contractenrecht via een EU-verordening;

vaststelling van een echt Europees burgerlijk wetboek, ter vervanging van alle nationale regelingen inzake contractenrecht.

3.2   Het Europees Parlement heeft in een resolutie van 25 november 2009 steun gegeven aan het voorstel voor een Europees contractenrecht. Ook Mario Monti, voormalig eurocommissaris voor interne markt en concurrentie, heeft in zijn verslag over de interne markt van 9 mei 2010 gewezen op de mogelijke voordelen van een facultatieve „28e regeling” voor consumenten en bedrijven (5).

3.3   Op 7 september 2010 heeft de Commissie een eerste vergadering over het Europees contractenrecht gehouden, waaraan vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, consumenten en juristen hebben deelgenomen.

3.4   De Commissie heeft tevens een deskundigengroep opgericht, waarin ook het EP met waarnemers vertegenwoordigd is, teneinde het zogenoemde „Ontwerp van het gemeenschappelijk referentiekader” (6) – een eerste ontwerp van Europees contractenrecht dat de laatste jaren in het kader van 6e EU-kaderprogramma OTO&D ontwikkeld is – in praktijk te brengen.

3.5   De Commissie heeft een openbare raadpleging over het strategisch document gelanceerd, die eind januari 2011 zal worden afgerond.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   De eengemaakte EU-markt is gebaseerd op het contractenrecht. Het EESC maakt zich grote zorgen over het feit dat, ondanks de inspanningen ter voltooiing van de interne markt, met name kleine en middelgrote ondernemingen het moeilijk hebben om in het buitenland een afzetmarkt te vinden omdat zij zich in elk van de 27 lidstaten moeten aanpassen aan weer ander contractenrecht. Slechts 8 % van de consumenten doet online aankopen in een andere lidstaat.

4.2   De verschillen tussen de nationale regelingen ter zake leiden thans tot extra transactiekosten voor de ondernemingen. Met name kleine ondernemingen slagen er niet in te profiteren van de schaalvoordelen die de eengemaakte Europese markt biedt. Consumenten ondervinden de gevolgen daarvan omdat het keuzeaanbod kleiner wordt en de prijzen stijgen naarmate het transnationaal handelsverkeer vermindert.

4.3   Voorts loopt er in 61 % van de gevallen iets fout met transnationale verkoop omdat handelaars weigeren in de lidstaat van de consument te leveren. Een en ander is hoofdzakelijk te wijten aan de belemmerende regelgeving en de onzekerheid van de toepasselijke voorschriften.

4.4   Om dergelijke problemen op te lossen en het potentieel van de Europese interne markt te vergroten, moet ondernemingen, en met name kleinere ondernemingen, meer rechtszekerheid worden geboden en moeten de regels voor de consumenten vereenvoudigd worden en een hoger beschermingsniveau bieden.

4.5   Het EESC is van mening dat de Commissie op dit gebied meer inspanningen moet leveren en verder moet gaan dan de maatregelen inzake justitiële samenwerking in civiele zaken, die weliswaar noodzakelijk zijn maar niet volstaan voor een goede werking van de interne markt.

4.6   Zoals door de Commissie wordt voorgesteld, is een discussie geboden waarbij rekening wordt gehouden met de ervaringen die in het kader van de Europese interne markt zijn opgedaan. Deze markt wordt gekenmerkt door een veelheid aan contracten die gebaseerd zijn op uiteenlopende nationale regelingen en voor extra transactiekosten zorgen, die volgens recente studies gemiddeld ca. vijftienduizend euro belopen (7).

4.7   Consumenten en ondernemingen stuiten op niet onaanzienlijke belemmeringen als zij voordeel willen trekken van de interne markt. De transactiekosten (om de contractuele bepalingen en de commerciële maatregelen aan te passen of de voorschriften te laten vertalen) en de rechtsonzekerheid bemoeilijken de groei van kleine en middelgrote ondernemingen op de eengemaakte markt en brengen een goede consumentenbescherming in het gedrang.

4.8   Samenhang binnen het contractenrecht zou bijzonder nuttig kunnen zijn; een en ander zou kunnen worden verwezenlijkt via een optioneel contractenrecht (ook „28e regeling” genoemd). In tal van documenten beginnen Commissie en EP te verwijzen naar de mogelijkheid om gebruik te maken van deze zogenoemde „28e regeling”, vooral wanneer het gaat om belangrijke gebieden waarop de gewenste volledige harmonisatie nauwelijks haalbaar, laat staan gemakkelijk zou zijn.

4.8.1   Behalve in het initiatiefadvies van het EESC over „De Europese verzekeringsovereenkomst”  (8) en in de recente publicatie van de „beginselen van het Europees verzekeringsovereenkomstenrecht (PEICL)” door de projectgroep Restatement of European Insurance Contract Law (herdefiniëring van het Europees verzekeringsrecht) is slechts in een paar gevallen door de Europese wetgever voor een dergelijke aanpak gekozen, nl. op het gebied van het vennootschapsrecht, intellectuele-eigendomsrechten en internationaal recht.

4.9   De invoering van gestandaardiseerde contractvoorwaarden zou alle partijen ten goede komen mits:

voorzien wordt in maximale garanties om de zwakkere contractpartijen te beschermen en bij de opstelling ervan wordt uitgegaan van een zo hoog mogelijk beschermingsniveau;

de actieve deelname van de sociale partners en alle vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld – met name verenigingen van consumenten en van het MKB - aan de onderhandelingen over gestandaardiseerde contractvoorwaarden wordt verzekerd;

de contractvoorwaarden overeenstemmen met de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen en de richtlijn over de inachtneming van de betalingstermijnen bij handelstransacties, waarmee ten volle uitvoering wordt gegeven aan de Small Business Act;

toch de nodige contractuele vrijheid wordt gegarandeerd, bijv. door middel van aanbevolen standaardcontracten;

de toegang tot de rechter niet wordt beperkt;

de gestandaardiseerde contractvoorwaarden op gezette tijden worden gemonitored en herbekeken.

4.10   Volgens het EESC moet stapsgewijs te werk worden gegaan en begonnen worden met transnationale verkoopscontracten voor goederen van commerciële aard. Dergelijke proefprojecten zijn nuttig om na te gaan hoe regelingen naast elkaar kunnen bestaan en door de betrokken partijen effectief worden toegepast alsook om de impact ervan doeltreffend te kunnen inschatten.

4.11   Van bijzonder belang zijn de verschillende definities van materieel recht m.b.t.:

rechtspersonen

consumenten en beroepsbeoefenaars

oneerlijke bedingen

verplichting tot het vooraf verschaffen van contractuele informatie over goederen en diensten

verplichting tot het verschaffen van informatie ingeval een contract wordt gesloten met een contractpartij in een benadeelde positie

verhaalmiddelen bij niet-naleving van de verplichting tot informatieverschaffing

levering – tijdstip van levering – koppeling met de risico-overgang

termijnen en voorwaarden voor het beoordelen van de naleving, en rangorde van de verhaalmiddelen in geval van niet-naleving

situaties van mogelijk verbreken van het contract

het in kennis stellen van de verkoper van gebreken die door de koper zijn/hadden moeten worden ontdekt

herroepingsrecht: toepassingsgebied; uitoefening van het herroepingsrecht; bedenktijd en tijdslimieten van de herroeping

het begrip „objectieve aansprakelijkheid”

inlassing van de begrippen „gederfde winst” („lucrum cessans”) en „reële schade” („damnum emergens”)

aansprakelijkheid van producenten en bewijslast

elektronische handel (e-commerce).

4.12   Het EESC zou een combinatie van maatregelen van regelgevende en niet-regelgevende aard kunnen voorstellen, nl.:

meer samenhang van het communautaire acquis op het gebied van het contractenrecht;

bevordering van de uitwerking van gestandaardiseerde contractuele bepalingen die in de hele Unie van toepassing zijn;

verder nagaan of de problemen i.v.m. het Europese contractenrecht geen specifieke oplossingen vergen die niet-sectorgebonden zijn.

4.13   Een Europees contractenrecht op vrijwillige basis zou volgens het EESC samen met en naast de nationale contractenrechtsstelsels moeten kunnen bestaan en gestandaardiseerde bepalingen en voorwaarden kunnen garanderen, terwijl ook optioneel gebruik zou kunnen worden gemaakt van de „28e regeling”.

4.14   De toepassing van het Verbintenissenverdrag van Rome (9) stuit in ieder geval op tal van uitdagingen, daar zij nieuwe problemen (zoals de e-contractpartij en de invloed daarvan op de voor contracten geldende voorschriften) en nieuwe juridische vragen doet rijzen.

4.15   Wat het toepassingsgebied van het „gemeenschappelijk instrument” van Europees vrijwillig contractenrecht en het „nieuwe optionele geavanceerde regelgevingsstelsel” betreft, is het volgens het EESC zaak te beginnen met een proefproject op commercieel vlak dat beperkt zou zijn tot transnationale contracten voor de verkoop van goederen.

4.16   Het EESC is van mening dat er een grotere samenhang tussen horizontale en verticale regelgeving moet worden gewaarborgd en dat daarbij met name moet worden gestreefd naar transparantie, duidelijkheid en eenvoud, niet alleen voor degenen die de rechtsregels moeten gaan toepassen en in staat moeten zijn om de nieuwe richtsnoeren in praktijk te brengen, maar vooral ook voor kleine ondernemingen en de doorsneeconsument, voor wie complexe en onduidelijke regelgeving meteen ook hogere kosten en tijdverlies met zich meebrengt.

Brussel, 19 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Die methode is gebaseerd op het idee dat de belangen van de burgers beter worden behartigd wanneer de EU-instellingen hun rol in het besluitvormingsproces, met respect voor het subsidiariteitsbeginsel, ten volle vervullen.

(2)  EUROPA 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei - COM(2010) 2020 final.

(3)  PB C 241 van 07.10.2002, blz. 1.

(4)  PB C 21 van 21.1.2011, blz. 26.

(5)  PB C 21 van 21.1.2011, blz. 26.

(6)  Het gemeenschappelijk referentiekader is een langetermijnproject dat beoogt de EU-wetgevingsinstanties (Commissie, Raad en Europees Parlement) een instrument of een leidraad ter beschikking te stellen om de bestaande wetgeving te herzien en toekomstige wetgeving op het gebied van contractenrecht uit te stippelen. Een dergelijk instrument zou basisbeginselen, definities van sleutelbegrippen en modelbepalingen inzake contractenrecht kunnen omvatten. In het kader van het 6e kaderprogramma heeft DG Onderzoek op het gebied van sociale en humane wetenschappen een topnetwerk inzake uniforme beginselen van Europees contractenrecht (Common Principles of European Contract Law - CoPECL) tot stand gebracht, waaraan wordt meegewerkt door ruim 150 onderzoekers van verschillende instellingen en organisaties die in alle EU-lidstaten op het gebied van Europees privaatrecht werkzaam zijn. Het eindresultaat van de werkzaamheden die door dit netwerk van 2005 tot 2009 zijn verricht, is uiteengezet in het document „Ontwerp van het gemeenschappelijk referentiekader”.

(7)  htpp://www.europe.org.

(8)  PB C 157 van 28.06.05, blz. 1.

(9)  Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19 juni 1980.


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/7


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het verslag van de Commissie — Verslag over het mededingingsbeleid 2009

(COM(2010) 282 definitief)

2011/C 84/02

Rapporteur: de heer CHIRIACO

De Commissie heeft op 3 juni 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Verslag van de Commissie - Verslag over het Mededingingsbeleid 2009

COM(2010) 282 final.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 december 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 19 en 20 januari gehouden 468e zitting (vergadering van 19 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 154 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het mededingingsbeleid stond in 2009 vooral in het teken van de economische crisis en de aanpak van de gevolgen daarvan.

1.2   Het EESC pleit voor zo veel mogelijk synergie tussen de Europa 2020-strategie en de strategie voor duurzame ontwikkeling (1), maar ook (zoals in het verleden al is voorgesteld (2) tussen deze strategieën en het mededingingsbeleid. Dit moet voorkomen dat maatregelen elkaar overlappen of – erger nog – elkaar tegenwerken.

1.3   In deze economisch gezien moeilijke tijden bestaat, zeker als het gaat om de financiële dienstverlening, het gevaar dat het economisch evenwicht structureel uit het lood wordt geslagen, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor de concurrentie en tot schadelijk gedrag kan leiden. Ook al kan de Commissie, zoals reeds eerder is benadrukt (3), niet alle problemen in verband met de economische crisis op haar schouders nemen, ze zou met een gemeenschappelijk beleid van oriëntatie en toezicht toch steun moeten verlenen aan de maatregelen van de toezichthoudende instanties, zoals de Europese Centrale Bank en andere mededingingsautoriteiten.

1.4   Bovengenoemde kwestie is des te prangender nu het Bazel-akkoord  (4) wordt herzien. Als gevolg van deze herziening zullen van de banken meer garanties worden gevraagd om het gevaar van een nieuwe financiële crisis door gebrek aan liquiditeit in te dammen, en zullen bedrijven door de nieuwe regels moeilijker toegang krijgen tot kredieten, waardoor het gevaar bestaat dat het risico zich van de financiële markten naar de reële economie verplaatst. De herziening zou er bovendien toe kunnen leiden dat de Europese banken worden benadeeld ten opzichte van de banken in de VS, waardoor de winsten dalen en de concurrentie op het gebied van risico-investeringen toeneemt.

1.5   Het EESC steunt de Commissie bij haar verdere toezicht op de nationale herstelplannen, zodat er een overzicht kan worden gegeven van de stand van zaken m.b.t. de uitvoering van de afzonderlijke programma's, er kan worden geïnventariseerd welke instrumenten er beschikbaar zijn om sneller voortgang te boeken met die maatregelen en er kan worden gecontroleerd of de afstemming goed verloopt (5).

1.6   Gezien het risico van een obligatieschok als gevolg van de totale schuld van vooral landen als Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje zijn speculaties ten koste van de grondstoffenmarkten niet uitgesloten. De Commissie zou aandacht moeten besteden aan de problemen die daardoor voor met name het mkb ontstaan op het gebied van prijzen en lonen, en daartoe ook oplossingen moeten formuleren.

1.7   Het EESC stelt voor om periodiek een controleverslag uit te brengen op het gebied van staatssteun, waarin uitgebreid wordt beschreven welke vorderingen er zijn gemaakt met de tenuitvoerlegging van de genomen maatregelen en de gevolgen daarvan voor de markten worden doorgerekend. Het uiteindelijke doel is een plan voor verbetering van de industriële sector via versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven (met name het mkb) en vergroting van de werkgelegenheid. Dit is noodzakelijk voor het herstel van de economie van de EU.

1.8   Het EESC (6) heeft reeds zijn bezorgdheid geuit over de mogelijke gevolgen van interactie tussen het systeem van industriële-eigendomsrechten en het mededingingsbeleid. Daarom zou in het Europese mededingingsbeleid in 2010 ook op dit terrein moeten worden uitgegaan van gelijke, niet-discriminerende voorwaarden en zouden met name kleine en middelgrote ondernemingen (die zich volgens het EESC en de Commissie in een moeilijke positie bevinden) moeten worden gestimuleerd om industriële-eigendomsrechten te verwerven. In het licht van het voorstel van de Europese Commissie voor een talenregeling voor het Europees octrooi en ook gezien de roep van sommige lidstaten om meer samenwerking raadt het EESC aan een formule te zoeken die het mogelijk maakt om de concurrentiepositie te verbeteren, innovatie te bevorderen en de interne markt te versterken op basis van gelijke voorwaarden. Het Europees octrooi mag dan ook op geen enkele wijze leiden tot discriminatie van economische subjecten en staten omdat zulks kan resulteren in oneerlijke concurrentie.

1.9   De landbouw moet in verregaande mate worden geïntegreerd in alle andere EU-beleidsterreinen, om te beginnen in dat van het mededingingsbeleid.

1.10   Wat de energiesector betreft, valt er onder consumenten in diverse lidstaten een grote mate van ontevredenheid te bespeuren over de elektriciteits- en gasmarkt. De hoge prijzen en de geringe kwaliteit van de dienstverlening leiden tot meer kosten voor consumenten en bedrijven en daarmee ook tot een regelrechte concurrentieverstoring.

1.11   Om de economische ontwikkeling een stimulans te geven moet, overeenkomstig het principe van technologische neutraliteit, het kennis- en competentieniveau van beheerders en eindgebruikers van elektronische communicatiediensten worden verbeterd. Daarmee wordt ook beter tegemoetgekomen aan de beginselen van de Digitale Agenda (7).

1.12   Het EESC onderschrijft de definitie van recht op informatie als een combinatie van vrijheid van informatie en het recht om informatie te verstrekken en te vergaren (8). Dit betekent dat veelzijdige informatie te allen tijde volledig, onpartijdig en onafhankelijk dient te zijn. De Commissie moet niet alleen ondernemingen die pluralisme aan banden proberen te leggen en daarmee de vrije concurrentie verstoren, bestraffen, maar ook zo proactief mogelijk de vrijheid van informatie bevorderen.

1.13   Sinds het besluit om de postmarkt per 1 januari 2011 volledig te liberaliseren, heeft de economische crisis de financiële stabiliteit van de traditionele en met diensten van algemeen belang belaste postbedrijven structureel in gevaar gebracht. Om ervoor te zorgen dat deze bedrijven de hun toegewezen taken volledig kunnen uitvoeren en dat het niveau en de kwaliteit van de banen in deze sector behouden blijven, zouden de Europese instellingen een steunregeling moeten invoeren die rekening houdt met deze nieuwe situatie. Op het moment van de goedkeuring van de derde postrichtlijn (2008/6/EG) van 20 februari 2008 was nog niet duidelijk wat de impact en de mogelijke gevolgen daarvan zouden zijn. In meer algemene zin pleit het EESC, gezien de huidige crisis, voor een verdere ondersteuning en ontwikkeling van de diensten van algemeen belang, teneinde de economische, sociale, territoriale en culturele cohesie in de Europese Unie te versterken.

1.14   Wat consumentenbescherming betreft, is het EESC verheugd over de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de meer gestructureerde betrekkingen tussen DG COMP en de overige DG's die zich bezighouden met consumentenzaken en consumentenorganisaties, maar betreurt het dat er al meer dan een jaar geen schot meer zit in de concrete tenuitvoerlegging van de 'particuliere' handhaving van de EU-antitrustregels.

1.14.1   Ondanks de steun van het Europees Parlement en het EESC is de Commissie er niet in geslaagd vaart te zetten achter haar in 2005 in het groenboek en in 2008 in het witboek gelanceerde initiatief om EU-schadevorderingen op antitrustgebied efficiënter te maken, met als gevolg dat de rechten van consumenten die schade ondervinden door schending van de antitrustregels, niet worden beschermd.

1.14.2   Het Hof van Justitie heeft lang geleden al bevestigd dat afbreuk wordt gedaan aan de antitrustregels als niet iedereen een beroep kan doen op vergoeding van de schade veroorzaakt door schending van die regels.

1.15   Het EESC roept ook op om goed te kijken naar concentraties in de verschillende sectoren van de economie, om te onderzoeken wat de maatschappelijke en culturele gevolgen daarvan zijn in de industrie, de handel, het ambachtswezen en de landbouw, en om passende aanbevelingen uit te werken voor een actief en duurzaam economisch beleid en voor evenwichtige economische structuren.

1.16   Net als in eerdere adviezen over het mededingingsbeleid zou het EESC de Commissie willen vragen om aandacht te besteden aan het vraagstuk sociale dumping. Hoewel de Commissie zich bijzonder actief opstelt op het gebied van het milieu, zoals ook blijkt uit de talloze anticrisismaatregelen, zou ze meer en ook heel concreet rekening moeten houden met de verschillen die er nog altijd bestaan tussen de nationale wetgevingen op het gebied van gelijke kansen en arbeidsbescherming. Deze aspecten dienen een essentieel onderdeel te vormen van niet alleen het werkgelegenheidsbeleid, maar ook het mededingingsbeleid. Het zijn namelijk factoren die in aanzienlijke mate een stempel kunnen drukken op de marktdynamiek.

1.17   Het EESC juicht het toe dat de Commissie ook in 2009 heeft getracht om meer duidelijkheid te verschaffen omtrent de relatie tussen de socialezekerheidsstelsels en zorgstelsels enerzijds en de economie anderzijds. Het steunt de Commissie bij haar streven naar een meer op basis van solidariteit gefinancierde sociale infrastructuur, naar een sterker maatschappelijk middenveld en naar meer algemeen welzijn in Europa. Het EESC is van oordeel dat de op de nationale sociale wetgeving gestoelde socialezekerheidsstelsels zodanig moeten zijn vormgegeven, dat aanbieders en rechthebbenden daar zonder aanzien des persoons toegang toe kunnen krijgen en dat grensoverschrijdende dienstverlening kan worden vereenvoudigd indien de staat of lokale en regionale overheden daar zelf niet in voorzien. De verhoudingen tussen juridisch en economisch zelfstandige aanbieders die het algemeen nut dienen, zouden in de eerste plaats bij nationale sociale wetgeving moeten worden geregeld.

2.   Inhoud van het verslag over het mededingingsbeleid 2009

2.1   In het verslag over het mededingingsbeleid van 2009 worden de ontwikkeling en toepassing van de instrumenten van het mededingingsbeleid, de maatregelen ten behoeve van de consumenten en de Europese, internationale en interinstitutionele samenwerking beschreven.

2.2   In het inleidende hoofdstuk van het verslag wordt dieper ingegaan op „het mededingingsbeleid en de economische en financiële crisis”.

2.3   Het mededingingsbeleid en de economische en financiële crisis

2.3.1   De rol van het mededingingsbeleid in verband met de crisis

2.3.1.1   Om de zware economische crisis het hoofd te bieden heeft de Commissie maatregelen geformuleerd die de interne markt moeten beschermen door de effecten van de crisis op de reële economie zo veel mogelijk te beperken, het financiële stelsel te stabiliseren en te voorkomen dat er in de toekomst nog eens zo'n crisis uitbreekt.

2.3.2   Beleidsantwoord van de Commissie

2.3.2.1   De Commissie is overladen met talloze verzoeken van lidstaten om noodhulp en heeft daar in zeer korte tijd op weten te reageren.

2.3.3   Herkapitalisatie van de banken

2.3.3.1   Al in 2008 heeft de Commissie een herkapitalisatiemededeling  (9) uitgebracht, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen gezonde banken en banken in moeilijkheden en waarin richtsnoeren worden aangereikt voor de beoordeling van kapitaalinjecties als hulpmaatregel.

2.3.3.2   Voor twaalf lidstaten (10) werden garantieregels goedgekeurd. Zeven lidstaten hebben zuivere herkapitalisatieregelingen (11) ten uitvoer gelegd, terwijl zeven andere lidstaten gemengde of holistische regelingen hebben uitgewerkt (12). Daarnaast hebben Spanje, Slovenië, het Verenigd Koninkrijk, Hongarije en Duitsland ook andere vormen van steunregelingen doorgevoerd. Wat steun aan individuele entiteiten betreft, is er toestemming verleend voor herkapitalisatie en andere steunmaatregelen ten behoeve van 29 entiteiten (13).

2.3.4   Besmette activa

2.3.4.1   In februari heeft de Commissie een mededeling over besmette activa  (14) uitgebracht, waarin de criteria worden uiteengezet voor de beoordeling van de maatregelen voor activaondersteuning ten behoeve van financiële instellingen in het licht van de staatssteunregels.

2.3.5   Herstructurering

2.3.5.1   In een mededeling over herstructurering  (15) behandelt de Commissie het vraagstuk moreel risico en stelt ze duidelijke voorwaarden waaraan begunstigden moeten voldoen, om te voorkomen dat het in het verleden vertoonde risicogedrag niet meer wordt beloond.

2.3.6   Andere vormen van hulp buiten staatssteun

2.3.6.1   De Commissie heeft opnieuw gekeken naar de insolventievoorwaarden in verband met boetes die ze op basis van de antitrustregels heeft opgelegd, en daarbij elk afzonderlijk geval apart onderzocht.

2.3.7   Effecten van de crisis op de reële economie

2.3.7.1   De tijdelijke kaderregeling  (16), die tot eind 2010 van kracht is, heeft twee doelstellingen. Ze moet ervoor zorgen dat ondernemingen blijvend toegang krijgen tot financiering en hen ertoe aanzetten om te investeren in een „duurzame toekomst”.

2.3.8   Behaalde resultaten vs. gemaakte kosten

2.3.8.1   In totaal is de staatssteun in 2008 als gevolg van de financieel-economische crisis toegenomen van rond 0,5 % tot 2,2 % van het bbp. Dit komt neer op een bedrag van 279,6 miljard euro. Crisismaatregelen beliepen circa 1,7 % van het bbp.

2.4   Instrumenten

2.4.1   Staatssteuntoezicht

2.4.1.1   In 2009 werd het Actieplan Staatssteun verder ten uitvoer gelegd (17), met de goedkeuring van richtsnoeren voor opleidingssteun (18) en voor steun aan gehandicapte en kwetsbare werknemers (19). Ook voor een diepgaande beoordeling van regionale steun voor grote investeringsprojecten zijn er richtsnoeren goedgekeurd (20).

2.4.1.2   De geldigheidsduur van de bestaande communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (21) is verlengd tot oktober 2012.

2.4.1.3   Per 1 september 2009 is het vereenvoudigingspakket van kracht geworden, dat staatssteunprocedures van de Commissie nog doelmatiger, transparanter en beter voorspelbaar moet maken (22).

2.4.2   Antitrustbeleid

2.4.2.1   De Commissie heeft zes kartelbeschikkingen gegeven (23), waarbij aan 43 ondernemingen voor in totaal 1,62 miljard euro aan geldboetes is opgelegd.

2.4.2.2   De Commissie heeft eindbeschikkingen gegeven in de energiesector (RWE en GdF) en de IT-sector (Intel, Microsoft en Rambus) en besloten om een procedure in te leiden in de sector van de elektronische communicatie (Poolse en Slowaakse gevestigde operatoren op de breedbandmarkt) en de financiële diensten (Standard & Poor's en Thomson Reuters).

2.4.3   Concentratiecontrole

2.4.3.1   Het aantal aangemelde concentraties lag onder de recordniveaus van de voorgaande jaren. In totaal werden 259 transacties bij de Commissie aangemeld en zijn 243 eindbeschikkingen gegeven. Er zijn geen verbodsbeschikkingen gegeven en er zijn geen nieuwe procedures ingeleid op basis van art. 21 van de EG-concentratieverordening.

2.5   Sectorale ontwikkelingen

2.5.1   Financiële diensten

2.5.1.1   De Commissie blijft de multilaterale interbancaire vergoedingen (MIF's), met name van VISA Europe en MasterCard, in de gaten houden.

2.5.1.2   Er is een doorlichting uitgevoerd van het functioneren van de huidige groepsvrijstellingsverordening voor de verzekeringssector, die op 31 maart 2010 afliep. De nieuwe ontwerpgroepsvrijstellingsverordening, die in oktober is gepubliceerd, voorziet in verlenging van de vrijstelling voor twee categorieën overeenkomsten: gemeenschappelijke compilaties, tabellen en onderzoeken, en overeenkomsten betreffende medeverzekerings- of medeherverzekeringspools.

2.5.2   Energie en milieu

2.5.2.1   Het in april goedgekeurde wetgevingspakket klimaat-energie bevat een richtlijn inzake hernieuwbare energie waarmee duurzaamheidscriteria worden vastgelegd voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa (24) die eveneens relevant zijn voor de beoordeling van staatssteun op dat gebied. Voorts hebben het Europees Parlement en de Raad een richtlijn vastgesteld tot herziening van de EU-regeling inzake emissiehandel in broeikasgassen (25).

2.5.2.2   In juli hebben het Europees Parlement en de Raad het Energiepakket voor de interne markt  (26) goedgekeurd en heeft de Commissie een voorstel aangenomen voor een verordening betreffende maatregelen tot veiligstelling van de aardgasvoorziening.

2.5.2.3   Voor het eerst heeft de Commissie een boete opgelegd voor een antitrustinbreuk binnen de energiesector. Aan E.ON en GdF Suez werd een boete van in totaal 1 106 miljoen euro opgelegd voor marktverdeling (27).

2.5.3   Elektronische communicatie

2.5.3.1   Tot 2009 heeft de Commissie het gebruik van staatssteun en andere vormen van overheidsfinanciering in Europa voor de bevordering van de toegang van alle Europese burgers tot breedband ten belope van ongeveer 2 miljard euro (28) beoordeeld en goedgekeurd.

2.5.4   Informatietechnologie

2.5.4.1   In 2009 heeft de Commissie twee besluiten vastgesteld die de toezeggingen van Microsoft en Rambus inzake de door hen aangevochten inbreuken juridisch bindend verklaren. Daarnaast heeft ze nog een besluit vastgesteld inzake een boete van 1,06 miljard euro voor Intel, de hoogste die ze ooit aan één onderneming heeft opgelegd (29).

2.5.5   Media

2.5.5.1   Ook in 2009 heeft de Commissie nauw toezicht gehouden op de overgang van analoge naar digitale terrestrische omroep in de lidstaten, met name in Italië en Duitsland.

