ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2010.347.dut

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 347

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

53e jaargang
18 december 2010


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

460e plenaire zitting op 17 en 18 februari 2010

2010/C 347/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de afstemming van vaardigheden op de behoeften van de veranderende industrie en dienstensector — Bijdrage tot de eventuele invoering van sectorale raden voor werkgelegenheid en vaardigheden op Europees niveau (verkennend advies)

1

2010/C 347/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de agenda van Lissabon en de interne markt (initiatiefadvies)

8

2010/C 347/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over integratie en sociale agenda (initiatiefadvies)

19

2010/C 347/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de gevolgen van de economische partnerschapsovereenkomsten voor de ultraperifere regio's in het Caribische gebied (initiatiefadvies)

28

2010/C 347/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de strategie voor de Europese zuivelsector voor de periode 2010-2015 en daarna (initiatiefadvies)

34

2010/C 347/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over landbouw in de Euromed-regio (met inbegrip van het belang van het werk van vrouwen in de landbouw en de rol van coöperaties) (initiatiefadvies)

41

2010/C 347/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de bevordering van de sociaaleconomische aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika (initiatiefadvies)

48

2010/C 347/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Marokko (initiatiefadvies)

55

 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

460e plenaire zitting op 17 en 18 februari 2010

2010/C 347/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen en het gebruik van biociden (COM(2009) 267 definitief — 2009/0076 (COD))

62

2010/C 347/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vervoerbare drukapparatuur (COM(2009) 482 definitief — 2009/0131 (COD))

68

2010/C 347/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (herschikking) (COM(2009) 427 definitief — 2009/0118 (CNS))

73

2010/C 347/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/71/EG betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (COM(2009) 491 definitief — 2009/0132 (COD))

79

2010/C 347/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Evaluatie van het milieubeleid 2008 (COM(2009) 304 definitief)

84

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

460e plenaire zitting op 17 en 18 februari 2010

18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/1


460E PLENAIRE ZITTING OP 17 EN 18 FEBRUARI 2010

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de afstemming van vaardigheden op de behoeften van de veranderende industrie en dienstensector — Bijdrage tot de eventuele invoering van sectorale raden voor werkgelegenheid en vaardigheden op Europees niveau

(verkennend advies)

(2010/C 347/01)

Rapporteur: de heer KRZAKLEWSKI

Corapporteur: de heer SZŰCS

Vicevoorzitster van de Europese Commissie Wallström heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité op 29 juni 2009, overeenkomstig artikel 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, schriftelijk verzocht om een verkennend advies op te stellen over de:

Afstemming van vaardigheden op de behoeften van de veranderende industrie en dienstensector – bijdrage tot de eventuele invoering van sectorale raden voor werkgelegenheid en vaardigheden op Europees niveau.

De adviescommissie Industriële reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden ter zake was belast, heeft haar advies op 4 februari 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 149 stemmen vóór en 6 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) heeft met belangstelling kennisgenomen van het plan om sectorale raden voor werkgelegenheid en vaardigheden op Europees niveau in te voeren. Volgens het EESC zouden adequaat opgezette en bestuurde sectorale raden, waarvan diverse belanghebbenden deel uitmaken, essentiële ondersteuning moeten bieden bij het in goede banen leiden van sectorale veranderingen, met name als het gaat om het voorspellen van de ontwikkeling van de behoeften op het vlak van werkgelegenheid en vaardigheden, en om het afstemmen van de vaardigheden op vraag en aanbod.

1.2   Het EESC is ervan overtuigd dat Europese sectorale raden (hierna: ESR's) uitkomst kunnen bieden bij het omgaan met sectorale veranderingen, kunnen bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het initiatief „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen” en van nut kunnen zijn bij de besluitvorming over sectorale veranderingen op Europees niveau.

1.3   Op basis van een analyse van de voor- en nadelen die worden beschreven in een studie naar de haalbaarheid van de verschillende opties voor de opzet van de raden, geeft het EESC de voorkeur aan sectorale raden die zijn gebaseerd op de Europese sociale dialoog. De sectorale raden zouden enorm kunnen profiteren van een koppeling (op basis van samenwerking) met de structuren en beleidsactiviteiten in het kader van de Europese sectorale sociale dialoog (hierna: ESD).

Het EESC denkt dat de activiteiten van de Europese comités voor de sectorale sociale dialoog (ECSSD's) model zouden kunnen staan voor het functioneren van de SER's.

1.4.1   Het benadrukt echter dat de ESR's veel breder georiënteerd (vanwege het aantal door hen vertegenwoordigde belanghebbenden) en ook onafhankelijker kunnen zijn dan de ECSSD's, omdat ze zich meer bezighouden met vaardigheden en de arbeidsmarkt dan met sociale dialoog.

1.4.2   Ook vindt het EESC dat in de sectoren waar nog geen ESD-structuren bestaan, ESR's zouden moeten kunnen worden opgericht. Dat zou vervolgens weer kunnen inspireren tot de vorming van ECSSD's.

1.5   Het EESC vindt dat de toekomstige ESR's nauw en regelmatig zouden moeten samenwerken met hun nationale tegenhangers. Tevens zouden de ESR's, door het geven van adviezen en informatie over goede praktijkvoorbeelden, moeten helpen bij de oprichting van nationale raden in sectoren waar deze tot nu toe niet bestaan.

1.6   Behalve hulp bieden bij het omgaan met sectorale veranderingen beschouwt het EESC als de belangrijkste taken die de nieuwe ESR's zouden kunnen uitvoeren:

het analyseren van kwantitatieve en kwalitatieve trends op de sectorale arbeidsmarkten;

het formuleren van beleidsaanbevelingen en uitvoeren van programma's en activiteiten om kwantitatieve en kwalitatieve tekortkomingen op de arbeidsmarkt weg te werken;

het bevorderen van samenwerking tussen ondernemingen en aanbieders van VET (1).

