ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2011.054.dut

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 54

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

54e jaargang
19 februari 2011


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

467e plenaire zitting op 8 en 9 december 2010

2011/C 054/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Energiestrategie voor de periode 2011-2020

1

2011/C 054/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Ijsland als kandidaat-lidstaat (verkennend advies)

8

2011/C 054/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen (initiatiefadvies)

15

2011/C 054/04

Advies van het Euopees Economisch en Sociaal Comité over Veiligstelling van de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector in de EU (initiatiefadvies)

20

2011/C 054/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Betrekkingen EU-Rusland (initiatiefadvies)

24

 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

467e plenaire zitting op 8 en 9 december 2010

2011/C 054/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten op het gebied van de meeteenheden(COM(2010) 507 definitief — 2010/0260 (COD))

31

2011/C 054/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen(COM(2010) 508 definitief — 2010/0261 (COD))

32

2011/C 054/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(COM(2010) 510 definitief — 2010/0264 (COD))

33

2011/C 054/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermeldingen of merktekens die het mogelijk maken de partij waartoe een levensmiddel behoort te identificeren(COM(2010) 506 definitief — 2010/0259 (COD))

34

2011/C 054/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 460/2004 tot oprichting van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging, ten aanzien van de looptijd van het Agentschap(COM(2010) 520 definitief — 2010/0274 COD))

35

2011/C 054/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang tot de overheidsdienst (publiek gereguleerde dienst) die wordt aangeboden door het mondiale systeem voor navigatie per satelliet dat is ingevoerd door het Galileo-programma(COM(2010) 550 definitief — 2010/0282 (COD))

36

2011/C 054/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus(COM(2010) 289 definitief — 2010/0160 (COD))

37

2011/C 054/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (COM(2010) 395 definitief — 2010/0212 (COD))

42

2011/C 054/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(COM(2010) 484 definitief — 2010/0250 (COD))

44

2011/C 054/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures(COM(2010) 392 definitief — 2010/0215 (COD))

48

2011/C 054/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten om de teelt van ggo's op hun grondgebied te beperken of te verbieden(COM(2010) 375 definitief — 2010/0208 (COD))

51

2011/C 054/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een digitale agenda voor Europa(COM(2010) 245 definitief)

58

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

467e plenaire zitting op 8 en 9 december 2010

19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/1


467e PLENAIRE ZITTING OP 8 EN 9 DECEMBER 2010

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Energiestrategie voor de periode 2011-2020”

(verkennend advies)

(2011/C 54/01)

Rapporteur: HERNANDEZ BATALLER

De Europese Commissie heeft op 12 mei 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Energiestrategie voor de periode 2011-2020

(verkennend advies).

De afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 november 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 9 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 138 stemmen vóór en 40 stemmen tegen, bij 21 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Inleiding en samenvatting

1.1   Met het oog op de goedkeuring van een Energiestrategie voor 2011-2020 en een Stappenplan voor koolstofarme energie in 2050 heeft de Commissie het Comité verzocht over elk van deze thema's een verkennend advies uit te brengen.

1.2   Het is volgens het Comité een goede zaak dat deze onderwerpen samen worden behandeld. Aangezien investeringen in de energiesector lang doorwerken is het van groot belang dat de strategie voor de volgende tien jaar ook al gericht is op de langetermijndoelstellingen voor 2050.

1.3   Als uitgangspunt voor de raadpleging heeft de Commissie een stand van zaken gepubliceerd: „Naar een nieuwe energiestrategie voor Europa 2011-2020”. In hoofdstuk 1 van dit advies wordt een samenvatting gepresenteerd van de standpunten en aanbevelingen van het Comité. In hoofdstuk 2 wordt een aantal algemene thema's uiteengezet die in de strategie aan bod moeten komen. In hoofdstuk 3 worden dan de specifieke discussiethema's uit het Commissiedocument aangekaart.

1.4   De afgelopen 200 jaar werd voor energie- en transportdoeleinden overal ter wereld voornamelijk gebruik gemaakt van fossiele brandstoffen. In die tijd waren er talloze bronnen van fossiele brandstoffen beschikbaar waaruit kon worden geput tegen relatief lage prijzen. Een en ander heeft een enorme stijging van de productiviteit en de levensstandaard in de industrielanden mogelijk gemaakt.

1.5   De meeste deskundigen zijn het er evenwel over eens dat de olie- en gasvoorraden de komende 40 jaar zullen slinken en dat er een hevige concurrentiestrijd zal ontstaan en hogere prijzen zullen gelden ten aanzien van de middelen die nog overblijven. Steenkool zal waarschijnlijk nog relatief ruim beschikbaar blijven en het risico op bevoorradingsproblemen op dit gebied zal de komende eeuw waarschijnlijk minder groot zijn. Het niveau van de CO2-emissies ten gevolge van de verbranding van fossiele brandstoffen, en dus zowel van steenkool als van olie of gas, moet evenwel ook dringend worden gedrukt om een catastrofale klimaatverandering te voorkomen.

1.6   Tegen 2050 is daarom een aanpassing van de energievoorziening en het energieverbruik in de wereld geboden. Alle mogelijkheden inzake alternatieve energiebronnen moeten dan ook zo snel mogelijk worden aangegrepen. Als toch nog fossiele brandstoffen worden gebruikt moet erover worden gewaakt dat de koolstofuitstoot grotendeels bij de bron wordt opgevangen met het oog op opslag of hergebruik, zodat het CO2 niet in de atmosfeer terechtkomt. Voorts moet energie in iedere sector veel efficiënter worden gebruikt dan thans het geval is.

1.7   Het efficiënt beheren van deze verandering is een van de grootste uitdagingen waarmee de samenleving en de regeringen in de 21e eeuw geconfronteerd worden. Om er met name voor te zorgen dat de gebruikers van fossiele brandstoffen volledig opdraaien voor de CO2-vervuiling waarmee de wereld wordt belast, is een nieuwe benadering van de tarieven van energie en energiediensten nodig, evenals massale investeringen in nieuwe technologieën, sterke nieuwe partnerschappen tussen industrie en regeringen om de nodige infrastructuur in het leven te roepen, alsook een verandering van houding bij het grote publiek wat energieverbruik en –kosten betreft.

1.8   Landen zullen nauw moeten samenwerken om de nodige veranderingen te kunnen realiseren. Tegelijkertijd zal het hervormingsproces zelf met intense mededinging gepaard gaan. Er zal een hevige concurrentiestrijd woeden met het oog op de toegang tot de resterende olie- en gasbronnen, terwijl er ook op nieuwe gebieden zoals bij de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen en energie-efficiënte producten en diensten concurrentie zal ontstaan. Landen en regio's die zich in een vroeg stadium inzetten voor een grotere energie-efficiëntie en een doeltreffende inschakeling van alternatieve energiebronnen zullen hun concurrentiepositie verstevigen. Degenen die blijven aanmodderen en de omschakeling uitstellen zullen aan concurrentievermogen inboeten.

1.9   Europa en de Europese Unie bevinden zich thans op een kritiek punt in deze ontwikkeling. Zij hebben goede redenen om de verandering aan te zwengelen omdat zij in hoge mate afhankelijk zijn van invoer van olie en gas uit derde landen en kwetsbaar zijn gezien de risico's die deze voorzieningen kunnen lopen. Voorts staan zij mee aan de wieg van het groeiende bewustzijn bij publiek en politici van de dreiging die de klimaatverandering kan vormen, en hebben zij het voortouw genomen bij de ontwikkeling van de alternatieve energiebronnen die nodig zullen zijn, alsook van maatregelen om de energie-efficiëntie in sommige sleutelsectoren te verhogen.

1.10   Europa kan zich geen zelfgenoegzaamheid veroorloven. Het veranderingsproces beschikt tot dusver nog over onvoldoende eigen slagkracht en kan gemakkelijk worden afgeremd door de huidige economische moeilijkheden en het denken op korte termijn dat daarmee gepaard gaat. Ondertussen schakelen andere landen en regio's als China en Rusland een versnelling hoger om snel op de ontwikkelingen te kunnen inspelen. Vooral China lijkt een zeer sterke concurrent te zullen worden bij de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen.

1.11   Het is voor Europa van cruciaal belang om een nieuwe dynamiek met het oog op de hervorming van de energiesector tot stand te brengen. De nieuwe EU-energiestrategie kan en moet hiervoor het kader scheppen. Er moeten doelstellingen worden vastgesteld en maatregelen en structuren worden uitgestippeld om deze te verwezenlijken. De goedkeuring van de strategie door de Raad en de andere instellingen moet ervoor zorgen dat politici, bedrijfsleven en de samenleving samen de nodige wil aan de dag leggen om de noodzakelijke hervormingen tot stand te brengen. Deze kans mag men niet laten voorbijgaan.

2.   Sleutelelementen van de strategie

2.1   De nieuwe Energiestrategie voor Europa 2011-2020 moet ten minste op drie pijlers rusten: continuïteit van voorziening, koolstofarme economie en concurrentievermogen op energiegebied. Het Comité steunt de inspanningen om de omschakeling op een koolstofarme economie op gang te brengen en de bevoorradingszekerheid te verbeteren, maar betreurt dat in het document van mei 2010 „Naar een nieuwe energiestrategie voor Europa 2011-2020” waarin de Commissie een stand van zaken opmaakt, veel te weinig aandacht is besteed aan het concurrentievermogen in de energiesector. De overstap op een koolstofarme economie zal het internationale concurrentievermogen van Europa op de middellange termijn ongetwijfeld aanzwengelen. Op de korte termijn echter is het gevaar op een koolstof- en banenlek ten gevolge van de cumulatieve kosten van alle energiemaatregelen reëel, tenzij zonder uitstel passende maatregelen worden genomen.

2.2   Volgens het EESC kunnen de sleutelelementen van de strategie als volgt worden samengevat:

streven naar de juiste economische signalen

zorgen voor de juiste technologieën

verzekeren van financiering

zorgen voor de juiste (publieke en particuliere) instellingen en structuren

zorgen voor de nodige steun bij consumenten en publiek

zorgen voor een Europees bondgenootschap en partnerschappen voor de omschakeling, en vaststelling van een algemeen akkoord over de doelstellingen, het tempo van vooruitgang en de specifieke streefdoelen die binnen vastgestelde termijnen moeten worden gehaald.

2.3   Economische signalen. Vanuit economisch oogpunt kan de nodige hervorming van de energiesector het best worden verwezenlijkt via een juiste prijsstelling van energie, waarbij rekening wordt gehouden met alle externe kosten van productie en verbruik. Zo zouden bij de productie en het verbruik van energie met name alle kosten van de wereldwijde schade die hun CO2 -uitstoot veroorzaakt, aangerekend moeten worden.

2.4   Op dit ogenblik is dit nog zeker niet het geval. Energieproductie en –verbruik nemen geenszins alle kosten van de koolstofuitstoot voor hun rekening en in tal van landen worden er in dit verband zelfs nog dubieuze subsidies verstrekt om de kosten te drukken en de vraag, en aldus ook de daarmee verbonden koolstofuitstoot, aan te wakkeren. In het toekomstige beleid moet worden verzekerd dat aan de CO2-uitstoot ten gevolge van de verbranding van fossiele brandstoffen ook een overeenkomstige koolstofprijs gekoppeld is. Resterende subsidies moeten in dit verband nauwlettender worden gericht op:

bevordering van O&O in nieuwe technologieën;

ondersteuning voor een beperkte periode van de toepassing van opkomende koolstofarme technologieën totdat deze in staat zijn om zelf hun positie op de energiemarkt te verdedigen;

aanmoediging van de invoering van energie-efficiënte maatregelen en technieken;

ondersteuning van armere of kwetsbare gezinnen om aan hun behoeften aan energiediensten te voldoen.

2.5   Europa heeft op het gebied van tariefstructuren wat vooruitgang geboekt. Thans zorgen o.m. de uiteenlopende belastingen op brandstoffen in de verschillende landen, de resterende productiesteun en het gebrekkig functionerende en onstabiele emissiehandelssysteem evenwel allesbehalve voor de solide en samenhangende prijssignalen die nodig zijn om bij energieleveranciers en consumenten vertrouwen te wekken en hen in staat te stellen vooruit te plannen en de nodige klein- en grootschalige investeringen te verrichten. In de nieuwe energiestrategie moeten duidelijke doelstellingen worden vastgesteld voor:

het afschaffen van dubieuze subsidies voor energieproductie en -verbruik in de energiesector en aanverwante sectoren;

verdere harmonisatie van de belastingen op brandstoffen, processen en producten die broeikasgassen produceren;

de vaststelling van een passende koolstofprijs voor alle sectoren, via uitbreiding van het emissiehandelssysteem en het sluiten van de betreffende achterpoortjes, of via andere fiscale maatregelen;

de aanwending van de resterende subsidies voor de bovenvermelde specifieke doeleinden.

2.6   De energieprijzen zullen waarschijnlijk hoger blijven dan in het verleden (voorts valt te verwachten dat de energietoevoer uit bepaalde bronnen af en toe wordt onderbroken). We moeten zo efficiënt mogelijk omspringen met energie, zodat het totale energieverbruik en de vereiste investeringen binnen de perken blijven. Ook moet al het mogelijke worden gedaan om energie-efficiëntie in alle sectoren te promoten.

2.7   Een correcte prijsstelling is weliswaar belangrijk maar volgens het Comité allesbehalve voldoende om ervoor te zorgen dat de tendens onherroepelijk in de richting van een koolstofarme economie gaat. Tal van andere maatregelen en initiatieven zullen nodig zijn, met name in de beginfases, vooraleer de markt zelf voor de nodige drijfveren zal zorgen.

2.8   De juiste technologieën. Er moeten nog aanzienlijke inspanningen worden geleverd om de ontwikkeling en invoering van alternatieve energiebronnen, met inbegrip van het hele gamma aan hernieuwbare bronnen, te bevorderen. Als deze alternatieven volledig ontwikkeld zullen zijn, zullen zij op de markt ook volledig kunnen meeconcurreren en zullen zij geen andere ondersteuning meer behoeven dan het prijsvoordeel dat zij dankzij een goed toegepaste koolstofprijs zullen genieten. Tal van deze technologieën zullen evenwel tot 2020 nog in ontwikkelingsfase verkeren en wellicht financieel moeten worden ondersteund via O&O-programma's, feed-in tariffs of andere investeringsstimuli; ook de ontwikkeling van de passende infrastructuur zal steun behoeven.

2.9   Vele alternatieve energiebronnen zullen wellicht het efficiëntst voor elektriciteitsopwekking worden ingezet. Om een optimaal gebruik van deze bronnen en van de bestaande elektriciteitsproductiecapaciteit te verzekeren moet het elektriciteitsnetwerk op grote schaal worden versterkt en op lokaal, nationaal en Europees niveau worden uitgebreid. Ook moet het elektriciteitsnetwerk „slimmer” worden, zodat het een gedifferentieerde aanvoer uit vele verschillende bronnen van diverse omvang aankan en kan beantwoorden aan de wisselende vraag.

2.10   Reservecapaciteit en opslag (samen met een geïntegreerd netwerk) zullen in de toekomst nog aan belang winnen; er moet immers rekening worden gehouden met het feit dat de bevoorrading via hernieuwbare bronnen als wind en krachtcentrales onvoorspelbaar is en dat ook de vraagpatronen schommelen. Het is niet ondenkbaar dat waterkrachtcentrales, biomassacentrales, gasopslaginstallaties en mogelijk ook grootschalige energieopslag via batterijen in dit verband een steeds belangrijker plaats gaan innemen naast de overblijvende centrales op fossiele brandstoffen (m.n. gas) die zijn uitgerust met systemen voor de opvang van koolstof.

2.11   Volgens sommigen zal een nieuwe generatie kerncentrales een cruciale rol toebedeeld krijgen in de nieuwe koolstofarme economie. Verschillende landen binnen en buiten Europa nemen dan ook maatregelen om de bestaande centrales langer te laten werken en om in nieuwe centrales te voorzien. Ook het Comité is grotendeels van mening dat kernenergie een rol zal moeten spelen in de omschakeling van Europa op een koolstofarme economie. De technologie voor conventionele opwekking van kernenergie is thans goed ontwikkeld en het Comité is dan ook van mening dat als er nog nieuwe kerncentrales worden gebouwd, zij zelf moeten opdraaien voor de kosten van hun werking, hun verzekering, hun eventuele ontmanteling en het opslaan en verwijderen van afval, zonder dat daarvoor op openlijke of verhulde wijze subsidies worden verleend.

2.12   Steenkool zal de komende decennia ongetwijfeld een belangrijke energiebron blijven, met name voor de elektriciteitsproductie. Om de CO2-impact te minimaliseren moeten de inspanningen voor de ontwikkeling en introductie van koolstofopvang en –opslag resoluut worden aangezwengeld en moeten er termijnen worden vastgesteld die op alle kolengestookte centrales van toepassing moeten zijn.

2.13   Er moet meer werk worden gemaakt van energie-efficiëntie en decarbonisatie in alle sectoren, met name in de vervoers-, huisvestings- en bouwsector, in de energie en in energie-intensieve bedrijfstakken.

2.14   Verzekeren van financiering. Voor een dergelijke hervorming van de energiesector zullen de komende 20 jaar aanzienlijke investeringen vereist zijn (naar verwachting drie à vier keer meer dan op dit moment). Er is dus een ambitieuze Europese strategie nodig waarbij duidelijke doelstellingen worden vastgesteld en passende, betrouwbare en samenhangende regelgeving en stimulerings- en andere steunmaatregelen voor de sector worden uitgestippeld zodat gestaag naar de verwezenlijking van deze doelstellingen kan worden toegewerkt.

2.15   De juiste structuren en instellingen. Voorts impliceert de hervorming dat de institutionele regelingen om de ontwikkelingen in goede banen te leiden aanzienlijk worden versterkt, en dat verder wordt gewerkt aan een dynamische en concurrerende markt die de nodige investeringen mogelijk maakt. De planning van de energietoevoer, het beheer van het netwerk en de regels voor de energiemarkt en de tariefstructuren zijn stuk voor stuk punten die moeten worden herzien en op Europees niveau op elkaar moeten worden afgestemd om te verzekeren dat zij stroken met de doelstellingen van de Energiestrategie voor 2011-2020.

2.16   Om de noodzakelijke hervormingen in praktijk te brengen moeten de productie- en consumptiepatronen van de Europese economie snel en ingrijpend worden gewijzigd. Wat de productie aangaat zullen met de ontwikkeling van hernieuwbare energie en energie-efficiënte producten en diensten naar verwachting heel wat nieuwe bedrijven en banen het licht zien in de energiesector; in de energiesector oude stijl zullen echter bedrijven en banen verdwijnen. Om de overgang naadloos te doen verlopen is een grootschalig programma voor bewustmaking, opleiding en omscholing noodzakelijk.

2.17   De nieuwe technologieën en oplossingen om de energiesector te hervormen maken deel uit van een snel groeiende internationale markt. Europa moet zelf meer inzetten op onderzoek en ontwikkeling en zijn eigen industrie en ondernemingen in de sector stimulansen bieden, zodat het zijn leidersplaats kan verzekeren op deze dynamische en concurrerende markt.

2.18   Zorgen voor steun bij consumenten, MKB en het grote publiek. Wat de vraagzijde aangaat zijn meer inspanningen nodig om particuliere consumenten en bedrijven voor te lichten en warm te maken voor slimme consumptie, zodat ook zij hun steentje kunnen bijdragen aan deze onvermijdelijke ontwikkeling. Alle consumenten (burgers en bedrijfsleven) moeten goed op de hoogte zijn van de mogelijkheden waarover zij beschikken om hun energiegebruik efficiënter te maken en mee te werken aan de overschakeling op hernieuwbare bevoorradingsbronnen. In veel gevallen zal het nodig blijken de consument te stimuleren om zelf maatregelen te nemen op het vlak van energie-efficiëntie of gebruik te gaan maken van hernieuwbare energiebronnen.

2.19   De energieprijzen zullen waarschijnlijk hoger blijven dan in het verleden en de gevolgen daarvan voor armere gezinnen en kwetsbare personen moeten zorgvuldig worden geëvalueerd. De maatregelen moeten dan ook daarop worden afgestemd. De betreffende gezinnen moeten prioritair in aanmerking komen voor ondersteuning bij de invoering van energie-efficiënte maatregelen, omdat zij wellicht zelf niet over de middelen zullen beschikken om dergelijke maatregelen te nemen maar ook omdat zij meer dan anderen gebukt zullen gaan onder de hogere energieprijzen.

2.20   Een Europees bondgenootschap voor verandering. Er is op korte termijn een grootschalige hervorming noodzakelijk; de EU en de lidstaten moeten daarom hun deskundigheid uitwisselen en de handen in elkaar slaan om de noodzakelijk technische en economische integratie van de interne energiemarkt te bewerkstelligen en de relevante industriële sectoren ertoe aan te zetten naar de omschakeling toe te werken. De EU-strategie is een zaak van alle lidstaten; zij moeten dus hun krachten bundelen om deze ook ten uitvoer te leggen.

2.21   Doelstellingen. Om het tempo van de veranderingen te kunnen bijbenen zou het nuttig zijn in het kader van de EU-strategie een reeks onderling verbonden en coherente termijnen voor de voltooiing van bepaalde onderdelen van de omschakeling vast te leggen. Voor elke streefdatum zou dan ook een reeks afzonderlijke tenuitvoerleggingsmaatregelen en investeringsplannen worden uitgewerkt, in overleg met het bedrijfsleven en andere betrokkenen. We denken bv. aan:

de reeds vastgelegde doelstellingen inzake hernieuwbare energiebronnen die tegen 2020 moeten worden bereikt; andere doelstellingen die tegen 2030, 2040 of 2050 moeten worden bereikt;

zodra de technieken of technologieën voor het opslaan of afvangen van kooldioxide uit krachtcentrales op fossiele brandstoffen hun deugdelijkheid hebben bewezen, moet de verplichting worden ingevoerd dat alle nieuwe krachtcentrales op fossiele brandstoffen van bij de start met dergelijke systemen zijn uitgerust, en moet ook een tijdschema worden vastgesteld voor de uitrusting daarmee van alle bestaande centrales;

streefdata voor de invoering van de vereiste dat nieuwe woningen en andere gebouwen enkel nog zonder koolstofuitstoot mogen worden gebouwd, en dat bestaande gebouwen geleidelijk worden gemoderniseerd;

streefdata voor de geleidelijke overschakeling op elektrische voertuigen;

voorlopige doelstellingen inzake de invoering van een verbod voor particulieren om gebruik te maken van fossiele brandstoffen om hun huis te verwarmen of te koken.

2.22   Al deze afzonderlijke doelstellingen en maatregelen moeten worden geïntegreerd in de overkoepelende strategie voor het terugdringen van de broeikasgassen en worden afgestemd op de algemene doelstelling om deze gasemissies tegen 2020 met 20 à 30 % te verminderen.

3.   Prioritaire actiegebieden van de nieuwe energiestrategie, zoals aangemerkt in het raadplegingsdocument van de Commissie

3.1   Moderne geïntegreerde netwerken. Het Comité is het met de Commissie eens dat de ontwikkeling van een sterker, veerkrachtig, slimmer en geïntegreerd infrastructuurnetwerk voor Europa van kapitaal belang is. Om zo veel mogelijk voordeel te halen uit de hernieuwbare energiebronnen moet worden bekeken welke soort het meest oplevert op een bepaalde plek (windenergie in winderige gebieden, zonne-energie in zonnige streken, enz.). Via een doeltreffend netwerk kan de energie dan worden overgebracht naar waar zij nodig is. Om de hernieuwbare energie op Europese schaal optimaal te kunnen benutten moet de hele Europese elektriciteitsproductie worden beschouwd als één geïntegreerd systeem. Er moet een „gemeenschappelijk Europees netwerk” worden opgericht, samen met gemeenschappelijke projecten en structuren voor de planning en het beheer daarvan. Het moet gaan om een slim netwerk, en wel op alle beheers- en functioneringsniveaus, zodat vraag en aanbod optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het geïntegreerd netwerk moet o.m. de energieaanvoer uit afgelegen bronnen in goede banen leiden (bv. buitengaatse windenergie of zonnepanelen in de woestijn) en het gebruik van wisselstroom en gelijkstroom in verschillende delen van het netwerk moet worden verbeterd, zodat het energieverlies op het hele netwerk tot een minimum wordt herleid.

3.2   De Commissie en de lidstaten moeten nauwer samenwerken, zowel onderling als met de Europese netwerken van transmissiesysteembeheerders, om zo een gecoördineerde structuur op te zetten voor de planning van de ontwikkeling en het beheer van het geïntegreerde netwerk; daarbij moeten de technische én de financiële parameters voor de constructie en het functioneren van het netwerk worden vastgelegd.

3.3   Het Comité sluit zich aan bij het standpunt van de Commissie dat op alle consumptieniveaus gebruik moet worden gemaakt van slimme meters, dus ook in particuliere woningen. Brandstofleveranciers en overheid moeten de consumenten alle nodige informatie verschaffen, zodat zij de slimme meters correct kunnen aflezen en aan de hand van die informatie bewust keuzes kunnen maken om hun energieverbruikspatronen te optimaliseren.

Een stap in de richting van koolstofarme energie. De EU heeft zich er al toe verbonden haar koolstofuitstoot tegen 2020 met 20 % terug te dringen, of zelfs met 30 %, op voorwaarde dat andere landen haar voorbeeld volgen. Deze doelstellingen zetten de toon voor tal van andere beleidsgebieden en de investeringen in nieuwe energiesystemen die daaruit zullen voortvloeien. Volgens het Comité zou het een goede zaak zijn als de EU, overeenkomstig het voorstel van de milieuministers van Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, al vanaf een vroeg stadium zou streven naar een vermindering van de CO2-uitstoot van 30 % in 2020 in plaats van de op dit moment afgesproken 20 %, mits dit economisch en sociaal haalbaar is zonder verlies van concurrentievermogen en mits hieraan de nodige maatregelen en investeringen worden gekoppeld om dit doel ook daadwerkelijk te bereiken.

3.4.1   De EU is al goed op weg om tegen 2020 de uitstoot effectief met 20 % te verminderen (in 2009 had ze al een vermindering van 17 % bereikt) en zou baat hebben bij strengere reductiedoelstellingen, die een extra stimulans zouden vormen om de hervorming van de energiesector te bespoedigen, de handel in emissierechten efficiënter te maken en Europa's concurrentiepositie op langere termijn te verbeteren. Vanuit politiek oogpunt echter, en om op korte termijn het concurrentievermogen van de Europese industrie (vooral van de energie-intensieve bedrijfstakken) veilig te stellen, zou het ongetwijfeld veel eenvoudiger zijn om spoedig tot een vermindering van 30 % te komen als andere geïndustrialiseerde landen zich tot vergelijkbare emissiereducties verbinden en als de meest gevorderde ontwikkelingslanden bereid zijn een gepaste bijdrage te leveren aan de inspanningen van de rest van de wereld. In dat geval zouden de met de hervorming van de energiesector verbonden investeringskosten en stijgingen van de energieprijs gelijkmatiger over alle grote landen verdeeld worden, en zou „koolstoflekkage” tot een minimum worden beperkt.

3.4.2   Tot nog toe heeft de EU getracht om een eventuele verhoging tot 30 % van de reductiedoelstelling voor 2020 uit te spelen als een kaart op de onderhandelingstafel, teneinde andere landen ertoe te bewegen gelijkaardige verbintenissen aan te gaan. Dit is echter geen doeltreffende tactiek gebleken, noch in Kopenhagen, noch nadien. Ondertussen is de kans om via een ambitieuzere doelstelling voor 2020 de energiesector in Europa zelf sneller te hervormen, bijna verstreken.

3.4.3   Als een alomvattend wereldwijd akkoord over klimaatverandering uitblijft, dient de EU te overwegen om zich in de nabije toekomst te richten op een reductie met 25 % tegen 2020. Daarmee zou ze zich aansluiten bij de minimumdoelstellingen die de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering de ontwikkelde landen voor dat jaar aanbeveelt. Door zo snel mogelijk een ambitieuzere doelstelling na te streven zou ook kunnen worden gegarandeerd dat de energiehervorming daadwerkelijk voordelen oplevert, terwijl de troefkaart van een bijkomende reductie met 5 % nog uitgespeeld kan worden om andere landen aan te moedigen in de komende twee jaar meer inspanningen te leveren.

3.5   Door snel werk te maken van deze doelstellingen kunnen strengere begrenzingen worden opgelegd in het kader van de regeling voor de emissiehandel, zodat een hogere en dus doeltreffender prijs voor koolstofemissies kan worden gevraagd. Om tot een emissiehandel te komen die concreet resultaat oplevert moet een minimumprijs van 30 euro worden ingesteld. Daarnaast moeten binnen de EU de nodige investeringen worden uitgevoerd om haar eigen aandeel in de koolstofreductie te verhogen. Dat is beter dan emissierechten via het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) uit te voeren naar andere delen van de wereld. Los van deze verbeteringen blijft het volgens het Comité van belang niet al te hoge verwachtingen te stellen aan de resultaten die via het systeem voor de emissiehandel kunnen worden bereikt. Bovendien zou het vanuit politiek oogpunt en wat de concurrentie betreft niet aanvaardbaar zijn om het systeem in de EU aanzienlijk kracht bij te zetten als andere gebieden in de wereld nalaten overeenkomstige reductiemaatregelen te nemen. Om de energiesector te hervormen in het tempo dat noodzakelijk is, zullen in het kader van een alomvattende strategie tal van andere maatregelen moeten worden genomen die aansluiten bij hetgeen in dit advies wordt bepleit. Misschien zullen deze maatregelen in de toekomstige strategie zelfs meer gewicht moeten krijgen als het systeem voor emissiehandel in de praktijk blijft te wensen overlaten.

3.6   De EU heeft al een grote stap in de goede richting gezet met de invoering van minimumnormen voor energie-efficiëntie voor gebouwen, voertuigen en een reeks andere goederen en diensten. Er is echter nog een lange weg af te leggen: de desbetreffende beperkingen kunnen nog veel strikter. Ook op het vlak van de controle op de tenuitvoerlegging en naleving valt nog heel wat werk te verzetten. De Commissie moet er sterker bij de lidstaten op aandringen dat zij degelijke actieplannen en beleidsmaatregelen op het vlak van energie-efficiëntie ontwikkelen.

3.7   Een voortrekkersrol op het vlak van technologische innovatie. Technologische innovatie is van cruciaal belang voor het ontwikkelen van nieuwe energieproducten en -diensten en om de prijzen terug te brengen tot een beheersbaar niveau. Europa dreigt achterop te raken bij zijn sterkste internationale concurrenten op de energiemarkt. Het moet dan ook veel meer aandacht besteden aan (publiek en particulier) O&O op het gebied van de cruciale nieuwe technologieën. Ook moet op Europees niveau zo snel mogelijk werk worden gemaakt van het Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan).

3.8   Energie moet in alle relevante EU-programma's een hogere prioriteit krijgen; m.n. in het kader van de structuurfondsen moet hieraan veel meer aandacht worden besteed. Ook de lidstaten moeten in hun investeringsplannen meer de klemtoon leggen op energie, en dan m.n. op energie-efficiëntie en de ontwikkeling van hernieuwbare energie. Ook moeten de EU en de lidstaten zorgen voor een aangepast en stabiel regelgevend kader en stimulansen voor de privébedrijven die zich bezig houden met energielevering en –distributie en energie-efficiënte producten en diensten, zodat ook zij hun inspanningen kunnen opvoeren.

3.9   De lokale en regionale overheden hebben een bijzonder belangrijke rol te vervullen bij het promoten van energie-efficiëntie in hun regio en de coördinatie van de plannen voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie. Het Comité pleit dan ook voor Europese steun voor de uitstekende initiatieven die in het kader van het Convenant van burgemeesters zijn ontplooid op energiegebied; daarnaast moeten de nodige middelen worden vrijgemaakt om dit initiatief te versterken en uit te breiden.

3.10   Een sterk, gecoördineerd extern energiebeleid. Het Comité is het ermee eens dat de EU baat zou hebben bij een betere coördinatie van het energiebeleid ten overstaan van derde landen. Maar met of zonder coördinatie van het beleid, Europa zal internationaal een kwetsbare positie blijven innemen als het niets doet aan zijn enorme afhankelijkheid van de invoer van fossiele brandstoffen uit andere delen van de wereld, vooral als het maar om een handvol landen gaat. Hoe sneller de EU overgaat tot meer efficiëntie, haar algemene consumptieniveau omlaag brengt en minder afhankelijk wordt van de invoer van fossiele brandstoffen, des te beter zal zij haar positie veilig kunnen stellen.

3.11   Bescherming van de EU-burgers. Het Comité is het met de Commissie eens dat maatregelen om gelijke concurrentievoorwaarden te creëren voor alle Europese energiebedrijven bovenaan de agenda moeten staan, net als de verbetering van de transparantie, zodat de klant inzicht krijgt in alle aspecten van de hem geleverde energiediensten. Alle verbruikers (zowel het bedrijfsleven als particulieren) moeten leren veel meer aandacht te besteden aan hun energieconsumptiepatronen en elke kans te grijpen om hun energieverbruik te temperen én efficiënter te maken.

3.12   Het ligt in de lijn der verwachtingen dat energieproducten en –diensten relatief duurder zullen worden; dat is alvast een economische prikkel om te gaan besparen. Toch zullen alle consumenten – terecht – méér verwachten dan prijsstijgingen om hen te helpen de juiste keuzes te maken. Er moet veel meer aandacht komen voor informatie over energiekenmerken van goederen en diensten; ook moet gedetailleerde informatie worden verstrekt over de mogelijke alternatieven en moeten mensen hulp krijgen bij het kiezen voor verandering (bv. de keuze om de energieprestaties van huizen of andere gebouwen te verbeteren, de keuze voor groen vervoer, groen winkelen en groene vakanties, enz.).

Brussel, 9 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


BIJLAGE

In par. 3.4 is de onderstaande passage geschrapt naar aanleiding van een door de voltallige vergadering goedgekeurd wijzigingsvoorstel, al was meer dan een kwart van de uitgebrachte stemmen voor het behoud ervan.

Par. 3.4

„Een stap in de richting van koolstofarme energie. De EU heeft zich er al toe verbonden haar koolstofuitstoot tegen 2020 met 20 % terug te dringen, of zelfs met 30 %, op voorwaarde dat andere landen haar voorbeeld volgen. Deze doelstellingen zetten de toon voor tal van andere beleidsgebieden en de investeringen in nieuwe energiesystemen die daaruit zullen voortvloeien. Volgens het Comité zou het een goede zaak zijn als de EU, overeenkomstig het voorstel van de milieuministers van Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, al vanaf een vroeg stadium zou streven naar een vermindering van de CO2-uitstoot van 30 % in 2020 in plaats van de op dit moment afgesproken 20 %, mits dit economisch en sociaal haalbaar is zonder verlies van concurrentievermogen en mits hieraan de nodige maatregelen en investeringen worden gekoppeld om dit doel ook daadwerkelijk te bereiken.

Stemuitslag:

Het wijzigingsvoorstel werd met 88 vóór en 82 stemmen tegen bij 26 onthoudingen, goedgekeurd.


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/8


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Ijsland als kandidaat-lidstaat”

(verkennend advies)

(2011/C 54/02)

Rapporteur: mevrouw CARR

In een brief van 28 april 2010 hebben Maroš Šefčovič, vicevoorzitter van de Europese Commissie, en Štefan Füle, commissaris voor het uitbreidingsproces, het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht om overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een verkennend advies op te stellen over

IJsland als kandidaat-lidstaat.

De afdeling Externe betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 oktober 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 8 en 9 december gehouden 467e zitting (vergadering van 9 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 170 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 0 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De openbare raadpleging in IJsland van september 2010 laat zien dat er momenteel een zware strijd gaande is om de gunst van de publieke opinie voor toetreding van IJsland tot de EU. Hoewel de discussie over het lidmaatschap zelf nog lang niet is verstomd, lijkt er de laatste tijd meer steun te zijn voor de toetredingsonderhandelingen: 64 % vindt dat er op de ingeslagen weg moet worden doorgegaan en dat het toetredingsverzoek niet moet worden ingetrokken. Daarmee is de steun voor toetreding aanzienlijk gestegen ten opzichte van eerdere opiniepeilingen.