2.5.6   Farmaceutische industrie en gezondheid

2.5.6.1   Naar aanleiding van een onderzoek naar de farmaceutische sector heeft de Commissie verklaard dat er dringend een gemeenschapsoctrooi moet komen en dat er één speciale Europese procedure moet worden ingevoerd voor de beslechting van geschillen op het gebied van octrooien.

2.5.6.2   De initiatieven van de Commissie op het gebied van gezondheidsdiensten richtten zich vooral op staatssteun. De Commissie heeft uit meerdere lidstaten klachten ontvangen van privéziekenhuizen over oneerlijke behandeling of buitensporige compensaties voor openbare ziekenhuizen (30).

2.5.7   Vervoer

2.5.7.1   Op het gebied van het spoorvervoer heeft de Commissie de overname van de Poolse spoorwegmaatschappij PCC Logistics door Deutsche Bahn AG goedgekeurd (31) en het onderzoek naar een concentratieoperatie, waarbij SNCF gezamenlijke zeggenschap zou verwerven over Keolis, een onderneming voor openbaar personenvervoer, naar Frankrijk verwezen (32).

2.5.7.2   Op het gebied van het zeevervoer heeft de Commissie een mededeling vastgesteld inzake staatssteun voor scheepsmanagementbedrijven (33). Voorts zijn er positieve besluiten goedgekeurd betreffende staatssteun ten behoeve van zeevarenden in Italië (34) en Finland (35), en is de formele onderzoekprocedure die in 2007 was ingeleid ten aanzien van de DIS-regeling in Denemarken, afgesloten. Ook de onderzoekprocedures met betrekking tot de tonnageregelingen in Ierland (36), Denemarken (37), Nederland (38), Slovenië (39) en Polen (40) zijn afgerond.

2.5.7.3   De Commissie houdt toezicht op de luchtvaartsector, die een proces van consolidatie doormaakt met joint-ventureovereenkomsten voor trans-Atlantische routes (41), met fusies van zowel traditionele luchtvaartmaatschappijen als lowcostmaatschappijen (42) en overnames van kleinere regionale spelers door grote traditionele luchtvaartmaatschappijen (43).

2.5.8   Postdiensten

2.5.8.1   Wat betreft de toepassing van staatssteunregels op de postsector heeft de Commissie diverse beschikkingen gegeven die ervoor moeten zorgen dat met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste postbedrijven en hun dochterondernemingen geen onterechte voordelen verleend krijgen.

2.5.9   Automobielindustrie

2.5.9.1   De Commissie heeft een positief oordeel geveld over de impact die de schrootregelingen op diverse nationale markten hadden op de verkoop. Doordat het informatiemechanisme dat door Richtlijn 98/34/EG is gecreëerd, goed functioneerde, kon er worden gezorgd voor transparantie en informatie-uitwisseling en konden belemmeringen voor de interne markt worden voorkomen.

2.5.9.2   Voorts is er toestemming verleend voor verscheidende regelingen voor staatssteun voor de ontwikkeling van voertuigen die beantwoorden aan de groeiende vraag naar schonere auto's en de strenger wordende regelgeving op milieugebied.

2.5.9.3   Op antitrustgebied is een ontwerp voor een groepsvrijstellingsverordening voor motorvoertuigen voor publieke raadpleging gepubliceerd.

2.5.10   Voedingssector

2.5.10.1   In oktober heeft de Commissie in de mededeling over „Een beter werkende voedselvoorzieningsketen” (44) de uitkomsten van een feitenonderzoek naar de voedselsector bekendgemaakt.

2.5.10.2   Er is een rapport vastgesteld over de situatie op de zuivelmarkt  (45), die het in 2009 naar verhouding bijzonder zwaar had. Ook is er nauwer overleg gevoerd met de nationale mededingingsautoriteiten voor de sector.

2.6   Consumentenactiviteiten

2.6.1   De Commissie heeft gedurende het jaar haar activiteiten op dit terrein voortgezet via het contactpunt consumenten, dat in 2008 door DG Concurrentie in het leven is geroepen, en via de Subgroep voor concurrentie, die in 2003 als onderdeel van de Europese Consumentenadviesgroep (ECCG) is opgericht.

2.7   Het Europese concurrentienetwerk (ECN) en samenwerking met nationale rechters

2.7.1   Tijdens een bijeenkomst van DG Concurrentie en de leiding van alle nationale mededingingsautoriteiten is het rapport over convergentie in het clementiebeleid in het kader van de ECN-modelclementieregeling unaniem goedgekeurd (46).

2.7.2   De Commissie werd geïnformeerd over 129 nieuwe onderzoeken van nationale mededingingsautoriteiten en over 69 beschikkingen (47), hetgeen een stijging van 15 % betekent in vergelijking met 2008.

2.8   Internationale activiteiten

2.8.1   DG Concurrentie heeft de samenwerking met andere internationale organisaties die zich bezighouden met mededinging (het International Competition Network, de Competition Committee van de OESO, en de Intergovernmental Group of Experts (IGE) on Competition Law and Policy van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD)), voortgezet.

2.8.2   De Commissie heeft wederom nauw samengewerkt met de Verenigde Staten, Canada, Japan, China en India en nieuwe samenwerkingsovereenkomsten gesloten met Zuid-Korea (48) en Brazilië. Speciale aandacht ging uit naar de samenwerking met Kroatië en Turkije, die aan bepaalde criteria moeten voldoen vooraleer toetredingsonderhandelingen over het hoofdstuk concurrentie kunnen starten, en met de landen van de westelijke Balkan en IJsland, in verband met hun eventuele toekomstige EU-lidmaatschap.

2.9   Interinstitutionele samenwerking

2.9.1   Het Europees Parlement heeft een resolutie goedgekeurd over het witboek schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels en over het Verslag over het mededingingsbeleid voor 2006 en dat voor 2007.

2.9.2   De Raad heeft van de Commissie diverse bijdragen ontvangen over het concurrentiebeleid ten behoeve van de conclusies die werden goedgekeurd in verschillende Raadsformaties (zoals ECOFIN, Concurrentievermogen, Vervoer, Telecommunicatie en Energie) en van de Europese Raad zelf.

2.9.3   DG Concurrentie heeft op versschillende terreinen, zoals de aanpassing van het mkb aan veranderingen op de wereldmarkt, scheepsbouw en staatssteun, nauw samengewerkt met het EESC.

Brussel, 19 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2001) 264 final.

(2)  PB C 128 van 18.5.2010, blz. 18.

(3)  PB C 228 van 22.9.2009, blz. 47.

(4)  Zie het persbericht van het Bazel-comité over de aanscherping van de minimumkapitaalvereisten op

http://www.bis.org/press/p100912.pdf.

(5)  PB C 228 van 22.9.2009, blz. 149.

(6)  PB C 306 van 16.12.2009, blz. 7.

(7)  COM(2010) 245 final.

(8)  PB C 44 van 11.2.2011, blz. 62.

(9)  PB C 10 van 15.1.2009, blz. 2.

(10)  Cyprus, Denemarken, Finland, Ierland, Italië, Letland, Nederland, Polen, Portugal, Slovenië, Spanje, Zweden.

(11)  Denemarken, Finland, Frankrijk, Italië, Polen, Portugal, Zweden.

(12)  Duitsland, Griekenland, Hongarije, Oostenrijk, Polen, Slowakije, Verenigd Koninkrijk.

(13)  ING, KBC, Parex Banka, Anglo Irish Bank, Bank of Ireland, Allied Irish BankFortis, Dexia, Nord LB, IKB, Kaupthing Bank Finland, Ethias, SdB, Banco Privado Portugues, Hypo Real Estate, WestLB, Fionia, HSH Nordbank, Hypo Tirol, LBBW, Kaupthing Luxemburg, Caisse d'Epargne/Banque Populaire, Mortgage Bank of Latvia, Northern Rock, Commerzbank, Lloyds Banking Group, BAWAG, Hypo Group Alpe Adria en RBS.

(14)  PB C 72 van 26.3.2009, blz. 1.

(15)  PB C 195 van 19.8.2009, blz. 9.

(16)  PB C 83 van 7.4.2009, blz. 1.

(17)  COM(2005) 107 final.

(18)  PB C 188 van 11.8.2009, blz. 1.

(19)  PB C 188 van 11.8.2009, blz. 6.

(20)  PB C 223 van 16.9.2009, blz. 3.

(21)  PB C 156 van 9.7.2009, blz. 3.

(22)  PB C 136 van 16.6.2009, blz. 3 (3-12 en 13-20).

(23)  Zaak COMP/39406 - Olieslangen voor maritieme toepassingen; zaak COMP/39401 - E.On/GdF; zaak COMP/39396 - Calciumcarbide; zaak COMP/37956 - Betonstaal (nieuwe goedkeuring); zaak COMP/39129 - Vermogenstransformatoren, en COMP/38589 - Hittestabilisatoren.

(24)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.

(25)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 63.

(26)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1.

(27)  Zaak COMP/39401. Zie IP/09/1099 van 8.7.2009.

(28)  Daarvan vormde 1,5 miljard euro staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU.

(29)  PB C 220 van 12.9.2009, blz. 41.

(30)  Zaak NN54/2009.

(31)  Zaak COMP/M 5480.

(32)  Zaak COMP/M.5557, SNCF/CDPQ/Keolis/Effia.

(33)  PB C 132 van 11.6.2009, blz. 6.

(34)  Zaak N219/2009 – PB C 196 van 20.8.2009.

(35)  Zaken N120/2009 – PB C 232 van 26.9.2009, N67/2009 – PB C 232 van 26.9.2009 en N300/2009 – PB C 299 van 9.12.2009.

(36)  Zaak C2/2008 – PB L 228 van 1.9.2009.

(37)  Zaak C5/2007 – PB L 315 van 2.12.2009.

(38)  Zaak N457/2008 – PB C 106 van 8.5.2009.

(39)  Zaak N325/2007 – PB C 53 van 6.3.2009.

(40)  Zaak C34/2007.

(41)  MEMO/09/168 van 20.4.2009.

(42)  COMP/M.5364, Iberia/Vueling/Clickair.

(43)  COMP/M.5335, Lufthansa/Brussels Airlines; COMP/M.5403, Lufthansa/Bmi; COMP/M.5440, Lufthansa/Austrian Airlines.

(44)  http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/publication12926_en.pdf.

(45)  http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2009:0385:FIN:EN:PDF.

(46)  http://ec.europa.eu/competition/ecn/documents.html.

(47)  Beschikkingen op grond van artikel 11, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003.

(48)  PB L 202 van 4.8.2009, blz. 36.


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/13


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het groenboek „Corporate governance in financiële instellingen en het beloningsbeleid”

(COM(2010) 284 definitief)

2011/C 84/03

Rapporteur: de heer SMYTH

Op 2 juni 2010 heeft de Europese Commissie, op grond van artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Groenboek — Corporate governance in financiële instellingen en het beloningsbeleid

COM(2010) 284 final.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 januari 2011 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 20 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 173 stemmen vóór en zonder stemmen tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   In dit advies geeft het EESC zijn weloverwogen reactie naar aanleiding van de lange vragenlijst in het Groenboek van de Commissie. De vragen betreffen acht belangrijke aspecten van de governance in financiële instellingen, variërend van de prestaties van de raad van bestuur, de prestaties van de toezichthoudende instanties, risicobeheer, belangenconflicten, de rol van de aandeelhouder, tot de netelige kwestie van de beloning van de directeuren.

1.2   Het EESC verwelkomt de gedachte die aan het Groenboek ten grondslag ligt, maar wijst op de gebrekkige definiëring van de inhoud, met name de precieze omschrijving van corporate governance, die volgens het Comité uitgesprokener moet zijn. Ook de verschillen in de samenstelling van de Britse en continentale raden van bestuur behoeven verduidelijking. Het is voorts van mening dat het begrip „financiële instelling” toelichting behoeft om duidelijk te maken dat de aanbevelingen uitdrukkelijk gericht zijn op de kredietinstellingen.

1.3   Bij bestudering van het Groenboek stelde het EESC vast dat de verschillen tussen het Britse en continentale model van corporate governance op structureel niveau onoverbrugbaar zijn omdat de opvattingen over organisatie zo uiteenlopen. Daarom raadt het EESC de Commissie aan om te kijken naar de principes die ten grondslag zouden moeten liggen aan corporate governance in de EU. Het Britse model gaat bijvoorbeeld uit van bekwame onafhankelijkheid, die de onafhankelijke rol van de belangrijkste bestuurscomités mogelijk maakt. Moet onafhankelijkheid een leidend beginsel worden voor alle onderdelen van Europese corporate governance? Zo ja, hoe kan een en ander dan verwezenlijkt worden in het continentale model?

1.4   Verder komen de behoeften van de consumenten er in het Groenboek nogal bekaaid vanaf. Ook consumenten van financiële diensten zijn niet ontkomen aan de ernstige gevolgen van tekortschietend bestuur van het financiële stelsel.

1.5   Ten aanzien van het beloningsbeleid heeft het EESC zijn algemene standpunt al in diverse eerdere adviezen bekendgemaakt. Het Comité meent kortom dat beloningsbeleid niet alleen betrekking moet hebben op de top van financiële instellingen, maar op alle niveaus.

1.6   De tendens van het advies is dat er ruimte is voor verscherping van een aantal aspecten van de governance van financiële instelllingen. Aangezien governancecodes vrijwilig blijven, berust de last om te garanderen dat deze codes in de EU optimaal worden nageleefd, bij de toezichthoudende instanties.

2.   Inleiding en achtergrond bij het advies

2.1   In het Groenboek wordt ingegaan op vastgestelde tekortkomingen in de structuur of de uitvoering van corporate governance. In verband met de financiële en economische crisis is versterking van corporate governance de kern van het hervormingsprogramma van de Commissie. De voorstellen in het Groenboek moeten gezien worden tegen de achtergrond van bredere hervormingen, nl. van de Europese toezichtsarchitectuur, de richtlijn Kapitaalvereisten, de Solvabiliteit II-richtlijn, de hervorming van de instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) en de regeling inzake beheerders van alternatieve beleggingsfondsen. Voor de voorstellen is verder van belang dat de Commissie corporate governance gaat herzien van beursgenoteerde ondernemingen, alsook de rol van aandeelhouders, adequaat toezicht van het hoger management, de samenstelling van de raden van bestuur en maatschappelijk verantwoord ondernemen.

2.2   De Commissie omschrijft corporate governance als de betrekkingen tussen de bedrijfsleiding, de raad van bestuur, de aandeelhouders en andere partijen, zoals de werknemers en hun vertegenwoordigers. Het gaat ook om de bepaling van de doelstellingen van de onderneming, de manier om die te verwezenlijken en het toezicht op de resultaten van de bedrijfsactiviteit. In de financiële sector legt governance nog meer gewicht in de schaal, want het faillissement van een (grote) financiële instelling veroorzaakt een systeemrisico voor de financiële sector als geheel, wat gebleken is tijdens de recente financiële crisis, toen regeringen met overheidsgeld het bancaire systeem moesten steunen.

2.3   Het verrast het EESC dat er in het Groenboek geen onderscheid wordt gemaakt tussen de structuur van raden van bestuur in de Britse economie en die op het Europese vasteland. In de eerstgenoemde is er maar een raad, met uitvoerende en niet bij het dagelijks bestuur betrokken bestuurders, hoewel het gebruikelijk is dat er een directie is die onder de president- directeur werkt. In het continentale model is er zowel een raad van bestuur als een raad van commissarissen. In het vervolg van dit advies en om verwarring te voorkomen, verwijst „raad” normaliter naar het Britse model, tenzij uitdrukkelijk anderszins is vermeld.

2.4   Het Groenboek vermeldt niet officieel dat elke lidstaat een eigen systeem van corporate governance heeft, noch dat er onderscheid wordt gemaakt voor corporate governance van financiële instellingen. De definitie van de Commissie is ook enigszins eenzijdig en dient dus te worden verduidelijkt. Het EESC bepleit een duidelijkere, meer omvattende definitie van het begrip. Corporate governance is in de eerste plaats gericht op het overleven en floreren van de onderneming. Daartoe moet de raad voldoen aan de redelijke verwachtingen van de aandeelhouders en ervoor zorgen dat alle partijen redelijk tevreden blijven: consumenten, partners, aannemers, leveranciers en werknemers. Als de raad het voortbestaan van de onderneming niet kan garanderen, moet hij over de middelen beschikken om optimale waarde te vormen.

2.5   In het Groenboek wordt een reeks tekortkomingen en zwakke punten van corporate governance in financiële instellingen geschetst en wordt naar antwoorden gezocht op acht vragen met betrekking tot:

1.

kwesties in verband met raden van bestuur;

2.

tekortschietend risicobeheer en belangenverstrengeling;

3.

de rol van auditors;

4.

tekortkomingen bij toezichthouders;

5.

problemen met de rol van aandeelhouders;

6.

gebrekkige uitvoering van principes van corporate governance;

7.

de beloning van directeuren van financiële instellingen;

8.

belangenconflicten.

3.   Antwoorden op de vragen in het Groenboek

3.1   Het EESC formuleerde de volgende antwoorden op de specifieke vragen uit het Groenboek:

3.2   Kwesties in verband met raden van bestuur

3.2.1   Specifieke vraag 1: Moet het aantal mandaten van bestuurders worden beperkt (bijvoorbeeld, de cumulatie van maximaal drie mandaten)?

Een precies aantal vaststellen is willekeurig. Het zou beter zijn om bij aanstelling af te spreken dat een bestuurder tijd kan besteden aan en doorbrengen bij de onderneming die zijn of haar aandacht vergt. De vereiste tijd zou moeten worden opgegeven en verdeeld over officiële vergaderingen van de raad en van comités en minder officiële bezoeken aan en evaluaties van afdelingen en regio's. In sommige gevallen is een aanstelling in feite voltijds. Aanstelling bij twee of meer ondernemingen levert al vergelijkend altijd voordelen op.

3.2.2   Specifieke vraag 2: Moet de cumulatie van de functie van voorzitter van de raad van bestuur met die van algemeen directeur in financiële instellingen worden verboden?

In sommige rechtsgebieden is dit al gebruikelijk. De scheiding van functies zou in financiële instellingen verplicht moeten zijn vanwege de spanning tussen de uitvoerende rol van de algemeen directeur en de rentmeesterstaak van de raad van bestuur.

3.2.3   Specifieke vraag 3: Moet het wervingsbeleid de taken en het profiel van de bestuurders, waaronder de voorzitter, precies definiëren, en garanderen dat de bestuurders over voldoende competenties beschikken en dat de raad van bestuur divers is samengesteld? Zo ja, op welke manier?

In sommige rechtsgebieden is het vrij normaal dat de voor de raad van bestuur vereiste vaardigheden en ervaring beoordeeld worden voordat op basis daarvan iemand wordt aangesteld. Zo valt voor een grote financiële instelling te denken aan een succesvol, gepensioneerd bankdirecteur, misschien als voorzitter, senior partners van een advocaten- of accountantskantoor met ervaring in de financiële sector, een algemeen directeur van een groot commercieel concern als tegenwicht voor de algemeen directeur en voor de inbreng van een commercieel perspectief en iemand met een consumentenachtergrond, als kern waar een groter team omheen kan worden samengesteld. De ervaring kan op het hoogste niveau opgedaan zijn in de krediet-, actuariële, economische, industriële en commerciële sector. Idealiter is de verhouding minstens 60 % bestuurders die niet, en 40 % bestuurders die wel met de dagelijkse gang van zaken belast zijn. Beide groepen dienen ook kennis te hebben van de belangrijkste gebieden waar de onderneming actief is. In sommige rechtsgebieden neemt de toezichthoudende autoriteit, voordat een kandidaat wordt aangesteld, zijn vaardigheden, ervaring en cv uitgebreid onder de loep. Deze aanpak is lovenswaardig.

3.2.4   Specifieke vraag 4: Deelt u de mening dat de aanwezigheid van meer vrouwen en bestuurders met diverse sociale en culturele achtergronden in de raden van bestuur de werking en de effectiviteit van de raden van bestuur ten goede zou komen?

In verband met vraag 3 is een evenwicht qua geslacht en etnische afkomst wenselijk, mits ervaring en expertise niet in het gedrang komen. Een en ander kan uiteenlopende en waardevolle perspectieven opleveren. Er moet een praktische grens gesteld worden aan de omvang van de raden van bestuur.

3.2.5   Specifieke vraag 5: Moet er een verplichte beoordeling komen van de werking van de raad van bestuur door een externe beoordelaar? Moet het resultaat van deze beoordeling aan de toezichthouders en de aandeelhouders worden meegedeeld?

Toezichthoudende autoriteiten zouden alle voorzitters de bevoegdheid moeten verlenen om hun bestuursregelingen in het licht van de vier voornoemde factoren te toetsen. Tegelijk zouden de autoriteiten bestuurders moeten certificeren die bij benoeming niet gescreend zijn. De permanente verantwoordelijkheid voor de prestaties van de raad moet bij de voorzitter blijven berusten. Het zou goed zijn als voorzitters op gezette tijden een externe evaluatie van de doeltreffendheid van de raad laten verrichten. In het continentale model is de raad van commissarissen verplicht actie te ondernemen als de zaken niet goed gaan of als het verslag van de auditor de raad op bepaalde belangrijke aspecten attent maakt

3.2.6   Specifieke vraag 6: Moet de oprichting van een risicocomité binnen de raad van bestuur verplicht worden en moeten er regels worden bepaald voor de samenstelling en de werking van dat comité?

Er zijn drie aspecten: audit, naleving en risico. De samenstelling van het comité moet een weergave zijn van de bijzondere bedrijfsmix. Uit macro-economisch oogpunt is risico inherent aan de strategische plannen van de raad van bestuur. Hier moeten de risicobereidheid en het risicoprofiel worden bepaald en gemeten. Bij banken wordt voor elke bedrijfstak vastgesteld welk risico aanvaardbaar is: binnenlandse hypotheken, kredietkaarten, bedrijfspanden, leningen voor het bedrijfsleven, middelenbeheer, buitenlandse valuta en grondstoffen, alsook de samenstelling van reserves, limieten van tegenpartijen enz. Binnen een continentale raad van bestuur is er geen ruimte voor een risicocomité: de raad omvat slechts weinig mensen (gewoonlijk niet meer dan 5-7), die meestal specialist op diverse gebieden zijn.

3.2.7   Specifieke vraag 7: Moet de deelname van een of meer leden van het auditcomité aan het risicocomité en vice versa verplicht worden?

In tegenstelling tot het in par. 3.2.6 genoemde macro-economische oogpunt kan het micro-niveau wel degelijk tot het takenpakket van het auditcomité behoren.

3.2.8   Specifieke vraag 8: Moet de voorzitter van het risicocomité verantwoording afleggen aan de algemene vergadering?

Aan elke bedrijfsstrategie kleven risico's. Risicobereidheid en risicoprofiel bepalen hoe het bedrijf waarschijnlijk gaat presteren en hoe veranderlijk de resultaten kunnen zijn. De voorzitter en de algemeen directeur zullen deze zaken moeten uitleggen; op basis van hun verklaringen zullen aandeelhouders meer of minder investeren, afhankelijk van hun eigen risicobereidheid.

3.2.9   Specifieke vraag 9: Welke rol moet de raad van bestuur vervullen in de strategie en het profiel inzake risico van een financiële instelling?

De strategiebepaling is de belangrijkste taak van een raad van bestuur. Aangezien de financiële sector per definitie riskant is, moet de strategie tot stand komen binnen risicomarges die het bereik van de resultaten bepalen. De gekozen strategie moet voldoen aan de redelijke verwachtingen van de aandeelhouders en betrokken partijen tot tevredenheid stemmen. Hoewel de verantwoordelijkheid van de permanente uitvoerende directeuren voor het risicobeheer niet mag worden onderschat, is de rol van de raad van bestuur is op zijn zachtst gezegd essentieel. In het continentale model keurt de raad van commissarissen de strategie van de raad van bestuur goed.

3.2.10   Specifieke vraag 10: Moet een verklaring inzake risicobeheersing worden ingevoerd en openbaar gemaakt?

Het antwoord luidt bevestigend, maar slechts voorzover het de communicatiestrategie jegens aandeelhouders en belanghebbenden betreft. Het publiceren van commerciële en vertrouwelijke gegevens moet vermeden worden.

3.2.11   Specifieke vraag 11: Moet een procedure voor de goedkeuring van nieuwe financiële producten door de raad van bestuur worden ingevoerd?

Ja, als het om belangrijke producten gaat. De introductie van producten is gewoonlijk een onderdeel van de uitgevoerde strategie en voor de raad van bestuur dus van aanzienlijk belang.

3.2.12   Specifieke vraag 12: Moet voor de raad van bestuur een meldingsplicht worden ingevoerd waarbij hij de toezichthouders op de hoogte moet brengen van materiële risico's waarvan hij kennis heeft?

Normaliter is dit een gangbaar onderdeel in de permanente dialoog tussen de onderneming en de toezichthouders.

3.2.13   Specifieke vraag 13: Moet voor de raad van bestuur een expliciete verplichting worden ingevoerd bij zijn besluitvorming de belangen van de depositohouders en de andere belanghebbenden in overweging te nemen („duty of care”)?

In sommige jurisdicties bestaat er al een verplichting om de belangen van stakeholders in overweging te nemen. Dit moet de regel moeten worden. Als belanghebbenden ontevreden zijn, zal de onderneming niet floreren. Geen enkele groep van stakeholders moet overheersen. De notulen van de raad van bestuur moeten vermelden dat bij de uitwerking van de strategie alle belangen overwogen zijn.

3.3   Tekortschietend risicobeheer en belangenverstrengeling

3.3.1   Specifieke vraag 14: Hoe kan de status van de risicodirecteur worden opgewaardeerd? Moet de risicodirecteur een status hebben die minstens gelijkwaardig is aan die van de financieel directeur?

De vraag impliceert dat we weten wat een risicodirecteur moet doen. Als risico integraal deel uitmaakt van de bedrijfsstrategie, dan is de financieel directeur ook risicodirecteur. Risico op microniveau plaatst de risicodirecteur op hetzelfde niveau als het hoofd van de interne audit. Beiden brengen verslag uit aan een comité van de raad van bestuur en hebben ongehinderd toegang tot de voorzitter daarvan. Beiden dienen regelmatig aan de volledige raad van bestuur te rapporteren.

3.3.2   Specifieke vraag 15: Hoe kan het communicatiesysteem tussen de risicobeheerfunctie en de raad van bestuur worden verbeterd? Moet een procedure worden ingesteld voor het doorverwijzen van op te lossen conflicten/problemen naar de hiërarchie?

In par. 3.3.1 wordt ook op deze kwestie ingegaan. Deze procedure moet tot het takenpakket behoren van het comité en de raad van bestuur.

3.3.3   Specifieke vraag 16: Moet de risicodirecteur de raad van bestuur, inclusief het risicocomité, direct op de hoogte kunnen brengen?

Op deze kwestie wordt in par. 3.3.1 ingegaan.

3.3.4   Specifieke vraag 17: Moeten de IT-hulpmiddelen verder worden ontwikkeld om de kwaliteit en de snelheid van de informatiedoorstroming inzake grote risico's naar de raad van bestuur te verbeteren?

Dit is afhankelijk van wat er in de instelling aanwezig is. IT kan niet alle risico's routinematig in kaart brengen. Vaak is een waarschuwing per email voldoende. Hoe groter en complexer de organisatie (qua afdelingen, geografische spreiding en producten), hoe zinvoller de aanstelling van een actieve risicobeheerder die met IT werkt.

3.3.5   Specifieke vraag 18: Moeten voor de bij het dagelijks bestuur betrokken bestuurders de verplichting worden ingevoerd een rapport goed te keuren betreffende de adequaatheid van de interne beheersingssystemen?

Ja. In sommige rechtsgebieden is dit al verplicht. Gewoonlijk ziet het auditcomité hierop toe.

3.4   De rol van externe auditors

3.4.1   Specifieke vraag 19: Moet de samenwerking tussen de externe auditors en de toezichthouders worden uitgebreid? Zo ja, op welke manier?

De auditondernemingen moeten werken voor de leden van het bedrijf. Maar als zij ernstige risico's of gevallen van niet-naleving ontdekken die gevolgen hebben voor het systeem, dan moeten de toezichthouders gewaarschuwd worden. Zaken die de onderneming kan corrigeren en die geen externe implicaties hebben, moeten ter correctie aan de onderneming worden overgelaten. In het continentale systeem stelt de raad van commissarissen de auditors aan en ontmoet hen jaarlijks, zonder dat de raad van bestuur en de algemeen directeur aanwezig zijn.

3.4.2   Specifieke vraag 20: Moet hun verplichting de raad van bestuur en/of de toezichthouders op de hoogte te brengen van eventuele ernstige, in het kader van hun functies gedetecteerde feiten, worden versterkt?

Dit hangt af van de status quo. In sommige jurisdicties zijn de bepalingen al aangepast. In het systeem op het Europese vasteland moet dit bepaald worden op basis van de contractverhoudingen tussen de toezichthouders en de auditor.

3.4.3   Specifieke vraag 21: Moet de controle van de externe auditor op financiële informatie betreffende risico's worden uitgebreid?

Auditors moeten verklaren dat de rekeningen van de onderneming een getrouw en eerlijk beeld geven van de continuïteit van de activiteiten. In dit verband moet een serieus risico al vermeld worden als bepaling of opmerking bij de rekeningen. Een uitbreiding lijkt niet nodig.

