ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2011.044.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 44

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

54e jaargang
11 februari 2011


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

464e plenaire zitting op 14 en 15 juli 2010

2011/C 044/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het bevorderen van een doelmatige samenwerking bij het beheer van de programma's van het cohesiebeleid op basis van goede praktijken in de periode 2007-2013 (verkennend advies)

1

2011/C 044/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De gevolgen van de vergrijzing voor de gezondheidszorg en socialezekerheidsstelsels (verkennend advies)

10

2011/C 044/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De toegevoegde waarde van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel voor asielzoekers en de Europese lidstaten (verkennend advies)

17

2011/C 044/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De open coördinatiemethode en de sociale clausule in het kader van de Europa 2020-strategie (verkennend advies)

23

2011/C 044/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De ontwikkeling van de sociale uitkeringen

28

2011/C 044/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Kinderwelzijn en armoede onder kinderen (verkennend advies)

34

2011/C 044/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De gevolgen voor de werkgelegenheid van door de milieu-, energie- en klimaatproblematiek geïnduceerde industriële reconversie (verkennend advies)

40

2011/C 044/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Naar een grotere marktpenetratie van elektrische voertuigen (verkennend advies op verzoek van het Belgische voorzitterschap)

47

2011/C 044/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Energiearmoede — gevolgen van de liberalisering en de economische crisis (verkennend advies)

53

2011/C 044/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Werken aan een duurzame economie: ons consumptiepatroon veranderen (initiatiefadvies)

57

2011/C 044/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Consumenteninformatie: wat en hoe (initiatiefadvies)

62

2011/C 044/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het Verdrag van Lissabon en de werking van de interne markt (initiatiefadvies)

68

2011/C 044/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Innovatie in de toeristische sector: een strategie voor duurzame ontwikkeling in eilandregio's (initiatiefadvies)

75

2011/C 044/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Belasting op financiële transacties (initiatiefadvies)

81

2011/C 044/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De sociale dimensie van de interne markt (initiatiefadvies)

90

2011/C 044/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Een Europees saneringsbeleid voor de sector van de rotatieoffset en de rotatiediepdruk in Europa (initiatiefadvies)

99

2011/C 044/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De deelsector textieldiensten in Europa: veranderingen en vooruitzichten

105

2011/C 044/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Bevordering van duurzame groene banen in het kader van het EU-energie- en klimaatveranderingspakket (initiatiefadvies)

110

2011/C 044/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Een doeltreffender EU-energiebeleid voor het MKB en met name micro-ondernemingen (initiatiefadvies)

118

2011/C 044/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Rol van maatschappelijke organisaties en de sociale partners in het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) van de Europese Unie

123

2011/C 044/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Sociale economie in Afrika: rol en perspectieven in de ontwikkelingssamenwerking (initiatiefadvies)

129

2011/C 044/22

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De rol van Europese technologie-, industrie- en wetenschapsparken bij het bestrijden van de crisis en de voorbereiding op de tijd na de crisis en na de Lissabonstrategie (vervolgadvies)

136

 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

464e plenaire zitting op 14 en 15 juli 2010

2011/C 044/23

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel van richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappijCOM(2010) 179 definitief — 2010/0095 (COD)

142

2011/C 044/24

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Verslag van de Commissie — Verslag over het Mededingingsbeleid 2008(COM(2009) 374 definitief)

143

2011/C 044/25

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring(COM(2009) 154 definitief — 2009/0157 (COD))

148

2011/C 044/26

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (GMES): Uitdagingen en volgende stappen voor de ruimtecomponent(COM(2009) 589 definitief)

153

2011/C 044/27

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken(COM(2009) 593 definitief — 2009/0173 (COD))

157

2011/C 044/28

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)COM(2010) 61 definitief — 2010/0039 (COD)

162

2011/C 044/29

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de totstandbrenging van nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed(COM(2010) 105 definitief/2 — 2010/0067 (CNS))

167

2011/C 044/30

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie(COM(2010) 204 definitief — 2010/0110 (COD))

170

2011/C 044/31

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad van 22 mei 2006 houdende communautaire financieringsmaatregelen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op het gebied van het zeerecht(COM(2010) 145 definitief — 2010/0080 (COD))

171

2011/C 044/32

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – Naar de integratie van de maritieme bewaking: Een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingstructuur voor het maritieme gebied van de EUCOM(2009) 538 final

173

2011/C 044/33

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Het digitale dividend omzetten in sociale voordelen en economische groei(COM(2009) 586 definitief)

178

2011/C 044/34

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het burgerinitiatief(COM(2010) 119 definitief — 2010/0074 (COD))

182

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

464e plenaire zitting op 14 en 15 juli 2010

11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Het bevorderen van een doelmatige samenwerking bij het beheer van de programma's van het cohesiebeleid op basis van goede praktijken in de periode 2007-2013” (verkennend advies)

2011/C 44/01

Rapporteur: Jan OLSSON

Mevrouw Wallström, vice-voorzitter van de Europese Commissie, verzocht het Europees Economisch en Sociaal Comité op 23 februari 2009 een verkennend advies op te stellen over het onderwerp:

Het bevorderen van een doelmatige samenwerking bij het beheer van de programma's van het cohesiebeleid op basis van goede praktijken in de periode 2007-2013.

De gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie – economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 23 juni 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli 2010) onderstaand advies uitgebracht, dat met 141 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC is stellig van mening dat echt en diepgaand partnerschap de doeltreffendheid en het algemene succes van het cohesiebeleid van de EU aanzienlijk verbetert. Partnerschap is een instrument voor duurzame, economische en sociale ontwikkeling: het zorgt ervoor dat de financiële middelen van de EU zijn afgestemd op de behoeften van de actoren in het veld. Het vergroot de zichtbaarheid van de EU en versterkt de democratie. Succesvol partnerschap moet gebaseerd zijn op een langetermijnperspectief van echte participatie, waarbij particuliere partners een net zo actieve rol kunnen spelen als overheidsinstanties. SAMENWERKEN DOE JE NIET ALLEEN.

1.2   De huidige regelgeving biedt nog steeds te veel ruimte voor nationale interpretatie van het begrip „partnerschap”. Deze regels moeten worden aangescherpt; met name artikel 11 van de algemene Verordening 1083/2006 moet worden aangepast. Het EESC stelt voor dit artikel in de toekomst op een paar punten te wijzigen en aldus minimumvoorwaarden voor partnerschap vast te stellen.

1.3   Het EESC betreurt dat de Commissie zich de laatste tijd meer met procedures en minder met reële resultaten heeft beziggehouden. Het EESC is er vast van overtuigd dat de Commissie, als hoeder van het partnerschapsbeginsel, een grotere en veel proactievere rol moet spelen. De Commissie moet er samen met de lidstaten, regio's en het maatschappelijk middenveld voor zorgen dat dit beginsel op basis van de open coördinatiemethode meer wordt toegepast.

1.4   Voortdurende capaciteitsopbouw is voor de partners van cruciaal belang: sociale partners en maatschappelijk middenveld moeten in alle operationele programma's een beroep kunnen doen op technische bijstand.

1.5   Het EESC onderstreept dat globale subsidies een zeer efficiënt instrument zijn om echte participatie van partners, met name kleine ondernemingen en organisaties uit de sociale economie, tot stand te brengen en dat zij daarom door alle lidstaten veelvuldig moeten worden gebruikt in zowel de ESF- als EFRO-programma's.

1.6   Het EESC pleit ook voor een terugkeer naar vereenvoudigde programma's in het kader van de communautaire initiatieven die op sociale innovatie en lokale ontwikkeling zijn gericht.

1.7   De structuur en voorschriften van de programma's zouden de uitvoering van het partnerschapsbeginsel in het Europese cohesiebeleid na 2013 moeten vergemakkelijken. Dat is ook de strekking van het verslag-Barca, waarin vooral aandacht wordt besteed aan het verband tussen een place-based approach (nadruk op de lokale dimensie) en partnerschap, dat met name voor het EFRO van belang is en deel zou moeten uitmaken van de Europa 2020-strategie.

1.8   Om een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in alle stadia van het cohesiebeleid te waarborgen moet in overleg met de betrokken Europese partners een Europese gedragscode worden opgesteld.

1.9   Vereenvoudiging is vereist om de positieve impact van programma's, met name in het geval van projecten waarbij kleinere spelers zijn betrokken, te vergroten. Het toezicht op projecten moet gerationaliseerd worden. De uitvoering van betalingen aan kleinere spelers moet soepeler en sneller verlopen door gebruik te maken van vooruitbetalingen en geld tijdig over te maken.

1.10   Het EESC is zich ervan bewust dat er geen standaardaanpak bestaat. Toch kunnen en moeten goede praktijken wijd verspreid worden. Dergelijke goede praktijken zijn in kaart gebracht en beschreven in de bijlage bij dit advies. De Commissie moet bijdragen aan de verspreiding daarvan.

1.11   In de meeste lidstaten spelen regio's een cruciale rol bij de toepassing van het partnerschapsbeginsel. Het EESC stelt daarom voor dat regio's die hun ervaringen willen delen en goede praktijken willen verspreiden een netwerk van „topregio's op het gebied van partnerschap” opzetten en vindt dat het Comité van de Regio's een uitgelezen kandidaat is om als mentor te fungeren voor zo'n netwerk.

2.   Inleiding

2.1   In februari 2009 verzocht de Europese Commissie het EESC om een verkennend advies op te stellen over „Het bevorderen van een doelmatige samenwerking bij het beheer van de programma's van het cohesiebeleid op basis van goede praktijken in de periode 2007-2013”. Dit advies moet ook „helpen bij het opstellen van het toekomstig cohesiebeleid”. Het EESC werd verzocht zich vooral te buigen over de verschillende aspecten van partnerschap en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de ontwikkeling van het cohesiebeleid. „Verticaal” partnerschap in de openbare sfeer, d.w.z. tussen de Europese Commissie, de lidstaten en regionale, lokale en andere overheden, valt echter buiten het bestek van dit advies.

2.2   Dit advies is mede het resultaat van nauwe samenwerking met de diensten van de Commissie. De rapporteur heeft veel veldwerk verricht en samen met leden van het EESC, nationale sociaaleconomische raden, sociale partners en andere maatschappelijke organisaties goede praktijken in kaart gebracht en gedocumenteerd. In Katowice, Porto en Schwerin zijn hoorzittingen gehouden, die werden aangevuld met veldbezoeken aan diverse andere lidstaten. Ook het Europees Parlement en het Comité van de Regio's hebben een waardevolle bijdrage geleverd.

3.   Het partnerschapsbeginsel en zijn geschiedenis

3.1   Het partnerschapsbeginsel is een van de hoekstenen van het cohesiebeleid van de EU. Het vindt zijn oorsprong in het Verdrag van Rome van 1957, toen het Europees Sociaal Fonds werd opgericht. In 1988 werd een nieuwe stap gezet, toen het beginsel werd aangemerkt als gemeenschappelijk instrument voor de structuurfondsen. In het begin was partnerschap enkel een zaak van traditionele economische en sociale actoren; nu zijn ook „andere geschikte instanties die representatief zijn voor het maatschappelijk middenveld, milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en instanties die tot taak hebben de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen” erbij betrokken (1). Deze ontwikkeling weerspiegelt de strategische EU-doelstelling van goed bestuur, die onlangs opnieuw werd bevestigd in de EU 2020-strategie.

3.1.1   In artikel 11 van de algemene verordening worden de reikwijdte en de wijze van toepassing van het partnerschapsbeginsel vastgesteld. De lidstaten betrekken de relevante partners bij de verschillende stadia van de programmering. Verder moeten zij de op nationaal, regionaal en lokaal vlak meest representatieve partners op economisch, sociaal, milieu- en ander gebied aanwijzen „overeenkomstig de huidige nationale voorschriften en gebruiken”. Elk jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de economische en sociale partners op Europees niveau vertegenwoordigen.

3.2   De verordening voorziet in „globale subsidies”; het beheer van dergelijke middelen kan worden toevertrouwd aan bemiddelende instanties, waaronder instanties die actief zijn op het gebied van de regionale ontwikkeling en niet-gouvernementele organisaties (art. 42).

3.2.1   Technische bijstand kan worden verleend aan alle partners, de begunstigden van de bijstand uit de fondsen en het grote publiek. Voorbeelden hiervan zijn informatieverspreiding, netwerkvorming, bewustmaking, bevordering van samenwerking en uitwisseling van ervaring (art. 45-46).

3.3   Overeenkomstig art. 163 van het VWEU en art. 104 van de genoemde verordening van de Raad spelen de sociale partners een bijzondere rol in het Europees Sociaal Fonds (ESF). Bij het beheer van het ESF wordt de Commissie bijgestaan door een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van regeringen, vakbonden en werkgeversorganisaties.

3.4   Voor het ESF wordt het partnerschapsbeginsel verder uitgewerkt in Verordening (EG) 1081/2006.

3.4.1   Hierin wordt met name de aandacht gevestigd op goed bestuur, partnerschap, capaciteitsopbouw en de ervaringen die zijn opgedaan met het Equal-programma en op de belangrijke rol die de sociale partners en andere belanghebbenden hierbij spelen (preambule en artikel 5).

3.4.2   Het ESF moet partnerschappen, pacten en initiatieven bevorderen via netwerkvorming van de betrokken belanghebbenden, zoals sociale partners en niet-gouvernementele organisaties op transnationaal, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau (artikel 3, lid 1, sub e)). Dit moet gepaard gaan met acties ter versterking van de institutionele capaciteit (artikel 3, lid 2, sub b)).

3.4.3   Het ESF moet vooral de rol van de sociale partners en de sociale dialoog in de convergentieregio's versterken. Met name ngo's moeten actief worden betrokken bij programma's op het gebied van sociale integratie, gelijkheid van mannen en vrouwen en gelijke kansen (art. 5).

3.4.4   Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar innovatieve activiteiten in het kader van het partnerschap (art. 7).

3.5   In tegenstelling tot de ESF- of ELFPO-Verordening bevat Verordening (EG) 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) geen specifieke bepalingen over partnerschap. Volgens het EESC moet het EFRO zich meer focussen op kleine ondernemingen, innovatie en lokale ontwikkeling en daarbij instrumenten gebruiken die partnerschap ten goede komen (bijv. doelgerichte maatregelen, globale subsidies).

4.   Partnerschap in de praktijk

4.1   De factoren die belangrijk zijn voor het welslagen en de doeltreffendheid van het cohesiebeleid en die worden toegeschreven aan het partnerschapsbeginsel, kunnen als volgt worden samengevat:

er worden standpunten en kennis aangedragen die de situatie „in het veld” weergeven;

er wordt beter tegemoet gekomen aan de behoeften en verwachtingen van de partners;

door „lokaal te gaan” kan nog beter worden ingespeeld op de situatie van bedrijven, werknemers en de burger in het algemeen;

milieu, gendergelijkheid en maatregelen ter bestrijding van sociale uitsluiting krijgen een prominentere rol in de programma's;

de toegevoegde waarde van geïntegreerd beleid wordt zichtbaarder;

partnerschap is een fundamenteel instrument van collectief engagement en draagt bij tot een grotere doeltreffendheid van publieke uitgaven en overheidsbeleid;

partners brengen het cohesiebeleid van de EU dichter bij de burger.

4.2   Succesvol partnerschap is echter in hoge mate afhankelijk van de vraag of overleg en participatie zijn verankerd in de nationale en politieke cultuur. Waar dit het geval is, zijn de partners meer betrokken en in staat om programma's en projecten te formuleren en zelfs te implementeren.

4.3   De ervaring leert dat de tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel in de loop der jaren lijkt te zijn verbeterd, ook al denken de partners daar verschillend over. Er blijven belangrijke obstakels bestaan, die van land tot land, en soms ook binnen de landsgrenzen, verschillen. Toch heeft het maatschappelijk middenveld in sommige lidstaten het idee dat er in vergelijking met de programmeringsperiode 2000-2006 sprake is van enige terugval.

4.4   De afgelopen jaren heeft de Commissie zich meer dan ooit geconcentreerd op formaliteiten en auditvoorschriften. Kleine ondernemingen en organisaties hebben minder mogelijkheden om projecten uit te voeren. Er zijn praktisch geen middelen meer om kleine projecten te steunen. De communautaire initiatieven zijn afgeschaft en de meeste lidstaten zijn er niet in geslaagd deze programma's in hun reguliere beleid op te nemen.

4.5   Partnerschap wordt nog steeds formalistisch bekeken: er is vaak wantrouwen tussen de overheden en de partners omdat zij geen gemeenschappelijke of duidelijke visie hebben op het doel van hun partnerschap. Het is niet helemaal duidelijk wat het maatschappelijk middenveld is en welke rol het speelt; dit wordt nog versterkt door de onduidelijke bepalingen van de verordening en door het feit dat overheden partnerschap als een extra last beschouwen. De legitimiteit en representativiteit van partners wordt in twijfel getrokken en de vrees bestaat dat uitgebreide en tijdrovende raadplegingen de tenuitvoerlegging van programma's vertragen.

4.6   Bijgevolg zijn de raadplegingsprocedures vaak inadequaat omdat zij te bureaucratisch en te technisch zijn en partijen onvoldoende tijd wordt gegund. Er gaapt een diepe informatiekloof tussen de bevoegde instanties en de partners. Vaak worden de laatsten slechts gedeeltelijk betrokken bij de beleidsvorming en –uitvoering. En wie niet voor vol wordt aangezien, daar wordt ook niet naar geluisterd. Er bestaat ook verzet tegen nieuwe denkwijzen en innovatieve ideeën. De huidige regels en de uitvoering werken niet echt in het voordeel van partnerschap. Met als gevolg dat de partners ontmoedigd raken en afhaken.

4.7   Om hun rol als partner te vervullen moeten veel sociaaleconomische spelers en ngo's over de juiste kennis, organisatie, professionele capaciteit en financiële middelen beschikken. Het is bijzonder moeilijk voor kleine organisaties om aan alles deel te nemen.

4.8   Onderzoek van Business Europe wijst op een significante verbetering in de programmeringsperiode 2007-2013 ten opzichte van de periode daarvoor, dankzij het feit dat autoriteiten en sociale partners meer ervaring hebben opgedaan, de discussies transparanter zijn geworden en de raadplegings- en uitvoeringsprocedures beter worden georganiseerd. Doorgaans wordt de betrokkenheid op nationaal niveau positiever beoordeeld dan op regionaal niveau. In de landen die pas zijn toegetreden tot de EU kan zeker nog het een en ander worden verbeterd, maar dat geldt ook voor de landen die al langer lid zijn van de EU. BusinessEurope wijst op de discrepantie tussen een korte raadplegingsprocedure en een langdurig uitvoeringsproces en verzoekt om een betere terugkoppeling vanuit de raadplegings procedure.

4.9   UEAPME is voorstander van een bottom-up en „think small first” benadering, aangepast aan de behoeften van lokale ondernemingen en gemeenschappen. Partnerschap moet worden ontwikkeld binnen een kader van multilevel en multi-actor governance. UEAPME wijst erop dat horizontale subsidiariteit, d.w.z. gelijktijdige betrokkenheid van de sociaaleconomische partners op Europees, nationaal en lokaal niveau, een succesfactor is. De administratieve en financiële regels moeten worden vereenvoudigd en er is behoefte aan grotere voorschotten, evenals aan globale subsidies, die erg effectief zijn. Volgens UEAPME zijn er regio's waarin kleine ondernemingen slechts 1 tot 2 % van de beschikbare EU-middelen ontvangen. Om een beroep te kunnen doen op de beschikbare middelen moeten kleine en middelgrote ondernemingen samenwerken via partnerschappen en intermediaire organisaties. Technische ondersteuning is hierbij onmisbaar. UEAPME verzoekt de Commissie een vademecum te publiceren over hoe het geld kan worden gebruikt.

4.10   ETUC is van mening dat er in de laatste programmeringsperiode niet zo veel is verbeterd. Het eist een duidelijker omschrijving van partnerschap in de verordening en wil graag minimumvoorwaarden. De kwaliteit van partnerschap hangt in belangrijke mate af van de bereidheid van autoriteiten om het principe toe te passen. ETUC is het ermee eens dat nationale en regionale partnerschappen beter werken dan lokale partnerschappen. Het is belangrijk om ervaring te delen. Interregionale samenwerkingsprogramma's moeten worden uitgebreid, met name door interregionale vakbondsraden erbij te betrekken. ETUC heeft een handboek gepubliceerd, dat gebaseerd is op de praktische ervaring van zijn leden, over hoe vakbonden met het ESF kunnen werken.

4.11   In februari 2010 publiceerden de Europese sociale partners (ETUC, BE, CEEP) een gezamenlijk verslag over het ESF. De belangrijkste conclusie is dat capaciteitsopbouw van cruciaal belang is om de doeltreffendheid van het fonds te verbeteren. Andere gesignaleerde zwakke punten zijn administratieve starheid en een beperkt begrip van partnerschap in sommige lidstaten. De sociale partners pleiten voor een sterker partnerschap tussen henzelf en de lokale/regionale overheden.

4.12   Het Europees netwerk van verenigingen ter bestrijding van de armoede (EAPN) vindt dat raadpleging op brede schaal en grondig moet gebeuren, dat er verschillende organisaties bij moeten worden betrokken en een veelheid van methoden moet worden gehanteerd. Deelname moet worden vergoed en bijeenkomsten moeten voldoende frequent zijn. Voor EAPN is het belangrijk dat de lessen die uit Equal kunnen worden getrokken, worden meegenomen in het ESF en dat daarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan innovatie, partnerschap, gender mainstreaming en transnationaliteit. Kleine projecten moeten meer ruimte krijgen, net als in de vorige programmeringsperiode.

4.13   ECAS stelt voor dat de lidstaten en regio's voor elke programmerings- en projectfase een plan opstellen voor informatie, consultatie en participatie. Deze plannen moeten worden gepubliceerd en geëvalueerd binnen een kader van multilevel governance en partnerschap dat alle lokale leiders samenbrengt. Voorts suggereert ECAS dat regio's die graag het voortouw nemen wat betreft het delen van ervaring, een praktijkgemeenschap opzetten.

4.14   In een rapport dat in 2008 werd gepubliceerd door het Center for Community Organizing (CCO) van de Tsjechische republiek, analyseerde het SF-team, bestaande uit ngo's uit Midden- en Oost-Europa partnerschap in zes landen (Bulgarije, Hongarije, Litouwen, Polen, Roemenië, Slowakije); de conclusie luidde dat de beperkte capaciteit van ngo's het grootste manco is. Ook bleek de politieke steun voor partnerschap nauwelijks aanwezig te zijn. Ngo's moeten hun deskundigen en managers opleiden via technische ondersteuning van programma's; deze ondersteuning wordt veelal rechtstreeks gebruikt door de overheidsinstantie. De selectieprocedure voor deelname aan de toezichtcomités en andere organen moet zorgvuldiger worden gevolgd.

4.15   Volgens een op case studies gebaseerd verslag van het Europees Parlement (2) is het overhevelen van bestuur naar lagere overheden belangrijk, net als het oprichten van intermediaire platforms of coördinatieorganen en informele netwerken. Ook moeten de programma's minder ingewikkeld worden. Voor zaken als beleidsleren en capaciteitsopbouw moeten specifieke maatregelen, zoals strategische discussies, transnationale acties, ondersteunende structuren en verspreiding van goede praktijken, worden genomen.

5.   Algemene opmerkingen

5.1   Het EESC is ervan overtuigd, en heeft er in eerdere adviezen ook herhaaldelijk op gewezen, dat echt en diepgaand partnerschap tot een doelgerichter en doeltreffender gebruik van de structuurfondsen en bijgevolg tot meer succesvolle projecten leidt. Partnerschap moet gebaseerd zijn op een langetermijnperspectief van echte participatie, waarbij particuliere partners een net zo actieve rol kunnen spelen als overheidsinstanties. Echt partnerschap leidt tot een win-winsituatie voor alle betrokkenen.

5.2   De burger moet centraal staan in alle beleidsmaatregelen van de Gemeenschap. Daarom is het van groot belang dat bij partnerschap in het kader van de structuurfondsen van onder af te werk wordt gegaan en alle burgers en hun organisaties de kans krijgen om betrokken te worden bij het cohesiebeleid en de projecten die uit hoofde hiervan worden gefinancierd. Waar het partnerschapsbeginsel als een rode draad door programmering en uitvoering loopt, leidt dat tot actieve deelname van burgers en het maatschappelijk middenveld aan het cohesiebeleid en daarmee tot een versterking van de democratie.

5.3   Een cultuur van echt partnerschap tot stand brengen is een leerproces. Partners moeten in staat worden gesteld om op voet van gelijkheid deel te nemen aan alle uitvoeringsstadia van het cohesiebeleid. Gebleken is dat de middelen voor capaciteitsopbouw een cruciale rol hebben gespeeld bij het efficiënter maken van partnerschap. Daarom moeten dergelijke middelen voor alle partners, zowel in de publieke als in de particuliere sector, en voor alle operationele programma's, niet alleen in de convergentieregio's, worden gebruikt. Voorts is er ook dringend behoefte aan „gezamenlijke opleiding” van publieke en particuliere partners.

5.4   Er is sprake van een gebrek aan evenwicht tussen partners op het vlak van invloed en macht, toegang tot informatie, financiële middelen, beroepscapaciteit enz. Voor de periode na 2013 is er dringend behoefte aan een kader dat een nieuw evenwicht tussen de publieke autoriteiten en de particuliere sector tot stand brengt door middel van een bestuursmodel dat gebaseerd is op het partnerschapsbeginsel waarin de regionale en lokale dimensie evenals particuliere sociale en economische actoren centraal staan.

5.5   Alle particuliere en publieke partners moeten elkaar vertrouwen en niet alleen aan hun eigenbelang denken; dat vergt een mentaliteitsverandering. Het is hoog tijd voor een nieuwe dialoogcultuur, die uitgaat van „think small first” en rekening houdt met de behoeften van lokale ondernemingen en organisaties. Overheidsinstanties moeten openstaan voor de input die wordt geleverd; particuliere partners moeten geëngageerd zijn, hetgeen kan worden gestimuleerd door meer particuliere cofinanciering toe te staan in de projecten. Partners moeten van meet af aan worden betrokken, zodat zij een beslissende en constructieve rol kunnen spelen.

5.6   Sociale partners zijn belangrijke sociaaleconomische actoren en moeten net als organisaties uit de sociale economie en ngo's hun zegje kunnen doen. Het is belangrijk om pluralisme te bevorderen door ook kleine innovatieve ondernemingen, organisaties en andere actoren die in de toekomst een belangrijke rol kunnen spelen een stem in het kapittel te geven. Maar partnerschap moet ook flexibel en doelgericht zijn en worden afgestemd op de specifieke vereisten van de diverse programma's.

5.7   Zoals gezegd bepalen politieke cultuur, traditie en ervaring hoe het partnerschapsbeginsel in de lidstaten in de praktijk wordt gebracht. Aangezien deze enorm verschillen in een Unie met 27 lidstaten, is er niet één homogeen model dat geschikt is voor alle situaties. Daarom moeten goede praktijken worden uitgewisseld in een wederzijds leerproces; alle belanghebbenden dragen verantwoordelijkheid voor de verspreiding van goede praktijken en zorgen aldus voor een grotere doeltreffendheid van de fondsen.

5.8   Verantwoordelijkheden, rechten en plichten binnen het partnerschap verschillen naar gelang van de respectieve rol en status van de partners. Dit geldt met name wanneer het recht van participatie botst met de beslissingsbevoegdheden inzake financiële kwesties. Toch hoeven deze verschillen geen problemen op te leveren indien alle partners streven naar een consensus op het vlak van strategie en financiering.

5.9   Op grond van de huidige verordening zijn de lidstaten belast met de toepassing van het partnerschapsbeginsel volgens de nationale voorschriften en gebruiken. Volgens het EESC bestaat er een sterke en dringende behoefte aan Europese minimumvoorwaarden voor het organiseren van kwalitatief hoogwaardige partnerschappen. Daarom is het EESC van mening dat het EFRO zijn focus meer moet richten op kleine ondernemingen, innovatie en lokale ontwikkeling en dat het daarbij instrumenten moet gebruiken die partnerschap ten goede komen, zoals doelgerichte maatregelen, globale subsidies enz.

5.10   Om partnerschap te versterken kan en moet de programmering in het algemeen worden aangepast. Dit kan worden gedaan door programma's zowel qua doel als reikwijdte doelgerichter te maken en beter af stemmen op de problematiek (bijv. geografisch gebied, sector, taak).

5.11   Dat de structuur van een programma direct bepalend is voor de slaagkansen van een partnerschap bleek duidelijk uit communautaire initiatieven als Equal en Urban II, waarbij partnerschap een expliciete vereiste was. Uit het feit dat ondertussen een punt is gezet achter deze initiatieven kan worden geconcludeerd dat het partnerschapsbeginsel minder belangrijk wordt geacht dan in de programmeringsperiode 2000-2006. Veel lidstaten zijn er niet in geslaagd de ervaring met Equal in de huidige programmeringsperiode te mainstreamen, ondanks het feit dat de ESF-Verordening hiertoe een voorziening bevat.

5.12   Leader, het programma voor het platteland, was vanaf het begin voorloper wat de toepassing van het partnerschapsbeginsel betreft. Al is het niet langer een communautair initiatief, toch is de Leader-methode een verplicht onderdeel van de programma's voor plattelandsontwikkeling in de huidige programmeringsperiode. Dat is enerzijds te danken aan het succes van het initiatief en anderzijds het gevolg van de strengere bepalingen van artikel 6 van de ELFPO-Verordening (EG) 1698/2005. Doel is lokale spelers actief te betrekken bij het opzetten van territoriale allianties voor endogene lokale ontwikkeling. Een voorbeeld hiervan is het opzetten van een lokaal partnerschap, bekend als „lokale actiegroep” (LAG). Op lokaal besluitvormingsniveau zijn de sociaaleconomische partners en het maatschappelijk middenveld in de meerderheid. Leader steunt op nationale plattelandsnetwerken, die bestaan uit een breed partnerschap dat de schakel vormt tussen de lokale projecten en het nationale en Europese niveau.

5.13   Het EESC betreurt dat de Commissie zich de laatste tijd steeds meer met procedurele en formele zaken heeft beziggehouden en zich meer op auditing heeft gericht dan op reële resultaten. Het EESC beklemtoont dat de Commissie krachtiger en proactiever moet optreden ten aanzien van de toepassing van het partnerschapsbeginsel. Met een terugkeer naar wat in het verleden de filosofie van het cohesiebeleid was, moet de Commissie een echte betrokken „partner” worden in plaats van alleen maar een waarnemer.

5.14   Het EESC heeft vastgesteld dat ingewikkelde administratieve en financiële procedures in verband met programma's en projecten van de structuurfondsen een verlammende, ontmoedigende en zelfs ontradende werking hebben, met name voor zeer kleine, kleine en middelgrote ondernemingen en sociaaleconomische organisaties die een beroep willen doen op de structuurfondsen. Voor het EESC is vereenvoudiging van dergelijke procedures op zowel Europees als nationaal niveau derhalve, net als snellere uitbetalingen, een absolute en dringend noodzakelijke voorwaarde om tot een succesvol partnerschap te kunnen komen.

5.15   Het is gebleken dat globale subsidies een buitengewoon efficiënt middel zijn om het beheer van de fondsen beter af te stemmen op de begunstigden en hun behoeften. Deze subsidies zijn vooral nuttig gebleken bij de financiering van kleine projecten. Het EESC betreurt dat deze regeling in de huidige periode flink is beperkt ten opzichte van de periode 2000-2006. Het pleit ervoor dat alle lidstaten uitgebreid gebruik maken van de globale subsidies in beide fondsen en dat de begunstigden zelf hun verantwoordelijkheid nemen, zodat het enorme potentieel van het mkb en de sociale economie kan worden vrijgemaakt.

5.16   Meer en nauwere betrokkenheid van de EIB zou een welkome aanvulling zijn op dit punt. Het EESC pleit ook voor versterking van het Jeremie-programma om de steun aan kleine ondernemingen en hun organisaties te bevorderen.

5.17   Het EESC dringt nogmaals aan op de integratie en coördinatie van alle fondsen die verband houden met het cohesiebeleid van de Unie; ook moeten de activiteiten van het ELFPO en het Europees Visserijfonds worden uitgevoerd in de vorm van enkele operationele programma's. Een dergelijke integratie bevordert efficiënt partnerschap aangezien partners meestal een holistische kijk op ontwikkeling hebben. Volgens het EESC valt ook te pleiten voor het actief nastreven van integratie in het nationale beleid, zodat dubbel wordt geprofiteerd van een geïntegreerde aanpak op Europees en nationaal niveau.

5.18   Dit verzoekt ligt volledig in de lijn van het verslag-Barca van april 2009 (3), waarin de rol van partnerschap met het maatschappelijk middenveld wordt beklemtoond en wordt gehamerd op het belang van de territoriale dimensie voor de Europese eenwording. Partnerschap is cruciaal voor een effectief en goed gebruik van het geld. In het verslag wordt beklemtoond dat lokale actoren tot actie moeten worden aangespoord en burgers via een openbaar debat bij een en ander moeten worden betrokken. Barca stelt voor om in 2010-2012 een echt strategisch debat met het maatschappelijk middenveld te houden voordat het cohesiebeleid na 2013 wordt vormgegeven.

6.   Europese initiatieven voor verbetering

6.1   Volgens het EESC is een reeks verplichte en vrijwillige acties op Europees en nationaal niveau noodzakelijk om vaker en beter gebruik te maken van partnerschap in de structuurfondsen en om wat wordt gezien als goede praktijken in partnerschap uit te breiden tot alle lidstaten. Het EESC wenst dat de verschillende verordeningen worden aangepast. Afgezien daarvan is ook een gedragscode nodig en moet de Commissie duidelijker richting aangeven.

6.2   Het EESC stelt voor artikel 11 van de algemene Verordening 1083/2006, waarin de voorschriften voor partnerschap zijn vervat, in een toekomstige nieuwe verordening als volgt te wijzigen (zie bijlage I voor een geconsolideerde tekst met alle voorgestelde wijzigingen).

6.2.1

De woorden „overeenkomstig de huidige nationale voorschriften en gebruiken” in lid 1 moeten worden aangevuld met „en na daarover overeenstemming te hebben bereikt met de relevante partners”. Alleen als met de partners overeenstemming kan worden bereikt over de aard van dat partnerschap, kan het proces echt worden gerechtvaardigd en tot meer succesvolle projecten leiden. Het EESC onderschrijft de voorzieningen die reeds zijn getroffen in het kader van het Comité van het ESF om vast te stellen wie de relevante partners zijn; deze specifieke voorziening zou voor alle structuurfondsen moeten gelden.

6.2.2

Het EESC vindt dat in artikel 11 absoluut zou moeten worden vermeld dat de Commissie, de lidstaten en het maatschappelijk middenveld samen toezicht houden op de tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel. De open coördinatiemethode (OCM) is hiervoor uitermate geschikt. De Commissie stelt samen met de lidstaten doelstellingen, indicatoren en richtsnoeren vast, vergelijkt prestaties, wisselt goede praktijken uit en vergelijkt beoordelingen via onderlinge toetsing.

6.2.3

De OCM wordt erkend in het Verdrag van Lissabon (zie de artt. 149, 153, 156, 168, 173 en 181 van het VWEU). Het EESC stelt voor om een soortgelijke formulering toe te voegen aan artikel 11: „De Commissie kan in nauw overleg met de lidstaten initiatieven nemen om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen”. Ook de belangrijkste Europese organisaties die de sociale partners en het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen moeten hierbij worden betrokken.

6.2.4

De raadpleging van Europese economische en sociale partners „moet minstens twee keer per jaar” plaatsvinden en daarbij moeten ook de in art. 11, lid 1, sub c) genoemde vertegenwoordigende instanties worden betrokken, evenals organisaties voor plattelandsontwikkeling, zodat een link wordt gelegd naar het ELFPO. Dergelijke raadplegingen zouden nu al moeten worden georganiseerd, als onderdeel van een echt strategisch debat op Europees niveau voorafgaand aan het toekomstig cohesiebeleid na 2013 (zie Barca).

6.2.5

Het EESC stelt ook voor om verbeteringen aan te brengen in de specifieke Europese raadplegingsprocedure van elk fonds. Het Comité van het ESF zou, zonder afbreuk te doen aan de bevoorrechte rol van de sociale partners, na passend overleg een beperkt aantal waarnemers uit andere vertegenwoordigende organisaties van belanghebbenden moeten opnemen.

6.2.6

Het EESC pleit met klem voor wijziging van de EFRO- en ELFPO-Verordeningen en voor het opnemen hierin van de onder artikel 5 inzake „goed bestuur en partnerschap” van de ESF-Verordening uitgewerkte visie. Het Comité stelt ook voor om in de nieuwe EFRO-Verordening een partnerschapscomité op te nemen.

6.2.7

Het EESC onderstreept met name dat „een toereikende hoeveelheid middelen moet worden uitgetrokken voor capaciteitsopbouw ten behoeve van alle particuliere partners” en stelt daarom voor om als richtsnoer 10 procent van de voor technische bijstand toegekende middelen opzij te zetten voor capaciteitsopbouw en onderwijs in alle operationele programma's. Ook Europese opleidingen die het nationale niveau ten goede komen en daarmee ook de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken bevorderen, verdienen steun.

6.3   Om tot de noodzakelijke vereenvoudiging te komen moet volgens het EESC de auditing en controle van projecten worden gerationaliseerd. Betalingen, financiële waarborgen en voorfinanciering moeten sneller worden geregeld en worden aangepast aan de behoeften van de begunstigden, vooral wanneer het kleine spelers betreft. De huidige mogelijkheden voor voorfinanciering blijven ondanks een aantal door de Commissie in 2009 voorgestelde verbeteringen ver beneden de maat.

6.4   Om aan de minimale eisen voor een kwalitatief hoogstaand partnerschap te voldoen stelt het EESC voor dat de Commissie samen met vertegenwoordigers van de onder artikel 11 genoemde categorieën partners een gedragscode ontwikkelt voor de uitoefening van het partnerschapsbeginsel aan de hand van de volgende richtsnoeren:

de betrokken publieke en particuliere partners stellen vanaf het begin samen een plan op voor informatie, raadpleging en participatie ten aanzien van de programmering, uitvoering en evaluatie, met duidelijke doelstellingen en een routekaart die moet worden gevolgd;

de bevoegde autoriteiten brengen verslag uit over hoe zij rekening hebben gehouden met het partnerschapsbeginsel in hun voorstellen en rapporten; de standpunten van de partners worden duidelijk weergegeven en voorzien van documentatie;

het partnerschap is zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop het zijn leden kiest voor de beheerscomités en andere adviesorganen die in het kader van de structuurfondsen zijn opgericht; selectie vindt plaats aan de hand van belangstelling, representativiteit en een open houding ten aanzien van nieuwe, toegewijde en innovatieve actoren;

alle partners moeten bij alle operationele programma's een beroep kunnen doen op technische bijstand voor capaciteitsopbouw, coördinatie en vertegenwoordiging; de partners zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud en het beheer van de projecten;

het partnerschap moet van meet af aan worden betrokken bij het vaststellen van de criteria voor het selecteren van projecten;

partnerschap moet een criterium zijn voor projecten die worden gefinancierd uit de fondsen;

transnationaal partnerschap moet worden gestimuleerd;

er moeten indicatoren worden opgesteld voor efficiënt beheer vanuit het oogpunt van de begunstigden;

procedures en controles moeten worden vereenvoudigd;

betalingen aan begunstigden moeten sneller plaatsvinden;

langetermijnstrategieën moeten in de beheerscomités of in andere geschikte instanties die verbonden zijn aan het nationaal strategisch referentiekader worden besproken.

6.5   In geval van een grondige herziening van de operationele programma's tijdens de programmeringsperiode moet het partnerschapsbeginsel streng worden nageleefd en worden beklemtoond.

6.6   Het EESC stelt voor dat regio's die hun ervaringen willen delen en goede praktijken willen verspreiden een netwerk van „topregio's op het gebied van partnerschap” opzetten. Een embryonale vorm daarvan bestaat al (4). Om een dergelijk initiatief te stimuleren stelt het EESC voor om samen met het Comité van de Regio's en de Europese Commissie hiertoe de aanzet te geven. Het Comité van de Regio's is een uitgelezen kandidaat om als mentor te fungeren voor zo'n netwerk.

6.7   Tot slot stelt het EESC voor dat de Commissie een werkgroep opricht die bestaat uit alle relevante partners op Europees niveau om ervoor te zorgen dat het partnerschapsbeginsel vanuit verschillende hoeken wordt belicht en te voorkomen dat staatssteun en aanbestedingsvoorschriften een negatief effect hebben op partnerschap.

7.   Goede praktijken

7.1   Tijdens het opstellen van dit advies werden goede praktijken gedefinieerd vanuit het perspectief van de betrokkenheid en rol van de , niet de overheidsinstellingen. De gevallen die in een aparte bijlage worden beschreven, zijn slechts voorbeelden. Er zijn natuurlijk nog andere gevallen.

7.2   Goede praktijken zijn beoordeeld vanuit vier perspectieven: toegang tot partnerschap, empowerment van partners, besluitvormingspartnerschappen en gerichte partnerschappen.

7.3   Goede praktijken op een van deze gebieden betekent niet noodzakelijkerwijs dat de praktijken over de hele linie goed zijn. Anderzijds kan een goede praktijk betrekking hebben op twee of meer gebieden. Er zijn enkele gevallen die bijzondere aandacht verdienen, zoals de systematische partnerschapsaanpak in heel Engeland; het succesvolle Peace Programme for Reconciliation in Noord-Ierland waarin lokale partnerschappen en betrokkenheid van de burgerbevolking centraal staan; het partnerschapsbeheer van alle fondsen (inclusief ELFPO) voor een geïntegreerde ontwikkeling in Mecklenburg-Vorpommern (D), het unieke beheer door het maatschappelijk middenveld ( Fundación ONCE en anderen) van een operationeel ESF-programma (E), de ondersteunende structuur voor de derde sector in Wales (3-SET).

7.4   Alle vier de perspectieven van goede praktijken zijn te zien in een aantal interessante gevallen waarbij de structuurfondsen expliciet worden ingezet om aan de behoeften van de lokale spelers te voldoen: het innovatieve partnerschap (vakbonden/coöperaties/banken) dat zich over de globale subsidies in Toscane (I) ontfermt (Esprit); het strategische en toegenomen gebruik van globale subsidies in Poitou-Charentes (F); de territoriale werkgelegenheidsafspraken in Oostenrijk en het decentrale beheer van het ESF in Baden-Württemberg (D). Ook de lokale actiegroepen in het kader van Leader moeten in dit verband worden genoemd.

7.5   Het dynamisch verbeteren en ontwikkelen van het partnerschapsbeginsel is ook een goede praktijk. Polen is een voorbeeld van een land waar het beheer van de fondsen in handen is van werkgroepen waarin partners een doorslaggevende rol spelen. De nationale kaderovereenkomst (Protocollo d'Intesa) inzake partnerschapsregels in Italië en de follow-up daarvan in sommige regio's, waaronder Puglia, zijn goede voorbeelden die navolging verdienen.

7.6   Het EESC merkt op dat de nationale en/of regionale sociaaleconomische raden doorgaans slechts gedeeltelijk betrokken zijn, met uitzondering van de Italiaanse CNEL, die een grote rol speelt bij de regionale beleidsvorming en evaluatie t.a.v. Mezzogiorno (Zuid-Italië). In Portugal, Frankrijk (regionaal niveau) en Malta bijv. nemen de sociaaleconomische raden deel aan de programmeringsfase.

7.7   Wat de toegankelijkheid betreft rijst de vraag welke partners worden geselecteerd en hoe. Partners moeten worden aangewezen via een transparante en legitieme procedure. Selectie is normaal gezien geen probleem bij de sociale partners maar wel bij ngo's en vooral wanneer het om kwetsbare en marginale groepen als gehandicapten, ex-gevangenen, Roma en andere etnische minderheden gaat.

7.7.1   De verantwoordelijkheid voor selectie bij het maatschappelijk middenveld leggen is een goede praktijk. Een interessant voorbeeld daarvan is te vinden in de Tsjechische republiek (kiesstelsel).

7.8   Enkele interessante voorbeelden van capaciteitsopbouw en empowerment van partnerschappen zijn:

het aanleren van sociale dialoog (bijv.Tsjechische republiek);

het opbouwen van beroepscapaciteit in de partnerorganisaties (Mezzogiorno, Duitsland, Spanje, Poitou-Charentes, Slovenië);

het opzetten van specifieke kenniscentra of „waarnemingsposten” („Kompetenzstellen” in Duitsland, 3-SET in Wales);

het uitwerken van handboeken en richtsnoeren voor partnerschapsorganisaties op nationaal (bijv. DGB Brandenburg in Duitsland) en Europees niveau (ETUC, EAPN, Bankwatch).

7.9   In sommige gevallen is de besluitvorming over welk project gefinancierd moet worden overgedragen aan organisaties in het partnerschap. Globale subsidies zijn slechts één voorbeeld (Italië, VK, Frankrijk). Het Zweeds model (Västra Götaland en andere partnerschappen in het kader van de structuurfondsen) en het operationele programma van de eerder genoemde Fundación ONCE zijn andere voorbeelden.

7.10   Een paar programma's zijn op geografische regio's, groepen, sectoren, gemeenschappen of specifieke taken gericht en zijn daarom normaal gesproken ook nauw verbonden met een specifieke groep van partners die ook echt bevoegd zijn om besluiten te nemen. Het Peace Programme in Noord-Ierland en de Groeiforums (Denemarken) maar ook de lokale initiatieven die in par. 7.4 zijn genoemd, behoren tot deze categorie van goede praktijken.

8.   Voorgestelde wijzigingen van het huidige artikel 11 van Verordening 1083/2006 van de Raad:

Artikel 11

Partnerschap

1.   De doelstellingen van de fondsen worden nagestreefd in het kader van nauwe samenwerking, hierna partnerschap te noemen, tussen de Commissie en de lidstaat. De lidstaat organiseert , een partnerschap met autoriteiten en instanties als:

a)

de bevoegde regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden;

b)

de economische en sociale partners;

c)

andere geschikte instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, milieupartners, niet-gouvernementele organisaties, en instanties die tot taak hebben de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen.

Elke lidstaat wijst de meest representatieve partners op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau en op economisch, sociaalmaatschappelijk en milieugebied en andere gebieden aan, hierna de „partners” genoemd, in overeenstemming met de nationale voorschriften en gebruiken, waarbij hij er rekening mee houdt dat de gelijkheid van vrouwen en mannen moet worden bevorderd, en dat tot duurzame ontwikkeling moet worden bijgedragen door integratie van de eisen betreffende milieubescherming- en verbetering.

2.   Het partnerschap wordt uitgeoefend met volledige inachtneming van de institutionele, juridische en financiële bevoegdheden van elke partnercategorie als gedefinieerd in lid 1. Het partnerschap heeft betrekking op de voorbereiding en de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van de operationele programma's. De lidstaten betrekken alle relevante partners, en met name de regio's, bij de verschillende stadia van de programmering , met inachtneming van de voor elk stadium vastgestelde termijn.

3.    raadpleegt de Commissie de verenigingen die de partners op Europees niveau vertegenwoordigen, over de bijstandsverlening uit de fondsen.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Zie art. 11 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad betreffende de structuurfondsen.

(2)  „Governance and partnership at national and regional levels, and basis for projects in the field of regional policy”, Rapporteur Jean-Marie Beaupuy, goedgekeurd door het Europees Parlement op 21.10.2008.

(3)  An Agenda for a Reformed Cohesion Policy. A Place Based Approach to meeting European Union Challenges and expectations – mei 2009.

(4)  Bijv. Reves (partnerschap regionale/lokale overheden en sociale economie), Bankwatch Network, IQ-Net (regionale bestuursorganen en onderzoeksinstellingen), het ECAS-initiatief en de praktijkgemeenschap van beheersautoriteiten van het ESF.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/10


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De gevolgen van de vergrijzing voor de gezondheidszorg en socialezekerheidsstelsels” (verkennend advies)

2011/C 44/02

Rapporteur: mevrouw HEINISCH

Bij schrijven van 18 september 2009 heeft mevrouw WALLSTRÖM, vicevoorzitster van de Europese Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht, om overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, een verkennend advies op te stellen over:

„De gevolgen van de vergrijzing voor de gezondheidszorg en socialezekerheidsstelsels”

De gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 juni 2010 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn 464e zitting van 14 en 15 juli 2010 (vergadering van 15 juli) met 89 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen, het volgende advies goedgekeurd:

1.   Aanbevelingen

1.1   Om „de gevolgen van de vergrijzing voor de gezondheidszorg en socialezekerheidsstelsels” het hoofd te bieden, zijn volgens het EESC de volgende maatregelen geboden:

1.1.1

Op nationaal niveau:

verankering van „gezond ouder worden” als horizontaal thema;

uitbreiding van preventie en van gezondheidsbevordering en -educatie in alle leeftijdsgroepen;

verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg voor ouderen en hun verpleging;

integratie van palliatieve zorg in het zorgaanbod;

ontwikkeling en aanpassing van op bepaalde leeftijdscategorieën afgestemde therapieën, met deelname van ouderen aan klinisch onderzoek en onderzoek naar comorbiditeit;

ontwikkeling van op ouderen afgestemde zorginstellingen en alternatieve leefvormen;

evaluatie via health technology assessment (HTA) van verzorging op afstand (telecare) en van technologische oplossingen, inclusief door de omgeving gesteund wonen (Ambient Assisted Living, AAL), en andere gezondheidstechnologieën (verpleegomgeving) die gericht zijn op zelfstandig leven, alsmede op efficiëntie en kwaliteit van de ouderenzorg;

aanleg van algemene, decentrale en dicht bij de woonplaats aanwezige infrastructuur voor een direct contact tussen ouderen en medici en verplegenden („deïnstitutionalisering”);

ondersteuning van regionale en lokale netwerken van alle betrokkenen ter verwezenlijking van de doelstelling „gezondheid en ouderdom”;

opname van een verplichte verzekering voor verzorging op oudere leeftijd (bijv. zorgverzekering) in de nationale wetgeving;

openstelling van nationale gezondheids- en socialezekerheidsstelsels voor experimenten met nieuwe modellen, met aansluitende evaluatie, met het oog op een dynamisch systeem;

flexibilisering van systemen voor extra betalingen en extra verzekeringen;

uitwerking en uitvoering van nationale strategieën en beleid voor levenslang leren (LLL) op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

garanderen dat gezin, beroep en verzorging kunnen worden gecombineerd;

uitbreiding van onbetaalde arbeid;

erkenning van het waardevolle werk en de behoeften van verpleegkundigen.

1.1.2

Europees niveau:

onder verwijzing naar de conclusies van de EPSCO-Raad van 30 november 2009: uitwerking van een actieplan voor gezond en waardig ouder worden;

het thema „Actief, gezond en waardig ouder worden” tot een prioriteit maken in de Europa 2020-strategie;

noodzakelijke harmonisatie van terminologie, definities, evaluatie-instrumenten, vademecums, criteria, procedures, enz. Deze kwestie speelt al 20 jaar, maar tot nu toe is er niet veel vooruitgang geboekt;

ruime aandacht voor actief, gezond en waardig ouder worden in de „Europese” jaren 2010 (Jaar van armoedebestrijding en sociale uitsluiting), 2011 (Jaar van het vrijwilligerswerk) en 2012 (Jaar van actief en gezond ouder worden en solidariteit tussen de generaties), alsook tijdens de in die periode plaatsvindende voorzitterschappen van de Raad;

integratie van vergrijzing in de planning van het gemeenschappelijk onderzoeksprogramma van de Commissie (Joint Programming);

uitwerking van een Europees Handvest van de rechten van hulp- en verplegingsbehoevende mensen;

oprichting van een speciale interdisciplinaire werkgroep in de Commissie voor „Ouderdom en gezondheid” (inclusief gezondheidszorg, verpleging, pensioenen en financiële houdbaarheid);

oprichting binnen het EESC van een „rondetafel”, een „categorie” of een „permanente studiegroep” voor „actief, gezond en waardig ouder worden in een dialoog tussen de generaties”, voor de uitwerking van een overkoepelende strategie op deze gebieden;

opname van gerontologie en demografisch onderzoek als prioriteit in het 8e kaderprogramma;

opzet van een project „Ouderen en kennisoverdracht” binnen de actie „Wetenschap en samenleving”;

verzameling en vergelijking van gezondheidsdoelstellingen van de lidstaten en het bindende karakter daarvan;

ondersteuning van de lidstaten bij de uitvoering van bovengenoemde maatregelen aan de hand van de Structuur- en Cohesiefondsen en de opencoördinatiemethode;

steun bij de uitwisseling van goede praktijken voor individuele ICT-oplossingen, bijv. in het kader van het INTERREG-programma, met steun via de Structuurfondsen;

ondersteuning van grensoverschrijdende Health Technology Assessments (HTA) voor de evaluatie van nieuwe ICT-oplossingen, die de verzorgingsbehoeften van ouderen betreffen;

permanente voorlichting over levenslang leren (LLL) en de uitwisseling en coördinatie van Europese opleidings- en bijscholingsprogramma's waarin de nadruk ligt op „Ouderdom en gezondheid”; van LLL naar „Leren om lang te leven” (Learning for a long life);

uitwerking van een nieuwe visie op ouderdom, ook in de media;

opstellen van Europese richtsnoeren om gezin, beroep en verzorging te kunnen combineren.

2.   Algemene opmerkingen

2.1   Inleiding

2.1.1   De samenlevingen in de EU vergrijzen door een hogere levensverwachting van de burgers. Volgens schattingen van Eurostat zal het aandeel mensen die 65 jaar of ouder zijn, stijgen van 17,1 % in 2008 tot 30 % in 2060. De gemiddelde verhouding tussen de beroepsbevolking (15-64 jaar) en 65-plussers zal verschuiven van 4:1 tegenwoordig naar 2:1 in 2050.

2.1.2   Daardoor zal, bij afnemende geboortecijfers, het aantal niet-actieven op de arbeidsmarkt stijgen in verhouding tot het aantal actieven.

2.1.3   Een recente mededeling van de Commissie (1) stelt dat de regeringen maar weinig tijd hebben om maatregelen uit te voeren ter oplossing van de vergrijzingsproblemen, d.w.z. voordat de meeste mensen van de babyboomgeneratie met pensioen gaan. Daarom heeft de Commissie het EESC op 18 september 2009 verzocht een verkennend advies uit te werken om na te gaan hoe de inspanningen van de lidstaten t.a.v. de aanpak van dit vraagstuk gesteund kunnen worden met gemeenschappelijke initiatieven op het gebied van gezondheid. Dit advies is gebaseerd op diverse eerdere EESC-adviezen (2).

2.1.4   De Raadsvoorzitterschappen van de Tsjechische Republiek (1e halfjaar 2009), Zweden (2e halfjaar 2009) en Spanje (1e halfjaar 2010) hebben van gezond, waardig en actief ouder worden een agendapunt gemaakt.

2.1.5   De samenleving en degenen die met gezondheidsbeleid belast zijn, moeten een nieuwe visie op ouderdom ontwikkelen, die recht doet aan de demografische veranderingen en ouderen in hun waarde laat.

2.1.6   Niet een verouderende bevolking, maar ongezond ouder worden leidt tot hogere uitgaven. Daarom worden in dit advies vooral maatregelen voor gezond ouder worden aanbevolen.

2.2   Verdere ontwikkeling en innovatie van gezondheids- en socialezekerheidsstelsels en de gezondheidszorg

2.2.1   De vergrijzing vereist dat de organisatie en capaciteit van gezondheids- en socialezekerheidsstelsels, de gezondheidszorg en andere ondersteunende diensten verder uitgebreid worden om i) tegemoet te komen aan de behoeften van ouderen, ii) te garanderen dat hulpbehoevenden de hulp krijgen om een menswaardig en zelfstandig leven te kunnen blijven leiden, en iii) alle bevolkingsgroepen, ongeacht leeftijd, geslacht, financiële status en woonplaats, gelijke toegang te bieden tot hoogwaardige gezondheidszorg (inclusief gezondheidsbevordering, preventie, behandeling, revalidatie en palliatieve zorg).

2.2.2   Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar het beroep dat ouderen op gezondheids- en socialezekerheidsstelsels zullen doen, maar ook naar de eigen verantwoordelijkheid die de mensen tijdig en preventief kunnen nemen voor hun oude dag, en dus naar de eisen die de samenleving aan oudere mensen stelt.

2.2.3   Om de gezondheidszorg voor alle ouderen en hun behoefte aan langdurige verpleging met behulp van communautair beleid te steunen, zou de EU de gezondheidsdoelstellingen (3) van de lidstaten en het bindende karakter daarvan moeten verzamelen en vergelijken. Voorts moet in kaart gebracht worden in hoeverre preventie en gezondheidsbevordering op dit moment al deel uitmaken van de gezondheidsstelsels.

3.   Specifieke opmerkingen

3.1   Gebieden die bijzondere aandacht verdienen

3.1.1   Preventie

3.1.1.1   Reeds bij de geboorte van de mens begint het proces van gestage veroudering. Daarom is het van belang dat het gehele leven, binnen de grenzen van het mogelijke, onder goede omstandigheden verloopt. Waar het op aankomt, is een goed begin en een goed einde van het leven. Gezond ouder worden begint ruim voor de pensioenleeftijd en wordt onder andere beïnvloed door de levens- en arbeidsomstandigheden en de aanwezigheid van hulpbronnen. Voor wie dit beseft, klinkt de eis van verantwoord ouder worden alleen maar logisch (4). Op een verantwoorde wijze ouder worden vergt levenslang leren. Daartoe moeten nieuwe gezondheidsstrategieën en beleidsvormen voor levenslang leren (LLL) worden uitgewerkt op nationaal, regionaal en lokaal niveau die alle soorten onderwijs omvatten (formeel, niet formeel en informeel). Dit betreft alle leerfasen, van de kleuterschool tot bij- en nascholing. Behoud van gezondheid in eigen verantwoordelijkheid door actieve deelname aan preventieve maatregelen (voeding, sport, gezond leven, vermijding van risicofactoren enz.), gezondheidsbevordering en -educatie helpt ouderen om zo lang mogelijk thuis en in de vertrouwde sociale omgeving te blijven wonen. Verder moet de rol van technologie in dit verband permanent ontwikkeld en geëvalueerd worden.

3.1.1.2   Preventie in gezondheidsstelsels moet meer bevorderd worden. Zij kan ervoor zorgen dat mensen langer actief blijven op de arbeidsmarkt en dat zij zich beter hieraan kunnen aanpassen. Hoogwaardige arbeidsbescherming en verbetering van de ergonomie op de arbeidsplaats kunnen wezenlijk bijdragen aan een gezond en langer arbeidzaam leven en zijn tegelijk een antwoord op de demografische uitdaging.

3.1.1.3   Aan de hand van met de leeftijd veranderende en aan de vaardigheden en behoeften aangepaste activiteiten (bijv. van uitvoerende naar voorbereidende, of ook adviserende en begeleidende tot en met managementsactiviteiten) kan de arbeidstijd verlengd worden. Dit betekent ook dat ouderen langer geïntegreerd zijn in sociale en sociaal-economische contexten en dat zo stimulerende prestatieprikkels aanwezig blijven. Zo kunnen de bijkomende, gezonde levensjaren omgezet worden in extra gevulde en productieve jaren. Dit veronderstelt natuurlijk de aanwezigheid van passende begeleidende en kwalificatiemaatregelen om het beoogde proces op gang te brengen en voort te zetten (levenslang leren, beroepskwalificaties inclusief de certificatie van tijdens de carrière verworven vaardigheden enz.). Ten behoeve van gezonde arbeidsvoorwaarden moeten op de werkvloer gezondheidsbevordering, ziekte- en ongevallenpreventie aangeboden worden.

3.1.1.4   Na het afsluiten van een carrière is sociale integratie in de samenleving en de socioculturele omgeving heel belangrijk. Sociale isolatie voorkomen betekent depressies voorkomen. Juist ouderen kunnen hun sociale vaardigheden en ervaring doorgeven, bijv. via onbetaald werk. Maar ook de jeugd moet op deze mogelijkheid gewezen worden.

3.1.2   Dienstverlening in de gezondheidszorg

3.1.2.1   Er wordt steeds meer waarde gehecht aan op de patiënt toegesneden medische dienstverlening en aan de betrokkenheid van patiënten bij de ontwikkeling en mede-uitvoering van die diensten.

3.1.2.2   Chronische ziekten (diabetes, rheuma, hartaandoeningen) en degeneratieve ziekten van het zenuwstelsel (dementie en Alzheimer), van het bewegingsapparaat en de ogen, maar ook gevallen van kanker, nemen op hogere leeftijd toe. Dit stelt bijzondere eisen aan medische beroepen, de diagnostiek, de behandelwijze en aan de zorgsector als geheel.

3.1.2.3   Er moeten medische diensten komen voor geïntegreerde en gepersonaliseerde verpleging, waarbij de patiënt centraal staat.

3.1.2.4   Betere en meer toegespitste opleidingen in de gezondheidszorg zijn geboden. Zorgpersoneel (artsen, apothekers, verpleegkundigen) en onderzoekers moeten meer vertrouwd worden gemaakt met de kenmerken van geriatrische geneeskunde en in die zin ook meer opgeleid en bijgeschoold worden. Wie een medisch beroep uitoefent, moet ook een specifieke opleiding krijgen over het belang van maatregelen voor gezondheidsbevordering en preventieve maatregelen op hoge leeftijd (bijv. voorkomen van vallen, gezonde voeding, enz.).

3.1.2.5   Ontwikkeling en aanpassing van op de leeftijd afgestemde therapieën: multimorbiditeit, veranderde stofwisseling op latere leeftijd en vaak ook multitherapieën vergen exacte kennis van de interferentie tussen organen en systemen in het lichaam van ouderen. Een en ander verlangt bijzonder medicatiebeheer en de selectie en aanpassing van medicatie en dosering aan de stofwisseling van oudere mensen. Gepersonaliseerde verzorging in openbare apotheken met interactietests, alsook goede ICT in openbare apotheken, die informatie over geneesmiddelen en hun onderlinge reacties bieden, kunnen helpen om ongewenste bijwerkingen van geneesmiddelen tot een minimum te beperken en de behandeling succesvol af te sluiten.

3.1.2.6   Een meer direct en permanent contact tussen senioren en medewerkers in de medische zorg en verpleging is geboden. Dit is des te belangrijker naarmate ouderen meer behoefte aan verpleging hebben: zo kan er beter voor worden gezorgd dat behandelingen aanslaan en isolatie en depressie worden verhinderd.

3.1.3   Verpleegdiensten

3.1.3.1   De kwaliteit van verpleegdiensten moet door het stellen van normen gewaarborgd, gecontroleerd en geëvalueerd worden. Er dient een Europees handvest te komen voor de rechten van hulp- en verplegingbehoevende mensen, om hen onder andere te beschermen tegen geweld in de verpleging. Nieuwe technologieën (bijv. AAL) die het zelfstandig leven mogelijk maken, kunnen hieraan bijdragen. Maar potentieel nieuwe technologieën moeten goed beoordeeld worden en mogen in geen geval leiden tot nieuwe nationale ongelijkheden in de zorgsector en in de verpleging.

3.1.3.2   Voor ouderen dient het uitgangspunt „rehabilitatie ter voorkoming van verpleging” te zijn. De traditionele verpleging mag geen éénrichtingsverkeer zijn: men moet uit het ziekenhuis ook weer terug naar huis kunnen gaan. De bestaande medische en verpleeginstellingen komen nog te weinig aan deze eis tegemoet.

3.1.3.3   Er moeten op ouderen gerichte ziekenhuizen en verpleeginstellingen en alternatieve woonmogelijkheden worden ontwikkeld: vereist is een soepele en omkeerbare overgang tussen gezondheid/ziekte/verpleging/sociaal leven, die indien nodig goede genees- en verpleegkundige zorg biedt en ouderen zo lang mogelijk een verblijf in een „normale”, dat wil zeggen generatie-overschrijdende omgeving biedt. Dit vergt een goede coördinatie van medische zorg en verpleging. Tegelijk dienen er naast instellingen voor langdurige verpleging ook meer stationaire en ambulante tehuizen en instellingen te komen voor palliatieve geneeskunde en moet er aan een „verzorghuiscultuur” gewerkt worden.

3.1.3.4   Daartoe dient er een dekkende, decentrale en bij de woonplaats gelegen infrastructuur te komen voor verzorging aan huis („deinstitutionalisering”). Niet-institutionele verpleeginfrastructuur die over alle noodzakelijke diensten beschikt (ambulante zorg, bezoekende verpleging, beperkte hulpverlening) moet gestimuleerd worden. Dit moet uitmonden in een organisatie op regionaal niveau en een verbeterde structurele financiering om te waarborgen dat er niet alleen in de steden maar ook overal op het platteland adequate instellingen en structuren aanwezig zijn.

3.1.3.5   Graadmeter voor een samenleving is de manier waarop ze met ouderen omgaat. Vrijwilligerswerk heeft in de omgang met ouderen en hun verzorging een bijzondere betekenis gekregen. Voortaan moet elke burger, gelet op zijn mogelijkheden jegens zieken, gehandicapten en ouderen, zijn verantwoordelijkheid nemen, maar ook voor deze inzet beloond worden.

3.1.4   Onderzoek op de genoemde terreinen

De vergrijzing dient in de planning van het gemeenschappelijk onderzoeksprogramma van de Commissie (Joint Programming) te worden geïntegreerd. Aansluitend op de projecten „WhyWeAge” en „Futurage” van het 7e kaderprogramma dienen in het 8e kaderprogramma gerontologie (onderzoek naar ouderdom en het ouder worden) en demografisch onderzoek prioriteiten te zijn. Het zou ook zinvol zijn om een thema als „Ouderen en kennisoverdracht” in de actie „Wetenschap en samenleving” van DG „Onderzoek” onder te brengen. In dit verband zijn de volgende onderzoeksgebieden van belang:

3.1.4.1   Preventieonderzoek

Welke preventiemogelijkheden zijn voor het behoud van de gezondheid op de werkplaats van belang met het oog op de toekomst?

Welke lange-termijngevolgen hebben bepaalde levensstijlen voor de gezondheidstoestand in het algemeen en voor sommige ziekten?

Wat zijn de gevolgen van verschillende, door geslacht, cultuur en migratie bepaalde levensstijlen voor gezond ouder worden?

Hoe kan men vallen en botbreuken vermijden?

Welke preventieve maatregelen komen de fysieke, zintuigelijke, cognitieve en sociale vaardigheden ten goede?

Hoe kan men mensen motiveren om hun gezondheid en het verouderingsproces verantwoord onder ogen te zien (bevordering van gezond gedrag, prikkels aan ouderen om maatregelen te nemen met het oog op de eigen gezondheid)?

Hoe kan aangezet worden tot een gedragswijziging om beter te integreren in de sociale omgeving?

3.1.4.2   Onderzoek naar ziekten en therapieën

m.b.t. epidemiologie en etiologie van ouderdomsziekten, ter verbetering van de preventiemogelijkheden;

m.b.t. het biologische verouderingsproces, van de wieg tot het graf;

m.b.t. multimorbiditeit, chronische ziekten, kanker, hartziekten, rheuma en aandoeningen aan het bewegingsapparaat, achteruitgang van het zicht (bijv. grijze staar), neurodegeneratieve ziekten als Alzheimer, enz. In dat verband moet ook gekeken worden naar verbetering van de diagnosemogelijkheden om sneller diagnoses te stellen en dus eerder met therapie te kunnen beginnen;

m.b.t. behandelingen van ouderen voor specifieke ouderdomsziekten; de biochemische processen met gevolgen voor de resorptie, de stofwisseling en de werkzaamheid van geneesmiddelen, alsook voor medicatie en dosering moeten beter begrepen worden en in de behandeling aan bod komen; vaak ontbreekt daartoe de therapeutische basis, omdat klinische experimenten en tests van geneesmiddelen hoofdzakelijk onder jonge volwassenen plaatsvinden.

3.1.4.3   Onderzoek naar verpleegmethoden

Hoe kunnen nieuwe technologieën ontwikkeld worden die aan de behoeften van ouderen tegemoetkomen?

Wat is de optimale verpleegomgeving en de bijbehorende optimale vorm van dienstverlening?

Hoe kunnen de kwalificaties en arbeidsomstandigheden verbeterd worden, mede gelet op de nieuwe technologieën voor verplegend personeel?

Hoe kunnen technische oplossingen (bijv. robotica) helpen om de taak van verzorgende familieleden te verlichten en om de arbeidsomstandigheden van professionele verzorgers te verbeteren, waarbij de integriteit en waardigheid van de patiënt intact blijven?

Hoe kan het zorgaanbod aangepast worden aan de behoeften en eisen van ouderen die verpleging nodig hebben?

Welke nieuwe concepten kunnen bijdragen aan de ontwikkeling en ondersteuning van thuiszorg? Hiertoe behoren ook de economische ondersteuning en erkenning door de samenleving van verzorgende familieleden (bijv. de mogelijkheid tot een tussen werkgever en werknemer overeengekomen tijdelijk kortere werktijd in verband met verzorging, erkenning in het pensioenstelsel, verpleeggeld, enz.).

Hoe kunnen verpleging, pijntherapie en stervensbegeleiding voor een menswaardig levenseinde anders vorm gegeven worden?

3.1.4.4   Onderzoek naar het gezondheidsstelsel

Het onderzoek in de openbare gezondheidszorg moet zich richten op gezondheidsstelsels en langdurige verpleging, alsmede op de integratie van diensten en de ontwikkeling van een „routekaart” voor geriatrisch onderzoek. Er moet bekeken worden of de gezondheids- en socialezekerheidsstelsels in de lidstaten toegerust zijn voor de uitdagingen van de vergrijzing. Welke betekenis heeft bijv. preventie? Welk aandeel heeft preventie in de uitgaven in de volksgezondheid? Hoeveel mensen worden thuis of in instellingen verpleegd?

Hoeveel wordt er bespaard dankzij vrijwiligerswerk en vrijwillige verpleging; hoeveel onbetaald werk verrichten met name vrouwen thuis?

Onderzoek naar gezondheidsresultaten en evaluatie van gezondheidstechnologie (HTA) zijn met name nodig voordat nieuwe technologieën en eHealth bij de behandeling en verpleging van ouderen toegepast worden. Maken deze technologieën in de praktijk waar wat ze beloven? Hebben de kwetsbaarste groepen profijt van deze technologieën?

Samen met de lidstaten moet klinisch en sociaaleconomisch onderzoek verricht worden naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van investeringen ter verbetering van de gezondheid en de verpleging van ouderen.

Hoe kunnen de raakvlakken tussen gezondheidszorg en sociale voorzieningen verbeterd worden?

3.1.5   Ontwikkeling van nieuwe technologieën

3.1.5.1   Tegenover de moeilijkheden die de vergrijzing veroorzaakt, staan grote mogelijkheden. Het gaat dan met name om nieuwe producten en diensten voor een verouderende samenleving. De „economische factor ouderdom” kan zich ontwikkelen tot economische motor met meer groei en werkgelegenheid in de dienstverlening voor gezondheid, nieuwe technologieën, geneesmiddelen, medische producten, geneeskundige technieken, en verder op het gebied van toerisme en „wellness”. Volgens schattingen van de Commissie kunnen de gevolgen van de vergrijzing op de uitgaven voor de gezondheid aanzienlijk zijn: de overheidsuitgaven op dit gebied zullen volgens de ramingen tot 2060 stijgen met 1,5 procentpunt van het BBP. Nieuwe producten en diensten moeten ontwikkeld en op de markt gebracht worden. In dat verband wordt de waardeschepping bepaald door het marktvolume, de prijs en de mate van de meerwaarde.

3.1.5.2   Terwijl voor de „primaire gezondheidsmarkt” de mogelijke kostenbesparing op de eerste plaats komt en dus zal bepalen of Ambient Assisted Living (AAL) in het pakket van de zieken- en verzorgingsfondsen wordt opgenomen, kan de „secundaire gezondheidsmarkt” hier veel vrijer en flexibeler op reageren. Hiertoe dienen belast- en betaalbare bedrijfsmodellen te worden ontwikkeld die zichzelf via verkoop, verhuur of leasing kunnen bedruipen. Tegelijk moet gewaarborgd zijn dat de „secundaire gezondheidsmarkt” geen ongelijkheden in de hand werkt.