1.2   Het EESC is van mening dat de pro-EU-organisaties zich meer in het publieke debat moeten mengen om duidelijk te maken wat de voordelen van het EU-lidmaatschap voor IJsland én de Unie zijn. Het EESC zou daarbij het voortouw kunnen nemen door evenementen te organiseren waarin vooral aandacht wordt gevraagd voor de rol van de tot de categorie „diverse werkzaamheden” behorende middenveldorganisaties.

1.3   Het EESC is een warm voorstander van het EU-lidmaatschap van IJsland en acht het van groot belang dat het IJslandse maatschappelijk middenveld aan de toetredingsonderhandelingen deelneemt. De sociale partners zijn van oudsher nauw betrokken bij de beleidsvorming in het land en onderhouden reeds nauwe banden met het EESC en overkoepelende Europese organisaties.

1.4   Zowel de sociale partners als het EESC pleiten voor een bredere betrokkenheid van de diverse belangengroepen van het maatschappelijk middenveld. Het toetredingsproces dient niet alleen vergezeld te gaan van de meer traditionele sociale dialoog, maar ook van een „civiele dialoog”.

1.5   Het EESC pleit ervoor om voor IJsland, net als voor de andere kandidaat-lidstaten is gebeurd, zo snel mogelijk een gemeenschappelijk raadgevend comité op te richten. Dit mechanisme zal nuttig zijn voor de uitwisseling van ideeën en informatie tussen maatschappelijke organisaties in IJsland en de EU-lidstaten en de formulering van gemeenschappelijke aanbevelingen en adviezen aan de onderhandelingspartners. Bovendien zal het de organisaties van groep III in staat stellen om een actievere rol te spelen in de toetredingsonderhandelingen.

1.6   Gezien het hoge politieke en economische ontwikkelingsniveau en het lidmaatschap van de Europese Economische Ruimte (EER) is IJsland (ondanks de ineenstorting van de economie tijdens de recente crisis) over het algemeen goed in staat om te voldoen aan de verplichtingen die het EU-lidmaatschap met zich meebrengt, met name op de terreinen die onder de EER-Overeenkomst vallen. Als lidstaat zal IJsland bovendien kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van verschillende EU-beleidsterreinen, zoals duurzame visserij, hernieuwbare energie en de Arctische dimensie. Op dit moment heeft IJsland nog geen zetel in de EU-besluitvormingsinstellingen.

1.7   Hoewel IJsland al een aanzienlijk deel van het acquis heeft omgezet, zijn er nog een aantal prangende vraagstukken op cruciale beleidsterreinen, zoals landbouw en visserij, die moeten worden opgelost. Voor de maatschappelijke organisaties op deze terreinen is een sleutelrol weggelegd in het toetredingsproces. Ook andere belangengroepen moeten daarbij worden betrokken, zodat ze de IJslandse regering kunnen ondersteunen bij haar onderhandelingen over het EU-lidmaatschap.

1.8   Enkele invloedrijke maatschappelijke organisaties hebben zich inmiddels tegen het toetredingsverzoek van IJsland uitgesproken. Daarom is het van het allergrootste belang dat de organisaties die voor aansluiting bij de EU zijn, op korte termijn een publiek debat lanceren over de voordelen van het lidmaatschap voor IJsland én de EU. Het EESC denkt dat een breder debat op nationaal en Europees niveau positief zal uitwerken en organisaties en burgers zal helpen om vanuit de Europese consensusbenadering een mening te vormen in het democratische proces.

1.9   De negatieve geluiden onder de IJslandse burgers ten aanzien van het EU-lidmaatschap hangen deels samen met het onopgeloste Icesave-conflict. Daarom is des te belangrijker om een constructieve dialoog aan te gaan met het maatschappelijk middenveld over het EU-lidmaatschap. Het EESC benadrukt dat de Icesave-kwestie buiten de toetredingsonderhandelingen om moet worden opgelost en het EU-lidmaatschap van IJsland niet in de weg mag staan.

2.   Stand van zaken

2.1   IJsland heeft in juli 2009 officieel het lidmaatschap van de EU aangevraagd. Op 24 februari 2010 heeft de Commissie een positief advies uitgebracht over IJslands toetreding. Op 17 juni 2010 heeft de Europese Raad besloten om de toetredingsonderhandelingen te starten en de Raad verzocht om een algemeen onderhandelingskader vast te stellen. Het besluit werd op 28 juni 2010 door het Europees Parlement goedgekeurd. De eerste vergadering van de Intergouvernementele conferentie vond plaats op 27 juli 2010.

2.2   Via de EER-Overeenkomst en de Schengen-associatieovereenkomst heeft IJsland reeds een groot deel van het EU-acquis omgezet. Dit zal het screeningproces en de daaropvolgende onderhandelingen over de verschillende hoofdstukken vereenvoudigen. Toch zijn er nog een aantal problemen op cruciale beleidsterreinen, zoals landbouw, visserij en monetair beleid. Het screeningproces is van start gegaan en zou in juni 2011 afgerond moeten zijn.

2.3   IJsland voldoet volledig aan de politieke toetredingscriteria zoals die in 1993 door de Europese Raad van Kopenhagen zijn vastgesteld. Het land is een goed functionerende vertegenwoordigende democratie met sterke instellingen en fijnmazige wet- en regelgeving op het gebied van de bescherming van grond- en mensenrechten en de beginselen van de rechtstaat.

2.4   Het overheidsapparaat functioneert over het algemeen efficiënt en vrij van politieke beïnvloeding. De recente perikelen op de financiële markten gingen echter wel gepaard met politieke onrust, waardoor bestuurlijke hervormingen noodzakelijk zijn. De Commissie stelt in haar advies dat er als gevolg van de financiële crisis vragen zijn gerezen over mogelijke belangenverstrengeling gezien de nauwe banden tussen de politiek en het bedrijfsleven. Hoogstwaarschijnlijk zullen er meer hervormingen nodig zijn. Er is inmiddels een begin gemaakt met de hervorming van het openbaar bestuur en een aantal van de door de Commissie gesignaleerde problemen zijn reeds aangepakt.

2.5   Ondanks de ernstige gevolgen van de economische crisis is IJsland een goed functionerende markteconomie en prima in staat om met de concurrentiedruk en de marktwerking binnen de EU om te gaan. Om de crisis aan te pakken heeft de IJslandse regering drastische bezuinigingen doorgevoerd en maatregelen voorgesteld om de economie te diversifiëren. Op die manier hoopt ze eind 2010 weer een positieve groei te bewerkstelligen. De voornaamste doelstelling van de huidige regering is om de nationale begroting voor 2013 weer op orde te krijgen. Daarnaast moeten er banen worden gecreëerd en moet innovatie worden gestimuleerd, zodat IJsland in 2020 weer kan concurreren.

2.6   Doorgaans wordt IJsland gezien als een voor de hand liggende kandidaat voor het EU-lidmaatschap. Er is een diepgewortelde democratische cultuur en de aanpassing aan het acquis is reeds ver gevorderd. De toetredingsonderhandelingen zouden daarom vrij snel kunnen worden afgerond, mits het acquis op het moment van toetreding volledig in nationale wetgeving is omgezet. Indien het onderhandelingsproces slaagt en de IJslanders tijdens een referendum instemmen met de toetreding van hun land, zal IJsland met zijn circa 317 000 inwoners de lidstaat met het kleinste bevolkingsaantal worden.

2.7   Na het toetredingsverzoek van IJsland zijn er tien onderhandelingsgroepen opgezet voor de besprekingen op de verschillende beleidsterreinen. De sociale partners en andere belangrijke organisaties zijn daarin goed vertegenwoordigd en doen waar nodig mee aan het overleg in de groepen. Hoewel de IJslandse overheid verantwoordelijk is voor de onderhandelingen, zijn de meest betrokken groepen gevraagd om aan de voorbereidende werkzaamheden van de onderhandelingsteams deel te nemen. Op die manier zijn ze dus direct betrokken bij het onderhandelingsproces.

2.8   Het beleid van de IJslandse regering is erop gericht om het maatschappelijk middenveld volledig bij het toetredingsproces te betrekken. Bij de voorbereidingen voor het advies van de commissie voor Buitenlandse Zaken van het IJslandse parlement over het EU-lidmaatschap werden maatschappelijke organisaties, instellingen en individuele burgers gevraagd om hun op- of aanmerkingen kenbaar te maken, zodat die in de gesprekken konden worden meegenomen. In haar conclusies maakte de commissie bekend dat er een breed overlegforum zou worden opgezet om EU-kwesties, de stand van zaken met betrekking tot de toetredingsonderhandelingen en IJslands onderhandelingspositie op afzonderlijke beleidsterreinen te bespreken.

2.9   Ondanks al deze positieve signalen over de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het toetredingsproces heeft de geloofwaardigheid van IJsland in sommige lidstaten een deuk opgelopen als gevolg van de bankencrisis en het Icesave-conflict. De houding van de IJslanders ten aanzien van de EU is wisselvallig. In juli sprak 60 % van de inwoners tijdens een enquête van Gallup zich nog voor intrekking van het toetredingsverzoek uit. In september antwoordde 64 % van de ondervraagden van een andere enquête, van het dagblad Fréttablaðið, daarentegen dat de onderhandelingen moeten worden voortgezet, zodat daar in een referendum over kan worden gestemd. Hoewel het nog te vroeg is om te zeggen dat de IJslanders anders zijn gaan denken over de EU, staat het zonder meer vast dat er een grote behoefte is aan meer feitelijke informatie over de EU en het EU-lidmaatschap. Men wil kennelijk meer weten over de EU en het toetredingsproces om straks een afgewogen besluit te kunnen nemen op basis van kennis en niet op basis van angsten en verzinsels.

3.   Betrekkingen met de EU

3.1   IJsland onderhoudt nauwe banden met de Europese Unie dankzij de EER-Overeenkomst, die in 1994 van kracht werd. Deze overeenkomst voorziet in deelname van drie EVA-landen aan de Europese interne markt. Na het toetredingsverzoek heeft de EU in IJsland een vertegenwoordiging geopend. Voor die tijd werd het land vanuit Oslo bediend.

3.2   Op grond van de EER-Overeenkomst heeft IJsland een aanzienlijk deel van het EU-acquis in nationale wetgeving moeten omzetten. Het land heeft de meeste bepalingen met betrekking tot de vier vrijheden overgenomen. Aangezien alleen enkele terreinen van het binnenlandse beleid niet onder de EER-Overeenkomst vallen, is het land volgens sommigen eigenlijk al min of meer lid van de EU. In juli 2009 had IJsland procentueel gezien gemiddeld evenveel wetgeving op het gebied van interne markt omgezet als de lidstaten.

3.3   Hoewel justitie, vrijheid en veiligheid niet onder de EER-Overeenkomst vallen, is IJsland via de Schengen-associatieovereenkomst ook bij dit beleidsterrein betrokken. Toen de Noordse EU-lidstaten hun aanvraag indienden voor toetreding tot Schengen, stelden ze als voorwaarde dat er een oplossing zou worden gevonden voor het behoud van de Noordse paspoortunie met IJsland en Noorwegen. Deze twee landen passen daarom het Schengenacquis al sinds maart 2001 toe.

3.4   Wat deelname aan het EU-besluitvormingsproces betreft, voorziet de EER-Overeenkomst hoofdzakelijk in toegang tot de Commissie. Krachtens artt. 99 en 100 van de EER-Overeenkomst kunnen EER/EVA-landen deelnemen aan de werkzaamheden van de deskundigengroepen van de Commissie en de werkgroepen van de comitologiecomités. De EER/EVA-landen hebben echter officieel geen toegang tot de Raad en het Europees Parlement.

3.5   De IJslandse sociale partners maken deel uit van het gemeenschappelijk raadgevend comité van de EER met het EESC. Op politiek niveau is IJsland betrokken bij het Gemengd Parlementair Comité van de EER. Samen met Noorwegen doet het land ook mee aan het informele overleg van de Noordse/Baltische landen voorafgaand aan de Raad, waar het zijn standpunten naar voren kan brengen.

3.6   Afgezien van het feit dat het land niet volledig deelneemt aan het EU-besluitvormingsproces, is er een ander belangrijk verschil tussen de status van IJsland krachtens de EER-Overeenkomst en het EU-lidmaatschap: de EER-Overeenkomst voorziet niet in supranationale instellingen die bevoegd zijn om wetgeving uit te vaardigen die direct van toepassing zijn in de lidstaten. Evenmin is er sprake van overdracht van juridische bevoegdheden. Dankzij het EU-lidmaatschap zal IJsland in alle EU-instellingen en -besluitvormingsorganen vertegenwoordigd zijn.

3.7   Ondanks de nauwe betrekkingen met de EU koos IJsland er tot voor kort voor om buiten de Unie te blijven. Deze houding wordt over het algemeen aan diverse factoren toegeschreven, vooral aan de wens om de nationale controle over de visserijbestanden niet uit handen te geven. Ook het gemeenschappelijk landbouwbeleid is impopulair bij de IJslandse boeren, die vrezen voor concurrentie van goedkopere producten uit het Europese vasteland. In bepaalde lagen van de bevolking wordt een sterk nationalistische toon aangeslagen en sommige beleidsmakers zijn doorgaans niet bereid om zich hard te maken voor iets wat als een ondermijning van de soevereiniteit van het land zou kunnen worden opgevat. De geïsoleerde ligging, de bijzondere veiligheidsrelatie met de Verenigde Staten tijdens de Koude Oorlog, de geringe omvang van het bestuurlijke apparaat en het op plattelandsgebieden gerichte kiesstelsel worden soms ook als redenen genoemd voor IJslands beleid ten aanzien van de EU. Ten slotte heerste tot het uitbreken van de financiële crisis over het algemeen de gedachte dat IJslands belangen met de EER-Overeenkomst voldoende konden worden behartigd.

3.8   Desalniettemin waren grote delen van de bevolking in al die jaren voorstander van nauwere banden met de EU. De ineenstorting van het financiële stelsel in oktober 2008 heeft geleid tot een verdere verschuiving in de publieke opinie ten gunste van het EU-lidmaatschap en de invoering van de euro. In juli 2009 heeft het IJslandse parlement ingestemd met een verzoek om toetreding tot de EU. Dat betekent overigens niet dat er onder de bevolking en bij de politieke partijen eensgezindheid bestaat over deze kwestie.

3.9   Zowel de EU als IJsland zelf zal profiteren van de toetreding, die tot de geografische vervollediging van de EU zal bijdragen. Tevens zal de EU vaste voet krijgen in het noordpoolgebied en kunnen deelnemen aan het overleg van de Arctische Raad. IJsland zal dankzij het EU-lidmaatschap betere vormen van multilaterale governance in het noordpoolgebied kunnen nastreven. Ook zal het zijn geloofwaardigheid in de wereld kunnen helpen herstellen en zijn valuta en zijn hele economie kunnen stabiliseren. Als EU-lidstaat zal IJsland een grote bijdrage kunnen leveren aan het beleid inzake de noordelijke dimensie, de ontwikkeling en exploitatie van duurzame energiebronnen en de totstandkoming van een groenere economie.

3.10   Er zijn nog diverse problemen, aangezien veel beleidsterreinen niet onder de EER-Overeenkomst of de Schengensamenwerking vallen. Tijdens de onderhandelingen zal daar in sommige gevallen waarschijnlijk nog een harde noot over moeten worden gekraakt. Visserij en landbouw zullen naar verwachting bijzonder hete hangijzers zijn. Voor de maatschappelijke organisaties op deze terreinen is een cruciale rol weggelegd in het toetredingsproces. De toetreding dient een vrijwillig proces te zijn op basis van wederzijds goedvinden van beide partijen. Geen van de partijen moet zich tegenover de ander verplicht voelen om in te stemmen met zaken die men eigenlijk niet wil.

4.   De sociaaleconomische situatie

4.1   De IJslandse economie steunt van oorsprong voornamelijk op de visserij, een sector die nog altijd bijna de helft van de goederenexport van het land voor zijn rekening neemt. Meer recentelijk zijn ook de aluminiumindustrie en het toerisme tot belangrijke sectoren uitgegroeid. In de jaren negentig van de vorige eeuw begon IJsland met een proces van economische deregulering, liberalisering en diversifiëring en ontstond er een omvangrijke financiële sector. Als gevolg van te grote risico's, falend toezicht op de financiële sector en de enorme omvang van de banken in vergelijking tot de nationale economie stortte het IJslandse bankwezen in het kielzog van de wereldwijde financiële crisis ineen. De omvang van de passiva van alle banken samen bedroeg meer dan tien keer het IJslandse bbp (1). Dit leidde tot een zware recessie met grote maatschappelijke en economische gevolgen.

4.2   De IJslandse kroon is aanzienlijk in waarde gedaald, waardoor de inflatie en de werkloosheid zijn toegenomen, de vastgoedprijzen zijn gekelderd, een groot aantal bedrijven op de fles is gegaan en de particuliere consumptie is afgenomen. Daarnaast zijn de belastingen (vermogens- en inkomstenbelasting, accijnzen en btw) verhoogd, is er een nieuw drietrapsstelsel ingevoerd voor inkomstenbelasting en is er gesneden in diverse voorzieningen, zoals zwangerschaps-/vaderschapsverlof en de kinderbijslag. Ook heeft de overheid besloten om te bezuinigen op onderwijs en gezondheidszorg. Veel IJslandse huishoudens betalen een hoge tol, omdat ze een groot deel van hun spaargeld en/of inkomen in rook hebben zien opgaan. Om de ernstige gevolgen van de crisis op te vangen is er een uitgebreide schuldsaneringsoperatie opgezet voor particulieren en bedrijven. Individuele burgers en huishoudens die nog maar met moeite het hoofd boven water houden, kunnen een beroep doen op een speciaal buitengerechtelijk schuldsaneringsprogramma (2).

4.3   Door de crisis is de overheidsschuld sterk toegenomen. Een groot deel van de schuld houdt verband met de Icesave-obligaties. Op grond van de richtlijn inzake depositogarantiestelsels (94/19/EG) moet IJsland inleggers tot 20 000 euro per rekening terugbetalen. IJsland heeft beloofd om deze verplichtingen na te komen. Toch is er wat Icesave betreft nog altijd onenigheid over de vraag hoe IJsland de bedragen moet terugbetalen die de Britse en Nederlandse regering hun spaarders hebben vergoed.

4.4   IJsland heeft verschillende maatregelen genomen om de crisis te bestrijden. De drie belangrijkste banken werden genationaliseerd, gereorganiseerd en geherkapitaliseerd. Er zijn maatregelen ingeroepen ter vrijwaring van de betalingsbalans om de internationale kapitaalstromen te beperken en zo de uitstroom van vreemde valuta en de verdere devaluatie van de IJslandse kroon te voorkomen. In oktober 2009 is de centrale bank begonnen om deze maatregelen geleidelijk aan weer af te bouwen. Er is een nieuw ministerie van Economische Zaken opgericht, de raad van bestuur van de centrale bank is vervangen en de rol van de financiële toezichthoudende autoriteit is versterkt. De regering heeft bovendien een diepgaand onderzoek ingesteld naar de gebeurtenissen die tot de crisis hebben geleid. Ze heeft daartoe een speciale onderzoekscommissie in het leven geroepen en een speciale openbare aanklager benoemd.

4.5   De regering heeft verder de internationale gemeenschap, waaronder ook het IMF, om hulp gevraagd. Met het IMF heeft IJsland een stand-by-overeeenkomst gesloten voor 2,1 miljard dollar. Daarnaast hebben de Noordse landen, Polen en de Faeröer samen 2,75 miljard dollar beschikbaar gesteld. Het door het IMF gesteunde economisch programma voorziet in maatregelen om de wisselkoers te stabiliseren, het vertrouwen in het monetaire beleid te herstellen, het begrotingsbeleid te herzien, de overheidsschuld binnen de perken te houden, de financiële sector en de daarvoor geldende regelgeving te hervormen en de schuldsanering van huishoudens en bedrijven te vereenvoudigen. Eind september 2010 heeft het IMF zijn derde herziening van IJslands economisch herstelprogramma goedgekeurd.

4.6   De macro-economische situatie is nog niet stabiel en begrotingsconsolidatie blijft een van de belangrijkste opgaven. Om het begrotingskader te versterken komt er een vierjarig begrotingsconsolidatieplan. De eerste tekenen van verbetering zijn reeds zichtbaar. Zo verwacht het IMF dat de economie in de tweede helft van 2010 dankzij de solide economische basis van het land zal groeien (2). De inflatie neemt af en de wisselkoers is gestabiliseerd. De nieuwe handelsbanken zijn geherkapitaliseerd en de uitgebreide hervormingen van de regelgeving voor de financiële markt zijn voltooid. De werkloosheid is niet boven de voorspelde 10 % uitgekomen.

4.7   De sociale partners hebben een cruciale rol gespeeld in het economisch herstelplan voor IJsland. De regering en de sociale partners hebben in juni 2009 een „stabiliteitspact” gesloten en de begroting van 2010 is in de geest van deze overeenkomst opgesteld. Het pact was bedoeld om maatschappelijk draagvlak te creëren. Toch waren hoofdzakelijk de sociale partners daarbij betrokken en voelden sommige maatschappelijke organisaties zich buitengesloten. In maart 2010 heeft het IJslandse werkgeversverbond zich uit het pact teruggetrokken, omdat het vond dat de gemaakte afspraken niet werden nagekomen en de regering haar beloften niet inloste.

4.8   Voor de middellange en lange termijn zal IJsland kunnen beschikken over een tamelijk flexibele arbeidsmarkt met een hoge participatiegraad, een vrij jonge en goed opgeleide bevolking en solide hulpbronnen, waaronder rijke visgronden en uitgebreide mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie. Daarom ligt het voor de hand dat IJsland uiteindelijk volledig zal herstellen van de huidige economische tegenslagen. Bovendien denkt de Europese Commissie dat deelname aan de Economische en Monetaire Unie geen grote problemen zal opleveren, zodra de aanpassing van IJslands wetgeving aan het acquis op het gebied van economische en monetair beleid een feit is.

5.   Het maatschappelijk middenveld in IJsland

5.1   IJsland kent een lange geschiedenis van actieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld. Met name door de geringe omvang van de IJslandse samenleving onderhouden belangengroeperingen zeer nauwe en vaak persoonlijke banden met de regering en nemen ze actief deel aan het besluitvormingsproces. Sommige belangengroepen, zoals vakbonden en organisaties van boeren en vissers, zijn van oudsher nauw verbonden met bepaalde politieke partijen.

5.2   Aangezien een klein bestuurlijk apparaat zo zijn beperkingen heeft, werkt de IJslandse regering nauw samen met belangengroepen in het land die actief zijn op EU-niveau, en doet ze vaak een beroep op deze organisaties om informatie te verzamelen en Brussel meer bewust te maken van hetgeen er in IJsland speelt. Toch houden de IJslandse belangengroepen zich meer bezig met het verzamelen van informatie en het ontwikkelen van strategieën dan met het beïnvloeden van het Europese beleid. Een uitzondering vormt het sociale beleid, een terrein waarop de sociale partners bijzonder actief zijn en direct meedoen aan het beleidsvormingsproces.

5.3   Op grond van art. 74 van de IJslandse grondwet is er, net als in de andere Noordse landen, voor de oprichting van organisaties geen voorafgaande toestemming vereist en mogen organisaties niet door een administratief besluit worden opgeheven. Organisaties moeten ingeschreven staan bij het nationaal registratiebureau om een nationaal registratienummer te ontvangen. Deze is nodig voor belastingdoeleinden. Ook moeten organisaties op een geregistreerd adres zijn ingeschreven. De activiteiten van vakbonden vallen onder de vakbonds- en arbeidsgeschillenwet.

5.4   Veel IJslandse organisaties onderhouden al jarenlang zeer nauwe betrekkingen met hun evenknieën in de Noordse landen. Dergelijke betrekkingen zouden de IJslandse organisaties kunnen helpen om goede praktijken uit te wisselen en te leren van de ervaringen die hun partnerorganisaties hebben opgedaan tijdens hun toetredingsproces.

5.5   Uit de openbare hoorzitting met IJslandse maatschappelijke organisaties is echter gebleken dat in vergelijking met de sociale partners de andere middenveldorganisaties zich hoofdzakelijk op binnenlandse aangelegenheden richten. Door nauwere samenwerking moeten ze ertoe kunnen worden overgehaald om vanuit een bredere visie naar hun rol in IJsland en met name het toetredingsproces te kijken. Op die manier zouden ook de EU-organisaties van hun IJslandse tegenhangers kunnen leren.

5.6   IJsland volgt het Scandinavische sociaaleconomische model, dat gekenmerkt wordt door een omvangrijke verzorgingsstaat met een ruimhartig voorzieningenniveau. De sociale partners doen actief mee aan het sociale overleg om informatie uit te wisselen en verschillende belangrijke sociaaleconomische vraagstukken op te lossen. Sociale regelgeving wordt doorgaans niet bij wet maar in collectieve overeenkomsten vastgelegd.

5.7   De ontwikkeling die IJsland heeft doorgemaakt, is vergelijkbaar met die van de andere Noordse landen en ging onder meer gepaard met stijging van de collectieve uitgaven. Verstedelijking en maatschappelijke veranderingen hebben uiteindelijk geleid tot de vorming van verschillende belangengroepen, met name vakbonden, coöperaties en boerenorganisaties. Aanvankelijk waren er maar een paar belangengroepen, die zeer machtig waren en nauwe banden onderhielden met bepaalde politieke partijen, die het voor hen opnamen.

5.8   In de tweede helft van de twintigste eeuw nam het aantal belangengroepen als gevolg van de diversifiëring van de samenleving toe. Deze diversifiëring zorgde er ook voor dat de banden tussen bepaalde politieke partijen en invloedrijke belangengroepen minder hecht werden. Toch zijn de lijnen tussen het maatschappelijk middenveld en de regering in een kleine samenleving als IJsland nog altijd kort.

5.9   Hoewel het IJslandse model in veel opzichten vergelijkbaar is met dat van de andere Noordse landen, zijn er een aantal verschillen. De ontwikkelingen in IJsland gaan langzamer en de sociale uitgaven zijn er van oudsher lager. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd er een krachtig liberaliserings- en privatiseringsbeleid gevoerd en na het uitbreken van de financiële crisis is er flink gesneden in de verzorgingsstaat. Niettemin wordt het verzorgingsmodel, net als in de andere Noordse landen, over het algemeen door links en rechts omarmd, ondanks het feit dat IJsland overwegend centrumrechtse coalitieregeringen kent. De sociale partners spelen een sleutelrol in het politieke proces.

5.10   De openbare hoorzitting heeft uitgewezen dat het maatschappelijk middenveld in IJsland verdeeld is over het EU-lidmaatschap. Met name visserij- en landbouworganisaties zijn tegen toetreding, terwijl organisaties als het IJslandse Werknemersverbond en de Federatie van IJslandse industrieondernemingen juist voorstander zijn. Er zijn ook veel organisaties die een neutraal standpunt innemen. Hoewel de democratie stevig verankerd is in IJsland, is het maatschappelijk middenveld over de hele linie relatief zwak vertegenwoordigd, waardoor zijn stem niet altijd even goed wordt gehoord.

6.   De belangrijkste organisaties en hun standpunten in het EU-debat

6.1   Sociale partners

6.1.1   Het IJslandse Werknemersverbond (ASÍ) is de belangrijkste vakbondsorganisatie van het land. Het vertegenwoordigt de belangen van werknemers, kantoorpersoneel, medewerkers in de detailhandel, zeelui, bouwvakkers, fabrieksarbeiders en medewerkers van elektriciteitscentrales, en andere beroepsgroepen in de particuliere sector en gedeeltelijk ook bij de overheid, ofschoon de meeste werknemers in de publieke sector zijn aangesloten bij de Federatie van overheids- en gemeentepersoneel (BSRB). Beide organisaties zijn lid van het EVV. Een derde centrale organisatie is de Vereniging van academici (BHM), die de belangen behartigt van universitair geschoolde werknemers in de publieke en particuliere sector.

6.1.2   De tegenpool van ASÍ, aan werkgeverszijde, is het IJslandse Werkgeversverbond (SA), dat lid is van Businesseurope. SA bestaat uit acht verenigingen, die op diverse terreinen actief zijn, zoals energie, toerisme, financiën en visserij. Beide organisaties vervullen een sleutelrol bij de coördinatie van het beleid op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken, milieu en arbeidsmarkt. Een andere organisatie, die actief is op EU-niveau en ook deel uitmaakt van Businesseurope, is de Federatie van IJslandse industrieondernemingen (SI). De SI is aangesloten bij het SA.

6.1.3   De werkgevers- en werknemersverbonden zijn vertegenwoordigd in een aantal comités en het bestuur van verschillende openbare organen, zoals het IJslandse Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk, de Raad voor gelijke behandeling en de Raad voor wetenschap en technologie. Ze behartigen daar de belangen van hun leden bij de voorbereiding en tenuitvoerlegging van wetgeving. Ook voeren ze nauw overleg met de regering bij de onderhandelingen over en de vernieuwing van loonakkoorden. De sociale partners werken nauw met elkaar samen op terreinen die voor beide van belang zijn, zoals gelijkheid, arbeidsbescherming en informatieverspreiding.

6.1.4   De sociale partners in IJsland zijn al redelijk vertrouwd met het besluitvormingsproces van de EU. Ze volgen de Europese wetgevingsprocedures van dichtbij, aangezien EU-maatregelen die op grond van de EER-Overeenkomst worden doorgevoerd, ook voor hen gevolgen kunnen hebben.

6.1.5   Vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties in de EVA-landen onderhouden via het gemeenschappelijk raadgevend comité van de EER, dat deel uitmaakt van het institutionele raamwerk van de EER, banden met het EESC. Dit forum fungeert als een schakel tussen de sociale partners in de EVA-landen en maatschappelijke organisaties in de EU. In tegenstelling tot het EESC bestaat het gemeenschappelijk raadgevend comité van de EVA alleen uit vakbonden en werkgeversorganisaties. Dit is een zekere beperking, omdat op die manier niet alle maatschappelijke actoren aan de civiele dialoog deelnemen.

6.1.6   De sociale partners in IJsland staan over het algemeen redelijk positief tegenover Europese integratie, hoewel de meningen verdeeld zijn. Het ASÍ stond aanvankelijk terughoudend tegenover het EER-lidmaatschap, maar heeft in 2000 zijn standpunt herzien nadat het inzag dat de EER de IJslandse werknemers verschillende voordelen biedt. Het is nu voor onderhandelingen over toetreding tot de EU en invoering van de euro. De belangen van de IJslandse werknemers en de algehele stabiliteit van de economie zijn volgens het ASÍ het meest gediend met een volledige aansluiting bij de EU. Wel is het van mening dat tijdens de toetredingsonderhandelingen moet worden bedongen dat IJsland de volledige controle behoudt over zijn exclusieve economische zone met betrekking tot de visserij en dat de steun voor de IJslandse landbouw wordt gewaarborgd. De BSRB, die de werknemers in de publieke sector vertegenwoordigt, heeft nog geen officieel standpunt geformuleerd over het EU-lidmaatschap, maar juicht open discussies over de onderhandelingen wel toe.

6.1.7   De in het SA verenigde werkgevers streven ernaar om de toetredingsonderhandelingen nauwgezet te volgen, maar nemen vanwege de onderlinge verdeeldheid tussen de aangesloten organisaties tot nu toe een neutraal standpunt in. De SI is bijvoorbeeld voorstander van toetreding. Ze denkt dat de schommelende koers van de IJslandse munt een destabiliserend effect heeft op de economie en dat integratie in de EU en invoering van de euro goed zullen zijn voor de concurrentiepositie van het land en voor de arbeidsvoorwaarden van werknemers bij IJslandse bedrijven.

6.2   De visserijsector

6.2.1   De Federatie van eigenaren van visserijschepen (LÍÚ) en de Federatie van visverwerkende bedrijven zijn daarentegen fel gekant tegen toetreding. De visserijsector en de verschillende belanghebbende partijen hebben met name problemen met het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Dit zou immers betekenen dat buitenlandse investeerders in de sector moeten worden toegelaten en dat Brussel zeggenschap krijgt over de totaal toegestane vangsten in de 200-mijlszone, waar IJsland tot nu toe exclusieve visrechten heeft. Hoewel een lidstaat als IJsland volledig zou deelnemen aan het besluitvormingsproces, vrezen vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties dat het land vanwege zijn geringe omvang niet in staat zal zijn om voldoende invloed uit te oefenen op de besluitvorming op EU-niveau. Ook zou het land afstand moeten doen van het recht om zelf overeenkomsten te sluiten met derde landen over de exploitatie van trekkende visbestanden, die 30 % van IJslands totale vangst uitmaken. De LÍÚ wijst erop dat bijvangsten en overbevissing ernstige problemen zijn in de EU, terwijl de visserijsector in IJsland juist winstgevend is. Bovendien is er geen garantie dat het principe van relatieve stabiliteit in de EU overeind zal blijven.

6.2.2   Niettemin heeft de voorzitter van de LÍÚ in augustus 2010 voor de IJslandse radiozender RÚV verklaard dat IJsland de onderhandelingen met de EU moet voortzetten en daar het beste uit moet zien te halen. Terugtrekking uit de onderhandelingen zou nu geen zin hebben.

6.2.3   Ten slotte is IJsland in 2006 weer begonnen met de commerciële walvisvangst. Dit zal waarschijnlijk een heikel punt worden, aangezien het in strijd is met het EU-beleid. Mocht er geen oplossing worden gevonden, dan zal dit IJslands toetreding ernstig kunnen belemmeren.

6.2.4   Het GVB wordt momenteel herzien. De verwachting is dat het meer zal aansluiten op het IJslandse model. Toch zullen de toetredingsonderhandelingen over het bestaande acquis gaan, waardoor er dus verschillende twistpunten kunnen ontstaan. Visserij zal hoogstwaarschijnlijk de belangrijkste kwestie in de toetredingsonderhandelingen zijn. De visserijlobby heeft veel invloed op de besluitvorming en zal waarschijnlijk een cruciale rol spelen in het debat over het EU-lidmaatschap, aangezien het inkomen per hoofd van de bevolking uit de visserij veel hoger ligt dan in welke EU-lidstaat dan ook.

6.3   De landbouwsector

6.3.1   Ook de Vereniging van boeren kan bogen op een lange geschiedenis van politieke betrokkenheid. De boeren in IJsland nemen van oudsher een machtige positie in en onderhouden nauwe banden met de regering, hoewel hun invloed door het krimpen van de sector gaandeweg is geslonken. Net als de LÍÚ volgt de Vereniging van boeren het Europese wetgevingsproces van dichtbij. Zij is een partnerorganisatie van COPA/Cocega, en daardoor is haar invloed in zeker opzicht beperkt. Deze overkoepelende Europese organisatie houdt zich hoofdzakelijk met EU-kwesties bezig.

6.3.2   De Vereniging van boeren verzet zich fel tegen het EU-lidmaatschap, omdat ze vreest voor het verlies van talloze arbeidsplaatsen in de landbouw en aanzienlijke negatieve effecten op de voedselveiligheid en -zekerheid in het land. Deze vrees hangt vooral samen met het feit dat IJsland zal moeten instemmen met een onbeperkte invoer van landbouwproducten uit de EU, waartegen de IJslandse boeren moeilijk kunnen concurreren. Toch maakt de levensmiddelenwetgeving van de EU (3), die de voedselveiligheid garandeert, reeds deel uit van de EER-Overeenkomst en zal die wetgeving eind 2011 van kracht worden. Tijdens de invoering van het pakket levensmiddelenwetgeving op nationaal niveau heeft de Vereniging van boeren het schrappen van het verbod op invoer van vers vlees uit de IJslandse wetgeving kunnen tegenhouden, ofschoon dit duidelijk indruist tegen de doelstellingen van de EU-wetgeving. Op grond van art. 19 van de EER-Overeenkomst heeft IJsland ingestemd met rechtenvrije contingenten en concessies voor specifieke producten, hetgeen de Vereniging van boeren grote zorgen baart.