3.5   Tekortkomingen bij toezichthouders

3.5.1   Specifieke vraag 22: Moet de rol van de toezichthouders in de interne governance van de financiële instellingen worden geherdefinieerd en versterkt?

Ja, in jurisdicties waar dat nog niet het geval is.

3.5.2   Specifieke vraag 23: Moeten de toezichthouders de bevoegdheid en de verplichting krijgen om de goede werking van de raad van bestuur en van de risicobeheerfunctie te verifiëren? Hoe kan dit in de praktijk worden gebracht?

Zie punt 3.5.1 hierboven.

3.5.3   Specifieke vraag 24: Moeten de selectiecriteria („fit and proper test”) worden uitgebreid tot technische en professionele competenties alsook tot gedragskenmerken van de toekomstige bestuurders? Hoe kan dit in de praktijk worden gebracht?

In het continentale Europa is dit de gebruikelijke praktijk. De Britse Financial Services Authority (FSA) heeft hiertoe nieuwe procedures ingevoerd.

3.6   Problemen met de rol van aandeelhouders

3.6.1   Specifieke vraag 25: Moet de verplichting worden ingevoerd om het beleid en de praktijk inzake het stemmen van de institutionele beleggers openbaar te maken? Hoe vaak?

Ja, afhankelijk van de agenda van de algemene vergaderingen.

3.6.2   Specifieke vraag 26: Moet voor de institutionele beleggers de verplichting worden ingevoerd een code (nationaal of internationaal) voor goede praktijken te onderschrijven, zoals de code die is opgesteld door de International Corporate Governance Network (ICGN)? Deze code verplicht de ondertekenaars ervan hun beleid inzake belegging en stemming te ontwikkelen en te publiceren, maatregelen te nemen om belangenconflicten te voorkomen en hun stemrecht op verantwoordelijke wijze te gebruiken.

Ja, aanvankelijk op vrijwillige basis.

3.6.3   Specifieke vraag 27: Moet het bekendmaken van de identiteit van de aandeelhouders worden vergemakkelijkt teneinde de dialoog tussen ondernemingen en hun aandeelhouders te bevorderen, en de risico's in verband met „empty voting” terug te dringen? Er is sprake van „empty voting” als een stem wordt uitgebracht door een aandeelhouder die geen overeenstemmend financieel belang heeft in de onderneming waarvoor hij stemt, met mogelijk negatieve gevolgen voor de integriteit van de governance van de beursgenoteerde ondernemingen en van de markten waarop hun aandelen worden verhandeld.

De Commissie dient de kwestie van aandeelhouders tegen het licht te houden aangezien de situatie niet meer is zoals vroeger. Tegenwoordig kunnen aandeelhouders wereldwijd actieve ondernemingen of aandeelhouders zijn, hedge funds, enz. Als zodanig handelen zij slechts in aandelen. Zij beantwoorden niet aan het traditionele beeld van de „aandeelhouders”.

3.6.4   Specifieke vraag 28: Welke andere maatregelen zouden de inzet van de aandeelhouders voor de corporate governance van financiële instellingen kunnen stimuleren?

Te denken valt aan de oprichting van een gemachtigde organisatie die de particuliere aandeelhouders in elke onderneming vertegenwoordigt. Zo niet, dan kunnen toezichthoudende instanties, politici en media druk uitoefenen op de institutionele beleggers om zich actiever op te stellen.

3.7   De effectieve uitvoering van de corporate governance-beginselen

3.7.1   Specifieke vraag 29: Zou het noodzakelijk zijn de verantwoordelijkheden van de leden van de raad van bestuur te versterken?

Niet als men wil dat zich goede kandidaten aandienen. Het zou veel instellingen baten als ze de verwachtingen van de raad van bestuur beter omschrijven.

3.7.2   Specifieke vraag 30: Zou de burgerlijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van bestuurders moeten worden versterkt, rekening houdend met het feit dat de strafrechtelijke regels op Europees niveau niet geharmoniseerd zijn?

In sommige jurisdicties zijn de bepalingen al aangepast. Het grootste risico van de directeur is meestal het reputatierisico, nl. om in verband te worden gebracht met een slecht lopende onderneming. Recentelijk is er gepleit voor automatische opheffing van dergelijke taken voor directeuren die niet waarschuwden voor buitensporige risico's. Dit is een aantoonbaar nauwkeuriger en veelbelovender beleidsinstrument.

3.8   Beloning van directeuren van financiële instellingen

3.8.1   Specifieke vraag 31: Welke inhoud en vorm, al dan niet van dwingende aard, zouden aanvullende maatregelen op EU-niveau kunnen hebben inzake de beloning van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen?

De bepalingen van de richtlijn Kapitaalvereisten 3 lijken te voldoen. Deze zullen bindend zijn voor de toezichthouders. Publicatie van het stembeleid van de onderneming inzake de beloningen zal ook een goed besluit zijn (zie par. 3.8.4).

3.8.2   Specifieke vraag 32: Bent u van oordeel dat de problematiek betreffende de aandelenopties van bestuurders moet worden aangepakt? Zo ja, op welke manier? Moet er EU-reglementering komen, en moet het toekennen ervan zelfs worden verboden?

De richtlijn Kapitaalvereisten 3 gaat op een en ander in. Aspecten als tijd, belemmeringen en hoeveelheid komen daar aan bod.

3.8.3   Specifieke vraag 33: Denkt u dat, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, de gunstige fiscale behandeling van aandelenopties en andere soortgelijke beloningen die in bepaalde lidstaten bestaat, bijdraagt tot het nemen van buitensporige risico's? Zo ja, moet deze kwestie op EU-niveau worden besproken?

De Commissie zou ertoe moeten worden aangezet om deze kwestie te bekijken, maar, zoals de zaken nu staan, is fiscaliteit een zaak van de lidstaten.

3.8.4   Specifieke vraag 34: Denkt u dat aandeelhouders en ook werknemers en hun vertegenwoordigers een grotere rol moeten spelen bij het vaststellen van het beloningsbeleid?

In sommige jurisdicties moeten de aandeelhouders het verslag over het beloningsbeleid goedkeuren. Publicatie van het stemgedrag van aandeelhouders maakt het systeem transparanter. De Commissie dient het stuwende dan wel remmende effect van beloningsadviseurs onder de loep te nemen. De representatieve organisaties van aandeelhouders in Nederland kunnen voor de Commissie in dit verband een leidraad zijn.

3.8.5   Specifieke vraag 35: Wat denkt u over ontslagvergoedingen (de zogeheten „gouden parachutes”)? Moet er EU-reglementering komen, en moet het toekennen ervan zelfs worden verboden? Zo ja, op welke manier? Moet de toekenning ervan uitsluitend een echte prestatie van de bestuurders belonen?

Ontslagvergoedingen zijn geen beloning voor verleende diensten. Die worden namelijk verdiend tijdens uitoefening van de functie. Ontslagvergoedingen zijn contractuele verplichtingen in geval van ontslag van een bestuurder. Gewoonlijk worden zij toegekend als strohalm, als zekerheid aan de nieuwe bestuurder in geval zijn aanstelling niet aan de verwachtingen voldoet. Ontslag valt niet per se samen met mislukking. Een veranderde strategie kan een perfect werkende bestuurder overbodig maken. Daarom zijn er de vergoedingen. Soms zijn zij wellicht overdreven, met name ten aanzien van de pensioenen. In het contract zou vastgelegd kunnen worden om de vergoedingen geleidelijk te verlagen of te verminderen als er „duidelijk” van fouten sprake is. Stijgende vergoedingen voor CEO's tijdens het dienstverband moeten worden ontmoedigd. Tegenover beloningen dienen prestaties te staan. In het continentale systeem zijn de werknemers in de raad van commissarissen vertegenwoordigd en kunnen zij het beloningsbeleid beïnvloeden.

3.8.6   Specifieke vraag 36: Denkt u dat het variabele gedeelte van beloningen in financiële instellingen die overheidsmiddelen hebben ontvangen, moet worden teruggeschroefd of stopgezet?

Deze vraag betreft principieel de beloning van prominente functies in financiële instellingen. Voor de gewone werknemer is dit minder relevant. Er zijn soms buitensporige beloningspakketten geweest; zulke abnormale situaties zouden moeten worden vermeden. Het is aan de overheidseigenaren van instellingen die publiek geld ontvangen om te doen wat zij juist achten.

3.9   Belangenconflicten

3.9.1   Specifieke vraag 37: Wat zou de inhoud kunnen zijn van mogelijke aanvullende maatregelen op EU-niveau ter bevordering van de strijd tegen en het voorkomen van belangenconflicten in de financiële sector?

Het idee van een „Chinese muur” betreft de binnen een effecten- of beleggingsfirma geldende procedures om te voorkomen dat vertrouwelijke informatie tussen afdelingen in de onderneming wordt uitgewisseld en dat hiervan illegaal gebruik wordt gemaakt. In de financiële en andere sectoren vertrouwde men hierop om schadelijke belangenconflicten te voorkomen. Maar in de praktijk zijn Chinese muren verre van onfeilbaar omdat ze uitgaan van eer. Informatie blijft geheim zolang de betrokken partijen discreet en omzichtig zijn. Wellicht leidt regelgeving met specifieke wettelijke vereisten voor de geheimhouding van informatie tot een verbeterde naleving in dit opzicht.

3.9.2   Specifieke vraag 38: Deelt u de mening dat het nodig zou zijn, rekening houdend met de verschillende bestaande juridische en economische modellen, de inhoud en de details van de EU-regels inzake belangenconflicten te harmoniseren opdat de verschillende financiële instellingen aan soortgelijke regels onderworpen zijn naargelang zij de bepalingen van de MiFID, van de richtlijn Kapitaalvereisten, van de icbe-richtlijn of van de Solvabiliteit II-richtlijn moeten toepassen?

Ja.

Brussel, 20 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/19


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Monitoringactie van de handels- en distributiemarkt „Naar een efficiëntere en eerlijkere interne handels- en distributiemarkt tegen 2020”

(COM(2010) 355 definitief)

2011/C 84/04

Rapporteur: de heer ALMEIDA FREIRE

De Europese Commissie heeft op 5 juli 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: „Naar een efficiëntere en eerlijkere interne handels- en distributiemarkt tegen 2020”

COM(2010) 355 final.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 januari 2011 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 20 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 192 stemmen vóór en 4 tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC onderkent het belang van de detailhandel in de interne markt en de bijdrage die deze levert aan de gehele Europese economie. Gezien het specifieke karakter van de detailhandel is de holistische aanpak die de Commissie in haar verslag hanteert, een goede zaak, evenals haar opvatting dat te veel nadruk op afzonderlijke subsectoren moet worden vermeden.

1.2   Helaas besteedt zij te weinig aandacht aan het MKB, dat toch wat werkgelegenheid en waardetoevoeging betreft een fundamentele rol speelt en ook van essentieel belang is voor het leven op het platteland en in stadscentra. Conform de Small Business Act zou de prioriteit meer moeten uitgaan naar kleine en middelgrote bedrijven en naar maatregelen om deze aan te moedigen banen te scheppen.

1.3   In heel Europa zien we een concentratie van grootwinkelbedrijven, die met hun aantrekkelijke aanbod van producten meer klanten weten aan te trekken (de vijf grootste supermarkten hadden in 2005 een gezamenlijk marktaandeel van meer dan 70 %). Er is ook een hoge concentratie van een aantal productmarkten; hierbij gaat het met name om essentiële producten die winkeliers wel in hun aanbod moeten opnemen.

1.4   In een markteconomie is het heel gewoon dat welk bedrijf dan ook – een boerenbedrijf, een bedrijf dat producten ophaalt, een verwerkingsbedrijf, een toeleverancier, een detailhandelaar enz. - gebruik maakt van zijn onderhandelingspositie. De maatregelen in sommige landen om prijsniveaus en -marges te controleren baren het EESC zorgen, omdat ze indruisen tegen het beginsel van vrije mededinging en de werking van de interne markt ongunstig beïnvloeden.

1.4.1   Om zwaarwegende redenen kunnen zulke maatregelen nodig zijn om de sociale samenhang te behouden en het milieu te beschermen.

1.5   Op de interne markt blijken de prijzen voor vergelijkbare producten in de verschillende lidstaten sterk uiteen te lopen. Bij onderzoek naar productprijzen zou de nadruk altijd moeten liggen op de transmissie van prijzen en marges in de hele toeleveringsketen.

1.6   Retailmarkten – en de contracten die daarop worden gesloten – hebben qualitate qua een nationaal karakter en verschillen in juridisch, economisch, politiek en cultureel opzicht. Gezien het belang van de voedselvoorzieningsketen dienen overduidelijk oneerlijke praktijken die zich in deze hele keten voordoen, onderzocht en adequaat aangepakt te worden.

1.7   Meer in het bijzonder zou de Commissie moeten onderzoeken hoe „oneerlijke contractuele praktijken” op nationaal niveau worden aangepakt en hoe de desbetreffende rechtsregels worden gehandhaafd. Tijdens een crisis is de handhaving van de wetgeving – een verantwoordelijkheid van de lidstaten – immers van groot belang. Het EESC wijst erop waar ingrijpen nodig is en op welk niveau dat conform het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel het best zou kunnen gebeuren.

1.8   De retailsector is belangrijk voor de werkgelegenheid en dient voor veel jonge, laaggeschoolde of ongeschoolde werknemers vaak als toegangspoort tot de arbeidsmarkt. De sector biedt ook grote kansen voor ondernemers.

1.9   Om de crisis aan te pakken en het mensen gemakkelijker te maken de arbeidsmarkt (opnieuw) te betreden, zou de Commissie haar steun moeten geven aan maatregelen die mensen ertoe aanzetten als ondernemer aan de slag te gaan en nieuwe vaardigheden te ontwikkelen.

1.10   De Commissie stelt met reden een aantal prioritaire beleidsterreinen vast. Het EESC van zijn kant dringt aan op een tijdige goedkeuring van de betreffende voorstellen en verzoekt de Europese Commissie meer vaart te zetten achter het proces van besluitvorming op een terrein als dit, waar dringende, praktische en concrete actie geboden is. Met name het vernieuwde Forum op hoog niveau over een beter functionerende voedselvoorzieningsketen zal een cruciale rol moeten spelen in een nieuw te formuleren voedingsmiddelenbeleid, waarin o.a. wordt gestreefd naar een meer evenwichtige relatie tussen industrie en detailhandel.

1.11   De Commissie zou moeten nagaan hoe het staat met de omzetting van de dienstenrichtlijn en maatregelen nemen tegen lidstaten die wat dit betreft in gebreke blijven. De Commissie zou ook in actie moeten komen tegen vergoedingen die werken als een verborgen belasting voor consumenten.

2.   Inleiding

2.1   De Europese Commissie onderkent het grote belang van de retailsector voor de interne markt. De economische betekenis ervan voor de Europese Unie (4,2 % van het bbp van de EU, 17,4 miljoen werknemers, 20 % van het Europese midden- en kleinbedrijf en nauwe banden met talrijke andere economische activiteiten) is dan ook de reden waarom de sector voor een monitoringproces is geselecteerd.

2.2   Het verslag en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie bevatten een analyse van de problemen die uit het oogpunt van de interne markt een impact hebben op de economische, sociale en milieuprestaties van de sector. Zo wordt er gekeken naar de prestaties van de sector, recente trends en de impact van de modernisering op concurrerende handelaars. Factoren die de prestaties van handelaren negatief beïnvloeden, worden ook in kaart gebracht vanuit het perspectief van hun zakenpartners op de afnemers- en leveranciersmarkten.

2.3   In haar verslag baseert de Commissie zich op een analyse van de interacties tussen enerzijds handelaars en hun leveranciers (leveranciersmarkten) en anderzijds handelaars en consumenten (afnemersmarkten). Zij onderkent hierbij dat handelaars een complex netwerk opbouwen om ervoor te zorgen dat de consument het juiste product kan vinden op de juiste plaats, op het juiste tijdstip en tegen de beste prijs.

2.4   In haar verslag kondigt de Commissie maatregelen aan om de werking van de interne markt voor retail te verbeteren op basis van een raadpleging. De bedoeling hiervan is handelaars te helpen om de interne markt optimaal te benutten en hun economische, sociale en milieuprestaties te verbeteren.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   In haar verslag onderkent de Commissie het belang van de detailhandel voor de interne markt en de bijdrage die deze levert aan economie, werkgelegenheid en duurzaamheid. Het beeld van de sector is veelal simplistisch: handelaars kopen van boeren en verkopen aan consumenten. In het verslag laat de Commissie daarentegen zien hoe complex de toeleveringsketen en de contacten tussen detailhandelaars en hun zakenpartners zijn. Ook legt zij uit hoe detailhandelaars zich precies kwijten van hun taak om consumenten op de juiste tijd en plaats en voor de beste prijs van het juiste product te voorzien, en op welke moeilijkheden zij daarbij stuiten.

3.2   De modernisering van de handels- en distributiesector heeft in de afgelopen 50 jaar de inflatie helpen bestrijden en de keuzemogelijkheden van de consument vergroot. De toegenomen concurrentie en consolidatie in de handels- en distributiesector hebben geleid tot lagere prijzen, een grotere keuze voor de consument en naar verhouding kleine marges (in tegenstelling tot de situatie in andere sectoren, zoals de productiesector), wat zijn effect op onder meer concurrenten, lokale overheden, boeren, toeleveranciers en werknemers niet heeft gemist.

3.3   Helaas lijkt het accent in het verslag te zeer op de detailhandel in levensmiddelen te liggen, waardoor het belang van kleine en middelgrote bedrijven niet uit de verf komt (samen maken ze 95 % van de retailondernemingen uit en tellen ze 11 miljoen werknemers) en de aandacht te weinig uitgaat naar hun specifieke behoeften en problemen (onder meer wat de klantenservice betreft), naar hun bijdrage aan het leven in stadscentra, voorsteden en plattelandsgebieden, naar hun afhankelijkheid van grote productiebedrijven en naar de concurrentie die zij ondervinden van toeleveranciers die hun eigen distributienetwerken opzetten.

3.4   Ook het belang van coöperaties blijft onderbelicht, waarbij met name te denken valt aan consumentencoöperaties in de detailhandel in levensmiddelen.

3.5   De Commissie zet de prestaties van de retailsector af tegen de doelstellingen van de overheid: een ruime keuze en betaalbare prijzen. Detailhandelaars opereren echter in een klimaat van felle concurrentie, waarbij elk bedrijf probeert om klanten te werven en de klant waar voor zijn geld te bieden. Bij besluiten over vestigingsplaatsen en dienstverlening laten detailhandelaars zich dan ook eerder leiden door de dynamiek van de markt dan door de beleidsdoelstellingen van overheden. Wie deze besluiten beoordeelt in het licht van beleidsdoelstellingen van overheden, verliest uit het oog dat de detailhandel een commerciële aangelegenheid is en dat de bedrijven in kwestie winstgevend moeten blijven om in een markteconomie te kunnen overleven. Hetzelfde geldt voor welke andere marktsector ook.

3.6   De consument zijn door de jaren heen veeleisender geworden en hun verlangens lopen duidelijk uiteen. Samen met de aanzienlijke concurrentie in de handel biedt dit een antwoord op de vraag waarom de marktkrachten zo complex zijn en waarom verschillende retailformules met verschillende vormen van klantenservice naast elkaar blijken te bestaan. Relatief kleinschalige formules hebben dus kans van slagen als ze zich met een specifieke dienstverlening richten op een specifieke groep consumenten. In Europa werken ruim 11 miljoen mensen in kleine en middelgrote detailhandelsondernemingen. Met name via een beter regelgevingskader en minder administratieve lasten moeten deze bedrijven daarom een extra steun in de rug krijgen.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   Een interne handels- en distributiemarkt die efficiënter en eerlijker is voor consumenten

4.1.1   De belangrijkste functie van de detailhandel is om consumenten zo voordelig mogelijk een breed scala aan producten te bieden die aan bepaalde kwaliteits- en veiligheidsnormen voldoen. Kenmerkend voor de modernisering van de detailhandel in de afgelopen 20 jaar waren een snelle concentratie van grote multinationale handelsketens die in diverse landen binnen en buiten de EU actief zijn, met als gevolg een verzadiging van de markten in de EU-15, de intrede van informatie- en communicatietechnologie, de expansie naar andere markten en het beschikbaar komen voor de consument van een ruimere keuze aan producten tegen lagere prijzen (betaalbaarheid).

4.1.2   De Commissie wijst er terecht op dat de ongelijke spreiding van winkels de nodige aandacht verdient en dat het platteland levensvatbaar moet blijven. Detailhandelaars vestigen zich meestal in stadscentra of in winkelcentra in voorsteden. Met het oog op de bevoorrading moeten stadscentra daarom toegankelijk blijven. Mensen op het platteland raken voor het inslaan van de dagelijkse boodschappen steeds afhankelijker van de auto. Dat heeft gevolgen voor het milieu, maar betekent ook dat wie zich geen auto kan veroorloven of niet kan autorijden, slechts bij een beperkt aantal winkels terecht kan.

4.1.3   Detailhandelaars laten zich bij de keuze voor een locatie leiden door een aantal factoren, waarvan een zo groot mogelijke potentiële klandizie een van de belangrijkste is. Dit alleen al verklaart waarom dunbevolkte gebieden minder geschikt zijn voor winkels dan stadcentra of speciale winkelcentra aan de rand van de stad. Om de bereikbaarheidsproblematiek te kunnen oplossen dient men dan ook terdege te begrijpen in wat voor omgeving detailhandelaars opereren.

4.1.4   Als consumenten geen keuze hebben uit een breed scala aan winkels, ligt dat aan economische en aan niet-economische factoren, zoals de regelgeving, de ruimtelijke ordening en de toegang van detailhandelaren tot de onroerendgoedmarkt. Te denken valt hierbij aan lokale regels die obstakels opwerpen voor bepaalde activiteiten of bepaalde soorten winkels, en procedures die ondanks de dienstenrichtlijn veel te complex zijn en te veel ruimte laten voor willekeur. Verder beperken regelingen waarbij uitsluitend bepaalde monopolies OTC-gezondheidsproducten mogen verkopen, de concurrentie en dus ook de mogelijkheid voor consumenten om deze producten tegen betaalbare prijzen aan te schaffen.

4.1.5   In de afgelopen twintig jaar hebben mensen met lagere inkomens dankzij de modernisering, de toegenomen concurrentie en de globalisering een steeds ruimere keuze uit steeds lager geprijsde producten kunnen maken. Het toenemende gebruik van huismerken, die gemiddeld 30 % goedkoper zijn dan merkproducten, heeft hierbij een grote rol gespeeld.

4.1.6   In de detailhandel omvatten de productprijzen de operationele kosten plus een in vergelijking met andere sectoren betrekkelijk smalle winstmarge. De maatregelen in sommige landen om prijsniveaus en -marges te controleren baren het EESC zorgen. Om zwaarwegende redenen kunnen zulke maatregelen nodig zijn om de sociale samenhang te behouden en het milieu te beschermen.

4.1.7   In de interne markt blijken de prijzen voor vergelijkbare producten in de verschillende lidstaten ver uiteen te lopen. Bij onderzoek naar productprijzen zou de nadruk altijd moeten liggen op de transmissie van prijzen en marges in de hele toeleveringsketen. Verder wijst de Commissie er terecht op dat er diverse factoren doorwerken in de prijsvorming. Naast de operationele kosten zijn dit het gemiddelde gezinsinkomen, btw, vervoerskosten, huurkosten, loonkosten, regelgeving, concurrentieniveau en handelspraktijken, zoals beperkingen op territoriale leveringen en oneerlijke praktijken in de hele toeleverketen. De Commissie doet er goed aan deze praktijken onder de loep te nemen en ervoor te zorgen dat consumenten producten ook uit andere lidstaten kunnen betrekken en aldus van onder meer lagere prijzen, meer keuzevrijheid, hogere kwaliteit en alternatieve producten kunnen profiteren.

4.1.8   Uit consumentenenquêtes blijkt dat er behoefte bestaat aan onafhankelijke vergelijkende informatiebronnen over het commerciële aanbod.

4.1.9   Het EESC is het ermee eens dat e-commerce op sommige gebieden tot meer concurrentie kan leiden, en dus eventueel tot lagere prijzen. De omzet die e-commerce realiseert, blijft echter verontrustend laag, vooral als het om grensoverschrijdende transacties gaat. Een van de obstakels voor meer grensoverschrijdende e-commercetransacties, zeker voor het MKB, is het ontbreken van in heel Europa geldende regels voor de bescherming van consumenten. De Europese instellingen zouden daarom zo snel mogelijk een richtlijn inzake digitale consumentenrechten, die een gerichte volledige en zo geavanceerd mogelijke harmonisatie tot doel heeft, moeten goedkeuren. Zo'n richtlijn zou de lidstaten er niet van mogen weerhouden om strengere beschermingsmaatregelen voor consumenten te handhaven of in te voeren, conform art. 169, lid 4, van het VWEU.

4.2   Een interne handels- en distributiemarkt die efficiënter en eerlijker is voor handelaars

4.2.1   De Commissie schrijft terecht: „Een interne handels- en distributiemarkt in de EU (…) moet concurrerende handelaars, ongeacht hun grootte, de kans bieden om naast elkaar op de markt te bestaan en hun activiteit uit te bouwen”.

4.2.2   De locatie is een doorslaggevende factor voor de opening van een nieuwe winkel. Detailhandelaars moeten soms jaren wachten voordat zij in een bepaald gebied een nieuwe zaak kunnen openen en arbeidsplaatsen kunnen creëren. Een moeilijke toegang tot de (onroerendgoed)markt wordt aangemerkt als een potentiële belemmering voor de ontwikkeling van de kleinhandel en zou nader onderzocht moeten worden. Dit laatste zou kunnen gebeuren aan de hand van gemakkelijk beschikbare informatie over het perspectief van consumenten (wat bepaalt hun winkelkeuze?), aspecten van het mededingingsbeleid, subsidiariteit en evenredigheid.

4.2.3   De dienstenrichtlijn, die op 31 december 2009 in alle lidstaten omgezet had moeten zijn, was bedoeld om een aantal discriminerende praktijken in verband met de toekenning van vestigingsvergunningen af te schaffen. Momenteel dienen zich echter nieuwe obstakels aan en soms worden ruimtelijkeordeningsregels oneigenlijk gebruikt om de concurrentie aan banden te leggen en de vestiging van bepaalde soorten winkels of bedrijven te bevoordelen. De Commissie zou moeten nagaan hoe het staat met de omzetting van de dienstenrichtlijn en maatregelen nemen tegen lidstaten die wat dit betreft in gebreke blijven.

4.2.4   Een ander probleem waar detailhandelaars op stuiten, is het ontbreken van een transparante en concurrerende interne markt voor betalingen. De huidige kaartsystemen komen de concurrentie niet ten goede en staan haaks op een van de grondbeginselen van de interne markt. Interbancaire vergoedingen werken als een verborgen belasting voor met name de kleinere detailhandelaar. Aangezien deze vergoedingen het hart van het systeem vormen, zal de eengemaakte eurobetalingsruimte (Single Euro Payments Area - SEPA) leiden tot de verdwijning van goedkope en efficiënte nationale debetkaartsystemen. Hierdoor zal de markt van betaalkaarten krimpen tot een duopolie en aldus tot hogere interbancaire vergoedingen, wat ten koste gaat van de consument. De Commissie zou daarom in actie moeten komen tegen deze vergoedingen, die werken als een verborgen belasting voor consumenten.

4.3   Retaildiensten die efficiënter en eerlijker zijn voor leveranciers op de interne markt.

4.3.1   Als dienstverleners geven detailhandelaars hun toeleveranciers toegang tot hun distributienetwerk, of dit nu uit één winkel bestaat of de hele EU omspant. Specifieke diensten zijn bijvoorbeeld de plaatsing van een product in een bepaald schap, marketing en logistiek. Al deze diensten hebben hun prijs, vaak in de vorm van een speciale aanrekening.

4.3.2   De detailhandel is slechts een van de vele distributiekanalen waarover toeleveranciers beschikken. Zonder detailhandelaars zou slechts een handvol toeleveranciers in staat zijn om grote distributienetwerken op te bouwen en zouden consumenten een kleinere keuze hebben en meer moeten betalen. Alle schakels van de bevoorradingsketen zijn echter belangrijk. Zonder grondstoffen geen producten, en zonder producten geen verkoop. Daarom zou de EU moeten zorgen voor instrumenten waarmee evenwicht in de handelsketen en in de distributie van producten daadwerkelijk kan worden gegarandeerd.

4.3.3   In heel Europa zien we een concentratie van grootwinkelbedrijven, die met hun aantrekkelijke aanbod van producten meer klanten weten aan te trekken (de vijf grootste supermarkten hadden in 2005 een gezamenlijk marktaandeel van meer dan 70 %). Er is ook een hoge concentratie van een aantal productmarkten; hierbij gaat het met name om essentiële producten die winkeliers wel in hun aanbod moeten opnemen. Door felle concurrentie neemt in de toeleveringsketen de druk toe om lagere prijzen en marges te hanteren. In een markteconomie is het heel gewoon dat welk bedrijf dan ook, waaronder toeleveranciers en detailhandelaars, gebruik maakt van zijn onderhandelingspositie. Als dit echter ontaardt in misbruik, dient het hoe dan ook te worden uitgebannen. Ook de grotere detailhandelaars hebben geen onderhandelingsmacht tegenover grote of kleine fabrikanten van onmisbare producten. Voor bepaalde productcategorieën hebben kleine en middelgrote toeleveranciers evenmin onderhandelingsmacht tegenover grootwinkelbedrijven. Naar verluidt zouden bedrijven in de toeleveringsketen geen mogelijkheid hebben om te klagen uit angst voor represailles. Kleine handelaars zouden inkoopallianties moeten vormen om hun onderhandelingspositie tegenover hun toeleveranciers te verbeteren, betere voorwaarden af te dwingen en hun consumenten een betere dienstverlening te bieden. Misbruik van afnemersmacht moet worden veroordeeld en er dient voor gezorgd te worden dat alle schakels in de toeleveringsketen zich aan de mededingingsregels houden.

