ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.CE2011.081.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 81E

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

54e jaargang
15 maart 2011


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement
ZITTING 2010-2011
Vergaderingen van 5 en 6 mei 2010
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 188 E van 13.7.2010
De aangenomen teksten van 5 mei 2010 betreffende de kwijtingen voor het begrotingsjaar 2008 zijn bekendgemaakt in PB L 252 van 25.9.2010.
AANGENOMEN TEKSTEN

 

Woensdag, 5 mei 2010

2011/C 081E/01

De gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665) – omnibus

1

2011/C 081E/02

Bevoegdheidsdelegatie
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over bevoegdheidsdelegatie (2010/2021(INI))

6

2011/C 081E/03

Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 (2009/2095(INI))

10

2011/C 081E/04

Europeana – volgende stappen
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over Europeana– de volgende stappen (2009/2158(INI))

16

2011/C 081E/05

Evaluatie en beoordeling van het actieplan dierenwelzijn 2006-2010
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de evaluatie en beoordeling van het actieplan inzake het welzijn van dieren 2006-2010 (2009/2202(INI))

25

2011/C 081E/06

De EU-landbouw en klimaatverandering
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de EU-landbouw en klimaatverandering (2009/2157(INI))

33

2011/C 081E/07

Landbouw in gebieden met specifieke natuurlijke handicaps – een speciale doorlichting
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over landbouw in gebieden met specifieke natuurlijke handicaps – een speciale doorlichting (2009/2156(INI))

40

2011/C 081E/08

Een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu (2009/2225(INI))

45

2011/C 081E/09

De strategie van de EU voor de betrekkingen met Latijns-Amerika
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de strategie van de EU voor de betrekkingen met Latijns-Amerika (2009/2213(INI))

54

2011/C 081E/10

Top EU-Canada
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de komende top EU-Canada op 5 mei 2010

64

2011/C 081E/11

SWIFT
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de aanbeveling van de Commissie aan de Raad toestemming voor de start van onderhandelingen te geven voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake het beschikbaar stellen van financiële berichten aan het ministerie van Financiën van de Verenigde Staten voor de preventie en bestrijding van terrorisme en van de financiering ervan

66

2011/C 081E/12

Persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens)
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de opening van onderhandelingen over overeenkomsten inzake persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) met de Verenigde Staten, Australië en Canada

70

2011/C 081E/13

Verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over een algeheel verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de Europese Unie

74

2011/C 081E/14

Strijd tegen borstkanker in de Europese Unie
Verklaring van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de strijd tegen borstkanker in de Europese Unie

77

 

Donderdag, 6 mei 2010

2011/C 081E/15

Herziening van de Verdragen – Overgangsbepalingen in verband met de samenstelling van het Europees Parlement *
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over het ontwerpprotocol tot wijziging van protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen in verband met de samenstelling van het Europees Parlement tot het einde van de zittingsperiode 2009-2014: advies van het Europees Parlement (artikel 48, lid 3, van het EU-Verdrag) (17196/2009 – C7-0001/2010 – 2009/0813(NLE))

78

2011/C 081E/16

Situatie in Kirgizië
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de situatie in Kirgizië

80

2011/C 081E/17

Elektrische voertuigen
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over elektrische voertuigen

84

2011/C 081E/18

Groepsvrijstellingsverordening voor motorvoertuigen
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de groepsvrijstellingsverordening voor motorvoertuigen

89

2011/C 081E/19

Mededeling van de Commissie over kankerbestrijding: een Europees partnerschap
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de mededeling van de Commissie over kankerbestrijding: een Europees partnerschap (2009/2103(INI))

95

2011/C 081E/20

De inzet van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) voor het vergemakkelijken van de overgang naar een energie-efficiënte, koolstofarme economie
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de inzet van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) voor het vergemakkelijken van de overgang naar een energie-efficiënte, koolstofarme economie (2009/2228(INI))

107

2011/C 081E/21

Witboek van de Commissie: Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over het Witboek van de Commissie Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader (2009/2152(INI))

115

2011/C 081E/22

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen – Strijd tegen fraude – Jaarverslag 2008
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en de strijd tegen fraude – Jaarverslag 2008 (2009/2167(INI))

128

2011/C 081E/23

Europese Investeringsbank (EIB) – Jaarverslag 2008
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over het jaarverslag 2008 van de Europese Investeringsbank (2009/2166(INI))

135

2011/C 081E/24

Massale gruweldaden in Jos, Nigeria
Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de massale gruweldaden in Jos, Nigeria

143

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Woensdag, 5 mei 2010

2011/C 081E/25

Verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Miloslav Ransdorf
Besluit van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Miloslav Ransdorf (2009/2208(IMM))

146

 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Parlement

 

Woensdag, 5 mei 2010

2011/C 081E/26

Administratieve samenwerking en fraudebestrijding op het gebied van de BTW (herschikking) *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (herschikking) (COM(2009)0427 – C7-0165/2009 – 2009/0118(CNS))

148

2011/C 081E/27

Gemeenschappelijke btw-stelsel wat de factureringsregels betreft *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat de factureringsregels betreft (COM(2009)0021 – C6-0078/2009 – 2009/0009(CNS))

156

2011/C 081E/28

Vervoerbare drukapparatuur ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vervoerbare drukapparatuur (COM(2009)0482 – C7-0161/2009 – 2009/0131(COD))

162

P7_TC1-COD(2009)0131Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 mei 2010 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2010/…/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende vervoerbare drukapparatuur en houdende intrekking van Richtlijnen 76/767/EEG, 84/525/EEG, 84/526/EEG, 84/527/EEG en 1999/36/EG van de Raad

163

BIJLAGE

163

2011/C 081E/29

Heffingen voor de beveiliging van de luchtvaart ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake heffingen voor de beveiliging van de luchtvaart (COM(2009)0217 – C7–0038/2009 – 2009/0063(COD))

164

P7_TC1-COD(2009)0063Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 mei 2010 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2010/…/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake heffingen voor de beveiliging van de luchtvaart

165

2011/C 081E/30

Communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (herschikking) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (herschikking) (COM(2009)0391 – C7-0111/2009 – 2009/0110(COD))

172

P7_TC1-COD(2009)0110Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 mei 2010 met het oog op de vaststelling van Besluit nr. …/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende uniale richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (herschikking)

173

2011/C 081E/31

Algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds wat betreft de vereenvoudiging van bepaalde voorschriften en wat betreft sommige bepalingen in verband met het financieel beheer ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1083/2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds wat betreft de vereenvoudiging van bepaalde voorschriften en wat betreft sommige bepalingen in verband met het financiële beheer (COM(2009)0384 – C7-0003/2010 – 2009/0107(COD))

173

P7_TC1-COD(2009)0107Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 mei 2010 met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds wat betreft de vereenvoudiging van bepaalde voorschriften en wat betreft sommige bepalingen in verband met het financiële beheer

174

 

Donderdag, 6 mei 2010

2011/C 081E/32

Besluit om geen Conventie tot wijziging van de Verdragen bijeen te roepen voor wat betreft de overgangsmaatregelen in verband met de samenstelling van het Europees Parlement ***
Besluit van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over het voorstel van de Europese Raad om geen Conventie tot wijziging van de Verdragen bijeen te roepen voor wat betreft de overgangsmaatregelen voor de samenstelling van het Europees Parlement (17196/2009 – C7-0002/2010 –2009/0814(NLE))

175

Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

**I

Samenwerkingsprocedure, eerste lezing

**II

Samenwerkingsprocedure, tweede lezing

***

Instemmingsprocedure

***I

Medebeslissingsprocedure, eerste lezing

***II

Medebeslissingsprocedure, tweede lezing

***III

Medebeslissingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de door de Commissie voorgestelde rechtsgrondslag)

Politieke amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

Technische correcties en aanpassingen door de diensten: nieuwe of vervangende tekst staat in cursief, schrappingen zijn met het symbool ║ aangegeven.

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement ZITTING 2010-2011 Vergaderingen van 5 en 6 mei 2010 De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 188 E van 13.7.2010 De aangenomen teksten van 5 mei 2010 betreffende de kwijtingen voor het begrotingsjaar 2008 zijn bekendgemaakt in PB L 252 van 25.9.2010. AANGENOMEN TEKSTEN

Woensdag, 5 mei 2010

15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/1


Woensdag, 5 mei 2010
De gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures

P7_TA(2010)0126

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures (COM(2009)0665) – „omnibus”

2011/C 81 E/01

Het Europees Parlement,

gezien de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009,

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures” (COM(2009)0665) en het hierbij horende addendum (COM(2010)0147),

gezien het schrijven van de Raad van ministers van 23 maart 2010 betreffende hernieuwde raadpleging,

gezien de verklaring van de Voorzitter in de plenaire vergadering van 15 december 2009,

gelet op de artikelen 58 en 59 van zijn Reglement,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 mei 2009 over de nieuwe rol en verantwoordelijkheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon (1), met name paragraaf 75,

gezien het onderzoek door de parlementaire commissies van alle voorstellen die in behandeling zijn en de resultaten daarvan, die zijn gebundeld door de Conferentie van commissievoorzitters op 8 februari 2010,

gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 4 maart 2010, waarin de resultaten van het onderzoek bevestigd worden,

gezien de brieven van de Voorzitter van 14 april 2010 aan de voorzitter van de Raad van ministers en aan de Voorzitter van de Europese Commissie, in reactie op de mededeling van de Commissie (COM(2009)0665).

A.

overwegende dat het Europees Parlement de mededeling van de Commissie heeft getoetst op haar volledigheid en haar juistheid, met name voor wat betreft de door de Commissie in haar lijsten aangegeven rechtsgrondslag en procedure in het kader van het Verdrag van Lissabon,

1.

is van mening dat het Verdrag van Lissabon een nieuw rechtskader creëert, dat gevolgen heeft voor lopende dossiers, met name wegens de wijzigingen die zijn aangebracht aan hun rechtsgrondslag en/of de relevante procedures en neemt derhalve kennis van de volgende lijst van 10 procedures waarvoor het om een nieuw of een gewijzigd Commissievoorstel verzoekt of, in voorkomend geval, een hernieuwde raadpleging van de Raad van ministers teneinde naar behoren rekening te houden met dit nieuwe kader en roept beide instellingen op om op deze verzoeken in te gaan:

voorstel voor een verordening van de Raad tot toepassing in de Gemeenschap van Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, 1983/1101(CNS),

voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot verbetering van de overdraagbaarheid van aanvullende pensioenrechten, 2005/0214(COD),

voorstel voor een aanbeveling van de Raad over maatregelen ter bestrijding van neurodegeneratieve ziekten, met name de ziekte van Alzheimer, via de gezamenlijke programmering van onderzoeksactiviteiten, 2009/0113(CNS),

voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de instelling van een evaluatiemechanisme om de toepassing van het Schengenacquis te controleren, 2009/0033(CNS),

voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Somalië, 2009/0114(CNS),

voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1104/2008 van de Raad over de migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), 2009/0136(CNS),

voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden via technische maatregelen, 2008/0112(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van de Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Republiek Belarus, anderzijds, 1996/0053(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van de Internationale Overeenkomst inzake tropisch hout, 2006, 2006/0263(CNS),

voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2100/94 wat betreft de ambtstermijn van de voorzitter van het Communautair Bureau voor plantenrassen, 2005/0078(CNS);

2.

bevestigt zijn standpunt in de volgende 29 procedures die uit hoofde van het Verdrag van Lissabon veranderden van raadpleging in de gewone wetgevingsprocedure, van raadpleging in goedkeuring of van instemming in goedkeuring:

voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Republiek Costa Rica, de Republiek El Salvador, de Republiek Guatemala, de Republiek Honduras, de Republiek Nicaragua en de Republiek Panama anderzijds, 2003/0266(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Bolivia, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Bolivariaanse Republiek Venezuela, anderzijds, 2003/0268(CNS),

voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en Verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale GMO”-verordening) ten aanzien van de voedselverstrekking aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap, 2008/0183(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma MEDIA 2007 en een slotakte, 2007/0171(CNS),

voorstel voor een verordening van de Raad tot uitbreiding van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. […] tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen, 2007/0152(CNS),

voorstel voor een beschikking van de Raad waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de Europese Gemeenschap het verdrag inzake arbeid in de visserij van de Internationale Arbeidsorganisatie van 2007 te bekrachtigen (Verdrag nr. 188), 2008/0107(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het facultatieve protocol bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, 2008/0171(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van akkoorden in het kader van artikel XXI van de GATS met Argentinië, Australië, Brazilië, Canada, China, het afzonderlijk douanegebied van Taiwan, Penghu, Kinmen en Matsu (Chinees Taipei), Colombia, Cuba, Ecuador, Hongkong (China), India, Japan, Korea, Nieuw-Zeeland, Filipijnen, Zwitserland en de Verenigde Staten over de compenserende aanpassingen die noodzakelijk zijn als gevolg van de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie, 2007/0055(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de Kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie, 2005/0121(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van de Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en Turkmenistan, anderzijds, 1998/0304(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een aanvullend protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, 2007/0083(AVC),

voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Cariforum-staten, anderzijds, 2008/0061(AVC),

voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Ivoorkust, anderzijds, 2008/0136(AVC),

voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de Overeenkomst betreffende de deelname van de Republiek Bulgarije en Roemenië aan de Europese Economische Ruimte en vier daarmee verband houdende overeenkomsten, 2007/0115(AVC),

voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie wat betreft de ambtstermijn van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur, 2005/0089(CNS),

voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (gecodificeerde versie), 2008/0039(CNS),

voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer (gecodificeerde versie), 2008/0037(CNS),

voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (gecodificeerde versie), 2008/0253(CNS),

voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het Gemeenschapsoctrooi, 2000/0177(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten, 2005/0143(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Bosnië-Herzegovina inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten, 2005/0140(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Servië en Montenegro inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten, 2005/0141(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de Multilaterale Overeenkomst tussen de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Europese Gemeenschap, de Republiek IJsland, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, Servië en Montenegro, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo (UNMIK) betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Europese Luchtvaartruimte (ECAA), 2006/0036(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen betreffende de sluiting van de Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, 2006/0048(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie in het kader van de Raad bijeen inzake de ondertekening en voorlopige toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Verenigde Staten van Amerika anderzijds, 2006/0058(CNS),

voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende het sluiten van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika betreffende samenwerking op het gebied van de regulering van de burgerluchtvaartveiligheid, 2007/0111(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een memorandum voor samenwerking tussen de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en de Europese Gemeenschap inzake veiligheidscontroles/-inspecties en aanverwante aangelegenheden, 2008/0111(CNS),

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol inzake de tenuitvoerlegging van de Alpenovereenkomst van 1991 op het gebied van het vervoer (Vervoerprotocol), 2008/0262(CNS),

voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van de overeenkomst tot toetreding van de Europese Gemeenschap tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd door het protocol van Vilnius van 3 juni 1999, 2009/0121(CNS);

3.

besluit zijn standpunten die al zijn geformuleerd in de volgende vier procedures, niet te bevestigen en onderstreept dat het wenst over te gaan tot een nieuwe eerste lezing van het oorspronkelijke voorstel:

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het sluiten van het statuut van het Internationale Agentschap voor hernieuwbare energie door de Europese Gemeenschap en het uitoefenen van de daaruit voortvloeiende rechten en plichten, 2009/0085(CNS),

voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten, 2007/0112(CNS),

voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, 2007/0229(CNS),

voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende een netwerk voor waarschuwing en informatie inzake kritieke infrastructuur (CIWIN), 2008/0200(CNS);

4.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad van ministers, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.


(1)  Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0373.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/6


Woensdag, 5 mei 2010
Bevoegdheidsdelegatie

P7_TA(2010)0127

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over bevoegdheidsdelegatie (2010/2021(INI))

2011/C 81 E/02

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 september 2008 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de aanpassing van rechtshandelingen aan het nieuwe comitologiebesluit (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 mei 2009 over de nieuwe rol en bevoegdheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon (2),

onder verwijzing naar zijn standpunt van 24 november 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft – Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing – Deel vijf (3),

gezien de mededeling van de Commissie van 9 december 2009 over de tenuitvoerlegging van artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (COM(2009)0673),

gezien de brief van 29 januari 2010 van zijn Voorzitter aan de voorzitter van de Europese Commissie over de artikelen 290 en 291 van het VWEU,

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0110/2010),

A.

overwegende dat door het Verdrag van Lissabon de wetgevende macht gesanctioneerd is en dat er tevens een hiërarchie van normen is ingevoerd, waardoor het democratisch karakter van de Unie verstevigd is en de Europese rechtsorde gerationaliseerd is; overwegende dat door het Verdrag van Lissabon het nieuwe begrip „wetgevingshandeling” is geïntroduceerd, hetgeen verstrekkende gevolgen zal hebben,

B.

overwegende dat een van de elementen van de wetgevende macht gelegen is in de door artikel 290 VWEU geschapen mogelijkheid voor de wetgever om in een wetgevingshandeling (hierna „basishandeling”) een deel van zijn eigen bevoegdheden aan de Commissie over te dragen,

C.

overwegende dat bevoegdheidsdelegatie een delicate zaak is, omdat de Commissie daarmee opdracht krijgt een bevoegdheid uit te oefenen die inherent is aan de rol van de wetgever; overwegende dat het uitgangspunt voor een analyse van het thema „delegatie” te allen tijde de vrijheid van de wetgever moet zijn,

D.

overwegende dat gedelegeerde bevoegdheid slechts betrekking kan hebben op aanvulling of wijziging van onderdelen van een wetgevingshandeling die de wetgever als niet-essentieel beschouwt; overwegende dat de daaruit voortvloeiende door de Commissie vastgestelde gedelegeerde handelingen niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking zijn; overwegende dat in de basishandeling uitdrukkelijk de doelstellingen, de inhoud, de strekking en de duur van de bevoegdheidsdelegatie moeten worden afgebakend en dat daarin tevens de voorwaarden waaraan de delegatie onderworpen is moeten worden vastgesteld,

E.

overwegende dat gedelegeerde handelingen op veel gebieden verstrekkende gevolgen zullen hebben; overwegende dat het daarom, met name met betrekking tot gedelegeerde handelingen, van uitermate groot belang is dat deze op volkomen transparante wijze worden ontwikkeld en vastgesteld, waardoor de medewetgevers daadwerkelijk op democratische wijze kunnen controleren hoe de Commissie de aan haar gedelegeerde bevoegdheden uitoefent, zo nodig met inbegrip van een openbaar debat in het Parlement,

F.

overwegende dat het Parlement op gelijke voet met de Raad moet staan voor alle aspecten betreffende bevoegdheidsdelegatie,

G.

overwegende dat de procedure-Lamfalussy de weg heeft vrijgemaakt voor het huidige delegeringsmechanisme onder volledige controle van de wetgever; overwegende dat uit verklaring nr. 39 van de Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van 23 juli 2007, gehecht aan het Verdrag van Lissabon, blijkt dat het gebied van de financiële diensten een specifiek karakter draagt; overwegende dat de nieuwe regeling voor gedelegeerde handelingen in geen geval de huidige rechten van het Parlement op dat gebied kan uithollen, met name wat betreft de vroegtijdige beschikbaarstelling van documenten en informatie,

H.

overwegende dat bevoegdheidsdelegatie beschouwd kan worden als een instrument voor beter wetgeven, waarmee wordt beoogd te bereiken dat de wetgeving eenvoudig kan blijven en tevens aangevuld en aangepast kan worden zonder keer op keer de wetgevingsprocedure te moeten doorlopen, terwijl de wetgever de eindverantwoordelijkheid en -bevoegdheid behoudt,

I.

overwegende dat artikel 290 VWEU, in tegenstelling tot artikel 291 VWEU betreffende de uitvoeringsmaatregelen, geen rechtsgrond bevat voor de vaststelling van een horizontale handeling tot vaststelling van de regels en algemene beginselen voor bevoegdheidsdelegaties; overwegende dat die voorwaarden dus in elke basishandeling moeten worden vastgelegd,

J.

overwegende dat de Commissie aan het Parlement verantwoording moet afleggen; overwegende dat de commissaris voor interinstitutionele betrekkingen en administratie tijdens de hoorzitting voor de Commissie constitutionele zaken op 18 januari 2010 heeft toegezegd zeer nauw met het Parlement te zullen samenwerken om ervoor te zorgen dat de uitvoering van de gedelegeerde bevoegdheden door de Commissie naar tevredenheid van het Parlement zal verlopen,

Aspecten die in de basishandeling moeten worden vastgelegd

1.

wijst erop dat de doelstellingen, inhoud, strekking en duur van een bevoegdheidsdelegatie overeenkomstig artikel 290 VWEU uitdrukkelijk en uiterst nauwkeurig in elke basishandeling moeten worden vastgelegd;

2.

beklemtoont dat artikel 290 VWEU de wetgever de vrijheid laat om het (de) in te stellen controlemechanisme(n) te kiezen; is van oordeel dat de twee in lid 2 van artikel 290 genoemde voorbeelden, bezwaar en intrekking, puur illustratief zijn en dat het voorstelbaar is dat een bevoegdheidsdelegatie aan een ander controlemiddel wordt onderworpen, zoals uitdrukkelijke goedkeuring van elke gedelegeerde handeling door Parlement en Raad, of de mogelijkheid van intrekking van afzonderlijke reeds in werking getreden gedelegeerde handelingen;

3.

stelt echter dat de twee in lid 2 van artikel 290 VWEU genoemde voorbeelden van mogelijke voorwaarden, bezwaar en intrekking, beschouwd kunnen worden als de gebruikelijkste methoden om het gebruik van gedelegeerde bevoegdheden door de Commissie te controleren en dat beide in elke basishandeling moeten worden opgenomen;

4.

is van mening dat de door de wetgever ingevoerde controlemechanismen aan bepaalde algemene beginselen van het Unie-recht moeten voldoen en dat ze met name:

eenvoudig en begrijpelijk moeten zijn,

de rechtszekerheid moeten waarborgen,

de Commissie in staat moeten stellen de gedelegeerde bevoegdheid doeltreffend uit te oefenen,

de wetgever in staat moeten stellen het gebruik van de gedelegeerde bevoegdheid goed te controleren;

5.

is van oordeel dat de uitoefening van het recht van bezwaar van het Parlement uiteraard bepaald wordt door zijn parlementaire rol en plaatsen van werkzaamheden; is van mening dat een voor alle rechtshandelingen geldende vaste periode voor het aantekenen van bezwaar niet gegarandeerd is en dat die periode per geval in elke basishandeling moet worden vastgelegd, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de onderwerpen, en dat die periode lang genoeg moet zijn om afdoende controle op de bevoegdheidsdelegatie mogelijk te maken, zonder de inwerkingtreding van niet omstreden gedelegeerde handelingen onnodig te vertragen;

6.

is van mening dat een urgentieprocedure vastgelegd in de basishandeling, voor zeer uitzonderlijke gevallen, zoals veiligheids-of gezondheidskwesties, of humanitaire crises, moet worden ingevoerd;

7.

stelt echter dat voor de overgrote meerderheid van de gevallen waarin een spoedige vaststelling van een gedelegeerde handeling geboden is, een flexibele procedure kan worden gevolgd waarmee op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie vroegtijdig een verklaring van geen bezwaar wordt afgegeven door het Parlement en de Raad;

8.

stelt dat een bevoegdheidsdelegatie van onbepaalde duur kan zijn, maar dat de delegatie op elk moment kan worden ingetrokken; is van mening dat bij een bevoegdheidsdelegatie van beperkte duur wel kan worden voorzien in de mogelijkheid van periodieke verlenging op uitdrukkelijk verzoek van de Commissie; is van oordeel dat de bevoegdheidsdelegatie alleen verlengd kan worden als het Parlement of de Raad binnen een bepaalde termijn geen bezwaar aantekent;

9.

staat sterk afwijzend tegenover opneming in de basishandeling van aanvullende verplichtingen voor de wetgever naast de reeds in artikel 290 VWEU genoemde verplichtingen;

Praktische zaken

10.

is van oordeel dat bepaalde praktische zaken beter kunnen worden gecoördineerd in een gezamenlijke overeenkomst tussen de instellingen, die de vorm van een interinstitutioneel akkoord kan aannemen en onder meer de volgende punten bestrijkt:

overleg bij de voorbereiding en formulering van gedelegeerde handelingen,

wederzijdse uitwisseling van informatie, met name in geval van intrekking,

afspraken over de toezending van documenten,

minimumperioden voor bezwaaraantekening door Parlement en Raad,

berekening van termijnen,

bekendmaking van de handelingen in het Publicatieblad in de verschillende procedurestadia;

11.

beklemtoont dat de Commissie bij de voorbereiding en formulering van gedelegeerde handelingen:

vroegtijdig en continu informatie en ter zake dienende documenten aan de betrokken commissies van het Parlement beschikbaar moet stellen, met inbegrip van opeenvolgende ontwerpen van gedelegeerde handelingen en alle ontvangen bijdragen; hiervoor kan eventueel het huidige comitologieregister worden gebruikt als model voor een verbeterd digitaal informatiesysteem,

het Parlement toegang moet verlenen tot desbetreffende voorbereidende vergaderingen, gedachtewisselingen en overlegbijeenkomsten;

12.

stelt dat informatie-uitwisseling voorafgaand aan een intrekking een kwestie van transparantie, hoffelijkheid en loyale samenwerking tussen de betrokken instellingen moet zijn, waarbij wordt gewaarborgd dat alle instellingen tijdig volledig op de hoogte zijn van de mogelijkheid van intrekking; acht het echter overbodig en verwarrend als er in basishandelingen een specifieke juridische verplichting tot motivering voor de vaststelling van bepaalde rechtshandelingen zou worden ingevoerd, naast de algemene vereiste van artikel 296 VWEU, die voor alle rechtshandelingen geldt;

13.

stelt voor dat de toekomstige overeenkomst in elk geval een minimumperiode voor bezwaaraantekening moet bevatten, met dien verstande dat die niet moet worden opgevat als een dwangbuis maar louter als een minimum waaronder de democratische controle van het Parlement inhoudsloos zou worden; is derhalve van oordeel dat de minimumperiode voor bezwaaraantekening twee maanden moet zijn, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens twee maanden op initiatief van het Parlement of de Raad; benadrukt echter dat de periode voor bezwaaraantekening wordt vastgesteld naar gelang van de aard van de gedelegeerde handeling;

14.

benadrukt in verband met een toekomstige akkoord dat de diverse perioden voor toetsing van gedelegeerde handelingen pas mogen beginnen te lopen als de Commissie alle taalversies heeft toegezonden en dat er daarbij terdege rekening moet worden gehouden met de parlementaire reces- en verkiezingsperioden;

15.

beklemtoont in verband met een toekomstige akkoord dat gedelegeerde handelingen waarvoor een bezwaarbeding geldt, pas in het Publicatieblad bekendgemaakt kunnen worden en dus in werking kunnen treden nadat de bezwaarperiode verstreken is, tenzij vroegtijdig een verklaring van geen bezwaar is afgegeven; acht het niet nodig dat in elke basishandeling de uitdrukkelijke verplichting voor Parlement en Raad wordt opgenomen om hun besluiten, genomen in het kader van het toezicht op de uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden door de Commissie, te publiceren;

Slotopmerkingen

16.

verzoekt elke parlementaire commissie goede praktijken uit te wisselen en deze regelmatig aan te passen en een mechanisme in te stellen om tot een zo consistent mogelijke handelwijze van het Parlement in het kader van artikel 290 VWEU te komen; benadrukt dat elke parlementaire commissie haar werk moet organiseren op een wijze die in overeenstemming is met haar specifieke aard en gebruik maakt van haar opgebouwde expertise;

17.

verzoekt de administratie van het Parlement via herschikking (begrotingsneutraal) de noodzakelijke posten te creëren om te zorgen voor een adequate ondersteuning bij de taken overeenkomstig artikel 290 VWEU; dringt aan op een institutionele aanpak om de administratieve structuren en personele middelen te beoordelen die beschikbaar zijn voor de ontwikkeling van gedelegeerde bevoegdheden;

18.

verzoekt de Commissie met voorrang de wetgevingsvoorstellen in te dienen die nodig zijn om het acquis aan de bepalingen van de artikelen 290 en 291 VWEU aan te passen; is, wat artikel 290 VWEU betreft, van oordeel dat deze aanpassing niet beperkt mag blijven tot de maatregelen die tot dusver onder de regelgevingsprocedure met toetsing vielen, maar zich moet uitstrekken tot alle maatregelen van algemene strekking, ongeacht de besluitvormingsprocedure of comitéprocedure die ervoor gold voordat het Verdrag van Lissabon in werking trad;

19.

dringt erop aan dat met de hoogste prioriteit het acquis wordt aangepast op beleidsterreinen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet onder de medebeslissingsprocedure vielen; vraagt hierbij een herziening per geval om te waarborgen dat met name alle passende maatregelen van algemene strekking die tot nu toe werden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (4), worden gedefinieerd als gedelegeerde handelingen;

20.

is van mening dat, om de rechten van de wetgever volledig te waarborgen, hetzij tijdens de bovengenoemde aanpassing hetzij bij de behandeling van andere voorstellen volgens de gewone wetgevingsprocedure, speciale aandacht moet worden besteed aan het relatieve gebruik van de artikelen 290 en 291 VWEU en aan de praktische gevolgen van de gebruikmaking van het ene of het andere artikel; dringt erop aan dat de medewetgevers moeten kunnen besluiten dat zaken die voorheen werden aangenomen overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing, voortaan hetzij overeenkomstig artikel 290 VWEU hetzij overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden aangenomen;

*

* *

21.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 22.

(2)  Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0373.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0083.

(4)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/10


Woensdag, 5 mei 2010
Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018

P7_TA(2010)0128

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 (2009/2095(INI))

2011/C 81 E/03

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 21 januari 2009 over strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 (COM(2009)0008) („mededeling over het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018”),

gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2007 over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie (COM(2007)0575),

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0114/2010),

A.

overwegende dat Europese rederijen een belangrijke bijdrage leveren aan de Europese economie, maar wel in een mondiale omgeving moeten concurreren,

B.

overwegende dat structurele en geïntegreerde maatregelen van belang zijn om de vitale maritieme sector in Europa te behouden en verder te ontwikkelen en de concurrentiekracht van de zeevaart en aanverwante sectoren zouden moeten versterken door integratie van eisen inzake duurzame ontwikkeling en eerlijke concurrentie,

C.

overwegende dat het absoluut noodzakelijk is jongeren warm te maken voor een loopbaan in de scheepvaart en hen in deze sector vast te houden, en dat het opleidingsniveau in de maritieme beroepen door middel van de op handen zijnde herziening van het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (het STCW-verdrag) verbeterd moet worden,

D.

overwegende dat de klimaatverandering op alle Europese beleidsvlakken de grootste uitdaging van de eenentwintigste eeuw vormt,

E.

overwegende dat transport over zee een relatief milieuvriendelijke vervoerswijze is, die echter nog veel schoner kan worden dan nu al het geval is, en dat het zeevervoer door een geleidelijke vermindering van de ecologische voetafdruk van schepen en haveninfrastructuur een rol moet spelen in de strijd tegen de klimaatverandering,

F.

overwegende dat veiligheid van het grootste belang is voor havens, reders en maritiem personeel aan boord en aan land, en overwegende dat bij veiligheidsmaatregelen rekening moet worden gehouden met het kust- en zeemilieu alsook met de arbeidsomstandigheden in havens en aan boord van schepen,

G.

overwegende dat er onophoudelijk criminele overvallen plaatsvinden op Europese vissers-, handels- en passagiersschepen in de Golf van Aden, voor de Somalische kust en in internationale wateren,

H.

overwegende dat de Europese maritieme industrie op wereldvlak een leidende plaats inneemt, dat deze leidende positie op lange termijn moet worden veiliggesteld en dat dit alleen mogelijk is door middel van innovatie,

I.

overwegende dat beslissingen op het juiste bestuurlijke niveau genomen moeten worden, waar mogelijk op mondiaal vlak en waar nodig op Europees vlak,

Algemeen

1.

verwelkomt de mededeling van de Commissie over het EU-zeevervoersbeleid tot 2018;

2.

benadrukt het belang van de maritieme vervoerssector voor de Europese economie, niet alleen als vervoerder van passagiers, grondstoffen, goederen en energieproducten, maar ook als kern van een breder cluster van maritieme activiteiten zoals de scheepsnijverheid, logistiek, onderzoek, toerisme, visserij, aquacultuur en onderwijs;

3.

benadrukt dat het maritiem EU-vervoersbeleid er rekening moet mee houden dat de maritieme transportsector niet alleen te maken krijgt met intracommunautaire maar ook en vooral met mondiale concurrentie; benadrukt eveneens het belang van de groei van het vervoer over water als onderdeel van de totale vervoersactiviteiten, zowel binnen als buiten de EU;

4.

hoopt dat het maritieme beleid van de EU voortaan wordt ontwikkeld in de context van een „gemeenschappelijke Europese zee” en verzoekt de Commissie bijgevolg een Europees zeevaartbeleid te ontwikkelen in het kader van een gemeenschappelijke maritieme ruimte;

Markt

5.

vraagt de Commissie met aandrang om de strijd tegen het misbruik van goedkope vlaggen voort te zetten;

6.

roept de EU-lidstaten er daarom toe op om het gebruik van hun vlag te stimuleren en steun te verlenen aan hun maritieme clusters aan land, bijvoorbeeld door het verlenen van fiscale faciliteiten zoals een tonnagebelastingsysteem voor schepen en fiscale voordelen voor zeevarenden en reders;

7.

is van mening dat de maritieme sector, net als elke andere economische sector, in beginsel onderworpen moet zijn aan de wetgeving inzake staatssteun, hoewel staatssteun bij uitzondering kan worden toegelaten voor specifieke gevallen, op voorwaarde dat de steun tijdelijk en op transparante en navolgbare wijze verstrekt wordt;

8.

is van mening dat de richtsnoeren voor staatssteun in de scheepvaart, waarvan de geldigheidstermijn in 2011 verstrijkt, moeten worden gehandhaafd en verlengd omdat zij een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het behoud van de mondiale concurrentiekracht van de Europese scheepvaart, aan haar vermogen om de vaak oneerlijke concurrentie van derde landen succesvol het hoofd te bieden en aan het behoud van haar leidende positie op wereldvlak, en de economie van de lidstaten op die manier hebben ondersteund;

9.

roept de Commissie ertoe op om in 2010 de aangekondigde nieuwe regels inzake staatssteun voor maritiem transport voor te stellen, en meent voorts dat de Commissie ook de richtsnoeren betreffende staatssteun voor zeehavens zo snel mogelijk moet indienen;

10.

onderstreept in dit verband dat staatssteun uitsluitend mag worden gebruikt voor Europese maritieme bedrijfstakken die zich verbinden tot sociale normen, het bevorderen van de tewerkstelling en de scholing van personeel in Europa, en voor het veiligstellen van het internationale concurrentievermogen van de Europese scheepvaart;

11.

roept de lidstaten op tot een snelle ondertekening, ratificatie en implementatie van het VN-Verdrag inzake overeenkomsten voor het internationale vervoer van goederen geheel of gedeeltelijk over zee, ook bekend als de „Rotterdam-regels”, die het nieuwe maritieme aansprakelijkheidsregime vaststellen;

12.

roept de Commissie ertoe op om bij de op handen zijnde herziening van de communautaire richtsnoeren voor de opbouw van een trans-Europees vervoersnetwerk meer aandacht te besteden aan het vervoer over zee en de bijbehorende constructies aan land, in het bijzonder de multimodale verbindingen van de Europese zeehavens met het binnenland;

13.

verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten van de Gemeenschap (COM(2009)0011), met als doel bestaande administratieve procedures voor de Europese korte vaart te vereenvoudigen, te verminderen en te schrappen; roept de Commissie ertoe op de korte vaart ook in de toekomst te blijven steunen om de productiviteit van het zeetransport binnen de Unie aanzienlijk te verhogen;

Sociaal

14.

is ingenomen met de initiatieven van de lidstaten en de Commissie om maritieme beroepen aantrekkelijker te maken voor jonge EU-burgers; benadrukt de noodzaak om zeevarenden op alle niveaus toegang te bieden tot levenslang leren en continue opleidingen, zowel aan boord als aan land, met als doel de professionele kwalificaties en vaardigheden van het personeel te verhogen; pleit ook voor meer voorlichting over de sector op scholen en voor de beschikbaarstelling van meer stageplaatsen;

15.

verzoekt de lidstaten om in het kader van de internationale verdragen, zoals het STCW-verdrag en het IAO-verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006, de reeds bestaande opleidingsprogramma's te verbeteren en moderniseren om de kwalitatieve ontwikkeling van zeevaartscholen te bevorderen;

16.

benadrukt dat zeevarenden uit derde landen in overeenstemming met het STCW-verdrag aan goede opleidingseisen moeten voldoen en roept rederijen en nationale inspecties ertoe op dit te garanderen en te controleren, waar nodig met de hulp van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA); herhaalt zijn verzoek dat de lidstaten het IAO-verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 snel ratificeren en dat het op afspraken met de sector gebaseerde voorstel van de Commissie snel wordt goedgekeurd, zodat de kernelementen van dit verdrag kunnen worden omgezet in communautaire wetgeving;

17.

doet een beroep op de lidstaten om het gebruik van EU-zeevaarders in hun eigen vloten aan te moedigen en voldoende voorzieningen in het leven te roepen om de emigratie van zeevaarders uit de Unie te voorkomen;

18.

is ingenomen met de suggestie van de Commissie aan de lidstaten om de samenwerking tussen Europese maritieme instellingen te bevorderen en moedigt de lidstaten ertoe aan hun respectieve curricula en opleidingstelsels te harmoniseren met als doel hoge kwalificatieniveaus en geavanceerde vaardigheden onder EU-zeevaarders te bevorderen en tot ontwikkeling te brengen;

19.

onderstreept dat de sociale situatie en de arbeidsomstandigheden van EU-zeevaarders nauw verbonden zijn met het concurrentievermogen van de Europese vloot, en dat het noodzakelijk is de arbeidsmobiliteit in de maritieme industrie overal in Europa te bevorderen en een optimale werking van de interne markt zonder belemmeringen en ongerechtvaardigde beperkingen voor de verlening van diensten te garanderen;

20.

moedigt de uitwisseling aan van goede praktijken inzake arbeidsomstandigheden en sociale standaarden, en spoort aan tot de verbetering van de levensomstandigheden aan boord van schepen, met name door de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologie, betere toegang tot medische zorg, betere veiligheidsnormen en opleidingen ter bestrijding van de risico's die eigen zijn aan maritieme beroepen;

21.

benadrukt dat controles concreet en risicogebaseerd moeten zijn en geen overbodige regeldruk voor de sector mogen genereren;

22.

hoopt dat zal worden onderzocht in hoeverre technologische ontwikkelingen de afnemende beschikbaarheid van maritiem personeel kunnen compenseren, maar waarschuwt voor het overhaast invoeren van onbeproefde technologie;

23.

roept de autoriteiten van zeehavens ertoe op om de voorzieningen voor zeevaarders op schepen die op de rede voor anker liggen, te verbeteren, met inbegrip van voorzieningen voor eenvoudiger vervoer van het schip naar de wal en omgekeerd;

Milieu

24.

erkent dat er nog grote vooruitgang moet worden gerealiseerd voor wat betreft de vermindering van de uitstoot van zwavel- en stikstofoxiden, fijn stof (PM10) en CO2, en dat dit moet gebeuren binnen het kader van de klimaatdoelstellingen van de EU; benadrukt dat de sector een rol kan spelen in de strijd tegen schadelijke emissies en tegen de klimaatverandering en dat publieke en private investeringen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling in dit verband van bijzonder belang zullen zijn;

25.

benadrukt dat er snel afspraken moeten worden bereikt betreffende de vermindering van de uitstoot en dat deze afspraken verplicht moeten worden uitgevoerd binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) teneinde concurrentieverschillen te beperken, maar dat dit de Unie niet mag beletten initiatieven te nemen om de emissies van de vloten van de EU-lidstaten nog meer te verminderen en op deze wijze andere continenten aan te zetten tot competitiviteit op dit vlak; vestigt in dit verband de aandacht op de grote verschillen tussen de lange en korte vaart, waarmee bij onderhandelingen binnen de IMO rekening moet worden gehouden;

26.

roept de lidstaten ertoe op meer gebruik te maken – indien mogelijk samen met omringende landen – van de mogelijkheid om maritieme emissiebeheersgebieden aan te duiden, met name voor stikstofoxiden; benadrukt dat het aanwijzen van meer maritieme emissiebeheersgebieden niet tot een vervalsing van de mededinging binnen Europa mag leiden;

27.

steunt de maatregelen die gericht zijn op een modale verschuiving richting zeetransport met als doel de belangrijkste verkeersroutes te ontlasten; verzoekt de Europese Unie en de lidstaten platformen voor havenlogistiek op te richten, die onmisbaar zijn voor de uitbreiding van de uitwisseling tussen de verschillende vormen van transport en voor het versterken van de territoriale cohesie; dringt erop aan dat de internationale regelgeving en de EU-voorschriften de inspanningen van nationale instanties op dit vlak niet mogen hinderen; hoopt op een snelle en uitgebreide realisatie, in het kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, van zeesnelwegen, waarmee zowel de vervuiling als de congestie in het transport over land verminderd kunnen worden;

28.

steunt in principe de in oktober 2008 door de IMO aangenomen wijzigingen van bijlage VI van de MARPOL-overeenkomst voor de vermindering van de zwavel- en stikstofoxidenuitstoot van schepen; is evenwel bezorgd over de mogelijke verplaatsing van het vervoer van de korte vaart terug naar de weg als gevolg van de voor 2015 geplande zwavellimiet van 0,1 % in de zwavelemissiebeheersgebieden in de Noord- en Oostzee; roept de Commissie daarom op om zo snel mogelijk en uiterlijk tegen eind 2010 een effectbeoordeling hieromtrent in te dienen bij het Europees Parlement;

29.

is van mening dat alle vervoerswijzen, inclusief transport over zee, hun externe kosten in steeds grotere mate moeten internaliseren; is van mening dat de invoering van dit principe financiële middelen zal genereren die vervolgens hoofdzakelijk kunnen worden ingezet voor innovatie-inspanningen;

30.

roept de Commissie en de lidstaten er eveneens toe op aan alternatieve instrumenten te werken, zoals de invoering van een heffing op bunkerbrandstof, bij voorkeur afhankelijk van de kwaliteit en milieuprestatie van de brandstof, of het concept van „groene havens”, waarbij schone schepen sneller afgehandeld worden en/of minder havengeld betalen;

31.

roept de lidstaten ertoe op om binnen de IMO te werken aan het instellen en implementeren van gepaste en wereldwijd toepasbare milieunormen;

32.

wijst in dit kader op de doorbraak in de techniek van binnenvaartschepen waarmee de emissies door bestaande scheepsmotoren aanzienlijk kunnen worden verminderd; vraagt de Commissie te onderzoeken of deze technieken ook gebruikt kunnen worden bij zeeschepen en hoe de invoering ervan zou kunnen worden versneld;

33.

betreurt het feit dat op de klimaattop in Kopenhagen geen conclusies zijn bereikt betreffende emissiereductie op zeeschepen, maar benadrukt dat zowel in het kader van het post-Kyoto-proces als binnen de IMO intensief verder gezocht moet worden naar mondiale maatregelen om zulke reducties te verwezenlijken; vraagt de lidstaten al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat de IMO een mandaat krijgt voor de volgende internationale klimaatonderhandelingen, met meetbare reductiedoelstellingen voor maritiem transport;

34.

roept de Europese Unie ertoe op om hierbij op internationaal vlak, en met name binnen de IMO, het initiatief te nemen, met als doel de uitstoot van de maritieme sector te verminderen;

35.

benadrukt het belang van interoperabele technische voorzieningen in de Europese havens voor de aanvoer van elektriciteit vanaf het vasteland naar schepen, waarmee de milieubelasting aanzienlijk kan worden gereduceerd; roept de Commissie ertoe op te onderzoeken in welke zeehavens dergelijke voorzieningen doeltreffend kunnen worden gebruikt;

36.

beklemtoont dat de Commissie, in het kader van haar onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid, prioriteit moet geven aan innovatie op het vlak van hernieuwbare energiebronnen, zoals zon- en windenergie, die op schepen kunnen worden gebruikt;

37.

vraagt dat de Commissie onderzoekt welke mogelijkheden er zijn om verontreiniging door middel van intelligente technologieën in de transportsector, zoals met name Galileo, te verminderen en in de hand te houden;

38.

benadrukt de noodzaak van het bevorderen van papiervrije haven- en douanehandelingen, en van het vereenvoudigen van de samenwerking in havens tussen verschillende dienstverleners en klanten, met behulp van verschillende intelligente transportsystemen en -netwerken zoals SafeSeaNet en e-Custom, teneinde de havenwerkzaamheden te versnellen en vervuiling te verminderen;

Veiligheid

39.

is ingenomen met de goedkeuring van het derde wetgevingspakket voor maritieme veiligheid en roept de lidstaten op dit pakket snel te implementeren;

40.

pleit voor een strenge controle op de bouw, inclusief op de kwaliteit van het gebruikte staal, en op het ontwerp en onderhoud van schepen, zoals onder andere voorzien in de gewijzigde wetgeving voor classificatiebureaus;

41.

ondersteunt de koerswijziging in het memorandum van overeenstemming van Parijs betreffende havencontroles door de overheid, waarbij het reguliere toezicht wordt vervangen door op risico gebaseerde controles, opdat juist de schepen die meerdere gebreken hebben, effectief worden aangepakt;

42.

roept de lidstaten en reders ertoe op zich in te spannen om op de „witte lijst” van het memorandum van overeenstemming van Parijs geplaatst te worden; maant met name Slowakije aan tot een extra inspanning in deze richting;

43.

vraagt de nationale inspecties en andere nationale instanties nauwer met elkaar samen te werken bij het uitwisselen van scheeps- en ladinggegevens, zodat de regeldruk afneemt maar de effectiviteit van de controles toeneemt; vraagt om de snelle invoering van een geïntegreerd systeem voor informatiebeheer via het gebruik en de verbetering van reeds beschikbare instrumenten, in het bijzonder SafeSeaNet; verzoekt de Commissie om snel een grens- en sectoroverschrijdend controlesysteem te ontplooien over het hele EU-grondgebied;

44.

is zich bewust van het gevaar van piraterij op de wereldzeeën, met name in het gebied rond de Hoorn van Afrika en de wateren voor de kust van Somalië, en roept alle reders op tot medewerking aan overheidsinitiatieven die hen tegen piraterij kunnen beschermen, zoals de geslaagde eerste marineoperatie van de EU, Atalanta; vraagt dat de Commissie en de lidstaten hun onderlinge samenwerking en de samenwerking met de Verenigde Naties intensiveren met als doel zeevarenden, vissers en reizigers, en meer algemeen de vloten, te beschermen;

45.

merkt op dat de wereldwijde aanpak van de strijd tegen piraterij zich niet mag beperken tot een internationale marine maar deel moet uitmaken van een veelomvattende strategie ter bevordering van de vrede en de ontwikkeling in de betrokken gebieden; onderkent eveneens dat het noodzakelijk is dat schepen de door maritieme organisaties vastgestelde zelfbeschermingsmaatregelen op correcte en volledige wijze uitvoeren, met behulp van de door de IMO aangenomen goede beheerspraktijken;

Diversen

46.

benadrukt dat de zeevaart een mondiale sector is en dat afspraken bij voorkeur op wereldschaal gemaakt moeten worden; stelt dat de IMO hiervoor het meest geëigende forum vormt; roept de lidstaten op tot grotere inspanningen om IMO-verdragen die zij ondertekend hebben, snel te ratificeren en te implementeren;

47.

erkent daarnaast ten volle de rol van de Unie bij de omzetting van internationale regels in EU-wetgeving en bij de uitvoering en ondersteuning van het maritieme beleid, bijvoorbeeld door de EMSA;

48.

benadrukt de noodzaak van een snellere modernisering en uitbreiding van de haveninfrastructuren in het vooruitzicht van de verwachte toename van het volume aan over zee vervoerde goederen; wijst erop dat hiervoor omvangrijke investeringen nodig zullen zijn, die zullen moeten voldoen aan de regels inzake transparante en eerlijke financiering om een eerlijke concurrentie tussen de Europese havens te kunnen garanderen; vraagt de Commissie om een coherent regelgevend kader op dit vlak;

49.

roept de Commissie ertoe op haar mededeling over het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 en deze resolutie als uitgangspunt te nemen voor de aanstaande herziening van het witboek over het Europese vervoersbeleid;

50.

vraagt om een beleid dat de verbinding promoot van de havens met het binnenland (inlandterminals en logistieke platformen) in gebieden met fileproblemen, en vraagt dat dit beleid wordt opgenomen in de herziening van de TEN-T;

51.

onderstreept het economische en strategische belang van de scheepsbouw, die namelijk toelaat nieuwe technologieën voor schepen te ontwikkelen en toe te passen en essentiële Europese vaardigheden die nodig zijn voor het bouwen van nieuwe generaties schepen te behouden; vraagt om maatregelen ter ondersteuning van innovatie, onderzoek en ontwikkeling en opleidingen, met het oog op de ontwikkeling van een competitieve en innovatieve Europese scheepsbouwindustrie;

52.

vraagt dat het bij de modernisering en uitbreiding van havens verplicht wordt de passagiersterminals en de nieuwe passagiersschepen te voorzien van faciliteiten voor personen met beperkte mobiliteit;

53.