6.3.3   Landbouw zal een belangrijk thema zijn tijdens de toetredingsonderhandelingen en IJsland zal ijveren voor expliciete steun voor de zuivelproductie, de schapenteelt en andere traditionele vormen van landbouw en veeteelt. Met een soortgelijke regeling als die voor nationale langetermijnsteun voor de EU-regio's ten noorden van de 62e breedtegraad zouden de agrarische activiteiten in de dunbevolkte gebieden in IJsland met hun moeilijke klimatologische omstandigheden kunnen worden ondersteund.

6.4   De milieusector

6.4.1   In IJsland is een aantal milieuorganisaties actief. Milieuorganisaties in de EU-landen volgen doorgaans de ontwikkelingen in het Europese milieubeleid op de voet. Ook zijn ze op Europees niveau actief en zijn ze aangesloten bij overkoepelende organisaties. De IJslandse milieuorganisaties hebben zich daar kennelijk nooit zo voor geïnteresseerd, hoewel sommige geaffilieerd zijn aan internationale organisaties.

6.4.2   Hiervoor kunnen verschillende verklaringen worden gegeven. In de eerste plaats zijn maatregelen tegen de walvisvangst zeer geliefd bij Europese milieuorganisaties, hetgeen wellicht verklaart waarom IJslandse milieuorganisaties geen affiniteit hebben met hun Europese evenknieën. In de tweede plaats houden IJslandse milieuorganisaties, zoals Landvernd, zich vooral bezig met het probleem van bodemerosie en het behoud van natuurlijke habitats in eigen land, waarbij ze zich vaak tegen de bouw van waterkrachtcentrales ten behoeve van de aluminiumindustrie keren. Hoewel het milieubeleid van de EU grotendeels ook is opgenomen in de EER-Overeenkomst, valt de wetgeving inzake het behoud van natuurlijke habitats daar buiten. Ten slotte hebben milieuorganisaties in IJsland niet voldoende geld en middelen. Dat verklaart wellicht waarom ze op Europees niveau minder actief zijn dan hun Europese evenknieën en zich tot nu toe niet echt hebben gemengd in het debat over het EU-lidmaatschap. Landvernd heeft bijvoorbeeld nog geen officieel standpunt ingenomen over de toetreding, hoewel men daar over het algemeen verwacht dat de milieuwetgeving van de EU positieve effecten met zich mee zal brengen. Landvernd wil graag ook meer duidelijkheid over de rol die de organisatie kan spelen in de toetredingsonderhandelingen, en over verdere deelname aan EU-programma's, zoals het raamwerk betreffende natuurbehoud en -bescherming.

6.5   Consumentenbescherming

6.5.1   De IJslandse consumentenvereniging (NS) is een onafhankelijke, niet-gouvernementele non-profitorganisatie, die in 1953 is opgericht en op Europees niveau actief is. NS is lid van overkoepelende organisaties en werkt reeds nauw samen met ECC-IJsland, dat deel uitmaakt van het netwerk van Europese bureaus voor consumentenvoorlichting. NS heeft nog geen duidelijk standpunt ingenomen voor of tegen toetreding tot de EU. Wel is NS al sinds lange tijd de mening toegedaan dat IJsland alle pro's en contra's tegen elkaar moet afwegen. In 2008 verklaarde de algemene vergadering van NS dat IJsland een toetredingsverzoek moet indienen om uit te zoeken welke problemen daarbij komen kijken, zodat er onbevooroordeeld en op basis van feiten een discussie over de EU kan worden gevoerd. In 2008 liet NS ook een rapport opstellen over de voor- en nadelen van IJslands toetreding tot de EU voor de consumenten. Zonder dus een uitgesproken standpunt of beleid voor of tegen de EU te formuleren, heeft NS het verzoek om toetreding tot de EU als zodanig altijd aangemoedigd en geprobeerd de discussies over de EU te helpen aanzwengelen.

6.6   Andere organisaties

6.6.1   Andere belangrijke organisaties zijn de Gehandicaptenorganisatie, de Kamer van Koophandel (aangesloten bij Eurochambers), het Verbond van handelsondernemingen en dienstverlenende bedrijven (lid van Eurocommerce), de Federatie van IJslandse handel en diverse andere ngo's. Op dit moment hebben deze organisaties nog geen officieel standpunt geformuleerd over het EU-lidmaatschap, hoewel ze zich naar alle waarschijnlijkheid voor of tegen bepaalde Europese beleidsmaatregelen zullen uitspreken. Daarnaast zijn er ook speciale pro- of anti-EU-groeperingen, zoals Evrópusamtökin en Heimssýn.

Brussel, 9 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Ministerie van Buitenlandse Zaken, achtergrondnota, economisch herstelprogramma van IJsland, juni 2010, http://www.mfa.is/media/MFA_pdf/Factsheet--Iceland%27s-Economic-Recovery-Program-June.pdf.

(2)  Zie: http://www.mfa.is/media/MFA_pdf/Factsheet--Iceland%27s-Economic-Recovery-Program-June.pdf.

(3)  Verordening (EG) nr. 178/2002 en aanverwante wetgeving.


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen”

(initiatiefadvies)

(2011/C 54/03)

Algemeen rapporteur: de heer PEZZINI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 20 oktober 2010 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen.

Het bureau van het EESC heeft de adviescommissie Industriële reconversie op 20 oktober 2010 met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden belast.

Gezien de urgente aard van de werkzaamheden heeft het Comité tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december 2010) besloten de heer PEZZINI als algemeen rapporteur aan te wijzen en heeft het met 158 stemmen vóór en 8 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, onderstaand advies uitgebracht.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC acht een pakket maatregelen nodig, als sterke impuls voor een duurzaam energiemodel en om de sector een duidelijk en stabiel referentiekader te bieden, inclusief een energieplanning die aansluit bij de energievoorzieningszekerheid, met inachtneming van sociale, territoriale en milieuaspecten en de routekaart voor 2020-2050.

1.2   Het EESC bepleit een uitbreiding van de vigerende verordening voor de kolenindustrie (Verordening (EG) nr. 1407/2002 van 23 juli 2002 betreffende staatssteun voor de kolenindustrie), met een looptijd gelijk aan de regelgeving die komt te vervallen, zonder op de EU-begroting te drukken en zonder onwrikbare sluitingsvoorwaarden op te leggen aan de mijnen, maar met de optie om steun te verlenen voor investeringen en innovatieve, schone kooltechnologieën (CC) en voor hooggekwalificeerd personeel op het gebied van strategische grondstoffen. Het EESC vraagt nadrukkelijk om wijziging van het voorstel, met het oog op concurrerende herstructurering van de kolenmijnen en de consolidering van een strategische reserve in de Gemeenschap.

1.3   Het EESC verzoekt om een tussentijdse evaluatie van de concurrentievoorwaarden voor schone kooltechnologieën, afgezet tegen de concurrentiepositie van andere inheemse energiebronnen van de EU tot 2020, tegen de steun voor andere inheemse energiebronnen en tegen het bevorderde gebruik van steenkool op de wereldmarkt, en gerelateerd aan de schommelende internationale prijzen van fossiele brandstoffen en aan de Europese meerwaarde van de eigen bronnen, maar los van de kosten voor aanpassing van de elektriciteitscentrales en voor het uit bedrijf nemen van de mijnen.

1.4   Deze evaluatie moet volgens het EESC in 2014 plaatsvinden, in rechtstreeks verband met de uitvoering van de bepalingen van het Verdrag van Lissabon inzake het nieuwe energiebeleid van de EU (zie artikel 194) en aansluitend op de strategie voor energiezekerheid van de Unie en de toegang tot grondstoffen, alsook op andere communautaire beleidsgebieden, met name het beleid voor industrie, handel, onderzoek en innovatie.

1.5   Het EESC wil dat in 2015 het EP, de Raad en het Comité zelf een tussentijds verslag voorgelegd krijgen over het concurrentievermogen van de Europese steenkoolindustrie, dat verdergaat dan de huidige uitzonderlijke crisis, omtrent de hiervoor vermelde criteria en definities in verband met de crisis. Duidelijk moet worden welke strategische, economische, technologische, sociale en milieuvoortgang er is geboekt en in hoeverre de energieafhankelijkheid is gedaald.

1.6   Het EESC wijst erop dat de EU een leidende positie inneemt in onderzoek en ontwikkeling van schone energietechnologie, met name de CCS-techniek (afvangen en opslaan van CO2, Carbon Capture and Storage), zoals „Clean Coal Technologies”, „Coal-based Poly-Generation” en „Power Generation for Integrated Zero Emission Solutions” (1), die integraal deel uitmaken van het KP 7 voor OTO 2007-2013 van de EU.

1.7   Het EESC benadrukt dat de problemen in verband met verstoorde mededinging op de Europese interne markt ongegrond zijn, zoals ook de Commissie heeft opgemerkt, omdat er tussen de lidstaten geen noemenswaardige handel in kolen bestaat en omdat de technische installaties van de centrales geijkt worden voor specifieke types steenkool.

1.8   Het EESC wijst op het toegenomen belang van de beweringen in de Kolenverordening (Verordening (EG) nr. 1407/2002), met name:

„De ongunstige concurrentiepositie van de steenkool van de Gemeenschap ten opzichte van ingevoerde steenkool heeft de kolenindustrie in de afgelopen decennia gedwongen tot ingrijpende maatregelen inzake herstructurering en inkrimping van activiteiten.

De Gemeenschap is voor haar primaire energievoorziening in steeds sterkere mate afhankelijk geworden van externe bronnen.

[…] geeft de mondiale politieke situatie een geheel nieuwe dimensie aan de beoordeling van geopolitieke risico's en de veiligheidsrisico's op energiegebied, en ook een ruimere betekenis aan het begrip voorzieningszekerheid.”

1.9   Daarom, en uit strategisch oogpunt (energiebronnen), bepleit het EESC een doeltreffende overschakeling op een nieuw Europees duurzaam energiemodel, met een gediversifieerde mix die rekening houdt met alle energiebronnen, met technologie gericht op verminderde uitstoot van vervuilende stoffen en haalbare uitvoeringstermijnen, met invoering en behoud van aspecten die Europa minder afhankelijk maken van uitheemse energiebronnen.

1.10   Het Comité wijst op het belang, voor energie-efficiëntie, van de strijd tegen de klimaatverandering, het terugdringen van de CO2-uitstoot en van andere vervuilende stoffen en het bereiken van een democratische en breed gedragen consensus. Derhalve dringt het aan op een bredere en beter gestructureerde sociale sectorale dialoog in de kolenindustrie op diverse niveaus, tegen de achtergrond van het EU-beleid voor economische en sociale cohesie voor de steenkool producerende regio's. Voor hen zou het stopzetten van de activiteiten, in de huidige mondiale crisis, neerkomen op het verlies van ruim 300 000 banen in heel speciale gebieden.

2.   Inleiding

2.1   De EU is momenteel goed voor de productie (2) van circa 288 megaton steenkoolequivalent (Mtske), waarvan 122 Mtske antraciet betreft. Steenkool wordt meestal gebruikt voor de opwekking van elektriciteit, verwarming of de productie van staal en andere industriële processen. Polen en Duitsland zijn de grootste steenkoolproducenten in de EU.

2.2   Van de tien steenkool producerende lidstaten kennen zes landen diverse vormen van staatssteun toe: in de eerste plaats Duitsland en Spanje, en in mindere mate ook Hongarije, Polen, Roemenië en Slowakije (Slovenië verleent alleen steun aan reeds gesloten mijnen).

2.3   Het EGKS-Verdrag uit 1951 bevatte heldere regels omtrent het al dan niet verlenen door een lidstaat van steun aan bedrijven in de kolen- en staalsector: „Als zijnde onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal (…) zijn verboden binnen de Gemeenschap overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag: door de staten verleende subsidies of hulp, (…), in welke vorm ook.” Dit in artikel 4, sub c), vermelde verbod op elke vorm van steun aan ondernemingen van lidstaten vloeide logisch voort uit de opheffing van alle nationale beschermingsmaatregelen binnen de gemeenschappelijke markt.

2.4   Na de oprichting van de gemeenschappelijke markt werd echter al snel duidelijk dat het niet mogelijk was om Europa's energievoorziening veilig te stellen. Artikel 95, de bepaling voor onvoorziene omstandigheden na ondertekening van het verdrag, werd toen als uitgangspunt gebruikt om bepaalde vormen van gemeenschapssteun toe te staan. Het stond gemeenschapsinterventie toe om waar nodig één of meer doelstellingen van het verdrag te verwezenlijken.

2.5   Na het verstrijken van het EGKS-Verdrag keurde de Raad Verordening (EG) 1407/2002 van 23 juli 2002 betreffende staatssteun voor de steenkoolindustrie goed, die op 31 december 2010 verstrijkt. Tussen 2003 en 2008 is ruim 26 miljard euro aan steun voor de sector goedgekeurd.

2.6   Het EESC heeft over deze steunregeling (3) advies uitgebracht en onderschreef het standpunt van het Raadgevend EGKS-comité, nl. dat „algehele afschaffing van de steun aan de kolenindustrie niet te rijmen is met het streven de continuïteit van de energievoorziening veilig te stellen door te zorgen voor een permanent beschikbare basisvoorraad primaire energie.”

2.7   Het EESC juicht het toe dat „de lidstaten te allen tijde in staat zijn een stabiele minimumhoeveelheid eigen steenkool te winnen en de toegankelijkheid van deze strategische reserves te waarborgen (…).” Dit vereist goed onderhouden infrastructuur, ruime aandacht en speciale maatregelen op het delicate gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, behoorlijk opgeleid personeel en technologische expertise.

2.8   Het EESC wijst verder op het belang om deze specifieke sector in het kader van de eigen strategische grondstoffen actief te helpen om Europa aantrekkelijker te maken voor investeerders en ondernemers, om het concurrentievermogen van de bedrijven en de sociale samenhang op te voeren, om het klimaat voor onderzoek en innovatie te verbeteren en om te stimuleren dat nieuwe kennis gecreëerd en verspreid wordt en personeel wordt opgeleid (4).

2.9   Ook heeft het EESC opgemerkt dat de Commissie zich moet concentreren op het onderzoek naar staatssteunmaatregelen die de handel significant beïnvloeden, in plaats van haar middelen te verspillen met het onderzoeken van allerlei gevallen die voornamelijk van lokaal belang zijn. In dit verband dient te worden verduidelijkt wat het begrip „local concern” inhoudt en hoe dit moet worden geïnterpreteerd (5).

2.10   De fossiele brandstoffen kolen (6), olie en aardgas vormen de ruggengraat van de Europese en wereldwijde energievoorziening. Hierin zal de komende decennia geen verandering komen; de mens kan nog niet zonder (7).

2.11   Ook een grootschaliger gebruik van zijn ruime steenkoolvoorraden kan Europa minder afhankelijk maken. Wat steenkool betreft: van het op 3 400 miljard ton olie-eenheden geschatte totale potentieel is nog maar zo'n 3 % geëxploiteerd. De verwachte levensduur van de wereldwijde voorraden en reserves aan kolen, olie en gas is afhankelijk van diverse factoren (economische groei, exploratie, technische vooruitgang). De voorraden kunnen nog vele decennia mee (misschien wel eeuwen, in het geval van steenkool) (7).

2.12   Volgens verwachtingen voor 2030-2050 van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, het GCO (8), blijft steenkool de gehele 21e eeuw essentieel om aan de energiebehoefte te voldoen. Meer aandacht voor de beperking van de uitstoot van broeikasgassen vergt grote investeringen in onderzoek en ontwikkeling van schone steenkooltechnologie en doeltreffendere afvang- en opslagtechnologie. Wereldwijd zal steenkool een belangrijke energiebron blijven, die in ruim 20 % van de mondiale behoefte aan energie voorziet.

2.13   Zoals het Comité al heeft opgemerkt (9), zal na een aanvankelijke daling het kolenverbruik naar verwachting vanaf ongeveer 2015 weer gaan stijgen dankzij de betere concurrentiepositie die deze energiebron dan zal hebben in de elektriciteitsproductie. Ten grondslag aan deze ontwikkeling liggen met name stijgende aardgasprijzen en de verwachte beschikbaarheid van geavanceerde technieken om elektriciteit uit steenkool op te wekken.

2.14   China, de VS, India, Australië en Rusland zijn de grootste producenten wereldwijd: China produceert 2 761 Mt per jaar (47 % van de wereldproductie), de VS 1 006 Mt (17 %) en Rusland 247 Mt (4 %). De EU importeert 180 Mt steenkool per jaar, vooral uit Rusland (30 %), Colombia (17,8 %), Zuid-Afrika (15,9 %) en de VS (12,8 %) (10).

3.   De voorstellen

3.1   In verband met het verstrijken van Verordening (EG) nr. 1407/2002 van de Raad van 23 juli 2002 betreffende staatssteun voor de steenkoolindustrie heeft de Commissie recentelijk de volgende zes opties uitgewerkt:

optie 1: de Commissie komt niet met een nieuw, sectorspecifiek wetsinstrument dat ingaat na het verstrijken van de steenkoolverordening; de algemene regels voor staatssteun zouden gaan gelden;

optie 2: goedkeuring van richtsnoeren op basis van artikel 107, lid 3, sub c), VWEU, te vergelijken met de regels die zijn goedgekeurd voor de scheepsbouw- en staalsector (steun voor betalingen aan ontslagen werknemers of voor hen die instemmen met vervroegd pensioen ten gevolge van gesloten mijnen, voor begeleiding en professionele omscholing van zulke werknemers en de ontmanteling van locaties);

optie 3: een verordening voor tijdelijke steun (voor de sluiting), geleidelijk afnemende steun, mits gecombineerd met een ordelijke afbouw van mijnen en installaties in het kader van een welomschreven sluitingsplan;

optie 4: een verordening voor steun voor buitengewone kosten (sociale en milieulasten uit het verleden) in verband met de sluiting van steenkoolmijnen;

optie 5: een verordening op basis van artikel 107, lid 3, sub e), VWEU, die de lidstaten toestaat steun te verlenen voor sluiting en ter dekking van buitengewone kosten, of

optie 6: verlenging van de huidige Steenkoolverordening met nog eens 10 jaar, d.w.z. tot het eind van 2020, zonder te eisen dat de mijnen dichtgaan, en met de mogelijkheid om investeringssteun te verlenen.

3.2   De Commissie heeft besloten tot een nieuwe raadsverordening op basis van optie 5, met een aanvullende mogelijkheid voor de lidstaten om de sociale en regionale impact van sluitingen op te vangen en om de sociale cohesie in Europa's regio's te vergroten.

Naast de opties van de algemene staatssteunregels (versterking van het concurrentievermogen van ondernemingen en van de sociale cohesie, stimulering van onderzoek en innovatie, bevordering van het scheppen en verspreiden van nieuwe kennis en de opleiding van personeel) kunnen met het Commissievoorstel twee typen steun als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd: sluitingssteun en steun ter dekking van buitengewone kosten.

3.3.1   De verlening van operationele steun aan steenkoolmijnen is afhankelijk van de volgende criteria:

er moet een gedetailleerd plan zijn voor de definitieve sluiting van de niet-rendabele mijn per 1 oktober 2014, die op 31 december 2009 nog in bedrijf was;

de steun moet in de tijd fors dalen, d.w.z. met 33 % na elke periode van 15 maanden;

is de mijn op de vastgestelde datum niet dicht, dan moet de verleende steun worden terugbetaald, en

de lidstaten moeten een plan voorleggen met maatregelen om de milieugevolgen van het gebruik van steenkool terug te dringen.

3.3.2   Steun voor buitengewone kosten is bestemd voor bijzondere herstructureringskosten, kosten voor ontmanteling die niet direct verband houden met de huidige productie, alsook voor sociale en milieulasten uit het verleden naar aanleiding van de sluitingen (uitsluitend indien deze het gevolg zijn van de sluiting van steenkoolmijnen).

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Het EESC betreurt het dat de Raad de adviescommissie Industriële reconversie (CCMI), die integraal deel uitmaakt van de operationele structuur van het EESC en de bevoegdheden waarneemt van het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), niet heeft geraadpleegd.

4.2   Het EESC wil vooral zijn recht doen gelden om advies te verlenen over een kwestie die van groot belang is voor de industriële reconversie in de EU, zoals het Raadgevend Comité van de EGKS ten aanzien van Verordening (EG) 1407/2002 benadrukte. Het was van mening dat algehele afschaffing van de steun aan de kolenindustrie niet te rijmen was met het streven de continuïteit van de energievoorziening veilig te stellen door te zorgen voor een permanent beschikbare basisvoorraad primaire energie.

4.3   Het EESC merkt op dat de Europese Raad van 19 en 20 maart 2009 instemde met de door de Commissie op 13 november 2008 gepubliceerde Tweede Strategische Energie-evaluatie, waarin benadrukt werd om „de inheemse energiebronnen van de EU zo goed mogelijk [te] benutten”, en dat er „optimaal gebruik moet worden gemaakt van de eigen energiebronnen, inclusief energie uit hernieuwbare bronnen, fossiele brandstoffen en, in de landen die daarvoor hebben gekozen, kernenergie.”

4.4   Het EESC wijst er voorts op dat het Zesde Milieuactieprogramma 2002-2012 onder andere deze doelstelling kent: „bevordering van hernieuwbare, koolstofarmere fossiele brandstoffen voor de energieopwekking”; artikel 1 van de huidige verordening voor steun aan mijnen voorziet in „handhaving, als voorzorgsmaatregel, van de productie van een minimum hoeveelheid eigen steenkool die de toegang tot reserves garandeert.”

4.5   Tot slot merkt het EESC op dat onderzoek van de Gemeenschap, uitgevoerd door het GCO-Instituut voor Energie te Petten, uitwijst dat steenkool de gehele 21e eeuw essentieel blijft om aan de energiebehoefte te voldoen.

4.6   Het EESC is ingenomen met de maatregelen van de Commissie, voor zover zij voldoen aan de behoefte om de bedrijven in de sector binnen een gemeenschappelijk kader concurrerend te maken en worden ingegeven door zin voor mededinging (11), met het oog op het volgende:

behoud van een voldoende niveau van inheemse energiebronnen, als bijdrage aan de energievoorzieningszekerheid en geringere energieafhankelijkheid;

behoud van een leidende positie voor Europa voor slimme mijntechnologie en milieutechnologie voor „schone steenkool” en CCS (CO2-afvang en -opslag): ruimer gebruik van CCS-technologie zal pas na 2020 mogelijk zijn, en dan uitsluitend als de nodige O&O tijdig en met succes is uitgevoerd;

de reactie op marktfalen inzake de investeringen in onderzoek, innovatie en herstructurering om Europese steenkoolondernemingen in staat te stellen nieuwe markttechnologie tegen geringere kosten te verkrijgen en concurrerend te worden;

voldoen aan sociale en milieudoelstellingen door lokaal welvaart en banen te creëren door de ontwikkeling van regio's waar mijnbouw en aanverwante industrieën overheersen of de enige activiteit zijn;

toepassing van het idee van het lokale belang van de sector, daar de intracommunautaire handel geen of weinig impact op de sector heeft en de handel dus niet aanzienlijk beïnvloedt, en daar de huidige steunregeling niet geresulteerd heeft in een forse verstoring van de handel;

mogelijkheid tot modernisering van elektriciteitscentrales, met inachtneming van nationale (12) termijnen en procedures voor herstructurering van de sector, met steun voor netwerken van steenkoolgebieden en centra voor mijnbouwkennis en het gebruik van delfstoffen, en netwerken voor de opleiding van zeer gekwalificeerde managers;

behoud van een minimale strategische reserve van inheemse steenkool, zodat de overheid aan haar universele dienstverplichting voor de waarborging van energievoorziening kan voldoen, overeenkomstig artikel 106 VWEU (voorheen art. 86 van het EG-Verdrag);

verschaffing van begeleiding, opleiding en omscholing van werknemers en deskundigen van onrendabele mijnen; steun voor vervroegd pensioen in de sector en aanverwante bedrijfstakken;

ontwikkeling en ondersteuning van de Europese sectorale dialoog voor de mijnbouw en organisatie van technische, op netwerken gebaseerde forums, zoals het Berlin Fossil Fuel Forum;

steun voor de verspreiding en uitwisseling van goede praktijken, met name uit technisch en milieuoogpunt, zowel om een geavanceerde steenkoolwinning en de toepassingen daarvan concurrerend en duurzaam te maken als om herstructurering, diversificatie en sluiting (en rehabilitatie (13) van mijnen) op te starten waar zulks onhaalbaar is.

4.7   Volgens het EESC is de door de Commissie vermelde termijn te kort en staat zij haaks op de ontwikkelingsbehoefte van de sector: de periode 2011-2018 zou geschikter zijn, net als de periode 2002-2010, om vast te stellen of ondernemingen concurrerend zijn in het licht van de ontwikkeling van de markttechnologie, ten aanzien van goedkope CCS, schone steenkool en mijnbouwtechnieken.

4.8   Evenzo meent het EESC dat het tempo van de afbouw te hoog gegrepen is en in een te korte termijn plaatsvindt om weer concurrerend en innovatief te worden op het gebied van productie, schone steenkool en CCS. Verder zouden de steunmaatregelen ondernemingen eerder moeten belonen dan straffen (zoals het voorstel luidt) als zij de concurrentiemarges herstellen.

4.9   Wat betreft de onevenwichtige mededinging tussen geïmporteerde en inheemse producten verdient het aanbeveling om de steunregelingen van de exporterende landen nader en met meer transparantie onder de loep te nemen, alvorens te suggereren dat de communautaire regeling beperkt zou moeten worden. Verder moet er bij de ondertekening van akkoorden met derde landen meer aandacht uitgaan naar de opname van sociale normen van de ILO, om te vermijden dat mijnwerkers worden uitgebuit en om hen optimaal te beveiligen en te beschermen tegen de vaak dodelijke ongevallen die in 's werelds grootste productielocaties voorkomen.

4.10   Tot slot acht het EESC het voor de toekomst van de activiteiten van de mijnbouw- en elektriciteitssector essentieel dat Europese bedrijven en lidstaten een helder, proactief kader voor horizontale steun krijgen aangereikt dat voor sociale en milieudoeleinden kan worden ingezet, alsook voor OTO-doeleinden, innovatie, opleiding en het aanleren van professionele vaardigheden in de sector.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Zie ZEP – Zero emissions platform, European Technology Platform for zero emission fossil, fuel, power – Implementation Plan 2010-2012 (Europees technologisch platform voor elektriciteitscentrales met fossiele brandstoffen en nuluitstoot, Uitvoeringsplan 2010-2012) www.zeroemissionsplatform.eu/ccs-technology/capture.html; conferentie over het 2010 SET-Plan (Europees Strategisch Plan voor energietechnologie), georganiseerd door het Belgisch voorzitterschap (15-16 november 2010), http://setis.ec.europa.eu/technologies/Zero-emission-fossil.

(2)  Het gaat in dit advies om „steenkool of kolen”, zoals omschreven in artikel 2 van Verordening EG/1407/2002 – antraciet, ligniet, steenkool.

(3)  PB C 48 van 21 februari 2002, blz. 49.

(4)  PB C 65 van 17 maart 2006, blz. 1.

(5)  Zie voetnoot 2.

(6)  Antraciet, ligniet en steenkool.

(7)  PB C 28 van 3 februari 2006, blz. 5.

(8)  Coal of the future (supply prospects for thermal coal by 2030-2050), Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO), Energie-instituut te Petten (Nederland), februari 2007.

(9)  Zie voetnoot 9.

(10)  De VS steunen steenkoolbedrijven nog steeds actief, zowel in de VS als daarbuiten, hetgeen in strijd is met president Obama's belofte aan de G-20 om de subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen.

(11)  Blijkens alle Commissiedocumenten over energiebeleid, variërend van het SET-plan tot de Energiestrategie 2011-2010, moet er in dit verband rekening gehouden worden met factoren als de concurrentiepositie van andere inheemse energiebronnen van de EU tot 2020, de hulp voor andere inheemse energiebronnen en het bevorderde gebruik van steenkool op de wereldmarkt, de schommelende internationale prijzen van fossiele brandstoffen, de Europese meerwaarde van de strategische bronnen, met name in geval van internationale crises en spanningen. Voorts moeten de kosten voor reconversie van inheemse kolencentrales en voor sanering van de internationale buiten gebruik gestelde mijnen in ogenschouw worden genomen.

(12)  Zie bijv. het Duitse plan voor steenkoolmijnen tot 2018.

(13)  Ontmanteling.


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/20


Advies van het Euopees Economisch en Sociaal Comité over „Veiligstelling van de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector in de EU”

(initiatiefadvies)

(2011/C 54/04)

Rapporteur: Armands KRAUZE

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 18 februari 2010 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Veiligstelling van de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector in de EU

(initiatiefadvies).

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 november 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 9 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 133 stemmen vóór en 3 tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het veiligstellen van de voedselvoorziening zou een van de fundamentele doelstellingen van het EU-landbouwbeleid moeten blijven. Gezien de uitdagingen en onzekerheden in verband met de wereldwijde voedselvoorziening zal het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) na 2013 moeten blijven zorgen voor de veiligstelling van de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector.

1.2   Een duurzame landbouwproductie en goed werkende landbouwmarkten vormen de basis voor de veiligstelling van de voedselvoorziening in de EU. Het toekomstige GLB moet worden uitgerust met krachtige beheerssystemen om de werking van de landbouwmarkten en de prijsstabiliteit te waarborgen. De regels voor de handel in agrarische producten zouden de bevoorradingszekerheid in de landbouwsector in alle landen en onder alle omstandigheden moeten garanderen.

1.3   De EU heeft een krachtig GLB nodig om het hoofd te kunnen bieden aan de toekomstige uitdagingen en om de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector in alle lidstaten veilig te stellen. Het GLB moet ook in de toekomst tot de topprioriteiten van de EU blijven behoren. Hiervoor moeten voldoende middelen worden uitgetrokken.

1.4   Een duurzame, lokale voedselproductie is de sleutel tot wereldwijde voedselzekerheid. In de hele EU zou een gediversifieerde landbouwproductie in stand gehouden en gepromoot moeten worden. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar afgelegen regio's en gebieden met specifieke handicaps.

1.5   De EU moet meer ijveren voor een systematische planning van de veiligstelling van de bevoorrading, om de levensvatbaarheid van de landbouwproductie en de levensmiddelensector in zijn geheel te waarborgen, zelfs in tijden van crisis en noodsituaties. Voor de praktische maatregelen (voorraden, landbouwinfrastructuur, opleiding, enz.) zouden echter de lidstaten verantwoordelijk moeten blijven. Vooralsnog hoeft er voor de veiligstelling van de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector geen nieuwe EU-wetgeving te worden vastgesteld.

1.6   De lidstaten kunnen het EU-plattelandsontwikkelingsbeleid gebruiken voor maatregelen om de veiligstelling van de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector te ondersteunen en te verbeteren. De lidstaten zouden van deze mogelijkheid gebruik moeten maken in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's.

1.7   De landbouwsector zou een belangrijke rol kunnen spelen om een veilige en duurzame energievoorziening in de EU te stimuleren en om de EU minder afhankelijk te maken van geïmporteerde fossiele brandstoffen. Op het niveau van de landbouwbedrijven zou het zelf opwekken van energie in hoge mate kunnen bijdragen tot de voorzieningszekerheid. Om het gebruik van bio-energie in landbouwbedrijven te stimuleren zouden bio-energietechnologieën verder moeten worden ontwikkeld. Bio-energie zou op duurzame wijze moeten worden geproduceerd, en het gebruik van bijproducten van de landbouw- en levensmiddelensector dient te worden gepromoot, om de vervuiling en de CO2-emissies terug te dringen.

2.   Inleiding

2.1   Er is sprake van voorzieningszekerheid in de landbouw- en levensmiddelensector wanneer voldoende voedsel beschikbaar en voor alle mensen financieel toegankelijk is, zodat zij geen honger hoeven te lijden. In veel Europese landbouwsectoren is de productie toereikend om de EU-bevolking te voeden. Dit is te danken aan het GLB. Voedselzekerheid als een publiek goed dat niet door de markt wordt gehonoreerd maar dat door de landbouw- en levensmiddelensector wordt geleverd voor het welzijn van de samenleving, zal een belangrijke doelstelling van het GLB na 2013 zijn (1).

2.2   De komende decennia zal de voedselzekerheid de belangrijkste uitdaging voor de mondiale landbouw- en levensmiddelensectoren zijn. Als gevolg van de voedsel- en economische crisis lijden er wereldwijd meer dan een miljard mensen honger.

2.3   Voedselzekerheid betekent dat er voldoende voedsel beschikbaar is om een gezond leven te leiden, maar ook dat het voedsel veilig en niet besmet is. Het is een complexe materie die verband houdt met andere sectoren zoals de olieproductie, logistiek, enz. Problemen met de logistiek of productie in de belangrijkste productieregio's als gevolg van onverwachte crises, kunnen van invloed zijn op de beschikbaarheid van voedsel voor miljoenen mensen, vooral in stedelijke gebieden. Een duurzame, lokale voedselproductie (2) is de sleutel tot wereldwijde voedselzekerheid.

3.   De uitdagingen voor de mondiale voedselproductie

3.1   Volgens voorspellingen van de FAO, de landbouworganisatie van de VN, zal de wereldbevolking tegen 2050 zijn gestegen tot bijna 9,5 miljard mensen. Om al deze mensen te voeden zal de mondiale voedselproductie moeten worden verdubbeld ten opzichte van het huidige niveau. Vooral de bevolking in steden in de ontwikkelde wereld zal snel groeien. Er zal veel worden verwacht van de boeren, en zij zullen steeds meer onder druk worden gezet om over te schakelen op een meer intensieve landbouw en veehouderij. De landbouwproductie zal moeten stijgen om de groeiende wereldbevolking van voedsel te kunnen voorzien. De mogelijkheden voor uitbreiding van landbouwgebieden zijn beperkt doordat het land voor andere dan landbouwdoeleinden wordt gebruikt, en door het gebrek aan beschikbare en geschikte landbouwgrond.

3.2   De investeringen in landbouw zullen overal moeten stijgen, maar vooral in ontwikkelingslanden, waar er nog een aanzienlijk potentieel voor uitbreiding van de productie is. Hiervoor is het tevens zaak dat de plattelandsinfrastructuur, de toegang tot moderne productiemiddelen, een duurzaam bodembeheer en in het bijzonder de toegang tot water, evenals de onderwijssystemen en de werking van de landbouwmarkten in ontwikkelingslanden worden verbeterd. Op langere termijn zal de voedselzekerheid voornamelijk zijn terug te voeren op de beschikbaarheid van en toegang tot voedsel. De meest doeltreffende wijze om de voedselzekerheid te garanderen verloopt via de algemene ontwikkeling en een verhoging van het inkomensniveau in de armste landen. Landbouw speelt een bijzonder belangrijke rol bij het garanderen van de voedselzekerheid, maar het is moeilijk om de voedselzekerheid uitsluitend via de landbouw te garanderen (3).

3.3   In de slotverklaring van de Wereldvoedseltop van de FAO van 2009 wordt aanbevolen om de verantwoordelijkheid voor de voedselproductie bij de individuele landen te leggen.

3.4   Dankzij de voedsel- en economische crisis en de veranderende situatie in de wereld wordt steeds beter ingezien dat alle landen en regio's, inclusief de minder begunstigde landen, het recht en zelfs de plicht hebben om hun eigen voedsel te produceren. Het moet mogelijk zijn om op duurzamere wijze meer voedsel te produceren.

3.5   Naast de bevolkingsgroei zijn ook de klimaatverandering en de daarmee samenhangende druk op de natuurlijke hulpbronnen een enorme uitdaging voor de wereldwijde voedselvoorziening. De klimaatverandering kan een grote impact op de voedselproductie hebben, vooral in ontwikkelingslanden, waarvan sommige ook het minst goed in staat zijn zich hieraan aan te passen. De landbouwsector moet proberen de broeikasgassenuitstoot terug te dringen, maar kan tegelijkertijd een deel van de oplossing bieden in de vorm van koolstofvastlegging in de bodem. De landbouw moet efficiënter gaan produceren, met minder emissies. De landbouw moet bijdragen tot een betere waterkwaliteit, behoud van de biodiversiteit en het voorkomen van erosie. Ervoor zorgen dat voldoende landbouwgrond en zoet water beschikbaar zijn, is ook een kritieke uitdaging voor de wereldwijde voedselzekerheid.