4.3.4   Het EESC heeft over de werking van de voedselvoorzieningsketen twee adviezen goedgekeurd (1), waarin het voorstelt om in de lidstaten een gedragscode in te voeren en een bemiddelaar aan te wijzen als de situatie daarom vraagt. Het Europees Parlement, het Spaanse voorzitterschap van de Europese Unie en de Europese Commissie (2) hebben voor een betere werking van de voedselvoorzieningsketen ook een aantal aanbevelingen vastgesteld. De oprichting van het forum op hoog niveau over een beter functionerende voedselvoorzieningsketen is een goede zaak (3). Het is een platform voor contractuele praktijken tussen de betrokken partijen in de hele voedselvoorzieningsketen.

4.3.5   Retailmarkten – en de contracten die daarop worden gesloten – hebben qualitate qua een nationaal karakter en verschillen in juridisch, economisch, politiek en cultureel opzicht. Handelsbetrekkingen worden meestal op nationaal niveau gereguleerd, door middel van regelgeving, jurisprudentie en/of gedragscodes. Tal van lidstaten hebben geprobeerd om een aantal praktijken te reguleren. Maar al te vaak was het gevolg daarvan echter dat buitenlandse bedrijven zich minder gemakkelijk konden vestigen in een bepaald land, wat een inbreuk is op de beginselen van de interne markt. Oneerlijke praktijken in de hele toeleveringsketen moeten onderzocht en naar behoren aangepakt worden. Meer in het bijzonder zou de Commissie moeten onderzoeken hoe „oneerlijke contractuele praktijken” op nationaal niveau worden aangepakt en hoe desbetreffende rechtsregels worden gehandhaafd. Uit dergelijk onderzoek zou moeten blijken hoe efficiënt nationale praktijken zijn, of ingrijpen nodig is en zo ja, op welk niveau dat conform het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel het best zou kunnen gebeuren. Tijdens een crisis is de handhaving van de wetgeving – een verantwoordelijkheid van de lidstaten – immers van groot belang.

4.3.6   Om consumenten een keuze te bieden, hun eigen identiteit te behouden en zich lokaal sterker te profileren hebben grootwinkelbedrijven huismerken ingevoerd, waarvoor zij als producenten aansprakelijk zijn. Deze producten zijn een succes: bijna 80 % van de Europese consumenten vinden deze supermarktmerken even goed als andere merken (4).

4.3.7   Huismerken worden samen met de toeleveranciers – bijna altijd kleine en middelgrote bedrijven – ontwikkeld. Volgens de Europese Commissie blijkt die vorm van samenwerking, gebaseerd op een toeleveringsrelatie, vaak zeer stabiel en hecht te zijn. Toeleveranciers krijgen de beschikking over consumentengegevens, worden tot verdere innovaties aangezet en hebben toegang tot een grotere markt. De impact van huismerken op innovatie, concurrentie, de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven en de keuze van de consument geeft echter wel aanleiding tot bezorgdheid. De Commissie zou deze impact daarom nader moeten onderzoeken.

4.4   Een interne handels- en distributiemarkt die efficiënter en eerlijker is voor werknemers

4.4.1   De retailsector is belangrijk voor de werkgelegenheid en dient voor veel jonge, laaggeschoolde of ongeschoolde werknemers vaak als toegangspoort tot de arbeidsmarkt. De detailhandel leunt zwaar op flexibele werkpatronen en speelt per dag, per week of per seizoen in op de vraag van de consument. Door de felle prijsconcurrentie worden bedrijven onder druk gezet om over te gaan op een flexibiliteit in de werktijden die voor de werknemers onverenigbaar is met de organisatie van hun privéleven. Daarom zou in wetgeving en cao's moeten worden vastgelegd welke vormen van flexibiliteit zowel verenigbaar zijn met de noodzaak voor bedrijven om het werk te organiseren als met de noodzaak voor werknemers om hun privéleven en hun werk goed op elkaar af te stemmen. Er werken naar verhouding dan ook meer vrouwen in de detailhandel dan in andere sectoren en ook het aantal deeltijdbanen is er groot. De sector biedt ook grote kansen voor ondernemers.

4.4.2   Om de crisis aan te pakken en het mensen gemakkelijker te maken de arbeidsmarkt (opnieuw) te betreden, zou de Commissie haar steun moeten geven aan maatregelen die mensen ertoe aanzetten als ondernemer aan de slag te gaan en nieuwe vaardigheden te ontwikkelen. Het EESC dringt er bij de ondernemingen in de sector op aan om de nationale en EU-regels voor gelijkheid van kansen en gendergelijkheid toe te passen. Op die manier kunnen zij bijdragen aan de kwalitatieve en kwantitatieve verbetering van de werkgelegenheid voor vrouwen in de sector.

4.4.3   De huidige financiële crisis en consumptiekrimp hebben in alle Europese landen tot faillissementen, reorganisaties, fusies en bedrijfsovernames geleid. Als gevolg daarvan raakten veel werknemers hun baan kwijt. Het risico op langdurige werkloosheid blijft dan ook groot. Het EESC verzoekt de Commissie om te ijveren voor de bevordering van werk als zelfstandige en voor om- en bijscholing waardoor werknemers hun beroepsvaardigheden kunnen ontwikkelen, omdat daarin het middel ligt om de crisis het hoofd te bieden en herintrede op de arbeidsmarkt mogelijk te maken.

4.4.4   Op Europees en nationaal niveau heeft het CAO-overleg in de handel een lange traditie. Verschillen tussen landen vloeien voort uit verschillen in cultuur en traditie op het gebied van de arbeidsverhoudingen. Bij voorstellen op dit vlak dient rekening te worden gehouden met het subsidiariteitsbeginsel. Het EESC dringt er bij de lidstaten en de kandidaatlanden op aan om de sociale dialoog uit te bouwen en verder te werken aan een stelsel voor overleg tussen werkgevers en werknemers.

4.4.5   Zwart werk en de informele economie zijn een groot probleem dat onverwijld aangepakt moet worden, omdat de concurrentie tussen bedrijven daardoor wordt scheefgetrokken - sommige bedrijven ontrekken zich zo immers aan het betalen van belastingen en sociale lasten - en omdat de arbeidsvoorwaarden voor zwartwerkers slechter zijn, vooral als het gaat om gezondheid en veiligheid op het werk. De Commissie en de lidstaten moeten de administratieve lasten vereenvoudigen en verminderen, met name voor het midden- en kleinbedrijf, en de voordelen van regulier werk meer onder de aandacht brengen.

4.4.6   Het EESC roept op tot een open discussie met de sociale partners over franchising en dringt bij de lidstaten aan op strengere maatregelen tegen de informele economie. Deze gaat namelijk gepaard met discriminatie en oneerlijke concurrentie, waar het midden- en kleinbedrijf onder te lijden heeft.

4.4.7   Door de modernisering, de technologische ontwikkeling en het toegenomen gebruik van ICT zijn de behoeften van de ondernemingen en de competenties van de werknemers in de handels- en distributiesector niet goed op elkaar afgestemd. Het EESC wijst de Commissie erop dat werknemers gedurende hun hele carrière/werkzame leven betere vaardigheden moeten worden aangeleerd. Ook in de handel moeten de sociale partners wat dit betreft meer gaan samenwerken om iets te doen aan de slechte afstemming tussen de behoeften van de ondernemingen en de competenties van de werknemers. Zij kunnen dit doen door in kaart te brengen welke sectorale oplossingen er zijn en na te gaan hoe ze kunnen anticiperen en reageren op de gevolgen van nieuwe technologieën voor de vaardigheden en de werkgelegenheid

4.4.8   In de detailhandel is er een lange traditie van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Al sinds vele jaren gaan handelsbedrijven in tal van opzichten maatschappelijk verantwoord te werk. Niet alleen op sociaal en milieugebied, maar ook wat gezondheid, productveiligheid, de toeleveringsketen en lokaal engagement betreft.

4.4.9   Het EESC is het met de Commissie eens dat het onderwerp „prijsconcurrentie” en alle gevolgen daarvan, nl. dat loonkosten en werktijden sterk onder druk worden gezet, beslist aan de orde moet worden gesteld. Het adviseert de Commissie in dit verband om gericht onderzoek te doen naar de impact van de openingstijden van winkels (ook op zondag), naar de lokale sociaaleconomische ontwikkeling, naar de kwaliteit van de dienstverlening aan consumenten en naar de bestaanskwaliteit van werknemers.

4.4.10   Oneerlijke concurrentie en sociale dumping zijn nog steeds schering en inslag onder de handelsbedrijven van de sector, ongeacht hun omvang, omdat het arbeidsrecht en de coa-onderhandelingen van land tot land verschillen vertonen waardoor er ook steeds een ander investeringsbeleid wordt gevoerd en er uiteenlopende economische en groeimodellen worden toegepast. Het EESC roept de sociale partners ertoe op om in de sociale dialoog een discussie te beginnen over de vraag welk beleid moet worden gevoerd om arbeidvoorwaarden en loonkosten te harmoniseren. Op die manier kan worden bijgedragen aan de sociaaleconomische en territoriale samenhang en kunnen obstakels uit de weg worden geruimd die een harmonische ontwikkeling en eerlijke concurrentie in Europa in de weg staan. De Commissie zou daaraan steun moeten verlenen en het nodige moeten doen om een einde te maken aan gedragingen die een belemmering vormen voor de voltooiing en goede werking van een interne markt die eerlijk en doeltreffend is en de groei van de economie bevordert.

4.4.11   Financiële participatie van werknemers wordt steeds belangrijker in de kleinhandel, vooral in de grotere Europese retailbedrijven. Hierbij krijgen werknemers meer inspraak op het gebied van de kwaliteit van het werk, arbeidsmotivatie en werkomstandigheden. De Commissie zou dit mechanisme in aanmerking moeten nemen bij haar toezicht op de sector.

4.5   Een interne handels- en distributiemarkt die efficiënter en eerlijker is voor toekomstige generaties

4.5.1   Voor de detailhandel is een belangrijke rol weggelegd bij het duurzamer maken van de consumptie en productie in de EU. De rechtstreekse invloed van de detailhandel is weliswaar overschat, maar als de belangrijkste schakel tussen consument en fabrikant kan de sector wat dit aangaat veel betekenen. De oprichting van het Distributieforum is een goede zaak. Dit forum moet goede praktijken verspreiden onder detailhandelaars en tussen detailhandelaars en andere betrokken partijen. Het EESC is ook te spreken over de activiteiten van de rondetafel voor duurzame consumptie en productie.

4.5.2   Het EESC wijst de Commissie erop dat in de beleidsvorming gezorgd dient te worden voor samenhang tussen het milieubeleid en andere beleidsterreinen, zoals de interne markt. In de afgelopen jaren was deze samenhang namelijk soms ver te zoeken en moesten de grondbeginselen van de interne markt steeds vaker wijken voor de bescherming van het milieu. Verder waarschuwt het EESC voor een mogelijke verschuiving van de verantwoordelijkheid van producent naar detailhandelaar.

Brussel, 20 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  NAT/460: „Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa” door de heren Narro en Kapuvari; CCMI/050 „Grootwinkelbedrijven: ontwikkelingen en gevolgen”, door mevrouw Sharma.

(2)  Mededeling COM(2009) 591 „Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa”.

(3)  Besluit van de Commissie van 30 juli 2010 tot oprichting van een forum op hoog niveau voor een betere werking van de voedselvoorzieningsketen (2010/C 210/03).

(4)  Studie van A.C. Nielsen: „Consumer attitudes towards private labels”, 2005.


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/25


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven

(COM(2010) 473 definitief — 2010/0246 (COD))

2011/C 84/05

Algemeen rapporteur: de heer SEARS

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 15 en 7 oktober 2010 besloten om, op grond van art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven

COM(2010) 473 final — 2010/0246 (COD).

Het bureau van het EESC heeft op 20 oktober 2010 besloten om de gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie te belasten met de desbetreffende voorbereidende werkzaamheden.

Vanwege het spoedeisende karakter van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn 468e zitting, gehouden op 19 en 20 januari 2011 (vergadering van 19 januari) de heer Sears aangewezen als algemeen rapporteur en daarna het volgende advies uitgebracht, dat met 149 stemmen vóór, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en aanbevelingen

1.1

Het voorstel beoogt het aantal terroristische aanslagen en de impact hiervan te beperken door het voor particulieren moeilijker te maken om toegang te verkrijgen tot op ruime schaal beschikbare en wettelijk toegestane stoffen (incl. mengsels daarvan) die in hoge concentraties o.m. kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van explosieven, alsmede door de betrokkenen te verzoeken melding te maken van verdachte transacties.

1.2

De Commissie richt zich met haar voorstel op de groot- en kleinhandel en op de lidstaten. Fabrikanten van chemicaliën beschikken al over bepaalde controlemechanismen en vrijwillige gedragscodes voor het melden van precursoren van bijv. wapens en drugs en het is de bedoeling dat het voorstel voor deze categorie verder geen expliciete gevolgen zal hebben. Vergeleken bij de totale hoeveelheid die op de markt is, geldt het voorstel slechts voor kleine hoeveelheden van de betrokken stoffen. Er is geen speciale aandacht voor de gezondheid van de werknemers of de gevolgen voor het milieu. Of een en ander kans van slagen heeft, hangt af van de maatregelen die de bevoegde autoriteiten nemen om relevante informatie te verzamelen en met elkaar te delen.

1.3

Het EESC staat achter de maatregelen in het kader van de strijd tegen het terrorisme en is het eens met de algehele strekking van het voorstel, in het bijzonder met het idee om een verordening o.g.v. art. 114 uit te vaardigen ter voorkoming van versnippering van de interne markt.

1.4

Het EESC kan zich ook vinden in de lijst met acht stoffen (en mengsels daarvan), zoals opgenomen in Bijlage I, waarvan de handel wordt gereguleerd. Het valt dan ook te verdedigen dat de verkoop in hoge concentraties aan particulieren wordt gebonden aan een stelsel van vergunningen, die worden toegekend indien de stoffen voor legitieme doeleinden worden gebruikt.

1.5

Verder vindt het EESC het een goed idee dat er in de lidstaten gecentraliseerde systemen worden opgezet voor het verzamelen, uitwisselen en opvolgen van meldingen van verdachte transacties van de acht genoemde stoffen en van nog zeven andere stoffen, die in Bijlage II zijn opgenomen, alsmede van relevante transacties van andere stoffen.

1.6

Daarentegen vindt het EESC het jammer dat het voorstel een aantal hiaten vertoont. Deze hebben betrekking op het bewijsmateriaal dat wordt overlegd inzake bepaalde stoffen, met de andere mogelijkheden die er zijn om controle uit te oefenen (bijv. maximale omvang van verpakkingen), en met de praktische organisatie van de controle op de verkooppunten (incl. een definitie van „bedrijven” die niet onder dit voorstel vallen). Verder bevat de tekst enkele inconsistenties, zoals m.b.t. de reikwijdte van de meldingsplicht.

1.7

Het EESC verbaast zich er ook over dat daar waar de kosten voor de kleinhandel en voor de regeringen uitgebreid worden berekend, hetzelfde niet wordt gedaan t.a.v. de veronderstelde baten. Al is de waarde van een mensenleven slechts subjectief te bepalen, toch is dit principe in het verleden wel toegepast om de kosten van EU-voorstellen te rechtvaardigen. Waarom dit nu niet is gedaan, wordt niet uitgelegd.

1.8

Ondanks bovengenoemde bezwaren is het EESC sterk geporteerd voor het voorstel. De inhoud ervan overbrengen aan de betrokken actoren en aan het maatschappelijk middenveld in het algemeen kan worden beschouwd als een grote uitdaging. Het EESC is gaarne bereid hier op alle mogelijke manieren aan bij te dragen.

2.   Inleiding

2.1

Geïmproviseerde explosiemiddelen, in veelal zelfgemaakte vorm, worden steeds vaker gebruikt door terroristen en andere criminele groeperingen en individuen, die overal in de wereld aanslagen plegen op militaire en economische objecten en paniek willen zaaien onder de burgerbevolking als middel om bepaalde politieke of religieuze doeleinden te bereiken.

2.2

Hoewel tot nu toe verreweg de meeste van deze aanslagen hebben plaatsgevonden in derde landen, zijn ook de lidstaten en burgers van de EU ondanks alle inspanningen van de nationale veiligheidsdiensten hiervan niet gespaard gebleven. Vooral de rijkere landen zijn het doelwit geweest, maar geen enkel land kan zich helemaal veilig voelen. Ideologische oproepen vinden, samen met praktische instructies voor het maken van bommen, hun weg door de hele wereld via het internet. De benodigde precursoren zijn vrij verkrijgbaar in de winkel of online, vaak tegen lage kosten en in de hoge concentraties die nodig zijn voor de vervaardiging van zelfgemaakte explosieven. Het zijn stoffen die daarnaast ook worden gebruikt voor legitieme industriële en particuliere doeleinden.

2.3

Juist vanwege deze andere doeleinden en gegeven het feit dat de controlemaatregelen zowel effectief als proportioneel dienen te zijn, is het van cruciaal belang vast te stellen welke stoffen aan welke regels moeten worden gebonden, welke aanvullende maatregelen er verder nog kunnen worden genomen en welk verdragsartikel kan dienen als juridische grondslag.

2.4

Deze kwesties zijn al eerder door het Comité aan de orde gesteld in een advies (1) over een wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft het op de markt brengen en het gebruik van „bepaalde gevaarlijke stoffen”, waaronder ammoniumnitraat, dat in zeer grote hoeveelheden overal in de wereld wordt gebruikt als stikstofhoudende meststof en daarnaast kan dienen als een effectief en goedkoop bestanddeel van zowel commerciële als geïmproviseerde explosieven.

2.5

Zoals indertijd reeds opgemerkt, had er een andere juridische grondslag kunnen worden gekozen voor de aanpak van terrorisme of precursoren van explosieven, maar dit zou o.g.v. van het vigerende Verdrag de unanieme goedkeuring van de lidstaten hebben vereist. Dit leek niet haalbaar in de zo korte tijd die ter beschikking stond alvorens deze al oudere richtlijn zou worden ingetrokken en zou worden vervangen door Verordening (EG) 1907/2006 (REACH), die uiteindelijk in haar Bijlage XVII ook ammoniumnitraat zou opnemen.

2.6

Een aantal lidstaten heeft sindsdien eigen maatregelen goedgekeurd om de beschikbaarheid van precursoren van explosieven, die in het bijzonder aanleiding geven tot bezorgdheid, in te perken. Om versnippering van de interne markt te voorkomen en ervoor te zorgen dat bij het verzamelen van vitale gegevens en het nemen van andere maatregelen tegen terrorisme niets over het hoofd wordt gezien, is nu een nieuw voorstel van de Commissie nodig.

3.   Samenvatting van het Commissievoorstel

3.1

Het voorstel van de Commissie betreft een verordening ter beperking van de toegang van particulieren tot bepaalde stoffen die algemeen gangbaar zijn maar ook kunnen worden misbruikt als precursoren van explosieven. Om desalniettemin het vrije verkeer van goederen te waarborgen, mogen acht stoffen (genoemd in Bijlage I) toch nog worden verkocht, hetzij in geconcentreerde vorm op vertoon van een door een bevoegde nationale overheid verstrekte vergunning waarin het gebruik voor legitieme doeleinden wordt gestaafd, hetzij in zulke geringe concentraties dat ze niet kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van zelfgemaakte explosieven en dus geen vergunning nodig hebben. In Bijlage II zijn nog eens zeven stoffen opgenomen die zonder vergunning kunnen worden gekocht en geen beperkingen t.a.v. de concentratie kennen. Daarentegen geldt voor al deze vijftien stoffen, zoals trouwens ook voor elke andere stof of elk ander mengsel van stoffen (of artikel?) die niet in deze Bijlagen staan vermeld maar waarvan de Commissie op gezette tijden laat weten dat ze gebruikt zijn voor de vervaardiging van zelfgemaakte explosieven, dat elke transactie die bij een „redelijk” vermoeden als „verdacht” wordt ervaren, dient te worden gemeld bij een nationaal contactpunt.

3.2

Als het gaat om een professioneel gebruik van deze stoffen of om verrichtingen tussen bedrijven onderling, dan is de verkoop niet aan beperkingen gebonden. De privacy van individuen dient ten volle te worden gerespecteerd. Het regelgevingsproces dient zo flexibel te zijn dat er snel kan worden ingespeeld op veranderende behoeften. Vrijwillige afspraken, gedragscodes en betere informatiesystemen – dit alles zal nodig zijn ter ondersteuning van deze maatregelen.

3.3

Het is de bedoeling dat de kosten min of meer evenredig worden verdeeld onder de fabrikanten en kleinhandelaars enerzijds (nalevings-, etiketterings- en herformuleringskosten, alsmede inkomstenderving) en de bevoegde nationale overheden anderzijds (die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van de nodige structuren voor het toekennen van vergunnningen, verzamelen van informatie en ontvangen van meldingen, alsmede voor het aanstellen van het hiertoe benodigde personeel).

3.4

In het geval van ammoniumnitraat, dat opgenomen is in Bijlage I bij onderhavig voorstel, zal de verwijzing naar deze stof in Bijlage XVII van (EG) 1907/2006 (REACH), waarin geen sprake is van vergunningen of het melden van verdachte transacties, komen te vervallen. Voor landbouwers blijven bepaalde uitzonderingsclausules gelden.

3.5

Het is de bedoeling dat de verordening anderhalf jaar na goedkeuring ervan van kracht wordt en in haar geheel bindend zal zijn voor alle lidstaten. Er komt een overgangsperiode van maximaal drie jaar waarbinnen alle bestaande, zich in particuliere handen bevindende voorraden van de in Bijlage I genoemde stoffen moeten worden opgebruikt of verwijderd. De verordening zal volgens plan ook gaan gelden voor de EER-landen en zal na vijf jaar worden herzien.

3.6

Het voorstel gaat vergezeld van een toelichting, een werkdocument van de diensten van de Commissie en een samenvatting van de effectbeoordeling. De effectbeoordeling is gebaseerd op een voorbereidende studie, die is uitgevoerd door een externe contractant (GHK in partnerschap met Rand Europe en Comstratos). Deze heeft hiertoe nauw samengewerkt met het Permanent Comité precursoren, dat is opgericht in het kader van het actieplan ter versterking van de beveiliging van explosieven, waarover de Raad op 18 april 2008 overeenstemming heeft bereikt. De effectbeoordeling is in maart 2010 bekeken door de Effectbeoordelingsraad van de Commissie, waarna een aantal aanbevelingen zijn gedaan.

3.7

Achtergrondinformatie is ook te vinden in de mededeling van de Commissie over het verbeteren van de beveiliging van explosieven van 6 november 2007, alsmede in de jaarverslagen van het Permanent Comité precursoren over 2008 en 2009.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het EESC staat volledig achter de in 2004 aangenomen verklaring van de Europese Raad betreffende de bestrijding van terrorisme en de meer specifieke acties en documenten die hierop zijn gevolgd, en is tot de conclusie gekomen dat het maatschappelijk middenveld een cruciale taak heeft te vervullen als het erom gaat de veiligheid van zijn burgers te garanderen. Het Comité is dan ook ingenomen met dit voorstel over de precursoren van explosieven.

4.2

Het EESC onderschrijft dat er behoefte is aan een verordening die voor alle lidstaten geldt, waarbij het geen rol speelt in hoeverre een land momenteel het mogelijke doelwit van een terroristische aanslag is of zich van een dergelijk gevaar bewust is. Moderne terroristische groeperingen kunnen nationale grenzen overschrijden om precursoren aan te kopen resp. op te slaan of om zelfgemaakte explosieven te vervaardigen. Wereldwijd opererende terroristen trekken zich niets aan van grenzen. We zien dat er steeds krachtiger explosieven worden gebruikt, waarbij almaar meer slachtoffers vallen. Hoewel de meeste geplande aanslagen worden verijdeld, zijn de gevolgen van de aanslagen die wél lukken, verwoestend.

4.3

Het EESC is het er ook mee eens dat artikel 114 het meest geschikt is als rechtsgrondslag voor het voorkomen van een versnippering van de interne markt als het gaat om stoffen die algemeen in de handel zijn (en dat zullen blijven) en worden gebruikt voor allerlei legitieme en zeer belangrijke doeleinden. In bepaalde gevallen kunnen er vervangende producten worden gevonden, maar een algehele vervanging door andere producten is doorgaans niet mogelijk. Bovendien - als ze totaal uit de handel zouden worden genomen, zou dit buitensporig ernstige gevolgen hebben voor de betrokken fabrikanten, kleinhandelaars en consumenten. Ook zal er voor moeten worden gewaakt dat een en ander botst met andere wettelijke bepalingen, bijv. op het gebied van drugsprecursoren of het gebruik van landbouwchemicaliën. Uitzonderingsclausules voor bepaalde lidstaten dienen, met name voor de in Bijlage I opgesomde stoffen, te worden vermeden.

4.4

Het EESC wijst erop dat de lijsten met precursoren die aan controle worden onderworpen, eerder gebaseerd zijn op plaatselijke ervaringen met recente aanslagen dan op wereldwijd overeengekomen minimumeisen, wat toch het uiteindelijke doel zou moeten zijn. De argumenten om de in het voorstel genoemde stoffen op te nemen zijn echter in alle gevallen overtuigend, terwijl er ook nog een bepaling is op grond waarvan de lijsten kunnen worden bijgewerkt zodra er nieuwe methoden voor de fabricage van zelfgemaakte explosieven aan het licht worden gebracht. De acht stoffen die in Bijlage I worden genoemd, zullen alleen op vertoon van een vergunning in hoge concentraties aan particulieren mogen worden verkocht. Dit zou voldoende moeten zijn om het aantal incidentele, individuele, terloopse of opportunistische aankopen terug te dringen. Het toezicht op meer „professionele” en doelbewuste transacties zal in de eerste plaats afhankelijk zijn van de betrouwbare inlichtingen die de politie of andere centrale veiligheidsdiensten binnenkrijgen en van de wijze waarop de organen hier gebruik van maken.

4.5

Het EESC toont zich dan ook ingenomen met de voorstellen voor aanvullende initiatieven op het gebied van onderwijs & opleiding en voor vrijwillige gedragscodes. Deze zullen in de eerste plaats bestemd moeten zijn voor groothandelaars en kleinhandelaars, die meer verantwoording zullen moeten dragen voor de producten die ze verkopen, en meer taken krijgen als het gaat om een correcte en effectieve melding van alle transacties die „verdacht” lijken. Ook de behoefte aan een adequate feedback ter aanmoediging van goede praktijken wordt erkend. Hier is een interessante taak weggelegd voor de betrokken regelgevende en rechtshandhavende instanties. Omdat een en ander snel moet worden ingevoerd en er zo veel verschillende betrokkenen aanspraak zullen gaan maken op overheidssteun, zal de Commissie een sleutelrol dienen te spelen bij het vergemakkelijken van de uitwisseling van goede praktijken tussen enerzijds lidstaten die al van start zijn gegaan met dergelijke maatregelen, en anderzijds lidstaten die dat nog niet hebben gedaan.

4.6

Het EESC betreurt het evenwel dat de Commissie er, ondanks al het goede werk van haar consultants, niet in is geslaagd om een volledig overzicht of een volledige berekening van de gevolgen van haar voorstel voor de kleinhandel en dus ook voor de consument te presenteren. Tijdens de voorbereiding van de effectbeoordeling is gebleken dat er slechts weinig of helemaal geen organisaties zijn die kunnen overzien welke producten er in potentie allemaal door het voorstel worden getroffen. Over het algemeen zijn er maar weinig reacties binnengekomen op de enquêteformulieren die aan individuele leveranciers zijn toegestuurd. Er is nog geen duidelijkheid over de praktische maatregelen die het kassapersoneel in staat moeten stellen om de verkoop van producten die alleen op vertoon van een vergunning mogen worden meegegeven, af te handelen of om verdachte transacties van allerlei andere producten te herkennen en te melden. In het kader van de effectbeoordeling wordt weliswaar ingegaan op de moeilijkheden die opdoemen bij de definiëring van het begrip „bedrijf” als entiteit die, hoe tijdelijk van karakter en voor wat doel dan ook opgericht, niet onderworpen hoeft te worden aan enige controle, versus het begrip „particulier”, als entiteit die al dan niet in staat of bereid is om zich te identificeren of duidelijk te maken waarvoor de bedoelde stof wordt gebruikt - maar in het voorstel wordt een en ander niet nader uitgewerkt.