verheugt zich over het initiatief voor een campagne over de beste praktijken van passagiersvervoerbedrijven en cruiserederijen inzake passagiersrechten;

54.

vraagt dat de Commissie bij de huidige herziening van de TEN-T rekening houdt met de aanbevelingen voor het maritiem vervoersbeleid van de EU tot 2018, met name de aanbevelingen betreffende een efficiënte integratie van de zeesnelwegen en het binnenwaterenvervoer en betreffende het netwerk van havens van Europees belang als knooppunten voor integratie;

55.

vraagt de Commissie een vergelijkbare strategie voor de Europese binnenvaart uit te werken en deze af te stemmen op de onderhavige strategie, om zo de ontwikkeling van een optimale vervoersketen tussen zeevervoer en binnenvaart te bevorderen;

56.

roept de Commissie op tot het onverwijld indienen van de aangekondigde routekaart met essentiële details als aanvulling op haar mededeling;

*

* *

57.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/16


Woensdag, 5 mei 2010
Europeana – volgende stappen

P7_TA(2010)0129

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over „Europeana”– de volgende stappen (2009/2158(INI))

2011/C 81 E/04

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 28 augustus 2009 met de titel: „Europeana – volgende stappen” (COM(2009)0440),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2009 met de titel: „Auteursrecht in de kenniseconomie” (COM(2009)0532),

gezien de conclusies van de Raad van 20 november 2008 betreffende de Europese digitale bibliotheek EUROPEANA (1),

gezien de Mededeling van de Commissie van 11 augustus 2008 met de titel: „Het Europese culturele erfgoed met muisklik: vooruitgang bij de digitalisering en on line toegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring in de EU” (COM(2008)0513),

gezien het eindverslag van 4 juni 2008 van de groep van deskundigen op hoog niveau – subgroep auteursrecht – voor digitale bibliotheken over digitale bewaring, verweesde en uitverkochte werken,

gezien het eindverslag van mei 2008 van de groep van deskundigen op hoog niveau voor digitale bibliotheken – subgroep publiek-private partnerschappen – over publiek-private partnerschappen voor digitalisering en on line beschikbaarheid van het Europese culturele erfgoed,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 september 2007 over i2010: naar een Europese digitale bibliotheek (2),

gezien aanbeveling 2006/585/EG van de Commissie van 24 augustus 2006 betreffende de digitalisering en on line toegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring (3),

gelet op Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (4),

gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met name artikel 167 daarvan,

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie juridische zaken (A7-0028/2010),

A.

overwegende dat het in een digitaal milieu van levensbelang is de algemene toegang tot het Europees cultureel erfgoed in en buiten Europa te waarborgen en te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat het wordt bevorderd en voor toekomstige generaties bewaard blijft,

B.

overwegende dat een Europees beleid op het gebied van cultuur met betrekking tot de digitalisering van tot het Europees erfgoed behorend materiaal van wezenlijke betekenis is en aantoont dat de instanties van de Europese Unie en haar lidstaten nauw betrokken zijn bij behoud, eerbiediging en bevordering van de culturele verscheidenheid,

C.

overwegende dat de rijkdom en verscheidenheid van het gezamenlijke Europese culturele erfgoed zo algemeen mogelijk moeten worden bevorderd en, toegankelijk dienen te zijn, ook buiten Europa en dat de lidstaten en culturele instellingen, met name bibliotheken, in het kader van dit initiatief op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau een sleutelrol moeten vervullen,

D.

overwegende dat het Europese culturele erfgoed voornamelijk bestaat uit werken in het openbaar domein, en dat deze voor zover mogelijk in kwalitatief hoogwaardige formaten digitaal moeten worden aangeboden,

E.

overwegende dat toegang tot culturele en educatieve informatie een prioriteit moet zijn teneinde het onderwijsniveau en de levensstandaard te verbeteren,

F.

overwegende dat er gezamenlijke normen moeten worden vastgesteld voor de digitalisering van het Europees cultureel erfgoed en dat grote aantallen gedigitaliseerde werken die momenteel in het bezit zijn van diverse bibliotheken niet algemeen toegankelijk zijn gemaakt ten gevolge van afwijkende digitale formaten,

G.

overwegende dat de bibliotheken dankzij hun personeel de instellingen zijn die het proces van digitalisering van werken het best kunnen superviseren en beheren,

H.

overwegende dat de Europese digitale bibliotheek meer dient te zijn dan een digitale verzameling met instrumenten om de gegevens te beheren, maar dat veeleer de ontwikkeling moet worden meegenomen van een volledig scala van technische mogelijkheden en middelen voor schepping, onderzoek en gebruik van gegevens,

I.

overwegende dat rekening moet worden gehouden met de snelle ontwikkeling van nieuwe technieken met de daaruit voortvloeiende veranderingen van culturele gebruiken, en van de buiten Europa bestaande digitaliseringsprojecten,

J.

overwegende dat de lidstaten dientengevolge dringend meer initiatieven moeten nemen, hun krachten moeten bundelen en ervoor moeten zorgen dat zij beschikken over de middelen om hun bijdrage aan Europeana in stand te houden en aan te moedigen om Europa op wereldniveau zichtbaarder te maken,

K.

overwegende dat tot dusverre slechts een gering deel van het Europese culturele erfgoed is gedigitaliseerd, dat de lidstaten verschillende snelheden aanhouden, en dat de aan grootschalige digitalisering toegewezen overheidskredieten ontoereikend zijn; overwegende dat de lidstaten harder moeten proberen de digitalisering van openbare en particuliere werken te versnellen,

L.

overwegende dat digitalisering van het Europese culturele erfgoed en wetenschappelijk materiaal met name ten goede zal komen aan sectoren zoals onderwijs, wetenschap, onderzoek, toerisme, ondernemerschap, innovatie en de media,

M.

overwegende dat digitale technieken eveneens een opmerkelijk instrument vormen waardoor personen wier toegang tot cultuur belemmerd wordt, met name gehandicapten, toegang krijgen tot het Europees cultureel erfgoed,

N.

overwegende dat de wetgeving inzake het auteursrecht per lidstaat van de EU aanzienlijke verschillen vertoont en dat de auteursrechtelijke status van tal van werken nog steeds onduidelijk is,

O.

overwegende dat er dringend maatregelen nodig zijn om het probleem van een „digitaal zwart gat” op te lossen waarin 20ste en 21ste-eeuwse werken van grote culturele waarde wegkwijnen, overwegende dat bij alle oplossingen naar behoren rekening moet worden gehouden met de belangen van alle betrokken partijen,

P.

overwegende dat beschermde of openbaar gemaakte werken waarvoor, ondanks dat er gedocumenteerd en serieus gezocht is, niet één of meer houder(s) van auteurs- of naburige rechten kan (kunnen) worden geïdentificeerd of gevonden, moeten worden beschouwd als verweesde werken,

Q.

overwegende dat er behoefte is aan meer voorlichting over de vooruitgang die wordt geboekt bij de werkzaamheden van de Stichting Europese digitale bibliotheek,

R.

overwegende dat er behoefte is aan grotere openbaarheid van de werkzaamheden van de Europese Unie,

Europeana – een belangrijke stap op weg naar behoud en verspreiding van het Europese culturele erfgoed

1.

spreekt zijn waardering uit voor de opening en ontwikkeling van Europeana, de Europese digitale bibliotheek, het Europese digitale museum en het Europese digitale archief voor hoogwaardige inhoud, daar dit een unieke, rechtstreekse en veeltalige toegangspoort is tot het Europese culturele erfgoed;

2.

stelt vast dat de taak van de digitale bibliotheek Europeana moet bestaan uit het beschermen van het Europees cultureel erfgoed zodat toekomstige generaties een gezamenlijk Europees geheugen kunnen samenstellen en zodat meer broze documenten kunnen worden beschermd tegen schade door voortdurend gebruik;

3.

wijst erop dat de digitale bibliotheek Europeana, doordat hij op afstand algemeen beschikbaar is, een instrument vormt voor de democratisering van cultuur, waardoor een zeer brede doorsnee van de bevolking toegang krijgt tot zeldzame of oude documenten uit het Europese erfgoed die, doordat zij behouden moeten blijven, moeilijk te raadplegen zijn;

4.

wijst met nadruk op de betekenis van ontwikkeling van Europeana tot een volledig operationele dienst met meertalige aansluitpunten en semantische webkenmerken waardoor de hoge kwaliteit van overal ter wereld toegankelijke werken en gegevens bewaard blijft,

Doelen

5.

dringt erop aan dat Europeana uiterlijk in 2015 beschikt over een bestand van ten minste 15 miljoen gedigitaliseerde voorwerpen;

6.

betreurt dat de lidstaten in ongelijke mate bijdragen tot de inhoud van Europeana en moedigt hen en andere culturele instellingen aan nauw samen te werken bij het digitaliseren van werken en te blijven werken aan de opstelling van digitaliseringsprogramma's op ieder mogelijk niveau, waardoor dubbel werk wordt voorkomen en waardoor de snelheid van digitalisering van culturele inhoud wordt opgevoerd om de gestelde doelen (10 miljoen documenten in 2010) te halen;

7.

wijst erop dat moet worden nagedacht over manieren om de culturele instellingen te stimuleren om met de rechthebbers overeenkomsten te sluiten om, zodra de digitaliseringsplannen zijn uitgewerkt, de werken toegankelijk te maken op multiterritoriale basis en de ontwikkeling te bevorderen van een concurrerende omgeving met de deelname van de on line boekverkopers, om op die manier de verspreiding van het culturele erfgoed op het gehele Europese grondgebied te bevorderen;

8.

stelt vast dat Frankrijk tot dusverre 47 % van het totaalaantal gedigitaliseerde voorwerpen ter beschikking heeft gesteld, en dat de lidstaten derhalve aanzienlijk actiever moeten worden aangemoedigd bijdragen uit hun eigen nationale bibliotheken en culturele instellingen ter beschikking te stellen, zodat alle Europeanen toegang hebben tot hun eigen cultureel erfgoed;

9.

moedigt de Commissie aan te helpen manieren en middelen te vinden om de aandacht van de lidstaten te vestigen op het feit dat de gebruikers van Europeana belangrijke werken zoeken die beschikbaar zijn in hun nationale collecties, maar niet via Europeana;

Voordelen

10.

wijst op de mogelijke economische voordelen van digitalisering, daar gedigitaliseerde cultuurgoederen ingrijpende economische gevolgen hebben, met name voor bedrijfstakken die verband houden met cultuur, en de kenniseconomie onderbouwen, waarbij steeds dient te worden bedacht dat cultuurgoederen geen alledaagse economische goederen zijn en dienen te worden beschermd tegen buitensporige commercialisering;

11.

wijst erop dat Europeana een van de belangrijkste referentiepunten moet worden voor onderwijs- en onderzoeksdoelen; is van mening dat jonge Europeanen, indien Europeana op samenhangende wijze is opgenomen in de onderwijsstelsels, hierdoor nader kunnen worden gebracht tot hun culturele, literaire en wetenschappelijke erfgoed en inhoud; een zone van convergentie zou worden en een bijdrage zou leveren tot cultuuroverschrijdende samenhang in de EU;

Algemene toegankelijkheid

12.

wijst erop dat gebruikersvriendelijkheid, met name duidelijkheid en het gemak waarmee inhoud kan worden gevonden, de hoofdnormen moeten zijn voor de opzet van de portaalsite;

13.

onderstreept, gezien de voordelen van de toegang tot Europeana voor alle EU-burgers, dat onverwijld moet worden gezorgd voor de beschikbaarheid ervan in alle officiële talen;

14.

wijst erop dat de portaalsite rekening moet houden met de behoeften van gehandicapten, die volledige toegang dienen te krijgen tot de collectieve kennis van Europa; moedigt uitgevers dan ook aan meer werken beschikbaar te maken in formaten die voor gehandicapten toegankelijk zijn; beveelt de Commissie aan te voorzien in speciale digitale versies ten behoeve van gehandicapten, zoals audioteksten, voor een zo groot mogelijk deel van de digitale inhoud;

15.

benadrukt het feit dat gelijke toegang tot het gemeenschappelijke Europese culturele erfgoed belangrijk is en vraagt de lidstaten daarom de belemmeringen binnen de EU van de toegang tot sommige delen van de Europeana-inhoud te verwijderen;

16.

benadrukt dat de toegang tot Europeana en het bekijken van documenten, zonder downloading, voor particulieren en overheidsinstellingen gratis moeten zijn; benadrukt verder dat Europeana voor downloads en prints van elk materiaal waarop auteursrechten berusten een vergoeding moet kunnen vragen, en dat die vergoeding maatschappelijk aanvaardbaar moet zijn;

17.

verzoekt de Commissie en de lidstaten alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat er een kenniskloof ontstaat tussen Europa en niet tot de Eu behorende landen en ervoor te zorgen dat Europeanen volledige toegang hebben tot hun eigen culturele erfgoed in al zijn verscheidenheid en om de toegang daartoe voor de hele wereld te vergemakkelijken;

18.

verzoekt de Commissie de werkzaamheden die zijn aangevangen door de deskundigengroep op hoog niveau voort te zetten daar hierdoor wordt bijgedragen tot een gezamenlijke kijk op Europese digitale bibliotheken, en spreekt zijn steun uit voor praktische oplossingen voor belangrijke problemen die de on line beschikbaarheid van cultuurgoederen ongunstig beïnvloeden; moedigt het opzetten aan van een afzonderlijke on line ruimte waar gebruikers van Europeana inhoud kunnen creëren;

19.

wijst erop dat Europeana on line en off line alle maatregelen moet nemen die noodzakelijk zijn om reclame voor zichzelf te maken bij de Europese burgers, met name indien deze betrokken zijn bij culturele activiteiten in de particuliere, openbare en onderwijssector;

Meer en betere inhoud voor Europeana

20.

moedigt de aanbieders van inhoud aan de verscheidenheid van de soorten inhoud voor Europeana op te voeren, met name de audio- en video-inhoud, in dit verband bijzondere aandacht te schenken aan de uitdrukkingsvormen die deel zijn van mondelinge culturen en aan de werken die gemakkelijk aan kwaliteit inboeten en tegelijkertijd de auteursrechten, met name de rechten van auteurs en uitvoerenden, te eerbiedigen; wijst in dit verband op het belang van eerbiediging van de morele rechten ter bescherming van de onschendbaarheid van het werk en ter voorkoming van mogelijke veranderingen (censuur, wijzigingen enz.);

21.

is van mening dat vrije en kunstzinnige uiting fundamentele Europese waarden zijn; is van mening dat culturele instellingen of verbanden niet moeten worden onderworpen aan kritisch onderzoek of censuur met betrekking tot de Europese culturele, literaire of wetenschappelijke inhoud die zij aan Europeana leveren;

Tot het publieke domein behorende inhoud en toegang

22.

is ervan overtuigd dat in de analoge wereld tot het publieke domein behorende inhoud in een digitaal milieu zelfs na de wisseling van model in het publieke domein moet blijven;

23.

wijst er nogmaals op dat het voornaamste doel van het Europese digitaliseringsbeleid bescherming van het Europese culturele erfgoed dient te zijn, en dat er in dit verband waarborgen moeten worden gegeven om ervoor te zorgen dat digitaliseringswerkzaamheden een niet-exclusieve status hebben, zodat deze werkzaamheden niet tot gevolg hebben dat er „nieuwe rechten” ontstaan die zijn afgeleid van het digitaliseringsproces, bij voorbeeld de verplichting om te betalen voor hergebruik van werken uit het publieke domein;

24.

wijst er nogmaals op dat Europeana moet kunnen profiteren van overeenkomsten die in het kader van samenwerkingsverbanden tussen overheid en particulieren zijn gesloten en dat aan bedoelde bibliotheken dus een fysiek exemplaar beschikbaar moet worden gesteld van de reeds gedigitaliseerde bestanden;

25.

stelt dat fysieke bestanden van werken uit het publieke domein die door publiek-private samenwerkingsverbanden zijn gedigitaliseerd eigendom dienen te blijven van de overheidsinstelling die aan de samenwerking deelneemt, en dat er alvorens toegang wordt verleend tot de Europeana-portaalsite, indien culturele instellingen die onder verantwoordelijkheid van de staat vallen, doordat zulks onmogelijk is, gedwongen zijn in het kader van een publiek-privaat samenwerkingsverband voor de digitalisering van werken uit hun nationale erfgoed overeenkomsten te sluiten waarin exclusiviteitsbepalingen zijn opgenomen, voor moet worden gezorgd dat de gedigitaliseerde bestanden, als deze bepalingen vervallen, daadwerkelijk hun eigendom worden;

26.

wijst erop dat de digitale bibliotheek niet moet afwijken van zijn oorspronkelijke doel, namelijk ervoor zorgen dat kennisverspreiding via het Internet niet wordt overgelaten aan particuliere commerciële bedrijven, opdat de digitalisering van werken er niet op uitdraait dat het openbare erfgoed van Europa in een wurggreep wordt gehouden met het gevolg dat het openbaar domein wordt geprivatiseerd;

27.

beveelt de Commissie aan de aanbieders van digitale inhoud te vragen websites waarnaar door Europeana wordt verwezen te certificeren;

28.

verzoekt de Europese culturele instellingen die de digitalisering van de inhoud van werken uit hun publieke domein aanpakken, deze via Europeana toegankelijk te maken en de beschikbaarheid niet te beperken tot het grondgebied van hun land;

Problemen in verband met auteursrechten, o.m. verweesde werken

29.

wijst erop dat er oplossingen moeten worden gevonden zodat Europeana via een aanpak per sector eveneens werken aanbiedt waarvoor auteursrechten gelden, met name uitverkochte en verweesde werken, en tegelijkertijd de wetgeving inzake het auteursrecht naleeft en de gewettigde belangen van houders van rechten beschermt; is van mening dat de voorkeur zou kunnen uitgaan naar oplossingen zoals uitbreiding van het stelsel van collectieve vergunningen of andere methoden van collectief beheer;

30.

spreekt er zijn waardering voor uit dat de Commissie het debat over de EU-wetgeving inzake auteursrecht op gang heeft gebracht, waarin wordt getracht een evenwicht te vinden tussen de rechten van de houders van rechten en van de consumenten in een mondiaal verbonden wereld, tegen de achtergrond van de snel veranderende on line werkelijkheid van nieuwe technieken en maatschappelijke en culturele gebruiken;

31.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van de verdere ontwikkeling van de bescherming van het auteursrecht in Europa, wettelijke bepalingen aan te nemen die zo uniform en alomvattend mogelijk zijn, en die zodanig zijn opgezet dat digitaliseringsprocessen op zich niet uitmonden in auteursrecht sui generis; is van mening dat in het kader van deze discussies eveneens moet worden bezien of er wettelijke uitzonderingsregelingen moeten worden ingevoerd voor de digitalisering van verweesde werken door openbare instellingen;

32.

onderstreept het belang van de verweesde werken – d.w.z. werken waarop auteursrecht rust, maar waarvan de rechthebbers ondanks grondig zoekwerk niet achterhaald kunnen worden – en de noodzaak om per sector het aantal en de soort werken die als verweesd kunnen worden beschouwd, nauwkeurig vast te stellen, zodat passende maatregelen kunnen worden genomen;

33.

verzoekt de Commissie met betrekking tot haar mededeling van 19 oktober 2009 over auteursrecht in de kenniseconomie, een wetgevingsvoorstel in te dienen betreffende de digitalisering, instandhouding en verspreiding van verweesde werken, opdat een eind kan worden gemaakt aan de huidige rechtsonzekerheid, met inachtneming van de eisen inzake het grondig zoeken naar en de vergoeding van rechthebbers van verweesde werken;

34.

spreekt zijn steun uit voor het voornemen van de Commissie om in nauwe samenwerking met alle betrokken belanghebbenden, een eenvoudig en economisch verrekeningsstelsel op te zetten voor de digitalisering van uitgegeven werken en de beschikbaarheid daarvan op Internet;

35.

spreekt dan ook zijn waardering en steun uit voor initiatieven zoals het ARROW-project (5), waarin houders van rechten en vertegenwoordigers van bibliotheken samenwerken, met name daar deze trachten houders van rechten en hun rechten te identificeren, en de status van de rechten van werken op te helderen, ook indien deze verweesd of uitverkocht zijn;

36.

verzoekt de Europese Commissie een Europese databank van verweesde werken – gedefinieerd als beschermde werken waarvan de houders van de rechten onbekend of onvindbaar zijn, hoewel aantoonbaar serieus naar hen wordt gezocht – te ontwikkelen, die het mogelijk maakt informatie over de rechthebbers uit te wisselen en aldus de kosten van grondig zoekwerk te beperken;

37.

is voorstander van een evenwichtige, Europa-dekkende oplossing voor het digitaliseren en verspreiden van verweesde werken, door deze in eerste instantie helder te omschrijven, gezamenlijke normen te bepalen (o.m. de ijver waarmee is gezocht naar eigenaars) en oplossing van het probleem van eventuele schending van de auteursrechten wanneer verweesde werken worden gebruikt;

38.

onderstreept dat een oplossing moet worden gevonden voor de documenten die tot de persoonlijke levenssfeer behoren (brieven, aantekeningen, foto's, films) en deel uitmaken van de collecties van culturele instellingen, maar nog nooit zijn gepubliceerd of algemeen beschikbaar gesteld, en die problemen opwerpen in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of met de morele rechten;

Technologie

39.

wijst erop dat technieken moeten worden ontwikkeld ter waarborging van langdurige en duurzame digitale bewaring, interoperabiliteit van systemen voor de toegang tot inhoud, meertalige navigatie en beschikbaarheid van inhoud en een reeks verenigende normen; spreekt er zijn waardering voor uit dat bij de opbouw van de Europeana-verzameling nog steeds open bronprogrammatuur wordt gebruikt;

40.

beveelt de Commissie aan dat de door de nationale instellingen of de privépartners verschafte back-ups van gedigitaliseerd materiaal worden bewaard op aan die instellingen of partners toebehorende hardware;

41.

beveelt aan dat de Commissie en de partnerinstellingen in de privésector IT-oplossingen zoeken – zoals read only en copy protect formaten – voor het op de Europeana-website beschikbare materiaal dat beschermd wordt door het copyright, en dat de presentatiebladzijde een link bevat naar de website van de inhoudaanbieder waar het document kan worden gedownload op door de aanbieder bepaalde voorwaarden;

42.

beveelt de Commissie aan te dringen op een elektronisch standaardformaat voor de gedigitaliseerde werken, teneinde te garanderen dat de gedigitaliseerde documenten compatibel zijn met de on line interface en het gegevensbestand;

43.

is van mening dat er een onderzoek van Web 2.0-instrumenten moet worden ontwikkeld om na te gaan hoe burgers (op lange termijn) inhoud aan Europeana kunnen toevoegen zonder tussenkomst van culturele instellingen;

Financierings- en beheersaspecten

44.

wijst erop dat het opzetten van een duurzaam financierings- en beheersmodel van doorslaggevende betekenis is voor het bestaan van Europeana op lange termijn en dat de rol van de onmiddellijk belanghebbenden bij de bepaling van een dergelijk beheersmodel van doorslaggevende betekenis is;

Sponsoring en publiek-private samenwerkingsverbanden

45.

wijst erop dat met het oog op de hoge kosten van digitalisering en de tijdsdruk nieuwe financieringsmethoden moeten worden ontwikkeld, bij voorbeeld publiek-private samenwerkingsverbanden, mits deze de auteursrechtelijke en mededingingsvoorschriften naleven en de toegang tot werken bevorderen via culturele instellingen, door te waarborgen dat gedigitaliseerde bestanden zonder tijdsbeperking gratis beschikbaar zijn voor bibliotheken;

46.

onderstreept het belang van een op Europees niveau gecoördineerde aanpak met betrekking tot de kwestie van de voorwaarden die gelden voor publiek-private partnerschappen, alsook de noodzaak om de partnerschapsakkoorden met de particuliere actoren inzake digitaliseringsplannen aan een grondig onderzoek te onderwerpen, in het bijzonder wat de looptijd van de exclusiviteitsclausules, de indexering en de verwijzing door de zoekmachine van de elektronische bestanden die door de bibliotheken zelf worden geëxploiteerd, de continuïteit van de dienstverlening, het niet-vertrouwelijke karakter van deze akkoorden en de kwaliteit van de digitalisering betreft;

47.

wijst erop dat de digitalisering van werken in nationale bibliotheken de vrucht is van financiële investeringen van belastingbetalers via belastingbetaling; wijst er dan ook op dat in de overeenkomsten voor publiek-private samenwerking bepaald dient te zijn dat het exemplaar van het werk dat door de particuliere helft van de samenwerking namens de bibliotheek is gedigitaliseerd, mag worden opgenomen in alle zoekmachines, zodat het op de website van de bibliotheek kan worden geraadpleegd en niet alleen op de website van de private onderneming met wie wordt samengewerkt;

48.

wijst er nogmaals op dat er, doordat er particuliere partners betrokken zijn bij het digitaliseringsproces, geen particuliere monopolies mogen ontstaan waardoor culturele verscheidenheid en pluralisme in gevaar zouden komen, en dat naleving van de mededingingsvoorschriften voorwaarde is voor betrokkenheid van particuliere ondernemingen;

49.

wijst erop dat sponsoring voor Europeana een aantrekkelijke optie is daar hierdoor een mogelijkheid wordt geboden om niet alleen digitaliseringswerkzaamheden te financieren, maar eveneens het beheer van de betaling van auteursrechten voor werken die zijn uitverkocht, verweesd en waarvoor auteursrechten moeten worden betaald, alsook voor het on line plaatsen daarvan;

EU en financiële steun door de overheid

50.

wijst erop dat een aanzienlijk deel van de financiering afkomstig moet zijn van overheidsbijdragen van bij voorbeeld EU, lidstaten en culturele organisaties en stelt voor in het kader van de Strategie van Lissabon rekening te houden met het digitaliseringsproces van Europeana, en een afzonderlijke begrotingslijn op te nemen in het volgende meerjarig financieel kader, maar spreekt de aanbeveling uit dat het project blijft zoeken naar inkomensstromen om zich op langere termijn zelf te kunnen financieren;

51.

wijst erop dat uitsluitend via een afzonderlijke begrotingslijn de voorwaarden kunnen worden geschapen om ervoor te zorgen dat de beschikbare kredieten op doorzichtige wijze, kostenefficiënt en overeenkomstig de gestelde doelen worden besteed;

52.

stelt vast dat er tot dusverre voor Europeana in de periode 2009 tot 2011 in het kader van het e-Inhoud-plus- programma slechts 6,2 miljoen EUR is gereserveerd;

53.

dringt erop aan in het volgende meerjarig financieel kader een veelvoud van de kredieten op te nemen die tot dusverre voor Europeana beschikbaar zijn;

54.

onderstreept de noodzaak wettelijke obstakels op EU-niveau weg te nemen, teneinde bibliotheken in staat te stellen Europese financiering van digitaliseringsoperaties aan te vragen;

55.

verzoekt de lidstaten en de Commissie bij het Europees Parlement ieder jaar een verslag in te dienen over de kosten van Europeana en de geboekte vooruitgang;

56.

stelt voor dat het Parlement de financieringsregelingen samen met de Commissie reeds in 2011 beziet om voor het project een duurzaam financieringsmodel vanaf 2013 te zoeken; geeft in overweging dat de overstap op een publiek-private financieringsstructuur de mogelijkheden van de site op een zo hoog mogelijk niveau zou brengen;

Informatie en bewustmaking

57.

stelt voor een campagne op te zetten met de titel „Doe mee met Europeana” om het besef omtrent het probleem en de dringende aard ervan op te voeren, en doet de aanbeveling een deel van de voor Europeana uitgetrokken kredieten ervoor te bestemmen deze bibliotheek die een zo ruim mogelijke verzameling werken op alle soorten dragers bevat (druk, audio, video) bij een zo breed mogelijk publiek bekendheid te geven;

58.

stelt voor „Doe mee met Europeana” creatief onder de aandacht van het publiek te brengen; deze campagne in het kader van publiek-private samenwerkingsverbanden moet in eerste instantie gericht zijn op jongeren, bij voorbeeld tijdens internationale sportwedstrijden of in verband met kunsttentoonstellingen en culturele concoursen;

59.

verzoekt de Commissie in de media en on line een campagne te lanceren om de Europeana-website populair te maken, door het verkeer op de Europese servers te leiden naar Europeana, als voornaamste bron voor het verkrijgen van digitale informatie, en de lidstaten en de culturele instellingen ertoe aan te sporen inhoud te leveren aan de site; wenst tevens dat een speciale mediacampagne wordt gevoerd die gericht is op studenten en onderwijzend personeel op alle onderwijsniveaus, ter bevordering van de inzet van de digitale hulpmiddelen van Europeana voor onderwijsdoeleinden;

60.

is van oordeel dat een dergelijke campagne veel gelijkenis vertoont met het soort acties dat thans reeds noodzakelijk wordt geacht om de digitale kloof die in Europa nog steeds bestaat te dichten, en er aldus voor te zorgen dat eenieder toegang heeft tot Europeana en andere on line inhoud en informatie en tot de daardoor geboden mogelijkheden, waar hij zich ook bevindt; spreekt de aanbeveling uit dat deze campagne, en met name het mogelijke gebruik van Europeana in scholen, moet uitgaan van het besef dat toegang tot meer on line inhoud en informatie geen doel is op zichzelf, en dan ook gepaard moet gaan met initiatieven die een kritische analyse van on line inhoud en informatie bevorderen;

61.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de informatiecampagnes en soortgelijke bewustmakingsactiviteiten met betrekking tot Europeana worden georganiseerd via de hiervoor aangewezen partnerorganisaties in de lidstaten;

Beheer

62.

spreekt zijn waardering uit voor de bijdrage die de Stichting Europese digitale bibliotheek momenteel levert door officiële overeenkomsten mogelijk te maken tussen musea, archieven, audiovisuele archieven en bibliotheken over de manier van samenwerking bij de verwezenlijking en duurzaamheid van de gezamenlijke Europeana-portaalside;

63.

is van mening dat culturele instellingen een belangrijke rol moeten blijven spelen in het beheer van Europeana, dat zo democratisch mogelijk moet zijn; en verzoekt hen samen te werken om te voorkomen dat werken twee maal worden gedigitaliseerd, en het gebruik van middelen te rationaliseren;

64.

verzoekt de Commissie en de lidstaten het beheer van het project te verbeteren en ervoor te zorgen dat op nationaal niveau een autoriteit wordt aangewezen die bevoegd is voor het beheren en controleren van het digitaliseringsproces, dat bekendheid wordt gegeven aan het Europeana-project bij bibliotheken en aanbieders van cultureel materiaal, en dat het bestaande digitale materiaal rechtstreeks wordt verzameld bij de aanbieders, met het oog op omzetting ervan in één enkele digitale standaard, zodat nieuwe inhoud onmiddellijk kan worden toegevoegd aan de gegevensbank van Europeana; is van oordeel dat op lange termijn moet worden overwogen er een prioriteit van te maken bestaand digitaal materiaal dat is geproduceerd in het kader van mede door de Europese Unie gefinancierde projecten te verzamelen en toe te voegen aan de digitale Europeana-bibliotheek;

65.

stelt voor een openbare aanbesteding uit te schrijven met het oog op een zo doeltreffend mogelijke coördinatie van de administratie van Europeana, waarbij duidelijke en realistische doelstellingen moeten worden vastgesteld en de hele operatie indien nodig opnieuw moet worden geëvalueerd;

66.

beveelt de Commissie aan de mogelijkheid te onderzoeken een Europees orgaan op te richten dat de medewerking van de nationale autoriteiten aan het toezicht op het digitaliseringsproces, de betaling van de copyrightrechten aan de auteurs en andere kwesties in verband met het Europeana-project coördineert;

*

* *

67.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 319 van 13.12.2008, blz. 18.

(2)  PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 296.

(3)  PB L 236 van 31.8.2006, blz. 28.

(4)  PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.

(5)  Accessible Registries of Rights Information and Orphan Works (Beschikbare registers van informatie over rechten en verweesde werken).


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/25


Woensdag, 5 mei 2010
Evaluatie en beoordeling van het actieplan dierenwelzijn 2006-2010

P7_TA(2010)0130

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de evaluatie en beoordeling van het actieplan inzake het welzijn van dieren 2006-2010 (2009/2202(INI))

2011/C 81 E/05

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 23 januari 2006 over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 (COM(2006)0013),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 oktober 2006 over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2008 over een nieuwe strategie voor diergezondheid voor de Europese Unie (2007-2013) (2),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren bij het doden (3),

gelet op artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat bepaalt dat bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, interne markt en onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte, de Unie en de lidstaten ten volle rekening moeten houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten, met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed,

gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009 over de opties voor etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een Europees netwerk van referentiecentra voor de bescherming en het welzijn van dieren (COM(2009)0584),

gelet op de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009„Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa” (COM(2009)0591),

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gelet op het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0053/2010),

A.

overwegende dat de diergezondheidsnormen van cruciaal belang zijn voor het beheer van de Europese veehouderij omdat ze een steeds grotere impact hebben op het concurrentievermogen van de bedrijven,

B.

overwegende dat iedere harmonisatie van het welzijn van productiedieren in de Unie gepaard moet gaan met regelgeving voor de import die op hetzelfde doel is gericht, om te voorkomen dat de Europese producenten op de Europese markt in een nadelige positie komen te verkeren,

C.

overwegende dat elke activiteit gericht op het welzijn van dieren moet uitgaan van het beginsel dat dieren wezens zijn die tot gevoelens in staat zijn en dat rekening gehouden moet worden met hun specifieke behoeften, en dat dierenwelzijn in de 21e eeuw een uiting van menselijkheid en een uitdaging voor de Europese beschaving en cultuur is,

D.

overwegende dat een strategie voor dierenwelzijn erop moet zijn gericht, dat naar behoren rekening wordt gehouden met de hogere kosten die het welzijn van dieren met zich meebrengt, en dat een ambitieus beleid voor dierenwelzijn geen volledig succes kan worden indien een Europese en wereldwijde dialoog achterwege blijft en er binnen en buiten Europa geen indringende bewustmakingscampagnes worden gevoerd en informatie wordt geboden over de voordelen van hogere dierenwelzijnsnormen, zeker als de Europese Unie dat beleid eenzijdig uitwerkt,

E.

overwegende dat voor een verdere ontwikkeling van de dierenbescherming in de Gemeenschap, de onderzoeksinspanningen moeten worden uitgebreid en de dierenbescherming in alle relevante effectbeoordelingen moet worden geïntegreerd, en alle belangengroepen bij de besluitvorming moeten worden betrokken; overwegende dat transparantie, aanvaarding en uniforme toepassing van bestaande bepalingen op alle niveaus, en het toezicht op de naleving ervan, een voorwaarde zijn voor een succesvolle dierenbeschermingsstrategie in Europa,

F.

overwegende dat Europa in de afgelopen jaren dierenwelzijnswetgeving van allerlei aard heeft aangenomen en een van de hoogste niveaus van dierenwelzijn in de wereld heeft bereikt,

G.

overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 2006 de Commissie had gevraagd om verslag uit te brengen over de ontwikkeling van het dierenwelzijnsbeleid alvorens het volgende actieplan voor te leggen, en om het dierenwelzijn mee te nemen in alle onderwerpen op haar internationale onderhandelingenagenda,

H.

overwegende dat het Europees Parlement al in 2006 heeft benadrukt dat de burgers beter voorgelicht moeten worden over dierenwelzijn en over de inspanningen die onze producenten leveren om de regelgeving na te leven,

I.

overwegende dat het welzijn van dieren niet mag worden verwaarloosd, aangezien hierin voor de Europese Unie een vergelijkend voordeel kan zijn gelegen, op voorwaarde evenwel dat de Europese Unie erop toeziet dat in een open markt alle ingevoerde dieren en vlees uit derde landen ook voldoen aan de eisen inzake dierenwelzijn die binnen de Unie gelden,

J.

overwegende dat de Europese Unie zich er op het moment van evaluatie en beoordeling van het communautaire actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 op moet toeleggen dat de normen inzake dierenwelzijn in het landbouwluik van het volgende WTO-overeenkomst worden erkend, voor de definitieve sluiting van een algemene overeenkomst,

K.

overwegende dat er een samenhang bestaat tussen dierenwelzijn, diergezondheid en productveiligheid en dat een hoger niveau van dierenwelzijn vanaf het fokken tot en met het slachten de productveiligheid en -kwaliteit positief kan beïnvloeden,

L.

overwegende dat een bepaalde groep consumenten bereid is hogere prijzen te betalen voor producten die aan hogere dierenwelzijnsnormen voldoen, ofschoon de overgrote meerderheid van consumenten nog altijd kiest voor het lager geprijsde product,

M.

overwegende dat het Europees Parlement in zijn eerder genoemde resolutie van 2006 met nadruk heeft gesteld dat de in te voeren regels, normen en indicatoren op de modernste technieken en de jongste wetenschappelijke inzichten moeten zijn gebaseerd, en er tevens op heeft aangedrongen ook rekening te houden met bedrijfseconomische aspecten, aangezien strenge dierenwelzijnsnormen zullen leiden tot hogere financiële en administratieve lasten voor de Europese landbouwers; overwegende dat niet-naleving van het beginsel van wederkerigheid een risico inhoudt van oneerlijke concurrentie door producenten van buiten de Gemeenschap,

N.

overwegende dat de Europese Unie naar aanleiding van deze beoordeling van het communautaire actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 en aan de vooravond van de eerste bespiegelingen over het GLB na 2013, een evenwichtig standpunt over dierenwelzijn moet innemen, daarbij rekening houdend met de economische gevolgen in termen van extra kosten voor de dierproducenten, in verband met een adequate ondersteuning van hun inkomen door middel van het prijs- en marktbeleid en/of rechtstreekse steun,

O.

overwegende dat het Europese dierenwelzijnsbeleid beslist geflankeerd moet worden door een samenhangend handelsbeleid, waarbij erkend moet worden dat, ondanks de inspanningen van de EU, dierenwelzijn noch in de kaderovereenkomst van juli 2004, noch in andere essentiële documenten van de Doha-ronde van de WTO-onderhandelingen een rol speelt; dat het daarom, zolang er geen fundamentele verandering komt in de opstelling van de belangrijkste handelspartners binnen de WTO, voor de EU niet doenlijk zal zijn om verdere dierenwelzijnsnormen in te voeren met alle negatieve gevolgen van dien voor het internationale concurrentievermogen van de producenten,

P.

overwegende dat dierenwelzijn doorgaans gezien wordt als het resultaat van de toepassing van de standaarden en normen die verband houden met het welzijn en de gezondheid van dieren en die gericht zijn op het voldoen aan hun inherente soortspecifieke en welzijnsbehoeften op lange termijn; overwegende dat de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) de volgende zaken rekent tot de meest essentiële vereisten voor dierenwelzijn: voedsel en water, de mogelijkheid natuurlijk gedrag te vertonen, en gezondheidszorg,

Q.

overwegende dat in de mededeling van de Commissie „Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa” van oktober 2009 wordt gesteld dat „aanzienlijke onevenwichtigheden in de onderhandelingsmacht tussen contractsluitende partijen schering en inslag [zijn]” en dat deze „negatieve gevolgen [hebben] voor het concurrentievermogen van de voedselvoorzieningsketen doordat kleinere maar efficiëntere partijen zich verplicht kunnen zien met minder winst genoegen te nemen, waardoor zij minder goed in staat zijn en ook minder geneigd zullen zijn om in een betere productkwaliteit en een innovatie van de productieprocessen te investeren”,

R.

overwegende dat de reeds genoemde hogere lasten kunnen leiden tot het overbrengen van de productie naar gebieden waar minder strenge dierenbeschermingsnormen gelden,

Het actieplan 2006-2010

1.

verwelkomt het besluit van de Commissie om in een meerjarig actieplan inzake het welzijn van dieren de aandacht te richten op een aantal centrale actiegebieden en op die gebieden vervolgens maatregelen te treffen;

2.

verwelkomt het communautaire actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010, dat voor het eerst het protocol over de bescherming en het welzijn van dieren bij het Verdrag van Amsterdam heeft omgezet in een geïntegreerd totaalconcept voor de verdere ontwikkeling van de dierenbescherming in Europa;

3.

stelt vast dat de meeste maatregelen die in het huidige actieplan worden genoemd, naar tevredenheid zijn uitgevoerd;

4.

stelt vast dat het dierenwelzijn een positieve ontwikkeling heeft gekend als gevolg van het actieplan 2006-2010, maar wijst erop dat de Europese landbouwers geen vruchten hebben geplukt van hun inspanningen op de markten en in de internationale handel, en stelt dat dit in het volgende actieplan nadrukkelijk moet worden vermeld;

5.

waardeert de werkzaamheden gericht op de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven, betreurt echter dat er nog niet genoeg gedaan is om te verzekeren dat alternatieven voor dierproeven gebruikt worden als die beschikbaar zijn, zoals de relevante EU-wetgeving voorschrijft;

6.

heeft oog voor de inspanningen van de Commissie om niet-commerciële overwegingen, waaronder welzijn van dieren, op te nemen in bilaterale handelsverdragen maar benadrukt dat dergelijke niet-commerciële overwegingen doeltreffender via de WTO kunnen worden bevorderd;

7.

verzoekt de Commissie toe te lichten welke vorderingen met betrekking tot de erkenning van de zogeheten niet-commerciële aspecten, waaronder het welzijn van dieren begrepen is, in het kader van de WTO-onderhandelingen geboekt zijn, en ook in hoeverre in de Doha-ronde van de WTO-onderhandelingen rekening is gehouden met kwesties en normen op gebied van dierenwelzijn;

8.

stelt met grote voldoening vast dat in het kader van „The Welfare Quality Project” vooruitgang is geboekt voor wat betreft wetenschap en kennis op het gebied van de indicatoren voor diergezondheid en -welzijn; merkt echter op dat bij dit project niet ten volle rekening is gehouden met het bevorderen in de praktijk van het gebruik van deze indicatoren;

9.

onderkent de noodzaak dat wordt toegezien op een goede tenuitvoerlegging van de bestaande regels inzake diertransporten, met name de kwestie van de ontwikkeling van een satellietsysteem voor het volgen van deze transporten, en dringt er bij de Commissie op aan om zich gedurende de resterende looptijd van het huidige actieplan te kwijten van haar taken op dit gebied en tevens de studie voor te leggen waar het Europees Parlement om heeft verzocht en die wordt bedoeld in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1/2005; verlangt dat er een economische effectbeoordeling voor de dierhouderij, te baseren op wetenschappelijk vastgestelde objectieve indicatoren, wordt verricht voordat er nieuwe regels worden ingevoerd;

10.

is van mening dat het zinvol is stimulansen voor de regionale fokkerij, verhandeling en slacht van dieren te creëren om lange transporten van zowel fok- als slachtdieren te vermijden;

11.

gelooft dat dierentuinen een belangrijke rol spelen bij de voorlichting van publiek over het behoud van wilde fauna en het welzijn van wilde dieren; is bezorgd over het gebrek aan stringente controle op de naleving van Richtlijn 1999/22/EG (4) van de Raad betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen en spoort de Commissie aan studie te laten verrichten naar de effectiviteit en tenuitvoerlegging van de richtlijn in alle lidstaten van de Europese Unie;

12.

stelt met tevredenheid vast dat er vorderingen zijn gemaakt op het gebied van de houderijvereisten voor varkens; is evenwel bezorgd over het ontbreken – ondanks de aanbevelingen op dit punt van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) – van werkbare tenuitvoerleggingsconcepten voor wat betreft de afzonderlijke bepalingen van Richtlijn 2008/120/EG van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens, en verzoekt daarom de Commissie, de lidstaten en de betrokken sectoren daarom om gevallen van niet-naleving aan te wijzen en de nodige inspanningen te leveren voor een betere naleving van deze richtlijn;

13.

verzoekt de Commissie tevens te waarborgen dat het verbod op het houden van legkippen in niet aangepaste kooien, dat in 2012 van kracht wordt, daadwerkelijk wordt nageleefd, en vraagt de Commissie en de lidstaten om de nodige maatregelen in te voeren die ervoor moeten zorgen dat de sector aan deze verplichting kan voldoen en op de tenuitvoerlegging in de lidstaten toe te blijven zien; stelt dat in de Europese Unie ingevoerde eieren ook moeten voldoen aan de productievoorwaarden die voor de Europese producenten gelden;

14.

pleit voor een handelsverbod in de gehele EU voor eieren die niet aan de wetgeving voldoen;

15.

stelt vast dat de uitvoering van het huidige actieplan op meerdere punten tekort schiet en onderstreept dat eerst moet worden gezorgd voor naleving van de bestaande regels voordat er nieuwe regels worden uitgevaardigd; wijst in dat kader op het belang van effectieve sancties in alle lidstaten bij niet naleving;

16.

onderstreept dat de Commissie in 2010 een eigen evaluatie moet uitvoeren, met een uitgebreide inventarisatie van hetgeen is bereikt, en van de lessen die uit eventuele tekortkomingen te trekken vallen;

17.

betreurt dat de Commissie in de loop van de jaren geen duidelijke communicatiestrategie heeft overwogen over de meerwaarde van de producten die voldoen aan de dierenwelzijnsnormen en zich beperkt heeft tot het verslag dat ze in oktober 2009 heeft voorgelegd;

18.

beseft dat de EU alle dieren erkent als wezens met gevoel (artikel 13 van het Verdrag); erkent dat de maatregelen tot dusverre voornamelijk gericht waren op productiedieren en dat het nodig is alle andere categorieën dieren in het actieplan voor 2011-2015 op te nemen;

Het actieplan 2011-2015

19.

herinnert aan het feit dat het al in eerdergenoemde resolutie van 2006 heeft gesteld dat in aansluiting op het huidige actieplan een nieuw actieplan dient te worden opgesteld en verzoekt de Commissie daarom om een verslag voor te leggen waarin de uitvoering van het huidige plan en van het dierenwelzijnsbeleid in de EU wordt geëvalueerd en op basis daarvan met betrekking tot de periode 2011-2015 een actieplan inzake het welzijn van dieren in te dienen met daaraan gekoppeld de benodigde financiering;

20.

pleit voor maatregelen die moeten zorgen voor onverwijlde handhaving van bestaande wetgeving en voor harmonisatie van normen en gelijke concurrentievoorwaarden op de interne markt; beveelt aan om eventuele voorstellen voor nieuwe wetgeving af te wegen tegen het alternatief van volledige uitvoering van bestaande wetgeving, om onnodige herhaling te voorkomen;

21.

stelt de Commissie voor om in haar evaluatieverslag onder meer te analyseren in hoeverre het huidige actieplan beantwoordt aan de behoeften van onze maatschappij op het gebied van dierenwelzijn, de duurzaamheid van het systeem voor producenten en welke invloed de werking van de interne markt heeft ondergaan sinds dit actieplan wordt uitgevoerd;

22.

verzoekt de Commissie de effecten van dierwelzijnsnormen te schetsen en uitvoerig aandacht te besteden aan wisselwerkingen tussen verschillende factoren, zoals dierwelzijn, duurzaamheid, diergezondheid, het milieu, productkwaliteit en economisch rendement;

Een algemene Europese wet inzake het welzijn van dieren

23.

stelt vast dat met artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een nieuwe juridische situatie is gecreëerd in die zin dat de Unie en de lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, interne markt en onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte, ten volle rekening moeten houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed; is van mening dat genoemd artikel betrekking heeft op alle productiedieren en dieren in gevangenschap, zoals voor de productie van levensmiddelen bestemde dieren, circusdieren, dieren in zoölogische instellingen of zwerfdieren, weliswaar rekening houdend met het feit dat een verschillende aard en levensomstandigheden een gedifferentieerde behandeling vereisen;

24.

verzoekt de Commissie in het licht van artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie om, op basis van een effectbeoordeling en na overleg met de belanghebbenden, een gefundeerd voorstel in te dienen voor algemene EU-wetgeving inzake het welzijn van dieren, uiterlijk in 2014, die op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten en beproefde ervaring een bijdrage kan leveren aan een gemeenschappelijke opvatting omtrent het welzijn van dieren, van de kosten die verbonden zijn aan dierenwelzijn en de op dat gebied geldende essentiële voorwaarden;

25.

is van mening dat deze algemene wetgeving inzake dierenwelzijn, in overeenstemming met de wetgeving inzake diergezondheid, moet voorzien in passende richtsnoeren voor een verantwoorde dierhouderij, in een uniform stelsel van toezicht en inzameling van vergelijkbare gegevens, in de aan dierverzorgers te stellen vereisten, en in bepalingen die de bijzondere verantwoordelijkheden regelen voor bezitters, houders en/of verzorgers van dieren; meent dat tegenover al deze vereisten ook de nodige middelen aan de producenten moeten worden geboden zodat zij ook naar behoren aan die vereisten kunnen voldoen;

26.

is van mening dat met deze algemene wetgeving inzake het welzijn van dieren een gemeenschappelijk niveau voor dierenwelzijn in de Europese Unie tot stand moet worden gebracht, hetgeen een voorwaarde is voor vrije en eerlijke concurrentie op de interne markt voor zowel binnenlandse als uit derde landen ingevoerde producten; is echter van mening dat lidstaten en regio’s de mogelijkheid moeten behouden om afzonderlijke producenten of groepen van producenten toe te staan om vrijwillige systemen in te voeren die verder gaan, waarbij de mededinging niet wordt verstoord en het concurrentievermogen van de EU op de internationale markten behouden blijft;

27.

is van oordeel dat de ingevoerde producten aan dezelfde gelijkwaardige dierenwelzijnsnormen moeten voldoen als die welke voor de Europese marktdeelnemers gelden;

28.