3.1.5.3   De uitwerking en uitwisseling van sociaal-economische gegevens over de gevolgen van de invoering van verpleegtechnologieën moeten bevorderd worden, bijv. op basis van de huidige proefprojecten in het kader van het programma voor concurrentievermogen en innovatie. Tegelijk verdient ook de uitwisseling van goede ICT-praktijken in verband met oplossingen voor meer levenskwaliteit op hogere leeftijd ondersteuning, bijv. in het kader van het programma INTERREG en door gebruik te maken van de Structuurfondsen. Dit onderzoek dient de standpunten te beoordelen van gebruikers van de technologie, met name ten aanzien van de gebruiksvriendelijkheid en de voordelen van de technologie.

3.1.5.4   De technologische vooruitgang en nieuw ontwikkelde methoden voor vroege herkenning en behandeling zijn weliswaar de belangrijkste oorzaak van de gestegen kosten in de zorg, toch kunnen zij op den duur, mits doeltreffend toegepast, zeker ook kosten besparen. De evaluatie van voor de gezondheid relevante procedures (Health Technology Assessment, HTA) moet een grotere rol gaan spelen om de omvang en kostenstijging van diensten in de gezondheidszorg en de verpleging te bepalen. Doeltreffende invoering en doeltreffend beheer van nieuwe technologieën zijn daarom doorslaggevend voor het toekomstige verloop van de kosten. Nieuwe technologieën kunnen en mogen echter het directe contact tussen ouderen en het medisch en verplegend personeel niet vervangen en dienen betaalbaar te zijn.

3.1.6   Financiële haalbaarheid

3.1.6.1   In bijna alle lidstaten komen de kosten van ouderenzorg en verpleeghulp voor ouderen ten laste van de socialezekerheidsstelsels, wat een duurzame en gewaarborgde financiering van de desbetreffende systemen veronderstelt.

3.1.6.2   Afhankelijkheid van verpleging houdt nog steeds een armoederisico in, zeker voor gepensioneerden met een klein pensioen of geringe inkomsten. Veel Europeanen op leeftijd kunnen zich geen passende verpleging veroorloven. Daarom moeten er in de komende decennia in alle EU-landen, overeenkomstig de nationale sociale voorzieningen (socialeverzekeringsstelsels of met belastinggeld gefinancierde systemen), verpleegkostenverzekeringen komen en dienen reeds bestaande verzekeringen aan de vergrijzing aangepast te worden om te garanderen dat elke burger, met inachtneming van het communautair recht, de nationale wettelijke voorschriften en gewoontes en de individuele behoeftes, toegang heeft tot verpleegdiensten. Zulke verzekeringen moeten niet alleen betrekking hebben op instellingen maar ook op ambulante zorg.

3.1.6.3   Het onderbrengen van een deel van de langdurige verpleging bij de particuliere verzekeringen moet weloverwogen gebeuren en in samenspraak met de betrokken partijen om te voorkomen dat deze trend de toegang tot deze diensten bemoeilijkt. De lidstaten moeten ook voor de toekomst garanderen dat ouderen algemene toegang hebben tot eerstelijnszorg en preventie. Dit ambitieuze streven vereist de inzet van alle beschikbare financieringsinstrumenten: de wettelijke socialezekerheidsstelsels alsook de aanvullende mechanismen.

3.1.6.4   Op grond van nieuwe vergoedingsstructuren moeten ook verre verwanten voor de verzorging van behoeftige familieleden een zorgtoelage kunnen ontvangen. Ook dan moet natuurlijk de kwaliteit van de verpleging gegarandeerd zijn! Voorts moet er, naar analogie van het moederschapsverlof, ook een zorgverlof ingevoerd worden. Voorts moeten er, in overleg met de sociale partners, in het kader van de sociale dialoog (zoals in het geval van ouderschapsverlof), mogelijkheden uitgewerkt worden voor het combineren van gezin, beroep en verpleging.

3.1.6.5   De financiële druk op de socialezekerheidsstelsels kan door een reeks nationale maatregelen verminderd worden. Te denken valt aan het ruimer voorschrijven van generieke geneesmiddelen, een lagere btw op geneesmiddelen en onderhandelingen met de farmaceutische industrie over de prijsvorming.

3.2   Lokale netwerken – „De kleinste eenheid is de meest doeltreffende en staat dicht bij de burger”

3.2.1   Al naar gelang hun gezondheid kunnen ouderen veel voor een samenleving betekenen. Door persoonlijke of arbeidsomstandigheden komen tegenwoordig steeds minder huishoudens voor met leden van diverse generaties. In deze lacune kunnen particuliere of gemeentelijke actoren met lokale netwerkstructuren voorzien, want de structuren voor basisvoorzieningen moeten op regionaal en lokaal niveau worden aangepast om een behoorlijke mate van steun en hulp te waarborgen.

3.2.2   Lokale netwerken zijn bijvoorbeeld platformen van gemeentelijke actoren, sociale partners, ngo's en bestuurders uit de gezondheidszorg, gericht op samenwerking en de coördinatie van de dienstverlening. Zulke initiatieven bieden goede mogelijkheden voor steun uit het Cohesiefonds en de Structuurfondsen. Europa dient te werken aan modellen voor goede praktijken, zoals initiatieven voor meer mogelijkheden t.a.v. „actief burgerschap” en zelfhulp op het gebied van „verzorging en verpleging aan huis”.

3.2.3   Kangoeroewoningen zijn ook een nieuwe vorm van generatie-overschrijdende uitwisseling buiten het gezin: het werk van kleuterscholen, jeugd- en seniorenclubs wordt onder één dak samengebracht (5).

3.2.4   Andere diensten, zoals 24-uursverzorging (vooral van dementen), moeten hieraan worden toegevoegd.

3.3   Europees gezondheidsbeleid

3.3.1   De gezondheidsstelsels van de lidstaten moeten antwoorden vinden voor de problemen van de vergrijzing en in die zin uitgebreid worden. Niet vergeten mag worden dat organisatie en inrichting van de gezondheidsstelsels ook volgens het Verdrag van Lissabon taak en verantwoordelijkheid van de lidstaten zijn en dat de instellingen van de EU de lidstaten bij deze opgave slechts ondersteunen. De gezondheidsstelsels van de lidstaten lopen erg uiteen op grond van hun organisatie (behalve overheidssystemen volgens het Beveridge- of Bismarckmodel en mengvormen zijn er ook privé verzekeringen), hun ontwikkeling, hun economische veerkracht en de eisen en verwachtingen die eraan gesteld worden. Overeenkomstig het Handvest van de Grondrechten moet het recht op toegang tot medische zorg echter gewaarborgd blijven.

3.3.2   De opencoördinatiemethode (OCM) kan ertoe bijdragen dat het gezondheidsbeleid efficiënter vorm krijgt en uitgevoerd wordt. De samenwerking dient zich toe te spitsen op de uitwisseling van ervaringen en het leveren van praktijkvoorbeelden met betrekking tot de drie hoofdthema's: toegang, kwaliteit en financiële haalbaarheid op de lange termijn.

3.3.3   Volgens het subsidiariteitsbeginsel is ook de vormgeving van het sociaal beleid in eerste instantie een bevoegdheid van de lidstaten. De EU kan de nationale overheden echter via steunmaatregelen de helpende hand bieden, bijv. door aanvulling of bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten. Op sociaal gebied blijkt de OCM een nuttig instrument om de sociale bescherming volgens de principes toegang, aanpassing en duurzaamheid te verbeteren.

3.3.4   Het thema „actief, gezond en waardig ouder worden” moet een prioriteit worden van de Europa 2020-strategie, in de vorm van een actieplan. Dit vergt een intensievere en permanente samenwerking tussen de DG's van de Commissie. Daartoe is een specifieke interdisciplinaire werkgroep „Ouderdom en gezondheid” nodig die zich buigt over „gezondheidszorg, verpleging, pensioenen en financiële haalbaarheid”. Er moet gewerkt worden aan uitbreiding van preventie en van de gezondheidsbevordering en -educatie en aan de integratie van deze uitgangspunten in alle beleidsterreinen, die voor de lidstaten richtinggevend moeten zijn.

3.3.5   Het EESC moet het thema „actief, gezond en waardig ouder worden” in een permanente dialoog tussen de generaties verder uitdiepen, in de vorm van een „rondetafel”, een „categorie” of een „permanente studiegroep”, zodat er een multidisciplinaire demografiestrategie kan worden uitgewerkt.

3.3.6   De EU dient de lidstaten met middelen uit de Structuurfondsen en het Cohesiefonds te steunen bij de uitvoering van nationale maatregelen.

3.3.7   Voorts pleit het EESC voor permanente steun aan het levenslang leren op het gebied van „ouderdom en gezondheid” op Europees niveau en voor de ontwikkeling van eigen strategieën om dit beginsel op nationaal, regionaal en lokaal niveau gestalte te geven.

Brussel, 15 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  COM(2009) 180 final.

(2)  Zie de lijst met EESC-adviezen op: http://www.eesc.europa.eu/sections/soc/index_en.asp.

(3)  Zie: European Observatory on Health Systems and Policies http://www.euro.who.int/en/home/projects/observatory/activities/research-studies-and-projects

(4)  „Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen”. (Psalm 90,12).

(5)  http://www.mehrgenerationenhaeuser.de.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/17


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De toegevoegde waarde van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel voor asielzoekers en de Europese lidstaten” (verkennend advies)

2011/C 44/03

Rapporteur: de heer PÎRVULESCU

In een brief d.d. 16 februari 2010 heeft mevrouw Milquet, vicepremier en minister van Werk en Gelijke Kansen, het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht om namens het toekomstige Belgische voorzitterschap en overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europee Unie een verkennend advies op te stellen over:

De toegevoegde waarde van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel voor asielzoekers én de Europese lidstaten.

De afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 juni 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli 2010) onderstaand advies uitgebracht, dat met 133 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité juicht het toe dat de Europese instellingen zich proactief opstellen op het gebied van asielzaken en dat de lidstaten graag vooruitgang willen boeken op dit beleidsterrein.

1.2

Hoewel de instabiliteit en de gevaren in de wereld het immigratie- en asielbeleid van de Europese Unie op allerlei manieren onder druk zetten (1), is het Comité van mening dat de diverse bezuinigingsmaatregelen in verband met de economische crisis het niveau en de invulling van de bescherming van vluchtelingen en asielzoekers niet mogen aantasten. De politieke identiteit van de Europese Unie staat of valt met de bescherming van mensenrechten. Zowel intern als extern zal de geloofwaardigheid van de EU als politieke en democratische entiteit op het spel komen te staan, als dit laatste niet meer kan worden gewaarborgd.

1.3

Nu het VWEU in werking is getreden, bieden de uitbreiding van de bevoegdheden van de EU op dit terrein en de verandering van de besluitvorming mogelijkheden om een gemeenschappelijke Europese asielruimte te creëren. Toch bestaan er ook gevaren. De politieke en bestuurlijke slagkracht kan wel eens onvoldoende zijn om de hooggespannen verwachtingen waar te maken.

1.4

Het Comité is van oordeel dat een goed werkend gemeenschappelijk Europees asielbeleid de meest efficiënte en duurzame manier is om tegemoet te komen aan de beschermingsbehoefte van personen in risicosituaties en om de gevolgen daarvan voor de lidstaten aan te pakken.

1.5

Het beschouwt personen die internationale bescherming genieten, niet als een economische of administratieve last, maar als waardevolle partners van hun gastlanden en -gemeenschappen. In hun herkomstlanden kunnen ze veranderingen in gang helpen zetten en zo de democratie en de rechtstaat helpen versterken en de bescherming van mensenrechten helpen verbeteren. Met de aangeleerde competenties kunnen ze een sleutelrol spelen in de economische en sociale ontwikkeling van zowel het gastland als het herkomstland.

1.6

De vraag of het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) al dan niet een succes wordt, hangt af van een aantal cruciale factoren, zoals de daadwerkelijke bescherming van mensenrechten, de solidariteit tussen lidstaten, de harmonisatie van de wetgeving en het beleid ter zake, de verbetering van de invulling van de bescherming en de daarmee samenhangende financiering van de Europese instellingen die verantwoordelijk zijn voor het asielbeleid. Het is vooral belangrijk dat het grote publiek, het maatschappelijk middenveld en de regeringen van de lidstaten vertrouwen krijgen in een gemeenschappelijk Europees asielbeleid. Dit kan worden bereikt door het beleid snel ten uitvoer te leggen en vooral door concrete resultaten te boeken bij proefmaatregelen.

1.7

Doordat de lidstaten er verschillende asielstelsels op na houden, rijzen de kosten de pan uit. Door middel van het CEAS kunnen de kosten inzichtelijker worden gemaakt en worden teruggedrongen, omdat vooral de wetgeving vereenvoudigd wordt (minder beroepsprocedures en herhaalde aanvragen en minder mogelijkheden van misbruik van de procedures), maar ook omdat de bevoegde Europese instellingen (zoals het Europees ondersteuningsbureau voor asielzoekers) actie kunnen ondernemen en de taken van de nationale overheden kunnen overnemen. Op die manier wordt het gemakkelijker om goede praktijken uit te wisselen, personeel op te leiden en – heel belangrijk – asielzoekersstromen door te sturen.

2.   Inleiding

2.1

Voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR) is een beslissende fase aangebroken. Sinds 1999 heeft de Raad twee vijfjarenplannen aangenomen: het programma van Tampere (1999-2004) en het Haags programma (2004-2009). Na tien jaar zijn de in Tampere geformuleerde doelstellingen slechts gedeeltelijk verwezenlijkt. De EU is nog altijd geen gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. De vorderingen van het gemeenschappelijke immigratie-, asiel- en grenzenbeleid zijn aanzienlijk, maar niet overal gelijk.

2.2

Het programma van Stockholm zal ten uitvoer worden gelegd na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, waardoor veel maatregelen uit dit verdrag volgens de gewone wetgevingsprocedure van de Raad en de medebeslissingsprocedure van het Europees Parlement zullen worden goedgekeurd. Hierdoor zal de EU ambitieuzere doelstellingen kunnen formuleren en een proces in gang zetten dat nu in bepaalde lidstaten nog op weerstand stuit.

2.3

Met de ratificatie van het Verdrag van Lissabon, en het daarin opgenomen Handvest van de grondrechten, heeft de EU aanzienlijk meer taken en bevoegdheden erbij gekregen op het gebied van asielzaken. De uitbreiding van die bevoegdheden biedt meer mogelijkheden om de doelstellingen op het gebied van immigratie en asiel te verwezenlijken. Toch bestaat daarbij ook het gevaar dat de betrokken partijen de genomen besluiten niet steunen. Slaagt men er niet in om de spanningen en oneffenheden weg te nemen die inherent zijn aan zo'n heikel vraagstuk en die al bij de ontwikkeling van het beleid zichtbaar waren, dan komen de tot nu toe geboekte vorderingen wellicht in gevaar en ziet het er voor de toekomst somber uit.

2.4

Het programma van Stockholm is het resultaat van een raadpleging waarin de voorstellen uit het Europees pact inzake immigratie en asiel (2), de rapporten van de Future Group over interne en justitiële aangelegenheden (3) en de door de Commissie ontvangen bijdragen aan de openbare raadpleging „Vrijheid, veiligheid en recht: hoe ziet de toekomst eruit? Raadpleging over de prioriteiten voor de komende vijf jaar” (in september en november 2008) zijn overgenomen en uitgevoerd. In juni 2009 publiceerde de Commissie de mededeling „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger: meer vrijheid in een veiligere omgeving” (4), waarover het Comité een advies heeft uitgebracht (5).

2.5

Het idee van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) als onderdeel van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht vloeit voort uit het streven naar een effectieve tenuitvoerlegging van het Verdrag van Genève met betrekking tot de status van vluchtelingen (1951) en uit de waarden die ten grondslag liggen aan de mensenrechten en door alle lidstaten worden gedeeld. Met onder meer de goedkeuring van de vier instrumenten van het huidige acquis is er tussen 1999 en 2006 aanzienlijke vooruitgang geboekt. Richtlijn 2004/83/EG van de Raad (de „Kwalificatierichtlijn”) biedt gemeenschappelijke criteria waarmee kan worden bepaald wie er voor internationale bescherming in aanmerking komt. Ook voorziet de richtlijn in een minimaal niveau van ondersteuning aan beschermelingen in alle lidstaten. Op grond van het Haags programma en het programma van Stockholm moet de Europese Commissie de vooruitgang in de eerste fase evalueren en voor het einde van 2010 een reeks maatregelen voorleggen aan de Raad en het Europees Parlement.

2.6

Al sinds 2002 is het Comité betrokken bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Het heeft daartoe talrijke adviezen opgesteld over onder meer het Groenboek over het toekomstig gemeenschappelijk Europees asielstelsel (6) en het asielbeleidsplan (7).

2.7

In het asielbeleidsplan („Policy Plan on Asylum”) (8), dat op 17 juni 2008 werd goedgekeurd, stelt de Commissie voor om ter afronding van de tweede fase van het CEAS de beschermingsnormen op te trekken en ervoor te zorgen dat die consequent in de gehele EU worden toegepast. In het Europees pact inzake immigratie en asiel, dat op 17 oktober 2008 door de Raad is goedgekeurd, wordt nogmaals steun uitgesproken voor dit beleid en de geformuleerde doelstellingen. De in het beleidsplan voorgestelde herziening van de Kwalificatierichtlijn is onderdeel van een breder pakket aan maatregelen, zoals de herziening van de Dublin- en de Eurodac-verordening en de Richtlijn opvangvoorzieningen (9), en het op 19 februari 2009 goedgekeurde voorstel voor de oprichting van het Europees ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) (10). Tot de maatregelen behoort ook de versterking van de externe dimensie van het asielbeleid via onder meer een EU-programma voor hervestiging en ontwikkeling van regionale beschermingsprogramma's.

2.8

In aanloop naar het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie heeft de Belgische regering het Comité verzocht om een verkennend advies op te stellen over het asielvraagstuk. In de officiële raadplegingsbrief staat dat internationale bescherming van personen in risicosituaties een van de belangrijkste uitdagingen is voor de EU en de lidstaten. De afgelopen jaren is er onophoudelijk gewerkt aan de verwezenlijking van de voornaamste doelstelling, nl. de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees asielbeleid. Zo zijn er normen opgesteld op het gebied van internationale bescherming, taken geformuleerd en nieuwe instellingen opgericht. Desondanks deinzen veel lidstaten ervoor terug om de wetgeving en maatregelen daadwerkelijk te harmoniseren. Zonder steun van de lidstaten dreigt de wetgevende en institutionele eenwording in Europa inefficiënt en duur te worden. De lidstaten zien nog niet goed in wat de voordelen zijn van een gemeenschappelijk Europees asielbeleid en dragen ook nog niet echt hun verantwoordelijkheden.

2.9

Het Comité heeft op dit vlak constructieve voorstellen geformuleerd en is blij met de vooruitgang die in de EU en de lidstaten is geboekt. Het heeft zich openlijk uitgesproken voor de principes en waarden die de naleving van de fundamentele rechten van de mens bevorderen. Ook heeft het maatregelen voorgesteld om vluchtelingen die internationale bescherming genieten, te helpen zich persoonlijk en professioneel te ontplooien. Toch heeft het meerdere malen moeten wijzen op de beperkingen en inconsequenties in de ontwikkeling en uitvoering van het Europese beleid. De aanpassing van de maatregelen en instrumenten op dit terrein dient in overleg te gebeuren. Dit vereist een werkelijke dialoog tussen de lidstaten, de Europese instellingen, het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven en lokale gemeenschappen.

3.   Algemene opmerkingen

De toegevoegde waarde van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel voor asielzoekers en de lidstaten

3.1

Door de voordelen van het CEAS te onderstrepen bestaat er een gerede kans dat het vertrouwen van de betrokken partijen en meer in het bijzonder de lidstaten in de opbouw van zo'n stelsel wordt hersteld.

3.2

Het Comité kan zich vinden in de doelstellingen die de EU heeft geformuleerd met betrekking tot de vervolmaking van het CEAS. Wel wijst het op de kloof tussen de Europese doelstellingen en de praktijken in de lidstaten, die nog wel eens groter zou kunnen worden door de economische crisis en de sociale en politieke gevolgen daarvan.

3.3

Het gemeenschappelijk asielstelsel vereist een stevige verankering in een aantal gemeenschappelijke waarden en beginselen die ervoor zorgen dat de EU en de lidstaten in hun beleid de menselijke waardigheid en veiligheid centraal stellen.

3.4

Door de onevenredige druk waaraan de lidstaten staan blootgesteld en de verschillen in het aantal ingewilligde asielaanvragen, de hoeveelheid aangevochten beslissingen en de omvang van de secundaire bewegingen, wordt het impliciete solidariteitsbeginsel tussen de lidstaten niet nageleefd.

3.5

Met hun neiging om de harmonisatie van de wetgeving en maatregelen in eigen land te beperken ondermijnen de lidstaten de grondslagen van het CEAS. Harmonisatie is geen sta-in-de-weg voor het asielbeleid, maar juist het belangrijkste instrument om de voordelen van het CEAS tastbaar te maken. Harmonisatie zal de bestuurlijke en financiële druk op de lidstaten wegnemen en er bovendien voor zorgen dat asielzoekers, in ieder geval in de beginfase, meer bescherming krijgen. Om de verwachte resultaten te kunnen boeken mag harmonisatie niet gebaseerd zijn op de kleinste gemene deler op het gebied van bescherming.

3.6

De wijze waarop internationale bescherming wordt ingevuld, is een heikel punt in het asielbeleid. De lidstaten verschillen op dit vlak onderling veel meer dan op het punt van de procedures voor het verlenen van die bescherming. Door een ruimere invulling te geven aan bescherming, bijv. via erkenning van kwalificaties en toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt, kunnen personen die internationale bescherming genieten, hun persoonlijke welvaart en die van de gemeenschap helpen verbeteren.

3.7

Voor een bevredigende ondersteuning van het asielbeleid moeten de gespecialiseerde instellingen (met name Frontex en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken) over een helder mandaat beschikken, voldoende financiële middelen ontvangen om hun taken te kunnen vervullen en een transparante werkwijze hanteren, zodat de procedures worden nageleefd en de grondrechten van asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten, worden gerespecteerd. Financiële ondersteuning aan efficiënt werkende instellingen is de beste manier om te laten zien wat de voordelen zijn van een echt gemeenschappelijk asielbeleid.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Het Comité is van mening dat de verschillende aspecten van het asielbeleid nauw met elkaar samenhangen. De vraag of dat beleid al dan niet een succes wordt, hangt af van een aantal cruciale factoren, zoals de daadwerkelijke bescherming van mensenrechten, de solidariteit tussen lidstaten, de harmonisatie van de wetgeving en het beleid ter zake, de verbetering van de invulling van de bescherming en de daarmee samenhangende financiering van de Europese instellingen die verantwoordelijk zijn voor het asielbeleid. Het Comité pleit vooral voor herstel van het vertrouwen van het grote publiek, het maatschappelijk middenveld en de nationale regeringen in een gemeenschappelijk Europees asielbeleid. Dit kan worden bereikt door het beleid snel ten uitvoer te leggen en vooral door concrete resultaten te boeken bij proefmaatregelen.

Naleving van mensenrechten tijdens het hele traject naar internationale bescherming

4.2

Het Comité blijft erbij dat er op het gebied van internationale bescherming geen minimale, maar gemeenschappelijke normen moeten komen (11). Deze normen moeten ervoor zorgen dat de grondrechten van personen die internationale bescherming vragen, meer worden gerespecteerd dankzij:

garanties voor toegang tot het grondgebied;

de vrijheid om te kiezen waar het verzoek om asiel en bescherming wordt geformuleerd;

het eerste onderzoek van de verdragsrechtelijke status en vervolgens van het verzoek om subsidiaire bescherming (uitsluitend wanneer niet aan de voorwaarden voor de eerste status is voldaan);

een verbod op uitzetting wanneer het leven van verzoeker in het herkomstland of in het laatste doorgangsland in gevaar is;

de opschortende werking van een beroep tegen uitzetting zolang een dergelijk besluit niet door een bevoegde rechter is genomen, teneinde dit recht op beroep volledig te doen gelden, conform de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

speciale bescherming voor (vermeende) minderjarigen;

eerbiediging van de autonome rechten van personen, en met name van vrouwen, om een beschermingsverzoek in te dienen.

4.3

Het is van cruciaal belang dat asielzoekers zich tijdens de aanvraagprocedures in hun eigen taal kunnen uitdrukken en gedurende het hele traject kunnen rekenen op gratis juridische bijstand.

4.4

De weigering om iemand internationale bescherming te bieden dient met duidelijke redenen te worden omkleed. Ook moet de betreffende persoon worden geïnformeerd over de mogelijkheden voor het aantekenen van beroep en de daarvoor geldende termijnen. De uitzetting dient te allen tijde tot aan het einde van de beroepsprocedure te worden opgeschort (12).

4.5

Tot bewaring mag slechts worden overgegaan als alle alternatieven zijn uitgeput en alleen als een bevoegde rechter een uitspraak heeft gedaan met naleving van het recht op verdediging overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (13). Tegen genomen besluiten moet in beroep kunnen worden gegaan.

4.6

Het Comité wijst met name op de positie van vrouwen, die in vergelijking met mannen veel meer moeilijkheden ondervinden bij het aanvragen van asiel en het verkrijgen van de vluchtelingenstatus. Een ander probleem dat in het asielbeleid speelt, is dat van minderjarigen. Het Comité acht het van groot belang dat hun belangen op effectieve wijze worden behartigd en dat hun veiligheid wordt gewaarborgd.

4.7

Het is verontrustend dat nevenverschijnselen van immigratie en de opvang van asielzoekers, zoals mensenhandel en misbruik, onvoldoende in samenwerking met de lidstaten en derde landen, in het bijzonder de doorgangslanden, worden aangepakt. Landen die het Verdrag van Genève van 1951 niet hebben geratificeerd, kunnen op het gebied van asielbeleid geen partnerlanden van de EU zijn. Het succes van het asielbeleid staat of valt met een gedegen institutioneel akkoord met de doorgangslanden, die vaak een oogje toeknijpen als de rechten en veiligheid van personen in risicosituaties worden geschonden.

Meer solidariteit tussen de lidstaten op basis van gemeenschappelijke belangen en gedeelde verantwoordelijkheid

4.8

Vanwege de verschillen in vluchtelingenstromen neigen sommige lidstaten ertoe om strengere regels in te voeren voor de verlening van internationale bescherming. Via het gemeenschappelijk asielbeleid zouden deze lidstaten een effectieve ondersteuning moeten krijgen bij de behandeling van aanvragen en vooral bij de verbetering van de invulling van de bescherming. Het Comité gaat ermee akkoord dat er voor het verlenen van die ondersteuning een nieuwe procedure komt ter opschorting van Dublin-overdrachten naar een verantwoordelijke lidstaat die onder extra druk staat (14).

4.9

Er kleven allerlei voordelen aan intensivering van de samenwerking met lidstaten die aan zo'n extra druk worden blootgesteld. In de eerste plaats zullen de secundaire bewegingen tussen de lidstaten afnemen. Door een evenwichtigere verdeling van de asielaanvragen tussen de lidstaten kan het proces beter beheersbaar worden gemaakt en kan er worden gezorgd voor een betere integratie van personen die internationale bescherming genieten in de lidstaten.

Effectieve harmonisatie voor een betere bescherming van personen in risicosituaties

4.10

De behandeling van asielaanvragen is een bevoegdheid van de lidstaten, die hun nationale wetgeving onvoldoende hebben geharmoniseerd, waardoor er nog altijd verschillende gewoontes naast elkaar bestaan. Zo wordt de situatie in het herkomstland op verschillende manieren beoordeeld, ontbreekt het aan een gemeenschappelijke aanpak op Europees niveau, is de bestuurlijke slagkracht niet overal dezelfde en is er geografisch gezien een ongelijke verdeling van het aantal aanvragen om internationale bescherming. Het gevolg is dat de lidstaten lang niet allemaal hetzelfde niveau van bescherming bieden en er dus geen einde komt aan de secundaire bewegingen van vluchtelingen binnen de EU (15).

4.11

Het is noodzakelijk dat asielaanvragen met behulp van een gemeenschappelijke databank kunnen worden geanalyseerd. Het Comité heeft reeds meerdere malen gepleit voor de afschaffing van de lijsten van „veilige” landen. In plaats daarvan zou er een systeem moeten komen waarbij de risico's in derde landen zowel afzonderlijk als op communautair niveau „in real time” worden beoordeeld. De bedoeling is dat het EASO deze taak op zich neemt. Voor het gemeenschappelijk beoordelingssysteem moet gebruik worden gemaakt van een aantal gemeenschappelijke definities voor onder meer „actoren van bescherming” en „binnenlandse bescherming”.

4.12

Het Comité denkt dat niet-statelijke actoren van bescherming nuttige diensten kunnen verlenen, die op korte termijn soms zelfs onmisbaar kunnen zijn, vooral als het gaat om de aanpak van humanitaire problemen. De bescherming van personen op een bepaald grondgebied is echter louter een taak van overheidsinstanties en mag in geen geval, zelfs niet gedeeltelijk, aan deze actoren worden toevertrouwd. Er kan eigenlijk alleen worden gesproken van binnenlandse bescherming als het grondgebied voor het merendeel wordt gecontroleerd door een centrale overheid die bereid en in staat is om intern de orde te handhaven, om een minimaal niveau van openbare voorzieningen te bieden en om de rechten en veiligheid van individuele burgers voldoende te beschermen.

4.13

Het is goed dat men vanuit inhoudelijk oogpunt de twee bestaande beschermingsstatussen (vluchtelingen en personen die subsidiaire bescherming zoeken) door één status wil vervangen. Het EESC heeft dit reeds meerdere malen bepleit, aangezien dit een manier is om personen in risicosituaties in de toekomst meer bescherming te bieden en beter te laten integreren in de lidstaten. Bovendien hoeft samenvoeging van de twee statussen niet direct of indirect te leiden tot een verslechtering van het niveau en de invulling van de bescherming (16). Die zal er juist op vooruitgaan.

4.14

Het feit dat de coördinatie van het asielbeleid nu in handen is van de nationale regeringen, betekent niet dat er moet worden overgestapt op een geheel andere aanpak. Sommige lidstaten (zoals Nederland en Zweden) hebben op dit vlak een aantal goede praktijken ontwikkeld die andere lidstaten tot overeenkomstige maatregelen zouden kunnen inspireren. De betekenis van goede praktijken wordt onderschat. Ze kunnen als voorbeeld dienen voor de uitvoering van het asielbeleid en de kosten van experimenten op nationaal niveau helpen terugdringen.

Een betere invulling van internationale bescherming

4.15

De nationale maatregelen en programma's op dit terrein lopen zeer uiteen, hoewel deze intuïtieve bewering nog niet met een uigebreide analyse in de lidstaten kan worden gestaafd. Zolang proactieve maatregelen ontbreken, zal het verlenen van internationale bescherming een dode letter blijven en worden degenen die deze status genieten, eigenlijk gediscrimineerd. Vakbonden en werkgeversorganisaties zouden moeten worden betrokken bij de uitwerking en uitvoering van het asielbeleid op nationaal niveau.

4.16

Het is goed dat er bepalingen worden opgenomen inzake de erkenning/gelijkstelling van diploma's en kwalificaties en de vereenvoudiging van de toegang van personen die internationale bescherming genieten tot beroepsopleidingen (17). Dit zijn immers belangrijke stappen op weg naar hun economische en maatschappelijke integratie en naar een betere kwaliteit van leven. De toegang tot de arbeidsmarkt moet worden verbeterd door een actief antidiscriminatiebeleid en door stimuleringsmaatregelen voor het bedrijfsleven.

Een grotere rol en meer financiële middelen voor de met asielbeleid belaste organen

4.17

Het Comité vindt dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken zo snel mogelijk operationeel moet worden. Het moet over voldoende middelen beschikken om zijn vanuit logistiek oogpunt complexe en intensieve activiteiten te kunnen ontplooien. Het moet bijvoorbeeld snel werk maken van de ontwikkeling van het gemeenschappelijk Europees systeem voor de beoordeling van risico's in derde landen, dat een belangrijk onderdeel is van het asielbeleid. Met een passende financiering zou het bureau de voordelen van gemeenschappelijke instellingen en procedures op Europees niveau onder de aandacht kunnen brengen. Het bureau dient samen te werken met andere EU-organen en vooral met de regeringen van de lidstaten.

4.18

Er moet nog eens goed worden gekeken naar de financiering van de verschillende aspecten van het asielbeleid. Er moet niet alleen meer geld beschikbaar worden gesteld, maar het geld moet ook worden besteed aan instrumenten waarmee optimale resultaten kunnen worden geboekt en waarmee daadwerkelijk steun kan worden verleend aan de lidstaten. Solidariteit heeft ook een financieel aspect, dat niet over het hoofd mag worden gezien. Het Europees Vluchtelingenfonds moet het bijvoorbeeld doen met een begroting van circa 5 miljoen euro, hetgeen is veel te weinig is om zinvolle ondersteuning te bieden bij de communautaire en nationale tenuitvoerlegging van het asielbeleid.

4.19

Het Comité is bezorgd over een aantal praktijken waaraan nationale regeringen en het agentschap Frontex zich schuldig maken bij de uitzetting van personen die wellicht internationale bescherming nodig hebben (18). Dergelijke acties, die steeds vaker en op steeds grotere schaal voorkomen, moeten op volledig transparante en verantwoorde wijze plaatsvinden (19). Frontex zou moeten samenwerken met het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken om schending van de mensenrechten te voorkomen. Het uitzetten van personen naar landen of gebieden die voor hen onveilig zijn, is duidelijk in strijd met het non-refoulementbeginsel.

4.20

Het Comité acht (20) opleiding van gespecialiseerde medewerkers van Frontex noodzakelijk voor de verbetering van:

de coördinatie van de operationele samenwerking tussen de lidstaten;

de vaststelling van gemeenschappelijke normen op het gebied van scholing;

de steun aan lidstaten bij het organiseren van opvang- en repatriëringsmaatregelen, met behulp van culturele bemiddelaars;

de voorbereiding van functionarissen op het gebied van het Europees asielrecht.

4.21

De uitbreiding van het takenpakket van de instellingen op asielgebied dient gepaard te gaan met een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de besluitvorming over en de tenuitvoerlegging van het asielbeleid. Dit zal de geloofwaardigheid van het gemeenschappelijk beleid ten goede komen en zorgen voor een blijvende verbetering van de gebruikte instrumenten.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Een voorbeeld is het risico in verband met de achteruitgang van het milieu en de daarmee gepaard gaande conflicten.

(2)  Europees Pact inzake immigratie en asiel, Raad van de Europese Unie, Brussel, 13440/08, 24 september 2008.

(3)  Rapport van de groep over het toekomstige interne-veiligheidsbeleid (The Future Group), „Freedom, Security, Privacy: European Home Affaris in an Open World” (Vrijheid, veiligheid, privacy: Europees binnenlands beleid in een open wereld), juni 2008.

(4)  COM(2009) 262.

(5)  PB C 128 van 18.5.2010, blz. 80.

(6)  PB C 204 van 9.8.2008, blz. 77.

(7)  PB C 218 van 11.9.2009, blz. 78.

(8)  COM(2008) 360 final.

(9)  COM(2008) 815 final; COM(2008) 820 final; COM(2008) 825 final.

(10)  COM(2009) 66 final.

(11)  PB C 204 van 9.8.2008, blz. 77, en PB C 218 van 11.9.2009, blz. 78.

(12)  Zie het EESC-advies van 28 april 2010 over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming (herschikking), COM(2009) 554 final 2009/0165 (COD), van rapporteur de heer Pezzini.

(13)  PB C 317 van 23.12.2009, blz. 110.

(14)  PB C 317 van 23.12.2009, blz. 115.

(15)  PB C 218 van 11.9.2009.

(16)  EESC-advies van 28 april 2010 over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, en de inhoud van de verleende bescherming (herschikking), COM(2009) 551 final/2 – 2009/0164 (COD), van rapporteur de heer Pîrvulescu.

(17)  Idem.

(18)  Zie het rapport „Pushed Back, Pushed Around Italy's Forced Return of Boat Migrants and Asylum Seekers, Libya's Mistreatment of Migrants and Asylum Seekers” (Gesol en gesleep: de door Italië teruggestuurde en door Libië mishandelde bootvluchtelingen en asielzoekers), HRW 2009.

(19)  Het EESC is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de tenuitvoerlegging van de procedures op dit terrein transparanter te maken.

(20)  Zie het EESC-advies van 28 april 2010 over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming (herschikking), COM(2009) 554 final 2009/0165 (COD), van rapporteur de heer Pezzini.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/23


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De open coördinatiemethode en de sociale clausule in het kader van de Europa 2020-strategie” (verkennend advies)

2011/C 44/04

Algemeen rapporteur: Jan OLSSON

Laurette Onkelinx, Belgisch vice-premier en minister van Sociale zaken en Volksgezondheid, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) in een brief d.d. 28 april 2010, overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), namens het komende Belgische EU-voorzitterschap om een verkennend advies verzocht over

De open coördinatiemethode en de sociale clausule in het kader van de Europa 2020-strategie.

Het bureau van het EESC heeft de gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap op 25 mei 2010 opgedragen om dit verkennende advies voor te bereiden.

Gezien het spoedeisende karakter van deze werkzaamheden heeft het EESC tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 15 juli 2010) Jan Olsson als algemeen rapporteur aangewezen en onderstaand advies uitgebracht, dat met 61 stemmen vóór en geen stemmen tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met het initiatief van het Belgische EU-voorzitterschap om de horizontale sociale clausule te benutten en een versterkte open coördinatiemethode (hierna: OCM) toe te passen, omdat hieruit kan worden afgeleid dat het streven naar sociale samenhang gelijke tred moet houden met inspanningen om het economische beleid beter te coördineren, zodat alle doelstellingen van de Europa 2020-strategie kunnen worden verwezenlijkt.

1.2

De horizontale sociale clausule en de OCM kunnen echter alleen doeltreffend worden toegepast als het maatschappelijk middenveld daar daadwerkelijk in alle stadia en op alle bestuursniveaus bij wordt betrokken. De Commissie zou ieder jaar een governance-verslag over die participatie moeten opstellen. Het EESC zou de Commissie daarbij kunnen helpen en stelt voor dat middelen uit het PROGRESS-programma beschikbaar worden gesteld voor proefprojecten op het gebied van participatie. Ook suggereert het om een code van meest geslaagde methoden uit te werken in het streven naar participatieve governance bij de toepassing van de OCM.

1.3

Er is dringend behoefte aan coördinatie met aandacht voor de wisselwerking tussen doelstellingen en beleidsmaatregelen. Dit zou het overkoepelende richtsnoer moeten zijn waarvan steeds wordt uitgegaan bij de toepassing van de sociale clausule en de OCM. De Commissie zou leiding moeten geven aan deze coördinatie en daarin moeten worden geassisteerd door het comité voor sociale bescherming (hierna: SPC) en het comité voor werkgelegenheid (hierna: EMCO). Voornoemde comités zouden voortaan vertegenwoordigers van externe belanghebbenden moeten toelaten.

1.4

De toepassing van de horizontale sociale clausule moet effect sorteren. Er zouden t.a.v. alle geïntegreerde richtsnoeren voor werkgelegenheid en economisch beleid sociale-effectbeoordelingen moeten worden opgesteld, die openbaar worden gemaakt en worden meegenomen bij de toepassing van de OCM. Bij die sociale-effectbeoordelingen moet vooral worden gekeken naar consequenties voor de werkgelegenheid, het aantal mensen dat in armoede leeft en de sociale risico's.

1.5

Het EESC is voorstander van een versterkte OCM, omdat werkgelegenheid, sociale bescherming en maatschappelijke integratie dan niet het ondergeschoven kind van de huidige crisis worden. De toepassing van de OCM zou lokaler moeten worden en aan doelgerichte acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds moeten worden gerelateerd. Wederzijdse beoordelingen (peer reviews) op grond van wat lidstaten van elkaar kunnen leren, zouden nationale routekaarten voor maatschappelijke samenhang moeten opleveren. Bij de indicatoren die worden gebruikt, zou vooral ook moeten worden gekeken naar kwalitatieve welzijnscriteria. Alhoewel het EESC het Europees Platform tegen armoede steunt, is het van mening dat de toepassing van de OCM en van de horizontale sociale clausule ook kan bijdragen aan de opzet van andere kerninitiatieven.

2.   Achtergrond

2.1

Het Belgische EU-voorzitterschap heeft het EESC verzocht om een verkennend advies waarin antwoord wordt gegeven op de volgende vragen: Hoe kan met behulp van de Europa 2020-strategie en een versterkte OCM de maatschappelijke samenhang in Europa worden bevorderd? Welke praktische rol kan de horizontale sociale clausule spelen voor de sociale dimensie van het EU-beleid? Hoe kan aan die praktische rol invulling worden gegeven?

2.2

Dit verkennend advies zal worden gebruikt voor de conferentie die het Belgische EU-voorzitterschap op 14 en 15 september a.s. over „EU-coördinatie op sociaal gebied in de context van de Europa 2020-strategie” zal houden.

2.3

De Commissie benadrukt in haar Mededeling over de Europa 2020-strategie dat inspraak moet worden gegeven aan de sociale partners en maatschappelijk organisaties op alle niveaus. Zo stelt zij dat „ook het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’ssterker bij Europa 2020 (moeten) worden betrokken”.

2.4

De Europese Raad heeft op 17 juni jl. overeenstemming bereikt over vijf „kerndoelen” voor de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie (arbeidsparticipatie, O&O, broeikasgassen, onderwijs en maatschappelijke integratie) en stelde daarbij vast dat deze doelstellingen onderling zijn verweven en elkaar versterken. De basis voor een „krachtigere economische governance” is gelegd doordat prioriteit is gegeven aan de „versterking van de coördinatie van het economisch beleid”. Voorwaarde voor de succesvolle verwezenlijking van de kerndoelen is dat er doeltreffende regelingen zijn om er toezicht op te houden. Verder komt de Europese Raad overeen om „20 miljoen mensen een uitweg uit het risico op armoede … te bieden”, terwijl het de lidstaten vrij blijft staan om nationale streefdoelen vast te leggen t.a.v. ten minste één van de volgende drie indicatoren: risico op armoede, materiële deprivatie en werkloze huishoudens.

2.5

De Europa 2020-strategie bestaat uit een mix van EU- en nationale maatregelen voor een „slimme, duurzame en inclusieve groei”. De vijf kerndoelen worden geruggensteund door tien geïntegreerde richtsnoeren voor werkgelegenheid en economisch beleid en de bedoeling is dat er zeven kerninitiatieven worden gelanceerd. De lidstaten zullen op de nationale omstandigheden afgestemde nationale streefdoelen en uitvoeringsbepalingen vastleggen en nationale hervormingsprogramma's uitwerken.

2.6

In de in het VWEU (Verdrag van Lissabon) opgenomen horizontale sociale clausule staat dat de EU „Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden … rekening (houdt) met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid.

2.7

Deze horizontale sociale clausule sluit aan bij de andere horizontale bepalingen van het VWEU: gendergelijkheid (artikelen 8 en 10), milieubescherming (artikel 11) en consumentenbescherming (artikel 12) - artikelen die zijn ingevoerd met het Verdrag van Amsterdam – en het artikel tegen discrìminatie dat onderdeel was van het Verdrag van Lissabon.

2.8

De OCM maakte deel uit van het instrumentarium van de strategie van Lissabon van 2000. Kort gezegd houdt dit model in dat de Raad doelstellingen vastlegt, waarna de lidstaten op grond daarvan actie- en hervormingsplannen uitwerken, terwijl de gemaakte vorderingen worden gemeten aan de hand van benchmarking, indicatoren, peer reviews en de uitwisseling van meest geslaagde methoden (best practices). Voor bepaalde beleidsterreinen van het Verdrag van Lissabon heeft dit OCM-model ook een rechtsgrondslag (artikelen 149, 153, 156, 168, 173 en 181 van het VWEU).

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Europa werkt toe naar meer coördinatie van het economische beleid om de huidige ernstige sociaal-economische crisis te overwinnen. Volgens het EESC moet sociale vooruitgang gelijke tred houden met economische hervormingen, omdat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie anders onmogelijk allemaal kunnen worden verwezenlijkt. Daarom moeten de economische, sociale en milieudimensies van deze strategie beslist met elkaar in verband worden gebracht. Geïntegreerd beleid waarvan de diverse onderdelen elkaar versterken, vergen de consolidering, coördinatie en versterking van alle instrumenten.

3.2

Tegen deze achtergrond juicht het EESC toe dat het Belgische EU-voorzitterschap het zwaartepunt legt bij de horizontale sociale clausule en een versterkte OCM als middelen om governance en maatschappelijke samenhang op de voorgrond te laten treden. Governance en maatschappelijke samenhang moeten voor lange tijd de voornaamste aandachtspunten blijven. Het EESC dringt er bij de Hongaarse regering op aan om hier ook voorrang aan te geven tijdens het komende Hongaarse EU-voorzitterschap.

3.3

Belangrijk is echter ook dat de bepalingen van het Handvest van grondrechten in aanmerking worden genomen bij de consolidering van beleidsinstrumenten die bedoeld zijn om sociale vooruitgang te bewerkstelligen.

3.4

Het EESC heeft altijd al benadrukt dat governance zonder echte participatie van burgers en maatschappelijke organisaties, op alle niveaus en in alle stadia, een wassen neus is. Er moet met de sociale partners en andere belanghebbende partijen overeenstemming worden bereikt over sociaal-economische hervormingen, omdat de kans dat de kerndoelstellingen kunnen worden verwezenlijkt, dan alleen maar groter wordt.

3.5

De sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld moeten beslist nauw worden betrokken bij de vaststelling van de nationale streefcijfers en hervormingsprogramma's, de toepassing van de horizontale sociale clausule en de versterking van de OCM. De meningen van maatschappelijke organisaties moeten ook meewegen als de Commissie en de Raad streefdoelen vaststellen en nagaan hoeveel vooruitgang er al is geboekt.

3.6

De Europa 2020-strategie moet worden toegepast op nationaal, regionaal én lokaal bestuursniveau. Bij de uitstippeling en tenuitvoerlegging van sociale beleidsmaatregelen van de EU moeten „top down”-initiatieven van de EU in wisselwerking staan met een „bottom up”-benadering. Daarom moeten maatschappelijke organisaties echte en doeltreffende samenwerkingsverbanden aangaan met lokale en regionale overheden/parlementen: samen kunnen dan regionale streefdoelen worden vastgesteld en geschikte beleidsmaatregelen worden uitgewerkt. Die benadering strookt ook met een doeltreffende toepassing van het partnerschapsbeginsel dat voortaan van kracht zou moeten worden t.a.v. het gebruik en de toewijzing van de middelen van de structuurfondsen, waarbij profijt wordt getrokken van de synergie tussen de Europa 2020-strategie en het Europees Sociaal Fonds (1).

3.7

Het EESC pleit ook voor actieve betrokkenheid van nationale SER's en aanverwante organisaties.

3.8

De Commissie zou verder, samen met het jaarlijkse voortgangsverslag over de nationale hervormingsprogramma's, een „governance-verslag” moeten uitbrengen over participatieve governance in het kader van de toepassing van de OCM en de horizontale sociale clausule. Het Europees Parlement, het EESC en het Comité van de Regio's zouden over dit governance-verslag moeten worden geraadpleegd. Het EESC zou gebruik kunnen maken van zijn netwerk van SER's en aanverwante organisaties om toe te zien op de mate waarin het maatschappelijk middenveld bij een en ander wordt betrokken. Het zou zelfs eigen rapporten kunnen uitbrengen.

3.9

Er is dringend behoefte aan coördinatie met aandacht voor de wisselwerking tussen de kerndoelen, de geïntegreerde richtsnoeren en de kerninitiatieven. Voor de Commissie is de belangrijke strategische rol weggelegd van „coördinatie-coördinator”. De geïntegreerde richtsnoeren zouden echt „geïntegreerd” moeten zijn, in de ware betekenis van het woord, nl. dat alle beleidsmaatregelen samenhang moeten vertonen en op alle streefdoelen moeten zijn gericht. Integratie in die zin moet het overkoepelende richtsnoer zijn bij de invoering van regelingen om de horizontale sociale clausule toe te passen en de OCM te versterken. Het verband tussen beide instrumenten zou kunnen worden versterkt door bij de OCM gebruik te maken van de resultaten die bij de toepassing van de horizontale sociale clausule worden bereikt.

3.10

Het EESC steunt dan ook tot op grote hoogte de suggesties die het SPC op 21 mei jl. in zijn bijdrage aan de nieuwe Europese strategie heeft gedaan (2). Het SPC wil dat de horizontale sociale clausule in de preambule van de richtsnoeren voor het economische beleid wordt opgenomen en voert aan dat de geïntegreerde visie van de Europa 2020-strategie met zich mee brengt dat er behoefte is aan een thematische beoordeling en een voortgangsverslag over de sociale dimensie ervan.

3.11

Het EESC vindt dat SPC en EMCO uitstekend werk verrichten en meer invloed moeten krijgen als de instrumenten inzake de sociale dimensie eenmaal zijn versterkt. Verder suggereert het EESC dat niet alleen regeringen in die comités vertegenwoordigd zouden moeten zijn, maar ook de sociale partners en andere relevante maatschappelijke organisaties. Ook zouden SPC en EMCO vaker bijeen moeten komen met vertegenwoordigers van de betrokken partijen op zowel Europees als nationaal niveau. Bovendien behoort het tot de taken van de vertegenwoordigers van de lidstaten die zitting hebben in SPC en EMCO, om in hun land overleg met de sociale partners en andere relevante maatschappelijke organisaties te organiseren en daaraan deel te nemen.

3.12

Het EESC steunt het voorstel van de Commissie om communicatiemiddelen uit te werken waardoor burgers, werknemers, ondernemingen en hun representatieve organisaties inspraak wordt gegeven. Het initiatief van de Commissie om de maatschappelijke realiteit in de EU in kaart te brengen, kan dienen als één model; die exercitie zou meer op vaste basis kunnen worden georganiseerd, ook op lokaal niveau. Dat neemt niet weg dat de sociale partners en maatschappelijk organisaties zelf ook moeten komen met initiatieven voor de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de horizontale sociale clausule en de OCM. Daarom stelt het EESC voor dat proefprojecten op dit gebied met middelen uit het PROGRESS-programma worden gefinancierd.

4.   Specifieke opmerkingen over de horizontale sociale clausule

4.1

De effecten van de ruim tien jaar geleden in het Verdrag vastgelegde horizontale clausules inzake milieubescherming, gendergelijkheid en consumentenbescherming zijn in eerste instantie van informele aard.

4.2

Sociale-effectbeoordelingen maken volgens het EESC onlosmakelijk deel uit van de monitoring van de Europa 2020-strategie. Via die beoordelingen zouden doeltreffende regelingen in het leven moeten worden geroepen waardoor sociale risico's kunnen worden geëvalueerd. De resultaten van deze sociale-effectbeoordelingen zouden moeten worden gepubliceerd en in het openbaar moeten kunnen worden besproken. Belangrijk is vooral dat wordt gekeken naar de consequenties voor de werkgelegenheid en voor het aantal mensen dat in armoede dreigt te vervallen.

4.3

De Commissie moet haar verantwoordelijkheid nemen, daarin geassisteerd door het SPC en het EMCO. De Europese sociale partners en andere sleutelorganisaties moeten hier actief bij worden betrokken. Hun opvattingen moeten als bijlage bij de sociale-effectbeoordelingen worden gevoegd. De Commissie heeft met de geïntegreerde effectbeoordeling weliswaar al geregeld dat sociale effecten worden beoordeeld, maar is nog niet erg ver gevorderd als het gaat om de zichtbaarheid en het gebruik van die systemen.

4.4

Economisch beleid en begrotingsconsolidering moeten beslist tot meer werkgelegenheid, minder armen en betere sociale rechten leiden. Daarom moeten sociale-effectbeoordelingen met name betrekking hebben op alle tien geïntegreerde richtsnoeren voor werkgelegenheid en economisch beleid. Zonodig moeten echter ook andere maatregelen die worden genomen om de vijf kerndoelen te verwezenlijken, worden geëvalueerd.

4.5

Ook de lidstaten en regio's moeten sociale-effectbeoordelingen uitvoeren.

4.6

Op zijn laatst eind december 2010 moet er een eerste verslag zijn uitgebracht. Dat verslag moet worden verwerkt in het eerste jaarlijkse tussentijdse verslag over de toepassing van de Europa 2020-strategie.

5.   Specifieke opmerkingen over de OCM

5.1

Het EESC heeft dikwijls kritiek gehad op de OCM, omdat de verhoopte resultaten zijn uitgebleven. De OCM werkt niet en is onbekend in de lidstaten. De sociale partners en andere maatschappelijke organisaties worden er onvoldoende bij betrokken.

5.2

Toch konden ook verbeteringen worden vastgesteld, met name op het gebied van maatschappelijke integratie, en het EESC heeft inmiddels in meerdere adviezen met klem aangedrongen op de toepassing van de OCM op nieuwe beleidsterreinen (gezondheidszorg, jongerenbeleid, demografische ontwikkelingen, immigratie en asielrecht e.d.).

5.3

Het EESC is er vast van overtuigd dat de OCM in de huidige crisis kracht moet worden bijgezet om te voorkomen dat sociale bescherming en het beleid voor maatschappelijke integratie op een zijspoor worden gezet.

5.4

Het EESC staat volledig achter de oprichting van het Europees Platform tegen Armoede, waarvan een instrument moet worden gemaakt dat bedrijven, werknemers en de burgers in het algemeen prikkelt om praktische maatregelen tegen maatschappelijke uitsluiting te nemen. Dit platform en de OCM zullen elkaars werking alleen maar versterken. Toch vindt het EESC dat de OCM ook kan bijdragen aan de verwezenlijking van andere kerninitiatieven, vooral in combinatie met de in het kader van de horizontale clausule uitgevoerde sociale-effectbeoordelingen.

5.5

Het EESC heeft voorgesteld om de OCM kracht bij te zetten door voor alle lidstaten verplichte doelstellingen voor de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie vast te leggen. Die opvatting is terug te vinden in meerdere adviezen, zoals in het onlangs uitgebracht advies over de werkgelegenheidsrichtsnoeren (3). In dat laatste advies wordt gepleit voor ambitieuzere en beter meetbare doelstellingen voor werkgelegenheid, onderwijs en maatschappelijke integratie, gesteund door een betere beleidscoördinatie. Ook staat het EESC volledig achter de oproep van zijn Tweejaarlijkse Conferentie in Florence om in de Europa 2020-strategie specifieke indicatoren op te nemen waarmee kan worden nagegaan in hoeverre vroegtijdig onderwijs het risico verkleint op maatschappelijke uitsluiting in het latere leven.

5.6

Daarbij tekent het EESC echter wel aan dat het de lidstaten vrijstaat om zelf de meest geschikte indicatoren te kiezen (zie par. 2.4), met als implicatie dat alle relevante indicatoren bij de toepassing van de OCM moeten worden gebenchmarked. Het mag niet zo zijn dat lidstaten kerndoelstellingen kunnen ontlopen. Geen enkele lidstaat kan de ogen sluiten voor het aantal mensen dat in armoede dreigt te vervallen, zoals blijkt uit de dienovereenkomstige inkomens-indicator (4). Ook zou de inspiratiebron voor de nationale doelstellingen een echte participatieve dialoog met de belanghebbenden moeten zijn.

5.7

De lidstaten moeten volgens het EESC meer prikkels krijgen om hun verplichtingen na te komen, bijvoorbeeld doordat een duidelijke koppeling wordt gelegd met toewijzingen via het ESF. Een dergelijke benadering wordt nog sterker onderbouwd als het zwaartepunt in de operationele programma's van dat fonds nog meer dan nu bij maatschappelijke integratie wordt gelegd. Dit streven zou moeten worden ondersteund door efficiënte samenwerking met de sociale partners en maatschappelijke organisaties.

5.8

De OCM moet meer op de lokale realiteit worden gericht („go local”): samen met de plaatselijke overheden en organisaties moeten er lokale en regionale actieplannen worden uitgewerkt. Zo wordt vormgegeven aan een participatieve bottom up-benadering en de coördinatie van partners en beleid, ook met middelen uit de structuurfondsen. Door de OCM op die manier te decentraliseren, wordt beleidsintegratie meer op de voorgrond geplaatst, wat hard nodig is.

5.9

Het is volgens het EESC van het allergrootste belang dat participatieve governance bij de toepassing van de OCM wordt gebenchmarked, vooral als het gaat om de participatie van maatschappelijke organisaties. Benchmarking kan in de vorm van indicatoren, wederzijdse beoordelingen (peer reviews), exercities om van elkaar te leren en de uitwisseling van geslaagde methoden (best practices). Commissie en SPC zouden daartoe samen – en in overleg met de voornaamste Europese belanghebbenden - een code van geslaagde methoden kunnen opstellen. Deze code zou op de volgende criteria kunnen worden gebaseerd (5):

opzet van de dialoog:

alle relevante belanghebbenden moeten eraan deelnemen;

de aard van de dialoog, d.w.z. dat echte participatie moet worden aangemoedigd. Een dialoog moet meer zijn dan alleen maar voorlichting en raadpleging;

lokale en regionale overheden moeten erbij worden betrokken door middel van participatieve actieplannen e.d.;

ook nationale SER's moeten erbij worden betrokken;

belanghebbenden moeten op tijd worden betrokken bij alle stadia van de beleidsvorming

de uitkomst van de dialoog moet worden gedocumenteerd;

er moeten nationale/regionale streefcijfers worden vastgelegd;

er moeten indicatoren met een follow up worden vastgelegd;

belanghebbenden moeten deelnemen aan peer reviews, exercities om van elkaar te leren en de uitwisseling van geslaagde methoden;

belanghebbenden moeten meewerken aan praktische maatregelen ten gunste van werkgelegenheid en maatschappelijke integratie.

5.10

Voorstellen op grond van „gemeenschappelijke beginselen” zouden ondubbelzinnig moeten worden gekoppeld aan de OCM. Die „gemeenschappelijke beginselen” zijn aanbevelingen aan de lidstaten die bijvoorbeeld zijn gedaan in het kader van het EU-beleid inzake de thematische strategieën betreffende flexizekerheid, actieve integratie en actief oud worden.

5.11

Op den duur moet de toepassing van de OCM leiden tot het gebruik van andere instrumenten zoals „versterkte samenwerking” tussen de lidstaten of gebruikmaking van de communautaire methode.

5.12

De indicatoren moeten over méér dan alleen maar economische prestaties gaan: zoals de Stiglitz-commissie (6) bepleit, moeten er ook indicatoren inzake maatschappelijk welzijn worden vastgelegd. Eerder al heeft het EESC gewezen op kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren van sociaal beleid zoals gendergelijkheid, werkgelegenheid voor jongeren, „werkende armen”, mensen met een handicap, kwaliteitsbanen, armoede onder kinderen en jongeren, inkomensverdeling, stelsels voor minimale inkomens en inkomsten en toegang tot gezondheidszorg en sociale dienstverlening. Ook is een praktische indicator voorgesteld voor de kwaliteit van het bestaan op zes verschillende gebieden (7). Verder zijn er kwalitatieve indicatoren voorgesteld om kwaliteit en toegankelijkheid te meten in relatie tot de verwachtingen van de burgers en tot gebruikersbetrokkenheid en -vriendelijkheid.

5.13

Het EESC benadrukt nogmaals dat belanghebbenden moet worden gevraagd om mee te werken aan de uitwerking en beoordeling van de op Europees, nationaal en regionaal niveau vast te leggen indicatoren.

5.14

Belangrijk is ook dat de lidstaten verslag uitbrengen van de vorderingen die met elke afzonderlijke doelstelling worden gemaakt, met gebruikmaking van Europese indicatoren die onderling vergelijkbaar zijn, en ook kunnen worden aangepast. Op die manier kan een „ranglijst” worden opgesteld, zoals in het Kok-verslag is gesuggereerd (8), en kan een diagnose worden gesteld op grond waarvan nationale en lokale actoren de nodige verbeteringen kunnen doorvoeren en/of hun eigen gedrag kunnen bijsturen.

5.15

Efficiënte systemen om van elkaar te leren, geslaagde methoden uit te wisselen en niet-wettelijke maatregelen te benutten, moeten een zaak zijn van besluitvormers op alle bestuursniveaus. De sociale partners en andere belanghebbende maatschappelijke organisaties beschikken over unieke kennis en hebben een schat aan ervaring met sociaal en arbeidsmarktbeleid opgedaan. Daarom moeten zij worden betrokken bij de opsporing en evaluatie van mogelijkheden om geslaagde methoden over te dragen, vooral als het gaat om innoverende maatregelen.

5.16

Wederzijdse beoordelingen (peer reviews) door lidstaten zouden sterker moeten worden onderbouwd door de sociale partners en andere relevante belanghebbenden hierbij te betrekken. Tussentijdse evaluaties op grond van wederzijds leren en best practices zouden moeten uitmonden in openbare aanbevelingen aan de lidstaten in de vorm van een routekaart voor maatschappelijke samenhang.

Brussel, 15 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  EESC-advies „Doelmatige samenwerking in het cohesiebeleid” (rapporteur: Olsson – ECO/258).

(2)  Raad 9964/10.

(3)  EESC-advies van 27 mei 2010 (algemeen rapporteur: Greif - CESE 763/2010).

(4)  Voor die indicator is de armoedegrens bepaald op minder dan 60 % van het middenkomen.

(5)  Zie o.m. „Coördinatie van EU-beleid na 2010: streven naar een nieuwe governance-structuur” door Jonathan Zeitlin.

(6)  Commissie voor de meting van economische prestaties en sociale vooruitgang.

(7)  Zie EESC-advies van 22-10-2008„Voorbij het BBP – maatstaven voor duurzame ontwikkeling” (rapporteur: Siecker) (PB C 100 van 30.4.2009, blz. 53-59).

(8)  Verslag van de door Wim Kok voorgezeten groep op hoog niveau van november 2004 „Facing the Challenge – The Lisbon Strategy for Growth and Employment” (De uitdaging oppakken – De Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid).


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/28


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De ontwikkeling van de sociale uitkeringen”

2011/C 44/05

Algemeen rapporteur: de heer VERBOVEN

Mevrouw Laurette ONKELINX, vice-eerste minister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité in naam van het toekomstige Belgische voorzitterschap en overeenkomstig artikel 304 van het VWEU op 29 april 2010 schriftelijk verzocht een verkennend advies op te stellen over het volgende onderwerp:

De ontwikkeling van de sociale uitkeringen

Op 25 mei 2010 heeft het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten de afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden te belasten.

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli 2010) de heer VERBOVEN als algemeen rapporteur aangewezen en vervolgens het volgende advies met 66 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 10 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC is verheugd dat aan de ontwikkeling van de sociale uitkeringen een speciale conferentie gewijd is binnen het Belgische voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie. Het Comité erkent dat sociale bescherming een belangrijk instrument is voor herverdeling, sociale samenhang en solidariteit en een centrale plaats moet innemen binnen het Europese project. Meer bepaald omvatten de sociale grondrechten het recht op een toereikende uitkering voor wie met bepaalde sociale risico's geconfronteerd wordt, alsook het recht op sociale bijstand en huisvestingssteun voor wie over onvoldoende middelen beschikt. Het EESC herinnert eraan dat het op 30 november 2009 een verklaring aangenomen heeft waarin het de Commissie vraagt een sociaal actieprogramma (1) uit te voeren dat evenveel respect garandeert voor sociale grondrechten als voor mededingingsregels en economische vrijheden.

1.2   Het EESC beklemtoont de rol van sociaal beleid als productiefactor. Het wijst er nogmaals op dat adequaat arbeidsmarkt- en sociaal beleid bijdraagt tot zowel sociale rechtvaardigheid als tot economische efficiëntie en productiviteit. De kern van het Europese sociale model ligt in een goede combinatie van economische efficiëntie en sociale vooruitgang (2). Of het Europese project bij de bevolking ingang zal vinden, zal afhangen van de efficiëntie van het beleid op dit vlak. Overigens mag men de belangrijke stabiliserende rol van sociale bescherming op de economie – in periodes van hoog- zowel als laagconjunctuur – niet onderschatten (3).

1.3   Door de huidige economische en sociale crisis is een ambitieuze Europese strategie voor de periode van nu tot 2020 noodzakelijker dan ooit. Deze nieuwe, door de Commissie gedefinieerde strategie (4) is onlangs goedgekeurd op de Europese Raad van 17 juni 2010 en zal in september formeel door het Parlement goedgekeurd worden. Ze betreft vier actieterreinen: kennis en innovatie, economische duurzaamheid, werkgelegenheid, sociale integratie. Het EESC onderschrijft deze multidimensionale aanpak die erop gericht is „slimme, duurzame en inclusieve groei” te ondersteunen, maar betreurt dat de aanbevelingen uit zijn vorig advies De Lissabonstrategie na 2010 op belangrijke punten niet opgevolgd zijn. Het is met name belangrijk „eigen richtsnoeren [te ontwikkelen] met meetbare doelstellingen voor een gelijke behandeling van man en vrouw in de strijd tegen arbeidsomstandigheden met gebrekkige sociale bescherming, bij de overstap naar een CO2-arme economie, armoedebestrijding (ook onder werknemers) en het voorkómen van sociale uitsluiting (bijv. passende steun in geval van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, alsook voor de toegang tot overheidsdiensten)” (5).

1.4   Het EESC stelt tevreden vast dat in de Europa 2020-strategie een speciaal richtsnoer is opgenomen ter bevordering van de sociale integratie en de armoedebestrijding, waarbij het engagement wordt aangegaan „ten minste 20 miljoen mensen een uitweg uit het risico op armoede en uitsluiting te bieden” (6). In 2010, uitgeroepen tot Europees Jaar van armoedebestrijding, is het absoluut noodzakelijk om maatregelen te nemen om iedereen die door armoede wordt getroffen, te helpen daaraan te ontsnappen.

1.5   De Raad is van mening dat een duurzame, kwalitatieve en behoorlijk betaalde baan de beste manier is om aan sociale uitsluiting te ontsnappen. Er moeten structurele maatregelen genomen worden om een arbeidsmarkt te creëren waar niemand uit de boot valt (7). Het EESC herinnert eraan dat er op 9 december 2009 in het kader van de sociale dialoog een kaderakkoord gesloten is voor een inclusieve arbeidsmarkt. In dit kaderakkoord bevestigen de sociale partners hun bereidheid om een inclusieve arbeidsmarkt te promoten, Europa's potentieel aan arbeidskracht maximaal te benutten, de werkgelegenheid te verhogen en de kwaliteit van de banen te verbeteren, met aandacht voor vorming en de ontwikkeling van vaardigheden.

1.6   Het EESC treedt het Europees Parlement bij in diens Resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (8), meer bepaald in de eerste overweging „dat actieve inclusie niet in de plaats mag komen van sociale inclusie, aangezien kwetsbare groepen die niet op de arbeidsmarkt kunnen participeren recht hebben op een waardig leven en een volwaardige participatie in de samenleving, en dat daarom iedereen over een minimuminkomen moet kunnen beschikken en toegang moet hebben tot betaalbare, hoogwaardige sociale voorzieningen, ongeacht of hij in staat is op de arbeidsmarkt te participeren”.

1.7   Het EESC herinnert er ook aan dat het in zijn advies van 12 juli 1989 over armoede (9) de invoering van een sociaal minimum heeft bepleit, dat tegelijk bedoeld is als vangnet voor de armen en als stimulans voor hun reïntegratie in de samenleving. Het betreurt dat aan dit advies, noch aan de Aanbeveling van de Raad van 24 juni 1992 inzake gemeenschappelijke criteria met betrekking tot toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming (10), tot op heden geen passend gevolg is gegeven. Volgens het EESC moet daarom overwogen worden geleidelijk aan tot een systeem van inkomenszekerheid en gegarandeerde sociale dienstverlening te komen, aan de hand van een nieuw instrument dat rekening houdt met de specifieke situatie van elke lidstaat en dat het nationale beleid inzake armoedebestrijding ook op een efficiëntere manier ondersteunt. In deze context is het belangrijk dat de terugdringing van de armoede als doelstelling in de Europa 2020-strategie opgenomen is.

1.8   Wat de sociale vervangingsinkomens betreft, wijst het EESC erop dat ze niet allemaal ter sprake komen in het overleg binnen de open coördinatiemethode (OCM) inzake sociale bescherming. Dit overleg is erop gericht om, door de vastlegging van doelstellingen en gemeenschappelijke indicatoren en door de uitwisseling van goede praktijken, de socialezekerheidsstelsels te hervormen wat betreft pensioenen, gezondheidszorg, langdurige zorg en de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting. Uitkeringen voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap, invaliditeit, werkongevallen of beroepsziekte worden dus niet behandeld. Het EESC beveelt aan alle vervangingsinkomens aan bod te laten komen in de werkzaamheden van de OCM inzake sociale bescherming. In het bijzonder raadt het aan een controlesysteem in te voeren om na te gaan of de toegekende uitkeringen voldoende hoog zijn.

1.9   Het EESC herinnert eraan dat onze socialezekerheidsstelsels enkel gemoderniseerd kunnen worden als er een doeltreffend evenwicht wordt bereikt tussen, enerzijds, stimuli om het aanbod aan arbeidskrachten te verhogen, en, anderzijds, maatregelen die gericht zijn op een toereikende en kostenefficiënte sociale bescherming. Wat het aanbod aan arbeidskrachten betreft, is het inkomen volgens het EESC niet de enige factor die in rekening moet worden gebracht. Andere belangrijke elementen zijn bijvoorbeeld de beschikbaarheid, de efficiëntie en de kwaliteit van de kinderopvang, van toegankelijkheidsvoorzieningen voor gehandicapten, van arbeidsbemiddeling voor werkzoekenden, alsook van vorming, onderwijs en gezondheidszorg (11). Bijgevolg benadrukt het EESC nogmaals dat het de OCM versterkt zou willen zien met meetbare doelstellingen inzake sociale bescherming, vooral wat betreft het niveau van de vervangingsinkomens en de dekking, maar ook wat betreft de toegang tot openbare diensten (12). Bovendien stelt het Comité vast dat de OMC inzake sociale bescherming geen specifieke aandacht schenkt aan de veralgemening van activeringsprogramma's. Het beveelt aan binnen het Comité voor sociale bescherming te onderzoeken of deze activeringssystemen de waarden solidariteit, verantwoordelijkheid en cohesie wel op een evenwichtige manier respecteren.

1.10   Het EESC benadrukt de essentiële rol die vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners kunnen spelen in alle kwesties die verband houden met de modernisering van de socialezekerheidsstelsels en de versterking van de OCM als democratisch proces.

2.   Inleiding en situering

2.1   Sociale bescherming vormt een belangrijk herverdelings- en solidariteitsmechanisme. Voor de organisatie en financiering ervan zijn de lidstaten bevoegd. Aangezien elke lidstaat dus een eigen systeem heeft, neemt sociale bescherming binnen de Europese Unie veel verschillende vormen aan. Toch staat sociale bescherming centraal in het Europese project, zoals blijkt uit artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (13). Ook artikel 34 van het Handvest van de grondrechten (14) erkent en respecteert:

enerzijds, het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming bieden in geval van moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, afhankelijkheid, ouderdom of verlies van arbeid;

anderzijds, het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, teneinde al diegenen die niet over voldoende middelen beschikken een waardig bestaan te verzekeren.

2.2   Behalve het verzekeren van een behoorlijk inkomen voor personen die niet werken of die met sociale risico's te maken krijgen, moet sociale bescherming ook gericht zijn op begeleiding tijdens de overgang naar ander werk, en in het bijzonder op goede integratie op de arbeidsmarkt.

2.3   Toen Europa met de gevolgen van de financiële crisis van 2008 werd geconfronteerd, hebben de socialezekerheidsstelsels er niet alleen voor gezorgd dat de bevolking van het ergste gespaard bleef, maar hebben ze op economisch vlak ook een contracyclische en stabiliserende rol gespeeld (15). Als er nu geen ambitieuze convergentiemaatregelen genomen worden, kunnen deze stelsels in het gedrang komen door mededingingspraktijken van bepaalde lidstaten die via een vermindering van de sociale uitgaven investeringen van buitenlands kapitaal proberen aan te trekken. Deze tendens is al een realiteit op het vlak van verloning en fiscaliteit en dreigt zich nu door te zetten op sociaal gebied (16).