1.7   Voor een doeltreffend functioneren van de ESR's is het belangrijk dat:

ze fungeren als platform voor sociale partners, instellingen voor onderwijs en beroepsopleidingen, overheidsinstanties, -organisaties en -organen, beroepsverenigingen, aanbieders van beroepsonderwijs en –opleiding (VET) en aanbieders van initieel beroepsonderwijs en initiële beroepsopleiding (IVET);

ze sectoren in hun geheel in aanmerking nemen, d.w.z. dat ze zich bezighouden met sectoren in de brede zin van het woord en eventueel met sectorspecifieke beroepsgroepen;

ze oog hebben voor dynamische sectorale veranderingen en het ontstaan van nieuwe sectoren;

vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en in voorkomend geval ook van onderwijsorganisaties en overheidsinstanties bij het bestuur van de ESR's worden betrokken;

ze nauw samenwerken met strategische partners, d.w.z. betrekkingen aanknopen met middelbare scholen, opleidingsinstituten voor schoolverlaters, hogeronderwijsinstellingen, ondernemingen, sectorale raden en regionale overheden;

ze te werk gaan volgens deugdelijke en effectieve arbeidsstrategieën met primaire aandacht voor de reële situatie in de industriële sectoren en de actuele behoeften van o.a. het MKB (informatie over de arbeidsmarkt, manieren om een sector voor arbeidskrachten aantrekkelijk te maken, manieren om werknemers voor een sector te behouden, e.d.;

ze in de eerste plaats vanuit Europees perspectief kijken naar de situatie op en de behoeften van de arbeidsmarkt;

ze ertoe bijdragen een aanpak te ontwikkelen waarbij gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijke methodologie, gebaseerd op de taken die in een bedrijf moeten worden uitgevoerd (de resultaten), zodat een duidelijk audittraject kan worden opgesteld, waarbij niet alleen de activiteiten op de werkvloer maar ook onderwijs, beroepsopleiding en kwalificaties worden bekeken.

1.8   Om de invloed van ESR's op het proces van veranderingen in de branche te vergroten, stelt het EESC voor dat zij zich onder meer gaan bezighouden met permanente scholing op alle niveaus, vooral met voortgezette beroepsopleiding (CVET) – in combinatie met initieel beroepsonderwijs en initiële beroepsopleiding (IVET) - en andere vormen van levenslang leren en de erkenning van de vaardigheden van werknemers.

1.9   Er zou in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan kennisintensieve sectoren bij voorkeur gekoppeld aan thema's als „groene economie”.

Volgens het EESC zouden de sectorale raden moeten voortbouwen op en bijdragen tot de verdere ontwikkeling van datgene wat politiek reeds tot stand is gebracht, zoals het Europees kwalificatiekader (EKK), het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten (ECTS), het Europees systeem voor studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET), het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding (EQARF) en Europass.

1.10.1   Belangrijk is om m.b.v. de open-coördinatiemethode te streven naar harmonisatie van het beleid inzake permanente opleiding.

1.11   Het EESC dringt erop aan dat de op te richten ESR's continu gaan samenwerken met Europese universiteiten en hogeronderwijsinstellingen, die de schakel moeten gaan vormen tussen het bedrijfsleven en het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van scholing. Uit het University Business Forum bleken al de voordelen van deze samenwerking voor het bedrijfsleven en het hoger onderwijs. (2)

1.12   Wat de betrekkingen van de Europese sectorale raden met Cedefop en Eurofound betreft, vindt het EESC dat structurele ondersteuning van en informatieverstrekking aan de sectorale raden zou moeten worden opgenomen in het takenpakket van Cedefop en Eurofound. Daarvoor zouden deze organisaties extra middelen moeten krijgen.

1.13   Het EESC pleit ervoor dat de sectorale raden, zowel op Europees als op nationaal niveau, samenwerken met en op sommige vlakken zelfs worden gekoppeld aan de waarnemingscentra voor werkgelegenheid en vaardigheden en hun nationale en Europese netwerken. Dit geldt voor de raden waarvan de organisatiestructuur niet zulke waarnemingscentra omvat. In de lidstaten waar sectorale raden worden opgezet, zou de oprichting van dergelijke waarnemingscentra en de vorming van netwerken met regionale waarnemingscentra – voor zover daarvan al geen sprake is – moeten worden ondersteund.

Het EESC is van mening dat al vanaf het begin van het proces dat moet leiden tot de invoering van sectorale raden op Europees niveau, middelen zouden moeten worden uitgetrokken voor de financiering van de oprichting en de werking van deze raden. Verder zouden middelen moeten worden vrijgemaakt voor facilitaire ondersteuning van de sectorale raden en voor de ontwikkeling van de waarnemingscentra voor arbeidsmarkt en vaardigheden, die samenwerken met of deel uitmaken van de organisatiestructuur van de raden.

1.14.1   Het EESC beveelt de Commissie aan om tijdens de uitwerking van het proefproject voor ESR's in eerste instantie de oprichting te overwegen van een beperkt aantal raden in plaats van meteen voor 20 sectoren raden in te stellen. Dit om budgettaire redenen, aangezien het gemakkelijker is financiering te krijgen voor de oprichting van 4 à 5 raden per jaar. Dergelijke financiering op de middellange termijn lijkt cruciaal voor het ESR-project.

1.15   Innovaties op onderwijsgebied zouden op vakkundigere wijze moeten worden aangestuurd. De onderwijs- en opleidingsstelsels in de EU moeten absoluut worden verbeterd om de inzetbaarheid te vergroten en ongelijkheid te verkleinen. Institutionele veranderingen in het onderwijs houden nauwelijks gelijke tred met de maatschappelijke behoeften. Overheden moeten erop letten dat veranderingen, innovaties, onderwijs en beroepsopleiding nauw verband met elkaar houden.

1.16   Het EESC pleit ervoor om onderwijs en beroepsopleidingen opnieuw meer op de praktijk af te stemmen en aldus beter te laten aansluiten op de maatschappelijke behoeften en de gewoontes van de nieuwe generaties lerenden.

2.   Achtergrond voor het opstellen van dit verkennend advies

Mevrouw Wallström, vicevoorzitster van de Europese Commissie, heeft het EESC op 29 juni 2009 per brief verzocht een verkennend advies op te stellen over het thema „Afstemming van vaardigheden op de behoeften van de veranderende industrie en dienstensector – bijdrage tot de eventuele invoering van sectorale raden voor werkgelegenheid en vaardigheden op Europees niveau”.

2.1.1   In haar brief sprak Wallström over de huidige crisis en over mogelijke maatregelen om de arbeidsmarkt beter af te stemmen op de productiebehoeften en de herstructureringen in de industrie en dienstensector socialer te laten verlopen.