bepleit dat de Europese landbouwers compensatie wordt geboden voor de hogere productiekosten die met hogere dierenwelzijnsnormen gemoeid zijn; stelt voor dat financiering voor dierenwelzijnsmaatregelen vanaf 2013 wordt opgenomen in de nieuwe gemeenschappelijke agrarische ondersteuningsregelingen;

29.

is bovendien van mening dat de voorlichting aan de burger over het hoge dierenwelzijnsniveau in de EU en over de inspanningen die de verschillende betrokken sectoren leveren, een van de centrale elementen in dit beleid moet zijn;

30.

is van mening dat de opname van dierenwelzijnsvereisten in internationale overeenkomsten van essentieel belang is om te zorgen dat onze producenten op een geglobaliseerde markt kunnen concurreren en te vermijden dat onze productie overgebracht wordt naar gebieden waar veel minder strenge dierenwelzijnsnormen gelden en daarmee ons model oneerlijke concurrentie aandoen;

31.

is ingenomen met het debat over de verschillende mogelijkheden voor etikettering inzake dierenwelzijn in de hierboven genoemde mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009; benadrukt evenwel dat het noodzakelijk is dat deze mogelijkheden in een bredere context in aanmerking worden genomen, daarbij met name rekening houdend met de verschillende bestaande etiketteringssystemen op het gebied van milieu, voeding en klimaat; benadrukt dat de informatie die over dit onderwerp aan de Europese consumenten wordt verstrekt niet alleen moet berusten op deugdelijke en onomstreden wetenschappelijke inzichten, maar voor de consument ook duidelijk moet zijn;

32.

pleit ervoor dat de informatie op het etiket juist en direct moet zijn, en moet verwijzen naar de naleving van de hoge dierenwelzijnsnormen die de EU verlangt; acht het de taak van de Commissie om de burgers de nodige informatie te bieden over de Europese regelgeving inzake dierenwelzijn, zodat de objectiviteit van deze informatie gewaarborgd blijft;

33.

pleit ervoor om na te gaan of het dierenwelzijnsbeleid spoort met de andere beleidslijnen van de Europese Unie;

34.

roept de Commissie op om een grondige evaluatie door te voeren van de problemen die de Europese dierenwelzijnsnormen zouden kunnen veroorzaken voor het concurrentievermogen van onze producenten en om de steunmaatregelen voor de producenten in het kader van de toepassing van deze normen te herzien;

35.

meent dat eerst de bestaande – algemene of specifieke – regelgeving behoorlijk moeten worden gehandhaafd voordat er eventueel nieuwe wetgeving wordt uitgevaardigd; als voorbeelden kunnen hier gelden het verbod op het houden van kippen in batterijkooien, de varkensrichtlijn, de regelgeving rond diertransporten en het houden van ganzen en eenden; benadrukt dat verdere maatregelen inzake dierenwelzijn op één lijn moeten worden gebracht met andere EU-doelstellingen zoals duurzame ontwikkeling, met name duurzame productie en consumptie van veeteeltproducten, bescherming van het milieu en de biodiversiteit, een strategie voor betere handhaving van de huidige wetgeving, en een coherente strategie om de ontwikkeling naar diervrij onderzoek te versnellen;

Een Europees netwerk van referentiecentra voor dierenwelzijn

36.

is van mening dat uiterlijk in 2012 een Europees centrum voor dierenwelzijn moet worden opgezet onder de bestaande instellingen van de Gemeenschap of de lidstaten, waarvan de werkzaamheden gebaseerd moeten zijn op de hierboven voorgestelde algemene wetgeving inzake dierenwelzijn; is van mening dat een dergelijk netwerk één instelling moet aanwijzen als coördinerende instantie die de taken moet uitvoeren die zijn toevertrouwd aan het „centrale coördinatie-instituut” als bedoeld in de bovengenoemde mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009; is tevens van mening dat een dergelijke coördinerende instantie de taken van de Commissie of andere agentschappen geenszins hoeft over te doen, maar moet fungeren als ondersteunend instrument dat de Commissie, de lidstaten, de partijen in de voedselketen en de burgers terzijde moet staan op gebied van scholing en onderwijs, beste praktijken, informatie en consumentenvoorlichting, dat toekomstige wets- en beleidsvoorstellen, met het effect daarvan op het welzijn van dieren, moet beoordelen en van commentaar voorzien, normen voor dierenwelzijn moet beoordelen aan de hand van de nieuwste inzichten, en een EU-systeem voor het testen van nieuwe technieken moet coördineren;

37.

is van mening dat het publiek volgens wetenschappelijke inzichten moet worden geïnformeerd omtrent de behoeften van dieren en de juiste omgang met dieren, en dat dit op een geschikte en serieuze manier moet gebeuren; meent dat een Europees netwerk van referentiecentra zich bezig dient te houden met de uitvoering van scholings- en voorlichtingmaatregelen, aangezien verspreiding van kennis aan de hand van gestandaardiseerde kwaliteitscriteria van wezenlijk belang is om te voorkomen dat de mensen zich totaal uiteenlopende meningen gaan vormen;

Betere handhaving van de huidige wetgeving

38.

verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk te evalueren hoeveel de dierenwelzijnsmaatregelen de Europese producenten kosten en verzoekt de Commissie uiterlijk in 2012 aanbevelingen, richtlijnen of andere maatregelen voor te stellen om verlies aan concurrentievermogen van de Europese veehouders tegen te gaan;

39.

roept de lidstaten op om passende opleidingsactiviteiten te ontplooien om het idee van de bescherming en het welzijn van dieren te bevorderen;

40.

is van mening dat gestreefd moet worden naar een doelgericht en op risicoanalyses gebaseerd controlesysteem waarin objectieve factoren centraal staan en waarbij lidstaten met een bovengemiddeld hoog aantal overtredingen op verscherpte controles kunnen rekenen;

41.

benadrukt dat de onevenwichtigheden in de voedselketen, zoals beschreven in de mededeling van de Commissie „Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa”, dikwijls nadelig werken voor de primaire producenten; herinnert aan het feit dat primaire producenten door de extra kosten die deze situatie met zich meebrengt beperkt worden in het doen van investeringen;

42.

benadrukt dat de begroting van de Europese Unie moet voorzien in voldoende middelen om de Commissie haar toezichthoudende taak te laten uitvoeren, om de producenten waar nodig bij te staan en tegenwicht te bieden voor hun verlies aan concurrentievermogen als gevolg van de invoering van nieuwe en veranderende dierenwelzijnsnormen, in het besef dat de kosten van die normen niet wordt doorberekend in de prijs die de veehouder voor zijn producten ontvangt;

43.

benadrukt dat het concurrentievermogen van de landbouwsector steeds moet worden verbeterd en versterkt, door bevordering en naleving van de geldende normen van dierenwelzijn, een en ander tevens in overeenstemming met de milieubeschermingsvereisten;

44.

verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat overtreding van de Europese regelgeving op het gebied van het welzijn van dieren resulteert in strafoplegging en dat deze strafoplegging in alle individuele gevallen vergezeld gaat van duidelijke instructies en adviezen van de bevoegde autoriteiten;

45.

roept de lidstaten op om passende preventieve maatregelen te nemen, teneinde schendingen van de beginselen inzake het welzijn van dieren in de toekomst te voorkomen;

46.

verheugt zich over de aanzienlijke afname in het gebruik van antibiotica voor dieren in de lidstaten sinds deze in de EU niet meer als groeibevorderaar mogen worden gebruikt, zij het nog wel in de VS en sommige andere landen; verwacht van de Commissie en de lidstaten evenwel dat zij het probleem van de antibioticaresistentie bij dieren op een verantwoordelijke manier zullen aanpakken; verzoekt de Commissie gegevens te verzamelen en te analyseren over het gebruik van diergezondheidsproducten, waaronder antibiotica, om op een doelmatig gebruik van deze producten toe te zien;

Indicatoren en nieuwe technieken

47.

verzoekt om de beoordeling en verdere ontwikkeling van „The Animal Welfare Quality Project”, met name voor wat betreft de vereenvoudiging van het instrument en van de praktische toepassing ervan;

48.

is van mening dat het in de praktijk niet eenvoudig zal zijn om ingevoerde producten aan deze indicatoren voor dierenwelzijn te toetsen; benadrukt dat deze instrumenten, zonder hun nut of gegrondheid opnieuw ter discussie te stellen, geen aanleiding mogen geven tot concurrentieverstoring ten nadele van de Europese producenten;

49.

verzoekt de Commissie op basis van het afsluitende verslag van het „Animal Welfare Quality Project” een proefperiode voor te stellen voor de beoordeling van het welzijn van dieren binnen de Europese Unie volgens de in het kader van de „Animal Welfare Quality Project” ontwikkelde methode;

50.

roept de lidstaten in dit verband op beter gebruik te maken van de mogelijkheden die de EU-fondsen voor plattelandsontwikkeling en het zevende kaderprogramma (2007-2013) van het DG Onderzoek bieden voor steun voor toegepast onderzoek en investeringen in innovatie en modernisering ten behoeve van het welzijn van dieren; verzoekt de lidstaten en de Commissie voorts de financiële investeringen in onderzoek en het ontwikkelen van nieuwe technologieën en technieken op het gebied van dierenwelzijn op te voeren;

51.

verzoekt de Commissie en de lidstaten zich optimaal in te zetten om ervoor te zorgen dat de richtlijnen van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE) inzake dierenwelzijn aanzetten tot goede welzijnsnormen die een goede afspiegeling zijn van de wetenschappelijke inzichten op dit gebied;

*

* *

52.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 308 E van 16.12.2006, blz. 170.

(2)  PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 89.

(3)  PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.

(4)  PB L 94 van 9.4.1999, blz. 24.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/33


Woensdag, 5 mei 2010
De EU-landbouw en klimaatverandering

P7_TA(2010)0131

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de EU-landbouw en klimaatverandering (2009/2157(INI))

2011/C 81 E/06

Het Europees Parlement,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Aanpassing aan de klimaatverandering: de uitdaging voor de Europese landbouw en het Europese platteland” (SEC(2009)0417),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „The role of European agriculture in climate change mitigation” (SEC(2009)1093),

onder verwijzing naar zijn wetgevingsresolutie van 14 november 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 maart 2008 over duurzame landbouw en biogas: noodzaak tot herziening van de EU-wetgeving (2),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 februari 2009 over „2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor het toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering” (3),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 maart 2009 over de verslechterde kwaliteit van de landbouwgrond in de EU en vooral in Zuid-Europa: mogelijke aanpak met GLB-instrumenten (4),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 november 2009 over de EU-strategie voor de Conferentie van Kopenhagen over klimaatverandering (COP 15) (5),

gezien het verslag „International Assessment of Agricultural Science and Technology for Development” (IAASTD), dat door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties en de Wereldbank opgesteld is en door 58 landen ondertekend is,

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0060/2010),

A.

overwegende dat de klimaatverandering ten gevolg van de historische accumulatie van broeikasgassen in de atmosfeer wetenschappelijk is vastgesteld en mogelijkerwijs ernstige gevolgen voor de ecosystemen heeft,

B.

overwegende dat de landbouw hierdoor rechtstreeks is betroffen, aangezien het gaat om een van de economische activiteiten die de natuurlijke hulpbronnen beheren ten behoeve van de mensheid,

C.

overwegende dat de klimaatverandering een van de ernstigste bedreigingen voor het milieu, maar ook op sociaal en economische gebied vormt en dat de landbouwproductiviteit van jaar tot jaar fluctueert onder invloed van extreme schommelingen in de weersgesteldheid, waardoor alle economische sectoren indirect worden beïnvloed, zij het dat de landbouw het kwetsbaarst blijft,

D.

overwegende dat de landbouw, als één van de belangrijkste bronnen van twee broeikasgassen (stikstofmonoxide en methaan), die bij verschillende biologische processen van de landbouwproductie vrijkomen, zowel aan de ontregeling van het klimaat bijdraagt, als er in grote mate de schadelijke gevolgen van ondervindt,

E.

overwegende dat de broeikasgasemissies door de landbouw (met inbegrip van veehouderij) in de EU-27 tussen 1999 en 2007 met 20 % is gedaald en het aandeel van de landbouw in de emissies van broeikasgassen in de EU van 11 % in 1990 naar 9,3 % in 2007 is gedaald, met name ten gevolg van de toegenomen efficiëntie van de landbouw in de EU, constante innovaties en het gebruik van nieuwe technieken, een efficiënter gebruik van meststoffen en de recente hervormingen in het GLB,

F.

overwegende dat de landbouw en de bosbouw de voornaamste economische sectoren zijn die CO2 afkomstig van menselijke activiteiten kunnen opvangen, in de bodem kunnen bewaren en opslaan vanwege hun reservecapaciteit en via fotosynthese in hun vegetatie kunnen vasthouden, overwegende dat deze sectoren over een groot potentieel beschikken om op positieve wijze bij te dragen aan de inspanningen gericht op het verminderen van de opwarming,

G.

overwegende dat de klimaatopwarming nu reeds negatieve gevolgen voor de landbouw van de EU heeft (met onder andere minder water, verzilting en frequentere droogtes, woestijnvorming, veel meer neerslag in de winter en overstromingen in het noorden, bedreiging van laag gelegen kustgebieden door het stijgende zeepeil en het gevaar van verzilting, stormen en andere extreme weersverschijnselen, erosie en aardverschuivingen, toename van het aantal insectenplagen en van dier- en plantziekten), en overwegende dat de verwachte versnelling van deze verschijnselen voor de landbouw, de bosbouw en het toerisme significante economische gevolgen zal hebben,

H.

overwegende dat de landbouwsector het vermogen heeft zowel om zich aan te passen als om de klimaatverandering te temperen, door gebruik te maken van de knowhow van de landbouwers en zich te stoelen op een sterk GLB en op de ontwikkeling van onderzoek en innovatie, maar dat, doordat het gaat om moeilijk te beheersen natuurlijke processen, de vereiste inspanningen aanzienlijk zijn,

I.

overwegende dat de Europese landbouw een banenreservoir vertegenwoordigt dat beschermd en verder uitgebreid moet worden,

J.

overwegende dat de landbouw van vitaal belang blijft om de bedrijvigheid in de Europese plattelandsgebieden in stand te houden, met name via een waaier aan diensten die landbouwers aan de rest van de maatschappij kunnen verlenen,

K.

overwegende dat de landbouw rechtstreeks te maken heeft met de doelstellingen van de Unie op het gebied van de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en dat deze ontwikkeling er sterk toe kan bijdragen dat de broeikasgassen worden teruggedrongen,

L.

overwegende dat een van de kernfuncties van de EU-landbouw is de bevolking van de Unie te voeden,

M.

overwegende dat de Unie het voortouw moet nemen bij de bestrijding van de mondiale opwarming,

Bijdrage van de EU-landbouw aan de inspanningen gericht op het verminderen van de opwarming

1.

stelt dat de Europese landbouw en bosbouw een bijdrage kunnen leveren tot het halen van de doelstellingen van de Unie op het gebied van de vermindering van de klimaatverandering door manieren en steun te vinden om te helpen zijn broeikasgasemissies te verminderen, door de opslag van CO2 in de bodem te bevorderen, de productie van duurzame hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen en de fotosynthesefunctie te maximaliseren; onderstreept dat hiervoor de ontwikkeling moet worden bevorderd van een landbouw die verhandelbare en niet-verhandelbare goederen produceert waarmee het potentieel en de natuurlijke hulpbronnen van elk ecosysteem zo efficiënt mogelijk worden benut en waarbij economische, ecologische en sociale prestaties, alsmede dierenwelzijnaspecten met elkaar worden verzoend, om de duurzaamheid ervan te verbeteren;

2.

onderstreept dat een actievere deelname van de landbouw aan de wereldwijde strijd tegen klimaatverandering niet mag betekenen dat de sector landbouw en levensmiddelen van de EU op de wereldmarkt aan concurrentievermogen inboet;

3.

is van oordeel dat de biologische landbouw, de extensieve veeteelt en de praktijken van de geïntegreerde verbouw enkele van de alternatieven vormen voor een milieuvriendelijker landbouw; beklemtoont evenwel dat oplossingen moeten worden gevonden om ervoor te zorgen dat de traditionele landbouw, die het grootste deel van het Europese landbouwareaal vertegenwoordigt, op significante wijze aan een duurzaam milieubeheer kan bijdragen;

4.

erkent dat innovatie een belangrijke rol moet spelen bij het verminderen van de gevolgen van de landbouw op klimaatverandering en milieu;

5.

vraagt in het bijzonder dat het toekomstige GLB, door middel van voorlichtings- en opleidingsacties en stimulerende maatregelen, praktijken bevordert die bijdragen aan de doeltreffendheid en mogelijke beperking van de uitstoot van broeikasgassen in de landbouw en aan de opslag van koolstof, zoals:

aangepaste, eenvoudiger bewerkingstechnieken, waarbij de bodem met plantaardig materiaal bedekt blijft (zoals gereduceerde bewerking of niet-bewerking, handhaving van oogstresiduen op het veld), in combinatie met interculturen en gewasrotatie, hetgeen de fotosynthese maximaliseert en tot verrijking van de bodem met organisch materiaal leidt, zoals is gebleken bij het door het Europees Parlement geïnitieerde SoCo-project;

behoud en ontwikkeling van bebossing, alsmede herbebossing, ontwikkeling van de agrobosbouw, heggen, beboste gebieden op percelen, weidegronden die permanent of tijdelijk worden begraasd;

invoering van beheermethoden die leiden tot verlenging van de opslagtijd van koolstof die is vastgelegd in bestaande bossen;

beter beheer van de bodem en management van mineralen en adequate bescherming van koolstofrijke grond als veen en natte gebieden (teelt van bijpassende planten, bijv. riet als alternatief voor drainage);

modernisering van landbouwbedrijven (isolatie van gebouwen, energiezuinige apparatuur, gebruik van hernieuwbare energiebronnen) en efficiëntere productieketens;

moderne technologieën voor de bewaring van veevoer en de behandeling en het gebruik van mest, die de uitstoot van methaan aanzienlijk verlagen;

opwekking van energie uit biomassa die ontstaat bij de productie van levensmiddelen, waardoor niet alleen nevenproducten en afval benut worden, maar ook de uitstoot van CO2 wordt verlaagd;

aanplant van bomen en kruidachtige planten als energiegewassen (cultures) op uiterwaarden, wetlands, zandgronden en voor de landbouw minder geschikte gronden met het oog op de absorptie van CO2 en de vastlegging van meer koolstof;

6.

onderstreept dat deze milieuvriendelijker landbouwpraktijken daarnaast ook een gunstige uitwerking hebben op de biodiversiteit, de bodemkwaliteit en het waterretentievermogen, en bijdragen aan de bestrijding van erosie en vervuiling, terwijl het verzachten van de gevolgen van de landbouwactiviteiten op de klimaatverandering nog een van de „collectieve goederen” is die de landbouw biedt;

7.

spreekt zich uit voor een gemeenschappelijk Europees bosbouwbeleid, dat inzet op duurzaam beheer en exploitatie van de bossen, en op een betere benutting van de sterke punten van de houtketen en de economische ontwikkeling hiervan, aangezien deze sector de grootste bijdrage aan koolstoffixatie levert; daarbij moet zo veel mogelijk rekening worden gehouden met de verschillende omstandigheden voor bosexploitatie in de verschillende regio's, aangezien het bosmilieu in Noord-Europa wat betreft mogelijkheden en bedreigingen verschilt van dat in Zuid-Europa;

8.

vestigt de aandacht erop dat bossen ook een beduidende bijdrage leveren aan efficiënt waterbeheer. Daarom worden de lidstaten gestimuleerd een bosbouwpraktijk te omarmen waarmee de verschillen in waterloop tussen perioden van droogte en overstromingen worden verminderd. Zo kunnen de negatieve effecten van droogte en overstromingen op de landbouw, de energiewinning en de bevolking worden getemperd;

9.

bepleit een versterking van het bergbeleid omdat de landbouw- en herderssector en de veehouderij een bijzonder belangrijke rol vervullen bij de beperking van de klimaatverandering en bij de ondersteuning van de aanpassing en van de vermindering van de kwetsbaarheid, met name door een juist weidebeheer;

10.

dringt aan op de formulering van strategieën ter voorkoming en beperking van de nadelige gevolgen voor de landbouw in de Europese Unie door:

een actieplan voor de meest getroffen gebieden: gebruik van gewasvariëteiten die tegen de nieuwe klimaatsituatie opgewassen zijn, aanpassing van de landbouwkalender aan de nieuwe situatie, bebossing, bouw van kassen, agrarisch waterbeheer, sanering van verontreinigde gronden;

het tweede deel moet bestaan in een langetermijnplan om de oorzaken van de klimaatverandering weg te nemen, via de bevordering van een wereldeconomie die gebaseerd is op een vermindering van de CO2-emissies en de bevordering van zekere energievoorziening;

11.

onderstreept dat de uitstoot van stikstofmonoxide kan worden verminderd door een gereduceerd en tegelijkertijd doeltreffender gebruik van stikstofhoudende meststoffen (precisielandbouw); wijst er voorts op dat bemesting met het residu van de biogasproductie mogelijkheden voor biologische precisiebemesting biedt, met verlaagde emissies als resultaat;

12.

dringt aan op meer onderzoek naar veevoeders en genselectie van fokdieren, met het oog op het reduceren van de uitstoot van methaan, op voorwaarde dat deze mitigatiemaatregelen niet worden goedgekeurd indien zij de gezondheid of het welzijn van dieren in gevaar brengen; dringt daarnaast aan op invoering van een programma waarmee de afhankelijkheid van de Europese Unie van de invoer van plantaardige eiwitten voor veevoeders zich laat verkleinen, evenals invoering van een programma om de consumenten voor te lichten omtrent de consequenties van hun koopgedrag en voedingsgewoonten voor het klimaat;

13.

vraagt tegelijk met aandrang dat maatregelen worden genomen om het onderzoek op het gebied van plantenveredeling te versnellen en te intensiveren, om teelten en gewassen beter bestand tegen nieuwe klimaatomstandigheden te maken en de uitdagingen als gevolg van de veranderingen aan te kunnen, met name wat zekere voedselvoorziening betreft, met voldoende grondstoffen van toereikende kwaliteit; is van mening dat dit onderzoek prioritair betrekking moet hebben op gewasvariëteiten die bestand zijn tegen watertekort en zeer hoge temperaturen en op de bijbehorende teelttechnieken; onderstreept ook het feit dat deze variëteiten en technieken een haalbaar alternatief kunnen zijn voor de zeer dure en inefficiënte irrigatiesystemen die in sommige gebieden zijn geïnstalleerd en dat zij bovendien het voordeel hebben in grote mate te zijn geaccepteerd door de plaatselijke gemeenschappen;

14.

onderstreept dat het zo efficiënt mogelijk opslaan en uitrijden van organische mest, en het behandelen ervan door anaerobe afbraak één van de meest veelbelovende technieken is voor het reduceren van de uitstoot van methaan (omdat dit tevens een hernieuwbare energiebron oplevert) en de afhankelijkheid van chemische stikstofhoudende mest te verkleinen, met name in gebieden met een grote dierdichtheid; wijst erop dat het aldus geproduceerde biogas ertoe bijdraagt dat de landbouw wat energie betreft zelfvoorzienend wordt;

15.

wijst in dit kader op de noodzaak digestaat uit mestvergisters voor biogasproductie in te kunnen zetten als kunstmestvervanger zonder in de categorie „dierlijke mest” te vallen, waardoor het gebruik van kunstmest verder kan worden teruggedrongen;

16.

dringt aan op vereenvoudiging van de administratie en op versnelling van de O&O-activiteiten gericht op het gebruik van de biomassa die zich op landbouwbedrijven bevindt (landbouw- of bosbouwafval), van het biogas afkomstig van de veehouderij en van andere duurzame agrobrandstoffen, op voorwaarde dat dit de voedselveiligheid niet in gevaar brengt;

17.

onderstreept dat het duurzaamheidsbeginsel moet worden gehandhaafd bij het gebruik van biomassa; is van mening dat dienovereenkomstig toepassingen moeten worden gestimuleerd die het dichtst liggen bij de plaats van herkomst van landbouwgrondstoffen, waardoor de energieverliezen die optreden als gevolg van transport kunnen worden verminderd;

18.

wijst erop dat het gebruik van biomassa voor verwarmingsdoeleinden de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering in aanzienlijke mate kan temperen; roept daarom de Commissie en de lidstaten op subsidies voor plattelandsontwikkeling te verstrekken aan overheidsinstellingen op het platteland om voor hun verwarmingssystemen over te schakelen op bio-energie;

19.

wijst erop dat een grondiger gebruik van ICT kan leiden tot een verbetering van het toezicht op verschillende fasen van het productieproces en van het beheer ervan, met als doel de productie te verhogen in verhouding tot het gebruik van de productiemiddelen en tegelijkertijd de uitstoot van broeikasgassen evenals het energiegebruik te verminderen; onderstreept tevens dat een grotere inzet van ICT, de opneming van beleidsvormen ter bevordering van de scholing van landbouwers in de nieuwe technologieën en steunverlening aan innovatie en ondernemerschap van met name jonge landbouwers factoren van doorslaggevend belang zijn voor zowel een in milieuopzicht duurzamere landbouw als de ondersteuning van het mededingingsvermogen van deze sector;

20.

onderstreept dat de Europese Unie de grootste importeur van landbouwproducten is, hetgeen, vanwege de vaak minder strenge milieueisen in de producerende derde landen, alsmede de emissies bij het langeafstandsvervoer en de ontbossing, meer koolstofkosten oplevert dan Europese producten; is van mening dat de consumenten moeten worden geïnformeerd, aan de hand van een gerichte communicatiestrategie, over de voordelen van een gezonde, evenwichtige voeding die bestaat uit regionale en seizoensproducten van hoge kwaliteit die geproduceerd zijn met een duurzame en efficiënte landbouw, waarvan de koolstofafdruk kan worden onderscheiden van die van geïmporteerde producten; is in dit verband ook van oordeel dat de inspanningen van de Europese landbouwers gericht op het verminderen van hun emissies op billijke wijze moeten worden gecompenseerd en dat de diversificatie van plaatselijke producten (in het bijzonder de ontwikkeling van plantaardige eiwitten in de EU) moet worden bevorderd;

21.

schaart zich in dit kader achter een vrijwillige EU-herkomstetikettering in het geval van producten die volledig uit de Europese Unie afkomstig zijn;

22.

dringt aan op de invoering van doeltreffende instrumenten voor controle op de invoer uit derde landen en pleit voor volledige wederkerigheid van de eisen waaraan de Europese producenten ter bestrijding van de klimaatverandering moeten voldoen, en de eisen die aan import uit derde landen worden gesteld, om een verlies aan concurrentievermogen van de Europese producten te voorkomen;

23.

beklemtoont dat de EU in het landbouw- en bosbouwontwikkelingsbeleid moet investeren, teneinde een bijdrage te leveren aan de verspreiding van nieuwe praktijken en aan de invoering van duurzame landbouw elders in de wereld;

Maatregelen gericht op aanpassing van de Europese landbouw aan de gevolgen van de opwarming

24.

onderstreept dat de Europese landbouw zich aanpast en zich moet blijven aanpassen aan de gevolgen van de zich ontwikkelende klimaatverandering en zich moet voorbereiden op de gevolgen die deze verandering voor een groot aantal EU-regio's zal hebben;

25.

is van oordeel dat de Unie met het oog hierop een coherente strategie voor de aanpassing van de landbouw aan de twee verschillende klimaatveranderingen moet uitstippelen die de toekomst voor ons in petto houdt:

de gemiddelde opwarming van de aarde enerzijds;

de schommelingen van het klimaat met de toename van extreme weersomstandigheden anderzijds;

26.

is van mening dat het GLB het accent moet leggen op het duurzamer en efficiënter beheer van bronnen en dat dit in aanmerking moet worden genomen in de aanstaande hervorming van het GLB, met bijvoorbeeld:

optimaal waterbeheer (efficiëntere irrigatiesystemen, gebruik van gerecycleerd water, zuinig gebruik van water op het land, wateropvangbekkens, enz.), responsabilisering van de gebruikers;

gewaskeuze op basis van met name zijn robuustheid in extreme omstandigheden, en een aan bijvoorbeeld de droogte en ziektes aangepaste gewasrotatie;

bodembescherming (met waarborgen betreffende hun organisch materiaal) tegen water- en luchterosie;

de aanplant van bomen langs wegen, heggen of bossen aan de rand van percelen om het water vast te houden, de afvloeiing te beperken en om als windscherm en beschutting te dienen voor hulpmiddelen bij de teelt zoals bestuivende insecten;

behoud van grasland en bevordering van dierlijke productie op grasland;

maatregelen voor toezicht en controle op ziekten; in het kader hiervan zijn nationale en vervolgens ook Europese instrumenten voor de follow-up van het uitbreken en het terugkeren van ziekten noodzakelijk;

maatregelen voor toezicht en controle op insecten; in het kader hiervan moeten de follow-up van potentieel invasieve soorten en sanitaire maatregelen (versterkte controle aan de grenzen en op kwetsbare plaatsen zoals kwekerijen en luchthavens, bioveiligheidsmaatregelen) worden uitgebreid;

herstel van aangetaste percelen;

instandhouding van bossen die zich aanpassen aan de klimaatveranderingen en bosbeheer gericht op het verkleinen van het brandrisico;

27.

beklemtoont dat het noodzakelijk kan zijn om voormalige uiterwaarden die zijn drooggelegd en minder geschikt zijn voor de landbouw, opnieuw onder water te zetten en de kanalisering van rivieren te overdenken en uiterwaarden die daarvoor geschikt zijn nieuw leven in te blazen en te beplanten met het vroegere oeverbos;

Implicaties voor het Europese landbouwmodel

28.

onderstreept dat het GLB moet bijdragen tot een duurzamer landbouwbeleid, maar tegelijk de opbrengst moet verhogen en in het achterhoofd moet houden dat de opwarming van de aarde een nadelige uitwerking kan hebben op de mogelijkheden om te produceren en de bevolking in de wereld te voeden, ook in Europa;

29.

is tevens van oordeel dat het GLB de lagere overheden in de lidstaten financieel moet stimuleren om maatregelen te nemen met het oog op:

herstel van de productie- en beschermingscapaciteit van de natuurlijke ecosystemen, landbouwgronden en andere hulpbronnen die door droogte, woestijnvorming of overstromingen aangetast zijn;

verbetering van de methoden voor exploitatie van water, bodem en vegetatie die inmiddels niet-duurzaam gebleken zijn;

selectie, veredeling en verbreiding van gewasvariëteiten en dierrassen in droge en/of met droogte bedreigde gebieden;

verbetering van de preventie;

30.

merkt op dat de klimaatverandering directe en onevenredig zware gevolgen heeft voor de landbouw en dat deze dan ook voorrang moet krijgen wanneer maatregelen worden uitgewerkt voor het verzachten van de gevolgen van de klimaatverandering;

31.

is van mening dat aan de „nieuwe uitdagingen” die in het kader van de „gezondheidscontrole” van het GLB zijn genoemd, namelijk klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit, moet worden herinnerd en dat ook eerbiediging van en verbetering van de kwaliteit van de bodem en de functies ervan (koolstoffixatie, retentievermogen voor water en mineralen, biologisch leven …) aan deze uitdagingen moeten worden toegevoegd, aangezien dit allemaal belangrijke kwesties zijn die gevolgen hebben voor de belangen van toekomstige generaties, zodat er voort rekening mee moet worden gehouden in het toekomstige GLB;

32.

merkt op dat het huidige systeem van randvoorwaarden, dat was ontworpen om ervoor te zorgen dat landbouwproducenten voldoen aan zeer hoge normen op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid en milieubescherming, problematisch is voor boeren en in zijn huidige vorm misschien niet de beste manier is om de gewenste resultaten te halen; vraagt dat bij de volgende hervorming van het GLB meer nadruk wordt gelegd op duurzamere en efficiëntere productiemodellen, niet vergetende dat deze overheidsfinanciering vereisen om de boeren in staat te stellen de extra kosten te dekken die het gevolg zijn van de verstrekking van „collectieve goederen” die ten goede komen van de samenleving als geheel (bijvoorbeeld behoud van het platteland, instandhouding van de biodiversiteit, koolstoffixatie en voedselzekerheid);

33.

erkent dat het GLB toonaangevende normen inzake milieubescherming moet stellen; merkt op dat dit een niveau van kosten zal inhouden die niet op de markt kunnen worden verhaald maar die gedeeltelijk kunnen worden beschouwd als levering van collectieve goederen, en dat de Europese producenten zullen moeten worden beschermd tegen concurrentie uit derde landen die niet aan de milieunormen van de EU voldoen;

34.

is van mening dat de klimaatverandering de Unie dwingt het beleidsmodel van het landbouwbeleid aan te passen; verzoekt daarom de Commissie in haar komende mededeling over de hervorming van het GLB na 2013 een duurzamer en efficiënter landbouwmodel te bevorderen dat met alle doelstellingen van het GLB strookt, dat gericht is op de productie van voldoende en veilig voedsel en dat het milieuevenwicht beter eerbiedigt; is van mening dat dit model gebaseerd moet zijn op een eerlijk en rechtvaardig systeem voor ondersteuning van de boeren en dat de rol van het boerenberoep er ook meer gewicht mee moet krijgen;

35.

is van mening dat het behoud van een ambitieus GLB absoluut noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de Europese landbouw in de toekomst blijft bijdragen aan de veiligheid van de voedselvoorziening en de bescherming van het klimaat, waarbij met name het voortbestaan van het stelsel van uit de begroting van de Gemeenschap gefinancierde rechtstreekse betalingen en op het vlak van de Unie vereenvoudigde en billijke betalingen belangrijk zijn;

36.

beklemtoont dat het belangrijk is een basis te leggen en permanent te garanderen voor de ontwikkeling van alternatieve economische activiteiten, zodat de plaatselijke gemeenschappen minder afhankelijk kunnen worden gemaakt van een landbouwproductie die getroffen is door droogte of van natuurlijke hulpbronnen; wijst erop dat de beschikbaarheid van middelen uit de Europese fondsen van doorslaggevend belang is om de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van alternatieve vormen van bedrijvigheid;

37.

onderstreept het belang van bevordering van geïntegreerde planningsmethoden voor plattelandsontwikkeling, afgestemd op de lokale behoeften, door toepassing van de beginselen van optimaal bodemgebruik, met het oog op aanpassing aan veranderende milieucondities (langdurige droogte, aardverschuivingen, overstromingen, e.d.) en aan een markt van lokaal voortgebrachte goederen en diensten;

38.

verzoekt de Commissie ook na te denken over nieuwe steunregelingen om de bijdrage van de landbouw aan de vermindering van de CO2, bijvoorbeeld koolstoffixatie in de bodem en landbouwbiomassa, te ondersteunen en het gebruik van landbouwareaal te bevorderen dat een gunstig effect op de klimaatverandering heeft;

39.

wijst erop dat er behoefte is aan een juiste raming door de Commissie van de kosten van aanpassing van de landbouw aan de klimaatverandering;

40.

is van mening dat de instrumenten voor risico- en crisisbeheer moeten worden verbeterd en aangepast aan de toenemende wisselvalligheid van de markten en aan de nieuwe klimaatgevaren;

41.

onderstreept, gezien de omvang van de klimaatuitdaging en van de investeringen, dat de landbouw- en de bosbouwsector moeten kiezen voor meer duurzame productiemethoden en dat een sterk GLB met voldoende financiële middelen na 2013 moet worden gehandhaafd; voegt hieraan toe dat nieuwe extra middelen beschikbaar moeten komen in de vorm van prikkels voor verbreiding van moderne, innovatieve technologieën en systemen waarmee in de verschillende agrarische sectoren concrete resultaten op het vlak van beperking en aanpassing kunnen worden geboekt;

42.

wijst erop dat het GLB weliswaar geen Europees klimaatbeleid vormt, maar wel als uitgangspunt kan dienen voor het nemen van effectieve maatregelen en prikkels in de strijd tegen klimaatverandering en dat hiermee ook bij de debatten over de toekomstige begroting van de Unie rekening gehouden moet worden;

43.

pleit voor handhaving van de voortrekkersrol van de Europese Unie in de strijd tegen de klimaatverandering, die niet op het tweede plan mag geraken wegens de huidige economische moeilijkheden;

44.

onderstreept dat de Europese Unie beleid nodig heeft voor de ontwikkeling en financiering van een landbouw die moet voorzien in een veilige en kwalitatief goede voeding;

*

* *

45.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 281.

(2)  PB C 66 E van 20.3.2009, blz. 29.

(3)  PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 44.

(4)  Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0130.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0089.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/40


Woensdag, 5 mei 2010
Landbouw in gebieden met specifieke natuurlijke handicaps – een speciale doorlichting

P7_TA(2010)0132

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over landbouw in gebieden met specifieke natuurlijke handicaps – een speciale doorlichting (2009/2156(INI))

2011/C 81 E/07

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over doelgerichtere steun aan landbouwers in gebieden met natuurlijke handicaps (COM(2009)0161),

gezien het standpunt van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie van 17 december 2009,

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0056/2010),

A.

overwegende dat 54 %, d.w.z. meer dan de helft van het landbouwareaal in de EU als probleemgebied wordt geclassificeerd,

B.

overwegende dat elke lidstaat probleemgebieden heeft aangewezen, zij het in uiteenlopende omvang,

C.

overwegende dat berggebieden (met inbegrip van de arctische gebieden ten noorden van de 62ste breedtegraad, die als berggebieden worden behandeld) ca.16 % van het landbouwareaal uitmaken, maar dat meer dan 35 % van het landbouwareaal als zogeheten „intermediaire probleemgebieden” wordt geclassificeerd,

D.

overwegende dat deze „intermediaire probleemgebieden” door de lidstaten op basis van een lange reeks uiteenlopende criteria als zodanig worden geclassificeerd, hetgeen volgens de Europese Rekenkamer (1) tot ongelijke behandeling kan leiden,

E.

overwegende dat slechts een klein deel van de bedrijven in deze gebieden compensatiebetalingen ontvangt en dat het bedrag van deze betalingen per lidstaat sterk uiteenloopt (2),

F.

overwegende dat voor berggebieden en gebieden met specifieke handicaps, die in artikel 50, lid 2, (berggebieden) c.q. artikel 50, lid 3, letter b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) gedefinieerd worden, duidelijke en ondubbelzinnige criteria gelden, zodat de classificatie van deze gebieden niet het voorwerp van de kritiek van de Europese Rekenkamer was, en evenmin onderwerp van onderhavige mededeling van de Commissie,

G.

overwegende dat de bijzondere situatie in de ultraperifere gebieden invoering nodig maakt van specifieke procedures voor een juiste aanpak van die gebieden,

H.

overwegende dat de subsidiëring van probleemgebieden een belangrijk onderdeel vormt van de zogenaamde tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het beleid ten behoeve van de plattelandsontwikkeling, en dat dus noch doelstellingen voor het regionaal beleid, noch de herverdeling van de ELFPO-middelen centraal mogen staan in dit verslag,

I.

overwegende dat met de hervorming van de wetgeving inzake steun aan probleemgebieden en de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1698/2005 de eerder bestaande categorie „intermediaire probleemgebieden” afgeschaft is en de voor steun in aanmerking komende gebieden gedefinieerd zijn als gebieden met „natuurlijke handicaps”,

J.

overwegende dat de sociaaleconomische criteria die sommige lidstaten vóór de hervorming van 2005 hanteerden, sindsdien weliswaar niet meer als belangrijkste criteria voor het afbakenen van gebieden met „natuurlijke handicaps” mogen worden gebruikt, maar dat deze criteria nog wel kunnen worden toegepast voor het aanwijzen van gebieden met „specifieke handicaps”, die overeenkomstig artikel 50, lid 3, letter b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 voor steun in aanmerking komen,

K.

overwegende dat de lidstaten bij het opstellen van hun nationale en regionale programma's voor plattelandsontwikkeling over veel manoeuvreerruimte beschikken om een evenwichtig en op hun specifieke regionale situatie toegesneden maatregelenpakket voor te leggen, en dat het de taak van de lidstaten is om in hun programma's een adequaat aanbod voor hun probleemgebieden op te nemen,

L.

overwegende dat de voorgestelde acht biofysische criteria wellicht niet afdoende zijn, en de voorgestelde drempelwaarde van 66 % van het areaal niet in alle gevallen toereikend zal blijken om vast te stellen dat er sprake is van een probleemgebied op een manier die recht doet aan de grote diversiteit aan plattelandsgebieden in de EU; overwegende dat de verbouwde gewassen, de combinatie van bodemsoorten, de vochtigheid van de bodem en klimaat als factoren eveneens van belang zijn om uit te maken of er sprake is van een feitelijke handicap in een bepaald gebied,

1.

onderstreept de betekenis van adequate compensatiebetalingen voor probleemgebieden als onontbeerlijk instrument dat zowel het aanbod van een hoogwaardig openbaar goed als het behoud van de landbouwbedrijvigheid en het cultuurlandschap in deze gebieden moet verzekeren; onderstreept dat juist probleemgebieden vaak een hoge waarde bezitten wegens hun cultuurlandschap, hun rol bij het behoud van de biodiversiteit en het milieu, en ook wegens hun aandeel in de werkgelegenheid op het platteland en de levensvatbaarheid van landelijke gemeenschappen;

2.

onderkent dat probleemgebieden wegens hun unieke positie een belangrijke functie vervullen op het punt van ecologische voordelen en van landschapsbehoud, en benadrukt dat de betalingen uit hoofde van deze maatregel aan deze doelstellingen ten goede moeten komen;

3.

benadrukt dat artikel 158 EG-Verdrag betreffende het cohesiebeleid, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon, bijzondere aandacht schenkt aan regio's met natuurlijke handicaps; dringt bij de Commissie aan op een te ontwerpen algemene strategie die de verschillen tussen de lidstaten in aanpak van deze gebieden moet verkleinen, en die bevorderlijk moet zijn voor een geïntegreerde strategie die recht doet aan specifieke nationale en regionale kenmerken;

4.

wijst erop dat steunverlening aan gebieden met natuurlijke handicaps met name tot doel heeft te zorgen voor een aaneensluitend, doeltreffend en multifunctioneel georiënteerd bodembeheer, waardoor de landelijke gebieden behouden kunnen blijven als levensvatbare werk- en leefomgeving;

5.

onderstreept de noodzaak om in deze gebieden landbouw te blijven bedrijven, niet alleen om kwalitatief hoogstaande voedingsmiddelen te produceren, maar ook als bijdrage tot de macro-economische ontwikkeling, een betere levenskwaliteit en demografische en sociale stabiliteit in deze streken;

6.

vraagt de Commissie in dit verband om ook rekening te houden met de sociale implicaties van de nieuwe indeling van gebieden met natuurlijke handicaps;

7.

wijst erop dat voor compensatiebetalingen voor probleemgebieden, in tegenstelling tot agromilieubetalingen, geen bijkomende specifieke eisen aan de landbouwmethode mogen gelden die verder gaan dan voldoening aan randvoorwaarden; herinnert eraan dat de regeling voor probleemgebieden in beginsel compensatie moet bieden aan landbouwers die tevens als bodembeheerder met aanzienlijke natuurlijke handicaps moeten werken waarvoor de markt geen compensatie biedt;

8.

benadrukt evenwel dat de probleemgebiedenregeling moet worden gekoppeld aan actieve bewerking van de bodem, dat wil zeggen voedselproductie of nauw daarmee verbonden activiteiten;

9.

is van mening dat de door de Commissie voorgestelde acht biofysische criteria voor de afbakening van gebieden met natuurlijke handicaps tot op zekere hoogte in beginsel adequaat zouden kunnen zijn; onderstreept evenwel dat de criteria niet in alle gevallen voor een objectieve afbakening van gebieden met natuurlijke handicaps bruikbaar zijn;

10.

ziet evenwel in dat zuiver en alleen biofysische criteria misschien niet voor alle gebieden in Europa geschikt zijn en tot onbedoelde resultaten kunnen leiden in termen van subsidiabele gebieden; beveelt daarom aan om sociaal-economische criteria, zoals de afgelegenheid van de markten, gemis van diensten en ontvolking, op zuiver objectieve basis nogmaals op hun merites te bezien;

11.

vraagt de Commissie dringend rekening te houden met alle standpunten die tijdens de raadpleging van de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten en landbouworganisaties met betrekking tot de afbakening van gebieden met natuurlijke handicaps naar voren zijn gebracht;

12.

is van mening dat met name de invoeging van een geografisch criterium, aan te duiden als „isolatie”, zou afrekenen met de specifieke natuurlijke handicap die voortvloeit uit afgelegenheid van de markt, geïsoleerde ligging en beperkte toegang tot diensten;

13.

acht herziening nodig van de definitie van het criterium „bodemvochtigheidsbalans” zodat rekening wordt gehouden met de uiteenlopende agroklimatologische omstandigheden die zich in de verschillende EU-lidstaten voordoen;

14.

is van mening dat met het oog op de beperkingen van natte en onbewerkbare grond, door invoeging van een aantal werkbare dagen als criterium, rekening zou kunnen worden gehouden met de interactie tussen bodemsoorten en klimaat (bijvoorbeeld om de problemen in verband met het zeeklimaat adequaat weer te geven);

15.

vraagt de Commissie daarom haar onderzoeksinspanningen en analysen voort te zetten om eventueel aanvullende criteria in de nieuwe probleemgebiedenregeling in te voeren, teneinde haar voorstellen verder aan te passen aan de praktische moeilijkheden waar de landbouwers voor staan, en een stevig samenstel van criteria te bouwen die ook op lange duur bruikbaar blijven;

16.

onderstreept evenwel dat het voor de toepassing van deze criteria en de vaststelling van realistische grenswaarden in de praktijk nodig is dat de lidstaten en de regio's over de nodige biofysische gegevens beschikken die voldoende ruimtelijk gedetailleerd zijn; steunt dan ook de door de Commissie opgestarte simulatie van de toepassing van de voorgestelde criteria; dringt erop aan dat de door de lidstaten te overleggen gedetailleerde kaarten zo nodig gebruikt worden om de grenswaarden van de criteria die de gebieden met natuurlijke handicaps afbakenen en de voorgestelde grenswaarde van 66 % op nationaal of regionaal niveau aan de fysieke werkelijkheid aan te passen;

17.

benadrukt in het bijzonder dat cumulatieve toepassing van de gekozen criteria nodig zou kunnen blijken, om de wisselwerking tussen vele invloedrijke factoren op praktische wijze op te vangen; hierdoor zouden probleemgebieden door accumulatie van twee of meer kleine of middelzware natuurlijke handicaps als probleemgebied kunnen worden ingedeeld waar afzonderlijke criteria die indeling niet zouden rechtvaardigen;

18.

benadrukt dat een definitief standpunt met betrekking tot de door de Commissie gekozen territoriale eenheid en voorgestelde criteria en grenswaarden pas mogelijk is als de door de lidstaten op te stellen gedetailleerde kaarten beschikbaar zijn; benadrukt dat bij gebreke van zulke simulatieresultaten, de voorgestelde grenswaarde van 66 % evenals de drempelwaarden voor bepaling van de criteria zelf, met grote voorzichtigheid moet worden gehanteerd, en dat deze alleen objectief en correct kan worden bijgesteld zodra de nationale kaarten beschikbaar zijn; vraagt de Commissie daarom de simulatieresultaten meteen te bestuderen en aan de hand daarvan onverwijld een uitvoerige mededeling aan het Europees Parlement en de Raad over de afbakening van gebieden met natuurlijke handicaps te doen uitgaan;

19.

onderstreept dat wanneer de definitieve kaart van intermediair probleemgebied eenmaal gereed is, er ook objectieve nationale criteria in aanmerking moeten worden genomen om aanpassing van de afbakening van de gebieden aan de per land verschillende specifieke omstandigheden mogelijk te maken; is van mening dat deze aanpassing op een transparante manier moet geschieden;

20.

acht het noodzakelijk dat de criteria voor steunverlening aan gebieden met natuurlijke handicaps in zekere mate worden verfijnd, om te kunnen reageren op bijzondere geografische situaties waarin de natuurlijke handicaps door ingrijpen van de mens zijn opgevangen; onderstreept evenwel dat wanneer de bodemkwaliteit is verbeterd, er rekening moet worden gehouden met de last van daarmee verbonden lopende kosten voor onderhoud zoals drainage en irrigatie; stelt voor hiertoe ook bedrijfseconomische gegevens (zoals het bedrijfsinkomen en de bodemproductiviteit) te gebruiken; onderstreept evenwel dat de beslissing over deze verfijnde criteria bij de lidstaten moet liggen, want veel lidstaten hebben voor differentiëring al een adequaat en geschikt systeem uitgewerkt dat gehandhaafd kan blijven;

21.

is van mening dat de nieuwe criteria bepaalde gebieden met natuurlijke handicaps kunnen uitsluiten die thans voor de regeling in aanmerking komen; wijst erop dat er een adequate gewenningsperiode moet worden vastgesteld om de betrokken regio's in staat te stellen zich aan de nieuwe situatie aan te passen;

22.

onderstreept dat de gebieden die de natuurlijke nadelen van de bodem dank zij landbouwtechnieken hebben overwonnen, niet definitief mogen worden afgevoerd, vooral wanneer het inkomen uit de landbouw daar nog laag is of wanneer er zeer weinig alternatieve productiemogelijkheden zijn, en vraagt de Commissie om voor een soepele overgang voor deze gebieden te zorgen;

23.

dringt erop aan dat bij technische procedures voor het compenseren van de natuurlijke handicaps niet alleen de voordelen op korte termijn in ogenschouw worden genomen, maar dat de procedures ook worden beoordeeld op hun duurzaamheid;

24.

benadrukt de verantwoordelijkheid van de lidstaten bij de objectieve afbakening van gebieden met natuurlijke handicaps en bij het opstellen van evenwichtige programma's voor de ontwikkeling van het platteland; onderstreept dat de volle betrokkenheid van de regionale en lokale autoriteiten bij dit proces noodzakelijk is; onderstreept tegelijk dat deze nationale of regionale beslissingen aan de Commissie moeten worden gemeld dan wel ter goedkeuring moeten worden voorgelegd;

25.

benadrukt dat de hervorming rond de gebieden met natuurlijke handicaps wezenlijk deel uitmaakt van de toekomstige ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU;

26.

roept de Commissie op om binnen een jaar een afzonderlijk wetgevingsinstrument voor landbouw in gebieden met natuurlijke handicaps voor te bereiden;

27.

bepleit om de herziening van de probleemgebiedenregeling te laten plaatsvinden tegen de achtergrond van de discussie over hervorming van het GLB als geheel, teneinde samenhang te brengen in de nieuwe steunregelingen voor landbouwers, met name in verband met de nieuwe bedrijfstoeslagregeling;

28.

beseft welke implicaties de herdefiniëring van intermediaire probleemgebieden kan hebben voor de toekomstige opzet van de steun uit hoofde van het GLB, en vraagt de Commissie daarom rekening te houden met alle standpunten die tijdens de raadpleging van de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten en betrokken landbouworganisaties naar voren zijn gebracht;

29.

verlangt bescherming van de Europese begroting voor plattelandsontwikkeling, en vraagt de lidstaten met klem om optimaal gebruik te maken van cofinancieringsmogelijkheden voor de probleemgebiedenregeling, een van de meest doeltreffende en belangrijke regelingen voor plattelandsontwikkeling;

30.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.