3.6   Innovatie in de landbouw is van cruciaal belang om de uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid en klimaatverandering aan te gaan. De belangrijkste innovaties op deze gebieden hebben vaak betrekking op kweek- en fokmethoden, irrigatietechnieken, hoogwaterbeheersing, bescherming tegen warmte en koude, diversifiëring van traditionele landbouwmethoden, enz. Een oplossing voor toekomstige problemen kan zijn om de efficiëntie van plantenteeltmethoden te verbeteren, waarmee de landbouwproductiviteit potentieel aanzienlijk kan toenemen.

4.   Veiligstelling van de bevoorrading

4.1   Voedselzekerheid is van strategisch belang voor de hele wereldbevolking. De toegang tot voedsel is slechts één aspect van het bredere zekerheidsconcept. Problemen met de toegang tot voedsel zullen zeer binnenkort tot meer sociale instabiliteit en onrust leiden. Het garanderen van de toegang tot voedsel is, zelfs in crisis- en noodsituaties, de verantwoordelijkheid van de samenleving.

4.2   In een moderne netwerkeconomie hangt de voedselzekerheid af van veel aspecten. Voedselzekerheid vraagt om een stabiele energievoorziening (olie en elektriciteit), IT, doeltreffende logistieke voorzieningen, een goede hygiëne en een goed werkend systeem voor snelle waarschuwing tegen schadelijk voedsel. De lidstaten worden geacht essentiële infrastructuurvoorzieningen in de landbouw- en levensmiddelensector te beschermen, en hiervoor concrete maatregelen te nemen.

4.3   De samenlevingen moeten maatregelen treffen voor noodsituaties in verband met de voedselvoorziening. Dit wordt ook wel „veiligstelling van de bevoorrading” genoemd. Hiermee wordt over het algemeen bedoeld dat de materiaalstroom wordt veiliggesteld (bijvoorbeeld door noodvoorraden aan te leggen), maar hiermee wordt tevens het vermogen bedoeld om die economische basisactiviteiten in stand te houden die van essentieel belang zijn voor de levensomstandigheden van de bevolking, en voor de werking en beveiliging van de samenleving. In de context van de beschikbaarheid van voedsel wordt met veiligstelling van de bevoorrading dus gedoeld op het vermogen om de voedselproductie en de werking van de hele levensmiddelensector te garanderen, zelfs in tijden van crisis en noodsituaties.

5.   Het EU-landbouwbeleid en de veiligstelling van de bevoorrading

5.1   De Europese Unie bereidt zich momenteel voor op de komende herziening van het GLB, oftewel het landbouwbeleid na 2013. De Commissie publiceerde in november 2010 een mededeling over het toekomstige beleid. Wetgevingsvoorstellen ter zake zullen waarschijnlijk eind 2011 volgen, en het besluit van de Raad en het EP kan worden verwacht in 2012. In de EU zal de voedselproductie ook in de toekomst worden veiliggesteld via het GLB.

5.2   De doelstellingen van het EU-landbouwbeleid, zoals verwoord in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en die ongewijzigd zijn overgenomen in het vorig jaar geratificeerde Verdrag van Lissabon, zijn:

een stijging van de productiviteit van de landbouw

landbouwers een redelijke levensstandaard verzekeren

de markten stabiliseren

de voedselvoorziening veiligstellen

redelijke levensmiddelenprijzen garanderen voor de consument.

5.3   Het spreekt voor zich dat de wereldwijde veranderingen en de nieuwe uitdagingen het EU-landbouwbeleid zullen nopen tot andere doelstellingen, maar bovengenoemde primaire doelstellingen zullen nog altijd noodzakelijk en relevant zijn. In de loop der jaren is er veel kritiek geweest op het EU-landbouwbeleid, ook tijdens de handelsbesprekingen. In werkelijkheid heeft het GLB de doelstellingen meer dan naar tevredenheid bereikt. Het heeft de voedselvoorziening in de hele Unie veiliggesteld, ondanks prijsschommelingen en ook tijdens perioden van crisis. Het GLB heeft de bevoorradingszekerheid in de EU weten te waarborgen, hoewel de EU voor sommige landbouwproducten en –grondstoffen niet volledig zelfvoorzienend is. Hierbij moet de EU wel rekening houden met het feit dat de perifeer gelegen landen van de EU vaak moeite hebben om hun bevoorrading te veilig te stellen tijdens perioden van sterke prijsschommelingen.

5.4   In de toekomst zullen de wereldmarkten een meer open karakter hebben. Toekomstige handelsovereenkomsten kunnen ervoor zorgen dat landbouwproducten van landen buiten de EU gemakkelijker de EU kunnen binnenkomen (mits aan bepaalde voedselveiligheidscriteria wordt voldaan), maar tegelijkertijd zullen er meer mogelijkheden voor EU-landbouwproducten komen om op andere markten te worden verhandeld. De mondiale demografische ontwikkelingen en de wereldmarkten doen de prioriteiten van de landbouwproductie en de vraag naar voedsel in de hele wereld verschuiven. De onderlinge afhankelijkheid van samenlevingen en economische zones neemt hand over hand toe. De klimaatverandering leidt tot steeds extremere weersverschijnselen. Aangezien meer internationale handel alléén niet genoeg is om de voedselvoorziening veilig te stellen, zullen de fluctuaties in de landbouwprijzen en de marktinstabiliteit verder toenemen. Het toekomstige landbouwbeleid van de EU moet instrumenten bieden om de markten te stabiliseren. De EU moet geen instabiliteit op de wereldwijde levensmiddelenmarkt veroorzaken, maar juist actief helpen er een eind aan maken.

5.5   De Europese Unie is een belangrijke wereldwijde producent en exporteur van levensmiddelen. De beste manier voor de EU om de stabiliteit van de wereldwijde voedselmarkten in stand te helpen houden is ervoor te zorgen dat haar eigen landbouwmarkt in evenwicht blijft en efficiënt functioneert. De EU zou bovendien een belangrijke rol moeten spelen bij de instandhouding van de wereldwijde voedselzekerheid.

5.6   Europese consumenten willen voedzaam en veilig voedsel van goede kwaliteit blijven eten. Het toekomstige landbouwbeleid moet ervoor zorgen dat het milieu (lucht, bodem, water) en het dierenwelzijn gedurende het hele productieproces worden beschermd. Het feit dat de normen in de EU hoger liggen dan in de rest van de wereld drijft de kosten voor Europese producenten op; het EU-landbouwbeleid moet dan ook instrumenten bieden om gelijke concurrentievoorwaarden te scheppen voor landbouwers en ondernemers in de EU en daarbuiten. De uitdaging voor de EU bestaat erin om de bestaande instrumenten (zoals handelsovereenkomsten) te gebruiken en nieuwe instrumenten te ontwikkelen waarmee ervoor kan worden gezorgd dat andere voedselproducerende landen de Europese normen voor voedselproductie gaan naleven.

5.7   Het plattelandsontwikkelingsbeleid (de tweede pijler van het GLB) zal ook in de toekomst van grote betekenis zijn voor de evenwichtige ontwikkeling van landelijke gebieden, die een essentieel onderdeel van Europa vormen. Meer dan 60 % van de bevolking van de huidige EU-27 leeft in deze gebieden, die goed zijn voor 90 % van het totale grondgebied van de Unie. Een plattelandsontwikkelingsbeleid dat meer rekening houdt met de verschillende omstandigheden in de lidstaten, zou in de toekomst wel eens nog belangrijker kunnen worden. Het plattelandsontwikkelingsbeleid zal een steeds grotere rol spelen voor de werkgelegenheid in plattelandsgebieden en de diversifiëring van business opportunities. Het plattelandsontwikkelingsbeleid kan worden gebruikt als EU-instrument om de bevoorradingszekerheid in de landbouw- en levensmiddelensector te bevorderen.

5.8   Gezien de uitdagingen en onzekerheden in verband met de wereldwijde voedselvoorziening zal het toekomstige EU-landbouwbeleid aandacht moeten blijven schenken aan de veiligstelling van de bevoorrading. Veiligstelling van de voedselvoorziening is een fundamentele doelstelling van het EU-landbouwbeleid. De EU moet een grotere inspanning leveren voor een systematische planning om de levensvatbaarheid van de landbouwproductie en de levensmiddelensector in zijn geheel te waarborgen, zelfs in tijden van crisis en noodsituaties. Hiervoor moeten de nodige mechanismen beschikbaar zijn. Een centrale doelstelling van het EU-landbouwbeleid moet zijn om een gediversifieerde landbouwproductie in stand te houden en deze in de hele EU te bevorderen. Instandhouding van de grote diversiteit aan levensmiddelen van hoge kwaliteit uit verschillende plattelandsgebieden in de hele EU en voor alle EU-burgers, zal de juiste strategie zijn voor het EU-voedselbeleid. Dit zal ook helpen om de voorzieningszekerheid te waarborgen.

5.9   Om op lange termijn de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector te kunnen garanderen moet de landbouwproductie een duurzaam karakter hebben. Naast de ecologische duurzaamheid zijn ook de economische en sociale dimensies van belang. Er moet meer nadruk worden gelegd op de rol van de landbouw om de gevolgen van de klimaatverandering te verzachten en zich hieraan aan te passen. De landbouw- en levensmiddelensector spelen ook een rol bij de productie van bio-energie. De doelstellingen van de EU-2020-strategie zouden een vaste plaats in het landbouwbeleid moeten krijgen.

5.10   Dankzij de productie van bio-energie levert de EU-landbouw een belangrijke bijdrage aan de invoering van hernieuwbare energietechnologieën. Een duurzame landbouw- en levensmiddelensector kan er flink toe bijdragen om de EU minder afhankelijk te maken van ingevoerde fossiele brandstoffen en de energievoorziening aan de EU-burgers veilig te stellen. Verwerking van landbouwafval en bijproducten (mest, afval van de voedselindustrie, enz.) tot bio-energie zal helpen om de vervuiling en de CO2-uitstoot terug te dringen.

Brussel, 9 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Staffan NILSSON


(1)  In het kader van de opstelling van dit advies is op 31 mei 2010 in Helsinki een seminar gehouden over „Veiligstelling van de bevoorrading in de landbouw- en levensmiddelensector in de Europese Unie”.

(2)  Zoals gedefinieerd door de Wereldvoedseltop van de FAO.

(3)  PB C 100, 30.4.2009, blz. 44.


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/24


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema „Betrekkingen EU-Rusland”

(initiatiefadvies)

(2011/C 54/05)

Rapporteur: de heer VOLEŠ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn zitting van 17 en 18 februari 2010, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van het rvo, besloten een initiatiefadvies op te stellen over het thema:

Betrekkingen EU-Rusland.

De gespecialiseerde afdeling Externe betrekkingen, die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 23 november 2010.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 9 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 195 stemmen vóór en zonder stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1   Het EESC verwelkomt de Gezamenlijke verklaring inzake het partnerschap voor modernisering (PvM), die tijdens de op 31 mei en 1 juni 2010 te Rostov aan de Don gehouden EU-Ruslandtop is goedgekeurd, inclusief de oproep tot het maatschappelijk middenveld om zijn deelname aan de samenwerking tussen de EU en Rusland door een verbrede dialoog te bevorderen. De betrekkingen tussen de EU en Rusland zijn voor beide partijen van strategisch belang en moeten op wederzijds vertrouwen berusten. Het maatschappelijk middenveld in de EU en Rusland dienen hun onderlinge samenwerking op te voeren en bij te dragen aan de uitvoering van het PvM. Het EESC is bereid hieraan actief bij te dragen.

1.2   Het EESC onderschrijft de bestaande structuur van de gemeenschappelijke ruimten, maar wil dat het maatschappelijk middenveld aan beide zijden meer de gelegenheid krijgt om de eigen standpunten en initiatieven op diverse terreinen voor het voetlicht te brengen.

1.3   Het EESC stelt voor om meer relevante partijen te betrekken bij de dialoog over economische en handelsbetrekkingen en om na te denken over de oprichting van een breed en representatief EU-Rusland Bedrijfsforum.

1.4   Het EESC staat achter de pogingen om snel vooruitgang te boeken in de onderhandelingen over de vergemakkelijking en liberalisering van de visumregeling.

1.5   Bij het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland zouden meer non-gouvernementele actoren betrokken moeten worden. Het EESC is bereid om zich bij dit platform aan te sluiten.

1.6   Er zouden meer platforms moeten komen waar de maatschappelijke organisaties uit de EU en Rusland kunnen bijdragen aan het vervolg en de monitoring van de betrekkingen tussen de EU en Rusland. In navolging van het Forum van het maatschappelijk middenveld (FMM) voor het oostelijk partnerschap zou er ook een FMM voor de EU en Rusland kunnen worden opgericht.

1.7   Het EESC wil dat er meer contact tussen mensen ontstaat en dat er meer uitwisselingen plaatsvinden op het gebied van onderwijs en de interculturele dialoog als middel om wederzijds begrip en vertrouwen te vergroten.

1.8   Het standpunt van de lidstaten jegens Rusland zou samenhangender moeten zijn. De EU moet met één stem spreken en ambitieus, maar tegelijk realistisch te werk gaan en over genoeg flexibiliteit beschikken.

1.9   Het EESC beschouwt Russisch lidmaatschap van de WTO als essentieel, staat volledig achter dit proces en zou dit zo snel mogelijk voltooid willen zien.

1.10   De EU moet de regels herzien voor financiële steun aan ngo's in het kader van het Europese instrument voor democratie en mensenrechten. Dit instrument gaat uit van een hoge mate van cofinanciering, die het veel Russische ngo's onmogelijk maakt om hiervan gebruik te maken.

1.11   Het EESC raadt aan om naar mogelijkheden te kijken om Rusland bij grote regionale projecten te betrekken die met de landen van het oostelijk partnerschap (OP) besproken kunnen worden, vooral op het gebied van milieu, volksgezondheid, vervoer en energie-efficiëntie. Het Russische maatschappelijk middenveld zou vergaderingen moeten kunnen bijwonen van de diverse platforms van het FMM van het oostelijk partnerschap, waar dergelijke projecten van gemeenschappelijk belang tussen de EU, het oostelijk partnerschap en Rusland aan de orde kunnen komen. Een ruimere inbreng van het maatschappelijk middenveld wordt ook aanbevolen voor de uitvoering van het beleid inzake de noordelijke dimensie, de Oostzee- en Zwartezeestrategie en andere relevante initiatieven.

1.12   Het EESC herhaalt zijn voorstel om een op te richten gezamenlijk EU-Russisch orgaan voor het maatschappelijk middenveld op te nemen in de aanstaande overeenkomst.

1.13   Het EESC zal een contactgroep voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland oprichten en contact blijven onderhouden met de Civiele kamer van de Russische Federatie (CCRF). Tevens stelt het voor meer maatschappelijke organisaties te betrekken bij de gemeenschappelijke activiteiten van de CCRF.

2.   Betrekkingen EU-Rusland: een inventarisatie

2.1   De laatste twee decennia kende de relatie EU-Rusland diverse hoogte- en dieptepunten. Het Russisch-Georgische gewapende conflict in augustus 2008 en de gasruzie tussen Rusland en Oekraïne in januari 2009 bekoelden de wederzijdse betrekkingen. Toch bleven beide partijen proberen de impasse te boven te komen. Dit advies beoogt vooral duidelijk te maken hoe de EESC-aanbevelingen de betrekkingen tussen de EU en Rusland kunnen verbeteren, en hoe het maatschappelijk middenveld in beide gebieden hieraan kan bijdragen.

2.2   De besprekingen over een nieuwe bilaterale overeenkomst tussen de EU en Rusland ter vervanging van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst uit 1994 werden in juni 2008 gelanceerd in Chanty-Mansijsk en gingen in juli dat jaar officieel van start. Beide partijen benaderden de onderhandelingen met verschillende nadruk op de aard van de nieuwe overeenkomst. De EU wil een overkoepelend en gedetailleerde strategische overeenkomst, terwijl Rusland liever een politieke raamovereenkomst ziet, als kader voor nadere gedetailleerde sectorovereenkomsten voor terreinen die voor Rusland van belang zijn (1).

2.3   De 12e onderhandelingsronde tussen de EU en de Russische Federatie, die via de werkgroepen voor de Gemeenschappelijke ruimten verlopen, begon medio november 2010. De Commissie is voorzichtig optimistisch over de resultaten van de onderhandelingen tot nu toe, maar het is nog te vroeg om te zeggen wanneer de besprekingen over de nieuwe overeenkomst kunnen worden afgerond.

2.4   Het gebrek aan vooruitgang in de besprekingen over een nieuwe overeenkomst toont aan dat beide partijen over de wederzijdse betrekkingen van mening verschillen. De EU is voorstander van een complexe modernisering van samenleving, politiek en economie die strookt met het Europese acquis en de Europese instellingen. Rusland daarentegen wil behandeld worden als souvereine wereldmacht, met eigen opvattingen over democratie en mensenrechten en met eigen economische en veiligheidsbelangen (2). Daartoe zet Rusland alle middelen in waarover het beschikt: aardgas en olie, kernwapens, ruimtevaartprogramma's enz., inclusief zijn positie in internationale organisaties, zoals de VN-Veiligheidsraad, de Shanghai Samenwerkingsorganisatie, het GOS en de G-20. Maar de internationale verwezenlijking van die ambities blijft beperkt vanwege de huidige gebrekkige sociaaleconomische omstandigheden in Rusland (3).

2.5   De EU en Rusland zijn omtrent mogelijke veranderingen in de veiligheidsarchitectuur van Europa heel verschillende meningen toegedaan. Rusland wil de Europese veiligheidsstructuur herzien, wat blijkt uit Ruslands voorstel om een nieuw Europees veiligheidspact af te sluiten, zoals in juni 2008 verwoord door president Dimitri Medvedev.

2.6   Er zijn ook aanzienlijke verschillen ten aanzien van de continuïteit van de energievoorziening. Als Europa's grootste leverancier van olie en aardgas streeft Rusland naar een speciale behandeling, ook voor zijn energiebedrijven en hun toegang tot de EU-markt, inclusief erkenning van zijn speciale positie en belangen in de energiesector van Wit-Rusland en Oekraïne (4). Rusland zegde in augustus 2009 het Verdrag inzake het Energiehandvest (ECT) op. De EU van haar kant beschouwt het ECT als basis voor verdere liberalisering van de energiemarkt, inclusief de openstelling voor Russische energiemaatschappijen. Het recente initiatief van president Medvedev om een nieuw wereldwijd verdrag voor veilige energievoorziening af te sluiten, ter vervanging van het ECT, was gericht aan de leden van de G-20, en niet uitsluitend aan de EU, hoewel zij Ruslands belangrijkste handelspartner op energiegebied blijft.

2.7   Rusland probeert zijn belangen jegens de EU te behartigen door speciale betrekkingen aan te knopen met traditionele Europese „grootmachten”. De EU-lidstaten hebben immers hun eigen bilateriale betrekkingen met Rusland, die hun nationale tradities en belangen weerspiegelen, maar het is essentieel dat zij streven naar een betere coördinatie van hun standpunten en activiteiten, zodat er een overkoepelend EU-beleid jegens Rusland kan worden geformuleerd. Het nieuwe Verdrag van Lissabon heeft het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU versterkt en de EU nieuwe bevoegdheden toegekend voor het waarborgen van de energievoorziening.

2.8   Rusland en de EU verschillen ook van mening over het oostelijk partnerschap, dat Rusland beschouwt als een poging om Europa's invloedssfeer uit te breiden. De EU ziet het partnerschap echter als een middel om waarden en normen met de oostelijke buurlanden te delen, aangezien de invoering hiervan tot economische en sociale modernisering leidt en bijdraagt aan de veiligheid en stabiliteit van geheel Europa.

2.9   De samenwerking tussen de EU en Rusland heeft zich positief ontwikkeld binnen het kader van het gezamenlijke beleid van de EU, Rusland, Noorwegen en IJsland inzake de noordelijke dimensie. Er zijn concrete resultaten bereikt in partnerschapsprojecten op het gebied van milieu, volksgezondheid, cultuur, vervoer en infrastructuur. In zijn advies over het beleid inzake de noordelijke dimensie (5) heeft het EESC onverdroten bijgedragen aan de uitvoering van het beleid en het belang benadrukt van deelname van het maatschappelijk middenveld hieraan.

2.10   Ondanks de hierboven vermelde misverstanden en moeilijkheden heerst er in zowel de EU als Rusland algemene overeenstemming over het strategisch belang van de bilaterale betrekkingen. De politieke wil tot verbetering van die betrekkingen spreekt duidelijk uit de conclusies van de EU-Ruslandtop van Rostov aan de Don (31 mei-1 juni 2010) en de gezamenlijke verklaring over het Partnerschap voor Modernisering (6).

3.   De uit de Gemeenschappelijke ruimten getrokken lessen

3.1   Algemene bevindingen

3.1.1   De geïnstitutionaliseerde dialoog, onder de aegide van Gemeenschappelijke ruimten (7), bood de gelegenheid tot de meest intensieve dialoog die de Unie ooit in haar betrekkingen met derde landen heeft gevoerd. Voor de onderhandelingen over de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland kunnen de volgende lessen worden getrokken uit de bestaande samenwerking in het kader van de gemeenschappelijke ruimten (8):

de structuur met gemeenschappelijke ruimten is een solide institutioneel kader voor een brede politieke en sectorale dialoog tussen de EU en Rusland, die behouden moet blijven;

ondanks enige vooruitgang die ten aanzien van sectorale kwesties is geboekt, zijn de resultaten van de GR nogal schamel, afgezet tegen de aanvankelijke verwachtingen van beide partijen;

ter verbetering van de dialoog en de samenwerking is aan beide zijden meer politieke bereidheid en wederzijds vertrouwen vereist om het eens te kunnen worden over afspraken en waarden, inclusief de wederzijds overeengekomen normen.

3.2   Gemeenschappelijke economische ruimte

3.2.1   De EU-doelstelling voor een Gemeenschappelijke Economische Ruimte (GER) betrof de totstandkoming van een open en geïntegreerde markt tussen de EU en Rusland. Dit proces verloopt traag en een vrijhandelsgebied lijkt tamelijk ver weg. Het is cruciaal dat Rusland een lid van de WTO wordt en het EESC onderschrijft de wens van Russische zijde om de toetreding zo snel mogelijk tot stand te brengen. Het is echter wel de vraag hoe de oprichting van een douane-unie met Kazachstan en Wit-Rusland de onderhandelingen met de WTO zal beïnvloeden.

3.2.2   De GER-dialoog op verschillende terreinen omvat diverse niveaus en betreft allerlei aspecten op het gebied van economie, financiën, industrie en handel. (9) Het EESC beveelt aan om de GER-dialoog ook te richten op werkgelegenheids- en sociaal beleid, met inbreng van de sociale partners die nog niet aan de onderhandingen deelnemen, zulks met inachtneming van de beperkte bevoegdheden van de EU op deze gebieden. Speciale aandacht verdient de volksgezondheid, inclusief sanitaire en fytosanitaire maatregelen en consumentenbescherming.

3.2.3   De Rondetafel voor het bedrijfsleven EU-Rusland is het institutionele platform om ondernemingen bij de GER te betrekken. Al heeft de krachtige steun van het bedrijfsleven van beide zijden positieve gevolgen voor de economische integratie, toch zijn enkele werkgroepen, opgericht om de EU-Rusland-dialoog over regelgeving en industriële kwesties vlot te trekken, nog steeds niet operationeel (10) en houden politici en overheidsorganen geen rekening met bepaalde aanbevelingen en voorstellen. Bredere en stelselmatigere inbreng van relevante partijen in de onderhandelingen zou bijdragen aan het in kaart brengen en verwijderen van „kunstmatige” belemmeringen voor bilaterale handel en investeringen. Er dienen instrumenten te komen om die betrokkenheid te stimuleren. Het EU-Rusland Bedrijfsforum, dat de belangrijkste economische en zakelijke actoren omvat, zou die rol op zich kunnen nemen.

3.2.4   De belangrijkste taken voor alle GER-werkgroepen zijn: het opheffen van belemmeringen voor bedrijfsleven en investeringen; het voorkomen van protectionisme; het zorgen voor eerlijke mededinging, en het onderhandelen over harmonisatie van de wetgeving en voorschriften. Het EESC wil dat er beter verslag wordt uitgebracht over de geboekte vooruitgang en dat Rusland meer doet om zijn wetgeving en praktijken te veranderen. Het Verdrag van Lissabon geeft de EU daarnaast bevoegdheid op het gebied van investeringen, die zowel de regelgeving als de bescherming behelst. Daarom zou de EU in de nieuwe overeenkomst essentiële investeringsbepalingen moeten opnemen ter vervanging en actualisering van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, inclusief bepalingen inzake een eerlijke en gelijkwaardige behandeling en met name geloofwaardige en betrouwbare arbitrageclausules die garanties bieden voor de relaties tussen de investeerder en de staat.

3.2.5   Financiële instrumenten van de EU voor verbetering van de samenwerking op dit terrein moeten beter aansluiten op het beleid en de administratieve procedures ervan dienen te worden vereenvoudigd. De uitvoering en evaluatie van het proces moeten worden versterkt. Met name dienen er trustfondsen voor kleine projecten te komen met vereenvoudigde procedures, zodat middelen beschikbaar komen voor meer doelgroepen en instellingen, met inbegrip van vrouwelijke ondernemers, het mkb en de sociale economie, en gebruikt worden voor kleine, maar concrete, resultaatgerichte projecten (11). Een eventuele beperking van de beschikbare midden moet worden gecompenseerd door meer cofinanciering van de kant van Rusland, dat meer invloed en verantwoordelijkheid moet krijgen voor de programma's en projecten.

3.3   Gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

3.3.1   Vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid vormen een heel belangrijk gebied, aangezien het hier gaat om democratie, eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden. Het is in het belang van beide partijen om vraagstukken als georganiseerde misdaad, terrrorisme, drugs en illegale migratie aan te pakken.

3.3.2   Eén van de belangrijkste onderwerpen in de onderhandelingen is het visum- en overnamebeleid. Het EESC wil dat er rekening wordt gehouden met de standpunten van het maatschappelijk middenveld ten aanzien van een vlottere verstrekking van visa aan bedrijven, maatschappelijke organisaties en studenten, verstrekking van meervoudige inreisvisa voor bewoners van de grensregio's, verlaging resp. afschaffing van visumkosten, registratie van buitenlandse burgers en de vereenvoudiging hiervan, en een evenwichtige en non-discriminatoire uitvoering van de regels betreffende werk- en verblijfsvergunningen, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten op deze terreinen. Het EESC bepleit een snelle vergemakkelijking en liberalisering van de visumregeling, uitgaande van wederzijds gedane toezeggingen.

3.3.3   De EU moet haar pogingen voortzetten om non-gouvernementele actoren te betrekken bij de mensenrechtendialoog tussen de EU en Rusland.

3.4   Gemeenschappelijke ruimte voor externe veiligheid

3.4.1   De gezamenlijke inspanningen van de EU en Rusland op het gebied van externe veiligheid zijn beperkt. De EU moet Rusland zeker blijven betrekken bij gezamenlijke activiteiten voor behoud van de veiligheid, gezien de positieve ervaringen met de missies in de bovengenoemde landen.

3.4.2   Rusland nodigde de EU uit om te bemiddelen in het conflict met Georgië na het Russisch-Georgische conflict in augustus 2008. Rusland moet nog steeds zijn verplichtingen van de overeenkomsten van 12 augustus en 8 september 2008 nakomen. De Waarnemersmissie van de Europese Unie (EUMM) is een onontbeerlijke factor voor de stabilisatie in Georgië. Toegang tot Abchazië en Zuid-Ossetië is een cruciaal maar nog onuitgevoerd onderdeel van haar mandaat. In dit opzicht is Ruslands medewerking van het grootste belang.

3.4.3   Ondanks hun verschillende meningen over de veiligheid in Europa en in de wereld, doen beide partijen er goed aan de bilaterale dialoog over veiligheid voort te zetten, en de dialoog via de bestaande internationale instellingen, die kunnen worden gebruikt om de betrekkingen tussen de EU en Rusland te bespreken: de VN, de Raad van Europa, de OVSE en de NAVO-Rusland-Raad.

3.4.4   De EU mag de belangen van haar oostelijke buren in de betrekkingen met Rusland en vice versa niet links laten liggen en ze moet voet bij stuk houden in haar toezegging om in de oostelijke partnerlanden veranderingen door te voeren.

3.4.5   Eensgezindheid over essentiële kwesties (betrekkingen met Rusland, energiebeleid, betrekkingen met de oostelijke partnerlanden) zal de positie van de EU in de omgang met de Russische Federatie versterken. Om te beginnen zou de EU met één stem moeten gaan spreken.

3.4.6   Hoewel er officiële contacten zijn, blijft de samenwerking tussen maatschappelijke organisaties, onderzoeksinstituten en denktanks in de EU en Rusland nog maar tot enkele gevallen beperkt. Te weinig contacten en gebrekkige samenwerking leiden tot een stereotype inschatting van de belangen en bedoelingen van „de ander”. Daarom zou de bilaterale dialoog van het maatschappelijk middenveld moeten bijdragen aan een nieuwe aanpak van kwesties van wederzijds belang, zoals het internationale terrorisme en de oorzaken daarvan.

3.5   Gemeenschappelijke ruimte voor onderzoek, onderwijs en cultuur

3.5.1   Deze gemeenschappelijke ruimte kan als toonbeeld dienen van een optimale samenwerking tussen de EU en Rusland, waarbij het zwaartepunt duidelijk ligt op puur wetenschappelijke projecten.

3.5.2   Kenmerkend voor het succes is de inzet van beide partijen, wat blijkt uit de programma's, de verstrekte middelen en de benadering van onderaf, waarbij de wetenschapper de structuur voor zijn werk en de meest geschikte vorm zelf kan bepalen (12).

3.5.3   Dit succes staat in schril contrast met de nogal geringe mobiliteit op onderwijsgebied, waar enkele uitwisselingen hebben plaatsgevonden, bijv. via de programma's Tempus en Erasmus Mundus. Het is ook moeilijk nadere informatie te krijgen over de werkwijze van de werkgroepen. Er zou meer aandacht moeten uitgaan naar jongeren en interculturele uitwisselingen. Het maatschappelijk middenveld zou meer bij de onderhandelingen en de follow-up van de overeenkomsten voor deze gemeenschappelijke ruimte betrokken moeten worden, zodat de gevolgen van onderzoeksprojecten voor de kennismaatschappij kunnen worden beoordeld.

4.   Het huidige maatschappelijk middenveld in Rusland

4.1   Uit de beschikbare informatie over het maatschappelijk middenveld en de sociale en civiele dialoog in Rusland (13) blijkt dat nog niet geheel aan de Europese normen voldaan wordt, maar de positie en invloed ervan zijn sinds de laatste evaluatie van de betrekkingen tussen de EU en Rusland deels wel verbeterd (14).

4.2   De in 2006 opgerichte Civiele kamer van de Russische Federatie (CCRF) is de spreekbuis van het maatschappelijk middenveld in Rusland geworden. De Kamer is ingesteld bij decreet van de president, die een derde van de leden benoemt. De Kamer slaagde erin standpunten van de georganiseerde samenleving te verwoorden over belangrijke kwesties op nationaal en regionaal niveau. In tal van regio's zijn lokale kamers opgericht. De Kamer doet aanbevelingen, levert commentaar op wetsvoorstellen en analyseert de situatie van de regionale sectoren en de omstandigheden op regionaal niveau. Soms levert de Kamer onverbloemde kritiek op het regeringsbeleid (15).

4.3   Volgens het door de CCRF gepubliceerde verslag over de situatie van het maatschappelijk middenveld in de Russische Federatie in 2009 (16) is het aantal in Rusland geregistreerde non-profit ngo's (nngo's) gestegen tot 670 000 rechtspersonen. Tussen 2004 en 2009 is hun aantal met 17 % gedaald. De CCRF stelt voor om af te stappen van de indeling in nngo's en te kiezen voor de VN-methode, waarbij door de overheid opgerichte organisaties niet als zodanig worden beschouwd.

4.4   De activiteiten van de meeste ngo's richten zich op sociale thema's (54 %), gevolgd door wetenschap en onderwijs (44 %), bescherming van rechten (42 %), liefdadigheid (39 %), toerisme en sport (32 %), cultuur (30 %), informatie (27 %), gezondheid (22 %), milieu (12 %), lokale overheden (9 %), religie (9 %), economie (6 %), huisvesting (5 %) en overige onderwerpen (5 %).

4.5   De CCRF heeft contact gelegd met buitenlandse partnerorganisaties, waaronder het EESC (Memorandum van overeenstemming, 2008), is lid van de AICESIS en organiseerde de meest recente vergadering van haar raad van bestuur (in december 2009). De betrekkingen tussen het EESC en de CCRF zijn sindsdien uitgebreid door de organisatie van gezamenlijke workshops over thema's van gemeenschappelijk belang en de goedkeuring van gezamenlijke conclusies naar aanleiding van deze workshops (17).

4.6   Russische leiders beginnen te beseffen dat het zonder de inbreng van het maatschappelijk middenveld onmogelijk is om Rusland te moderniseren, hetgeen toch een strategisch doelstelling is. Het afgelopen jaar zijn diverse wijzigingsvoorstellen t.a.v. de huidige wetgeving goedgekeurd om de situatie voor het maatschappelijk middenveld te verbeteren. Door het buitenland gefinancierde ngo's werd het makkelijker gemaakt hun activiteiten te ontplooien.

4.7   Ondanks een gestaag groeiend begrip voor de bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan de modernisering van het Russische politieke systeem is er nog veel werk voor de boeg.

4.8   In Rusland vindt het overleg tussen sociale partners over sociale en arbeidsvraagstukken op nationaal niveau plaats in het tripartiete comité. De algemene overeenkomsten komen tot stand via overleg tussen de overkoepelende Russische vakbonden, de werkgeversvereniging en de regering. De collectieve overeenkomsten worden doorgaans afgesloten in de ondernemingen waar vakbonden vertegenwoordigd zijn; niettemin leiden de geschillen soms tot stakingen. Rusland heeft de meeste ILO-overeenkomsten geratificeerd, maar het is essentieel dat deze volledig worden nageleefd.

4.9   De werkgevers zijn verenigd in een onafhankelijke ngo, de Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers (RSPP). De Unie vertegenwoordigt ruim 120 regionale allianties en bedrijfsverenigingen uit belangrijke sectoren van de economie en speelt een actieve rol als sociale partner in het Russische tripartiete comité. Zij kan nieuwe wetgeving voorstellen en werkt voortdurend aan de verbetering van de bestaande wetgeving inzake economie en ondernemerschap. De Unie werkt nauw samen met BusinessEurope en steunt de verbetering van de zakelijke betrekkingen tussen Rusland en de EU en haar lidstaten.

4.10   Behalve de RSPP zijn er nog andere organisaties waarin ondernemers en werkgevers vertegenwoordigd zijn, zoals de Kamer van Koophandel en Industrie van de Russische Federatie (18), de Vereniging van Russische managers, Opora Rossii (mkb-vereniging) en andere. Zij zijn vertegenwoordigd in de CCRF.

4.11   De vakbonden worden vertegenwoordigd door twee vakbondsorganisaties: de Federatie van onafhankelijke vakbonden van Rusland (FNPR) en de Russische confederatie van arbeid (KTR). Beide zijn aangesloten bij de Internationale Vakbondsconfederatie (ITUC) en de regionale afdeling voor Europa, de pan-Europese regionale raad (PERC). (19)

4.12   Het EESC is bezorgd over de problemen waarmee de vakbonden in Rusland de laastste jaren steeds meer te kampen hebben. De vrije vakbonden beschouwen het ontbreken van respect voor de fundamentele rechten van de werknemer (vereniging, collectieve onderhandelingen en staking) als het nijpendste probleem. Er zijn duidelijke gevallen van discriminatie of van openlijke druk op vakbonden, hun leiders en leden om te verhinderen dat zij wettige activiteiten ondernemen. Wat ontbreekt, is doeltreffende wettige bescherming van werknemers door de overheid, die in moet staan voor de naleving van de wetgeving inzake de arbeidsverhoudingen.