2.1.2   Hiertoe is het volgens de Commissie cruciaal dat huidige en toekomstige arbeidskrachten de vaardigheden kunnen verwerven die het bedrijfsleven nodig heeft om zich aan veranderingen te kunnen aanpassen. Daarover gaat het in haar onlangs verschenen mededeling „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen” (COM(2008) 868 final), bedoeld om de vaardigheden die Europa in de periode tot 2020 nodig heeft in kaart te brengen en te evalueren, en om in de EU meer mogelijkheden te creëren voor het anticiperen op arbeidsmarktontwikkelingen, en het op elkaar afstemmen van vaardigheden en werkgelegenheid.

2.1.3   Op 4 november 2009 heeft het EESC een advies over genoemde mededeling goedgekeurd (3).

2.2   In het kader van de mededeling wordt momenteel op verzoek van de Commissie gewerkt aan een studie over de haalbaarheid van de invoering van sectorale raden voor werkgelegenheid en vaardigheden op Europees niveau. Tijdens het opstellen van onderhavig advies, beschikte het EESC over een voorlopige versie van deze haalbaarheidsstudie (4)

3.   Ontwikkelingen en innovaties op het gebied van onderwijs en opleiding in de EU

a)   Innovaties in opleidingsstelsels

3.1   Om het arbeidspotentieel in Europa ten volle te benutten, moet het menselijk kapitaal worden versterkt. Dat is belangrijk voor de inzetbaarheid en werkgelegenheid, het vermogen zich aan veranderingen aan te passen – zeker in het licht van de huidige economische crisis – en de sociale samenhang.

3.2   Een belangrijke doelstelling uit het Verdrag van Lissabon is meer mobiliteit voor de burgers. Om werknemers de kans te geven in een ander land of in een andere sector te gaan werken, moeten werkgevers kunnen vergelijken en bekijken of de vaardigheden van kandidaat-werknemers aansluiten bij de behoeften van hun bedrijf. Dat is waar de oproep van de Commissie om vaardigheden af te stemmen op de behoeften van het bedrijfsleven in essentie om draait.

3.3   De nieuwe ESR's moeten aanzetten tot het gebruik van een gemeenschappelijke methodologie die is gebaseerd op de taken die in een bedrijf moeten worden uitgevoerd (de resultaten), zodat een duidelijk audittraject kan worden opgesteld, waarbij niet alleen de activiteiten op de werkvloer maar ook onderwijs, beroepsopleiding en kwalificaties worden bekeken.

3.4   Innovaties op onderwijsgebied zouden op vakkundigere wijze moeten worden aangestuurd. De onderwijs- en opleidingsstelsels in de EU moeten absoluut worden verbeterd om de inzetbaarheid te vergroten en ongelijkheden te verkleinen. Institutionele veranderingen in het onderwijs houden nauwelijks gelijke tred met de maatschappelijke behoeften. Overheden moeten erop letten dat veranderingen, innovaties, onderwijs en beroepsopleiding nauw op elkaar aansluiten.

3.5   Er bestaan belangrijke dwarsverbanden tussen innovaties op onderwijsgebied en de kennis- en informatiemaatschappij. Opleidingsinstellingen dienen aandacht te schenken en belang te hechten aan nieuwe leervormen. Met nieuwe leermethoden, waaronder op ICT gebaseerde modellen voor samenwerkend leren, zouden diverse vormen van levenslang leren – zoals volwassenenonderwijs, hoger onderwijs, lager en middelbaar onderwijs en informele leervormen – gemakkelijker op elkaar moeten kunnen worden afgestemd. Aldus kunnen de scheidsmuren tussen opleidingsinstanties worden verlaagd.

3.6   Met name bij het motiveren van werknemers om zich bij te scholen, is het cruciaal ruimschoots aandacht te schenken aan eerdere leerervaringen en vroeger behaalde diploma's. Erkenningssystemen en beroepskwalificaties zouden beter moeten aansluiten op de leerprestaties en bureaucratische barrières zouden moeten worden geslecht.

3.7   Informele en niet-formele leervormen zouden in het beleid moeten worden geïntegreerd, waarbij moet worden erkend dat levenslang leren realiteit wordt, onder meer dankzij digitale en sociale leervormen.

b)   Grotere betrokkenheid van belanghebbenden

3.8   Het huidige globaliseringsproces en de snelle technologische veranderingen leiden tot problemen, omdat vaardigheden van arbeidskrachten tekortschieten en vragen om een betere integratie van onderwijs, opleiding en werk. Door belanghebbenden meer bij programma's voor levenslang leren te betrekken, zouden innovaties in opleidingsstelsels vlotter kunnen worden uitgedacht, uitgevoerd en geëvalueerd, waarmee adequater op de snel veranderende vraag naar vaardigheden zou kunnen worden ingespeeld. Vergroting van kennis, bewustwording en meer betrokkenheid van het bedrijfsleven zijn in dit verband onontbeerlijk.

3.9   Werkgevers zouden zich niet alleen beter moeten realiseren dat scholing van werknemers helpt om aan de huidige economische vereisten te voldoen, maar zouden dergelijke scholing ook moeten stimuleren, omdat daarmee op middellange en lange termijn het menselijk kapitaal wordt versterkt.

3.10   Er zou een algemener besef moeten komen dat stimulering van de ondernemingsgeest zeer nuttig is. Het vrije verkeer van werknemers en de bevordering van de mobiliteit van arbeidskrachten zouden in het arbeidsmarktbeleid een grotere rol moeten spelen. Er zou meer en betere informatie beschikbaar moeten komen over arbeidsmarkten, arbeidsmarkttrends en vaardigheidseisen, en werkzoekenden zouden beter moeten worden begeleid en ondersteund.

c)   Onderwijs en beroepsopleidingen die beter aansluiten op de praktijk

3.11   Het EESC pleit ervoor om onderwijs en beroepsopleidingen opnieuw meer op de praktijk af te stemmen en aldus beter te laten aansluiten op de maatschappelijke behoeften en op de gewoontes van de nieuwe generaties lerenden. Innovatieve opleidingsvormen bieden mogelijkheden om doeltreffend in onderwijs te investeren, en maken scholing toegankelijker voor ondernemingen.

3.12   Er dient een verschuiving plaats te vinden van een cursusgerichte aanpak naar beroepskwalificaties en opleidingen waarbij de leerresultaten centraal staan.