2.4   Bij de aanvang van de nieuwe Europa 2020-strategie zij er nogmaals op gewezen dat economische en werkgelegenheidsgroei op zich geen garantie zijn voor meer sociale samenhang. De afgelopen tien jaar is de ongelijkheid in veel gevallen toegenomen en blijven armoede en sociale uitsluiting een groot probleem in de meeste landen van de Unie (17). Het EESC wijst er bovendien op dat maatregelen om dit soort fenomenen tegen te gaan niet enkel a posteriori met betrekking tot de uitkeringen genomen moeten worden, maar ook op een preventieve en proactieve wijze armoede moeten zien te voorkomen. Een concreet voorbeeld hiervan is kinderarmoede, die de hele verdere levensweg van de betrokkenen kan bepalen.

2.5   Vandaag de dag staan de sociale bescherming in het algemeen en de sociale uitkeringen in het bijzonder voor vier belangrijke uitdagingen:

de gevolgen van de crisis met enerzijds verhoogde uitgaven voor werkloosheid door grootschalig banenverlies en anderzijds druk op de overheidsfinanciën die hierdoor ontstaat. Om te vermijden dat mensen verstrikt raken in langdurige werkloosheid is het belangrijk dat de stelsels voor sociale bescherming verder gemoderniseerd worden tot een dynamisch, betrouwbaar en duurzaam systeem waarin men gemakkelijk (opnieuw) een goede job kan vinden;

de vergrijzing, die verstrekkende gevolgen heeft voor de pensioenen en de gezondheidszorg. In het kader van de solidariteit tussen generaties is het nodig om het niveau van de pensioenen veilig te stellen en om te investeren in fenomenen die met de vergrijzing verband houden, zoals de steun aan hulpbehoevenden;

de onaanvaardbare toename van de armoede en de ongelijkheid. De nieuwe Europa 2020-strategie stelt ambitieuze doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding. Om deze doelstellingen te halen is het nodig dat de lidstaten binnen talrijke beleidsdomeinen gecoördineerde actie ondernemen, in samenwerking met de sociale partners en het maatschappelijke middenveld;

de noodzaak het welzijn en de sociale samenhang onder de Europese bevolking te verbeteren. De laatste jaren hebben de Europese burgers laten blijken dat ze hoge verwachtingen hadden inzake nieuwe en efficiënte sociale maatregelen, die sociaal vooruitstrevend en economisch duurzaam zijn.

3.   Toereikende vervangingsinkomens

3.1   In onze socialezekerheidsstelsels is een belangrijke rol weggelegd voor sociale bijdragen die een inkomen verzekeren in geval van werkloosheid, pensionering, ziekte of handicap. Ongeacht hun financieringsmethoden, basisbeginselen (verzekerings- of solidariteitsprincipe) of toekenningsvoorwaarden, hebben al deze uitkeringen de bedoeling een behoorlijk en stabiel inkomen te garanderen voor personen die door sociale risico's getroffen worden. Daardoor bieden ze een belangrijk houvast, zowel voor individuele personen als binnen de samenleving in haar geheel. Ze mogen dan ook niet als een last beschouwd worden, maar als een productieve investering die iedereen ten goede komt.

3.2   De mondialisering, de technologische veranderingen, de beginnende vergrijzing van de bevolking en – recenter – de economische crisis van 2008 hebben de Europese economieën en samenlevingen grondig door elkaar geschud en ingrijpende veranderingen teweeggebracht binnen de socialezekerheidsstelsels in het algemeen en de vervangingsinkomens in het bijzonder. Het zogenoemde moderniseringsbeleid van de laatste twintig jaar is er vooral op gericht de overheidsfinanciën van de lidstaten te saneren en de economische groei veilig te stellen, onder andere door een hoge werkgelegenheidsgraad. Daardoor worden sociale uitkeringen nu vooral gezien als een middel om deelname aan de arbeidsmarkt te stimuleren.

3.3   Het Comité is zich er terdege van bewust dat het beschermingsniveau dat deze uitkeringen bieden erg afhangt van de overheidsfinanciën, die momenteel zwaar onder druk staan door de gevolgen van de economische crisis en de uitdagingen die een verouderende bevolking met zich meebrengt. Toch wil het er nogmaals op wijzen dat het gekant is „tegen ieder initiatief dat de solidariteit, die aan de basis ligt van de sociale bescherming en die Europa zulke goede diensten bewijst, in gevaar brengt” (18). Uitkeringen die de levensstandaard tot op zekere hoogte vrijwaren zijn essentieel om te zorgen voor een betere verdeling van goederen en inkomsten, net als voor hechtere sociale samenhang. In dit licht benadrukt het Comité het belang van de mechanismen die de uitkering aanpassen aan de veranderende levensstandaard. Daarom vindt het Comité het ook nodig binnen de OCM een controlesysteem in te voeren om na te gaan of de toegekende uitkeringen toereikend zijn.

3.4   Het EESC vraagt een sociaal actieprogramma op te zetten, gebaseerd op positieve samenwerking tussen de staten, met als doel op te treden tegen „wedijver over nivellering (lees: verslechtering) van zaken als sociale rechten, sociale bescherming en arbeidsomstandigheden” (19).

3.5   Werkloosheid: naar een betere sociale bescherming – een investering in economisch concurrentievermogen en maatschappelijke integratie

3.5.1   De werkloosheidsverzekering is een noodzakelijk sociaal voordeel, aangezien elke werknemer erdoor beschermd wordt tegen de gevolgen van een ontslag of herstructurering. Ze heeft als doel voor een toereikend inkomensniveau te zorgen, de basisvoorwaarde om mobiliteit op de arbeidsmarkt – en dus een terugkeer naar de arbeidsmarkt – te garanderen (20).

3.5.2   Een werkloosheidsverzekering mag zich niet beperken tot het uitkeren van vergoedingen, maar dient ook gepaste en stimulerende maatregelen te omvatten om opnieuw een kwalitatief hoogstaande job te vinden. Binnen dit actief beleid dienen werklozen persoonlijk begeleid te worden en toegang te krijgen tot „kwalificerende” vorming (21). Daarnaast zijn andere belangrijke elementen de beschikbaarheid, de efficiëntie en de kwaliteit van de kinderopvang, van toegankelijkheidsvoorzieningen voor gehandicapten, van onderwijsinstellingen en van openbare gezondheidszorg (22). Al deze elementen zijn noodzakelijk voor een vlotte doorstroming op de arbeidsmarkt en zouden dan ook door de overheid tot stand moeten worden gebracht.

3.5.3   Daarnaast is het EESC van mening dat het nodig is om maatregelen te nemen die op structurele wijze een arbeidsmarkt tot stand brengen waar echt niemand uit de boot valt (23). Hierbij dient nogmaals verwezen te worden naar het raamakkoord voor een inclusieve arbeidsmarkt dat op 9 december 2009 gesloten is in het kader van de sociale dialoog. In dit raamakkoord bevestigen de sociale partners hun bereidheid om een inclusieve arbeidsmarkt te promoten, Europa's potentieel aan arbeidskracht maximaal te benutten, de werkgelegenheid te verhogen en de kwaliteit van de banen te verbeteren, met aandacht voor vorming en de ontwikkeling van vaardigheden.

3.5.4   Volgens het Comité is gecoördineerd beleid noodzakelijk om werk lonend te maken en ervoor te zorgen dat werken inderdaad financieel interessanter is. Dankzij gecoördineerd sociaal en fiscaal en loonbeleid zouden laaggeschoolden en mensen met een laag inkomen lonend werk moeten kunnen vinden en zo aan armoede en werkloosheid ontsnappen (24).

3.5.5   Via een combinatie van werkloosheidsuitkeringen en een dynamisch arbeidsmarktbeleid is het mogelijk de economie te stabiliseren en mensen aan te sporen zich actief aan veranderingen aan te passen: hiertoe dienen hun vaardigheden verbeterd te worden en dienen er efficiënte initiatieven te komen rond omscholing en de zoektocht naar werk (25). Toch moet erover gewaakt worden dat het huidige activeringsbeleid van de lidstaten wel op een evenwichtige manier de waarden solidariteit, verantwoordelijkheid en cohesie respecteert en dat het geen risico inhoudt op ongelijkheid, sectorale verschillen of beperking tot atypisch, laaggeschoold of weinig betaald werk. Bovendien zou men zich moeten hoeden voor strengere criteria voor werkloosheidssteun, zeker in tijden van een economische crisis waarin weinig vraag is naar arbeidskrachten. Het risico bestaat namelijk dat de uitgesloten personen in een nóg onzekerdere situatie terechtkomen, wat hun (her)integratie op de arbeidsmarkt ernstig kan belemmeren. Dit afstotingsbeleid kan ook leiden tot verschuivingen naar andere vormen van sociale bescherming, bijvoorbeeld sociale bijstand of arbeidsongeschiktheid. Dit is echter niet wenselijk.

3.6   Toereikende pensioenen en de uitdagingen van de vergrijzing

3.6.1   Aangezien in Europa het aantal gepensioneerden toeneemt en de beroepsbevolking in verhouding afneemt, heeft de Europese Unie de lidstaten aangemoedigd hun pensioenstelsels te hervormen om voor toereikende en duurzame pensioenen te blijven zorgen. Deze hervormingen zijn gebaseerd op de volgende pijlers: aansporingen om langer te werken, stimulansen voor aanvullende pensioenen, nauwere banden tussen de sociale bijdragen en de uitkeringen, uitkeringen die rekening houden met een langere levensduur, passende financiering van het minimumpensioen, toekenning van zorgkrediet binnen de pensioenrechten en automatische of semiautomatische herzieningsmechanismen.

3.6.2   In de 27 EU-landen blijft het armoederisico bijzonder hoog bij personen ouder dan 65 (gemiddeld 20 %, tegen 17 % voor de bevolking in haar geheel), en dan vooral bij vrouwen (22 %). Het verschil tussen het niveau van de pensioenen en het inkomensniveau van de rest van de bevolking vormt dus een probleem. Pensioenen hebben tot doel de gepensioneerden te verzekeren van een inkomen, ter vervanging van en in verhouding tot het loon dat ze kregen tijdens hun beroepsleven. In de toekomst zal het nodig zijn de niveauverschillen tussen de pensioenen van mannen en vrouwen te verminderen, maar ook om te zorgen voor een correcte dekking van het ouderdomsrisico bij werknemers die een atypisch beroep of een atypische carrière hebben gekend. Het onderscheid dat op de arbeidsmarkt nog altijd bestaat tussen mannen en vrouwen heeft ernstige gevolgen voor de opgebouwde rechten, en dus ook voor de pensioenvooruitzichten van vrouwen (26). Het Comité wijst er ook op dat er in de strijd tegen armoede onder ouderen een sleutelrol weggelegd is voor een veralgemeend systeem van minimumpensioenen. Het EESC dringt erop aan dat het Comité voor sociale bescherming en de OCM hier bijzondere aandacht aan schenken.

3.6.3   De openbare pensioenstelsels vormen de belangrijkste bron van inkomen voor gepensioneerden. Daarom is het absoluut noodzakelijk alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat ze duurzaam en betaalbaar blijven. Het EESC is van mening dat de financiering van deze openbare stelsels het best kan worden gegarandeerd via een hoge werkgelegenheidsgraad en via bijkomende financieringsmaatregelen zoals die in bepaalde lidstaten genomen worden. De pensioenstelsels in kwestie zijn gebaseerd op het solidariteitsprincipe en creëren solidariteit tussen en binnen de generaties, wat de sociale samenhang ten goede komt. Bovendien laten ze toe pensioenrechten op te bouwen tijdens periodes van werkloosheid of van loopbaanonderbreking wegens ziekte of om familiale redenen. De financiële stabiliteit van deze stelsels heeft zichzelf bewezen tijdens de financiële crisis van 2008.

3.6.4   Naast de officiële pensioenstelsels hebben zich ook aanvullende stelsels ontwikkeld. Aangezien deze stelsels gepensioneerden een extra inkomen verschaffen, moeten ze worden opengesteld voor alle werknemers. Toch mogen ze geen alternatief zijn voor de betaalbaarheid van de officiële pensioenen, en deze zeker niet in vraag stellen. Bij het invoeren en uitwerken van deze aanvullende stelsels moet, in het belang van de premiebetalers en de gepensioneerden, rekening worden gehouden met een aantal eisen en dient er in samenspraak met de sociale partners een regulerend kader op Europees niveau ontwikkeld te worden. De aanvullende pensioenstelsels mogen niet louter beleggingsfondsen zijn die een individueel pensioen garanderen, maar zouden erop gericht moeten zijn het levensrisico te dekken en een inkomen te verzekeren voor periodes van ziekte, of zelfs van economische werkloosheid of afwezigheid om familiale redenen. Alle werknemers binnen een sector of bedrijf zouden toegang moeten krijgen tot deze aanvullende stelsels, waarin mannen en vrouwen ook op gelijke voet behandeld worden. Bovendien is het belangrijk dat de sociale partners betrokken worden bij de invoering van en de controle op het beheer van de stelsels. Tot slot is het van belang om beleggingen met een positieve impact op de werkgelegenheid te stimuleren en speculatie te ontmoedigen.

3.7   Arbeidsongeschiktheid: een essentieel vangnet in geval van ziekte of handicap

3.7.1   Naast werkloosheidsuitkeringen en pensioenen omvatten de vervangingsinkomens ook de uitkeringen in geval van arbeidsongeschiktheid, handicap, arbeidsongeval of beroepziekte. Hierbij is niet enkel de toereikendheid van het vervangingsinkomen aan de orde, maar ook de terugkeer naar of de toegang tot de arbeidsmarkt. Het EESC vindt het belangrijk te verwijzen naar het standpunt dat het ingenomen heeft in een eerder advies over sociale integratie (27). Een inkomen is een noodzakelijke, maar niet per se toereikende voorwaarde voor een onafhankelijk bestaan. In veel gevallen wordt te weinig prioriteit toegekend aan de reïntegratie van deze mensen op de arbeidsmarkt, ondanks wettelijke bepalingen hiertoe. Praktische regelingen voor de begeleiding en ondersteuning bij het vinden of weer oppakken van betaald werk zijn vaak omslachtig en niet doeltreffend.

3.7.2   Mensen die niet in staat zijn te werken, moeten echter kunnen rekenen op inkomenssteun die een waardig leven mogelijk maakt. Hierbij dient de toegekende steun niet enkel rekening te houden met het behoud van een aanvaardbare levensstandaard, maar ook met specifieke uitgaven waar de zieke of gehandicapte mee te maken krijgt. Er is hier ook een cruciale rol weggelegd voor beleidsmaatregelen die toegankelijke en kwalitatieve gezondheidszorg garanderen, en die de ontwikkeling van infrastructuur en sociale diensten bevorderen om zorgafhankelijken een waardig leven te laten leiden (vb. thuiszorg, hulp door derden, enz.).

4.   Minimuminkomens en sociale integratie

4.1   In zijn advies van 12 juli 1989 over armoede (28) heeft het EESC reeds de invoering van een sociaal minimum bepleit, dat tegelijk bedoeld is als vangnet voor de armen en als stimulans voor hun reïntegratie in de samenleving. Naar dit advies wordt verwezen in de Aanbeveling van de Raad van 24 juni 1992 inzake gemeenschappelijke criteria met betrekking tot toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming (29). Daarin wordt aanbevolen gaandeweg een inkomensgarantie in te voeren in de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten, binnen de vijf jaar. Bijna 20 jaar later, in het Europees Jaar 2010 van de bestrijding van armoede, moet worden vastgesteld dat deze vragen en aanbevelingen dode letter gebleven zijn. In 2008 heeft de Commissie in haar Aanbeveling van 3 oktober 2008 over actieve inclusie (30) duidelijk gesteld dat de Aanbeveling van 1992 „een referentie-instrument [blijft] voor het beleid van de Gemeenschap op het gebied van armoede en sociale exclusie en niets van haar relevantie [heeft] verloren, hoewel nog meer moet worden gedaan om haar volledig ten uitvoer te leggen”.Nog recenter heeft het Parlement, in zijn Resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (31), „de lidstaten [verzocht] voor passende inkomenssteun te zorgen, teneinde armoede en sociale uitsluiting te bestrijden” en gewezen „op de noodzaak van passende inkomenssteun op basis van de Aanbevelingen 92/441/EEG en 2008/867/EG, die adequaat, transparant, voor iedereen toegankelijk en betaalbaar op lange termijn moet zijn”.

4.2   Net als de Raad in zijn Aanbeveling van 24 juni 1992 is het EESC van mening dat de inkomensgarantie vastgelegd moet worden op grond van de levensstandaard in elke lidstaat. Daarbij moet dus rekening gehouden worden met de juiste indicatoren, zoals het gemiddelde of mediaaninkomen per lidstaat, de consumptiegegevens over de gezinnen, het eventuele wettelijke minimumloon of het prijsniveau. Bovendien kan het minimuminkomen aangepast of aangevuld worden om aan specifieke behoeften tegemoet te komen. Verschillende lidstaten kennen immers al een systeem van huisvestingssteun, alsook maatregelen om de toegang tot de gezondheidszorg te garanderen of een zorgverzekering voor zwaar zorgbehoevenden. Het Comité steunt het initiatief van het Parlement (32) dat de Aanbeveling van de Raad van 1992 wenst te verbeteren en dat verduidelijkt dat „de sociale bijstand in een minimuminkomen dient te voorzien dat volstaat om een waardig leven te kunnen leiden, ten minste op een niveau dat boven de „armoedegrens” ligt”. Toch moet er gelet worden op eventuele wisselwerkingen tussen deze inkomensgarantie, al dan niet in combinatie met andere steun, en andere sociale uitkeringen. Er moet vermeden worden dat personen die een andere sociale uitkering genieten niet in een minder gunstige situatie terechtkomen, wat duidelijk negatieve gevolgen zou hebben.

4.3   Het EESC herinnert eraan dat de invoering van een minimuminkomen moet stroken met een beleid van actieve sociale integratie en kwalitatieve sociale diensten. Hierbij onderschrijft het Comité het standpunt van het Europees Parlement (33), dat „de lidstaten de aanbeveling [doet] om de invoering van een minimumloonbeleid actief te overwegen als middel tegen het groeiende aantal „werkende armen” en om degenen die ver van de arbeidsmarkt af staan, daadwerkelijk uitzicht op werk te bieden”. Volgens het Comité dient men bovendien aandacht te hebben voor de situatie van hen die niet aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen door hun leeftijd, gezondheidstoestand of handicap. Nogmaals gaat het akkoord met het Europees Parlement (34) dat stelt dat „actieve inclusie niet in de plaats mag komen van sociale inclusie” en „dat daarom iedereen over een minimuminkomen moet kunnen beschikken en toegang moet hebben tot betaalbare, hoogwaardige sociale voorzieningen, ongeacht of hij in staat is op de arbeidsmarkt te participeren”.

4.3.1   Het EESC is van mening dat een geleidelijke invoering van een inkomensgarantie nodig is om de doelstelling inzake armoedebestrijding te halen die in de Europa 2020-strategie opgenomen is. Hiertoe dient een nieuw instrument overwogen te worden om op een efficiëntere manier het armoedebestrijdingsbeleid van de lidstaten te ondersteunen.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  EESC-advies – PB C 27 van 03.02.2009.

(2)  EESC-advies – PB C 309 van 16.12.2006.

(3)  Europese Commissie, Comité voor sociale bescherming, Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale inclusie 2010, manuscript, februari 2010.

(4)  Commissiemededeling COM(2010)2020.

(5)  EESC-advies – PB C 128/3 van 18.05.2010, par. 4.4.

(6)  Europese Raad, 17.06.2010, Conclusies, EUCO 13/10.

(7)  Zie voetnoot 5.

(8)  Europees Parlement, Resolutie van 06.05.2009, 2008/2335(INI).

(9)  EESC-adviezen – PB C 221 van 28.08.1989 en PB C 128/15 van 18.05.2010.

(10)  Aanbeveling 92/441/EEG van de Raad van 24.06.1992 – PB L 245 van 26.08.1992.

(11)  EESC-advies – PB C 302/86 van 07.12.2004.

(12)  EESC-adviezen – PB C 128/10 van 18.05.2010 en PB C 302/86 van 07.12.2004.

(13)  Art. 9 VWEU – PB C 115 van 09.05.2008.

(14)  Handvest van de grondrechten – PB C 364 van 18.12.2000.

(15)  Europese Commissie, Comité voor sociale bescherming, Groei, werkgelegenheid en sociale vooruitgang in de EU – Kernboodschappen, manuscript, september 2009.

(16)  Klaus Busch, World Economic Crisis and the Welfare State – Possible solutions to reduce the economic and social imbalances in the world economy, Europe and Germany, International Policy Analysis, Friedrich-Ebert-Stiftung, februari 2010.

(17)  Zie voetnoot 15.

(18)  Zie voetnoot 5.

(19)  Zie voetnoot 1.

(20)  Florence Lefresne, „Regard comparatif sur l’indemnisation du chômage: la difficile sécurisation des parcours professionnels”, Chronique internationale de l’IRES 115, november 2008, p. 23.

(21)  Zie voetnoot 18.

(22)  Zie voetnoot 11.

(23)  Zie voetnoot 5.

(24)  Zie voetnoot 11.

(25)  Zie voetnoot 2.

(26)  Zie voetnoot 11.

(27)  Zie voetnoot 5.

(28)  EESC-adviezen – PB C 221 van 28.08.1989 en PB C 128/10 van 18.05.2010.

(29)  Zie voetnoot 10.

(30)  Aanbeveling 2008/867/EG van de Commissie van 3 oktober 2008 – PB L 307 van 18.11.2008.

(31)  Zie voetnoot 8.

(32)  Zie voetnoot 8.

(33)  Zie voetnoot 8.

(34)  Zie voetnoot 8.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/34


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Kinderwelzijn en armoede onder kinderen” (verkennend advies)

2011/C 44/06

Algemeen rapporteur: Brenda KING

Laurette Onkelinx, Belgisch vicepremier en minister van sociale zaken en gezondheidszorg, heeft in een brief d.d. 28 april 2010 het Europese Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie namens het toekomstige Belgische EU-voorzitterschap om een verkennend advies verzocht over

Kinderwelzijn en armoede onder kinderen.

Het bureau van het EESC heeft de afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap op 25 mei 2010 opgedragen om dit advies voor te bereiden.

Gezien het spoedeisende karakter van deze werkzaamheden heeft het EESC tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli) Brenda King als algemeen rapporteur aangewezen en onderstaand advies uitgebracht, dat met 113 stemmen vóór en 6 stemmen tegen, bij 14 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Momenteel dreigen in de EU 20 miljoen kinderen in armoede te vervallen. Er zijn procentueel zelfs meer arme kinderen (20 %) dan arme volwassenen (16 %), terwijl de armoede vanwege de crisis nog veel meer slachtoffers dreigt te gaan maken. Alleen al het feit dát er arme kinderen zijn in de EU, vormt het bewijs dat hun basisrechten worden geschonden.

1.2   Nu niets doen tegen armoede onder kinderen, gaat later ten koste van het welzijn in de EU. De Europa 2020-strategie kan alleen tot een goed einde worden gebracht als de jongere generatie onderwijs heeft genoten en gezond en hoopvol is. De EU heeft gefaald met haar beleid om de meest kwetsbaren in de samenleving te beschermen: aan dat vernietigende oordeel valt niet te ontkomen als wordt gekeken naar het grote aantal kinderen dat in armoede dreigt te vervallen en naar de mate waarin armoede van generatie op generatie wordt overgedragen.

1.3   Aan de problematiek van kinderwelzijn en armoede onder kinderen zitten veel facetten. Uit een aantal rapporten blijkt dat meerdere factoren (materiële ontbering, gebrek aan toegang tot basisgezondheidsdiensten, fatsoenlijke huisvesting, behoorlijk onderwijs e.a.) daaraan bijdragen. Algemeen wordt aangenomen dat die factoren onderling verweven en afhankelijk zijn. Aan dat laatste moet recht worden gedaan in de oplossingen die worden geboden.

1.4   Miljoenen kinderen maken een slechte start in het leven, omdat ze arm zijn en ontbering lijden, en worden daardoor geremd in hun persoonlijke ontwikkeling. Ingrijpen in een vroeg stadium van het leven van een kind kan heel vaak de rest van zijn leven gunstig beïnvloeden. Er moet beslist beleid wordt uitgestippeld om kinderen, en dan vooral ook kinderen uit de onderkant van de maatschappij, altijd de kans te geven om hun talenten te ontwikkelen en zo hun steentje bij te dragen aan de samenleving van de toekomst.

1.5   In dit Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is het EESC ingenomen met het politieke engagement waarvan de Raad blijk geeft met zijn besluit om armoedereductie tot een van de vijf voornaamste doelstellingen van de EU voor 2020 te maken. De bedoeling is om „het aantal Europeanen dat onder de nationale armoedegrens leeft,met 25 % … (te) verminder(en), door ruim 20 miljoen mensen een uitweg uit de armoede te bieden (1).

1.6   Wel betreurt het EESC dat er geen apart streefcijfer is vastgelegd voor de vermindering van armoede onder kinderen, noch voor het bevorderen van hun welzijn, temeer daar de EU en de lidstaten daaraan sinds 2000 politieke aandacht schenken en al tal van verschillende initiatieven hebben genomen.

1.7   Het valt toe te juichen dat een van de zeven kerninitiatieven de oprichting van een Europees Platform tegen armoede is, met als doel om „… de sociale en territoriale cohesie (te) versterken zodat iedereen kan delen in de groei en de werkgelegenheid, en mensen die met armoede en sociale uitsluiting te kampen hebben, een menswaardig bestaan kunnen opbouwen en actief kunnen deelnemen aan de samenleving”.

1.8   Het EESC bepleit met klem dat dit platform wordt gebruikt als uitgangspunt voor de uitbanning van armoede onder kinderen en de bevordering van kinderwelzijn. Dit kan door voor een benadering te kiezen die specifiek op kinderen gericht en multidimensioneel is en waarvoor wordt uitgegaan van de rechten van kinderen. Ook zou deze aanpak kunnen worden onderbouwd met specifieke doelstellingen waarin kinderen en gezinnen met kinderen centraal staan.

1.9   Het EU-netwerk van onafhankelijke deskundigen inzake maatschappelijke integratie heeft erop gewezen dat bepaalde groepen van kinderen een hoog risico op extreme armoede lopen. Daartoe moeten worden gerekend:

i.

kinderen die in instellingen leven of hebben geleefd, straatkinderen, misbruikte, mishandelde of verwaarloosde kinderen, kinderen van wie de ouders geestesziek zijn, kinderen in de opvang, dak- of thuisloze kinderen en kinderen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld of mensenhandel;

ii.

kinderen met een handicap, kinderen uit etnische minderheidsgroepen, Roma-kinderen, jonge asielzoekers en immigranten;

iii.

kinderen die in zeer arme en geïsoleerde plattelandsgebieden leven waar veel basisvoorzieningen ontbreken en kinderen die in uitgestrekte buitenwijken van grootsteden wonen.

1.10   Het Handvest van grondrechten van de EU behelst rechten van kinderen. De EU heeft dus een krachtig mandaat om in te staan voor het overleven en de bescherming en ontwikkeling van kinderen. Er moeten in het Europees Platform tegen armoede speciaal voor bovengenoemde kwetsbare kinderen indicatoren en doelstellingen worden vastgelegd.

1.11   Het EESC steunt de oproep aan de Commissie om over kinderwelzijn en armoede onder kinderen een alomvattende aanbeveling uit te brengen. In die aanbeveling zouden belangrijke beleidsdoelstellingen en streefcijfers moeten worden vastgelegd en de randvoorwaarden moeten worden gecreëerd voor voortdurende monitoring, uitwisseling, onderzoek en onderlinge beoordelingen (peer reviews) als bijdrage aan de verwezenlijking van de armoededoelstelling van de Europa 2020-strategie.

2.   Achtergrond

2.1   Armoede onder en maatschappelijke uitsluiting van kinderen is een vraagstuk dat sinds 2000 een steeds grotere rol is gaan spelen in de sociale OCM (open coördinatiemethode) en waarop uitdrukkelijk wordt gewezen in alle gemeenschappelijke rapporten over sociale bescherming en maatschappelijke integratie (2002-2004). Volgens de Europese Raad moeten de lidstaten de nodige maatregelen treffen om „het aantal kinderen dat in armoede leeft snel aanzienlijk te verminderen, waarbij alle kinderen ongeacht hun sociale achtergrond gelijke kansen worden geboden (2).

2.2   In het door het Luxemburgse EU-voorzitterschap in 2005 gelanceerde initiatief „Voortzetting van het EU-proces inzake sociale integratie” wordt uitdrukkelijk opgeroepen om de problematiek van kinderen in alle vormen van beleid mee te nemen (children mainstreaming) en in EU-verband minstens één indicator met betrekking tot het welzijn van kinderen vast te stellen. De Commissie schenkt in haar in 2006 uitgebrachte Mededeling over de rechten van kinderen speciaal aandacht aan het vraagstuk van de maatschappelijke integratie van kinderen en aan de rol van het EU-proces inzake sociale integratie. In januari 2008 is officieel goedkeuring gehecht aan een analytisch verslag en aanbevelingen van een task-force van de EU voor kinderarmoede en het welzijn van kinderen. Eind 2009 heeft de Commissie in een werkdocument over de Europa 2020-strategie erkend dat het vraagstuk van de armoede onder en maatschappelijke uitsluiting van kinderen behoort tot de sociale langetermijnproblemen van de EU die door de financiële en economische crisis alleen nog maar ernstiger zijn geworden. In maart van dit jaar heeft een consortium onder leiding van het Tarki Social Research Institute in opdracht van de Commissie een uitvoerig verslag over kinderwelzijn en armoede onder kinderen in de EU uitgebracht.

2.3   In het Verdrag van Lissabon (2009) wordt de bevordering van de rechten van kinderen bekrachtigd als officiële doelstelling van de EU. Commissievoorzitter Barroso heeft op de conferentie waarop het startsein voor 2010 als Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is gegeven, een pleidooi gehouden om het risico op armoede vóór 2020 voor alle burgers te verkleinen, maar dan vooral voor kinderen en ouderen, „omdat de huidige cijfers onduldbaar zijn”. België dat in het tweede halfjaar van 2010 het EU-voorzitterschap bekleedt, heeft de bestrijding van armoede onder kinderen en de bevordering van kinderwelzijn bovenaan zijn prioriteitenlijst geplaatst.

3.   Armoede onder kinderen en kinderwelzijn

3.1   Armoede onder kinderen

3.1.1   Alle lidstaten van de EU kampen met het probleem van kinderwelzijn en armoede onder kinderen. Alleen zijn er van lidstaat tot lidstaat – en in sommige landen zelfs van regio tot regio - grote verschillen in de mate waarin dit probleem speelt en de ernst ervan. Zo blijkt uit het EU-SILC-onderzoek van 2007 (3) het volgende:

20 % van alle kinderen in de EU dreigt in armoede te vervallen (4), terwijl dat percentage voor de hele bevolking 16 % is. Het „risico op armoede” is in alle lidstaten van de EU groter voor kinderen, behalve in Cyprus, Denemarken, Estland, Finland, Duitsland en Slovenië (in Letland is het risico voor kinderen even groot). Het percentage kinderen dat in armoede dreigt te vervallen, bedraagt in twee landen (Bulgarije en Roemenië) niet minder dan 30 à 33 %, in vijf landen (Griekenland, Italië, Polen, Spanje en het VK) 23 à 25 %, en in weer vijf andere landen (Cyprus, Denemarken, Finland, Slovenië en Zweden) 10 à 12 %;

voornoemde informatie is alleen volledig als daarnaast de cijfers worden gelegd van de marges waarbinnen in iedere lidstaat het risico op armoede zich beweegt (national poverty risk gap (5) ), waarmee wordt aangegeven hoe arm arme kinderen zijn, ofwel hoe groot de armoede is waarin ze dreigen te vervallen. Die national poverty risk gap varieert van 13 % voor kinderen in Finland en 15 % voor kinderen in Frankrijk tot 40 % voor kinderen in Roemenië en 44 % voor kinderen in Bulgarije. In veel landen is de tendens dat het „risico op armoede” toeneemt naarmate de kinderen ouder worden;

een andere factor die in een armoede-analyse niet over het hoofd mag worden gezien is de duur, d.w.z. de vraag hoe lang kinderen onder de inkomensdrempel leven. In het al eerder genoemde TARKI-verslag staat daarover het volgende: het in een bepaald jaar vastgesteld risico op armoede voor kinderen geeft weliswaar een indicatie van de ontbering en maatschappelijke uitsluiting die hun boven het hoofd hangen, maar de mate waarin ze daarin dreigen te vervallen, is veel groter als het inkomen waarmee in hun levensonderhoud moet worden voorzien, jarenlang onder de inkomensdrempel blijft. Verder blijkt uit dat TARKI-verslag dat - voor de twintig EU-lidstaten waarover EU-SILC-gegevens beschikbaar zijn - het percentage kinderen dat in gezinnen leeft die van 2005 tot 2007, dus drie jaar lang, een risico op armoede hebben gelopen, varieert van 4 à 6 % (Oostenrijk, Cyprus, Finland, Slovenië en Zweden) tot 13 à 16 % (Italië, Litouwen, Luxemburg, Polen en Portugal).

3.2   Materiële ontbering

3.2.1   Voor de EU-definitie van kinderen die een risico op armoede lopen, wordt gekeken naar het aantal kinderen dat in lage-inkomensgezinnen leeft. Hoe belangrijk dat gegeven ook is, toch volstaat dit niet als maatstaf, omdat daarmee niet alles wordt omvat wat een kind nodig heeft om een goede start in het leven te maken. Kinderen kan van alles overkomen: ondermaatse huisvesting, dak- of thuisloosheid, verpaupering in achterbuurten, een leefomgeving met veel misdaad, een slechte gezondheid, slechte voeding, een hoger risico op ongelukken en verwondingen, meer lichamelijke mishandeling, meer pesterijen, minder toegang tot kinderopvang, beperkte toegang tot sociale diensten en gezinsvoorzieningen, achterstand op school en weinig goede onderwijsmogelijkheden, en weinig of geen toegang tot speelterreinen, sportfaciliteiten, voorzieningen voor vrijetijdsbesteding of culturele activiteiten. Er zijn kinderen die dergelijke nadelen cumuleren: naarmate zij meer van die nadelen ervaren, kunnen de effecten van ieder nadeel elkaar gaan versterken, zodat het kind steeds meer doordrongen raakt van het gevoel arm te zijn en buiten de maatschappij te staan. Armoede en maatschappelijke uitsluiting worden daardoor steeds vaker van generatie op generatie overgedragen.

3.2.2   Het totale percentage kinderen dat lijdt onder materiële ontbering in de EU is hetzelfde als dat van kinderen die een risico op armoede lopen (20 %). De verschillen in materiële ontbering zijn daarentegen veel groter van lidstaat tot lidstaat: van 4 à 10 % (Luxemburg, de drie Noordse landen, Nederland, Spanje) tot 39 à 43 % (Hongarije, Letland, Polen), 57 % (Roemenië) en 72 % (Bulgarije). Die cijfers moeten naast het risico op armoede worden gelegd, dat varieert van 10 % tot 33 %. Die brede variatie in materiële-ontberingspercentages zijn kenschetsend voor de verschillen in gemiddelde levensstandaard tussen en in de lidstaten

3.2.3   Het percentage voor materiële ontbering is 46 % , met grote verschillen van lidstaat tot lidstaat, gaande van 18 à 28 % (Denemarken, Luxemburg, Nederland, Spanje, Zweden) tot 72 à 96 % (Bulgarije, Hongarije, Letland, Roemenië). Voor kinderen boven de inkomensdrempel is het gemiddelde percentage voor materiële ontbering 13 %, met ook hier weer veel variatie: van 1 à 6 % (Denemarken, Luxemburg, Nederland, Spanje, Zweden) tot 35 à 62 % (Bulgarije, Hongarije, Letland, Roemenië).

3.2.4   Het EESC adviseert om de nationale percentages voor het risico op armoede, de inkomensdrempels en de nationale percentages voor materiële ontbering als indicatoren te gebruiken.

3.3   Kinderen die het grootste risico op armoede lopen

3.3.1   Alleenstaande ouders en grote gezinnen

3.3.1.1   In nagenoeg alle lidstaten lopen kinderen met alleenstaande ouders of in grote gezinnen het hoogste risico op armoede. Uit het EU-SILC-onderzoek van 2007 blijkt dat 34 % van alle kinderen in de EU die in een eenoudergezin leven, een risico op armoede lopen, gaande van 17 à 24 % (Denemarken, Finland, Zweden) tot 40 à 45 % (Estland, Ierland, Litouwen, Luxemburg, Roemenië, VK) en 54 % (Malta). 25 % van de kinderen die in grote gezinnen (d.w.z. gezinnen met twee volwassenen en drie of meer kinderen) leven, lopen in de EU een risico op armoede, gaande van 12 à 15 % (Duitsland, Finland, Zweden, Denemarken, Slovenië) tot 41 à 55 % (Italië, Letland, Portugal, Roemenië) en 71 % (Bulgarije).

3.3.2   Gezinnen zonder kostwinner

3.3.2.1   Uit het EU-onderzoek arbeidskrachten (Labour Force Survey of LFS) van 2007 blijkt dat 9,4 % van alle kinderen in gezinnen leeft zonder kostwinner, gaande van 2,2 à 3,9 % (Cyprus, Griekenland, Luxemburg, Slovenië) tot 12 % (België), 12,8 % (Bulgarije), 13,9 % (Hongarije) en 16,7 % (VK) (6). Deze kinderen lopen een heel hoog gemiddeld risico op armoede: 70 %, gaande van 47 à 49 % (Denemarken, Finland) tot 81 à 90 % (Bulgarije, Tsjechië, Estland, Litouwen, Portugal, Roemenië, Slowakije).

3.3.2.2   De kans is groot dat kinderen die in gezinnen leven waar niemand een betaalde baan heeft, daar qua materiële ontbering de gevolgen van ondervinden, niet alleen in hun huidige, maar ook in hun toekomstige leefomstandigheden. Dat geen enkele volwassene in zo'n gezin een betaalde baan heeft, kan niet alleen tot financiële problemen leiden, maar kan ook tot gevolg hebben dat die kinderen nu of later zelf ook minder kansen krijgen om volwaardig deel te hebben aan de samenleving.

3.3.3   Kinderen met een risico op extreme armoede

3.3.3.1   Het EU-netwerk van onafhankelijke deskundigen inzake maatschappelijke integratie heeft erop gewezen dat bepaalde groepen van kinderen een hoog risico op grotere of extreme armoede lopen. Dit blijkt overduidelijk uit de diverse nationale actieplannen voor integratie en uit meerdere transnationale uitwisselingsprojecten. Het gaat daarbij om kinderen met een handicap, kinderen uit etnische minderheidsgroepen (vooral Roma-kinderen), jonge asielzoekers en immigranten, misbruikte, mishandelde of verwaarloosde kinderen, kinderen van wie de ouders geestesziek zijn, kinderen in de opvang, dak- of thuisloze kinderen en kinderen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld of mensenhandel, kinderen die in zeer arme en geïsoleerde plattelandsgebieden leven waar veel basisvoorzieningen ontbreken en kinderen die in uitgestrekte buitenwijken van grootsteden wonen (7). Uit de EU-analyse van 2007 blijkt dat de zorg over de situatie van kinderen in migrantengezinnen en kinderen uit sommige etnische minderheidsgroepen steeds groter wordt in de „oude” lidstaten.

3.4   Langetermijneffect en intergenerationale armoede

3.4.1   Langetermijneffect

3.4.1.1   Een belangrijk thema uit de gemeenschappelijke verslagen over sociale bescherming en maatschappelijke integratie is dat kinderen die in armoede opgroeien, zich maar beperkt ontplooien en op de lange termijn de gevolgen daarvan blijven ondervinden voor hun welzijn en ontwikkeling en, in hun latere leven als volwassene, voor hun welzijn en gezondheid. Het risico om als volwassene arm en werkloos te zijn en buiten de maatschappij te staan, is bij deze kinderen groter. Op dit langetermijneffect wordt gewezen in het verslag van 2007, dat wordt afgesloten met de volgende conclusie: de kans dat kinderen die in armoede opgroeien, het goed doen op school, gezond zijn, nooit met justitie te maken krijgen en als jong volwassenen hun plaats vinden op de arbeidsmarkt en in de samenleving is minder groot dan bij andere kinderen.

3.4.2   Intergenerationele armoede

3.4.2.1   Een daarmee verband houdend en steeds weer terugkerend thema is dat armoede van generatie op generatie wordt overgedragen. In een aantal landen is vooral sprake van intergenerationele overdracht met betrekking tot onderwijs, ongeacht of die landen nu veel of weinig armoede en maatschappelijke uitsluiting onder kinderen kennen. Uit het EU-SILC-onderzoek naar de intergenerationele overdracht van nadelen van 2005 blijkt dat de kansen die kinderen krijgen om onderwijs te genieten, het meer of minder waarschijnlijk maken dat ze later als volwassene arm worden. De kans om later ook geen diploma te halen, is 23 maal groter voor kinderen van wie de ouders alleen de lagere school hebben afgemaakt dan voor kinderen van ouders die vervolgonderwijs hebben genoten.

4.   Benchmarking, monitoring en evaluatie

4.1   Een belangrijk aandachtspunt moet zijn dat benchmarking, monitoring en evaluatie zowel in de lidstaten als in EU-verband een spilfunctie gaan vervullen en dat daaraan bekendheid wordt gegeven. Daarin ligt een grote uitdaging die moet worden aangegaan.

4.2   Met het oog daarop adviseren wij het volgende:

de Commissie en de lidstaten zouden een exercitie moeten beginnen waarbij wordt gezocht naar methoden om de sociale doelstellingen van de EU overal in de EU zichtbaarder, meetbaarder en concreter te maken;

er zou voor moeten worden gezorgd dat vorderingen bij de verwezenlijking van EU- en nationale doelstellingen en in het licht van verbeterde prestaties op de gebieden van de in EU-verband overeengekomen indicatoren, onder rigoreus en geregeld toezicht worden gesteld en dat daarvan regelmatig en rigoreus verslag wordt uitgebracht;

er zouden onderlinge beoordelingen (peer reviews) moeten worden georganiseerd, zodat de resultaten van deze monitoring-exercitie kunnen worden besproken. Op die manier zullen lidstaten en Commissie vaker van elkaars beleid kunnen leren;

monitoring en evaluatie zouden veel rigoreuzer moeten worden aangepakt, waarbij het zwaartepunt veel meer bij de resultaten moet worden gelegd. Ook moeten vorderingen bij de verwezenlijking van doelstellingen op gezette tijden aan een onafhankelijke kritische analyse worden onderworpen. Hieronder volgende belangrijke onderdelen van die benadering:

de gemeenschappelijke indicatoren zouden stelselmatiger moeten worden verwerkt in de nationale regelingen voor monitoring en analyse, zodat vaker van elkaar kan worden geleerd;

het vermogen van de EU en van nationale en subnationale overheden om statistieken te produceren, moet worden vergroot, waarbij vooral moet worden gedacht aan het vermogen om tijdig met sociale statistieken te komen (waaronder gegevens over kinderwelzijn en armoede onder kinderen, omdat de impact van de financiële en economische crisis in de EU dan beter kan worden gemonitored);

alle lidstaten zouden formele regelingen moeten treffen waardoor maatschappelijke organisaties en onafhankelijke deskundigen doorlopend worden betrokken bij de monitoring en beoordeling van beleidsmaatregelen ter bevordering van maatschappelijke integratie.

5.   Het Europees Platform tegen armoede

5.1   Of de sociale dimensie van de EU meer gewicht kan worden gegeven en met name of de Europa 2020-doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt, hangt grotendeels af van het in de Europa 2020-strategie voorgestelde kerninitiatief „Europees Platform tegen armoede”.

5.2   Dit platform moet het uithangbord worden van dit nieuwe sociale Europa en een spilfunctie vervullen, in die zin dat erop wordt toegezien dat alle andere vormen van EU-beleid (economie, mededinging, onderwijs, migratie, volksgezondheid, innovatie en milieu) meehelpen om de sociale doelstellingen van de EU te verwezenlijken, waaronder het streven om de armoede in de EU terug te dringen.

5.3   Het komt er vooral op aan dat vraagstukken aangaande behoorlijke sociale bescherming (waaronder de bestrijding van armoede onder kinderen, de bevordering van kinderwelzijn en het promoten van de rechten van kinderen) in alle relevante EU-beleidsmaatregelen en -programma's, met inbegrip van de structuurfondsen, worden meegenomen. Het Europees Platform tegen armoede moet een centrale rol spelen in de monitoring van en verslaggeving over de wijze waarop sociale-effectbeoordelingen worden uitgevoerd en de mate waarin andere onderdelen van de Europa 2020-strategie meehelpen om de armoede in de EU terug te dringen.

5.4   Meer verband tussen het streven van de EU om maatschappelijke integratie te bevorderen en de doelstellingen van de structuurfondsen.

5.4.1   De doelstellingen inzake maatschappelijke integratie van de EU en van de lidstaten moeten veel beter aansluiten bij de benutting van de structuurfondsen. Gebruikmaking van de structuurfondsen zou een belangrijk onderdeel moeten worden van de nationale actieplannen voor integratie. Een voorbeeld daarvan was het Commissievoorstel van 2009 om voortaan toe te staan dat het EFRO wordt ingezet voor huisvestingsmaatregelen ten gunste van marginale leefgemeenschappen in de nieuwe lidstaten. Dit kan een belangrijke geldbron worden voor initiatieven op dit gebied.

6.   Aanbevelingen

6.1   EU-verbintenis inzake kinderwelzijn en armoede onder kinderen

6.1.1   Gezien de algemene doelstellingen van de Europa 2020-strategie zou er een samenhangend kader voor de bestrijding van armoede onder kinderen en de bevordering van kinderwelzijn moeten worden ontwikkeld, waarvoor wordt uitgegaan van de rechten van kinderen. Er zou van de bestrijding van armoede onder kinderen en de bevordering van kinderwelzijn een aparte EU-doelstelling moeten worden gemaakt.

6.2   Toereikende middelen

6.2.1   Voor gezinnen met kinderen zou een minimaal gezinsinkomen moeten worden ingevoerd, waarvoor geld wordt overgemaakt naargelang van de positie van de ouders op de arbeidsmarkt. Ook zou alle kinderen financiële steun kunnen worden gegarandeerd door belastingvermindering en/of algemene uitkeringen in contanten.

6.2.2   Kinderbijslag is voor iedereen bestemd, wordt over het geheel genomen administratief efficiënt afgehandeld, heeft geen sociaal stigma en er wordt (zoals blijkt uit de analyse van de SPC in 2008) door veel burgers een beroep op gedaan. Daarom moet worden bekeken hoe kinderbijslag kan worden ingezet als belangrijk wapen in de strijd tegen armoede onder kinderen.

6.2.3   Aangezien kinderen in gezinnen zonder kostwinner een erg hoog risico op armoede lopen, is er behoefte aan een doelstelling om de armoede in dat soort gezinnen en in gezinnen van zogenoemde „werkende armen” minder groot te maken. Dan ervaren kinderen minder acuut dat ze arm zijn. In actief arbeidsmarktbeleid moet steun worden gegeven aan werkgevers die ouders in dienst nemen. Ook is er behoefte aan lokale, toegankelijke en betaalbare kwaliteitsvoorzieningen zoals kinderopvang.

6.2.4   Inclusieve arbeidsmarkten moeten ouders kwaliteitsbanen aanbieden. Ouders moeten echter ook tijd kunnen doorbrengen met hun kinderen. Daarom is beleid nodig waardoor werk en gezinstaken met elkaar kunnen worden gecombineerd.

6.2.5   Voor kinderen die in extreme armoede leven, is weldoordacht sociaal beleid nodig om iedereen gelijke kansen te bieden en dienen inspanningen om ieder kind zich met goed gevolg te helpen scholen, te worden opgevoerd. Zo kan een halt worden toegeroepen aan de intergenerationele overdracht van armoede en maatschappelijke uitsluiting. Beleid vóór integratie en tegen discriminatie moet kracht worden bijgezet, vooral als het gaat om immigranten en hun nakomelingen en om etnische minderheidsgroepen.

6.3   Van kinds af aan

6.3.1   Het EESC stemt in met de aanbeveling van Eurochild om het concept van kinderopvangvoorzieningen te verruimen naar inclusieve dienstverlening met prenatale en voorschoolse voorzieningen voor alle kinderen en gezinnen. Het argument van Eurochild is dat tal van voorbeelden van geslaagde methoden in en rond peuter- en kleuterbeleid bij de vaststelling van de Barcelona-doelstellingen over het hoofd zijn gezien. Het verdient dan ook aanbeveling om met het oog op die Barcelona-doelstellingen gemeenschappelijke EU-kwaliteitsnormen voor peuter- en kleutervoorzieningen uit te werken. Bij dat laatste moet ook worden gedacht aan de zorg voor en educatie van peuters en kleuters: daarop is gewezen door het Childcare Network van de Commissie dat als inspiratiebron moet dienen voor nationaal beleid en de praktijk in de lidstaten, ook met gebruikmaking van de structuurfondsen.

6.4   Gezondheidszorg

6.4.1   De EU-werkgroep voor gezondheidsindicatoren zou aan kinderen gerelateerde indicatoren moeten uitwerken. Dan kunnen gezondheidsbeleid van de overheid en de consequenties daarvan aan de hand van die indicatoren worden gemonitored en geëvalueerd.

6.4.2   Ook zouden er voor kinderen indicatoren moeten worden uitgewerkt waarmee geestelijke gezondheid of psychische aandoeningen kunnen worden vastgesteld.

6.4.3   In de door de Commissie voor 2012 aangekondigde Mededeling over ongelijkheden op gezondheidsgebied moet ook worden stilgestaan bij de gezondheid van kinderen.

6.5   Huisvesting

6.5.1   De lidstaten moeten de verplichtingen nakomen die tijdens de in maart 2010 gehouden Vijfde Ministeriële Conferentie over milieu en gezondheid zijn aangegaan betreffende het actieplan voor Europa „Kind, milieu en gezondheid”, en dienen de bij die gelegenheid overeengekomen acties ten uitvoer te leggen

6.5.2   De Commissie moet met de lidstaten t.a.v. dakloosheid en uitsluiting van huisvesting (meting, monitoring en verslaggeving) een gemeenschappelijk kader en gemeenschappelijke richtsnoeren overeenkomen, met speciale aandacht voor kinderen in die omstandigheden.

6.5.3   De Commissie zou initiatieven om (kandidaat-)lidstaten te helpen slecht werkende kindertehuizen te sluiten en daarvoor geschikte alternatieven te ontwikkelen, moeten blijven steunen en financieren.

6.6   Bescherming tegen geweld, misbruik en uitbuiting

6.6.1   De Commissie zou met alle relevante belanghebbenden moeten nagaan of het haalbaar is om een indicator betreffende geweld tegen kinderen, kindermisbruik en -uitbuiting uit te werken. Een dergelijke indicator zou moeten gaan over identificatie, bescherming, vervolging en preventie, in overeenstemming met de aanbevelingen uit het in opdracht van het Europees Bureau voor de Grondrechten in 2009 verrichte indicatoren-onderzoek.

6.6.2   De lidstaten moeten nationale strategieën uitstippelen om kinderen tegen alle vormen van geweld te beschermen en dat geweld te voorkomen. Die strategieën moeten duidelijke doelstellingen omvatten, een budget hebben en voorzien in een lokaal contactpunt waar kinderen of volwassenen gevallen van geweldpleging kunnen melden.

6.7   Maatregelen waarin kinderen centraal staan

6.7.1   De Commissie zou de banden moeten aanhalen met het programma van de Raad van Europa „Bouwen aan een Europa voor en met kinderen”, waarin de nadruk is gelegd op participatie van de kinderen zelf.

6.7.2   De indicatoren betreffende inkomen en materiële ontbering die al in onderling overleg zijn vastgelegd, moeten worden uitgebreid met meer indicatoren waarin kinderen centraal staan. Van belang is dat de indicatoren de diverse stadia van de ontwikkeling van kinderen weerspiegelen, met inachtneming van de meest relevante aspecten en alle relevante leeftijden van kinderen. In het TARKI/Applica-onderzoek worden de volgende leeftijdsgroepen aanbevolen: tot 5 jaar; van 6 tot 11 jaar; van 12 tot 17 jaar. Ook wordt aanbevolen om bij de uitwerking van indicatoren o.m. de volgende aspecten mee te nemen: inkomen, materiële ontbering, onderwijs, huisvesting, gezondheid, blootstelling aan risico en sociale participatie.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Volgens de EU-definitie leven „mensen die in armoede dreigen te vervallen” in gezinnen waarvan het totale inkomensequivalent minder is dan 60 % van het nationale equivalent van het middeninkomen van gezinnen (om de schaal van equivalenten te bepalen, wordt gebruik gemaakt van de gewijzigde equivalentenschaal van de OESO).

(2)  Europese Raad te Brussel, 23 en 24 maart 2006, Conclusies 7775/06 rev. 1, punt 72.

(3)  Zie de website van Eurostat, het bureau van de statistiek van de Europese Gemeenschappen: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/statistics/themes

(4)  Een kind „dat een risico op armoede loopt” leeft in een gezin „dat een risico op armoede loopt”, d.w.z. een gezin waarvan het totale inkomensequivalent minder is dan 60 % van het nationale equivalent van het middeninkomen van gezinnen.

(5)  Die national poverty risk gap (eigenlijk: relative median at-risk-of-poverty gap) komt overeen met het verschil tussen de totale middeninkomensequivalenten van mensen die onder de drempel leven waarop het risico op armoede ontstaat, en de waarde van die inkomensdrempel. Dit verschil wordt uitgedrukt als een percentage van die inkomensdrempel.

(6)  Zie de website van Eurostat: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/statistics/themes

(7)  In het rapport van 2007 van het EU-netwerk van onafhankelijke deskundigen inzake maatschappelijke integratie wordt dit patroon opnieuw bevestigd. De conclusie die daaruit wordt getrokken, is dat vooral twee groepen kinderen in veel landen een duidelijk verhoogd risico op extreme armoede en maatschappelijke uitsluiting lopen, nl. kinderen die in instellingen leven of hebben geleefd, en Roma-kinderen. Een aantal andere situaties treedt echter ook vaak op de voorgrond: kinderen die gedwongen worden tot kinderarbeid; kinderen die het slachtoffer zijn van geweld, seksueel misbruik of mensenhandel, die te maken krijgen met verslavingen of betrokken raken bij misdaad; kinderen met een handicap; minderjarigen zonder volwassen begeleiders; kinderen uit dakloze gezinnen en straatkinderen (Frazer en Marlier, 2007).


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/40


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De gevolgen voor de werkgelegenheid van door de milieu-, energie- en klimaatproblematiek geïnduceerde industriële reconversie” (verkennend advies)

2011/C 44/07

Rapporteur: De heer Valerio SALVATORE

Corapporteur: De heer Enrique CALVET CHAMBÓN

De heer Paul MAGNETTE, Belgisch minister van klimaat en energie, heeft in een brief d.d. 9 februari 2010 het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) namens het Belgische EU-voorzitterschap verzocht om overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een verkennend advies op te stellen over

De gevolgen voor de werkgelegenheid van door de milieu-, energie- en klimaatproblematiek geïnduceerde industriële reconversie”.

De CCMI, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 juli 2010 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 15 juli 2010) onderstaand advies uitgebracht, dat met 89 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De context waarin het komende Belgische EU-voorzitterschap het EESC heeft gevraagd om een verkennend advies over de gevolgen voor de werkgelegenheid van door de bestrijding van de klimaatverandering geïnduceerde industriële reconversie, kenschetst zich door drie mislukkingen, ofwel - om het wat zachter uit te drukken - door drie ongunstige scenario's in een wereld die in haar voegen kraakt vanwege een economische crisis van ongekende proporties:

A.

In de EU zijn de prijzenswaardige doelstellingen van de Lissabonstrategie nauwelijks bereikt;

B.

De financiële sector schudt op zijn grondvesten als gevolg van een gigantische crisis die werd veroorzaakt door een tekortschietende regelgeving en onvoldoende toezicht;

C.

De resultaten van de VN-Top in Kopenhagen (waarvan de bedoeling was dat er een wereldwijde klimaatovereenkomst zou worden gesloten die het protocol van Kyoto moest gaan vervangen) laten te veel te wensen over.

1.2

De EU moet er niet alleen toe bijdragen dat de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd daadwerkelijk wordt teruggedrongen, maar moet ook haar economie en arbeidsmarkt dusdanig vormgeven dat de doelstellingen van de Lissabonstrategie vóór 2020 wel worden bereikt, te weten: de EU moet in staat worden gesteld om de internationale concurrentie het hoofd te bieden en de massale werkloosheid in Europa moet een halt worden toegeroepen.

1.3

Het EESC heeft o.m. bij monde van de CCMI een aantal adviezen uitgebracht over de problematiek van energie, klimaat, duurzaamheid, industriële reconversie en werkgelegenheid: CCMI/002, CCMI/024, CCMI/027, CCMI/029, CCMI/045, CCMI/052, CCMI/053, ECO/267, NAT/392, NAT/440 en NAT/453 e.a. Het thema van onderhavig advies wordt horizontaal benaderd, maar uiteraard moet er ook nog regionaal en sectoraal onderzoek worden gedaan om de in dit advies naar voren gebrachte denkbeelden hard te kunnen maken, met name als het gaat over de werkgelegenheid.

1.4

De Europa 2020-strategie moet het falen van haar voorganger, de Lissabonstrategie, goedmaken. De EU krijgt met deze nieuwe strategie dus weer een kans, met dien verstande dat het MKB daarin dan wel een doorslaggevende rol moet worden toebedeeld. Het EESC pleit voor meer economische samenwerking in Europa en een nieuwe gemeenschappelijke interpretatie van het begrip „concurrentievermogen”.

1.5

De EU heeft behoefte aan een sterker economisch bestuur binnen haar institutioneel bestel (d.w.z. dat moet worden nagedacht over de overdracht aan de huidige EU-instellingen van de soevereiniteit over bepaalde onderdelen van economisch beleid), teneinde een industriële reconversie te bevorderen waardoor Europa's economie groener en Europa's werkgelegenheid duurzamer wordt.

1.6

De wereld evolueert: door de demografische veranderingen, de milieuproblemen in Afrika, Azië en Latijns Amerika, het in veel landen nijpende probleem van het drinkwatertekort en de bestrijding van de klimaatverandering groeit wereldwijd de behoefte aan groene producten en technologie, wat op zijn beurt weer bevorderlijk is voor het scheppen van duurzame werkgelegenheid. Ook mag niet worden vergeten dat de bekende grondstofvoorraden waaruit wordt geput voor de productie van energie, niet onbeperkt zijn.

1.7

Een werkgelegenheidsstrategie die op de totstandbrenging van een „duurzame” economie is gericht, kan worden gebaseerd op de in de lidstaten al ver gevorderde kennis en bekwaamheid. Dat zijn troefkaarten die de EU, die immers een tekort heeft aan banen voor geschoolde werknemers, moet uitspelen. Vandaar dat de lidstaten meer moeten investeren in onderwijs en bij- en omscholing en zich o.a. ook meer moeten inzetten voor wetenschap, technologie en engineering. Volgens het EESC worden er momenteel veel te weinig overheidsgelden geïnvesteerd in onderwijs, dat deel moet uitmaken van een samenhangende strategie voor levenslang leren.

1.8

De EU en haar lidstaten moeten het nodige doen om te zorgen voor bedrijfsomschakelingen die niet indruisen tegen hun doelstellingen om bestaande banen te behouden en nieuwe banen te creëren.

1.9

Een „groene” economie, d.w.z. een economie waarin veel onderzoek wordt gedaan, waarin nieuwe toepassingen ruimschoots ingang vinden en waarin naar meer concurrentievermogen wordt gestreefd, moet de arbeidsmarkt wel beïnvloeden in de zin van meer vaste banen en banen voor geschoolde werknemers, waardoor het risico op onzekere arbeid afneemt. Daarom zouden de lidstaten meer moeten investeren in hun stelsels voor onderwijs en voortgezette opleiding.

1.10

Onderzoek wordt meestal door de overheid gesteund. Idem dito voor het effectieve gebruik van nieuwe groene technologie en de verbetering van al beschikbare groene en doeltreffende technologie, vooral via belastingmaatregelen. Vandaar dat een gezonde en naar behoren geschoolde overheidssector een voorwaarde is voor sociaaleconomische vooruitgang en vooruitgang op het gebied van het milieu. Het algemeen belang is dus niet altijd gebaat bij afzwakking van de overheidssector door de privatisering van alle economische activiteiten. Het EESC vindt dan ook dat de regelgeving voor de liberalisering van de energiemarkt aan herziening toe is, omdat het algemeen belang gediend moet blijven.

1.11

Nieuwe banen moeten worden verwacht van - vooral kleine en middelgrote - particuliere ondernemingen. Daarom is het ook de taak van de overheid om in EU-verband een stabiel en constructief rechtskader in het leven te roepen waardoor particuliere ondernemingen onder optimale omstandigheden kunnen overstappen op een groenere en bloeiende economie die veel duurzame banen genereert.

1.12

Het EESC stelt voor om een Europees fonds op te richten dat specifiek tot doel heeft om steun te verlenen aan industriële reconversie en dan met name aan onderzoek, ontwikkeling en de toepassing van groene technologie. Bij dat laatste wordt zowel gedacht aan technologie voor hernieuwbare energie als aan nieuwe technieken waarmee de uitstoot van energievretende bedrijven daadwerkelijk kan worden teruggedrongen.

1.13

De EU kan niet zonder een solide industrie. Een solide industrie is onmisbaar, omdat de doelstellingen van duurzame werkgelegenheid anders onmogelijk kunnen worden bereikt. Veel werkgelegenheid, zelfs in de dienstensector, staat of valt met het welslagen van de Europese industrie. Vandaar dat industriële reconversie anders verloopt naar gelang van de sector en de regio en geleidelijk aan tot stand moet komen. Zo kan worden voorkómen dat de arbeidsmarkt eronder lijdt en dat het voor de EU immers zo broodnodige industriële netwerk aan het wankelen wordt gebracht. Milieubeleid moet niet worden geblokkeerd, maar dient op een manier te worden gevoerd die bevorderlijk is voor sociale duurzaamheid.

1.14

Het EESC adviseert dat bij de hervorming van het GLB voor de periode na 2013 rekening wordt gehouden met het belang van de landbouw en dat daarmee wordt bijgedragen aan de totstandbrenging van de noodzakelijk synergie met ander EU-beleid op het gebied van onderzoek, nieuwe technologie en bedrijfsmodernisering.

1.15

De lidstaten moeten het samen eens worden over een belasting op financiële transacties. De inkomsten uit die belasting zouden moeten worden aangewend om de overheidstekorten aan te zuiveren: zo krijgen de lidstaten meer armslag, bijvoorbeeld om meer in onderwijs te investeren.

1.16

De industriële reconversie naar een groene economie vraagt om een geheel nieuwe definitie van de begrippen „groei” en „concurrentievermogen”. Het EESC heeft zich al uitgesproken voor nieuwe criteria waaraan sociaaleconomische vooruitgang moet worden getoetst. Het blijft ervan overtuigd dat industriële reconversie en werkgelegenheid alleen het predicaat „duurzaam” kunnen verdienen als de EU en de rest van de wereld overeenstemming bereiken over een andere opvatting van het begrip „groei”. De door de Commissie voorgestelde Europa 2020-strategie gaat in dat opzicht niet ver genoeg.

1.17

Volgens het EESC is het de taak van de EU-instellingen om wereldwijd voor een gelijk speelveld te zorgen, zodat voor de werkgelegenheid slechte en voor het milieu schadelijke bedrijfsverplaatsingen of zelfs de ontmanteling van hele sectoren worden voorkómen.

1.18

Als institutionele spreekbuis voor Europa's maatschappelijk middenveld en belangrijk forum voor de gestructureerde dialoog zet het EESC zich ervoor in dat Europa's burgers democratische inspraak krijgen in het brede debat dat moet worden gevoerd over de industriële reconversie, de impact van die industriële reconversie op de arbeidsmarkten en het tempo en de algemene sociale gevolgen ervan.

2.   Draagwijdte van onderhavig advies

2.1

Het komende Belgische EU-voorzitterschap heeft gevraagd om een politiek advies dat nieuwe wegen opent voor de discussie. Volgens de functionarissen die namens dat voorzitterschap spreken, moet de invalshoek niet sectoraal, maar horizontaal en algemeen zijn. De bedoeling is niet dat een studie wordt gedaan, maar dat een politieke strategie wordt uitgestippeld. Het komende Belgische EU-voorzitterschap zal dit advies op de agenda van een informele raad van ministers van energie zetten.

2.2

De milieu- en klimaatproblematiek vormt de grondslag voor de Verklaringen van de Europese Raad over de VN-Top in Kopenhagen. Aan energievoorziening zitten meerdere dimensies. Europa's burgers moet middels het extern beleid van de (lidstaten van de) EU toegang worden geboden tot alle beschikbare energiebronnen, maar dat is niet het thema van onderhavig advies: in dit advies gaat het over het probleem van de energievoorziening in het kader van door de bestrijding van de klimaatverandering geïnduceerde industriële reconversie, waarbij vooral wordt gekeken naar de gevolgen van die industriële reconversie voor de werkgelegenheid in Europa.

2.3

In onderhavig advies wordt het begrip „groen” gebezigd om te verwijzen naar goederen of productiewijzen die op duurzaamheid zijn gericht en die dus de doelstellingen van de EU inzake de bestrijding van de klimaatverandering helpen verwezenlijken. Het EESC houdt een pleidooi voor inspanningen om „Europa's economie groener (te) maken” en om - wat de arbeidsmarkt betreft– zoveel mogelijk „duurzame banen” te creëren. Met dat laatste wordt gedoeld op de hoogwaardige banen (incl. opleiding en kwalificaties) die nodig zijn om dat resultaat te bereiken. Bij dat laatste moet het dus gaan om kwaliteitsbanen, d.w.z. banen die bestemd zijn voor geschoolde werknemers en waarmee maatschappelijke integratie kan worden gegarandeerd (zie ook het advies over „Bevordering van duurzame groene banen in het kader van het EU-energie- en klimaatveranderingspakket”/TEN/401 waarin de door de directeur van de afdeling Economische en arbeidsmarktanalyse van de IAO, in reactie op een recent initiatief van de Commissie, voorgestelde definitie van groene banen wordt gegeven). Tegen deze achtergrond wijst het EESC bovendien op het advies dat het in oktober 2009 over flexizekerheid heeft uitgebracht (1).

3.   Wat op het spel staat, verworvenheden en een nieuwe kans

3.1

Hieronder wordt kort teruggekomen op de algemene context waarin om dit verkennend advies is gevraagd. Zoals gezegd, kenschetst die context zich door drie onderling nauw verweven mislukkingen.

Wat op het spel staat – het falen van de strategie van Lissabon

3.2

Doel van de strategie van Lissabon voor de EU was om „de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang” (citaat uit de Conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 maart 2000).

3.3

Helaas moet het EESC begin 2010 vaststellen dat er maar weinig is terechtgekomen van al die op zich goed gekozen en noodzakelijke plannen. Vooral de resultaten op het gebied van de werkgelegenheid zijn bedroevend. Zo was in de strategie van Lissabon o.m. voorzien dat een concurrerendere economie een positieve uitwerking zou hebben op de werkgelegenheid.

Wat op het spel staat – het falen van de regelgeving voor de financiële markt

3.4

Het opbloeien van de economie, de groeifase van 2005 tot 2008, was te danken aan een samenspel van factoren: de Europese landen die het vooral van de uitvoer van industriegoederen moeten hebben, profiteerden van de sterke vraag vanuit Aziatische landen (vooral China). Andere Europese landen kenden een – inmiddels ongezond gebleken - hausse in de speculatieve financiële en de vastgoedsector. Anders gezegd berustte de vooruitgang die werd geboekt, deels op een vraag van buitenaf, deels op veel speculatie in de vastgoedsector. Bedoelde groei van Europa's economie was dus niet duurzaam. Voorwaarden voor een duurzame groei en een goed presterende arbeidsmarkt zijn zowel een externe vraag (uitvoer) als een interne vraag.

3.5

Alle hoop die nog kon worden gekoesterd in de strategie van Lissabon, vervloog met de internationale financiële crisis. Die crisis was de genadeslag. De werkloosheid in Europa neemt weer toe en er is nog geen licht aan het einde van de tunnel. De kenniseconomie is nog geen feit, al was het maar vanwege de moeilijkheden die veel lidstaten in hun onderwijsstelsels ondervinden of vanwege het aandeel dat onderzoek in de EU inneemt in het BBP: te veel lidstaten blijven wat dat betreft ver achter bij de doelstellingen van Lissabon. De staatsschulden (en in sommige gevallen ook de schuldenlast van particulieren) nemen een dermate grote omvang aan dat moet worden gevreesd voor het faillissement van bepaalde lidstaten. De oplossing die voor al die problemen wordt gevonden - zij het aan de inkomsten-, zij het aan de uitgavenkant -, mag aanzienlijke investeringen niet in de weg staan.

Wat op het spel staat – het falen van de VN-Top in Kopenhagen

3.6

De Europese Raad van Göteborg van 15 en 16 juni 2001 voegde een nieuwe dimensie toe aan de strategie van Lissabon: de strategie voor duurzame ontwikkeling. Beide strategieën samen impliceerden dat onderzoek moet worden gedaan naar de sociaaleconomische en milieugevolgen van EU-beleid, waarbij vooral ook moet worden gekeken naar de planetaire dimensie van de klimaatverandering.

3.7

De VN wilden dan ook dat er tijdens de Top van Kopenhagen (7 t/m 18 december 2009) voor de hele planeet zou worden afgesproken om de strijd tegen de klimaatverandering (die volgens de meeste wetenschappers wordt veroorzaakt door de uitstoot van broeikasgassen) op te voeren. De 192 landen die het VN-Kaderverdrag inzake klimaatveranderingen van 1997 (CCUNCC) hadden geratificeerd, hebben vergeefs geprobeerd om een nieuw internationale overeenkomst te sluiten die in de plaats moest komen van het vanaf 2005 vigerende protocol van Kyoto.

3.8

Het spreekt voor zich dat milieuvervuiling en de klimaatverandering, vooral in grootsteden, een ernstig probleem vormen. Ook moet dringend een oplossing worden gevonden voor het probleem van de planetaire demografie: negen miljard mensen kunnen alleen overleven als de hulpmiddelen die er zijn, op een billijke en meer op duurzaamheid gerichte wijze worden benut. Als onze samenlevingen nalaten om op tijd met weldoordachte oplossingen te komen, dreigen de problemen als gevolg van het energietekort en de ontoereikende toegang tot energie alleen maar nijpender te worden. Gezien deze omstandigheden moet gebruik worden gemaakt van beschikbare technologie en oplossingen waarmee bijvoorbeeld gebouwen energie-efficiënter kunnen worden gemaakt. Verder is er zonder meer behoefte aan nieuwe technologie, vooral voor energievretende bedrijven, maar daaraan niet alleen: het publiek moet ook anders gaan aankijken tegen „publieksgoederen”, zoals water: de watervoorraad moet beter worden beheerd en vooral beter worden bewaard. Toegang tot water zou moeten worden uitgeroepen tot een mensenrecht.

3.9

Die planetaire dimensie is uiterst belangrijk, omdat hierin een kans ligt voor een innoverende Europese industrie die nu al erg concurrerend is op de markt van „groene” goederen en diensten. Door die troef in internationale onderhandelingen welbewust uit te spelen, kan de EU daadwerkelijk bijdragen aan de terugdringing van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, maar ook haar economie en arbeidsmarkt ontwikkelen in de zin van de doelstellingen van Lissabon.

Verworvenheden: wat zijn de aanknopingspunten voor het EESC?

3.10

Het EESC heeft de afgelopen jaren o.m. bij monde van de CCMI een aantal adviezen uitgebracht over de problematiek van energie, klimaat, duurzaamheid, industriële reconversie en werkgelegenheid. Onderhavig advies borduurt voort op die belangrijke werkzaamheden. Wat het daaraan toevoegt, betreft de vaststelling van de hierboven beschreven mislukkingen: het falen van de strategie van Lissabon, het falen van de regelgeving voor de financiële markt en het falen van de VN-Top in Kopenhagen.

3.11

Het EESC heeft al eerder aangegeven dat concurrentievermogen moet worden verzoend met duurzame ontwikkeling en sociale samenhang (2).