4.13   Er is een breed scala van niet-gouvernementele organisaties. Hun activiteitengebieden zijn vermeld in paragraaf 4.4. Niet-regeringsgezinde organisaties voor de bescherming van de mensenrechten (20) hebben te kampen met verschillende vormen van tegenwerking, druk en bedreigingen. Uit particulier initiatief voortgekomen ngo's die opkomen voor de consument, het milieu, de sociale economie of de jongeren (21) hebben voor het merendeel te kampen met financieringsproblemen. Behalve maatschappelijke organisaties op federaal niveau zijn er op regionaal en lokaal niveau duizenden ngo's actief, die door de lokale overheden soms geboycot of onheus bejegend worden.

5.   Voorstellen van het EESC voor de verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Rusland

5.1   Algemene suggesties

5.1.1   Bouwen aan wederzijds vertrouwen tussen Rusland en de EU is dringend geboden. Dit is in de eerste plaats een taak voor de politieke leiders, maar ook de maatschappelijke organisaties van beide partijen dienen dit proces voluit te steunen. Zonder vertrouwen is vooruitgang in de onderhandelingen tussen de EU en Rusland over het nieuwe verdrag en de ontwikkeling van de dialoog in de Gemeenschappelijke ruimten amper mogelijk.

5.1.2   Aan EU-zijde is een gemeenschappelijke benadering van de lidstaten nodig, evenals duidelijker doelstellingen, realistische ambities en flexibiliteit om deze betrekkingen in het algemeen uit te bouwen, met name t.a.v. de ontwikkeling van de vier Gemeenschappelijke ruimten.

5.1.3   De relatie tussen de EU en Rusland heeft behoefte aan nieuw politiek momentum, dat beide partijen de kans biedt de samenwerking nieuw leven in te blazen en de waarde van het strategische partnerschap opnieuw doet inzien. De agenda van het Partnerschap voor modernisering (PvM), zoals op 1 juni 2010 overeengekomen tijdens de top in Rostov aan de Don, dient de EU te beschouwen als een toekomstgericht pakket met voorstellen voor samenwerking. Deze voorstellen dienen de betrekkingen tussen de EU en Rusland een nieuwe impuls te geven, uitgaande van de resultaten van de Gemeenschappelijke ruimten; tegelijk dient het een aanvulling te zijn op het Oostelijk partnerschap, dat al aan zes Oosteuropese landen is aangeboden.

5.1.4   Het EESC is verheugd dat de agenda van het Partnerschap voor modernisering niet alleen technologische en economische aspecten omvat, maar ook gericht is op bevordering van persoonlijke contacten en verbetering van de dialoog met het maatschappelijk middenveld, waardoor de inbreng van burgers en bedrijven wordt gestimuleerd. Wij zijn ervan overtuigd dat de modernisering van de Russische samenleving onmogelijk is zonder speciale aandacht voor zaken als mensenrechten, democratie, de bestrijding van corruptie, handhaving van de rechtsstaat, vrijheid voor de media, sociale dialoog en een grotere rol voor maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding, uitvoering en follow-up van de vereiste hervormingen.

5.1.5   Om de steun van de EU voor de activiteiten van Russische ngo's toegankelijker en effectiever te maken, beveelt het EESC aan om de huidige eis van 20 % cofinanciering voor Russische ngo's eventueel te verlagen. Onder deze grens komen de ngo's nu niet in aanmerking voor de subsidieregeling van het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten (EIDHR). Door deze eis kunnen maar weinig Russische ngo's profijt trekken van de EU-steun.

5.1.6   Ruslands bezorgdheid over het Oostelijke partnerschap hoeft niet te betekenen dat de EU geen voorstellen kan doen of niet met Rusland als partner kan samenwerken in de desbetreffende regio's of bij regionale projecten, op voorwaarde van gelijke en constructieve deelname van hun gemeenschappelijke buurlanden. In dit verband verdienen de aanbevelingen van EESC-adviezen over de noordelijke dimensie (5), de Oostzeestrategie (22), de Zwartezeestrategie (23), het Oostelijk Partnerschap (24) en de Donaustrategie de aandacht. Het is van belang dat de doelstellingen die de EU met haar oostelijke partners en Rusland afspreekt, zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. De sectorale dialogen met de Russische federatie en de met de oostelijke partners overeengekomen actieplannen dienen in wezen dezelfde richting uit te gaan, hoewel zij heel waarschijnlijk in omvang en ambitie uiteenlopen.

5.1.7   De EU, de Russische federatie en hun gemeenschappelijke buurlanden zouden moeten werken aan overkoepelende projecten op het gebied van energiebeleid, infrastructuur, grensbeheer, milieukwesties en onderlinge afstemming van normen, dit om te voorkomen dat er door de uitvoering van het Oostelijke partnerschap een kloof gaat ontstaan.

5.1.8   Het maatschappelijk middenveld moet betrokken worden bij de selectie van projecten die van belang zijn voor de EU, de landen van het Oostelijk partnerschap en Rusland. Maatschappelijke organisaties uit Rusland zouden moeten deelnemen aan de werkgroepen van het Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk partnerschap als het gaat om onderwerpen die voor de gehele regio relevant zijn. Het vergelijkbare EU-Rusland Forum voor het maatschappelijk middenveld zou maatschappelijke organisaties uit Rusland kunnen betrekken bij de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Rusland.

5.2   De rol van het EESC

5.2.1   Het EESC en de Russische onafhankelijke maatschappelijke organisaties zouden uitgenodigd moeten worden voor deelname aan de raadplegingen over mensenrechten die de EU en Rusland sinds 2005 organiseren.

Voor meer contacten tussen Europese en Russische maatschappelijke organisaties moeten we de volgende stappen nemen:

5.2.2.1   het vormen van een nieuwe contactgroep binnen de afdeling REX van het EESC, die zich buigt over de betrekkingen EU-Rusland;

5.2.2.2   het oprichten van een gezamenlijk orgaan voor het maatschappelijk middenveld van het EESC en het Russische maatschappelijk middenveld, als onderdeel van het toekomstige verdrag tussen de EU en Rusland. Dat orgaan zou in de eerste plaats een bijdrage moeten leveren aan de ontwikkeling van de samenwerking tussen de EU en Rusland.

5.2.3   De contacten met de Civiele kamer van de Russische Federatie en initiatieven voor een verbeterde dialoog dienen te worden voortgezet, zodat er sprake is van permanente en regelmatige contacten. Tegelijkertijd zou het EESC Rusland moeten verzoeken om de vertegenwoordigers van andere maatschappelijke organisaties die momenteel niet in de CCRF aanwezig zijn, uit te nodigen voor gezamenlijke activiteiten.

5.2.4   Het EESC zou ook moeten blijven bijdragen aan de bestaande contacten tussen het Europese en Russische maatschappelijke middenveld, in het kader van het beleid inzake de noordelijke dimensie, de Oostzee- en Zwartezeestrategie en andere relevante regionale initiatieven.

Brussel, 9 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Ontmoeting van EESC-vertegenwoordigers met de vicepremier van de Russische Federatie, de heer Alexander Zjoekov, op 29 juni 2010.

(2)  Zie de Nationale veiligheidsstrategie van de Russische Federatie tot 2020, goedgekeurd bij decreet nr. 537 van de president van de Russische Federatie van 12 mei 2009.

(3)  Nationale veiligheidsstrategie van de Russische Federatie tot 2020, goedgekeurd bij decreet nr. 537 van de president van de Russische Federatie van 12 mei 2009. Zie deel 2 - De moderne wereld en Rusland: stand van zaken en tendensen, blz. 4-8 - en deel 9. Strategische stabiliteit en gelijkwaardig strategisch partnerschap, blz. 29-31.

(4)  Energiestrategie van Rusland voor de periode tot 2030, goedgekeurd bij decreet door de regering van de Russische Federatie, nr. 1717-r van 13 november 2009. Zie deel 9: Buitenlands energiebeleid, blz. 55-58.

(5)  PB C 309, 16 december 2006, blz. 91-95.

(6)  Prioritaire onderdelen van het Partnerschap voor Modernisering zijn: uitbreiding van de mogelijkheden tot investering in belangrijke sectoren voor groei en innovatie; uitbreiding en verdieping van de bilaterale economische en handelsbetrekkingen; bevordering van het mkb; verdere afstemming van technische regelgeving en normen; streng toezicht op de naleving van intellectuele-eigendomsrechten; verbetering van het vervoer; stimulering van koolstofarme economie en energie-efficiëntie, alsmede internationale onderhandelingen voor bestrijding van de klimaatverandering; uitbreiding van samenwerking voor innovatie, onderzoek en ontwikkeling; ruimtevaart; werken aan een evenwichtige ontwikkeling door aanpak van regionale en sociale gevolgen van economische herstructureringen; waarborgen van de goede werking van de rechterlijke macht en versterking van de strijd tegen corruptie; bevordering van interpersoonlijke contacten; uitbreiding van de dialoog met het maatschappelijk middenveld om de betrokkenheid van burgers en bedrijven te stimuleren.

(7)  In mei 2003 werden de EU en Rusland het eens over een nieuwe vorm van samenwerking binnen vier Gemeenschappelijke ruimten: de gemeenschappelijke economische ruimte; de gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid; de gemeenschappelijke ruimte op het gebied van externe veiligheid, en een gemeenschappelijke ruimte van onderzoek, onderwijs en cultuur. In mei 2005 onderhandelden beide partijen over een aantal stappenplannen om de gemeenschappelijke ruimten nader in te vullen. Zie ook http://ec.europa.eu/external_relations/russia/docs/commonspaces_prog_report_2009_en.pdf

(8)  Zie: Searching for New Momentum in EU-Russia Relations. Agenda, Tools and Institutions. Bratislava: Research Centre of the Slovak Foreign Policy Association, 2009.

(9)  De belangrijkste GER-werkgroepen betreffen: vervoer; industrieel en ondernemingsbeleid; regelmatige dialoog over industriële producten; ruimtevaart; informatiemaatschappij; landbouw; visserij; macro-economisch beleid; financiële diensten; energie; aanbestedingen; milieu; handelsbevordering; intellectuele-eigendomsrechten; investeringen; interregionale samenwerking; statistiek; macro-economische en financiële kwesties.

(10)  Bijv. werkgroepen (en subgroepen) over bouwmaterialen, machines en elektrische apparatuur, conformiteitsbeoordelingen en standaardisatie, luchtvaart, mededinging en volksgezondheid.

(11)  Wereldhandel, eerlijke concurrentie, toegang tot justitie, gegevensbescherming en privacy, duurzaamheid, energie-efficiëntie, watervoorziening, consumentenvoorlichting, e-handel, voedselbeleid, groepsacties, gezondheid, aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en dienstverlening, financiële kwesties, telecommunicatie, contractvoorwaarden enz.

(12)  De volgende werkgroepen zijn ingesteld: gezondheid; voedsel; landbouw en biotechnologie; nanotechnologie en nieuwe materialen; energie; luchtvaart en milieu, kernsplitsing en –fusie en informatie- en communicatietechnologie; er zijn zeven groepen opgericht voor samenwerking op ruimtevaartgebied.

(13)  Verslag over de situatie van het maatschappelijk middenveld in de Russische federatie, in 2009 gepubliceerd door de Civiele kamer van de Russische federatie (zie: http://www.oprf.ru/documents/1151/1256, briefing van DG Relex voor het Europees Parlement van februari 2009).

(14)  PB C 294, 25 november 2005, blz. 33-37.

(15)  Zie de website van de Civiele Kamer van de Russische Federatie, inclusief de lijst van documenten (adviezen, monitorverslagen, acties, enz.): http://www.oprf.ru. Voor belangrijke gebeurtenissen in verband met geslaagde acties jegens overheden op federaal en regionaal niveau, zie de rubriek „We did it!”: http://www.oprf.ru/ru/press/984/.

(16)  Zie voetnoot 13.

(17)  Informatie over de gezamenlijke workshops en de tekst van de gezamenlijke conclusies is te vinden op: http://www.eesc.europa.eu/? i = portal.en.events-and-activities-eu-russia-june-2010.

(18)  De Kamer van Koophandel en Industrie van de Russische Federatie is lid van Eurochambers.

(19)  De voorzitter van de FNPR is de momenteel verkozen voorzitter van de pan-Europese Regionale Raad (PERC). Volgens de statuten is de secretaris-generaal van de Europese vakbondsconfederatie (ETUC) ook secretaris-generaal van de PERC.

(20)  Enkele vooraanstaande organisaties zijn het Centrum voor de ontwikkeling van democratie en mensenrechten, het Instituut voor de Mensenrechten in Rusland, de Jeugdbeweging voor de Mensenrechten, Public Verdict, Stichting bescherming Glasnost, Vereniging Golos (bescherming van de rechten van de kiezer), Human Rights Watch (afdeling Rusland), Memorial (mensenrechten), SOVA, enz.

(21)  Zoals Vrije keuze, interregionale organisatie van automobilisten, Greenpeace Rusland, Bellona (milieubescherming), Instituut voor collectieve actie, Beweging tegen illegale migratie, Pamjat (behoud van historische monumenten, bewaren van geschiedenis), de Russisch-orthodoxe kerk, de Russisch-Tsjetsjeense Vriendschapsvereniging, SOVA Analyse- en informatiecentrum, Unie van de comités van soldatenmoeders, World Wildlife Fund (afdeling Rusland).

(22)  PB C 277, 17 november 2009, blz. 42-48.

(23)  PB C 27, 3 februari 2009, blz. 144-151.

(24)  PB C 277, 17 november 2009, blz. 30-36.


III Voorbereidende handelingen

Europees Economisch en Sociaal Comité

467e plenaire zitting op 8 en 9 december 2010

19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/31


467e PLENAIRE ZITTING OP 8 EN 9 DECEMBER 2010

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten op het gebied van de meeteenheden” (gecodificeerde versie)

(COM(2010) 507 definitief — 2010/0260 (COD))

(2011/C 54/06)

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 7 en 15 oktober 2010 op grond van art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten op het gebied van de meeteenheden

COM (2010) 507 final – 2010/0260 (COD).

Aangezien het Comité volledig instemt met het voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december 2010) met 85 stemmen vóór, bij 1 onthouding, besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/32


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen” (codificatie)

(COM(2010) 508 definitief — 2010/0261 (COD))

(2011/C 54/07)

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 15 en 7 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen

COM(2010) 508 final – 2010/0261 (COD).

Aangezien het Comité volledig instemt met het voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december) met algemene stemmen besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/33


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen” (gecodificeerde versie)

(COM(2010) 510 definitief — 2010/0264 (COD))

(2011/C 54/08)

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 15 november en 7 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen

COM(2010) 510 final – 2010/0264 (COD).

Aangezien het Comité instemt met het voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december) met algemene stemmen besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/34


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermeldingen of merktekens die het mogelijk maken de partij waartoe een levensmiddel behoort te identificeren” (gecodificeerde versie)

(COM(2010) 506 definitief — 2010/0259 (COD))

(2011/C 54/09)

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 7 en 15 oktober 2010, op grond van art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermeldingen of merktekens die het mogelijk maken de partij waartoe een levensmiddel behoort te identificeren

COM (2010) 506 final – 2010/0259 (COD).

Aangezien het Comité instemt met het voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december) met 88 stemmen voor, bij 3 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 8 december 2010.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/35


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 460/2004 tot oprichting van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging, ten aanzien van de looptijd van het Agentschap”

(COM(2010) 520 definitief — 2010/0274 COD))

(2011/C 54/10)

De Raad en het Europees Parlement hebben respectievelijk op 19 en 29 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 460/2004 tot oprichting van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging, ten aanzien van de looptijd van het Agentschap

COM(2010) 520 final – 2010/0274 COD)

Aangezien het Comité volledig instemt met het voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 8 en 9 december gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december) met 101 stemmen voor en 1 stem tegen, besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/36


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang tot de overheidsdienst (publiek gereguleerde dienst) die wordt aangeboden door het mondiale systeem voor navigatie per satelliet dat is ingevoerd door het Galileo-programma”

(COM(2010) 550 definitief — 2010/0282 (COD))

(2011/C 54/11)

De Raad heeft op 29 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 172 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang tot de overheidsdienst (publiek gereguleerde dienst) die wordt aangeboden door het mondiale systeem voor navigatie per satelliet dat is ingevoerd door het Galileo-programma

COM(2010) 550 final – 2010/0282 (COD).

Aangezien het Comité volledig instemt met het voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december 2010) met 97 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/37


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus”

(COM(2010) 289 definitief — 2010/0160 (COD))

(2011/C 54/12)

Rapporteur: Carmelo CEDRONE

Het Europees Parlement en de Raad hebben resp. op 23 juni en op 13 juli 2010 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig de artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

COM(2010) 289 final – 2010/0160 (COD).

De gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 25 november 2010 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 172 stemmen vóór en 12 stemmen tegen, bij 9 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Onderhavig advies gaat over de tweede fase van de uit drie fasen bestaande benadering van de Commissie van de regelgeving voor ratingbureaus. Het EESC stelt vast dat de EU dit belangrijke probleem dat Europa's economie, bedrijfsleven en burgers zoveel kwaad heeft berokkend (en er gloort nog geen licht aan het einde van de tunnel), doortastend heeft aangepakt, o.m. door dit voorstel in te dienen, waardoor de aanzet is gegeven tot vergelijkbare reacties elders in de wereld. Het hoopt dat hiermee consequent en onafgebroken wordt doorgegaan.

1.2   De kloof tussen de mate waarin de financiële markt inmiddels is geïntegreerd en de mate waarin de markt in de hand wordt gehouden (een „marktbewaking” waarvoor nog steeds alleen de lidstaten verantwoordelijk zijn), moet op korte termijn worden overbrugd, omdat daarin een van de oorzaken ligt van de ondervonden schade. Daarom staat het EESC achter het voorstel om de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM (1)) met het toezicht op de ratingbureaus te belasten. Voorwaarde voor een doeltreffende werking van die autoriteit is dat de desbetreffende nationale regelingen worden aangepast en dat een einde wordt gemaakt aan de nog steeds heersende verwarring. Daartoe moet - zoals sommige lidstaten hebben aangegeven - verder worden gegaan dan momenteel wordt voorgesteld.

1.3   Het EESC ingenomen met de voorstellen uit Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees parlement en de Raad inzake ratingbureaus van 16 september 2009 (2), en dan met name als het gaat om fundamentele vraagstukken als die van transparantie en belangenconflicten, voorlichting, concurrentie en buitenlandse ratingbureaus. Wel betreurt het EESC de achterstand waarmee die verordening wordt ingevoerd, ook al beseft het hoe complex deze materie is. In de wijzigingen die met deze voorstellen worden nagestreefd, had met die verordening al moeten zijn voorzien.

1.4   Een ander aandachtspunt voor het EESC zijn de specifieke kenmerken van overheidsschulden en vooral ook de uitgebleven oprichting van een Europees orgaan voor de beoordeling van die schulden. Het wacht met ongeduld op de uitkomst van de lopende openbare raadpleging (3).

1.5   Uiterst belangrijk is dat Europese ratingbureaus die een moedermaatschappij buiten de EU hebben, onder de nieuwe bewakingsregeling worden geplaatst. De relevante bepalingen van de Verordening van 2009 vallen in goede aarde bij het EESC. De beste oplossing zou zijn dat er in de G20 overeenstemming wordt bereikt over de invoering van wereldwijde regels, zodat de rechtspraak overal ter wereld samenhang gaat vertonen en er voor alle bureaus bindende gedragscodes in het leven worden geroepen. Daarbij zou de Raad voor financiële stabiliteit (Financial Stability Board) met het toezicht moeten worden belast, waarbij die instantie, in overleg met de bureaus van de diverse landen, ook sancties zou moeten kunnen opleggen. Het EESC is ermee ingenomen dat hiermee inmiddels, op aandringen van de EU, een begin is gemaakt.

1.6   Er moet volgens het EESC meer vaart worden gezet achter deze al wel op gang gebrachte hervorming.

1.7   Het vertrouwen van consumenten en beleggers in de financiële markt moet beslist worden hersteld. Dat kan alleen als de indruk wordt gewekt – en de zekerheid ontstaat – dat het vraagstuk wel degelijk serieus wordt genomen. Daartoe is nodig dat streng wordt opgetreden tegen „actoren” die zich niet aan de regels houden.

1.8   Gezien de rol die ratingbureaus in de recente crisis op de wereldmarkt van onroerende goederen en op de internationale financiële markt hebben gespeeld, is het een goede zaak dat een drie-fasenprogramma is gelanceerd om de rol die deze bureaus voor consumenten en beleggers spelen, te reguleren (zie het door de Commissie uitgebrachte verslag van de openbare raadpleging over dit vraagstuk). Hun taak om de informatie te verschaffen die nodig is om te voorkomen dat bij krediettransacties te hoge risico's worden genomen, is zonder meer van groot belang, ook al omdat op die manier voor stabiliteit en zekerheid op de financiële markten wordt gezorgd. Meer omstreden is echter dat ratingbureaus ook een oordeel vellen over de kredietwaardigheid van soevereine staten. Het EESC acht het een goede zaak dat het vraagstuk van de overheidsschuld wordt behandeld op de lopende raadpleging.

1.9   Er moet vooral een discussie worden gevoerd over het oligopolie dat een gering aantal ratingbureaus hebben op de beoordeling van de risico's van financiële instrumenten en verplichtingen die ongeacht door wie - beleggers, banken, verzekeringsmaatschappijen of nationale regeringen - worden aangegaan, omdat de gegevens die ratingbureaus verstrekken, het karakter van een openbaar goed hebben en de door deze bureaus verleende diensten dus moeten worden gezien als DAB (diensten van algemeen belang). Het EESC is er daarom mee ingenomen dat enkele Europese, in de ratingsector nieuwe ondernemingen als eerste bij de EAEM een aanvraag hebben ingediend om als ratingbureau te mogen opereren.

1.10   Als ratingbureaus een oordeel vellen over de financiële duurzaamheid van een soevereine staat (het soevereine kredietrisico), zoals onlangs gebeurde bij de verlaging van de rating voor de kredietwaardigheid van Griekenland en van andere EU-lidstaten met een zware schuldenlast op de internationale markten, dan moet de vraag worden gesteld of wat die ratingbureaus doen, wel in overeenstemming is met het doel dat wordt nagestreefd (nl. om de markt transparante en verantwoorde informatie te verschaffen), en kan ook tegenstrijdigheid ontstaan tussen de belangen van particuliere internationale beleggers (die de rating voor hun eigen beleggingsactiviteiten gebruiken) en van de burgers/consumenten van het land dat een lage rating heeft gekregen (dus als wordt geoordeeld dat een land zijn schulden waarschijnlijk niet zal kunnen terugbetalen), die de gevolgen daarvan ondervinden in weerwil van het feit dat die lage rating de schuld is van onbekwame en nalatige politici.

1.11   Ratingbureaus kunnen een oordeelkundige uitspraak doen over de overheidsschuld van een land voor zover zij over het benodigde instrumentarium en adequate methoden beschikken en zij zich aan de regels houden die door de daartoe aangewezen autoriteiten zijn vastgesteld.

1.12   Het EESC beschouwt ratings voor overheidsschulden als een zaak van algemeen belang. Het is ingenomen met de openbare raadpleging die de Commissie heeft gelanceerd en is vast van plan om daarover te zijner tijd een weloverwogen advies uit te brengen. Hoe dan ook is het er voorstander van dat overheidsschulden worden beoordeeld door een onafhankelijk - internationaal of Europees - ratingbureau dat speciaal daarvoor wordt opgericht, nl. om het algemeen belang te behartigen. Daarbij moet het gaan om een ratingbureau dat snel en transparant kan werken en dat over het adequate instrumentarium beschikt.

1.13   Het belangrijkste is dat er meer concurrentie komt tussen zowel onderling als van derden onafhankelijke ratingbureaus. Mocht het niet lukken om op internationaal vlak overeenstemming te bereiken of mocht die overeenstemming te lang op zich laten wachten, dan geeft het EESC ter overweging om de aanzet te geven tot de oprichting van een speciaal Europees ratingbureau voor overheidsschulden. Daarnaast zou moeten worden geijverd voor de oprichting van een gezaghebbend Europees bureau voor de beoordeling van gewone kredietverlening, zodat er op dat gebied meer concurrentie komt.

1.14   Bovenop het voorstel om ratingbureaus onder Europees toezicht te stellen, juicht het EESC toe dat de voornaamste daaraan gerelateerde vraagstukken (sancties, mededinging, belangenconflicten, voorlichting) in de Verordening van 2009 zijn meegenomen (4).

1.15   Het EESC acht het een goede zaak dat de beoordelingsvrijheid van de lidstaten bij de wettelijke regulering van de sector, aan banden wordt gelegd, met als doel om de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken en de samenhang tussen de diverse wettelijke voorschriften te vergroten. Op die manier wordt voorkomen dat het effect van het Europese toezicht weer teniet wordt gedaan.

1.16   Het EESC stelt voor om de voorwaarden te scheppen waaronder de nationale regelingen voor de bescherming van de „gebruikers” van financiële producten en diensten (consumenten, bedrijven enz.) gemakkelijker op elkaar kunnen worden afgestemd. Ook kan worden geregeld dat consumenten worden vertegenwoordigd in de Europese toezichthoudende Autoriteit (nu: het Europees Systeem van financiële toezichthouders of ESFT). Die vertegenwoordiger(s) zou(den) moeten worden voorgedragen door de sociale partners en de consumentenorganisaties zelf.

1.17   Het EESC stelt voor om het systeem voor de productie van financiële informatie een stimulans te geven door te bevorderen dat die informatie uit meerdere bronnen komt en dat er nieuwe regels worden vastgelegd die tot doel hebben om de transparantie te vergroten en de beoordelingsmethoden doeltreffender te maken, vooral voor derivaten.

1.18   Het EESC pleit ervoor om - ook wereldwijd - van het huidige op zelfregulering gebaseerde systeem af te stappen. Er moet worden doorgegaan met de coördinatie van de werkzaamheden van de diverse bevoegde instanties, gekoppeld aan de invoering van algemeen geldende stringente regels en de zekerheid dat die regels worden toegepast. De EU moet alles op alles zetten om de internationale organisaties zover te krijgen.

1.19   Ook zou de verordening moeten worden vereenvoudigd en begrijpelijker moeten worden gemaakt: hoe ingewikkelder regels zijn, hoe gemakkelijker het is om die te omzeilen.

1.20   Ten slotte zou dan ook nog de verplichting om effecten vóór verkoop door een ratingbureau te laten beoordelen, moeten worden opgeheven (wat ook door de Raad voor financiële stabiliteit is voorgesteld). Door die voorwaarde voor het op de markt brengen van effecten op te heffen, wordt een einde gemaakt aan een situatie waarin financiële instrumenten worden gedoogd die een groot risico met zich mee brengen, ook al is het toegekende „cijfer” hoog! Net als de Larosière-groep acht het EESC het zorgwekkend dat het gebruik van ratings voor eigen vermogen financiële instellingen van te veel verantwoordelijkheid ontlast, terwijl ondertussen het oligopolie van ratingbureaus kracht wordt bijgezet. Het juicht toe dat dit vraagstuk wordt behandeld in de lopende openbare raadpleging.

2.   Inleiding

2.1   Dat de tekortschietende regulering van en het gebrekkige toezicht op de internationale financiën tot de onderliggende oorzaken van de recente crisis behoren, is algemeen bekend. Door de crisis is ook een schrijnende tegenstrijdigheid aan het licht gekomen: financiële instellingen en banken opereren wereldwijd, maar moeten zich als rechtspersoon onder nationaal recht aan regelgeving houden en zijn gedoemd om als rechtspersoon onder nationaal recht het loodje te leggen (Mervyn King, gouverneur van de Bank of England).

2.2   Dit is ook waar in de EU. Door de crisis is duidelijk geworden dat nog meer haast moet worden gemaakt met de instelling van een Europees referentiekader voor regelgeving en toezicht. Het EESC stelt immers vast dat de lidstaten momenteel ver uiteenlopende maatregelen nemen voor de regulering van en het toezicht op de financiële markten, terwijl die markten juist steeds verder verstrengeld raken.

2.3   De Commissie heeft voor een gefaseerde benadering van de regelgeving voor ratingbureaus gekozen. Onmiddellijk na het losbarsten van de financiële crisis is de nadruk op regelgeving en toezicht gelegd, waarbij de aandacht vooral uitging naar de rating van complexe derivaten en bijbehorende belangenconflicten. Het feit dat de rating voor die producten te wensen overliet, behoort tot de concrete oorzaken van de crisis (5).

2.4   Gelijk opgaand met de wetgevende fase die in de Verordening van 2009 is uitgemond, hebben de bevindingen van de Larosière-groep geleid tot het besluit om de financiële regelgeving en het toezicht in de EU drastisch te veranderen. Sindsdien is een voorstel goedgekeurd om in de EU een toezichtsstructuur in te voeren die uit twee lagen bestaat. In de onderste laag daarvan fungeren drie erkende toezichthoudende organen. Eén daarvan, de EAEM, moet verantwoordelijk worden gemaakt voor het toezicht op ratingbureaus. Het verordeningsvoorstel waarover dit advies gaat, is alleen gerelateerd aan de wijzigingen die in de Verordening van 2009 moeten worden aangebracht om de bevoegdheden van de EAEM daarin te verankeren.

2.5   Daar bovenop de financiële crisis die eerst een bankencrisis was, ook nog de staatsschuldcrisis is gekomen, is een aantal nieuwe vragen gerezen m.b.t. de rol van ratingbureaus ten aanzien van o.m. overheidsschulden. Mogelijkerwijs zal deze verdere fase leiden tot een derde verordening over ratingbureaus, die momenteel alleen bestaat in de vorm van een document voor de openbare raadpleging op 5 november 2010. De titels van de hoofdstukken geven een aanwijzing van de kwesties die worden behandeld: vertrouwen in ratingbureaus m.b.t. eigen vermogen, rating van de overheidsschuld, vergroting van de concurrentie tussen ratingbureaus, wettelijke aansprakelijkheid van ratingbureaus en mogelijke belangenconflicten. Verwacht wordt dat het EESC t.z.t. een doordacht advies zal uitbrengen over deze kwesties, waarschijnlijk in de context van de hierboven bedoelde nieuwe verordening.

2.6   Daar komt nog bij dat ook in EU-verband geharmoniseerde regels veel beoordelingsvrijheid laten aan de lidstaten die altijd nog tussen diverse opties kunnen kiezen, met dan ook nog de mogelijkheid om daaraan, bij de omzetting van die regels in nationaal recht, een eigen „interpretatie” te geven.

2.7   De Larosière-groep heeft vastgesteld dat de werking van ratingbureaus aan ernstige beperkingen onderhevig is, vooral als het gaat om complexe derivaten. Die beperkingen betreffen niet alleen de beoordelingsmethoden die worden toegepast, maar ook een gebrek aan informatie en transparantie en de overduidelijke belangenconflicten (4).

2.8   En dan hebben we ook nog te maken met een heus oligopolie, omdat maar drie (bijna zonder uitzondering Amerikaanse) ratingbureaus 90 % van de kredietbeoordelingsmarkt in handen hebben: Moody's, Standard & Poor's en Fitch. Het zijn immers deze kredietbeoordelaars die een belangrijke rol hebben gespeeld in het uitbreken van de financiële en economische wereldcrisis. Hoewel de stelregel „de emittent betaalt” redelijk goed werkt in het geval van overheidsschulden en schulden van ondernemingen, is daarmee wel een aanzienlijk belangenconflict gerezen m.b.t. de rating van complexe derivaten. Hierdoor is een ondoorzichtig web ontstaan, ten koste van de transparantie van de verrichte transacties.

2.9   Een en ander belet bovengenoemde ratingbureaus niet om, alsof er niets gebeurd is, gewoon door te gaan met het uitbrengen van - niet noodzakelijkerwijs objectieve - ratings. Zo erg zelfs dat Standard & Poor's op 26 april jl. de Griekse rating heeft verlaagd tot dat van Azerbeidzjan, ook al had de EU inmiddels besloten om Griekenland een bedrag van 110 miljard euro over te maken.

2.10   De Europese Raad kwam pas tot het besluit om, óók over het vraagstuk van overheidsschulden, een openbare raadpleging te lanceren toen dat allemaal al gebeurd was en belangrijke Europese leiders kritiek hadden geuit op de werking van de kredietbeoordelingssystemen. Sommige lidstaten gruwen van de gedachte dat de markten de vergissingen en foute berekeningen van spilzieke regeringen aan het licht kunnen brengen, ook al zijn er al sinds mensenheugenis voorbeeld van regeringen die hun schulden niet hebben kunnen terugbetalen. Overigens heeft dit advies betrekking op de Verordening van 2009.

2.11   De Commissie heeft op 2 juni jl. een Mededeling (6) uitgebracht waarin de inventaris is opgemaakt van alles wat al gedaan is en van alles wat nog gedaan moet worden (zie bijgevoegde tabellen) voor de totstandbrenging van een Europees financieel stelsel dat niet alleen betrouwbaarder en transparanter is, maar waarvoor ook meer rekenschap moet worden afgelegd, en dat ten dienste staat van de reële economie en de hele samenleving.

2.12   Vandaar de behoefte aan gecentraliseerd toezicht op de in de EU werkzame ratingbureaus, waarvoor de verantwoordelijkheid bij het nieuwe ESFT en de drie Europese toezichthoudende autoriteiten wordt gelegd. Daarbij wordt de behandeling van de kernvragen over dit gecentraliseerde toezicht uitgesteld.

3.   Kort overzicht van de voor Verordening (EG) nr. 1060/2009 voorgestelde wijzigingen

3.1   Onderwerp, toepassingsgebied en definities (wijzigingen op Titel I)

3.1.1   Het belangrijkste vraagstuk waar alles om draait is, zoals gezegd, de overstap van nationaal naar Europees toezicht, waarbij de bevoegdheid voor het toezicht op de in Europa geregistreerde ratingbureaus en op in Europa werkzame, maar in landen buiten de EU geregistreerde ratingbureaus (dochterondernemingen) grotendeels bij de EAEM wordt gelegd.

3.1.2   In artikel 4 wordt een opsomming gegeven van beheerders van alternatieve beleggingsfondsen, zodat deze bij de gebruikmaking van ratings net zo worden behandeld als alle andere financiële instellingen van de EU. Anders gezegd moet voor deze fondsen gebruik worden gemaakt van de ratings van volgens de bepalingen van de nieuwe verordening geregistreerde of gecertificeerde ratingbureaus.

3.2   Afgifte van ratings, toegang tot informatie (wijzigingen op titel II)

3.2.1   Emittenten van gestructureerde financieringsinstrumenten of gelieerde derden moeten worden verplicht om ook aan concurrerende ratingbureaus toegang te verlenen tot de informatie die aan het voor de rating daarvan ingehuurde ratingbureau is verstrekt. Voorwaarde is dan wel dat die concurrerende ratingbureaus bedoelde informatie niet voor andere dan ratingdoeleinden gebruiken. Met deze nieuwe regeling moet worden voorkomen dat een belangenconflict wordt veroorzaakt door het door de emittent betaalde ratingbureau, ofwel door de emittent die de rating heeft aangevraagd (sic!) (volgens het „de emittent betaalt”-model).

3.3   Registratieprocedure en toezicht op de ratingactiviteiten (wijzigingen op titel III)

3.3.1   Met de overstap op eenmalig Europees toezicht wordt het nodig om de vigerende bepalingen die voorzien in coördinatie door een soort college (en dus ook die colleges) af te schaffen. Beoogd wordt efficiënter toezicht te kunnen houden op de ratingbureaus die in diverse territoria werkzaam zijn. De EAEM kan de Commissie bovendien vragen om een regeling te treffen voor de registratieprocedures en voor de normen inzake de te verstrekken informatie. Ook mag de EAEM informatie vragen, onderzoek doen naar mogelijke schendingen van de verordening, inspecties uitvoeren, enz.

3.4   Samenwerking tussen de EAEM en nationale autoriteiten (wijzigingen op titel III)

3.4.1   De nationale autoriteiten behouden het toezicht op de gebruikmaking van ratings door onder toezicht staande entiteiten, zoals banken, verzekeringsmaatschappijen en beleggingsondernemingen. Ook wisselen ze informatie uit over de ratingsbureaus, assisteren zij de EAEM en werken zij ermee samen.

3.4.2   De EAEM mag, ook uit kostenoverwegingen, bepaalde taken aan de nationale autoriteiten overdragen. Voorbeelden van taken die mogen worden overgedragen, zijn specifieke onderzoeken en inspecties ter plaatse, de beoordeling van registratieaanvragen en taken i.v.m. het toezicht. De EAEM moet hier richtsnoeren voor opstellen, en behoudt de eindverantwoordelijkheid.