(1)  Europese Rekenkamer: Speciaal verslag nr. 4/2003, PB C 151 van 27.6.2003.

(2)  Van 16 EUR/ha in Spanje tot 250 EUR/ha in Malta.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/45


Woensdag, 5 mei 2010
Een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu

P7_TA(2010)0133

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu (2009/2225(INI))

2011/C 81 E/08

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Verslag over het digitale concurrentievermogen van Europa. Voornaamste successen van de i2010-strategie 2005-2009” (COM(2009)0390),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de grensoverschrijdende elektronische handel tussen ondernemingen en consumenten in de EU (COM(2009)0557),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2006 over een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 februari 2007„Op weg naar een uniform spectrumbeleid van de Europese Unie” (2),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 juni 2007 over het ontwikkelen van een Europees beleid voor breedbanddiensten (3),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 juni 2007 over consumentenvertrouwen in een digitale omgeving (4),

gelet op artikel 48 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0066/2010),

A.

overwegende dat informatie- en communicatietechnologieën (ICT) in praktisch alle aspecten van ons leven zijn doorgedrongen en onlosmakelijk verbonden zijn met ons streven naar een welvarende en concurrerende economie, behoud van het milieu en een meer democratische, open en inclusieve samenleving,

B.

overwegende dat Europa een voortrekkersrol dient te vervullen door digitale technologieën te creëren en toe te passen en meer waarde te geven aan zijn burgers en ondernemingen; overwegende dat het gebruik van digitale technologieën eraan bijdraagt de huidige structurele uitdagingen het hoofd te bieden door een duurzame economische groei te bewerkstelligen,

C.

overwegende dat Europa alleen de vruchten van deze digitale revolutie kan plukken als alle EU-burgers worden aangesproken en in staat worden gesteld volledig deel te nemen aan de nieuwe digitale samenleving, en indien het individu bij de beleidsmaatregelen centraal gesteld wordt; overwegende dat deze digitale revolutie niet langer kan worden opgevat als een geleidelijke ontwikkeling vanuit het industriële verleden maar meer als een proces van radicale verandering,

D.

overwegende dat de ontwikkeling van de digitale samenleving inclusief en toegankelijk moet zijn en moet worden ondersteund door effectieve beleidsmaatregelen om de digitale kloof in de EU te dichten, door meer burgers e-vaardigheden bij te brengen om optimaal gebruik te maken van de kansen die digitale technologieën bieden,

E.

overwegende dat breedbandinternet beschikbaar is voor 90 % van de EU-bevolking en dat desondanks slechts 50 % van de huishoudens deze mogelijkheid daadwerkelijk benut,

F.

overwegende dat concurrerende communicatiemarkten belangrijk zijn om te waarborgen dat gebruikers maximale voordelen genieten op het gebied van keuze, kwaliteit en betaalbare prijzen,

G.

overwegende dat het potentieel van Europa onverbrekelijk verbonden is met de vaardigheden van zijn bevolking, zijn beroepskrachten en organisaties; overwegende dat zonder vaardigheden de ICT-technologieën en -infrastructuren slechts een beperkte economische en sociale toegevoegde waarde kunnen hebben,

H.

overwegende dat ICT een uitermate krachtige bijdrage kan leveren aan de inspanningen om een gunstige en duurzame ontwikkeling tot stand te brengen in landen over de gehele wereld en de armoede en sociale en economische ongelijkheden te bestrijden,

I.

overwegende dat burgers zullen aarzelen om te communiceren, vrij hun mening te uiten en transacties aan te gaan als zij onvoldoende vertrouwen hebben in het juridische kader van de nieuwe digitale ruimte; overwegende dat de waarborging en naleving van fundamentele rechten in deze context een essentiële voorwaarde is voor het vertrouwen van de burger; overwegende dat het waarborgen van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (IER) en andere rechten een essentiële voorwaarde is voor het vertrouwen van het bedrijfsleven,

J.

overwegende dat de cybercriminaliteit, zoals het aanzetten tot het plegen van terroristische aanvallen, haatmisdrijven en kinderporno, is toegenomen en een gevaar inhoudt voor mensen, met inbegrip van kinderen,

K.

overwegende dat de Europese culturele en creatieve bedrijfstakken niet alleen een essentiële rol spelen bij de bevordering van de culturele diversiteit, de pluriformiteit van de media en de participerende democratie in Europa, maar dat ze ook een belangrijke drijvende kracht vormen achter de duurzame ontwikkeling en het economisch herstel van de Europese Unie; overwegende dat er in het debat over het opzetten van een interne markt in de creatieve sector bijzondere aandacht moet worden besteed aan specifieke culturele en linguïstische kenmerken,

L.

overwegende dat de Europese democratische samenleving, de participatie van burgers in het maatschappelijk debat en de toegang tot informatie in de digitale wereld afhankelijk zijn van een dynamische en concurrerende perssector als vierde pijler van de democratie,

M.

overwegende dat onvoldoende voortgang op het gebied van het creëren, verspreiden en gebruik van ICT ten grondslag kan liggen aan een vertraagde groei en productiviteit en dat jonge ondernemingen met een groot groeipotentieel die actief zijn op het gebied van ICT-innovatie er moeite mee hebben zich blijvend op de markt te vestigen,

N.

overwegende dat de openbare en de particuliere sector moeten investeren in nieuwe innoverende platforms en diensten zoals, bijvoorbeeld, „cloud computing”, e-gezondheidszorg, slimme meters, intelligente mobiliteit enzovoort; overwegende dat de versterking van de Europese interne markt de belangstelling voor investeringen in de Europese economie en markten zal doen toenemen en tot grotere schaalvoordelen zal leiden,

O.

overwegende dat er nog geen volledig functionerende digitale interne markt voor internet- en communicatiediensten in Europa tot stand is gebracht; overwegende dat het vrije verkeer van digitale diensten en grensoverschrijdende e-handel momenteel ernstig belemmerd wordt door versnipperde nationale regelgeving; overwegende dat Europese ondernemingen en overheidsdiensten economisch en sociaal voordeel zullen halen uit het gebruik van geavanceerde ICT-diensten en toepassingen,

P.

overwegende dat de kloof tussen nationale en grensoverschrijdende e-handel in de EU groter wordt, hoewel internet het snelst groeiende kanaal voor detailhandel is; overwegende grensoverschrijdende e-handel burgers in de EU de mogelijkheid biedt om veel geld te besparen zoals blijkt uit de mededeling van de Commissie over de grensoverschrijdende elektronische handel tussen ondernemingen en consumenten in de EU (COM(2009)0557),

1.

verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een ambitieuze digitale agenda en een actieplan dat Europa in staat stelt zich te ontwikkelen tot een open en welvarende digitale samenleving en dat alle burgers economische, sociale en culturele perspectieven biedt; stelt voor deze nieuwe digitale agenda „agenda 2015.eu” te noemen en te baseren op het model van de positieve 2015.eu-spiraal;

2.

wijst op het belang van voortgezette inspanningen om een universele snelle toegang tot vast en mobiel breedbandinternet voor alle burgers en consumenten te verwezenlijken, en om concurrentie te waarborgen ten behoeve van de gebruikers; wijst erop dat dit gericht beleid vereist dat concurrentie, efficiënte investeringen in en innovatie van nieuwe en verbeterde toegangsinfrastructuren en keuzeaanbod van verbindingen bevordert, onder eerlijke voorwaarden en concurrerende prijzen voor alle burgers, ongeacht de locatie, zodat wordt gewaarborgd dat geen enkele Europese burger wordt uitgesloten;

3.

meent dat elk huishouden in de EU in 2013 toegang moet hebben tot breedbandinternet voor een concurrerende prijs; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle beschikbare beleidsinstrumenten in te zetten om snel breedbandinternet voor iedereen te waarborgen, met inbegrip van het gebruik van de Europese structuurfondsen en het digitale dividend teneinde de dekking voor en kwaliteit van mobiel breedbandinternet uit te breiden; verzoekt de lidstaten bovendien de Europese strategie inzake snelle breedbandverbindingen een nieuwe impuls te geven, met name door de nationale streefdoelen inzake de dekking voor breedbandinternet en snelle toegang aan te passen;

4.

wijst erop dat enkele dubbelzinnigheden in de regels inzake overheidssteun van invloed kunnen zijn op door de Gemeenschap gesteunde breedbanddiensten, met name met betrekking tot de mogelijkheid van de overheidsdiensten om hun eigen netwerkeisen te consolideren als basis voor nieuwe investeringen; verzoekt de Commissie deze problemen dringend aan te pakken;

5.

herinnert eraan dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan plattelandsgebieden, regio's die kampen met de gevolgen van industriële conversie, en regio's die ernstige en permanente natuurlijke of demografische nadelen ondervinden, met name in ultraperifere gebieden; is van mening dat een passende oplossing om ervoor te zorgen dat de burgers van deze regio's binnen een aanvaardbare termijn en tegen een redelijke prijs daadwerkelijk worden voorzien van en toegang krijgen tot breedbandinternet gelegen is in draadloze technologieën met inbegrip van satellietverbindingen, omdat zij dan overal onmiddellijk toegang tot internet kunnen krijgen;

6.

wijst erop dat de verplichtingen inzake universele diensten overeenkomen met het minimale pakket aan diensten van een bepaalde kwaliteit waar alle eindgebruikers tegen een redelijke prijs toegang toe zouden moeten hebben zonder concurrentieverstoring en extra lasten voor consumenten en netwerkbeheerders; roept de Commissie op onverwijld te komen met de langverwachte herziening van de universele dienstverlening;

7.

benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat eindgebruikers met een handicap dezelfde toegang hebben als andere eindgebruikers, zoals gevraagd door het Europees Parlement bij de herziening van de richtlijn inzake de universele dienst en gebruikersrechten; verzoekt de Commissie zoveel mogelijk rekening te houden met de behoeften van gebruikers met een handicap in de „agenda 2015.eu”;

8.

verzoekt de Commissie een effectbeoordeling uit te voeren om na te gaan hoe Europese nummerportabiliteit tot stand kan worden gebracht;

9.

wijst erop dat Europa zijn positie als mobiel continent in de wereld moet behouden en ervoor moet zorgen dat 75 % van de mobiele abonnees vóór 2015 gebruikers zijn van mobiel breedbandinternet met toegang tot snelle draadloze diensten;

10.

wijst opnieuw op de noodzaak om de geharmoniseerde benutting van het digitale dividend op niet-discriminerende wijze te versnellen zonder de bestaande en verbeterde omroepdiensten te ondermijnen;

11.

verzoekt de Commissie om via het Radiospectrumcomité praktische en technische voorschriften vast te stellen waarmee wordt gewaarborgd dat het spectrum tijdig beschikbaar komt en voldoende flexibiliteit garandeert om de ontwikkeling van nieuwe technologieën en diensten, zoals mobiel breedbandinternet, mogelijk te maken; verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de concurrentie en de marktontwikkelingen;

12.

onderstreept dat de beoordeling van en het onderzoek naar mogelijke interferenties tussen bestaande en toekomstige gebruikers van het spectrum moeten worden voortgezet om eventuele negatieve gevolgen voor de consument op te vangen;

13.

is van mening dat de lidstaten, gezien de stijging van het percentage huishoudens met toegang tot internet, ernaar moeten streven dat 50 % van de huishoudens in de EU in 2015 aangesloten moet zijn op snelle netwerken en 100 % in 2020, teneinde de eindgebruiker een betrouwbare en betere ervaring te bieden die in lijn is met de verwachtingen en behoeften van de consument; herhaalt dat om deze doelstellingen te verwezenlijken een passend beleidskader van vitaal belang is ten einde particuliere investeringen aan te trekken, concurrentie te waarborgen en het keuzeaanbod voor de consument te vergroten;

14.

dringt er bij de lidstaten op aan het nieuwe regelgevingskader voor elektronische communicatie vóór de vastgestelde termijn om te zetten, het volledig ten uitvoer te leggen en de nodige bevoegdheden te verlenen aan nationale regelgevende instanties; benadrukt dat het nieuwe kader een stabiel en voorspelbaar regelgevend kader biedt dat investeringen stimuleert en concurrerende markten voor ICT-netwerken, producten diensten bevordert hetgeen bijdraagt tot te totstandbrenging van een betere interne markt voor diensten van de informatiemaatschappij; onderstreept dat alle richtsnoeren voor de toepassing van het telecompakket over de toegang tot netwerken en spectrum van de volgende generatie moeten bijdragen aan de volledige tenuitvoerlegging van de concepten die in de richtlijnen vervat zijn teneinde de ontwikkeling van deze netwerken te bevorderen;

15.

dringt aan op een meer doeltreffende coördinatie van de regelgeving door te waarborgen dat het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) zo spoedig mogelijk volledig operationeel is;

16.

verzoekt de belanghebbende partijen open modellen voor de invoering van communicatiewerken te hanteren om de innovatie te helpen bevorderen en de vraag te stimuleren;

17.

dringt opnieuw aan op een transparante en voorspelbare regelgeving en verzoekt de Commissie de beginselen van betere regelgeving te blijven toepassen bij de voorbereiding van wetgevende en niet-wetgevende initiatieven, inzonderheid door middel van gerichte en tijdig uitgevoerde effectbeoordelingen;

18.

wijst erop dat interoperabiliteit en toegankelijkheid met elkaar verweven zijn en de fundamenten vormen voor een efficiënte informatiemaatschappij waarin producten, infrastructuren en diensten op zodanige wijze met elkaar interopereren dat Europeanen toegang zullen hebben tot diensten en gegevens ongeacht de software die zij gebruiken;

19.

onderstreept dat digitale competentie van cruciaal belang is voor een inclusieve digitale samenleving en dat alle EU-burgers in staat gesteld en gestimuleerd moeten worden om adequate digitale vaardigheden op te doen; benadrukt dat digitale competentie de integratie van kansarme mensen (bijv. ouderen en mensen met lage inkomens) in de samenleving kan bevorderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ongelijkheden tussen verschillende groepen in de samenleving met betrekking tot digitale kennis en internetgebruik, de zogenoemde groeiende tweede digitale kloof, aan te pakken; onderstreept dat het van essentieel belang is zich tot doel te stellen om voor 2015 de verschillen in digitale kennis en vaardigheden met de helft te reduceren;

20.

pleit voor eerbiediging van de criteria van doorzichtigheid, toegankelijkheid en gelijke kansen bij het gebruik van ICT-systemen om de gebruikersvriendelijkheid van deze systemen voor een zo groot mogelijk aantal Europese burgers te bevorderen;

21.

benadrukt dat alle basis- en middelbare scholen voor 2013 betrouwbare, kwalitatief hoogwaardige internetverbindingen moeten hebben en voor 2015 zeer snelle internetverbindingen, en waar nodig met de steun van het regionaal beleid en het cohesiebeleid; benadrukt dat ICT-opleidingen en e-learning een integrerend onderdeel moeten zijn van de activiteiten in het kader van een leven lang leren via betere en goed toegankelijke onderwijs- en opleidingsprogramma’s;

22.

erkent het belang van e-learning als een aan de vernieuwingen in de ICT aangepaste onderwijsmethode waarmee kan worden voorzien in de behoeften van mensen die geen gemakkelijke toegang tot conventionele onderwijsmethoden hebben, maar benadrukt dat informatie-uitwisseling tussen leraren, leerlingen en andere betrokken partijen een essentiële voorwaarde is; is van mening dat internationale uitwisseling bovendien moet worden aangemoedigd, zodat onderwijsinstellingen weer een belangrijke rol kunnen krijgen in de bevordering van begrip tussen de volkeren;

23.

beveelt aan het concept van digitale kennis in de onderwijssystemen in te voeren, al vanaf het kleuteronderwijs, gelijktijdig met de invoering van vreemde talen, teneinde de gebruikers zo vroeg mogelijk te bekwamen;

24.

wijst erop dat het belangrijk is de EU-burgers digitale vaardigheden aan te leren om ze te helpen de voordelen van deelname aan de digitale maatschappij ten volle te benutten; wijst er nogmaals op dat ervoor gezorgd moet worden dat de kennis, vaardigheden, competentie en creativiteit van de Europese werknemers aan de hoogste mondiale normen voldoen en voortdurend worden geactualiseerd; is van mening dat digitale kennis en vaardigheden centraal moeten staan in het EU-beleid, aangezien zij de belangrijkste motor zijn achter de Europese innovatiemaatschappij;

25.

stelt voor een „Actieplan voor digitale kennis en inclusie” in de EU en de lidstaten te lanceren, dat de volgende elementen omvat: specifieke cursussen in digitale vaardigheden voor werklozen en groepen die uitgesloten dreigen te raken; stimulansen voor initiatieven van de particuliere sector om cursussen in digitale vaardigheden te organiseren voor alle werknemers; een Europees initiatief „Be smart online!” om alle studenten, met inbegrip van degenen die studeren in het kader van een leven lang leren of een beroepsopleiding volgen, vertrouwd te maken met veilig gebruik van ICT en internetdiensten; en een gemeenschappelijke Europese ICT-certificatieregeling;

26.

verzoekt de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om jonge beroepskrachten ertoe aan te zetten te kiezen voor een ICT-carrière; verzoekt de lidstaten om intussen in hun nationale onderwijsprogramma’s voor leerlingen uit het basisonderwijs meer nadruk te leggen op natuurwetenschappen, zoals wiskunde en natuurkunde; stelt zich op het standpunt dat, gelet op de reële en dringende noodzaak om op de korte tot middellange termijn het tekort aan elektronische vaardigheden in Europa weg te werken, moet worden voorzien in een betere gegevensbank om de elektronische vaardigheden te inventariseren; verzoekt de Europese instellingen verdere maatregelen te nemen om deze gegevensbank op te zetten;

27.

wijst erop dat alle EU-burgers bewust gemaakt moeten worden van hun digitale basisrechten en verplichtingen door middel van een Europees handvest van burger- en consumentenrechten in de digitale omgeving; is van mening dat het acquis communautaire in dit handvest moet worden geconsolideerd, met inbegrip van met name de rechten van gebruikers met betrekking tot de bescherming van de privésfeer, kwetsbare gebruikers en digitale inhoud, alsmede de garantie van adequate interoperabiliteit; wijst er nogmaals op dat de rechten in de digitale omgeving gezien moeten worden in het algemene kader van de grondrechten;

28.

is ervan overtuigd dat de bescherming van de privésfeer een essentiële waarde is en dat alle gebruikers controle moeten hebben over hun persoonsgegevens, met inbegrip van „het recht om vergeten te worden”; dringt er bij de Commissie op aan om gegevensbescherming en privacykwesties niet slechts als op zichzelf staande fenomenen te beschouwen, maar om op dit gebied speciaal rekening te houden met de specifieke behoeften van minderjarigen en jong volwassenen; dringt er bij de Commissie op aan een voorstel in te dienen om de richtlijn gegevensbescherming aan te passen aan de huidige digitale omgeving;

29.

benadrukt dat de Commissie en de lidstaten maatregelen moeten blijven nemen om de digitale beveiliging te verbeteren, om cybercriminaliteit en spam te bestrijden, om het vertrouwen van de consument te vergroten en om de cyberspace van de Europese Unie te beveiligen tegen allerlei soorten misdaden en overtredingen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de internationale samenwerking op dit gebied daadwerkelijk in de praktijk te brengen en te bevorderen; herinnert de lidstaten eraan dat bijna de helft van hen het verdrag inzake cybercriminaliteit van de Raad van Europa nog niet heeft geratificeerd en dringt er bij alle lidstaten op aan dit verdrag te ratificeren en uit te voeren;

30.

verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat alle burgers in Europa over een veilige elektronische identificatie beschikken;

31.

dringt aan op waarborging van een open internet, waar burgers het recht hebben en zakelijke gebruikers in staat zijn informatie te zoeken en te verspreiden of gebruik te maken van computerprogramma's en diensten van hun keuze, zoals voorzien in het nieuwe regelgevingskader; verzoekt de Commissie, het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en de nationale regelgevende instanties (NRI's) om de bepalingen inzake „netneutraliteit” te bevorderen, de tenuitvoerlegging nauwlettend te controleren en voor eind 2010 verslag uit te brengen aan het Europees Parlement; is van mening dat de wetgeving van de EU de „mere conduit”-bepaling als vastgelegd in de richtlijn e-handel (2000/31/EG) moet handhaven als een cruciale manier om vrije concurrentie op de digitale markt mogelijk te maken;

32.

benadrukt dat pluralisme, persvrijheid en eerbiediging van culturele diversiteit behoren tot de doelstellingen en kernwaarden van de Europese Unie; roept daarom de Europese Commissie op om het voorgenomen EU-beleid op alle vlakken in overeenstemming te brengen met deze waarden en doelstellingen;

33.

is ingenomen met de snelle tenuitvoerlegging van de wetgeving betreffende roaming; benadrukt dat het nodig blijft voortdurend toezicht te houden op de prijzen voor roaming binnen de EU, met inbegrip van de prijzen voor gegevensdiensten; verzoekt BEREC een onafhankelijke analyse uit te voeren van andere methoden dan prijsregulering die gebruikt zouden kunnen worden om een concurrerende interne markt voor roaming tot stand te brengen; verzoekt de Commissie om op basis van de BEREC-analyse en van haar eigen herziening vóór 2013 een langetermijnoplossing voor het probleem van roaming voor te stellen om te zorgen voor een goed functionerende, consumentgerichte en concurrerende interne markt die leidt tot lagere prijzen;

34.

benadrukt dat digitale diensten er toe kunnen bijdragen dat Europa de interne markt volledig benut; dringt aan op een doeltreffend beleid voor een digitale interne markt die online diensten in Europa concurrerender, beter toegankelijk, grensoverschrijdend en transparanter maakt door het hoogst mogelijke niveau van consumentenbescherming te bieden en een einde te maken aan territoriale discriminatie; verzoekt de EU-instellingen om de belangrijkste regelgevings- en administratieve obstakels voor grensoverschrijdende internettransacties voor 2013 op te lossen; verzoekt de Commissie door te gaan met haar permanente evaluatie van het acquis communautaire dat van invloed is op de digitale interne markt en gerichte wetgevingsmaatregelen inzake belangrijke belemmeringen voor te stellen;

35.

dringt aan op een onderzoek naar geharmoniseerde regels binnen de EU teneinde een gemeenschappelijke markt voor op netwerken gebaseerde diensten („cloud computing”) en e-handel te bevorderen;

36.

verzoekt de Commissie maatregelen te overwegen om de transparantie van de handelsvoorwaarden van grensoverschrijdende online handel en de doelmatigheid van grensoverschrijdende handhaving en verhaal verder te vergroten; benadrukt dat een geslaagde invoering van e-handel een efficiënte distributie van producten en goederen vereist en vestigt derhalve de aandacht op het feit dat de derde richtlijn inzake postdiensten (2008/6/EG) snel dient te worden geïmplementeerd;

37.

is van mening dat de lidstaten moeten zorgen voor de noodzakelijke digitale omgeving voor bedrijven, met name KMO's; verzoekt de lidstaten in iedere lidstaat een „één loket-systeem” voor de btw te creëren om grensoverschrijdende e-handel voor KMO’s en voor ondernemers te vereenvoudigen en verzoekt de Commissie het algemene gebruik van e-facturen te steunen;

38.

verzoekt de Commissie en de lidstaten er voor te zorgen dat voor 2015 minstens 50 % van alle overheidsopdrachten elektronisch worden aanbesteed, zoals bepaald in het actieplan waarover de ministerconferentie over e-bestuur het in 2005 in Manchester eens is geworden;

39.

is van mening dat de richtlijnen voor het juridische kader voor de informatiemaatschappij zo'n 10 jaar na hun goedkeuring achterhaald lijken vanwege de grotere complexiteit van de internetomgeving, de invoering van nieuwe technologieën en het feit dat de gegevens van de burgers van de EU steeds vaker buiten de EU worden verwerkt; meent dat de juridische problemen in verband met sommige richtlijnen opgelost kunnen worden via een periodieke aanpassing, maar dat andere richtlijnen grondiger herzien moeten worden en dat er een internationaal kader voor gegevensbescherming dient te worden goedgekeurd;

40.

wijst op de potentiële waarde voor burgers en bedrijven van de digitale omschakeling van overheidsdiensten (e-bestuur), om een efficiëntere en persoonlijke dienstverlening aan burgers mogelijk te maken; dringt er bij de lidstaten op aan gebruik te maken van ICT-tools om transparantie en verantwoording voor overheidsoptreden te verbeteren en een bijdrage te leveren aan een meer participerende democratie door alle sociaal-economische groeperingen erbij te betrekken, de bewustwording van nieuwe gebruikers te stimuleren en vertrouwen op te bouwen; verzoekt de lidstaten nationale plannen uit te werken voor de digitale omschakeling van overheidsdiensten, die streefdoelen en maatregelen inhouden om alle overheidsdiensten voor 2015 online, en op een voor personen met een handicap toegankelijke wijze, beschikbaar te stellen;

41.

onderstreept het belang van breedbandinternet voor de gezondheid van de Europese burgers, aangezien dit systeem het gebruik van efficiënte gezondheidsinformatietechnologieën mogelijk maakt, de kwaliteit van de medische zorgen verbetert, de geografische reikwijdte van de gezondheidszorg uitbreidt met landelijke, insulaire, bergachtige en dunbevolkte gebieden, de thuiszorg bevordert, en het aantal nodeloze behandelingen en dure verplaatsingen van patiënten terugschroeft; wijst er op dat breedbandinternet de bescherming van de Europese burgers ook kan verbeteren door het toegankelijk maken ofwel bevorderen van informatie over de openbare veiligheid, procedures, reactie op rampen en herstel;

42.

onderstreept dat ICT bijzonder belangrijk is voor personen met een handicap omdat zij bij hun dagelijkse activiteiten in het algemeen meer technologische hulp behoeven dan andere mensen; is van oordeel dat personen met een handicap het recht hebben om, onder gelijke voorwaarden, deel te nemen aan een snelle ontwikkeling van de producten en diensten die voortvloeien uit de nieuwe technologieën teneinde profijt te kunnen halen uit een inclusieve informatiemaatschappij zonder grenzen;

43.

onderstreept dat er met het oog op het vrije verkeer van inhoud en kennis een „vijfde vrijheid” moet worden ontwikkeld en dat er vóór 2015 een convergerend, consumentvriendelijk juridisch kader moet worden verwezenlijkt voor de toegang tot digitale inhoud in Europa, dat de rechtszekerheid van de consumenten verbetert en dat zorgt voor een eerlijk evenwicht tussen de rechten van houders van rechten en de toegang van het algemene publiek tot inhoud en kennis; verzoekt de EU, met het oog op de snelheid van de technologische vooruitgang, het debat over het auteursrecht te versnellen en de gevolgen van een Europese titel betreffende auteursrecht krachtens artikel 118 van het Verdrag betreffende de werking van de EU te analyseren om op die manier in de hele Unie intellectuele-eigendomsrechten op uniforme wijze te beschermen, zowel offline als online;

44.

erkent dat de creatieve en culturele industrieën in Europa niet alleen een essentiële rol spelen bij het bevorderen van de culturele diversiteit, pluriformiteit van de media en een participerende democratie in Europa, maar ook belangrijk zijn als motor achter duurzame groei in Europa, en zo een beslissende rol kunnen spelen bij het economisch herstel van de EU; erkent de noodzaak van het stimuleren van een omgeving waarin blijvende steun is voor de creatieve industrie; doet in dit opzicht een beroep op de Commissie om het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van diversiteit van cultuuruitingen te implementeren in alle beleidsinitiatieven met betrekking tot de digitale agenda;

45.

benadrukt dat een Europese digitale agenda de productie en verspreiding moet bevorderen van kwalitatief hoogwaardige en cultureel diverse inhoud in de EU, om alle EU-burgers aan te moedigen gebruik te maken van digitale technologieën zoals internet en om de culturele en sociale voordelen die EU-burgers van deze technologieën kunnen hebben, optimaal te benutten; beveelt aan dat een voorlichtingscampagne op EU-niveau wordt georganiseerd om de bewustwording op dit gebied te bevorderen, met name door de ontwikkeling en verspreiding van digitale, culturele inhoud; verzoekt de Europese Commissie om in het kader van haar wetgevend en werkprogramma de mogelijkheid te onderzoeken om de lidstaten toe te staan een lagere btw te heffen op de verspreiding van culturele goederen online;

46.

benadrukt dat het internet, dat vele nieuwe mogelijkheden biedt voor de circulatie van en de toegang tot producten van creatieve werkzaamheden, ook nieuwe risico's met zich meebrengt en dat de cyberspace van de Europese Unie moet worden beveiligd tegen nieuwe vormen van criminaliteit en nieuwe overtredingen; merkt op dat sancties, als een mogelijk instrument tot bescherming van de auteursrechten, in beginsel meer gericht moeten zijn op commerciële exploitanten dan op individuele burgers;

47.

is van mening dat de EU, gezien de nieuwe technologieën, de nieuwe digitale methoden van levering en het veranderende consumentengedrag, de nadruk moet leggen op aanbodbeleid en een verdere ontwikkeling van de regels voor het verlenen van licenties en het verwerven van rechten dient te overwegen; dringt aan op een verbeterd, efficiënter, consistenter en transparant stelsel voor het beheren en verwerven van rechten op muziek en audiovisuele werken en op een hogere mate van transparantie en concurrentie tussen de collectieve rechtenbeheersorganisaties;

48.

onderstreept dat in de nieuwe digitale agenda meer aandacht moet worden besteed aan de digitalisering van, en de verbetering van de toegang van de burgers tot, het unieke culturele erfgoed van Europa; verzoekt de lidstaten met klem het digitaliseringsbeleid van de EU financieel voldoende te ondersteunen en moedigt zowel de Commissie als de lidstaten aan geschikte oplossingen voor de huidige wettelijke belemmeringen te vinden;

49.

uit zijn ernstige bezorgdheid over de toekomst van het project voor een Europese digitale bibliotheek, tenzij er een radicale verandering plaatsvindt in het digitale formaat van de bibliotheek, het bestuur, de efficiëntie, de praktijkgerichtheid, het nut en de ruime media-aandacht die aan het project moet worden gegeven;

50.

is van mening dat het, naast een consistent gebruik van ICT, van essentieel belang is hoogwaardig ICT-onderzoek te stimuleren en openbare en particuliere investeringen in riskant gezamenlijk ICT-onderzoek en innovatie te bevorderen; benadrukt dat Europa een voortrekkersrol moet spelen in de ontwikkeling van internettechnologieën, cloud computing, slimme omgevingen en hypercomputers en ICT-toepassingen voor lage CO2-emissies; stelt voor in de volgende Financiële Vooruitzichten het EU-budget voor ICT-onderzoek te verdubbelen en het budget voor bevordering van ICT-gebruik te verviervoudigen;

51.

betreurt dat Europa bij het aantrekken, stimuleren en vasthouden van academisch talent op het gebied van ICT nog steeds een achterstand heeft op andere leidende markten, en dat er een aanzienlijke braindrain plaatsvindt vanwege de betere werkomstandigheden in de VS voor academici en onderzoekers; benadrukt dat Europa, net als het bedrijfsleven, bij de aanpak van dit probleem met de academische wereld moet samenwerken om een dynamisch loopbaanontwikkelingsprogramma aan te bieden ter ondersteuning van de essentiële rol die de onderzoekswereld speelt in een brede mondiale innovatiestrategie op het gebied van ICT;

52.

is van mening dat tot 2015 alle Europese onderzoeksinstellingen en –infrastructuren verbonden moeten zijn met supersnelle (Gbps-) communicatienetwerken en aldus een intranet gecreëerd wordt voor de Europese onderzoeksgemeenschap;

53.

dringt aan op grotere inspanningen om het gebruik van vrije software („open source software”) binnen de EU te bevorderen;

54.

pleit voor nieuwe investeringen in onderzoek, zodat bestaande digitale hulpmiddelen beter kunnen worden geïmplementeerd en de toegang van alle burgers tot culturele producten is gewaarborgd;

55.

is bezorgd over de bureaucratische rompslomp in het EU kaderprogramma; verzoekt de Commissie bureaucratische belemmeringen op te lossen door de procedures van het kaderprogramma te herzien, zonder dit programma in gevaar te brengen, en een gebruikerscomité op te richten;

56.

verzoekt de Commissie om met de lidstaten te evalueren hoe de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG inzake overheidsopdrachten en de omzetting daarvan, onderzoek en innovatie ondersteunen en om voor zover mogelijk daaruit de beste praktijken af te leiden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om na te denken over de ontwikkeling van indicatoren met betrekking tot innovatie op het gebied van overheidsopdrachten;

57.

herinnert eraan dat het toekomstige concurrentievermogen van Europa en zijn vermogen om zich te herstellen van de huidige economische crisis grotendeels afhangen van de mate waarin ervoor gezorgd wordt dat ICT daadwerkelijk in alle bedrijven wordt gebruikt; merkt echter op dat KMO's nog steeds een grote achterstand hebben ten opzichte van grote ondernemingen en vestigt in het bijzonder de aandacht op het feit dat er garanties moeten zijn zodat KMO’s niet uitgesloten worden van de ICT-ontwikkeling; verzoekt de lidstaten en de Commissie meer inspanningen te leveren om het gebruik van de ICT in KMO’s te ondersteunen teneinde de productiviteit ervan te stimuleren;

58.

dringt bij de Commissie aan op een digitaal plan voor de bevordering van handelskansen via het internet dat hoofdzakelijk ten doel heeft alternatieven aan te bieden aan mensen die recentelijk hun baan zijn kwijtgeraakt in de context van de financiële crisis; is van mening dat het plan enerzijds in betaalbare software en hardware moet voorzien en anderzijds in gratis internetaansluitingen en kosteloos advies;

59.

is van mening dat de agenda 2015.eu gericht moet zijn op het mainstreamen van ICT als belangrijkste bestanddeel van een CO2-arme economie; dringt er op aan dat de exploitatie van ICT-technologieën moet voldoen aan de 20-20-20 doelstellingen van de strategie voor klimaatverandering; is van mening dat de implementatie van toepassingen zoals slimme hoogspanningsnetwerken, slimme meters, slimme mobiliteit, slimme auto's, slim waterbeheer en e-gezondheid de sleutelinitiatieven van 2015.eu moeten zijn; wijst er tevens op dat de voetafdruk van de ICT-sector voor 2015 met 50 % gereduceerd moet zijn;

60.

is van mening dat de internationale handel gebaseerd zou moeten zijn op het principe van eerlijke handel, met als doel om een juist evenwicht te vinden tussen het openen van markten en de legitieme bescherming van de verschillende sectoren van de economie, met een speciale nadruk op de werk- en sociale omstandigheden;

61.

is van mening dat de verantwoordelijkheid van alle bestuurlijke en geografische niveaus (EU, nationaal en regionaal) – in de geest van bestuur op verschillende niveaus – voor de agenda 2015.eu, alsmede politieke zichtbaarheid, essentiële voorwaarden zijn voor een effectieve uitvoering ervan; stelt in dit verband voor dat er periodiek een top over de digitale agenda wordt georganiseerd om de vorderingen in de EU en de lidstaten te evalueren en het beleid een nieuwe impuls te geven;

62.

vestigt de aandacht van de Commissie in het bijzonder op de noodzaak om slimme (specifieke, meetbare, adequate, realistische en aan een termijn gebonden) doelstellingen en streefdoelen vast te stellen en een actieplan aan te nemen waarmee alle relevante EU-instrumenten gemobiliseerd worden: financiering, „soft law”, handhaving en waar nodig gerichte wetgeving op alle relevante beleidsterreinen (d.w.z. elektronische communicatie, onderwijs, onderzoek, innovatie, cohesiebeleid); dringt bij de Commissie aan op een regelmatige evaluatie van de resultaten van de strategie 2015.eu, op basis van een brede reeks indicatoren, om zo een kwalitatieve analyse van de sociale en economische gevolgen te kunnen maken; doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor de nodige coördinatie tussen de EU en de nationale en regionale programma’s op dit vlak;

63.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.


(1)  PB C 291 E van 30.11.2006, blz. 133.

(2)  PB C 287 E van 29.11.2007, blz. 364.

(3)  PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 87.

(4)  PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 370.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/54


Woensdag, 5 mei 2010
De strategie van de EU voor de betrekkingen met Latijns-Amerika

P7_TA(2010)0141

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de strategie van de EU voor de betrekkingen met Latijns-Amerika (2009/2213(INI))

2011/C 81 E/09

Het Europees Parlement,

gezien de verklaringen die zijn goedgekeurd na afloop van de vijf topconferenties van staatshoofden en regeringsleiders van Latijns-Amerika en de Caraïben en van de Europese Unie, die tot dusver werden gehouden in Rio de Janeiro (28 en 29 juni 1999), Madrid (17 en 18 mei 2002), Guadalajara (28 en 29 mei 2004), Wenen (12 en 13 mei 2006) en Lima (16 en 17 mei 2008),

gezien het gezamenlijke communiqué van de veertiende ministeriële vergadering tussen de Groep van Rio en de Europese Unie, die op 13 en 14 mei 2009 in Praag werd gehouden,

gezien het gezamenlijke communiqué van de ministeriële vergadering in het kader van de Dialoog van San José tussen de EU-trojka en de ministers van de Midden-Amerikaanse landen, die op 14 mei 2009 in Praag werd gehouden,

gezien de verklaring die is goedgekeurd na afloop van de negentiende Ibero-Amerikaanse topconferentie van staatshoofden en regeringsleiders, die van 29 november tot en met 1 december 2009 in Estoril (Portugal) werd gehouden (Verklaring van Lissabon),

gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2009 over „De Europese Unie en Latijns-Amerika: een partnerschap van wereldspelers” (COM(2009)0495),

gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika van 8 december 2009,

onder verwijzing naar de resoluties van de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering (EuroLat), met name de resolutie van 20 december 2007 over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika in het vooruitzicht van de vijfde topconferentie in Lima, met bijzondere aandacht voor democratisch bestuur, de resolutie van 8 april 2009 over het Euro-Latijns-Amerikaans Handvest voor vrede en veiligheid, en de ontwerpresolutie van 15 oktober 2009 over het partnerschap tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika in het vooruitzicht van de zesde topconferentie in Madrid in mei 2010,

onder verwijzing naar zijn resoluties van 15 november 2001 over het globaal partnerschap en een gemeenschappelijke strategie voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika (1), van 27 april 2006 over een sterker partnerschap tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika (2), en van 24 april 2008 over de vijfde top EU-Latijns-Amerika en de Caraïben (EU-LAC) in Lima (3)

onder verwijzing naar zijn resoluties van 10 februari 2010 over de aardbeving in Haïti, van 11 februari 2010 over Venezuela, en van 11 maart 2010 over de situatie van de politieke en gewetensgevangenen in Cuba,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 oktober 2007 over vrouwenmoorden in Mexico en Midden-Amerika en de rol van de Europese Unie in de strijd tegen dit fenomeen (4),

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0111/2010),

A.

gezien het fundamentele karakter van het biregionaal strategisch partnerschap tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika en het belang voor beide regio's om dit partnerschap verder uit te werken en te verbeteren,

B.

overwegende dat de versterking van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika een van de prioriteiten is van het Spaanse voorzitterschap, alsook van het toekomstige Belgische en Hongaarse voorzitterschap,

C.

overwegende dat dit biregionaal strategisch partnerschap sinds zijn eerste topconferentie in 1999 aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt, met name de oprichting tijdens de top van Wenen van de Vergadering EuroLat – de parlementaire tak van het biregionaal strategisch partnerschap – maar dat er nog bepaalde vorderingen moeten worden gemaakt en uitdagingen moeten worden aangegaan,

D.

overwegende dat de regionale integratie, met het afsluiten van subregionale en bilaterale associatieovereenkomsten en strategische partnerschappen, een van de belangrijkste doelstellingen van het biregionaal strategisch partnerschap is,

E.

overwegende dat de Unie van Zuid-Amerikaanse staten (UNASUR) een voorbeeld kan zijn voor de verschillende integratieprocessen op het Amerikaanse continent (CAN, MERCOSUR, SICA), ook al gaat het om een ander soort organisatie,

F.

overwegende dat het met het oog op mogelijke inter-Amerikaanse conflicten, nu of in de toekomst, positief is dat de betrokken regeringen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel een beroep doen op de Latijns-Amerikaanse gerechtelijke instanties, alvorens zich tot andere, niet-Amerikaanse instanties te wenden,

G.

overwegende dat de militaire uitgaven zowel in Latijns-Amerika als in Europa de afgelopen jaren aanzienlijk zijn gestegen,

H.

overwegende dat dit biregionaal strategisch partnerschap gezorgd heeft voor een betere coördinatie tussen beide partijen binnen de internationale fora en instellingen, en dat het naast het opstellen van een gemeenschappelijke agenda noodzakelijk is standpunten inzake kwesties van mondiaal belang te blijven coördineren, rekening houdend met de belangen en wensen van beide partijen,

I.

overwegende dat de EU het Verdrag van de Verenigde Naties ter bescherming van de rechten van personen met een handicap onlangs heeft geratificeerd, wat een historische mijlpaal vormt, en overwegende de gevolgen die de tenuitvoerlegging van dit verdrag kan hebben voor de daadwerkelijke uitoefening van de burgerlijke en sociale rechten en de bevordering van gelijke kansen voor meer dan 60 miljoen personen met een handicap die in de Latijns-Amerikaanse regio wonen,

J.

overwegende dat het aantreden van de nieuwe regering in de Verenigde Staten hoge verwachtingen heeft gewekt,

K.

overwegende dat Latijns-Amerika meer dan 600 miljoen inwoners telt, instaat voor 10 % van het mondiaal bruto binnenlands product, 40 % van de plantensoorten van deze planeet herbergt en over een buitengewoon menselijk kapitaal beschikt,

L.

overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika gebaseerd zijn op gemeenschappelijke waarden en dat de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden een essentieel onderdeel van het strategisch partnerschap vormen,

M.

overwegende dat de ontwikkeling van de betrekkingen met Latijns-Amerika van wederzijds belang is, en zowel alle EU-lidstaten als alle landen van Latijns-Amerika ten goede kan komen,

N.

overwegende dat de integratie van het genderperspectief in alle beleidsvormen kan bijdragen tot rechtvaardiger en democratischer samenlevingen, waarin vrouwen en mannen in alle aspecten van het leven als gelijkwaardig worden beschouwd,

O.

overwegende dat de EU, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied samen meer dan een miljard personen en een derde van de lidstaten van de Verenigde Naties vertegenwoordigen,

P.

overwegende dat de EU de belangrijkste donor van ontwikkelingshulp is, de voornaamste investeerder en tweede handelspartner in Latijns-Amerika – de eerste in Mercosur en Chili – en dat zij sinds de oprichting van het biregionaal strategisch partnerschap in 1999 projecten en programma's heeft gefinancierd voor meer dan 3 miljard EUR,

Q.

overwegende dat het herstel van de wereldrecessie in 2010 maar langzaam op gang zal komen en dat, hoewel Latijns-Amerika de crisis beter heeft doorstaan dan andere geavanceerde economieën en in 2010 gemiddeld met bijna 3 % zal groeien, het herstel zeer ongelijk zal zijn en de groei niet voldoende om aanzienlijke verbetering te brengen in de levensomstandigheden van de bevolking, die veel minder sociale bescherming geniet dan de Europese bevolking,

R.

overwegende dat belangrijke landen in Latijns-Amerika en de EU te kampen hebben met een hoge jeugdwerkloosheid,

S.

overwegende dat de regio, ondanks aanzienlijke vooruitgang, nog veel werk moet verrichten op het gebied van kinder- en moedersterfte,

T.

overwegende dat de drugsproductie en -handel in de regio een ernstig probleem blijven, dat de teelt van cocabladeren in Zuid-Amerika is verveelvoudigd, en dat een politiek-culturele tegenstelling bestaat tussen de verdragen en resoluties van de Verenigde Naties, die coca als een verboden teelt beschouwen, en het officiële standpunt van bepaalde regeringen, die de plant beschouwen als deel van de inheemse cultuur,

U.

overwegende dat bepaalde inheemse volkeren in talloze Latijns-Amerikaanse landen te kampen hebben met armoede, ongelijkheid en discriminatie,

V.

overwegende dat er nog aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt in belangrijke sectoren als energie, watervoorziening, infrastructuur en communicatie, zoals reeds is gebeurd op het gebied van telecommunicatie,

W.

overwegende dat de ontwikkeling van Latijns-Amerika en de capaciteit van de regio om bij te dragen tot de integratieprocessen in het gedrang komen zonder een adequate aanpassing van de infrastructuurvoorzieningen,

X.

overwegende dat er in Latijns-Amerika grote bezorgdheid bestaat over het immigratiebeleid van de EU en dat er afspraken moeten worden gemaakt waarin rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van de Europese en Latijns-Amerikaanse partners op dit gevoelige terrein,

Y.

overwegende dat de Europese Investeringsbank (EIB) in 1993 met haar werkzaamheden in Latijns-Amerika is begonnen en voor haar huidige mandaat (2007-2013) over 2,8 miljard EUR beschikt om projecten in de regio te financieren,

Z.

overwegende dat vernieuwing en kennis essentiële instrumenten zijn om armoede en honger te bestrijden met het oog op een duurzame ontwikkeling – zoals tijdens de laatste Latijns-Amerikaanse topconferentie werd vastgesteld,

AA.

overwegende dat uit een recent onderzoek van de Organisatie van Ibero-Amerikaanse Staten voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en van de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (CEPAL) is gebleken dat er een bedrag van 55 miljard EUR nodig is om binnen een periode van tien jaar, tussen 2011 en 2021, de Onderwijsdoelstellingen 2021 te verwezenlijken om een eind te maken aan de enorme ongelijkheid, het analfabetisme te bestrijden, ervoor te zorgen dat 15 miljoen momenteel niet-schoolgaande kinderen tussen 3 en 6 jaar naar school kunnen gaan, degelijke en efficiënte systemen voor beroepsonderwijs te scheppen en de voorwaarden voor toegang tot de universiteit aanzienlijk te verbeteren,

1.

verwelkomt de mededeling van de Commissie „De EU en Latijns-Amerika: een partnerschap van wereldspelers”, dat gericht is op het in kaart brengen, beoordelen en opstellen van operationele voorstellen voor het bereiken van een volwaardig biregionaal strategisch partnerschap;

2.

verwelkomt de inspanningen van het Spaanse voorzitterschap met het oog op de ondertekening van de associatieovereenkomst EU-Midden-Amerika en de multilaterale handelsovereenkomsten met Colombia en Peru, alsook de vaste wil en belangstelling om de onderhandelingen tussen de EU en Mercosur te hervatten;

3.

herhaalt dat steun voor de diverse regionale integratieprocessen in Latijns-Amerika een grondbeginsel is voor het biregionaal strategisch partnerschap en vertrouwt erop dat dit biregionaal strategisch partnerschap zal leiden tot een betere coördinatie van de standpunten inzake crisissituaties en kwesties van mondiaal belang, op grond van gezamenlijke waarden, belangen en bekommernissen;

4.

neemt kennis van de politieke ontwikkelingen in beide regio's en wijst op de noodzaak om waakzaam te zijn ten aanzien van het verder verloop van de ontwikkelingen om eventueel het Latijns-Amerikabeleid van de EU te heroriënteren en aan te passen aan de nieuwe omstandigheden;

5.

benadrukt het belang van de beginselen en waarden die ten grondslag liggen aan het biregionaal strategisch partnerschap, zoals pluralistische en vertegenwoordigende democratie, de eerbiediging van de mensenrechten (op politiek, economisch en sociaal gebied) en fundamentele vrijheden, de vrijheid van meningsuiting, de rechtsstaat, de naleving van de spelregels, rechtszekerheid en afwijzing van elke vorm van dictatuur en autoritarisme;

6.

verzoekt alle partners van het biregionaal strategisch partnerschap om hun verplichtingen op het gebied van goed bestuur en sociale rechtvaardigheid na te komen;