3.12

Het stelde vast dat de werkgelegenheidsstrategie „ … niet (mag) worden losgezien van de macro-economische randvoorwaarden … ” (3).

3.13

Ook herinnerde het eraan dat „Dankzij een politiek besluit van de betrokken staten en de EU … de hypothese die uitgaat van een antropogene oorzaak van de klimaatverandering — in de vorm van een stijging van de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer — de grondslag (vormt) voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel” (4).

3.14

De CCMI heeft zich ook gebogen over het thema „duurzame ontwikkeling en industriële reconversie” om „na te gaan hoe Brundtland's definitie van „duurzame ontwikkeling” … als katalysator voor … industriële reconversie kan fungeren (5). Die door de internationale commissie voor milieu en ontwikkeling in het Brundtland-rapport (1987) gegeven definitie vormt ook het uitgangspunt voor onderhavig advies.

3.15

In een ander advies stelde het EESC vast dat sprake is van „ … een nieuwe industriële revolutie …, waarbij de kwaliteit van leven en het milieu centraal staan … ” (6).

3.16

Volgens het EESC is een solide industriële basis van wezenlijk belang voor Europa's sociaal model. Het waarschuwde ervoor dat „Een eventuele verplaatsing van de energie-intensieve industrie naar buiten de EU … Europa veel minder aantrekkelijk (zou) maken als vestigingsplaats voor bedrijven (en zou) leiden tot minder economische groei en werkgelegenheid … ” (7). Tegen die achtergrond zal het de kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie „Een Europa dat doeltreffend omgaat met hulpbronnen” en „Een industriebeleid in een tijd van globalisering” met belangstelling volgen.

3.17

Het EESC gaat uit van de hypothese dat „Het BBP … een belangrijke indicator (is) voor economische groei, maar als beleidskompas. tekort (schiet) om er de uitdagingen van de 21ste eeuw mee tegemoet te treden” (8). Het heeft een advies uitgebracht waarin de Commissie wordt aangeraden om nieuwe maatregelen in de Europa 2020-strategie op te nemen teneinde „ … tegen 2011 over een kader te beschikken op basis waarvan duidelijke voorstellen kunnen worden uitgewerkt voor vergelijkbare acties op mondiaal niveau, met het oog op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling die de VN voor 2012 heeft aangekondigd ” (9).

3.18

In de Europa 2020-strategie (10) moet het zwaartepunt volgens het EESC bij banengroei worden gelegd.

3.19

Tot ongenoegen van het EESC heeft de Commissie verzuimd om haar analyse van de grote vraagstukken voor de toekomst:„de koolstofarme economie; bescherming van biodiversiteit, water en andere natuurlijke hulpbronnen; bevordering van sociale integratie, en versterking van de internationale dimensie van duurzame ontwikkeling” (11) verder uit te diepen. Om de doelstellingen ervan te kunnen bereiken, zou de strategie voor duurzame ontwikkeling moeten worden uitgerust met een „geheel nieuwe governancestructuur” (12). Vooruitgang als het gaat om het menselijke welzijn zou volgens het EESC op een geheel nieuwe manier moeten worden gemeten.

3.20

Tot slot heeft het EESC er nog op gewezen dat de meest geïndustrialiseerde landen ter wereld hun broeikasgasuitstoot vóór 2050 met minstens 80 % zouden moeten verminderen.

De Europa 2020-strategie als nieuwe kans

3.21

De Europa 2020-strategie moet goed maken wat niet is gelukt met de strategie van Lissabon. De Commissie heeft die nieuwe sturende gedachte achter de sociaaleconomische ontwikkeling van de EU geschetst in een Mededeling van 3 maart 2010 (COM(2010) 2020). Die strategie moet van de EU „een slimme, duurzame en inclusieve economie kunnen maken met een hoog niveau van werkgelegenheid, productiviteit en sociale cohesie”, aldus de Commissie. Daaruit leidt het EESC af dat de superlatieven van de strategie van Lissabon van 2000 hebben afgedaan. De EU zou – nog steeds volgens de Commissie – moeten toewerken naar een groenere economie door o.m. 3 % van het BBP in O&O te investeren, naar een arbeidsparticipatie onder burgers van 20 tot 64 jaar van 75 % te streven en - belangrijk voor onderhavig advies - naar een vermindering van de broeikasgasuitstoot met minstens 20 % (referentiejaar: 1990) toe te werken. Onderwijs moet beter worden, zodat kan worden gezorgd voor een slimme groei doordat „ … we … ons concurrentievermogen ten opzichte van onze belangrijkste handelspartners opvoeren door middel van een hogere productiviteit”. De EU moet, vervolgt de Commissie, „haar leidende positie op de markt voor groene technologie zien te behouden”, alhoewel zij op dat gebied „terrein (verliest) aan belangrijke concurrenten zoals China en Noord-Amerika”.

3.22

De eerste reacties op deze Mededeling getuigen van een zekere teleurstelling, omdat burgers méér verwachten van hun regeringen, van de EU-instellingen (gezien hun bevoegdheden en taken) en van de Europese governance. Fractiewoordvoerders in het Europees Parlement noemden deze strategie weinig ambitieus en niet opgewassen tegen de uitdagingen van nu en later.

3.23

Het EESC vindt vooral dat het zwaartepunt in de Europa 2020-strategie meer bij de doorslaggevende rol van het MKB moet worden gelegd, omdat in Europa de meeste arbeidsplaatsen in kleine en middelgrote ondernemingen worden gecreëerd en het MKB ontegenzeggelijk de drijfkracht achter industriële reconversie is. De Commissie zou zich daarom meer moeten inzetten voor de toepassing van een systeem voor de bescherming van de intellectuele eigendom: daar zullen vooral kleine en middelgrote ondernemingen van profiteren, omdat die meestal niet over de middelen beschikken om hun uitvindingen te beschermen.

3.24

Het EESC pleit ervoor dat in EU-verband meer wordt samengewerkt op economisch gebied en dat aan het begrip „concurrentievermogen” een nieuwe gemeenschappelijke definitie wordt gegeven. Zo kan de noodzakelijke industriële reconversie die zich nu al voordoet om

de broeikasgasuitstoot te verminderen,

natuurlijke hulpmiddelen beter te gebruiken en

voor optimale energie-efficiëntie te zorgen,

in de lidstaten meer kwaliteitsbanen generen, met dien verstande dat dan wel het onderwijs moet worden verbeterd en er meer in onderzoek moet worden geïnvesteerd.

4.   Hoe kan er in de EU een industriële reconversie op gang worden gebracht die bevorderlijk is voor de bestrijding van de klimaatverandering en gunstig voor de werkgelegenheid?

4.1

De EU heeft behoefte aan sterker economisch bestuur binnen haar institutioneel bestel (d.w.z. dat moet worden nagedacht over de overdracht aan de huidige EU-instellingen van de soevereiniteit over bepaalde onderdelen van economisch beleid), of dat nu in handen van de Europese Raad wordt gelegd of aan de euro-groep wordt toevertrouwd. Uit de gevolgen van de financiële crisis is gebleken dat er meer coördinatie nodig is om verstoringen op de interne markt te voorkómen en de voorwaarden te creëren voor een industriële reconversie waardoor Europa's economie groener wordt en er duurzame werkgelegenheid wordt gecreëerd.

4.2

Duurzame banen hebben de wind in de zeilen, omdat deze de gunstige invloed zullen ondergaan van internationale ontwikkelingen die voor de EU als geheel – en dus niet per lidstaat - de uitdagingen van de toekomst zullen worden. Daarbij gaat het om:

de demografische ontwikkeling en de uitdaging om in 2050 negen miljard mensen te voeden;

het toenemende aantal megasteden waardoor het milieu, vooral in Azië en Latijns Amerika, zwaar wordt belast;

het drinkwatertekort in veel ontwikkelingslanden;

de bestrijding van de klimaatverandering, d.i. de terugdringing van de emissies en vooral de slimme en duurzame aanwending van de steeds in mindere mate beschikbare energie, waarbij het zowel gaat om de krimpende voorraden aan fossiele energie als om de productie van alternatieve energie.

4.3

Door al die onloochenbare ontwikkelingen neemt de vraag naar groene producten en technologie toe en ontstaat er een moderne industrie die steeds meer duurzame banen creëert. Die duurzame banen zijn billijk en productief en staan in voor een rechtvaardige transitie en een groot concurrentievermogen. Dat concurrentievermogen is niet langer een zaak van energievretende bedrijven die alleen maar steeds méér proberen te produceren, maar zal voortaan worden gericht op duurzaamheid. Eens te meer wordt duidelijk dat er behoefte is aan een sectorgebonden strategische benadering: vooral basisbedrijven en –technologie (bv. de bouw, bio- en nanotechnologie), maar ook nieuwe groene technologie hebben een multiplier-effect op industriële reconversie in de zin van een menselijkere en groenere economie.

4.4

Een dergelijke industriële reconversie helpt de samenleving ook om stabieler te worden en draagt bij aan de internationale veiligheid, omdat de vrede in de 21ste eeuw vooral wordt bedreigd door het schadelijke effect van de vervuiling, de klimaatverandering, de schaarste en de aanwas van de wereldbevolking. Wat hier op het spel staat, is zo enorm dat oplossingen niet meer op nationaal bestuursniveau moeten worden gezocht, maar alleen door nauwe internationale samenwerking en samenwerking binnen de EU tot stand kunnen worden gebracht. De EU als geïntegreerde ruimte moet zich voorzien van de nodige politieke en wettelijke instrumenten om die taak te kunnen vervullen.

4.5

Een dergelijke werkgelegenheidsstrategie bergt in zich de belofte van meer productiviteit en rendabiliteit op de middellange en lange termijn en kan worden gebaseerd op een in de lidstaten al ver ontwikkelde schat aan kennis en knowhow en op de voorsprong die de EU op de wereldmarkt voor groene technologie heeft genomen. Die troeven moeten door de EU worden uitgespeeld door richtsnoeren uit te werken, Europese fondsen op te richten en – in overeenstemming met de sociale partners (met name overeenkomsten conform artikel 155 VWEU) – Europese wetgeving uit te vaardigen die de weg vrij maken voor de overgang naar een duurzame economie met weinig werkloosheid en kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid. Een groene economie waarin veel onderzoek wordt gedaan en nieuwe toepassingen ruimschoots ingang vinden, zou niet moeten worden gegrondvest op een arbeidsmarkt waar normale banen geleidelijk aan wegvallen om plaats te maken voor atypische werkgelegenheid.

4.6

In die zin moet de regelgeving van de dienstensector opnieuw onder de loep worden genomen, omdat daarin onvoldoende kwaliteitsbanen worden gecreëerd. De tendens is eerder dat de banen in die sector steeds vaker atypisch zijn en soms zelf geen arbeidszekerheid bieden. Die ontwikkeling helpt niet mee aan de consolidering van de kennismaatschappij, terwijl juist die kennismaatschappij ongetwijfeld een belangrijke voorwaarde is voor een concurrentiekrachtige en duurzame economie. De EU heeft behoefte aan banen voor geschoolde werknemers. Daarom moeten de lidstaten meer investeren in onderwijs en bij- en omscholing. Volgens het EESC worden er momenteel veel te weinig overheidsgelden geïnvesteerd in onderwijs, dat deel moet uitmaken van een samenhangende strategie voor levenslang leren.

4.7

Wat het begrip „concurrentievermogen” precies inhoudt, moet opnieuw worden overwogen in EU-verband. De Commissie gaat wat dat betreft niet ver genoeg in haar Mededeling van 3 maart jl. Investeren in groene technologie, gekoppeld aan een consequenter gebruik van beschikbare investeringsgelden, betekent dat nu een inspanning moet worden gedaan die niet onmiddellijk tot meer concurrentievermogen leidt, maar misschien wel op de lange termijn.

4.8

De EU zou zich opnieuw moeten bezinnen op de bijdrage die nationale overheden aan de bevordering van nieuwe technologie, industriële reconversie en duurzame werkgelegenheid kunnen leveren. De overheid kan over de middelen beschikken om een langetermijninvestering te doen in veelbelovende, maar op korte termijn nog niet rendabele nieuwe technologie, zonder na te laten om bestaande en doeltreffende technologie te promoten. De overheid speelt een belangrijke rol in de ondersteuning van onderzoek en wat betreft het effectieve gebruik van nieuwe groene technologie en de verbetering van bestaande en doeltreffende groene technologie, vooral via belastingmaatregelen. Nationale overheden zouden in eerste instantie moeten instaan voor investeringen die het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen het meeste terugdringen. Het hieronder voorgestelde Europees fonds zou daarbij kunnen helpen.

4.9

Vandaar dat een gezonde en naar behoren geschoolde overheidssector een voorwaarde is voor sociaaleconomische vooruitgang en vooruitgang op het gebied van het milieu. Het algemeen belang is dus niet altijd gebaat bij afzwakking van de overheidssector door de privatisering van alle economische activiteiten. De overheidssector zou, waar mogelijk samen met de particuliere sector, in staat moeten zijn om in het belang van burgers en bedrijfsleven infrastructuurinvesteringen te doen. Daarentegen moeten subsidies waarvoor alleen bepaalde bedrijven in aanmerking komen, worden uitgebannen, omdat de marktwerking daardoor kan worden verstoord. Nationale overheden zouden bij voorkeur gebruik moeten maken van fiscale instrumenten om een groene industriële reconversie op gang te helpen brengen.

4.10

De liberalisering van de energiemarkt heeft tot dusverre noch tot hoogwaardigere dienstverlening, noch tot prijsverlaging geleid. Er valt dan ook niet te ontkomen aan de vaststelling dat het risico van onderinvestering in de energienetwerken erg groot is. De regelgeving voor geliberaliseerde markten moet worden herzien met een drieledig doel: daadwerkelijke concurrentie in het belang van de burgers, continuïteit van de energievoorziening en verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen.

4.11

Het EESC stelt voor om een Europees fonds op te richten dat specifiek is gericht op steunverlening aan industriële reconversie en dan met name aan onderzoek, ontwikkeling en de toepassing van groene technologie. Bij dat laatste gaat het zowel om technologie voor hernieuwbare energie als om nieuwe technieken waarmee de emissies daadwerkelijk kunnen worden teruggedrongen.

4.12

De EU kan niet zonder een solide industrie. Het sociaaleconomisch belang van energievretende bedrijven varieert van de ene op de andere regio. Daarom moet industriële reconversie geleidelijk verlopen, zodat wordt voorkómen dat hun omschakeling de arbeidsmarkt van de betrokken regio nadelig beïnvloedt. De energievoorziening is van strategisch belang voor de toekomst. Er moet meer worden geïnvesteerd in nieuwe technologie die leidt tot minder energieverbruik voor evenveel productie en minder uitstoot van broeikasgassen. Dat zou de banen in energievretende bedrijven veilig stellen, terwijl die bedrijven ook nog eens beter gaan presteren op energiegebied.

4.13

Het EESC adviseert om bij de hervorming van het GLB voor de periode na 2013 (waarover het al met grote meerderheid van stemmen een initiatiefadvies heeft goedgekeurd) naar een ontwikkeling te streven die in overeenstemming is met het belang dat landbouw heeft voor plattelandsgebieden (die meer dan 80 % van het hele grondgebied bestrijken) en met de internationale afspraken die ten behoeve van de ontwikkelingslanden zijn gemaakt. Door die hervorming zou de aanwending van de noodzakelijke synergieën moeten worden geoptimaliseerd, waarbij een impuls wordt gegeven aan ander EU-beleid op het gebied van onderzoek, nieuwe technologie en bedrijfsmodernisering. Dit geldt met name voor de sectoren en regio's die het meest te maken hebben met industriële reconversie, ofwel waar veel energievretende bedrijven actief zijn die in nieuwe groene technologie moeten investeren om hun emissies terug te dringen en aldus hun werkgelegenheid veilig te stellen.

4.14

De lidstaten moeten het samen eens worden over een belasting op financiële transacties. Met die belasting moeten de rampzalige gevolgen van speculatie worden verzacht waardoor het bankwezen stabieler wordt, en moet de positie van de gemeenschappelijke munt in de eurozone worden versterkt. De inkomsten uit die belasting zouden moeten worden aangewend om de overheidstekorten aan te zuiveren: zo krijgen de lidstaten meer armslag, bijvoorbeeld om meer in onderwijs te investeren. Gezonde staatsfinanciën en een arbeidsmarkt met voldoende geschoolde werknemers zijn voorwaarden voor een groene omschakeling van het Europese bedrijfsleven.

4.15

Een dergelijke industriële revolutie heeft maatschappelijke gevolgen die stroken met het ideaal van een duurzame samenleving. De industriële overschakeling op een groene economie vergt een geheel nieuwe definitie van het begrip „groei”. Tegenwoordig is een burger iemand die kan consumeren. Zal het ooit lukken om „welzijn” te omschrijven als lichamelijk en geestelijk gezond zijn, democratische rechten en recht op participatie hebben, de kans krijgen om sociaal te integreren (vooral door toegang tot de arbeidsmarkt, op voorwaarde dat daar kwaliteitsbanen worden geboden), zich van energie kunnen voorzien en toegang hebben tot openbare goederen en diensten van algemeen belang? Die benadering impliceert dat wordt uitgegaan van een andere betekenis van „groei”, van een andere werking van de economie. In die nieuwe opvatting van „groei” volstaat het BBP als kwantitatieve maatstaf niet langer. Het EESC heeft zich al uitgesproken voor nieuwe maatstaven waaraan sociaaleconomische vooruitgang moet worden getoetst. Het blijft ervan overtuigd dat industriële reconversie en werkgelegenheid alleen het predicaat „duurzaam” kunnen verdienen als de EU en de rest van de wereld overeenstemming bereiken over een andere opvatting van het begrip „groei”. De door de Commissie voorgestelde Europa 2020-strategie gaat in dat opzicht niet ver genoeg.

4.16

Het is de taak van de EU-instellingen om wereldwijd voor een gelijk speelveld te zorgen, zodat bedrijfsverplaatsingen die slecht zijn voor de werkgelegenheid en schadelijk voor het milieu, of soms zelfs de ontmanteling van hele sectoren, worden voorkómen. Europa moet best practices genereren, maar er ook voor ijveren dat die zo spoedig mogelijk overal ter wereld worden toegepast, zodat schadelijke gevolgen (ook voor het milieu) van een tot Europa beperkte toepassing daarvan zonder meer worden voorkómen.

4.17

Als institutionele spreekbuis voor Europa's maatschappelijk middenveld en belangrijk forum voor de gestructureerde dialoog zet het EESC zich ervoor in dat Europa's burgers democratische inspraak krijgen in de brede debatten die worden gevoerd. De EU heeft behoefte aan een strategie die meer samenhang vertoont en bindender is dan de Europa 2020-strategie, d.w.z. aan een strategie die de weg vrij maakt voor een rechtvaardige, billijke en duurzame overschakeling op een groene economie, waarin het begrip „groei” een geheel nieuwe betekenis krijgt. Die nieuwe „groei” die Europa én de wereld nodig hebben, strookt met het ideaal van een duurzame samenleving en staat voor bestaanskwaliteit, actief burgerschap en een gezond leven.

Brussel, 15 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Zie EESC-advies over „Het gebruik van flexizekerheid bij herstructureringen tegen de achtergrond van de mondiale ontwikkeling” (PB C 318 van 23 december 2009)

(2)  PB C 10 van 14 januari 2004, blz. 105 en PB C 318 van 23 december 2006, blz. 1

(3)  PB C 65 van 17 maart 2006, blz. 58

(4)  PB C 185 van 8 augustus 2006, blz. 62

(5)  PB C 318 van 23 december 2006, blz. 1

(6)  PB C 120 van 16 mei 2008, blz. 57

(7)  PB C 77 van 31 maart 2009, blz. 88

(8)  PB C 100 van 30 april 2009, blz. 53

(9)  Zie CESE 647/2010 - NAT/453 (staat nog niet in het Publicatieblad)

(10)  PB C 128 van 18 mei 2010, blz. 3 (ECO/267) en PB C 100 van 30 april 2009, blz. 65 (CCMI/053)

(11)  PB C 128 van 18 mei 2010, blz. 18

(12)  Ibidem


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/47


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema „Naar een grotere marktpenetratie van elektrische voertuigen”

(verkennend advies op verzoek van het Belgische voorzitterschap)

2011/C 44/08

Rapporteur: de heer OSBORN

Het Belgische voorzitterschap heeft op 9 februari 2010 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het thema

Naar een grotere marktpenetratie van elektrische voertuigen (verkennend advies).

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 juni 2010 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 155 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en aanbevelingen

1.1

Het EESC staat vierkant achter inspanningen in Europa om de marktpenetratie van elektrische voertuigen en met name van elektrische auto's te vergroten. Hier is haast bij geboden, zowel om de broeikasgasemissies van de vervoerssector te helpen terugdringen als om Europa minder afhankelijk te maken van de invoer van olie, die steeds onzekerder wordt.

1.2

Het EESC steunt alle acties die de Commissie in haar recente mededeling over schone en energie-efficiënte voertuigen voorstelt. Ook adviseert het de Europese Unie en de EU-lidstaten om nog een aantal aanvullende maatregelen te nemen.

1.3

Wat de technologische kant van de zaak betreft, pleit het EESC voor een aantal prioriteiten op het vlak van O&O, voor een snelle invoering van belangrijke standaardisatieprogramma's, voor uitbreiding van relevante vaardigheden en opleidingsprogramma's en voor maatregelen om veranderingen in de werkgelegenheidspatronen in de automobielindustrie en aanverwante industrieën te begeleiden en soepel te laten verlopen.

1.4

Het EESC benadrukt dat de overschakeling op elektrische voertuigen alleen tot een vermindering van de broeikasgasemissies kan leiden als de elektriciteit voor de voertuigen zelf afkomstig is van CO2-arme of CO2-vrije bronnen. Gelijktijdig met de overstap op elektrische voertuigen moet dan ook worden overgeschakeld op CO2-armere manieren om elektriciteit op te wekken.

1.5

Een grootschalig gebruik van elektrische voertuigen en de aanzienlijke stroomopslagcapaciteit van alle elektrische accu's tezamen zouden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan een beter evenwicht tussen vraag en aanbod in de stroomvoorziening indien bij het netbeheer en in de oplaadvoorzieningen gebruik wordt gemaakt van intelligente technologie. Dit zou weliswaar lastig te organiseren zijn, maar er zouden dringend studies en projecten moeten komen om te proberen deze mogelijkheid uit te bouwen tot een win-winsituatie voor de vervoerssector en de stroomvoorzieningssector.

1.6

Een snelle overschakeling op elektrische voertuigen in de autosector vergt forse, op elkaar afgestemde inspanningen van de automobielindustrie, van nieuwe leveranciers van oplaadvoorzieningen, van de publieke sector - als instantie die reguleert, standaarden bepaalt, stimuleert en opleidt - en van het publiek als intelligente en betrokken maar wel veeleisende afnemer van de nieuwe technologie. Het EESC dringt er bij de Europese Unie en de EU-lidstaten op aan samen alles te doen wat in hun vermogen ligt om deze cruciale overschakeling te bevorderen en te ondersteunen en ervoor te zorgen dat Europa niet achter gaat lopen bij de snel feller wordende concurrentie van derde landen in deze uiterst belangrijke sector.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Hoewel in alle soorten vervoer geleidelijk aan steeds hogere efficiëntienormen worden bereikt, blijft de CO2-uitstoot in de vervoerssector jaar in jaar uit toenemen. Wil het vervoer een adequate bijdrage leveren aan de CO2-reducties die Europa heeft toegezegd vóór 2050 te realiseren, dan moet er meer worden gedaan dan alleen steeds grotere efficiëntiebesparingen in iedere vervoerswijze doorvoeren.

2.2

Er zijn fundamentele fysieke grenzen aan de mate waarin de CO2-uitstoot van een verbrandingsmotor kan worden verminderd. Op een bepaald punt zullen verdere verbeteringen alleen haalbaar zijn als er een fundamentele overschakeling plaatsvindt op nieuwe energiebronnen die weinig of helemaal geen CO2 uitstoten.

2.3

Er zijn verschillende mogelijkheden om dit te realiseren, maar een vroegtijdige overschakeling in de personenautosector, waarbij zo snel mogelijk eerst op hybride voertuigen en vervolgens op geheel elektrische voertuigen wordt overgegaan, biedt de beste vooruitzichten.

2.4

Er zijn meerdere redenen om zo snel mogelijk in actie te komen:

Door de CO2-emissie al in een vroeg stadium te beperken kan de klimaatverandering beter het hoofd worden geboden en kunnen dure aanpassingsmaatregelen in de toekomst worden voorkomen.

Bedrijfsleven (fabrikanten van motoren, fabrikanten van accu's, infrastructuurleveranciers, enz.) en overheid (O&O, infrastructuur, financiële stimulansen, enz.) zullen aanvankelijk met forse aanloopkosten te maken krijgen; hoe sneller de overschakeling kan plaatsvinden, hoe sneller de investeringen economisch rendement zullen opleveren.

Consumenten zijn steeds meer geïnteresseerd in voertuigen die weinig of geen CO2 uitstoten en een gouden kans voor Europa en de EU-lidstaten zouden kunnen inhouden om zich op te werpen als kampioen van dit omschakelingsproces, dat een succes kan worden als het in goede banen wordt geleid, mits de nieuwe voertuigen qua veiligheid, gemak, prestatie, betrouwbaarheid, ontwerp en prijs kunnen opwegen tegen hun traditionele rivalen.

Belangrijke concurrenten (zoals de VS, Japan en China) investeren al op grote schaal in elektrische voertuigen en zouden een enorme voorsprong kunnen nemen en een aanzienlijk concurrentievoordeel kunnen behalen als Europa niet net zo snel in actie komt.

Als Europa snel genoeg is om de ontwikkeling van elektrische voertuigen in Europa en de bijbehorende veranderingen in energietoevoer en netwerk te bevorderen zou de expansie van deze sectoren een flinke impuls kunnen geven aan de economische groei, de werkgelegenheid en de export van Europa. Omgekeerd zou de Europese economie ernstig verzwakt raken als Europa bij deze omschakeling zou achterblijven.

2.5

Tegen deze achtergrond is het EESC verheugd over de intensieve activiteiten binnen de Commissie, de Raad en de lidstaten om de overschakeling op elektrische voertuigen te ondersteunen en te versnellen. Het pleit voor een verdere drieledige Europese aanpak:

verdere steun t.b.v de technologische overschakeling door middel van O&O, uitvoeringsprogramma's, onderwijs en opleiding;

steun t.b.v. de noodzakelijke parallelle ontwikkeling van de elektriciteitssector, m.i.v. uitbreiding van duurzame energie, netwerk- en infrastructuurontwikkeling en standaardisering van de wijze van aansluiting van elektrische voertuigen op de elektriciteitsvoorziening;

ondersteuning van de omschakeling van de markt door middel van adequate stimuleringsmaatregelen om ervoor te zorgen dat de vraag gelijke tred houdt met het veranderende aanbod aan voertuigen.

3.   Steun voor de technologische omschakeling

3.1   Onderzoek en ontwikkeling

3.1.1

Er moet enorm veel gedaan worden om het O&O-peil op te trekken tot de nagestreefde 3 %. Verder moeten de programma's meer gericht worden op ondersteuning van de overschakeling naar een koolstofarme economie. Het EESC is verheugd dat in de nieuwe 2020-strategie belang aan het opvoeren van de O&O-inspanningen in het algemeen en extra belang aan ondersteuning van de overgang naar een groenere economie, waaronder de overschakeling op CO2-arme en elektrische voertuigen, wordt gehecht. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan het volgende:

Verdere verbetering van de accutechnologie om de actieradius van elektrische voertuigen te vergroten en de gekozen systemen beter bestand te maken tegen alle weers- en rijomstandigheden.

Alternatieve oplaadmethodes, zodat uiteindelijk de beste methoden tot standaard worden verheven.

Manieren om de verbreiding van elektrische voertuigen te koppelen aan een grootschaliger gebruik van duurzame of CO2-arme bronnen voor de stroomvoorziening.

Manieren om gebruik te maken van slimme meters en het elektriciteitsnet zo aan te passen dat accu's op tijdstippen van geringe belasting opgeladen kunnen worden.

De aanvoer van materialen die nodig zullen zijn voor het veel grootschaligere gebruik van accu's, vooral lithium en zeldzame aardmetalen, en alle maatregelen die genomen kunnen worden om de beschikbaarheid van de materialen te vergroten of zekerder te stellen of om de materialen te vervangen door andere, ruimer beschikbare materialen.

Maatregelen die van meet af aan getroffen zouden moeten worden om materialen uit afgedankte voertuigen en accu's nog zo goed mogelijk te gebruiken.

3.1.2

Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar demonstratieprojecten en andere uitvoeringsprogramma's. De ervaring met de Energy Technology Platforms moet worden uitgebreid en ontwikkeld tot proactieve programma's voor de invoering van hybride en elektrische auto's die via het stopcontact opgeladen kunnen worden en de infrastructuurondersteuning die zij vergen. Demonstratieprojecten in afzonderlijke steden en regio's die bereid zijn een gidsfunctie op zich te nemen (sommige Europese steden en regio's hebben dergelijke projecten al opgezet) moeten met passende stimuleringsmaatregelen actief worden aangemoedigd. Het CIVITAS-programma moet uitgebreid worden.

3.1.3

Het is zorgwekkend dat de huidige accutechnologie sterk leunt op materialen die hoofdzakelijk of uitsluitend uit China komen (lithium en zeldzame aardmetalen). Er is dringend behoefte aan onderzoek en geologische exploratie om alternatieve aanvoerbronnen van dergelijke materialen te vinden en recycling zo veel mogelijk te bevorderen.

3.2   Normen

3.2.1

Wettelijk vastgelegde minimumeisen voor de energie-efficiëntie van producten en diensten zijn van cruciaal belang. De EU heeft al normen vastgesteld voor de CO2-emissie van auto's, met tijdschema's voor verdere verbeteringen die in de toekomst geëist zullen worden. Maar deze programma's moeten nog wel uitgebreid worden en aan ambitieuzere doelstellingen voor de korte en langere termijn gekoppeld worden.

3.2.2

Bij de huidige emissiegrenzen voor (2015) wordt een superkrediet aan CO2-arme en elektrische voertuigen toegekend. Europese fabrikanten worden hierdoor sterk gestimuleerd om vaart te zetten achter de ontwikkeling en marktvoering van de eerste generatie volledig elektrische voertuigen. Tegelijkertijd vermindert dit echter de prikkel om te werken aan verdere verbeteringen bij auto's die nog op fossiele brandstoffen rijden. Wellicht zou met de volgende herziening een apart streefcijfer voor de toename van het aantal elektrische voertuigen vastgesteld kunnen worden, terwijl fabrikanten tegelijkertijd ook de CO2-prestaties van benzine- en dieselauto's, die de komende 20 jaar nog altijd het grootste deel van het wagenpark zullen uitmaken, moeten blijven verbeteren.

3.2.3

Het is van essentieel belang dat de Europese industrie onder druk gezet blijft worden om wereldwijd een van de leiders op het gebied van elektrische voertuigen te worden. Zo behoudt zij een sterke concurrentiepositie naarmate de hele wereldmarkt zich in deze richting begeeft. Onder motorfabrikanten, accufabrikanten en energieleveranciers woedt een felle concurrentiestrijd om de beste technologie tegen de scherpste prijzen te ontwikkelen. Juist deze concurrentie is een belangrijke stimulans voor innovatie en mag niet belemmerd worden.

3.2.4

Van haar kant moet de EU natuurlijk wel voor enige vroegtijdige standaardisatie zorgen om veiligheid, betrouwbaarheid en compatibiliteit te waarborgen. Dit geldt met name voor de infrastructuur voor het opladen van elektrische voertuigen en de aansluitvoorzieningen, alsook voor de vermogenseisen en samenstelling van accusets. Aangezien auto's (nieuwe en tweedehands) bovendien op grote schaal tussen Europa en de rest van de wereld worden verhandeld zou de EU ook actief moeten bijdragen aan de ontwikkeling van wereldwijde normen, om ervoor te zorgen dat de elektrischevoertuigtechnologie wereldwijd compatibel is.

3.3   Onderwijs, opleiding en technische scholing

3.3.1

De overschakeling op een autoindustrie waarin elektrische voertuigen centraal staan zal leiden tot andere werkgelegenheidspatronen binnen de industrie. Wil de Europese autoindustrie haar productie en banen en een sterke exportpositie behouden, dan moet er beslist in een vroeg stadium worden geïnvesteerd in de Europese productiecapaciteit voor elektrische voertuigen en moet worden gezorgd voor (her)scholing in de nieuwe vaardigheden die in alle onderdelen van de industrie (ontwerp, productie, distributie, verkoop, onderhoud, afvalverwerking, enz.) nodig zullen zijn.

3.3.2

Het EESC kan zich helemaal vinden in het voorstel van de Commissie om de groep op hoog niveau CARS 21 weer bijeen te laten komen om iets te doen aan de factoren die de marktpenetratie van de nieuwe technologieën in de weg staan. De stakeholders zouden daarbij dan een grotere rol spelen. Het EESC pleit ervoor dat in dit verband ook een aparte werkgroep voor sociale aspecten wordt ingesteld en dat onmiddellijk maatregelen worden genomen om sectorgerichte scholing en aangepaste onderwijsstructuren te ontwikkelen, zodat kan worden voorzien in de vaardigheden waaraan door de ontwikkeling van de elektrischevoertuigtechnologie behoefte ontstaat.

4.   Gelijktijdige overschakeling van de stroomvoorziening en het CO2-vrij maken van de stroomvoorziening

4.1

De overschakeling op elektrische voertuigen zal een extra vraag naar elektriciteit genereren, die aanvankelijk vrij gering, maar uiteindelijk substantieel zal zijn. Als in deze extra vraag voorzien zou worden door meer ouderwetse kolengestookte centrales te bouwen zou de CO2-productie niet teruggedrongen worden. De CO2-emissie zou dan niet meer afkomstig zijn van auto's maar van elektriciteitscentrales. Het is dan ook van cruciaal belang dat de toename van het aantal elektrische voertuigen hand in hand gaat met een verdere groei van de CO2-arme of CO2-vrije energievoorziening.

4.2

De ontwikkeling van programma's ten behoeve van duurzame energie moet gelijke tred houden met de toename van de vraag naar elektriciteit voor elektrische auto's. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de volgende herziening van de doelstellingen voor de expansie van duurzame energie.

4.3

Er is een geavanceerdere koppeling aan het ontstaan tussen de groeiende totale accucapaciteit voor elektrische voertuigen en het toenemende aandeel van duurzame energiebronnen in de stroomvoorziening.

4.4

Een enorm obstakel voor de expansie van duurzame energie is dat de aanvoer van door wind, zon, getijden, enz. opgewekte energie pieken en dalen vertoont. Wil deze aanvoer afgestemd kunnen worden op de vraag naar elektriciteit, die een ander fluctuatiepatroon heeft, dan moeten er waarschijnlijk meer mogelijkheden komen om energie op te slaan. Accu's worden alleen gebruikt als echt met de auto gereden wordt. Tussendoor moeten ze worden opgeladen, maar mogelijk kunnen ze ook worden ingezet om stroom af te geven aan het elektriciteitnet wanneer de aanvoer van duurzame energie tekortschiet. Het afstemmen van vraag en aanbod gaat met enorme technische en logistieke problemen gepaard. Naarmate er meer intelligente, op elkaar aangesloten netwerken worden ontwikkeld zal deze mogelijkheid echter wel steeds haalbaarder worden. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om dringend de nodige studies te verrichten en erop toe te zien dat de oplaadvoorzieningen die voor elektrische voertuigen worden ontwikkeld, van meet af aan intelligent genoeg zijn om deze koppeling met de aanvoer van duurzame energie te realiseren.

4.5

De ontwikkeling van voorzieningen voor het opladen en/of vervangen van accu's zal enorme investeringen vergen. Er moeten op grote schaal oplaadpunten komen, bijv. op parkeerterreinen, in woningen, op het werk, bij winkels, in commerciële garages, op andere plaatsen waar veel mensen komen en op straat. De overheid moet kaderwetgeving invoeren om ervoor te zorgen dat ondernemingen die in dergelijke voorzieningen investeren een billijke opbrengst krijgen en om te voorkomen dat te hoge prijzen worden berekend. Het EESC pleit ervoor dat de Commissie dringend onderzoek doet naar adequate kaderwetgeving waarmee de noodzakelijke investeringen in infrastructuur aangemoedigd worden. In dit verband neemt het met instemming kennis van de conclusies van de Raad Concurrentievermogen van 26 mei, die opriep op korte termijn een Europese standaard voor elektrische voertuigen te ontwikkelen, zodat deze sneller voet aan de grond krijgen.

5.   Consumenten en de markt

5.1

Men is zich er in Europa steeds meer van bewust dat we aan het einde komen van het tijdperk waarin goedkope olie algemeen beschikbaar is. Olie is in vele delen van de wereld steeds moeilijker te vinden en te winnen en de concurrentie van opkomende economieën om de beschikbare olie wordt steeds feller. Ondanks enkele sceptische geluiden groeit ook het besef dat de CO2-emissies beperkt moeten worden om de klimaatverandering tegen te gaan en dat de vervoerssector hieraan zijn bijdrage zal moeten leveren. In de verschillende lidstaten hebben regeringen deze boodschappen in uiteenlopende mate kracht bijgezet door aardolieproducten te belasten, door gedifferentieerde belastingtarieven voor voertuigen toe te passen, waarbij kleinere, CO2-armere voertuigen gunstiger worden behandeld dan benzineslurpers, en – in sommige gevallen – door hybride voertuigen en prototypen van elektrische voertuigen voor hun eigen wagenpark aan te schaffen.

5.2

Doordat mensen zich meer bewust zijn geworden van de problematiek is de afgelopen jaren enige verschuiving op de markt opgetreden. Consumenten kiezen nu veel sneller voor kleinere, CO2-armere voertuigen in plaats van voor grotere modellen die veel CO2 uitstoten. Er is ook vraag naar de hybride voertuigen die tot nu toe zijn geïntroduceerd, met name in die lidstaten die dit met fiscale prikkels hebben aangemoedigd. In het algemeen stellen consumenten zich echter voorzichtig op ten aanzien van innovaties in deze sector. Waarschijnlijk zullen zij gerustgesteld moeten worden en hebben zij stimulansen nodig om resoluut te kiezen voor de nieuwe generatie via het stopcontact op te laden hybride en volledig elektrische auto's, wanneer deze eenmaal op de markt komen.

5.3

Ook fabrikanten en de olieindustrie zijn voorzichtig ten aanzien van de mogelijke overschakeling op elektrische voertuigen. Zij moeten ervan worden overtuigd dat er geen andere optie is dan deze weg in te slaan en dat de Europese Unie politiek vastberaden is om vaart te zetten achter deze overgang; alleen dan zullen zij al hun middelen en expertise inzetten om de overschakeling tot stand te brengen en aan de consument te verkopen. De EU en de lidstaten moeten hun industrieën glashelder te verstaan geven dat de overschakeling dringend noodzakelijk is. Zij mogen geen gehoor geven aan oproepen van sommige langzamere bedrijven om de algemene vooruitgang minder snel te laten verlopen, omdat dit er slechts toe kan leiden dat de hele industrie wordt overgenomen door bedrijven in andere delen van de wereld die zich wel sneller ontwikkelen en er definitief marktaandeel en invloed op de ontwikkeling van standaarden in de wereld verloren zullen gaan.

5.4

Om met succes over te gaan tot het volgende stadium en het vertrouwen van de consument en de vraag op een hoger peil te brengen moet aan bepaalde eisen van de consument op het gebied van veiligheid, betrouwbaarheid, prestaties en ontwerp, actieradius en flexibiliteit, oplaadgemak, aanschafprijs en gebruikskosten worden voldaan. (Een mogelijk punt van zorg is dat elektrische voertuigen op de weg gevaarlijk stil zouden zijn – indien dit het geval is, zouden zij verplicht een minimumgeluidsniveau moeten produceren, zodat voetgangers en andere weggebruikers hen horen aankomen.)

5.5

Cruciaal is dat elektrische voertuigen als minstens zo veilig als conventionele voertuigen worden beschouwd (onder normale rijomstandigheden én bij ongevallen); dit dient ook te blijken uit objectieve statistische metingen. Ook mag er niet geknoeid of gefraudeerd kunnen worden met het opladen, met name bij publiek toegankelijke oplaadpunten. Deze criteria zouden verwerkt moeten worden in alle wettelijke veiligheidsvoorschriften die er voor elektrische voertuigen moeten komen.

5.6

Elektrische voertuigen moeten te allen tijde en onder alle weersomstandigheden betrouwbaar zijn. Als de accu snel leeg loopt of het voertuig onder bepaalde weersomstandigheden duidelijk slechter rijdt of minder ver kan rijden zullen mensen al gauw ontgoocheld zijn. Het zou wenselijk zijn normen voor de duurzaamheid en betrouwbaarheid van elektrische voertuigen in het wetgevingskader vast te leggen.

5.7

Elektrische voertuigen zouden tenminste even goed moeten presteren als een gezinsauto uit de middenklasse, aangezien dit het type auto is waar de meeste mensen mee bekend zijn. Ook is het van belang dat het ontwerp en de samenstelling van elektrische voertuigen niet minder aantrekkelijk voor het publiek zijn dan de beste auto's met een verbrandingsmotor. Het is natuurlijk aan de industrie om deze uitdaging aan te gaan; wetgeving is niet nodig mits de industrie zelf voldoende gemotiveerd is (en zo nodig gestimuleerd wordt) om vaart achter de veranderingen te zetten.

5.8

De actieradius van elektrische voertuigen hangt nauw samen met de oplaadvoorzieningen. Als het opladen meerdere uren in een garage of aan een oplaadpunt op straat in beslag neemt, zullen consumenten waarschijnlijk wel een groot bereik wensen. Het is best mogelijk dat de meeste mensen op normale werkdagen slechts korte afstanden afleggen, maar wanneer zij verder willen rijden zullen zij over een grotere actieradius willen beschikken, zodat ze niet steeds urenlang hoeven te wachten tot de auto weer is opgeladen. Het kan voorkomen dat de accu leeg raakt als een auto niet in de buurt van een oplaadpunt is. Daarom moet er iets worden geregeld om auto's in geval van nood aan de kant van de weg op te laden of de accu te vervangen.

5.9

Sneller opladen lijkt technisch haalbaar te worden. Zolang het opladen echter meer tijd in beslag blijft nemen dan het vullen van een benzinetank zullen mensen met weinig tijd ongeduldig zijn. Fabrikanten zouden moeten proberen de beschikbare actieradius zo snel mogelijk te op te trekken tot 300 km, willen zij een aanzienlijk deel van de markt kunnen veroveren. O&O-inspanningen dienen speciaal op deze doelstelling gericht te zijn.

5.10

Mocht een dergelijke actieradius de komende jaren geen haalbare kaart zijn, dan zou de nodige aandacht moeten uitgaan naar mogelijkheden om het opladen via het stopcontact aan te vullen met voorzieningen om de hele accu-eenheid in een commerciële garage (of in geval van nood langs de kant van de weg) in twee tot drie minuten te laten vervangen. Voor zover het EESC begrepen heeft worden er al enkele proefprojecten in deze richting ontwikkeld. Om de ontwikkeling van de desbetreffende voorzieningen te vergemakkelijken adviseert het EESC de Commissie op korte termijn aandacht te schenken aan de mogelijkheid om alvast een standaard uit te werken voor de configuratie en de kenmerken van accu's en voor de manier waarop deze eenvoudig verwijderd en vervangen kunnen worden. Accu's zouden ook gemakkelijker gewisseld kunnen worden als de accu-eenheid niet gewoon gekocht zou worden, maar gehuurd van een dienstverleningsbedrijf dat de accu's omwisselt. Daarmee zouden de aanloopkosten van elektrische voertuigen ook lager uitvallen, al moet er misschien wel een regelgevingskader komen om ervoor te zorgen dat de dienstverleningsbedrijven eerlijke prijzen hanteren en hun werk goed doen.

5.11

Voor het opladen via het stopcontact is het van essentieel belang dat er snel een wijdvertakt netwerk van oplaadpunten komt. Er moeten niet alleen oplaadpunten komen in woningen, maar ook op parkeerterreinen (al dan niet openbare parkeerruimtes, op het werk, bij winkels, enz.) en langs parkeerhavens. Om dit alles in goede banen te leiden is het wellicht noodzakelijk dat men zich bij de invoering van oplaadpunten aanvankelijk op bepaalde geografische gebieden concentreert. Het kan zinvol zijn om proefprojecten te draaien in verschillende situaties, bijv. eilanden, grote steden met hun omliggende regio, kleinere steden, landelijke gebieden, om na te gaan welke voorwaarden van cruciaal belang zijn voor de exploitatie en de infrastructurele ondersteuning. Waar elektrische voertuigen ook worden geïntroduceerd, het is van essentieel belang dat er van meet af aan een adequaat netwerk van oplaadvoorzieningen beschikbaar is. De nieuwe technologie dient vanaf het allereerste begin goed ondersteund te worden door algemeen beschikbare faciliteiten voor het opladen en het vervangen van de accu's, anders zullen consumenten zich er snel tegen keren.

5.12

Gemeentelijke, lokale en regionale overheden komt een cruciale rol toe bij de inspanningen om mensen ertoe te brengen over te stappen op elektrische voertuigen. Zij kunnen helpen aangeven op welke plaatsen voorzieningen voor het opladen en vervangen van accu's aangelegd kunnen worden. Zij zouden elektrische voertuigen een voorkeursbehandeling bij het parkeren kunnen geven of aparte rijstroken kunnen aanleggen. Zij zouden een belangrijke rol kunnen spelen bij geven van publiciteit aan en het stimuleren van de overschakeling op elektrische voertuigen. Ook kunnen ze het gebruik van elektrische voertuigen aanmoedigen voor het vervoer van mensen met een mobiliteitsbeperking, voor het schoonmaken van straten, enz. aangezien veel van dit soort ritten slechts over korte afstanden op eigen grondgebied plaatsvinden.

5.13

Aanschafprijs en gebruikskosten zijn uiteraard van het grootste belang. De overgang van gelode naar ongelode benzine in veel landen heeft dit glashelder aangetoond. Deze verandering stuitte enige tijd op weerstand van de consument. Zodra regeringen gebruik gingen maken van differentiële accijnstarieven om ongelode benzine te bevoordelen viel deze weerstand echter weg en vond er een vlotte en soepele overschakeling plaats.

5.14

Om ervoor te zorgen dat er meer elektrische voertuigen worden gekocht zal het in ieder geval ook nodig zijn om ieder kostenvoordeel van benzineauto's weg te nemen door middel van passende belastingdifferentiatie en waarschijnlijk ook om elektrische voertuigen de eerste jaren te bevoordelen om zo beweging in de markt te krijgen. In principe zouden elektrische voertuigen goedkoper in gebruik moeten zijn omdat een elektromotor veel efficiënter is. Uiteraard zal echter veel afhangen van de stroomtariefstructuur en van de vraag of voor het opladen van de accu's een intelligent systeem kan worden ontworpen met tariefdifferentiatie om de piekvraag af te vlakken. Het EESC dringt erop aan dat op korte termijn econometrisch onderzoek naar de verschillende mogelijkheden op dit gebied wordt gedaan. Aangezien het voor de consument een grote stap is om over te schakelen op een elektrische auto moet er misschien wel een sterke prikkel worden gegeven, met name tijdens de eerste jaren van het omschakelingsproces (bijv. een veel lagere omzetbelasting op elektrische voertuigen dan op voertuigen met een verbrandingsmotor).

5.15

Naast financiële stimulansen moeten regeringen en lokale en regionale overheden ook nagaan of zij de overschakeling op elektrische voertuigen op andere manieren kunnen bevorderen, bijv. door speciale routes, zones of parkeervoorzieningen te bestemmen voor elektrische voertuigen. Elektrische voertuigen zullen uiteraard minder verontreinigend zijn dan verbrandingsmotoren en sommige uitvoeringen kunnen misschien ook bijdragen aan de filebestrijding (bijv. kleinere elektrische voertuigen voor bepaalde doeleinden).

5.16

Er moet niet alleen voor worden gezorgd dat elektrische voertuigen tegen een concurrerende prijs op de markt gebracht kunnen worden, maar ook dat consumenten inzien wat de CO2-afdruk van hun beslissingen op vervoersgebied is en in hoeverre zij hun CO2-afdruk zullen verbeteren door over te schakelen op elektrische voertuigen.

5.17

Dit soort informatie zou gebaseerd moeten worden op een volledige levenscyclusanalyse van de impact van hun auto's en van andere vervoerswijzen. Maar zelfs al wordt uitgegaan van de volledige levenscyclus, dan nog lijkt het waarschijnlijk dat het overstappen op een elektrische auto een van de allergrootste besluiten is die iemand kan nemen om zijn of haar CO2-afdruk te beperken. Mensen hebben de juiste informatie nodig om dit accuraat te kunnen beoordelen.

5.18

Sommige marktsegmenten zullen gemakkelijker veroverd kunnen worden dan andere. Aangezien de actieradius nu nog vrij beperkt is en het opladen lang duurt, zullen elektrische voertuigen aanvankelijk vooral geschikt zijn voor korte afstanden binnen de stad of regio en niet zozeer voor langere afstanden. Zo ook zullen oplaadpunten gemakkelijker aan te leggen zijn in woningen die over een garage of in ieder geval over een aparte parkeerruimte voor de auto beschikken. Naar verwachting zou de marketing aanvankelijk dan ook vooral gericht kunnen zijn op dit soort huishoudens, die wellicht overwegen een elektrische auto als tweede (kleinere) boodschappenauto aan te schaffen, terwijl ze hun grotere reguliere of hybride auto aanhouden voor reizen over grotere afstanden en met een zwaardere belading. Onderzoek lijkt echter uit te wijzen dat mensen er door de beperkte actieradius en de lange oplaadtijd zelfs bij deze vormen van gebruik mogelijk van worden weerhouden een elektrische auto aan te schaffen. Om te voorkomen dat elektrische voertuigen uiteindelijk alleen tot enkele kleine nichemarkten doordringen, moet dus van meet af aan worden uitgegaan van een meer volledige overgang op langere termijn, waarbij elektrische voertuigen voor iedereen en voor alle soorten vervoer een aantrekkelijke optie worden.

5.19

Programma's voor openbare aanbestedingen kunnen de verbetering van normen in leidende sectoren enorm aanjagen. De publieke sector is een belangrijke afnemer van auto's en andere voertuigen; als de publieke sector het goede voorbeeld geeft kan dit ook van invloed zijn op de aanschafbeslissingen van anderen. Het is dan ook belangrijk dat overheden en andere organen in de publieke sector, m.i.v. regionale en lokale overheden in heel Europa, al snel toezeggen elektrische auto's en andere voertuigen aan te schaffen, om de markt voor deze voertuigen meteen een impuls te geven en de productievolumes snel op te stuwen naar de kritische massa voor een rendabele productie. De EU-instellingen zouden het voortouw kunnen nemen met hun eigen aankopen en zouden in heel Europa discussies en initiatieven kunnen opzetten om ertoe bij te dragen dat elektrische voertuigen snel voet aan de grond krijgen. Vooraanstaande politici en andere bekende mensen zouden de boodschap kunnen verbreiden door zelf al gauw over te stappen op een elektrisch voertuig.

5.20

Naar schatting valt bijna (50 %) van het aantal verkochte auto's in Europa onder speciale regelingen voor werknemers, die door de werkgever ingevoerd zijn of ondersteund worden. Het zou wenselijk zijn bedrijven door middel van belastingdifferentiatie te stimuleren om in hun regelingen voorkeur te geven aan CO2-arme of volledig elektrische auto's.

6.   Andere voertuigen en vervoerswijzen

6.1

In dit advies is de aandacht primair uitgegaan naar de particuliere personenauto en de maatregelen die Europa nu moet nemen om de overschakeling op elektrische auto's te bespoedigen. Dit is de eerste stap op weg naar het CO2-vrij maken van het vervoer.

6.2

Maar er zijn uiteraard nog meer mogelijkheden om over te schakelen op elektriciteit. Beleidsmakers en industrie moeten open staan voor dergelijke mogelijkheden voor het gehele vervoer over land en over zee, waaronder zeer kleine eenpersoonsvoertuigen, grotere voertuigen in het openbaar vervoer, treinen, trams en trolleybussen en het hele vrachtvervoer. Naarmate in het vervoerssysteem op elektriciteit wordt overgegaan, ontstaan misschien ook nieuwe vervoerspatronen, mede dankzij de verschillende kenmerken van elektrische stroom, accutechnologie en intelligente systemen op het gebied van net- en verkeersbeheer. Ook hier spoort het EESC de Commissie en beleidsmakers aan om alert te zijn op de beste ideeën die aanmoediging kunnen gebruiken.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/53


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Energiearmoede — gevolgen van de liberalisering en de economische crisis” (verkennend advies)

2011/C 44/09

Rapporteur: Sergio SANTILLÁN CABEZA

De Belgische regering heeft met het oog op het komende voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie op 9 februari 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over

Energiearmoede – gevolgen van de liberalisering en de economische crisis

(verkennend advies).

Op 16 februari 2010 heeft het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten om de gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij met de voorbereidende werkzaamheden ter zake te belasten.

Het EESC heeft, gelet op de urgente aard van deze werkzaamheden, tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli 2010) besloten de heer Sergio SANTILLÁN CABEZA aan te wijzen als algemeen rapporteur, en heeft vervolgens onderstaand advies met 124 stemmen vóór, bij 6 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De prijzen van elektriciteit, gas en andere brandstoffen zoals steenkool blijven stijgen en dat lijkt de tendens te zijn voor de komende jaren. Dit betekent dat het aantal kwetsbare afnemers ook aanzienlijk kan groeien indien er niet snel actie wordt ondernomen. Dit advies gaat niet in op de oorzaken van de energieprijsstijgingen, maar er moet wel op worden gewezen dat kwetsbare afnemers bescherming nodig hebben teneinde situaties van energiearmoede te voorkomen.

1.2

De bestrijding van energiearmoede is een nieuwe maatschappelijke prioriteit en dient op alle niveaus te worden bestreden; het is zaak dat de EU gemeenschappelijke richtsnoeren formuleert, zodat de lidstaten dezelfde koers varen bij de aanpak van deze problematiek. De EU heeft zich veel moeite getroost de afgelopen twee jaar om kwetsbare afnemers te beschermen. Veel lidstaten laten het echter afweten en voeren de vastgestelde maatregelen niet uit, reden waarom een beroep moet worden gedaan op het in art. 5 van het EG-Verdrag vastgelegde subsidiariteitsbeginsel.

1.3

Energiearmoede is een kwestie die niet alleen betrekking heeft op de energiesector maar ook op andere sectoren, zoals volksgezondheid, consumptie en huisvesting.

1.4

Het Comité pleit ervoor dat de EU een gemeenschappelijke en algemene definitie inzake energiearmoede goedkeurt, die vervolgens door elke lidstaat afzonderlijk kan worden aangepast. Energiearmoede zou kunnen worden omschreven als een situatie waarin een woning niet of nauwelijks warm kan worden gehouden en er evenmin andere essentiële energiediensten tegen een redelijke prijs kunnen worden verkregen. Dat is een algemene definitie, die kan worden aangevuld met andere criteria waardoor het concept kan worden aangepast aan de ontwikkelingen in de samenleving. Daardoor zou een beter overzicht kunnen worden verkregen van de energiearmoede en zou de problematiek dus beter kunnen worden aangepakt.

1.5

Het Comité acht het wenselijk dat de bestaande statistieken worden geharmoniseerd, om een zo goed mogelijk overzicht van energiearmoede in Europa te krijgen. In dit verband pleit het Comité ervoor dat Eurostat en de nationale instituten voor statistiek vergelijkbare statistische methoden hanteren teneinde de omvang van energiearmoede in kaart te brengen.

1.6

Het Comité is voorstander van de oprichting van een Europese Waarnemingspost inzake Energiearmoede (zonder dat dit iets af zou doen aan de bestaansreden van het Citizen’s Energy Forum in Londen). Deze zou deel kunnen uitmaken van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers of een andere organisatie. Alle sociaaleconomische actoren die direct of indirect met energiearmoede te maken hebben, zouden in deze Waarnemingspost vertegenwoordigd moeten zijn, zoals bijvoorbeeld leveranciers, consumenten, verenigingen op het gebied van volksgezondheid en milieu, vakbonden, verenigingen op het gebied van energie, de bouwsector, enz. Deze groep zou informatie kunnen vergaren over de bestaande goede praktijken in de lidstaten. Ook zou het nieuwe mechanismen voor de aanpak van energiearmoede tegen het licht kunnen houden of een gedegen en objectief onderzoek uitvoeren naar de gevolgen van de liberalisering van de energiemarkten voor kwetsbare huishoudens.

1.7

Energiearmoede dient bij elk nieuw voorstel inzake energiebeleid in aanmerking te worden genomen.

1.8

Het Comité wil tot slot zijn bezorgdheid uitspreken over het feit dat de technologische innovaties die het energiegebruik optimaliseren niet toegankelijk zijn voor kwetsbare huishoudens, terwijl zij dit juist het hardst nodig hebben.

1.9

Er zij op gewezen dat er maatregelen moeten worden ingevoerd betreffende de energieprestaties van gebouwen en, in dit geval, van particuliere woningen. Gezien de moeilijkheden waar minder draagkrachtige huishoudens mee kampen, zouden lidstaten - indien daar ruimte voor is - steunmaatregelen moeten overwegen

1.10

Decentraal gegenereerde energie kan in bepaalde gevallen bijdragen tot de in dit advies genoemde doelstellingen (zie par. 6.8)

2.   Energiearmoede in de EU

2.1

Het gebruik van en de toegang tot energie is van invloed op het welzijn van mensen en volkeren. Zo is energie essentieel voor mobiliteit, klimaatregeling of verlichting in sectoren als de industrie, de gezondheidssector, de landbouw, evenals voor huishoudens en voor vrijetijdsbesteding.

2.2

Daarom kan het concept „energiearmoede” vanuit macro- of microeconomisch oogpunt worden bekeken. Toegang tot voldoende energie van goede kwaliteit voor de industrie, de landbouw en de overige sectoren is essentieel voor de welvaart en het concurrentievermogen van een land en een gebrek eraan kan leiden tot economische crisis, werkloosheid en armoede in het algemeen. In dit advies wordt echter hoofdzakelijk ingegaan op de energiearmoede onder huishoudens.

2.3

Energiearmoede houdt in dat een woning niet of nauwelijks warm kan worden gehouden (als referentie kan de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie dienen, waarin wordt uitgegaan van 21 °C als een aangename temperatuur voor de woonkamer en 18 °C voor de rest van de vertrekken. Andere technisch geschikte definities zijn ook mogelijk). Ook andere energiediensten, zoals verlichting, vervoer of elektriciteit voor internet of andere toepassingen kunnen niet tegen een redelijke prijs worden verkregen. Dat is een algemene definitie, die kan worden aangevuld met andere criteria waardoor het concept naar behoeven kan worden aangepast.

2.4

Energiearmoede kan niet zo gemakkelijk in cijfers worden uitgedrukt, maar kan wel worden gemeten aan de hand van variabelen als de onmogelijkheid om een woning op een aangename temperatuur te houden (21 % in de UE-27, Eurostat), het aandeel van de bevolking dat de energierekening niet kan betalen (7 % in de EU-27 in 2007) of het aantal woningen dat te kampen heeft met lekkages, scheuren of andere gebreken in het huis (18 % in de EU-25 van 2007, EU-onderzoek inzake inkomen en levensomstandigheden (SILC) 2007). Hoewel vanwege een gebrek aan degelijke statistieken en onderzoek niet met zekerheid kan worden gezegd om hoeveel mensen het gaat, is de schatting (wanneer een aantal variabelen en onderzoeken naast elkaar worden gelegd) dat er vandaag de dag in Europa minstens 50 miljoen mensen te kampen hebben met energiearmoede (Tackling Fuel Poverty in Europe. Recommendations Guide for Policy Makers, www.fuel-poverty.org). Sommige schattingen liggen echter aanzienlijk hoger.

2.5

Het is niet alleen lastig om de omvang van deze problematiek in kaart te brengen, ook blijken de statistische gegevens op Europees niveau op gespannen voet te staan met de nationale gegevens. Zo geeft het EU-onderzoek aan dat er in het Verenigd Koninkrijk 0 % van de bevolking achterstallige betalingen heeft lopen, terwijl de Office of the Gas and Electricity Markets (OFGEM) een percentage van 5 % noemt (www.fuel-povert.org).

2.6

Het aantal gezinnen in Europa dat met energiearmoede kampt, zou nog kunnen stijgen, aangezien:

ongeveer 16 % van de Europeanen het gevaar loopt om in armoede terecht te komen (Gezamenlijk rapport over sociale bescherming en sociale inclusie, Europese Commissie, 2009);

de gasprijs voor huishoudens tussen 2005 en 2007 gemiddeld met 18 % is toegenomen (Eurostat 2007);

de elektriciteitsprijzen voor huishoudens tussen 2005 en 2007 gemiddeld met 14 % is toegenomen (SILC 2007);

bij meer dan 60 % van de woningen in de EU de criteria voor thermische regulering niet in acht zijn genomen.

2.7

Energiearmoede is het gevolg van de combinatie van drie factoren: een laag inkomensniveau, gebrekkige huisvesting en hoge energieprijzen.

2.8

Energiearmoede kan onder meer leiden tot gezondheidsproblemen, tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer door de leverancier, energiegebruik dat onder de graadmeters voor confort daalt of een verzwaring van de schuldenlasten.

2.9

De meest kwetsbare sociale groepen hebben vaak het laagste inkomensniveau, zoals ouderen, éénoudergezinnen, werklozen of mensen in de bijstand. Bovendien wonen mensen met een laag inkomen vaak in huizen die onvoldoende zijn geïsoleerd, hetgeen de energiearmoede nog verergert (Housing Quality Deficiencies and the Link to Income in the EU. Orsolya Lelkes, European Centre for Social Welfare Policy and Research, maart 2010).

2.10

Enkele lidstaten hebben al een aantal maatregelen genomen die energiearmoede kunnen helpen voorkomen (zie het door de werkgroep European Fuel Poverty and Energy Efficiency (EPEE) gepubliceerde document „Good practices experienced in Belgium, Spain, France, Italy and United Kingdom to tackle fuel poverty”). De meeste van deze goede praktijken hebben betrekking op oorzaken als bijvoorbeeld:

energieprijzen (bv. sociale tarieven)

de kwaliteit van de huisvesting (bijv. verbetering van de energie-efficiency in sociale woningen of in particuliere woningen)

de lage inkomens (bv. economische bijstand)

Verder hebben sommige lidstaten ook corrigerende maatregelen genomen om de gevolgen van energiearmoede terug te dringen, bijv. middels een verbod op afsluiting van de elektriciteitstoevoer voor kwetsbare huishoudens in moeilijke tijden.

2.11

De verbetering van de energie-efficiency in de woningbouw is een cruciaal wapen in de strijd tegen energiearmoede. Het voorstel voor de herschikking van de Richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen (COM(2008)780 final) kan een opening bieden.

3.   De economische crisis heeft geleid tot 23 miljoen werklozen

3.1

De Europese economie kent de ernstigste recessie sinds 1930. In 2009 daalde het BBP van de EU-27 met 4,2 % in vergelijking met 2008, een jaar waarin al sprake was van lage groeicijfers (+0,8 %). Er is sprake van een enorme toename van de werkloosheid; in januari 2010 had deze al meer dan 9,5 % van de actieve bevolking in haar greep (anderhalf procentpunt meer dan in januari 2009). Dit betekent dat er in de eerste maand van 2010, 22 979 000 mannen en vrouwen werkloos waren. Procentueel gezien werd het laagste werkloosheidspeil gemeten in Nederland (4,2 %) en Oostenrijk (5,3 %), terwijl Litouwen (22,9 %) en Spanje (18,8 %) de hoogste werkloosheidscijfers te zien gaven (Eurostat).

3.2

Het Europese economische herstelplan van eind 2008 heeft niet tot de gehoopte resultaten geleid. De huidige gegevens zijn al zorgwekkend, en ook de prognoses (ook die van de Commissie) stemmen niet tot veel optimisme: ze gaan uit van een „aarzelend” herstel voor de komende tijden. Hoewel er fiscale stimuleringsmaatregelen zijn doorgevoerd die gelijk staan aan 5 % van het BBP (EU-27), is dit niet toereikend gebleken en er bestaat geen goed gecoördineerde „uitgangsstrategie”.

3.3

De in 2007 gestarte economische en financiële crisis heeft zich in een context van stagnerende of dalende lonen van de Europese werknemers voorgedaan. Bovendien hebben de maatregelen die in enkele lidstaten zijn voorgesteld om de hoge schuldenlast of het overheidstekort tegen te gaan, hun weerslag op de sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheidsuitkeringen) en op de overheidsdiensten.

3.4

Dit alles heeft een zorgwekkend beeld gecreëerd voor huishoudens die het meest te lijden hebben onder groeiende energielasten.

4.   Het energiebeleid van de EU

4.1

De afgelopen twee decennia stond de wens tot liberalisering van de energiemarkt centraal in het beleid van de EU. Sinds de Energieraad van juni 1987, die het startschot gaf voor dit proces, werden de eerste richtlijnen voor liberalisering voor de gas- en elektriciteitsmarkt vastgelegd eind jaren 90 en sindsdien zijn er verschillende stappen in die richting gezet.

4.2

Het ging er bij dit liberaliseringsproces in het algemeen om, de energiesector efficiënter te maken en de Europese economie concurrerender. Maar er bestond geen volledige overeenstemming tussen de lidstaten over de maatregelen, en nog altijd is er grote weerstand in enkele lidstaten inzake de tenuitvoerlegging van desbetreffende beleidsmaatregelen.

4.3

Momenteel is er sprake van een hoge concentratie van groothandelsbedrijven voor zowel gas (in 10 lidstaten hebben de drie grootste leveranciers 90 % of meer van de markt in handen) als elektriciteit (marktaandeel van 80 % of meer in 14 lidstaten) (COM(2009) 115 final).

4.4

Liberalisering komt de consumenten ten goede indien de concurrentie werkelijk wordt gestimuleerd. In verschillende lidstaten hebben particuliere monopolies echter de plaats ingenomen van overheidsmonopolies, hetgeen vraagt om strengere maatregelen inzake transparantie en bevordering van de concurrentie in de energiesector.

4.5

Er dient derhalve op te worden aangedrongen dat de maatregelen die zijn aangekondigd in het kader van het derde energiepakket en die gericht zijn op de totstandbrenging van een energiemarkt die gebaseerd is op samenwerking tussen de lidstaten, daadwerkelijk worden doorgevoerd. Eén van die maatregelen betreft een betere verbinding tussen de netwerken, meer coördinatie tussen de operatoren en versterking van de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties.

5.   De liberalisering dient de consumenten ten goede te komen

5.1

Liberalisering leidt tot een grotere decentralisering en diversifiëring van het energieaanbod en zou moeten leiden tot goedkopere energie, een gegarandeerde energievoorziening, verbetering van de dienstverlening, verruiming van het aanbod en aanpassing ervan aan de behoeften van de consument in het algemeen en de kwetsbare consument in het bijzonder. Uit de eerste ervaringen in de lidstaten blijkt echter dat er zich problemen voordoen als gevolge van o.m. een weinig transparante tarifering en hoge prijzen.

5.2

In de meeste lidstaten lagen de energieprijzen in de eerste helft van 2009 hoger dan in 2008 hoewel de dalende trend van de olieprijs uiteindelijk toch in het voordeel van de huishoudens had moeten uitvallen. Deze situatie is deels te verklaren vanwege de vertraging die er optreedt tussen het moment van wijziging van de olieprijs en het toesturen van de rekeningen aan de klanten. Het lijkt er echter op dat de daling van de energieprijzen voor de groothandel niet volledig is doorberekend in de prijzen voor de eindconsumenten (zie COM(2009)115 final).

5.3

Een en ander heeft ertoe geleid dat de gas- en elektriciteitsleveranties zwaarder op de huishoudbudgetten wegen dan was voorzien. Zo heeft 60 % van de consumenten aangegeven dat zijn energieleverancier de prijzen had verhoogd, terwijl slechts 3-4 % een prijsdaling kan melden. Ook stellen de elektriciteits- en gasleveranciers teleur wat de mogelijkheid tot prijsvergelijking betreft en tot verandering van leverancier. De energiesector is de sector waar consumenten het minst vaak van leverancier veranderen: slechts 7 % voor de gasleveranciers en 8 % voor de elektriciteitsleveranciers (Tweede jaarverslag over het Scorebord voor de consumentenmarkten van de EU, Europese Commissie, 2 februari 2009).

6.   Europese maatregelen op het gebied van energiearmoede

6.1

Energiearmoede is een nieuwe maatschappelijke prioriteit die op alle niveaus ondersteuning vereist. Hoewel de door de EU voorgelegde wetsteksten (1) goed zijn, laat de reactie van de lidstaten tot op heden te wensen over. Om een aantal voorbeelden te geven: in de richtlijnen betreffende de gemeenschappelijke gas- en elektriciteitsmarkt (eerst Richtlijn 2003/54/EG en later Richtlijn 2009/72/EG) zijn normen vastgesteld inzake sociale tarieven voor kwetsbare afnemers, maar slechts 10 van de 27 lidstaten bieden deze mogelijkheid en in slechts 8 lidstaten wordt de term „kwetsbare afnemer” gehanteerd (Status Review of the definitions of vulnerable customer, default supplier and supplier of last resort. ERGEG, 2009).

6.2

Niet in alle lidstaten wordt de problematiek aangepakt, en er is geen sprake van coördinatie of het creëren van synergie tussen de lidstaten die het wel doen. Dit maakt 't moeilijker om de energiearmoede in Europa in kaart te brengen, te evalueren en aan te pakken. Zo hanteert het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld een andere definitie dan de andere lidstaten; energiearmoede betekent daar dat meer dan 10 % van het inkomen nodig is om het huis op een aangename temperatuur te houden. Zelfs in de EU-teksten wordt niet altijd dezelfde definitie gehanteerd.

6.3

Elke lidstaat heeft als taak energiearmoede aan te pakken op het daartoe bevoegde niveau (lokaal, regionaal of nationaal) maar indien er op nationaal niveau geen bevoegdheid bestaat wat gas en elektriciteit betreft, dient de EU op te treden overeenkomstig het in art. 5 van het EG-Verdrag vastgestelde subsidiariteitsbeginsel. Wanneer het andere brandstoffen betreft, zoals steenkool, dan ligt de bevoegdheid uitsluitend bij de lidstaten.

6.4

De Europese Unie heeft wetgevende macht en heeft bevoegdheden op energieterrein en kan dus - rechtstreeks of onrechtstreeks - invloed uitoefenen op de situatie van energiearmoede in de lidstaten. Om die reden dient de EU, binnen het kader van haar bevoegdheden, beleid te ontwikkelen op dit terrein.

6.5

De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan voor een Europees Handvest betreffende de rechten van de energieconsument (COM(2007)386 final en resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2008 (P6 – TA(2008)0306)); het Comité heeft in dit verband al aangegeven (2) dat het om een dwingende juridische tekst zou moeten gaan die de rechten van de burgers garandeert, net als op andere terreinen is gebeurd. (3) De Commissie heeft dit Handvest weer ingetrokken maar er enkele punten van opgenomen in het derde pakket, vanuit de overtuiging dat dit meer effect zou sorteren (bv de artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2009/72/EG).

6.6

In het kader van dit advies is het van belang te wijzen op de volgende passage in het Handvest betreffende de rechten van de energieconsument: „Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, teneinde al diegenen die niet over voldoende middelen beschikken een waardig bestaan te verzekeren, onder de door het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden” (art. 34), evenals de verplichting om een hoog niveau van consumentenbescherming te bieden (art. 38).

6.7

Het Comité wil wederom pleiten voor waarborging van de universele dienstverlening, naleving van de verplichtingen inzake openbare dienstverlening, bescherming van economisch kansarme bevolkingsgroepen die met „energiearmoede” worden bedreigd door bijv. de afsluiting van de elektriciteitstoevoer in moeilijke tijden te verbieden, sociaal-economische en territoriale samenhang en redelijke, doorzichtige en vergelijkbare prijzen. (4)

6.8

Decentraal gegenereerde energie heeft in sommige gevallen voordelen voor de consument, ook de minst draagkrachtige:

via de installatie van kleinere eenheden kan de productie dichter in de buurt worden gebracht van de kleine huishoudens in dorpen en steden, en kan energieverlies (die in het geval van elektriciteit tussen de 7 en 10 % wordt geschat) worden tegengegaan;

de productie van hernieuwbare energie kan worden bevorderd;

de technologische ontwikkeling wordt gestimuleerd;

er kunnen nieuwe banen worden gecreëerd, en een decentrale productiewijze kan complementair zijn aan de gecentraliseerde productie.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55, art. 7.