3.5   Sancties, comitéprocedure (wijzigingen op Titel IV, hoofdstuk I)

3.5.1   De EAEM mag de Commissie vragen om dwangsommen op te leggen om een einde te maken aan de overtredingen van ratingbureaus, door daarvan publiekelijk melding te maken. Ratingbureaus kunnen op die manier ook worden gedwongen om gevraagde informatie te verschaffen of zich aan een onderzoek te onderwerpen. Als een ratingbureau de Verordening schendt, kan de EAEM een geldboete laten betalen. Andere mogelijkheden zijn dat de EAEM de afgifte van nieuwe ratings tijdelijk verbiedt of dat de EAEM, als laatste stok achter de deur, de registratie van het betrokken ratingbureau intrekt.

3.5.2   De comitéprocedures zijn aangepast aan het Verdrag van Lissabon.

3.6   Overgangs- en slotbepalingen (wijzigingen op Titel IV, hoofdstuk II)

3.6.1   Na de oprichting van de EAEM moeten de desbetreffende bevoegdheden van de nationale autoriteiten komen te vervallen. Er moet een regeling worden getroffen voor de overdracht aan de EAEM van de informatie en officiële stukken waarover de nationale autoriteiten beschikken.

3.7   Het EESC is van mening dat de bevindingen van de openbare raadpleging die de Commissie onlangs over ratingbureaus heeft gelanceerd, in de richting gaan van de conclusies in onderhavig advies. Het behoudt zich het recht voor om de betreffende thematiek eventueel later nog uit te diepen.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Onderhavig Commissievoorstel gaat de goede kant op, omdat daarmee wordt gestreefd naar een overstap van nationaal naar Europees toezicht: toezicht houden op ratingbureaus is een erg complexe aangelegenheid en kan nauwelijks tot een goed einde worden gebracht door de in de vorige verordening voorgestane - „colleges” van de lidstaten (7). Ook gaat het de goede kant op, omdat dit keer in de richting wordt gegaan van het Larosière-verslag (8). Wellicht is de regelgeving iets te vaag, met dien verstande dat de oplossingen die worden aangedragen, niet altijd zekerheid bieden.

4.2   Afgezien daarvan verandert dit nieuwe voorstel - in vergelijking met de verordening van september 2009 - maar weinig aan de voorwaarden waaraan ratingbureaus moeten voldoen of aan de regels waaraan ratingbureaus zich moeten houden, zowel voor hun registratie als voor hun verdere activiteiten.

4.3   De hamvraag is echter nog steeds wat moet worden aangevangen met ratingbureaus die buiten Europa werkzaam zijn en zich alleen al daarom niets van de voorgestelde wijzigingen behoeven aan te trekken: voor wie is de Europese verordening in werkelijkheid bedoeld? Hoe kunnen ratings van pakweg de ratingbureaus Moody's, Standard & Poor's en Fitch die, in weerwil van de door hen veroorzaakte rampen nog steeds de meeste invloed hebben, onschadelijk worden gemaakt? Volstaat het om hun Europese dochterondernemingen onder controle te houden om een einde te maken aan hun internationaal oligopolie?

4.4   De voornaamste internationaal opererende ratingbureaus zijn bekend: Moody’s, Standard & Poor’s, Fitch, Dun & Bradstreet, A. M. Best, Egan-Jones Rating Company (allemaal uit de VS), Dominion Bond Rating (Canada), Baycorp Advantage (Australië), China Credit Information Service (China), Japan Credit Rating (Japan), Rating Agency Malaysia (Maleisië), NKC Independent Economists (Zuid-Afrika). En hoe zit het met Europa? Europa heeft als eerste economische wereldmacht GEEN ENKEL ratingbureau, noch voor gewone kredietverlening, noch voor overheidsschulden.

4.5   De groep Angelsaksische bureaus getuigt van de vroegere dominantie van het Angelsaksische kapitalisme, dat niet te lijden heeft gehad van twee wereldoorlogen en de specifieke problemen van de Aziatische economieën. Het wekt verbazing dat er sinds het ontstaan van de gemeenschappelijke markt geen Europese bureaus zijn opgericht, afgezien van Fitch, dat in Franse handen is maar zich wel buiten Frankrijk heeft gevestigd. Het feit dat er in de EU sinds 1957 geen enkel ratingbureau met een wereldwijde actieradius is opgericht, ligt overigens op één lijn met de zwakke prestaties van de EU op het gebied van industrieën voor geavanceerde technologieën in diezelfde periode. De EU stimuleert geen ondernemerschap in moderne industrieën. Bij de raadpleging over ratingbureaus zal opnieuw worden ingegaan op de concurrentieproblematiek. Het gebrek aan ondernemingsgeest moet onder de loep worden genomen.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   Het EESC is ingenomen met de oprichting van een Europese Autoriteit voor het toezicht op de financiële markten. Onderhavig voorstel is dan ook zonder meer een stap in de goede richting, omdat daarmee de juridische randvoorwaarden worden geschapen die beter zijn afgestemd op wat noodzakelijk is geworden, in een poging om het vertrouwen van markten, burgers en ondernemingen te herstellen en om hun weer zekerheid te bieden. Toch gaat dit voorstel nog niet ver genoeg voor het daarmee nagestreefde doel.

5.2   Ook is het ingenomen met het voorstel om in het geval van alternatieve beleggingsfondsen waarvoor een beoordeling is aangevraagd, gebruik te maken van de ratings van geregistreerde of gecertificeerde ratingbureaus.

5.3   Daarentegen ziet het EESC niet goed in hoe met onderhavig voorstel het „de emittent betaalt”-model transparant, objectief en concurrentiekrachtig kan worden gemaakt, omdat niets wordt afgedaan aan het daaraan inherente belangenconflict. Ratingbureaus die zich in deze situatie bevinden, zou moeten worden belet om vennoten te beoordelen. Het is een goede zaak dat een proces is begonnen voor onderlinge afstemming van de regels op internationaal vlak, zoals bijvoorbeeld gebeurt in de VS en Japan.

5.4   Het EESC stemt ermee in dat bepaalde taken, ook uit kostenoverwegingen, aan de nationale autoriteiten worden overgedragen, op voorwaarde dat de taakverdeling tussen nationale en Europese autoriteiten niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Belangrijk is vooral dat de verplichtingen met betrekking tot de juistheid van de verstrekte informatie, de registratie van het ratingbureau en de inspecties ter plaatse worden nageleefd en dat op dit gebied vastberaden wordt opgetreden.

5.5   Het EESC stemt in met de invoering van het beginsel dat ratingbureaus die in gebreke blijven of zich niet aan de verordening houden, sancties kunnen worden opgelegd.

5.6   Hét probleem waar politici mee te maken krijgen, temeer daar ze niet met „groentjes” te maken hebben, is niet alleen dat er onomstotelijke regels moeten worden uitgewerkt die zeer afschrikwekkend werken, maar vooral ook dat op de naleving daarvan moet worden toegezien. In dat verband moet ook worden voorzien in sancties voor hun plicht verzakende leidinggevenden en verantwoordelijke functionarissen van de Europese en de internationale toezichthoudende autoriteiten. Die sancties zijn nodig vanwege de schade die banken en de gezonde financiële wereld, alsook de economie, het bedrijfsleven en de burgers wordt berokkend als die functionarissen hun werk niet doen. Het enige resultaat van hun non-actie is dat speculanten en al degenen die in hun kielzog meelopen, zich in de handen wrijven. Een reden te meer om die functionarissen persoonlijk voor de schade te laten opdraaien. In deze verwarrende tijden is de roep om ethiek groot, maar ethisch gedrag is maar moeilijk voorstelbaar zolang niemand verantwoordelijkheid draagt en er dus ook geen sancties kunnen worden opgelegd.

5.7   Ten slotte is het deel van het voorstel dat over de problemen gaat die zich internationaal voordoen, niet toereikend. Ook de problematiek van de begunstigden van financiële producten (d.i. bedrijven, maar vooral ook burgers) moet beter worden behandeld.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  European Securities Market Authority

(2)  Hierna: Verordening van 2009

(3)  Openbare raadpleging over ratingbureaus van 5 november 2010

(4)  Zie het EESC-advies over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB C 277/25 van 17 november 2009, blz. 117)

(5)  Voor een korte samenvatting van de Verordening van 2009 zie hoofdstuk 3 van het in voetnoot 4 vermelde EESC-advies

(6)  Mededeling „Reguleren van financiële diensten ter bevordering van duurzame groei” (COM(2010) 301 final)

(7)  Verordening (EG) nr. 1060/2009 van 16 september 2009 inzake ratingbureaus

(8)  Zie de EESC-adviezen over de volgende Commissievoorstellen: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautair macroprudentieel toezicht op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (COM(2009) 499 final – 2009/0140 (COD)); Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese bankautoriteit ((COM(2009) 501 final – 2009/0142 (COD)); Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (COM(2009) 502 final – 2009/0143 (COD)); Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese Autoriteit voor effecten en markten (COM(2009) 503 final – 2009/0144 (COD)).PB C 339/08 van 14.12.2010, blz.. 34


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/42


„Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het” Voorstel voor een verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen

(COM(2010) 395 definitief — 2010/0212 (COD))

(2011/C 54/13)

Algemeen rapporteur: Ludvik JÍROVEC

De Raad heeft op 7 september 2010 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 114 van het VWEU te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening (EU) nr. … / 2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen

COM(2010) 395 final – 2010/0212 (COD).

Het bureau van het EESC heeft vervolgens op 14 september 2010 besloten om de afdeling Interne markt, productie en consumptie met de voorbereiding van een advies over dit onderwerp te belasten.

Gezien het spoedeisende karakter ervan heeft het EESC tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 9 december), overeenkomstig artikel 57 van het rvo, Ludvik Jírovec als algemeen rapporteur aangewezen, waarna het onderstaand advies heeft uitgebracht, dat met 142 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 9 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Inleiding en samenvatting van onderhavige Mededeling

1.1   Doel van onderhavig voorstel is geharmoniseerde regels voor de vervaardiging van landbouw- en bosbouwvoertuigen vast te stellen. Daartoe wordt de vigerende wetgeving vervangen door regels die aansluiten bij de beginselen van betere regelgeving en vereenvoudiging. Een en ander moet de industrie concurrentiekrachtiger maken en is bevorderlijk voor de werking van de interne markt.

1.2   In navolging van de desbetreffende aanbeveling uit het CARS 21-rapport wordt met dit voorstel een aanzienlijke vereenvoudiging van de typegoedkeuringswetgeving beoogd. De bedoeling is dat één enkele verordening van het Europees Parlement en de Raad in de plaats komt van 24 basisrichtlijnen betreffende de technische voorschiften voor landbouw- en bosbouwvoertuigen (en ongeveer 35 daaraan gerelateerde wijzigingsrichtlijnen).

1.3   Het EESC is groot voorstander van codificatie in de vorm van één enkele verordening, temeer daar bij onderhavig voorstel de toezegging is gedaan dat deze exercitie niet zal worden aangegrepen om significante wijzigingen door te voeren en dat het enige doel ervan is om de EU-wetgeving overzichtelijker en transparanter te maken. Het EESC stemt onvoorwaardelijk in met dit streven en dus ook met dit voorstel, gerustgesteld door de toezegging die daarbij is gedaan.

2.   Opmerkingen

2.1   Typegoedkeuring is een tijdrovende procedure, die - vreest het EESC - vertragend kan werken voor de marktintroductie van nieuwe machines, met mogelijke rampzalige gevolgen voor kleine fabrieken. Daarom moet de nieuwe regelgeving soepel genoeg zijn om geen belemmering te vormen voor de voortdurende ontwikkeling van bestaande en de marktintroductie van nieuwe soorten machines.

2.2   Voor sommige soorten trekkers die niet op de weg mogen worden gebruikt, moet worden overwogen om vrijstelling toe te staan van de regels voor gebruik op de weg. Dit is een specifiek probleem dat speelt voor voertuigen die bestemd zijn voor een specialistisch gebruik.

2.3   Volgens het EESC moeten regels worden gebaseerd op meer dan twee snelheidscategorieën, zoals nu het geval is. Dankzij de technologie worden de wegligging en het remvermogen van trekkers steeds beter. Als gevolg daarvan zal steeds harder kunnen worden gereden met snelle trekkers die op de weg mogen rijden. Er moeten mogelijkheden worden gecreëerd voor langzame landbouw- en bosbouwvoertuigen. Het EESC is ervan overtuigd dat de voorgestelde verordening de ontwikkeling van kleine trekkers zal bemoeilijken, omdat de aanpassing aan de regelgeving onnodig veel gaat kosten, terwijl er geen erkenning is voor de veranderingen die nodig worden in voertuigen die nu al 65 km per uur en in de toekomst misschien nog wel harder kunnen rijden.

2.4   Daarnaast dringt het EESC er bij de Commissie op aan zich ook te buigen over vraagstukken i.v.m. het gebruik van landbouw- en bosbouwvoertuigen op de weg. Zo is het met name voorstander van Europese normen voor rijbewijzen, keuring van voertuigen en weggebruik. Daardoor wordt het gemakkelijker om de regels en regelgeving voor het gebruik van trekkers overal in Europa gelijk te trekken, waardoor een einde wordt gemaakt aan de huidige situatie waarin de nationale regelingen verschillen.

2.5   Fabrikanten moeten volgens het EESC kunnen voldoen aan de - ook technische - eisen die na de inwerkingtreding van de verordening zullen worden gesteld. Zoniet, dan moeten er adequate uitzonderlijke of overgangsmaatregelen worden genomen.

2.6   Wat artikel 8 („Voorschriften inzake de arbeidsveiligheid”) betreft is het volgens het EESC beter niet verder te reguleren aan de hand van een typegoedkeuringsrichtlijn, maar middels Richtlijn 2006/42/EG betreffende machines.

Brussel, 9 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/44


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters”

(COM(2010) 484 definitief — 2010/0250 (COD))

(2011/C 54/14)

Algemeen rapporteur: Edgardo Maria IOZIA

Het Europees Parlement en de Raad hebben resp. op 7 en op 13 oktober 2010 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters

COM(2010) 484 final – 2010/0250 (COD).

Het bureau van het EESC heeft vervolgens op 20 oktober 2010 de gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie met de voorbereiding van het advies over dit onderwerp belast.

Vanwege het spoedeisende karakter ervan heeft het EESC tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december) Edgardo Maria Iozia als algemeen rapporteur aangewezen en onderstaand advies uitgebracht, dat met 144 stemmen vóór en 4 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Opmerkingen en aanbevelingen

1.1   Volgens de BIS (Bank for International Settlements) beliep de nominale waarde van de derivaten eind 2009 ongeveer 615 duizend miljard dollar (615 000 000 000 000), ofwel meer dan tien maal de waarde van het internationale BIP. De winst die de banken in 2010 met deze derivaten behalen, kan oplopen tot pakweg 150 miljard dollar. Veertig procent van deze omzet wordt verwezenlijkt op niet-gereglementeerde markten: otc-markten. Volgens een recent onderzoek van een groot internationaal bankconcern zullen de hervormingen die Europa en de VS op die otc-markten gaan doorvoeren, de banken een verlies aan winst opleveren van minstens 15 miljard dollar.

1.2   Het EESC juicht onderhavig voorstel toe en staat achter de woorden van eurocommissaris Barnier: „De tijd is voorbij dat financiële markten zich in het Wilde Westen mogen wanen: otc-derivaten hebben veel invloed op de reële economie, gaande van leningen tot de prijzen van levensmiddelen. Dat otc-derivaten buiten iedere regelgeving vallen, was mede-oorzaak van de financiële crisis en van alle rampzalige gevolgen daarvan waar niemand aan ontkomt.”

1.3   De Commissie heeft terecht gekozen voor de verordening als middel om otc-derivaten te reglementeren, omdat daarmee voor alle marktspelers uniforme algemene verplichtingen kunnen worden ingevoerd.

1.4   Het EESC stemt in met het voorstel van de Commissie om gestandaardiseerde derivaten via centrale tegenpartijen (ctp's) te clearen en zich ervan te vergewissen dat die ctp's, die steeds hogere risico's gaan lopen, aan uniforme prudentiële regels worden onderworpen. Overigens heeft het EESC die mening al eerder aangehangen: „De OTC-markten zouden niet moeten worden opengesteld voor bilaterale handel, maar uitsluitend moeten opereren met een centrale tegenpartij die, kijkend naar het totale risico, de toegang tot transacties kan beperken voor partijen die uitzonderlijke risico's lopen. De transacties zouden via één platform moeten plaatsvinden, of hoogstens via een welomschreven aantal platformen ter wille van meer transparantie van de markten.”.

1.5   Het EESC is erg ingenomen met de keuze om de nationale autoriteiten samen met de EAEM (Europese Autoriteit voor Effecten en Markten) met het toezicht op de otc-derivatenmarkten (over the counter) te belasten. Idem dito voor het voorstel om deze instanties de verschillende soorten derivaten te laten aanwijzen waarvoor een centrale clearing nodig is en de bevoegdheid te geven om vergunningen aan ctp's te verstrekken, maar ook om die vergunningen weer in te trekken of te wijzigen, en voor het voorstel om hen een soortgelijke functie te laten vervullen voor transactieregisters.

1.6   Volgens het EESC moet er tussen de EAEM en nationale autoriteiten beslist meer worden samengewerkt. Die laatste zal ongetwijfeld worden gevraagd om hun ervaring en kennis van de lokale markten in te brengen. Ook zullen de nationale autoriteiten moet meehelpen om de interoperabiliteit van ctp's geleidelijk te vergroten, waarbij een evaluatie moet worden gemaakt van hun bekwaamheid, interne organisatie en vermogen om de risico's te dragen. Er is goed aan gedaan om de interoperabiliteit vooralsnog te beperken tot financiële instrumenten die in contanten worden verhandeld.

1.7   Met dit verordeningsvoorstel wordt de facto uitvoering gegeven aan de suggestie van de Raad voor financiële stabiliteit om de dienstverlening van ctp's uit te breiden tot gestandaardiseerde otc-derivatencontracten. In de G20 is afgesproken dat gestandaardiseerde otc-derivatencontracten vóór eind 2012 op markten of elektronische platforms moeten worden verhandeld en door ctp's moeten worden gecleard. Ook moeten otc-derivatencontracten dan aan een transactieregisters worden gerapporteerd.

1.8   Wereldwijd heeft de gezamenlijke CPSS-IOSCO-werkgroep in februari van dit jaar een volledige herziening opgestart van de normen voor de marktinfrastructuur: betalingssystemen, reglementeringssystemen voor effecten en ctp's. Doel is om de huidige beginselen/aanbevelingen bij te werken en op grond van de lering die uit de recente financiële crisis kan worden getrokken, te consolideren. Een eerste belangrijke resultaat was de publicatie in mei 2010 van Overwegingen voor transactieregisters op de otc-derivatenmarkt. Over de rol van ctp's deed het Technisch Comité al in maart 2004 nuttige aanbevelingen, maar daaraan is helaas geen gevolg gegeven.

1.9   In onderhavig voorstel is geen sprake van een specifieke norm voor kredietverzuimswaps (credit default swaps - cds). Het EESC pleit ervoor om op korte termijn ook voor cds een regeling te treffen, omdat die al vanaf 1 juli 2012 aan banden zullen worden gelegd (tegelijk met short selling, ofwel baissetransacties met effecten), terwijl de beperkende maatregelen voor derivaten pas eind van dat jaar ingaan.

1.10   De Commissie heeft in oktober 2009 een Mededeling uitgevaardigd over de maatregelen die zullen worden genomen om de derivatenmarkt te reguleren. Doel is de MiFID-richtlijn zo te wijzigen dat de transparantie groter wordt, de operationele risico's door standaardisering worden verkleind en de markten van gestandaardiseerde contracten gaan groeien.

1.11   Het EESC is ervan overtuigd dat de voorgestelde maatregelen de markten transparanter zullen maken: doordat de transactieregisters dan aan belang winnen, wordt het risico voor ctp's minder groot en worden dus ook steeds meer transacties aan ctp's overgelaten. Die ctp's moeten zich op hun beurt gaan houden aan strengere normen t.a.v. governance, interne organisatie en kapitaalvereisten om het operationele risico te verkleinen. Bij dat alles zal gebruik worden gemaakt van elektronische procedures ter bekrachtiging van de voorwaarden waaronder otc-derivatencontracten worden gesloten.

1.12   Het EESC gaat akkoord met het voorstel aangaande ctp's en met het aan banden leggen van short selling. Dat transacties transparant moeten worden gemaakt, dat actoren en ctp's hun verantwoordelijkheid niet uit de weg mogen gaan en dat buitensporige speculatie moet worden voorkomen, behoeft geen betoog. De Commissie werkt daaraan en doet dat doeltreffend met maatregelen om - in ieder geval voor een deel - de regelgevingsleemte aan te vullen die mede-oorzaak was van de financiële crisis.

Toch moeten sommige risico's niet worden onderschat, bijvoorbeeld als gevolg van een te grote nadruk op de winsten die ctp's op de korte termijn op cds-markten kunnen maken. Een andere niet te verwaarlozen factor is dat ctp's met elkaar concurreren als het gaat om clearing en de fragmentatie van het hele proces. Andere niet te onderschatten risico's zijn dat het scala aan beschikbare instrumenten wordt ingeperkt en dat financiële transacties duurder worden.

1.13.1   Om dergelijke risico's adequaat het hoofd te bieden, zou vooral uitvoerig moeten worden ingegaan op kwesties die samenhangen met de interoperationaliteit van ctp's, de vertrouwelijkheid van gegevensuitwisseling, de concentratie van gegevensverzameling, meldplicht bij de centrale tegenpartij en de betrokkenheid van de klant bij de governance van de ctp's.

1.14   Het EESC adviseert de EU-instellingen om

de verordening betreffende otc-derivatenmarkten zo snel mogelijk goed te keuren, omdat daarmee het vertrouwen in de markten wordt hersteld en er dan weer rust op de markten komt. Ook biedt die verordening bescherming aan spaarders;

de nieuwe regelgeving inzake derivaten aan te vullen, zoals de Commissie heeft aangegeven;

meer vaart te zetten achter de voltooiing van het hele institutionele en regelgevingsbestel m.b.t. de hervorming van de regulering van de financiële markten.

2.   Het verordeningsvoorstel

2.1   De G20 heeft al meermalen gewezen op zijn engagement om vaart te zetten achter de goedkeuring van krachtige maatregelen om de financiële markten transparanter te maken en een oplossing te vinden voor het gebrek aan regelgeving voor otc-derivaten.

2.2   In onderhavig verordeningsvoorstel wordt verwezen naar de talrijke maatregelen waarvoor het Europees Parlement pleit in zijn resolutie van 15 juni 2010 („Derivatenmarkten: toekomstige beleidsmaatregelen„). Ook sluit dit verordeningsvoorstel aan bij de onlangs in de VS, onder de titel”Frank-Dodd Act”, aangenomen wetten.

2.3   Als het gaat om clearing, rapportage en vermindering van het risico van otc-derivaten, is alleen voorzien in clearing via ctp's in het geval van gestandaardiseerde otc-derivatencontracten. Doel van de voorgestelde verordening is echter ook dat zoveel mogelijk otc-derivaten onder de clearingsverplichting vallen. Daarom zijn er in dit verordeningsvoorstel twee methoden aangegeven om uit te maken welke contracten moeten worden gecleard.

2.4   De eerste methode is bottom-up: volgens deze methode geeft een bevoegde autoriteit een ctp toestemming om besluiten te nemen over de clearing van bepaalde soorten contracten. Als die toestemming eenmaal is gegeven, moet die bevoegde autoriteit de EAEM daarvan op de hoogte brengen. De EAEM kan dan beslissen of een soortgelijke clearingsverplichting van toepassing wordt op alle vergelijkbare contracten in de EU.

2.5   De tweede methode is top-down: met deze methode kan worden vastgesteld welke contracten niet door een ctp zijn gecleard. In dit geval bepaalt de EAEM, samen met de ESRB (Europees comité voor systeemrisico's), welke contracten in aanmerking kunnen komen voor de clearingsverplichting. Tegenpartijen voor wie de clearingsverplichting geldt, moeten een beroep doen op een ctp.

2.6   In beginsel wordt de voorgestelde verordening niet van toepassing op niet-financiële subjecten (ondernemingen), behalve als met hun otc-derivatenpositie een bepaalde grens wordt bereikt waardoor die positie stelselmatig als belangrijk wordt beschouwd.

2.7   De voorgestelde verordening voorziet in een proces waardoor niet-financiële subjecten met een systemisch belangrijke otc-derivatenpositie kunnen worden opgespoord, waarna deze aan specifieke verplichtingen worden onderworpen. Het proces is gebaseerd op de vaststelling van twee drempels: a) een informatiedrempel en b) een clearingdrempel.

2.8   Krachtens de voorgestelde verordening moet verplicht gebruik worden gemaakt van elektronische en risicobeheerprocedures. Verder moeten financiële en niet-financiële tegenpartijen bij overschrijding van de clearingdrempel tot in de kleinste bijzonderheden verslag uitbrengen van alle derivatencontracten en van alle wijzigingen sinds de rapportage aan het transactieregister.

3.   Eisen die aan ctp's worden gesteld

3.1   Een ctp moet extra risico's op zich nemen. Daarom is in de voorgestelde verordening bepaald dat ctp's om veiligheidsredenen aan strenge organisatorische en prudentiële vereisten (interne governance, extra kapitaalvereisten, enz.) moeten voldoen.

3.2   Een ctp moet kunnen terugvallen op solide governance-afspraken als weermiddel tegen belangenconflicten tussen eigenaars, beheerders, clearingleden en indirecte deelnemers. Vooral van belang is de rol van de leden van het onafhankelijke comité. Verder moet een ctp aan minimumkapitaalvereisten voldoen om een vergunning te krijgen. Krachtens de verordening moet een ctp over een wanbetalingsfonds beschikken waaraan de clearingleden geacht worden bij te dragen.

4.   Toestemming voor en toezicht op transactieregisters

4.1   De voorgestelde verordening voorziet in een rapportagevereiste voor otc-derivatentransacties om de transparantie van deze markt te verhogen. De informatie moet aan transactieregisters worden gerapporteerd. Die transactieregisters worden bij de EAEM geregistreerd, die daarop toezicht houdt.

4.2   Ook staat in de voorgestelde verordening aan welke eisen transactieregisters moeten voldoen om conform te zijn aan een reeks standaardnormen. Die normen zijn opgezet om ervoor te zorgen dat de informatie die de transactieregisters voor regelgevingsdoeleinden bewaren betrouwbaar, beveiligd en beschermd is. Met name worden de transactieregisters onderworpen aan organisatorische en operationele vereisten waardoor een passende bescherming gewaarborgd is.

5.   Opmerkingen van het EESC

5.1   Inmiddels is duidelijk geworden dat de infrastructuur van de effectenmarkten significante hiaten vertoond m.b.t. het beheer van het tegenpartijkredietrisico en de transparantie van verrichtingen op de otc-derivatenmarkten. Dit geldt vooral voor cds, die zijn aangewezen als schuldigen van de „grote recessie”.

5.2   Door die atypische contracten werden risico's minder als zodanig ervaren en is de crisis verder uitgebreid. Die crisis kwam vooral hard aan voor de emittenten van cds en dus ook voor de uiteindelijke spaarder. Doordat de speculerende banken cds „naakt” hebben verkocht (d.w.z. zonder onderliggende waarde) gingen de rentevoeten omhoog. Hierdoor werden de kosten voor de emittenten hoger en gingen ook zij failliet.

5.3   Om die reden worden cds ook wel „loodzware parachutes” genoemd, wat genoeg zegt: cds worden gezien als levensgevaarlijk voor het internationale financiële bestel. De enige concrete oplossing die is gevonden, is voorkómen dat instellingen failliet gaan. Vandaar dat banken met overheidsgeld zijn gered, en dus zijn genationaliseerd. Door die staatsbemoeienis is – hoe kon het ook anders – de overheidsschuld groter geworden, terwijl het probleem alleen maar is verschoven, nl. van de bank naar het land van de bank. Hierdoor zijn de valutamarkten in de eurozone ernstig verstoord geraakt en hebben alle landen zich gedwongen gezien tot vergaande bezuinigingsmaatregelen, waardoor het toch al zwakke herstel van de economie opnieuw is afgeremd.

5.4   In de VS heeft de DTCC (Depository Trust & Clearing Corporation) een maatschappij opgericht, de Warehouse Trust Company LCC, die de specifieke bevoegdheid heeft gekregen om voor cds als transactieregister te fungeren. Verder is de Amerikaanse regering begonnen om de wetgeving inzake de handel in otc-derivaten te hervormen. Door die hervorming moet voor gestandaardiseerde contracten verplicht gebruik worden gemaakt van ctp's en wordt de handel geconcentreerd in gereglementeerde markten of georganiseerde platforms.

5.5   In Europa werkt de Commissie momenteel aan een wetsvoorstel (EU-wetgeving voor de marktinfrastructuur) om otc-derivatenmarkten transparanter en stabieler te maken. De maatregelen die in de pijplijn zitten, zijn afgestemd op de Amerikaanse plannen, omdat regelgevingsarbitrage(dat is belangrijk) beter kan worden voorkómen.

5.6   Het EESC waarschuwt ook voor een aantal risico's die verbonden zijn aan de voor de otc-derivatenmarkt voorgestelde maatregelen. Immers, de ineenstorting van de financiële markten is niet alleen teweeggebracht door die markt, het gebrek aan ctp's of het uitblijven van een verbod op short selling.

5.7   Sinds de jaren tachtig zijn de financiële markten overstroomd door steeds complexere derivaten, waardoor die markten qua efficiëntie almaar dichter in de buurt kwamen van het theoretische ideaal van volledigheid van de markt. Als gevolg daarvan zijn ook de regelgeving, het toezicht en de marktbewaking steeds complexer geworden. De maatregelenpakketten voor de hervorming waarvan thans sprake is, hebben zonder uitzondering tot doel om de markten beter in de hand te houden, wat vaak ten koste gaat van de efficiëntie.

5.8   Hoe meer de prijs (of de opbrengst) van een waardepapier in overeenstemming is met de beschikbare informatie, hoe efficiënter een markt werkt. Om een markt efficiënter te maken, is het dus zaak ervoor te zorgen dat informatie rondgaat, zodat die gegevens zo snel mogelijk in de prijs van effecten kunnen worden verwerkt. Het is belangrijk te weten hoeveel efficiëntie moet worden opgeofferd met de voorgenomen maatregelen.

5.9   Om te beginnen zou het best kunnen dat maatregelen om het aantal beschikbare financiële instrumenten in te krimpen (ofwel het aan banden leggen van „naakte” cds of van short selling), de marktwerking niet efficiënter maken, omdat een geringer aantal financiële instrumenten met zich meebrengt dat het vermogen van de markten om de voor marktdeelnemers beschikbare informatie te verwerken en door te spelen, ook afneemt.

5.10   Er valt van alles te zeggen over het nut van „naakte „cds, over de vraag wat de extra informatie is die” naakte” cds verschaffen in vergelijking met andere instrumenten en in hoeverre de financieringskosten hierdoor worden beïnvloed. Hoe dan ook is afschaffing van „naakte” cds geen wondermiddel om de efficiëntie van de markten te vergroten. De mogelijkheid om short selling aan banden te leggen, vermindert de liquiditeit van het systeem en vermindert dus het vermogen om onmiddellijk op nieuwe informatie te reageren. Bovendien kunnen de beperkingen die de handel in otc-effecten worden opgelegd, waarbij actoren derivaten altijd op gereglementeerde markten moeten gaan verhandelen en een beroep moeten doen op clearinginstituten, een tweeledig effect hebben.

5.11   Aan de ene kant wordt de markt hierdoor transparanter (zo wordt het gemakkelijker om de waarde van de effecten die de actoren in bezit hebben, alsook de daaraan verbonden risico's in de gaten te houden) en kunnen bronnen van instabiliteit – in ieder geval voor een deel – beter onder controle worden gehouden. Alleen volstaat transparantie wellicht niet als financiële spanningen optreden. Onderhavig verordeningsvoorstel geeft de nationale regelgever onmiskenbare bevoegdheden: deze kan in uitzonderlijke omstandigheden het verbod op short selling van om het even welk financieel instrument „tijdelijk” beperken of opheffen, op voorwaarde dat dit in coördinatie met de EAEM gebeurt. Die laatste kan zelf altijd ook rechtstreeks ingrijpen als aan twee voorwaarden is voldaan: de ordelijke werking en de integriteit van de markt zijn in gevaar, en de nationale regelgever is in gebreke gebleven of heeft wel maatregelen genomen, maar die zijn ontoereikend.

5.12   Aan de andere kant is het risico weer dat het aantal beschikbare instrumenten geringer wordt en dat financiële transacties duurder worden. De futures-markt is vergaand gestandaardiseerd en gereglementeerd (omdat het belangrijk is om te kunnen volgen welke prijzen worden betaald voor de effecten waarover contracten zijn gesloten), terwijl de forward-markt (een instrument dat qua concept vergelijkbaar is met futures) aan de behoeften van de tegenpartijen is aangepast en de actoren in staat stelt om de payoff flexibel te structureren. Het gaat hier om effecten die nauwelijks zijn gestandaardiseerd en moeilijk kunnen worden ingezet op traditioneel gereglementeerde markten zonder dat de keuzemogelijkheden voor beleggers worden beperkt.

5.13   Ctp's worden gezien als hét wondermiddel waardoor het systeemrisico in de hand kan worden gehouden en de otc-derivatenmarkten efficiënter en transparanter kunnen worden gemaakt. Ctp's zijn zonder meer een belangrijke factor voor de verbetering van de marktwerking qua risico en efficiëntie en zijn onmisbaar voor de marktinfrastructuur van beursgenoteerde derivaten. Redelijkerwijs kan dus worden gesteld dat ctp's zullen bijdragen aan de ontwikkeling van de otc-markten. Dat neemt niet weg dat veel instanties en politici een overtrokken beeld geven van de voordelen van ctp's voor cds-markten op de korte termijn.

5.14   Ctp's mogen niet worden gezien als een oplossing voor het tegenpartijkredietrisico en zouden wel eens kunnen falen als middel om de markt efficiënter te maken, gezien de toestand waarin de markt zich momenteel bevindt. Onder de huidige omstandigheden waarin iedere regio meerdere ctp's heeft, die verschillen naar gelang van het soort instrumenten waarom het gaat: kredietderivaten of renteswaps, is de mogelijkheid om op efficiënte wijze pandrechten te laten gelden en de blootstelling aan de tegenpartij te verminderen, twijfelachtig geworden. Ctp's kunnen de kredietrisicoblootstelling op multilaterale basis compenseren, maar dan alleen voor de regio, de tegenpartijen of de soorten geschikte derivaten die ze bestrijken. Anders gezegd kan er tussen cds-posities en renteswap-posities geen clearing plaatsvinden.

5.15   Bilaterale clearing van de blootstellingen aan meerdere soorten otc-derivaten met één enkele tegenpartij buiten de ctp kan leiden tot een efficiënter gebruik van zekerheden. Ook mag niet worden vergeten dat derivaten altijd vernieuwende en op maat gesneden instrumenten zullen blijven en dat dus veel contracten ongeschikt zullen zijn voor clearing. Dergelijke posities zullen, met inachtneming van het kredietrisico, op elkaar moeten worden afgestemd via een adequaat proces voor het beheer van de zekerheden waar de ctp niet bij te pas komt.

5.16   Ctp's zorgen voor een meerwaarde en helpen om het risico van één marktspeler te herverdelen en te isoleren. Het EESC onderschrijft dit standpunt. Ctp's zullen steeds populairder worden en de markt zal door ctp's sneller rijpen en transparant worden, met als wenselijke gevolg dat otc-derivaten een nog hogere vlucht zullen gaan nemen.

5.17   Ctp's vormen daarentegen slechts één bestanddeel van een solide infrastructuur voor risicobeheersing. Het tegenpartijkredietrisico zal niet worden opgeheven en het bilaterale risico zal ook in de toekomst nog in aanmerking moeten worden genomen voor de posities buiten de ctp.