Strategische visie van het EP op het biregionaal strategisch partnerschap tussen de EU en Latijns-Amerika

7.

wijst er nogmaals op dat het biregionaal strategisch partnerschap tussen de EU en Latijns-Amerika ernaar streeft om rond het jaar 2015 een Euro-Latijns-Amerikaanse globale interregionale associatiezone op het gebied van politiek, economie, handel en sociale en culturele zaken tot stand te brengen, die borg staat voor een duurzame ontwikkeling van beide regio's;

Middelen om de doelstellingen op het gebied van een Euro-Latijns-Amerikaanse globale interregionale associatiezone te verwezenlijken:

Het politieke beleid van het biregionaal strategisch partnerschap

8.

verlangt dat de nieuwe mogelijkheden van de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon ten voordele van het biregionaal strategisch partnerschap worden benut;

9.

verlangt dat de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid toeziet op de eenheid, samenhang en doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie met betrekking tot Latijns-Amerika – en daarbij wordt ondersteund door de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) – en een actieve rol speelt bij de volgende top van de EU, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied in mei 2010 in Madrid;

10.

verzoekt met name de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de Raad duidelijke beleidslijnen uit te tekenen voor een optimale nauwe samenwerking om een doeltreffende multilaterale aanpak te bevorderen, het milieu en natuurlijke hulpbronnen te beschermen, de klimaatverandering te bestrijden, de capaciteiten van de Verenigde Naties voor vredeshandhaving en -opbouw te versterken en de millenniumdoelstellingen te bereiken, alsook om, in het kader van het internationale recht, het hoofd te bieden aan wereldwijde bedreigingen voor vrede en veiligheid, waaronder drugs- en wapenhandel, georganiseerde misdaad, straffeloosheid en terrorisme, zoals in Lima is besloten;

11.

wenst ook dat de nodige mechanismen in het leven worden geroepen voor institutionele samenwerking tussen de Parlementaire Vergadering EuroLat en de verschillende Europese instellingen, in overeenstemming met de conclusies van de top in Lima;

12.

herhaalt dat de toekomstige EDEO erop moet toezien dat het EP over betrouwbare partners in de EU-delegaties beschikt – en vooral in centrale regio's zoals Latijns-Amerika – om een volledige samenwerking met het Parlement te garanderen;

13.

adviseert een Europees-Latijns-Amerikaans handvest voor vrede en veiligheid aan te nemen dat, op basis van het Handvest van de Verenigde Naties en desbetreffende internationale wetgeving, strategieën en richtsnoeren bevat voor een gezamenlijk politiek en veiligheidsbeleid om het hoofd te bieden aan de gemeenschappelijke uitdagingen en gevaren waarmee de verschillende partijen van het biregionale strategische partnerschap worden geconfronteerd;

14.

complimenteert UNASUR met het verrichte werk en de diplomatieke successen die de organisatie op het continent heeft geboekt;

15.

spreekt opnieuw de overtuiging uit dat de interne stabiliteit van talrijke Latijns-Amerikaanse partners afhankelijk blijft van de hervorming van het staatsapparaat, die er onder meer voor moet zorgen dat alle inheemse bevolkingsgroepen en andere minderheden volledig en doeltreffend bij het besluitvormingsproces worden betrokken, om elke vorm van discriminatie te voorkomen en de culturele rechten en tradities te ondersteunen, aangezien zij ook een verrijking van de samenleving inhouden, en de democratische bestuurbaarheid verbeteren;

16.

meent dat een doeltreffende en onafhankelijke rechtspraak en een doelmatig beleid met eerbiediging van de mensenrechten, gevoerd door een verantwoordelijk, aansprakelijk en transparant bestuur, de burgers zekerheid biedt, hun vertrouwen in het representatieve parlementaire stelsel versterkt, en voorkomt dat zij hun betrokkenheid bij dit stelsel verliezen;

17.

verzoekt de constructieve dialoog over de migratieproblemen in het Euro-Latijns-Amerikaanse gebied voort te zetten en uit te diepen, zowel met de landen van bestemming als met de landen van oorsprong en doorvoer; steunt in dit verband de gestructureerde en alomvattende biregionale migratiedialoog tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, die op 30 juni 2009 van start ging, en een stap betekende in de richting van de verwezenlijking van de toezeggingen van de top van Lima; is verheugd over de oprichting, binnen de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering, van een werkgroep migratie, die een ruimte voor dialoog moet creëren en ter zake voorstellen moet formuleren, rekening houdend met het feit dat dit onderwerp bij beide partners gevoelig ligt;

18.

meent in verband met de projecten die momenteel in Peru, Colombia en Bolivia lopen, dat de middelen voor de financiering van programma's met het oog op de uitbanning van de drugsteelt door middel van alternatieve teelten moeten worden verhoogd, waarbij moet worden gestreefd naar een formule die de deelname van de betrokken bevolkingsgroepen mogelijk maakt;

19.

betreurt dat bepaalde landen hun financiële middelen hebben aangewend voor een buitensporige verhoging van de militaire uitgaven, ondanks de verreikende negatieve gevolgen van de onderontwikkeling, pandemieën, ondervoeding, misdaad en natuurrampen, en de noodzaak deze te verzachten;

20.

dringt erop aan dat de strijd tegen de klimaatverandering en de opwarming van de aarde een prioriteit wordt op de politieke agenda van de EU en de landen van Latijns-Amerika en de Caraïben, en dringt aan op coördinatie van de standpunten in de diverse fora voor overleg over milieu en klimaatverandering, met name in het kader van de VN, waarbij het ook zijn steun uitspreekt voor de volgende top die eind 2010 in Mexico zal plaatsvinden; wijst er tevens op dat de bijeenkomsten van de milieuministers van beide regio's na de eerste bijeenkomst in Brussel in maart 2008 moeten worden voortgezet; onderstreept voorts dat de armsten, en met name de inheemse volkeren, de eerste slachtoffers zijn van de negatieve gevolgen van de klimaatverandering en de opwarming van de aarde; hoopt eveneens dat het optreden van de investeringsfaciliteit voor Latijns-Amerika (LAIF) onder andere gericht zal zijn op de ondersteuning van projecten op het gebied van de bestrijding van de gevolgen van de klimaatverandering en de bevordering van het openbaar vervoer, elektrische voertuigen, het ITT-Yasuníproject in Ecuador, enz.;

Het economisch en handelsbeleid van het biregionaal strategisch partnerschap

21.

herhaalt zijn voorstel voor de instelling van een Euro-Latijns-Amerikaanse globale interregionale associatiezone op basis van een zowel met de WTO als met regionale integratie verenigbaar model, en wel in twee fasen;

22.

dringt, teneinde de eerste fase af te ronden, aan op een hervatting van de onderhandelingen over de associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur, aangezien een associatieovereenkomst zoals deze van uitzonderlijk belang is en zevenhonderd miljoen mensen betreft, en indien zij spoedig wordt gesloten, de meest ambitieuze biregionale overeenkomst ter wereld zal zijn; dringt tevens aan op de voltooiing, vóór de top van Madrid, van de onderhandelingen over een associatieovereenkomst tussen de EU en Midden-Amerika, op een herziening van de politieke en samenwerkingsovereenkomst van 2003 met de Andesgemeenschap en een verdieping van de bestaande associatieovereenkomsten met Mexico en Chili; merkt op dat de onderhandelingen over de meerpartijenovereenkomst tussen de EU en de landen van de Andesgemeenschap naar tevredenheid zijn afgesloten; spant zich in voor een stipte uitvoering van de parlementaire ratificatieprocedure inzake deze overeenkomsten om ervoor te zorgen dat deze een positief effect hebben op alle aspecten die in wederzijds belang zijn;

23.

herinnert eraan dat de onderhandelingen over de associatieovereenkomst tussen de EU en Midden-Amerika van start waren gegaan volgens een regio-tot-regio-aanpak, en dringt erop aan dat zij ook op die manier moeten worden afgerond, waarbij geen enkel land mag achterblijven;

24.

roept op de verschillende onderdelen van het biregionaal strategisch partnerschap van wettelijke en institutionele steun en volledige geografische dekking te voorzien, teneinde de tweede fase af te ronden en tegen 2015 een globale interregionale associatieovereenkomst te kunnen sluiten; wenst ook gemeenschappelijke bepalingen en regels van algemene strekking in te stellen die de toepassing van verschillende vrijheden vergemakkelijken en eveneens zorgen voor een zo breed mogelijk partnerschap door middel van de verdieping van enerzijds de integratieovereenkomsten in Latijns-Amerika en anderzijds van het partnerschap van de Unie met de verschillende landen en landengroepen in de regio;

Het sociaal beleid van het biregionaal strategisch partnerschap

25.

adviseert, met het oog op een eensgezind optreden, dat de standpunten van beide regio's op elkaar worden afgestemd wat betreft de manier waarop de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling dienen te worden bereikt in het vooruitzicht van de vergadering op hoog niveau van de Verenigde Naties, gepland in september 2010, met name ten aanzien van de strijd tegen armoede, het creëren van goede en stabiele banen en de sociale integratie van benadeelde bevolkingsgroepen, met name inheemse volkeren, kinderen, vrouwen en gehandicapten;

26.

is van mening dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDO's) tot de belangrijkste doelen behoren die uiterlijk in 2015 moeten zijn verwezenlijkt, door de investeringen te richten op de armste landen en de meest kwetsbare volkeren, en verzoekt beide regio's in de aanloop naar de bijeenkomst op hoog niveau over de MDO's die in september 2010 wordt gehouden een gezamenlijke benadering te bepalen;

27.

vertrouwt erop dat het aangaan van een krachtige en doortastende dialoog over wetenschappen, technologie en innovatie de opbouw van een Europees-Latijns-Amerikaanse innovatie- en kennisruimte zou kunnen versnellen, waarbij een voorbeeld kan worden genomen aan de overeenkomst inzake innovatie met Chili;

28.

herhaalt dat onderwijs en investeringen in menselijk kapitaal de grondslag vormen van sociale cohesie en sociaaleconomische ontwikkeling, en vraagt om aanzienlijke inspanningen en passende financiering voor de strijd tegen het analfabetisme, dat in bepaalde landen van de regio vooral bij meisjes en vrouwen nog erg hoog is, en voor gratis toegang tot openbaar lager en secundair onderwijs, dat bij gebrek aan begrotingsmiddelen in bepaalde landen beperkt is; spreekt in dit verband zijn steun uit voor het project van de Organisatie van Ibero-Amerikaanse staten voor onderwijs, wetenschap en cultuur „Onderwijsdoelstellingen 2021: het onderwijs dat we willen voor de generatie van de tweehonderdste verjaardag van de onafhankelijkheid van de Latijns-Amerikaanse staten”;

29.

wijst erop dat Latijns-Amerika zonder substantiële verandering van de sociaaleconomische situatie geen toegang zal krijgen tot de kennismaatschappij, het belangrijkste strategische ontwikkelingsinstrument;

30.

is verheugd over de initiatieven om kennis en optimale werkmethoden op juridisch terrein te bevorderen en uit te wisselen, zoals de recente oprichting van een centrum voor juridisch onderzoek, ontwikkeling en vernieuwing voor Latijns-Amerika; verwelkomt de instelling van de Groep van 100 en meent dat deze initiatieven een bijzonder handig middel kunnen zijn om de inspanningen van de Commissie voor de opbouw van een biregionaal strategisch partnerschap te ondersteunen;

31.

verzoekt de Latijns-Amerikaanse landen die verwikkeld zijn of dreigen te raken in (grens)geschillen met buurlanden om zoveel mogelijk een beroep te doen op de tribunalen van de verschillende integratieprocessen of in het algemeen op het Amerikaanse continent, en te vermijden dat dergelijke zaken aanhangig worden gemaakt bij rechtbanken buiten de hemisfeer;

32.

is verheugd over de inspanningen die zijn geleverd op het gebied van gendergelijkheid, en wenst dat deze worden verhoogd; pleit voor de ontwikkeling van samenwerkingsbeleid tussen de EU en Latijns-Amerika met het oog op de versterking van de rechtspositie van vrouwen en gelijke toegang tot onderwijs, werk, mensenrechten en sociale rechten, en vraagt de betrokken regeringen en samenwerkingsorganen dergelijke initiatieven te ondersteunen met passende personele, financiële en technische middelen;

33.

wenst dat de betrokken instellingen in het kader van het strategisch partnerschap voldoende financiële en technische middelen uittrekken voor preventie en bescherming met betrekking tot geweld tegen vrouwen;

34.

spreekt zijn waardering uit voor het onlangs door het Inter-Amerikaanse Hof voor de rechten van de mens gewezen arrest inzake de vrouwenmoord van Campo Algodonero in Mexico dat een precedent vormt voor de gehele regio; verzoekt de regeringen van de Europese Unie, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied het arrest te gebruiken als richtsnoer voor hun toekomstige werkzaamheden, en ervoor te zorgen dat hun krachtige veroordeling van geweld tegen vrouwen wordt gekoppeld aan programma's voor bescherming, voorkoming en justitiële herstelmaatregelen die beschikken over voldoende kredieten; dringt eveneens aan op krachtige inzet ter bestrijding van seksegerelateerd geweld in het algemeen en op de noodzakelijke investeringen in reproductieve gezondheidszorg en in programma's ter bevordering van gendergelijkheid, seksuele voorlichting en beschikbaarheid van methoden van gezinsplanning overeenkomstig het ICPD-actieprogramma (1994);

35.

spreekt zijn waardering uit voor de inspanningen die de laatste jaren op het gebied van de sociale samenhang zijn geleverd door de Commissie, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNPD), de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (CELAC), het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank, en pleit voor de vernieuwing en intensivering van de programma's Eurosocial, URB-AL en EUrocLIMA, alsook voor een adequate toekomstige uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bescherming van de rechten van personen met een handicap, met het oog op de bevordering van gelijke kansen voor meer dan 60 miljoen burgers in de Latijns-Amerikaanse regio die door een bepaalde handicap een groot risico lopen op sociale uitsluiting;

36.

wijst opnieuw op het belang van ervaringsuitwisseling over kwesties van gemeenschappelijk belang zoals de sociale cohesie om de armoede te bestrijden en ongelijkheden te verminderen; steunt in dit verband het EU-LAC-forum op ministerieel niveau over sociale cohesie dat van 8 tot 10 februari 2010 in Lima werd gehouden, met als belangrijkste thema „Fatsoenlijk werk voor jongeren: hoe de sociale cohesie te bevorderen”, en verwelkomt de Verklaring van Bahia naar aanleiding van de IVde internationale bijeenkomst van EUROsociAL-netwerken op 25 juni 2009;

37.

is ingenomen met de aanstaande bijeenkomst van ministers en hoge verantwoordelijken van de sociale zekerheid van EU en LAC, die op 13 en 14 mei 2010 plaatsvindt in Alcalá de Henares (Madrid), en ondersteunt de werkzaamheden van de Ibero-Amerikaanse socialezekerheidsorganisatie (OISS) ter bevordering van het economische en sociale welzijn door middel van coördinatie en wederzijdse uitwisseling van ervaringen op het gebied van sociale zekerheid, en wenst dat er zowel tijdens de ministeriële bijeenkomst als door de OISS creatieve voorstellen worden gedaan om sociale zekerheid voor de desbetreffende bevolkingsgroepen te waarborgen;

38.

wijst erop dat de gewenste regionale integratie, die door talrijke Latijns-Amerikaanse regeringen wordt nagestreefd en door de Europese Unie wordt aangemoedigd, zou moeten aanzetten tot een verbetering van de infrastructuurvoorzieningen, een toename van de interregionale handel en meer kennis in ieder land van de verschillende instanties en individuen die in andere landen actief zijn op politiek, sociaal en economisch gebied;

39.

herhaalt dat een strategie van concrete en gerichte acties met het oog op integratie (wegen- en spoorwegennet, olie- en gasleidingen, samenwerking op het gebied van hernieuwbare energieën, bevordering van de interregionale handel, enz.) en bekendheid met de verschillende actoren in de regio een impuls kan geven aan het integratieproces en het gemeenschapsgevoel in de regio kan versterken;

40.

herhaalt dat een gecoördineerde strategie in de sectoren energie, watervoorziening en communicatie nodig is om te voorkomen dat de groei in de regio stagneert en de duurzame ontwikkeling tot stilstand komt;

41.

beveelt de Latijns-Amerikaanse regeringen aan om, rekening houdend met de moeilijke sociale situatie in een redelijk stabiel economisch klimaat, een krachtig en vastberaden beleid te voeren van investeringen in openbare werken, bevordering van de interne markt, bescherming van het midden- en kleinbedrijf, uitbreiding van de kredietverstrekking, investeringen in gezondheidszorg en onderwijs, en bijzondere aandacht voor de strijd tegen jeugdwerkloosheid en genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt; verzoekt de Europese Unie om hierbij zoveel mogelijk steun te verlenen;

42.

herinnert er in dit verband aan dat het weliswaar niet gemakkelijk is passende financiering te vinden om de gestelde doelen te bereiken, maar dat er een rechtvaardig, billijk en modern belastingstelsel moet worden opgebouwd ter bestrijding van belastingfraude, en dat de buitensporige militaire uitgaven moeten worden herzien;

43.

dringt er bij de Europese Unie en Latijns-Amerikaanse landen met inheemse bevolkingsgroepen op aan om middels nauwere samenwerking doeltreffende programma's op te zetten om honger, onderontwikkeling, analfabetisme en chronische ziekten uit te bannen;

44.

is van mening dat de doelstelling van het EU/LAC-partnerschap met betrekking tot sociale cohesie slechts kan worden verwezenlijkt indien zij zorgt voor een hoog niveau van ontwikkeling en eerlijke verdeling van inkomsten en rijkdom, en dat deze doelstelling vereist dat er concrete maatregelen worden genomen om de armoede in overeenstemming met de MDO's uit te bannen en het rechtsstelsel in de LAC-landen te versterken;

45.

wijst op de betekenis die de continuïteit van de voedselvoorziening heeft voor de LAC-landen en op het belang van adequate mogelijkheden voor voedselopslag om het hoofd te kunnen bieden aan toekomstige problemen op het gebied van voedselvoorziening;

46.

verzoekt de EU in de EU gevestigde multinationals te verplichten in internationale overeenkomsten verankerde sociale en milieunormen zoals de „decent work agenda” van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) in de LAC-landen als drempelnorm toe te passen en deze norm niet te omzeilen;

Mechanismen om de einddoelen van het strategisch partnerschap te bereiken:

Institutionele mechanismen

47.

adviseert de tweejaarlijkse topconferenties te behouden, maar benadrukt dat de betrekkingen met Latijns-Amerika niet mogen worden beperkt tot een tweejaarlijkse visie, maar dat ze moeten worden versterkt door een langetermijnvisie;

48.

stelt voor de biregionale politieke dialoog over onderwerpen en sectoren van gemeenschappelijk belang open te stellen voor nieuwe driehoekstructuren EU-Latijns-Amerika/Caraïben-Azië, EU-Latijns-Amerika/Caraïben-Afrika en EU-Latijns-Amerika/Caraïben-VS, gericht op een Euro-Atlantische ruimte bestaande uit de Verenigde Staten, Latijns-Amerika en de Europese Unie;

49.

herhaalt zijn voorstel voor de oprichting van een stichting Europa-Latijns-Amerika/Caraïben, die als voornaamste doelstellingen heeft bij te dragen tot de voorbereiding van de topconferenties, toe te zien op de toepassing van de daar vastgestelde beleidslijnen en in de perioden tussen de topconferenties te fungeren als overleg- en coördinatieplatform voor alle politieke, economische, institutionele en academische instanties en maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de Euro-Latijns-Amerikaanse betrekkingen, met inbegrip van de Vergadering Eurolat;

50.

stelt voor de organisatiestructuur van deze stichting uit te werken naar het voorbeeld van de Anna Lindhstichting, met een voorzitter en een adviesraad die aanbevelingen met strategische richtsnoeren opstelt voor de raad van bestuur, de directeur en de nationale netwerken, zodat de aanbevelingen aan alle betrokken niveaus worden gericht;

51.

benadrukt dat het budget van deze stichting beperkt dient te zijn maar toch voldoende om de toegewezen taken te vervullen, en dat het moet worden samengesteld door bijdragen van de deelnemende EU-lidstaten, de Latijns-Amerikaanse leden van de stichting, de begroting van de EU en de eigen middelen die de stichting zelf genereert of die zij ontvangt van sponsors of instanties die banden hebben met de Euro-Latijns-Amerikaanse ruimte;

52.

stelt de oprichting voor – onder toezicht en coördinatie van deze stichting – van een waarnemingscentrum voor migratie in de Euro-Latijns-Amerikaanse ruimte dat alle vraagstukken die verband houden met migratiestromen in deze ruimte permanent en nauwlettend volgt; van een biregionaal centrum voor conflictpreventie dat gericht is op het vooraf opsporen van oorzaken van mogelijke gewelddadige en gewapende conflicten en op het zoeken naar de beste methoden om dergelijke conflicten te voorkomen of een eventuele escalatie te verhinderen; en van een biregionaal centrum voor rampenpreventie – vooral in de nasleep van de tragische situatie op Haïti na de vernietigende aardbeving van 12 januari 2010 en in Chili nadat de regio op 27 februari 2010 door een aardbeving en tsunami werd geteisterd – dat ten doel heeft gemeenschappelijke strategieën te ontwikkelen, evenals een waarschuwingssysteem voor noodgevallen, teneinde de kwetsbaarheid van beide partijen voor natuurrampen ten gevolge van de klimaatverandering en technologische rampen te verminderen;

53.

dringt aan op de sluiting van de subregionale associatieovereenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld en betreurt dat de onderhandelingen over een van deze overeenkomsten om uiteenlopende redenen zijn vastgelopen, maar waarschuwt dat er in geval van onoverkomelijke meningsverschillen naar alternatieve oplossingen moet worden gezocht – zonder de globale strategische visie uit het oog te verliezen – om de landen die hun politieke, sociale en handelsrelaties met de EU willen versterken niet te isoleren;

54.

verklaart andermaal dat de Europese Unie het proces steunt van regionale eenwording en de door de EU zoals in het geval van Midden-Amerika via associatieovereenkomsten toegepaste benadering van onderhandelingen van „blok tot blok”; erkent echter dat landen die hun betrekkingen met de EU willen intensiveren geen nadelen mogen ondervinden van interne problemen in verband met regionale eenwordingsprocessen, zoals het geval is met de Andesgemeenschap, of van autonome besluiten van hun samenstellende delen, hoe terecht deze eventueel ook zijn;

Financiële mechanismen

55.

steunt de door de Commissie voorgestelde investeringsfaciliteit voor Latijns-Amerika (LAIF) als tastbare uitdrukking van de EU-inzet voor de consolidatie van de regionale integratie en de interconnectiviteit in Latijns-Amerika en hoopt dat deze zal bijdragen tot de diversificatie van de landen en sectoren waarin door de EU wordt geïnvesteerd; neemt nota van het feit dat tot het jaar 2013, nog afgezien van andere mogelijke bijdragen en subsidies van de lidstaten, op de communautaire begroting een bedrag van 100 miljoen EUR is uitgetrokken;

56.

is verheugd over de ondertekening in november 2009 van een memorandum van overeenstemming tussen de EIB en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, en ondersteunt de initiatieven van de EIB om projecten in Latijns-Amerika te financieren, maar wijst erop dat de EIB meer middelen en bijdragen van de EU en haar lidstaten nodig heeft om haar doelstellingen te bereiken;

57.

onderstreept het belang van de diverse financieringsinstrumenten van de EU, maar dringt erop aan de louter op hulp gebaseerde aanpak in de ontwikkelingssamenwerking met Latijns-Amerika te doorbreken – en de financiële middelen van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking te richten op de armste landen en de meest kwetsbare groepen – en nieuwe vormen van samenwerking met de opkomende en middeninkomenslanden in Latijns-Amerika op te richten door middel van het instrument voor de geïndustrialiseerde landen (ICI+); dringt er daarom op aan dat de criteria en beginselen die zijn vastgelegd in artikel 32 van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bescherming van de rechten van personen met een handicap worden opgenomen in het samenwerkingsbeleid van de EU met betrekking tot deze regio, ter bevordering en ondersteuning van een actief beleid dat gericht is op een doeltreffende sociale insluiting van de desbetreffende groep;

58.

onderstreept dat het belangrijk en wenselijk is om de regelgeving en het toezicht met betrekking tot de verschillende financiële stelsels in Latijns-Amerika geleidelijk te harmoniseren, om bruggen te slaan en zoveel mogelijk toenadering te zoeken met het Europese systeem, dat concrete resultaten heeft geboekt bij de ontwikkeling van geavanceerde modellen voor toezicht op grensoverschrijdende instellingen;

*

* *

59.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad van de Europese Unie en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van alle EU-lidstaten en van alle landen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering, het Latijns-Amerikaanse parlement, het Midden-Amerikaanse parlement, het Andesparlement en het parlement van de Mercosur.


(1)  PB C 140 E van 16.3.2002, blz. 569.

(2)  PB C 296 E van 6.12.2006, blz. 123.

(3)  PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 64.

(4)  PB C 227 E van 4.9.2008, blz. 140.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/64


Woensdag, 5 mei 2010
Top EU-Canada

P7_TA(2010)0142

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de komende top EU-Canada op 5 mei 2010

2011/C 81 E/10

Het Europees Parlement,

gezien de onderhandelingen over een allesomvattende economische en handelsovereenkomst die van start zijn gegaan tijdens de top EU-Canada op 6 mei 2009 in Praag,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 februari 2010 over een herzien kaderakkoord tussen het Europees Parlement en de Commissie voor de volgende zittingsperiode,

gezien de geslaagde 32ste interparlementaire bijeenkomst van de Delegatie voor de betrekkingen met Canada in november 2009 in Brussel,

gelet op de goedkeuringsprocedure, zoals bedoeld in artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Canada al sinds 1959 officiële betrekkingen met de EU onderhoudt, hetgeen dit land tot een van de oudste en naaste partners van de Unie maakt,

B.

overwegende dat de lopende onderhandelingen over een allesomvattende economische en handelsovereenkomst de betrekkingen tussen de EU en Canada kunnen versterken,

C.

overwegende dat per maart 2010 geen gedegen effectbeoordeling was verricht van de sociale, ecologische en economische gevolgen van een dergelijke allesomvattende economische en handelsovereenkomst,

D.

overwegende dat Canada in 2010 voorzitter is van de G8 en als gastland optreedt voor de volgende G20-top,

E.

overwegende dat tijdens de komende top EU-Canada op 5 mei 2010 in Brussel naar verwachting de aandacht zal uitgaan naar de versterking van de nu al hechte politieke verhouding tussen beide partners, en in het bijzonder naar gemeenschappelijke uitdagingen zoals de onderhandelingen over een allesomvattende economische en handelsovereenkomst; uitdagingen ten aanzien van het buitenlands en veiligheidsbeleid, met name inzake Afghanistan en Pakistan; een gemeenschappelijke koers met betrekking tot Iran; de non-proliferatie van kernwapens; Haïti en de follow-up van de donorconferentie in New York; ontwikkelingssamenwerking; een gecoördineerde reactie op de financiële en economische crisis; klimaatverandering en energie en vorderingen in de Doha-onderhandelingsronde over de wereldhandel,

F.

overwegende dat de EU en Canada gemeenschappelijke waarden delen alsook de sterke overtuiging dat voor het aangaan van grote uitdagingen multilaterale samenwerking vereist is,

1.

is ingenomen met de verklaring van de Commissie waarin vorderingen in de onderhandelingen over een allesomvattende economische en handelsovereenkomst worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de economische betrekkingen tussen de EU en Canada; is in dit verband van mening dat de top EU-Canada op 5 mei 2010 in Brussel een goede gelegenheid vormt om deze onderhandelingen te bespoedigen;

2.

wijst op de soliditeit van de Canadese economie tijdens de economische crisis, in het bijzonder die van het bankwezen; verklaart zich bereid om in het kader van de G20 nauw met Canada samen te werken om tot een gecoördineerde wereldwijde aanpak inzake fiscale stimulansen en fiscale consolidatie te komen, en meent dat de kwestie van de invoering van een bankheffing of transactiebelasting op wereldniveau een van de prioritaire onderwerpen moet vormen tijdens de volgende G20-top in Toronto;

3.

constateert dat zowel Canada als de EU zich volledig willen inzetten voor een gecoördineerde, samenhangende en allesomvattende benadering om te voldoen aan de behoeften van Haïti op de korte en middellange termijn, alsmede voor de opbouw van een nieuw Haïti dat beantwoordt aan de gerechtvaardigde en reeds lang gekoesterde idealen van het Haïtiaanse volk voor hun land, waarbij zij ervoor zorgen dat Haïti meester blijft over het proces van wederopbouw;

4.

is verheugd over het voornemen dat is uitgesproken tijdens de recente troonrede in het Canadese parlement, om de Canadese telecommunicatiesector open te stellen voor buitenlandse concurrenten;

5.

neemt nota van het voornemen om een grootschalige hervorming van het beheersysteem van de Canadese visserijsector door te voeren, waarbij ook de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan betrokken zal zijn; is teleurgesteld over het standpunt dat de Canadese regering tijdens de meest recente conferentie van de CITES-partijen heeft ingenomen met betrekking tot de uitbreiding van CITES-bijlage 1 tot blauwvintonijn;

6.

toont zich andermaal verontrust over de visumplicht die Canada nog steeds oplegt aan burgers van de Tsjechische Republiek, Roemenië en Bulgarije en vraagt dat deze plicht zo snel mogelijk wordt ingetrokken; merkt op dat de Canadese regering de visumplicht voor Tsjechische burgers heeft ingevoerd naar aanleiding van de toestroom van Roma naar Canada, en dringt bij de lidstaten derhalve aan op een gepaste aanpak van de situatie van de Roma in Europa; is in dit verband ingenomen met de opening van een visumkantoor in de Canadese ambassade te Praag en de oprichting van een werkgroep van deskundigen voor deze kwestie, en hoopt dat de aangekondigde grondige herziening van het Canadese vluchtelingensysteem zal leiden tot intrekking van de visumplicht;

7.

benadrukt dat de EU en Canada zich verbinden tot de totstandbrenging van een koolstofarme, veilige en duurzame wereldeconomie, en tot een verbetering van het vermogen tot aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering; onderstreept het belang van continue discussies over milieukwesties in het kader van de milieudialoog op hoog niveau tussen de EU en Canada, inclusief over maritieme samenwerking en samenwerking ten aanzien van milieu en energie in het Noordpoolgebied en over de vooruitzichten van het starten van internationale onderhandelingen voor de goedkeuring van een internationaal verdrag voor de bescherming van het Noordpoolgebied; is verheugd over de in de recente troonrede gedane toezegging van Canada om te investeren in schone energietechnologieën, zijn plaats als schone energiemacht te bestendigen en een voortrekkersrol te vervullen bij het creëren van groene banen;

8.

is verontrust over de weerslag van de winning van teerzand op het milieu in de wereld ten gevolge van de hoge CO2-emissies tijdens het productieproces en het gevaar hiervan voor de plaatselijke biodiversiteit;

9.

herinnert de Raad en de Commissie eraan dat het Europees Parlement sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn goedkeuring moet hechten aan internationale overeenkomsten en van bij het begin volledig betrokken moet worden bij alle stadia van internationale onderhandelingen, en kijkt uit naar een spoedige verklaring van de Commissie over de wijze waarop zij dit wil doen; brengt in dit verband in herinnering dat zijn ongerustheid met betrekking tot de PNR-overeenkomst tussen de EU en Canada afdoende en gezamenlijk zal moeten worden weggenomen alvorens het zijn goedkeuring aan deze overeenkomst kan hechten;

10.

hoopt dat Canada volledige steun zal verlenen aan het verzoek van de EU om de ACTA-onderhandelingen open te stellen voor toezicht van het publiek, zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn resolutie van 10 maart 2010, en om deze onderhandelingen te voeren onder de auspiciën van een internationale organisatie, waarbij de WIPO het geschiktst is;

11.

feliciteert het organiserend comité van Vancouver (VANOC) met het welslagen van de Olympische en Paralympische Winterspelen van 2010;

12.

merkt op dat de bevoegdheid voor de betrekkingen tussen de EU en Canada uitsluitend bij de federale autoriteiten berust, maar moedigt de deelname van de provincies en territoria aan de onderhandelingen betreffende een allesomvattende economische en handelsovereenkomst en aan bepaalde andere aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Canada aan;

13.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het fungerend voorzitterschap van de EU, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, en de Canadese regering.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/66


Woensdag, 5 mei 2010
SWIFT

P7_TA(2010)0143

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de aanbeveling van de Commissie aan de Raad toestemming voor de start van onderhandelingen te geven voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake het beschikbaar stellen van financiële berichten aan het ministerie van Financiën van de Verenigde Staten voor de preventie en bestrijding van terrorisme en van de financiering ervan

2011/C 81 E/11

Het Europees Parlement,

gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika (1),

gezien de aanbeveling van de Commissie aan de Raad toestemming voor de start van onderhandelingen te geven voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake het beschikbaar stellen van gegevens over het betalingsverkeer aan het ministerie van Financiën van de Verenigde Staten voor de preventie en bestrijding van terrorisme en van de financiering ervan (2),

onder verwijzing naar zijn wetgevingsresolutie van 11 februari 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en doorgifte van gegevens betreffende het betalingsberichtenverkeer van de Europese Unie naar de Verenigde Staten ten behoeve van het programma voor het traceren van terrorismefinanciering (05305/1/2010 REV 1 – C7-0004/2010 – 2009/0190(NLE)) (3),

gezien het verzoek om goedkeuring dat door de Raad is ingediend overeenkomstig artikel 218, lid 6, letter a) in samenhang met de artikelen 82, lid 1, letter d), en 87, lid 2, letter a), VWEU (C7-0004/2010),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 september 2009 over de voorgenomen internationale overeenkomst inzake het beschikbaar stellen van gegevens over het betalingsverkeer aan het ministerie van Financiën van de Verenigde Staten voor de preventie en bestrijding van terrorisme en van de financiering ervan (4),

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2009)0703 en 05305/1/2010 REV 1),

gezien de tekst van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en doorgifte van gegevens betreffende het betalingsberichtenverkeer van de Europese Unie naar de Verenigde Staten ten behoeve van het programma voor het traceren van terrorismefinanciering (16110/2009),

gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming van 12 april 2010 (vertrouwelijk),

gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het was ingenomen met de overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika en de „Verklaring van Washington”, zoals aangenomen door de vergadering van de ministeriële trojka EU-VS JBZ op 28 oktober 2009, over de versterking van de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid in het kader van de eerbiediging van de mensenrechten en burgerlijke vrijheden,

B.

overwegende dat het sterk de nadruk legt op de noodzaak van trans-Atlantische samenwerking,

C.

overwegende dat de Raad op 30 november 2009 een tussentijdse overeenkomst EU-VS heeft getekend inzake de verwerking en doorgifte van gegevens betreffende het betalingsberichtenverkeer (FMDA) ten behoeve van het programma voor het traceren van terrorismefinanciering (TFTP), die vanaf 1 februari 2010 voorlopig moet worden toegepast en uiterlijk 31 oktober 2010 zal aflopen,

D.

overwegende dat krachtens het Verdrag van Lissabon zijn goedkeuring van de formele sluiting van deze tussentijdse overeenkomst vereist is,

E.

overwegende dat het op 11 februari 2010 heeft besloten geen goedkeuring te hechten aan de sluiting van de FMDA,

F.

overwegende dat het de Commissie heeft verzocht om de Raad onverwijld aanbevelingen te doen met het oog op een langetermijnovereenkomst met de Verenigde Staten ter voorkoming van de financiering van terrorisme,

G.

overwegende dat het heeft herhaald dat iedere nieuwe overeenkomst op dit gebied moet voldoen aan het nieuwe juridische rechtskader dat door het Verdrag van Lissabon is gecreëerd en aan het nu bindende Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

H.

overwegende dat het de in zijn resolutie van 17 september 2009 geformuleerde verzoeken, met name in de paragrafen 7 tot en met 13, heeft herhaald,

I.

overwegende dat de Commissie de nieuwe TFTP aanbeveling en de onderhandelingsrichtsnoeren op 24 maart 2010 heeft goedgekeurd,

J.

overwegende dat de Raad naar verwachting op 22 april 2010 een besluit zal nemen over de vaststelling van de onderhandelingsrichtsnoeren,

K.

overwegende dat de onderhandelingsrichtsnoeren belangrijke elementen uit zijn desbetreffende resoluties over dit vraagstuk weergeven,

1.

is verheugd over de nieuwe geest van samenwerking waarvan de Commissie en de Raad blijk geven en over hun bereidheid om met het Parlement samen te werken en rekening te houden met hun verdragsverplichting om het Parlement in alle stadia van de procedure onmiddellijk en volledig te informeren; herhaalt open te staan voor een overeenkomst die zowel Europa als de Verenigde Staten zou helpen hun strijd tegen het terrorisme te versterken in het belang van de veiligheid van hun burgers, zonder afbreuk te doen aan de rechtsstaat;

2.

rekent op voortzetting van de inzet, de geest van constructieve samenwerking en de openheid waarvan vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering blijk hebben gegeven in de aanloop naar de stemming van het Parlement op 11 februari 2010 en daarna;

3.

herinnert eraan dat het vastbesloten is het terrorisme te bestrijden en dat het ervan overtuigd is dat het kader van de trans-Atlantische samenwerking ter bestrijding van het terrorisme verder moet worden ontwikkeld en verbeterd; is voorts van mening dat de Europese wettelijke voorschriften voor de eerlijke, evenredige en rechtmatige verwerking van persoonsgegevens van uitermate groot belang zijn en te allen tijde moeten worden gehandhaafd;

4.

herhaalt dat de regelgeving van de EU inzake de opsporing van terrorismefinanciering is gebaseerd op de melding van verdachte of onregelmatige transacties door afzonderlijke financiële actoren;

5.

benadrukt dat de grondbeginselen nog steeds door de EU moeten worden vastgesteld die bepalen hoe zij in het algemeen met de VS zal samenwerken ten behoeve van terrorismebestrijding en hoe aanbieders van gegevens betreffende betalingsberichtenverkeer kunnen worden verzocht om mee te werken aan deze strijd, of meer in het algemeen aan het gebruik, met het oog op de rechtshandhaving, van gegevens die voor commerciële doeleinden zijn verzameld;

6.

benadrukt andermaal de „doelafbakening” van de overeenkomst om ervoor te zorgen dat de uitwisseling van gegevens strikt beperkt is tot hetgeen vereist is voor de bestrijding van het terrorisme en dat een en ander geschiedt op basis van een gemeenschappelijke definitie van „terroristische activiteit”;

7.

benadrukt dat de beginselen van evenredigheid en noodzakelijkheid van fundamenteel belang zijn voor de beoogde overeenkomst, en wijst erop dat het probleem dat de aanbieders van de gegevens betreffende betalingsberichtenverkeer (om technische en/of bestuursredenen) niet in staat zijn de „inhoud” van de berichten te doorzoeken, wat leidt tot de doorgifte van gegevens in bulk, vervolgens niet kan worden opgelost door toezicht- en controlemechanismen, aangezien dan al afbreuk is gedaan aan de basisbeginselen van de wetgeving inzake gegevensbescherming;

8.

stelt nogmaals dat de doorgifte van gegevens in bulk een afwijking betekent van de beginselen die ten grondslag liggen aan de wetgeving en de praktijk in de EU, en verzoekt de Commissie en de Raad deze kwestie in de onderhandelingen naar behoren aan de orde te stellen, in het besef dat het TFTP momenteel zodanig is opgezet dat doelgerichte uitwisseling van gegevens niet mogelijk is; voor oplossingen moet onder meer worden gedacht aan beperking van de omvang van de doorgegeven gegevens en inventarisering van de soorten gegevens die de aangewezen aanbieders kunnen filteren en extraheren alsook de soorten gegevens die in een doorgifte kunnen worden opgenomen;

9.

is van mening dat de overeenkomst inzake wederzijdse rechtsbijstand geen adequate basis is voor verzoeken om gegevens voor de doeleinden van het TFTP, met name omdat deze niet van toepassing is op bankoverschrijvingen tussen derde landen en omdat dit in ieder geval de voorafgaande identificatie van een specifieke bank zou vereisen, terwijl het TFTP is gebaseerd op het gericht doorzoeken van overschrijvingen; toekomstige onderhandelingen moeten worden gericht op het vinden van een oplossing om het een met het ander verenigbaar te maken;

10.

is van mening dat, zodra een mandaat is vastgesteld, een publieke rechterlijke instantie in de EU moet worden aangewezen die verantwoordelijk is voor het ontvangen van verzoeken van het Amerikaanse ministerie van Financiën; wijst erop dat het van fundamenteel belang is dat de aard van deze instantie en het juridische toezicht duidelijk worden gedefinieerd;

11.

dringt er derhalve bij de Raad en de Commissie op aan mogelijkheden te onderzoeken om een transparante en juridisch verantwoorde procedure vast te stellen voor het autoriseren van het doorgeven en extraheren van relevante gegevens en voor het doorvoeren van en het toezicht op de uitwisseling van gegevens; benadrukt dat dergelijke maatregelen moeten worden genomen in volledige overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid en de rechtsstaat en met volledige inachtneming van de vereisten op het gebied van de grondrechten overeenkomstig de EU-wetgeving, door de Europese instantie een rol toe te bedelen die het mogelijk maakt dat de desbetreffende Europese wetgeving volledig toepasbaar wordt;

12.

dringt, indien het bovengenoemde niet op korte termijn haalbaar is, aan op een tweesporenbeleid dat differentieert tussen enerzijds de strikte waarborgen die in de beoogde overeenkomst EU-VS moeten worden opgenomen en anderzijds de fundamentele politieke besluiten op langere termijn die de EU moet nemen; benadrukt nogmaals dat de overeenkomst tussen de EU en de VS strikte waarborgen voor implementatie en toezicht moet bevatten, onder toezicht van een door de EU benoemde autoriteit, met betrekking tot de dagelijkse extractie van gegevens, de toegang tot en het gebruik door de Amerikaanse autoriteiten van alle aan hen in het kader van de overeenkomst doorgegeven gegevens;

13.

wijst er in dit verband op dat de optie die het maximale waarborgniveau biedt erin zou bestaan het mogelijk te maken dat het extraheren van gegevens plaatsvindt op het grondgebied van de EU, in EU-faciliteiten of in gezamenlijke faciliteiten van de EU en de VS, en verzoekt de Raad en de Commissie gelijktijdig onderzoek te doen naar:

mogelijkheden om te streven naar een oplossing op middellange termijn waarbij een rechterlijke instantie van de EU wordt gemachtigd om in de EU, namens de lidstaten, na een tussentijds parlementair onderzoek van de overeenkomst toezicht te houden op het extraheren van gegevens;

mogelijkheden om er in de tussentijd voor te zorgen dat geselecteerd personeel van de EU - van EU-instellingen of organen, met inbegrip van bij voorbeeld de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming of gezamenlijke onderzoekteams van de EU en de VS - met ruime bevoegdheden zich aansluit bij de ambtenaren van SWIFT om toezicht te houden op het extraheren van gegevens in de VS.

14.

onderstreept dat de overeenkomst tussen de EU en de VS ongeacht het gekozen mechanisme inzake implementatie qua duur moet worden beperkt en dient te voorzien in een duidelijk commitment van de kant van zowel de Raad als de Commissie om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om een duurzame, juridisch verantwoorde Europese oplossing te bieden voor het vraagstuk van het extraheren van de gevraagde gegevens op Europees grondgebied; de overeenkomst dient ook te voorzien in evaluaties en toetsing van de waarborgen door de Commissie op gezette tijden tijdens de implementatie ervan;

15.

dringt erop aan de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen indien aan enige verplichting niet wordt voldaan;

16.

wijst erop dat waarachtige wederkerigheid van de Amerikaanse autoriteiten zou vereisen dat zij zowel de autoriteiten van de EU als de bevoegde autoriteiten in de lidstaten in staat stellen op servers in de VS opgeslagen gegevens betreffende het betalingsberichtenverkeer en verwante gegevens te verkrijgen en te gebruiken op dezelfde voorwaarden als die welke voor de Amerikaanse autoriteiten gelden;

17.

wenst dat alle relevante informatie en documenten, met inbegrip van de desbetreffende inlichtingen, ter beraadslaging in het Europees Parlement beschikbaar worden gesteld in overeenstemming met de toepasselijke regels inzake vertrouwelijkheid ten einde de noodzaak van de regeling in relatie tot reeds bestaande instrumenten aan te tonen; verzoekt de Commissie voorts regelmatig verslag uit te brengen over de werking van de overeenkomst en het Parlement volledig op de hoogte te stellen van een in het kader van deze overeenkomst in te voeren herzieningsmechanisme;

18.

wenst volledige en gedetailleerde informatie te ontvangen over de specifieke rechten van Europese en Amerikaanse burgers (bijvoorbeeld toegang, rectificatie, schrapping, schadevergoeding en verhaalsrecht) en over de vraag of met de beoogde overeenkomst de „rechten” op een niet-discriminerende basis moeten worden gewaarborgd ongeacht de nationaliteit van de persoon wiens gegevens krachtens de overeenkomst worden verwerkt, en verzoekt de Commissie een overzicht van deze rechten aan het Parlement voor te leggen;

19.

is verontrust dat afbreuk is gedaan en ook verder zal worden gedaan aan de commerciële positie van een specifieke aanbieder van gegevens betreffende betalingsberichtenverkeer als deze een bijzondere behandeling blijft genieten;

20.

benadrukt dat de beoogde overeenkomst ervoor moet zorgen dat uit de TFTP-databank geëxtraheerde persoonsgegevens worden bewaard op basis van een strikt geïnterpreteerd „noodzakelijkheidsbeginsel” en niet langer dan noodzakelijk is voor het betreffende onderzoek of de vervolging waarvoor de toegang in het kader van het TFTP plaatsvindt;

21.

wijst erop dat het concept niet-geëxtraheerde gegevens niet vanzelf spreekt en dus moet worden verduidelijkt; dringt aan op de vaststelling van een maximale bewaartermijn die zo kort mogelijk moet zijn, maar in ieder geval niet langer dan vijf jaar;

22.

benadrukt het belang van de beginselen van niet-openbaarmaking van gegevens aan derde landen indien er geen specifieke redenen voor een verzoek worden gegeven alsook van openbaarmaking van aanknopingspunten voor terroristische activiteiten aan derde landen die alleen mag plaatsvinden onder stringente voorwaarden en met passende waarborgen, met inbegrip van een adequaatheidstoetsing;

23.

herhaalt dat een bindende internationale overeenkomst tussen de EU en de VS over privacy en gegevensbescherming in het kader van de uitwisseling van informatie voor rechtshandhavingsdoeleinden van het allergrootste belang blijft;

24.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Amerikaanse Congres en de regering van de Verenigde Staten van Amerika.


(1)  PB L 181 van 19.7.2003, blz. 34.