(2)  PB C 151, 17.6.2008, blz. 27.

(3)  PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1.

(4)  PB C 151 van 17.06.08, blz. 27.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/57


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Werken aan een duurzame economie: ons consumptiepatroon veranderen” (initiatiefadvies)

2011/C 44/10

Rapporteur: mevrouw DARMANIN

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 juli 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Werken aan een duurzame economie: ons consumptiepatroon veranderen.

De afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 juni 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 15 juli 2010) onderstaand advies met 98 stemmen vóór en 7 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, goedgekeurd.

0.   Inleiding

Europa is de crisis nog steeds niet te boven. Tal van Europeanen moeten elke dag weer vechten om hun baan te behouden of hun inkomen veilig te stellen en ook het MKB heeft het niet gemakkelijk om het hoofd boven water te houden; duurzame oplossingen worden dan ook al snel beschouwd als een luxe. Maatregelen om deze situatie aan te pakken mogen daarom niet ontbreken in het beleid inzake duurzaamheid. In dit advies beperken we ons tot één aspect van duurzaamheid, nl. duurzame consumptie. Uitgangspunt van het EESC is dat duurzame consumptie op de lange termijn o.m. kan worden bereikt door de bevordering van het Europese burgerschap. Dit houdt niet alleen in dat de in het Verdrag van Lissabon vastgelegde rechten van de consument moeten worden geëerbiedigd, maar ook dat meer belang moet worden gehecht aan burgerschap: burgers moeten gaan beseffen dat zij niet alleen rechten hebben maar ook moreel verplicht zijn zich duurzaam te gedragen.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   In een duurzame economie dragen het productie- en het consumptiesysteem ertoe bij dat elk individu, de gemeenschap en de natuur de ruimte krijgen zich voortdurend te ontplooien. Over het algemeen hebben de leden van een samenleving behoefte aan gemeenschappelijke waarden. Het Comité herhaalt zijn standpunt uit vorige adviezen, dat het welslagen van het overheidsbeleid niet alleen dient te worden afgelezen aan het bbp maar ook aan sociale en milieu-indicatoren.

1.2   Het huidige Europese productie- en consumptiesysteem kan de toets van milieuduurzaamheid niet doorstaan; dat geldt m.n. voor de afhankelijkheid van energie, materiaal, land en water, en de impact ervan op het klimaat en de biodiversiteit wereldwijd. Als de hele wereldbevolking de Europese levensstijl overnam zouden we meer dan twee en een halve planeet nodig hebben.

1.3   De EU-Raad is overeengekomen dat de industrielanden hun uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 à 95 % moeten terugbrengen. Het Comité pleit er dan ook voor dat in de EU 2020-strategie maatregelen ter bevordering van duurzame productie én consumptie worden opgenomen. Productie en consumptie zijn nauw met elkaar verbonden en moeten op een duurzame leest worden geschoeid willen we de impact ervan op onze planeet verkleinen.

1.4   Om de uitstoot over een periode van 40 jaar met 80 à 95 % terug te dringen en de jaarlijkse economische groei op 2 tot 3 % te houden, moet de koolstofintensiteit van de economie met 6 à 10 % per jaar omlaag. Een dergelijk niveau van gestage technologische verandering voor de hele economie is ongezien. Het zou daarom verstandig zijn een diepgaande dialoog op te starten over de vraag in hoeverre verandering van de consumptiepatronen en van het gangbare sociaaleconomische model, dat berust op een voortdurende toename van productie en consumptie, haalbaar is. Ook moet worden bekeken hoe de productie- en bevoorradingsketens zo snel mogelijk kunnen worden verbeterd.

1.5   Oplossingen die van bovenaf worden opgelegd, zullen waarschijnlijk geen zoden aan de dijk zetten. Een proces van maatschappelijke vernieuwing wordt vaak in gang gezet door kleine groepen, waarna het via uiteenlopende communicatiekanalen bekendheid krijgt en verder ingang vindt. De EU en de nationale en regionale overheden zouden de taak op zich kunnen nemen om de groepen die zich inzetten voor een duurzame levenstijl in kaart te brengen en te ondersteunen.

1.6   De EU-instellingen, de nationale en lokale overheden en de sociale partners moeten met elkaar in dialoog treden. Zo zouden de Commissie en het Comité de handen kunnen ineenslaan om een forum voor duurzame consumptie op te zetten, dat zich o.m. zou bezighouden met de volgende vragen.

Welke waarden dienen ten grondslag te liggen aan een duurzame economie? Wat met de tegenstelling tussen groei en milieuduurzaamheid, tussen sociale integratie en persoonlijke vrijheid, tussen de kwaliteit van het bestaan van de huidige en van de toekomstige generaties?

Moeten we op bepaalde vlakken minder gaan consumeren?

Wat weerhoudt mensen ervan te kiezen voor duurzame consumptiepatronen en wat kunnen de lokale, nationale en Europese overheden daaraan doen?

Wat zijn de ervaringen van individuen en groepen die hun ecologische voetafdruk trachten te verkleinen en in hoeverre kunnen we hun voorbeeld navolgen?

Welke stappen zijn nodig om bepaalde groepen zoals ouderen, jongeren, werklozen, nieuwkomers en jonge gezinnen, aan te zetten tot duurzame consumptie?

1.7   Het opstarten van een dialoog moet hand in hand gaan met concrete maatregelen, zoals steun voor groepen die zich inzetten voor een duurzame manier van leven, zodat zij proefprojecten kunnen opzetten en daarvan verslag kunnen doen. Ook moeten beleidsmaatregelen waar nodig worden bijgeschaafd en aangescherpt, en moeten de EU-instellingen in de praktijk het voortouw nemen en aantonen welke duurzame oplossingen tot de mogelijkheden behoren. Voorts moet bekendheid worden gegeven aan goede praktijkvoorbeelden, zodat duidelijk wordt dat een verandering van consumptiepatronen een haalbare kaart is.

1.8   Duurzame consumptie is meer dan een milieubeleidsdoelstelling. Om resultaat te halen zijn nl. ook initiatieven nodig op tal van andere beleidsterreinen, waaronder gezondheid, onderwijs, werkgelegenheid, handel, consumentenzaken, vervoer, landbouw en energie.

2.   De noodzaak van een nieuw sociaaleconomisch model

2.1   De vraag hoe een duurzame economie er precies uitziet is al meer dan een halve eeuw aan de orde van de dag (1). In een duurzame economie dragen het productie- en het consumptiesysteem ertoe bij dat elk individu, de gemeenschap en de natuur de ruimte krijgen zich voortdurend te ontplooien.

2.2   Als een economisch model zichzelf in stand wil kunnen houden moeten de deelnemers aan de samenleving kunnen terugvallen op gemeenschappelijke waarden, zoals op dit moment het geval is in de EU-lidstaten. De overheid gaat bij de uitstippeling van het beleid meestal uit van een reeks economische waarden, waarbij de nadruk wordt gelegd op het bbp en andere indicatoren. De tekortkomingen van het bbp als maatstaf voor het persoonlijk, maatschappelijk en ecologisch welzijn zijn algemeen erkend. Om de vooruitgang op weg naar een duurzame economie te meten heeft het Comité voorgesteld (2) om naast het bbp ook te kijken naar de ecologische voetafdruk en gebruik te maken van een indicator voor de levenskwaliteit. Aan de hand van de ecologische voetafdruk kan worden berekend hoeveel productieve grond een persoon, groep, instelling of regio nodig heeft. Een indicator voor de levenskwaliteit zou rekening moeten houden met gezondheid, materiële welvaart, toegang tot openbare diensten, maatschappelijke participatie en integratie van nieuwkomers, vrijetijdsbesteding en de kwaliteit van het milieu.

2.3   Als het succes van het overheidsbeleid wordt bepaald aan de hand van een bredere waaier indicatoren, kan dat ertoe leiden dat beleidsmakers minder de nadruk gaan leggen op de groei van het bbp en meer aandacht gaan besteden aan persoonlijk, maatschappelijk en ecologisch welzijn.

3.   De milieuproblematiek

3.1   Het Europees Milieuagentschap maakt in zijn nieuwe rapport voor 2010 over de milieusituatie en -vooruitzichten onderscheid tussen twee grote probleemgebieden, te weten klimaat en energie enerzijds en biodiversiteit en ecosystemen anderzijds (3). De grootste bedreiging van de duurzaamheid van de Europese samenleving is de aantasting van onze ecosystemen en fundamentele hulpbronnen, inclusief energie, bodem en water. De ecologische voetafdruk in de EU bedroeg in 2003 gemiddeld circa 5 hectare per persoon en gaat in stijgende lijn, terwijl de beschikbare grond per persoon maar 1,8 hectare bedroeg en die oppervlakte steeds kleiner wordt (4). Als de hele wereldbevolking de Europese levensstijl overnam zouden we meer dan twee en een halve planeet nodig hebben.

3.2   De problematiek van de klimaatverandering is van cruciaal belang, niet alleen vanwege de rechtstreekse invloed ervan op ons leven, maar ook omdat de klimaatverandering de gevolgen van onze manier van leven voor de biodiversiteit, de kwaliteit van het water en andere systemen nog versterkt. Het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van broeikasgassen zijn de elementen die het zwaarst wegen op de Europese ecologische voetafdruk. Daarnaast is de impact van de landbouw, het vervoer en de bouw niet te onderschatten. Andere belangrijke aspecten van de Europese economie, zoals het waterverbruik (voornamelijk voor de landbouw) en het gebruik van schaarse mineralen, worden onvoldoende meegewogen in de ecologische voetafdruk.

3.3   De EU-Raad is overeengekomen dat de industrielanden hun uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 à 95 % zouden moeten terugbrengen; dat komt neer op een vermindering van 4 à 7 % per jaar. De EU heeft zich er daarom toe verbonden haar uitstoot tegen 2020 met 20 % terug te dringen (in vergelijking met 1990), of zelfs met 30 %, op voorwaarde dat andere landen dat voorbeeld volgen. Het Comité daarentegen heeft voorgesteld (5) om hoe dan ook de 30 %-doelstelling na te streven.

3.4   Om de broeikasgassen terug te dringen zal de EU op de eerste plaats gebruikmaken van technische hulpmiddelen; tegelijkertijd zal zij erop toezien dat de economische groei op peil blijft. Hoewel de technologie om deze doelstellingen tegen 2020 te verwezenlijken voorhanden is, wordt maar langzaam vooruitgang geboekt. De EU15 heeft in 1997 toegezegd om de uitstoot met 8 % te verminderen tegen 2008-2012 (in vergelijking met 1990), maar in 2006 bedroeg de vermindering nog maar 2,2 %. In de EU27 is de uitstoot in deze periode met 7,7 % teruggebracht, maar sinds 2000 ook weer met 1,5 % gestegen (6). De energie-efficiëntie in de EU is sinds de jaren 90 maar met 0,5 % per jaar toegenomen (7).

3.5   Om de uitstoot over een periode van 40 jaar met 80 à 95 % terug te dringen en de jaarlijkse economische groei op 2 tot 3 % te houden, moet de koolstofintensiteit van de economie met 6 à 10 % per jaar omlaag. Een dergelijk niveau van gestage technologische verandering voor de hele economie is ongezien. Het zou daarom verstandig zijn een diepgaande dialoog op te starten over de vraag in hoeverre verandering van de consumptiepatronen en het gangbare sociaaleconomische model, dat berust op een voortdurende toename van productie en consumptie, haalbaar is. Ook moet worden bekeken hoe de productie- en bevoorradingsketens zo snel mogelijk kunnen worden verbeterd.

4.   De keuze voor duurzame consumptie mogelijk maken

4.1   De Europese regeringen hebben zich er tijdens de Milieutop van Rio in 1992 toe verbonden om niet-duurzame productie- en consumptiepatronen uit de wereld te helpen. Daarnaast is in het kader van het Marrakech-proces vastgelegd dat zij tegen 2010 een reeks actieplannen voor duurzame consumptie en productie klaar moeten hebben, die in 2011 door de VN-commissie voor duurzame ontwikkeling onder de loep zullen worden genomen.

4.2   Er wordt steeds meer onderzoek verricht naar duurzame consumptie en de vraag hoe dit streven te verwezenlijken (8). Voor de meeste consumenten is hun huidige manier van leven een soort keurslijf; ook al zouden zij bv. minder met de auto willen rijden, ze hebben niet het minste idee hoe dat aan te pakken. Onze consumptiepatronen worden bepaald door een veelheid aan invloeden, met inbegrip van fysieke behoeften, karakter, sociale achtergrond, culturele factoren en de beschikbaarheid en prijzen van alternatieve goederen en diensten. In de consumptiemaatschappij wordt de keuze van de consument sterk bepaald door sociale en psychologische behoeften, zoals de aansluiting bij een groep, zelfrespect en de zoektocht naar een eigen identiteit. Dit alles maakt het moeilijk voor individuen om zelfs maar over verandering na te denken, terwijl het ook voor de overheid geen sinecure is om beleidsmaatregelen ter bevordering van nieuwe consumptiepatronen op te leggen. Pogingen in die richting monden meestal uit in een teleurstelling: de resultaten zijn onbeduidend of doen zich maar heel langzaam voelen. Het is dan ook moeilijk roeien tegen de stroom in.

4.3   Motieven en consumptiepatronen zijn voor iedereen anders en elk individu zal, afhankelijk van de situatie, anders reageren op bepaalde beleidsmaatregelen. Er is dus geen pasklare beleidsoplossing om duurzame consumptie algemeen ingang te doen vinden. Meer resultaat kan worden verwacht van maatregelen op uiteenlopende beleidsgebieden, van landbouw en werkgelegenheid tot onderwijs en gezondheid. Het kan nodig blijken specifieke strategieën uit te werken om bepaalde doelgroepen, zoals ouderen of jongeren, aan te sporen duurzame keuzes te maken.

4.4   In tijden van nationale noodsituaties of oorlog leggen mensen zichzelf en masse vrijwillig beperkingen op, maar de milieucrisis wordt over het algemeen niet beschouwd als een noodsituatie van hetzelfde kaliber. Toch is het een feit dat steeds meer mensen kiezen voor een eenvoudigere manier van leven om zo hun ecologische voetafdruk te verkleinen. Een aantal van de meest geslaagde pogingen om consumptiepatronen te veranderen danken hun succes aan de oprichting van burgerverenigingen, zoals bv. het Ecoteamprogramma dat door de organisatie Global Action Plan in verschillende landen wordt uitgevoerd. Dit programma houdt in dat buurtbewoners, bedrijven of scholen afspreken om hun afval en energie- en waterverbruik te beperken en nagaan hoe zij op een duurzamere manier kunnen gaan leven.

4.5   Pogingen tot verandering die van bovenaf worden opgelegd zullen waarschijnlijk niet werken – vooral niet als politici die zelf allerminst sober leven het grote publiek in een bepaalde richting willen dwingen. Duurzame consumptie heeft voor de meeste mensen geen hoge prioriteit. Maatschappelijke verandering begint echter vaak bij een kleine groep en raakt dan geleidelijk aan wijder verbreid via allerhande communicatiekanalen, o.m. de media en de kunsten maar ook informele vriendennetwerken en geloofsverenigingen. Het heeft weinig zin dat de overheid haar standpunt tracht op te leggen; beter is het dat zij zich ertoe beperkt bestaande groeperingen die zich inzetten voor een duurzame levensstijl in kaart te brengen en te ondersteunen.

4.6   De keuze voor een duurzame levensstijl mag niet worden opgevat of gebracht als een luxe voor mensen die zich dat financieel kunnen permitteren. Het Comité heeft er al op gewezen dat duurzame productie niet tot prijsstijgingen mag leiden (9) maar voor iedereen toegankelijk moet zijn. Duurzaam consumeren mag in geen geval duurder uitvallen. Dat zou nl. betekenen dat enkel bepaalde groepen zich de keuze voor duurzaamheid kunnen veroorloven en armen en laagverdieners buitenspel worden gezet.

4.7   Om iedereen de kans te geven voor duurzaam consumeren te kiezen, moeten ook de problemen i.v.m. andere, cruciale aspecten van welvaart worden aangepakt. We denken aan werkgelegenheid, behoorlijke lonen, waardig werk en toegang tot krediet voor het MKB, punten die in de ogen van de burger belangrijker zijn dan duurzaamheid.

5.   Beleidskwesties die op de agenda horen

5.1   De EU-instellingen hebben bij het bouwen aan een verenigd Europa jarenlange ervaring opgedaan met het uittekenen en doorvoeren van radicale veranderingen. Zij gingen daarbij vooral uit van een pluralistisch model, en dwongen de regeringen niet in een bepaalde richting maar hielpen hen tot overeenstemming te komen. Met name op het gebied van gezondheids- en milieunormen stond de EU vooraan, en die ervaring zou bijzonder nuttig kunnen zijn bij het opbouwen van een duurzame economie. Leiderschap en inspiratie zouden wel eens even belangrijk kunnen blijken te zijn als technische expertise en administratieve vaardigheden.

5.2   Het Comité heeft zich lovend uitgesproken over het actieplan van de Commissie inzake duurzame consumptie en productie (10). Daarnaast hebben nog tal van andere EU-beleidsmaatregelen betrekking op duurzame consumptie, zoals daar zijn het systeem van verhandelbare emissierechten (ETS), de richtlijn betreffende consumenteninformatie over het brandstofverbruik, de verordening betreffende de CO2-emissies van lichte voertuigen, de biobrandstoffenrichtlijn, de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen, de richtlijn betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en de milieubepalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het EU-beleid is evenwel in de eerste plaats gericht op marktinstrumenten en technologie- en productienormen. Alleen ETS houdt verband met absolute niveaus van uitstoot van broeikasgassen. Het gebeurt dat de doelstelling van duurzame consumptie botst met andere beleidsdoelstellingen, bv. het bevorderen van mobiliteit. Er wordt bijzonder weinig gedaan om de consumptiepatronen en levensstijl direct te beïnvloeden en de huidige beleidsmaatregelen zijn duidelijk ontoereikend willen we de doelstellingen inzake het terugdringen van broeikasgassen bereiken en een eind maken aan onze afhankelijkheid van niet duurzame delfstoffen.

5.3   De EU-instellingen, de nationale en lokale overheden en de sociale partners moeten met elkaar in dialoog treden. Zo zou de Commissie samen met het Comité en andere partijen een forum voor duurzame consumptie kunnen opzetten, dat zich o.m. zou bezighouden met de volgende vragen.

Welke waarden dienen ten grondslag te liggen aan een duurzame economie? Wat met de tegenstelling tussen groei en milieuduurzaamheid, tussen sociale integratie en persoonlijke vrijheid, tussen de kwaliteit van het bestaan van de huidige en van de toekomstige generaties?

Moeten we op bepaalde vlakken minder gaan consumeren? De uitstoot van broeikasgassen is voor het leeuwendeel toe te schrijven aan voedselconsumptie, energieverbruik en vervoer. Duurzaamheid en andere doelstellingen kunnen tegenstrijdig zijn, maar in sommige gevallen kan er ook sprake zijn van een synergie-effect (fietsen bv. is goed voor de gezondheid én het milieu).

Wat weerhoudt mensen ervan te kiezen voor duurzame consumptiepatronen en wat kunnen de lokale, nationale en Europese overheden daaraan doen? Een mogelijkheid is ervoor te zorgen dat de bestaande beleidsmaatregelen (bv. de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen) volledig worden uitgevoerd, en de maatregelen in het kader van het actieplan voor duurzame consumptie en productie aan te scherpen, zodat consumenten de kans krijgen te kiezen voor duurzamer geproduceerde voedingsmiddelen.

Wat zijn de ervaringen van individuen en groepen die hun ecologische voetafdruk trachten te verkleinen en in hoeverre kunnen we hun voorbeeld navolgen? Bepaalde verenigingen kunnen hier zeker hun steentje aan bijdragen. We denken dan aan Global Action Plan, de organisatie die er met haar EcoTeams in slaagt om niet recycleerbaar afval met 40 à 50 % terug te dringen, netwerken als Transition Towns, die lokale gemeenschappen aanzetten zich te verenigen om de klimaatverandering en de uitputting van de natuurlijke rijkdommen tegen te gaan, en religieuze groeperingen zoals de Quakers die traditioneel sober leven. Sommige leden van deze groeperingen en netwerken lukt het om 60 tot 80 % minder materiaal en energie te verbruiken dan het EU-gemiddelde en toch een bevredigend leven te leiden.

Welke stappen zijn nodig om bepaalde groepen zoals ouderen, jongeren, werklozen, nieuwkomers en jonge gezinnen, bij te staan bij het omschakelen naar duurzame consumptie?

Hoe kunnen we de overstap naar duurzame consumptie en productie verenigen met een concurrerende interne markt?

5.4   Om veranderingen in consumptie te weeg te brengen zijn zowel onmiddellijke als langetermijnmaatregelen noodzakelijk. Daarbij kunnen zeker lessen worden getrokken uit de manier waarop in het verleden andere problemen zijn aangepakt. Zo is het gelukt ingrijpende veranderingen te bewerkstelligen in het rookgedrag, dankzij een combinatie van prijsmaatregelen, regelgeving, etikettering en educatie.

5.4.1   Prijsstimulansen zijn normaliter een belangrijk onderdeel van een pakket beleidsmaatregelen, maar in dit geval is de doelstelling van de Commissie om de energieprijzen te doen dalen (11) strijdig met de noodzaak om het verbruik terug te dringen. Koolstofbelastingen en het emissiehandelssysteem moeten worden aangevuld met andere maatregelen. Zonder sterke stimulansen voor de isolatie van woningen en het gebruik van alternatieve energiebronnen dreigen hoge brandstof- en koolstofprijzen energiearmoede in de hand te werken.

5.4.2   Het EESC heeft er eerder al op gewezen hoe belangrijk voorlichting is om mensen te leren consequent voor duurzaamheid te kiezen. Bovendien wil het hier nogmaals duidelijk maken dat dergelijke programma's niet alleen bedoeld mogen zijn voor scholen en jongeren, hoewel die laatste een belangrijke doelgroep zijn, maar zich tot alle leeftijdsgroepen moeten richten. Er moet worden voorzien in beroepsopleiding, levenslang leren en specifieke programma's voor ouderen. Het streven naar duurzaamheid mag er in geen geval toe leiden dat bepaalde groepen, zoals werklozen, buiten de boot vallen.

5.5   Dialoog en actie moeten hand in hand gaan. Zo moet steun worden verleend aan groepen die zich inzetten voor een duurzame manier van leven, zodat zij proefprojecten kunnen opzetten en daarvan verslag kunnen doen. De EU-instellingen moeten deze inspanningen ernstig nemen en het beleid waar nodig bijschaven en aanscherpen. Het is hun taak het voortouw te nemen en aan te tonen welke duurzame oplossingen in de praktijk mogelijk zijn.

5.6   Duurzame consumptie is meer dan een milieubeleidsdoelstelling. Om dit streven te bereiken zijn nl. ook initiatieven nodig op tal van andere beleidsterreinen, waaronder gezondheid, onderwijs, werkgelegenheid, handel, mededinging consumentenzaken, vervoer, landbouw en energie.

5.7   Het Comité verzoekt de Commissie met klem om in het kader van haar werkprogramma voor 2010, „Een tijd voor daden” (12) en de EU 2020-strategie, serieus werk te maken van de duurzame consumptie.

Brussel, 15 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Boulding, K. „The economics of the coming spaceship earth”, in Environmental Quality in a Growing Society, (Baltimore: Johns Hopkins University Press, 1966) blz. 253 e.v.

(2)  EESC-advies in PB C 100 van 30.4.2009, blz. 53.

(3)  European Environment Agency, Signals 2010.

(4)  Global Footprint Network and WWF, Europe 2007: Gross Domestic Product and Ecological Footprint.

(5)  PB C 77 van 31.03.2009, blz. 73.

(6)  EEA, Annual European Community greenhouse gas inventory 1990–2006 and inventory report 2008: Submission to the UNFCCC Secretariat, (Kopenhagen: EEA, 2008).

(7)  Tipping, P. et al., Impact Assessment on the Future Action Plan for Energy Efficiency, uitgevoerd door ECN (NL) en WS Atkins (UK) voor DGTREN. Contractor: ECORYS, NL (2006).

(8)  Jackson, T. Motivating Sustainable Consumption: A Review of Evidence on Consumer Behaviour and Behavioural Change, a report to the Sustainable Development Research Network, 2005, beschikbaar op http://www.sd-research.org.uk/.

(9)  PB C 224 van 30.08.2008, blz. 1.

(10)  PB C 218 van 11.09.2009, blz. 46.

(11)  Rapport van de heer Monti aan de Commissie, Een nieuwe strategie voor de interne markt, mei 2010.

(12)  COM(2010) 135 final, Deel I.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/62


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Consumenteninformatie: wat en hoe” (initiatiefadvies)

2011/C 44/11

Rapporteur: Jorge PEGADO LIZ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 juli 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2 van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over

Consumenteninformatie: wat en hoe.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 juni 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 81 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het recht van de burger op informatie in zijn verschillende vormen – d.w.z. de vrijheid van informatie, het recht om informatie te verstrekken en te ontvangen, en meer in het bijzonder het recht van de consument op informatie – is vandaag algemeen erkend en behoort tot de in het primaire recht van de EU vastgelegde bindende grondrechten (punt 5 van de preambule en de artt. 11, 27, 38, 42 en 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 2 van het VEU en art. 169 van het VWEU).

1.2   Deze nieuwe benadering van de basisregel is evenwel nog niet overgenomen op het niveau van het afgeleide recht, zodat op dat vlak dus nog heel wat werk aan de winkel is. De inhoudelijke kant van het recht van de consument op informatie, en andere aspecten als toegang, tijdstip, afbakening en wijze worden in de gemeenschapswetgeving niet samenhangend behandeld; er is sprake van lacunes en overlappingen die ook – en vaak in nog sterkere mate - in de wetgeving van de lidstaten terug te vinden zijn, wat niet alleen nadelig is voor de consument en het bedrijfsleven, maar ook de voltooiing van de interne markt in de weg staat.

1.3   Het Comité is van oordeel dat het recht van de consument op precontractuele, contractuele en postcontractuele informatie en het recht op bijstand en advies, in specifieke Europese regelgeving dienen te worden vastgelegd, vanzelfsprekend met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.

1.4   Bedoeling van dit advies, dat noodzakelijkerwijs beperkt blijft tot een aantal fundamentele aspecten van het recht van de consument op informatie, is dan ook om een paar van de beginselen die uit deze nieuwe aanpak voortvloeien onder de loep te nemen en te kijken naar de praktische gevolgen daarvan, m.n. in het kader van de voltooiing van een interne markt die is afgestemd op de behoeften van de XXIe eeuw en in de context van de 2020-strategie.

1.5   In dit verband is het belangrijk te erkennen dat de nieuwste aanpak van de Commissie inzake consumentenrechten in het algemeen en het recht op informatie in het bijzonder, die erin bestaat dat zij volledige harmonisatie nastreeft, ongeacht de context, lijnrecht ingaat tegen bovenstaande opvatting. De Commissie schendt hiermee immers het subsidiariteitsbeginsel, maakt het de lidstaten die de consument meer rechten willen bieden moeilijk en dwingt hen om verworven rechten, die eerder al in communautaire richtlijnen en nationale grondwetten en wetten waren vastgelegd, met terugwerkende kracht af te zwakken.

1.6   Het Comité blijft ervan overtuigd dat de Unie, voor zover zij verantwoordelijk is voor de afbakening van de rechten van de consument, daarbij op de eerste plaats moet uitgaan van het begrip zwakste of kwetsbaarste partij, en niet van dat van goed voorgelichte, oplettende, wakkere consument die zijn beslissingen op louter economische gronden baseert. In lijn daarmee blijft het Comité er ook bij dat de doelstellingen van minimale harmonisatie en een hoog beschermingsniveau het best aansluiten bij het Verdrag en de werkelijke aard van de verhouding tussen consument en handelaar.

1.7   Hier komt het begrip „juiste informatie” om de hoek kijken. Daarbij gaat het om kwaliteit, niet om kwantiteit. Of de informatie aansluit bij de werkelijke behoeften en verwachtingen van de consument moet worden bekeken aan de hand van zowel de doelstelling als de inhoud, de presentatie en de context.

1.8   Wat het recht op informatie in het algemeen aangaat is het van kapitaal belang dat op communautair niveau wordt vastgelegd dat het om een subjectief recht gaat; ook moet worden aangegeven wat de respectieve verplichtingen zijn van wie - overheid of beroepssector – verantwoordelijk is voor het verstrekken van de informatie.

1.9   Wat het aandeel van verkoopinformatie, inclusief publiciteit, in de voorlichting van de consument aangaat, pleit het Comité voor een veralgemening van de bepaling uit de richtlijn inzake georganiseerde reizen; dit houdt in dat een boodschap die gedetailleerde en concrete informatie bevat over het product, de dienst of het recht in kwestie, wordt beschouwd als integraal onderdeel van de overeenkomst.

1.10   Nog in dit verband dringt het Comité erop aan dat de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken in haar geheel wordt herzien; het is zaak een halt toe te roepen aan de volledige harmonisatie en alle nefaste gevolgen daarvan, waarop recent overigens ook de vinger is gelegd in diverse besluiten van het Hof van Justitie.

1.11   Het voorstel van de Commissie over rechten van de consument ligt nog ter tafel; hier kan dus nog tijdig worden ingegrepen. Het Comité dringt in dit kader dan ook aan op de uitwerking van een echt handvest van de rechten van de consument, waarbij het gaat om het recht op informatie in de precontractuele, de contractuele en de postcontractuele fase, en het recht op bijstand en advies. Voorts moeten tekortkomingen en de gevolgen van lacunes of verkeerde informatie duidelijk worden omschreven, volgens de aanbevelingen van onderhavig advies.

1.12   Daartoe is een algemene herziening nodig van de gedetailleerde opsommingen van de vereisten inzake de precontractuele en contractuele informatie die de beroepssector moet verschaffen; de verschillende sectorgebonden richtlijnen bevatten immers tal van tegenstrijdigheden en overlappingen.

1.13   Daarnaast zou het Comité graag zien dat in dit verband ook de volgende algemene vereisten worden vastgelegd:

a.

Omschrijving van een algemene verplichting tot precontractuele informatie, inclusief informatie over de goederen en diensten, de handelaar, de prijs en uitvoeringsvoorwaarden van de overeenkomst, het herroepingsrecht en de wijze van geschillenbeslechting.

b.

De inhoud en de reikwijdte van de precontractuele informatie moeten in grote lijnen worden afgestemd op de goederen/diensten in kwestie, m.n. als deze complex van aard zijn of gevolgen hebben voor de gezondheid of veiligheid van de consument.

c.

De verstrekte informatie moet beantwoorden aan het algemene beginsel van betrouwbaarheid, d.w.z. dat de consument niet mag worden misleid, dat essentiële aspecten niet mogen worden verzwegen en dat de informatie duidelijk en begrijpelijk moet zijn. Verder moet de informatie niet alleen betrekking hebben op het voorwerp van de overeenkomst maar ook op de verkoopwijze.

d.

De precontractuele informatie moet deel uitmaken van de door de consument gesloten overeenkomst.

e.

Het beginsel van gratis informatie over fundamentele aspecten van de overeenkomst moet worden verankerd, samen met het beginsel dat de prijs van informatie over andere aspecten in verhouding moet staan tot de kosten.

f.

Om te kunnen besluiten of hij een overeenkomst al dan niet wil aangaan moet de consument vlot toegang kunnen krijgen tot de precontractuele informatie; ook moet hij om opheldering kunnen vragen over deze informatie en over de inhoud en de gevolgen van de overeenkomst.

g.

De handelaar moet verplicht bijstand en advies verlenen, conform de bepalingen in par. 8, zeker als het gaat om producten of diensten van complexe aard of die de veiligheid of gezondheid van de consument in gevaar kunnen brengen.

h.

De bewijslast berust bij de handelaar: hij moet kunnen aantonen dat de precontractuele informatie is verstrekt en dat is voldaan aan de verplichting om bijstand te verlenen.

i.

Als de handelaar weigert te voldoen aan de verplichtingen inzake precontractuele informatie en bijstand heeft de consument in bepaalde gevallen het recht de overeenkomst te herroepen en kan hij eventueel aanspraak maken op schadevergoeding.

1.14   Het Comité verzoekt de Commissie dan ook met klem om het bedoelde voorstel voor een richtlijn grondig te herzien, en dan vooral de bepalingen die betrekking hebben op het recht van de consument op informatie, en de in dit advies bepleite beginselen en concrete maatregelen in haar tekst te verweven.

1.15   Tevens roept het Comité het EP en de lidstaten op om alle in de Commissietekst aangekaarte sleutelaspecten van het recht van de consument op informatie te bekijken in het licht van de aanbevelingen van het Comité, en dit nog voor de goedkeuring van het Commissievoorstel.

1.16   Ten slotte moet er op EU-niveau een coherent juridisch kader voor online-reclame komen, dat in elk geval het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer – toch een fundamenteel mensenrecht – veiligstelt.

2.   Inleiding en afbakening van het onderwerp: het recht op informatie, een grondrecht van de burgers, en het recht van de consument op informatie

2.1   Het is voor het eerst dat het recht van de consument op informatie op EU-niveau op autonome en systematische basis wordt behandeld in de bredere context van het recht op informatie als een recht van de Europese burgers. Het advies van het Comité kan worden beschouwd als een bijdrage aan een ruimere maatschappelijke discussie hierover, waarbij niet mag worden vergeten dat deze problematiek ook een stempel drukt op de nieuwe strategie voor de voltooiing van de interne markt.

2.2   Gezien de reikwijdte van deze problematiek is een nauwkeurige afbakening noodzakelijk. Dat heeft alles te maken met de aard van dit advies, dat overigens het resultaat is van bijdragen van de hand van diverse instanties en waarin alle bedenkingen zijn opgenomen die naar voren zijn gekomen tijdens de druk bijgewoonde hoorzitting die op 1 maart 2010 plaatsvond in het EESC (zie voor meer details de site van de Waarnemingspost voor de interne markt http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.consumer-information).

2.3   Het recht van de burger op informatie, dat is verankerd in diverse universele verklaringen en handvesten van grondrechten en rechten van de burger, is pas met de opname van het Europees Handvest van de grondrechten in het recent in werking getreden Verdrag van Lissabon, integraal deel gaan uitmaken van het communautaire recht; het gaat dan om het recht op informatie in zijn verschillende vormen, d.w.z. de vrijheid van informatie, het recht om informatie te verstrekken en te vergaren, en de plicht om informatie te verstrekken versus het recht om informatie te ontvangen (punt 5 van de preambule en de artt. 11, 27, 38, 42 en 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en art. 2 van het VEU en art. 169 van het VWEU). Voorts is er nog het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, dat moet worden gezien in het licht van agressieve en ongewenste verkooppraktijken en ongewenste reclame of spam.

2.4   Deze aspecten zijn vandaag m.n. bijzonder belangrijk wanneer we het hebben over de rechten van de consument, en dan voornamelijk over de inhoud ervan, de wijze waarop deze rechten worden uitgeoefend, en de verplichtingen die de uitoefening ervan voor de verschillende partijen meebrengt. Zij worden nu immers beschouwd als grondrechten en moeten verplicht in aanmerking worden genomen bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van de verschillende communautaire beleidsmaatregelen.

2.5   Consumenten moeten als deelnemers aan de markt perfect op de hoogte zijn van alle elementen die nodig zijn om op die markt rationele keuzes te kunnen maken. Dat is vandaag een van de basisvoorwaarden voor het vlot functioneren van het model van vrije mededinging, dat eigen is aan de markteconomie waarop de EU berust, zonder afbreuk te doen aan het subsidiariteitsbeginsel en de gedeelde bevoegdheden die volgens het EU-recht op dit gebied van toepassing zijn.

2.6   Deze algemene verplichting houdt o.m. in dat de werking van de communautaire instellingen transparant moet zijn. „Geheimhouding” moet de uitzondering blijven en de noodzaak daarvan moet worden aangetoond aan de hand van zwaarwegende elementen die verband houden met de rechtsgang, het openbaar belang en de openbare orde, of de bescherming van het privéleven. Hoewel op EU-niveau in dit verband al belangrijke vooruitgang is geboekt dankzij bepaalde initiatieven van de Commissie en het EP (1), is de Raad hen hierin helaas niet gevolgd. Te hopen valt nu dat de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon een grote stap vooruit zal betekenen. Ondanks het belang ervan voor consumentenvoorlichting in het algemeen valt deze problematiek buiten het bestek van dit advies; voor nadere details verwijzen we dan ook naar het desbetreffende EESC-advies.

2.7   Evenmin zullen we in dit advies nader ingaan op de aspecten die verband houden met educatie en opleiding van de consument in het algemeen, hoewel ook het belang daarvan buiten kijf staat. Ook hier verwijzen we naar de relevante EESC-adviezen (2), m.n. het initiatiefadvies over consumenteneducatie (3).

2.8   Ten slotte is het onmogelijk om in een advies als het onze een sectorgerichte benadering van het recht op informatie op EU-niveau uit te werken, hoewel we hierbij uitdrukkelijk willen aantekenen dat ook een dergelijke studie noodzakelijk is om de specifieke aspecten van bepaalde gebieden, producten of diensten te belichten - we denken dan aan voedingsmiddelen, medicijnen, financiële diensten of de elektronische handel. Ook op deze vlakken moet immers worden gestreefd naar harmonisatie van de regels inzake consumentenbescherming op het hoogste niveau.

2.9   Waar het in dit advies dan wel om draait is de aanpak die de EU moet hanteren bij het uitwerken en vastleggen van de rechten van de consument op het vlak van informatie, zowel in het algemeen als meer specifiek in de verschillende fases van een contractuele relatie.

3.   De „gemiddelde” consument versus de „kwetsbare” consument; het begrip juiste informatie

3.1   Al sinds de publicatie van de eerste programma's van de Commissie voor consumentenbescherming, die de afgelopen 30 jaar zijn uitgemond in een aantal belangrijke wetgevingsinitiatieven, wordt de consument in het communautaire acquis – dat daarmee de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de rechtsleer volgt – neergezet als de „zwakke partij” in de juridische verhouding tussen consument en handelaar die van nature onevenwichtig is; alle nieuwe wetgeving ter zake is er dan ook op gericht deze verhouding via de invoering van specifieke beschermingsmaatregelen recht te trekken.

3.2   In diverse strategiedocumenten, die ten grondslag liggen aan verscheidene recente wetgevingsinitiatieven (4), schuift de Commissie evenwel het begrip „gemiddelde consument” naar voren, waarmee zij verwijst naar de „gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument” (5). Zij beoogt daarmee tot een nieuwe aanpak van het Europese consumentenbeleid te komen, die zou worden gebaseerd op volledige harmonisatie, toezicht door het land van herkomst en wederzijdse erkenning.

3.3   Deze benadering, die door consumentenorganisaties in alle lidstaten over het algemeen van de hand wordt gewezen en waarover ook het Comité zich in verschillende adviezen al negatief heeft uitgelaten, komt er in de praktijk op neer dat het niveau van bescherming van de consument naar beneden wordt gehaald, wat een onaanvaardbare ondermijning van het Europees beleid voor consumentenbescherming betekent.

3.4   Deze nieuwe koers maakt echter de kwestie van het recht van consumenten op informatie nog prangender: de consument moet immers steeds beter op de hoogte zijn om op de wereldwijde markt rationele beslissingen te kunnen nemen. Het onderliggende neoliberale model berust immers op een aantal bekende grondbeginselen, waaronder:

a)

een kritisch bewustzijn van eigen behoeften en rangorde van voorkeuren;

b)

de mogelijkheid om de verschillende producten en diensten op de markt met elkaar te vergelijken;

c)

technisch en economisch inzicht in de kwaliteit en de prijs van de verschillende producten en diensten (6).

3.4.1   Ook de kwestie van de aard en de kwaliteit van de informatie waarover de consument moet kunnen beschikken, wint in dit licht aan belang, evenals de vraag wat het begrip „juiste informatie” inhoudt.

3.5   In tegenstelling tot wat uit recente teksten van de Commissie zou kunnen worden afgeleid is het niet de hoeveelheid informatie die telt. Zaak is dat de informatie aansluit bij de concrete behoeften en verwachtingen van de consument; de relevantie van de informatie moet worden afgemeten aan het doel, de inhoud, de presentatie en de context.

3.6   Om een beeld te krijgen van de kwaliteit moet informatie voorts ook voortdurend worden onderworpen aan de geschiktheidstoets (suitability), zodat kan worden bekeken of zij is afgestemd op het doel en de doelgroep. Fundamentele parameters zijn dan de betrouwbaarheid, actualiteit, onpartijdigheid, nauwkeurigheid, relevantie, beknoptheid, begrijpelijkheid, duidelijkheid, leesbaarheid en toegankelijkheid.

3.7   Met het oog op de verbetering van de regelgeving verzoekt het Comité de Commissie om via consumententesten na te gaan of informatie qua vorm en inhoud doeltreffend is, zodat de consument zelf kan aangeven wat nuttig is.

3.8   Wat financiële diensten betreft gaan consumentenvoorlichting en financiële educatie en vaardigheden hand in hand. De informatie moet duidelijker en het gebruik van juridisch en technisch jargon moet binnen de perken blijven. Wel is het een feit dat bepaalde financiële producten complex zijn en dat de informatie, wil zij kloppen, dus ook navenant ingewikkeld zal zijn.

3.9   De manier waarop informatie wordt verstrekt (inhoud en vorm) en het desbetreffende wetgevingskader mogen niet te vaak worden gewijzigd. Als herhaaldelijk wordt getornd aan de criteria is het voor de consument lastig inzicht te krijgen in de informatie.

4.   Informatie, reclame en marketing; Richtlijn 2005/29/EG

4.1   Het recht van de consument op informatie in het algemeen komt zowel neer op de vage voordelen die voortvloeien uit de uitoefening door de staat en andere openbare instanties van hun algemene informatietaken, en die niet kunnen worden beschouwd als een echt „subjectief recht”, als op de invulling van de informatieplicht van leveranciers en andere betrokkenen bij de productie en verhandeling van goederen en diensten.

4.2   In die zin kan verkoopinformatie waaruit niet rechtstreeks contractuele of precontractuele betrekkingen voortvloeien, bepaalde rechten creëren, die van collectieve aard kunnen zijn (en dus kunnen worden uitgeoefend door consumentenverenigingen of in het kader van een collectieve actie) maar ook de vorm kunnen aannemen van echte subjectieve rechten.

4.3   Deze problematiek is op dit moment geregeld bij Richtlijn 2005/29/EG, waarover het Comité zich eerder al heeft uitgesproken. Voor meer informatie ter zake verwijzen we dan ook naar het desbetreffende advies (7).

4.3.1   Zoals door het Comité al eerder aan de kaak werd gesteld heeft de techniek van „volledige harmonisatie” ertoe geleid dat de normen inzake verplichte consumenteninformatie over het algemeen ontegensprekelijk afkalven.

4.3.2   Reclame en marketing moeten er mee voor zorgen dat de consument correcte informatie krijgt. Met bedoelde richtlijn echter wordt die rol aanzienlijk afgezwakt, wat blijkt uit de definitie zelf van oneerlijke handelspraktijken, of het nu gaat om actieve misleiding of om nalatigheid, en uit de beperkte lijst van praktijken die in de bijlage bij de richtlijn is opgenomen.

4.3.3   Daar komt nog bij dat in de richtlijn uitdrukkelijk wordt gesteld dat „de gangbare, legitieme reclamepraktijk waarbij overdreven uitspraken worden gedaan of uitspraken die niet letterlijk dienen te worden genomen”, aanvaardbaar is, ook al zijn deze uitspraken gericht tot „consumenten die wegens een mentale of lichamelijke handicap, hun leeftijd of goedgelovigheid bijzonder vatbaar zijn”.

4.3.4   Zorgwekkender nog is dat het op grond van deze richtlijn onmogelijk wordt om vast te houden aan Europese of nationale wetgeving waarin wordt bepaald dat de concrete en objectieve informatie die is vervat in de reclameboodschap voor een product, dienst of recht, onderdeel uitmaakt van overeenkomsten die worden afgesloten na het uitzenden van die boodschap, terwijl clausules die daarmee in tegenspraak zijn nietig worden verklaard.

5.   Informatie in overeenkomsten; het voorstel voor een richtlijn betreffende consumentenrechten

5.1   Er is nog steeds hoegenaamd geen werk gemaakt van een echt handvest van het recht van de consument op informatie, terwijl het toch in de lijn der verwachting lag dat deze lacune in het communautaire acquis met het recente voorstel voor een richtlijn betreffende consumentenrechten zou worden opgevuld.

5.2   De desbetreffende passage in het hoofdstuk „Consumenteninformatie” kan dan ook alleen maar teleurstellen. In plaats van de desbetreffende opeisbare rechten vast te leggen, zoals dat in alle nationale wetgevingen is gebeurd, beperkt de Commissie zich tot een facultatieve lijst van de te verstrekken informatie, „voor zover die niet al duidelijk is uit de context” (8). Het gaat daarbij bovendien om volstrekt elementaire en voor de hand liggende gegevens, die terug te vinden zijn in de eerste de beste code van goede praktijken waarover elk doorsneebedrijf beschikt. Meer hierover is terug te vinden in het EESC-advies over dit voorstel (9).

6.   Precontractuele informatie

6.1   Hoewel de betrekkingen tussen consument en handelaar doorgaans geregeld worden in het nationaal recht, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, komen er steeds meer Europese bepalingen inzake verplichte informatieverstrekking. Dat geldt m.n. voor de precontractuele informatie in de volgende sectoren: de dienstensector in het algemeen, georganiseerde reizen, financiële diensten, bepaalde consumptiegoederen die van invloed kunnen zijn op de gezondheid en veiligheid van de consument, en goederen, diensten en rechten die op afstand worden aangeboden, waarvoor reclame wordt gemaakt en waarop de normale handelspraktijken of overeenkomsten van toepassing zijn.

6.2   Een analyse van de communautaire wetgeving maakt al snel duidelijk welke overeenkomsten er zijn op het gebied van precontractuele informatie en op welke punten er aanzienlijke verschillen zijn qua inhoud en benadering. Het gaat m.n. om het volgende:

i.

Reclame voor bepaalde goederen, diensten of rechten wordt geheel of gedeeltelijk onderworpen aan de verplichting/het verbod om bepaalde punten te vermelden; voorbeelden zijn reclame voor consumentenkrediet, waarin verplicht een aantal standaardgegevens moeten worden vermeld, of voor georganiseerde reizen, waarin moet worden verwezen naar bepaalde cruciale aspecten. Dit geldt voorts voor medicijnen; consumenteninformatie wordt hier in verband gebracht met verkoopinformatie, met inbegrip van reclame; de nadruk ligt op de verplichting om een aantal gegevens te vermelden op het etiket of in bepaalde documenten of eventueel in de reclame. Wat voedingsmiddelen aangaat schept de wildgroei aan (vereenvoudigde) etiketten onnodige verwarring, die nog wordt vergroot door de informatie die is vervat in de voedings- en gezondheidsclaims, en dat op een snel evoluerende markt met potentiële risico's voor de gezondheid van de consument.

ii.

Normalisering van de precontractuele informatie: hiertoe zouden alle gegevens kunnen worden verstrekt via een gemeenschappelijk informatieblad dat geldt voor het volledige aanbod op de interne markt; zo is bv. een Europees gestandaardiseerd informatieblad (ESIS) uitgewerkt voor het verlenen van consumentenkrediet. Voorwaarde is wel dat de regelingen voor het ontvangen en interpreteren van precontractuele informatie in heel Europa gelijk lopen.

6.3   Hoewel gestandaardiseerde precontractuele informatie vanuit het oogpunt van een vergelijkbaar aanbod zeker voordelen heeft, is het van kapitaal belang dat de nodige speelruimte behouden blijft, zodat een en ander kan worden afgestemd op de specifieke kenmerken van de consumenten in de verschillende lidstaten. Aangezien veel markten toch voornamelijk nog op nationale leest geschoeid zijn, zou de hoeveelheid informatie die beschikbaar moet worden gesteld om vergelijking mogelijk te maken, tot hoge kosten leiden, die niet worden gecompenseerd door een groei van de markt over de grenzen heen, wat nadelig kan zijn voor het MKB.

7.   Contractuele en postcontractuele informatie

7.1   De informatieplicht heeft ook betrekking op de contractuele fase, m.n. waar het gaat om consumentenovereenkomsten van blijvende of lange duur en/of van complexe aard (bv. financiële producten en diensten of time sharing), of waarvan de gevolgen zich nog gedurende langere tijd kunnen doen voelen (medicijnen).

7.2   Er zijn al voorbeelden van communautaire wetgeving waarin het recht op contractuele informatie is vastgelegd. We denken dan aan de richtlijn inzake georganiseerde reizen of de richtlijn inzake betalingsdiensten.

7.3   Het opleggen van de verplichting tot informatie vloeit voort uit het recht van de consument om een vrije en weloverwogen keuze te kunnen maken; dit recht geldt echter niet alleen bij de afsluiting van de overeenkomst maar ook tijdens de hele periode waarin de overeenkomst van kracht is en in sommige gevallen zelfs nog achteraf. Het besluit van de consument om een overeenkomst al dan niet in stand te houden en zijn eventuele verantwoordelijkheid voor de uitvoering, hangen samen met de vraag of de vereiste informatie is verstrekt.

7.4   In deze fases zijn het vooral de kosten die ertoe leiden dat het recht op informatie niet naar behoren wordt nageleefd, als er tenminste geen sprake is van een opzettelijke schending. Opgemerkt zij dat de regel van gratis consumenteninformatie over het algemeen niet terug te vinden is in de communautaire wetgeving, zelfs niet waar het gaat om precontractuele informatie. Wel zijn met Richtlijn 2007/64/EG (betalingsdiensten) twee bepalingen ingevoerd om de rechten en plichten op het vlak van informatie te doen naleven.

i.

Gratis informatie: de betalingsdienstaanbieder mag de betalingsdienstgebruiker geen kosten aanrekenen voor het verstrekken van een bepaalde hoeveelheid informatie;

ii.

De aangerekende prijs moet in verhouding staan tot de kosten: als er geen verplichting is tot gratis informatieverstrekking moet de prijs overeenstemmen met de door de betalingsdienstaanbieder werkelijk gemaakt kosten.

7.5   Het Comité is van oordeel dat in de contractuele en de postcontractuele fase moet worden voldaan aan bepaalde informatievereisten (zowel wat rechten als verplichtingen betreft), vooral als er sprake is van overeenkomsten van blijvende, middellange of lange duur of waarvan de gevolgen zich nog gedurende langere tijd doen voelen. Het algemene beginsel van gratis informatie over fundamentele aspecten van de overeenkomst moet worden verankerd, samen met het beginsel dat de prijs van de informatie over andere aspecten in verhouding moet staan tot de kosten.

8.   De verplichting tot bijstand en advies

8.1   De informatie die de handelaar wettelijk verplicht is te verschaffen, blijft vaak beperkt tot standaardformuleringen en is niet altijd toereikend om de consument in staat te stellen met kennis van zaken te besluiten of hij een bepaalde overeenkomst wil aangaan of uitvoeren. De informatievereisten (rechten en plichten) houden dus ook in dat de verstrekte/ontvangen informatie opheldering moet verschaffen over de inhoud van de overeenkomst.

8.2   Het recht van de consument op bijstand, waarnaar o.m. wordt verwezen in Richtlijn 2008/48/EG (10) inzake kredietovereenkomsten voor consumenten, moet worden uitgebreid tot alle overeenkomsten met consumenten, vooral als het gaat om duurzame goederen of diensten van blijvende, lange of middellange duur, van complexe aard, of die risico's kunnen meebrengen voor de gezondheid en veiligheid. Informatie in het kader van de verplichte bijstand moet op verzoek van de consument schriftelijk worden verstrekt.

8.3   Er moet onderscheid worden gemaakt tussen het recht op bijstand, dat voortvloeit uit de informatieplicht, en het recht op advies, waarop enkel aanspraak kan worden gemaakt in het geval van producten of diensten van complexe aard, van grote waarde of die de gezondheid en veiligheid van de consument in gevaar kunnen brengen.

9.   Mogelijke gevolgen van gebrekkige informatieverschaffing

9.1   Een schreeuwende tekortkoming van de richtlijnen waarin de informatieplicht is vastgelegd, is het ontbreken van sancties voor overtredingen. De EU laat het opleggen van sancties nl. over aan de lidstaten, die een brede waaier aan uiteenlopende burgerlijke en strafrechtelijke sancties hebben ingevoerd waardoor de verhoudingen op de interne markt worden scheefgetrokken, met alle gevolgen van dien voor de consument en het bedrijfsleven.

9.2   In enkele gevallen wordt in een richtlijn bepaald dat de consument het recht heeft een overeenkomst op te zeggen op het moment dat hij de informatie ontvangt waarop hij recht had (11), of dat het de handelaar is die moet bewijzen dat de informatie wel degelijk verstrekt is; wat precontractuele informatie aangaat is zulks bv. het geval in Richtlijn 2006/123/EG (12) betreffende diensten op de interne markt.

9.3   De regeling waarbij de consument een overeenkomst kan opzeggen vanaf het tijdstip waarop de informatie wordt verstrekt of waarop hij daarvan kennis neemt en de bepaling dat de bewijslast inzake de informatieverstrekking bij de handelaar berust, zijn cruciaal voor de daadwerkelijke naleving van het recht op informatie. Net als het beginsel dat de verantwoordelijkheid voor schade die is veroorzaakt door een gebrek aan informatie bij de handelaar ligt, waarnaar al in diverse nationale wetgevingen wordt verwezen, zijn ook deze regelingen het logische gevolg van de erkenning van het belang van het recht van de consument op informatie en dienen zij uitdrukkelijk te worden verankerd op communautair niveau.

10.   Consumenteninformatie en voltooiing van de interne markt

10.1   Het zal niemand ontgaan zijn dat de nieuwe koers die de Commissie met de 2020-strategie is gaan varen, ook de vooruitzichten voor de voltooiing van de interne markt heeft beïnvloed.

10.2   Rode draad in alle teksten ter zake is de opvatting dat de interne markt op de eerste plaats de consument ten goede moet komen en in het teken moet staan van de ontwikkeling en economische groei die nodig zijn om de huidige crisis te boven te komen; daarbij dient veel meer aandacht te worden besteed aan de sociale dimensie en de eerbiediging van de grondrechten van de burgers. Verbetering van de consumentenvoorlichting zal er dan ook toe bijdragen dat het vertrouwen van de consument in de interne markt wordt hersteld.

10.3   Zo komen we weer terug bij de noodzaak om ervoor te zorgen dat de consument tegen de achtergrond van een vernieuwde interne markt, die is afgestemd op de uitdagingen van de XXIe eeuw, correcte informatie krijgt, zodat zijn vertrouwen wordt hersteld en hij bereid is zich in te zetten voor de vlotte werking van die markt. We moeten ervoor zorgen dat de consument zijn vrees, terughoudendheid en terechte wantrouwen laat varen en niet langer aarzelt aankopen te doen over de grenzen heen.

10.3.1   De Europese regelgeving inzake online-reclame is op dit moment versnipperd over verschillende teksten (richtlijnen elektronische handel, verkoop op afstand, bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij reclame, oneerlijke handelspraktijken, enz.). Er is dan ook een herziening nodig, zodat alle bestaande regelgeving in één tekst wordt samengebracht en tegenspraak wordt vermeden.

10.4   Dat is een van de kernpunten van dit advies.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Zie het Groenboek van de Commissie over het Europees Transparantie-initiatief, COM(2006) 194 final en het EESC-advies: PB C 324 van 30.12.2006, blz. 74.

(2)  Zie EESC-advies: PB C 133 van 06.06.2003, blz. 46

(3)  Zie EESC-advies: PB C 133 van 06.06.2003, blz. 1

(4)  Zie m.n. de Richtlijnen 2005/29/EG van 11 mei 2005 (oneerlijke handelspraktijken), PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22 en 98/7/EG (PB L 101 van 1.4.1998, blz. 17) (consumentenkrediet), alsook het recente voorstel voor een richtlijn betreffende „Consumentenrechten”, COM(2008) 614 final (EESC-advies PB C 317 van 23.12.2009, blz. 54).

(5)  Zie het arrest van het Hof van Justitie C-220/98 van 13.1.2000, Estée Lauder Cosmetics tegen Lancaster Group en het arrest C-210/96 van 16.6.1998, Gut Springenheide en Tusky. Zie ook het recent arrest van het Hof van Justitie C-278/08 van 25.3.2010 Die BergSpechte Outdoor Reisen und Alpinschule Edi Kobimuller GmbH tegen Gunter Guni trekking at Reisen GmbH, waarin met internetgebruiker „de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende internetgebruiker” wordt bedoeld (par. 35 en 39).

(6)  Cf. K. SIMITIS, „Verbraucherschultz – Schlagwort oder Rechtsprinzip?”, blz. 109.

(7)  PB C 108 van 30.04.2004, blz. 81.

(8)  COM(2008) 614 definitief, hoofdstuk II, art. 5, lid 1.

(9)  EESC-advies PB C 317 van 23.12.2009, blz. 54.

(10)  PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.

(11)  Dat is het geval in Richtlijn 85/577/EEG waarin wordt bepaald dat het recht om afstand te doen van de gevolgen van de overeenkomst onder het recht op informatie valt; toch wordt niet voorzien in sancties voor overtreders. Conform de jurisiprudentie van het Hof van Justitie moet de tijd die de consument krijgt om een overeenkomst op te zeggen worden berekend vanaf het tijdstip waarop hij de juiste informatie ontvangt; zie Hof van Justitie zaak C 227/08 van 17.12.2009, Eva Martin Martin par. 25 tot 29.

(12)  PB L 376 van 27.12.06, blz. 36.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/68


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Het Verdrag van Lissabon en de werking van de interne markt” (initiatiefadvies)

2011/C 44/12

Rapporteur: Jorge PEGADO LIZ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 18 februari 2010 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Het Verdrag van Lissabon en de werking van de interne markt.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 juni 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli) onderstaand advies met 129 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Verdrag van Lissabon is niet zoals oorspronkelijk gepland op 1 januari 2009 in werking getreden, maar pas op 1 december 2009, nadat het ratificatieproces in de 27 lidstaten zijn beslag had gekregen. Ook dit nieuwe verdrag blijft een complexe, moeilijk te begrijpen tekst.

1.2   Uit de vergelijkende studie in het informatief rapport van het Comité (CESE 241/2008) blijkt dat de interne markt met het nieuwe verdrag weliswaar geen structurele veranderingen ondergaat maar wel een socialer gezicht lijkt te krijgen. In tegenstelling tot het grondwettelijk verdrag, dat de interne markt bestempelde als „een markt waarin de mededinging vrij en onvervalst is”, lijkt het Verdrag van Lissabon de interne markt meer op sociale leest te schoeien door te streven naar „een sociale markteconomie die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang”.

1.3   Ook de beschikbare teksten over de toekomstige beleidskoers van de Commissie en de 2020-strategie, en diverse verklaringen van leden van de Commissie en nationale politieke leiders zijn in dezelfde geest opgesteld en vragen meer aandacht voor het burgerschapsaspect van de interne markt.

1.4   Met de expliciete verwijzing naar het bindende karakter van het Handvest van de grondrechten, dat „dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft”, wordt hierop eveneens de klemtoon gelegd, een aantal uitzonderingen in bepaalde lidstaten daargelaten.

1.5   Anderzijds worden de nationale parlementen betrokken bij het wetgevingsproces met betrekking tot de interne markt. Zij waken nl. over de naleving van het subsidiariteitsbeginsel, dat de uitoefening van de door de Unie en de lidstaten gedeelde bevoegdheden regelt. Op grond van de protocollen betreffende „de rol van de nationale parlementen” en „de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid” krijgen de lidstaten het recht een wetsvoorstel in eerste lezing een heroverweging te vragen, een gang van zaken die de democratische participatie aan het wetgevingsproces van de Unie versterkt.

1.6   Als het preventieve optreden van de nationale parlementen goed werkt en het toezicht op de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel doeltreffend en van goede kwaliteit blijkt te zijn, zodat het „mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing” dat door het Verdrag van Lissabon is overgenomen uit de Grondwet, volledig tot zijn recht komt, dan zal de wetgeving van de Unie misschien minder door de lidstaten worden bekritiseerd wegens strijdigheid met de nationale bevoegdheden en door de burger minder worden gezien als uiting van „Brussels centralisme”. Dit houdt wel in dat de nationale parlementen hun onderlinge contacten intensiveren. De reikwijdte en doeltreffendheid van het „mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing”, dat weliswaar een recht van elk parlement afzonderlijk is, zijn immers afhankelijk van de mate waarin de nationale parlementen in staat zijn collectief op te treden.

1.7   In het Verdrag van Lissabon wordt ook bepaald dat de „gewone wetgevingsprocedure” (medebeslissing, artikel 251 van het EG-Verdrag) voortaan algemeen van toepassing is op de interne markt, zoals blijkt uit met name artikel 48 van het VWEU betreffende vrij verkeer van werknemers en maatregelen ten behoeve van hun sociale zekerheid.

1.8   Het Verdrag van Lissabon strekt er dus toe de ontwikkeling van de interne markt te bevorderen door enerzijds de medebeslissingsprocedure (die wordt omgedoopt tot „gewone wetgevingsprocedure”) uit te breiden en anderzijds de Europese instellingen een nieuwe gesprekspartner te geven, nl. de nationale parlementen, waar voortaan rekening mee moet worden gehouden bij de behandeling van wetsvoorstellen met betrekking tot de interne markt.

2.   Inleiding

2.1   In het informatief rapport over de impact van het Verdrag van Lissabon op de interne markt (1), dat op 13 juni 2008 door de afdeling werd goedgekeurd, wordt voorgesteld een overzicht op te stellen waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen de bepalingen van het Verdrag van Lissabon die betrekking hebben op de interne markt, het EG-verdrag dat op dat moment nog van kracht was, het grondwettelijk verdrag (de nooit geratificeerde „Grondwet”) en het commentaar van de waarnemingspost Interne markt bij de juridische gevolgen van de artikelen van de tekst die op 13 december 2007 in Lissabon is ondertekend.

2.2   Het Verdrag van Lissabon zou op 1 januari 2009 in werking treden, maar daar werd een stokje voor gestoken door Ierland dat op 12 juni 2008 het Verdrag in een referendum van de hand wees.

2.3   Nadat Ierland een aantal garanties kreeg met betrekking tot zijn nationale soevereiniteit en ervan werd verzekerd dat elke EU-lidstaat over een eigen commissaris zou blijven beschikken, werd het Verdrag bij een tweede referendum op 3 oktober 2009 alsnog goedgekeurd.

2.4   Het Tsjechische Grondwettelijke Hof bevestigde op 3 november 2009 dat het Verdrag niet in tegenspraak is met de Tsjechische grondwet, zodat er eindelijk een eind kwam aan de vertragingen. Met de ondertekening door president Vaclav Klaus kreeg de ratificatieprocedure haar beslag en kon het Verdrag op 1 december 2009 in werking treden.

2.5   In het licht van de tijd die verstreken is tussen de goedkeuring van zijn informatief rapport en de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, en gezien de goedkeuring door de Commissie van de Aanbeveling over maatregelen ter verbetering van de werking van de interne markt (26 juni 2009) en de Mededeling „Europa 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (3 maart 2010), meent het Comité dat het verstandig is het informatief rapport om te zetten in een initiatiefadvies, zodat de tekst kan worden aangepast aan de actualiteit en het zijn standpunt terzake bekend kan maken. Bovendien kunnen in dit initiatiefadvies een aantal kwesties worden aangekaart die in het informatief rapport niet ter sprake kwamen omdat de tekst van het Verdrag op dat moment nog niet met de nodige afstand kon worden bekeken en de leesbaarheid ervan nog te wensen overliet. De laatste geconsolideerde versie is immers pas op 30 maart 2010 in het Publicatieblad verschenen (2).

3.   Algemene opmerkingen

3.1   De politieke gebeurtenissen die hun stempel hebben gedrukt op het Verdrag van Lissabon van de ondertekening door de 27 lidstaten op 13 december 2007 tot de inwerkingtreding op 1 december 2009, hebben in feite vooral institutionele gevolgen en hebben geen tot weinig invloed gehad op de bepalingen inzake de interne markt.

3.1.1   Zo is tijdens de Europese top van 11 en 12 december 2008 aandachtig geluisterd naar de premier van Ierland die uiting gaf aan de bezorgdheid van de Ierse bevolking, en is overeengekomen dat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon een juridisch waterdicht besluit zou worden genomen op grond waarvan elke lidstaat een eigen commissaris zou kunnen behouden.

3.1.2   Tijdens de Europese top van 18 en 19 juni 2009 kreeg Ierland juridisch bindende garanties dat met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet zou worden geraakt aan zijn soevereiniteit op bepaalde gebieden (o.m. fiscaliteit, het recht op leven, onderwijs, gezin, het beleid van militaire neutraliteit); deze toezeggingen bleven verder zonder gevolgen voor de betrekkingen tussen de Unie en de andere lidstaten en waren niet van invloed op de inhoud en de tenuitvoerlegging van het Verdrag.

3.1.3   Voorts werd tijdens deze Europese Raad een plechtige verklaring over het belang van de rechten van werknemers en openbare diensten aangenomen.

3.2   De vertraging in de Tsjechische Republiek, die het Verdrag pas na lang aarzelen heeft ondertekend, heeft geen directe gevolgen voor het Verdrag van Lissabon. Tijdens de Europese Raad van 29 en 30 oktober 2009 hebben de lidstaten immers afgesproken dat een protocol bij het volgende toetredingsverdrag de Tsjechische Republiek, net als het Verenigd Koninkrijk en Polen, zal vrijstellen van de toepassing van het Handvest van de grondrechten.

3.3   Het informatief rapport over „De impact van het Verdrag van Lissabon op de werking van de interne markt” en de daarbijhorende bijlage zijn dus nog steeds actueel en kunnen fungeren als juridische onderbouwing voor het onderhavige advies, waarvan zij integraal deel uitmaken.

3.4   We mogen niet vergeten dat zelfs de geconsolideerde versie van het Verdrag van Lissabon nog steeds een complexe tekst is. Zelfs voor gespecialiseerde juristen is het Verdrag moeilijk te volgen en te begrijpen. Het bestaat nl. uit een reeks wijzigingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), dat het algemene kader van de Europese Unie bepaalt en de grondbeginselen van de Unie bevat, en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG), dat voortaan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heet en voorschrijft hoe de in het VEU vervatte beginselen moeten worden uitgevoerd.

3.5   Aangezien er op het moment van de ratificatie nog geen officiële geconsolideerde versie beschikbaar was, hebben de lidstaten een even onbegrijpelijke als onleesbare tekst geratificeerd. De meeste nieuwe „besluitvormingsmechanismen” zijn, behalve in de protocollen bij het Verdrag, niet bijzonder goed gedefinieerd, en bij de ratificatie was nog niet duidelijk of zij in de praktijk wel zouden werken.

3.6   In tegenstelling tot het grondwettelijk verdrag is de in Lissabon ondertekende tekst niet voorgelegd aan het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité of het Comité van de Regio's, noch aan de nationale of regionale parlementen of aan de Europese, nationale of regionale vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Commissie en Raad hebben pas na de ratificatie van het Verdrag besloten om een aantal documenten te publiceren om bekendheid te geven aan de bepalingen van het Verdrag en de inhoud en voordelen ervan toe te lichten, terwijl dat in het geval van de „Grondwet” al van te voren was gebeurd.

3.7   Het Verdrag van Lissabon is, net als eerdere wijzigingen van bestaande verdragen, tot stand gekomen in het kader van een intergouvernementele conferentie (IGC) die enkel bestond uit vertegenwoordigers van de lidstaten; de „Grondwet” daarentegen was opgesteld door een conventie, die voor een groot deel bestond uit nationale volksvertegenwoordigers, óók uit de landen die pas in 2004 en 2007 lid van de EU zijn geworden, leden van het Europees Parlement, vertegenwoordigers van de vijftien lidstaten en de twaalf toenmalige kandidaat-lidstaten plus Turkije, de Commissie, en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, waaronder leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité, die de vergaderingen bijwoonden als waarnemers.

3.8   Met het Verdrag van Lissabon krijgen de lidstaten duidelijk de touwtjes terug in handen; hierin wijkt het af van de Grondwet, die een meer federalistisch karakter leek te hebben. Dit eerste wordt met name geïllustreerd door het schrappen van de symbolen die bij de Grondwet zouden worden ingevoerd en die de indruk konden wekken dat de Unie een federale staat zou worden (vlag, volkslied, devies, het uitroepen van 9 mei als Dag van Europa).

3.9   In het Verdrag van Lissabon worden de drie pijlers samengevoegd door aan het VEU en het VWEU dezelfde juridische waarde toe te kennen (3). Bovendien krijgt de Unie rechtspersoonlijkheid als plaatsvervangster en opvolgster van de Europese Gemeenschap, terwijl voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon alleen de Europese Gemeenschap rechtspersoonlijkheid had.

3.10   De voorrang van het recht van de Unie op het nationale recht kwam terug in de basisbeginselen van de Unie zoals vastgelegd in artikel I-6 van het grondwettelijk verdrag. Om een eind te maken aan de polemiek die is ontstaan rond het opnemen van het voorrangsbeginsel in de Grondwet, dat overigens alleen de rechtspraak van het Hof weergaf, is dit beginsel nu opgenomen in Verklaring nr. 17. In verband hiermee besloot de conferentie ook een advies van de Juridische dienst van de Raad over het voorrangsbeginsel bij het Verdrag van Lissabon te voegen. Hierin wordt geconstateerd dat het voorrangsbeginsel voortvloeit uit de rechtspraak en dat het een basisbeginsel is.

3.11   Het Verdrag van Lissabon verandert de wettelijke status van het Handvest van de grondrechten, dat op 7 december 2000 in Nice het licht zag. Tijdens de Top van Nice was er namelijk niets beslist over de juridisch bindende aard van het Handvest, zodat het aanvankelijk slechts een vrijblijvende beginselverklaring was.

3.11.1   Daarentegen zou het Handvest juridisch bindende werking hebben gekregen door zijn opname in de Grondwet. Maar de Grondwet werd niet geratificeerd, met als gevolg dat de bindende werking van het Handvest praktisch een „dode letter” (4) is gebleven. Het Verdrag van Lissabon trekt deze situatie recht maar gaat hierin minder ver dan de Grondwet (5).

3.11.2   In artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon staat dat het Handvest „dezelfde juridische waarde als de Verdragen” heeft; dit betekent dat de instellingen, organen en agentschappen van de Unie de in het Handvest vastgelegde rechten moeten eerbiedigen. Ook de lidstaten (regeringen, bestuursorganen, rechterlijke instanties) zijn hiertoe verplicht wanneer zij het recht van de Unie toepassen.

3.11.3   In het Protocol betreffende de toepassing van het Handvest op Polen en het Verenigd Koninkrijk (nr. 30) staat evenwel dat het Handvest het Hof van Justitie noch enig hof of enige rechterlijke instantie van Polen of het Verenigd Koninkrijk de bevoegdheid verleent om te bepalen dat het geldende recht van Polen of het Verenigd Koninkrijk in strijd is met het Handvest.

3.11.4   Ook wordt hierin bepaald dat titel IV (Solidariteit) van het Handvest niet voorziet in rechten waarop in Polen of het Verenigd Koninkrijk aanspraak kan worden gemaakt, behalve wanneer de wetgeving van die landen in dergelijke rechten voorziet.

3.11.5   Tot slot wordt in dit protocol gesteld dat een bepaling van het Handvest alleen in Polen en het Verenigd Koninkrijk van toepassing is voor zover de daarin vervatte rechten en beginselen erkend zijn in het recht of de praktijken van Polen en het Verenigd Koninkrijk.

3.11.6   De reikwijdte van deze protocollen zal in de praktijk zeer beperkt zijn: op grond van het beginsel van de eenvormige toepassing van het recht van de Unie moet de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als onderdeel van de rechtsorde van de Unie, in alle lidstaten in acht worden genomen. Indien het Hof in een uitspraak naar titel IV van het Handvest verwijst of deze titel interpreteert, moeten de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk en Polen zich aan de uitspraak houden, ongeacht of zij partij zijn bij de zaak of niet.