5.18   Daar komt nog bij dat veel maatschappijen niet investeren in systemen voor de beheersing van het aan hun derivatenportefeuille verbonden risico. De kans is groot dat die maatschappijen blijven hopen op redding, ook als hun risicobeheersing zonder meer te wensen overlaat.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/48


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures”

(COM(2010) 392 definitief — 2010/0215 (COD))

(2011/C 54/15)

Algemeen rapporteur: de heer PEZZINI

De Raad heeft op 29 september 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures

COM(2010) 392 final - 2010/0215 (COD).

Het EESC-bureau heeft op 20 oktober 2010 de afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap ermee belast de betreffende werkzaamheden voor te bereiden.

Gelet op het spoedeisende karakter van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 (vergadering van 8 december 2010) gehouden 467e zitting de heer Pezzini als algemeen rapporteur aangewezen en het onderstaande advies met 161 stemmen vóór en geen stemmen tegen, bij 3 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC onderschrijft de werkzaamheden van de Commissie die met een algemeen wetgevingspakket wil komen om een geheel van gemeenschappelijke procedurele rechten bij strafprocedures in de lidstaten te garanderen.

1.2   Het recht op specifieke en nauwkeurige informatie maakt deel uit van de rechtstraditie van de Unie en wint nog aan belang gelet op het verkeer van EU-burgers binnen de lidstaten.

1.3   Ook onderdanen van derde landen, die in steeds grotere getale de Unie binnenkomen, moeten de rechtscultuur van de Unie en de duidelijkheid van de procedures, waaruit respect blijkt voor de mens, ook in strafprocedures, kunnen onderkennen.

1.4   De onderlinge afstemming van de nationale wetgevingen, die aan de richtlijn ten grondslag ligt, moet volgens het EESC de hoeksteen vormen van de justitiële samenwerking, ook om recht te doen aan het „Handvest van de grondrechten” dat in het EU-Verdrag (VWEU en VEU) is opgenomen.

1.5   Naar de mening van het EESC draagt de bescherming van de grondrechten van de persoon, via gemeenschappelijk overeengekomen procedures, zonder twijfel aanzienlijk bij aan de samenhang en de versterking van het vrije verkeer binnen de EU.

2.   Algemene opmerkingen

2.1   Teneinde het fundamentele recht op een eerlijk proces conform de rechtsstaat te garanderen heeft de EU een specifieke maatregel genomen die erop gericht is de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures te versterken.

2.2   De maatregel heeft voorts tot doel de rechten van de verdediging kracht bij te zetten. Dit is een zeer belangrijke communautaire maatregel, vooral omdat aldus wordt beoogd het vertrouwen in de Europese rechtsruimte te vergroten, alsook uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen

2.3   Het verdwijnen van de binnengrenzen en het feit dat er meer gebruik wordt gemaakt van de rechten van vrij verkeer en vrije vestiging, zorgen er immers voor dat thans steeds meer mensen verwikkeld zijn in strafprocedures in een lidstaat die niet hun woonland is.

2.4   Resolutie 2009/C295/01 van de Raad van 30 november 2009, waarbij rekening is gehouden met

de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 1999,

het Haags programma van 2004,

het programma van Stockholm van december 2009 voor de periode 2010-2014,

is algemeen gericht op de volledige uitvoering – in opeenvolgende stappen – en consequente eerbiediging van het „recht op een eerlijk proces”.

2.4.1   Een en ander sluit aan bij het beginsel dat expliciet is vastgelegd in art. 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat ook de gemeenschappelijke basis vormt voor de bescherming van de rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures.

2.5   Het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging zijn voorts ook neergelegd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de EU (1).

2.6   In de routekaart met zes punten die in de vermelde resolutie van de Raad is goedgekeurd, zijn met name de volgende maatregelen als prioritair aangemerkt:

Maatregel A: aangezien het, om de rechten van de verdediging ten volle te kunnen uitoefenen, noodzakelijk is deze rechten ook te kennen, wordt aan een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet spreekt of verstaat, het recht verleend om door een tolk te worden bijgestaan en om alle essentiële processtukken in vertaling aangeleverd te krijgen (2);

Maatregel B: voorgeschreven wordt dat een persoon die van een misdrijf wordt verdacht of beschuldigd, mondeling of schriftelijk (bijvoorbeeld middels een verklaring van rechten) correct moet worden geïnformeerd over zijn basisrechten; Voorts wordt aan de betrokkene het recht toegekend snel informatie te krijgen over de aard en de reden van de beschuldiging, zodat hij/zij te gepasten tijde de informatie kan ontvangen die nodig is voor de voorbereiding van zijn/haar verweer.

3.   Inhoud van het voorstel

3.1   Aansluitend bij het mandaat dat haar door de vermelde resolutie van de Raad is verleend, heeft de Europese Commissie het voorstel voor een richtlijn COM(2010) 392 final opgesteld „betreffende het recht op informatie in strafprocedures”.

3.2   Met de ontwerprichtlijn wordt beoogd specifiek uitvoering te geven aan maatregel B van de vermelde routekaart via de invoering van gemeenschappelijke minimumnormen betreffende het recht op informatie in strafprocedures op EU-grondgebied.

3.3   Uit hoofde van dit wetsvoorstel is de onderzoeksinstantie dus verplicht de verdachte niet alleen de nodige informatie ter beschikking te stellen maar moet zij er ook actief voor zorgen dat deze informatie effectief onder de aandacht van de verdediging wordt gebracht.

3.4   Deze positieve en zinvolle maatregelen zouden in de praktijk o.m. moeten leiden tot een verkorting van de duur en een vermindering van de kosten van de gerechtelijke procedures; ook zouden aldus gerechtelijke fouten moeten worden voorkomen en het aantal beroepsprocedures moeten worden verminderd.

3.5   Zo zou dus sprake kunnen zijn van een zekere „compensatie” voor de extra financiële lasten die de ontwikkeling en de concrete toepassing van de informatiemaatregelen ongetwijfeld, zij het in beperkte mate, met zich mee zullen brengen.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1   Overweging (18): de zin „Alle verdachten en beklaagden dienen onverwijld aan het begin van de strafprocedure mondeling of schriftelijk te worden geïnformeerd over hun rechten” lijkt een contradictie in te houden; het zou dan ook nuttig zijn een precies tijdstip aan te geven waarop de mondelinge of schriftelijke informatie m.b.t. de beschuldiging dient te worden gegeven.

4.2   Overweging (19): de passage „over deze procedurele rechten die van onmiddellijk belang zijn” is te vaag; het zou opportuun zijn de aard en draagwijdte van de betreffende procedurele rechten beter te specificeren, met name met het oog op een doeltreffendere verdediging.

4.3   Overweging (21): de slotpassage „een ernstig gevaar inhoudt ….voor de binnenlandse veiligheid van de lidstaat” lijkt te vaag. Met het woord „ernstig” wordt hoe dan ook gewezen op een onontbeerlijke voorwaarde, die kan verhinderen dat lidstaten de „binnenlandse veiligheid” gebruiken als voorwendsel om een „politieke” beoordelingsvrijheid uit te oefenen.

4.4   Overweging (22): wat transparantie betreft, zou de passage „een mechanisme om te controleren of de verdachten …” beter kunnen worden gespecificeerd, door vóór „controleren” de woorden „middels formele handelingen” in te lassen.

4.5   Artikel 3, lid 1: het woord „onverwijld” zou beter worden vervangen door de woorden „reeds bij de eerste handeling”.

4.6   Artikel 3, lid 2, laatste regel: de woorden „onverwijld voor een rechter te verschijnen” moeten worden vervangen door „onverwijld voor een rechter te worden geleid”, conform de formulering in artikel 5, lid 3, EVRM.

4.7   Artikel 4, lid 1: het woord „onverwijld” zou beter worden vervangen door de woorden „reeds bij de eerste handeling”.

4.8   Artikel 6: daar de richtlijn betrekking heeft op het recht op informatie over de beschuldiging, niet alleen in de fase van berechtiging maar ook tijdens het strafrechtelijk vooronderzoek, zou moeten worden gespecificeerd dat de informatie ook betrekking moet hebben op de activiteiten van de gerechtelijke politie, althans in gevallen van delegatie van gerechtelijke autoriteit en hoe dan ook wanneer een eerste aanklacht wordt geformuleerd.

4.9   Art. 6, lid 1: deze passage moet als volgt worden aangevuld: „De lidstaten waarborgen dat een verdachte of beklaagde voldoende informatie over de tenlastelegging en de desbetreffende motivering ontvangt om het eerlijk verloop van de strafprocedure te vrijwaren”, zodat wordt voldaan aan de bepaling in het EVRM (art. 6, lid 3, sub a)) waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de reden van de beschuldiging.

4.10   Art. 6, lid 2: [noot van de vertaler: sommige taalversies dienen te worden afgestemd op de formulering in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarvan de interpretatie reeds meermaals in de rechtspraak is verduidelijkt. De Nederlandse versie volgt echter reeds de formulering van het EVRM.]

4.11   Artikel 6, lid 3, sub a): De formulering „… de omstandigheden waaronder het strafbaar feit werd gepleegd …” moet worden vervangen door „de omstandigheden waaronder het strafbaar feit zou zijn gepleegd …”. Op het moment van de tenlastelegging staat immers nog niet vast of er ook echt een strafbaar feit werd gepleegd, dat kan pas met zekerheid worden gesteld na afloop van het proces.

4.12   Artikel 6, lid 3, onder a: „met inbegrip van de tijd, de plaats en de mate van betrokkenheid” zou preciezer zijn geformuleerd als „de mate van betrokkenheid” zou worden vervangen door „de effectieve rol bij het plegen van de misdaad”.

4.13   Artikel 6, lid 3 – als volgt aanvullen:

„c)

strafmaat geldend voor het hierboven bedoelde strafbare feit;

d)

termijnen en mogelijkheden voor verweer en bewijsmiddelen;

e)

relatieve waarde van een eventuele bekentenis.”

4.14   Artikel 7, lid 2: de geheimhoudingsplicht op basis waarvan de toegang tot bepaalde stukken in het procesdossier, na afronding van het onderzoek, kan worden geweigerd, moet voorkomen dat de gerechtelijke autoriteit te veel beoordelingsvrijheid wordt gelaten, aangezien de afronding van het onderzoek de processtukken algemeen toegankelijk maakt.

4.15   Artikel 7, lid 3: in alle taalversies van de richtlijn moet de verwijzing naar „indagini preliminari” (vooronderzoek) worden behouden en moet de formulering „fase instruttoria” („beslissingen voorafgaande aan de behandeling”) worden vermeden, daar in het procesrecht vaak in deze laatste fase niet meer wordt voorzien.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  In artikel 5, lid 2 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid) is met name bepaald dat „eenieder die gearresteerd is, onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte moet worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht”.

In het daaropvolgende artikel 6, lid 3 (recht op een eerlijk proces) wordt voorts het volgende voorgeschreven: „Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: a) onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; b) te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging; e) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat en niet spreekt.”

Artikel 111 van de Italiaanse grondwet, zoals gewijzigd bij de constitutionele wet nr. 2/1999, voorziet voorts expliciet in dezelfde garanties op een eerlijk proces.

(2)  Richtlijn 2010/64, gepubliceerd in PB L 280 van 26 oktober 2010, in werking getreden op 20 oktober 2010.


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/51


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten om de teelt van ggo's op hun grondgebied te beperken of te verbieden”

(COM(2010) 375 definitief — 2010/0208 (COD))

(2011/C 54/16)

Rapporteur: Gerfried GRUBER

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 7 en 10 september 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten om de teelt van ggo's op hun grondgebied te beperken of te verbieden

COM(2010) 375 final - 2010/0208 (COD).

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 november 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 467e zitting van 8 en 9 december 2010 (vergadering van 9 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 169 stemmen vóór en 12 stemmen tegen, bij 12 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   Het EESC erkent dat een groot deel van de Europese bevolking zich zorgen maakt over de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde organismen in de Europese landbouw. Het juicht dan ook toe dat de Europese Commissie voornemens is om dit gevoelige thema van de vrijheid van lidstaten om te besluiten tot de teelt van ggo's aan te pakken en zo een praktische oplossing te vinden en een Europees kader tot stand te helpen brengen dat verenigbaar is met de goede werking van de interne markt. Het EESC is echter van mening dat het ingediende voorstel, dat vooral gebaseerd is op ethische en morele criteria, meer voor onzekerheid dan voor zekerheid zal zorgen en er in de praktijk toe zou kunnen leiden dat lidstaten en regio's allerlei verschillende (juridisch wankele) maatregelen uitvaardigen. Dit kan invloed hebben op de werking van de interne markt, de rechtszekerheid voor de marktdeelnemers en de geloofwaardigheid van het systeem.

1.2   In de zin van de hierboven genoemde opmerkingen dient het voorliggende voorstel volgens het Comité echter aanzienlijk verbeterd en geconcretiseerd te worden, vooral met het oog op de rechtszekerheid voor de betrokken partijen. Deze rechtszekerheid kan worden gegarandeerd door bijvoorbeeld in het secundaire EU-recht een concrete en werkbare wettelijke basis te leggen, met specifieke uitgangspunten, voorwaarden en procedures voor nationale maatregelen. Meer in het algemeen dringt het EESC aan op meer duidelijkheid over de rechtsgrond van het voorstel en over de vraag in hoeverre eventuele nationale verboden krachtens artikel 26 ter te rijmen vallen met de regels van de interne markt van de EU en de handelswetgeving van de WTO en met andere internationale wettelijke verplichtingen.

1.3   Nationale restricties m.b.t. de teelt van ggo's hangen nauw samen met co-existentie, aansprakelijkheid voor ggo-schade en ongewilde vermenging. Deze zaken zouden daarom samen of in gelijktijdige wetsvoorstellen moeten worden behandeld als onderdeel van een bredere herziening van de EU-regelgeving voor biotechnologie in de landbouw, mede gezien de conclusies van de Milieuraad van december 2008.

1.4   Aangezien onderhavig Commissievoorstel is gepubliceerd vóór de algehele herziening van het huidige rechtskader die momenteel aan de gang is, kan er op basis van de huidige toetsingen van het bestaande rechtskader nog geen afgerond oordeel worden gegeven over het voorstel, dat alleen in samenhang met de lopende evaluatie van het toelatingssysteem en het algemene rechtskader grondig kan worden beoordeeld. Dit mag echter niet betekenen dat onnodig lang wordt gewacht met verbeteringen van het huidige voorstel.

2.   Achtergrond en inhoud van het voorstel voor een verordening

2.1   De Europese Unie beschikt over een uitvoerig wetgevingskader voor de toelating van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's). Regelgeving met betrekking tot de teelt van ggo's is te vinden in Richtlijn 2001/18/EG (1) en Verordening (EG) nr. 1829/2003 (2). Beperkingen op de teelt van reeds toegelaten ggo's op lidstaatniveau zijn mogelijk door middel van de beschermingsmaatregelen overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2001/18/EG, onder de daar vastgestelde voorwaarden; deze maatregelen moeten gebaseerd zijn op bijkomende wetenschappelijke informatie op grond waarvan een bepaald ggo als een gevaar voor de volksgezondheid of het milieu kan worden beschouwd. Bovendien kunnen lidstaten volgens artikel 26a passende maatregelen nemen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo's in andere producten te verhinderen (co-existentie).

2.2   In maart 2009 werd het verzoek van de Europese Commissie om bestaande nationale vrijwaringsmaatregelen (met name in Oostenrijk en Hongarije) vanwege gebrekkige wetenschappelijke onderbouwing in te trekken, afgewezen in de Raad. Eerdere, soortgelijke stemmingen van de Raad schetsen eenzelfde beeld, zodat met recht gesproken kan worden van een politieke impasse, vergelijkbaar met de situatie m.b.t. het toelatingssysteem. 13 lidstaten (3) hebben in juni 2009 in een gemeenschappelijke verklaring de Europese Commissie opgeroepen om voorstellen voor te bereiden waarin het aan de lidstaten overgelaten wordt een beslissing over ggo-teelt te nemen.

2.3   Uitgaande van de politieke richtsnoeren van Commissievoorzitter Barroso heeft de Europese Commissie bij besluit van 13 juli 2010 een wetgevingsvoorstel ingediend op grond waarvan het aan de lidstaten zelf moet worden overgelaten om over de teelt van ggo's te beslissen. De voorstellen van de Commissie bestaan uit een mededeling inzake de vrijheid die de lidstaten moeten hebben om besluiten te nemen over de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen (4), en een voorstel voor een verordening waarmee het rechtskader dienovereenkomstig wordt aangepast (5).

2.4   Wetgevingstechnisch komt er een verordening voor een aanvulling van Richtlijn 2001/18/EG met een nieuw artikel, 26 ter. Deze bepaling voorziet erin dat de lidstaten maatregelen kunnen nemen om de teelt van ggo's die op de interne markt al toegelaten zijn, op hun grondgebied of op een deel daarvan te beperken of te verbieden, voor zover daarvoor redenen zijn aan te voeren die geen verband houden met risico's voor het milieu of de volksgezondheid en die in het geldende toelatingssysteem niet gedekt worden en in overeenstemming zijn met de Verdragen.

2.5   De voorgestelde verordening heeft tot doel de lidstaten in de zin van het subsidiariteitsbeginsel meer keuzevrijheid wat betreft de teelt van ggo's te geven, en de nodige rechtszekerheid te creëren. De Commissie gaat ervan uit dat het verordeningsvoorstel in lijn is met de regels van de interne markt en internationale verplichtingen. Volgens de Commissie is de nieuwe regeling ook niet in tegenspraak met de geldende toelatingsprocedure, maar vult zij die slechts aan.

2.6   De juridische dienst van de Raad heeft op 5 november een juridisch advies uitgebracht over de keuze van de rechtsgrondslag, de mogelijke nationale maatregelen en de mate waarin de voorgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met de GATT-akkoorden. Volgens deze dienst is de gekozen rechtsgrondslag ongeldig, valt het zeer te betwijfelen of de maatregelen die de lidstaten zouden mogen nemen wel stroken met de Verdragen en met de GATT, en zijn maatregelen die lidstaten of regio's uit hoofde van ethische of morele criteria nemen, moeilijk te verdedigen bij het Hof van Justitie en de WTO. Bovendien worden deze bezwaren in zekere zin gedeeld door de juridische dienst van het Europees Parlement, dat in zijn advies van 17 november 2010 vergelijkbare kanttekeningen heeft gemaakt en zich afvraagt of mogelijke rechtvaardigingen voor nationale beperkende maatregelen, bijvoorbeeld op morele gronden, wel in overeenstemming zijn met de regels van de interne markt van de EU en de handelsbepalingen van de WTO.

3.   Over het huidige ggo-toelatingssysteem

3.1   Het doel van deze vergunningsprocedure is te zorgen voor een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mensen, de gezondheid en het welzijn van de dieren, het milieu en de belangen van de consumenten, waarbij tevens wordt gezorgd voor het doeltreffend functioneren van de interne markt.

3.2   De huidige regels voor de toelating en het gebruik van ggo's berusten op een reeks (juridische) grondbeginselen, die in de visie van het EESC opgevolgd moeten worden. Het gaat hierbij met name om het volgende:

een onafhankelijke, wetenschappelijk gefundeerde toelating,

een hoog beschermingsniveau met betrekking tot gezondheid en milieu, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel,

de inachtneming van de interne markt en internationale verplichtingen,

keuzevrijheid en transparantie in de gehele voedselketen,

rechtszekerheid en

subsidiariteit en evenredigheid.

3.3   De voorstellen van de Europese Commissie moeten inhoudelijk en qua planning gezien worden in het licht van de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Raad van december 2008 waarin o.a. wordt aangedrongen op een controle van het geldende toelatingssyteem die waarschijnlijk eind 2010 wordt afgerond. Het gaat hier in het bijzonder om een aanpassing van de richtsnoeren van de EFSA inzake de beoordeling van mogelijke risico's voor gezondheid en milieu (6), een verslag van de Europese Commissie omtrent de verbetering van de milieubescherming na toelating en een onderzoek naar de sociaaleconomische en ecologische effecten van ggo-teelt. Bovendien volgt er een beoordeling van het rechtskader voor zowel ggo-levens- en voedingsmiddelen als voor ggo-teelt. Een volledige herziening van het gehele toelatingssysteem voor ggo's moet eind 2012 hebben plaatsgevonden.

3.4   Daarenboven moet worden belicht hoe nationale teeltverboden of -beperkingen zich verhouden tot de regels voor co-existentie omdat beide kwesties nauw met elkaar verbonden zijn en de Europese Commissie ook hier een grotere flexibiliteit voor de lidstaten wil bewerkstelligen. In deze context zijn de opmerkingen van de Commissie in haar verslag van 3 april 2009 over de omzetting van de richtsnoeren voor co-existentie (7) van belang.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Ook al heeft het Comité zich vanzelfsprekend nog niet over de concrete vorm van nationale teeltverboden uitgelaten, toch heeft het al standpunten ingenomen die in inhoudelijke samenhang met het voorliggende verordeningsontwerp gezien kunnen worden en die als discussiebijdragen en voorstellen nog niet aan actualiteit hebben ingeboet.

4.2   Zo heeft het Comité zich in zijn initiatiefadvies van 16 december 2004 (8) uitvoerig uitgelaten over co-existentie van ggo's, conventionele en biologische landbouw en voorstellen gedaan op wetgevingsgebied. Het Comité zet daarin o.a. uiteen dat bepaalde maatregelen om uitkruisingen i.v.m. specifieke regionale omstandigheden te vermijden, en regionale bepalingen voor (een verbod op) de teelt van ggo's, op nationaal niveau moeten worden geregeld. Ook pleit het voor minimumnormen op EU-niveau voor co-existentie en aansprakelijkheid.

4.3   Bijzondere aandacht moet hierbij geschonken worden aan maatregelen voor de bescherming van natuurgebieden en ecologisch kwetsbare gebieden. Verder moet er rekening gehouden worden met maatregelen voor de bescherming van regionale economische en culturele belangen en andere sociaaleconomische effecten.

4.4   Het Comité heeft er in genoemd advies bovendien op gewezen dat de voorwaarden voor co-existentie variëren per regio en dat in het bijzonder in regio's met een kleinschalige landbouw de gelijktijdige teelt van ggo's en niet-ggo's - zowel conventioneel als ecologisch - niet uitvoerbaar lijkt te zijn.

4.5   In samenhang daarmee werden in het advies de kansen op het in de markt zetten van regionale kwaliteitskeurmerken en oorsprongsgaranties nagegaan, waarvoor – met de verwachtingen van consumenten in het achterhoofd – van de inzet van ggo's wordt afgezien. Tegen deze achtergrond hebben veel regio's verklaard vrij te zijn van gentechnologie, waarbij het Comité gewezen heeft op de daarmee verbonden juridische onzekerheden waarvoor een oplossing moet worden gevonden.

5.   Bijzondere opmerkingen en open vragen

5.1   Criteria voor een mogelijk teeltverbod of mogelijke teeltbeperking

5.1.1   Met Richtlijn 2001/18/EG werden de bepalingen voor de toelating van ggo's geharmoniseerd, inclusief het nemen van beschermingsmaatregelen overeenkomstig artikel 23 en de co-existentie overeenkomstig artikel 26a. Uitgangspunt is artikel 114 VWEU (voorheen artikel 95 VEU) inzake de onderlinge aanpassing van rechtsvoorschriften voor het bereiken van de doelstellingen van de interne markt. Met het nieuwe artikel 26 ter wordt nu bepaald dat de lidstaten zelfs bij een gemeenschappelijke toelating in de EU de teelt van ggo's kunnen verbieden.

5.1.2   Nu is het de vraag in hoeverre een nationaal teeltverbod een uitzondering kan vormen op het geharmoniseerde rechtsgebied en of zo'n verbod niet in tegenspraak is met de algemene rechtsbeginselen van de interne markt. Bovendien is de rechtsgrondslag van artikel 114 VWEU volgens een recent advies van de juridische dienst van de Raad (9) niet geldig voor de doelstellingen, de inhoud en het bereik van het voorstel voor artikel 26 ter. De juridische dienst van het EP daarentegen twijfelt niet aan artikel 114 VWEU als rechtsgrondslag van het voorstel, waaruit blijkt dat er hierover op EU-niveau uiteenlopende juridische interpretaties bestaan, hetgeen verduidelijkt en opgelost moet worden.

5.1.3   Het voorstel bevat geen (uitputtende of indicatieve) lijst van redenen die lidstaten kunnen aanvoeren voor een teeltverbod. In artikel 26 ter wordt alleen bepaald dat er andere redenen moeten zijn dan de redenen die in het kader van de toelating worden gecontroleerd. Het is dus niet mogelijk zich op redenen te beroepen die bij de beoordeling van het risico voor de gezondheid en het milieu in het kader van de EU-toelatingsprocedure al inbegrepen zijn of hiermee verband houden. Volgens het EESC zou de rechtszekerheid die het voorstel biedt, kunnen worden uitgebreid door in artikel 26 ter een indicatieve (maar niet uitputtende) lijst op te nemen van concrete redenen die lidstaten kunnen aanvoeren om de teelt van ggo's te beperken of te verbieden. Bij deze redenen zou het bijv. kunnen gaan om ethische, morele en religieuze argumenten, maar ook om bepaalde sociaaleconomische overwegingen. Een dergelijke verduidelijking in secundaire wetgeving zou fungeren als lex specialis m.b.t. de redenen die in artikel 36 VWEU zijn vermeld en ontwikkeld zijn in de jurisprudentie van het EHJ, waardoor de maatregelen meer in overeenstemming zouden zijn met de internemarktregels en de Verdragen.

5.2   Rechtszekerheid

5.2.1   Met betrekking tot de rechtszekerheid is het Comité van mening dat die niet slechts gecreëerd kan worden door een verwijzing naar het primaire recht. In verband hiermee dient er bij wijze van voorbeeld gewezen te worden op HvJ-arrest C-165/08 van 16 juli 2009 (10), waarin een nationaal verbod op de toelating van gg-zaad niet verenigbaar werd bevonden met de EU-bepalingen. Dit arrest maakt duidelijk dat het voor de lidstaten moeilijk is om zich op andere gronden dan aspecten van gezondheids- en milieubescherming te beroepen.

5.2.2   Het EESC erkent niettemin dat in het licht van de huidige juridische en politieke situatie het creëren van een heldere en solide wettelijke basis de lidstaten meer rechtszekerheid moet bieden dan thans het geval is. Dit kan echter beter gebeuren door het secundaire recht (d.w.z. Richtlijn 18/2001/EG) een concrete en gedetailleerde rechtsgrondslag te bieden, met inbegrip van redenen, voorwaarden en procedures, dan door te verwijzen naar nauwe en onduidelijke speelruimte op basis van de algemene regels van de interne markt.

5.3   Reikwijdte van de controle door de EFSA – samenwerking met de lidstaten

5.3.1   Om de goede werking van het wetenschappelijk gefundeerde toelatingssysteem te garanderen moet er nagedacht worden over de herziening van de EFSA-richtsnoeren voor het beoordelen van potentiële risico's voor gezondheid en milieu, die na goedkeuring door de lidstaten ook bindend moeten zijn. In verband hiermee hoopt het EESC dat het systeem voor wetenschappelijk gefundeerde en onafhankelijke beoordeling van het toelatingsproces verder wordt ontwikkeld in lijn met het voorzorgsbeginsel.

5.3.2   Volgens het EESC zou moeten worden overwogen om de lidstaten intensiever bij de verschillende kwesties in het kader van de wetenschappelijke risico-evaluatie door de EFSA te betrekken. De EFSA is bij Verordening (EG) nr. 178/2002 (11) ingesteld om wetenschappelijk advies uit te brengen over zaken die de veiligheid van voedsel voor mens en dier aanbelangen. Uiteraard worden de uitwerkingen van ggo's op het milieu ook in de lidstaten zelf onderzocht. Zij kunnen de verschillende omstandigheden met betrekking tot het milieu voor het eigen grondgebied preciezer onderzoeken. De resultaten daarvan moeten dan dienovereenkomstig door de EFSA worden gevalideerd.

5.3.3   Over het algemeen moeten er methodische criteria worden opgesteld waaraan alle wetenschappelijke werkzaamheden voor en van de EFSA moeten voldoen. Dat moet tot en met peer reviews gaan en zou de coördinatie tussen de EFSA en de lidstaten (12) kunnen helpen verbeteren. Het Comité erkent dat de EFSA formeel de meest strenge en volstrekt onafhankelijke wetenschappelijke criteria voor risico-analyse hanteert en om die reden ook internationaal groot aanzien geniet. Voor de ontwikkeling van onderzoeksmethoden is het belangrijk dat de EFSA en onderzoeksinstellingen, universiteiten en particuliere onderzoekers in de lidstaten die zich bezighouden met risico-analyse nauwer samenwerken.

5.3.4   Los van het bovenstaande stelt het EESC voor om de wetenschappelijke evaluatie van ggo's te verbeteren en transparanter te maken door de EFSA zodanig te hervormen dat niet alleen onderzoekers, maar alle belangengroepen (consumenten, bedrijven, handelaars, biologische landbouwers, biologische veehouders, verbruikerscoöperaties, voedingsdeskundigen, artsen, enz.) zijn vertegenwoordigd in het panel dat zich met ggo's bezighoudt.

5.4   Interne Markt

5.4.1   De Europese Commissie gaat ervan uit dat de mogelijkheid tot een nationaal teeltverbod de interne markt voor ggo's als zaad, levensmiddel of diervoeder niet verstoort. Deze aanname is twijfelachtig, omdat het tenminste in die gebieden of lidstaten waar een teeltverbod is uitgevaardigd tot een beperking van de handel met toegelaten gg-zaad zou kunnen komen. Deze inschatting volgt uit de bestaande rechtspraak van het HvJ in vergelijkbare gevallen (13).

5.4.2   Of een teeltverbod concurrentievervalsing in de hand zou kunnen werken, is vanuit de huidige situatie niet goed te beoordelen. Maar als op EU-niveau (een minimum aan) standaarden voor co-existentie en aansprakelijkheid ontbreken, komen gelijke mededingingsvoorwaarden voor landbouwsectoren die geen ggo's telen, waarschijnlijk in het gedrang. In ieder geval gaan de noodzakelijke maatregelen om voor co-existentie te zorgen met rompslomp en kosten gepaard, waarmee bij alle toekomstige oplossingen rekening gehouden dient te worden. Aan de andere kant zou een ggo-vrije status eventuele marktvoordelen met zich mee kunnen brengen, waarbij de prijsvorming steeds van het consumptiegedrag afhangt.

5.4.3   Planten die genetisch gemodificeerd zijn moeten in vergelijking met conventionele planten deels op een andere manier verbouwd worden en vereisen andere teelttechnische maatregelen, zoals bijvoorbeeld andere gewasbeschermingsmiddelen, waarbij het door de afwezige, niet functionerende interne markt voor gewasbeschermingsmiddelen tot problemen omtrent hun beschikbaarheid kan komen. Met dit voorbeeld wordt geïllustreerd dat landbouwers bij hun productiebeslissingen met allerlei uiteenlopende factoren rekening moeten houden.

5.5   Sociaaleconomische gevolgen

5.5.1   Met betrekking tot de sociaaleconomische impact van het toelaten van ggo's moet verwezen worden naar het verslag van de Europese Commissie, dat eind 2010 te verwachten is. De inzichten die dat verslag bevat moeten in elk geval bij de beoordeling van dit voorstel worden betrokken, aangezien vermoedelijk vooral op de economische, sociale en milieu-effecten bij de motivering van teeltverboden overeenkomstig artikel 26 ter zal worden ingegaan. Zolang dit verslag nog niet voltooid is, is het onmogelijk het huidige voorstel in zijn geheel te beoordelen.

5.5.2   In ieder geval moet worden opgemerkt dat het op grond van Verordening (EG) nr. 1829/2003 nu reeds onder bepaalde voorwaarden is toegestaan om in individuele gevallen rekening te houden met andere factoren dan degene die in aanmerking moeten worden genomen bij het risicomanagement n.a.v. de beoordeling van het gevaar voor gezondheid en milieu.

5.5.3   Gezien het gebrek aan kennis omtrent de economische en mededingingsgevolgen moet in het voorstel een evaluatieclausule worden ingebouwd en dient de Europese Commissie vooraf een effectbeoordeling te maken.

5.6   Internationale verplichtingen

5.6.1   Een belangrijk aspect volgens het Comité is de verduidelijking van het voldoen aan internationale verplichtingen, in het bijzonder die van de WTO/GATT en van het protocol van Cartagena. Omdat het te verwachten is dat de lidstaten die een teeltverbod willen uitvaardigen zich voortaan op het nieuwe artikel 26 ter zullen beroepen, is het van bijzonder belang dat beslissingen ter zake gebaseerd zijn op een solide, internationaal zekere rechtsgrondslag.

5.6.2   Gezien het belang van deze kwestie mist het EESC verdere uitleg van de Europese Commissie m.b.t. de conformiteit met internationale verplichtingen van de EU. In dit verband moet ook rekening gehouden worden met de adviezen van de juridische diensten van de Europese instellingen ten aanzien van de verenigbaarheid met de WTO, met name het recente advies van de juridische dienst van de Raad (9), waarin ernstig wordt getwijfeld aan de verenigbaarheid met de Verdragen en met de GATT van de maatregelen die de lidstaten zouden kunnen nemen, uitgaande van het nieuwe artikel 26 ter, in de vorm die de Commissie heeft voorgesteld. De juridische dienst van het Europees Parlement heeft vergelijkbare kanttekeningen geplaatst en vraagt zich af of mogelijke rechtvaardigingen, bijvoorbeeld op morele gronden, wel in overeenstemming zijn met de regels van de interne markt van de EU en de handelsbepalingen van de WTO.

5.7   Keuzevrijheid in de gehele voedselketen

5.7.1   Het is eveneens van belang rekening te houden met de keuzevrijheid van zowel producenten en handelaren als consumenten. In principe moet het voor de producent als ondernemer zijn toegestaan om vrij te beslissen over teeltmethodes en moeten importeurs en handelaren hun legitieme beroepsactiviteit kunnen uitoefenen, ongeacht het voorgestelde nieuwe artikel 26 ter.

5.7.2   Bij nationale beperkingen of verboden op de teelt moet daarom worden uitgegaan van de algemene beginselen van de Verdragen, in het bijzonder het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.

5.7.3   Om de consument de vrijheid te bieden om tussen levensmiddelen met en zonder ggo's te kunnen kiezen, is er een goed werkend traceerbaarheids- en etiketteringssysteem nodig en moet er een aanbod gecreëerd worden dat de consumenten aanspreekt. Hierbij moet in het bijzonder gelet worden op de regionale beschikbaarheid van producten. De Europese consument moet zich er volledig van bewust zijn dat een eventueel verbod op de teelt van ggo's in zijn regio of land geen belemmering zal vormen voor de vrije handel in ggo's op het desbetreffende grondgebied en dat de grootschalige invoer van voor menselijke of dierlijke consumptie bestemde ggo's uit derde landen waar de traceerbaarheid te wensen overlaat, gewoon zal doorgaan.

5.8   Wisselwerking met co-existentiekwesties

5.8.1   Co-existentie heeft over het algemeen tot doel de toevallige vermenging van conventionele of biologische met gentechnisch veranderde producten te vermijden. Aan de ene kant behouden producenten en consumenten op deze manier hun keuzevrijheid, aan de andere kant wordt economische schade voor producenten vermeden.

5.8.2   Het EESC beschouwt de doeltreffende uitvoering en bescherming van co-existentie als een hoofdfactor bij het vraagstuk over het gebruik van ggo's. Er bestaat nog veel onzekerheid en er moet op alle niveaus verdere kennis worden vergaard, vooral aangaande de gevolgen op lange termijn.

5.8.3   Een eventueel teeltverbod overeenkomstig het Commissievoorstel kan het probleem van toevallige vermenging of uitkruising in de betroffen gebieden weliswaar verkleinen, maar mag de inspanningen ter ontwikkeling van regels voor een duurzaam naast elkaar bestaan van verschillende teeltmethoden op geen enkele wijze tenietdoen. Zoals het EESC al schreef in 2004 (14) is een minimumharmonisatie van co-existentie- en aansprakelijkheidsregels in EU-verband (of anders in artikel 26a een wettelijke eis dat de lidstaten dergelijke regels op nationaal en regionaal niveau invoeren) absoluut noodzakelijk om in de landbouw keuzevrijheid en gelijke voorwaarden voor iedereen te garanderen en de sociaaleconomische impact van de teelt van ggo's op te vangen. Dit geldt met name voor grensregio's.