(2)  SEC(2010)0315 def.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0029.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0016.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/70


Woensdag, 5 mei 2010
Persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens)

P7_TA(2010)0144

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de opening van onderhandelingen over overeenkomsten inzake persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) met de Verenigde Staten, Australië en Canada

2011/C 81 E/12

Het Europees Parlement,

gelet op de artikelen 16 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 6 van het EU-Verdrag, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, inzonderheid artikel 8, en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzonderheid de artikelen 6, 8 en 13,

gelet op het fundamentele recht op vrij verkeer, dat gewaarborgd wordt door artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over het EU-VS PNR-vraagstuk, met name zijn resoluties van 13 maart 2003 over de overdracht van persoonsgegevens door luchtvaartmaatschappijen bij transatlantische vluchten (1), van 9 oktober 2003 over de overdracht van persoonsgegevens door luchtvaartmaatschappijen bij transatlantische vluchten: de stand van zaken bij de onderhandelingen met de VS (2), en van 31 maart 2004 over het ontwerpbesluit van de Commissie ter vaststelling van een passend beschermingsniveau voor gegevens van persoonlijke aard in de bestanden van vliegtuigpassagiers (PNR) die naar het Bureau douane en grensbescherming van de Verenigde Staten worden doorgezonden (3), zijn aanbeveling van 7 september 2006 aan de Raad betreffende de onderhandelingen over een overeenkomst met de Verenigde Staten van Amerika inzake het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (Passenger Name Records – PNR) voor het voorkomen en bestrijden van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit, met inbegrip van georganiseerde criminaliteit (4), zijn resolutie van 14 februari 2007 over SWIFT, de PNR-overeenkomst en de transatlantische dialoog over deze kwesties (5), en zijn resolutie van 12 juli 2007 over de PNR-overeenkomst met de Verenigde Staten van Amerika (6),

onder verwijzing naar zijn aanbeveling aan de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) uit de Europese Unie door luchtvaartmaatschappijen aan de Australische douane (7),

onder verwijzing naar zijn wetgevingsresolutie van 7 juli 2005 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake de verwerking van op voorhand af te geven passagiersgegevens (Advance Passenger Information – API) en persoonsgegevens van passagiers (Passenger Name Record – PNR) (8),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 november 2008 over het voorstel voor een kaderbesluit van de Raad over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor wetshandhavingsdoeleinden (9),

gezien het arrest van 30 mei 2006 van het Hof van Justitie in gevoegde zaken C-317/04 en C-318/04,

gezien de brief van 27 juni 2007 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming aan de heer Schäuble, fungerend voorzitter, over de nieuwe PNR-overeenkomst met de VS,

gezien het advies van de Groep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, overeenkomstig artikel 29 van de richtlijn betreffende gegevensbescherming (artikel 29 Groep) over de toekomstige PNR-overeenkomst,

gezien het advies van de Juridische Dienst van het Europees Parlement,

gelet op Richtlijn 2004/82/EG betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven (API-richtlijn) (10),

gezien de gezamenlijke herziening van 2005 van de overeenkomst tussen de EU en de VS,

gezien de gezamenlijke herziening van 2010 van de overeenkomst tussen de EU en de VS,

gezien de overeenkomst uit 2009 tussen de EU en Canada,

gezien het verzoek om goedkeuring van de sluiting van de Overeenkomst tussen de EU en de VS inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) door luchtvaartmaatschappijen aan het ministerie van Binnenlandse Veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika (11) en van de sluiting van de Overeenkomst tussen de EU en Australië inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) uit de EU door luchtvaartmaatschappijen aan de Australische douane (12),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 november 2009 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad - Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger – programma van Stockholm (13),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 september 2009 over de voorgenomen internationale overeenkomst inzake het beschikbaar stellen van gegevens over het betalingsverkeer aan het Ministerie van Financiën van de Verenigde Staten voor de preventie en bestrijding van terrorisme en van de financiering ervan (14),

gezien de gezamenlijke verklaring over luchtvaartveiligheid die de EU en de VS op 21 januari 2010 te Toledo hebben afgelegd,

gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op 1 december 2009 in werking is getreden,

B.

overwegende dat vanwege de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, het Parlement wordt verzocht de overeenkomsten van de EU met de VS en met Australië over de overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) goed te keuren, met het oog op de sluiting van deze overeenkomsten,

C.

overwegende dat de overeenkomst tussen de EU en Canada over de overdracht van PNR-gegevens niet langer geldig is, vanwege het aflopen van de beschikking betreffende passende bescherming in september 2009, en dat de overdracht van PNR-gegevens sindsdien heeft plaatsgevonden op basis van unilaterale verplichtingen door Canada aan de lidstaten,

D.

overwegende dat andere landen reeds om de overdracht van PNR-gegevens hebben verzocht of hebben aangekondigd dit op korte termijn te zullen doen,

E.

overwegende dat de Raad de Commissie heeft verzocht een voorstel in te dienen voor een PNR-systeem in de EU, hetgeen zij op 17 november 2007 heeft gedaan,

F.

overwegende dat in het huidige digitale tijdperk, gegevensbescherming, het recht op eigen beeldvorming, persoonsrechten en het recht op privacy, waarden zijn geworden die een steeds belangrijker rol spelen en dat deze dan ook met bijzondere aandacht moeten worden beschermd,

G.

overwegende dat in onze wereld, die in hoge mate wordt gekenmerkt door mobiliteit, verhoogde veiligheid en verbeterde criminaliteitsbestrijding hand in hand moeten gaan met een meer doeltreffende, doelgerichte en snellere uitwisseling van gegevens in Europa en in de wereld,

1.

bevestigt nogmaals dat het het terrorisme en de georganiseerde en grensoverschrijdende criminaliteit vastberaden wil bestrijden en dat het er tegelijkertijd vast van overtuigd is de burgerlijke vrijheden en grondrechten, en dat het recht op privacy, eigen beeldvorming en gegevensbescherming optimaal moet worden geëerbiedigd; bevestigt nogmaals dat noodzaak en evenredigheid grondbeginselen zijn zonder welke terrorismebestrijding nooit doeltreffend zal zijn;

2.

wijst er met klem op dat de Europese Unie stoelt op de beginselen van de rechtsstaat en dat elke overdracht van persoonsgegevens uit de EU en de lidstaten aan derde landen voor veiligheidsdoeleinden, moet zijn gebaseerd op internationale overeenkomsten met de status van wetgevingshandelingen, om de nodige bescherming aan de EU-burgers te bieden, gepaard moet gaan met procedurele waarborgen en recht op verdediging, en in overeenstemming moet zijn met de gegevensbeschermingswetgeving op nationaal en Europees niveau;

3.

verzoekt de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aan het Parlement alle nuttige informatie en achtergronddocumenten te verschaffen, in het bijzonder de specifieke informatie waarom het heeft verzocht in bovengenoemde EU-PNR-resolutie;

4.

besluit om de stemming over het verzoek om goedkeuring van de overeenkomsten met de VS en Australië uit te stellen totdat het de mogelijkheden heeft onderzocht van overeenkomsten over het gebruik van PNR-gegevens die het EU-recht naleven en tegemoet komen aan de zorgen die het Parlement in eerdere resoluties over PNR-gegevens heeft geuit;

5.

is van mening dat elk nieuw wetgevingsinstrument moet worden voorafgegaan door een effectbeoordeling betreffende privacy en een evenredigheidstest die aantoont dat de bestaande wetgevingsinstrumenten niet toereikend zijn; verzoekt in het bijzonder om een onderzoek naar:

het gebruik van API-gegevens in de EU en door derde landen als een mogelijk minder indringerige manier om passagiersgegevens te verzamelen en te gebruiken,

door de VS en Australië verzamelde gegevens in hun respectievelijke elektronische systemen voor reisvergunningen,

PNR-gegevens die kunnen worden verzameld uit bronnen die niet door internationale overeenkomsten worden gedekt, zoals buiten de EU gevestigde computerreserveringssystemen; verzoekt de Commissie alle belanghebbenden te raadplegen, met inbegrip van luchtvaartmaatschappijen;

6.

is van mening dat nieuwe overeenkomsten moeten voorzien in gepaste mechanismen voor onafhankelijke herziening, gerechtelijk toezicht en democratische controle;

7.

verzoekt om een coherente aanpak van het gebruik van PNR-gegevens voor rechtshandhavings- en veiligheidsdoeleinden, door de vaststelling van een reeks beginselen die als basis dienen voor overeenkomsten met derde landen; verzoekt de Commissie om voor medio juli 2010, een voorstel in te dienen voor een dergelijk uniform model en een ontwerpmandaat voor onderhandelingen met derde landen;

8.

verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten te verzoeken om een gedetailleerd advies over de grondrechtelijke dimensie van nieuwe PNR-overeenkomsten;

9.

is van mening dat het model aan de volgende minimumvereisten moet voldoen:

a)

PNR-gegevens mogen alleen worden gebruikt voor rechtshandhavings- en veiligheidsdoeleinden in het kader van georganiseerde en grensoverschrijdende ernstige criminaliteit of grensoverschrijdend terrorisme, op basis van de wettelijke definities zoals vastgelegd in het Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (15) en in Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (16);

b)

het gebruik van PNR-gegevens voor rechtshandhavings- en veiligheidsdoeleinden moet voldoen aan de Europese normen op het gebied van gegevensbescherming, in het bijzonder betreffende doelafbakening, evenredigheid, recht van verhaal, beperking van de toegestane hoeveelheid verzamelde gegevens en van de duur van opslag,

c)

PNR-gegevens mogen in geen enkel geval worden gebruikt voor datamining of profilering; besluiten tot instapweigering of om een onderzoek of vervolging in te stellen mogen nooit uitsluitend op basis van de resultaten van dergelijke automatische zoekacties of navigatie in databanken, worden genomen; het gebruik van gegevens moet worden beperkt tot specifieke misdaden of dreigingen en moet per geval worden beoordeeld,

d)

in geval van overdracht van PNR-gegevens van EU-burgers aan derde landen, moeten de voorwaarden voor de overdracht worden vastgelegd in een bindend internationaal verdrag, dat rechtszekerheid verschaft en een gelijke behandeling waarborgt voor EU-burgers en –ondernemingen,

e)

de verdere overdracht van gegevens door het ontvangende land aan derde landen moet voldoen aan EU-normen op het gebied van gegevensbescherming, die worden vastgesteld op basis van een specifieke adequaatheidstoetsing; dit geldt voor elke verdere overdracht van gegevens door het ontvangende land aan derde landen,

f)

PNR-gegevens mogen uitsluitend op basis van de „push-methode” worden verschaft,

g)

resultaten worden onmiddellijk meegedeeld aan de desbetreffende autoriteiten van de EU en van de lidstaten;

10.

benadrukt het belang van rechtszekerheid voor EU-burgers en -luchtvaartmaatschappijen, alsook de behoefte aan geharmoniseerde normen voor laatstgenoemden;

11.

verzoekt de Commissie en het voorzitterschap ervoor te zorgen dat het Parlement overeenkomstig artikel 218, lid 10 van het VWEU volledige toegang krijgt tot de onderhandelingsstukken en –richtsnoeren in alle stadia van de procedure et dat de nationale parlementen op verzoek toegang krijgen;

12.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, alsook aan de regering van de Verenigde Staten en de twee kamers van het Congres, de regering van Australië en de twee kamers van het parlement en de regering van Canada en de twee kamers van het parlement.


(1)  PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 381.

(2)  PB C 81 E van 31.3.2004, blz. 105.

(3)  PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 665.

(4)  PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 250.

(5)  PB C 287 E van 29.11.2007, blz. 349.

(6)  Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0347.

(7)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0512.

(8)  PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 464.

(9)  PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 44.

(10)  PB L 261 van 6.8.2004, blz. 24.

(11)  Voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) door luchtvaartmaatschappijen aan het ministerie van Binnenlandse Veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika (PNR-overeenkomst 2007) (COM(2009)0702).

(12)  Voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) uit de EU door luchtvaartmaatschappijen aan de Australische douane (COM(2009)0701).

(13)  Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0090.

(14)  Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0016.

(15)  PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3.

(16)  PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/74


Woensdag, 5 mei 2010
Verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw

P7_TA(2010)0145

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over een algeheel verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de Europese Unie

2011/C 81 E/13

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het voorzorgbeginsel zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, alsmede in het Verdrag inzake biologische diversiteit, aangenomen in juni 1992 te Rio de Janeiro,

gezien de milieudoelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (kaderrichtlijn inzake water),

gelet op Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën, waarin het gebruik van cyanide in de mijnbouw wordt toegestaan en maximaal toegestane cyanideniveaus worden vastgesteld,

gelet op Richtlijn 2003/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2003 tot wijziging van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (Seveso II) betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, waarin wordt gesteld dat „bepaalde opslag- en verwerkingsactiviteiten in de mijnbouw […] zeer ernstige gevolgen kunnen hebben”,

gelet op Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid, waarin wordt bepaald dat lidstaten kunnen besluiten de kosten van milieuschade niet op de producent te verhalen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan,

gezien het programma van de Spaanse, Belgische en Hongaarse voorzitterschappen, met een duur van 18 maanden, waarin een aantal prioriteiten op het gebied van waterbeleid en biodiversiteit zijn vastgesteld,

gezien de wijziging van de Wet op de mijnbouw nr. 44/1988 die de Tsjechische Republiek in 2000 heeft doorgevoerd om tot een algeheel verbod op het gebruik van cyanide te komen, alsmede de wijziging van de Hongaarse Wet op de mijnbouw nr. 48/1993 in 2009, waarbij een verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw op Hongaars grondgebied werd vastgelegd, en het Duitse besluit van 2002 waarbij cyanide als loogmiddel in de mijnbouw werd verboden,

gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Verenigde Naties 2010 hebben uitgeroepen tot Internationaal Jaar van de biologische diversiteit, en dat de wereld in dat kader wordt opgeroepen maatregelen te treffen om de verscheidenheid van het leven op aarde in stand te houden,

B.

overwegende dat cyanide een uiterst giftige chemische stof is die wordt gebruikt in goudmijnen, is opgenomen op de lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen in bijlage VIII bij de kaderrichtlijn inzake water, en rampzalige en onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid en het milieu, en daarmee voor de biodiversiteit,

C.

overwegende dat de ministers van Milieubeheer van de Visegradlanden (Hongarije, Polen, Slowakije en Tsjechië) in hun gezamenlijke verklaring over duurzame mijnbouw (in het kader van hun 14de bijeenkomst op 25 mei 2007 in de Tsjechische hoofdstad Praag) uiting hebben gegeven aan hun bezorgdheid over de gevaarlijke technologieën die worden gebruikt en zullen worden gebruikt bij mijnbouwactiviteiten op verschillende locaties in de regio, met als gevolg ernstige milieurisico's met mogelijkerwijs grensoverschrijdende effecten,

D.

overwegende dat in het kader van het Verdrag van Sofia inzake samenwerking voor de bescherming en het duurzaam gebruik van de Donau de verdragsluitende partijen zijn overeengekomen dat cyanide naast zijn status als een prioritaire gevaarlijke stof in de kaderrichtlijn inzake water, ook als relevante gevaarlijke stof moet worden aangemerkt,

E.

overwegende dat zich de afgelopen 25 jaar wereldwijd meer dan 30 grote ongelukken hebben voorgedaan waarbij cyanide is weggelekt, waarvan het zwaarste tien jaar geleden plaatsvond, toen meer dan 100 000 m3 met cyanide verontreinigd water wegstroomde uit een reservoir bij een goudmijn en terechtkwam in het rivierenstelsel Tisza-Donau, hetgeen de tot dan toe grootste milieuramp in de geschiedenis van Midden-Europa tot gevolg had, en overwegende dat geen echte garantie bestaat dat dergelijke ongelukken niet meer zullen gebeuren, vooral gezien de steeds vaker voorkomende extreme weersomstandigheden, waaronder zware en frequente regenval, zoals voorspeld in het vierde evaluatierapport van het Intergouvernementele Panel over klimaatverandering,

F.

overwegende dat verschillende lidstaten van de EU nog altijd nieuwe projecten overwegen voor grootschalige dagbouwgoudmijnen met gebruik van technologieën op basis van cyanide in dichtbevolkte gebieden, hetgeen nog meer risico's met zich meebrengt voor de menselijke gezondheid en het milieu,

G.

overwegende dat de lidstaten op grond van de kaderrichtlijn inzake water verplicht zijn de „goede toestand” van waterbronnen te bereiken en te behouden, alsmede de vervuiling ervan met gevaarlijke stoffen te voorkomen; overwegende dat de goede toestand ook afhankelijk kan zijn van de waterkwaliteit stroomopwaarts in buurlanden waar cyanide in de mijnbouw wordt gebruikt,

H.

overwegende dat de grensoverschrijdende effecten van ongelukken met cyanide, met name de vervuiling van grote stroomgebieden en grondwatervoorraden, duidelijk maken dat een aanpak op EU-niveau van het ernstige gevaar van mijnbouw met cyanide voor het milieu nodig is,

I.

overwegende dat prudentiële regels en behoorlijke financiële garanties nog steeds ontbreken en dat de toepassing van de bestaande wetgeving inzake cyanidegebruik in de mijnbouw ook afhangt van de bekwaamheid van de uitvoerende macht in elke lidstaat, zodat het slechts een kwestie van tijd is voordat menselijke onachtzaamheid tot een ongeluk leidt,

J.

overwegende dat de richtlijn betreffende mijnbouwafval in sommige lidstaten nog niet volledig wordt toegepast,

K.

overwegende dat mijnbouw met cyanide weinig banen oplevert en dat slechts voor een periode van acht tot zestien jaar, maar wel het risico met zich meebrengt van enorme grensoverschrijdende milieuschade die gewoonlijk niet wordt vergoed door de aansprakelijke exploiterende bedrijven, die doorgaans verdwijnen of failliet gaan, maar door de staat, d.w.z. de belastingbetalers,

L.

overwegende dat de exploiterende bedrijven geen langetermijnverzekering hebben om de kosten te dekken in geval van een ongeluk of bedrijfsstoring in de toekomst,

M.

overwegende dat er een ton laagwaardig erts moet worden gewonnen om twee gram goud te produceren, met als gevolg enorme hoeveelheden mijnafval op de locaties, terwijl 25 tot 50 % van het goud uiteindelijk in de afvalberg achterblijft; overwegende dat bij grootschalige cyanidemijnbouw bovendien miljoenen kilo's natriumcyanide per jaar worden gebruikt, waarvan het transport en de opslag op zich rampzalige gevolgen kunnen hebben als er iets misgaat,

N.

overwegende dat er alternatieven voor cyanidegebruik in de mijnbouw bestaan,

O.

overwegende dat er hevige protesten worden georganiseerd tegen de voortgaande mijnbouwactiviteiten met behulp van cyanide in heel Europa, niet alleen door individuele burgers, lagere overheden en NGO's, maar ook door nationale overheidslichamen, regeringen en politici,

1.

is van oordeel dat de naleving van de doelstellingen van de EU-kaderrichtlijn inzake water, te weten het bereiken van een goede chemische toestand en de bescherming van de watervoorraden en de biodiversiteit, alleen mogelijk is als het gebruik van cyanide in de mijnbouw verboden wordt;

2.

doet een beroep op de Commissie om voor eind 2011 een voorstel in te dienen om tot een volledig verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de Europese Unie te komen, aangezien dat de enige veilige manier is om onze watervoorraden en ecosystemen tegen cyanideverontreiniging door de mijnbouw te beschermen, en tegelijkertijd een reguliere effectbeoordeling uit te voeren;

3.

neemt nota van de initiatieven op dit gebied in EU- en VN-verband en pleit met klem voor de ontwikkeling en toepassing van veiliger, en met name cyanidevrije alternatieven voor de mijnbouw;

4.

verzoekt de Commissie en de lidstaten zolang het algehele verbod nog niet van kracht is, direct noch indirect steun te verlenen voor mijnbouwprojecten in de EU die van de cyanidetechnologie gebruikmaken, en evenmin steun te verlenen voor dergelijke projecten buiten de EU;

5.

doet een beroep op de Commissie om de industriële omschakeling te bevorderen van de gebieden waar het gebruik van cyanide in de mijnbouw verboden is, middels adequate financiële steun voor alternatieve groene bedrijven, hernieuwbare energie en toerisme;

6.

verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen tot wijziging van de wetgeving inzake afvalbeheer in de mijnbouw om elk exploitatiebedrijf te verplichten een verzekering af te sluiten om in geval van een ongeluk of een bedrijfsstoring schadevergoeding te kunnen uitkeren en de kosten van herstel van een locatie in de oorspronkelijke ecologische en chemische toestand te kunnen vergoeden;

7.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en de regeringen van de lidstaten.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/77


Woensdag, 5 mei 2010
Strijd tegen borstkanker in de Europese Unie

P7_TA(2010)0146

Verklaring van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over de strijd tegen borstkanker in de Europese Unie

2011/C 81 E/14

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 123 van zijn Reglement,

A.

overwegende dat jaarlijks bij 331 392 vrouwen in de Europese Unie borstkanker wordt vastgesteld,

B.

overwegende dat borstkanker doodsoorzaak nummer één is bij vrouwen tussen 35 en 59 jaar, en dat jaarlijks 89 674 vrouwen in de Europese Unie aan borstkanker sterven,

C.

overwegende dat mammografisch onderzoek het sterftecijfer voor borstkanker bij vrouwen tussen 50 en 69 jaar met ongeveer 35 % kan verminderen,

1.

verzoekt de lidstaten om overeenkomstig de EU-richtsnoeren een landelijke screening op borstkanker in te voeren;

2.

dringt bij de Commissie aan op een tweejaarlijks voortgangsverslag over de uitvoering van het mammografisch onderzoek in alle EU-lidstaten;

3.

verzoekt de Commissie om steun voor studies over de vraag of screening nuttig is voor vrouwen ouder dan 69 jaar en jonger dan 50 jaar;

4.

verzoekt de lidstaten tussen nu en 2016 overeenkomstig de EU-richtsnoeren te zorgen voor multidisciplinaire en gespecialiseerde units voor borstonderzoek en verzoekt de Commissie op gezette tijden een voortgangsverslag te presenteren;

5.

verzoekt de Commissie actuele en betrouwbare gegevens over borstkanker te verstrekken en de ontwikkeling van nationale kankerregisters te steunen;

6.

verzoekt de Commissie om voor 2011 overeenkomstig de EU-richtsnoeren een certificatieprotocol voor gespecialiseerde units voor borstonderzoek uit te werken en hiertoe voor passende financiering te zorgen;

7.

verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars (1), te doen toekomen aan de parlementen van de lidstaten.


(1)  De lijst van ondertekenaars is gepubliceerd in bijlage I bij de notulen van 5.5.2010 (P7_PV(2010)05-05(ANN1)).


Donderdag, 6 mei 2010

15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/78


Donderdag, 6 mei 2010
Herziening van de Verdragen – Overgangsbepalingen in verband met de samenstelling van het Europees Parlement *

P7_TA(2010)0148

Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over het ontwerpprotocol tot wijziging van protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen in verband met de samenstelling van het Europees Parlement tot het einde van de zittingsperiode 2009-2014: advies van het Europees Parlement (artikel 48, lid 3, van het EU-Verdrag) (17196/2009 – C7-0001/2010 – 2009/0813(NLE))

2011/C 81 E/15

Het Europees Parlement,

gezien de brief van de voorzitter van de Europese Raad aan de Voorzitter van het Europees Parlement van 18 december 2009 over de wijziging van protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen (17196/2009),

gelet op artikel 48, lid 3, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie op grond waarvan het Parlement door de Europese Raad is geraadpleegd (C7-0001/2010),

gelet op protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, gehecht aan het Verdrag van Lissabon,

gelet op artikel 14, lid 2 en lid 3, van het EU-Verdrag,

gelet op de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen van 20 september 1976 (hierna „Akte van 1976” genoemd),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 oktober 2007 over de samenstelling van het Europees Parlement (1),

gezien de conclusies van de bijeenkomsten van de Europese Raad van 11 en 12 december 2008, van 18 en 19 juni 2009, alsmede van 10 en 11 december 2009,

gelet op artikel 11, lid 4, en artikel 74 bis van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0115/2010),

A.

overwegende dat in artikel 14, lid 2, van het EU-Verdrag, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon, is vastgelegd dat de Europese Raad met eenparigheid van stemmen op initiatief van en na goedkeuring door het Europees Parlement een besluit vaststelt inzake de samenstelling van het Europees Parlement,

B.

overwegende dat het Europees Parlement, in het licht van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en uit hoofde van protocol nr. 36 bij dit Verdrag, op 11 oktober 2007 middels zijn bovengenoemde resolutie in het verslag-Lamassoure-Severin een ontwerpbesluit van de Europese Raad over de zetelverdeling in het Parlement heeft voorgelegd,

C.

overwegende dat de Europese Raad op het moment van de ondertekening van het Verdrag van Lissabon geen officieel besluit over de samenstelling van het Europees Parlement had aangenomen, maar had ingestemd met het voorstel in bovengenoemde resolutie, na het totale aantal leden van het Europees Parlement van de oorspronkelijk geplande 750 tot 751 te hebben verhoogd,

D.

overwegende dat volgens het aldus in de Europese Raad tot stand gekomen akkoord het totaal aantal leden met 15 werd verhoogd ten opzichte van het Verdrag van Nice (van 736 tot 751), waarbij 18 extra zetels over 12 lidstaten zijn verdeeld en Duitsland uit hoofde van het in het EU-Verdrag vastgelegde maximum 3 zetels minder heeft gekregen,

E.

overwegende dat, aangezien het Verdrag van Lissabon niet vóór de Europese verkiezingen van 2009 in werking is getreden, deze verkiezingen volgens de bepalingen van het Verdrag van Nice zijn gehouden waardoor het Europees Parlement thans 736 leden telt,

F.

overwegende dat, aangezien het Verdrag van Lissabon tenslotte op 1 december 2009 in werking is getreden, het legitiem is dat de 18 extra leden uit de 12 betrokken lidstaten zo spoedig mogelijk in het Parlement zitting kunnen nemen, zodat de lidstaten die zij vertegenwoordigen de invloed kunnen uitoefenen die deze landen toekomt,

G.

overwegende dat het uit hoofde van artikel 5 van de Akte van 1976 ondenkbaar is het mandaat van een lid tijdens de zittingsperiode te onderbreken en dus het aantal leden van de huidige Duitse delegatie in het Europees Parlement met 3 te verlagen,

H.

overwegende dat de grote meerderheid van de lidstaten hun extra leden reeds hebben aangewezen volgens hun respectieve kiesstelsels en overeenkomstig de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad van 18 en 19 juni 2009,

I.

overwegende derhalve dat de komst van de 18 extra leden tijdens de zittingsperiode 2009-2014 het totale aantal leden van het Europees Parlement op 754 zal brengen en dat deze overschrijding van het in het Verdrag van Lissabon vastgelegde aantal van 751 zetels een wijziging van het primaire recht noodzakelijk maakt,

J.

overwegende dat in de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad van 11 en 12 december 2008 reeds was voorzien in de vaststelling van overgangsmaatregelen om tijdens de huidige zittingsperiode de komst van extra leden mogelijk te maken en overwegende dat in de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad van 18 en 19 juni 2009 de voorwaarden zijn vastgelegd volgens welke de tijdelijke verhoging van het aantal leden van het Europees Parlement zou moeten plaatsvinden,

K.

overwegende dat het Europees Parlement zelf op 25 november 2009 zijn Reglement zo heeft gewijzigd dat de extra leden als waarnemers in het Parlement zitting kunnen nemen in afwachting van de inwerkingtreding van de maatregelen die hen in staat stellen om als lid in het Parlement zitting te nemen,

L.

overwegende dat een van de voornaamste constitutionele vernieuwingen van het Verdrag van Lissabon de instelling is van een conventie als centraal onderdeel van de normale procedure voor de herziening van de Verdragen,

1.

is van oordeel dat het voorstel tot wijziging van protocol nr. 36 waarop door de Europese Raad wordt aangedrongen rechtstreeks voortvloeit uit de nieuwe bepalingen van het Verdrag van Lissabon en derhalve een overgangsoplossing biedt die alle lidstaten die over extra zetels beschikken, in staat stelt de betrokken leden aan te wijzen; is het erover eens dat 18 extra leden van het Europees Parlement moeten worden gekozen voor de resterende periode van de zittingsperiode 2009-2014; dringt er echter op aan dat alle 18 leden tegelijkertijd zitting nemen om het evenwicht tussen de nationaliteiten in het Parlement niet te verstoren; dringt er bij de lidstaten op aan hun verkiezingsprocedures zo spoedig mogelijk op pragmatische wijze af te ronden;

2.

betreurt het feit dat de Raad niet tijdig de maatregelen heeft goedgekeurd die de extra leden in staat zouden hebben gesteld om vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in het Parlement zitting te nemen, en dat één van de in de gevraagde wijziging overwogen oplossingen niet strookt met de geest van de Akte van 1976 waarin is vastgelegd dat de leden van het Europees Parlement middels rechtstreekse verkiezingen worden gekozen en niet op indirecte wijze via een verkiezing in een nationaal parlement;

3.

stemt niettemin in met het bijeenroepen van een intergouvernementele conferentie, met dien verstande dat deze uitsluitend zal worden gewijd aan de duidelijk afgebakende kwestie van de vaststelling van maatregelen in verband met de samenstelling van het Europees Parlement tot het einde van de zittingsperiode 2009-2014, en tevens met dien verstande dat deze overgangsmaatregelen van een uitzonderlijk karakter zijn dat verband houdt met de buitengewone omstandigheden van de ratificatie van het Verdrag van Lissabon en dat zij onder geen beding een precedent voor de toekomst kunnen vormen;

4.

wijst erop dat in de periode tussen de aanneming van de wijziging van protocol nr. 36 en de inwerkingtreding ervan de extra leden, uit hoofde van artikel 11, lid 4, van het Reglement van het Europees Parlement, als waarnemers in het Parlement zitting kunnen nemen;

5.

herinnert er voorts aan dat een besluit over de samenstelling van het Europees Parlement door de Europese Raad in elk geval tijdig vóór het einde van de lopende zittingsperiode moet worden aangenomen en dat het Parlement uit hoofde van artikel 14, lid 2, van het EU-Verdrag een initiatief terzake zal indienen;

6.

stelt de Europese Raad ervan in kennis dat het voornemens is binnenkort met voorstellen te komen tot vaststelling van de bepalingen voor de verkiezing van zijn leden door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure en volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben, en dat het Parlement de aldus beoogde hervorming zal initiëren op basis van artikel 48, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 223 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; dringt voorts ter voorbereiding van de herziening van de Verdragen aan op het bijeenroepen van een conventie die zich moet beraden over de hervorming van het Europees Parlement;

7.

roept de nationale parlementen op actie te ondernemen ter handhaving van het gevestigde primaire recht van de Europese Unie waarbij de leden van het Europees Parlement rechtstreeks door middel van vrije en geheime algemene verkiezingen worden gekozen;

8.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


(1)  PB C 227 E van 4.9.2008, blz. 132.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/80


Donderdag, 6 mei 2010
Situatie in Kirgizië

P7_TA(2010)0149

Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de situatie in Kirgizië

2011/C 81 E/16

Het Europees Parlement,

onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Kirgizië en Centraal-Azië, met name die van 12 mei 2005,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 februari 2008 over een EU-strategie voor Centraal-Azië,

gezien de verklaring van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton van 7 en 8 april 2010 over de situatie in Kirgizië,

gezien de conclusies van de Raad (Buitenlandse Zaken) van 26 april 2010,

gezien de verklaringen van de EU op de bijeenkomst van de Permanente Raad van de OVSE over de situatie in Kirgizië op 22 april 2010,

onder verwijzing naar de EU-strategie voor een nieuw partnerschap met Centraal-Azië die door de Europese Raad op zijn zitting van 21 en 22 juni 2007 is aangenomen,

gelet op de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en Kirgizië, die in 1999 in werking is getreden,

gezien het strategiedocument van de Europese Gemeenschap voor bijstand aan Centraal-Azië voor de periode 2007-2013,

gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het in het belang is van de volkeren van zowel Centraal-Azië als de Europese Unie dat er vooruitgang wordt geboekt op het gebied van stabiliteit en democratische en menselijke ontwikkeling, menselijke veiligheid en duurzame groei in de gehele regio,

B.

overwegende dat Kirgizië lid is van de OVSE en als zodanig gehouden is de grondrechten, de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen en de democratische normen van de OVSE toe te passen,

C.

overwegende dat Koermanbek Bakijev, die in juli 2005 voor het eerst aantrad na de zgn. Tulpenrevolutie, vorig jaar herkozen werd voor een nieuwe ambtstermijn als president bij verkiezingen waarbij volgens onafhankelijke waarnemers op grote schaal gefraudeerd was; overwegende dat Bakijev zich aanvankelijk democratisch opstelde, maar zich vervolgens als een autoritair leider ontpopte,

D.

overwegende dat Kirgizische troepen op 7 april 2010 kogels, traangas en verdovingsgranaten gebruikten tegen een menigte demonstranten die voor het presidentieel paleis in Bisjkek bijeengekomen waren en vervolgens regeringsgebouwen bestormden uit protest tegen de sterke prijsstijgingen voor elektriciteit en verwarming, waarbij 84 doden en meer dan 500 gewonden vielen,

E.

overwegende dat president Bakijev werd gedwongen de hoofdstad te ontvluchten en dat zijn plaats werd ingenomen door een voorlopige regering onder leiding van oppositieleider Roza Otoenbajeva, die een decreet over de machtsopvolging en naleving van de Kirgizische grondwet uitvaardigde en het parlement ontbond; overwegende dat Bakijev, nadat hij een week na de opstand getracht had de voorwaarden voor zijn aftreden te bepalen, het land heeft verlaten en naar Kazachstan is vertrokken na bemiddeling door Rusland, de VS en Kazachstan,

F.

overwegende dat Kirgizië voor de VS en Rusland van bijzonder belang is, aangezien het land door de nabijheid van Afghanistan en de Ferghana-vallei, die geografisch, politiek en economisch in het hart van Centraal-Azië gelegen is, een strategische positie inneemt; overwegende dat het militaire Manas Transit Center van de VS een sleutelrol speelt in het noordelijk distributienetwerk voor de bevoorrading van de NAVO-troepen in Afghanistan en dat ook Rusland een belangrijke militaire basis in Kirgizië heeft,

G.

overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Centraal-Azië van cruciaal belang zijn, gezien de gemeenschappelijke uitdagingen op het gebied van energie, het tegengaan van klimaatverandering, het inperken van de drughandel en de strijd tegen het terrorisme,

H.

overwegende dat de geopolitieke rivaliteit in de regio weliswaar een aanzienlijk destructief potentieel in zich bergt, maar dat er ook sprake is van grotendeels samenvallende belangen met betrekking tot Afghanistan en de verspreiding van het radicale islamisme, hetgeen de mogelijkheid biedt om deze rivaliteit te beperken en overeenstemming te bereiken over de noodzaak van verbetering van het bestuur,

I.

overwegende dat de EU zich te allen tijde moet houden aan haar doelstelling om mensenrechten, democratie en rechtsstaat een centrale plaats te geven in alle overeenkomsten met derde landen en door een consequent beleid democratische hervormingen te stimuleren zodat haar geloofwaardigheid als regionale macht groter wordt,

J.

overwegende dat de bemoeienis van de EU met Kirgizië, vooral door hulp te doneren, van groot belang is en goede mogelijkheden biedt om een grotere rol bij de ondersteuning van het land te spelen,

K.

overwegende dat de Commissie en de Raad bezig zijn met een herziening van de strategie voor Centraal-Azië, waarover op de zitting van de Europese Raad van juni een verslag zal worden ingediend,

1.

geeft uiting aan zijn hevige verontrusting over de situatie in Kirgizië en betuigt zijn medeleven met de nabestaanden van alle slachtoffers van de noodlottige gebeurtenissen;

2.

roept alle partijen op een einde te maken aan het geweld, zelfbeheersing aan de dag te leggen en al het mogelijke te doen om een echte dialoog op gang te brengen met als doel stabiliteit te brengen en de voorwaarden te scheppen voor een vreedzame terugkeer naar een democratisch staatsbestel;

3.

beklemtoont dat vanuit institutioneel oogpunt een coherent en stabiel staatsbestel van wezenlijk belang is om te voorkomen dat er weer sociale onrust uitbreekt en om het Kirgizische volk een vreedzame toekomst te garanderen, en is dan ook verheugd over de samenwerking tussen de voorlopige regering en de Commissie van Venetië;

4.

neemt kennis van de eerste maatregelen van de voorlopige regering om de democratie te herstellen, met name de plannen om een nieuwe grondwet op te stellen en daarbij de door Bakijev ingevoerde grondwetswijzigingen die de president buitensporig veel macht verschaften ongedaan te maken;

5.

is in dit verband verheugd over het feit dat de voorlopige regering heeft aangekondigd dat het referendum over de nieuwe grondwet op 27 juni 2010 zal plaatsvinden en dat er op 10 oktober 2010 parlementsverkiezingen zullen worden gehouden om de democratie te versterken en voor politieke verantwoording; verzoekt de voorlopige regering de internationale verplichtingen van Kirgizië na te komen en erop toe te zien dat de verkiezingen vrij en eerlijk zullen verlopen;

6.

benadrukt het grote belang van actieve bemoeienis met de voorlopige regering teneinde de mogelijkheden voor bevordering van behoorlijk bestuur, een onafhankelijke rechterlijke macht en andere EU-doelstellingen zoals neergelegd in de strategie voor Centraal-Azië te exploreren en benutten en om de betrokkenheid en bijdragen van internationale financiële instellingen mogelijk te maken;

7.

wenst dat onder leiding van de VN een internationaal onderzoek naar de gebeurtenissen wordt ingesteld om vast te stellen wie voor welke daden verantwoordelijk is geweest en wie tekortgeschoten is, en ook om de justitiële autoriteiten van Kirgizië te steunen, en dringt er bij de voorlopige regering op aan dat zij de hulp van het Bureau van de hoge commissaris voor de mensenrechten inroept om te bereiken dat het onderzoek naar de gebeurtenissen van 6 en 7 april 2010 grondig, onpartijdig en geloofwaardig zal zijn;

8.

wijst erop dat de Tulpenrevolutie van 2005 hoge verwachtingen had gewekt dat er democratische hervormingen in de Kirgizische maatschappij zouden gaan plaatsvinden, maar dat daar niets van terechtgekomen is; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan consequent en doortastend te werk te gaan en de gelegenheid te baat te nemen om middelen te vinden om de voorlopige regering van Kirgizië bij te staan en de autoriteiten te helpen om in samenwerking met alle belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld van Kirgizië democratische hervormingen van de grond te krijgen en het leven van de mensen te verbeteren dankzij nationale ontwikkeling en het mondig maken van de burgers;

9.

merkt op dat Kirgizië vanwege het nijpende gebrek aan hulpbronnen en zijn grote kwetsbaarheid sterk van buitenlandse steun afhankelijk is; wijst er voorts op dat het in zijn nabije omgeving slechts uiterst weinig voorbeelden van een democratisch en goed functionerend bestuur en positieve maatschappelijke ontwikkeling ziet; wijst er in dit verband op dat internationale bijstand van cruciaal belang zal zijn;

10.

wijst erop dat de ontwikkelingen in Kirgizië en de regionale en internationale ontwikkelingen elkaar over en weer beïnvloeden; is ervan overtuigd dat de belangen van Rusland, de VS en andere landen voor een belangrijk deel samenvallen, met name waar het gaat om Afghanistan en het toenemende islamitisch radicalisme in de regio en in Kirgizië; is van mening dat hieruit volgt dat geopolitieke rivaliteit beperkt kan blijven en dat er naar synergieën kan worden gezocht; is van oordeel dat de internationale betrekkingen en de internationale veiligheid erbij gebaat zullen zijn als dit slaagt;

11.

verzoekt de speciale afgezant voor Centraal-Azië van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger de situatie op de voet te volgen, bijstand te verlenen en de hervatting van de dialoog tussen alle geledingen van de Kirgizische maatschappij te bevorderen;

12.

verzoekt de Commissie en de Raad met spoed na te gaan of de voorwaarden voor het lanceren van een internationaal gecoördineerd grootscheeps nieuw bijstandsprogramma voor Kirgizië aanwezig zijn of kunnen worden geschapen, en daarbij niet in de laatste plaats erop te letten in hoeverre de voorlopige regering van Kirgizië werkelijk naar democratisering en behoorlijk bestuur wil streven; stelt dat de EU het initiatief tot een internationale donorconferentie over Kirgizië moet nemen als geoordeeld wordt dat er voldoende gunstige voorwaarden aanwezig zijn;

13.

dringt aan op grootschalige inzet van het Stabiliteitsinstrument; beklemtoont dat Kirgizië geholpen moet worden om de maatschappelijke en economische problemen te boven te komen; verzoekt de Commissie voorstellen voor hertoewijzing van middelen van het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) voor te bereiden om er zo toe bij te dragen dat de EU zowel op de korte als op de middellange termijn naar behoren kan reageren op de nieuwe situatie in Kirgizië; benadrukt dat er bijzondere prioriteit dient te worden verleend aan het oplossen van problemen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en watervoorziening;

14.

dringt er op aan dat de steun van de Unie en de inspanningen voor de bestrijding van de corruptie goed elkaar worden afgestemd, dat de middelen voor onderwijs worden opgevoerd en een beleid tot stand komt dat gericht is op de verbetering van de levensomstandigheden, opdat een klimaat kan worden gecreëerd dat het ontstaan van extremismen helpt tegen te gaan;

15.

verzoekt de Commissie, rekening houdend met de huidige situatie, na te kijken of het noodzakelijk is dringende humanitaire hulp te sturen;

16.

ziet uit naar de beoordeling van de vorderingen die gemaakt zijn bij de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de regio en dringt erop aan dat dat beleid geloofwaardiger, concreter en samenhangender wordt gemaakt;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de voorlopige regering van Kirgizië, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de OVSE en de secretaris-generaal van de Raad van Europa.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/84


Donderdag, 6 mei 2010
Elektrische voertuigen

P7_TA(2010)0150

Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over elektrische voertuigen

2011/C 81 E/17

Het Europees Parlement,

gezien het herstelplan van de EU en met name het „groene auto initiatief” van november 2008,

gelet op Richtlijn 2009/28/EG van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, waarin een minimumstreefcijfer van 10 % wordt vastgesteld voor het aandeel van hernieuwbare energie in het vervoer,

gelet op Verordening (EG) nr. 443/2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's,

gelet op het actieplan voor stedelijke mobiliteit van 30 september 2009,

gezien de informele bijeenkomst van de Europese Raad in San Sebastian op 9 februari 2010,

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met de titel „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”,

gezien de mededeling van de Commissie van 27 april 2010 over een Europese strategie voor groene, schone en energie-efficiënte voertuigen,

gelet op de vragen aan de Raad en de Commissie van 16 februari 2010 (O-0019/2010 – B7-0016/2010, O-0020/2010 – B7-0015/2010),

gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de uitdagingen die worden gesteld door de klimaatverandering, emissies van CO2 en andere vervuilende stoffen en de volatiliteit van de brandstofprijzen hebben geleid tot de technologische ontwikkeling van batterijen en systemen voor energieopslag en een groter marktbewustzijn op dit gebied, wat de weg heeft geopend voor een wereldwijde ontwikkeling van elektrische voertuigen,

B.

overwegende dat de elektrische auto een belangrijke innovatie is met een groot marktpotentieel, vooral op langere termijn, en dat het vermogen om snel deze markt te betreden met producten van hoge kwaliteit en standaardisatie over de hele linie zal bepalen wie in de toekomst voorop zal lopen,

C.

overwegende dat elektrische voertuigen een bijdrage leveren aan de prioriteiten van Europa 2020, namelijk dat een economie ontwikkeld moet worden die is gebaseerd op kennis en innovatie alsmede een groenere en competitiever economie met een efficiënter gebruik van grondstoffen,

D.

overwegende dat de minister voor concurrentievermogen van de EU op de informele Raadsbijeenkomst in San Sebastian op 9 februari 2010 samen met de Commissie besloten dat de EU het initiatief moet nemen tot een gemeenschappelijke strategie voor elektrische auto's,

E.

overwegende dat er diverse politieke redenen zijn om innovatie op het gebied van (elektrische of hybride) aandrijfsystemen te bevorderen, te weten:

i.

beperking van de emissies van CO2 en vervuilende stoffen,

ii.

beperking van de lawaaivervuiling,

iii.

verbetering van de energie-efficiëntie en de mogelijkheid hernieuwbare energiebronnen in te zetten,

iv.

de schaarste aan en fluctuerende economische kosten van fossiele energiebronnen,

v.

de bevordering van op technologische eminentie gebaseerde innovatie, die ervoor kan zorgen dat de Europese industrie zich herstelt van de huidige economische situatie en meer in het algemeen in de toekomst concurrerend is,

F.

overwegende dat de gemiddelde energiemix voor de generatie van bestaande elektrische energie in Europa maakt dat elektrische voertuigen en plug-in hybriden een belangrijke optie zijn binnen de bredere strategie om de CO2-emissies omlaag te brengen, en dat de overgang op een energie-efficiënt en duurzaam vervoerssysteem een prioriteit van de EU moet zijn, als we tenminste het doel van een grotendeels CO2-vrij vervoersstelsel in 2050 willen bereiken,

G.

overwegende dat er diverse uitdagingen zijn die aangegaan moeten worden om een geslaagde marktintroductie van elektrische voertuigen te bewerkstellingen, met name:

i.

de hoge kosten van elektrische voertuigen, hoofdzakelijk als gevolg van de kosten van de batterijen,

ii.

de noodzaak van meer onderzoek en ontwikkeling om de kenmerken van elektrische voertuigen te verbeteren en de kosten ervan te verlagen,

iii.

de acceptatie door de gebruikers ten aanzien van de kosten, actieradius en oplaadtijd,

iv.

voldoende punten waar de batterij opgeladen kan worden,

v.