4.7

De zaken worden nog verder gecompliceerd doordat de effectbeoordeling uitgaat van een economisch model dat voor slechts 14 van de 15 in de Bijlagen opgenomen stoffen gedetailleerd is ontwikkeld (waarbij zoutzuur op het laatste moment werd weggelaten, terwijl „ammoniumcalciumnitraat”, dat normaal wordt verkocht onder de handelsnaam „CAN”, zonder enig commentaar of enige uitleg is toegevoegd aan de lijst). De stoffen en de afzet ervan zijn moeilijk met elkaar te vergelijken. Aan de ene kant is er een stof als hexamine - een speciale vaste brandstof voor speelgoed en kooktoestellen - met een detailhandelsomzet van minder dan 10 miljoen euro, en aan de andere kant zijn er bijv. ammoniumnitraat (+ ammoniumcalciumnitraat) en aceton die bij miljoenen tonnen worden verkocht als bestanddeel van resp. meststoffen in de landbouw en cosmetische en huishoudelijke producten, en waarvan de omzet op de EU-markten in de miljarden euro's loopt.

4.8

Rekening houdend met het bovenstaande kunnen we met de nodige slagen om de arm stellen dat de verordening directe gevolgen zou hebben voor de verkoop van de in Bijlage I genoemde, in hoge concentraties verhandelde stoffen voor een gezamenlijke waarde van ca. 300 miljoen euro, d.w.z. 10 % van de totale waarde (waarbij naar schatting de helft op vertoon van een vergunning wordt verkocht en de rest wordt vervangen of uit de handel wordt genomen). Alleen al de verkoop van waterstofperoxide, een beruchte en algemeen gebruikte precursor van zelfgemaakte explosieven, is goed voor ca. 60 % van het totaal. De aanzienlijk grotere markten voor de producten die opgenomen zijn in Bijlage II, waarbij zwavelzuur en aceton, beide algemeen gebruikelijke precursoren van zelfgemaakte explosieven, het meest verkocht worden, zullen naar verwachting niet al te veel gevolgen ondervinden van de meldingsplicht. Mocht dit wel het geval zijn, dan zou dit betekenen dat de verordening haar doel niet voorbijschiet.

4.9

De uiteindelijke sociaaleconomische baten van een beperking van de toegang van particulieren tot precursoren van zelfgemaakte explosieven en de hieruit voortvloeiende vermindering van het aantal en de kracht van terroristische aanslagen worden wel genoemd in de voorbereidende studie, maar niet concreet berekend in het voorstel. Het is dan ook moeilijk om de kosten en baten tegen elkaar af te wegen. Maar alles bij elkaar genomen is het EESC toch van mening dat de voorgestelde maatregelen voldoen aan alle eisen en dus onze volle steun verdienen. Niettemin is het met het oog op de langere termijn van essentieel belang dat de lidstaten voor zichzelf en samen met elkaar doorgaan met hun inspanningen.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1

Het EESC en de Commissie zijn het erover eens dat bij elk voorstel over dit onderwerp een nauwkeurig evenwicht moet worden gevonden tussen een beperking van het illegale gebruik van bepaalde stoffen in het algemeen belang en het recht van individuele burgers om hun belangen te behartigen en daarbij hun privacy in redelijke mate gerespecteerd te zien. Ook wordt aanvaard dat kwesties op het gebied van veiligheid en maatregelen in het kader van het veiligheidsbeleid uiteraard niet altijd volledig openbaar kunnen worden gemaakt. Toch zal hier, binnen de grenzen van het mogelijke, naar moeten worden gestreefd.

5.2

Het EESC vindt het dan ook jammer dat het uiteindelijke voorstel niet in alle opzichten voortbouwt op de voorbereidende studie en de effectbeoordeling. Dit geldt m.n. voor de weglating van zoutzuur, dat zelfs niet is opgenomen in Bijlage II, en de toevoeging van CAN, zonder dat dit gepaard gaat met gegevens t.a.v. het gebruik of de markteffecten. Omdat in het voorstel geheel terecht de mogelijkheid wordt opengelaten om in de toekomst nog andere stoffen op te nemen, is het beslist noodzakelijk dat er passende procedures worden aangehouden en dat hierop door alle betrokkenen wordt toegezien. Ook nu nog, in dit late stadium, zou het zinvol zijn om een addendum aan het document toe te voegen.

5.3

De achterliggende reden waarom de vijftien stoffen in twee categorieën zijn ingedeeld, waarbij er slechts acht in aanmerking komen voor een beperking van de verkoop in hoge concentraties, worden noch in het voorstel noch in de werkdocumenten helemaal duidelijk gemaakt, hoewel het vaststaat dat hierover in het Permanent Comité precursoren discussies hebben plaatsgevonden, die ook op aanvraag openbaar zijn gemaakt. Het beste zou zijn om deze te verwerken in het voorstel en in alle documenten waarin een en ander nader wordt toegelicht.

5.4

Het EESC verbaast zich er ook over, gezien de relatief korte lijst waarop zeer uiteenlopende stoffen staan vermeld, dat niet wordt gerept van eventuele maatregelen die stoelen op de EU-regelgeving inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en mengsels daarvan (bijv. ter beperking van de omvang van afzonderlijke verpakkingen). Hierbij zou de aandacht kunnen worden gevestigd op uitzonderlijk omvangrijke en dus „verdachte” transacties in een van de schakels in de toeleveringsketen. Of dit al dan niet gebeurt op grond van redelijke vermoedens, hangt af van de vraag of de aangekochte hoeveelheid voldoende is om een explosief van de vereiste omvang te vervaardigen. Informatie hierover had kunnen worden opgenomen in de oorspronkelijke effectbeoordeling en zou het gemakkelijker hebben gemaakt om het voorgestelde „opsporingswerk” doelgerichter te laten verlopen.

5.5

Het zou ook zin hebben om hier bepaalde specifieke voorstellen te formuleren voor het oplossen van de praktische problemen die zich verdoen bij de verkooppunten, waar etiketten, streepjescodes of andere interne controlesystemen van essentieel belang zijn ter beperking van illegale of ongewenste transacties. Met het oog op het vrije verkeer van goederen binnen de EU zou er een uniform systeem moeten worden ingevoerd om fabrikanten en groothandelaars in staat te stellen, op een kostenefficiënte wijze de verplichtingen die hun worden opgelegd, na te komen.

5.6

Het is slechts een klein detail, maar toch wil het EESC nog wijzen op het feit dat alle mengsels van de in de Bijlagen genoemde stoffen worden aangeduid met dezelfde GN-code (3824 90 27). Weliswaar is ons bevestigd dat dit correct is, maar het toont wel aan hoe moeilijk het is om grensoverschrijdende bewegingen van verdachte producten of mengsels te identificeren.

5.7

Verrichtingen tussen bedrijven vallen niet onder het voorstel, maar het blijft onduidelijk wat hier nu precies onder het begrip „bedrijf” moet worden verstaan. Niet alle zelfstandige tuinmannen, bouwlieden, tandartsen of kappers zullen een BTW-nummer kunnen overleggen of op een andere manier kunnen aantonen dat ze voor zichzelf werken. En zelfs als ze dit wel kunnen en hun bezigheden als een daadwerkelijke en legitieme professionele activiteit worden gekwalificeerd, dan nog kan een transactie heel goed op redelijke vermoedens worden aangemerkt als „verdacht”, wat betekent dat er ook voor meldingen in deze schakel van de toeleveringsketen speciale bepalingen zullen moeten komen.

5.8

Ten slotte zijn er geen beperkingen t.a.v. de verkoop van de stoffen die worden genoemd in Bijlage II: er is alleen een verplichting om „verdachte” transacties te melden. Omdat alle„verdachte” transacties gemeld kunnen worden, en waarschijnlijk ook zúllen worden, ongeacht of de stof, het mengsel of het product in kwestie nu wel of niet op een lijst staat, wekt het verbazing dat er niet meer precursoren en andere relevante stoffen in de Bijlagen zijn opgenomen. Daardoor zouden de lidstaten wat meer armslag krijgen om eigen accenten te leggen (bijv. het gebruik van zwart kruit of propaancilinders) en in staat worden gesteld om snel in te spelen op nieuwe samenstellingen en ontwikkelingen.

5.9

Ook wat betreft het totale aantal stoffen waarvoor de meldingsplicht geldt, zou het goed zijn om de tekst en de gekozen uitgangspunten te expliciteren. In de toelichting staat onder het hoofdstukje „Effect op de grondrechten” te lezen dat deze plicht „alleen van toepassing is op de in de bijlagen opgesomde chemische stoffen en gebaseerd zal zijn op een door de marktdeelnemers uit te voeren risicobeoordeling”. Artikel 6, lid 4, gaat echter verder door te spreken van „alle andere verdachte transacties van niet-geregistreerde stoffen”. Omdat het inschatten van een transactie als „verdacht” een waardeoordeel inhoudt, waarbij plaatselijke normen en zienswijzen een rol spelen, kan hier geen verplichting worden opgelegd of worden gestreefd naar volledigheid. Noch kunnen meldingen van transacties van niet-opgenomen of niet-relevante stoffen geheel worden uitgesloten. Gezien de enorme aantallen kleinhandelaars om wie het hier gaat, en de moeite die het kost om aandacht voor de problematiek te vragen en beste praktijken uit te wisselen, om niet te spreken van het invoeren van controles, zal eerst goed moeten worden nagedacht over de kwaliteit en kwantiteit van de gegevens die worden doorgespeeld naar de nationale contactpunten, alvorens we kunnen spreken van nuttig „inlichtingenwerk”.

5.10

Ondanks bovengenoemde bedenkingen is het EESC zeer geporteerd voor het voorstel, dat naar zijn mening zal bijdragen tot de veiligheid van de burgers binnen en buiten de EU. Er zal permanent behoefte zijn aan een uitwisseling van beste praktijken, vooral als het gaat om de informatie die wordt doorgegeven aan en wordt verkregen van de kleinhandelaars en andere relevante geledingen van het maatschappelijk middenveld die hier in de eerste plaats de gevolgen van zullen ondervinden. Het EESC is maar al te graag bereid om hier op alle mogelijke manieren zijn steentje toe bij te dragen.

Brussel, 19 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 204/13 van 9.8.2008.


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/30


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad — Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers

(COM(2010) 542 definitief — 2010/0271 (COD))

2011/C 84/06

Rapporteur: de heer RANOCCHIARI

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 5 november en 19 oktober 2010, op grond van art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad — Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers

COM(2010) 542 final — 2010/0271 (COD).

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 december 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 19 januari 2011) onderstaand advies uitgebracht, dat met algemene stemmen werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Ook de motorsector heeft te lijden onder de economische en financiële crisis die in 2008 in Europa toesloeg. Tussen het laatste kwartaal van 2008 en het laatste kwartaal van 2010 is de markt in de EU met 33 % gekrompen, met negatieve effecten voor de werkgelegenheid.

1.2

Ondanks de huidige situatie kan het EESC zich vinden in de door de Europese Commissie voorgestelde verordening, die onder meer ingaat op twee gevoelige aspecten waarvoor al lang wetgevend werk werd verwacht, namelijk verkeersveiligheid en milieu.

1.3

Voertuigen van categorie L (1) leveren een belangrijke bijdrage aan de toegang tot mobiliteit en aan het verminderen van files in de steden. Daarnaast bieden zij ook een alternatief in plattelandsgebieden met weinig openbaar vervoer.

1.4

Het EESC doet dan ook de aanbeveling aandacht te besteden aan het beperken van de totale verhoging van de consumentenkosten die voortvloeit uit de voorgestelde wijzigingen, met name voor de kleinere op mobiliteit gerichte producten, om nog meer negatieve invloed op de markt te voorkomen. Het EESC beveelt aan dat de verordening genoeg tijd biedt om de voorgestelde maatregelen uit te voeren, samen met meer flexibiliteit inzake technische oplossingen voor kleinere voertuigen, zodat zij betaalbaar blijven voor de consument.

2.   Inleiding

2.1

Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie, dat een aantal problemen inzake typegoedkeuring en markttoezicht in de motorsector aanpakt. Dit langverwachte voorstel geeft de motorsector de nodige zichtbaarheid inzake de komende vereisten voor de productie van twee-, drie- en vierwielers (voertuigen van categorie L).

2.2

De milieunormen die momenteel gelden voor de voertuigen van categorie L dateren al van 2006 (2) en de Europese Commissie stelt dan ook voor in de loop van dit decennium geleidelijk aan nieuwe Euro-stappen in te voeren. Aangezien betere verkeersveiligheid een van de strategische doelstellingen van de Europese Unie voor de periode 2011-2020 (3) is, bevat het voorstel ook bepalingen over voertuigveiligheid.

2.3

Zoals al werd vermeld in het vorige EESC-advies (4), speelt de motorrijwielindustrie zowel vanuit economisch oogpunt als vanuit het oogpunt van de werkgelegenheid een belangrijke rol binnen de EU. 90 % van de Europese productie is het werk van een honderdtal constructeurs van middelgrote en middelkleine omvang, die in verschillende EU-lidstaten produceren (voornamelijk Italië, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Spanje en Oostenrijk, maar ook Tsjechië, Nederland, Portugal, Slovenië en Zweden), plus Noorwegen en Zwitserland. De resterende 10 % van de Europese productie is verdeeld over een aantal kleine en zeer kleine constructeurs. De gemiddelde omzet van 8 miljoen euro duidt op het grote aantal kleine en middelgrote ondernemingen. In 2007 bieden de constructeurs werk aan 25 000 mensen, terwijl de werkgelegenheid in de Europese motorrijwielindustrie (met inbegrip van fabrikanten van onderdelen, distributeurs en onderhoudsbedrijven) wordt geschat op een totaal van 150 000 arbeidsplaatsen.

2.4

De situaties waarin constructeurs verkeren, lopen sterk uiteen: sommigen opereren op mondiaal niveau, zijn actief in alle takken van de industrie (motorfietsen voor divers gebruik, met verschillende cilinderinhoud, scooters met verschillende cilinderinhoud, brommers; driewielers en vierwielers) of alleen in zeer gespecialiseerde takken, en er zijn constructeurs die alleen op nationaal of zelfs alleen op lokaal niveau actief zijn, en die bijna ambachtelijk te werk gaan, qua omvang en productieproces.

2.5

Het laatste kwartaal van 2008 is de sector getroffen door de crisis. De dalende vraag heeft een reeks negatieve effecten teweeggebracht voor de gehele sector, met ernstige gevolgen voor de structuur en de werkgelegenheid (de vraag is gedaald met 31 %, en de omzet en orders met 35 %, wat een negatieve impact op de werkgelegenheid heeft). Tussen het laatste kwartaal van 2008 en het laatste kwartaal van 2010 is de markt in de EU met 33 % gekrompen. Door deze daling in de vraag zijn ook de omzet en orders gedaald, wat negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid heeft, niet alleen voor de constructeurs (met voornamelijk minder seizoensarbeid, minder werkuren en ontslagvergoedingen) maar ook voor de toeleveranciers en de verkopers, onderhouds- en herstelbedrijven (naar schatting –25 % werkgelegenheid in 2010 tegenover 2007) (5).

In het licht hiervan is het EC-voorstel COM(2010) 542 goedgekeurd; het EESC wenst met deze gegevens rekening te houden bij het opstellen van zijn advies.

3.   Commissievoorstel

3.1

Op 4 oktober 2010 keurde de Europese Commissie het voorstel goed voor een verordening betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers. Het voorstel is opgezet volgens een „opsplitsing in niveaus”, binnen de kaderverordening waarover het EESC momenteel commentaar geeft via de medebeslissingsprocedure, die wordt gevolgd door vier gedelegeerde handelingen, vastgelegd volgens de comitéprocedure tegen 2012:

1.

Voorschriften voor milieu- en aandrijvingsprestaties;

2.

Functionele voertuigveiligheidsvoorschriften en aanverwante onderwerpen;

3.

Constructievoorschriften;

4.

Uitvoeringsmaatregelen inzake administratieve bepalingen.

De EC wenst het hele pakket toe te passen vanaf 1 januari 2013.

3.2

Het EESC is ingenomen met deze aanpak, die erop gericht is de milieuprestaties en voertuigveiligheid geleidelijk te verbeteren, en tegelijk de typegoedkeuring voor de voertuigen van categorie L te vereenvoudigen. Daartoe worden nieuwe subcategorieën ingevoerd. Dankzij deze vereenvoudiging kunnen 13 richtlijnen worden ingetrokken en kunnen de VN/ECE-reglementen (6) overal waar mogelijk worden toegepast. Het EESC juicht ook toe dat markttoezicht opnieuw wordt benadrukt; dat is immers noodzakelijk voor de concurrentieneutraliteit en om de consument te beschermen tegen niet-conforme producten, voornamelijk uit Zuidoost-Azië.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het EESC geeft het voorstel van de EC in zijn geheel een gunstige evaluatie, vooral inzake de geleidelijke toepassing ervan. Met het Europees Parlement en de Raad moeten echter nog een aantal zaken worden doorgenomen om tot evenwichtige wetgeving met kostenefficiënte maatregelen te komen, zeker gezien de bijzonderheden van de sector en de huidige economische en financiële crisis.

4.2

In het EESC-advies moet om te beginnen aandacht worden besteed aan de termijn voor de invoering van de nieuwe voertuigkenmerken, waarin de constructeurs de tijd moeten krijgen om de verschillende bepalingen uit te voeren, na de goedkeuring van de verordening en de gedelegeerde handelingen. Aangezien de gedelegeerde handelingen wellicht ten vroegst eind 2012 worden goedgekeurd, meent het EESC dat het hele pakket pas vanaf 1 januari 2014 van toepassing zou moeten worden, zodat de constructeurs en toeleveranciers over genoeg tijd beschikken om zich voor te bereiden. De constructeurs hebben deze voorbereidingstijd nodig om voldoende zicht te hebben op de nieuwe verplichtingen en om samen met de toeleveranciers de juiste oplossingen te ontwikkelen.

4.3

De nieuwe vereisten moeten dan in de productie worden toegepast, met een voor de consument redelijk blijvende kostprijs. Dit is met name van belang in het huidige economische klimaat. De kosten die er voor de consument bijkomen door de toepassing van de verschillende milieu- en veiligheidsbepalingen in de verordening, worden geschat (7) op +5 à +10 % in het topsegment van de markt (motoren met meer dan 750 cc) en tot +30 % voor het lagere marktsegment (motoren onder 300 cc). Deze stijging met 30 % lijkt overdreven en kan het aankoopgedrag van de consumenten beïnvloeden, waardoor de vloot veroudert, met negatieve gevolgen voor milieu en veiligheid, maar ook voor de industrie, de werkgelegenheid en de maatschappij. Meer dan 80 % van de geregistreerde motoren in de EU zijn kleine en middelgrote motoren. Twee derde van de registraties in de EU zijn motoren onder 300 cc, meestal voor pendelaars in de stad die de motoren gebruiken voor sociale en professionele verplaatsingen.

4.4

Wat het milieu betreft is de door de Commissie voorgestelde planning voor de invoering van de nieuwe Euro-stappen positief. Het EESC merkt echter op dat hybride technologie enigszins wordt achtergesteld, omdat dieselgrenswaarden worden gehanteerd, terwijl deze voertuigen momenteel met benzine rijden.

4.5

Op het vlak van veiligheid kan het EESC zich vinden in de wetgeving over geavanceerde remsystemen voor motoren, maar het Comité benadrukt nogmaals (8) dat de kosten-batenverhouding van de verschillende systemen moet worden beoordeeld, afhankelijk van de verschillende producten en de wijze waarop zij worden gebruikt. Het EESC ondersteunt een technologie-neutrale aanpak op het gebied van geavanceerde remsystemen, om de constructeurs de nodige flexibiliteit te bieden en innovatie aan te moedigen, in het belang van de consument.

4.6

Het EESC stemt in met de voorgestelde data voor toepassing van de verschillende bepalingen inzake nieuwe typegoedkeuring, maar meent dat er extra tijd nodig is voor voertuigen die onder een bestaande typegoedkeuring zijn geregistreerd, aangezien de aanpassing daarvan tot extra complicaties en kosten leidt.

4.7

Het EESC steunt ook de extra aandacht die wordt besteed aan de maatregelen tegen het opvoeren van voertuigen waarvan het vermogen bij wet beperkt is en aan bepalingen inzake markttoezicht, om te voorkomen dat voertuigen die niet voldoen aan de bepalingen inzake typegoedkeuringen, op de EU-markt komen. Lidstaten spelen daarbij een belangrijke rol: zij voeren geregeld controles uit op de voertuigen en in de verkooppunten.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1

In artikel 2 (2) (g) worden „voertuigen die voornamelijk bestemd zijn voor gebruik in het terrein en ontworpen zijn om op onverharde oppervlakken te rijden” uitgesloten uit de toepassingssfeer van het Commissievoorstel. Dit vormt een probleem voor de bestaande productie van trial- en enduro-motorfietsen, waarvoor tot nog toe de typegoedkeuringswetgeving gold, en leidt ook tot onzekerheid omdat een subjectieve interpretatie van de uitsluiting van andere grensgevallen mogelijk is. Het EESC beveelt aan de trial- en enduro-motorfietsen (9) onder de typegoedkeuringswetgeving te behouden, ook om negatieve gevolgen voor het milieu te voorkomen, en om duidelijke vereisten te bepalen waaronder uitzonderingen mogelijk zijn op de geavanceerde remsystemen die wegens hun bijzondere gebruiksomstandigheden nodig zijn.

5.2

Het EESC kan zich eveneens vinden in het schrappen van de optie - die momenteel slechts in één lidstaat wordt gebruikt - om een maximaal vermogen van meer dan 74 kW te weigeren. Deze afschaffing ondersteunt de doelstellingen van een eengemaakte markt in de Unie.

5.3

Het EESC plaatst vraagtekens bij de proportionaliteit van de bepaling die het gebruik vereist van boorddiagnosesystemen voor L1 en L2 bromfietsen. De technische gevolgen van deze maatregel leiden immers tot buitensporige kosten, in vergelijking met de lage aankoopprijs van deze voertuigen (ongeveer EUR 1 000). Het EESC wenst te benadrukken dat bromfietsen een maatschappelijk belang hebben omdat zij toegang bieden tot mobiliteit, onderwijs en arbeidskansen, aan jonge mensen en aan mensen aan de rand van de maatschappij voor wie dit vaak de enige betaalbare vorm van mobiliteit is, in steden maar zeker ook in plattelandsgebieden waar weinig openbaar vervoer is.

5.4

Het EESC wijst erop dat de kwantitatieve beperkingen voor „kleine series” zijn verlaagd van 200 naar 100 voertuigen (L4e, L5Be, L6Be, L7Be) en zelfs naar 20 (L1Ae, L1Be, L2e, L6Ae, L7Ae). Het EESC meent dat deze beperkingen te laag liggen en onwerkbaar zijn voor het klein- en middenbedrijf in de sector. Het EESC stelt daarom voor de beperking van 200 voertuigen zoals zij momenteel van toepassing is, te handhaven, om het klein- en middenbedrijf de mogelijkheid te bieden uitzonderingen te verkrijgen op de typegoedkeuringsvereisten die voor zulke kleine bedrijven economisch niet haalbaar zijn.

5.5

Het EESC meent dat de voorgestelde maximummassa voor L6e en L7e vierwielers in bijlage I voorbarig is. Terwijl de maximummassa dezelfde lijkt te blijven, wordt zij nu „massa in rijklare toestand” genoemd. Niet alleen is dit een strenger begrip, er wordt ook geen rekening gehouden met het extra gewicht als gevolg van de in bijlage II nieuw voorgestelde voorschriften, in het bijzonder maar niet uitsluitend met betrekking tot „beschermingsstructuren aan de voor- en achterzijde”. De technische kenmerken van dit nieuwe voorschrift moeten in de gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. Het EESC meent dan ook dat bij het bepalen van de maximummassa rekening moet worden gehouden met de technische vereisten.

Brussel, 19 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Voertuigen van categorie L zijn L1e (licht gemotoriseerd voertuig op twee wielen), L2e (bromfiets op drie wielen), L3e (motorfiets op twee wielen), L4e (motorfiets op twee wielen met zijspan), L5e (gemotoriseerde driewieler), L6e (lichte vierwieler) en L7e (zware vierwieler).

(2)  Richtlijn 2002/51/EG introduceerde Euro2 (Sinds 2003) en Euro3 (sinds 2006).

(3)  Beleidsoriëntaties inzake verkeersveiligheid, Europese Commissie, 2010.

(4)  PB C 354, 28-12-2010, blz. 30

(5)  Gegevens voor Italië, ANCMA (Associazione Nazionale Ciclo Motociclo e Accessori).

(6)  Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.

(7)  Bron: ACEM, zie http://circa.europa.eu/Public/irc/enterprise/automotive/library?l=/mcwg_motorcycle/meeting_june_2009&vm=detailed&sb=Title

(8)  CESE 1187/2010 „Strategische richtsnoeren voor de verkeersveiligheid tot 2020”, september 2010.

(9)  Als gedefinieerd in Richtlijn 2002/51/EG, artikel 2, par. 4.


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/34


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende baissetransacties en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps

(COM(2010) 482 definitief — 2010/0251 (COD))

2011/C 84/07

Algemeen rapporteur: de heer MORGAN

Het Europees Parlement en de Raad hebben respectievelijk op 7 en 13 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende baissetransacties en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps

COM(2010) 482 final — 2010/0251 (COD).

Het bureau van het Comité heeft op 20 oktober 2010 de afdeling Interne markt, productie en consumptie met de voorbereidende werkzaamheden belast.

Gelet op het spoedeisende karakter van de werkzaamheden heeft het EESC de heer Morgan tijdens de op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 20 januari) als algemeen rapporteur aangewezen en het onderhavige advies met 200 stemmen vóór en 4 stemmen tegen, bij 7 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Baissetransacties met effecten van financiële instellingen werden in het VK en andere landen verboden in reactie op de ineenstorting van de markt na de affaire met Lehman Brothers. In reactie op de Griekse staatsschuld verboden de Duitse overheden baissetransacties met aandelen van bepaalde Duitse financiële instellingen, staatsschuld van landen uit de eurozone en „naakte” posities van kredietverzuimswaps (CDS) in die schuld. Als onderdeel van de herziening van de financiële regelgeving en het toezicht stelt de Commissie in deze verordening een uniform kader voor, onder de aegide van de EAEM, voor het beheer van baissetransacties en CDS in de gehele EU. Het EESC onderschrijft dit initiatief, dat een einde maakt aan regelingen die met elkaar in strijd zijn en duidelijkheid schept op dit deel van de financiële markten.

1.2

Het EESC is van mening dat in het algemeen optimale resultaten worden bereikt op markten die binnen een afgebakend regelgevingskader onbelemmerd kunnen functioneren. Het EESC benadrukt het belang van de EAEM als overkoepelende instantie. Wanneer zich omstandigheden voordoen die de EAEM ongunstig acht, kan de autoriteit

een verbod uitvaardigen op het aangaan van transacties of de waarde ervan beperken;

een verbod uitvaardigen op het aangaan van baissetransacties of daaraan voorwaarden stellen;

een verbod uitvaardigen op transacties in kredietverzuimswaps voor staatsobligaties;

een limiet stellen aan de waarde van kredietverzuimswaps voor staatsobligaties, en

eisen dat baissetransacties algemeen openbaar gemaakt worden.

1.3

In het algemeen gaat het EESC er in eerste instantie van uit dat de bevoegde autoriteiten in de lidstaten deze bevoegdheden uitoefenen. Coördinatie door de EAEM van de reacties van de lidstaten komt tegemoet aan een bestaande behoefte en zal zeer gunstig uitpakken. Het EESC meent dat direct ingrijpen van de EAEM uitzonderlijk zou zijn conform artikel 24 van de verordening.

1.4

Het EESC is ingenomen met het voorstel voor een regelgevingskader dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid geeft om voor instrumenten die onder het toepassingsgebied van de verordening vallen, extra transparantie te eisen. Toezichthouders, beleggers en markten zullen hier dagelijks van profiteren. Verwacht mag worden dat de toezichthouders hierdoor beter dan tot nu toe geïnformeerd zullen zijn wanneer ze een interventie overwegen.

1.5

Het EESC verwelkomt het voorstel om binnen een geharmoniseerd kader de bevoegdheden te regelen voor het opleggen van tijdelijke beperkingen op short selling wanneer de marktstabiliteit wordt bedreigd. Het Comité merkt op dat er nog geen objectieve maatstaven voor marktinstabiliteit zijn geformuleerd. De huidige drempel voor een „aanzienlijke daling van de prijs”, nl. 10 %, is wellicht voor sommige instrumenten te laag.

1.6

Gelet op de in paragraaf 1.5 vermelde bepalingen acht het Comité een regelrecht verbod op naakte CDS onder alle omstandigheden niet gerechtvaardigd.

1.7

Volgens het EESC zou de voorgestelde regeling voor de afwikkeling voor naakte baissetransacties doeltreffender kunnen zijn als er ten minste flexibiliteit binnen de handelsdag zou zijn om korte posities te dekken. Het eigenlijk flexibeler model in de VS zou de nodige verzekering moeten bieden zonder marktpartijen nadelen te bezorgen.

1.8

Het EESC steunt het voorstel voor een tweeledige kennisgevings-/openbaarmakingsregeling voor effecten, waarbij een positie in eerste instantie alleen aan de toezichthouder wordt gemeld en pas in tweede instantie algemeen openbaar wordt gemaakt. Op deze manier wordt zowel de toezichthouder als de markt naar behoren in kennis gesteld.