3.13   In de kennismaatschappij gaan werken en leren elkaar steeds meer overlappen. Daarom zouden alle vormen van werkend leren moeten worden gestimuleerd. In dit verband moet prioriteit worden gegeven aan het motiveren van mensen om scholing te volgen, en aan het vergroten van het engagement van bedrijven om hun werknemers over te halen deel te nemen aan opleidingsprogramma's.

4.   De achtergrond van de sectorale en horizontale raden (5) op verschillende niveaus.

4.1   De sectorale en horizontale raden  (6) proberen inzicht te krijgen in de waarschijnlijke ontwikkeling van de behoeften op het vlak van werkgelegenheid en vaardigheden. Doel is ondersteuning te bieden bij het opstellen van het beleid. Het werk van de raden kan zich beperken tot het maken van analyses, maar kan ook bestaan uit het aanpassen en implementeren van beleid.

4.2   Deze raden zijn georganiseerd van opzet, opereren op permanente basis en bieden een platform aan de verschillende groepen belanghebbenden die bij het bestuur van de raad zijn betrokken. Dat zijn met name overheidsinstanties, -organen en -organisaties, sociale partners en instellingen voor onderwijs, beroepsopleiding en onderzoek.

Sectorale raden kunnen op verschillende geografische niveaus voorkomen. Hun hoofdbezigheid is het onderzoeken van veranderingen in de de vraag naar vaardigheden van één of meerdere nader bepaalde beroepsgroepen, industrietakken of sectoren. Soms heeft een nationale sectorale raad regionale afdelingen.

4.3.1   Volgens de Stichting van Dublin is het regionale of clusterniveau essentieel voor dit soort raden. Deze Stichting benadrukt dat de landelijke en Europese raden moeten handelen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel. Ter bevordering van de communicatie tussen de bestuursorganen van de regionale/clusterraden moeten mogelijke synergieën, bijv. op het vlak van monitoring en wetenschappelijk onderzoek, optimaal worden benut.

4.4   De nationale raden houden zich bezig met initieel beroepsonderwijs en initiële beroepsopleiding (IVET) of met voortgezette beroepsopleiding (CVET). In sommige landen houden zij zich met beide bezig, wat de synergie ten goede komt en waarmee dubbel werk wordt voorkomen.

4.5   De in de haalbaarheidsstudie geanalyseerde raden hebben dezelfde algemene doelstelling: vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar afstemmen in zowel kwantitatief (arbeidsplaatsen) als kwalitatief (vaardigheden) opzicht. Toch bestaan er verschillen in de manier waarop die doelstelling wordt gerealiseerd en zijn er ook verschillen tussen aan de ene kant raden die zich concentreren op IVET, en aan de andere kant raden die de nadruk leggen op CVET (dit geldt voor de landen waar de opleiding is opgesplitst in IVET en CVET).

4.6   De belangrijkste doelstelling van de nationale horizontale (intersectorale) raden in de meeste lidstaten is het opsporen, kwantitatief analyseren en voorspellen van langetermijntrends op de arbeidsmarkt alsmede het voorstellen van maatregelen als antwoord op nieuwe ontwikkelingen.

4.7   Horizontale raden houden zich vaak niet alleen met kwantitatieve, maar ook met kwalitatieve kwesties bezig. De leden van zulke raden (bijv. de leden van het Deense adviescomité voor onderwijs en opleiding) adviseren de minister van onderwijs o.g.v. trends op de arbeidsmarkt niet alleen over de vaststelling van nieuwe kwalificaties en de samenvoeging resp. opheffing van bestaande kwalificaties, maar ook over algemene aspecten van het beroepsonderwijs, zoals de onderlinge afstemming van opleidingsprogramma's.

4.8   In een deel van de lidstaten hebben de regionale horizontale raden dezelfde doelstellingen als hun nationale tegenhangers. Ze geven regionale gegevens door aan onderzoeksinstituten en laten hen ramingen maken van toekomstige aantallen arbeidsplaatsen en toekomstige behoeften aan vaardigheden. Interessant is dat een aantal horizontale regionale raden alles in het werk stelt om de huidige instroom van jongeren in het beroepsonderwijs (IVET) in kwantitatief opzicht af te stemmen op de toekomstige kwalitatieve behoeften aan vaardigheden.

4.9   Belangrijkste doel van de nationale sectorale raden die zich bezighouden met IVET, is om ervoor te zorgen dat nieuwkomers op de arbeidsmarkt over de juiste basisvaardigheden beschikken.

4.10   Belangrijkste doel van de nationale sectorale raden die zich bezighouden met CVT, is om de vaardigheden van degenen die al op de arbeidsmarkt actief zijn, te verbeteren. Daartoe gaan deze raden na wat de opleidingsbehoeften van werknemers zijn en organiseren ze zelf cursussen of financieren ze cursussen die door anderen worden aangeboden.

De verschillen tussen de nationale en regionale raden zitten hem in de uiteenlopende taken die zij verrichten. Voorbeelden van de taken van sectorale en horizontale raden zijn:

analyseren van kwantitatieve trends op de arbeidsmarkt;

analyseren van kwalitatieve trends op de arbeidsmarkt;

formuleren van beleidsmaatregelen om kwantitatieve tekortkomingen weg te werken;

formuleren van beleidsmaatregelen om kwalitatieve tekortkomingen weg te werken;

formuleren van voorstellen voor het actualiseren van kwalificaties en diploma's;

bevorderen van samenwerking tussen ondernemingen en aanbieders van VET;

implementeren van programma's en maatregelen om (kwantitatieve en kwalitatieve) tekortkomingen weg te werken.

4.11.1   Slechts enkele sectorale raden uit de lidstaten verrichten al deze taken. Bijna alle horizontale en sectorale raden maken analyses van kwantitatieve en kwalitatieve trends op de arbeidsmarkt. In mindere worden door deze raden beleidsmaatregelen geformuleerd. De meeste voeren onderzoek uit of geven anderen daartoe opdracht.

4.11.2   Heel vaak analyseren de raden kwalitatieve trends op de arbeidsmarkt, formuleren zij beleidsvoorstellen. (bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van beroepsprofielen en lesprogramma's) en geven aan hoe kwalitatieve tekortkomingen weggewerkt kunnen worden. Een groot aantal raden tracht de samenwerking tussen ondernemingen en aanbieders van beroepsopleidingen te bevorderen.

4.11.3   Enkele nationale raden implementeren programma's en maatregelen om ervoor te zorgen dat op de arbeidsmarkt minder vaak sprake is van tekortschietende kwalificaties. Met name de regionale horizontale raden in de nieuwe lidstaten formuleren beleidsmaatregelen om kwalitatieve tekortkomingen weg te werken.