Europese en wereldwijde standaardisering, bijvoorbeeld van de interfaces tussen het voertuig en de oplaadinfrastructuur,

vi.

de „bron tot wiel”-uitstoot van elektrische voertuigen,

H.

overwegende dat elektrische voertuigen beslist mogelijkheden bieden als het gaat om opslagcapaciteit die een beter gebruik van hernieuwbare energiebronnen mogelijk maakt in het licht van de voordelen die worden geboden door slimme netten,

I.

overwegende dat de mededeling over schone auto's kort melding maakt van het feit dat de industrie nieuwe vaardigheden nodig heeft om de overgang vanaf conventionele elektrische voertuigen mogelijk te maken, en dat een gecoördineerde aanpak nodig is om de uitdagingen het hoofd te bieden waar de werknemers in de autosector voor komen te staan,

J.

overwegende dat verscheidene landen en regio's reeds zijn begonnen met de aanleg van oplaadinfrastructuur voor elektrische voertuigen,

K.

overwegende dat de EU-lidstaten begonnen zijn met de invoering van nationale steunprogramma's voor elektrische voertuigen met het oog op de invoering ervan op de communautaire markt,

L.

overwegende dat de industrie en onderzoeksector in concurrerende landen aanzienlijke steun hebben ontvangen en dat dit voorbeeld in de EU gevolgd moet worden,

M.

overwegende dat de herziening van het EU-beleid voor investeringen in infrastructuur in 2010 een prachtige gelegenheid biedt om investeringen in infrastructuur in schonere, geavanceerde technologieën en met name slimme netten te bevorderen,

N.

overwegende dat het grote aantal steden en stedelijke agglomeraties met een grote bevolkingsdichtheid in Europa geschikte voorwaarden biedt voor een snelle invoering van de elektrische auto en Europese fabrikanten de mogelijkheid biedt om in een vroeg stadium marktleider te worden,

O.

overwegende dat de productie van elektrische voertuigen kan bijdragen tot het economisch herstel en de levensvatbaarheid van de Europese auto-industrie op de lange termijn, die is gebaseerd op voertuigen met lage emissie,

1.

neemt er nota van dat het Spaanse Voorzitterschap prioriteit geeft aan de ontwikkeling van elektrische voertuigen in de context van de bestrijding van klimaatverandering, steunt het besluit van de Raad voor concurrentievermogen om de Commissie te verzoeken een actieplan voor schone en energie-efficiënte voertuigen op te stellen met inbegrip van de verbetering van slimme netten, en verwelkomt de mededeling van de Commissie over een Europese strategie voor schone en energie-efficiënte voertuigen van 27 april 2010;

2.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige voorwaarden te scheppen voor het bestaan van een interne markt voor elektrische voertuigen en te zorgen voor een daadwerkelijke coördinatie van het beleid op het vlak van de EU om de negatieve sociale en werkgelegenheidsgevolgen van de overgang op een CO2-vrij vervoerssysteem te vermijden en te voorkomen dat er onverenigbare regels en normen ontstaan, die niet op elkaar aansluiten;

3.

onderstreept dat de ontwikkeling van elektrische voertuigen op evenwichtige wijze moet gebeuren en moet worden gezien in het kader van een toekomstig duurzaam mobiliteitsbeleid, waarin onder meer de vermindering van het aantal ongevallen, het ruimtegebruik, minder congestie, het totale energieverbruik, de CO2-emissies, lawaaioverlast en gasvormige emissies van cruciaal belang zijn, en benadrukt daarnaast dat de ontwikkeling van elektrische mobiliteit ook betrekking moet hebben op e-auto's, e-fietsen, trams, treinen, enz.;

4.

verzoekt de Commissie en de Raad om gezamenlijk maatregelen te treffen op het gebied van:

i.

internationale – waar mogelijk – of ten minste Europese standaardisering van infrastructuur en oplaadtechnologieën, met inbegrip van slimme netten, open- communicatiestandaarden en metertechnologie binnen voertuigen alsook interoperabiliteit; dit impliceert het gebruik van nieuwe technologieën bij de ontwikkeling van de noodzakelijke interoperabele infrastructuur in Europa voor grensoverschrijdende elektrische mobiliteit,

ii.

steun voor onderzoek en innovatie, waarbij prioriteit wordt gegeven aan verbetering van de batterij- en motortechnologie,

iii.

verbetering van de elektrische netwerken door de invoering van slimme netten alsook de aanleg van duurzame opwekkingscapaciteit met lage CO2-intensiteit, in het bijzonder door middel van hernieuwbare energiebronnen,

iv.

steun voor initiatieven die een interne markt doen ontstaan en voorschriften voor typegoedkeuring ontwikkelen op het gebied van energie-efficiënte schone auto's en vooral op het gebied van de verkeersveiligheid,

v.

coördinatie van de nationale steunmaatregelen en subsidies voor elektrische auto's,

vi.

bevordering van maatregelen die ervoor zorgen dat de industrie van energie-efficiënte, schone auto's concurrerend is,

vii.

krachtige bepalingen voor anticiperende maatregelen betreffende sociale en werkgelegenheidskwesties;

5.

verzoekt de Commissie een berekening van de totale CO2-emissies van elektrische voertuigen te verstrekken, waarin rekening wordt gehouden met de verwachte veranderingen in de productie van elektriciteit en opslagcapaciteit tot het jaar 2050;

6.

benadrukt dat elektrische voertuigen een technologische doorbraak betekenen die noopt tot geïntegreerde strategieën voor innovatie en technologische ontwikkeling via adequate financiering en de bevordering van onderzoek en ontwikkeling en innovatie op steeds meer sleutelgebieden, zoals batterijen, infrastructuur (onder meer integratie met stroomnetten); begroet in dit verband de eco-innovatiemaatregelen die fabrikanten ten dienste staan, maar maakt zich zorgen over de problemen bij de tenuitvoerlegging daarvan;

7.

herinnert aan de conclusie van de Raad concurrentievermogen van 1 maart 2010 waarin wordt verwezen naar het komende Commissievoorstel voor een bedrijfsgeoriënteerd onderzoek- en innovatieplan dat een aanvulling vormt op de nationale innovatiestrategieën, onder meer de bevordering van werktuigen en initiatieven met een groot potentieel, zoals leidende markten en precommerciële overheidsopdrachten, alsook betere toegang tot krediet, vooral voor KMO's, door betere mobilisering van risicokapitaalinstrumenten;

8.

verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten hun openbare wagenpark van voertuigen met verbrandingsmotor geleidelijk te vervangen door elektrische voertuigen en zo de vraag te stimuleren door middel van overheidsopdrachten; roept de EU-instellingen op om de infrastructuur te ontwikkelen, zodra standaarden aanwezig zijn;

9.

herinnert eraan dat het groene-autoinitiatief in het kader van het Herstelplan de ontwikkeling van nieuwe en duurzame vormen van wegvervoer ondersteunt, waarbij elektrische auto's als prioriteit zijn aangewezen;

10.

staat achter het voornemen van de Commissie om in 2011 een Europese norm voor het opladen van elektrische voertuigen vast te stellen, die zorgt voor interoperabiliteit en de veiligheid van de infrastructuur, en pleit voor de vaststelling van technische normen voor oplaadsystemen voor verschillende voertuigcategorieën; verzoekt de Commissie om zo veel mogelijk te streven naar wereldwijde normen en te verzekeren dat oplaadnormen een stimulans vormen voor moderne technologieën, zoals slimme oplading en opencommunicatiestandaarden, en consistent zijn met de doelstellingen voor slimme meterarchitectuur;

11.

is ervan overtuigd dat standaardisering een eenvoudig en rechtlijnig goedkeuringsproces mogelijk zal maken en zal bijdragen tot een snellere invoering en verspreiding van voertuigen met lage CO2-uitstoot in de EU, tot vergroting van het concurrentievermogen van de mobiliteitsindustrie van de EU door verlaging van de ontwikkelingskosten voor de fabrikanten en terugdringen van de CO2-uitstoot door het wegvervoer;

12.

beklemtoont dat de standaardisering van elektrische voertuigen, infrastructuur en oplaadmethoden niet ten koste mag gaan van meer innovatie, met name op het gebied van elektrische mobiliteit of conventionele voertuigmotoren;

13.

pleit voor geharmoniseerde vereisten voor de goedkeuring van elektrische voertuigen, met specifieke eisen ten aanzien van de gezondheid en de veiligheid, voor zowel werknemers als eindgebruikers, en wenst dat deze eisen worden opgenomen in het kader van de EU-typegoedkeuring voor voertuigen door de bepalingen van UNECE-voorschrift 100 verplicht te stellen; staat volledig achter het voorstel van de Commissie om de eisen ten aanzien van de botsingsveiligheid van elektrische auto's te herzien en begroet de aandacht die de Commissie besteedt aan de kwestie van de veiligheid van elektrische auto's voor kwetsbare weggebruikers;

14.

begroet het voorstel van de Commissie om in 2010 gecoördineerde richtsnoeren ter bevordering van de aankoop van elektrische voertuigen in te dienen; verzoekt de Commissie en de Raad bovendien om een adequaat stimuleringspakket voor de totstandbrenging van een omvangrijk oplaadnet voor te leggen, met geharmoniseerde modellen voor elektrische mobiliteit;

15.

benadrukt dat pakketten met overheidssteun voor bedrijven moeten aansluiten bij een duidelijk geheel van sociale, technologische, economische en milieuefficiencycriteria, en verzoekt de Commissie effectieve ex-postevaluaties van dergelijke financiële steun te verrichten;

16.

verzoekt de Commissie een Europese sectorstructuur mogelijk te maken om de sociale overgang die een beleid voor mobiliteit met lage CO2-uitstoot met zich meebrengt, te beheersen en de anticiperende maatregelen te coördineren om te zorgen voor een duurzaam herstel in de auto-industrie en eventuele sociale gevolgen te beperken; wenst dat effectieve maatregelen worden genomen om vooruit te lopen op de veranderingen in de autosector en bij toeleveringsbedrijven, in coördinatie met alle betrokkenen, met name door het CARS 21-platform nieuw leven in te blazen met een specifieke werkgroep voor sociale kwesties;

17.

verzoekt de lidstaten om volledig gebruik te maken van het globaliseringsfonds en de andere structuurfondsen zoals het Europees Sociaal Fonds, ten einde steun te verlenen voor omscholing en gerichte opleidingscursussen, en voor verdere heroriëntering van sectorale opleidings- en onderwijsstructuren, zodat deze voldoen aan de nieuwe vaardigheden die zijn vereist bij deze technologie;

18.

begroet het voornemen van de Commissie om een Raad voor Europese sectorvaardigheden in te stellen, die ten doel heeft een netwerk van nationale waarnemingsposten van de lidstaten in het leven te roepen;

19.

pleit voor het opzetten van een platform voor het delen van informatie en coördinatie tussen Europese belanghebbenden, projecten en initiatieven alsook het opzetten van een internationale (wereldwijde) waarnemingspost voor elektrische mobiliteit, die zich concentreert op businessmodellen, voertuig- en oplaadtechnologieën en de integratie met slimme elektrische netwerken en de meest relevante belanghebbenden en industrie- en/of beleidsgestuurde initiatieven bij elkaar brengt;

20.

roept de lidstaten op om het noodzakelijke fiscale beleid op lange termijn voor de bevordering van energie-efficiënte schone voertuigen te ontwikkelen, en verzoekt de Commissie om een gemeenschappelijke langetermijnvisie vast te stellen voor kwesties als CO2-gerelateerde beleidsmaatregelen, die anticiperen op structurele veranderingen die het gevolg zijn van de overgang van conventionele brandstoffen op elektriciteit en bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie;

21.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en de elektrische mobiliteitsindustrie om de hulpbronnen, energie- en milieubalans van elektrische voertuigen tijdens hun hele levensduur te onderzoeken, vanaf de productie tot de verwijdering ervan, alsmede de recycling en het hergebruik van batterijen;

22.

vestigt de aandacht op de beschikbaarheid van grondstoffen die nodig zijn voor de productie van batterijen en onderdelen, waarbij kwesties spelen als de hogere productiekosten en de afhankelijkheid van de EU; verzoekt de industrie om zich in te spannen om beter gebruik te maken van de beschikbare hulpbronnen, en verzoekt de Commissie in het kader van de bestaande en toekomstige Kaderprogramma's toegepast onderzoek inzake de grondstoffen die gebruikt worden voor elektrische batterijen te financieren, betere samenwerking tussen geologische diensten van de EU-landen aan te moedigen en vaardigheden en technologieën in deze sector te bevorderen en zo de exploratie naar nieuwe grondstofvoorkomen te steunen;

23.

steunt het voorstel van de Commissie om voorlichtingscampagnes te organiseren om de consumenten te wijzen op de voordelen, mogelijkheden en praktische aspecten van elektrische voertuigen;

24.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de sociale partners en de industrie.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/89


Donderdag, 6 mei 2010
Groepsvrijstellingsverordening voor motorvoertuigen

P7_TA(2010)0151

Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de groepsvrijstellingsverordening voor motorvoertuigen

2011/C 81 E/18

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 3, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 101, leden 1 en 3, artikel 103, lid 1 en artikel 105, lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gelet op Verordening nr. 19/65/EEG van de Raad van 2 maart 1965 betreffende de toepassingen van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (1),

gelet op Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (2),

gelet op Verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (3) (de algemene groepsvrijstellingsverordening inzake verticale overeenkomsten, de „huidige AG”),

gelet op Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (4) (de groepsvrijstellingsverordening motorvoertuigen, de „huidige GM”),

gelet op Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (5), en op Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (6),

gezien het ontwerp voor een verordening van de Commissie inzake de toepassing van artikel 81, lid 3 van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (de nieuwe algemene groepsvrijstellingsverordening inzake verticale overeenkomsten, de „nieuwe AG”) die op 28 juli 2009 ter raadpleging is gepubliceerd op de website van de Commissie,

gezien het ontwerp voor een verordening van de Commissie inzake de toepassing van artikel 101, lid 3 van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (de nieuwe groepsvrijstellingsverordening motorvoertuigen, de „nieuwe GM”) die op 21 december 2009 ter raadpleging is gepubliceerd op de website van de Commissie,

gezien de bekendmaking van de Commissie – Richtsnoeren inzake verticale beperkingen (7),

gezien de folder waarin de Commissie de distributie en het onderhoud van motorvoertuigen in de Europese Unie toelicht,

gezien de bekendmaking van de Commissie – Richtsnoeren betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3 van het Verdrag (8),

gezien de ontwerpbekendmaking van de Commissie – Richtsnoeren inzake verticale beperkingen, die op 28 juli 2009 op de website van de Commissie is gepubliceerd voor raadpleging,

gezien de ontwerpbekendmaking van de Commissie – Aanvullende richtsnoeren inzake verticale beperkingen in overeenkomsten voor verkoop en reparatie van motorvoertuigen en de distributie van onderdelen van motorvoertuigen, die op 21 december 2009 op de website van de Commissie is gepubliceerd voor raadpleging,

gezien de mededeling van de Commissie van 25 juni 2008 – „Denk eerst klein – Een Small Business Act voor Europa” (COM(2008)0394),

gezien het beoordelingsverslag van de Commissie over de werking van Verordening (EG) nr. 1400/2002 inzake de distributie en het onderhoud van motorvoertuigen, en de begeleidende interne werkdocumenten die in mei 2009 op de website van de Commissie zijn gepubliceerd voor raadpleging („het beoordelingsverslag”),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2009 over het toekomstige kader van mededingingsrecht dat geldt voor de motorvoertuigensector (COM(2009)0388) en de begeleidende interne werkdocumenten,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 maart 2010 inzake de mededeling van de Commissie over toekomstige kader van mededingingsrecht dat geldt voor de motorvoertuigensector (INT/507 – CESE 444/2010),

gezien de op de website van de Commissie gepubliceerde bijdragen die de verschillende belanghebbenden aan de Commissie hebben doen toekomen tijdens de perioden van maatschappelijke raadpleging, alsook de standpunten die de belanghebbenden hebben geformuleerd tijdens de gezamenlijke vergadering van de commissies ECON en IMCO op 19 oktober 2009, en de werkbijeenkomst van de commissie ECON op 12 april 2010, beide over de GM,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 30 mei 2002 over het ontwerp voor een verordening van de Commissie inzake de toepassing van artikel 81, lid 3 van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (2002/2046(INI)) (9),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 2008 over CARS 21: een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie (2007/2120(INI)) (10),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 maart 2009 over de toekomst van de auto-industrie (11),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 maart 2010 over het verslag over het mededingingsbeleid 2008 (2009/2173(INI)) (12),

gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat voor distributieovereenkomsten op EU-niveau voorschriften gelden via twee afzonderlijke juridische kaders, te weten een richtlijn die bepaalt dat nationale wetgevingen inzake overeenkomsten betreffende commerciële vertegenwoordiging worden gecoördineerd (Richtlijn 86/653/EEG, de zogeheten richtlijn handelsagentschappen), en twee verordeningen inzake generieke vrijstellingen in het kader van de mededingingswetgeving voor zover deze verticale distributieovereenkomsten betreft (de huidige AG en de huidige GM),

B.

overwegende dat de Commissie in de huidige AG in 1999 een categorie verticale overeenkomsten heeft omschreven die naar haar inzicht gewoonlijk voldoet aan de in artikel 101, lid 3 VWEU vastgelegde voorwaarden voor vrijstelling van een verbod op tegen mededinging gerichte clausules en gedragingen,

C.

overwegende dat voor de motorrijtuigensector sinds het midden van de jaren ’80 een specifiek regelgevend kader inzake mededinging geldt,

D.

overwegende dat de Commissie in 2002 van mening was dat de motorrijtuigensector niet moest worden opgenomen in het huidige AG-stelsel, omdat er nog steeds specifieke bepalingen vereist waren om het bijzondere mededingingsprobleem aan te pakken dat zij in deze sector had geconstateerd, te weten de oligopolide situatie op de Europese automarkt; overwegende dat de Commissie zich toentertijd zorgen maakte over het lage mededingingsniveau tussen autofabrikanten,

E.

overwegende dat de Commissie daarom heeft besloten in de huidige GM striktere regels voor deze sector te bepalen, met name specifieke drempels voor marktsegmenten en aanvullende harde beperkingen en voorwaarden,

F.

overwegende dat de toepassingsgebied van de huidige GM drie verschillende productmarkten omvat: (a) nieuwe motorvoertuigen (primaire markt); (b) onderdelen voor motorvoertuigen (vervangingsmarkt); en (c) herstel- en onderhoudsdiensten (vervangingsmarkt); overwegende dat de term „motorrijtuigen” personenauto’s en bedrijfsvoertuigen omvat,

G.

overwegende dat de huidige AG en GM op 31 mei 2010 aflopen; overwegende dat de Commissie de procedure voor herziening van beide verordeningen en de flankerende richtsnoeren op gang heeft gebracht,

H.

overwegende dat de Commissie thans van mening is dat de markten voor de verkoop van nieuwe motorvoertuigen uiterst concurrerend zijn en dat het concentratieniveau daalt, overwegende dat de Commissie thans van mening is dat ook de belemmeringen voor toegang tot deze markt gering zijn en dat het aantal Oost-Aziatische nieuwkomers op de markt snel is gestegen ten gevolge van agressieve beprijzing,

I.

overwegende dat de Commissie vaststelt dat de detailhandelsprijzen voor personenauto’s daardoor dalen; overwegende dat de Commissie daarentegen constateert dat de mededinging op de herstel- en onderhoudsmarkt nog steeds uiterst beperkt is en dat de prijzen van sommige soorten onderdelen zeer hoog liggen,

J.

overwegende dat de Commissie voorstelt dat een specifieke groepsvrijstelling voor aan- en verkoop van nieuwe motorvoertuigen (primaire markt) niet meer nodig is en dat de nieuwe AG na een verlengingsperiode van drie jaar zal gelden voor de primaire markt; overwegende dat de huidige GM tot 31 mei 2013 van toepassing blijft op de primaire markt,

K.

overwegende dat de Commissie eveneens voorstelt voor de primaire markt en de vervangingsmarkt specifieke richtsnoeren aan te nemen voor uitleg en tenuitvoerlegging die van toepassing zijn op de sector motorvoertuigen,

L.

overwegende dat de Commissie voor de vervangingsmarkt (reserveonderdelen van motorvoertuigen, herstel- en onderhoudsdiensten) voorstelt een speciale groepsvrijstellingsverordening aan te nemen, de nieuwe GM,

M.

overwegende dat niet valt te ontkennen dat de meeste autohandelaren en –herstellers blijk hebben gegeven van hun ernstige verontrusting over het gevaar van een tijdelijke opschorting of kortdurende verlenging van de huidige GM, daar dit tot gevolg zal hebben dat het machtsevenwicht tussen producenten en de rest van de waardeketen in de sector motorvoertuigen nog slechter wordt en uitsluitend ten goede zal komen aan de handvol grote producenten van voertuigen,

N.

overwegende dat een aantal vertegenwoordigers van de markt van reserveonderdelen van motorvoertuigen, en van de onderhouds- en herstelsector zijn steun heeft uitgesproken voor een nieuwe combinatie van voorschriften voor de vervangingsmarkt, daar dit in vergelijking met de huidige GM een aanzienlijke stap voorwaarts zou zijn,

O.

overwegende dat de primaire markt en de vervangingsmarkt elkaar niet wederzijds uitsluiten, en dat de commerciële levensvatbaarheid van tal van onafhankelijke handelaars afhankelijk is van de soepelheid waarmee ze voertuigen verkopen en repareren,

P.

overwegende dat de EU momenteel geconfronteerd wordt met een buitengewone financiële en economische crisis en hoge werkloosheidscijfers, overwegende dat de EU een mededingingskrachtige sociale-markteconomie moet bevorderen en dient te streven naar terugdringing van de armoede, overwegende dat de Europese motorvoertuigenindustrie een sleutelsector van de Europese economie is, die een bijdrage levert tot werkgelegenheid, vernieuwing en het mededingingsvermogen van de gehele economie, overwegende dat deze bedrijfstak door de huidige crisis in bijzondere mate is getroffen en in een aantal lidstaten door de overheid wordt gesteund,

Q.

overwegende dat bepalingen ten aanzien van de verkoop van meer dan één merk van toepassing zijn op verkoop onder hetzelfde dak, in afzonderlijke toonzalen of in verschillende gebouwen,

1.

spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de Commissie een aantal burgerraadplegingen op gang heeft gebracht met betrekking tot de herziening van de GM en AG; stelt het op prijs dat de Commissie het beoordelingsverslag over de tenuitvoerlegging van de huidige GM aan het Parlement heeft voorgelegd;

2.

moedigt de Commissie aan met het Parlement proactief te werk te gaan in een geest van openheid en openbaarheid, het Parlement te informeren en het vroegtijdig wetgevende, wetgeving voorbereidende en niet-wetgevende documenten te doen toekomen, zoals Commissaris Almunia heeft toegezegd toen hij als kandidaat-Commissaris werd ondervraagd;

3.

wijst erop dat door deze aanpak een degelijk debat mogelijk zou worden tussen leden van het Parlement en dat de democratische wettigheid van het besluit van de Commissie erdoor zou toenemen;

4.

verzoekt de Commissie duidelijk te specificeren welke eventuele bijdragen van belanghebbenden zij overweegt op te nemen in de definitieve verordening, om ervoor te zorgen dat de definitieve GM en AG doorzichtig worden geformuleerd;

5.

wijst erop dat er algemene voorwaarden moeten worden vastgesteld om de motorvoertuigenindustrie in de EU, o.m. de producenten van voertuigen en van onderdelen, duurzaam te maken en in staat te stellen economisch efficiënt te blijven en voorop te gaan in technologische, milieutechnische en maatschappelijke vernieuwing; wijst erop dat het belangrijk is op de interne markt en in de betrekkingen met derde landen evenwicht tot stand te brengen tussen mededingingseisen en intellectuele eigendom;

6.

is van mening dat de nieuwe GM gezien moet worden als onderdeel van een geïntegreerde aanpak van de wetgeving in de motorvoertuigensector;

7.

wijst andermaal op het belang van rechtszekerheid; verzoekt de Commissie veel gestelde vragen of een toelichtingsfolder op te stellen om het nieuwe wetgevingskader in meer detail uit te leggen aan de marktpartners;

8.

wijst erop dat de verhouding tussen producenten enerzijds, en handelaars, dienstverlenende bedrijven en andere marktdeelnemers in de aan de auto-industrie toeleverende sector anderzijds, zorgvuldig moet worden geanalyseerd, rekening houdend met hun ongelijke economische macht als handelspartners;

9.

wijst erop dat ervoor moet worden gezorgd dat voor kleine en middelgrote marktdeelnemers in de aan de auto-industrie toeleverende sector gunstige voorwaarden gelden; wijst erop dat het belangrijk is dat een degelijk regelgevend kader wordt aangenomen waardoor misbruik van dominante positie daadwerkelijk kan worden voorkomen en kan worden gezorgd dat het MKB niet nog afhankelijker wordt van grote producenten; wijst nogmaals op de betekenis van het MKB als verschaffers van werk, met name in tijden van economische crisis, en als leveranciers van diensten in de nabijheid, waardoor zelfs in minder dichtbevolkte gebieden wordt beantwoord aan de behoeften van de bevolking;

10.

is er geen voorstander van dat voor de vrijstelling van een overeenkomst een aantal voorwaarden uit hoofde van de huidige GM wordt geschrapt, met name de voorwaarden in overeenkomsten over de verkoop van meer dan één merk, kennisgeving van beëindiging, duur, bemiddeling bij geschillen, procesvoering en overdracht van bedrijven binnen netwerken; wijst er met name nogmaals op dat de noodzaak de voorwaarden voor de overdracht van bedrijven te vereenvoudigen deel vormt van het eerste beginsel van de Small Business Act; wijst op het gevaar dat een verplichting tot het voeren van één enkel merk inhoudt voor de keuze van de consument en de onafhankelijkheid van de verkoper ten opzichte van de producent; vreest dat deze bepalingen in de nationale wetgeving inzake overeenkomsten verschillend zullen worden uitgelegd;

11.

verzoekt de Commissie erop toe te zien dat distributeurs, o.m. uit de motorvoertuigensector, in de gehele EU aanspraak kunnen maken op hetzelfde niveau van bescherming van overeenkomsten als momenteel geldt voor handelsagenten; is van mening dat deze aanpassing kan worden verwezenlijkt door wijziging van Richtlijn 86/653/EEG en door het toepassingsgebied daarvan ten dele uit te breiden tot alle distributieovereenkomsten;

12.

wijst erop dat het in economisch moeilijke tijden om te voldoen aan de mobiliteitsbehoefte van individuele personen, belangrijk is concrete commerciële alternatieven voor eigendom toe te staan, zoals leasing; verzoekt de Commissie dan ook erop toe te zien dat in de nieuwe GM en AG de vereiste voorwaarden worden vermeld, zoals de omschrijving van „eindgebruiker”, om het mogelijk te maken dat deze commerciële alternatieven worden ontwikkeld en om een bijdrage te leveren tot gezonde mededinging op de markt van motorvoertuigen;

13.

is geen voorstander van een vrijblijvende gedragscode waarin de wederzijdse verplichtingen worden vastgelegd van verkopers met franchiseovereenkomsten en hun toeleveranciers, omdat daardoor de belangen van verkopers ten opzichte van producenten niet doelmatig worden beschermd; een gedragscode dient vergezeld te gaan van een behoorlijk handhavingsmechanisme, met name toegang tot een adequate procedure voor het beslechten van geschillen;

14.

vreest dat de door de Commissie nagestreefde voortgezette bevordering van daadwerkelijke mededinging in de vervangingsmarkt voor motorvoertuigen door zich te richten op de keuze van de consument en daadwerkelijke toegang voor onafhankelijke marktdeelnemers, via deze hervorming niet kan worden verwezenlijkt; is het met de Commissie eens dat mededingingsvoorwaarden in de vervangingsmarkt voor motorvoertuigen eveneens rechtstreekse gevolgen hebben voor de openbare veiligheid;

15.

verzoekt de Commissie de drempel van 30 % voor de verplichting tot aanschaf van reserveonderdelen te handhaven, om ervoor te zorgen dat erkende reparateurs vrij blijven reserveonderdelen te betrekken uit andere bronnen dan de producent van het voertuig en derhalve te voorkomen dat er weer een min of meer gebonden toelevering ontstaat, waardoor de prijs van onderdelen zou stijgen en de werkzaamheden van andere leveranciers van onderdelen zouden worden beknot;

16.

wijst erop dat Europese consumenten en andere eindgebruikers niet mogen worden belemmerd in de aanschaf van een auto tegen concurrerende prijzen, zelfs in grote aantallen en ongeacht het door de leverancier gekozen distributiesysteem, en dat zij moeten kunnen kiezen waar en hoe zij herstel en onderhoud laten uitvoeren;

17.

herinnert in dit verband aan de herhaalde verzoeken van het Parlement om groenere voertuigen en aan de verklaringen van de voorzitter van de Commissie over het groen maken van de economie; is ervan overtuigd dat het verkopen van meer dan één enkel merk tegelijk en gemakkelijke toegang tot herstel- en onderhoudsdiensten bijdragen tot verwezenlijking van de ten doel gestelde voertuigen met lagere uitworp, doordat tijdens de aanschaf van een auto gemakkelijk voertuigen kunnen worden vergeleken, en naar behoren functionerende voertuigen; dringt er andermaal op aan de doelmatigheid te onderzoeken van de overheidssteun die aan de motorvoertuigensector wordt toegekend met het oog op „groen herstel”;

18.

is er verontrust over dat de richtsnoeren die de Commissie voorstelt voor de motorvoertuigensector niet voldoende nauwkeurig zijn om te waarborgen dat technische gegevens aan onafhankelijke verkopers beschikbaar worden gesteld in dezelfde universele vorm als is vastgelegd in de Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009; verzoekt de Commissie voorts de omschrijving van technische gegevens bij te werken op de grondslag van technologische vooruitgang en erop toe te zien dat geactualiseerde diensten en gegevens over onderdelen beschikbaar blijven in gemakkelijk toegankelijke elektronische vormen;

19.

verzoekt de Commissie de nieuwe voorschriften voor de vervangingsmarkt met ingang van 1 juni 2010 toe te passen, ongeacht de oplossingen die moeten worden aangenomen met betrekking tot de verkoop van nieuwe voertuigen;

20.

verzoekt de Commissie nieuwe vormen van mededingingsbelemmerende klantenbinding aan te pakken zoals alle soorten klantenservice die afhankelijk zijn van het repareren of onderhouden van een voertuig bij een merkspecifiek netwerk;

21.

verzoekt de Commissie regelmatig te controleren hoe het nieuwe wettelijke kader voor de motorvoertuigensector werkt; verzoekt de Commissie met name een grondige herbeoordeling van de mededingingsvoorwaarden in de primaire motorvoertuigenmarkt uit te voeren vóór afloop van de verlengingsperiode, en zich daarbij voornamelijk te richten op de gevolgen van enkele bepalingen in overeenkomsten zoals het voeren van meer dan één enkel merk, bedrijfsoverdracht en drempel voor onderdelen, alsook op de bepalingen van de voorgestelde gedragscode; verzoekt de Commissie in dit opzicht alle regelgevende alternatieven open te laten en de noodzakelijke maatregelen te nemen, met inbegrip van een nieuwe verlenging van een deel van de GM of de in de AG aan te brengen hervormingen, voor het geval dat blijkt dat de mededingingsvoorwaarden met name op de primaire mark merkbaar slechter zijn geworden;

22.

wijst er met klem op dat het Parlement door de Commissie op de hoogte moet worden gesteld van aanpassingen van het nieuwe wettelijk kader dat zij eventueel overweegt vast te stellen naar aanleiding van haar marktonderzoek en dat het Parlement bijtijds moet worden geraadpleegd alvorens een dergelijk besluit wordt genomen;

23.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en nationale parlementen.


(1)  PB 36 van 6.3.1965, blz. 533.

(2)  PB L 382 van 31.12.1986, blz. 17.

(3)  PB L 336 van 29.12.1999, blz. 21.

(4)  PB L 203 van 1.8.2002, blz. 30.

(5)  PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.

(6)  PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1.

(7)  PB C 291 van 13.10.2000, blz. 1.

(8)  PB C 101 van 27.4.2004, blz. 97.

(9)  PB C 187 E van 7.8.2003, blz. 149.

(10)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0007.

(11)  Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0186.

(12)  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0050.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/95


Donderdag, 6 mei 2010
Mededeling van de Commissie over kankerbestrijding: een Europees partnerschap

P7_TA(2010)0152

Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de mededeling van de Commissie over kankerbestrijding: een Europees partnerschap (2009/2103(INI))

2011/C 81 E/19

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie over kankerbestrijding: een Europees partnerschap (COM(2009)0291),

gezien Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013) (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 oktober 2008 over „Samen werken aan gezondheid: een EU-strategie voor 2008-2013” (2),

gezien Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (3),

gezien de conclusies van de Raad betreffende het terugdringen van kanker in Europa, aangenomen op 10 juni 2008 (4),

gezien Aanbeveling van de Raad 2003/878/EG van 2 december 2003 over kankerscreening (5),

gezien zijn verklaring van 11 oktober 2007 over de noodzaak van een omvattend beleid om kanker te bestrijden (6),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 april 2008 over kankerbestrijding in de uitgebreide Europese Unie (7),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2006 over borstkankerbestrijding in de uitgebreide Europese Unie (8),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juni 2003 over borstkankerbestrijding in de Europese Unie (9),

gezien Besluit nr. 646/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 maart 1996 tot vaststelling van een actieplan voor kankerbestrijding in het kader van de actie op het gebied van de volksgezondheid (1996-2000) (10),

gezien Besluit nr. 2004/513/EG van de Raad van 2 juni 2004 betreffende de sluiting van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik (11),

gezien de Europese code tegen kanker: versie drie,

gezien het World Cancer Report 2008 van het Internationaal Instituut voor kankeronderzoek (IARC),

gezien de verklaring van het Europees Parlement over hepatitis C (12),

gezien de activiteiten en de conclusies van de belangengroepering EP-leden tegen kanker (MAC),

gelet op artikel 184 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gelet op artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (13),

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0121/2010),

A.

overwegende dat ondanks de medische vooruitgang wereldwijd een epidemische toename van kanker valt vast te stellen,

B.

overwegende dat een aantal landen vooruitgang boekt bij het terugdringen van het aantal kankergevallen dankzij een beleid ter bestrijding van het roken en een beleid gericht op de verbetering van de secundaire preventie en van de behandeling van een aantal vormen van kanker (14),

C.

overwegende dat kanker volgens de Wereldgezondheidsorganisatie mondiaal gezien een van de belangrijkste doodsoorzaken is en dat ongeveer 13 % van alle sterfgevallen in 2004 aan kanker te wijten waren,

D.

overwegende dat kanker in 2006 de tweede doodsoorzaak was en dat twee op de tien sterfgevallen bij vrouwen en drie op de tien bij mannen het gevolg waren van kanker en dat bij ongeveer 3,2 miljoen EU-burgers per jaar de diagnose kanker wordt gesteld, en overwegende dat de meeste sterfgevallen werden veroorzaakt door longkanker, colorectale kanker en borstkanker,

E.

overwegende dat volgens schattingen van het Internationaal Instituut voor kankeronderzoek (IARC), bij een op de drie Europeanen gedurende hun leven kanker wordt vastgesteld en dat een op de vier Europeanen aan de ziekte sterft,

F.

overwegende dat volgens voorspellingen in 20103 miljoen Europeanen kanker zullen krijgen en dat bijna 2 miljoen mensen eraan zullen sterven, en dat volgens voorspellingen in 20203,4 miljoen Europeanen kanker zullen krijgen en dat meer dan 2,1 miljoen mensen aan de gevolgen van de ziekte zullen sterven,

G.

overwegende dat er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen wat betreft de meest voorkomende soorten kanker en dat vrouwen vooral worden getroffen door borst-, baarmoederhals- en baarmoederkanker, eileider-, eierstok- en vaginale kanker, maar ook vaak door maag- en colorectale kanker, terwijl de incidentie van borstkanker bij vrouwen in veel Europese landen een stijgende lijn vertoont en ook jongere vrouwen treft en dat er in de EU jaarlijks 275 000 vrouwen borstkanker krijgen,

H.

overwegende dat kankerbestrijding moet worden beschouwd als een essentieel onderdeel van de gezondheidsstrategie,

I.

overwegende dat ca. 30 % van de kankergevallen kan worden voorkomen en dat de gevolgen ervan kunnen worden beperkt door vroegtijdige opsporing en behandeling, terwijl de effectiviteit van de nationale screeningprogramma's voor vrouwen varieert en afhankelijk is van het percentage van de vrouwelijke bevolking dat zich daadwerkelijk laat screenen, van de beschikbaarheid van mammografische apparatuur en de kwaliteit daarvan, alsmede van de behandeling en van andere factoren,

J.

overwegende dat kinderkanker, de hoofddoodsoorzaak bij kinderen, succesvol kan worden behandeld en dat een overlevingspercentage van 80 % kan worden gehaald,

K.

overwegende dat preventie zowel de primaire preventie van incidentie als de secundaire preventie via screening en vroegtijdige opsporing betreft,

L.

overwegende dat doelmatige primaire preventie een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de verbetering van de gezondheid door middel van ingrepen op bevolkingsniveau en maatregelen om een gezonde levensstijl aan te moedigen,

M.

overwegende dat preventie zowel de primaire preventie van incidentie, hetgeen kan worden bereikt door de blootstelling van de bevolking aan kankerverwekkende verontreinigende stoffen in het milieu te reduceren, als daarnaast de secundaire preventie via screening en vroegtijdige opsporing betreft,

N.

overwegende dat baarmoederhalskanker (de tweede meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen na borstkanker) kan worden tegengegaan door een geschikte behandeling, bijvoorbeeld met profylactische vaccins tegen kankerverwekkende virussen,

O.

overwegende dat kanker door veel factoren in verschillende stadia wordt veroorzaakt en dat er derhalve een nieuw kankerpreventieparadigma nodig is dat genetische factoren, levensstijl, beroepsfactoren en milieufactoren op gelijke voet in ogenschouw neemt, zodat de feitelijke gecombineerde effecten van verschillende factoren worden onderzocht en er niet alleen naar geïsoleerde oorzaken wordt gekeken,

P.

overwegende dat de milieufactoren niet alleen omgevingstabaksrook, straling en bovenmatige UV-straling omvatten, maar ook blootstelling aan verontreinigende chemische stoffen in levensmiddelen, de lucht, de bodem en het water als gevolg van onder meer industriële processen, landbouwpraktijken, alsmede het feit dat dergelijke stoffen aanwezig zijn in onder meer bouw- en consumentenproducten,

Q.

overwegende dat de ziekte zich in beginsel voordoet omdat individuele personen worden blootgesteld aan carcinogene agentia in hetgeen zij inhaleren, eten en drinken, of in hetgeen waarmee zij in aanraking komen in hun persoonlijke of beroepsomgeving, en overwegende dat gewoonten, zoals roken, eetgedrag en lichamelijke oefening – alsmede beroeps- en milieuomstandigheden – een grote rol spelen bij de ontwikkeling van kanker,

R.

overwegende dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie ten minste 10 % van het jaarlijkse aantal sterfgevallen door kanker direct te wijten is aan blootstelling aan kankerverwekkende stoffen op de werkplek en dat dit soort blootstelling kan worden voorkomen door kankerverwekkende door minder schadelijke stoffen te vervangen,

S.

overwegende dat enerzijds het snelle tempo waarin sommige kankersoorten, zoals teelbalkanker en non-Hodgkins lymphoma, zich verspreiden, en anderzijds de toename volgens cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie van kanker onder kinderen met 1 % per jaar in Europa gedurende de laatste twintig jaar, erop wijzen dat er milieufactoren in het spel moeten zijn,

T.

overwegende dat doelmatige secundaire preventie gericht op het vroegtijdig opsporen van ziekten eveneens aanzienlijk kan bijdragen aan gezondheidspreventie en het verbeteren van de gezondheid; overwegende dat volgens schattingen het opvoeren van de dekking van de screening op baarmoederhalskanker naar 100 % van de bevolking zou kunnen leiden tot een afname van het aantal verloren levensjaren met meer dan 94 %, en dat per 152 uitstrijkjes een levensjaar gewonnen zou kunnen worden,

U.

overwegende dat endocriene stoornissen veroorzakende chemische stoffen een belangrijke rol kunnen spelen bij het ontstaan van kanker, bijvoorbeeld in het geval van borstkanker en teelbalkanker, en dat die stoffen daarom specifieke actie vereisen,

V.

overwegende dat de duurzaamheid op lange termijn van de Europese gezondheidsstelsels zwaar op de proef zal worden gesteld, op de eerste plaats door de gevolgen van de vergrijzing voor de vraag naar arbeidskrachten en de uitgaven voor gezondheidszorg; daarnaast vergen nieuwe technologieën, hoewel zij aanzienlijke voordelen opleveren, goed opgeleid personeel en mogelijk hogere uitgaven,

W.

overwegende dat bepaalde kankersoorten, zoals baarmoederhalskanker, aanzienlijk vaker voorkomen onder vrouwen uit bepaalde migrantenbevolkingen, en dat het daarom noodzakelijk is ervoor te zorgen dat programma's voor preventie en vroegtijdige opsporing gericht zijn op en beschikbaar zijn voor deze groepen met een verhoogd risico,

X.

overwegende dat de vergrijzende bevolking van de Unie een van de redenen is van de toename van kanker in de Unie en dat door de toename van het aantal kankergevallen extra druk zal worden uitgeoefend op de begrotingen en de productiviteit van de particuliere economie en dat bijgevolg de verbetering van de gezondheidsindicatoren voor kanker eveneens zal bijdragen aan de verbetering van de economische indicatoren voor de lange termijn,

Y.

overwegende dat het voorkomen van kanker toeneemt naarmate men ouder wordt en ook in nauw verband staat met de ouderdom, en dat daarom tevens kan worden gesteld dat het algemene voorkomen van kanker zal toenemen als gevolg van de vergrijzing, en overwegende dat deze trend zich vooral zal manifesteren onder vrouwen, aangezien vrouwen nog altijd een hogere levensverwachting hebben dan mannen, en dat het daarom noodzakelijk is ervoor te zorgen dat programma's voor preventie en vroegtijdige opsporing niet alleen beschikbaar zijn voor vrouwen op middelbare leeftijd, maar ook voor oudere en zelfs hoogbejaarde vrouwen,

Z.

overwegende dat het Verdrag van Lissabon bepaalt dat de Unie een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid heeft inzake gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van de volksgezondheid, zoals de bescherming van de lichamelijke en geestelijke gezondheid,

AA.

overwegende dat de sterftecijfers voor kanker in de nieuwe lidstaten hoger zijn dan in de EU-15,

AB.

overwegende dat volgens schattingen van de Wereldgezondheidsorganisatie ten minste een derde van alle kankergevallen te voorkomen is en dat preventie de meest kostenefficiënte langetermijnstrategie voor de bestrijding van kanker is en dat kanker waarschijnlijk voorkomen kan worden door een andere omgang met of het vermijden van belangrijke risicofactoren zoals roken, overgewicht, geringe consumptie van groente en fruit, gebrek aan lichaamsbeweging, alcoholgebruik, besmettelijke micro-organismen en blootstelling aan chemische stoffen en ioniserende straling,

AC.

overwegende dat slechte voeding, gebrek aan lichaamsbeweging, obesitas, roken en alcoholgebruik eveneens risicofactoren zijn voor andere chronische ziekten, zoals cardiovasculaire ziekten, type 2-diabetes en ademhalingsaandoeningen, en dat kankerbestrijdingsprogramma's daarom moeten worden opgezet in de context van een integraal preventieprogramma voor chronische ziekten,

AD.

overwegende dat deskundigen al in 1987 de Europese code tegen kanker hebben ontwikkeld, een op feiten gebaseerd instrument voor de aanpak van kankerpreventie,

AE.

overwegende dat de verschillen in het vijfjarig overlevingspercentage van de meeste vormen van kanker in Europa onder andere veroorzaakt worden door alarmerende en onaanvaardbare verschillen in de kwaliteit van de behandelcentra voor kanker, in screeningprogramma’s, in richtsnoeren voor empirisch onderbouwde beste praktijken, in radiotherapiefaciliteiten, en in de toegang tot medicijnen tegen kanker,

AF.

overwegende dat er op gezondheidsgebied in de Europese Unie als geheel nog steeds grote verschillen bestaan, en dat kansarme gemeenschappen (als gevolg van hun beperkte toegang tot middelen, informatie en diensten) grotere risico's op gezondheidsproblemen lopen dan degenen die in een sterkere sociaaleconomische positie verkeren,

AG.

overwegende dat kanker kan worden teruggedrongen en bestreden door gebruik te maken van empirisch onderbouwde strategieën voor vroegtijdige opsporing en de behandeling van kankerpatiënten,

AH.

overwegende dat naar schatting 25 % van alle sterfgevallen ten gevolge van kanker in de Unie wordt veroorzaakt door roken, terwijl roken in heel de wereld tussen de 80 en 90 % van de sterfgevallen aan longkanker veroorzaakt en meisjes steeds vaker gaan roken, hetgeen in de toekomst tot een toename van longkanker bij vrouwen kan leiden,

AI.

overwegende dat het aantal gevallen van leverkanker de laatste 20 jaar meer dan verdubbeld is en er in 2006 in de EU-27 50 300 nieuwe gevallen van leverkanker waren en 45 771 personen aan deze ziekte zijn overleden; overwegende dat, behalve aan overgewicht en aan alcoholconsumptie, 75 tot 85 % van de gevallen van primaire leverkanker is toe te schrijven aan chronische infecties met het hepatitis B of C virus,

AJ.

overwegende dat overtuigend is vastgesteld dat de levensstijl, en met name voedingsgewoonten, van invloed zijn op de ontwikkeling van tumoren en dat om deze reden een gezond eetpatroon bijdraagt aan de overlevingskansen (in ieder geval bij sommige soorten tumoren) en de levenskwaliteit van kankerpatiënten,

AK.

overwegende dat bepaalde vormen van kanker voorkomen kunnen worden en de gezondheid van mensen in het algemeen verbeterd kan worden door een gezondere leefwijze, en dat kanker genezen kan worden of de kans op genezing sterk kan worden vergroot, indien de ziekte in een vroeg stadium wordt opgespoord,

AL.

overwegende dat kanker ook sterk verband houdt met de sociale en economische status, en dat de risicofactoren ten aanzien van kanker het hoogst zijn onder laagopgeleide groepen; daarnaast overwegende dat patiënten uit de lagere sociaal-economische klassen een consistent lager overlevingspercentage hebben dan mensen uit de hogere sociale klassen,

AM.

overwegende dat een goed opgezet, goed beheerd nationaal kankerbestrijdingsprogramma het aantal gevallen van kanker en de mortaliteit verlaagt, in sommige gevallen met meer dan 70 %, en het leven van kankerpatiënten verbetert, hoe beperkt de middelen van een land ook mogen zijn,

AN.

overwegende dat er grote verschillen tussen de lidstaten bestaan ten aanzien van de ontwikkeling, uitvoering en kwaliteit van de programma's voor kankerbestrijding,

AO.

overwegende dat doeltreffende opsporingsprogramma's onder de volledige bevolking van een land – uitgevoerd volgens de Europese richtsnoeren, voor zover voorhanden – de kwaliteit en beschikbaarheid van opsporing, diagnose en behandeling van kanker voor de bevolking aanzienlijk verbeteren en daarmee ook de ziekte beter helpen beheersen,

AP.

overwegende dat er momenteel in de Europese Unie aanzienlijke kwaliteitsverschillen bestaan op het gebied van screening, vroegtijdige opsporing en follow-up van kanker, voornamelijk wat betreft het gebruik van methoden voor vroegtijdige diagnose, die bijdragen aan een meetbare, kostenefficiënte beperking van de impact van de ziekte,

AQ.

overwegende dat nationale kankerregisters in alle lidstaten essentieel zijn om voor vergelijkbare gegevens over kanker te zorgen,

AR.

overwegende dat interinstitutionele samenwerking de effectiviteit van onze gezamenlijke inspanningen kan vergroten,

AS.

overwegende dat het specialisme medische oncologie niet in alle lidstaten wordt erkend en dat er voor voortgezette medische opleiding gezorgd moet worden,

AT.

overwegende dat het vrije verkeer van personen en het vrije verkeer van werknemers in het gemeenschapsrecht zijn verankerd en dat de vrijheid van vestiging, als beginsel, ertoe bijdraagt dat gezondheidswerkers zich daar kunnen vestigen waar zij het meest nodig zijn, hetgeen een direct voordeel oplevert voor de patiënten en voorkomt dat er problemen ontstaan vanwege het feit dat patiënten over de grenzen behandeld moeten worden,

AU.

overwegende dat lichamelijke en geestelijke gezondheid nauw met elkaar verband houden en elkaar onderling beïnvloeden, en dat dit wederzijdse verband vaak wordt genegeerd bij de verzorging van kankerpatiënten en overige zorggebruikers,

AV.

overwegende dat de complexiteit van kanker om een betere communicatie vraagt tussen de grote aantallen en de grote verscheidenheid aan gezondheidswerkers die bij de behandeling van kankerpatiënten betrokken zijn; overwegende dat psychosociale zorg en geestelijke gezondheidszorg de levensverwachting en levenskwaliteit van kankerpatiënten kan verbeteren,

AW.

overwegende dat kankerpatiënten momenteel niet in dezelfde mate toegang hebben tot medische informatie en in elk stadium van hun ziekte dringende behoefte hebben aan meer informatie,

1.

is verheugd over het voorstel van de Commissie om een Europees partnerschap voor kankerbestrijding voor de periode 2009-2013 tot stand te brengen om de lidstaten te helpen bij de aanpak van kanker door een kader te bieden voor het inventariseren en uitwisselen van informatie, capaciteit en deskundigheid op het gebied van kankerpreventie en -bestrijding, en door alle betrokken partijen uit de hele Europese Unie bij dit collectieve streven te betrekken;

2.

stelt dat krachtige actie op het vlak van kanker op Europees niveau in potentie een kader kan vormen voor gecoördineerde actie op lidstaat-, regionaal en plaatselijk niveau; is van oordeel dat het Europees partnerschap voor kankerbestrijding de werkzaamheden die tot op heden door de Europese instellingen op het gebied van de gezondheid zijn ondernomen, moet aanvullen en uitbreiden, en moet streven naar het vormen van partnerschappen met overige diensten en sectoren om te komen tot een alomvattende aanpak van de preventie en behandeling van kanker;

3.

erkent dat maatregelen op het gebied van gezondheid, krachtens artikel 168 VWEU, in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de lidstaten zijn, maar dat het uitwerken van een communautaire routekaart daarnaast ook van groot belang is; spoort de Commissie en de lidstaten aan voor een gezamenlijke en alomvattende aanpak te kiezen door gezondheid in beleidsterreinen zoals onderwijs, milieu, onderzoek en sociale vraagstukken te integreren;

4.

benadrukt dat voor een representatief en efficiënt partnerschap een nauwere samenwerking moet worden aangegaan met belanghebbenden, inclusief participatie van maatschappelijke organisaties en werkgevers- en werknemersorganisaties op internationaal, Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau; stelt verder dat het Europees partnerschap voor kankerbestrijding alle betrokkenen moet verenigen die er echt belang bij hebben de gezondheidsresultaten te verbeteren, dat het potentieel van dit forum om bij te dragen aan de ontwikkeling en de verspreiding van richtsnoeren voor goede praktijken niet moet worden onderschat, en dat het partnerschap tevens communicatiekanalen in het leven moet roepen met overige fora, zoals het EU-Forum gezondheidsbeleid, om er zo voor te zorgen dat de strijd tegen kanker voldoende rekening houdt met overige punten van zorg, zoals ongelijkheid in de gezondheid, de doorslaggevende factoren voor gezondheid en de rol van zorgmedewerkers, hetgeen allemaal een duidelijk effect op het voorkomen en behandelen van kanker heeft;

5.

verzoekt de Commissie en de Europese Raad om met het Europees Parlement in een goed gecoördineerd interinstitutioneel partnerschap samen te werken in de strijd tegen kanker, waarbij gebruik kan worden gemaakt van de rechtsgrondslag van het Verdrag van Lissabon ter bescherming van de volksgezondheid en ter voorkoming van ziekten; roept de Commissie en de Europese Raad op de diverse formele en informele structuren die bestaan om de leden van het Europees Parlement te raadplegen, goed in overweging te nemen;

6.

verzoekt de Commissie nadere informatie te verstrekken over de aard van de financiering en de financieringsbronnen van het Europees partnerschap voor kankerbestrijding;

7.

benadrukt dat met een alomvattende aanpak van kanker en met multidisciplinaire teams kankerpatiënten effectievere zorg kan worden geboden en dat geïntegreerde zorgverlening aan kankerpatiënten, waarbij rekening wordt gehouden met psychosociaal en geestelijk welzijn en psychosociale en geestelijke hulpverlening, een essentieel onderdeel van de zorg is dat ook moet worden gestimuleerd;

8.

benadrukt dat er speciale actie moet worden ondernomen voor zeldzame en minder gangbare vormen van kanker, met als doel de diagnose te versnellen en ervoor te zorgen dat de expertise die daarover in kenniscentra aanwezig is, algemener beschikbaar komt;

9.

wijst erop dat overeenkomstig het Verdrag van Lissabon het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's stimuleringsmaatregelen kunnen aannemen die gericht zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid;

10.

is van oordeel dat, aangezien tot het eind van het huidige financiële kader (2013) geen extra kredieten beschikbaar komen, het partnerschap alleen kans op slagen heeft als de voorhanden zijnde middelen optimaal worden besteed;

11.

verzoekt de lidstaten zo spoedig mogelijk geïntegreerde plannen voor kankerbestrijding op te zetten, aangezien deze plannen van essentieel belang zijn voor de verwezenlijking van de ambitieuze langetermijndoelstelling van het partnerschap het aantal sterfgevallen als gevolg van kanker in het jaar 2020 met 15 % terug te dringen;

12.

roept de Commissie op voort te bouwen op de bevindingen van het kankerpartnerschap met betrekking tot regelingen voor kankerbeheersing en een voorstel te doen voor een aanbeveling van de Raad inzake programma's voor kankerbestrijding; roept de Commissie op jaarlijks op onafhankelijke wijze de uitvoering en voortgang van de goedgekeurde aanbevelingen te controleren;

13.

benadrukt dat preventie, aangezien een derde van de gevallen van kanker te voorkomen is, de kostenefficiëntste maatregel is en dringt erop aan systematisch en strategisch meer financiële middelen voor zowel primaire als secundaire preventie uit te trekken; benadrukt het belang om de investeringen in gezondheid op peil te houden, in het bijzonder door middel van preventieve maatregelen; roept in dit opzicht de Europese Commissie en de Europese Raad op nadere actie te overwegen om te zorgen voor een milieu dat de gezondheid bevordert, met inbegrip van maatregelen ten aanzien van tabak, voeding en alcohol, en bepalingen ter verbetering van de mogelijkheden voor lichamelijke activiteit;

14.

roept het partnerschap op ervoor te zorgen dat alle acties binnen de gezondheidsbevorderings- en preventiegroep en de onderzoeksgroep een component van milieufactoren bevatten, waarbij deze factoren niet alleen worden gedefinieerd als de blootstelling aan omgevingstabaksrook, straling en bovenmatige UV-straling, maar ook als de blootstelling aan gevaarlijke chemische stoffen in de binnen- en buitenomgeving, met inbegrip van stoffen die het endocriene stelsel verstoren;

15.

is van mening dat het aanpakken van de risicofactoren voor kanker centraal moet staan bij de preventie en dringt er bij de lidstaten op aan hier een prioriteit van te maken;

16.