3.12   De in de Grondwet vastgelegde mogelijkheid voor een lidstaat om zich vrijwillig terug te trekken uit de EU, wordt overgenomen in het Verdrag (art. 50 VEU). In het licht van de richtsnoeren van de Europese Raad sluit de Unie na onderhandelingen met deze staat een akkoord over de voorwaarden voor zijn terugtrekking, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie.

3.13   Vrijwillige terugtrekking mag niet worden verward met de schorsing van bepaalde rechten die uit het lidmaatschap van de Unie voortvloeien, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 7 van het VEU bedoelde waarden (eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, enz.) wordt geconstateerd (6).

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   Bijzondere aandacht verdienen bepaalde gebeurtenissen van politiek-economische aard, die moeten worden gezien in de context van de manier waarop het nieuwe verdrag zijn stempel drukt op de ontwikkeling van het beleid inzake de interne markt, zoals de nieuwe samenstelling van het EP en de Commissie Barroso II.

4.2   We mogen niet vergeten dat de Commissie al in november 2007 een belangrijke mededeling heeft gepubliceerd, met als titel „Een interne markt voor het Europa van de 21ste eeuw”. Daarmee gaf zij gevolg aan de EP-resolutie van 4 september 2007 waarin werd opgeroepen tot een „evaluatie van de interne markt: hinderpalen en inefficiëntie bestrijden met betere implementatie en handhaving”. De Commissie wierp zich in deze mededeling op als pleitbezorger van een „nieuwe visie” op de interne markt „waar iedereen baat bij heeft en die Europa helpt om beter in te spelen op de globalisering, om groei en banen te creëren, om eerlijke prijzen te garanderen, en om bij te dragen tot sociale en milieubescherming”. Zelf heeft het EESC er in twee adviezen (7) op gewezen dat de interne markt ten dienste moet staan van alle burgers, werknemers, consumenten en vrije beroepen inbegrepen.

4.3   In een mededeling van 6 november 2008 (8) toont de Commissie aan dat de voordelen van de interne markt samenhangen met de versterking van de administratieve samenwerking. In haar Voortgangsverslag over het Informatiesysteem Interne Markt (IMI) roept zij de lidstaten op nauw samen te werken om het wederzijdse vertrouwen te versterken (9).

4.4   In haar aanbeveling van 29 juni 2009 over maatregelen ter verbetering van de werking van de interne markt (10) stelt de Commissie een aantal tekortkomingen van de interne markt aan de kaak. Zo merkt zij op dat de regels niet correct worden toegepast en dat er geen controle is op de naleving. De Commissie pleit daarom voor een partnerschapsbenadering, zodat zij de maatregelen van de lidstaten kan aanvullen met een aantal eigen concrete maatregelen.

4.4.1   De Commissie dringt o.m. aan op striktere handhaving, bevordering van alternatieve wijzen van geschillenbeslechting en geregelde evaluatie van de nationale wetgeving. Ook wijst zij erop dat zowel particulieren als bedrijven op de hoogte moeten worden gebracht van de uit de interne markt voortvloeiende rechten.

4.5   Het Comité heeft eerder al uitgeweid over de financiële crisis die zich m.n. in Europa snel heeft verspreid en waarvan de even onverwachte als onvoorspelbare sociaal-economische gevolgen hebben geleid tot de zwaarste recessie sinds de jaren 30, met werkloosheidscijfers – 23 miljoen werklozen (11) – die in de periode na de IIe Wereldoorlog nog nooit zo hoog hebben gelegen. Aan de vooravond van de vernieuwing van haar mandaat, en nadat zij de groep „de Larosière” (12) had belast met het opstellen van een diepgravend verslag over de oorzaken van de crisis en de maatregelen om deze te boven te komen, vatte de Commissie het voornemen op om in het licht van de nieuwe sociaal-economische en financiële context een aantal beleidsrichtsnoeren voor de toekomst op te stellen.

4.6   Vandaar dat voorzitter Barroso in zijn „Politieke richtsnoeren voor de volgende Commissie” de koers uitzet voor een interne markt die is afgestemd op de XXIe eeuw. Hij stelt daarin de pogingen om de interne markt onder het mom van de crisis te ondermijnen aan de kaak en verdedigt het bestaan ervan door eraan te herinneren dat de interne markt de hoeksteen van de Verdragen is en de beste garantie voor welvaart op lange termijn, op voorwaarde dat zij wordt aangepast aan de economie van morgen. In dat verband mag niet worden vergeten dat de interne markt pas weer kan gaan fungeren als drijvende kracht achter de Europese economie, als een actief beleid voor consumentenbescherming wordt gevoerd, zodat de burger voldoende vertrouwen krijgt om ten volle deel te nemen aan de interne markt.

4.6.1   Tegelijk heeft de Commissievoorzitter aan Mario Monti, voormalig commissaris voor de interne markt, opdracht gegeven een rapport op te stellen over het herstel van de interne markt. Die tekst is op 9 mei, de Dag van Europa, voorgelegd aan het Europees Parlement. De heer Monti legt in zijn rapport de belangrijkste struikelblokken bloot en stelt een reeks initiatieven voor om de interne markt te versterken, daarbij rekening houdend met sociale en milieuoverwegingen. Diezelfde dag werd ook het rapport van de Reflectiegroep over de toekomst van Europa, getiteld „Project Europa 2030 - Uitdagingen en kansen”, gepresenteerd aan de Raad. Voorzitter van de reflectiegroep was voormalig Spaans premier Felipe González. Het rapport houdt zich voornamelijk bezig met de vooruitzichten van de Europese economische governance op middellange termijn en de manier waarop een versterkte interne markt doorslaggevend kan zijn om „Een win-winsituatie (te) creëren: een” new deal „voor de interne markt”. De conclusies inzake economische governance zullen ongetwijfeld hun stempel drukken op de toekomst van de interne markt.

4.7   Het vervolg op de Lissabonstrategie, die gedeeltelijk een mislukking is gebleken, moet worden gezien in het licht van deze nieuwe beleidsrichtsnoeren. In de „Europa 2020”-strategie wordt evenwel nauwelijks gerept van de interne markt, met uitzondering van een paar regels in het hoofdstuk „Ontbrekende schakels en knelpunten”, waarin er op wordt gewezen dat het oorspronkelijke enthousiasme voor de interne markt langzaamaan uitdooft.

4.7.1   In een poging de interne markt weer op gang te trekken geeft de Commissie aan dat zij zal voorstellen bij de uitwerking van de wetgeving de voorkeur te geven aan verordeningen boven richtlijnen, de wetgeving aan te passen aan het digitale tijdperk en de deur open te zetten voor een Europees verbintenissenrecht, van facultatieve aard, m.n. op het gebied van consumentenovereenkomsten. Tijdens zijn hoorzitting voor het Europees Parlement en vooral ook tijdens zijn recente toespraken in Parijs heeft commissaris Barnier, die belast is met de interne markt, erop gehamerd dat de burger gewonnen moet worden voor de idee van een interne markt, die ten dienste moet staan van het streven naar een betere samenleving. Zoals door commissaris Reding ten overvloede is beklemtoond blijft de interne markt immers de kroon op het Europese project (13).

4.8   Daarnaast kan ook de invoering van het burgerinitiatief (art. 11, lid 4, van het VEU), dat door het Comité uitvoerig onder de loep is genomen (14), ingrijpende gevolgen hebben voor de verdere ontwikkeling van de interne markt.

4.8.1   Dankzij dit nieuwe instrument voor burgerparticipatie krijgen maatschappelijke organisaties nu immers de kans cruciale thema's die door een gebrek aan belangstelling of politieke wil van de EU-instellingen in de la bleven liggen, weer op de agenda te zetten (bv. een Europees statuut voor stichtingen (15), groepsacties op Europees niveau (16), het Europees stakingsrecht e.d.).

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   De opmerkingen uit het informatief rapport over de bepalingen met betrekking tot de interne markt die zijn vervat in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zijn nog steeds van toepassing (zie bv. par. 6 a):

5.2   Van de 37 protocollen bij het Verdrag van Lissabon zijn er vier min of meer rechtstreeks van invloed op de interne markt.

Ten eerste het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (nr. 2); deze beginselen zijn immers van toepassing op bevoegdheden die de Unie met de lidstaten deelt en de interne markt behoort tot die gedeelde bevoegdheden.

Ook het protocol betreffende de interne markt en de mededinging (nr. 27) zal invloed hebben op de interne markt. De essentie hiervan is nl. dat de interne markt een regime omvat dat verzekert dat de mededinging niet wordt verstoord.

Om dezelfde redenen als het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (nr. 2) zal ook het protocol betreffende de uitoefening van de gedeelde bevoegdheden (nr. 25) gevolgen hebben voor de interne markt.

Tot slot zal ook het protocol betreffende de diensten van algemeen belang (nr. 26) ongetwijfeld een rol spelen in de interne markt. Hierin staat nl. dat deze diensten tot de gedeelde waarden van de Unie behoren en dat de nationale, regionale en lokale autoriteiten ruime discretionaire bevoegdheid hebben om diensten van algemeen economisch belang te verrichten, te doen verrichten en te organiseren. Ook wordt gewezen op de diversiteit tussen verschillende diensten en de verschillen in de behoeften en voorkeuren van de gebruikers die kunnen voortvloeien uit verschillende geografische, sociale of culturele omstandigheden. Ten slotte wordt gepleit voor de bevordering van de algemene toegang, voor een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid van deze diensten en voor de eerbiediging van de rechten van de gebruikers. Artikel 2 van protocol 26 is vernieuwend omdat het de eerste keer is dat in het primaire recht een verwijzing wordt opgenomen naar het begrip „niet-economische diensten van algemeen belang”; tevens wordt hierin bepaald dat de lidstaten bevoegd zijn om deze diensten te verrichten, te doen verrichten en te organiseren.

5.3   Twee verklaringen zullen waarschijnlijk van invloed zijn op de interne markt. Ten eerste verklaring nr. 18 betreffende de afbakening van de bevoegdheden. Daarin wordt gesteld dat, conform het systeem van verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten als bedoeld in de Verdragen, bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie worden toegedeeld, aan de lidstaten blijven toebehoren, en dat de lidstaten in geval van gedeelde bevoegdheden hun bevoegdheid uitoefenen voor zover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend of besloten heeft deze niet langer uit te oefenen.

5.3.1   De toewijzing van bevoegdheden aan de Gemeenschap is door het Hof van Justitie al vroeg gelijkgesteld met een overdracht van bevoegdheden van de lidstaten aan de Europese instellingen, getuige het arrest Costa tegen ENEL uit 1964 waarin de Europese Economische Gemeenschap werd omschreven als „een Gemeenschap die is opgericht voor onbepaalde tijd, voorzien van eigen organen, (…) en in het bijzonder van praktische bevoegdheden ten gevolge van het feit dat de staten hun bevoegdheden hebben ingeperkt of aan de Gemeenschap hebben overgedragen (…)” (zaak 6/64 Rec. 1141).

5.3.2   Ten tweede verklaring nr. 42, waarin wordt benadrukt dat, volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, het beginsel van bevoegdheidstoedeling geen grondslag kan zijn voor een uitbreiding van het competentiegebied van de Unie tot buiten het algemene kader dat gevormd wordt door het geheel van de bepalingen van de Verdragen.

6.   Belangrijkste gevolgen voor het internemarktbeleid

6.1   Ten aanzien van de wijzigingen die zijn aangebracht in de bepalingen van de Verdragen betreffende het internemarktbeleid dient het volgende te worden opgemerkt:

a)

De vervanging van de woorden „gemeenschappelijke markt” door „interne markt” illustreert dat zich een kwalitatieve verschuiving heeft voorgedaan van een gemeenschappelijke markt naar een interne markt, waarmee in de rechtsleer omstreden begrippen kunnen worden verduidelijkt en wordt bevestigd dat de EU niet alleen een vrije markt is in strikt economische zin (vrijhandelszone) maar veeleer een interne markt voor de burgers (art. 26 VWEU) (17).

b)

Wat de versterking en uitbreiding van de omschrijving van het subsidiariteitsbeginsel aangaat, zij opgemerkt dat de voorkeur voor richtlijnen boven verordeningen, die in protocol 30 van het EG-Verdrag was verwoord, in protocol 2 van het Verdrag van Lissabon is geschrapt.

c)

Met het oog op de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid krijgen de nationale parlementen het recht om met minstens een derde van alle aan de nationale parlementen toegedeelde stemmen een besluit tegen te houden. Bovendien kan één enkel nationaal parlement bezwaar aantekenen tegen een wetsvoorstel op het gebied van familierecht (artikel 81 van het VWEU).

d)

Het Europees Parlement heeft nieuwe bevoegdheden gekregen dankzij de uitbreiding van de medebeslissingsprocedure, die in het Verdrag van Lissabon is omgedoopt tot „gewone wetgevingsprocedure”. Het krijgt evenveel bevoegdheid in begrotingszaken als de Raad en mag voortaan de voorzitter van de Commissie kiezen. Het Europees Parlement is volgens het Verdrag van Lissabon samengesteld uit „vertegenwoordigers van de burgers van de Unie” in plaats van uit „vertegenwoordigers van de volkeren van de staten” (EG-Verdrag);

e)

Er is een medebeslissingsprocedure (gewone wetgevingsprocedure) met een nieuw systeem van gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Raad (18) van toepassing op nieuwe terreinen.

f)

De lidstaten hebben de verwijzing naar „een interne markt waarin de mededinging vrij en onvervalst is” uit de doelstellingen van de Unie geschrapt. Het mededingingsbeleid wordt thans geformuleerd als regels die „nodig zijn voor de werking van de interne markt” omdat de verwijzing naar „een interne markt waarin de mededinging vrij en onvervalst is” in de doelstellingen van de Unie zoals omschreven in het grondwettelijk verdrag voor sommigen net iets te ver ging.

g)

De belangen van de consumenten en het MKB krijgen opnieuw aandacht. Het pakket „Een nieuwe visie op de interne markt van de 21e eeuw” (Mededeling „Een interne markt voor het Europa van de 21ste eeuw”) is hiervan een gevolg (19).

h)

Naar aanleiding van de Mededeling over „Diensten van algemeen belang, met inbegrip van sociale diensten van algemeen belang: een nieuw Europees engagement” (20) is een nieuwe opvatting van diensten van algemeen belang ontstaan (art. 14 VWEU en protocol nr. 26), waarmee de verantwoordelijkheden van de Unie en de ruime discretionaire bevoegdheid van de nationale, regionale en lokale autoriteiten worden verduidelijkt.

i)

Naar aanleiding van de mededeling getiteld „Kansen, toegang en solidariteit: naar een nieuwe sociale visie voor het Europa van de 21ste eeuw” (21) wordt meer aandacht besteed aan de sociale aspecten van de totstandbrenging van de interne markt (strijd tegen sociale uitsluiting of discriminatie, bevordering van rechtvaardigheid en sociale bescherming en gelijke behandeling van mannen en vrouwen, solidariteit tussen generaties, bescherming van de rechten van het kind).

j)

Het Verdrag van Lissabon is vernieuwend omdat het de mogelijkheden tot nauwere samenwerking uitbreidt tot alle handelingen van de Unie, mits deze niet tot de exclusieve bevoegdheden van de Unie (artikel 20 van het VEU) behoren en mits ten minste 9 lidstaten aan deze samenwerking deelnemen (ongeacht het aantal lidstaten). Toestemming tot nauwere samenwerking wordt verleend door een besluit van de Raad, dat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen is genomen, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement (artikel 329, lid 1, van het VWEU) en kan dus gevolgen hebben voor m.n. de interne markt, de energiemarkt, het immigratiebeleid en de civiele bescherming.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  CESE 241/2008 – INT/393 (nog niet in het Publicatieblad gepubliceerd).

(2)  PB C 83 van 30.03.2010- Alle volgende verwijzingen naar het Verdrag van Lissabon hebben betrekking op deze geconsolideerde versie.

(3)  In art. 1, lid 3, van het VEU wordt bepaald dat het VEU en het VWEU dezelfde juridische waarde hebben, terwijl in een arrest van het Hof van 13 september 2005 betreffende milieubescherming via het strafrecht, nog werd bepaald dat het EG-Verdrag voorrang had op het EU-Verdrag.

(4)  Hoewel het Handvest niet juridisch bindend is, wordt het toch regelmatig aangehaald door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Een recent voorbeeld is het arrest van het Hof van 14 februari 2008 in zaak C 244/06 Dynamic Medien Vertriebs GmbH tegen Avides Media AG betreffende vrij verkeer van goederen. Het Hof citeert artikel 24, lid 1, van het Handvest, waarin wordt bepaald dat kinderen recht hebben op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn (rechtsoverweging 41 van het arrest). Zie ook het arrest van het Hof van 14 februari 2008 in zaak C 450/06 Varec SA tegen Belgische staat betreffende de vrijheid van vestiging. Het Hof citeert artikel 7 van het Handvest betreffende het recht op eerbiediging van het privéleven (rechtsoverweging 48 van het arrest).

(5)  In de versie van het ontwerpverdrag van Lissabon van 23.07.07 IGC 3/1/07 werd in verklaring nr. 11 vermeld dat het Handvest van de grondrechten door de drie instellingen zou worden afgekondigd op de dag van ondertekening van het Verdrag van Lissabon, maar werd niets gezegd over de juridisch bindende werking van het Handvest.

Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is op 12.12.07 in Straatsburg voor de tweede maal afgekondigd door de drie instellingen van de Europese Unie. Deze tweede afkondiging was noodzakelijk omdat er na de eerste afkondiging, tijdens de Top van Nice in december 2000, toelichtingen en voetnoten aan het Handvest waren toegevoegd.

(6)  In artikel 7 van het VEU wordt gesproken over een „duidelijk gevaar voor een ernstige schending” en over „een ernstige en voortdurende schending”.

(7)  PB C 77 van 31.03.2009, blz. 15 en PB C 182 van 04.08.2009, blz. 1.

(8)  COM(2008) 703 final.

(9)  Zie het EESC-advies in PB C 128 van 18.05.2010, blz. 103.

(10)  Aanbeveling 2009/524/EG; zie de belangrijke EP-resolutie van 09.03.2010 (Doc. A7-0064/2009).

(11)  Volgens de meest recente gegevens van EUROSTAT.

(12)  Het EESC heeft zich in een advies uitgesproken over het verslag van de groep de Larosière – PB C 318 van 23.12.2009, blz. 57.

(13)  In een toespraak tijdens de dag van de consument, Madrid, 15 maart 2010: „An ambitious Consumer Rights Directive: boosting consumersprotection and helping businesses”.

(14)  Initiatiefadvies over „De toepassing van het Lissabonverdrag: participatiedemocratie en burgerinitiatief” (CESE 465/2010, SC/032), waarin het Groenboek van de Commissie (COM (2009) 622 final van 11.11.2009) is besproken, en het initiatiefadvies „De organisaties van het maatschappelijk middenveld en de voorzitterschappen van de Unie” (CESE 464/2010, SC/031); zie ook de belangrijke EP-resolutie betreffende de implementatie van het burgerinitiatief van 7 mei 2009 (Doc A6-0043/2009).

(15)  Initiatiefadvies van het EESC 634/2010, INT/498.

(16)  PB C 162 van 25.6.2008, blz. 1 en PB C 128 van 18.05.2010, blz. 97.

(17)  Het Hof heeft al op 5 mei 1982, in het arrest Schul (zaak 15/81) verklaard dat de gemeenschappelijke markt een vrijhandelszone is en voorafgaat aan de interne markt. De interne markt kent dus een grotere mate van economische integratie.

(18)  Protocol betreffende de overgangsbepalingen (nr. 36).

(19)  COM(2007) 724 final, SEC(2007) 1517, 1518, 1519, 1520 en 1521.

(20)  COM(2007) 725 final, SEC(2007) 1514, 1515 en 1516.

(21)  COM(2007) 726 final.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/75


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Innovatie in de toeristische sector: een strategie voor duurzame ontwikkeling in eilandregio's” (initiatiefadvies)

2011/C 44/13

Rapporteur: Sylvia GAUCI

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 juli 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Innovatie in de toeristische sector: een strategie voor duurzame ontwikkeling in eilandregio's.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 23 juni 2010 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 15 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 153 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 13 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   Het Comité pleit ervoor dat continue programma's voor levenslang leren worden ontwikkeld die speciaal bedoeld zijn voor het personeel in het eilandtoerisme; daartoe zouden specifieke middelen kunnen worden vrijgemaakt uit het ESF en het Cohesiefonds. Ook een aanpassing van de arbeidsverhoudingen met het oog op betere arbeidsomstandigheden en het verlenen van steunmaatregelen voor het bedrijfsleven (netwerken, marketing, reclame, enz.) zouden het eilandtoerisme ten goede komen.

1.2   In het licht van het groeiende aantal boekingen via internet zou het voorts nuttig zijn om kleine en middelgrote ondernemingen uit de toeristische sector op eilanden óf door de EU gesteunde opleidingsmogelijkheden te bieden, óf hun eenvoudiger toegang te verlenen tot de juiste dienstenaanbieders, zodat zij met succes actief kunnen zijn op het web en niet het risico lopen om „moderne” klanten te verliezen.

1.3   Het Comité stelt voor om op een strategisch gelegen eiland een interregionale school op te zetten, zodat een soort Erasmusproject kan worden uitgebouwd maar dan voor studenten toerisme en personeel uit de toeristische sector.

1.4   Hoewel m.n. kleine ondernemingen garen spinnen bij minder en betere wetgeving, zou kunnen worden overwogen een specifieke dienst bij de Commissie op te richten, bv. een directoraat-generaal voor toerisme. De toeristische sector vertegenwoordigt gemiddeld immers 11 à 12 % van het bbp van de EU, maar op eilanden als Malta is dat wel 25 %. Een dergelijke toerismedienst van de Commissie zou kunnen fungeren als waakhond die de belangen van het eilandtoerisme verdedigt bij de EU-instellingen en erop toeziet dat de sector niet vergeten wordt bij de uitwerking van beleid. Ten slotte herhaalt het Comité hier zijn voorstel uit eerdere adviezen over toerisme om een Europees Agentschap voor toerisme op te richten.

1.5   Eilanden hebben in vergelijking met het vasteland van nature een aantal nadelen die verband houden met afstand, toegankelijkheid en andere intrinsieke kenmerken. Het Comité pleit daarom voor een gunstige belastingregeling, waarbij rekening wordt gehouden met bijzondere inspanningen op het vlak van investeringen, behoud en creatie van werkgelegenheid en periodes waarin bedrijven geopend zijn. Bovendien zouden hiermee de gevolgen van de seizoensgebondenheid gedeeltelijk kunnen worden opgevangen.

1.6   De EU-definitie van eilanden schiet in bepaalde gevallen tekort en maakt vaak dat oplossingen uitblijven. Het Comité heeft in vroegere adviezen (1) al aanbevolen deze definitie te wijzigen en wil dit pleidooi hier herhalen.

1.7   De EU is bezig met het uitstippelen van een nieuwe koers voor het regionaal beleid, die neerkomt op macroregionale samenwerking (bv. de Oostzeestrategie en de Donaustrategie). Het Comité is ervan overtuigd dat het hier om een interessante optie gaat die zeker ook zou kunnen worden toegepast op eilandengroepen. Een macroregionale strategie voor de eilanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee zou m.a.w. de oplossing kunnen zijn voor een aantal van de problemen die samenhangen met de gebrekkige toegankelijkheid van eilanden.

1.8   Het Comité staat ten volle achter het CALYPSO-programma voor sociaal toerisme en vindt dan ook dat dit programma na de voorbereidende acties van 2009 nu volledig moet worden uitgevoerd. Ten slotte zou het graag zien dat het CALYPSO-programma deel gaat uitmaken van een toekomstige macroregionale strategie voor het westelijke Middellandse Zeegebied.

2.   Inleiding

2.1   Toerisme levert een steeds belangrijkere bijdrage aan economische groei; op eilanden is het in uitzonderlijke gevallen goed voor maar liefst 70 % van het bbp. Het is een van de grootste bronnen van inkomsten en werkgelegenheid. Hoewel het marktaandeel van Europa in het toerisme wereldwijd langzaamaan afneemt, wordt verwacht dat het aantal toeristen dat de EU aandoet in de toekomst nog zal groeien. De financiële crisis van 2008-2009 heeft echter aangetoond dat het allerminst verstandig zou zijn zonder meer uit te gaan van een groei van de toeristische sector.

2.2   Het traditionele strandtoerisme voor de massa maakt plaats voor nieuwe vormen van toerisme. Het gaat dan o.m. om vernieuwende en gespecialiseerde alternatieven als groen toerisme, op maat gesneden toerisme en op ervaringen gebaseerd toerisme. Bovendien maken de groeiende vraag in de toeristische sector en de demografische ontwikkelingen (bv. het toenemende aantal oudere reizigers) dat de variatie in het toeristische aanbod en de ontwikkeling van nieuwe, vaak innovatieve vormen van toerisme hand over hand toenemen.

2.3   Innovatie is een sleutelwoord in het economisch beleid, zowel op EU-niveau (zie de Lissabon- en de EU 2020-strategie) als op regionaal niveau. De overheid gaat dan ook steeds meer investeren in onderzoek, onderwijs, opleiding en ondersteuning van de meest innovatieve sectoren (o.m. vervoer, energie, groene industriesectoren). Dit geldt ook voor de dienstensector, m.n. als het gaat om vormen van dienstverlening die toch een bepaald niveau van kennis en kwalificaties vereisen, zoals de meeste toeristische diensten (we denken aan verblijf, catering, onroerend goed).

2.4   De moderne toerist wil de beste kwaliteit tegen de laagste prijs. Voor een bloeiend eilandtoerisme is dus niet alleen goed opgeleid personeel nodig. Werkgevers en werknemers moeten steeds bereid zijn zich bij te scholen, zodat zij de kritische en veeleisende reiziger in deze snel veranderende wereld kwaliteit kunnen blijven bieden. Er kan geen sprake zijn van kwaliteitstoerisme zonder goed opgeleid, goed geschoold personeel.

2.5   Verandering en innovatie zijn in de toeristische sector m.n. aan de orde van de dag wat het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) aangaat. Dankzij de alomtegenwoordigheid van ICT en internet kunnen consumenten rechtstreeks in contact treden met de aanbieders van toeristische diensten. Deze ontwikkeling kan ertoe leiden dat de (transactie)kosten voor de hele sector worden teruggebracht, wat op zijn beurt tot gevolg zal hebben dat tussenpersonen zoals reisagenten of zelfs reisorganisatoren overbodig worden. Ingrijpende vernieuwingen in het massatoerisme, zoals het opduiken van lagekostenmaatschappijen, hebben een onuitwisbaar stempel gedrukt op de groei en de ontwikkeling van het toerisme.

2.6   Eilandregio's kampen nog altijd met een aantal specifieke problemen. In vergelijking met het vasteland hinken eilanden over het algemeen achterop. Bovendien worden veel van deze nieuwe technologieën en procedés niet gecontroleerd, geproduceerd of zelfs maar onderhouden door de rechtstreeks betrokken bedrijven.

2.7   De autoriteiten van eilandregio's bekijken hoe zij deze nieuwe industriële ontwikkelingen kunnen toepassen op hun eigen beleidsmaatregelen en -initiatieven voor de toeristische sector. Hen gaat het er op de eerste plaats om via hun beleid innovatie te stimuleren, aangezien een dergelijke aanpak de ontwikkeling van de toeristische sector ten goede zal komen.

3.   Innovatie is broodnodig

3.1   In het licht van de maatschappelijke veranderingen en het verdwijnen van het massatoerisme waar de touroperators zich in de 20e eeuw op richtten, kan het eilandtoerisme – wil het uitgroeien tot een succes - niet anders dan innoveren en de bakens verzetten. De sleutel tot innovatie ligt in de handen van de mensen die in de toeristische sector werken. Paradoxaal genoeg echter is innovatie een inbreuk op vaste gewoonten en zullen mensen zich verzetten tegen vernieuwingen waarvan zij niet onmiddellijk de voordelen zien.

3.2   Tijdens de tweede helft van de 20e eeuw werd de vraag op de toeristische markt bepaald door het aanbod. Maar het aantal bestemmingen groeide en de markt raakte verzadigd. Vandaag is de vraag over het algemeen onvoorspelbaar en heeft de consument het voor het zeggen op de markt. Dat is niet altijd even makkelijk voor de aanbieders van toeristische diensten. Om te overleven moeten zij de nodige creativiteit aan de dag leggen en een innovatieve aanpak uitwerken. Zo kunnen zij zich toeleggen op uiteenlopende vormen van nichetoerisme, zoals therapeutische reizen, groene reizen/ecotoerisme, boerderijvakanties, natuurreizen, enz.

3.3   Daar komt nog bij dat onze levensstijl de laatste jaren ingrijpend is veranderd. De toeristische sector krijgt te maken met ouder wordende maar gezondere en rijkere mensen die vaker een korte trip maken. Een grote groep toeristen hecht niet langer belang aan de laagste prijs, maar wel aan de vraag wie de beste kwaliteit levert tegen de beste prijs. Consumenten zijn minder trouw; toeristen gaan steeds vaker op zoek naar duurzaamheid en authenticiteit, en ontvluchten de massabestemmingen. Om te overleven kan het eilandtoerisme niet anders dan de kaart van innovatie trekken.

4.   Eilandtoerisme en productinnovatie

4.1   In grote toeristische ondernemingen is innovatie schering en inslag en een vast onderdeel van de besluitvorming. Om niet voor verrassingen te komen te staan zetten bedrijven vandaag de dag innovatie standaard op de agenda. Zij beschouwen innovatie eenvoudigweg als een bijkomende productiefactor.

4.2   Voor de kleine bedrijven uit de sector, die sterk afhankelijk zijn van een aantal bestemmingen, ligt het minder voor de hand dat zij profijt kunnen trekken van innovatie. Dat hangt voornamelijk samen met een gebrek aan personeel en financiële middelen. Kleine en middelgrote ondernemingen in de toeristische sector houden zich op de eerste plaats bezig met de dagelijkse behoeften van de vaste klanten, en kunnen het zich niet veroorloven geld opzij te zetten voor O&O.

4.3   Met name op eilanden bestaat de toeristische sector voornamelijk uit kleine en middelgrote ondernemingen. Om het hoofd boven water te houden in een klimaat van toenemende globalisering en concurrentie, moeten m.n. de kleine toeristische bedrijfjes trachten schaalvoordelen te creëren en een kritische massa te bereiken, zodat hun transactiekosten afnemen, hun productiviteit toeneemt en hun marktpositie sterker wordt. Mechanismen voor herstructurering en samenwerking kunnen bedrijven helpen zich aan te passen aan de veranderingen en hun concurrentiepositie te versterken.

4.4   De uitdaging voor de toeristische sector ligt in het aanbieden van nieuwe producten en diensten. Op ervaringen gebaseerd toerisme, duurzaam toerisme en natuur-, cultuur- of erfgoedreizen vormen de inspiratie voor tal van innovatieve toeristische producten die vandaag op heel wat Europese bestemmingen worden aangeboden. Dit soort producten is typerend voor eilandgebieden en moet dan ook juist daar worden gepromoot.

4.5   Toerisme waarbij de toerist zijn bestemmingskeuze laat afhangen van eerdere ervaringen, vloeit voort uit de interactie tussen toerist en bestemming. De ervaring van een toerist is de som van alle korte ontmoetingen met diverse mensen uit de toeristische sector.

4.6   Het feit dat consumenten steeds milieubewuster worden zet de toeristische sector ertoe aan te innoveren en zijn milieuprestaties te verbeteren. De sector zorgt m.a.w. niet alleen voor groenere toeristische diensten maar wordt zelf ook milieuvriendelijker. Het zijn dan ook de nichevormen als groen reizen en avontuurlijk reizen waar innovatie centraal staat.

4.7   Ook culturele reizen, die relatief welgestelde en goed opgeleide bezoekers aantrekken, zijn in opmars. Heel wat eilanden bekijken hun culturele aanbod opnieuw en bieden vernieuwende diensten aan met een culturele meerwaarde. Zij trachten het aanbod te diversifiëren en een langer verblijf te stimuleren, o.m. door de kwaliteit van georganiseerde reizen te verbeteren en culturele bezienswaardigheden en evenementen te promoten.

4.8   Als het toerisme niet is verweven met het maatschappelijke leven op het eiland, en enkel iets oplevert voor een handvol eilandbewoners, terwijl de anderen het als een last ervaren, zal het nooit op duurzame en harmonische wijze deel gaan uitmaken van de eilandgemeenschap. Bottom-upplanning en betrokkenheid zijn noodzakelijk om er zeker van te zijn dat de bewoners de komst van het toerisme op hun eiland verwelkomen. Als iedereen bij de toeristische activiteiten betrokken wordt en gaat inzien dat het toerisme een verregaande positieve invloed heeft op de natuur en de stedelijke omgeving, het landgebruik en de ruimtelijke ordening, sociale diensten en het behoud van het culturele erfgoed (architectuur, ambachten, traditionele keuken, enz.), kan het toerisme de eilandbewoners dichter bij elkaar brengen.

4.9   M.n. op een klein eiland kan het gebeuren dat bepaalde vormen van toerisme niet compatibel blijken te zijn. Het opzetten van een nichemarkt zoals zomertaalcursussen voor studenten kan bv. een belemmering zijn voor de ontwikkeling van zomertoerisme voor ouderen; het vrijpostige gedrag van jongeren na hun lessen zou wel eens een doorn in het oog kunnen zijn van oudere toeristen, die juist willen genieten van rust. Ook hier geldt weer dat steun van de bevolking voor de keuze inzake bepaalde vormen van toerisme doorslaggevend is voor succes.

4.10   Ten slotte zij erop gewezen dat toerisme niet alleen een zaak is van werknemers uit de horeca en van luchtvaartmaatschappijen. Integendeel, heel wat werknemers uit andere sectoren hebben hier een rol te vervullen, van de plaatselijke loodgieter tot de plaatselijke landbouwer.

5.   Verbetering van het eilandtoerisme via innovatie

5.1   De toeristische sector heeft bij de invoering van nieuwe technologieën zoals algemene distributiesystemen altijd een zeer proactieve houding aangenomen. Recente vooruitgang in de sectoren telecommunicatie, netwerken, databanken, dataverwerking en elektronische marketing zet heel wat deuren open voor de toeristische industrie. Deze vernieuwingen hebben ingrijpende gevolgen voor het traditionele toerisme. Het gebruik van ICT en breedbandinternet geven toeristische diensten en producten een meerwaarde en ondersteunen de vorming van netwerken en clusters. Het schort in dit verband echter aan beschikbare breedbandtechnologie en de juiste gespecialiseerde kennis en vaardigheden, zodat de ICT niet ten volle kunnen worden benut. Om deze lacunes op te vullen moeten eilandbewoners de nodige opleiding krijgen.

5.2   Consumenten raken steeds meer vertrouwd met ICT en maken daarvan ook gebruik om hun vakantie te regelen. Cijfers tonen aan dat twee derde van de toeristen in de EU vandaag de dag zijn reis organiseert via het internet, en dat meer dan de helft zijn reis online koopt. Mensen gaan op zoek naar flexibele en gemakkelijk toegankelijke producten en houden ervan rechtstreeks met de aanbieder van toeristische diensten te kunnen communiceren. Willen zij garen spinnen bij deze ICT-revolutie, dan moeten ondernemers hun hele marketingproces opnieuw bekijken. Dankzij de internettechnologie kunnen zowel bedrijven als consumenten rechtstreeks online transacties afsluiten.

5.3   Tal van Europese eilanden met een lange toeristische traditie krijgen nu te maken met terugvallende groei en productie. Het toerisme in deze gebieden lijdt sterk onder de enorme concurrentiedruk. Nu de markt voor toerisme is geliberaliseerd moeten eilanden het opnemen tegen nieuwe, nog zo goed als ongerepte bestemmingen met een bijzonder gunstig economisch klimaat. Zo zijn de lonen er laag, geniet de sector er diverse vormen van staatssteun en kan worden geprofiteerd van zachte valuta's.

5.4   Zoals in alle dienstensectoren is de kwaliteit van de toeristische dienstverlening op eilanden grotendeels afhankelijk van de bekwaamheid van de werknemers. Goede arbeidsvoorwaarden en goede dienstverlening zijn nauw met elkaar verbonden.

5.5   Het Europese eilandtoerisme, waar overwegend kleine en middelgrote ondernemingen actief zijn en dat bijzonder arbeidsintensief is, krijgt af te rekenen met productiviteitsproblemen die te wijten zijn aan versnippering. De lage productiviteit maakt het moeilijk voor het eilandtoerisme om op te boksen tegen de concurrentie. Dat blijkt ook uit de prijzen.

5.6   De seizoensgebondenheid heeft reële gevolgen voor de stabiliteit van de werkgelegenheid, wat werken in de toeristische sector minder aantrekkelijk maakt. Het Comité is dan ook voorstander van bijzondere overeenkomsten die de seizoenwerknemers stabiliteit bieden, zodat zij dezelfde arbeids- en sociale rechten krijgen als vaste werknemers. Het Comité heeft deze problematiek ook in het verleden al aangekaart (2).

5.6.1   Om het eilandtoerisme te promoten en innovatie te bevorderen moeten de arbeidsverhoudingen worden aangepast en gemoderniseerd, m.n. op het vlak van opleiding, promotie en loopbaan, taken, werkdagen en -uren en arbeidsvoorwaarden, dit alles in het kader van de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen tussen de sociale partners.

5.7   In onze huidige samenleving, waarin alles snel moet gaan, wordt m.n. gebruikgemaakt van de luchtvaart om eilanden te bereiken. Vervoer over zee is niet altijd een haalbaar alternatief, omdat daarvoor zowel een degelijke infrastructuur aan land als een betrouwbaar netwerk van zeevaartverbindingen noodzakelijk zijn. Bovendien is het zeevervoer afhankelijk van de weersgesteldheid.

6.   Beleidsmaatregelen voor innovatie in de toeristische sector op eilanden

6.1   De autoriteiten die belast zijn met eilandtoerisme staan nu voor de taak uit te zoeken wat de beste manier is om beleidsinstrumenten te ontwikkelen waarmee innovatie in de toeristische sector kan worden aangemoedigd zonder de marktwerking te verstoren. Idealiter zouden de autoriteiten de markten zo veel mogelijk hun werk moeten laten doen en pas mogen ingrijpen als het mis dreigt te gaan.

6.2   Eilanden moeten ernaar streven het wankele evenwicht te behouden tussen de potentieel tegenstrijdige belangen van het bedrijfsleven dat gericht is op groei, de toerist-consument die zijn vrije tijd aangenaam wil doorbrengen en de milieuorganisaties die op de bres staan voor de natuur. De hamvraag op planologisch gebied luidt: wie krijgt de beslissende stem bij de goedkeuring van bouwprojecten? In dit verband kunnen nl. conflicten rijzen tussen de lokale overheid, die in bepaalde gevallen wordt beïnvloed door de belangen van het lokale bedrijfsleven, en de regionale en centrale overheden die meer naar het grote geheel kijken en ongebreidelde groei in kwetsbare milieugebieden trachten af te remmen.

6.3   De overheid moet innoverende bedrijven de kans geven schaalvoordelen te bewerkstelligen en innovatie stimuleren via samenwerkingsverbanden en andere netwerkverbanden. De kortste en meest veelbelovende weg naar innovatie in het toerisme loopt via samenwerking en netwerkverbanden op het gebied van bv. technologie, marketing, distributie, en uitwisseling van personeel. Tot nog toe wordt er veel te weinig samengewerkt in de toeristische sector, met name door het mkb. De overheid zou zich daarom moeten richten op een innovatief beleid inzake toerisme, dat samenhang en synergie in de hand werkt.

6.4   De toerismeproblematiek kan onmogelijk los worden gezien van de ruimtelijke dimensie. Op de eerste plaats is het zaak de attracties, die de pijler zijn waar het toerisme op steunt en bepalen of een plaats een toeristische trekpleister kan worden, te beschouwen als handelswaar die moet worden aangeprezen. Toeristen kiezen voor de bestemming en de producten die het best aansluiten bij hun behoeften en waarvoor zij willen betalen. Hoe unieker de bestemming, des te hoger de som die mensen bereid zijn te betalen. In de meeste gevallen gaat het dan om openbaar goed of gemeenschappelijke hulpbronnen zoals beschermde landschappen of landbouwgronden; de eilandbewoners moeten instaan voor de bescherming en het beheer van deze gebieden om te voorkomen dat zij ten prooi vallen aan consumptiedrang of vernietigd worden.

6.5   Het zijn de lokale attracties en innovatieve diensten die maken dat een bepaalde bestemming eruitspringt. Aan de andere kant beperken bepaalde kenmerken ook de mogelijkheden op het vlak van innovatie, waarvoor toch aan bepaalde concrete vereisten moet worden voldaan. Zo kan een vakantiewoning aan zee onmogelijk worden omgebouwd tot berghut. Wel kan een toeristische bestemming met een grote verscheidenheid aan attracties een andere plaats gaan innemen op de markt.

6.6   Massatoerisme dat het moet hebben van zon, zee en McDonalds is op de lange termijn niet noodzakelijk de beste vorm van eilandtoerisme. Het voorbeeld van Schotland toont aan dat kleinschalige, gespecialiseerde vormen van eilandtoerisme tot een groot succes kunnen uitgroeien. Het is belangrijk dat bij de uitwerking van een strategie voor eilandtoerisme voor ogen wordt gehouden dat er niet één kant-en-klare oplossing bestaat. Wat de ideale aanpak blijkt te zijn voor een klein eiland in de Middellandse Zee kan totaal ongeschikt zijn voor een van de miniatuureilandjes aan de kust van het Verenigd Koninkrijk, Ierland of Zweden.

6.7   De toekomst van een bestemming wordt bepaald door een heleboel los van elkaar staande variabelen. We denken dan o.m. aan de locatie en het potentieel van bronmarkten en de toegankelijkheid, die samenhangt met de vervoersinfrastructuur en tijdgerelateerde kosten. De overheid kan enkel invloed uitoefenen op deze variabelen via mechanismen als openbaredienstverplichtingen en regelingen voor territoriale continuïteit. Meer nog, deze variabelen zijn doorslaggevend voor de aard van productinnovaties. De uitdaging voor de lokale ondernemer is dan ook nieuwe producten op de markt te brengen met een meerwaarde voor de consument.

6.8   Milieuduurzaamheid staat hoog op de EU-agenda. Hiermee verband houdende kwesties zijn het zoeken naar doeltreffende mechanismen om door reizen veroorzaakte emissies terug te dringen en meer in het algemeen de vraag hoe milieuduurzaamheid is uitgegroeid tot een van de belangrijkste hefbomen voor een concurrerende toeristische sector.

6.9   Wat weerhoudt eilandbewoners er bv. van om voor betere stranden te zorgen of hun culturele erfgoed in de schijnwerper te zetten? Waarom zijn er maar een handvol vakantieverblijven op een eiland dat in zijn geheel een toeristische attractie kan vormen? Waarom is het hoogseizoen zo kort terwijl het toerisme op andere plaatsen het hele jaar door hoogtij viert? Er wordt maar reclame gemaakt voor een beperkt aantal plaatsjes, terwijl eigenlijk alle steden en dorpen kunnen worden gepromoot. Inwoners moeten weten dat zij trots mogen zijn op hun stad of dorp; alleen dan kunnen zij hun producten en erfgoed beschermen en aan de man brengen.

6.10   Nu een toenemend aantal toeristen naar eilandgebieden trekt moet de overheid meer middelen uittrekken voor optimale gezondheidsomstandigheden op de eilandbestemmingen: zij moet toezien op de kwaliteit van het drinkwater (én van het zwemwater) en zorgen voor efficiënt afvalbeheer, duurzame energie en voedselveiligheid en -zekerheid.

6.11   Eilandbewoners moeten zich bewust worden van het belang van mededinging en deze problematiek bovenaan hun agenda zetten. De overheid kan hierbij wel een helpende hand gebruiken. Werknemers, ondernemers, managers en overheidsinstanties moeten de handen ineenslaan.

6.12   In de praktijk onderscheiden we drie doorslaggevende factoren:

ten eerste is er de mate waarin de overheid zich inzet voor gezondheid, veiligheid en milieuduurzaamheid;

daarnaast speelt ook de particuliere sector een rol, o.m. op het gebied van weg- en luchtvervoer en ICT-infrastructuur; en

ten derde beschikt elk land over eigen culturele rijkdommen.

6.12.1   De rol van de overheid is voor die eerste categorie van groot belang. Eilanden kunnen het zich eenvoudigweg niet permitteren laag te scoren op milieuduurzaamheid. Culturele en milieuverenigingen die meer aandacht en middelen eisen voor de bescherming van het culturele erfgoed van hun eiland, hebben dus overschot van gelijk.

6.12.2   Ook op het vlak van de toeristische infrastructuur is er nog heel wat werk aan de winkel. Ongunstige resultaten in dit verband kunnen maken dat eindelijk actie wordt ondernomen en meer wordt geïnvesteerd. Een periode van recessie is het juiste moment om de infrastructuurvoorzieningen onder de loep te nemen en meer middelen uit te trekken voor de verdere ontwikkeling daarvan. Eilanden moeten zich richten op verbetering en met behulp van particuliere en openbare investeringen nieuwe nichemarkten zoeken. De overheid moet erop toezien dat de privésector gemakkelijker toegang krijgt tot financiering en dat banken zich flexibeler opstellen tegenover kleine en middelgrote ondernemingen. Van de middelen die uit hoofde van het EU-stimuleringspakket ter beschikking worden gesteld moet ten volle gebruik worden gemaakt. Belangrijker nog is echter dat de overheid de particuliere sector niet onterecht regels oplegt waardoor zij al hun investeringskapitaal kwijtraken.

6.12.3   Eilandtoerisme heeft ook een keerzijde, nl. de schaduweconomie, die de bewoners wel extra inkomsten oplevert maar een negatieve invloed heeft op de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden. Het fenomeen van tweede verblijven drijft de prijs op voor de eilandbewoners, maar is tegelijk een bron van inkomsten. Een ander probleem is de overbelasting van de infrastructuur voor water, afval en energie: tijdens het hoogseizoen ligt het aantal gebruikers immers wel twintig keer hoger dan normaal.

6.13   Doordat de vraag naar arbeidskrachten sterk seizoensgebonden is ontstaat er een zwarte economie. Misbruik en uitbuiting van werkstudenten en aanwerving van illegale arbeidskrachten doen de lonen dalen en is dus nadelig voor de legale én de illegale werknemers. Illegale arbeid is in de toeristische sector schering en inslag; in sommige landen is meer dan de helft van de werknemers illegaal.

6.13.1   De toeristische sector in het Westen, ook op de eilanden, doet steeds vaker een beroep op goedkope arbeidskrachten uit nieuwe lidstaten, m.n. Polen, Bulgarije en Roemenië. Gezien de EU-regels inzake het vrije verkeer van werknemers, is deze trend onomkeerbaar. Werkgevers en werknemers moeten zich dan ook beraden over de vraag hoe hiermee om te gaan. Bedrijven moeten kunnen concurreren, maar tevens toezien op gelijkheid en behoorlijke arbeidsvoorwaarden bieden; uitbuiting van werknemers is uit den boze.

6.14   Voor het eilandtoerisme is een op maat gesneden aanpak nodig. Toerisme is van cruciaal belang voor de eilandbewoners en het mkb op eilanden. Het is nu de hoogste tijd om de handen uit de mouwen te steken. Eilandbewoners moeten kijken waar zij staan ten opzichte van hun concurrenten. De meest dringende problemen op de korte termijn moeten eerst worden aangepakt. Doeltreffende maatregelen voor de middellange en de lange termijn zijn echter eveneens noodzakelijk voor het behoud van een duurzaam toerisme, dat fungeert als hefboom voor economische groei.

7.   Stimuleren van netwerken voor organisatorische innovatie in toeristische ondernemingen en bestemmingen

7.1   Veel toeristische subsectoren zijn sterk geconcentreerd en wereldwijd actief, denken we maar aan luchtvaartmaatschappijen, hotelketens, reisorganisatoren en autoverhuurbedrijven. Daarentegen is het een feit dat het toerisme op eilanden voornamelijk in handen is van het mkb. Om te kunnen opboksen tegen die internationale concurrentie moet het eilandtoerisme inzetten op een constructieve – en niet op een destructieve - vorm van mededinging. Constructieve mededinging doet de markt groeien en verbreedt het gamma zodat uiteindelijk een gevarieerde waaier aan innovatieve en succesvolle producten van wereldklasse kan worden aangeboden. Destructieve mededinging maakt dat bedrijven gaan concurreren om hetzelfde marktsegment, wat leidt tot productconvergentie en prijzenoorlogen. Een voorwaarde om tot een constructieve vorm van concurrentie te komen is dan ook dat ondernemers uit de toeristische sector weten hoe ze meer moeten samenwerken.

7.2   Met name kleine ondernemers uit de toeristische sector op eilanden zijn zich bewuster van de gevolgen van concurrentie dan van de voordelen van samenwerking. In de context van toerisme kan onderscheid worden gemaakt tussen geografische netwerken/clusters en thematische netwerken/clusters, zoals groen toerisme, wijntoerisme, enz. Netwerken/clusters kunnen de sleutel zijn tot innovatie, omdat zij de kosten van proefprojecten verlagen, de zichtbaarheid vergroten en bedrijven in staat stellen beter in te spelen op een wisselende vraag. Net als in andere dienstensectoren berust innovatie in de toeristische sector voornamelijk op netwerken en samenwerking.

7.3   Samenwerking tussen politici en werkgevers- en werknemersorganisaties en betrokkenheid van de organen en verenigingen uit de toeristische sector zijn cruciaal voor blijvende groei van het eilandtoerisme. Het is m.n. aan de ondernemers om netwerkverbanden aan te gaan, maar de lokale overheid is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de infrastructuur die nauwere samenwerking en netwerken moet mogelijk maken.

Brussel, 15 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  „Betere integratie in de interne markt als succesfactor voor meer cohesie en groei in eilandgebieden”, PB C 27 van 3.2.2009, blz. 123.

(2)  Zie het EESC-advies over „Een voor iedereen toegankelijk en sociaal duurzaam toerisme”, PB C 32 van 5.2.2004, blz. 1


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/81


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Belasting op financiële transacties” (initiatiefadvies)

2011/C 44/14

Rapporteur: Lars NYBERG

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft op 18 februari 2010 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het thema

Belasting op financiële transacties.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 23 juni 2010 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 15 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 121 stemmen vóór en 55 tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De totale waarde van alle financiële transacties is gestegen van ongeveer 15 maal de waarde van het wereldwijde bbp in 1990 tot ongeveer 70 maal die waarde in 2007 (1). De waarde van contante transacties in verhouding tot het bbp is daarbij nagenoeg ongewijzigd gebleven, wat betekent dat de verviervoudiging van de financiële transacties vrijwel volledig aan derivaten, voor het merendeel rentederivaten, toe schrijven is. De handel in derivaten is tijdens het tweede halfjaar van 2008 weliswaar afgenomen maar het volume is in de eerste helft van 2009 weer toegenomen. Het gedrag van de financiële sector lijkt niet erg gewijzigd te zijn.

1.2   In 2007 was de financiële sector – die als belangrijkste taak heeft de reële economie te ondersteunen – goed voor 40 % van alle bedrijfswinsten in de VS terwijl zijn aandeel in het bbp slechts 7 % bedroeg. Er was tevens een concentratie naar een kleiner aantal markten toe – met name Londen en New York – waar te nemen, alsook naar een kleiner aantal zeer grote financiële instellingen toe. In de sector zijn enorme geldbedragen geïnjecteerd teneinde deze instellingen voor ondergang te behoeden, wat tot nooit eerder geziene begrotingstekorten heeft geleid.

1.3   Een belasting op financiële transacties (BFT) zou van doorslaggevende invloed kunnen zijn op het gedrag van financiële instellingen door het aantal vaak ook zeer risicovolle financiële transacties op zeer korte termijn te beperken.

1.4   Het EESC is in principe voorstander van een BFT, zoals het in zijn advies over het verslag-de Larosière (2) heeft aangegeven: „Het Comité vindt dat de kortetermijnvisie plaats moet maken voor een langetermijnvisie, waarbij bonussen niet zijn gebaseerd op speculatieve transacties. In dit verband staat het Comité achter het idee om belasting te gaan heffen op financiële transacties.” Met het onderhavige advies wil het EESC bijdragen aan de lopende discussie over deze belasting en dieper ingaan op de doelstellingen en gevolgen ervan.

1.5   Het oorspronkelijke voorstel voor een belasting op transacties in effecten werd geformuleerd door J.M. Keynes in 1936. Zijn doel was de destabiliserende speculatie in aandelen te verminderen en de aandelenkoersen op lange termijn meer te stabiliseren. Een en ander werd in de jaren '70 verder ontwikkeld door James Tobin. Hij beoogde het tempo van de financiële markt te matigen en het meer in overeenstemming te brengen met de reële economie via een belasting op contante internationale valutatransacties. De bedoeling was dezelfde als in het voorliggende geval, nl. het beperken van kortetermijntransacties.

1.6   Tobin stelde voor de opbrengsten van de belasting aan het IMF of de Wereldbank over te maken hoewel dergelijke opbrengsten niet het hoofddoel waren. Volgens hem zou de belasting dan ook minder opbrengsten genereren naarmate zij meer tegemoetkwam aan de economische doelstellingen die er in eerste instantie aan ten grondslag lagen.

1.7   Het voorstel voor een dergelijke belasting is sinds de financiële crisis van 2008 weer in de belangstelling komen te staan maar is thans gericht op alle financiële transacties tussen financiële instellingen.

1.8   Volgens het EESC zou met een BFT in eerste instantie moeten worden beoogd het gedrag van de financiële sector te wijzigen door speculatieve financiële transacties op korte termijn tegen te gaan. Aldus worden de activiteiten van de financiële sector aan het prijsmechanisme van de markt onderworpen. Lord Turner (British Financial Services Authority) heeft sommige van deze transacties zelfs als sociaal nutteloos aangemerkt. Het gewenste effect zou kunnen worden bereikt daar de BFT de meest frequente transacties het zwaarst belast.

1.9   Als een BFT de korttermijnhandel in effecten en derivaten aanzienlijk zou beperken, zou ze ook de winsten in de financiële sector drukken, wat tot een vermindering van bonussen maar ook van belastinginkomsten zou kunnen leiden. Een en ander zal geen invloed hebben op het traditioneel bankieren, dat gebaseerd is op leningen aan ondernemingen en gezinnen, die worden gefinancierd door deposito's die winst opleveren dankzij het verschil in rentetarieven. Dit soort bankieren kan weer de hoofddoelstelling van de financiële sector worden, waarbij spaardeposito's zo goed mogelijk worden gebruikt voor investeringen. De nieuwe financiële moeilijkheden in 2010 en de inspanningen van het IMF en de EU om methoden te vinden voor de financiering van toekomstige financiële crisissen beletten niet dat we de kans moeten grijpen om de financiële sector te verbeteren door winsten op korte termijn een halt toe te roepen.

1.10   De tweede doelstelling van een BFT is overheidsgeld te genereren. Deze nieuwe bron van inkomsten zou kunnen worden gebruikt om de economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden te ondersteunen, klimaatbeleid in die landen te financieren of de overheidsschuld te verlichten. In het laatste geval wordt er ook van uitgegaan dat de financiële sector overheidssteun terugbetaalt. Op lange termijn zou de opbrengst van de belasting een nieuwe algemene bron van overheidsinkomsten moeten worden.

1.11   De BFT zou progressief zijn, daar klanten van financiële instellingen, alsook de instellingen zelf, als zij voor eigen rekening handelen, de meest welvarende groepen van de samenleving vertegenwoordigen. Bovendien wordt ervan uitgegaan dat de financiële sector geen billijk aandeel in de belastingen draagt.

1.12   De BFT moet een zo ruim mogelijk toepassingsgebied hebben en gelden voor zowel nationale markten als internationale transacties. In een mondiaal stelsel is het EESC voorstander van een BFT-tarief van niet meer dan 0,05 %. In een Europees stelsel lijkt een lager tarief aangewezen om te garanderen dat de werking van de financiële markt niet verstoord wordt.

1.13   De invoering van een belasting vermindert altijd de waarde van activa maar heeft zij gevolgen voor het financiële centrum waar de handel plaatsvindt als het niet om een wereldwijde belasting gaat? Uit een studie is gebleken dat het huidige zegelrecht in Groot-Brittannië de omzet met 20 % heeft doen dalen maar nauwelijks de activiteiten uit Londen heeft verjaagd.

1.14   Dit betekent dat de invoering van deze belasting in theorie geen administratieve, technische of economische kosten met zich zal meebrengen daar de betreffende transacties reeds per computer verwerkt worden. De markt voor OTC-derivaten (buiten beurs) is evenwel nog niet geïnformatiseerd maar ook hiervoor is EU-wetgeving in de maak. De behoefte om alle transacties alsook de OTC-markt in de georganiseerde handel op te nemen wijst erop dat regulering en belastingen als BFT elkaar aanvullen en geen alternatieven voor elkaar zijn.

1.15   Als het gedrag van de financiële sector verandert zodat deze zich meer gaat richten op basisactiviteiten op lange termijn en er tegelijkertijd meer publieke inkomsten worden gegenereerd, is er in het geval van de BFT sprake van een zogenaamd dubbel dividend. Het is evenwel ook duidelijk dat hoe hoger het tarief, des te groter het effect op het verhandelde volume kortetermijntransacties en vandaar ook: hoe kleiner het verhandelde volume, des te lager de opbrengsten. Daarom moet een belastingtarief worden gekozen waarmee een evenwicht wordt bereikt tussen de twee doelstellingen van het BFT: het veranderen van het gedrag en het genereren van belastinginkomsten.

1.16   Indien de belasting in heel Europa wordt toegepast, zouden de ontvangsten tot ca. 1,5 % van het bbp belopen; het merendeel zou daarbij van de Britse financiële markt komen. Als de toepassing wereldwijd zou gebeuren, zouden de belastingopbrengsten tot ca. 1,2 % van het mondiale bbp klimmen. De resultaten lopen tevens vrijwel gelijk voor Europa en de VS.

1.17   De G20 heeft tijdens haar bijeenkomst van 26 en 27 juni 2010 in Toronto geen mondiale belasting op financiële transacties voorgesteld. Het EESC vindt dat een Europees stelsel niettemin op de agenda voor financiële hervormingen moet blijven staan.

2.   Achtergrond

2.1   Er zijn verschillende redenen aangehaald voor de spectaculaire financiële crisis die na het bankroet van Lehman Brothers (3) in 2008 is uitgebroken. Zo werd o.m. gewezen op de goedkope financieringen dankzij de lage interesttarieven, de verspreiding van risicovolle effecten door securitisatie, het gebrek aan regulering en toezicht, het voorhanden zijn van economische middelen voor speculatie ten gevolge van een reeds langdurige verschuiving van inkomsten uit arbeid naar kapitaal, het mondiale karakter van de financiële markt, enz.

2.2   De groei van de financiële sector ten opzichte van het bbp tart alle verbeelding. In 1990 beliep de waarde van financiële transacties ca. 15 maal het mondiale bbp. Tegen de crisis van 2008 was dit cijfer gestegen tot 70 maal het mondiale bbp (4). Het percentage contante transacties t.o.v. het mondiale bbp is nagenoeg hetzelfde als in 1990; de verviervoudiging van financiële transacties is dus vrijwel volledig aan derivaten toe te schrijven. Het gaat hierbij vooral om OTC-transacties (buiten beurs) die rechtstreekse overeenkomsten tussen een klant en een financiële instelling zijn en waarvan de meeste bovendien rentegerelateerde derivaten betreffen (5). Zelfs langetermijntransacties als hypothecaire obligaties zijn op de kortetermijnmarkt terechtgekomen daar zij vaak van eigenaar wisselen. De redenen voor een groot deel van deze nieuwe handel kunnen dus zowel risicoafscherming als speculatie zijn.

2.3   De ontwikkeling van de derivatenmarkt is een nieuw aspect van het economisch systeem en is niet altijd gekoppeld aan de reële economie zoals dat voor traditioneel kapitaal het geval is. Er zijn verschillende soorten derivaten, zoals opties, futures, termijncontracten en swaps, en ze kunnen zijn gebaseerd op bv. verschillende goederen, valutatransacties, rentetarieven maar ook pure gokactiviteiten.

2.3.1   Uit de statistieken blijkt dat de handel in derivaten in het tweede halfjaar van 2008 is gedaald. Deze daling was evenwel niet erg groot en vormde alleen een teruggang in vergelijking met het niveau van drie jaar terug. Bovendien kon in het eerste halfjaar van 2009 weer een stijging worden waargenomen (6). Deze veranderingen waren andermaal vooral weer van toepassing op rentegerelateerde derivaten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er niet veel is veranderd in het gedrag van de financiële sector. Anderzijds is securitisatie, die in eerste instantie de financiële crisis heeft uitgelokt, nagenoeg van de markt verdwenen (7).

2.3.2   In 2007, net vóór de crisis, was de financiële sector goed voor 40 % van alle bedrijfswinsten in de VS terwijl zijn aandeel in het bbp slechts 7 % bedroeg (8). Als de financiële sector 40 % van de winsten opstrijkt, wijkt hij af van zijn rol als financieel bemiddelaar. In dit opzicht is het oligopole karakter van de financiële sector in sommige landen niet efficiënt voor de financiering van de reële economie.

2.3.3   Er was tevens een concentratie waar te nemen naar een kleiner aantal markten toe - met name Londen en New York - en tegelijkertijd naar een kleiner aantal zeer grote financiële instellingen toe. Door hun omvang kregen deze de reputatie dat ze te groot waren om over de kop te kunnen gaan maar net dit maakte dat tal van regeringen een aantal banken heeft moeten redden om de instorting van de hele financiële sector te vermijden. Enorme bedragen werden in de sector geïnjecteerd, wat aanleiding gaf tot nooit eerder geziene begrotingstekorten.

2.4   In het rapport van de groep-de Larosière zijn tal van voorstellen geformuleerd om het financiële systeem zo aan te passen dat crisissen in de toekomst zich niet meer kunnen voordoen (9) Kort daarop volgden vier Commissievoorstellen (10) voor verordeningen over macro- en microtoezicht op de financiële sector, alsook verschillende voorstellen om de voorschriften voor die sector aan te passen (11). Tegelijkertijd wordt in de VS ook een levendige discussie gevoerd over dit onderwerp.

2.4.1   Voorstellen voor nieuwe wetgeving waren vooral gericht op toezicht op en regulering van bepaalde financiële instellingen, en moesten deels in de plaats komen van een aantal zelfreguleringsmaatregelen van de financiële sector. Alleen in geringere mate beoogden ze het gedrag van de financiële sector te veranderen. Er zijn geen voorstellen gedaan voor regulering van instrumenten in de financiële sector hoewel net op dat punt de echte oorzaken van de financiële crisis te vinden zijn.

2.5   Er zijn evenmin formele EU-voorstellen voor een belasting op financiële transacties gekomen hoewel een algemene discussie hierover de laatste jaren op veel belangstelling kon rekenen. Een dergelijke belasting kan volgens het EESC van doorslaggevende invloed zijn op het gedrag van de financiële instellingen alsook op hun instrumenten. Een en ander kan worden bereikt door een beperking van een aantal van de huidige financiële transacties op overwegend korte termijn.

2.5.1   Tijdens hun bijeenkomst in Pittsburgh in september 2009 hebben de leiders van de G-20 het IMF verzocht voor hun volgende vergadering (in juni 2010) een verslag voor te bereiden over de verschillende maatregelen die de landen overwegen of hebben genomen om de financiële sector op billijke en wezenlijke wijze te laten bijdragen aan de vergoeding van de inspanningen die regeringen hebben gedaan om het banksysteem te redden. In het in april 2010 gepresenteerde voorlopige IMF-verslag lag de nadruk op maatregelen om toekomstige financiële crisissen tegen te gaan, die vooral gericht waren op een belasting voor financiële stabiliteit in combinatie met een resolutieregeling. In dit advies zal het EESC over deze voorstellen geen specifieke opmerkingen formuleren en alleen ingaan op de korte IMF-discussie over een BFT voor de huidige crisis.

2.5.2   Het EESC is in principe voorstander van een BFT, zoals het in zijn advies over het verslag-de Larosière heeft aangegeven: „Het Comité vindt dat de kortetermijnvisie plaats moet maken voor een langetermijnvisie, waarbij bonussen niet zijn gebaseerd op speculatieve transacties. In dit verband staat het Comité achter het idee om belasting te gaan heffen op financiële transacties.” Met het onderhavige advies wil het EESC bijdragen aan de lopende discussie over deze belasting en dieper ingaan op de doelstellingen en gevolgen ervan.

3.   Inleiding

3.1   Het oorspronkelijke voorstel voor een belasting op transacties in effecten werd geformuleerd door J.M. Keynes in 1936 om aldus destabiliserende speculatie in aandelen aan banden te leggen en de aandelenkoersen op lange termijn meer te stabiliseren.

3.2   Tijdens de jaren '70 stelde James Tobin een belasting op valutatransacties voor, de „Tobintaks”, teneinde destabiliserende valutaspeculatie tegen te gaan. Door het vrij verkeer van kapitaal werden valuta makkelijker blootgesteld aan aanvallen door speculanten. Tobin beoogde het tempo van de financiële markt te matigen, het meer in overeenstemming te brengen met de reële economie en de rol van het monetaire beleid te versterken. De belasting was bedoeld voor contante valutatransacties en het tarief bedroeg 0,5 %. Hoewel zij niet voor alle financiële transacties gold (contante transacties staan thans voor minder dan 10 % van de wereldwijde transacties), was zij ook gericht op een van de doelstellingen die thans worden nagestreefd, nl. de beperking van kortetermijntransacties.

3.2.1   Tobin stelde voor de opbrengsten van de belasting aan het IMF of de Wereldbank over te maken hoewel dergelijke opbrengsten niet het hoofddoel waren. Volgens hem zou de belasting dan ook minder opbrengsten genereren naarmate zij meer tegemoet kwam aan de economische doelstellingen die er in eerste instantie aan ten grondslag lagen (12).

3.3   Tijdens de financiële crisis van 2008 stak het voorstel van een belasting weer de kop op, en was deze belasting niet alleen voor contante maar voor alle financiële transacties bedoeld. Opgemerkt zij dat zelfs met deze ruime werkingssfeer een en ander niet gericht was op financiële transacties waarbij gezinnen en bedrijven waren betrokken. De belasting moest beperkt blijven tot transacties tussen financiële instellingen. Voorstanders van een BFT zijn tal van middenveldorganisaties, economen en prominenten in de financiële sector als lord Turner, de voorzitter van de British Financial Services Authority, en nu ook de Europese Raad in zijn voorstellen voor de vergadering van de G20 op 17 juni 2010 (13). Tegenstanders zijn o.m. het IMF, de OESO en de Wereldbank.

3.4   Welke zijn de hoofddoelstellingen van een dergelijke belasting? Waarop moet zij worden geheven? Hoe hoog moet zij zijn? Kan ze worden toegepast in slechts één land of moet zij in de hele EU of wereldwijd worden opgelegd? Welke resultaten kunnen worden verwacht? We bespreken deze vragen en reiken een aantal cijfers aan op basis van studies van het Oostenrijkse Instituut voor economisch onderzoek (WIFO) (14) en het Center for Economic and Policy Research (CEPR) en het Political Economy Research Institute (PERI, University of Massachusetts, Amherst) (15).

3.5   Voortbouwend op de discussies van Keynes en Tobin kan het gedrag van de financiële sector worden beïnvloed via het effect dat een BFT op kortetermijntransacties kan hebben. Gezien de frequentie van kortetermijntransacties verhoogt een BFT de kosten van kortetermijntransacties ten opzichte van langetermijntransacties. Regeringen kunnen aldus door gebruik te maken van het prijsmechanisme van de markt de financiële sector, via de veranderde relatieve kosten, ertoe aanzetten meer te betrouwen op basisactiviteit op lange termijn in samenhang met de reële economie.

4.   Doelstellingen

4.1   Uit een grondig onderzoek van de financiële markt blijkt dat het toegenomen volume transacties vooral toe te schrijven is aan kortetermijntransacties die vaak een speculatief karakter hebben of gericht zijn op het indekken van risico's. Ten opzichte van de reële economie zijn deze transacties vaak buitensporig ambitieus. Daar kortetermijnfluctuaties aanleiding kunnen geven tot grotere schommelingen van activaprijzen op lange termijn, kunnen deze laatste ook los komen te staan van de ontwikkeling van de reële economie (16). Lord Turner heeft sommige van deze financiële transacties zelfs als sociaal nutteloos aangemerkt.

4.1.1   Volgens het EESC zou de eerste doelstelling van een BFT dan ook moeten zijn het huidige gedrag van de financiële sector te wijzigen door speculatieve financiële transacties op korte termijn tegen te gaan. Kortetermijntransacties zijn grotendeels verantwoordelijk voor de toename van de activiteiten van de financiële sector in het eerste decennium van de 21e eeuw. De financiële sector moet weer zijn permanente verantwoordelijkheid opnemen t.o.v. de reële economie.

4.1.2   Het IMF vermeldt de gedragseffecten van een BFT in zijn verslag maar beschouwt ze als negatieve effecten. Negatief is volgens het IMF o.a. dat een BFT geen middel is om een toekomstige resolutieregeling te financieren. Dit werd nooit beoogd met een BFT. Een andere bedenking is dat de transacties waarvan het volume beperkt zou moeten worden, beter rechtstreeks kunnen worden belast. Dit is precies wat met de BFT wordt gedaan als deze de kortetermijntransacties het hardst treft.

4.1.3   Een beperking van het volume van de kortetermijnhandel beperkt tevens zijn aandeel in de activiteiten van de financiële instellingen. Hierdoor stijgt het aandeel van andere activiteiten als bv. het bemiddelen tussen spaarders en leners. De financiële sector is geen doel op zich maar een instrument om andere economische doelstellingen te kunnen verwezenlijken. Een doeltreffende financiële sector zal gespaarde bedragen optimaal inzetten voor investeringen in de reële economie.

4.1.4   Traditioneel commercieel bankieren is gebaseerd op het verstrekken van leningen aan ondernemingen en gezinnen; waarbij winst wordt gegenereerd dankzij het verschil in rentetarieven. Banken helpen hun klanten om geld te verwerven op de kapitaalmarkt, alsook om aan het internationale zakenleven gekoppelde posities in vreemde valuta en grondstoffen en aan de landbouw gekoppelde grondstoffenfutures af te dekken. Bij het verlenen van deze diensten compenseren banken hun eigen risico's via transacties met andere banken, doorgaans in real time. Dienstverlening aan klanten kan aanleiding geven tot verscheidene transacties op zeer korte termijn. Voorst genereren banken ook winst door effecten- en derivatenhandel voor eigen rekening. Niet alles moet van de financiële markt verdwijnen, daar een en ander deels ook betrekking heeft op interbancaire handel met het oog op de verzekering van liquiditeit. Als een BFT deze korttermijnhandel in effecten en derivaten evenwel aanzienlijk beperkt, zal ze ook de winsten in de financiële sector drukken, wat vermoedelijk tot een vermindering van bonussen en belastinginkomsten zal leiden. Traditioneel bankieren zal nauwelijks worden beïnvloed en de toekomstige winsten van de financiële instellingen zullen lager zijn en vooral afhangen van traditionele bankactiviteiten.

4.1.5   De standpunten in de vakliteratuur lopen uiteen maar de maatregel zou o.m. ook een beperking van de volatiliteit van de activaprijzen tot gevolg kunnen hebben. Door een vermindering van de speculatie zouden de activaprijzen stabieler kunnen worden. Volgens anderen kunnen occasionele transacties evenwel zeer volatiel en willekeurig zijn zonder dat zij het temperende effect van het volume hebben.

4.1.6   Samengevat kan in het licht van de mogelijke gevolgen van een BFT op het gedrag van verschillende financiële instellingen worden beklemtoond dat dergelijke veranderingen hoogfrequente transacties zouden kunnen beperken. De nieuwe financiële moeilijkheden in 2010 en de inspanningen van het IMF en de EU om methoden te vinden voor de financiering van toekomstige financiële crisissen beletten niet dat we de kans moeten grijpen om de financiële sector te verbeteren.