De door de verschillende raden gebruikte instrumenten houden nauw verband met hun doelstellingen en taken. Zeer belangrijk voor de raden zijn gegevens over kwantitatieve en kwalitatieve trends op de arbeidsmarkt. Gebruikelijk is dat die gegevens door externe instanties worden verzameld en geanalyseerd, behalve als de organisatiestructuur van een raad bijvoorbeeld een waarnemingscentrum voor de arbeidsmarkt omvat.

4.12.1   Er moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het verzamelen en analyseren van gegevens over de arbeidsmarkt en anderzijds het nemen van beleidsbesluiten naar aanleiding van trends op de arbeidsmarkt.

Aan het bestuur van de sectorale raden die momenteel in de EU-lidstaten en andere landen opereren, wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van werkgevers (die gewoonlijk een leidinggevende rol hebben) en werknemers, en in voorkomend geval ook door vertegenwoordigers van aanbieders van opleidingen en de overheid (lokale overheden in het geval van regionale raden). Het bestuur van de raden is klein van omvang (ter bevordering van de besluitvorming) of bestaat uit een relatief groot aantal personen (om zo representatief mogelijk te zijn). De bestuursleden van de raden moeten in de regel uit het bedrijfsleven afkomstig zijn en aanzien en geloofwaardigheid in de sector genieten.

4.13.1   Het EESC wijst erop dat kwesties omtrent arbeidsverhoudingen niet op de agenda van de raden mogen worden gezet. Met dergelijke kwesties houden de comités voor de sectorale dialoog zich bezig. Anderzijds komen in de raden veel zaken aan bod die voor de werkgevers en werknemers van vitaal belang zijn, wat binnen de sociale dialoog de druk enigszins van de ketel haalt.

4.13.2   Sectorale raden bundelen organisatorisch gezien vaak hun krachten. In Canada hebben zij zich verenigd in de Alliantie van sectorale raden, waarbinnen zij informatie en instrumenten uitwisselen en gezamenlijke procedures uitstippelen voor bijvoorbeeld de ontwikkeling van nationale beroepsvereisten.

5.   Bijzondere opmerkingen

Waarnemingscentra voor de arbeidsmarkt als belangrijke pijlers voor een efficiënt functioneren van de sectorale raden

In de EU-lidstaten zijn op nationaal, sectoraal en regionaal niveau verschillende waarnemingscentra voor de arbeidsmarkt actief. Soms functioneren deze waarnemingscentra binnen de bestaande raden voor werkgelegenheid of opereren ze onder een andere naam.

5.1.1   De waarnemingscentra houden zich bezig met:

monitoring van trends op de arbeidsmarkt en arbeidsmarktbeleid;

verzamelen, analyseren en interpreteren van gegevens;

doorgifte van gegevens aan gebruikers naargelang van hun behoeften.

5.1.2   Het is van groot belang dat de waarnemingscentra nationale en internationale netwerken vormen. Ze kunnen vanwege de flexibiliteit op de Europese en mondiale markten niet succesvol zijn als ze zich van elkaar isoleren.

5.1.3   Elk waarnemingscentrum zal, als instrument voor het maken van prognoses om veranderingen op de arbeidsmarkt beter te kunnen zien aankomen, slechts aan belang kunnen winnen en zich kunnen ontwikkelen als het zich niet alleen concentreert op zijn eigen doelstellingen mar ook regelmatig structurele contacten onderhoudt met andere waarnemingscentra.

5.2   Het is de taak van de waarnemingscentra om strategische informatie te verstrekken aan de partijen die bij veranderingen betrokken zijn. Behalve sociale partners en nationale overheden zijn dat kleine en middelgrote ondernemingen, opleidingsinstituten, lokale overheden en diensten voor arbeidsvoorziening en bedrijfsondersteuning.

5.3   De werkzaamheden van de waarnemingscentra voor de arbeidsmarkt moeten het volgende omvatten:

identificeren van prioriteiten op het vlak van scholing en zorgen dat de vaardigheden die worden ontwikkeld, goed aansluiten op het genereren van werkgelegenheid;

monitoring van veranderingen en behoeften op de arbeidsmarkt;

analyseren van statistische gegevens over onderwijs en werkgelegenheid;

geven van voorlichting en draaiende houden van een dienst ter ondersteuning van de overgang van onderwijs/opleiding naar werk, die als hoofdtaken heeft:

monitoring van onderwijs- en opleidingstrajecten die moeten uitmonden in een baan;

definiëren van veranderingen in en de verhouding tussen vraag en aanbod in economische sectoren en beroepsgroepen;

coördineren van onderzoek en enquêtes en bevorderen van innovatie en ontwikkeling;

verspreiden van informatie over werkgelegenheid en vaardigheden onder uiteenlopende doelgroepen.

5.4   De waarnemingscentra kunnen ook op systematische wijze analyses maken van de arbeidsmarkt op nationaal, lokaal of sectoraal niveau. Verder voeren ze op sectoraal niveau comparatieve analyses uit en onderzoeken ze welke regionale, sectorale en lokale behoeften er bestaan aan beroepen en specialisaties, teneinde de toekomstige vraag naar vaardigheden vast te kunnen stellen.

5.5   De waarnemingscentra zouden de volgende taken kunnen uitvoeren ter ondersteuning van of in aanvulling op de activiteiten van de sectorale en horizontale raden voor arbeidsmarkt en vaardigheden:

opstellen en analyseren van prognoses van sociaal-economische veranderingen op nationaal, sectoraal en regionaal niveau, teneinde te bepalen welke nieuwe werkgelegenheid in zeer bedreigde sectoren of regio's zal ontstaan;

actualiseren van traditionele sectorale structuren, om de vaardigheden van werknemers beter op de behoeften te kunnen afstemmen;

stimuleren van partnerschappen voor reconversie en innovatie door middel van:

vorming van netwerken met andere waarnemingscentra en belanghebbenden;

ontwikkeling van strategieën voor levenslang leren;

levering van beroepsadviesdiensten;

uitwerking van scholingsprogramma's in samenwerking met het bedrijfsleven, de sectoren en de actoren achter lokale werkgelegenheidsinitiatieven.