1.9

Het EESC plaatst vraagtekens bij de bepaling betreffende het markeren van short orders. De complexiteit is aanzienlijk, het nut is twijfelachtig en het betekent een last voor alle handelsplatforms in de EU. De overige transparantiemaatregelen, te weten om controle van de markten toe te wijzen aan de EAEM en de bevoegde autoriteiten, lijken meer dan welkom.

1.10

Toen de staatsschuldcrisis uitbrak, was de angst in de eurozone gericht op CDS in verband met overheidsschuld. De economische en sociale dimensie van die crisis baren het EESC enorme zorgen. Het Comité meent dat door de handel in ongedekte CDS de crisis verergerde en verwelkomt derhalve het verordeningsvoorstel. Het Comité onderschrijft het in de overwegingen 16 en 17 van de toelichting bij de verordening omschreven standpunt van de Commissie: „Ongedekte baissetransacties in aandelen en overheidsschuld kunnen soms het potentiële risico vergroten dat de afwikkeling mislukt en dat er volatiliteit optreedt. De maatregelen betreffende kredietverzuimswaps met betrekking tot overheidsschuld en overheidsemittenten, zoals onder meer een grotere transparantie en beperkingen op ongedekte baissetransacties, zouden moeten resulteren in evenredige vereisten en zouden tegelijkertijd een negatief effect op de liquiditeit van de markten voor overheidsobligaties en op de repo-markten voor overheidsobligaties moeten vermijden.”

1.11

Samengevat is het Comité ingenomen met de regelgevende rol van de EAEM zoals deze in de verordening is omschreven. Overdreven ingrijpen kan tot instabiele markten leiden. Het EESC juicht de bepalingen voor meer markttransparantie toe, die naar verwachting zeer gunstig voor de markt zullen zijn. Het onderschrijft de meeste van de technische bepalingen, met uitzondering van de hierboven uiteengezette zorgen.

1.12

Gelet op de schade die een uit de hand gelopen overheidsschuld bij alle burgers kan veroorzaken, verwacht het EESC dat de EU het voortouw neemt bij het toekomstig beheer hiervan.

2.   Inleiding

Short selling

2.1

De term „baissetransactie” of „short selling” betekent het verkopen van geleende aandelen, in plaats van aandelen die de verkoper in eigendom heeft. Instellingen die aandelen uitlenen, brengen een vergoeding in rekening, die extra inkomsten voor hun fondsen oplevert. Degene die leent, verkoopt de aandelen in de verwachting dat de prijs gaat dalen zodat mettertijd de aandelen tegen een lagere prijs kunnen worden teruggekocht zodat ze aan de uitlener kunnen worden geretourneerd, waarbij de lener de winst opstrijkt. Baissetransacties zijn duidelijk riskant. Het lenen van de aandelen kan voor de verkoop geregeld worden (gedekte baissetransactie) of na de verkoop („naakte” of „ongedekte baissetransactie/short selling”).

2.2

Voor short selling kan om diverse redenen gekozen worden. Omdat zowel bepaalde aandelen als de aandelenmarkt als geheel kunnen stijgen of dalen, is een portefeuille met aandelen die naar verwachting zullen stijgen met de markt (long position) kwetsbaar voor waardeverlies als de koersen dalen. Dit type „lange” portefeuille kan worden beschermd met een „short” onderdeel. Terwijl veel instellingen uitsluitend „lang” zijn, zijn sommige uitsluitend „short”. Wat het meest speculatief is, is geen uitgemaakte zaak: een uitsluitend lange portefeuille, in de verwachting van een stijgende markt, of een korte portefeuille, gokkend op prijsdalingen.

2.3

Short selling wordt toegepast door een grote verscheidenheid aan marktdeelnemers, variërend van de traditionele fondsbeheerders, zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, tot investeringsbanken, hedgefondsen en marktmakers. Ook individuele beleggers kunnen short selling als onderdeel van hun beleggingsstrategie toepassen. Onder normale marktomstandigheden wordt short selling als een legitieme beleggingstechniek gezien.

2.4

De Commissie merkt terecht op dat short selling op de meeste financiële markten een gevestigde en gangbare praktijk is en niet verward moet worden met marktmisbruik, waarvoor in de EU aparte regelingen bestaan. Integendeel: short selling heeft positieve gevolgen voor de financiële markten, inclusief aanmerkelijk verbeterde prijsvorming, minder kans op zeepbellen, alsook ruimere liquiditeit van de markt.

2.5

Het Verenigd Koninkrijk verbood in september 2008, enkele dagen na de ineenstorting van Lehman, baissetransacties met aandelen in beursgenoteerde financiële bedrijven. Veel andere landen, ook de VS, legden soortgelijke beperkingen op, maar voor uiteenlopende termijnen. De nieuwe EU-verordening zal een herhaling van dergelijke warrige maatregelen voorkomen.

2.6

De giftigheid van de risicovolle derivaten, de besmettelijke aard van het verschijnsel en de enorme omvang van de ineenstortende markt moest wel tot ingrijpen van de toezichthouders leiden, hoewel het effect van hun ingrijpen op het verloop van de crisis aanvechtbaar is. Het is moeilijk voor te stellen dat het ooit nog eens tot zo'n crisis komt, maar in ieder geval is er nu een kader voor een ordelijke reactie van toezichthouders en regulerende instanties.

Kredietverzuimswaps

2.7

Een kredietverzuimswap (Credit Default Swap, CDS) is een derivatencontract dat betrekking heeft op een onderliggende obligatie, zoals bedrijfs- en overheidsobligaties. Het dient als verzekering tegen wanbetaling op die schuld. De protectienemer betaalt de protectiegever elk kwartaal een premie, de „spread”. De spread van een CDS is het bedrag dat moet worden betaald om deze in stand te houden. Als het risico van wanbetaling op de onderliggende schuld groter wordt, wordt ook de spread groter.

2.8

Indien de protectienemer in gebreke blijft, betaalt de protectiegever de nominale waarde van de obligatie in ruil voor de fysieke levering daarvan. Van in gebreke blijven is bijvoorbeeld sprake ingeval van wanbetaling, herstructurering of faillissement. De meeste CDS hebben een onderliggende waarde tussen tien en twintig miljoen Amerikaanse dollar en een looptijd van tien jaar. Een CDS is dan vergelijkbaar met een kredietverzekering. In tegenstelling tot een kredietverzekering is een CDS echter niet onderworpen aan verzekeringsregels.

2.9

Om protectie te kunnen kopen of verkopen hoeft een belegger niet zelf houder van een te verzekeren obligatie te zijn. Deze „naakte CDS” bieden handelaren de mogelijkheid te speculeren op schuldemissies en de kredietwaardigheid van de emittent. Bijvoorbeeld: als een leverancier van General Motors had vermoed dat GM insolvabel kon worden, dan had een naakte CDS op GM-obligaties bescherming kunnen bieden. Evenzo kunnen beleggers in staatsschuld CDS gebruiken om kunstmatige lange en korte posities in de gewenste obligaties te creëren, wat soms beter is om een portefeuille samen te stellen.

2.10

Het is belangrijk om verwarring te vermijden tussen naakte CDS en naakte short selling van effecten en aandelen. In het laatste geval worden geleende waardepapieren verkocht. Misschien is dit een problematisch concept. Bij naakte CDS is geen sprake van verkoop. Een gewillige koper heeft een optie op een obligatie gekocht van een gewillige verkoper. Zoals op elke markt komt er een prijs tot stand. Naleving van de verplichtingen in verband met de onderliggende obligatie bepaalt welke partij winst neemt. Het grootste deel van de CDS-sector betreft naakte CDS.

2.11

In mei 2010 kondigde de Duitsland een verbod af op naakte kredietverzuimswaps die betrekking hebben op eurolanden, alsook op ongedekte baissetransacties van eurozone-staatsobligaties en aandelen van bepaalde Duitse financiële instellingen. Als motivatie voor zijn besluit gaf de toezichthouder de „buitengewone volatiliteit van obligaties”. Dit besluit verraste andere lidstaten en verontrustte de markten. Evenals voor baissetransacties met aandelen geldt dat de nieuwe EU-bevoegdheden en bepalingen een herhaling van zo'n onverwachte eenzijdige actie in de toekomst voorkomen.

2.12

Terwijl de aandacht voor CDS terecht is, bestaat nog steeds het gevaar dat men zich op het symptoon van het probleem, en niet op de oorzaak richt. De oorzaak is het onopgeloste politieke en economische dilemma, waarin een muntunie met een schuldencrisis wordt geconfronteerd. Het dilemma heeft tot economische onzekerheid geleid. Leners moeten hun risico's dekken. Opportunisten proberen van de onzekerheid te profiteren. Het is moeilijk beiden van elkaar te onderscheiden. De banken profiteren misschien, maar de regeringen van de eurolanden bieden hun hiertoe alle gelegenheid.

2.13

In het licht van het bovenstaande en gelet op de schade die een uit de hand gelopen overheidsschuld bij alle burgers kan veroorzaken, verwacht het EESC dat de EU het voortouw neemt bij het toekomstig beheer hiervan.

3.   Kern van de verordening

3.1

Het voorstel heeft betrekking op aandelen en van aandelen afgeleide instrumenten, staatsobligaties en van staatsobligaties afgeleide instrumenten en kredietverzuimswaps (CDS) met betrekking tot overheidsemittenten.

3.2

Het voorstel voert transparantievereisten in voor natuurlijke of rechtspersonen (hierna: „personen”) met aanzienlijke netto baisseposities in EU-aandelen of -staatsobligaties of aanzienlijke posities in CDS met betrekking tot EU-staatsobligaties.

3.3

Voor aandelen wordt een tweeledig transparantiemodel voorgesteld: wanneer een positie een vooraf vastgestelde lagere drempel bereikt, moet alleen de toezichthouder daarvan in kennis worden gesteld; posities die een hogere drempel bereiken, moeten aan de markt bekend worden gemaakt.

3.4

Als lagere drempel wordt 0,2 % van het geplaatste kapitaal voorgesteld. Als hogere drempel wordt 0,5 % voorgesteld.

3.5

In het geval van EU-staatsobligaties geldt de plicht tot kennisgeving aan de toezichthouder wanneer sprake is van een aanzienlijke

netto baissepositie in staatsobligaties,

ongedekte positie in kredietverzuimswaps voor staatsobligaties.

3.6

De kennisgevingsplicht geldt ook wanneer een baissepositie wordt ingenomen via „over-the-counter”-transacties of met afgeleide producten zoals opties, futures, enz.

3.7

Het voorstel bevat ook het vereiste dat baissetransacties, ongeacht het handelsplatform, gemarkeerd moeten worden, zodat het desbetreffende handelsplatform dagelijks informatie kan publiceren over de volumes van de baissetransacties die er plaatsvinden.

3.8

Personen die short gaan in aandelen of staatsobligaties moeten de onderliggende stukken op het moment van verkoop hebben geleend, een overeenkomst hebben gesloten om ze te lenen, dan wel een andere regeling hebben getroffen om te garanderen dat de effecten in kwestie kunnen worden geleend, zodat de afwikkeling op het vereiste tijdstip kan plaatsvinden.

3.9

Wanneer een persoon die short is gegaan de stukken niet op tijd kan leveren, zal het handelsplatform de voor de afwikkeling noodzakelijke stukken verwerven en de kosten daarvan op de verkoper verhalen. De verkoper betaalt dagelijks een bepaald bedrag tot de verkoop is afgewikkeld.

3.10

De lengte van afwikkelingstermijnen verschilt per jurisdictie. De kwestie van afwikkeling moet in het algemeen nog aan de orde komen.

3.11

In uitzonderlijke omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om baissetransacties die anders legitiem zijn of weinig risico inhouden, te verbieden of te beperken. In zulke gevallen zouden de bevoegde autoriteiten tijdelijk de bevoegdheid moeten hebben om meer transparantie te eisen of de marktdeelnemers beperkingen op te leggen.

3.12

Omdat de effecten van dergelijke maatregelen zich in de hele EU doen voelen, krijgt de EAEM (Europese Autoriteit voor effecten en markten) de volgende twee sleutelfuncties: het coördineren van interventiemaatregelen tussen de lidstaten en het valideren van eventuele restricties die door een lidstaat worden opgelegd, vooral de duur ervan.

3.13

Wanneer een situatie grensoverschrijdende effecten heeft en de EAEM van mening is dat de bevoegde autoriteit onvoldoende maatregelen heeft getroffen, kan zij zelf maatregelen nemen. De maatregelen van de EAEM prevaleren boven die van de bevoegde autoriteit van de lidstaat.

3.14

De Commissie krijgt de bevoegdheid tot het vaststellen van aanvullende criteria en factoren waarmee de EAEM en de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden wanneer zij beslissen over de vraag of een ongunstige gebeurtenis of ontwikkeling een ernstige bedreiging voor de financiële stabiliteit of voor het marktvertrouwen vormt.

3.15

De bevoegde autoriteiten worden gemachtigd om ter voorkoming van een chaotische daling van de prijs van een financieel instrument, een zeer kortstondig verbod op short selling van dat instrument in te stellen of anderszins transacties te beperken om een „wanordelijke” prijsdaling te voorkomen. Voor de uitoefening van deze „handelsremmende bevoegdheid” moet aan objectieve criteria zijn voldaan.

3.16

Het voorstel geeft de bevoegde autoriteiten alle voor de handhaving van de regels noodzakelijke bevoegdheden. De lidstaten dienen regels vast te stellen voor het opleggen van de administratieve maatregelen, boetes en andere sancties die voor de toepassing en handhaving van de voorgestelde verordening zijn vereist.

Brussel, 20 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/38


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek „Naar adequate, houdbare en zekere Europese pensioenstelsels”

(COM(2010) 365 definitief)

2011/C 84/08

Rapporteur: Petru Sorin DANDEA

Corapporteur: Krzysztof PATER

De Commissie heeft op 9 juli 2010 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Groenboek naar adequate, houdbare en zekere Europese pensioenstelsels

COM(2010) 365 final.

De afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 december 2010 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 20 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 185 stemmen vóór en 9 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Voornaamste aanbevelingen

1.1

In onderhavig Groenboek naar adequate, houdbare en zekere Europese pensioenstelsels wordt vastgesteld dat de lidstaten naar eigen goeddunken de grondbeginselen van hun sociale-zekerheidsstelsels bepalen en daarvoor dan ook alle verantwoordelijkheid dragen. De lidstaten zijn dus ook verantwoordelijk voor de opzet en resultaten van die stelsels. Desalniettemin is het EESC ervan overtuigd dat coördinatie in EU-verband kan bijdragen aan de samenhang en ervoor kan zorgen dat de nationale pensioenstelsels stroken met de sociale en werkgelegenheidspijlers van de Europa 2020-strategie, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat het van de werkgelegenheidssituatie afhangt of een pensioenstelsel al dan niet duurzaam is. De stellingname van het EESC vormt één geheel: het gaat niet aan daarvan onderdelen apart te nemen, voor elk wat wils.

1.2

De lidstaten beslissen over de hervorming van hun pensioenstelsels en houden daarbij rekening met hun specifieke nationale omstandigheden en geschiedenis, met als uiteindelijke doel de burgers een toereikend en duurzaam pensioen te garanderen. Geen enkele specifieke soort hervorming mag – direct of indirect – door EU-verordeningen worden bevoorrecht of achtergesteld. Dit terrein moet volgens de adviezen die het EESC in 2000 en 2004 (1) heeft uitgebracht, aan de sociale partners worden overgelaten. De pensioenstelsels van de lidstaten lopen ver uiteen. Desondanks zijn er volgens het EESC voldoende gemeenschappelijke kenmerken om EU-optreden te rechtvaardigen, gaande van beleidscoördinatie tot regelgeving, zonder dat de bevoegdheden van de EU op het gebied van kapitaalgedekte pensioenregelingen worden overschreden.

1.3

De voorstellen in dit Groenboek moeten opnieuw worden bekeken in het licht van de sociale markteconomie. De crisis is schadelijk voor de groei, de werkgelegenheid én de pensioenen. De EU zou haar ondersteunende opdracht kunnen vervullen door gelijktijdig een gestructureerd beleid voor het herstel van de economie te gaan voeren. Door dat beleid moet op kwaliteit gerichte groei worden gepromoot via doortastende maatregelen voor de arbeidsmarkt, beroepsopleiding, investeringen en innovatie. Zo wordt de groei van behoorlijke banen bevorderd ter stabilisering van de omslagstelsels van de lidstaten. Omslagstelsels hebben een zeer krachtige bufferwerking bij crises. Alvorens van solidaire pensioenregelingen eventueel op gemengde systemen (omslag én kapitaalgedekt) over te stappen, bijvoorbeeld op grond van het argument dat solidaire omslagregelingen de financieringstekorten van de lidstaten zwaar onder druk zetten, mogen de lidstaten niet uit het oog verliezen dat pensioenen die door kapitaaldekking worden opgebouwd, de burgers niet helpen om de crisis te boven te komen. Integendeel, kapitaalgedekte systemen kunnen telkens weer de dupe zijn als er een financiële of beurscrisis uitbreekt.

1.4

Europa vergrijst, omdat de geboortecijfers laag zijn en de gemiddelde levensduur toeneemt. Het EESC stemt ermee in dat de demografische prognoses regelmatig moeten worden geanalyseerd en nagetrokken, zodat de pensioenstelsels adequaat en tijdig aan de veranderende omstandigheden kunnen worden aangepast. Dat neemt niet weg dat behoedzaam moet worden omgegaan met dergelijke extrapolaties, ook als het gaat om de toekomstige overheidsuitgaven voor pensioenen, omdat daarbij mogelijkerwijs wordt uitgegaan van veel parameters die op de lange termijn moeilijk te voorspellen zijn (2). De voorspelling van Eurostat dat de gemiddelde levensduur in de EU de komende veertig jaar met nog eens zeven jaar zal toenemen,komt weliswaar van prominente deskundigen, maar is niet zeker. De veronderstelling dat de burgers van de EU een nog langer leven kunnen verwachten, kan immers worden beïnvloed door veranderende leef- en werkomstandigheden. Volgens het EESC gaan de voorstellen in het Groenboek, waarvoor voornamelijk is uitgegaan van demografische ontwikkelingen en prognoses over een periode van vijftig jaar, voorbij aan het feit dat de crisis vooral gevolgen heeft voor de pensioenstelsels vanwege het gebrek aan banen en investeringen, en niet zozeer vanwege de demografische ontwikkeling.

1.5

Het EESC betwijfelt of verhoging van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd op zich volstaat om de problemen als gevolg van de demografische ontwikkelingen op te lossen. De kans is groter dat die maatregel miljoenen ouderen, en dan vooral vrouwen, tot armoede veroordeelt. Er moet worden gestreefd naar het optrekken van de effectieve pensioenleeftijd tot de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd door maatregelen om te stimuleren dat werknemers langer blijven werken, gekoppeld aan doeltreffende maatregelen voor groei en werkgelegenheid. De participatiegraad van ouderen die om gezondheidsredenen, door een te hoge werklast of na ontslag zijn gestopt met werken en die geen kans zien om nog een opleiding te volgen en weer een baan te vinden, kan alleen blijvend worden verbeterd als er een echt beleid voor „actief ouder worden” wordt gevoerd, dat erop is gericht om ouderen meer deel te laten hebben aan opleiding en levenslang leren. Daar komt nog bij dat ándere sociale voorzieningen, zoals arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of het minimumloon, meer onder druk kunnen komen te staan (3) als de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd wordt verhoogd – zoals in sommige lidstaten is gebeurd -, waardoor de beoogde verbetering van de overheidsfinanciën uiteindelijk toch weer een illusie blijkt te zijn. Daarom moet verhoging van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd op vrijwillige basis worden overwogen.

1.6

Een systeem waardoor de pensioengerechtigde leeftijd automatisch aan de verlenging van de verwachte levensduur of de demografische ontwikkeling wordt aangepast, zou gevaarlijk zijn voor de hele samenleving en krijgt dan ook niet de instemming van het EESC. De meeste van deze systemen leiden automatisch tot verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd naarmate de levensverwachting stijgt en andere economische of arbeidsmarktparameters evolueren. Dergelijke ingrijpende besluiten over de leefomstandigheden van burgers moeten, na een breed publiek debat, door volksvertegenwoordigers worden genomen, niet door computers, terwijl ook de sociale partners en andere belangrijke belanghebbenden hierbij moeten worden betrokken. Lidstaten die zo'n systeem invoeren, mogen ook niet uit het oog verliezen dat het burgerlijk verzet tegen hervormingen daardoor weliswaar minder groot wordt, maar dat de financiële steun die werknemers moet worden gegeven, eenvoudigweg kan opschuiven naar ándere sociale voorzieningen zolang oudere werknemers geen reële mogelijkheden worden geboden om langer te blijven werken. Dan schiet zo'n systeem, dat domweg wordt ingevoerd om pensioenen toereikend en houdbaar te maken, zijn doel voorbij.

1.7

De huidige economische crisis heeft gevolgen, voor zowel het omslagstelsel als het kapitaaldekkingssysteem, maar op een verschillende manier. In de jaren negentig zijn enkele lidstaten verplichte pensioenfondsen met kapitaaldekking gaan invoeren. Die maatregel werd toen gezien als een middel om de risico's van de vergrijzing voor de toereikend- en houdbaarheid van de pensioenen te ondervangen. Door de (gevolgen van de) financiële crisis is duidelijk geworden dat verplichte kapitaalgedekte pensioenregelingen blootgesteld zijn aan specifieke financiële risico's. Dat neemt niet weg dat omslagregelingen ook worden aangetast door economische crises en de vergrijzing, omdat de totale loonafdrachten daardoor teruglopen. Inmiddels is wel gebleken dat álle pensioenstelsels, ongeacht de gebruikte financieringsmethode, te lijden kunnen hebben onder economische crises en de vergrijzing, zij het niet op dezelfde wijze. Daarom is een goed beheer van die stelsels geboden om de risico's voor hun houdbaarheid aanzienlijk terug te dringen. Alhoewel de vigerende pensioenstelsels van lidstaat tot lidstaat grote verschillen vertonen, moeten pogingen om de toereikend- en houdbaarheid van deze stelsels te garanderen, gebaseerd zijn op een totaalaanpak. Het EESC is van mening dat verplichte omslagregelingen van doorslaggevend belang moeten blijven voor de waarborging van pensioenen en dus speciale aandacht verdienen. Op die manier kan de in veel EU-lidstaten vastgestelde tendens van afnemende vervangingsratio's worden gekeerd.

1.8

Wil de EU bewerkstelligen dat de overheidsfinanciën in weerwil van een vergrijzende bevolking overeind blijven, dan moet vooral op de volgende gebieden actie worden ondernomen: kwalitatieve en kwantitatieve steun voor werkgelegenheid, verhoging van de productiviteit, vergroting van de economische prestaties, verbetering van de flexizekerheid op de arbeidsmarkt, levenslang leren, immigratie en inburgering van migranten. De Commissie zou moeten voorstellen om toe te werken naar een werkgelegenheidsmodel dat voor iedereen bedoeld is en dat kwaliteitsbanen biedt voor alle leeftijdsgroepen. Daarbij moet in het bijzonder worden gedacht aan maatregelen om jongeren de arbeidsmarkt op te helpen, om „actief ouder worden” te bevorderen en om voorwaarden te scheppen voor scholing en levenslang leren. Wat burgers nu willen, zijn banen en betere arbeidsomstandigheden voor iedereen. Het komt er dus op aan de voorwaarden voor nieuwe banengroei te scheppen.

1.9

Het EESC benadrukt dat een pensioenstelsel vertrouwen moet wekken en toereikend moet zijn. Een en ander impliceert dat wordt gezocht naar nieuwe financiële bronnen die kunnen worden aangeboord om een evenwicht tussen de generaties te garanderen. Alleen als aan die voorwaarden is voldaan, zullen de komende generaties hieraan bijdragen, wat op zijn beurt voorwaarde is voor de houdbaarheid ervan. Pensioenstelsels moeten overzichtelijk zijn en de informatie en statistische gegevens over hun werking en over de rechten van de bij die pensioenstelsels aangesloten burgers, dienen beschikbaar en begrijpelijk te zijn. Onderricht in financiële basiskennis dient als schoolvak te worden ingevoerd.

1.10

Het EESC dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan om voor gendergelijkheid te zorgen. Als de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen anders is dan die voor mannen, moet die situatie opnieuw worden bekeken. Vrouwen lopen een groter armoederisico op oudere leeftijd door de wisselwerking tussen de hoogte van de uitkering en demografische factoren, gecombineerd met het feit dat vrouwen eerder met pensioen gaan. Dit komt bovenop het grotere risico op lage pensioenbedragen dat vrouwen toch al lopen, omdat ze over het algemeen minder verdienen dan mannen, langer ouderschapsverlof opnemen en langer werkloos dreigen te blijven. Ook zijn de loopbanen van vrouwen minder stabiel. In dat opzicht is het van belang om lange perioden van uittreding uit de arbeidsmarkt te voorkomen. Zo wordt het voor veel vrouwen gemakkelijker om te gaan werken en aan het werk te blijven als er betere opvangmogelijkheden voor kinderen en ouderen worden gecreëerd. Het EESC vraagt de lidstaten met klem om op al die gebieden daadwerkelijk beleid te voeren.

1.11

Het EESC stelt eens te meer dat pensioenen niet moeten worden beschouwd als „beloning” - de term die in het Groenboek wordt gebezigd – maar als „uitgesteld loon” of „spaargeld”, waarbij het er verder niet toe doet welk systeem is toegepast. Gepensioneerden vormen een erg belangrijke sociaal-economische categorie: zij zijn geen last voor de samenleving, maar vooraanstaande economische spelers, die gemiddeld een kwart van de bevolking uitmaken en bijdragen aan de totale vraag naar goederen en diensten.

1.12

Zelfs in de lidstaten waar de omslagregeling wordt toegepast, mag het niet zo zijn dat aanvullende kapitaalgedekte pensioenregelingen alleen worden afgesloten door werknemers die geld over hebben om te sparen. Als wordt gekozen voor de invoering van verplichte kapitaalgedekte pensioenregelingen, dus als die systemen de gebruikelijke praktijk worden en de omslagregelingen voor een deel opschuiven naar kapitaalgedekte pensioenen, dan zal moeten worden vermeden dat dit tot ongelijkheden leidt en dat het inkomen van toekomstige gepensioneerden in gevaar wordt gebracht.

1.13

De toereikendheid en houdbaarheid van pensioenen moeten worden gezien als een prioriteit, niet alleen vanuit macro-economisch, maar ook vanuit maatschappelijk oogpunt. Dit is een kwestie die voor de economie van levensbelang is. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten overwegen om te gaan zoeken naar andere financieringsbronnen voor hun pensioenstelsels of naar andere manieren om deze aan te vullen dan loongerelateerde afdrachten.

1.14

De Commissie zou de lidstaten moeten aanmoedigen om hun pensioenstelsels te hervormen met als doel om de toereikendheid, duurzaamheid en zekerheid van pensioenen te garanderen, en om de sociale partners daarbij te betrekken en veel te laten participeren.

2.   Antwoorden op vragen van de Commissie

2.1

Wat kan de EU doen om de lidstaten hun pensioenstelsels toereikender te helpen maken? Moet in EU-verband worden gezocht naar een betere omschrijving van een toereikend pensioen?

2.1.1

De Commissie zou vóór alles beginselen moeten vastleggen die als richtsnoer dienen voor wat in de EU onder „toereikendheid” (van pensioenen) moet worden verstaan. Pensioenen moeten materiële zekerheid bieden en een waardig bestaan mogelijk maken. De EU beschikt al over een groot aantal instrumenten om de lidstaten te helpen, zoals de open coördinatiemethode, het groei- en stabiliteitspact en de strategie van Stockholm (4). Krachtens het VWEU kan de EU bovendien op het gebied van de sociale zekerheid en pensioenstelsels verordeningen goedkeuren. Het EESC ziet in dat regulering in EU-verband geen sinecure is, maar de Commissie zou de vigerende regelgeving kunnen toetsen aan de volgende criteria en deze – vooral als sprake is van kapitaaldekking – zonodig kunnen herzien:

prudentieel toezicht op investeringen voor kapitaalgedekte pensioenregelingen;

genderaspecten van kapitaalgedekte pensioenregelingen;

solvabiliteit van kapitaalgedekte pensioenregelingen;

administratieve kosten van kapitaalgedekte pensioenregelingen;

waarborgingssystemen voor door particulieren beheerde pensioenregelingen.

2.1.2

Bij die evaluatie moet vooral worden gekeken naar de ontwikkeling van verplichte kapitaalgedekte pensioenregelingen die onder beheer staan van particulieren en een individuele keuze garanderen. Die variant is aan het eind van de jaren negentig door sommige lidstaten ingevoerd. Voor de vigerende EU-verordening is uitgegaan van de ervaringen in lidstaten waar dergelijke opties niet in de pensioenstelsels zijn opgenomen. Daarom moet de Commissie met name kijken naar de volgende aspecten van verplichte kapitaalgedekte pensioenregelingen:

de vraag hoe wordt omgegaan met de activa van deze pensioenfondsen vanuit het oogpunt van de overheidsfinanciën;

de benadering van wisselkoersrisico's;

de vraag hoe behoorlijk toezicht kan worden uitgeoefend om te waarborgen dat dergelijke systemen, waarvoor tot op zekere hoogte van staatswege garanties worden geboden, veilig genoeg zijn.