4.2   De tweede hoofddoelstelling van een BFT is overheidsgeld te genereren. Een BFT zou aanzienlijke inkomsten opleveren. Bij de discussie over de vraag waarvoor deze nieuwe inkomsten moeten worden gebruikt is een van de mogelijkheden dat ze worden gebruikt om de economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden te ondersteunen, klimaatbeleid in die landen te financieren of de door de financiële crisis ontstane overheidsschuld te verlichten. Overeenkomstig de recente politieke discussies binnen de EU zouden de opbrengsten waarschijnlijk een bron van overheidsinkomsten worden.

4.2.1   Volgens de Commissie is financiële ondersteuning tot 30 % van het bbp van de EU goedgekeurd. Garanties buiten beschouwing gelaten, gaat het om 13 %. Voor het VK moet dat percentage worden verdubbeld. Wat de kosten voor de overheid betreft om de financiële sector te helpen de crisis te boven te komen, zij opgemerkt dat ongeveer de helft van de steun nooit is gebruikt en dat de gemaakte kosten uiteindelijk ook grotendeels zullen worden terugbetaald. De 13 % heeft betrekking op kapitaalinjecties (eigen vermogen van banken), aankoop van activa en directe ondersteuning. Van vele garanties schijnt helemaal geen gebruik te zijn gemaakt.

4.2.2   De opbrengsten uit een BFT zouden aanvankelijk kunnen worden gebruikt om de overige kosten te dekken. Daar waar de grootste geldsommen zijn ingezet om de banken te redden zou een BFT, gezien de concentratie van de financiële markt, ook de grootste inkomsten moeten kunnen genereren. De totale kosten voor de overheid waren echter veel hoger en sloegen ook op het verlies aan socialezekerheidsbijdragen, de kosten voor automatische stabilisatoren, hogere rentebetalingen op staatsleningen, enz. Zelfs het IMF is van mening dat gelet op de budgettaire, economische en sociale kosten in ruime zin van financiële crisissen, de financiële sector aan de algemene inkomsten een bijdrage zou moeten leveren die verder gaat dan alleen maar de kosten voor de begroting van directe ondersteuning te dekken (17).

4.2.3   In de toekomst zou de BFT moeten worden beschouwd als een nieuwe bron van overheidsinkomsten. Daar financiële diensten van btw zijn vrijgesteld en de gebruikers van bankdiensten dus minder belasting betalen voor financiële dan voor de meeste andere diensten, en mede in het licht van de hoge winsten in de financiële sector, lijkt het bij uitstek verantwoord om de belastingen voor deze sector te verhogen.

4.2.4   Volgens een door de OESO verrichte studie zullen de VS in 2011verantwoordelijk zijn voor nagenoeg de helft van het overheidstekort van alle OESO-landen. Het begrotingstekort wordt voor dat jaar op ca. 6 % van het bbp geraamd voor de eurozone. De echte uitdagingen liggen echter niet alleen in landen als Griekenland in de eurozone maar ook in het VK, waar het begrotingstekort op ca. 12 % wordt geraamd.

4.2.5   Een alternatief voor een BFT dat in het voorlopige IMF-verslag is besproken, is een BFA (belasting op financiële activiteit) die zou worden geheven op winsten en vergoedingen. Dit is een eenvoudige manier om financiële activiteiten te belasten maar het grootste verschil met een BFT is dat een BFA alle activiteiten zou belasten ongeacht of het om kortetermijn- dan wel langetermijntransacties zou gaan. Het is gewoon een middel om de banksector belastinginkomsten te laten genereren.

4.2.6   Zelfs in geval van een uniform belastingtarief zou de BFT progressief zijn, daar klanten van financiële instellingen, alsook de instellingen zelf, als zij voor eigen rekening handelen, de meest welvarende groepen van de samenleving vertegenwoordigen. Hoewel het van belang is na te gaan hoe een BFT een zo doeltreffend mogelijk instrument voor de financiële sector zou kunnen zijn, moet ook rekening worden gehouden met het effect van de belasting. In het werkdocument van de Commissiediensten (18) staat dat vaak wordt vastgesteld dat innovatieve bronnen het voordeel hebben dat zij politiek makkelijker aanvaardbaar zijn, met name wanneer de belasting wordt opgelegd aan groepen of sectoren die naar wordt aangenomen geen billijk deel van de belastingdruk dragen.

4.2.7   Het Europees Parlement heeft de Commissie verzocht „voldoende vóór de volgende G20-top, een beoordeling uit te voeren van de gevolgen van een mondiale belasting op financiële transacties, met een analyse van de voordelen en nadelen ervan” (19). Zo ook zijn er volgens het EESC tal van technische aspecten van een BFT die moeten worden onderzocht. Het werkdocument van de diensten van de Commissie (20) sluit niet volledig aan bij de voorstellen van het Europees Parlement. Het EESC attendeert daarom op de behoefte aan een volledige effectbeoordeling in combinatie met een formeel voorstel voor een BFT.

5.   Opzet

5.1   Toepassingsgebied

5.1.1   De belasting mag niet alleen voor internationale transacties maar moet voor alle financiële transacties gelden. Ook al is hier sprake van „alle transacties”, toch worden er bij de meeste berekeningen beperkingen gehanteerd, wat zowel het type transacties als de te belasten waarde van de transactie betreft. In de CEPR/PERI-studie worden verschillende belastinggrondslagen onderzocht. In de WIFO-studie wordt gekozen voor een allesomvattend alternatief.

5.1.2   Het criterium voor de keuze van de te belasten transacties moet zijn dat eerst en vooral moet worden gekeken naar de transacties op de kortste termijn. Een ander mogelijk uitgangspunt is het toepassingsgebied, dat zo ruim mogelijk moet zijn. Een derde optie hangt samen met de vraag is of de belasting gericht moet zijn op de nationale markten of ook de internationale transacties moet omvatten.

5.1.3   Als zowel nationale en buitenlandse transacties in acht worden genomen, geldt de belasting voor alle financiële transacties. De wens om de reële economie niet te verstoren zou een argument kunnen zijn om contante transacties uit te sluiten.

5.1.4   Als niet alle transacties in acht worden genomen, zal dit gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van de verschillende transacties. Dergelijke gevolgen zijn welkom als ze speculatieve kortetermijntransacties zwaarder belasten dan niet-speculatieve langetermijntransacties. Dat zal ook het geval zijn, want, hoe frequenter de transacties zijn, des te harder ze door de belasting worden getroffen.

5.1.5   Tegen het gebruik van de nominale waarde van een financiële transactie als basis voor een BFT is de kritiek geformuleerd dat het daarbij om een vrijwel fictieve grondslag zou gaan. Het geld dat de financiële instellingen werkelijk ontvangen bij de handel in derivaten, de provisie, de premie of hetgeen voor de consument een kost vertegenwoordigt, kan worden belast als alternatief voor een BFT. Het EESC is van mening dat de ontwikkeling van financiële transacties op basis van nominale waarden ten opzichte van het bbp niettemin een nuttige maatregel is om de veranderingen van de op de financiële markt verhandelde volumes in de tijd weer te geven.

5.2   Toepassingsgebied in geografische zin

5.2.1   Moet de BFT nationaal, regionaal (EU) of wereldwijd gelden? Zonder enige twijfel gaat de voorkeur uit naar een wereldwijde belasting. Indien dit niet haalbaar is, moet zeker worden gepleit voor een Europese belasting. Maar er zijn ook voorbeelden die aantonen dat zelfs een nationale belasting een optie is, met name voor landen met een belangrijke financiële sector. Er kan worden verwacht dat dit verregaande gevolgen zal hebben voor de plek waar de handel plaatsvindt. Uit de ervaring blijkt evenwel dat dit geen problemen oplevert (21).

5.2.2   De invoering van een belasting op activa vermindert altijd de waarde van de activa maar heeft zij gevolgen voor de plek waar de handel plaatsvindt? In een studie is berekend dat het Britse zegelrecht van 0,5 % dat wordt geheven op effecten en sommige obligaties, de omzet met 20 % heeft verminderd; er kan daarom niet worden beweerd dat dit de activiteiten uit Londen heeft verjaagd (22).

5.3   Belastingtarief

5.3.1   Voor de belasting zijn verschillende tarieven tussen 0,1 en 0,01 % voorgesteld. Het frequentst wordt evenwel 0,05 % voorgesteld. In een mondiaal stelsel bevelen we een BFT aan met dit laatstgenoemde tarief. Dit tarief is zo laag dat de belasting kan worden ingevoerd zonder het risico te lopen dat de gevolgen voor de kortetermijntransacties zo groot zouden zijn dat zij de werking van de financiële markt zouden verstoren. Indien een BFT alleen in Europa wordt ingevoerd, dient een lager tarief in overweging te worden genomen.

5.3.2   Als het gedrag van de financiële sector verandert zodat hij zich meer gaat richten op basisactiviteiten op lange termijn en er tegelijkertijd meer publieke inkomsten worden gegenereerd, is er in het geval van de BFT sprake van een zogenaamd dubbel dividend. Het is evenwel ook duidelijk dat hoe hoger het tarief, des te groter het effect op het verhandelde volume kortetermijntransacties en vandaar ook: hoe kleiner het verhandelde volume, des te lager de opbrengsten. Daarom moet een belastingtarief worden gekozen waarmee een evenwicht wordt bereikt tussen de twee doelstellingen van het BFT: het veranderen van het gedrag en het genereren van belastinginkomsten.

5.3.3   Alle voorbeelden van tot dusver toegepaste belastingen of heffingen golden steeds voor een beperkt aantal en niet alle financiële transacties. Als de belasting op alle transacties wordt geheven, zijn de gevolgen niet nauwkeurig van te voren bekend. Het belastingtarief moet daarom bv. na drie jaar worden herbekeken om te zien of het moet worden verhoogd of verlaagd.

5.4   Haalbaarheid

5.4.1   Een andere vraag is hoe makkelijk een belasting van dit soort kan worden geïnd. De meeste transacties waarvoor de belasting wordt voorgesteld, zijn reeds geïnformatiseerd. Dit betekent dat de invoering van deze belasting in theorie geen administratieve, technische of economische kosten met zich zal meebrengen. Uiteraard moet een specifiek computerprogramma worden ontwikkeld. Er zijn reeds een aantal proeven uitgevoerd.

5.4.2   Er moet worden nagegaan of er innovatieve financiële producten bestaan die niet belast worden of bewust worden gecreëerd om belasting te vermijden. Deze moeten dan in de belastinggrondslag worden meegenomen.

5.4.3   Een geïnformatiseerde markt voor OTC-transacties (buiten beurs) is er nog niet. Deze kwestie zal binnenkort in de Europese wetgeving worden behandeld. Uit de behoefte om de OTC-markt in de georganiseerde handel op te nemen blijkt dat regulering en belastingen als BFT elkaar aanvullen en geen alternatieven voor elkaar zijn.

6.   Effecten

6.1   Beperking van financiële kortetermijntransacties

6.1.1   Er zijn geen nauwkeurige ramingen voorhanden van de invloed van een BFT op de kortetermijnhandel. Er kunnen alleen een aantal veronderstellingen worden gemaakt. Dit is een reëel probleem voor de bespreking van een BFT. Ten aanzien van de hoofddoelstelling, nl. de reductie van de financiële kortetermijnhandel, zijn er geen statistieken beschikbaar. De beschikbare statistische ramingen betreffen alleen de mogelijke belastingopbrengsten.

6.1.2   Een van de gevolgen van een BFT is dat het de liquide middelen in de praktijk beperkt. Wat is evenwel een optimaal bedrag aan liquide middelen? Hebben de economieën in 2007, toen de liquiditeit extreem hoog was, beter gepresteerd dan in 1990 of 2000? Komt liquiditeit overeen met het totale aantal financiële transacties? Het antwoord is neen als verschillende van die transacties gebaseerd zijn op dezelfde effecten; het totale aantal transacties maakt dan ook geen bijzonder goede raming van de reële liquiditeit mogelijk. Om terug te komen op de belangrijkste rol van de financiële sector, nl. als financieel bemiddelaar, lijkt het zaak de liquiditeit af te stemmen op het bbp-niveau. Zonder precies aan te geven in welke mate de liquiditeit moet worden beperkt, is het duidelijk dat het een reductie betreft ten opzichte van het niveau van 2007.

6.1.3   Daar een BFT de meest frequente transacties het zwaarst zal treffen is niet alleen een reductie van het aantal transacties geboden maar ook een onderscheid tussen langetermijn- en kortetermijntransacties. Tegen een BFT pleit het feit dat deze belasting de ondoorzichtigheid van de financiële markt nog zou kunnen verhogen daar kortetermijntransacties minder frequent zouden zijn. Gezien het huidige niveau van dergelijke kortetermijntransacties zou zelfs een fikse beperking niet alle dagelijkse transacties tenietdoen. Er kan moeilijk worden beweerd dat de financiële sector op dit punt ondoorzichtig was in bv. het jaar 2000.

6.1.3.1   Zoals in de WIFO-studie is aangegeven, heeft het toegenomen gebruik van derivaten geleid tot een buitensporige verhoging van zowel korte- als langetermijnprijzen. Tegen deze achtergrond zou een beperkt gebruik van derivaten de volatiliteit van de prijzen op de financiële markt kunnen drukken (en niet het tegenovergestelde zoals soms wordt beweerd).

6.1.3.2   De financiële handel is nagenoeg gelijk verdeeld tussen banken en andere financiële instellingen. Voor de verdeling tussen korte- en langetermijntransacties zijn geen cijfers voorhanden.

6.2   Bedrag aan overheidsinkomsten

6.2.1   In de WIFO-studie wordt ervan uitgegaan dat het volume van belaste transacties met 65 % zal verminderen bij een belastingtarief van 0,05 %. Geraamd wordt dat een lager tarief een kleinere reductie en een hoger tarief een grotere reductie van transacties met zich zal meebrengen.

6.2.1.1   Een BFT die alleen op het VK wordt toegepast, zou volgens deze studie belastingopbrengsten ten belope van nagenoeg 7 % van het bbp van het VK opleveren. In Duitsland, na het VK de EU-lidstaat met het grootste aandeel dergelijke transacties, zou dit cijfer iets meer dan 1 % van het bbp bedragen. Indien de belasting in heel Europa wordt toegepast, zouden de inkomsten tot ca. 1,5 % van het bbp belopen; het merendeel zou daarbij van de Britse financiële markt komen. Als de toepassing wereldwijd zou gebeuren, zouden de belastingopbrengsten tot ca. 1,2 % van het mondiale bbp klimmen.

6.2.2   In de CEPR/PERI-studie schommelen de ramingen over de mate waarin de handel zou worden beperkt tussen 25 en 50 %. Om een vergelijking met de cijfers van de WIFO-studie mogelijk te maken, worden alleen de cijfers m.b.t. een reductie van de belastinggrondslag met 50 % in aanmerking genomen. In deze studie worden cijfers voor verschillende soorten verhandelde effecten vermeld. De cijfers in VS-dollars in de studie zijn omgezet in aandeel van het bbp van de VS.

Aandelen en effecten 0,75 %

Obligaties 0,18 %

Opties 0,03 %

Contante wisseltransacties 0,05 %

Futures 0,05 %

Swaps 0,16 %

TOTAAL 1,23 %

6.2.3   De resultaten van de twee studies lopen vrijwel gelijk voor Europa en de VS. Uit de CEPR/PERI-studie blijkt ook dat contante transacties een zeer klein deel van de totale transacties uitmaken.

Brussel, 15 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Gegevens van de Bank for International Settlements (BIS).

(2)  Rapport van de groep-de Larosière - PB C 318/11 van 23 december 2009, blz. 57.

(3)  Een wereldwijde financiële dienstverlener.

(4)  Stephan Schulmeister, A General Financial Transaction Tax, WIFO Working Papers 344/2009.

(5)  Bank for International Settlements (BIS); in: Davas/ von Weizsäcker, Financial Transaction Tax: Small is Beautiful, 2010.

(6)  Ibid. voetnoot 5.

(7)  H.W. Sinn bij een presentatie van het Economisch verslag voor 2010 van de EEAG-groep, 23.2.2010, Brussel.

(8)  Helene Schubert, Nationale Bank van Oostenrijk.

(9)  Rapport van de groep-de Larosière - PB C 318/11 van 23 december 2009, blz. 57.

(10)  Macro- en microprudentieel toezicht – PB C 277/25 van 17 november 2009, blz. 117.

(11)  Ratingbureaus – PB C 277/25 van 17 november 2009, blz. 117

„Prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten” en „De transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.” PB C …

(12)  Tobin, James: A Proposal for International Monetary Reform, 1978.

(13)  Conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010: „De EU moet het voortouw nemen voor een mondiale aanpak met het oog op het invoeren van regelingen voor heffingen en belastingen op financiële instellingen die wereldwijd gelijke spelregels garanderen, en zij zal dit standpunt krachtig bij haar G20-partners verdedigen. De invoering van een mondiale belasting op financiële transacties moet in dat verband nader worden bestudeerd en ontwikkeld.”.

(14)  Stephan Schulmeister, A General Financial Transaction Tax, WIFO Working papers 344/2009.

(15)  Baker, Pollin, McArthur, Sherman: The Potential Revenue from Financial Transactions Taxes. CEPR/PERI, december 2009.

(16)  Ibid. voetnoot 14.

(17)  IMF, „A fair and substantial contribution by the financial sector”. Tussentijds verslag voor de G-20.

(18)  SEC(2010) 409 final - werkdocument van de diensten van de Commissie: Innovative financing at a global level.

(19)  PE432.992v01-00 - ontwerpresolutie.

(20)  SEC(2010) 409 final.

(21)  Heffingen van hetzelfde soort bestaan in Zuid-Korea, Hong Kong, Australië, Taiwan en India; vergelijkbare belastingen zijn er ook in België, Argentinië en Brazilië.

(22)  The Institute for Fiscal Studies 2002: Stamp duty on share transactions: is there a case for change? Commentary 89.


BIJLAGE

bij het Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende wijzigingsvoorstellen, waarvoor ten minste een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden tijdens de beraadslagingen verworpen:

Paragraaf 1.10 – Wijzigingsvoorstel 1, ingediend door de heer Sartorius

Als volgt te wijzigen:

„1.10

De tweede doelstelling van een BFT is overheidsgeld te genereren. Deze nieuwe bron van inkomsten zou kunnen worden gebruikt . In geval wordt er ook van uitgegaan dat de financiële sector overheidssteun terugbetaalt. Op lange termijn zou de opbrengst van de belasting een nieuwe algemene bron van overheidsinkomsten moeten worden.”

Motivering

In sommige lidstaten zijn geen publieke middelen gebruikt om banken te redden; banken vormden er dus geen last voor de overheidsfinanciën. Dat neemt niet weg dat het beter is om toekomstige crises te voorkomen. Vanzelfsprekend dienen financiële instellingen bij te dragen tot dit fonds, dat uitsluitend zou moeten worden gebruikt om te waarborgen dat faillissementen van insolvabele instellingen ordentelijk worden afgewikkeld en niet het gehele financiële stelsel in gevaar brengen.

Paragraaf 4.2 – Wijzigingsvoorstel 2, ingediend door de heer Sartorius

Eerste drie zinnen te schrappen en te vervangen door de volgende nieuwe formulering die is voorgesteld m.b.t. par. 1.10:

„4.2

. Overeenkomstig de recente politieke discussies binnen de EU zouden de opbrengsten waarschijnlijk een bron van overheidsinkomsten worden.”

Motivering

Zie de motivering bij het wijzigingsvoorstel m.b.t. par. 1.10.

Paragraaf 4.2.3 – Wijzigingsvoorstel 5, ingediend door de heer Sartorius

Als volgt aan te vullen:

„4.2.3

In de toekomst zou de BFT moeten worden beschouwd als een nieuwe bron van overheidsinkomsten. Daar financiële diensten van btw zijn vrijgesteld en de gebruikers van bankdiensten dus minder belasting betalen voor financiële dan voor de meeste andere diensten, en mede in het licht van de hoge winsten in de financiële sector, lijkt het bij uitstek verantwoord om de belastingen voor deze sector te verhogen.

Motivering

Algemeen is men er bij het beheer van overheidsfinanciën over eens dat als alleen maar wordt beoogd inkomsten te genereren, het niet verstandig is om transacties tussen bedrijven fiscaal te belasten, omdat dit negatieve gevolgen kan hebben. Het is beter om een belasting te heffen op het eindresultaat, want het belasten van transacties brengt een sneeuwbaleffect op gang en leidt tot hogere prijzen. Er bestaan efficiëntere middelen om inkomsten te genereren.

De drie bovenstaande wijzigingsvoorstellen worden samen in stemming gebracht.

Stemuitslag

Stemmen vóór

:

52

Stemmen tegen

:

91

Onthoudingen

:

9

Paragraaf 1.11 – Wijzigingsvoorstel 2, ingediend door de heer Sartorius

Laatste zin schrappen:

„1.11

De BFT zou progressief zijn, daar klanten van financiële instellingen, alsook de instellingen zelf, als zij voor eigen rekening handelen, de meest welvarende groepen van de samenleving vertegenwoordigen. .”

Motivering

Dit is een ongegronde bewering. De financiële sector draagt net zo goed als elke andere sector zijn steentje bij op belastinggebied. Met welke andere sectoren trekt de rapporteur een vergelijking? Kan hij cijfers aandragen om zijn stelling te staven?

Stemuitslag

Stemmen vóór

:

65

Stemmen tegen

:

102

Onthoudingen

:

10

Paragraaf 1.16 – Wijzigingsvoorstel 3, ingediend door de heer Sartorius

Na par. 1.16 een als volgt luidende nieuwe paragraaf in te voegen:

1.17

Motivering

Dit is de realiteit en moet in het advies zwart op wit worden gezegd. De belasting zal een negatief effect hebben op de financiering van de reële economie, juist nu deze een zeer moeilijke periode doormaakt.

Stemuitslag

Stemmen vóór

:

62

Stemmen tegen

:

116

Onthoudingen

:

4

Paragraaf 5.3.1 van het afdelingsadvies is gewijzigd n.a.v. het onderstaande door de voltallige vergadering goedgekeurde wijzigingsvoorstel. Minstens een kwart van de uitgebrachte stemmen was echter vóór behoud van de tekst van het afdelingsadvies:

Paragraaf 5.3.1 – Wijzigingsvoorstel 8, ingediend door de heer Nyberg

Als volgt wijzigen:

„5.3.1

Voor de belasting zijn verschillende tarieven tussen 0,1 en 0,01 % voorgesteld. Het frequentst wordt evenwel 0,05 % voorgesteld. bevelen een BFT aan met dit laatstgenoemde tarief. Dit tarief is zo laag dat de belasting kan worden ingevoerd zonder het risico te lopen dat de gevolgen voor de kortetermijntransacties zo groot zouden zijn dat zij de werking van de financiële markt zouden verstoren.

Stemuitslag

Stemmen vóór

:

102

Stemmen tegen

:

52

Onthoudingen

:

15.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/90


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De sociale dimensie van de interne markt” (initiatiefadvies)

2011/C 44/15

Rapporteur: de heer JANSON

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 juli 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De sociale dimensie van de interne markt.

De afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies hierover op 5 mei 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 143 stemmen vóór en 15 tegen, bij 19 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting

1.1   De sociale dimensie is een essentieel onderdeel van de interne markt en kent meerdere aspecten. In onderhavig advies wordt nader ingegaan op o.m. de economische en wettelijke aspecten. Door recente ontwikkelingen zijn er twijfels gerezen over het vermogen van de sociale dimensie om werknemers te beschermen. Zonder een sterke sociale dimensie en draagvlak onder de bevolking kan de interne markt niet goed functioneren.

1.2   Het EESC is ervan overtuigd dat de rol van de EU op sociaal gebied belangrijk is, omdat sociale problemen niet door de lidstaten alleen kunnen worden opgelost. Om voor politiek draagvlak, solidariteit en samenhang te zorgen zou de EU meer nadruk moeten leggen op sociale aspecten van haar beleid.

1.3   Door een aantal negatieve ontwikkelingen is onder meer de sociale dimensie onder druk komen te staan: de Europese economie is in decennia niet met zulke zware problemen geconfronteerd geweest. Financiële zeepbellen hadden vrij spel gekregen en van toezicht en of het traditionele inschatten van risico's was geen sprake meer. Hierdoor is de werkloosheid toegenomen en zal zowel de sociale situatie als de situatie op de arbeidsmarkten nog verder verslechteren. Werkgelegenheid dient daarom bovenaan de agenda van de EU te blijven staan. Om de socialezekerheidsstelsels te kunnen financieren zijn in Europa een duurzame groei, een hoog werkgelegenheidsniveau en een hoogwaardige arbeidsmarkt nodig.

1.4   De verzorgingsstaat is in de laatste tien jaar hervormd met als doel in de socialezekerheidsstelsels efficiëntere werkprikkels in te bouwen, teneinde de waarde van werk te verhogen en mensen weer aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Dit heeft er echter o.m. toe geleid dat de ongelijkheid is toegenomen, waardoor sociale problemen zijn verergerd. Werkgelegenheid en socialezekerheidsstelsels zijn van groot belang bij de bestrijding van armoede. Zonder uitkeringen zou de sociale impact van de crisis veel ernstiger zijn en de ongelijkheid veel sneller toenemen. De socialezekerheidsstelsels staan echter onder aanzienlijke druk doordat de toestand van de overheidsfinanciën in tal van lidstaten verslechtert, met een (potentiële) staatsschuldcrisis als gevolg. Mogelijke oplossingen voor dit probleem liggen in het opvoeren van duurzame economische bedrijvigheid, regulering van financiële markten en investeringen in onderzoek en onderwijs.

1.5   De interne markt is een terrein waarop zowel de sociale als de ondernemingsdimensie tot uitdrukking komt. Om tot bloei te komen moet er voor duurzame economische groei en banen worden gezorgd; daarmee worden er belastinginkomsten gecreëerd waarmee sociale uitkeringen worden betaald. Uit de werkloosheidscijfers en de begrotingsonevenwichtigheden blijkt dat er heel wat gedaan kan worden om de huidige situatie te verhelpen.

1.6   De wettelijke aspecten van de sociale dimensie zijn onderwerp geworden van discussie omdat arresten van het Europees Hof van Justitie (HvJ) in vier verschillende zaken (Viking, Laval, Rüffert en Luxemburg) vooral in politieke en academische kringen geleid hebben tot levendige discussies over het mogelijke gevaar dat sociale dumping om zich heen zal grijpen. Het Europees Parlement, academici en representatieve werknemersorganisaties (1) hebben laten weten niet gerust te zijn op deze arresten. Anderen zijn ervan overtuigd dat de arresten van het HvJ in deze zaken tot een beter functioneren van de interne markt zullen bijdragen.

1.7   Het EESC dringt daarom aan op het volgende:

 

Voor de korte termijn zou het EESC graag zien dat de richtlijn inzake de detachering van werknemers beter wordt uitgevoerd. Het stelt voor om na te gaan of er een „Europese sociale Interpol” kan worden opgericht, ter ondersteuning van de activiteiten van de arbeidsinspectiediensten in de lidstaten.

 

De Commissie zou de situatie in de EU moeten beoordelen in het licht van de recente uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM).

 

Het EESC steunt ook maatregelen van de Commissie die tot doel hebben om de sociale dialoog te intensiveren, zoals:

steun voor een hoogwaardiger sociale dialoog en voor een Europees mechanisme ter beslechting van geschillen en bemiddeling;

uitbouw van de macro-economische dialoog om een nieuwe financiële crisis te voorkomen;

bevordering van het Europees sociaal model in de internationale betrekkingen.

 

Op de middellange termijn pleit het EESC voor een initiatief van de Commissie waarmee de wettelijke verplichtingen van nationale overheden, bedrijven en werknemers bij de implementatie van de richtlijn inzake de detachering van werknemers worden verduidelijkt en ervoor wordt gezorgd dat de regels universeel toepasselijk zijn. Het EESC heeft met belangstelling kennisgenomen van het voorstel uit het verslag-Monti om het stakingsrecht uit te sluiten van het toepassingsgebied van de interne markt, en meent dat dit sommige van de problemen kan oplossen. Tegelijkertijd echter zou het mogelijk moeten zijn om de richtlijn inzake de detachering van werknemers zodanig te herzien dat het „werkplekbeginsel” consequent kan worden toegepast. Op die manier kan wettelijk worden geregeld dat werknemers die op dezelfde plaats hetzelfde werk doen ook dezelfde arbeidsvoorwaarden moeten genieten en hetzelfde loon dienen te krijgen.

 

Voor de lange termijn zou het streven van de EU moeten zijn om de sociale dimensie te versterken zodat de interne markt tot volle wasdom kan komen. Het Verdrag van Lissabon en het daaraan gehechte Handvest van de grondrechten hebben nog geen volledige impact gehad op het evenwicht tussen grondrechten en economische rechten. Versterking van de sociale dimensie vereist dat de grondrechten worden versterkt en dat eventuele restricties van de grondrechten, waaronder ook de sociale rechten vallen, zeer beperkt blijven. Om dit doel te verwezenlijken zou er een Verdragswijziging kunnen worden nagestreefd.

2.   De interne markt en de sociale dimensie

2.1   In 1987 bracht het EESC een advies (2) uit over de sociale aspecten van de interne markt, waarin het erop aandrong om een aantal met de arbeidsmarkt samenhangende sociale grondrechten in de Gemeenschap te garanderen. Het wilde er zo voor zorgen dat de interne markt, die toen net het licht had gezien, de concurrentieverhoudingen niet zou scheeftrekken en benadrukken dat de Gemeenschap ook sociale doelstellingen had. De sociale dimensie omvat Europese wetgeving en afspraken die moeten garanderen dat werknemers een aantal grondrechten genieten. Om de werkgelegenheid in de EU een impuls te geven vereist dit echter ook de nodige samenwerking.

2.2   Na dit advies bracht de Commissie een aantal documenten uit die de aanzet gaven tot een bredere en diepere kijk op de sociale dimensie van de interne markt (3). Zij schreef onder meer het volgende: „De sociale dimensie van de interne markt is een fundamentele component van de gehele opzet, want het is niet alleen zaak om de economische groei op te voeren en het externe concurrentievermogen van Europese ondernemingen te vergroten, maar ook om efficiënter gebruik te maken van alle beschikbare middelen en de voordelen van de interne markt eerlijk te spreiden”. (4)

2.3   In 1989 speelde het EESC een rol bij de totstandkoming van het Sociaal Handvest, dat sociale grondrechten voor werknemers bevat die niet in het gedrang mogen komen door eventuele concurrentiedruk of het streven naar een groter concurrentievermogen. Volgens het EESC betekent dit dat de uitoefening van dergelijke grondrechten niet aan enige – niet te rechtvaardigen – beperking onderhevig is.

2.4   In dit advies probeert het EESC een overzicht te geven van de belangrijkste ontwikkelingen die van invloed zijn geweest op de mogelijkheden om de sociale dimensie te realiseren. Het baseert zich hierbij op andere adviezen over de sociale dimensie die het in de loop van de laatste jaren heeft uitgebracht (5). Duidelijk is in ieder geval dat de interne markt in een sociale markteconomie niet goed kan functioneren zonder een sterke sociale dimensie en draagvlak onder de bevolking. Zo'n naar behoren functionerende interne markt biedt ondernemingen, werknemers, burgers en de economie in het algemeen talrijke belangrijke voordelen. Uit de preambules van de Verdragen blijkt echter dat de interne markt is opgezet als een instrument ten dienste van het welzijn van de burgers en niet als een doel op zich.

2.5   De sociale dimensie is zodoende om vier fundamentele redenen noodzakelijk:

het vrije verkeer van personen;

er zijn ondeelbare sociale rechten die elke samenleving dient te aanvaarden en onder alle omstandigheden te respecteren; zo zij gedacht aan het recht op collectieve actie, vrijheid van vakvereniging, collectieve onderhandelingen en andere rechten zoals omschreven in de belangrijkste ILO-verdragen en de internationale en Europese verdragen inzake sociale rechten en rechten van het individu;

om draagvlak voor politieke en economische projecten te creëren en de sociale cohesie te versterken moet de werking van de interne markt verbeterd worden en dienen de nadelige gevolgen ervan te worden afgezwakt;

sociaal beleid draagt ook in belangrijke mate bij aan een verbetering van het concurrentievermogen;

2.6   „Sociaal beleid” is een gedeelde bevoegdheid van het nationale en het Europese niveau. De meeste sociale bepalingen dienden de interne markt en hadden daarom vooral betrekking op de vrijheid van verkeer voor werknemers en de vrijheid van vestiging. Niettemin heeft de sociale dimensie terrein gewonnen. In latere verdragen is het stemmen bij meerderheid uitgebreid tot onderwerpen als de wetgeving inzake gelijke kansen, de voorlichting en raadpleging van werknemers en maatregelen ter begeleiding van werklozen. Er was (en is) echter geen wettelijke basis voor de behandeling van zaken als beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht of het recht tot uitsluiting, al hebben besluiten van het Hof van Justitie en de EU-wetgeving hier soms wel betrekking op. Met het Verdrag van Nice kreeg het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een formele status. Het Verdrag van Lissabon heeft dit handvest wettelijk bindend gemaakt, waardoor de rechten verder geformaliseerd zijn.

2.7   De lidstaten zijn als eersten verantwoordelijk voor het sociaal beleid. Wereldwijde of Europese ontwikkelingen kunnen echter sociale problemen met zich meebrengen voor de mensen in de lidstaten, en een gecoördineerde Europese aanpak is daarom geboden. De EU heeft dit bevoegdheidsdilemma op verschillende manieren benaderd. Zo heeft zij een reeks sociale minimumnormen ingevoerd. Daarnaast is er de open coördinatiemethode, die een betere en effectievere toepassing zou kunnen vinden als gebruik wordt gemaakt van de onlangs geïntroduceerde methode van de „gemeenschappelijke beginselen” en als het maatschappelijk middenveld wordt betrokken bij de uitwerking van en zelfs bij de onderhandelingen over de Lissabondoelstellingen op Europees niveau. (6)

2.8   Europa's sociale „acquis” mag opmerkelijk heten: sinds de oprichting van de Europese Unie hebben op dit gebied 70 richtlijnen en verordeningen het licht gezien. Het merendeel hiervan stamt van na 1985. Het EESC is ervan overtuigd dat voor de EU een belangrijke sociale rol is weggelegd. De lidstaten kunnen sociale problemen niet alleen oplossen. Om voor politiek draagvlak, solidariteit en samenhang te zorgen zou de EU, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, meer nadruk moeten leggen op de sociale aspecten van haar beleid.

3.   Huidige ontwikkelingen

3.1   Ontwikkeling van de economie

3.1.1   De Europese economie is in decennia niet met zulke zware problemen geconfronteerd geweest. Sinds de tweede helft van 2008 (7) heeft de wereld te maken met een economische vertraging die in de meeste landen veel ernstiger blijkt te zijn dan verwacht. Net nu de economieën na de bankencrisis weer enigszins beginnen op te leven, worden zij bedreigd door de staatsschuldcrisis en de strenge maatregelen die ter beteugeling daarvan worden uitgevaardigd.

3.1.2   Tot overmaat van ramp neemt de werkloosheid bovendien toe. Als gevolg van de financiële crisis en de eisen van kredietverleners wordt er gesnoeid in socialezekerheidsstelsels, pensioenen en sociale overdrachten. Hierdoor neemt de armoede toe en krijgen de kwetsbaarste groepen het nog moeilijker, waardoor ze in een vicieuze cirkel terechtkomen. Veel Europese ondernemingen ondervinden weliswaar de gevolgen van de crisis, maar proberen niettemin met behulp van arbeidsbureaus hun personeelsbestand op peil en aldus mensen aan het werk te houden.

3.1.3   De manier waarop de crisis plotseling uitbrak en snel om zich heen greep is een nieuw verschijnsel in de geglobaliseerde economie. De oorzaken waren divers. Een monetair en wisselkoersbeleid dat tot een buitensporige liquiditeit leidde; ontbrekende of ontoereikende regulering van bepaalde sectoren of actoren; het nastreven van onrealistisch hoge rendementen in combinatie met een tekortschietende evaluatie en besef van de risico's van de kant van marktpartijen en van toezichthoudende en regelgevende instanties; buitensporige hefboomeffecten; een ontoereikende coördinatie van macro-economisch beleid en structurele hervormingen die geen zoden aan de dijk zetten. (8)

3.1.4   Onontkoombaar dringt de vraag zich op of het economische raamwerk van de EU, met te weinig macro-economisch overleg, de crisis niet heeft verergerd. De gevolgen zijn: verzwakte automatische stabilisatoren, een kredietexplosie in plaats van echte lonen, dalende groeipercentages en een kleinere kans om financiële zeepbellen aan het licht te brengen. Het EESC is van mening dat de overdracht van private schuld (banken) naar publieke schuld (staat en burgers) de burger met een buitensporige last opzadelt, met name omdat de zorgelijke toestand van de overheidsfinanciën en de beperkingen van het groei- en stabiliteitspact de vraag opwerpen hoe de essentiële investeringen in de socialezekerheidsstelsels in de toekomst opgebracht moeten worden.

3.1.5   In de meest recente fase van de huidige crisis is aan het licht gekomen dat veel lidstaten hun begrotingstekort veel te hoog hebben laten oplopen. De maatregelen die nu nodig zijn om de overheidsfinanciën weer op orde te krijgen, zullen belastingstelsels en sociale beleidsmaatregelen en programma's enorm onder druk zetten.

3.1.6   Hoewel er haken en ogen aan zitten, denkt de Commissie in de bredere Europese context en mede met het oog op arbeidsbescherming ook aan nationale subsidies. Met name wat het midden- en kleinbedrijf en de overheidsfinanciering van banken betreft, heeft het mededingingsbeleid terecht ook het sociaaleconomische doel om te zorgen voor gelijke voorwaarden voor alle marktpartijen.

3.1.7   Zoals het EESC al eerder meldde (9), zien de economische beleidsmakers in dat er in aanvulling op de aanbodgeoriënteerde aanpak, waar men in het verleden op vertrouwde, nu ook anticyclische macro-economische maatregelen nodig zijn. Verder toonde het EESC zich ingenomen met het voornemen om de kwetsbaarste groepen van de samenleving beter te beschermen en om het economisch beleid efficiënter te coördineren. Het wees er echter wel op dat het economisch herstelprogramma van de EU nogal mager afsteekt bij de maatregelenpakketten waartoe elders in de wereld is besloten.

3.2   Ontwikkeling van de interne markt

3.2.1   In diverse adviezen heeft het EESC de oprichting en ontwikkeling van de interne markt toegejuicht. (10) Op de interne markt, die zich uitstrekt over alle lidstaten en de EER-landen, gelden overal dezelfde regels voor het verkeer van goederen, kapitaal, personen en diensten. Consumenten, bedrijven en werknemers trekken daar profijt van.

3.2.2   De Commissie heeft haar kijk op de toekomst van de interne markt onder woorden gebracht. (11) Daarbij wees zij erop dat de interne markt goed is voor consumenten en bedrijven, banen heeft helpen creëren en een impuls heeft gegeven aan groei, concurrentievermogen en innovatie. Volgens de Commissie is voor de toekomst vooral het volgende van belang:

de interne markt moet betere resultaten en tastbare voordelen opleveren voor consumenten en bedrijven en inspelen op hun verwachtingen en zorgen;

er moet een antwoord worden gevonden op de globalisering;

van kennis en innovatie moet een „vijfde vrijheid” worden gemaakt;

de interne markt moet een sociale en milieudimensie omvatten; de Commissie belooft in dit verband haar effectbeoordelingen te verbeteren, zodat ze veranderingen van de markt beter kan zien aankomen.

De ernstigste tekortkoming van de interne markt is dat deze niet in staat is geweest om de werkgelegenheid en de bedrijvigheid te stimuleren door het aantrekken van buitenlandse investeringen. Het is met name niet gelukt om technologie en onderzoek tot bloei te laten komen teneinde de basis te leggen voor een economische transitie. Als deze tekortkoming niet gecorrigeerd kan worden, zal Europa op een zijspoor in de wereldeconomie terechtkomen.

3.2.3   Er moet een beter evenwicht komen tussen sociale ontwikkeling, een gunstig economisch klimaat en milieubescherming. Dit is cruciaal voor een goede werking van de interne markt en de bevordering van duurzame ontwikkeling op lange termijn. Hoe verder de integratie van de interne markt vordert, hoe beter moet worden tegemoetgekomen aan de doelstelling van de Verdragen om het welzijn van de burgers te verzekeren en hoe beter dus de sociale bescherming dient te zijn die wordt geboden. Gezien de huidige situatie – 27 arbeidsmarkten met elk hun eigen traditie qua wetten en regels – moet de EU ervoor zorgen dat systemen die al functioneren niet ondermijnd worden door regels voor interne mobiliteit. Uit voorzorg moet erop worden toegezien dat de concurrentie tussen de lidstaten leidt tot innovatie en geen averechtse of destructieve gevolgen heeft (12).

3.2.4   Verder zal Europa na de crisis te maken krijgen met een golf aan bedrijfsherstructureringen. Het ontbreekt de EU momenteel aan een gemeenschappelijke strategische visie op de vraag hoe de negatieve gevolgen van dergelijke herstructureringen moeten worden bestreden en de gelegenheid kan worden benut om de concurrentiepositie van de Europese economie in de mondiale economie te versterken. Ter bescherming van alle werknemers in kwestie zou de Commissie daarom samen met de sociale partners een Europees standpunt moeten uitwerken. In dit verband is het EESC ingenomen met het initiatief van de Europese sociale partners om een studie naar herstructurering in de EU te verrichten en een „routekaart” op te stellen voor bedrijven die effectief bij het herstructureringsproces betrokken willen worden.

3.2.5   Als Europa op de langere termijn concurrerend wil blijven, zo heeft het EESC in een eerder advies (13) uiteengezet, moet de interne markt zorg dragen voor een duurzame en toekomstgerichte ontwikkeling, wat betekent dat ook aandacht wordt geschonken aan de milieudimensie. Het ultieme doel is om de interne markt aanzienlijk beter te laten functioneren in een sociale markteconomie en ervoor te zorgen dat de sociale grondrechten gerespecteerd worden. Het EESC heeft ook benadrukt dat er, indien nodig en passend, zo snel mogelijk speciale maatregelen moeten worden genomen om werknemers te beschermen, aangezien economische vrijheden en mededingingsregels niet mogen prevaleren boven de sociale grondrechten. (14) Tegelijkertijd is het zaak om het scheppen van banen te stimuleren, ondernemerschap te promoten en de economieën van de lidstaten duurzaam en gezond te maken.

3.2.6   Voor een goede werking van de interne markt is het ook zaak om diensten van algemeen belang, die tijdens de huidige economische crisis een belangrijke rol als economische stabilisatoren hebben gespeeld, meer aandacht en een grotere rechtszekerheid te geven en de internationale dimensie uit te bouwen. Op internationale fora moeten we ons sociaal model als een groeifactor in het licht stellen en duidelijk optreden als een actief orgaan dat opkomt voor de belangen van werkgevers en werknemers en dat de globalisering in een strakker kader wil plaatsen. Bij het sluiten van internationale (handels)overeenkomsten zou Europa zich sterk moeten maken voor eerlijke handel en een eerlijk verlopende globalisering.

3.2.7   Een goede mobiliteit in Europa dient een prioriteit van de EU te blijven. In dit verband heeft het EESC de landen die nog steeds overgangsregelingen voor het vrije verkeer van personen toepassen verzocht de procedures die uit de Verdragen voortvloeien te volgen en dergelijke regelingen af te bouwen. (15)

3.3   Ontwikkeling van socialezekerheidsstelsels

3.3.1   Hoewel de economie zich enigszins herstelt, zullen de werkgelegenheid en de sociale omstandigheden verder verslechteren, in het bijzonder in het licht van de huidige maatregelen om de staatsschuldcrisis op te lossen. De Commissie meldt dat de werkloosheid volgens voorspellingen zal stijgen tot een niveau dat decennialang niet gehaald is. (16)

3.3.2   De lidstaten hebben met succes maatregelen genomen om de werkgelegenheid op peil te houden. Zo hebben zij investeringsstimulansen gegeven, voorwaarden voor collectieve onderhandelingen gecreëerd en met geld uit overheidsregelingen voor de aanpak van de werkloosheid specifieke maatregelen voor de arbeidsmarkt getroffen. Sommige lidstaten leunden zwaar op „interne flexibiliteit”, bijvoorbeeld met programma's waarbij een vermindering van het aantal arbeidsuren wordt gecombineerd met het volgen van een opleiding. Mede door het ontbreken van dergelijke regelingen hebben in sommige landen massaontslagen plaatsgevonden. (17)

3.3.3   Werkgelegenheid dient daarom bovenaan de agenda van de EU te staan. Europa heeft een hoge werkgelegenheidsgraad in combinatie met een hoogwaardige arbeidsmarkt nodig. Hoogwaardige banen vereisen hoogwaardig ondernemerschap en investeringen in de particuliere en openbare sector om de internationale concurrentie het hoofd te kunnen bieden. Een voorwaarde voor de financiering van socialezekerheidsstelsels is dat de Europese arbeidsmarkt zoveel mogelijk werknemers kan opnemen. In zijn streven naar volledige werkgelegenheid vindt Europa nog altijd obstakels op zijn weg. Om de werkgelegenheid in Europa op een hoog peil te houden is de aandacht inmiddels verlegd naar flexicurity, inzetbaarheid, hogere productiviteit en onderwijs en opleiding, zaken die arbeidsmarkten effectiever kunnen maken. Maar de hoogste prioriteit moet uitgaan naar maatregelen die het scheppen van banen en het oprichten van bedrijven ten goede komen en naar maatregelen die bevorderen dat er duurzame buitenlandse investeringen worden aangetrokken.

3.3.4   De verzorgingsstaat is in de laatste tien jaar hervormd met als doel in de socialezekerheidsstelsels efficiëntere werkprikkels in te bouwen, overeenkomstig een op de aanbodzijde gerichte filosofie, met verlaging van uitkeringen en strengere criteria om hiervoor in aanmerking te komen. Dergelijke maatregelen worden geacht de werkloosheid terug te dringen. Socialezekerheidsstelsels moeten een tweeledig doel dienen: mensen weer aan een baan helpen en hun tegelijkertijd inkomenssteun bieden zolang ze werkloos zijn.

3.3.5   Of dergelijke maatregelen werken is maar de vraag. De ongelijkheid is in de afgelopen twintig jaar toegenomen. Socialezekerheidsstelsels zijn van groot belang bij de bestrijding van armoede. Zonder uitkeringen zou de sociale impact van de crisis veel ernstiger zijn en de ongelijkheid veel sneller toenemen. Het gevaar bestaat dat de huidige crisis een rem zet op de toenemende werkgelegenheid en op de positieve ontwikkeling van de grensoverschrijdende sociale samenhang, terwijl een al oude tendens in Europa, namelijk de groeiende inkomensongelijkheid binnen de afzonderlijke lidstaten, erdoor wordt verscherpt. (18)

3.3.6   De crisisbestrijdingsmaatregelen die vele landen hebben getroffen, hebben positieve resultaten opgeleverd. Anderzijds wijst de Commissie erop dat werklozen in tal van landen geen inkomenssteun krijgen. (19) In sommige gevallen vormen de desbetreffende stelsels geen veiligheidsnet waar iedereen van op aan kan en het is bovendien zo dat de uitkeringen niet terechtkomen bij degenen die er het meest behoefte aan hebben. De kwaliteit én de duurzaamheid van deze stelsels staan op het spel. (20) Als gevolg van de economische crisis en de demografische ontwikkelingen is het gevaar dat socialezekerheidsstelsels een andere functie krijgen, waarbij ze niet langer dienen om de levensstandaard te beschermen, maar simpelweg om deze op een minimumpeil te houden. Dit is met name het geval in sommige lidstaten waar de uitkeringen de belastinginkomsten nu reeds te boven gaan. Terwijl het productiviteitspeil in de EU-landen blijft stijgen, neemt ook de armoede steeds meer toe. De vraag dient dan ook te worden gesteld waarom het kennelijk niet mogelijk is aan de meest elementaire behoeften van de burgers te voldoen en hun degelijk werk te verschaffen. Eén oplossing op lange termijn ligt in de groei van de economie in de publieke en particuliere sector, aangezwengeld door de ontwikkeling van concurrerende ondernemingen.

3.3.7   Het vermogen van de EU om bescherming tegen risico's te bieden en economische groei gepaard te laten gaan met vooruitgang op sociaal gebied, zal echter alleen duurzaam haalbaar zijn als de hervormingsinspanningen worden opgevoerd. Er moet gezamenlijk worden gewerkt aan hogere werkgelegenheidsniveaus, productiviteitsgroei, passende begrotingssystemen en betaalbare Europese sociale stelsels die adequate bescherming kunnen bieden.

3.4   Juridische ontwikkelingen

3.4.1   Naar aanleiding van arresten van het HvJ in vier verschillende zaken (Viking, Laval, Rüffert and Luxemburg (21)) zijn in politieke en academische kringen levendige debatten ontstaan en is de deels gefundeerde en deels ongefundeerde vrees voor sociale dumping toegenomen. De arresten hebben ook de aanzet gegeven tot activiteiten van de Europese instellingen en de sociale partners.

3.4.2   Zo nam het Europees Parlement in oktober 2008 een resolutie (22) aan waarin het erop wees dat de vrijheid om diensten te leveren niet superieur is aan de grondrechten zoals die zijn vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dan met name het recht om over collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en naleving ervan af te dwingen, en om collectieve acties te voeren. Verder meldde het Parlement dat de vigerende communautaire wetgeving mazen en inconsistenties heeft. De communautaire wetgever was daar niet op uit; deze streefde naar een eerlijk evenwicht van de vrijheid van dienstverlening en de bescherming van de rechten van werknemers.

3.4.3   De academische discussie (23) had een kritisch karakter. In juni 2009 spraken ruim honderd Europese arbeidsrechtadvocaten en academici in een open brief aan de staatshoofden en regeringsleiders hun zorg uit over het afnemende respect voor de sociale grondrechten en de impact van de recente arresten van het Hof van Justitie op de rechten van werknemers en van de organisaties die hen vertegenwoordigen. Ook wezen zij er bezorgd op dat de bescherming van de rechten van werknemers door deze arresten ernstig in het gedrang is geraakt. Ze benadrukten dat sociale grondrechten niet ondergeschikt mogen worden gemaakt aan de fundamentele vrijheden van de interne markt en de mededingingsregels, maar juist zonder reserves moeten worden erkend als essentiële voorwaarden voor een duurzame sociaaleconomische ontwikkeling van de Europese Unie.

3.4.4   Eind maart 2009 zetten de Europese sociale partners zich op verzoek van de Europese Commissie en het Franse voorzitterschap aan een gezamenlijke analyse van de arresten van het HvJ. Er werd een ad-hocgroep opgericht, die zich sindsdien vooral heeft beziggehouden met een aantal cruciale kwesties, zoals het verband tussen economische vrijheden en sociale rechten, de voor een beter vrij verkeer en een betere dienstverlening te verwijderen obstakels en in te voeren voorwaarden, transparantie en rechtszekerheid, en het respect dat moet worden opgebracht voor de uiteenlopende manieren waarop van lidstaat tot lidstaat de betrekkingen tussen werkgevers en werknemers zijn geregeld (24).

3.4.5   Met inachtneming van het prerogatief van het HvJ om bestaande regels te interpreteren, is het EESC van mening dat de arresten in een aantal opzichten een bron van zorg zijn en dat de doorwerking ervan geanalyseerd en uitgelegd dient te worden.

3.4.5.1   Hiërarchie van economische vrijheden en sociale grondrechten

In zijn arresten in de zaken Viking en Laval erkende het HvJ dat het recht om collectieve actie te voeren een grondrecht is en als zodanig deel uitmaakt van het Gemeenschapsrecht, waarbij het er wel op wees dat dit recht niet verheven is boven ander Gemeenschapsrecht, zoals de vrijheid van dienstverlening of de vrijheid van vestiging. Het oordeelde verder dat de vrijheid van dienstverlening en de vrijheid van vestiging, een horizontale rechtstreekse werking hebben. Volgens het HvJ is het noodzakelijk dat collectieve actie „een rechtmatig, met het Verdrag verenigbaar doel nastreeft en haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang […] In een dergelijk geval is bovendien vereist dat zij geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te verzekeren en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dit doel te bereiken” (25). Collectieve actie wordt dus veeleer in principe dan in werkelijkheid als een grondrecht erkend. In het verlengde hiervan achtte het HvJ collectieve actie een beperking van deze vrijheden en vroeg het zich af of zo'n beperking te rechtvaardigen is. Met andere woorden: collectieve actie wordt beoordeeld in het licht van de beperkende invloed die zij heeft op economische vrijheden. Academici wijzen erop dat het EHRM onlangs bij de behandeling van een aantal zaken de zaak van de andere kant heeft bekeken: het vroeg zich af welke beperkingen aanvaardbaar zijn als het om de grondrechten gaat. (26) De arresten van het HvJ doen mogelijke vragen rijzen omtrent discrepanties met uitspraken van het EHRM.

3.4.5.2   Beperking van grondrechten

Voor het eerst heeft het HvJ de grenzen aangegeven voor nationale collectieve acties in een transnationaal verband. Vooral de proportionaliteitstoets waar het HvJ mee komt is het EESC een doorn in het oog. Deze toets morrelt niet alleen aan het grondrecht om collectieve actie te voeren, maar is ook een inbreuk op het stakingsrecht. In het licht van de uitspraken en reacties van het EHRM onderstreept het EESC dat bij het vastleggen van de grenzen van economische vrijheden en sociale grondrechten ook toekomstige arresten (en die vragen die zij oproepen) een factor zullen zijn.

3.4.5.3   Richtlijn inzake de detachering van werknemers

De richtlijn inzake de detachering van werknemers is bedoeld om bij de coördinatie van nationale beleidsmaatregelen voor de tijdelijke grensoverschrijdende detachering met inachtneming van de nationale diversiteit voor de nodige harmonisatie te zorgen. Het HvJ concludeerde dat de problemen die zijn ontstaan, te wijten zijn aan de gebrekkige omzetting in nationale wetgeving van sommige bepalingen van de richtlijn inzake de detachering van werknemers (Laval), onverenigbare nationale wetgeving (Rüffert (27)) of een te ruime interpretatie van de richtlijn inzake de detachering van werknemers en onduidelijke en ongerechtvaardigde controlemaatregelen (Luxemburg).

Volgens het HvJ legt de richtlijn geen gelijke behandeling op, maar garandeert deze wel dat met betrekking tot gedetacheerde werknemers minimumeisen in acht worden genomen. Het is dus de facto een maximum- in plaats van een minimumrichtlijn. De HvJ-arresten vormen echter geen belemmering voor toepassing van gunstigere arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Met artikel 3, lid 7, van de richtlijn inzake de detachering van werknemers werd beoogd ervoor te waarborgen dat de toepassing van de minimumvoorschriften in de praktijk in het gastland niet leidt tot slechtere arbeidsomstandigheden dan die waarop de gedetacheerde werknemer recht had in het land van herkomst. Er is opgemerkt dat de arresten lidstaten voor een deel de mogelijkheid ontnemen om voor de bescherming van werknemers via wettelijke regelingen of cao's normen op te leggen die verder gaan dan de dwingende bepalingen voor minimale bescherming in de richtlijn.

Het gevolg hiervan zijn scheve concurrentieverhoudingen in de lidstaten en op de interne markt: nationale ondernemingen dienen zich aan de nationale regels of cao's te houden, terwijl voor concurrenten uit andere lidstaten slechts minimumregels gelden.

3.4.5.4   Strijdigheid van verschillende rechtsstelsels

Een andere consequentie van de HvJ-arresten is dat de EU-wetgeving strijdt met internationale regels (28). Ook kan gesteld worden dat de besluiten van het Hof op gespannen voet staan met ILO-Verdragen nr. 87 en 98, met artikel 6, lid 4, van het Europees Sociaal Handvest en de jurisprudentie van de betrokken instellingen, zoals dit door de toezichthoudende ILO-organen is vastgesteld (zaak BAPA tegen het VK).

4.   Conclusies

4.1   In de afgelopen jaren en door de huidige crisis is de sociale gelijkheid onder druk komen te staan. Met haar eigen besluiten heeft de EU het gevaar van scheve verhoudingen op sociaal en mededingingsgebied bovendien alleen maar vergroot. De economische, sociale en juridische ontwikkelingen bergen het risico in zich dat de sociale dimensie van de interne markt in de verdrukking raakt en de in het EESC-advies uit 1987 bepleite (sociale) grondrechten ondermijnd worden. De sociale dimensie van de interne markt dient daarom in de komende jaren alle aandacht te krijgen. Om de economische aspecten – werkgelegenheid, uitkeringsrechten, belastinginkomsten – te verbeteren, zal de EU echter iets moeten doen aan het onvermogen van de interne markt om de groei te stimuleren, en wel d.m.v. hoogwaardige arbeidsplaatsen en hoogwaardige ondernemingen en ondernemers.

4.2   Een van de belangrijkste aspecten van de sociale dimensie is de werkgelegenheid. Door de druk op de overheidsfinanciën kan de publieke sector geen oneindig aantal banen scheppen. Het bedrijfsleven dient wat dit betreft de kar te trekken. De lidstaten moeten een weer op de reële economie gerichte ontwikkeling op gang brengen waarbij consumenten banen creëren, bedrijven consumenten creëren en investeerders en ondernemers bedrijven creëren. Het is ook belangrijk om in te zien dat sociale investeringen goed zijn voor bedrijven en het ondernemingsklimaat. In dit verband is de sociale economie van onschatbare waarde.

4.3   Het EESC heeft een bijdrage geleverd aan de discussie over de aard van het Europese sociale model en de problemen waar de diverse sociale modellen mee worden geconfronteerd. (29) Het heeft er eerder op gewezen dat het Europees sociaal model zijn kracht ontleent aan de wijze waarop concurrentievermogen, solidariteit en wederzijds vertrouwen op elkaar hebben ingewerkt.

4.4   Teruggrijpen naar een beleid op basis van „meer natiestaat en minder Europa” zou een manier zijn om een eind te maken aan de gespannen verhouding tussen sociale rechten en de interne markt. Maar het tegenovergestelde is juist nodig: we hebben meer, maar ook een ander Europa nodig. Dat vereist echter een nieuwe regelgevingssysteem voor sociaaleconomisch beleid in Europa. Alleen met een volledig democratisch en sociaal Europa kan het gevaar worden bezworen dat Europeanen steeds meer vervreemd raken van het Europese integratieproces. Maar de EU moet ook de verschillende sociale stelsels in de lidstaten respecteren. Als de EU-wetgeving en de jurisprudentie voorbijgaan aan de diversiteit van de EU, zouden de minimumnormen wel eens zo laag kunnen worden dat sociale dumping in veel landen niet te voorkomen is.

4.5   Een belangrijk onderdeel van de Europese sociale dimensie is een geharmoniseerd en eerlijker fiscaal beleid op EU-niveau. De pogingen om tot een geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting te komen verdienen bijval, omdat schadelijke belastingconcurrentie daarmee wordt voorkomen. Zo'n geconsolideerde grondslag is op den duur noodzakelijk wil de interne markt naar behoren kunnen functioneren. (30) Het EESC heeft verder aangedrongen op een sterkere, EU-brede coördinatie van het fiscale beleid in de lidstaten, vooral op gebieden waar de belastinggrondslag mobiel is en de kans op belastingvlucht en fiscale concurrentie tussen de lidstaten het grootst is. (31) Belastingontwijking en -ontduiking, fraude en belastingparadijzen moeten stuk voor stuk worden aangepakt.

4.6   Bovendien boeten arbeidsmarkten aan flexibiliteit in als tot op zekere hoogte de mogelijkheid wegvalt om via cao's de omstandigheden op de arbeidsmarkt te regelen. Voor flexicurity zijn cao's en de sociale dialoog essentiële hulpmiddelen. (32)

5.   Hoe kan de sociale dimensie efficiënter gestalte krijgen?

5.1   Op de korte termijn zou de richtlijn inzake de detachering van werknemers beter moeten worden uitgevoerd. Het doel van de richtlijn – voorkomen van sociale dumping – kan alleen worden verwezenlijkt als er goed toezicht wordt gehouden op de uitvoering hiervan. Wil er sprake kunnen zijn van een effectieve controle van de loon- en arbeidsvoorwaarden van gedetacheerde werknemers, dan dient er voor een goede transnationale samenwerking van autoriteiten te worden gezorgd. Er zou een „Europese sociale Interpol” moeten komen die met de coördinatie van de activiteiten van de sociale inspectiediensten in de lidstaten wordt belast.

5.2   In zijn jurisprudentie over grondrechten betoogt het EHRM dat het verdrag „een levend instrument is […] zodat het recht kan doen aan de steeds hogere standaard die geldt voor de bescherming van mensenrechten. Inbreuken op de grondwaarden van democratische samenlevingen dienen daarom op een resolutere manier beoordeeld te worden en met beperkingen van deze rechten moet terughoudend worden omgesprongen”. (33) De Commissie zou de situatie in de EU moeten beoordelen in het licht van de recente uitspraken van het EHRM.

5.3   De inbreng van werknemers en hun vertegenwoordigers en vakbonden is cruciaal om ervoor te zorgen dat veranderingen in bedrijven op een sociaal aanvaardbare manier gestalte krijgen. (34) Het EESC heeft al diverse malen benadrukt dat de sociale dialoog en nauwere betrekkingen tussen werkgevers en werknemers op nationaal en Europees niveau van groot belang zijn, waarbij gerespecteerd dient te worden dat deze betrekkingen van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen. (35) Het EESC steunt alle maatregelen van de Commissie die tot doel hebben om de sociale dialoog te intensiveren, zoals:

steun voor een hoogwaardiger sociale dialoog en voor een Europees mechanisme ter beslechting van geschillen en bemiddeling;

uitbouw van de macro-economische dialoog om een nieuwe financiële crisis te voorkomen.

5.4   Op de middellange termijn pleit het EESC voor een initiatief van de Commissie waarmee de wettelijke verplichtingen van nationale overheden, bedrijven en werknemers bij de implementatie van de richtlijn inzake de detachering van werknemers worden verduidelijkt en ervoor wordt gezorgd dat de regels universeel toepasselijk zijn. In dit verband is het EESC ingenomen met de toezeggingen die Commissievoorzitter Barroso ten overstaan van het Europees Parlement heeft gedaan. Het EESC heeft met belangstelling kennisgenomen van het voorstel uit het verslag-Monti om het stakingsrecht uit te sluiten van het toepassingsgebied van de interne markt, en meent dat dit sommige van de problemen kan oplossen. Tegelijkertijd echter zou het mogelijk moeten zijn om de richtlijn inzake de detachering van werknemers zodanig te herzien dat het „werkplekbeginsel” consequent kan worden toegepast. Op die manier kan wettelijk worden geregeld dat werknemers die op dezelfde plaats hetzelfde werk doen ook dezelfde arbeidsvoorwaarden moeten genieten en hetzelfde loon dienen te krijgen.

5.5   Voor de langere termijn zou de EU ernaar moeten streven de sociale grondrechten kracht bij te zetten.

Het EESC heeft al vaak aangedrongen op een sterker Europees sociaal beleid, vooral gelet op de huidige crisis. De EU moet met haar beleid streven naar volledige werkgelegenheid, vermindering van inkomensverschillen, betere sociale voorwaarden, een sterkere verzorgingsstaat, afschaffing van in sociaal opzicht precaire arbeidsvoorwaarden en uitbreiding van werknemersrechten en van democratie binnen bedrijven. Het Verdrag van Lissabon en het daaraan gehechte Handvest van de grondrechten hebben nog geen volledige impact gehad op het evenwicht tussen grondrechten en economische rechten. Er moet worden afgewacht hoe dit zich zal ontwikkelen.

Versterking van de grondrechten, waaronder ook de sociale rechten vallen, vereist evenwel dat eventuele restricties beperkt blijven. Uitgangspunt moet zijn om eerst te kijken naar de grondrechten, en niet naar economische vrijheden, in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM. Om de sociale dimensie te versterken, zouden aanpassingen van de EU-wetgeving met rechtstreekse werking (primaire wetgeving) moeten worden nagestreefd.

Brussel, 14 juli 2010.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Het Europees Verbond van Vakverenigingen vertegenwoordigt 80 miljoen werknemers.

(2)  EESC-advies van 19.11.1987 over De sociale aspecten van de interne markt, rapporteur: de heer Beretta (PB C 356 van 31.12.1987, blz. 31-33).

(3)  Bijvoorbeeld Social Dimension of the Internal Market, werkdocument van de Commissie, SEC (88) 1148 final, 14.9.1988 en de Mededeling van de Commissie over haar actieprogramma tot uitvoering van het Gemeenschapshandvest van sociale grondrechten van de werkenden, COM(89) 568 final van 29.11.1989.

(4)  Social Dimension of the Internal Market, werkdocument van de Commissie, SEC (88) 1148 final, 14.9.1988.

(5)  EESC-adviezen:

 

van 6.7.2006 over Sociale samenhang: inhoud geven aan een Europees sociaal model, rapporteur: de heer Ehnmark (PB C 309 van 16.12.2006, blz. 119-125)

 

van 9.7.2008 over Een nieuw Europees sociaal actieprogramma, rapporteur: de heer Olsson (PB C 27 van 3.2.2009, blz. 99-107)

 

van 4.11.2009 over de Lissabonstrategie na 2010, rapporteur: de heer Greif (PB C 128 van 18.5.2010, blz. 3-9).

(6)  EESC-advies van 4.12.2008 over Adequate governance van de herziene Lissabonstrategie, algemeen rapporteur: mevrouw Florio (PB C 175 van 28.7.2009, blz. 13-19).

(7)  Europese Commissie, voorjaarsprognoses 2009.

(8)  EESC-advies van 15.1.09 over het Europees economisch herstelplan, rapporteur: de heer Delapina (PB C 182 van 4.8.2009, blz. 71-74).

(9)  Ibid.

(10)  EESC-advies over De impact van belemmeringen van wetgevende aard in de lidstaten op het concurrentievermogen van de EU, rapporteur: de heer Van Iersel (PB C 277 van 17.11.2009, blz. 6-14).

(11)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s - Een interne markt voor het Europa van de 21ste eeuw (COM(2007) 724 final).

(12)  Geïntegreerd verslag inzake de tenuitvoerlegging en de toekomst van de Lissabonstrategie voor de periode na 2010.

(13)  EESC-advies van 14.1.2009 over De sociale en milieudimensie van de interne markt, rapporteur: de heer Adamczyk (PB C 182 van 4.8.2009, blz. 1-7).

(14)  EESC-advies over De impact van belemmeringen van wetgevende aard in de lidstaten op het concurrentievermogen van de EU, rapporteur: de heer Van Iersel (PB C 277 van 17.11.2009, blz. 6-14).

(15)  EESC-advies van 25.3.2009 over Mobiliteit op de interne arbeidsmarkt: de resterende barrières in kaart gebracht, rapporteur: mevrouw Drbalová (PC C 228 van 22.9.2009, blz. 14-23).

(16)  Europese Commissie, voorjaarsprognoses 2009.

(17)  Plant-level responses to the economic crisis in Europe, Vera Glassner & Béla Galgóczi, WP 2009.01 ETUI.

(18)  Ook in de OESO-landen is deze tendens waar te nemen.

(19)  Rapport over de sociale situatie in de Europese Unie, 2008.

(20)  IRES 115.

(21)  Viking C-438/05, Laval C-341/05, Rüffert C-346/06, COM v LUX C-319/06.

(22)  Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2008 over de uitdagingen voor collectieve overeenkomsten in de EU (2008/2085(INI)).

(23)  http://www.etui.org/en/Headline-issues/Viking-Laval-Rueffert-Luxembourg/2-Articles-in-academic-literature-on-the-judgements

(24)  Verslag over het gezamenlijke werk van de Europese sociale partners m.b.t. de arresten van het HvJ in de zaken Viking, Laval, Rüffert en Luxemburg.

(25)  Viking C-338/05 (75).

(26)  EHRM, Demir en Baykara v. Turkije (nr. 34503/97)

(27)  In de zaak Rüffert oordeelde het Hof dat het concurrentievoordeel dat de uitbetaling van lagere lonen met zich meebrengt voortvloeit uit de vrijheid van dienstverlening en als zodanig verdedigbaar is.

(28)  Doordat het HvJ in de zaak Rüffert geen acht heeft geslagen op ILO-Verdrag nr. 94, is de EU-wetgeving in strijd geraakt met internationale regels.

(29)  EESC-advies van 6.7.2006 over Sociale samenhang: inhoud geven aan een Europees sociaal model, rapporteur: de heer Ehnmark (PB C 309 van 16.12.2006, blz. 119-125).

(30)  EESC-advies van 26.9.2007 over Coördinatie directebelastingstelsels lidstaten, rapporteur: de heer Nyberg (PB C 10 van 15.1.2008, blz. 113-117).

(31)  EESC-advies van 4.11.2009 over De Lissabonstrategie na 2010, algemeen rapporteur: de heer Greif (PB C 128 van 18.5.2010, blz. 3-9).

(32)  EESC-advies van 11.07.07 over Flexizekerheid (collectieve onderhandelingen en rol van de sociale dialoog), rapporteur: de heer Janson (PB C 256 van 27.10.2007, blz. 108-113).

(33)  EHRM, Demir en Baykara v. Turkije (nr. 34503/97).

(34)  EESC-advies van 29.9.2005 over De sociale dialoog bij veranderingen in het bedrijfsleven, rapporteur: de heer Zöhrer (PB C 24 van 30.1.2006, blz. 90-94).

(35)  EESC-advies van 11.7.2007 over Flexizekerheid (collectieve onderhandelingen en rol van de sociale dialoog), rapporteur: de heer Janson (PB C 256, 27.10.2007, blz. 108-113).


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/99


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Een Europees saneringsbeleid voor de sector van de rotatieoffset en de rotatiediepdruk in Europa” (initiatiefadvies)

2011/C 44/16

Rapporteur: de heer GENDRE

Corapporteur: de heer KONSTANTINOU

Het Europees Economisch en Sociaal Comité besloot op 16 juli 2009, overeenkomstig artikel 29 (2) van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Een Europees saneringsbeleid voor de sector van de rotatieoffset en de rotatiediepdruk in Europa.

De adviescommissie Industriële reconversie, die met de voorbereidende werkzaamheden terzake was belast, heeft haar advies op 1 juli 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli 2010) onderstaand advies uitgebracht, dat met 145 stemmen vóór en 2 tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De Europese grafische industrie staat voor enorme uitdagingen door de groei van internet als informatie- en reclamebron, het dalende aantal kranten- en tijdschriftenlezers en de harde concurrentie voor bepaalde producten uit de sector.

1.2   De rotatieoffset en rotatiediepdruk hebben het nog moeilijker: analisten schatten de productieovercapaciteit op 25 tot 30 %. Uit het verslag van de IFO Konjunkturtest over de Duitse grafische industrie blijkt dat de investeringen in de sector de marktendensen zijn gevolgd en dus sinds 2008 afnemen. 2006 en 2007 waren voor de grafische industrie vrij goede jaren (1) Sinds 2008 liggen de investeringscycli duidelijk lager, voornamelijk om de productiestroom te rationaliseren en te verbeteren.

1.3   Bij de overcapaciteit op de grafische markt komen nog andere concurrentiefactoren zoals de aantrekkingskracht van nieuwe media, invoer uit landen met lage productiekosten en de afnemende vraag. Deze ongunstige economische context heeft tot een daling van de prijzen geleid, met negatieve gevolgen voor de levensstandaard van de werknemers.

1.4   Bovendien is het door de economische crisis momenteel moeilijk om een lening te krijgen. Net als in heel wat andere sectoren moeten door deze negatieve tendensen de productiekosten absoluut omlaag. Deze toestand heeft de recente loononderhandelingen beïnvloed. Deze moeilijke context doet dan ook vrezen voor herstructureringen en massale ontslagen bij grafische bedrijven in het algemeen en bij de bedrijven in de meest kwetsbare marktsegmenten in het bijzonder.

1.5   De Europese Commissie publiceerde in 2007 de resultaten van een onderzoek naar het concurrentievermogen van de sector. Daar zijn voorstellen uit voortgevloeid voor een actieplan voor de grafische industrie. Het EESC steunt deze voorstellen, die langzamerhand in de bedrijven worden toegepast en relevant blijven. Het comité is verheugd over wat er inmiddels bereikt is, maar vindt nieuwe initiatieven nodig opdat de sector – met zijn moeilijkheden, nog versterkt door de crisis en de recessie die alle lidstaten van de EU treft – de uitdagingen op korte en middellange termijn het hoofd kan bieden.