5.6   De waarnemingscentra voor de arbeidsmarkt, waarin verschillende belanghebbenden zijn verenigd, moeten ook deelnemen aan debatten tussen de betrokken partijen (bijv. de sectorale en horizontale raden voor werkgelegenheid) over Europese, nationale, sectorale, regionale en lokale economische trends. De waarnemingscentra zijn met name spelen met name belangrijk voor het opsporen van nieuwe werkgelegenheid en het verwerven van inzicht in nieuwe economische activiteiten, nieuwe vormen van werk en nieuwe vaardigheden.

Wat de banden tussen sectorale raden en waarnemingscentra voor de arbeidsmarkt betreft: in diverse lidstaten (zoals Frankrijk en Zweden) zijn er sectorale waarnemingscentra voor de arbeidsmarkt die in opdracht van de nationale sectorale CVET-raden de opleidingsbehoeften in de sector in kaart brengen (in Frankrijk verricht het waarnemingscentrum dergelijk onderzoek in opdracht van de commissie voor sectorale opleidingsfondsen (5)).

5.7.1   Op verzoek van regionale horizontale raden onderzoeken regionale waarnemingscentra voor de arbeidsmarkt in bepaalde lidstaten welke sectoren groeien en welke krimpen. Dit levert bredere en coherente informatie op waar regionale autoriteiten, de sociale partners en opleidingsinstellingen hun voordeel mee doen als ze proberen uit te zoeken welke van de verschillende soorten door regionale opleidingscentra aangeboden IVET- en VET-opleidingen in een behoefte voorzien.

5.7.2   Wat de op te richten ESR's betreft: de rol van de met hen samenwerkende Europese waarnemingscentra zou kunnen worden vervuld door de Stichting van Dublin (Eurofound) en Cedefop, m.n. bij de uitvoering van proefprojecten. In een later stadium zouden ESR's kunnen samenwerken met supranationale netwerken van waarnemingscentra voor de arbeidsmarkt.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  VET: beroepsonderwijs en –opleiding.

(2)  Mededeling van de Commissie „Een nieuw partnerschap voor de modernisering van de universiteiten: het EU-forum voor dialoog tussen universiteiten en bedrijven”, COM(2009) 158 final, 2 april 2009.

(3)  PB C 128, 18.5.2010, blz. 74.

(4)  Feasibility study on the setup of Sectoral Councils on Employment and Skills at the European Level, uitgevoerd door ECORYS/KBA (2009) in opdracht van de Europese Commissie, DG Werkgelegenheid, sociaal beleid en gelijke kansen.

(5)  Deze paragraaf is gebaseerd op de in voetnoot 4 genoemde haalbaarheidsstudie.

(6)  Als alle werknemers of alle ondernemingen in een bepaald gebied betrokken zijn bij de activiteiten van een raad, dan wordt gesproken van een horizontale (transversale, intersectorale) raad.


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/8


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de agenda van Lissabon en de interne markt

(initiatiefadvies)

(2010/C 347/02)

Rapporteur: de heer CALLEJA

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 februari 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De agenda van Lissabon en de interne markt.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 9 oktober 2009 goedgekeurd. Krachtens artikel 42 van het reglement van orde heeft de voorzitter deze afdeling met instemming van het bureau op 19 januari 2010 verzocht het advies opnieuw in behandeling te nemen.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 184 stemmen vóór en 16 tegen, bij 34 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

De Lissabonstrategie heeft als doel om van Europa de meest dynamische kenniseconomie te maken die de wereldwijde concurrentie achter zich laat en in staat is om in 2010 duurzame economische groei te realiseren met meer en betere banen, meer sociale cohesie en meer aandacht voor het milieu. Na de herziening van 2005 zijn de nationale overheden nu serieus bezig met hun eigen hervormingsprogramma's en gaan ze jaarlijks na welke vooruitgang is geboekt met de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling. Deze doelstellingen zullen weliswaar niet worden gehaald in het streefjaar 2010, maar met een betere Europese governance zou het wel moeten lukken om de vereiste kortetermijnactiviteiten uit te voeren. De volgende herziening van de Lissabonstrategie staat nu echter voor de deur. De Raad zal in dit verband tijdens zijn voorjaarstop de nodige besluiten nemen. Het document van de Commissie over de raadplegingsronde inzake de EU 2020-strategie (1) vormt hiervoor een goede basis.

1.1.1   De Commissie en de lidstaten moeten belangrijke en beslissende stappen zetten om de interne markt te voltooien en tegelijkertijd de sociale en milieunormen te kunnen waarborgen en verder te ontwikkelen. Hoewel de Lissabonstrategie en de interne markt qua governance-model van elkaar verschillen, zijn ze met elkaar verweven. Een dynamische interne markt is een voorwaarde voor een succesvolle EU-2020-strategie en kan in dit verband tegelijkertijd de nodige ondersteuning bieden.

1.2   Het EESC zou graag zien dat de lidstaten hun strategie en houding ten opzichte van de regelgeving voor de interne markt bijstellen en pleit daarom voor het volgende:

Betere regelgeving: er dient absoluut een transparantere en ondubbelzinnige regelgeving te komen die beter, tegen minder kosten en zonder tijdverlies voor het bedrijfsleven en het publiek kan worden toegepast. Dit is nodig om grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken. Tegelijkertijd is het duidelijk dat de problemen op de financiële markten, de behoefte aan een groenere economie en de uitbreiding van de dienstensector om de vergrijzing op te vangen, een herijking van de interne markt en de markteconomie kunnen vergen. Betere regelgeving betekent niet automatisch minder regels of gedereguleerde markten. Er mag geen aanleiding zijn om concurrerende stelsels te maken die sommige lidstaten onterechte voordelen opleveren. De stroomlijning van de stelsels zou via een overeenkomst geregeld moeten worden die rekening houdt met de afstemming van economische en sociale omstandigheden, met gelijke kansen voor ondernemingen, terwijl meer cohesie, sociale rechtvaardigheid en vrij verkeer van kapitaal en werknemers gewaarborgd worden.

Betere uitvoering: de regelgeving zou in alle lidstaten op dezelfde manier, uniform geïnterpreteerd en met zo weinig mogelijk uitzonderingen moeten worden omgezet. Op niet-geharmoniseerde gebieden dient de wederzijdse erkenning te worden verbeterd.