benadrukt dat er in toenemende mate behoefte is aan aandacht voor de levenskwaliteit van een groeiende groep chronische kankerpatiënten die niet genezen kunnen worden maar van wie de toestand wel gedurende een aantal jaren gestabiliseerd kan worden;

17.

benadrukt dat maatregelen die bedoeld zijn ter vermindering van de verschillen tussen de aantallen kankergevallen in de verschillende landen zouden moeten bestaan uit het doelgericht stimuleren van een goede gezondheid, voorlichting en preventieprogramma's, alsmede uit het verzamelen van gegevens uit kankerregisters op bevolkingsniveau en vergelijkbare, volledige en juiste registratie van gegevens over kanker;

18.

verzoekt de Commissie met klem de lidstaten met een hoog kankersterftecijfer aan te sporen hun nationale kankerregisters te herzien, teneinde die gegevens bijeen te brengen die nodig zijn voor beter onderbouwd en meer gericht beleid;

19.

benadrukt dat niet alleen de bevordering van een goede gezondheid en de strijd tegen overgewicht en alcoholconsumptie, maar ook de preventie en bestrijding van ziekten die kunnen leiden tot kanker, bijvoorbeeld primaire en secundaire preventie van virale hepatitis met indien nodig behandeling, door het partnerschap voor de kankerbestrijding en door toekomstige Europese initiatieven, zoals een herziene aanbeveling van de Raad over kankerscreening, moeten worden aangepakt;

20.

benadrukt de rol van screening als een van de belangrijkste instrumenten in de strijd tegen kanker; roept de lidstaten op te investeren in programma's voor kankerscreening en gelooft dat dergelijke initiatieven het meeste effect sorteren wanneer ze voor zo veel mogelijk mensen en op regelmatige basis beschikbaar zijn;

21.

benadrukt dat er geïntegreerd (fundamenteel en klinisch) onderzoek moet plaatsvinden dat zich richt op de rol van voeding bij het voorkomen van kanker en de strijd tegen ongezonde voeding die kanker kan veroorzaken, en dat er gevalideerde en algemeen aanvaarde richtsnoeren moeten worden opgesteld met voedingsadviezen voor kankerpatiënten; roept de Commissie daarom op financiering te bieden voor de ontwikkeling en validering van geïntegreerd onderzoek (basisonderzoek en klinisch onderzoek) naar het gebruik van voeding bij de preventie en behandeling van kanker, en naar slechte voeding met betrekking tot kanker, alsmede voor de ontwikkeling van algemeen geaccepteerde richtsnoeren inzake voedselhulp voor kankerpatiënten voor sociale hulpverleners en zorgmedewerkers in geheel Europa, en roept de lidstaten op de uitvoering van dergelijke richtsnoeren te bevorderen;

22.

benadrukt dat een herziening van de Europese code tegen kanker noodzakelijk is en dat deze code op grotere schaal en op krachtiger wijze in de EU-27 dient te worden bekendgemaakt en dat inspanningen daartoe in het bijzonder gericht moeten zijn op de nieuwe lidstaten die deel uitmaken van het Europees partnerschap voor kankerbestrijding;

23.

verzoekt de lidstaten met klem de registratie van gevallen van kanker door middel van een Europese gestandaardiseerde terminologie wettelijk verplicht te stellen, om in het belang van de bevolking de preventie-, screening- en behandelingsprogramma's en het overlevingspercentage te kunnen beoordelen, alsook om de onderlinge vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten veilig te stellen;

24.

benadrukt dat kanker kan worden teruggedrongen en bestreden door gebruik te maken van empirisch onderbouwde strategieën voor vroegtijdige opsporing en behandeling van kankerpatiënten en dat een goede informatievoorziening daarbij van belang is om de voordelen van screening onder de aandacht te brengen van diegenen die er baat bij kunnen hebben; roept in dit kader de lidstaten op te onderzoeken of screening op borstkanker bij vrouwen jonger dan 50 jaar en ouder dan 69 jaar nuttig is en vraagt de Commissie deze informatie te verzamelen en te analyseren;

25.

benadrukt dat er een dringende behoefte bestaat aan gezamenlijke kwaliteitsnormen voor de behandeling van kinderkanker die door de hele EU-27 worden ingevoerd en toegepast;

26.

roept de lidstaten op meer te doen om bewustzijn te creëren van genderspecifieke kankervormen, om zo de mate van preventie te vergroten en de screening van ziekten aan te moedigen;

27.

verzoekt de Commissie in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek financiële middelen beschikbaar te stellen voor de verdere ontwikkeling van bloed- en urinetests (biomarker tests), voor zover deze technieken voor vroegtijdige diagnose nuttige instrumenten zijn om in de toekomst verschillende vormen van kanker op te sporen (prostaat-, dikkedarm-, eierstok-, nier- en blaaskanker);

28.

is van oordeel dat de KP7-financiering die momenteel aan kankerbestrijding wordt besteed efficiënter moet worden gebruikt, bijvoorbeeld door middel van betere coördinatie tussen de verschillende kankeronderzoekcentra in de EU;

29.

dringt erop aan dat de Commissie haar ondersteunende rol ten volle vervult door gezamenlijke acties op onderzoeksgebied op gang te brengen;

30.

verzoekt om verhoging van de steun voor kankeronderzoek, waaronder onderzoek naar de gevolgen van schadelijke chemicaliën, milieuverontreinigende stoffen, voeding, leefwijze, genetische factoren en de wisselwerking tussen al deze factoren, en dringt aan op onderzoek naar het verband tussen kanker en mogelijke risicofactoren zoals roken, alcoholgebruik en farmaceutische en synthetische hormonen die in het milieu voorkomen;

31.

verzoekt de regering van de Tsjechische Republiek, die de in februari 2005 van kracht geworden kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik nog niet heeft geratificeerd, met klem dit alsnog te doen;

32.

vraagt dat bij onderzoek naar biomonitoring met name aandacht worden geschonken aan de belangrijkste bronnen van blootstelling aan carcinogene stoffen, in het bijzonder met betrekking tot het verkeer, de uitstoot van industrie, de luchtkwaliteit in grote steden, en de straling en het oppervlaktewater in de omgeving van afvalverwijderingsinstallaties;

33.

roept de Commissie op ervoor te zorgen dat er sneller actie wordt ondernomen in het kader van de communautaire strategie voor hormoonontregelaars;

34.

benadrukt dat onderzoeksresultaten zo snel mogelijk moeten worden vertaald naar concrete actie en dat lopend onderzoek niet mag worden gebruikt om de maatregelen tegen bekende of vermoede factoren die de incidentie van kanker veroorzaken of bevorderen, te vertragen;

35.

roept de Commissie op de lidstaten aan te moedigen beleidsmaatregelen door te voeren ter ondersteuning van de beginselen die zijn opgenomen in de globale strategie voor eetgewoonten, lichaamsbeweging en gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie, die in 2004 is gelanceerd;

36.

is van mening dat er behoefte is aan meer onderzoek naar het verband tussen kanker en geslacht, alsook aan specifiek, maar niet gefragmenteerd, onderzoek naar de invloed van de werkomgeving op kanker bij vrouwen,

37.

roept de Commissie op om op alle mogelijke manieren het beginsel van preventie te bevorderen, zowel in medische handelwijzen als in gezondere levensstijlen, en de lidstaten aan te sporen meer middelen te investeren in preventie, zowel primaire preventie (d.w.z. preventie of reductie van factoren die de incidentie van kanker veroorzaken of bevorderen, zoals blootstelling aan milieuverontreinigende stoffen) als secundaire preventie via screening en vroegtijdige opsporing;

38.

wijst op de noodzaak van grootschalige onderzoeksprogramma's ter ontwikkeling van alternatieven voor schadelijke stoffen die geen carcinogenen zijn; vindt dat innovatie moet worden aangemoedigd en moet leiden tot de geleidelijke verwijdering van alle schadelijke stoffen die zich in het menselijk lichaam of in het milieu verzamelen en die kanker veroorzaken of mutagene effecten hebben, en dat deze stoffen op de lange termijn op de markt moeten worden vervangen;

39.

is van oordeel dat procedures en technieken voor vroegtijdige opsporing grondiger moeten worden onderzocht voordat ze algemeen worden toegepast, om zo te garanderen dat het gebruik en de toepassing ervan veilig verloopt en op bewijs gestoeld is; acht het daarom noodzakelijk dat dit onderzoek leidt tot ondubbelzinnige aanbevelingen en richtsnoeren op basis van bewijs;

40.

is van oordeel dat de momenteel in de EU voor kankerbestrijding beschikbare financiële middelen niet volstaan voor het noodzakelijke onderzoek en de noodzakelijke coördinatie, noch voor goede informatieverschaffing over preventie aan de burgers van de Unie;

41.

verzoekt de Commissie met klem financiële middelen voor het bevorderen van kankerpreventie in de financiële vooruitzichten op te nemen;

42.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om binnen het raamwerk van het Europees partnerschap voor kankerbestrijding een Europees netwerk voor preventie op te zetten dat zich bezighoudt met alle doorslaggevende factoren voor de gezondheid die relevant zijn voor kanker, met inbegrip van milieufactoren;

43.

roept de Commissie op om initiatieven aan te moedigen en te steunen waarbij een breed scala aan belanghebbenden betrokken is, met het doel kanker te voorkomen door minder blootstelling in het beroep en het milieu aan kankerverwekkende stoffen en aan andere stoffen die bijdragen tot het optreden van kanker, alsook door het bevorderen van een gezonde levensstijl, door met name de aandacht te vestigen op de belangrijkste risicofactoren, zoals tabak, alcohol, zwaarlijvigheid, ongezonde eetgewoonten, een gebrek aan lichaamsbeweging en blootstelling aan de zon, en daarbij sterk de nadruk te leggen op kinderen en adolescenten;

44.

wijst op de absolute noodzaak om problemen met betrekking tot milieu en gezondheid, die een effect hebben op de ontwikkeling van specifieke soorten kanker, aan te pakken overeenkomstig hetgeen onder het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 is gedefinieerd, namelijk door beoordeling van de daaropvolgende nationale actieplannen voor milieu en gezondheid en door samenwerking tussen de lidstaten ten aanzien van de gedurende het proces bereikte resultaten, om zo te garanderen dat de resultaten die in elk land zijn behaald, kunnen bijdragen aan de bevordering van Europees ingrijpen op dit gebied;

45.

benadrukt dat voor een optimale patiëntenzorg een multidisciplinaire aanpak nodig is en dat de rol van de oncoloog als aanspreekpunt voor de patiënt buitengewoon belangrijk is en dat scholing, duidelijke criteria en richtsnoeren nodig zijn om ervoor te zorgen dat de artsen die in het kader van een behandeling tegen kanker medicijnen toedienen optimaal gekwalificeerd zijn;

46.

verzoekt de Commissie en het partnerschap de aanbeveling van de Raad over kankerscreening te herzien in het licht van de recente wetenschappelijke ontwikkelingen, om op deze manier steun te verlenen aan het opstellen van Europese erkennings- en certificeringsprogramma's voor de opsporing, diagnose en behandeling van kanker, die gebaseerd zijn op de Europese richtsnoeren voor kwaliteitsborging en ook als voorbeeld voor andere onderdelen van de gezondheidszorg kunnen dienen;

47.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan voorlichtingscampagnes over kankerscreening, zowel gericht op het publiek als op personen werkzaam in de gezondheidszorg, te stimuleren, alsook de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van preventieve of vroegtijdige opsporingstechnieken, zoals de kostenbesparende toepassing van HPV(humaan papilloma virus)-tests voor het opsporen van baarmoederhalskanker en HPV-vaccinatie om jonge vrouwen tegen baarmoederhalskanker te beschermen, en verzoekt het Europees partnerschap voor kankerbestrijding te onderzoeken of de aanbeveling van de Raad over kankerscreening moet worden herzien naar aanleiding van bewijs inzake de effecten van screening op prostaatkanker bij mannen;

48.

verzoekt de Commissie een beroep te doen op het bestaande Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) door niet overdraagbare ziekten aan het mandaat van het Centrum toe te voegen en het als hoofdkwartier voor het EU-kankeronderzoek te gebruiken waar alle in de lidstaten reeds verzamelde gegevens bijeen kunnen worden gebracht en geanalyseerd, teneinde wetenschappers en artsen toegang te geven tot goede praktijken en een betere kennis over de ziekte;

49.

staat positief tegenover het Commissievoorstel voor een Europees partnerschap voor kankerbestrijding voor de periode 2009-2013 en tegenover het voorstel om het aantal gevallen van kanker terug te dringen door de invoering van een compleet bevolkingsonderzoek voor borst-, baarmoederhals- en colorectale kanker tegen 2013, en dringt er bij de lidstaten op aan deze richtsnoeren volledig ten uitvoer te leggen;

50.

verzoekt de Commissie een handvest op te stellen inzake de bescherming van de rechten van kankerpatiënten en chronisch zieken op het werk, teneinde werkgevers te dwingen patiënten in staat te stellen tijdens hun behandeling te blijven werken en na hun behandeling weer op de arbeidsmarkt aan de slag te kunnen;

51.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en het Europees Agentschap voor chemische stoffen Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) ten uitvoer te leggen, en de lijst van bijzonder bedenkelijke stoffen, die ook kankerverwekkende stoffen omvat, bij te werken;

52.

verzoekt de Commissie in het kader van dit partnerschap initiatieven te stimuleren en te steunen ter voorkoming van de invoer van artikelen die kankerverwekkende chemische stoffen bevatten, en op EU-niveau maatregelen te treffen om de controle op de aanwezigheid van chemische stoffen, waaronder met name pesticiden, in levensmiddelen te versterken;

53.

merkt op dat de palliatieve zorg voor terminale kankerpatiënten in de lidstaten van verschillende kwaliteit is en zou kunnen verbeteren door een uitwisseling van goede praktijken en verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom palliatieve zorg aan te moedigen en te bevorderen en er richtsnoeren voor op te stellen;

54.

benadrukt dat grotere inspanningen geleverd moeten worden op het gebied van programma's gericht op de psychosociale rehabilitatie en herintegratie op de arbeidsmarkt van kankerpatiënten in de vorm van allerlei activiteiten gericht op informatieverstrekking, begeleiding, advisering over mogelijke veranderingen in leefstijl en gedrag, psychologische ondersteuning en welzijnsvraagstukken; onderstreept het belang van toezicht op en beoordeling van de geestelijke gezondheidstoestand van mensen met kanker;

55.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor inspecties met biologische bewaking van het menselijk leven in heel de Europese Unie, zodat kankerverwekkende stoffen en andere stoffen die bijdragen tot het optreden van kanker in het oog kunnen worden gehouden om de doelmatigheid van het gevoerde beleid te meten;

56.

is van mening dat het partnerschap erop moet toezien dat de al bestaande initiatieven op het gebied van de coördinatie van het kankeronderzoek efficiënt worden geïntegreerd en dat vooral publiek-private partnerschappen worden aangemoedigd om de research en de opsporing te stimuleren, in het bijzonder op het gebied van de medische beeldvorming;

57.

is van oordeel dat de voorgestelde opzet tekortschiet omdat er geen definitie wordt gegeven van de doelstellingen van specifieke acties, zoals hoe de integratie van alle nationale kankerbestrijdingsplannen voor 2013 kan worden bereikt, en vraagt de Commissie hier iets aan te doen;

58.

verlangt dat in het kader van het regionaal beleid en het Europees Sociaal Fonds meer middelen worden uitgetrokken voor programma's met het oog op de vorming en voorlichting van de burgers inzake bescherming tegen en preventie van kanker;

59.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de communautaire wetgeving zowel de industrie als onderzoekers stimulansen biedt om zich bezig te houden met doorlopend onderzoek gericht op de ontwikkeling van nieuwe empirisch onderbouwde medicijnen en behandelingen voor de bestrijding en beheersing van kanker;

60.

beklemtoont het belang van de herziening van Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (15) (de richtlijn inzake klinische proeven) om aldus meer academisch kankeronderzoek, vooral naar screening van deze ziekte en met name vroegtijdige opsporing, te stimuleren, hoewel het de weerslag erkent van de kosten die dat voor het onderzoek zonder commerciële doeleinden met zich meebrengt, alsook om de patiënten en het publiek in het algemeen meer informatie over lopende en afgesloten klinische proeven ter beschikking te stellen;

61.

roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving prikkels voor onderzoekers en de industrie bevat om benaderingen voor kankerpreventie te ontwikkelen op basis van voeding en overige natuurproducten, die moeten worden gevalideerd door nutrigenomisch en epigenetisch onderzoek;

62.

acht de invoering van een communautair octrooi, zowel als van een internationaal octrooi, dringend noodzakelijk;

63.

verzoekt de Commissie te zorgen voor de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van behandeling en zorg door middel van netwerken van deskundigen uit de gezondheidszorg, teneinde ervoor te zorgen dat de burgers toegang hebben tot de best mogelijke behandelwijze;

64.

verzoekt de lidstaten en de Commissie initiatieven op te zetten en aan te moedigen voor de ondersteuning van personen die direct of indirect getroffen zijn door kanker, met name door het opzetten en het ontwikkelen in de hele EU van psychologische zorg en begeleiding voor personen die van kanker genezen zijn;

65.

verzoekt de lidstaten en de Commissie richtsnoeren te ontwikkelen voor een gemeenschappelijke definitie van invaliditeit die ook personen kan omvatten met chronische ziekten of kanker, en vraagt in afwachting hiervan erop toe te zien dat de lidstaten die dergelijke personen nog niet hebben opgenomen in hun nationale definities van invaliditeit, dit zo spoedig mogelijk doen;

66.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te waarborgen dat medicijnen tegen kanker, met inbegrip van behandelingen voor zeldzame en minder gangbare vormen van kanker, in alle lidstaten op gelijke wijze beschikbaar zijn voor alle patiënten die ze nodig hebben; roept de Commissie en de lidstaten op specifieke en gecoördineerde acties te ondernemen om de ongelijkheden in termen van toegang tot kankerbehandeling en -verzorging terug te brengen, ook in het geval van nieuwe zogenaamde „doelgerichte” geneesmiddelen tegen kanker die nog maar pas op de markt zijn gebracht;

67.

verwacht van de lidstaten dat zij een beter voorlichtingsbeleid zullen opzetten over het belang van screening op borst-, baarmoederhals- en darmkanker, teneinde bij alle doelgroepen de acceptatie van en de deelname aan dergelijke screenings te verhogen en daarbij in het bijzonder aandacht te schenken aan deelname door minderheden en sociaaleconomisch achtergestelde groepen;

68.

wijst erop dat het bij het partnerschap voor kankerbestrijding gaat om langetermijndoelstellingen en dringt er om die reden bij de Europese instellingen op aan in een volgende communautaire begroting voor volksgezondheid de duurzaamheid en levensvatbaarheid van het partnerschap voor kankerbestrijding voor tien jaar zeker te stellen; verzoekt de Commissie de vorderingen die geboekt worden bij en de effectiviteit van de uitvoering van de aanbevelingen van het Europees partnerschap te beoordelen en te controleren, en hierover jaarlijks verslag uit te brengen;

69.

is van oordeel dat de juiste uitvoering van de bestaande wetgeving inzake stoffen die kanker veroorzaken of bevorderen, van uiterst belang is in de strijd tegen kanker; roept de Commissie daarom op te zorgen voor een volledige uitvoering van de desbetreffende wetgeving inzake de gezondheid van werknemers en om snel en gedecideerd bij te dragen aan het opstellen van de ontwerplijst van bijzonder bedenkelijke stoffen als springplank naar snelle beslissingen over CMR-stoffen in de context van machtigingen onder REACH;

70.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3.

(2)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0477.

(3)  PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.

(4)  Raad van de Europese Unie, Conclusies van de Raad betreffende het terugdringen van kanker, 2876e zitting van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken, Luxemburg, 10 juni 2008.

(5)  PB L 327 van 16.12.2003, blz. 34.

(6)  PB C 227 E van 4.9.2008, blz. 160.

(7)  PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 11.

(8)  PB C 313 E van 20.12.2006, blz. 273.

(9)  PB C 68 E van 18.3.2004, blz. 611.

(10)  PB L 95 van 16.4.1996, blz. 9.

(11)  PB L 213 van 15.6.2004, blz. 8.

(12)  PB C 27 E van 31.1.2008, blz. 247.

(13)  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(14)  Jemal A, Ward E, Thun M (2010) Declining Death Rates Reflect Progress against Cancer. PLoS ONE 5(3): e9584. doi:10.1371/journal.pone.0009584.

(15)  PB L 121 van 1.5.2001, blz. 34.


15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/107


Donderdag, 6 mei 2010
De inzet van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) voor het vergemakkelijken van de overgang naar een energie-efficiënte, koolstofarme economie

P7_TA(2010)0153

Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2010 over de inzet van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) voor het vergemakkelijken van de overgang naar een energie-efficiënte, koolstofarme economie (2009/2228(INI))

2011/C 81 E/20

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, van 12 maart 2009, inzake de inzet van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) voor het vergemakkelijken van de overgang naar een energie-efficiënte, koolstofarme economie (COM(2009)0111), evenals de daaropvolgende aanbeveling van 9 oktober 2009 (C(2009)7604),

gezien de mededeling van de Commissie „Vandaag investeren voor het Europa van morgen” (COM(2009)0036),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 11-12 december 2008, in het bijzonder de milieu- en de energiedoelstellingen,

gezien het Europees economisch herstelplan (COM(2008)0800) voor een snellere terugkeer naar economische groei,

gezien de mededeling van de Commissie „De uitdaging van energie-efficiëntie aangaan via informatie- en communicatietechnologieën” (COM(2008)0241),

gezien het politieke akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen (herschikking) (COM(2008)0780),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008„Actieplan voor de invoering van intelligente vervoerssystemen in Europa” (COM(2008)0886),

gezien de mededeling van de Commissie over het „Actieplan voor energie-efficiëntie: Het potentieel realiseren” (COM(2006)0545),

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7–0120/2010),

A.

overwegende dat de maatregelen om de gevolgen van de klimaatverandering te verminderen het nodig maken dat er een aantal specifieke instrumenten worden aangenomen om het energieverbruik en de emissie van broeikasgassen te verminderen, in het bijzonder door maatregelen gericht op energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen,

B.

overwegende dat de ambitieuze klimaat- en energiedoelen die de Europese Unie zich voor 2020 heeft gesteld alleen zullen kunnen worden verwezenlijkt via een mix van maatregelen gericht op energiebesparing en energie-efficiëntie en elkaar aanvullende maatregelen, met name binnen het kader van onderzoek en innovatie, en door voortdurend ambitieuze doelen te stellen voor de energieprestaties van sectoren en producten die niet binnen het Europese emissiehandelssysteem vallen,

C.

overwegende dat energiebesparingen niet snel genoeg worden gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de doelstelling voor 2020 en dat de bestaande maatregelen in verband met de benutting van informatie- en communicatietechnologie niet overeenstemmen met de omvang van de uitdagingen die gepaard gaan met het streven naar een duurzaam koolstofarm energiesysteem,

D.

overwegende dat de ICT-sector ongeveer 8 % van alle energie verbruikt en verantwoordelijk is voor 2 % van de kooldioxide-emissies in Europa (1,75 % afkomstig van het gebruik van ICT-producten en -diensten, en 0,25 % van de productie ervan) en een snel groeiende CO2-voetafdruk heeft,

E.

overwegende dat informatie- en communicatietechnologie bijna 7 % van de werkgelegenheid en meer dan 6 % van het bbp uitmaakt en overwegende dat er een ernstig risico bestaat dat de EU de leiderspositie op het gebied van digitale technologie verliest, is er een directe noodzaak de innovatie-inspanningen in deze sector zowel ten gunste van ons klimaat als van het creëren van groene banen in de toekomst te verhogen,

F.

overwegende dat de sector van de informatie- en telecommunicatietechnologieën (ICT) een enorm onbenut potentieel omvat voor het besparen van energie en door middel van tal van toepassingen kan bijdragen aan de verbetering van de energie-efficiëntie, overwegende anderzijds dat tot op heden deze toepassingen niet adequaat zijn ingezet,

G.

overwegende dat informatie- en communicatietechnologieën (ICT) een belangrijke bijdrage leveren aan de energie-efficiency van de EU, met name bij gebouwen en in de vervoersector, maar ook in de samenleving in haar geheel dankzij verbeteringen bij de productie en distributie van energie, en aan het realiseren van de doelstellingen om tegen 2020 een energiebesparing van 20 % te bereiken,

H.

aangezien hernieuwbare energiebronnen effectief kunnen worden aangewend voor het voldoen aan de behoefte aan elektrische energie van de ICT; overwegende dat met op ICT gebaseerde systemen het energieverbruik van gebouwen zelfs met 17 % en de CO2-uitstoot in het vervoer met 27 % kan worden verminderd,

I.

overwegende dat de bedrijfs- en beroepsorganisaties van onder meer de vervoers-, productie- en bouwsector een sleutelrol kunnen spelen bij het verminderen van het energieverbruik en ook het gebruik van de informatie- en communicatietechnologieën in de hand zouden moeten werken,

J.

overwegende dat informatie- en communicatietechnologie een technologie is die via elektriciteitsnetwerken (slimme netwerken), slimme gebouwen, slimme huizen en slimme meters, ecologisch efficiënt vervoer en dematerialisatie, ecologisch efficiënte industriële processen en organisatorische duurzaamheid de vermindering van broeikasgasemissies mogelijk kan maken,

K.

overwegende dat binnen de industriële activiteit 65 % van het mondiale elektrische vermogen verbruikt wordt door gemotoriseerde industriële systemen en dat generalisering van intelligente motoren zal leiden tot een vermindering van 0,97 GtCO2 in 2020,

L.

overwegende dat compatibele methodes en instrumenten moeten worden uitgewerkt om het rendement van het energieverbruik te meten en te monitoren, overwegende dat de verspreiding van slimme meters het energieverbruik met tot 10 % kan terugdringen, kan de terreinwinst van de gedecentraliseerde productie van elektrische energie (micro generation) worden bevorderd en het netwerkverlies van kleine capaciteiten worden verminderd, waardoor de verspreiding van hernieuwbare energiebronnen wordt bevorderd,

M.

overwegende dat er een direct verband bestaat tussen het gebruik van deze technologieën en de verspreiding en ontwikkeling van de breedband in Europa,

N.

gezien de noodzaak om de reeds ondernomen acties zoveel mogelijk te integreren door middel van het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid en de uitwisseling van informatie en goede praktijken en gezien de noodzaak om de Europese O&O- en structuurfondsen evenals de acties van lidstaten en de financieringsmechanismen van de EIB beter te coördineren teneinde synergie te creëren,

O.

overwegende dat sommige verantwoordelijkheden en competenties op het gebied van de ruimtelijke ordening, de energieleveringen, de woningbouw en het verkeersmanagement tot de nationale, regionale en lokale bevoegdheid behoren,

P.

gezien het belang van acties die de consumenten warm maken voor de nieuwe technologieën en ze overtuigen van de potentiële voordelen ervan op energiebesparings- en economisch vlak en gezien het belang van het beter in staat stellen van consumenten hun energieverbruik te beheren,

Q.

overwegende dat momenteel 15 tot 20 % van het geld dat wordt besteed aan de exploitatie van datacentra opgaat aan elektriciteitsvoorziening en koeling,

R.

rekening houdend met de ecologische voetafdruk van de ICT bij de verspreiding van de diverse on-linesectoren,

S.

overwegende dat de energie-efficiëntie er in aanzienlijke mate toe kan bijdragen de toenemende bezorgdheid om de zekerheid van de energievoorziening in de Europese Unie weg te nemen,

1.

verwelkomt de mededeling en de aanbeveling van de Commissie en stemt er in grote lijnen mee in;

2.

dringt aan op de invoering van maatregelen om de privacy te garanderen van persoonlijke informatie met betrekking tot „intelligente meetapparaten”;

3.

verzoekt daarom de Commissie voor eind 2010 een geheel van aanbevelingen te doen om ervoor te zorgen dat het gebruik van slimme meters wordt geïmplementeerd in overeenstemming met het in het derde energiemarktpakket vastgestelde tijdschema en dat een minimumniveau van functionaliteit voor slimme meters wordt overeengekomen om de consumenten beter in staat te stellen hun energiebehoeften te beheren en de vraagcurve gelijkmatig te spreiden, evenals om de invoering van nieuwe energiediensten en een innoverend, geharmoniseerd en interoperabel Europees slim netwerk in de hand te werken, waarbij rekening wordt gehouden met alle beproefde beste praktijken die in sommige lidstaten worden gevolgd, in het bijzonder op het vlak van het beheer van energie- en informatiestromen in twee richtingen en in real time; in de definitie van een minimumniveau van functionaliteit moet voldoende rekening worden gehouden met het werk dat door de Europese normalisatieorganisaties CEN, CENELEC en ETSI verricht wordt bij het definiëren van „aanvullende functionaliteit” krachtens mandaat 441 inzake slimme meters;

4.

benadrukt dat aanzienlijke technologische vooruitgang en organisatorische innovaties in nauw verband met de informatie- en communicatietechnologie verwacht worden zodat mogelijkheden worden gecreëerd om de komende decennia energie te besparen;

5.

is van mening dat informatie- en communicatietechnologie onmisbaar is voor ontkoppeling tussen economische groei en broeikasgasemissies met behulp van drie basisstrategieën voor het tegengaan van klimaatverandering: verlaging van het energieverbruik, verhoging van de energie-efficiëntie en integratie van hernieuwbare energie;

6.

wijst erop dat een vergelijking van de bestaande gegevens in de diverse lidstaten en een verbetering van de energie-efficiëntie alleen mogelijk zijn indien er een gemeenschappelijke methode wordt uitgewerkt voor het meten van het energieverbruik en de koolstofemissies evenals een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus voor minimumeisen inzake de energieprestaties in de bouwsector; acht het voorts noodzakelijk dat de informatie- en communicatietechnologieën zo spoedig mogelijk worden gestandaardiseerd als minimumvereiste voor interoperabiliteit; de standaardisering zou niet alleen betrekking moeten hebben op de meetfuncties maar ook op de toegang tot de informatie over het contract en het verbruik, de mogelijkheid om via het elektriciteitsnet te communiceren met de centrale systemen van de marktdeelnemers en een regeling voor goedkeuring van de verbinding en de loskoppeling van de levering op afstand;

7.

onderstreept dat standaardisatie van informatie- en communicatietechnologie deel uitmaakt van de algemene standaardisatieactiviteiten en bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen voor het verbeteren van de concurrentiepositie van de Europese industrie, zoals opgenomen in de Lissabon-strategie; ondersteunt de tenuitvoerlegging van het werkprogramma voor 2009 voor ICT-standaardisatie op de vastgestelde prioritaire gebieden: E-gezondheidszorg, E-inclusie, intelligent vervoer, ICT voor het milieu, E-business, E-vaardigheden, E-leren, bescherming van persoonsgegevens, de persoonlijke levenssfeer, netwerk- en informatieveiligheid;

8.

is van mening dat indien de ICT een bijdrage kunnen leveren aan de besparing van energie, door de continue meting van de gegevens met als doel het particulier en het niet particulier energieverbruik te optimaliseren en het energierendement in tal van sectoren te verbeteren, de ICT-sector, gezien de exponentiële stijging van zijn eigen energieverbruik, het goede voorbeeld zou moeten geven door het eigen energieverbruik aanzienlijk te verminderen; vraagt de Commissie om voortaan in haar overwegingen rekening te houden met de bijdrage van de ICT-sector aan een efficiënt economisch gebruik van hulpbronnen;

9.

benadrukt dat Europa voorop zou moeten lopen bij de ontwikkeling van koolstofarme ICT-toepassingen; stelt vast dat het van groot belang is dat ICT-onderzoeksexpertise gestimuleerd wordt en dat overheids- en particuliere investeringen in risicovolle gezamenlijke onderzoeken en -innovaties op het gebied van informatie- en communicatietechnologie bevorderd worden;

10.

is van mening dat de ICT een belangrijke rol kunnen spelen bij het meten en in cijfers omzetten van de mondiale effecten van klimaatverandering, alsmede bij de evaluatie van klimaatmaatregelen. Deze technologieën kunnen zo bijdragen aan de verfijning van het klimaatbeleid;

11.

onderstreept dat de inspanning van de ICT-sector om zijn energieverbruik te verminderen in dit verband met name gericht dient te zijn op de gegevenscentra;

12.

benadrukt het belang van het eigen energieverbruik door de sector van de informatie- en communicatietechnologie en dringt er bij de sector op aan de aanbeveling van de Commissie (C(2009)7604) zo snel mogelijk en minimaal binnen de in de aanbeveling genoemde termijnen ten uitvoer te leggen;

13.

is van mening dat, om de komende decennia energiebesparingspotentieel te realiseren, elektriciteitstransportnetten intelligente systemen zouden kunnen worden met flexibele, gecontroleerde voedingsstromen die ondersteund worden door geavanceerde informatietechnologie;

14.

onderstreept in dat verband dat de ICT in huishoudens en in de sectoren van de bouw, het vervoer, de logistiek en de industrie kunnen worden gebruikt in talrijke toepassingen die erop gericht zijn de energie-efficiëntie en het energiebeheer te verbeteren; onderstreept dat deze toepassingen onder meer gevolgen hebben voor de distributie van elektriciteit, verlichting, verwarming, koeling, ventilatie en airconditioning alsook voor de mogelijkheden die de ICT-sector biedt op het vlak van meten, controleren en automatiseren; is van mening dat slimme meters, efficiënte verlichting, cloud computing en gedistribueerde software andere gebruikspatronen van energiebronnen kunnen opleveren;

15.

merkt op dat informatie- en communicatietechnologie innovatieve oplossingen voor het algemeen beleidsbepalend bestuur van stedelijke planning en stedelijke infrastructuren kan opleveren om de CO2-uitstoot te verminderen;

16.

is van mening dat in het bijzonder voor het beheer en het functioneren van stedelijke agglomeraties, ICT-toepassingen een sleutelrol kunnen vervullen in het verhogen van de energie-efficiëntie; meent dat het „Smart Cities” project laat zien waar in de ICT het energieverbruik verlaagd kan worden en dat het andere steden stimuleert om hun score te verbeteren en goede praktijken te implementeren;

17.

benadrukt dat nauwere samenwerking tussen overheidsinstanties en openbare dienstverleners bij het introduceren van slimme meetapparatuur de kosten zou kunnen verlagen en betere diensten zou kunnen opleveren voor consumenten;

18.

onderstreept het belang van openbare diensten, van steden en gemeenten in het besluitvormingsproces voor het treffen van concrete maatregelen op het gebied van energievermindering en energie-efficiëntie; onderstreept het belang van ICT op dit vlak;

19.

wijst erop dat alle energieverbruikende sectoren naar vermogen moeten bijdragen aan de verbetering van de energie-efficiëntie; wijst erop dat de verwezenlijking van het algemene doel dat op Europees niveau wordt nagestreefd afhankelijk zal zijn van de hoeveelheid energie die op elk niveau wordt bespaard;

20.

benadrukt dat ook de ICT-sector zich moet inspannen voor een grotere van energie-efficiëntie en de terreinwinst van koolstofneutrale energievoorziening, door middel van de ontwikkeling van het instrumentenpark, de communicatienetwerken en de transmissiesystemen. De Europese Commissie moet tegelijkertijd de regelgeving op flexibele wijze aanpassen aan de technische ontwikkeling van de sector;

21.

onderstreept dat meet- en besturingstechnologie in combinatie met de bijbehorende software in de industriële sector van cruciaal belang zijn voor het realiseren van het potentieel voor het uitsparen van grondstoffen;

22.

betreurt de langzame vooruitgang bij het realiseren van het potentieel aan energie-efficiëntie en energiebesparingen met het oog op de vermindering van de emissies van broeikasgassen; dringt er bij de Commissie op aan om ten volle rekening te houden met het besparingspotentieel van de ICT bij de uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (1);

23.

onderstreept het belang van de rol van de ICT op het gebied van energie-efficiëntie, die ook weerspiegeld werd door het feit dat deze kwestie in 2007 als bijzonder thema werd opgenomen in het kader van de prioriteit die aan de ICT gegeven werd in het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (2);

24.

acht het van prioritair belang dat de Europese economie wordt aangezwengeld door middel van investeringen in de nieuwe technologieën en in het bijzonder in de ontwikkeling van de breedband in de lidstaten, als instrument van economische groei, het toegankelijk maken van nieuwe systemen en nieuwe toepassingen voor een toenemend aantal Europese burgers en bedrijven, en het verwezenlijken van de doelstellingen die de Europese Unie uiterlijk in 2020 op het vlak van de energie-efficiëntie wil bereiken; bovendien zal de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologie die verantwoordelijk is voor de verschuiving naar een koolstofarme economie bijdragen aan het verminderen van de afhankelijkheid van de energievoorziening en aan het opgewassen zijn tegen de hoge grondstoffenkosten;

25.

dringt er bij de lidstaten op aan om door de ontwikkeling van de nodige infrastructuur de beschikbaarheid van breedbandinternet voor alle burgers van de EU te bevorderen om hun een gelijke toegang te bieden tot online-diensten die de noodzaak tot het maken van reizen kunnen verminderen;

26.

dringt aan op de ontwikkeling en de verspreiding van on-linediensten (E-bankieren, E-handel, E-overheid, E-onderwijs, E-gezondheidszorg) en telewerken om de kwaliteit van de dienstverlening aan de burgers te verbeteren en tegelijk de kooldioxide-emissies terug te dringen; verzoekt de lidstaten alles in het werk te stellen om deze diensten verder te ontwikkelen, omdat ze de burger tijd besparen en het verkeer beperken;

27.

benadrukt het belang van logistiek bij het rationaliseren van vervoer en de vermindering van de CO2-uitstoot; erkent de noodzaak van het verhogen van overheids- en particuliere investeringen in ICT-instrumenten teneinde slimme energie-infrastructuren voor het vervoer te ontwikkelen en met name e-Freight en intelligente vervoerssystemen (Intelligent Transport Systems, ITS) te realiseren;

28.

is van mening dat het gebruik van intelligente vervoerssystemen (IVS) in het wegvervoer, geïnterfaced met de andere vervoersmodi, kan bijdragen aan het verminderen van opstoppingen en de negatieve effecten ervan op het milieu; is van mening dat dankzij de toepassing van informatie- en communicatietechnologie in het passagiersvervoer en dankzij de beschikbaarheid van nieuwe technologieën en ook in de auto zichtbaar gemaakte, minimale informatie over wegdek, wisselwerking tussen wegdek en banden en weersomstandigheden, het mogelijk zal zijn om efficiënter, sneller en veiliger te reizen en goederen te vervoeren;

29.

benadrukt het belang van informatie- en communicatietechnologie bij het plannen van een nieuw Europees vervoersbeleid; verzoekt dat in dergelijke plannen van de Commissie oplossingen op het gebied van informatie- en communicatietechnologie worden opgenomen, onder andere met betrekking tot het reguleren van verkeersstromen en om de intermodaliteit in de vervoerssector te verhogen en het evenwicht tussen verschillende vormen van vervoer te optimaliseren;

30.

vraagt de Commissie en de lidstaten de noodzakelijke applicaties te installeren om de technologische infrastructuur mogelijk te maken waarmee het vervoer over de weg verminderd kan worden en intermodaal vervoer ontwikkeld kan worden;

31.

benadrukt dat energiebesparing in de vervoersector gerealiseerd kan worden door middel van virtuele vergaderingen ritten te vermijden en dat intelligente transportsystemen een zeer efficiënte vervoersysteem mogelijk zullen maken;

32.

dringt erop aan dat de Commissie haar inspanningen opvoert op het gebied van de toepassing van de ICT voor verkeersdoeleinden, met bijzondere aandacht voor de toepassing van observatie- en meetinstrumenten in het verkeer; vindt het essentieel dat de resultaten van de metingen in aanmerking worden genomen bij het regelen van het verkeer in real time, en bij de ontwikkeling en verfijning van het agglomeratie- en regionale verkeersnetwerk;

33.

vraagt de Commissie de verspreiding van intelligente motoren te bevorderen ter ondersteuning van de voornaamste sectoren en gezamenlijke technologische platforms;

34.

benadrukt de noodzaak van een gemeenschappelijke strategie inzake de ontwikkeling en productie van elektrische auto's; dringt er bij de Commissie bovendien op aan voorrang te geven aan projecten voor slimme auto's en slimme wegen, evenals aan O&O-proefprojecten voor V2V- en V2R-apparaten die weer nieuwe zakelijke mogelijkheden bieden aan Europese ICT-bedrijven;

35.

beveelt aan om in het kader van de werkzaamheden van het Europees Instituut voor innovatie en technologie prioriteit te verlenen aan initiatieven met het oog op de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) voor duurzame intelligente steden, aangezien meer dan 80 % van de EU-burgers in steden woont die worden geconfronteerd met de grootste uitdagingen van deze tijd voor de Europese samenlevingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, mobiliteit, communicatie, gezondheid, veiligheid, welzijn, enz.;

36.

benadrukt dat het toekomstige Commissievoorstel voor de vaststelling van een nieuwe digitale agenda voor Europa zich zou moeten richten op het integreren van informatie- en communicatietechnologie voor een koolstofarme economie; roept op tot de gebruikmaking van informatie- en communicatietechnologie om in 2020 in belangrijke sectoren een gerichte vermindering van de CO2-uitstoot mogelijk te maken en vraagt om de bevordering van verantwoordelijk energieverbruik, met name via het installeren van slimme meters; wijst er tevens op dat er specifieke doelstellingen voor 2015 moeten worden vastgesteld voor de vermindering van de voetafdruk van de sector van de informatie- en communicatietechnologie;

37.

wijst erop dat een belangrijke belemmering voor het wijdverbreide gebruik van informatie- en communicatietechnologie in de industrie en in openbare diensten te wijten is aan het feit dat het niveau van de noodzakelijke training op dit gebied onvoldoende is;

38.

beveelt aan dat de evaluatiebepaling van de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen wordt gerespecteerd en dat bij de volgende herziening de werkingssfeer ervan wordt uitgebreid tot de kleinere gebouwen; dringt er bij de lidstaten op aan dat zij deze richtlijn toepassen; dringt er voorts op aan dat de ICT worden opgenomen in de uitvoeringsmaatregelen op het vlak van de energie-efficiëntie; spoort de lidstaten ertoe aan ervoor te zorgen dat de energieprestatiecertificaten voor openbare gebouwen toegankelijk zijn voor het groot publiek en door iedereen gemakkelijk vergeleken kunnen worden;

39.

is van mening dat een snelle verspreiding van intelligente huishoudelijke apparaten („smart appliances”) middels de commerciële exploitatie van het gezamenlijk technologie-initiatief Artemis van vitaal belang is;

40.

is van mening dat een bredere toepassing van de ICT een stimulans zal zijn voor de Europese economische groei, het scheppen van nieuwe banen voor geschoolde arbeidskrachten, de markt van de nieuwe, op energie-efficiëntie toegespitste technologieën en het scheppen van groene banen; is van mening dat er significante investeringen nodig zijn voor zowel O&O als voor het gebruik van bestaande technologieën; verlangt dat de lidstaten zowel de overheids- als particuliere investeringen aanzwengelen en toespitsen op de energie-efficiëntie; herhaalt in dit opzicht de verantwoordelijkheid van de lidstaten en de Commissie als openbare aanbesteders;

41.

benadrukt de belangrijke rol van particuliere investeringen bij het bereiken van de benodigde financieringsniveaus en is derhalve van mening dat de EU moet toezien op een gunstig markt- en regelgevingskader dat bedrijven stimuleert een ambitieuze energie-efficiëntiestrategie na te streven; denkt dat de markten met deze condities zullen voldoen aan de doelen die voor hen gesteld zijn; verzoekt de Commissie daarom om met concrete, ambitieuze doelen te komen in overeenstemming met het potentieel van de verschillende informatie- en communicatietechnologieën zoals is beschreven in de mededeling van de Commissie (COM(2009)0111);

42.

verzoekt de lidstaten te investeren in onderwijs over energie-efficiëntie dat vanaf de scholen zou moeten starten en dat de ontwikkeling stimuleert van innovatieve, door informatie- en communicatietechnologie mogelijk gemaakte scholingsprogramma's op het gebied van energie-efficiëntie in een breed netwerk van scholen in het lager en middelbaar onderwijs;

43.

is van mening dat slimme meters en ICT-projecten in het algemeen brede voorlichtingscampagnes vereisen om de voordelen ervan aan burgers uit te leggen; benadrukt dat het voorlichten van de maatschappij over de noodzaak en voordelen van slimme meters van cruciaal belang is om te vermijden dat dit project door burgers verkeerd wordt geïnterpreteerd en niet wordt gesteund; acht het derhalve belangrijk dat, om de energieproductie en de elektriciteitstransportnetten te optimaliseren, zo spoedig mogelijk werk wordt gemaakt van de inzet van slimme meettechnologie die de consument in staat stelt zijn energieverbruik zo efficiënt mogelijk te beheren; onderstreept in dat verband dat het meten, controleren en automatiseren van het verbruik van wezenlijk belang is in geoptimaliseerde elektrische architecturen die enerzijds energie-efficiëntie moeten waarborgen en anderzijds hernieuwbare energiebronnen moeten inzetten en de energieopslag moeten beheren; onderstreept echter dat slimme meettechnologieën slechts een eerste stap vormen op weg naar intelligente netwerken;

44.

benadrukt dat het met het oog op de belangrijke invloed van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) op de economische ontwikkeling van steden en regio's in de Europese Unie onontbeerlijk is om overleg te voeren met de gemachtigde vertegenwoordigers van lokale en regionale gemeenschappen wanneer in het kader van EU-programma's steun wordt verleend aan het definiëren van prioritaire toepassingsgebieden die voor hen belangrijk zijn;

45.

benadrukt dat slimme energienetten op lidstaat- en Europees niveau noodzakelijk zijn om de voordelen van slimme meters volledig te kunnen benutten; verzoekt de Commissie daarom investeringsprogramma's op Europese schaal te overwegen; verzoekt de lidstaten het gebruik van slimme meters door de gebruikers van commerciële en residentiële gebouwen te bevorderen; benadrukt dat de introductie van slimme meters slechts één noodzakelijk element is in het opbouwen van een Europees, geïntegreerd slim elektriciteitsnetwerk; moedigt de lidstaten en de Commissie aan om vaart te zetten achter de toepassing van ICT-oplossingen voor dit doel;

46.

onderstreept de noodzaak om te onderzoeken wat de invloed van de ontwikkeling van de ICT is op aspecten van een evenwichtige ontwikkeling, in het bijzonder ten aanzien van ecologische en sociale kwesties, zoals de bedreigingen voor het milieu en de gezondheid die uitgaan van het gebruik van deze technologie en de sociale ongelijkheid die het gevolg is van digitale uitsluiting;

47.

feliciteert de lidstaten die het gebruik van slimme meters al hebben geïntroduceerd, met hun initiatief en spoort de overige lidstaten aan om zo spoedig mogelijk acties in die zin te ontwikkelen; verzoekt de Commissie een zo groot mogelijk aantal proefprojecten op een zo groot mogelijke schaal te cofinancieren door middel van de beschikbare financierings- en onderzoeksinstrumenten;

48.

verzoekt de Commissie en de lidstaten via openbare aanbestedingscontracten efficiënte, upgradebare en uitbreidbare oplossingen op het gebied van informatie- en communicatietechnologie te promoten;

49.

verzoekt de Commissie een Europees webportaal op te zetten met beste praktijken op het gebied van het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën voor het verbeteren van energie-efficiëntie, die als nuttige informatie kunnen dienen voor consumenten en overheidsinstanties;

50.

verzoekt de Commissie bij de ICT-planning rekening te houden met de minder ontwikkelde regio's van de Unie en activa zeker te stellen voor het cofinancieren van de implementatie van slimme meters en andere ICT-projecten in deze regio's om hun deelname te garanderen en te voorkomen dat ze worden uitgesloten van gemeenschappelijke Europese initiatieven;

51.

verwelkomt de oprichting van een „task force” voor slimme netten in de schoot van de Commissie en beveelt deze laatste aan bij haar werkzaamheden de adviezen van alle belanghebbenden in overweging te nemen; verzoekt de Commissie regelmatig aan het Parlement verslag uit te brengen over de voortgang van de werkzaamheden;

52.

verlangt dat de Commissie op basis van de werkzaamheden van de „task force” een mededeling opstelt over de slimme meettechnologieën, waarin zij

a)

een overzicht geeft van alle factoren die de toepassing op grote schaal van slimme meetmethodes belemmeren,

b)

zich verheugd toont over de samen met het Comité van de Regio's voorgestelde praktische richtlijn over hoe lokale en regionale autoriteiten gebruik kunnen maken van informatie- en communicatietechnologieën bij hun energie-efficiëntie- en milieuplannen en van mening is dat deze toepassing de zakelijke kansen op lokaal en regionaal niveau zal verhogen,

c)

een procedure voorstelt om zo snel mogelijk gemeenschappelijke minimale functionele specificaties voor de slimme meetmethodes vast te stellen,

d)

een „road map” uitwerkt voor het opstellen van specificaties en normen voor de ontwikkeling van slimme elektronische apparaten voor consumenten, die compatibel zijn met slimme meters,

e)

een „road map” uitwerkt met daarin intelligente (specifieke, meetbare, aanwijsbare, realistische en tijdsgebonden) doelstellingen en targets voor het bevorderen van de toepassing van slimme meters in de lidstaten, en

f)

een stelsel van uitwisseling van goede praktijken op dat gebied in het leven roept;

53.

acht het onontbeerlijk dat de lidstaten voor eind 2010 gemeenschappelijke minimale functionele specificaties voo