Bij hervorming moet volgens het EESC behoedzaam te werk worden gegaan: de overdracht van een deel van de premies voor omslagregelingen naar kapitaalgedekte persioenregelingen, mag niet leiden tot verdere afzwakking van de omslagregelingen, zodat wordt gewaarborgd dat toekomstige gepensioneerden hier werkelijk voordeel van hebben. Doordat doeltreffende regelgeving ontbreekt, wordt het financiële risico groter, vooral in tijden van economische crisis. Als geld van pensioenfondsen wordt belegd, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan de toewijzing van activa naar gelang van de levenscyclus.

2.1.3

Het Comité voor sociale bescherming en zijn subgroep Indicatoren zouden, met steun van het Comité voor economische politiek en van de door dat comité ingestelde werkgroep „Vergrijzing” en onder toepassing van de open coördinatiemethode, verder kunnen werken aan betere instrumenten om de mogelijke gevolgen van de vergrijzing voor de duurzaamheid van de overheidsfinanciën en de toereikendheid van de pensioenen te beoordelen. Als het armoederisico voor de huishoudens van gepensioneerden volgens de algemene methode van Eurostat wordt berekend, wordt onvoldoende recht gedaan aan de mate waarin gepensioneerden aan armoede zijn blootgesteld, omdat hun inkomen en uitgaven nu eenmaal vér uiteenlopen. Er zou een betere methode moeten worden uitgewerkt om in te schatten in hoeverre gepensioneerden aan armoede zijn blootgesteld. Daarmee zou ook de toereikendheid van pensioenen kunnen worden getoetst. Er zouden meer statistische ramingen moeten worden gemaakt om de toereikendheid van pensioenen te toetsen aan het vermogen daarvan om armoede op oudere leeftijd te voorkomen en gepensioneerden een fatsoenlijke levensstandaard te bieden: gepensioneerden moeten kunnen deelnemen aan het publieke, sociale en culturele leven (5). Dat neemt niet weg dat iedere lidstaat voor zich zelf moet uitmaken wat een toereikend pensioen is.

2.2

Volstaat de vigerende EU-regelgeving voor pensioenen om te garanderen dat nationale overheden ook op de lange termijn uitkomen met hun geld?

2.2.1

Het voornaamste doel van de EU-regelgeving op het gebied van pensioenen is om de uitgaven die in de toekomst voor pensioenen worden gedaan, op grond van algemeen aanvaarde regels in de hand te houden. Die werkwijze werkt als prikkel voor beleidsmakers om zich te richten op de uiterste grens tot waar hun prognoses kunnen gaan. Het EESC is van oordeel dat beslist moet worden uitgegaan van het algemene niveau van de verplichtingen van pensioenstelsels. Daarom zou de huidige regelgeving voor pensioenen kunnen worden aangevuld met een toezicht op en verslaggeving over impliciete pensioenverplichtingen, met gebruikmaking van een erkende methode.

2.2.2

Overwogen kan worden om de regels van het groei- en stabiliteitspact te herzien om er zeker van te kunnen zijn dat de resultaten van hervormingen (waaronder de overstap van 100 %-omslagregelingen naar gedeeltelijke kapitaalgedekte systemen) die verandering brengen in de wijze waarop pensioenstelsels worden gefinancierd - met dien verstande dat expliciete geldelijke verplichtingen toenemen en impliciete geldelijke verplichtingen afnemen - naar behoren worden weergegeven. Wordt dit gedaan, dan zouden dergelijke hervormingen, die worden doorgevoerd om op de lange termijn financiële problemen voor de overheid te voorkomen, niet op de korte termijn worden „afgestraft” door een stijging van de expliciete staatsschuld.

2.2.3

Hervormingen die nu worden gepland op grond van prognoses voor 2060, kunnen evenwel hun doel – zorgen voor toereikende en houdbare pensioenen – voorbijschieten. Het EESC adviseert om verplichte omslagregelingen van geval tot geval met bufferfondsen aan te vullen. Zo kan het risico dat op korte termijn aanpassingen worden doorgevoerd waarvan de meest kwetsbaren de dupe zijn, worden voorkomen.

2.2.4

Hoe dan ook beschouwt het EESC deze vraag van de Commissie als misleidend voor het grote publiek. Het gaat erom te garanderen dat de overheid ook op de lange termijn uit komt met zijn geld. Dit is iets wat de lidstaten zelf moeten regelen en daar is meer voor nodig dan alleen maar naar de pensioenregelingen te kijken.

2.3

Hoe kan worden bewerkstelligd dat werknemers in de praktijk later met pensioen gaan en welk voordeel kan worden verwacht van de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd? Moeten er in de pensioenstelsels systemen worden ingevoerd waardoor demografische veranderingen automatisch tot aanpassingen leiden, zodat de tijd waarin wordt gewerkt in evenwicht is met de duur van de pensionering? Welke rol kan de EU daarin spelen?

2.3.1

In 2020 zal de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd in de meeste lidstaten 65 jaar zijn. Volgens Eurostat was de gemiddelde leeftijd waarop EU-werknemers in de praktijk met pensioen gingen, in 200861,4 jaar (6). De participatiegraad van werknemers van 55 tot 64 jaar is echter nog steeds laag (ongeveer 40 %). Er moeten maatregelen worden genomen om banen voor oudere werknemers te creëren, om de attitude van werkgevers tegenover deze leeftijdsgroep te veranderen, maar ook om de attitude van oudere werknemers zelf te veranderen, en om „actief ouder worden” te bevorderen, omdat de invoering van systemen om de pensioengerechtigde leeftijd automatisch aan te passen (wat betekent dat de wettelijk pensioengerechtigde leeftijd omhoog gaat), tot gevolg zou hebben dat miljoenen werknemers moeten terugvallen op andere sociale voorzieningen (werkloosheidsuitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering of een gegarandeerd minimuminkomen), waardoor hun armoederisico pijlsnel omhoog schiet. Volgens het EESC moet werkgelegenheidsbeleid voorrang krijgen in de EU. Hét antwoord op de vergrijzing is bevordering van groei en werkgelegenheid.

2.3.2

Het is van doorslaggevend belang dat er in het kader van de Europa 2020-strategie op EU-niveau maatregelen worden genomen om werknemers kansen op banen te geven. De lidstaten zouden de inzetbaarheid van werknemers moeten verhogen en de voorwaarden moeten scheppen waaronder bedrijven banen kunnen creëren en werknemers desgewenst aan het werk kunnen blijven. Bevorderen dat werknemers langer blijven werken, vergt inspanningen van de overheid en de werkgevers, maar ook van de werknemers zelf. Werkgevers moeten veel steun krijgen om banen te creëren voor oudere werknemers die om gezondheidsredenen, door een te hoge werklast of na ontslag zijn gestopt met werken en die geen kans zien om nog een opleiding te volgen en weer een baan te vinden. Ook zouden ouderen moeten worden aangemoedigd en gestimuleerd om hun inzetbaarheid te vergroten en actief te blijven op de arbeidsmarkt. Het recht op pensionering is een grondrecht: daarom mag automatische verhoging van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd geen optie zijn. Het EESC stelt vast dat de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd los staat van de duur van de periode waarin pensioenpremies of bijdragen zijn betaald.

2.3.3

De vraag is ook nog of verhoging van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd ertoe kan leiden dat werknemers écht later met pensioen gaan. Dat is omstreden, zeker als er geen actief arbeidsmarktbeleid wordt gevoerd, er geen maatregelen worden genomen om te zorgen voor behoorlijk functionerend overleg tussen werkgevers en werknemers, en er geen strategieën komen voor actief ouder worden, noch maatregelen om solidariteit een grotere rol te laten spelen in pensioenstelsels. Alleen welbewust beleid om „actief ouder worden” te bevorderen, met inbegrip van maatregelen voor verdere scholing en levenslang leren, kan ertoe leiden dat ouderen (blijven) werken.

2.3.4

Het EESC is ervan overtuigd dat automatische aanpassingsmechanismen niet in de plaats mogen komen van een gewoon politiek besluit. Essentiële beslissingen over de leefomstandigheden van burgers moeten, na een breed publiek debat, door volksvertegenwoordigers worden genomen. Als dergelijke regelingen zouden worden ingevoerd, dan dreigen deze perioden dat langer wordt gewerkt en perioden dat langer pensioen wordt getrokken, ten onrechte met elkaar te combineren. In het verleden betekenden veranderingen in de gemiddelde levensduur dat de periode waarin mensen onderwijs volgden en de periode waarin zij gepensioneerd waren, langer werden, ten koste van de tijd waarin actief een beroep werd uitgeoefend. Verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd moet dan ook gepaard gaan met andere maatregelen waardoor mensen die bijna de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, betere kansen op werk krijgen.

2.4

Hoe kan de Europa 2020-strategie worden ingezet om werknemers langer te laten werken en ondernemingen daarvan het voordeel te laten genieten en om leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan?

2.4.1

Het streven om werknemers langer te laten werken, is relevant voor alle doelstellingen van de Europa 2020-strategie. De sociale partners moeten worden betrokken bij initiatieven om de participatiegraad op te trekken tot 75 % van de beroepsbevolking. Om dat doel voor werknemers van 55 tot 64 jaar te bereiken, is een speciale benadering nodig. Het EESC adviseert de lidstaten om in hun nationale hervormingsprogramma's voor deze doelgroep een streefcijfer vast te stellen na daarover te hebben onderhandeld met de sociale partners.

2.4.2

Het EESC heeft in het verleden de EU en de lidstaten al uitvoerig advies gegeven over beleidsmaatregelen om tot langer werken aan te zetten (7). Naast permanente beroepsopleiding, een actief arbeidsmarktbeleid, financiële prikkels om langer te blijven werken, ook voor zelfstandige werknemers, en verandering in de attitude tegenover oudere werknemers, moet ook een lans worden gebroken voor de volgende maatregelen om oudere werknemers nieuwe kansen te bieden:

wijziging van de wetgeving van sommige lidstaten waardoor gepensioneerden of arbeidsongeschikten die willen gaan werken, loon en pensioen/uitkering niet met elkaar mogen combineren;

invoering van toelagen om werknemers te stimuleren om door te werken na de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd: die dienen aantrekkelijker te zijn dan stoppen met werken vóór de pensioengerechtigde leeftijd;

invoering van een regeling voor zwaar werk in overleg tussen de nationale overheden en de sociale partners;

alomvattende advisering van en steun voor werkzoekenden en invoering van regelingen voor de reïntegratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt;

invoering van maatschappelijk aanvaardbare stimulansen om later met pensioen te gaan en - zonodig - invoering van aantrekkelijke modellen voor een soepele overgang van werk naar pensionering;

invoering van maatregelen om banen mentaal en lichamelijk minder zwaar te maken, zodat werknemers langer kunnen doorwerken;

invoering van stimulansen om oudere werknemers tot verbetering van hun vaardigheden aan te sporen;

invoering van campagnes om oudere werknemers en – vooral kleine en middelgrote – bedrijven beter bekend te maken met innoverend personeelsbeleid en methoden om het werk zodanig te organiseren dat dit gunstig is voor oudere werknemers (8).

2.4.3

Als beleid wordt gevoerd om werknemers langer aan het werk te houden, mag niet worden voorbijgegaan aan het vraagstuk van jongeren die later dan vroeger het geval was, de arbeidsmarkt betreden. Ervoor zorgen dat de periode waarin wordt gewerkt, langer wordt, betekent ook dat aandacht moet worden geschonken aan de problematiek van de werkloosheid (en met name van langdurig werklozen) en van loopbaanonderbrekingen (vanwege de zorg voor een kind of een afhankelijk familielid of vanwege een tijdelijke handicap).

2.5

Hoe moet de Richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV-richtlijn) worden gewijzigd om grensoverschrijdende bedrijvigheid te vergemakkelijken?

2.5.1

De Commissie stelt in haar verslag (9) over enkele kernaspecten van de IBPV-richtlijn dat er vooralsnog geen redenen zijn om die richtlijn aan te passen. Als na een evaluatie van de werking ervan echter blijkt dat de richtlijn moet worden herzien, dan meent het EESC dat de onduidelijkheid over de betekenis van het begrip „risicokapitaalmarkten” moet worden weggenomen, omdat dit in het nadeel kan werken van (werknemers die zijn aangesloten bij) pensioenfondsen. De regels voor het toezicht moeten op een aantal punten worden verduidelijkt en het recht voor pensioenfondsen om hun activa in financiële instrumenten met een risico te beleggen, moet drastisch aan banden worden gelegd.

2.5.2

Het EESC neemt kennis van de mogelijkheid van individuele vrijwillige particuliere pensioenregelingen die naast de al bestaande pensioenstelsels fungeren. Er zou onderzoek moeten worden gedaan naar de mogelijkheid om voor dergelijke pensioenregelingen Europese garanties ten behoeve van grensoverschrijdende werknemers te bieden. Ook kan onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om voor mobiele werknemers heel Europa bestrijkende individuele pensioenrekeningen in het leven te roepen (naar het voorbeeld van de Amerikaanse Individual Retirement Accounts of van IKE, een soortgelijk systeem in Polen), alsmede naar de behoefte daaraan, waarbij ook wordt gekeken naar het toezicht en de controles op een dergelijk systeem en de beginselen voor de werking ervan. De Commissie zou bovendien kunnen overwegen om hiervoor gebruik te maken van de 28e regeling, zoals wordt voorgesteld in het Monti-rapport en wordt bepleit door het EESC (10).

2.6

Welke draagwijdte moeten systemen hebben waarmee op EU-niveau mobiliteitsbelemmeringen worden opgeheven?

Moet de EU zich nogmaals buigen over het vraagstuk van de overdraagbaarheid van pensioenrechten of bieden minimumnormen voor de verwerving en het behoud van pensioenrechten, gekoppeld aan een instantie die alle soorten pensioenrechten traceert, een betere oplossing?

2.6.1

Verordeningen van de EU over de coördinatie van sociale-zekerheidsstelsels zijn uiterst nuttig gebleken voor de bescherming van mobiele werknemers. In die verordeningen wordt uitgegaan van het beginsel van de aangroei van tijdens verzekeringsperioden in andere lidstaten verworven pensioenrechten. Er kan onderzoek worden gedaan naar de toepassing van dit beginsel, aangepast aan alle aanvullende – bedrijfs- en individuele – pensioenregelingen met kapitaaldekking. Volgens het EESC moet worden nagedacht over de optie van grensoverschrijdende aangroei van pensioenrechten in kapitaalgedekte pensioenregelingen.

2.6.2

Het EESC verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is om voor de aangroei en het behoud van alle pensioenrechten van mobiele werknemers een basisrechtskader van de EU in het leven te roepen, ook al ziet het in dat die optie maar moeilijk te rijmen valt met de keuzevrijheid van de lidstaten. Een in EU-verband gecoördineerde instantie om die pensioenrechten te traceren, zou nuttig zijn. Europese mobiliteit op de arbeidsmarkt van één land vooronderstelt overigens ook dat pensioenrechten „mobiel” zijn van werkgever naar werkgever. De regelgeving van de EU moet de toenemende verscheidenheid aan pensioenregelingen weerspiegelen. Grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers moet worden aangemoedigd doordat – met name fiscale en administratieve - belemmeringen voor de mobiliteit van vrijwillig in kapitaalgedekte pensioenstelsels verworven pensioenrechten worden opgeheven.

2.7

Is herziening van de vigerende EU-wetgeving nodig om er zeker van te kunnen zijn dat de regelgeving voor en het toezicht op kapitaalgedekte (d.w.z. steunend op een fonds met activa) pensioenregelingen en -producten consistent is?

Hoe kunnen de lidstaten met behulp van EU-regelgeving of een gedragscode worden geholpen om, als het gaat om risico's, veiligheid en betaalbaarheid, meer evenwicht te brengen in de verhouding tussen werknemers die een pensioen opbouwen en instellingen die pensioenen uitkeren?

2.7.1

De Commissie geeft toe dat de EU-regelgeving voor kapitaalgedekte pensioenregelingen onsamenhangend en ontoereikend is. De Commissie zou volgens het EESC dan ook moeten nagaan of de fasen waarin pensioenrechten worden opgebouwd en waarin pensioenrechten worden uitbetaald, in EU-verband kunnen worden gereguleerd en zo ja, om die mogelijkheid zonodig in overweging te nemen. Daarbij een analyse zou moeten worden gemaakt van het volgende:

prudentiële aspecten van beleggingen;

genderaspecten;

solvabiliteit;

kosten;

non-discriminatie bij de toegang tot het systeem (dekking);

garanties voor onvervreemdbare pensioenrechten;

minimale vereisten m.b.t. de informatie die aan de bij het systeem aangesloten werknemers moet worden verstrekt;

garantiestelsels of systemen voor een minimale opbrengst;

toezicht.

2.7.2

In veel gevallen liggen de risico's van kapitaalgedekte pensioenregelingen waarvoor een vaste premie moet worden betaald, grotendeels bij de deelnemers eraan. Ook zijn de administratieve kosten van dergelijke regelingen hoog. Volgens het EESC zouden die kapitaalgedekte pensioenregelingen op sommige punten moeten worden geëvalueerd, met de mogelijkheid om deze zonodig in EU-verband te reguleren. Volgens het Ageing Report 2010 van het comité voor economische politiek zal dit soort pensioenregelingen in sommige lidstaten een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van een behoorlijk inkomen voor toekomstige gepensioneerden. Anders gezegd kunnen gemeenschappelijke EU-beginselen de lidstaten helpen om ervoor te zorgen dat dergelijke regelingen, die onder beheer staan van financiële instellingen, goed werken en gepensioneerden zo goed mogelijk dienen. De winsten van de managers van pensioenfondsen moeten in verhouding staan tot de geleverde prestaties en moeten worden gekoppeld aan de winst voor de bij die fondsen aangesloten werknemers. Een gedragscode is nuttig, maar volstaat niet. Ook de systemen voor de uitbetaling van pensioenbedragen uit verplichte pensioenfondsen, vormen een moeilijk vraagstuk dat verder moet worden besproken en geanalyseerd in het kader van de open-coördinatiemethode.

2.8

Hoe moet een regeling voor gelijkwaardige solvabiliteit eruit zien in het geval van pensioenfondsen?

2.8.1

De Solvency II-richtlijn gaat over algemene en levensverzekeringen en kan dus niet worden toegepast op pensioenproducten. Toch gelooft het EESC dat deze richtlijn een voorbeeldfunctie kan hebben voor een soortgelijk systeem voor pensioenfondsen, waarbij wordt uitgegaan van het specifieke karakter van pensioenproducten en van het onderscheid tussen die producten en verzekeringsproducten.

2.8.2

De solvabiliteit van alle pensioenregelingen, ongeacht hun structuur, kan nog het beste worden verzekerd door algemene nationale systemen voor de solvabiliteit van kapitaalgedekte pensioenregelingen die in EU-verband worden gecoördineerd. Om vergelijkbaar te zijn, moeten dergelijke solvabiliteitsregelingen ten minste het volgende bevatten:

toezicht op impliciete verplichtingen;

toezicht op de solvabiliteit en de hoogte van de reserves van verplichte kapitaalgedekte pensioenfondsen;

toezicht op de mate van financiering en de potentiële risico's van bedrijfspensioenfondsen;

instelling van een nationale instantie die instaat voor de solvabiliteit van bedrijfspensioenfondsen (11).

2.9

De EU-wetgeving beschermt tegen het risico dat werkgevers die moeten afdragen aan bedrijfspensioenfondsen, insolvabel zijn. Moet die bescherming worden vergroot en zo ja, hoe?

2.9.1

Bedrijfspensioenfondsen en verplichte kapitaalgedekte pensioenregelingen spelen, daar waar die bestaan, een belangrijke rol bij het waarborgen van behoorlijke pensioenen of zullen dat nog gaan doen. De EU zou de lidstaten ertoe moeten verplichten om regels uit te vaardigen voor de opzet van een systeem van garanties (in de vorm van speciale fondsen) om de pensioenen in de toekomst veilig te stellen.

2.10

Is het nodig om de vereisten voor minimale informatie-verschaffing over pensioenproducten te moderniseren (bv. qua vergelijkbaarheid, normalisering en duidelijkheid)?

Moet de EU een gemeenschappelijke aanpak afspreken voor standaardopties waarop wordt teruggevallen als er keuzen over participatie of beleggingen moeten worden gemaakt?

2.10.1

Kapitaalgedekte pensioenproducten zijn complex en de keuze en verantwoordelijkheid worden steeds meer bij de burgers gelegd. Tegen die achtergrond moet de EU er volgens het EESC op toezien dat de nationale regelgeving zodanig wordt verbeterd dat alle pensioenregelingen daardoor worden bestreken. Het is beslist noodzakelijk dat in EU-verband een op richtsnoeren gebaseerde gemeenschappelijk aanpak t.a.v. beleggingskeuzen en minimale informatie-verplichtingen voor pensioenverstrekkers (met name als het gaat om de risico's voor deelnemers aan pensioenfondsen) wordt overeengekomen.

2.10.2

De Commissie erkent dat het voor het streven naar toereikende pensioenen van belang is dat werknemers hun beslissing dienaangaande met volledige kennis van zaken nemen. Het EESC dringt er dan ook op aan dat de Commissie een EU-initiatief lanceert om Europa's burgers meer financiële kennis over pensioenproducten bij te brengen. Pensioenproducten zijn erg complex: daarom mag de zware verantwoordelijkheid voor de strategische keuzen die moeten worden gemaakt, niet alleen bij de burger zelf worden gelegd. Ook al is dit in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de overheid, toch moeten ook de sociale partners er zoveel mogelijk bij betrokken worden.

2.11

Moeten de mogelijkheden die de EU heeft om beleid te coördineren, kracht worden bijgezet? Zo ja, welke onderdelen van dit beleidskader moeten dan worden geconsolideerd om de opzet en tenuitvoerlegging van pensioenbeleid te verbeteren door middel van een geïntegreerde benadering? Is de oprichting van een platform voor geïntegreerd toezicht op alle aspecten van pensioenbeleid een stap in de goede richting?

2.11.1

Het EU-rechtskader voor beleidscoördinatie is momenteel nogal onsamenhangend. Het EESC stemt in met het idee van de Commissie om een gemeenschappelijk platform voor alle aspecten van pensioenregelingen op te richten waarin overheid, sociale partners, maatschappelijke organisaties en pensioenfondsen worden bijeengebracht. Door dit platform moet het mogelijk worden om de situatie in de lidstaten en de levensstandaard van gepensioneerden aan de hand van een keur aan indicatoren te vergelijken.

2.11.2

Voor een gemeenschappelijk platform voor het toezicht op alle aspecten van het pensioenbeleid - met inbegrip van toereikendheid, dekking, armoederisico, financiële stabiliteit, beleggingen, risico en solvabiliteit - is actuele en betrouwbare informatie geboden. Er moet, samen met de sociale partners en andere belanghebbenden, een EU-methode voor het opstellen van statistieken over pensioenen worden uitgewerkt. Dergelijke instrumenten zijn ook nodig voor het toezicht op de impliciete verplichtingen van op nationaal niveau actieve pensioenfondsen.

Brussel, 20 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 14 van 16 januari 2001, blz. 50 en PB C 157 van 28 juni 2005, blz. 120

(2)  De voorspellingen die de OESO, Eurostat en zelfs de VN voor 2010 hebben gedaan, zijn niet uitgekomen.

(3)  Dit verschijnsel heeft zich de afgelopen tien jaar in sommige lidstaten voorgedaan (Eurostat: bevolking en sociale omstandigheden – Statistics in Focus 40/2009).

(4)  Conclusies van de Raad, maart 2001.

(5)  Particuliere pensioenstelsels, Europese Commissie, 2009, blz. 5.

(6)  Eurostat, MISSOC, Ageing Report, 2010 Tussenverslag over pensioenen van het comité voor economische politiek en het comité voor Sociale bescherming.

(7)  PB C 157 van 28 juni 2005, blz. 120.

(8)  EESC-adviezen in PB C 256 van 27 oktober 2007, blz. 93 en in PB C 228 van 22 september 2009, blz. 24.

(9)  COM(2009) 203 final.

(10)  PB C 21 van 21 januari 2011, blz. 26.

(11)  Naar het voorbeeld van de Noord-Amerikaanse PBGC (Pension Benefit Guaranty Corporation).


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/45


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/112/EG van de Raad inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtensappen en bepaalde soortgelijke producten

(COM(2010) 490 definitief)

2011/C 84/09

Afdelingsrapporteur: de heer NARRO

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 23 september 2010 en 7 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig art. 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/112/EG van de Raad inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtensappen en bepaalde soortgelijke producten

COM(2010) 490 final.

De gespecialiseerde afdeling, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 december 2010 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 20 januari 2011) het volgende advies uitgebracht, dat met 159 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het EESC steunt het initiatief van de Europese Commissie om Richtlijn 2001/112 voor de tweede keer te wijzigen, om deze aan te passen aan de algemene normen van de Codex Alimentarius voor vruchtensappen en nectars. Deze aanpassing zou zich echter niet op discretionaire wijze moeten beperken tot enkele zeer specifieke elementen van de richtlijn, maar algemeen van toepassing moeten zijn op alle punten van de bedoelde communautaire wetgeving.

1.2

Het verbod op de toevoeging van suiker aan vruchtensap is een adequate maatregel om de preventie van obesitas te bevorderen. Desalniettemin is het EESC het niet eens met de bijkomende verplichting om nectars te etiketteren als „gezoet”: deze maatregel zou de consument kunnen misleiden, zou een flagrante discriminatie betekenen ten opzichte van andere producten, en is ook niet terug te vinden in de Codex Alimentarius.

1.3

Het EESC betreurt dat in de lijst van toegestane ingrediënten geen melding wordt gemaakt van de toevoeging van maximaal 10 % mandarijnensap aan sinaasappelsap. De Codex Alimentarius, waaraan de richtlijn wordt aangepast, staat deze internationaal gebruikelijke techniek wél toe, die daarom ook in de tekst van de richtlijn opgenomen zou moeten worden.

1.4

In het tweede deel van bijlage II zou expliciet moeten worden vermeld dat vruchten die zijn bestemd voor de bereiding van vruchtensap en vruchtenmoes een behandeling na de oogst hebben kunnen ondergaan.

1.5

Het EESC is ermee ingenomen dat tomaten worden toegevoegd aan de lijst van vruchten die voor de productie van vruchtensap mogen worden gebruikt.

1.6

Het EESC toont zich ingenomen met het behoud van het onderscheid tussen vruchtensap (rechtstreeks verkregen door persing) en uit sapconcentraat verkregen vruchtensap (verkregen door geconcentreerd vruchtensap te reconstitueren met water). Dit onderscheid garandeert een correcte informatie aan de consument. Het is van belang dat deze dubbele benaming in stand wordt gehouden en dat in geen geval nuances worden ingevoerd die de interpretatie van de dubbele definitie kunnen versoepelen.

1.7

Het EESC acht het positief dat het voorstel van de Europese Commissie de mogelijkheid biedt voor de reconstitutie van aroma's in uit sapconcentraat verkregen vruchtensap.

2.   Achtergrond en samenvatting van het Commissievoorstel

2.1

De Europese Commissie stelt een tweede wijziging voor van Richtlijn 2001/112/EG van de Raad inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtensappen en bepaalde soortgelijke producten. De te wijzigen richtlijn stelt technische bepalingen vast voor de samenstelling, benaming, bereidingsspecificaties en etikettering van deze producten.

2.2

Richtlijn 2001/112/EG is voor het eerst gewijzigd bij Richtlijn 2009/106/EG. Deze technische wijziging was bedoeld om de communautaire wetgeving aan te passen aan de algemene normen van de Codex Alimentarius voor vruchtensappen en nectars (Codex Stan 247-2005, welke voorziet in kwaliteitskenmerken en etiketteringsvoorschriften voor vruchtensappen en soortgelijke producten) en de praktijkcode van de Europese vereniging voor vruchtensappen (AIJN). Een en ander hield hoofdzakelijk in dat minimumbrixwaarden werden vastgesteld voor 18 soorten gereconstitueerd vruchtensap en gereconstitueerd vruchtenmoes en dat werd bepaald welke verkoopbenaming moest worden gebruikt voor uit sapconcentraat verkregen vruchtensap. De nieuwe richtlijn moest uiterlijk op 1 januari 2011 zijn omgezet.

2.3

Het onderhavige voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad, COM(2010) 490, betreft een tweede, zeer technische wijziging, die net als de eerste aanpassing is gebaseerd op de overname van een aantal bepalingen van de Codex Alimentarius, in overeenstemming met de bepalingen uit de praktijkcode van de AIJN. De voornaamste veranderingen zijn:

Het schrappen van suiker uit de lijst van toegestane ingrediënten voor vruchtensappen. Nectars en de in bijlage III vermelde specifieke producten mogen worden gezoet door suikers of honing toe te voegen. De verkoopbenaming omvat de aanduiding „gezoet” of „met toegevoegde suiker”, gevolgd door de vermelding van de maximumhoeveelheid toegevoegde suikers.

Vereenvoudiging van de bepalingen inzake de reconstitutie van smaken en aroma’s.

Toevoeging van tomaten aan de lijst van vruchten die voor de productie van vruchtensap mogen worden gebruikt.