Beter toezicht: het gezag van de Commissie als hoedster van de interne markt zou moeten worden versterkt. De coördinatie van toezicht en handhaving zou erop vooruit gaan als in elke lidstaat één enkel orgaan zijn gezag aanwendt voor een uniforme toepassing van de regels voor de interne markt en hierop door de Commissie kan worden aangesproken.

Meer grensoverschrijdende samenwerking, informatie en snelle afhandeling van klachten: door te werken aan een hechtere onderlinge werkrelatie moeten de bevoegde overheden van de lidstaten elkaar meer gaan vertrouwen en beter gaan begrijpen. De al door de Commissie opgerichte netwerken zouden als basis voor samenwerking moeten dienst doen. Dan moeten ze wel operationeel zijn in alle lidstaten en de burger beschermen en informeren. Een goed werkend netwerk zorgt voor het nodige toezicht en legt de import aan banden van producten uit derde landen die niet aan de EU-normen voldoen. Dat komt de kwaliteit van producten en de veiligheid van consumenten ten goede en zorgt voor gelijke voorwaarden voor bedrijven in de EU.

Meer rechtvaardigheid voor de burger: de handhaving van de regelgeving voor de interne markt zal erop vooruit gaan als de nationale rechters relevante opleidingen op het gebied van Europese wetgeving kunnen volgen. De sociale partners verkennen momenteel diverse alternatieven om de spanningen op te lossen tussen de vrijheden van de interne markt enerzijds en de grondrechten anderzijds.

Intensivering van het toezicht op de interne markt: de verwachting is dat dit de beste ideeën zal opleveren over hoe betere regelgeving en een beter beleid kunnen worden ontworpen en toegepast. Het gaat hier om pragmatische benaderingen die tot doel hebben specifieke kwesties in landen en op markten aan te pakken. In dit verband zouden ook gemelde belemmeringen voor de handel op de interne markt moeten worden onderzocht en aangepakt (2).

Prioriteit voor de interne markt: de EU moet haar prioriteiten voor de komende jaren bijstellen. Nog onopgeloste kwesties met betrekking tot de interne markt zouden de uitvoering van de Lissabonagenda namelijk in de weg kunnen staan.

Het is met name van belang dat de dienstenrichtlijn volledig in de geest en volgens de regels van de interne markt wordt omgezet. Een groot probleem in dit verband is dat er nog steeds geen vrij verkeer van werknemers is uit sommige van de laatst toegetreden lidstaten. Voor een goede toepassing en verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn inzake detachering van werknemers, namelijk eerlijke concurrentie tussen bedrijven, inachtneming van de rechten van werknemers en vermijding van sociale dumping, zijn efficiënte en duidelijke nationale uitvoeringsbepalingen nodig.

Een van de problemen van de interne markt en de EU is dat lonen en arbeidsvoorwaarden een concurrentiefactor zijn geworden. Bescherming van arbeidsnormen zal belangrijker worden en deel moeten uitmaken van de nieuwe EU 2020-strategie.

Onnodig en milieu-onvriendelijk langeafstandstransport wordt door de interne markt gestimuleerd. Dat druist in tegen de steeds hogere eisen die worden gesteld aan het milieubeleid en het beleid voor duurzame ontwikkeling.

Het EESC stemt in met de conclusies de Raad Milieu (3); in een advies (4) onderstreepte het dat de externe kosten moeten worden geïnternaliseerd om tot een juiste prijsstelling te komen, waarbij de kosten van uitblijvend optreden en de waarde van ecosysteemdiensten worden onderkend.

1.3   Voor de EU 2020-strategie is een efficiënt werkende interne markt nodig. Bij de volgende herziening van het Lissabonproces moet de EU doortastend optreden en ernaar streven om qua economische en sociale ontwikkeling wereldwijd de toon aan te geven. Zij zou hierbij gebruik moeten maken van de uiteenlopende economische concurrentievoordelen van diverse EU-regio's, die op een efficiënte en goed werkende interne markt opereren.

1.4   Met de EU 2020-strategie moeten de meest urgente kwesties worden aangepakt:

Het herstelplan uitvoeren om de EU uit de recessie te halen en een echte exitstrategie te ontwikkelen waarmee de lidstaten de al goedgekeurde doelstellingen gemakkelijker kunnen verwezenlijken. Deze strategie moet de veranderingen helpen doorvoeren die nodig zijn om de industrie „groener” te maken en tegelijkertijd de consumptiepatronen van consumenten zo te beïnvloeden dat zij een groenere economie ondersteunen.

Concrete maatregelen en richtsnoeren voor eco-efficiëntie, met een geïntegreerde strategie en een actieplan om dit jaar eco-innovatie te promoten; en het aangekondigde Europese innovatieplan om op dit gebied een concurrerende en geharmoniseerde markt tot stand te brengen.

Werken aan een exitstrategie voor staatssteun in de bank-, verzekerings- en financiële sector en tegelijkertijd voor meer toezicht en regulering zorgen. In dit verband zou onder meer de rol van de overheid bij het overeind houden van de financiële sector geleidelijk moeten worden afgebouwd, waarbij het streven dient te zijn om een efficiënte werking van de sector te waarborgen, de overheidsschuld omlaag te brengen en er tegelijketrijd voor te zorgen dat financiële activiteiten blijven bijdragen aan de economische stabiliteit en groei.

Meer aandacht schenken aan de noodzakelijke structurele veranderingen, gezien de demografische verschuivingen en de daarmee samenhangende problemen. Er dienen nu concrete maatregelen genomen te worden om de „Small Business Act” in de lidstaten ten uitvoer te brengen.

1.5   Een strategie voor verdere uitbreiding van de EU: Bij verdere uitbreidingen van de EU zou als voorwaarde moeten gelden dat aspirant-lidstaten eerst hun wetgeving aanpassen aan het acquis en voldoen aan alle vereisten inzake een goede governance, de rechtstaat en een duurzame economie.

1.6   De crisis de baas worden

De financiële crisis, die economie en samenleving in het hart heeft geraakt, moet zo soepel en snel mogelijk worden aangepakt. Om de werkgelegenheid en het economisch welzijn op peil te houden, is het van cruciaal belang dat bedrijven kredieten krijgen en dat er in O&O wordt geïnvesteerd.