1.6   Het EESC heeft kennis genomen van het bestaan van een nieuw gezamenlijk eenjarig project van vakbonden en werkgevers, waarmee de sociale partners richtsnoeren voor een sociaal verantwoorde herstructurering van de bedrijven willen vastleggen. Dit in 2009 gelanceerde project biedt werkgevers en vakbonden de mogelijkheid de problemen in de sector samen te analyseren en te overleggen over mogelijke oplossingen. De besprekingen zullen moeten leiden tot een actieplan om de overcapaciteit in de sector te verlagen.

1.7   Dat plan kan passen in het industriebeleid op langere termijn waarin ook wordt nagedacht over nieuwe activiteitenmodellen in de grafische industrie. De voortgang van deze inspanningen moet worden gevolgd door een groep op hoog niveau, met vertegenwoordigers uit de industrie, de werknemersvakbonden en deskundigen, samengesteld onder toezicht van de Europese Commissie. De groep moet aan de hand van een transparant systeem voor informatievergaring analyseren welke veranderingen er zullen komen en met welke instrumenten zij in goede banen kunnen worden geleid.

1.8   Momenteel bestaat de formele sociale dialoog tussen werkgevers en vakbonden enkel op ondernemingsvlak en op nationaal niveau. Het EESC vraagt de Commissie een comité voor Europese sociale dialoog voor de gehele sector op te richten.

1.9   De agenda voor een formele en gestructureerde Europese sociale dialoog kan het volgende omvatten:

1)

Bespreking van de verschillende maatregelen om banen te behouden via opleiding en omscholing in combinatie met arbeidstijdverkorting en aanpassing van de arbeidstijd, technische werkloosheid en het streven naar interne en externe mobiliteit, zowel binnen als buiten het bedrijf of het beroep.

2)

Bestudering van de inspanningen die nodig zijn om de productiecapaciteit aan te passen aan de markt zonder negatieve gevolgen voor de arbeidsomstandigheden.

3)

Gezamenlijke aanbeveling door de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers over de keuzes op het vlak van langetermijninvesteringen, met dien verstande dat de behoefte aan en grootte van nieuwe investeringen alleen door ieder bedrijf afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. Het in kaart brengen van de aspecten van een geschikte investeringsstrategie moet ervoor zorgen dat machines kunnen worden aangekocht ter vervanging van andere of om te voldoen aan de marktbehoeften, zodat bedrijven zijn uitgerust om efficiënt te werken binnen hun huidige of toekomstige afzetmogelijkheden.

4)

De noodzaak een diagnose op te stellen van de financiële situatie van de sector door de gepubliceerde gegevens te verzamelen en te consolideren zonder de vertrouwelijkheid van de strategische beslissingen die de bedrijven overwegen, te schaden. Dat is absoluut noodzakelijk om de bestaande manoeuvreerruimte beter te kunnen beoordelen.

5)

Het vaststellen van de beste praktijken op het vlak van werkomstandigheden, opleiding en omscholing, met naleving van de normen van het Europese sociale model en – waar zij bestaan – ook de collectieve overeenkomsten en akkoorden.

1.10   Het EESC vraagt de Commissie om de oprichting van een waarnemingscentrum of sectorraad voor de beroepen en competenties op Europees niveau, bedoeld om na te gaan welke behoeften de sector heeft of nog zal hebben en het opleidingsaanbod te helpen afstemmen op de vraag. Het waarnemingscentrum zou de permanente beroepsopleiding, de mobiliteit en de omscholing van werknemers stimuleren.

1.11   Het EESC stelt voor dat de bevoegde Europese verenigingen zeer binnenkort, met de financiële en logistieke steun van de Europese Commissie, een conferentie organiseren met alle betrokkenen, en met de Commissie zelf, om samen de stand van zaken op te maken en aldus na te gaan wat er op korte termijn te doen staat en een onafhankelijke studie over de nabije en verre toekomst van de sector te financieren. De sociale partners kunnen misschien de opdracht krijgen na te gaan welke maatregelen nodig zijn voor een duurzame werking van de markt en hoe het beroep zich kan ontwikkelen.

1.12   Er zou een analyse kunnen worden gemaakt van de rol van de brokers, om na te gaan hoe hun activiteit de prijsstelling beïnvloedt. Ook het gebruik van specialisatieovereenkomsten kan door de bedrijven worden bestudeerd zodat de productiecapaciteit doeltreffender kan worden gebruikt via schaalvoordelen en betere productietechnieken.

1.13   Het EESC roept de nationale en Europese overheden op om de sector een betere toegang te geven tot overheidsfinanciering via met name het Europees Sociaal Fonds, het EFRO en het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, voor het uitwerken van acties in verband met opleiding, omscholing en mobiliteit van werknemers in de grafische sector. Het Comité roept de ondernemingen op om na te gaan hoe de EIB de aanschaf van nieuwe technologieën voor nieuw te ontwikkelen activiteiten kan helpen financieren.

2.   Achtergrond

2.1   De ontwikkelingen van de grafische industrie in Europa hangen nauw samen met die van de leveranciers van papier, inkt en machines voor het drukken en met die van de opdrachtgevers, die zelf ook problemen hebben en zich organiseren om die te overwinnen, bijvoorbeeld door een concentratie door te voeren.

2.2   Deze moeilijkheden vloeien voort uit de structurele veranderingen (nog versterkt door de crisis) in de wereld van de communicatie, met de groei van internet waardoor de markt sterk verandert. De grote invloed van het internet is merkbaar in de hele waardeketen doordat reclamebudgetten dalen, waardoor de grafische media broodnodige inkomsten mislopen (een proces dat deels onomkeerbaar is) en de pluraliteit van informatie in het gedrang komt.

2.3   Voor bedrijven die actief zijn op gebieden waarin het niet uitmaakt wanneer een product op de markt komt (bepaalde categorieën boeken in het bijzonder), leiden de nieuwe transport- en communicatiemogelijkheden tot meer concurrentie van drukkers in India of China. Het lijkt erop dat brokers, die de laagste prijs nastreven, steeds meer geneigd zijn bestellingen bij Aziatische drukkers te plaatsen en zo een deflatie in de hand werken die schadelijk is voor het investeringsklimaat. Catalogi verschijnen ook steeds vaker online in plaats van op papier en deze ontwikkelingen hebben dan ook desastreuze gevolgen voor de Europese sector van de rotatiediepdruk en de rotatieoffset.

2.4   Volgens de meest recente cijfers van Eurostat telt de Europese grafische industrie 132 571 bedrijven en meer dan 853 672 werknemers (2), en hebben zeven landen (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, België, Nederland en Spanje) samen 80 % van het totale aantal werknemers in de sector in het Europa van de 25 in dienst. Meer dan 95 % van de Europese grafische ondernemingen heeft minder dan 50 personeelsleden of ongeveer 60 % van het totale aantal banen, terwijl minder dan 1 % meer dan 250 werknemers heeft, ongeveer 13 % van het totale aantal banen. Om een vollediger en duidelijker beeld van de sector te krijgen zijn meer gedetailleerde cijfers nodig, die momenteel niet bestaan.

2.5   Dit advies heeft in de eerste plaats betrekking op de rotatiediepdruk en de rotatieoffset vanwege het grote aantal „drukken” of publicaties, en niet zozeer op de problemen in de krantensector of in de sector van het drukken van verpakkingen, die toch als andere markten worden beschouwd. Heel wat kranten hebben namelijk hun eigen drukkerij en hebben dus slechts zijdelings te maken met deze specifieke sector. In de sector van de rotatieoffset en de rotatiediepdruk zijn er grafische ondernemingen die erg grote hoeveelheden producten produceren. Het gaat om aparte drukprocédés met elk hun eigen specifieke machines. Offset wordt gebruikt door grote ondernemingen met rotatieoffset en kleine ondernemingen met offsetvellen. De Europese sectoren van de offset en de rotatiediepdruk zijn samen goed voor 56 % van de totale klassieke drukkerijmarkt in Europa (3). De betrokken bedrijven produceren boeken, jaarboeken, catalogi en tijdschriften die meestal in erg grote oplagen worden gedrukt, tussen de 10 000 en de 300 000 exemplaren.

2.6   De helft van de productie zijn tijdschriften, de andere helft catalogi, reclamefolders en boeken. Voor de gehele productie wordt 5 miljoen ton papier gebruikt. De meeste tijdschriften en heel wat verpakkingen worden in Europa met rotatiediepdruk gedrukt. De sector van de rotatiediepdruk heeft een jaarlijkse capaciteit van meer dan 5 miljoen ton, waarvan 80 % geconcentreerd is in slechts 5 landen. In Europa staan er 222 van deze drukpersen.

2.7   Zowel in de rotatieoffset (ongeveer 30 bedrijven) als in de rotatiediepdruk (ongeveer 25 bedrijven) bestaan er in Europa voornamelijk grote bedrijven. Zij beconcurreren elkaar om hun eigen marktaandeel in een dalende markt te versterken. Inmiddels krijgt rotatiediepdruk ook meer concurrentie van web offset. De bedrijven staan onder steeds meer druk en de sociale partners moeten onderhandelen over herstructureringen, waarbij zij proberen het personeelsbestand, werkomstandigheden en lonen zoveel mogelijk op peil te houden.

3.   Motivering

3.1   De problemen van de Europese grafische industrie als geheel zijn nog nijpender voor de rotatieoffset en de rotatiediepdruk, die met zware structurele én conjuncturele problemen moesten afrekenen: grote veranderingen in de mediawereld met de groei van internet, waardoor de markt voor gedrukte producten slinkt, overcapaciteit en overinvestering, concentratie.

3.2   Algemene ontwikkeling van de mediawereld

3.2.1   Het volume van de producten zal de komende jaren blijven dalen doordat meer publicaties online verschijnen, door de reclame op internet en doordat deze ontwikkeling het gedrag van de lezers ook verandert.

De afgelopen vijf jaren daalde de productie van jaarboeken en catalogi. Deze productie is echter van levensbelang voor de Europese rotatieoffset en rotatiediepdruk. Als deze tendens doorzet zullen er nieuwe herstructureringen, fusies en sluitingen van sites komen, met het bijhorende extra banenverlies.

3.2.2   De afgelopen tien jaren heeft de Europese tijdschriftensector een neerwaartse trend gekend met dalende verkoopcijfers en prijzen (4). Behalve in Spanje en Italië, waar een lichte stijging valt te noteren, hebben volgens Intergraf de zes belangrijkste tijdschriftenproducerende landen tussen 2001 en 2004 een teruggang gekend. Uit recentere cijfers blijkt dat de Italiaanse en Spaanse markt nu krimpen. In 2009 daalden in Italië de investeringen in reclame voor tijdschriften met 28,7 % (Nielsen), terwijl de tijdschriftenproductie 10,5 % in gewicht daalde (Istat). Deze tendens houdt dus aan en zal ook blijven duren zolang de sector overcapaciteit heeft. Om beter te verkopen richten bedrijven zich op een meer gespecialiseerd publiek, waardoor de oplagen verkleinen. Dat heeft negatieve gevolgen voor de sector van rotatieoffset en rotatiediepdruk, die alleen dankzij heel grote oplagen kunnen besparen op de productiekosten.

3.2.3   De krantenuitgevers hebben hun aantal titels verlaagd omdat het aantal lezers afnam. Zo werden in 2008 in het Verenigd Koninkrijk maar liefst 53 titels – voornamelijk gratis dagbladen - geschrapt. Sommige groepen bieden gecombineerde abonnementen aan (papieren en digitale krant) om zo de complementariteit tussen beide informatie- en reclamevormen te verhogen. Mogelijk kan dit de neergang in de sector enigszins vertragen en de omscholing van bepaalde werknemers vergemakkelijken.

3.2.4   In Europa gaat meer dan de helft van de drukkosten naar papier. Aangezien bedrijven hun papier afzonderlijk aankopen hebben zij het moeilijk om de concurrentie aan te gaan met de groepsaankopen in landen in Zuidoost-Azië. In een recent rapport schat de Stationers' and Newspaper Makers' Company dat de vraag naar krantenpapier in 2020 met de helft (56 %) zal zijn gedaald. Datzelfde rapport vermeldt ook dat de vraag voor tijdschriften met een derde zal dalen omdat er meer online zal verschijnen en dit de reclamemarkt zal beïnvloeden, om nog maar te zwijgen van de gevolgen van digitale media voor de sector van de zakentijdschriften (5).

3.2.5   In het verleden hadden de grote uitgeverijen hun eigen drukkerijen. De afgelopen tien jaren hebben veel van hen die activa verkocht om zich op hun kernactiviteiten te concentreren. Uitgevers die nog een eigen drukkerij hebben, zijn intussen zeldzaam. Bovendien besteden zij hun drukwerk – soms via brokers – uit aan de drukker die de laagste prijs rekent, waardoor er een extra druk komt op de activiteit van grafische bedrijven in een toch al verzwakte sector. Dankzij de overcapaciteit kunnen de grote en machtige uitgeverijen een prijsverlaging afdwingen. Daardoor verkleint de marge van de grafische bedrijven, met alle bijhorende negatieve gevolgen voor de lonen van de werknemers.

3.2.6   Ook de uitgevers van catalogi en tijdschriften oefenen druk uit op de fabricageprijzen van hun producten. Omdat de concurrentie voor ieder contract hevig is, proberen de meeste grafische bedrijven hun kosten te drukken door te besparen op lonen, waardoor de arbeidsvoorwaarden minder gunstig worden.

3.2.7   De financiële crisis heeft rampzalige gevolgen voor de grafische ondernemingen die moeilijker krediet krijgen van de banken omdat hun reputatie verzwakt is. Bovendien leidt dit tot een beperking van de reclamebudgetten en dat heeft dan weer negatieve gevolgen voor hun omzet.

3.2.8   Hoewel het goed zou zijn dat grafische bedrijven hun activiteiten diversifiëren, is dat blijkbaar moeilijk: de meeste bedrijven hebben nu, met name in de prepress, de financiële middelen noch de benodigde locaties om te investeren.

3.2.9   De kleine en middelgrote productie-eenheden lijken zich daarentegen gemakkelijker in te stellen op structurele veranderingen en conjuncturele moeilijkheden; zij werken flexibeler en kunnen meer rekening houden met behoeften van een meer uiteenlopende clientèle. In de toekomst kunnen zij bijdragen aan het outplacement van een moeilijk in te schatten deel van werknemers die bij de grote bedrijven hun baan verloren hebben.

3.3   Overcapaciteit en overinvesteringen

3.3.1   De hogere overcapaciteit (6) op de Europese markt van rotatieoffset en rotatiediepdruk wordt veroorzaakt door de afnemende vraag op de Europese markt en door de overinvestering en heeft een negatieve invloed op de krappe marges van de bedrijven. De kans bestaat bovendien dat de bedrijven draconische maatregelen treffen om de kosten te verlagen, in een wanhoopspoging om hun marges te behouden of om te kunnen overleven. Heel wat bedrijven moeten onder de totale kostprijs verkopen om hun verliezen toch enigszins te beperken.

3.3.2   Volgens een studie van UNI Europa Graphical was de grafische productie van de sector in 2008 opnieuw gelijk aan die van 2004 (7). Ondanks de ongunstige conjunctuur hebben de Europese rotatiediepdrukbedrijven tussen 2005 en 200828 nieuwe machines gekocht. Die investeringen waren natuurlijk wel nodig omdat bijvoorbeeld het materiaal aan vernieuwing toe was of de marktbehoeften waren veranderd. Bovendien was er ook bijkomende capaciteit nodig om eventuele productiepieken efficiënter te kunnen opvangen. Die machines kunnen drukwerk sneller afleveren en verhogen zo de overcapaciteit die voor de crisis naar schatting tussen 15 en 20 % (8) bedroeg. In de huidige crisis is er sprake van 25 tot 30 % overcapaciteit.

3.3.3   Volgens de Duitse vakbond Ver.di heeft de uitbreiding van de grafische capaciteit in Europa de concurrentiedruk nog verhoogd en moordend gemaakt. Uit de analyse blijkt ook dat die investeringen de druk om de kosten te verlagen en concurrenten uit de markt te stoten, alleen nog maar hebben verhoogd, waardoor er al massale ontslagen zijn gevallen.

3.3.4   De overcapaciteit en overinvestering hebben al tot een aantal grote faillissementen geleid. Zo was Quebecor World een van de belangrijkste grafische bedrijven in Europa, met wereldwijd meer dan 20 000 personeelsleden. In 2008 heeft Quebecor Worlds zijn faillissement aangevraagd omdat de concurrentie te zwaar werd en er steeds meer digitaal werd gedrukt. In 2009 heeft het bedrijf zijn schulden terugbetaald en zijn Europese activiteiten overgedragen aan het investeringsfonds HHBV; sindsdien heet het World Color. Behalve bedrijven die faillissement aanvragen zijn er ook tal van bedrijven die fusies doorvoeren als reactie op problemen, waardoor in de hele sector omvangrijke herstructureringen zijn doorgevoerd met banenverlies tot gevolg.

3.3.5   Net als in heel wat andere sectoren heeft de economische crisis grote invloed gehad op de loononderhandelingen die in 2009 zijn gevoerd. Zelfs als hun banen behouden bleven stonden de werknemers onder druk om de loonkosten te doen dalen, wat een negatieve impact had op de arbeidsvoorwaarden en de lonen. De collectieve onderhandelingen in 2009 hebben tot een daling met gemiddeld 0,9 % van de koopkracht van de werknemers in de Europese grafische sector geleid (9). De uitbreiding van de markt heeft de negatieve spiraal van de prijzen en de loonkosten nog versterkt en de concurrentie verscherpt.

3.4   Concentratie

3.4.1   De afgelopen jaren is het aantal papier-, inkt- en drukpersproducenten gedaald; de hogere concentratie maakt het de leveranciers dus makkelijker om voorwaarden te stellen.

3.4.2   Uit een recente studie van de Europese grafische sector blijkt dat de overcapaciteit, de overinvesteringen, de kleine vraag, de lagere prijzen voor de producten, de dalende omzet en de toenemende concurrentie op de markt hebben geleid tot fusies, overnames en nieuwe faillissementen (10).

3.4.3   Door fusies en aankopen zijn de ondernemingen gegroeid, en is ook hun vastberadenheid toegenomen om de concurrenten uit de markt te stoten. Zo ontstond in 2005 door de fusie van de mediagroepen Bertelsmann, Gruner + Jahr en Springer Prinovis, de grootste rotatiediepdrukonderneming in de Europese grafische industrie. Daarnaast is de groep Schlott AG de Europese nummer twee geworden dankzij de overname van het bedrijf REUS (in Pilsen, CZ) en vouw- en drukcapaciteit in Biegelaar (NL) in 2006 en 2007. Begin 2008 heeft een Nederlandse investeringsgroep de Europese grafische activiteiten van Quebecor overgenomen. De Britse groep Polestar zoekt partners om zijn marktpositie te versterken.

4.   Vooruitblik

4.1   Met al deze moeilijkheden bevindt de sector van de rotatieoffset en rotatiediepdruk in Europa zich in een kwetsbare positie, die op lange termijn problematisch kan worden als de beleidsmakers niet snel samen met de andere partijen in actie komen. De sociale partners zijn tot het besluit gekomen dat de sector zich alleen duurzaam kan blijven ontwikkelen als een reorganisatie en herstructurering wordt doorgevoerd. De komende tien jaar zullen wellicht aanvullende rationaliseringen nodig zijn, met de bijbehorende ontslagen. De sociale partners menen dan ook dat nu initiatieven moeten worden genomen om de crisis te bezweren in het belang van de werkgevers en werknemers. De crisis is trouwens zo ernstig dat de vakbonden momenteel de gevolgen ervan bestuderen en constructieve strategieën trachten te ontwikkelen om de werkgelegenheid te behouden, omschakelingen te plannen, te voorkomen dat arbeidsomstandigheden verslechteren en de lonen op peil te houden.

4.2   De Europese Commissie heeft in 2007 samen met de beroepsorganisaties een actieplan van zes punten voor de grafische sector voorgesteld:

1)

Steun voor de dynamiek van de Europese grafische drukkerij in een wereldmarkt

a)

Partnerschappen en allianties

b)

Beheer van productiekosten

2)

Ontwikkeling van diensten met een grote toegevoegde waarde voor de klanten

3)

Betere opleiding

4)

Sterker Europees referentiekader – standaardisering en harmonisering

5)

Gecoördineerde verhoging van middelen voor onderzoek en innovatie

6)

Verbetering van het imago van de grafische industrie.

Het EESC steunt dit voorstel, dat ook nu nog actueel is, en is verheugd over de al geboekte resultaten. Nu de problemen in de sector nog vergroot zijn door de crisis en de daaropvolgende recessie in alle EU-lidstaten, meent het Comité dat dringende maatregelen nodig zijn om de sector te helpen het hoofd te bieden aan de uitdagingen op korte termijn.

4.3   De financiële crisis versterkt ook nog de dringende behoefte aan een gezamenlijke reactie van de sociale partners. Meer dan ooit is een echt Europees industrieel beleid nodig, gebaseerd op de inhoud van het voorstel van de Commissie. De concentratie moet niet meer dan nodig toenemen, al kan mogelijk wel een consolidering worden doorgevoerd via overgangsmaatregelen, zoals een arbeidstijdverkorting die zoveel mogelijk banen kan vrijwaren en het pad kan effenen naar een efficiënte omschakeling en interne en externe mobiliteit. In overeenstemming met verordening (EG) 2658/2000 (die momenteel wordt herzien) kunnen ondernemingen waarvan het aandeel op de markt niet meer dan 20 % bedraagt, specialisatieovereenkomsten overwegen om te komen tot schaal- of toepassingsvoordelen of betere productietechnologieën en zo bij te dragen aan hun voortbestaan.

4.4   De activiteit van brokers zou kunnen worden bestudeerd om na te gaan welke invloed zij hebben op de prijsvorming. Het principe van vrije en onvervalste concurrentie moet kunnen gelden, met inachtneming van degelijke arbeids- en loonvoorwaarden en collectieve overeenkomsten zoals zij in de EU bestaan.

4.5   De overcapaciteit van de sector moet in onderling overleg worden beperkt. De sociale dialoog en collectieve onderhandelingen moeten op alle niveaus in ieder land worden gevoerd om de herstructurering op een sociaal aanvaardbare manier te laten verlopen. Er moet dringend een formele en gestructureerde sociale dialoog op Europees niveau worden gevoerd zodat oplossingen kunnen worden uitgewerkt voor de grote uitdagingen van de sector. Het EESC wijst erop dat de sectorale sociale dialoog kan leiden tot de goedkeuring van adviezen, gemeenschappelijke verklaringen, richtsnoeren, gedragscodes, handvesten en akkoorden.

4.6   Financiële en logistieke hulp van de Europese Commissie is onmisbaar om de rotatieoffset en rotatiediepdruk in Europa gezond te houden. Het EESC spoort de ondernemingen aan Europese steun aan te vragen via het Europees Sociaal Fonds, het EFRO, het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Europees fonds voor onderzoek en ontwikkeling. Er moet ook worden nagegaan hoeveel de Europese Investeringsbank kan bijdragen om de aanpassing van bedrijven aan de nieuwe technologieën te financieren. Het is raadzaam dat van de verschillende hulpsystemen gebruik wordt gemaakt, maar wel enkel om de omschakelingen te vergemakkelijken en niet om indirect bedrijfsverplaatsingen te financieren.

4.7   Op erg korte termijn stelt het EESC alvast vier initiatieven voor:

4.7.1

De samenstelling van een groep op hoog niveau met vertegenwoordigers van de industrie, de werknemers en onderzoekers om beter te begrijpen hoe de grafische industrie op middellange termijn georganiseerd moet worden en voorstellen te doen over hoe het nieuwe bedrijfsmodel eruit moet zien.

4.7.2

De organisatie van een conferentie met alle betrokkenen om een gemeenschappelijke stand van zaken op te maken en na te gaan wat er op korte termijn gedaan kan worden. De sociale partners kunnen misschien de opdracht krijgen na te gaan hoe het beroep zich kan ontwikkelen en welke maatregelen nodig zijn om de markt duurzaam te herstellen.

4.7.3

Een onafhankelijke studie, gefinancierd door de Commissie, in het kader van de Europese sectoriële sociale dialoog, naar de toekomst van de sector op middellange en lange termijn in het licht van nieuwe industriële technologieën, de ontwikkeling van het consumentengedrag en de strategieën van de leveranciers en opdrachtgevers.

4.7.4

De oprichting van een waarnemingscentrum of sectorraad voor beroepen en competenties om de beroepen van nu en in de toekomst in kaart te brengen. Weten welke vaardigheden vereist zijn is noodzakelijk om een geschikt opleidings- en omscholingsbeleid uit te werken.

4.8   De Commissie moet de ontwikkelingen in het beroep efficiënt kunnen opvolgen. Daartoe moet zij kunnen beschikken over een systeem voor de vergaring van betrouwbare informatie dat door alle belanghebbenden kan worden geraadpleegd.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Ifo, Investitionstest, München, Frühjahrsgutachten 2008 (Onderzoek naar investeringen, München, lente 2008).

(2)  Competitiveness of the European Graphic Industry, Europese Commissie (2007).

(3)  Competitiveness of the European Graphic Industry, Europese Commissie (2007).

(4)  Competitiveness of the European Graphic Industry, Europese Commissie (2007).

(5)  The Future of Paper and Print in Europe, Stationers' and Newspaper Makers’ Company (2009).

(6)  Gennard, J. The Impact of the financial crisis on the European graphical industry (2009).

(7)  Europese conferentie voor rotogravure en offset, 16-20 maart 2009, Verona (Italië).

(8)  Ibid.

(9)  Verslag van UNI Europa over de collectieve overeenkomsten, Gennard, J. (2009).

(10)  Gennard, J. Annual Collective Bargaining Survey. UNI Europa (2008).


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/105


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De deelsector textieldiensten in Europa: veranderingen en vooruitzichten”

2011/C 44/17

Rapporteur: Antonello PEZZINI

Corapporteur: Peter BOOTH

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft op 18 februari 2010 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn rvo een initiatiefadvies uit te brengen over

De deelsector textieldiensten in Europa: veranderingen en vooruitzichten.

De CCMI, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 juli 2010 goedgekeurd.

Het EESC heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 138 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 6 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen  (1)

1.1   Het EESC wijst op het belang van de deelsector textieldiensten in Europa. De manier waarop textieldiensten bezig zijn zich te ontwikkelen, belooft veel voor de toekomst, niet alleen in economisch en technologisch opzicht, maar ook omdat textieldiensten nauw aansluiten bij de lokale praktijk en werkgelegenheid. Bovendien kunnen textieldiensten voortdurend in aanzienlijke mate bijdragen aan de totstandbrenging van een Europese economie die instaat voor werkgelegenheid en zowel sociale als economische samenhang.

1.2   De Europese stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden zou een proefproject moeten lanceren om na te gaan waar textieldiensten gesitueerd zijn, welke omvang ze hebben, wat de levens- en arbeidsomstandigheden zijn van de werknemers ervan en hoe zwaar de informele economie weegt in deze sector. Daarnaast pleit het EESC voor een grondige bezinning op een NACE-codering waardoor deze deelsector - niet alleen wat de sociaaleconomische ontwikkeling ervan betreft, maar ook als het gaat om de werkgelegenheid - naar behoren kan worden afgebakend.

1.3   Tegen de achtergrond van de initiatieven die in het kader van de Europa 2020-strategie tegen de opwarming van de aarde worden genomen, adviseert het EESC het Europees Parlement, de Raad en de Commissie om bij de uitwerking van nieuwe milieumaatregelen terdege rekening te houden met de duurzaamheid en efficiëntie van de middelen waarover textieldiensten beschikken, en met de mogelijkheden van deze deelsector om arbeidsplaatsen te creëren en investeringen aan te trekken.

1.4   Hoe dan ook moet er niet alleen in EU-verband, maar ook op regionaal en nationaal bestuursniveau een gestructureerde sociale dialoog op gang worden gebracht. Het EESC pleit ervoor dat de EU netwerken financiert waarin voorbeelden van geslaagde methoden worden uitgewisseld. Doel van die netwerken zou zijn om

via een specifieke actie van CEDEFOP uit te maken aan welke diploma- en beroepsvereisten werknemers in deze sector moeten voldoen en welke de overeenkomstige onderwijsbehoeften zijn;

samen met het in Bilbao gevestigde Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk voorwaarden vast te leggen voor een rechtvaardige behandeling, veiligheid en gezondheid op het werk;

ervoor te zorgen dat de sociale partners van deze deelsector naar behoren zijn vertegenwoordigd in het Europees comité voor onderhoudsdiensten.

1.5   Van belang is dat de EU-regelgeving inzake de voorlichting en raadpleging van werknemers en de oprichting en het beheer van ondernemingsraden naar behoren wordt toegepast. Daarbij zou er met steun van het IPST van Sevilla speciaal voor deze deelsector een Europees participatief foresight-systeem moeten worden opgezet.

1.6   Conditio sine qua non voor een gezonde ontwikkeling van textieldiensten is dat de sociale en milieunormen voor „groene en sociale” aanbestedingen er onverkort en op transparante wijze op worden toegepast. Daarbij moet met name worden gedacht aan het systeem van werk in onderaanneming en de taakverdeling over de hele leveringsketen.

1.7   Zowel in de jaarprogramma's van het zevende kaderprogramma voor OTOD als in het meerjarenprogramma voor concurrentievermogen en innovatie en de structuurfondsen zou voldoende ruimte moeten worden ingelast voor technologische en organisatorische innovatieprojecten in textieldiensten, met name als het gaat om een doeltreffende en zuinige benutting van de hulpmiddelen, geïntegreerde logistiek en de traceerbaarheid van de geleverde producten, evt. met behulp van Galileo-toepassingen. De EIB zou investeringen moeten vergemakkelijken, vooral ten behoeve van het mkb.

1.8   De Europese normaliseringsorganen zouden, ook in opdracht van de Commissie, voor de hele productieketen van textieldiensten technische normen moeten blijven uitwerken om steeds beter te kunnen inspelen op de vooruitgang op milieu-, sociaal en technologisch gebied, de kwaliteit van producten, procédés en diensten te garanderen en de arbeidsomstandigheden van de werknemers te verbeteren.

1.9   In de regio's zou een beroep moeten worden gedaan op de structuurfondsen om de netwerken van Europese vertakkingen van de deelsector textieldiensten te vernieuwen en te bewerkstelligen dat bilaterale organen worden opgericht. Een aantal lidstaten heeft met dat laatste al gunstige ervaringen opgedaan, vooral met het oog op opleiding en (taal)onderwijs.

1.10   Uitwisseling en verspreiding van voorbeelden van geslaagde methoden alsook de oprichting van bilaterale organen zijn van belang. Een aantal lidstaten is hiertoe al overgegaan, met goede resultaten als het gaat om de verbetering van het menselijk kapitaal in deze deelsector.

1.11   Er zou een Europese campagne moeten worden gevoerd met als thema's: veiligheid op het werk, transparantie t.a.v. de economische, sociale en milieu-aspecten van textieldiensten en de arbeidsomstandigheden en werkgelegenheidsperspectieven in deze deelsector. Op dat laatste zou het Handvest van grondrechten onverkort moeten worden toegepast, met name ten aanzien van vakbondsrechten en het recht op collectieve onderhandelingen.

1.12   Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zouden een strategisch kader voor textieldiensten moeten uitwerken en daarbij gebruik moeten maken van het feit dat de economische ontwikkeling van deze deelsector alsook de groei van zijn productiviteit en werkgelegenheid volledig stroken met de duurzamegroeidoelstellingen 20/20/20 voor 2020.

2.   Inleiding

2.1   Het begrip „textieldiensten” bestrijkt ondernemingen die op tal van uiteenlopende gebieden werkzaam zijn:

industrieel wassen en stomen, alsook aan fabrieken, dienstverlenende bedrijven en consumenten textielproducten verhuren;

werkkleding en overalls, uniformen, beschermende pakken en beveiligingskleding verhuren, opmaken en onderhouden;

linnengoed voor de horeca wassen, steriliseren, verhuren en afwerken;

kleding en linnengoed voor (para-)medisch personeel, patiënten in ziekenhuizen, bewoners van rusthuizen en leden van leefgemeenschappen wassen, verhuren, steriliseren, opmaken en afwerken;

chirurgische en textielinstrumenten verhuren en steriliseren en kits met gesteriliseerde medische apparatuur leveren/klaarmaken;

„slimme” textielproducten met daarin verwerkte gebruikersvriendelijke functies die veel comfort bieden, leveren, verhuren en opmaken;

industrieel afwerken, filters, stofafzuigers en aanverwante textieldiensten leveren voor fabrieken en steriele werkruimten;

hygiënisch-medische textieldiensten verlenen die een aanvulling vormen op of in de plaats komen van textielproducten;

specifieke diensten verlenen en zorgen voor afwerkingen voor de mode-industrie.

2.2   Industriële wasserijen zijn onmisbaar voor tal van activiteiten in de horeca en het toerisme (hotels en restaurants, leefgemeenschappen, cruiseschepen enz.), maar ook voor de hoogwaardige levering van geavanceerd beschermend textiel voor een breed scala aan verschillende eindproducties en handelsbedrijven. Daarbij blijft een sterke verankering in de regio behouden, met slechts een gering risico op verplaatsingen van bedrijven naar landen buiten de EU.

2.3   Daarnaast zijn industriële wasserijen belangrijk voor de textielindustrie, omdat vervaardigde kledingstukken niet ongewassen en pas na een proefperiode in de handel mogen worden gebracht. Wasserijen die voor textielfabrieken werken, hebben een hoge werklast en moeten perfect werk afleveren: daarom dient hun personeel vakkundig te zijn, over geavanceerde machines te beschikken en onder behoorlijke arbeidsomstandigheden te kunnen werken.

2.4   Industriële wasserijen die voor hotels werken, zijn belast met de zorg voor en het wassen van al het linnengoed, in een continue schoonmaakcyclus. De hoge snelheid waarmee schoon en vuil linnengoed elkaar afwisselen, vergt van die wasserijen het vermogen om dat tempo vol te houden en het schone linnengoed zonder uitstel of vertraging af te leveren. Daarom moet de werkorganisatie uitstekend zijn en dient het personeel goed te zijn opgeleid.

2.5   Naast industriële wasserijen zijn er nu ook bedrijven die textielproducten verhuren. Daarbij gaat het om steeds verfijndere producten die aan de meest geavanceerde technische en functionele vereisten en steeds strengere technische en milieunormen moeten voldoen. Dit geldt met name voor beschermende kleding en hoogwaardig materiaal voor het leger.

2.6   De technologische vernieuwing heeft de textieldiensten de afgelopen jaren alles behalve onberoerd gelaten, of het nu gaat om „B2B” of om „B2C” (2). Getuige daarvan is de kwaliteit van de traditionele – ook hygiënisch-medische – producten die aan hotels en ziekenhuizen worden geleverd en de technische en milieunormen waaraan deze producten voldoen, maar ook de kwaliteit van de geavanceerde „slimme” beschermende pakken die worden geleverd en die eveneens aan de technische en milieunormen voldoen (3).

2.7   De traditionele productie van industriële wasserijen blijft aanzienlijk, met een omzet van circa 9 miljard euro in 2007. Kenmerkend zijn ook de geografische concentratie van de wasserijen en het feit dat de markt wordt beheerst door een gering aantal multinationals (4). Naast die multinationals is de rest van de markt erg versnipperd: het krioelt van de kleine bedrijfjes die over het algemeen een lokaal bereik hebben. De markt kent een sterke groei, zowel qua omzet (circa 10 miljard euro per jaar) als qua aantal werknemers (ruim 200 000).

2.8   Bedrijven die hoogwaardige beschermende kleding maken, hebben de wind in de zeilen. Hun productie is gerelateerd aan de nieuwe generatie „slimme” textielproducten waarvoor wordt uitgegaan van: „slim” materiaal, geavanceerde procédés, geïntegreerde functies die veel comfort bieden, en de preventie en beheersing van persoonlijke risico's. De handel in artikelen voor persoonsbescherming die is uitgeroepen tot een van de meestbelovende „leidende markten” van de EU (5), wordt momenteel voor de EU geraamd op 9,5 à 10 miljard euro, met in totaal zo'n 200 000 werknemers in die bedrijven zelf en in toeleverende bedrijven.

2.9   De producten en diensten waarnaar vraag is op de markt, zijn onderworpen aan strengere normen inzake veiligheid op de werkplek, de prestaties van de werknemers en de strengere veiligheidsvereisten waaraan zij moeten voldoen, een betere beheersing van persoonlijke risico's en de verspreiding van een cultuur waarin betrouwbaarheid wordt vooropgesteld, alsook de wens om klachten te voorkómen.

2.10   Erg belangrijk is de aandacht van bedrijven in deze deelsector voor de milieugevolgen van de bewerkingen voor en de verlening van textieldiensten. Textieldiensten zijn meermaals gecontroleerd op milieu-effecten (Life Cycle Assessment) (6).

3.   Doel van onderhavig initiatiefadvies

3.1   In dit initiatiefadvies worden de voorwaarden onderzocht voor de ontwikkeling van een deelsector voor textieldiensten waarbij

de arbeids- en levensomstandigheden van de werknemers, met name op het gebied van gezondheid en veiligheid worden gerespecteerd;

wordt uitgegaan van een op de diverse niveaus gevoerde gestructureerde dialoog tussen de sociale partners van de sector;

steeds hogere eisen worden gesteld aan de scholing en vakbekwaamheid van de werknemers en nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid worden gecreëerd dankzij versnelde cursussen en opleidingen;

wordt gezorgd voor betere milieubescherming en zuinigere omgang met energie en water tijdens de hele levenscyclus van een product, incl. de recyclage;

ter bestrijding van misbruik van dominante marktposities in een open klimaat WORDT geïnvesteerd in technologische, logistieke en organisatorische vernieuwing, zodat er gunstige voorwaarden ontstaan voor de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen;

concurrentie op kwaliteit en op de uitwerking en toepassing van geavanceerde technische normen kan worden bevorderd;

wordt gezorgd voor transparante aanbestedingen met onverkorte naleving van de milieuvereisten en sociale clausules, vooral als het gaat om werk in onderaanneming;

wordt geijverd voor imagoverbetering door meer zichtbaarheid en transparantie.

3.2   Het EESC heeft op 11 mei 2010 in Brussel een openbare hoorzitting over dit onderwerp gehouden. Daaraan is deelgenomen door vertegenwoordigers van de nationale en Europese sociale partners in deze deelsector, alsmede door vertegenwoordigers van het in Bilbao gevestigde Europees Agentschap voor gezondheid en veiligheid op het werk, van de Commissie (DG ENTR), van de diverse door lidstaten opgerichte bilaterale organen en van qua productie en dienstverlening prominente bedrijven op dit gebied.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Het EESC acht het raadzaam om een Europees proefproject te lanceren alvorens een strategie en actieplan voor textieldiensten uit te stippelen. Doel van dat proefproject zou moeten zijn om de diverse zeer uiteenlopende bedrijven in de deelsector textieldiensten in kaart te brengen en tegen elkaar af te wegen en om na te gaan waar die bedrijven in de 27 lidstaten van de EU gesitueerd zijn en welke omvang ze hebben, met dien verstande dat niet mag worden voorbijgegaan aan de zwaarwegende rol van gender en de informele economie die aan alle regelgeving ontsnapt.

4.2   Verder pleit het EESC voor een betere definitie waardoor de deelsector textieldiensten duidelijker kan worden afgebakend in de NACE-nomenclatuur van de EUROSTAT-code. Op die manier wordt het gemakkelijker om te volgen hoe textieldiensten zich economisch ontwikkelen en hoe de stand van zaken is t.a.v. investeringen, innovatie, werkgelegenheid en beroepskwalificaties.

4.3   De deelsector textieldiensten is erg dynamisch en zich volop aan het ontwikkelen. Hoe groot die groei kan worden, hangt grotendeels af van de verbetering van de sociaal-culturele randvoorwaarden en van het technisch-economisch vermogen van de bedrijven zelf.

4.4   Volgens het EESC is het belangrijk dat de Europese normaliseringsorganen, ook in opdracht van de Commissie, technische normen voor de hele productieketen van textieldiensten uitwerken om steeds beter te kunnen inspelen op de vooruitgang op milieu-, sociaal en technologisch gebied, de kwaliteit van de producten, procédés en diensten te garanderen, de arbeidsomstandigheden van de werknemers te verbeteren en aan de mondiale concurrentie het hoofd te kunnen blijven bieden.

4.5   Textieldiensten hebben voor hun ontwikkeling baat bij een gestructureerde dialoog op Europees, nationaal en regionaal bestuursniveau, waarin de nadruk wordt gelegd op billijke arbeidsvoorwaarden als gemeenschappelijke basis voor textieldiensten in Europa. Die gemeenschappelijke basis kan worden gelegd door de EU-richtlijnen inzake gendergelijkheid, werktijden, en de voorlichting en raadpleging van werknemers toe te passen. Bedrijven die textieldiensten verlenen, moeten volgens het EESC meer evenwicht brengen in hun streven naar de tevredenheid van de klanten enerzijds en de noodzaak om hun werknemers te motiveren anderzijds, zoals nu al kan worden waargenomen in bepaalde geavanceerde productiebedrijven.

4.6   Het is voor de ontwikkeling van textieldiensten van wezenlijk belang dat het Handvest van grondrechten onverkort op de hele productie- en dienstenketen in de EU wordt toegepast, met name als het gaat om vakbondsrechten en het recht op collectieve onderhandelingen.

4.7   De lidstaten zouden er goed aan doen om onderling voorbeelden van geslaagde methoden uit te wisselen en transnationale Europese projecten op dit gebied te financieren.

4.8   Milieubescherming moet op de prioriteitenlijst van deze deelsector worden gezet, met aandacht voor EMAS en ecolabel en de toepassing van de ISO 14000-normen.

4.8.1   De cijfers voor textieldiensten in 2006 zijn heel goed te gebruiken als uitgangspunt voor discussie en analyse en voor onderzoek naar de ontwikkelingen in de diverse sectoren (7), maar zouden wel – ten minste om de twee jaar - moeten worden bijgewerkt. Ook zouden daarvan milieueffectbeoordelingen moeten worden gemaakt, die aan het Europees Parlement en het EESC worden voorgelegd.

4.8.2   Er moet uitgebreid worden onderzocht welke inspanningen de deelsector zich getroost om, samen met de sociale partners, oneerlijke concurrentie tegen te gaan door certificering krachtens de EN 14065-norm zo veel mogelijk ingang te doen vinden. Daarbij moet de markt worden gereguleerd en moet met behulp van kwaliteitskeuren de toepassing van de meest geslaagde methoden worden bevorderd, ook via (fiscale) prikkels.

4.8.3   Als dient te worden uitgemaakt welke soort kleding voor „full service”-oplossingen in aanmerking komt, dan moeten de doelmatigheid en het blijvende karakter van deze eigenschappen tijdens de hele levenscyclus van een textielproduct worden meegewogen.

4.8.4   Belangrijk is dat de deelsector textieldiensten zich daadwerkelijk inzet voor de toepassing van oplosmiddelen en van gebruikte en aan de discipline van de REACH-regeling onderworpen chemische stoffen, net zo goed als voor de toepassing van de Europese normen inzake water.

4.9   Er zou in de jaarprogramma's van het zevende kaderprogramma voor OTOD, in het meerjarenprogramma voor concurrentievermogen en innovatie en in de structuurfondsen voldoende ruimte moeten worden ingelast voor technologische en organisatorische innovatieprojecten in textieldiensten, met name als het gaat om geïntegreerde logistiek en de traceerbaarheid van de geleverde producten, evt. met behulp van logistieke Galileo-toepassingen. De EIB zou investeringen moeten vergemakkelijken, vooral ten behoeve van het mkb.

4.10   Conditio sine qua non voor een „groene en sociale” ontwikkeling van textieldiensten is dat de normen voor aanbestedingen er onverkort en op transparante wijze op worden toegepast. Daarbij moet met name worden gedacht aan het systeem van werk in onderaanneming en de taakverdeling over de hele leveringsketen.

4.11   Technologische, logistieke en organisatorische innovaties dienen plaats te vinden in een open klimaat waarin misbruik van dominante marktposities wordt vermeden, zodat er gunstige voorwaarden ontstaan voor de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven.

4.12   De scholing en vakbekwaamheid van werknemers in deze sector moeten steeds beter worden en er dienen, door middel van versnelde cursussen en opleidingen, nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid te worden geschapen. Daarbij zou er met steun van het IPST in Sevilla speciaal voor deze deelsector een Europees participatief foresight-systeem moeten worden opgezet. Bovendien zou een beroep moeten worden gedaan op de structuurfondsen voor de oprichting van bilaterale organen waarin overleg wordt gepleegd over de scholing, de opleiding en het (taal)onderwijs van werknemers.

4.13   Veiligheid en gezondheid op het werk moeten voorrang krijgen in het streven naar kwalitatief betere textieldiensten: de sociale partners van deze deelsector moeten een gestructureerde Europese dialoog aangaan en naar behoren zijn vertegenwoordigd in het Europees comité voor onderhoudsdiensten.

4.14   De Commissie zou zo snel mogelijk moeten komen met een mededeling over de mogelijkheid van een economische en werkgelegenheidsstrategie voor de verdere uitbouw van de deelsector textieldiensten. Doel daarvan zou moeten zijn dat voor de EU een actieplan wordt uitgewerkt dat aansluit bij het communautaire initiatief „Leidende markten”, waarin textieldiensten als veelbelovende strategische markten worden bestempeld.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Kijk voor meer documentatie n.a.v. dit advies (uiteenzettingen op hoorzittingen, technische bijlagen of statistieken) op de website van het EESC:

http://www.eesc.europa.eu/sections/ccmi/Hearingsandconferences/Textile_2010/index_en.asp.

(2)  Zie voor complexe dienstverlening „Ontwikkeling van de zakelijke dienstverlening in Europa” (verkennend advies), PB C 27 van 3 februari 2009, blz. 26 t/m 33.

(3)  Zie EUROPA VERNIEUWT – INNOVATION WATCH/sectorale foresight voor innovatie: textiel en kleding – INTERIMRAPPORT van juni 2009, blz. 3, 4, 9 en 10.

(4)  Elis, Rentokil, Johnson Service, Davis, Alsco, HTS enz.

(5)  SEC(2009) 1198 final van 9 september 2009: het communautaire initiatief „Leidende markten”/tussentijds voortgangsverslag.

(6)  Zie Bijlage 1 - http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.fr.textile-services-sub-sector-in-europe

(7)  Zie voetnoot 5.


11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/110


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Bevordering van duurzame groene banen in het kader van het EU-energie- en klimaatveranderingspakket” (initiatiefadvies)

2011/C 44/18

Rapporteur: de heer IOZIA

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 juli 2009 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het thema

Bevordering van duurzame groene banen in het kader van het EU-energie- en klimaatveranderingspakket.

De afdeling Vervoer, energie, infrastructuur en informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 juni 2010 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 146 stemmen vóór en 4 stemmen tegen, bij 10 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Samenvatting van het advies

1.1   „Ik wil laten zien dat investeringen in klimaatvriendelijke en energie-efficiënte technologieën economisch voordeel opleveren. De mogelijkheden zijn legio.”

Connie Hedegaard, EU-commissaris voor klimaat

1.2   Aan het begin van het derde millennium zijn er nieuwe vragen gerezen over de toekomst van onze planeet. Gezien de risico's van de klimaatverandering, de toenemende vraag naar energie in de wereld, de uitputting van de traditionele energiebronnen over niet al te lange tijd, het groeiende bewustzijn van de burgers en hun roep om passende maatregelen voor de bestrijding van de uitstoot van broeikasgassen en voor aanpassing aan de negatieve gevolgen daarvan, is het hoog tijd om nog eens goed te kijken naar het huidige ontwikkelingsmodel, om het consumptieniveau te verlagen en om meer gebruik te maken van alternatieve en duurzame energiebronnen die minder uitstoot veroorzaken. Het EU-beleid zou vooral moeten inzetten op een groen, sociaal en concurrerend Europa.

1.3   Willen we de continuïteit van de energievoorziening versterken, minder afhankelijk zijn van politiek instabiele of concurrerende gebieden en in de energiemix geleidelijk aan steeds meer kiezen voor schone en duurzame bronnen, dan zullen we de nieuwe, groene economie als een factor van betekenis moeten zien voor duurzame ontwikkeling en werkgelegenheidsgroei die bijdraagt tot een nieuw economisch, sociaal en ecologisch evenwicht.

1.4   Het EESC wil in dit advies de mogelijkheden van „duurzame groene banen” in kaart brengen en uitzoeken hoe het scheppen van dergelijke arbeidsplaatsen het beste kan worden ondersteund en bevorderd.

1.5   Om de effecten van de nieuwe maatregelen te kunnen beoordelen, moet er worden gekeken naar hetgeen de nieuwe banen onder de streep opleveren, dus na aftrek van de oude banen die zullen verdwijnen (de „zwarte banen” in bijvoorbeeld de steenkoolmijnen, de bouw en onderhoud van traditionele elektriciteitscentrales enz.). Dit proces dient te worden geflankeerd door beleidsmaatregelen op het gebied van inkomensbehoud, opleiding en omscholing. De nieuwe, groene economie, die door werkenden en door de burgers in het algemeen als een grote kans moet worden gezien, dient uit te gaan van de principes van fatsoenlijk werk en de hoeksteen te zijn van een in sociaal, ecologisch en economisch opzicht duurzame ontwikkeling.

1.6   Een Europese strategie voor de overgang naar een koolstofarm economisch en industrieel beleid dient uit te gaan van een dialoog tussen regeringen, sociale partners en maatschappelijke organisaties over economische en industriële omschakelingen en over investeringen in nieuwe, groene competenties en technologieën voor nieuwe, fatsoenlijke groene banen.

1.7   Deze strategie heeft alleen kans van slagen als er voortdurend met nationale en lokale overheden, ondernemingen en vakbonden wordt overlegd over de gevolgen daarvan voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt. Zonder de betrokkenheid van sociale partners en het maatschappelijk middenveld zal er geen vooruitgang kunnen worden geboekt. Het EESC is bijzonder ingenomen met de oprichting van het directoraat-generaal Klimaat (DG CLIM), dat zowel het interne als externe EU-beleid inzake de vermindering van en de aanpassing aan de klimaatverandering zal coördineren.

1.8   Het EESC pleit voor een permanent overlegorgaan om te kunnen anticiperen op de gevolgen van de sociaaleconomische overgang, om de activiteiten van de sectorale raden te coördineren en om tot een nauwer overleg te komen tussen sociale partners en overheden. Het Europees Milieuagentschap zou ook verantwoordelijk moeten worden voor het opsporen van alle mogelijke emissies tijdens productieprocessen en het vervoer. Daarbij zou gebruik moeten worden gemaakt van de LCA-methode overeenkomstig ISO-14040 en de bepalingen uit Groenboek COM(2001) 68 en Mededeling COM(2003) 302 inzake geïntegreerd productbeleid. Dit is wat, althans indirect, ook wordt bepleit in de Europese verordeningen inzake EMAS (761/2001/EG) en milieukeuren (1980/2000/EG).

1.9   De EU heeft een belangrijke rol als aanjager van groene banen. Op het punt van investeringen betekent dit het bevorderen van ondersteunende maatregelen voor activiteiten en sectoren. Samen met de lidstaten dient de EU te zorgen voor een stabiele wetgeving die de administratieve rompslomp zichtbaar vermindert en te allen tijde rekening houdt met de belangen van het mkb. Wat de arbeidsmarkt betreft, moeten er speciale programma's worden gelanceerd ter ondersteuning van het beroepsonderwijs en met name de omscholing van werknemers die als gevolg van de industriële omschakeling hun baan dreigen te verliezen en minder inkomen zullen genieten. De lidstaten dienen door middel van fiscale prikkels voor ondernemingen en consumenten en met de middelen die vrijkomen door de handel in emissierechten (ETS), bij te dragen tot meer energie-efficiëntie en steun te leveren aan investeringen in duurzame energie en in onderzoek en ontwikkeling. Zeker gezien de huidige crisis moet daar niet langer mee worden getalmd.

1.10   Overheidsopdrachten spelen eveneens een belangrijke rol. Meer dan 15 % van het bbp in Europa wordt door overheidsopdrachten gegenereerd. Gunstige clausules voor duurzame goederen en diensten kunnen de markt ertoe overhalen om sneller te investeren in technologische innovaties.

1.11   In de hele EU wordt er zowel op communautair als nationaal niveau nog te weinig uitgegeven aan onderzoek, nl. minder dan 2 % van het bbp (tegenover 2,6 % in de VS en 4 % in Japan). Europa heeft behoefte aan grote investeringen in O&O. De koolstofarme samenleving dient een van de centrale onderzoeksthema's te worden.

1.12   Het grootste ontwikkelingspotentieel ligt bij de traditionele banen en activiteiten, die veel groener kunnen worden gemaakt. Daarbij is een cruciale rol weggelegd voor het maatschappelijk middenveld. Milieueducatie voor de jongere generaties, beroepsopleidingen en voorlichting en informatie aan ondernemingen, werknemers en burgers zijn belangrijke stappen op weg naar een nieuwe, groene economie. Via het Pinocchio-project is het EESC reeds actief betrokken bij de ondersteuning van dergelijke activiteiten.

1.13   De landbouwsector zou door aanpassing van de productiemodellen, ontwikkeling van agroforestry en de productie van biomassa eveneens een buitengewoon belangrijke bijdrage kunnen leveren. Gezien hun inspanningen om het platteland en het milieu te beschermen zijn de agrarische sector en de landbouworganisaties de aangewezen instanties om een grote voorlichtings- en informatiecampagne op te zetten over de nieuwe, groene economie.

1.14   Biomassa is veruit de belangrijkste bron van duurzame energie. De cijfers van 2008 laten zien dat in Europa de biogene bronnen de andere duurzame energiebronnen ver achter zich laten. In de EU-27 wordt tweederde van duurzame primaire energie – m.a.w. 66,1 % op een totaal van circa 6 200 PJ – met behulp van biomassa geproduceerd.

1.15   Nu het economisch gezien niet meer voor de wind gaat en er weinig kapitaal beschikbaar is, moet de aandacht uitgaan naar slechts een aantal prioriteiten die cruciaal zijn voor Europa in verband met de wereldwijde concurrentie, de bescherming van het milieu en het behoud van de werkgelegenheid in de komende jaren. Voor het EESC zijn duurzame energie, duurzaam vervoer en koolstofarme woningen de voornaamste aandachtsgebieden.

1.16   De overheid dient deze sectoren in de overgangsfase zo veel mogelijk te steunen. Het is vooral het „stop-go-beleid”, de instabiele en incoherente regelgeving en de administratieve rompslomp die het creëren van goede en fatsoenlijke groene banen en de ontwikkeling van de daarmee samenhangende activiteiten in de weg staan.

2.   Inleiding

2.1   De energiemarkt

2.1.1   De economische crisis heeft de ontwikkelingen op het gebied van nieuwe energievormen zonder meer vertraagd.

2.1.2   In 2009 was er een scherpe daling te zien in de transacties op de olie- en gasmarkt. Deze daling bedroeg 19 %, oftewel meer dan 90 miljard dollar (World Energy Outlook 2009 IEA). Ondanks het stagnerende verbruik zal de energievraag tot 2030 naar verwachting nog altijd met circa 40 % stijgen tot 16,8 miljard equivalentton olie.

2.1.3   De groeiende vraag naar energie in de periode 2007-2030 zal hoe dan ook voor meer dan 77 % uit fossiele brandstoffen blijven bestaan. De vraag naar olie, die momenteel 85 miljoen vaten per dag bedraagt, zal verder toenemen tot 88 miljoen vaten per dag in 2015 en 105 miljoen vaten per dag in 2030.

2.1.4   Volgens de WEO 2009 kan de klimaatverandering alleen worden aangepakt met een verregaande hervorming van de energiesector. In dit rapport wordt gepleit voor het „450-scenario”, in de vorm van drastische maatregelen met een duidelijk tijdpad waarmee op de lange termijn de CO2-concentratie in de atmosfeer moet worden teruggebracht tot 450 delen per miljoen en de wereldwijde temperatuurstijging moet worden beperkt tot 2 graden ten opzichte van het pre-industriële niveau. „Om dit scenario te verwezenlijken, moet”, aldus het IEA, „de vraag naar fossiele brandstoffen in 2020 zijn hoogtepunt bereiken en moet de CO2-uitstoot als gevolg van energieverbruik, die in 2007 nog 28,8 gigaton bedroeg, in 2030 zijn gedaald tot 26,4 gigaton.”

2.2   Energie-efficiëntie

2.2.1   De energie-efficiëntieprogramma's van de EU hebben tot doel om de energie-intensiteit tussen 2005 en 2020 jaarlijks met 3,3 % te verminderen. Dit moet een besparing opleveren van 860 miljard equivalentton olie. Deze ambitieuze doelstelling, die waar mogelijk vergezeld moet gaan van bindende maatregelen, vergt enorme investeringen, die evenwel tot een aanzienlijke besparing zouden moeten leiden. De Commissie spreekt van 100 miljard euro per jaar (Mededeling van de Commissie – Actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren, COM(2006) 545 final).

2.2.2   Het EESC heeft zich in diverse adviezen zeer positief uitgesproken over de Europese voorstellen voor verspreiding van energie-efficiëntieprogramma's (1). Helaas heeft het ook moeten constateren dat het in de lidstaten ontbreekt aan enthousiasme (2). Het wil er nogmaals op wijzen dat het economisch voordeel van groen beleid vaak over het hoofd wordt gezien. De groene economie is een manier om uit de wereldwijde crisis te geraken. De opkomende groene economie zorgt voor nieuwe werkgelegenheidskansen. Volgens commissaris Dimas zullen groene investeringen de komende tien jaar 2 miljoen banen opleveren in de EU. De groene economie is dan ook geen overbodige luxe (3).

2.2.3   De Commissie dient zich erop voor te bereiden dat de energie-efficiëntiestrategie wellicht moet worden herzien. De vorderingen die tot nu toe zijn geboekt, hebben nog niet de verwachte resultaten opgeleverd. De relatieve stabilisering van de olieprijs, die op 11 juli 2008 nog een recordhoogte van 147,27 dollar per vat bereikte om vervolgens in 2009 te dalen tot gemiddeld 53,56 dollar (tegen 91,48 dollar in 2008) (WTRG Economics), heeft het investeringsklimaat bepaald geen goed gedaan.

2.2.4   De herziening van de richtlijn inzake de energie-efficiëntie van woningen en kantoren, die een veel grotere doelgroep zal dwingen tot structurele maatregelen in nieuwe en te renoveren woningen, zal, net als verordeningen inzake de uitstoot van auto's en lichte transportvoertuigen, behoorlijke inspanningen vragen van het bedrijfsleven om de geformuleerde uitstootdoelstellingen te halen. Dit zal zich vertalen in een aanzienlijke verbetering van de efficiëntie en dus ook in een vermindering van het verbruik.

2.2.5   In het kader van het EurObserv'ER-rapport 2009 (EurObserv’ER 2009 – The State of Renewable Energies in Europe, 9e EurObserv’ER-rapport) is in 14 lidstaten (Duitsland, Frankrijk, Spanje, Denemarken, Zweden, Italië, Oostenrijk, Polen, Finland, Verenigd Koninkrijk, Nederland, Slowakije, Slovenië en Luxemburg) onderzocht wat de directe gevolgen zijn van de toepassing van de verschillende technologieën voor duurzame energie voor de werkgelegenheid. In 2008 zijn er dankzij technologieën voor duurzame energie in totaal 660 000 arbeidsplaatsen gecreëerd of behouden gebleven. Meer dan 42 % daarvan (circa 278 000 banen) houdt verband met biogene bronnen (of, beter gezegd, biomassa). Investeren in biomassa zorgt voor duurzame werkgelegenheid, vermindert de energieafhankelijkheid van Europa en draagt bij tot een aanzienlijk lagere CO2-uitstoot.

3.   De economische crisis en groene banen

3.1   De economische crisis trekt een zware wissel op de overheidsfinanciën. Het totale tekort in de eurozone bedroeg in 20096,4 % en zal volgens de Commissie in 2010 oplopen tot 6,9 %. Er zijn dan ook strenge bezuinigingsmaatregelen nodig om dat tekort snel weer onder het in kader van het stabiliteitspact vastgestelde niveau te krijgen. Het EESC waarschuwt voor loze beloftes en gebrek aan politieke daadkracht als het gaat om het stimuleren van groene economische groei.

3.2   Er zijn steeds minder middelen beschikbaar voor stimuleringsplannen op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntieprogramma's. De lidstaten zouden meer dan de geraamde 50 % van de opbrengst van de handel in emissierechten (ETS) moeten besteden aan energie-efficiëntieprogramma's en aan investeringen op het gebied van duurzaam vervoer en het transport in het algemeen.

3.3   Er zou ten onrechte de indruk kunnen ontstaan dat de strijd tegen klimaatverandering alleen een kwestie is van vermindering van het energieverbruik. Er moet ook rekening worden gehouden met het energierendement op investeringen (EROI) en duurzaamheid moet worden gekoppeld aan ontwikkeling en aan een nieuwe economie die geen „duurzame recessie” en „aanvaardbare werkloosheid” nastreeft, aangezien dat onherroepelijk leidt tot slechtere leefomstandigheden voor de burgers, maar niet tot een significante verbetering van de bescherming van het aardse milieu.

3.4   Het bedrijfsleven en met name het mkb hebben bovendien te maken met een enorme kredietschaarste. Terwijl er voor normale activiteiten al minder middelen beschikbaar zijn, is het welhaast onmogelijk om te investeren in herstructureringen die vaak kostbaar zijn en pas na enkele jaren renderen. Er moeten gerichte ondersteuningsmaatregelen komen.

3.5   De IAO heeft in reactie op een recent initiatief van de Commissie (Duncan Campbell, directeur van de afdeling Economische en arbeidsmarktanalyse van de IAO) de volgende definitie voorgesteld:

„Groene banen zijn banen die de ecologische voetafdruk verkleinen door:

vermindering van het energie-, grondstoffen- en waterverbruik;

decarbonisering en dematerialisering van de economie;

vermindering van de uitstoot van broeikasgassen;

aanpassing aan de klimaatverandering;

bescherming en herstel van het ecosysteem.”

3.6   Volgens de IAO, die sinds enkele jaren samen met internationale organisaties van werkgevers en vakbonden diepgaand sectoraal onderzoek verricht op het gebied van groene banen, heeft dit vraagstuk vooral betrekking op de volgende sectoren:

Energie

Geïntegreerde vergassing / CO2-opvang

Warmtekrachtkoppeling

Duurzame energie (wind, zon, biobrandstoffen, aardwarmte, kleine waterkrachtinstallaties), brandstofcellen

Vervoer

Voertuigen met zuinigere motoren

Hybride elektrische en op brandstofcellen aangedreven voertuigen

Autodelen

Openbaar vervoer

Niet-gemotoriseerd vervoer (fietsen, lopen) en verandering van het ruimtelijke-ordeningsbeleid en de bebouwingsmodellen (kortere afstanden en minder afhankelijkheid van gemotoriseerd vervoer)

Bedrijfsleven

Aanpak van vervuiling (zuiveringsinstallaties en andere filtertechnieken)

Efficiënter gebruik van energie en grondstoffen

Schone productietechnieken (vermijden van schadelijke stoffen)

Ontwikkeling van productiecycli volgens de cradle-to-cradle-methode (gesloten systemen zoals gedefinieerd door William McDonough en Michael Braungart)

Gebouwen

Energie-efficiënte verlichting, huishoudelijke en kantoorapparatuur

Verwarming en koeling met behulp van zonne-energie en zonnepanelen

Renovatie van oude gebouwen met behulp van nieuwe technologieën

Groene gebouwen (isolatie, energie-efficiënte ramen, bouwmaterialen, verwarming, ventilatie en airconditioning)

Passieve huizen aangesloten op zonne-energie, koolstofneutrale gebouwen

Grondstoffen

Recycling

Grotere verantwoordelijkheid voor de producent, terugroepen en herbewerken van producten

Dematerialisering

Verlenging van de levensduur en herstel van producten

Detailhandel

Meer aandacht voor hoogefficiënte producten en gebruik van ecokeurmerken

Winkels dichter bij de woonwijken

Beperking van de afstanden voor het goederenvervoer (van fabriek tot magazijn)

Nieuwe diensteneconomie (verkoop van diensten i.p.v. producten)

Landbouw

Bodembescherming

Efficiënter gebruik van water

Biologische landbouwmethoden

Vermindering van de afstand tussen producenten en de markt

Bosbouw

Projecten voor (her)bebossing

Agroforestry

Duurzaam bosbeheer en certificering

Tegengaan van ontbossing

3.7   Groene banen zouden zich moeten onderscheiden door de hoge eisen die er worden gesteld aan vaardigheden en beroepsopleiding.

4.   De goede voorbeelden van de belangrijkste actoren

4.1   Tijdens een hoorzitting (EESC, 23 maart 2010) hebben toonaangevende vertegenwoordigers van diverse organisaties een waardevolle bijdrage geleverd aan het debat.

4.2   De voorzitter van de afdeling Bergamo van het Italiaanse verbond van ambachtslieden (Confartigianato) vertelde over de week van de groene energie. Tijdens 16 informatie- en discussiebijeenkomsten bogen 80 sprekers en honderden deelnemers zich over de juridische en technische aspecten van energiebesparing en milieubescherming. Dit is een uitstekend voorbeeld van de rol die beroepsorganisaties kunnen en moeten spelen bij het bewerkstelligen van een cultuuromslag. Ook is er aandacht besteed aan nieuwe diensten op het gebied van energie, zoals het „energieloket” (voor deskundig advies aan ondernemingen), „kredietondersteuning” (voor investeringen, ook via het garantieconsortium van de beroepsvereniging) en technische opleidingen (in samenwerking met de technische faculteit van de universiteit van Bergamo).

4.3   De vertegenwoordiger van het WNF die zich bezighoudt met het Europese klimaat- en energiebeleid, wees op het positieve effect dat de groene economie volgens studies van het Wereldnatuurfonds op de werkgelegenheid zal hebben. De milieuorganisaties zijn uiteraard groot voorstander van een beleid dat een koolstofarme of, beter nog, een koolstofvrije energie mogelijk maakt.

4.4   De voorzitter van de Poolse vakbond voor de mijnbouw- en energiesector wees op de gevaren van te zware sancties voor „zwarte banen”. Het is van fundamenteel belang dat er wordt gestreefd naar behoud van de werkgelegenheid door nieuwe banen te scheppen die in de plaats komen van de arbeidsplaatsen die zullen verdwijnen. De balans tussen de nieuw gecreëerde werkgelegenheid en de traditionele banen die zullen worden geschrapt, mag in geen geval uit het oog worden verloren. Ook moet er goed worden gelet op de lonen, aangezien sommige nieuwe, groene banen minder goed worden betaald en de productie van een kilowatt stroom met steenkool de helft goedkoper is dan met duurzame energiebronnen. Zonder een goede ondersteuning van de werkgelegenheid bestaat het gevaar dat de werkloosheid binnen afzienbare tijd verdubbelt. Daarnaast moet de mobiliteit van werknemers voldoende worden ondersteund.

4.5   De voorzitter van het Europees Verbond van het Bouwbedrijf benadrukte dat Europese ondernemingen nauw betrokken zijn bij de modernisering en de vergroting van de energie-efficiëntie van huizen, openbare gebouwen en particuliere bedrijfsruimtes. De sector heeft niet zozeer behoefte aan specifieke financiële ondersteuning als wel aan een stabiele wetgeving die een aantal jaren van kracht blijft en het mogelijk maakt om investeringen te plannen en ondernemingsplannen op te stellen. De bouwsector moet kunnen rekenen op een constante en toereikende geldstroom en niet op kortlopende subsidies. Een adequaat fiscaal beleid zou huishoudens kunnen helpen om de nodige investeringen te doen. Het bedrijfsleven is bereid om bij te dragen tot de om- of bijscholing van personeel.

4.6   De voorzitter van de Europese Raad van architecten (ACE) pleitte ervoor om het onderwijs in duurzame architectuur in Europa verder te ontwikkelen en om ruimtelijke-ordeningsplannen vanuit een holistisch perspectief te benaderen. Dit betekent dat er op een andere manier over het vak moet worden nagedacht. Volgens de ACE moeten er samen met de verenigingen van bouwondernemingen ambitieuze doelstellingen worden geformuleerd voor de verbetering van de kwaliteit en energie-efficiëntie van gebouwen. Gezien de slechte ervaringen in het recente verleden vraagt de ACE zich af of publiek-private partnerschappen voor overheidsopdrachten wel zo zinvol zijn.

4.7   De vertegenwoordiger van de Commissie wees op de talloze mogelijkheden voor het scheppen van nieuwe banen. De schattingen gaan uit van meer dan één miljoen nieuwe arbeidsplaatsen. De succesverhalen die op het 2e geothermische congres waren te horen, bewijzen dat er ontwikkelingsmogelijkheden bestaan. In Zweden zijn er per 1 000 inwoners bijvoorbeeld 33 warmtepompen tegen 0,1 in Spanje. De ontwikkeling van duurzame energie wordt vertraagd door de vele administratieve hobbels. Alles staat of valt met energie-efficiëntie, zeker in gebouwen. De groene banen die in het kader van nationale actieplannen worden gecreëerd, zullen duurzaam en concurrerend zijn.

4.8   De uiteenzetting van de vertegenwoordiger van de Economische en Technische Hogeschool van Berlijn bevatte veel waardevolle informatie en suggesties. Zo werd er gewezen op de hevige internationale concurrentie op de markt voor duurzame energie tussen met name de VS en China. China en Taiwan nemen bijna 50 % van de export van zonnepanelen voor hun rekening.

4.9   De vertegenwoordiger van een van de belangrijkste Spaanse producenten van windmolens onderstreepte het strategische belang van deze sector, die tot bloei heeft kunnen komen dankzij een slim en moedig beleid waarin het stimuleren van investeringen en het creëren van economische meerwaarde centraal stonden. Ondanks de crisis zijn de vooruitzichten voor de toekomst gunstig, mits het stimuleringsbeleid op het gebied van duurzame energie wordt voortgezet. In de toespraak werden de volgende woorden van president Obama geciteerd: „The nation that leads the clean energy economy will be the nation that leads the global economy” („Het land dat de groene economie leidt, zal ook de wereldeconomie leiden”; toespraak van president Obama tijdens de State of the Union op 27 januari 2010).

4.10   Een vertegenwoordiger van het EESC wees ten slotte op de bijdrage van het Europees Verbond van Vakverenigingen aan de maatregelen ter bevordering en ondersteuning van groene banen en op het pleidooi van het EVV voor eerbiediging van de waardigheid, de rechten en het inkomensniveau van degenen die deze nieuwe arbeidsplaatsen zullen innemen. Een groene baan dient per definitie ook een fatsoenlijke baan te zijn. Het EESC acht overgangsmaatregelen voor ondersteuning bij om- of bijscholing en aanpassing aan industriële omschakelingen onontbeerlijk.

5.   Toekomstperspectieven

5.1   Wat de mogelijke positieve effecten van groene banen, energie-efficiëntie en de voorstellen voor de aanpak van de klimaatverandering betreft, zijn er de laatste jaren vaak zeer uiteenlopende cijfers genoemd. Zo zijn er honderdduizenden nieuwe banen voorspeld, ofschoon daar in werkelijkheid nog weinig van te zien is. Het is bijzonder lastig om vast te stellen wat de nettostijging is, d.w.z. na aftrek van de verdwenen arbeidsplaatsen in de betreffende sector.

5.2   De milieusector zelf telt momenteel 4,6 miljoen groene banen. Kijkt men echter ook naar de activiteiten die in het verlengde daarvan liggen, zoals bosbouw en ecotoerisme, dan bedraagt dat aantal 8,67 miljoen (d.w.z. 6 % van de beroepsbevolking in de EU-27). Verruimt men de definitie nog verder, dan komt men op een veel hoger aantal van 36,4 miljoen uit (17 % van de beroepsbevolking). Daartoe behoren ook alle indirecte en afgeleide activiteiten (GHK et al. (2007)). In haar recente rapport over de werkgelegenheid in Europa (Employment in Europe 2009) wijst de Commissie op deze verschillen. De werkgelegenheidsgroei betreft vooral de sector duurzame energie en de biologische landbouw en, in mindere mate, de renovatie van onroerend goed