5.8.4   Mocht de ontwikkeling van regelingen voor co-existentie meer op nationaal en regionaal niveau plaatsvinden, dan is de uitwisseling van kennis en best practices van een nog groter belang. De werkzaamheden van het Europees Co-existentiebureau (ECoB) moeten daar dan ook op gericht worden en de stakeholders moeten er op alle niveaus bij worden betrokken.

5.8.5   Bovendien zijn er nog onopgeloste vragen omtrent een grenswaarde voor ggo's in zaaigoed en een grenswaarde voor niet in de EU toegelaten ggo's bij invoer in de EU (het gaat hier hoofdzakelijk om voedermiddelen). Deze vragen moeten nog door de Europese Commissie worden beantwoord en er moet hard worden gewerkt aan de uitvoering van de voorgelegde Commissievoorstellen.

5.9   Grensoverschrijdende kwesties en aansprakelijkheid

5.9.1   Er bestaat nog steeds onduidelijkheid over de aansprakelijkheid bij de toevallige vermenging van ggo's, vooral bij besmettingen over de nationale grenzen heen. Op dit moment zijn buurlidstaten niet verplicht mede te delen waar ggo's verbouwd worden. Informatie wordt veelal slechts op basis van persoonlijke contacten uitgewisseld.

5.9.2   Voorgesteld zou kunnen worden om lidstaten aan wier grenzen ggo's worden geteeld ertoe te verplichten informatie over de teelt van ggo's ook in de taal van de buurlanden op het internet te publiceren. Met behulp van zo'n maatregel zou er ook over de landsgrenzen heen rechtsgeldigere claims kunnen worden ingediend ingeval van onbedoelde vermenging van ggo's en daaruit voortvloeiende economische schade.

5.9.3   De op 12 oktober 2010 afgesproken aanvulling op het protocol van Cartagena zal hierin verbetering brengen, aangezien daarin gemeenschappelijke regels omtrent aansprakelijkheid en schadeloosstelling bij schade aan biologische diversiteit in het geval van grensoverschrijdend transport zijn vastgesteld. De opgenomen verplichtingen moeten onverwijld ten uitvoer worden gelegd.

5.9.4   Het EESC beveelt bovendien aan om na te gaan in hoeverre bindende Europese minimumnormen voor co-existentie en aansprakelijkheid (of anders in artikel 26a een wettelijke eis dat de lidstaten dergelijke regels op nationaal en regionaal niveau invoeren) tenminste voor de grensregio's van de lidstaten verplicht kunnen worden ingevoerd, privaatrechtelijke aansprakelijkheidsrisico's kunnen verkleinen en gevallen van twijfel tussen lidstaten kunnen ophelderen. Invoering van zulke aansprakelijkheidsnormen duldt geen uitstel, aangezien verzekeraars momenteel blijven weigeren om schade in verband met ggo's te vergoeden en de huidige milieuaansprakelijkheidsnormen (geregeld in Richtlijn 2004/35/EG) te weinig dekking bieden voor dergelijke schade.

Brussel, 9 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17 april 2001, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18 oktober 2003, blz. 1).

(3)  AT, BG, IE, EL, CY, LV, LT, HU, LU, MT, NL, PL en SI.

(4)  COM(2010) 380 final

(5)  COM(2010) 375 final

(6)  Zie de openbare raadpleging over het EFSA-ontwerp van 12 november, die nog tot 24 januari 2011

loopt: www.efsa.europa.eu/en/press/news/gmo101112.htm

(7)  COM(2009) 153 final

(8)  PB C 157 van 28 juni 2005, blz. 155.

(9)  Advies van de juridische dienst van de Raad van 5 november 2010, 2010/0208(COD), 15696/10.

(10)  Arrest van het Europees Hof van Justitie C-165/08 (Europese Commissie versus de republiek Polen) van 16 juli 2009.

(11)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1 februari 2002, blz. 1).

(12)  Zie het beroep van Hongarije tegen de Europese Commissie in de zaak T-24/10 betr. Amflora.

(13)  Zie bijvoorbeeld zaak C-110/05, Commissie/Italië, C-142/05, Mickelsson en Roos, C-188/04, Alfa Vita en C-416/00, Morellato.

(14)  PB C 157 van 28 juni 2005, blz. 155.


BIJLAGE

De volgende passage werd geschrapt als gevolg van een wijzigingsvoorstel dat tijdens de zitting werd aanvaard. Meer dan één vierde van het aantal uitgebrachte stemmen was echter vóór het behoud van de passage.

Paragraaf 5.8.5

Voor de lage hoeveelheden niet toegelaten ggo's moet een technische oplossing worden uitgewerkt door een drempelwaarde voor de aanwezigheid van deze ggo's vast te leggen voor zowel diervoeders als levensmiddelen.

Stemuitslag

Voor: 83

Tegen: 79

Onthoudingen: 29


19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/58


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een digitale agenda voor Europa”

(COM(2010) 245 definitief)

(2011/C 54/17)

Rapporteur: de heer McDONOGH

De Europese Commissie heeft op 19 mei 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Een digitale agenda voor Europa”

COM(2010) 245 final.

De afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 november 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 8 en 9 december 2010 gehouden 467e zitting (vergadering van 8 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 83 stemmen vóór, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de mededeling van de Europese Commissie over een digitale agenda voor Europa. Het deelt de bezorgdheid van de Commissie over de door de financiële crisis veroorzaakte afremming van de sociaaleconomische vooruitgang in Europa. De Commissie merkt terecht op dat het grote potentieel van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) kan worden benut om de digitale economie aan te jagen en zo de groei in Europa de broodnodige impulsen te geven en de levensstandaard van de Europeanen te verhogen. Ook heeft de Commissie gelijk met haar opmerkingen dat de diverse beleidsinitiatieven op ICT-gebied en de digitale agenda tot één geheel moeten worden samengesmolten en met één coherent actieplan moeten worden aangestuurd.

1.2   Sommige stukken van de mededeling zijn goed geschreven en geven duidelijk aan welke beleidsinitiatieven moeten worden genomen, maar andere stukken blijven vaag over de invulling van het actieplan, zoals de paragraaf over ICT als facilitator van maatschappelijke baten in de EU en die over internationale aspecten van de digitale agenda. Het EESC gaat ervan uit dat alle onderdelen van de digitale agenda mettertijd op adequate wijze worden uitgewerkt en er uitvoerige raadplegingen komen over de gedetailleerde initiatieven, waaraan het zelf effectief zal deelnemen.

1.3   Het EESC heeft kennisgenomen van de door de Commissie beschreven obstakels die de ontwikkeling van een sterke digitale economie in Europa in de weg staan, waaronder met name de versnippering op commercieel, cultureel en juridisch gebied in de EU-27, alsmede de nog altijd tekortschietende investeringen in netwerken, ICT-onderwijs en onderzoek & innovatie.

1.4   Hoewel de EU zich al sinds lange tijd met deze kwesties bezighoudt, is er ondanks jaren van beleidsinitiatieven en actieplannen minder vooruitgang geboekt dan verwacht. Het is onacceptabel dat in 2010 30 % van de huishoudens in de EU nog altijd geen toegang heeft tot het internet (1), en dat middenin de economische crisis de digitale economie in Europa onvoldoende groeit om de crisis snel te boven te komen.

1.5   Europa is een van de gebieden in de wereld met een zeer hoge netwerkdichtheid, maar de complexiteit, slechte toegankelijkheid en geringe gebruiksvriendelijkheid van veel op ICT gebaseerde producten en diensten zijn er de oorzaak van dat veel mensen, met name ouderen en gehandicapten, nog altijd niet online actief zijn. De EU moet zich dan ook concentreren op de vraag hoe ICT-producten en -diensten kunnen worden verbeterd om te beantwoorden aan de behoeften van gehandicapten en een vergrijzende bevolking, waarbij ook gelet dient te worden op de doelstellingen van de desbetreffende VN-verdragen.

1.6   Het EESC is teleurgesteld dat zijn continue pleidooi om internetconnectiviteit onder de universeledienstverplichting te laten vallen, niet lijkt te worden gehonoreerd. Als het de EU menens is met de digitale agenda en het beginsel van e-inclusie, zal in deze kwestie snel actie moeten worden ondernomen. Het EESC beseft dat dit heel wat geld zal gaan kosten en raadt dan ook aan om op basis van transparante, objectieve en proportionele criteria financiering beschikbaar te stellen voor infrastructuuraanbieders.

1.7   Met de dag verslechtert de concurrentiepositie van de EU t.o.v. de VS, Japan en Zuid-Korea als het gaat om geavanceerde ICT-infrastructuur, uitgaven voor O&O op ICT-gebied en burgerparticipatie aan de digitale economie. Deze negatieve trend moet worden omgebogen met agressieve, doeltreffend uitgevoerde beleidsinitiatieven.

1.8   Er is niet genoeg vooruitgang geboekt met de verwezenlijking van de Europese doelstellingen voor ICT en de digitale economie. Het EESC is van mening dat dit hoofdzakelijk te wijten is aan een inadequate uitvoering van beleidsinitiatieven op Europees en nationaal niveau: het was bekend wat er moest gebeuren, maar er werd geen actie ondernomen. Het EESC roept de lidstaten daarom op de richtlijnen en aanbevelingen in het kader van de digitale agenda met spoed te implementeren.

1.9   Het EESC is van mening dat de markt alléén niet in staat is zich voldoende te reguleren ten behoeve van het algemeen belang. Daarom is een evenwichtig regelgevingskader nodig om de belangen van het grootste deel van de burgers te dienen, zoals wordt nagestreefd met de 2020-strategie.

1.10   De mededeling komt op het juiste moment en vormt een antwoord op de dringende vraag naar meer leiderschap en management, nodig om de digitale agenda voor Europa – onderdeel van de Europa 2020-strategie (2) – te kunnen realiseren. Het EESC is zeer te spreken over de bepalingen inzake governance en beheer die de Commissie in de mededeling heeft geformuleerd om ervoor te zorgen dat deze zo essentiële agenda op de juiste wijze en tijdig ten uitvoer wordt gelegd. De Commissie zal echter ook een gedetailleerd strategisch document moeten opstellen om te bewerkstelligen dat een en ander op doeltreffende wijze ten uitvoer wordt gebracht.

1.11   Het EESC kan zich vinden in het op zeven pijlers gebaseerde actieplan dat in de mededeling wordt beschreven, en is zeer te spreken over het werk dat de Commissie hier heeft verricht. Hoewel de details van dit overkoepelende plan nog verder moeten worden uitgewerkt om ze goed te kunnen beoordelen, vindt het EESC het plan nu al over het algemeen voldoende omvattend en in grote lijnen aanvaardbaar.

1.12   Het EESC is wel verrast dat het Galileoprogramma, een belangrijke investering in Europa's ICT-toekomst, geen deel uitmaakt van de mededeling. Het dringt er bij de Commissie dan ook op aan om dit programma expliciet op te nemen in het actieplan van de digitale agenda, en wijst op de adviezen die het hierover heeft uitgebracht. (3)

1.13   Het EESC kijkt ernaar uit om tzt. te worden geraadpleegd over de specifieke mededelingen die de Commissie over ieder deelaspect van de digitale agenda zal uitbrengen.

Bij het uitwerken van deze mededelingen zou de Commissie oog moeten hebben voor de talrijke eerdere adviezen van het EESC waarin het heeft gewezen op de noodzaak van een veilige, dynamische informatiemaatschappij, een sterke Europese ICT-sector en een productieve digitale economie die veel groei genereert. (4)

2.   Aanbevelingen

2.1   Ook overal beschikbare hogesnelheidsconnectiviteit moet onder de universele dienstverlening vallen. (5) Dat veronderstelt wel gepaste financieringsmechanismen.

2.2   Meer geld zou moeten worden uitgetrokken voor de verbetering van de ICT-vaardigheden van de burgers en voor kennisbevorderende en bewustmakingsprogramma's voor zowel burgers als kleine en middelgrote ondernemingen. In de lidstaten zouden voorzieningen moeten worden gecreëerd om het mkb en de burgers te informeren over en hun ondersteuning te bieden bij deelname aan de digitale economie.

2.3   Gelet op de beloftes in de digitale agenda om werk te maken van e-inclusie zou de Raad in de hele EU steun moeten verlenen aan initiatieven om schoolkinderen, ouderen en minder bedeelden kennis te laten maken met breedbandtoepassingen (bijv. studeren via internet, videoconferenties en online overheidsdiensten). Onderwijs- en voorlichtingsprogramma's zouden moeten worden gebaseerd op goede praktijkvoorbeelden.

2.4   Binnen het ICT-onderzoeksprogramma van KP7 moet speciale aandacht worden geschonken aan de ontwikkeling van een nieuwe generatie producten en diensten die beantwoorden aan de behoeften van ouderen, gehandicapten en mensen met lees- en schrijfproblemen.

2.5   De digitale agenda moet expliciet het gebruik van open standaarden voor ICT-producten en -diensten in Europa aanmoedigen en ondersteunen. Open standaarden bevorderen de concurrentie en stellen kleine en middelgrote ondernemingen in staat te groeien en mondiaal te concurreren.

2.6   De Commissie moet niet alleen meer middelen uittrekken voor innovatie en O&O op ICT-gebied, maar ook zorgen voor behoorlijke verantwoordingsmechanismen en erop letten dat het geïnvesteerde geld voldoende rendement oplevert. Ze zou gepaste managementpraktijken moeten toepassen: middelen zouden moeten worden toegekend op basis van de verwachte economische en/of sociale baten, en alle investeringen zouden moeten worden onderworpen aan een streng beheer om te garanderen dat die baten ook daadwerkelijk worden gerealiseerd.

2.7   Via governance van O&O-investeringen moet ervoor worden gezorgd dat programma's en projecten goed worden gecoördineerd, zodat ze zo veel mogelijk opleveren en verspilling door dubbel werk wordt voorkomen.

2.8   O&O-inspanningen zouden zich eerst en vooral moeten richten op duurzaamheid. Daarom moet worden geïnvesteerd in technologieën die economische groei genereren zonder het milieu schade toe te brengen.

2.9   Prioriteit zou kunnen worden gegeven aan de financiering van innovatieve technologieën die gebruik maken van Europa's mondiale voorsprong op het gebied van draadloze en mobiele communicatie, teneinde hogesnelheidsinternettoegang voor iedereen beschikbaar te maken. Daartoe kan eventueel de spectrumruimte worden benut die vrijkomt doordat kabelexploitanten en anderen steeds minder bandbreedte nodig hebben (de zgn. „witte ruimte”). (6)

2.10   Het EESC dringt er bij de Commissie op aan het Galileoprogramma expliciet te vermelden bij de doelstellingen en middelen van de digitale agenda. Ook zou geld moeten worden uitgetrokken voor de bevordering van technologie en toepassingen die gebruik kunnen maken van de uiterst precieze, wereldwijde locatie- en navigatiesignalen van de Galileodiensten. (7)

2.11   De EU zou door moeten gaan met de financiering van O&O op het gebied van het internet van de dingen (8), dat zich steeds meer zal manifesteren dankzij de wisselwerking tussen het internet, Galileo en de voortschrijdende draadloze technologie.

2.12   Verder moet veel meer worden geïnvesteerd in O&O met betrekking tot de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur. (9)

2.13   De EU zou een geschikte regelgevende autoriteit, waarin leden van het Europees Agentschap voor de Grondrechten zitting hebben, moeten aanwijzen voor de tenuitvoerlegging van effectieve beschermingsmaatregelen voor kritieke informatie-infrastructuren in de hele EU. (10)

2.14   Er moet worden geïnvesteerd in een sterke, coherent en gecoördineerd georganiseerde Europese ICT-beveiligingsindustrie die zich qua competentie kan meten met de royaal gefinancierde beveiligingsindustrie in de VS. (11)

2.15   De Commissie moet eraan denken de belangen van de burgers te beschermen als zij met internationale ICT-ondernemingen samenwerkt om de digitale agenda ten uitvoer te leggen.

2.16   Het is een algemeen beleidsbeginsel dat particuliere en zakelijke belangen moeten worden afgewogen tegen het algemeen belang – het „publieke goed”.

2.17   De Commissie zou alle mogelijke maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat alle 27 lidstaten het regelgevingskader voor elektronische communicatie (12) streng handhaven en op dezelfde wijze, evenwichtig en in zijn geheel ten uitvoer leggen.

2.18   Om te bewerkstelligen dat de regelgeving adequaat wordt nageleefd, zouden de bevoegdheden van de nationale en Europese regelgevende instanties voor communicatie moeten worden uitgebreid, naar analogie van de bevoegdheden en het gezag van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA). (13)

2.19   Gelet op het groeiende belang van mobiele ICT zou Europa snel moeten overschakelen op een meer marktgericht spectrummanagement, met meer mogelijkheden voor de marktdeelnemers en uitbreiding van de handel in spectrum, gepaard aan minder bureaucratische voorschriften voor de toewijzing van breedband. (14)

2.20   De Commissie zou de lidstaten moeten aanmoedigen om bij de ontwikkeling en toepassing van overdracht via trunkverbindingen en netwerk-switching, hun eigen nationale beleidsdoelstellingen, zoals het overbruggen van de breedbandkloof, na te streven. De lidstaten kunnen hun belangen in dit verband behartigen door in publiek-private partnerschappen samen te werken met telecommunicatieondernemingen. (15)

2.21   In dichtbevolkte gebieden in de EU zouden infrastructuuraanbieders moeten worden gestimuleerd om glasvezel aan huis (FTTH) te realiseren.

2.22   Hoe meer nuttige inhoud en diensten online beschikbaar komen, des te actiever mensen worden op het internet. Regeringen, overheden, nutsbedrijven en andere ondernemingen moeten daarom sneller webtoepassingen ontwikkelen en vaart zetten achter de omschakeling naar online klantenrelaties.

2.23   Er moeten innovatieve manieren worden gevonden om ervoor te zorgen dat ondernemingen in een hoger tempo kwalitatief goede online diensten aan hun klanten gaan aanbieden. In dit verband moet speciale aandacht worden geschonken aan ontwikkelingen op het gebied van het gebruik van online video-inhoud.

2.24   Investeringen zouden moeten zijn gericht op het vinden van innovatieve oplossingen voor de problemen die de meertaligheid in de EU met zich meebrengt. Voor de VS en andere grote economieën met één gemeenschappelijke taal is het gemakkelijker dan voor de EU om één coherente online goederen- en dienstenmarkt te ontwikkelen. Meertaligheid vormt daarom een speciale uitdaging in het kader van „2020”.

2.25   Overwogen zou moeten worden elke burger een Europese elektronische identiteit (e-ID) te geven. Dat zou de e-dienstverlening en online handel vereenvoudigen.

2.26   De Commissie zou een certificatiesysteem en EU-keurmerk voor webwinkels moeten invoeren, zodat consumenten overal bescherming kunnen genieten als ze goederen en diensten online aanschaffen, ongeacht nationale grenzen. Zo'n keurmerk zou het vertrouwen van de consument in e-handel vergroten.

2.27   Burgers die in een ander land inkopen doen, moeten ervan op aan kunnen dat hun persoonsgegevens en geld in goede handen zijn. Hun privacy moet worden gegarandeerd en hun persoonsgegevens moeten op een veilige wijze worden bewaard.

2.28   Het is nodig dat de Commissie een licentiesysteem invoert voor callcenters, teneinde de privégegevens en het geld van EU-burgers te beschermen als zij zakendoen via dit soort bedrijven, met name die buiten de EU.

2.29   Er zou ook moeten worden nagedacht over de invoering van instrumenten om consumenten te beschermen als zij fouten begaan bij het doen van online aankopen. Nu kunnen bij de reservering van vliegtickets en andere online aankopen snel dure vergissingen worden gemaakt. Wellicht zou al dit soort transacties daarom moeten worden voorzien van een knop „ongedaan maken”.

2.30   Speciale aandacht moet worden geschonken aan e-handel waarbij kinderen betrokken zijn. Hiervoor zijn specifieke voorschriften en gedragscodes nodig.

2.31   De EU zou geld moeten uittrekken om Europol beter toe te rusten voor de bestrijding van computercriminaliteit. De EU zou deze vorm van criminaliteit hard moeten aanpakken. Dat vraagt om strenge, uniforme straffen in de hele Unie.

2.32   De Commissie zou een gedetailleerd strategisch document moeten opstellen om verder invulling te geven aan het hoofdstuk „Uitvoering en beheer” uit de mededeling. Het EESC denkt dat zonder een uitgebreid en gecoördineerd implementatieplan de doelstellingen van de digitale agenda niet kunnen worden gerealiseerd.

2.33   De Commissie zou bij de tenuitvoerlegging van de digitale agenda maximaal gebruik moeten maken van ICT-instrumenten voor governance.

2.34   Het EESC zal een vaste studiegroep in het leven roepen om de uiterst belangrijke ontwikkeling en uitvoering van de digitale agenda constant te kunnen volgen.

3.   Achtergrond

3.1   In de digitale agenda voor Europa – een van de zeven vlaggenschipinitiatieven van de Europa 2020-strategie – wordt uiteengezet welke essentiële faciliterende rol informatie- en communicatietechnologieën (ICT) zullen moeten spelen in een Europa dat zijn doelstellingen voor 2020 wil halen. Dit belangrijke beleidsinitiatief kon tijdens de informele ministersbijeenkomst in Granada (Spanje) van april 2010 rekenen op de volledige steun van de voor de informatiemaatschappij verantwoordelijke EU-ministers. (16)

3.2   De noodzaak van een digitale agenda voor Europa

3.2.1   Doel van de digitale agenda is om in kaart te brengen hoe het sociale en economische potentieel van ICT kan worden geoptimaliseerd.

De aanzienlijke mogelijkheden van ICT kunnen optimaal worden benut aan de hand van een positieve spiraalwerking waarin de ene activiteit tot de andere leidt, zoals hieronder weergegeven in de buitenring van figuur 1.

Figuur 1:

Positieve spiraalwerking van de digitale economie

Image

3.2.3   Maar er zullen nog heel wat hordes moeten worden genomen vooraleer het duidelijk aanwezige transformatiepotentieel van ICT concreet vorm kan krijgen. De Commissie heeft de zeven voornaamste obstakels geïdentificeerd. Deze obstakels zijn te vinden binnenin figuur 1.

3.2.4   Door deze obstakels hinkt Europa achterop bij zijn industriepartners: 30 % van de Europeanen heeft nog nooit gebruik gemaakt van het internet; Europa's aandeel van hogesnelheidsglasvezelnetwerken (1 %) steekt schril af tegen de cijfers van Japan (12 %) en Zuid-Korea (15 %); en de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling in de ICT-sector in de EU bedragen slechts 40 % van die in de VS.

3.3   In de digitale agenda wordt aangegeven welke maatregelen dringend moeten worden genomen om iets te doen aan de zeven grootste problemen die de benutting van het transformatiepotentieel van ICT in de weg staan. Aldus moet Europa worden klaargestoomd voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

3.4   Het beleidsinitiatief omvat honderd acties (waaronder meer dan dertig wetgevingsinitiatieven) en dertien essentiële prestatiedoelstellingen waarvan de komende tien jaar werk moet worden gemaakt. De agenda kent zeven beleidspijlers en heeft duidelijk oog voor het grote belang van de internationale dimensie van die pijlers voor de verwezenlijking van de geformuleerde doelstellingen.

3.5   Uitvoering en beheer

Onderstaande figuur geeft de beheersstructuur weer die wordt voorgesteld om de digitale agenda te implementeren:

Figuur 2:

De bestuurscyclus voor de Europese digitale agenda

Image

4.   Opmerkingen

4.1   De aan versnippering en te weinig investeringen te wijten inertie van de Europese digitale economie wordt nog verergerd door een inadequate uitvoering van beleidsinitiatieven. Het is daarom essentieel dat de Commissie met het vlaggenschipinitiatief „digitale agenda” goed leiderschap en goede managementpraktijken bevordert, zodat Europa de snel groeiende digitale economie krijgt die het nodig heeft.

4.2   Naarmate de investeringen in ICT in omvang en intensiteit toenemen en de digitale economie steeds meer wordt gestimuleerd, is het belangrijk dat bestedingsplannen gepaard gaan met een beter en strenger beheer en een grotere verantwoordingsplicht.

4.3   Het is cruciaal dat de EU-uitgaven voor O&O op ICT-gebied doelmatig en doeltreffend zijn, omdat de aanzienlijke investeringen die zullen worden gedaan, zo veel mogelijk moeten opleveren. Van belang is het dat O&O-programma's en -projecten van elkaar verschillen en er nationaal, internationaal en binnen de technologiesector geen overlappingen optreden, hetgeen pure verspilling zou zijn.

4.4   Europa is voor software en dienstverlening te afhankelijk van internationale ICT-giganten. Slechts één Europese onderneming staat in de mondiale ICT-toptien (Nokia) en slechts één Europees bedrijf is terug te vinden in de mondiale software-toptien (SAP).

Open standaarden zijn doorslaggevend geweest voor de ontwikkeling en het succes van het internet. De EU moet het gebruik van open standaarden expliciet aanmoedigen om de concurrentie te bevorderen en de toegang tot de markt te vergemakkelijken voor startende ondernemingen (waaronder privébedrijven en ondernemingen uit de sociale economie). Krachtige ondersteuning van open standaarden in het kader van het actieplan Interoperabiliteit en standaarden zou o.m. de ontwikkeling van Europese ICT-bedrijven die mondiaal kunnen concurreren ten goede komen.

4.5.1   De EU dient daarom in Europa een economisch klimaat te scheppen dat de ontwikkeling stimuleert van innovatieve en sterke ICT-ondernemingen die op den duur mondiaal kunnen concurreren.

4.5.2   Een goede „thuismarkt” is essentieel om dynamische kleine en middelgrote ondernemingen de kans te geven uit te groeien tot toekomstige internationale giganten. De versnippering van de digitale markten en het gebrek aan interoperabiliteit moeten worden aangepakt om het sluimerende potentieel van Europa's ICT-bedrijven tot ontwikkeling te brengen.

4.6   De enorme bedragen die de VS aan ICT uitgeven, leiden tot een hersenvlucht uit Europa. De cumulatieve waarde van de nationale IT-markt in de VS wordt geraamd op 530 miljard dollar voor de periode 2011-2015, waarbij de jaarlijkse uitgaven oplopen tot 115 miljard dollar in 2015. Europa moet agressief en doelgericht investeren in ICT als het de ontwikkelingen in het digitale tijdperk wil bijhouden.

Het nieuws dat kritieke industriële controleprocessen het doelwit waren van het computervirus Stuxnet (17), plaatste computerveiligheid en de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur weer hoog op de agenda's van nationale regeringen.

4.7.1   Europa is voor zijn welvaart en de levenskwaliteit van zijn burgers inmiddels al sterk afhankelijk van ICT. Het is belangrijk dat de almaar groeiende afhankelijkheid van ICT hand in hand gaat met de ontwikkeling van steeds geavanceerdere beveiligingsmaatregelen, teneinde kritieke informatie-infrastructuur te beschermen (bijv. elektriciteits- en waterleidingnetten, vervoers- en veiligheidssystemen) en de burgers te behoeden voor computercriminaliteit.

4.7.2   Het EESC vestigt de aandacht van de Commissie op zijn advies over de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur. (18) Het is er met name van overtuigd dat Europa, om zich adequaat te beschermen tegen computeraanvallen, sterk leiderschap nodig heeft alsmede een geschikte autoriteit die over de vereiste bevoegdheden beschikt.

4.8   De Commissie wijst er in haar groenboek over demografische veranderingen op dat er in Europa een grote demografische verschuiving aan het plaatsvinden is ten gevolge van de snelle vergrijzing en het teruglopende aantal jonge mensen. Dit brengt weliswaar talrijke uitdagingen met zich mee, maar ook kansen, zoals technologische innovaties die de levenskwaliteit van ouderen en gehandicapten kunnen verbeteren, de economische gevolgen van de vergrijzing kunnen verzachten en Europa nieuwe economische en commerciële mogelijkheden kunnen bieden. Aangenomen wordt dat enkele van de toekomstige problemen opgelost zullen kunnen worden met nieuwe, op ouderen toegesneden ICT-producten en -diensten. Daarom moet de EU nagaan hoe technologisch kan worden ingespeeld op de behoeften van een vergrijzende bevolking. ICT kan er immers toe bijdragen om de levenskwaliteit van ouderen te verbeteren en kan hen helpen gezonder te blijven, langer zelfstandig te blijven wonen en op het werk of voor de gemeenschap actief te blijven. In dit verband moet worden gedacht aan een breed scala van diensten, bijv. op het gebied van communicatie, winkelen, veiligheid en gezondheid.

4.9   Omdat de belangen van internationale ICT-ondernemingen en de Europese burgers niet altijd dezelfde zijn, is het zaak die belangen tegen elkaar af te wegen.

4.10   Voor het creëren van een dynamische en eengemaakte online goederen- en dienstenmarkt vormt de meertaligheid van Europa een speciale uitdaging. Meer investeringen zijn nodig om innovatieve oplossingen te vinden voor de problemen die deze meertaligheid met zich meebrengt.

4.11   Hoe meer inhoud en diensten van hoge kwaliteit op het internet beschikbaar komen, des te meer consumenten daarvan gebruik zullen maken. De uitrol van diensten in de EU door regeringen en overheidsinstanties kenmerkt zich door een grote versnippering. Meer moet worden gedaan om de achterliggers te helpen hun programma's de nodige impulsen te geven. Er kan vooral nog veel vooruitgang worden geboekt op het vlak van elektronische aanbestedingen voor publieke goederen en diensten.

4.12   De bevordering van een economie in de EU waarin grensoverschrijdende e-handel een centrale plaats inneemt, is een zeer complex proces. Om meer mensen te overtuigen van het nut van elektronisch zakendoen dan alleen degenen die altijd al geïnteresseerd zijn in de nieuwste snufjes, moet deze alternatieve vorm van handel drijven eenvoudig en veilig zijn. Momenteel wordt de groei van een open e-handeleconomie in de EU danig belemmerd door de versnippering die er in de 27 lidstaten op juridisch, taalkundig, cultureel en technologisch gebied heerst. De daardoor gecreëerde obstakels moeten één voor één worden aangepakt. De invoering van een e-ID voor elke burger en een EU-keurmerk voor webwinkels zouden het een stuk makkelijker maken om de bestaande problemen op te lossen.

4.13   Een goed voorbeeld van een keurmerkregeling voor webwinkels is te vinden in Nederland. De Nederlandse beroepsvereniging van online verkopers heeft een keurmerkinstantie opgericht met een onafhankelijke raad van toezicht. Alle leden van deze vereniging moeten zich houden aan een gedragscode en gebruik maken van een standaard verkoopcontract, die zijn opgesteld in overleg met de Nederlandse Consumentenbond. Voor consumenten die aankopen doen bij webwinkels welke het keurmerk van de vereniging voeren, bestaat er in het geval van een geschil een gestructureerde klachtenprocedure. De bekendheid van het keurmerk is groot: het wordt door 83 % van de online consumenten herkend. Het EESC verwacht van de Commissie dat zij werk maakt van de invoering van een EU-keurmerk voor webwinkels.

4.14   Vooral mensen die hun eerste stappen zetten op het internet, zijn een gemakkelijke prooi voor computercriminelen en gewetenloze handelaren. Kwetsbare gebruikers, of het nu volwassenen zijn of kinderen, moeten zo goed mogelijk worden beschermd, zodat ze veilig en met plezier online actief kunnen zijn. (19)

4.15   De Commissie zou in haar jaarlijkse voortgangsverslag een speciaal hoofdstuk kunnen opnemen over mensen met een handicap, teneinde na te gaan welke en hoeveel vooruitgang op dit vlak de uitvoering van de digitale agenda heeft opgeleverd.

4.16   In een Europese online economie zonder grenzen is het belangrijk dat Europol goed is toegerust om commerciële en sociale activiteiten te controleren en de online wereld aldus voor iedereen veilig te houden.

Brussel, 8 december 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

S. NILSSON


(1)  Persbericht van Eurostat STAT/09/176.

(2)  EUROPA 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, COM(2010) 2020 final.

(3)  PB C 256 van 27-10-2007, blz. 73; PB C 324 van 30-12-2006, blz. 41; PB C 324 van 30-12-2006, blz. 37; PB C 318 van 23-12-2006, blz. 210; PB C 221 van 8-9-2005, blz. 28; PB C 302 van 7-12-2004, blz. 35; PB C 48 van 21-2-2002, blz. 42.

(4)  „Het digitale dividend omzetten in sociale voordelen en economische groei” (nog niet verschenen in PB); PB C 255 van 22-9-2010, blz. 116 en PB C 77 van 31-3-2009, blz. 60; „Verbeteren van modellen voor „participatieve publiek-private partnerschappen” om onlinediensten voor iedereen in de EU-27 toegankelijk te maken” (nog niet verschenen in PB); PB C 255 van 22-9-2010, blz. 98; PB C 128 van 18-5-2010, blz. 69; PB C 317 van 23-12-2009, blz. 84; PB C 218 van 11-9-2009, blz. 36; PB C 175 van 28-7-2009, blz. 8; PB C 175 van 28-7-2009, blz. 92; PB C 175 van 28-7-2009, blz. 87; PB C 77 van 31-3-2009, blz. 63; PB C 224 van 30-8-2008, blz. 61; PB C 224 van 30-8-2008, blz. 50; PB C 97 van 28-4-2007, blz. 27; PB C 97 van 28-4-2007, blz. 21; PB C 325 van 30-12-2006, blz. 78; PB C 318 van 23-12-2006, blz. 222; PB C 110 van 9-5-2006, blz. 83; PB C 123 van 25-4-2001, blz. 36.

(5)  COM(2005) 203 final en Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten.

(6)  Zie advies „Het digitale dividend omzetten in sociale voordelen en economische groei” (nog niet verschenen in PB) en http://www.economist.com/blogs/babbage/2010/09/white-space_wireless.

(7)  De Galileodiensten omvatten: open toegang tot navigatie, commerciële navigatie, veilige life navigatie, publiek gereguleerde navigatie, en opsporing en redding.

(8)  Zie PB C 255 van 22-9-2010, blz. 116 en PB C 77 van 31-3-2009, blz. 60.

(9)  Zie PB C 255 van 22-9-2010, blz. 98.

(10)  Ibid.

(11)  De cumulatieve waarde van de nationale markt voor computerveiligheid in de VS wordt geschat op 55 miljard dollar (2010-2015); het cumulatieve jaarlijks groeipercentage bedraagt 6,2 % voor de komende zes jaar (http://www.marketresearchmedia.com/2009/05/25/us-federal-cybersecurity-market-forecast-2010-2015/).

(12)  Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader, Richtlijn 2002/19/EG inzake toegang en interconnectie en Richtlijn 2002/77/EG betreffende de mededinging op de markten voor elektronische communicatiediensten.

(13)  http://easa.europa.eu/.

(14)  Zie advies „Het digitale dividend omzetten in sociale voordelen en economische groei” (nog niet verschenen in PB); PB C 97 van 28-4-2007, blz. 27 en PB C 224 van 30-8-2008, blz. 50.

(15)  Zie advies „Verbeteren van modellen voor „participatieve publiek-private partnerschappen” om onlinediensten voor iedereen in de EU-27 toegankelijk te maken” (nog niet verschenen in PB).

(16)  http://www.eu2010.es/export/sites/presidencia/comun/descargas/Ministerios/en_declaracion_granada.pdf.

(17)  http://www.nytimes.com/2010/09/27/technology/27virus.html en http://www.ft.com/cms/s/0/e9d3a662-c740-11df-aeb1-00144feab49a.html? ftcamp = rss.

(18)  PB C 255 van 22-9-2010, blz. 98.

(19)  Het EESC heeft hierover de afgelopen vijftien jaar verscheidene adviezen uitgebracht. Zie voor de twee meest recente PB C 128 van 18-5-2010, blz. 69 („De impact van sociale netwerksites”) en PB C 224 van 30-8-2008, blz. 61 („Bescherming van kinderen die het internet gebruiken”).