2.4

Voor dit voorstel voor een richtlijn wordt de gewone wetgevingsprocedure gevolgd waarin het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorziet. Nadat de richtlijn is goedgekeurd zullen de lidstaten 18 maanden de tijd hebben om deze in nationale wetgeving om te zetten.

3.   Opmerkingen

3.1

Het voorstel voor een richtlijn dat onderwerp is van dit advies komt hoofdzakelijk voort uit de noodzaak om de communautaire wetgeving aan te passen aan de internationale wetgeving, meer concreet de normen van de Codex Alimentarius voor vruchtensappen en vruchtenmoes. De Commissie zou derhalve niet mogen afwijken van bepaalde bepalingen van de Codex Alimentarius die internationaal zijn geaccepteerd. Anderzijds zou het wenselijk zijn om nieuwe bepalingen toe te voegen, in overeenstemming met de betreffende artikelen van de Codex Alimentarius.

3.2

De belangrijkste wijzigingen die met het voorstel worden ingevoerd zijn het verbod om suiker toe te voegen aan vruchtensappen, en, voor nectar, de verplichting om de toevoeging van suiker te vermelden in de verkoopbenaming. In het kader van de Europese strategie voor de preventie van obesitas is het door de Commissie voorgestelde verbod alleszins gerechtvaardigd. Wat nectars betreft wijkt het voorstel echter af van de bepalingen van de Codex Alimentarius, kent het geen precedenten voor andere producten (zoals frisdranken), is het strijdig met de horizontale etiketteringsvoorschriften en lijkt het overbodig, aangezien de definitie van nectar reeds duidelijk maakt dat het om een gezoet product gaat.

3.3

Het Commissievoorstel maakt geen melding van de mogelijkheid om mandarijnensap toe te voegen aan sinaasappelsap, zonder dat op het etiket moet worden vermeld dat het om een mengsel van sappen gaat. De norm van de Codex Alimentarius (STAN 45-1981) staat deze praktijk echter wel toe, tot maximaal 10 %, en van deze mogelijkheid wordt in internationaal verband vaak gebruik gemaakt door de belangrijkste producerende landen, zoals Brazilië of de VS. Gezien de mondialisering van de markten komen de Europese producenten van citrusvruchten en hun coöperaties als gevolg van de vereisten van Richtlijn 2001/112/EG in een nadelige concurrentiepositie ten opzichte van derde landen te staan. Het EESC is van mening dat de Europese benaming „sinaasappelsap” moet worden aangepast aan de internationale norm van de Codex Alimentarius, en is er dan ook voorstander van dat maximaal 10 % mandarijnensap aan sinaasappelsap mag worden toegevoegd. De toevoeging van mandarijnensap aan sinaasappelsap wordt gerechtvaardigd door het feit dat de twee soorten citrusvruchten botanisch gezien een sterke gelijkenis vertonen en soortgelijke organoleptische eigenschappen bezitten. Een kwaliteitsverschil kan niet analytisch worden aangetoond.

3.4

In de definitie van het begrip „vrucht” in punt 1 van Bijlage II (Definities van de grondstoffen) zou ook duidelijk moeten worden verwezen naar de behandeling na de oogst van vruchten die zijn bestemd voor de bereiding van vruchtensap.

3.5

Het EESC steunt de toevoeging van tomaten aan de lijst van vruchten die voor de productie van vruchtensap mogen worden gebruikt, en is ingenomen met het behoud van het onderscheid tussen vruchtensap en uit sapconcentraat verkregen vruchtensap, ten behoeve van een correcte informatie aan de consument, en met de mogelijkheid die wordt geboden voor reconstitutie van aroma's in uit sapconcentraat verkregen vruchtensap.

Brussel, 20 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/47


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad tot vaststelling van technische overgangsmaatregelen van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011

(COM(2010) 488 definitief — 2010/0255 (COD))

2011/C 84/10

Afdelingsrapporteur: de heer SARRÓ IPARRAGUIRRE

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 7 en 8 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad tot vaststelling van technische overgangsmaatregelen van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011

COM(2010) 488 definitief — 2010/0255 (COD).

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 december 2010 goedgekeurd.

Tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 19 januari) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité onderstaand advies uitgebracht, dat met 82 stemmen vóór en zonder stemmen tegen, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd:

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Aangezien de geldigheidsduur van de tijdelijke technische maatregelen die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad op 30 juni 2011 verstrijkt, is het Europees Economisch en Sociaal Comité van oordeel dat de looptijd van die verordening moet worden verlengd tot 1 januari 2013, volgens de voorwaarden die zijn vastgelegd in het Commissievoorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad (COM(2010) 488 definitief van 23 september 2010).

1.2

Er is vooralsnog geen wetgevingsinstrument voorhanden waarin in permanente technische maatregelen is voorzien. Met de goedkeuring van bedoeld voorstel voor een verordening kunnen de rechtszekerheid en de instandhouding van de mariene rijkdommen worden gewaarborgd tot 1 januari 2013, het moment waarop het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid, waarin de grondbeginselen voor de technische maatregelen zullen worden vastgelegd, in principe in werking treedt.

1.3

Het Comité stelt het EP en de Raad voor om in lid 1 b) i) van het enige artikel van het voorstel, dat betrekking heeft op artikel 1, lid 2 a) i) van Verordening (EG) nr. 1288/2009, ook te vermelden dat in de punten 9.3, 9.6 en 9.8 „2010” wordt vervangen door „2011”.

2.   Achtergrond

2.1

De Commissie heeft op 4 juni 2008 een voorstel gedaan voor een verordening van de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden via technische maatregelen (1).

2.2

Het advies van het Comité over dit voorstel is op 25 februari 2009 volgens de gebruikelijke procedure goedgekeurd tijdens de 451e zitting (2).

2.3

De behandeling van de voorgestelde verordening door de Commissie werd in 2009 echter bemoeilijkt door de onderhandelingen over het Verdrag van Lissabon.

2.4

Gezien de urgentie van de situatie werd in de tussentijd Verordening (EG) nr. 43/2009 tot vaststelling, voor 2009, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften, goedgekeurd (3).

2.5

Terwijl de verordening van de Raad betreffende de technische maatregelen in 2009 dus nog in de pijplijn zat, verstreek de geldigheidsduur van de maatregelen waarin werd voorzien in bijlage III van de eerder vermelde Verordening (EG) nr. 43/2009.

2.6

Met het oog op de rechtszekerheid en op de instandhouding en het adequate beheer van de mariene rijkdommen, werd daarom overgegaan tot de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad tot vaststelling van technische overgangsmaatregelen van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011 (4), waarin is bepaald dat de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 43/2009 opgenomen tijdelijke technische maatregelen worden gehandhaafd voor een overgangsperiode van 18 maanden.

2.7

In het licht van de nieuwe vereisten van het Verdrag van Lissabon heeft de Commissie in 2010 haar voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden via technische maatregelen ingetrokken.

2.8

De grondbeginselen voor de technische maatregelen zullen worden vastgelegd in de nieuwe basisverordening betreffende de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Het is de bedoeling dat het desbetreffende voorstel tijdens het derde kwartaal van 2011 wordt ingediend en dat de verordening op 1 januari 2013 in werking treedt.

2.9

Rekening houdend met het feit dat Verordening (EG) nr. 1288/2009 afloopt op 30 juni 2011 en dat er op dit moment geen juridisch wetgevingsinstrument voorhanden is waarin in permanente technische maatregelen is voorzien, moet de geldigheidsduur van de verordening met 18 maanden worden verlengd, d.w.z. tot 1 januari 2013.

2.10

Vandaar dus het hier behandelde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad, waarmee de looptijd van de verordening met 18 maanden, d.w.z. tot 1 januari 2013, wordt verlengd.

3.   Opmerkingen van het EESC

3.1

Het Comité hecht zijn goedkeuring aan het voorstel voor een verordening, aangezien het de bedoeling is de looptijd van Verordening (EG) nr. 1288/2009 te verlengen tot 1 januari 2013, zodat de rechtszekerheid en de instandhouding van de mariene rijkdommen worden gewaarborgd in afwachting van de goedkeuring van permanente technische maatregelen.

3.2

Wel stelt het voor dat het EP en de Raad overwegen om m.b.t. lid 1 b) i) van het enige artikel ook de in Verordening (EG) nr. 1288/2009 vastgelegde termijn van 1 oktober 2010 te verlengen tot 1 oktober 2011, zodat de betrokken nationale wetenschappelijke instituten de tijd krijgen om hun wetenschappelijke verslagen over de visserij in de ICES-zones VIII, IX en X, in wateren die dieper zijn dan 600 meter, voor te leggen.

3.3

Dit verzoek is ingegeven door het feit dat bij de uitwerking van de wetgeving in kwestie heel wat obstakels zijn opgedoken, zoals vermeld in hoofdstuk 2 van dit advies. De lidstaten hadden hierdoor niet genoeg tijd om het wetenschappelijke onderzoek uit te voeren dat noodzakelijk is om het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij een grondig onderbouwd verslag over dit soort visserij voor te leggen.

Brussel, 19 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2008) 324 definitief.

(2)  PB C 218 van 11.9.2009.

(3)  PB L 22 van 26.1.2009., blz. 1.

(4)  PB L 347 van 24.12.2009., blz. 6.


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/49


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de verstrekking van levensmiddelen aan de meest behoeftigen in de Unie betreft

(COM(2010) 486 definitief — 2008/0183 (COD))

2011/C 84/11

Rapporteur: de heer LUCAN

De Raad en het Europees Parlement hebben respectievelijk op 23 september en 8 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 43, lid 2, en art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen nr. 1290/2005 (EG) en nr. 1234/2007 (EG) van de Raad, wat de verstrekking van levensmiddelen aan de meest behoeftigen in de Unie betreft

COM(2010) 486 final — 2008/0183 (COD).

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 december 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 20 januari 2011) onderstaand advies uitgebracht, dat met 150 stemmen vóór en 4 stemmen tegen, bij 14 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De regeling voor voedselverstrekking aan de meest behoeftigen in de Unie (PEAD) draagt bij aan de economische ontwikkeling van de levensmiddelenmarkt en de verspreiding van Europese waarden (in het bijzonder het solidariteitsbeginsel) onder de kansarme groepen in de EU. De voedselvoorziening van alle burgers in de EU, en met name de kansarme groepen, dient een van de cruciale doelstellingen te blijven van het Europese landbouwbeleid. Alleen met een krachtige en duurzame economische ontwikkeling van het landbouwbeleid kunnen ook de allerzwaksten in de Europese Unie worden ondersteund.

1.2   Het EESC acht de herziening van het Europese rechtskader opportuun en noodzakelijk gezien de aanpassingen van het Verdrag en de veranderingen op de interne markt op het gebied van prijzen, voorraden, marktbeleid en de specifieke behoeften van de afzonderlijke lidstaten.

1.3   Het EESC steunt de voortzetting van de PEAD en vindt dat daarvoor structureel een beroep moet worden gedaan op de GLB-begroting (gemeenschappelijk landbouwbeleid), aangezien meer dan 80 miljoen mensen in de Europese Unie (1) (ruim 16 % van de EU-bevolking) in armoede leven, er voor 2010 – het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting – duidelijke prioriteiten zijn geformuleerd en steeds meer burgers door de crisis steeds verder in de armoede dreigen weg te zakken.

1.4   De regeling voor voedselverstrekking aan de meest behoeftigen dient een vast onderdeel te worden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, omdat daarmee de positie kan worden verbeterd van al diegenen die door de prijsschommelingen op de levensmiddelenmarkt het hoofd niet boven water kunnen houden. Tegelijkertijd draagt de regeling bij aan een evenwichtigere en stabielere interne markt, aangezien de verstrekte levensmiddelen afkomstig zijn van interventievoorraden, maar ook zijn aangekocht op de Europese markt en door Europese boeren zijn geproduceerd. Het EESC pleit voor het behoud van deze maatregel voor indirecte marktondersteuning, die deel uitmaakt van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en in de huidige crisis zo belangrijk is voor de kansarme groepen, maar vooral ook voor de boeren.

1.5   Gezien de omvang van het verschijnsel voedselarmoede, waarmee meer dan 43 miljoen Europese burgers te maken hebben, en de positieve effecten van de PEAD voor de kansarme groepen, zou de regeling voortaan moeten worden voorzien van een stevige begroting.

1.6   De evaluatie van de nationale en Europese voedselhulpregelingen zou moeten beginnen met een inventarisatie van de behoeften van alle kansarme burgers. Daarbij gaat het onder meer om de allerarmste groepen (zoals straatkinderen, daklozen, asielzoekers, illegale werknemers en illegale migranten enz.) die geen ondersteuning krijgen op basis van een gegarandeerd minimuminkomen en doorgaans buiten de officiële statistieken vallen. Sociale uitsluiting kan in de eerste plaats worden voorkomen en aangepakt door middel van integratie van alle kansarme groepen, een van de prioriteiten van het Europees Jaar 2010. Het EESC roept de bevoegde overheden in de lidstaten op om voor de vaststelling van kansarme groepen gebruik te maken van gegevensbestanden van personen die niet in de officiële statistieken voorkomen. Deze gegevens kunnen veelal worden opgevraagd bij niet-gouvernementele organisaties of liefdadigheidsinstellingen.

1.7   De Commissie zou de lidstaten moeten aanmoedigen om partnerschappen tussen overheden en maatschappelijke organisaties te bevorderen, zodat zo veel mogelijk ngo's en vrijwilligersorganisaties bij de verstrekking van levensmiddelen kunnen worden betrokken. De voedselhulp in het kader van de PEAD zou een aanvulling kunnen vormen op de sociale voorzieningen die worden verstrekt in het kader van de maatschappelijke integratie van kansarmen.

1.8   Ngo's en liefdadigheidsinstellingen die tegelijkertijd voedselhulp verstrekken en zorg en sociale hulpverlening bieden (met name in de vorm van nacht- en dagopvang voor kansarmen en gaarkeukens), dienen ondersteuning te krijgen voor hun administratiekosten.

1.9   Het EESC juicht het toe dat de Commissie het wijzigingsvoorstel van het Europees Parlement inzake een vergoeding voor de administratie- en opslagkosten van liefdadigheidsinstellingen in het gewijzigde voorstel opneemt.

1.10   De nationale medefinanciering zou door de huidige economische crisis extra administratieve rompslomp met zich mee kunnen brengen voor met name de lidstaten met een laag inkomen per hoofd van de bevolking en een groot aantal kansarmen en daardoor de Europese regeling onuitvoerbaar kunnen maken. Dit zou nadelig kunnen zijn voor de kansarme groepen in de EU en een schending kunnen betekenen een van de belangrijkste beginselen van het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, nl. maatschappelijke integratie.

1.11   De regeling voor voedselhulp aan kansarmen zou onder de verantwoordelijkheid van de Unie moeten vallen en voor 100 % uit de GLB-begroting worden gefinancierd. De lidstaten dragen op dit moment samen met nationale liefdadigheidsinstellingen bepaalde kosten voor de tenuitvoerlegging van de regeling (kosten in verband met het transport van levensmiddelen naar opslagplaatsen, administratiekosten, transportkosten, opslagkosten, btw, kosten voor sociale voorzieningen in aanvulling op de voedselhulp).

2.   Een van de prioriteiten van het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010) is de ondersteuning van kansarmen, onder wie ook mensen die slachtoffer dreigen te worden van voedselarmoede.

2.1   Ruim 80 miljoen EU-burgers kampen met armoede (2). 16 % van de Europese bevolking bevindt zich in een kwetsbare positie en voor ruim 43 miljoen burgers is voedselarmoede een reële bedreiging. In 2006 varieerde het aandeel van de bevolking dat het risico liep om in voedselarmoede terecht te komen van 2 % (Denemarken) tot 37 % (Slowakije). In meer dan zeven lidstaten kwam het aandeel armen boven 20 % uit. Alleen al in Polen en Duitsland dreigen respectievelijk 11 en 9 miljoen mensen onder de armoedegrens te raken. Deze cijfers zijn het bewijs dat er absoluut behoefte is aan voedselhulp.

2.2   De bevolkingsgroepen die door gebrek aan voldoende (goede) voeding het meest te maken hebben met kwalitatieve of kwantitatieve ondervoeding, zijn kinderen uit arme gezinnen, ouderen, daklozen, asielzoekers, illegale werknemers en illegale migranten, en gehandicapten (kinderen en volwassenen). In sommige lidstaten komen personen die voedselhulp ontvangen, ook in aanmerking voor een sociale uitkering op basis van het gegarandeerd minimuminkomen.

2.2.1   Een groot deel van de kansarmen, met name daklozen, asielzoekers, illegale werknemers en illegale migranten, geniet geen enkele vorm van sociale bescherming en valt buiten de nationale statistieken. Een deel van hen heeft geen identiteitsbewijs en een inventarisatie maken van hun behoeften aan sociale voorzieningen en voedselhulp is moeilijk en eigenlijk alleen haalbaar als dat samen met niet-gouvernementele organisaties of liefdadigheidsinstellingen wordt gedaan.

2.2.2   Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar kinderen uit arme gezinnen die door hun voedingspatroon op latere leeftijd te maken kunnen krijgen met gezondheidsproblemen, een verminderde hersenontwikkeling en leermoeilijkheden. Ook om die reden zou de voedselhulp moeten voorzien in een gevarieerder aanbod van levensmiddelen, waaronder ook groenten en fruit.

2.3   De aanpak van armoede is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010). De strategie voor de bevordering van maatschappelijke integratie en armoedebestrijding kent een aantal prioriteiten:

actieve integratie door middel van een minimuminkomen, herintreding in het arbeidsproces en verstrekking van sociale voorzieningen ter bevordering van de re-integratie;

bestrijding van kinderarmoede;

maatregelen tegen uitsluiting van huisvesting en tegen de uitsluiting van daklozen (3).

Voedselhulp moet daarom worden gekoppeld aan begeleiding, onderwijs en sociale hulpverlening, zodat er kan worden bijgedragen tot de professionele en maatschappelijke integratie van de verschillende categorieën kansarmen.

3.   Het voorstel van de Commissie

3.1   De huidige regeling is afhankelijk van de levering van producten uit de interventievoorraden van de Unie, waarbij ter aanvulling op tijdelijke basis ook aankopen op de markt plaatsvinden. De achtereenvolgende hervormingen van het GLB en de gunstige ontwikkelingen van de prijzen hebben er echter toe geleid dat de interventievoorraden geleidelijk zijn afgenomen en dat ook het beschikbare assortiment producten kleiner is geworden. Daarom moeten aankopen op de markt een permanente voorzieningsbron voor de regeling worden, zodat de interventievoorraden kunnen worden aangevuld voor het geval er geen geschikte interventievoorraden voorhanden zijn.

3.1.1   Het voorstel tot wijziging van de basisverordening bevat bepalingen voor aanpassing aan het VWEU en inhoudelijke wijzigingen van de landbouwmaatregelen die zijn voorgesteld met het oog op de harmonisatie van de uitvoering van de regeling voor voedselverstrekking in alle lidstaten.

3.1.2   De Commissie stelt voor om het rechtskader te wijzigen op basis van de volgende elementen: twee voorzieningsbronnen (de levensmiddelen kunnen ofwel afkomstig zijn uit de interventievoorraden, ofwel van de markt), verbreding van het assortiment verstrekte levensmiddelen en duidelijker prioriteiten, een perspectief op lange termijn (drie jaar), versterking van de voortgangscontrole en de verslaglegging, invoering van medefinanciering (voor de periode 2010-2012 zou de EU-medefinanciering 75 % bedragen, en 85 % in de voor financiering uit het Cohesiefonds in aanmerking komende lidstaten; vanaf het plan voor de periode 2013-2015 zou de medefinanciering van de EU respectievelijk 50 % en 75 % bedragen).

4.   Algemene en specifieke opmerkingen

4.1   De regeling voor voedselhulp voor kansarmen wordt in twintig lidstaten uitgevoerd. In de meeste lidstaten wordt het voedsel in samenwerking met en met ondersteuning van niet-gouvernementele organisaties verspreid.

4.2   In 2006 hebben ruim 13 miljoen burgers uit vijftien lidstaten voedselhulp in het kader van de PEAD ontvangen. In 2008 hebben negentien lidstaten deelgenomen aan een vrijwilligersproject met een begroting van 305 miljoen euro. De PEAD-begroting is in 2009 gestegen tot 500 miljoen euro voor de twintig lidstaten die aan de regeling meedoen.

4.3   Door de economische crisis, de dalende werkgelegenheid en de prijsstijgingen van bepaalde levensmiddelen bevinden zich steeds meer mensen in een kwetsbare positie. Verwacht wordt dat het aantal kansarmen nog verder zal stijgen.

4.4   Volledige of medefinanciering?

4.4.1   Volgens de Commissie zou de regeling door de invoering van medefinanciering cohesiegerichter worden, zou een deugdelijke planning kunnen worden gegarandeerd en zouden de synergieën worden versterkt. De Commissie wil graag een evenwichtige begroting en meer verantwoordelijkheid voor de lidstaten. Ze juicht het toe dat er dankzij de invoering van medefinanciering meer geld beschikbaar komt voor de regeling.

4.4.2   De Commissie houdt rekening met mogelijke particuliere donaties van liefdadigheidsinstellingen, die als een bijdrage aan de medefinanciering door de lidstaten zouden kunnen worden beschouwd. Het EESC vindt dat het vrijwilligerswerk van liefdadigheidsorganisaties kan worden gekwantificeerd en ook als een vorm van medefinanciering zou moeten worden aangemerkt.

4.4.3   Het Europees Parlement pleit ervoor dat de regeling voor voedselverstrekking volledig uit de EU-begroting wordt gefinancierd, omdat sommige lidstaten niet zouden kunnen meedoen als er medefinancieringspercentages zouden worden toegepast. Het EESC vreest dat lidstaten die wegens een gebrek aan middelen het medefinancieringsbedrag niet kunnen opbrengen, ook niet in staat zullen zijn om de doelstellingen van de regeling – stabilisering van de markt en de sociale dimensie – te verwezenlijken.

4.4.4   Het EESC denkt dat in het geval van medefinanciering de allerarmste doelgroepen uit lidstaten met een laag inkomen per hoofd van de bevolking niet zouden kunnen profiteren van de regeling voor voedselhulp.

4.4.5   Een van de doelstellingen van het Europees Jaar 2010 is „de bestrijding van uitsluiting”. Medefinanciering zou ertoe kunnen leiden dat sommige kansarme groepen juist in een Europees Jaar dat in het teken staat van maatschappelijke integratie, worden uitgesloten.

4.4.6   Medefinanciering zou kunnen leiden tot een verergering van de maatschappelijke problemen en de voedselarmoede. Sommige kansarmen zouden dan, gezien het recht op vrij verkeer van personen binnen de Unie, naar meer welvarende lidstaten kunnen trekken. In de praktijk zou dit betekenen dat de voedselproblemen van bepaalde Europese burgers uit armere gebieden worden verplaatst naar gebieden met een hoger inkomen per hoofd van de bevolking.

4.4.7   Gezien de huidige economische crisis zou de regeling voor voedselhulp aan kansarmen een regeling van de Unie moeten zijn die voor 100 % uit de GLB-begroting wordt gefinancierd.

4.5   Het EESC steunt het voorstel van de Commissie om de levensmiddelen voor de voedselhulp alleen op de Europese markt te kopen, omdat daarmee indirect ook de Europese boeren worden geholpen.

4.6   Diversifiëring van de in het kader van de voedselhulpregeling aangeboden levensmiddelen

4.6.1   Omdat veel levensmiddelen voor de voedselhulp afkomstig zijn uit interventievoorraden, is het moeilijk om een evenwichtig voedingspakket samen te stellen. Toch pleit het EESC ervoor dat een zo gevarieerd en gezond mogelijke voeding wordt verstrekt en dat daarbij rekening wordt gehouden met de voor de EU-bevolking geldende voedingsadviezen en -richtsnoeren.

4.6.2   De maatregelen voor voedselhulp dienen te worden aangevuld met sociale hulpverlening. Voedselhulp moet niet eenmalig maar geregeld worden verstrekt, zeker in gebieden waar niet-gouvernementele organisaties of overheden aanvullende diensten verlenen (in de vorm van onderdak, zorg, onderwijs, opleiding, maatschappelijke integratie enz.).

5.   De betrokkenheid en rol van het maatschappelijk middenveld, liefdadigheidsinstellingen en vrijwilligersorganisaties

5.1   Op 30 juni 2010 organiseerde de Europese Commissie een vergadering van de bij de tenuitvoerlegging van de PEAD betrokken partijen. De deelnemers bestonden uit vertegenwoordigers van achttien niet-gouvernementele organisaties uit vijftien lidstaten en vertegenwoordigers van een Europese organisatie (European Public Health Alliance), betaalorganen en interventiebureaus.

5.2   Er bestaan in Europa niet-gouvernementele organisaties (4) die voedselhulp hebben geïntegreerd in een heel pakket aan sociale maatregelen voor kansarmen. Op die manier proberen ze de maatschappelijke integratie van deze groep verder te bevorderen.

5.3   Liefdadigheidsinstellingen zijn als geen ander in staat om de effecten van de regeling te beoordelen, omdat zij direct in contact staan met de verschillende groepen kansarmen. Volgens deze instellingen pleiten sommige begunstigden van de regeling voor een meer evenwichtige voeding door middel van een breder aanbod van levensmiddelen, voor wettelijke bepalingen die de verstrekking van lokale traditionele producten mogelijk maken, en voor een verlenging van de uitvoeringstermijn van de regeling.

5.4   Het feit dat er zo veel niet-gouvernementele organisaties en vrijwilligers bij de regeling betrokken zijn, is een bewijs dat het Europees maatschappelijk middenveld zich het lot van de kansarmen in de samenleving aantrekt en zich voor hen inzet. Het EESC is van oordeel dat het subsidiariteitsbeginsel wordt nageleefd zolang de lidstaten zelf de procedures en criteria kunnen vaststellen voor de benoeming van organisaties die helpen bij de tenuitvoerlegging van de regeling. Het is ook een bevoegdheid van de lidstaten om uit te maken wie er in aanmerking komt voor voedselhulp. De regeling bevordert de samenwerking tussen liefdadigheidsinstellingen en overheden.

5.5   In sommige EU-lidstaten zouden ngo's en liefdadigheidsinstellingen nauwer betrokken kunnen zijn bij de regeling als ze voldoende financiële middelen zouden hebben om de administratiekosten te dragen. Het EESC juicht het toe dat de Commissie het wijzigingsvoorstel van het Europees Parlement inzake een vergoeding voor de administratie-, opslag- en transportkosten (voor het vervoer van levensmiddelen van de opslagplaatsen naar de distributiepunten) van de liefdadigheidsinstellingen in haar voorstel opneemt (zie art. 27, lid 7, van de gewijzigde verordening).

Brussel, 20 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  http://www.2010againstpoverty.eu/about/?langid=en.

(2)  Zie voetnoot 1.

(3)  Zie voetnoot 1.

(4)  In Polen zijn bijvoorbeeld 44 regionale vertegenwoordigingen, 100 Caritas-centra, 4 500 medewerkers en 70 000 vrijwilligers betrokken bij de tenuitvoerlegging van de PEAD. De liefdadigheidsinstelling Caritas Polen is in 2004 begonnen met de tenuitvoerlegging van de PEAD en beschikt over 44 opslagplaatsen en twintig koelhuizen. Caritas Polen zal zich naar eigen zeggen voor de toekomst vooral moeten richten op het beheer van de regeling, het transport van de levensmiddelen en de aanschaf van kapitaalgoederen.


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/53


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten

(COM(2010) 641 definitief — 2007/0206 (CNS))

2011/C 84/12

Het Europees Parlement en de Raad hebben resp. op 23 november en op 8 december 2010 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité op grond van de artikelen 113 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten

COM(2010) 641 final — 2007/0206 CNS.

Aangezien het Comité volledig instemt met het voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 19 januari 2011) met 90 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 19 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/54


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen

(codificatie)

(COM(2010) 610 definitief — 2010/0302 (COD))

2011/C 84/13

Het Europees Parlement en de Raad hebben resp. op 10 november en 8 december 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen

COM(2010) 610 final — 2010/0302 (COD).

Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 19 en 20 januari 2011 gehouden 468e zitting (vergadering van 19 januari) met 96 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 19 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


17.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 84/55


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten

(codificatie)

(COM(2010) 635 definitief — 2010/0309(COD))

2011/C 84/14

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 23 november en 13 december 2010 besloten om, op grond van artt. 43 (2) en 304 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten (Codificatie)

COM(2010)635 fin – 2010/0309 (COD).

Omdat het Comité achter de inhoud van het voorstel staat en zijn standpunt over dit onderwerp al eerder in een advies (CESE 582/2003, goedgekeurd op 14 mei 2003 (1)) onder woorden heeft gebracht, heeft het tijdens zijn 468e zitting van 19 en 20 januari 2011 (vergadering van 19 januari) met 104 stemmen vóór, bij 7 onthoudingen, besloten om een advies uit te brengen waarin, onder verwijzing naar de in voornoemd document geformuleerde opvattingen, steun wordt uitgesproken voor de ontwerpverordening.

Brussel, 19 januari 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  EESC-advies over het „Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3508/92”, PB C 208, blz. 32 van 3.9.2003.