Een absolute voorwaarde is in dit verband dat het vertrouwen in de Europese financiële sector wordt hersteld. Dit is alleen mogelijk via een grondige herziening van het toezicht en de regulering door de overheid. Deze moeten worden aangescherpt om in de pas te blijven lopen met de toenemend mondiale dimensie van de operaties op de financiële markten. Gezien de snelheid waarmee financiële crises massaal overslaan van één land naar de rest van de wereld (doordat de onderlinge afhankelijkheid van landen toeneemt), zou het zeer wenselijk zijn dat bindende vormen van financiële regelgeving en toezicht op mondiaal niveau gecoördineerd worden.

De lidstaten zouden de benadering van de ECB moeten steunen, die rekening houdt met de economie en de werkgelegenheid, op dezelfde manier als met de prijsstabiliteit, de economie in de eurozone permanent in de gaten houdt en de ECOFIN-Raad aanbevelingen aan de hand doet. In dit verband zou het ook passend zijn om te kijken naar de daadwerkelijke taken van de Eurogroep en zijn bijdrage aan de formulering van het monetaire beleid voor de euro.

Om te voorkomen dat de sociale en werkgelegenheidssituatie nog verder verslechtert door de financiële en economische crisis moeten de lidstaten en de EU al het nodige doen om hun sociale maatregelen aan te passen aan de huidige crisis, zonder afbreuk te doen aan de sociale zekerheid en de koopkracht van werknemers; de cohesie op de interne markt moet worden behouden, met oog voor de houdbaarheid van sociale stelsels en de noodzaak van een solide fiscaal beleid. Tegelijkertijd is het zaak de arbeidsmarkten te stabiliseren en aldus voor te bereiden op het herstel van de economie. In dit verband zijn ook grootscheepse extra maatregelen nodig met betrekking tot de (vervolg)opleiding van werknemers én verdere maatregelen inzake op kennis gebaseerd onderwijs die zouden moeten leiden tot meer hoogwaardige arbeidsplaatsen. Sociale maatregelen moeten worden aangepast voor de bestrijding van de huidige economische crisis, maar dienen tevens sociaal aanvaardbaar te zijn, wil men de sociale dimensie van de interne markt behouden.

Betere methoden om vorderingen op sociaal, economisch en ecologisch gebied te meten. Naast het BBP zijn er andere maatstaven nodig om een beter inzicht te krijgen in de vooruitgang die qua duurzame ontwikkeling en welzijn wordt geboekt.

1.7   Europa's positie op de wereldmarkt verbeteren

1.7.1   Europa moet zijn internationale positie verbeteren door zijn economische, sociale en ecologische problemen op te lossen en nog sterker in te zetten op integratie en internationale samenwerking.

1.7.2   Het Europese bedrijfsleven moet worden aangezet om zich te begeven in technologie-intensieve sectoren die zich met name kenmerken door een ingebouwde klimaatvriendelijke aanpak. Dat zal de EU een voorsprong op de concurrentie geven, wat goed is voor de externe handel, „groene” arbeidsplaatsen creëert en garant staat voor de duurzaamheid van de economie op de lange termijn.

1.7.3   Om een dergelijk evenwicht te bereiken, zijn innovatieve ideeën nodig die ervoor zorgen dat vorderingen op sociaal en milieugebied het concurrentievermogen vergroten.

1.7.4   Het verder slechten van alle economische en juridische barrières zou een aanzienlijke bijdrage moeten leveren aan de verdere integratie van de markten en de versterking van Europa's concurrentievermogen (5). Door de sociale partners en het maatschappelijk middenveld nauwer te betrekken bij het Lissabonproces na 2010 kan meer vaart worden gezet achter het geheel.

1.7.5   Gezien de mondiale dimensie dienen de lidstaten naast de uitvoering van hun eigen nationale plannen ook samen te werken aan de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen. Deze dienen onder meer het volgende te omvatten:

vastberadenheid om internationaal een sterke rol te spelen, ermee rekening houdend dat het zwaartepunt in de richting van Azië en de opkomende economieën aan het verschuiven is;

een strategisch energiebeleid met behulp van bilaterale afspraken tussen de EU en derde landen en de ontwikkeling van een koolstofarme, intelligente en gedecentraliseerde energie-infrastructuur;

de EU zou er bij de landen waarmee zij handel drijft op moeten aandringen om zich aan te sluiten bij en zich te houden aan relevante internationale verdragen, de VN(-agentschappen) zoals de ILO en andere internationale organisaties waarin normen inzake het milieu, de rechten van werknemers (waaronder gelijk loon voor gelijk werk) zijn vastgelegd en waarin een verbod op kinderarbeid is opgenomen.

2.   Inleiding

2.1   De Lissabondoelstellingen

2.1.1   Met de Lissabonagenda legde de Europese Raad tijdens zijn voorjaarstop van 2000 een doelstelling vast die de EU in 2010 gerealiseerd moest hebben om de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Europa was van plan diverse beleidsmaatregelen, institutionele en financiële instrumenten af te stemmen op zijn strategische prioriteiten. De EESC heeft het belang van de Lissabonstrategie onderstreept. Deze strategie is in zijn ogen een belangrijk hulpmiddel om vaart te blijven zetten achter hervormingen die de interne markt versterken, bestendigen en verder helpen ontwikkelen (6). Hervormingen op de markten voor goederen, diensten, arbeid en kapitaal zullen naar verwachting een bijdrage leveren aan de totstandbrenging van een efficiënt werkende interne markt en ervoor zorgen dat de lidstaten na 2010 verder integreren in een economische ruimte die concurrerender is en dichter bij de doelstellingen van de Lissabonagenda ligt, terwijl tegelijkertijd een evenwichtige verhouding tussen de economische, de sociale en de milieupijler van duurzame ontwikkeling wordt gegarandeerd.

2.2   De tweede fase van de Lissabonagenda

2.2.1   Deze fase begon met de tussentijdse herziening van 2005, waarbij elke lidstaat verantwoordelijk was voor de uitvoering in eigen land. Er moest duidelijkheid komen over de prioriteiten en financiële instrumenten werden geïntroduceerd. Voor beleid op economisch en werkgelegenheidsgebied werden nieuwe geïntegreerde richtsnoeren goedgekeurd die moesten worden opgenomen in de nationale hervormingsprogramma's.

2.3   Agenda van Lissabon na 2010

2.3.1   De Europese Raad formuleerde in maart 2008 ook een mandaat om na te gaan denken over de Lissabonagenda na 2010 en daarbij de nadruk te leggen op:

investering in menselijk kapitaal en modernisering van de arbeidsmarkten;

ontsluiting van het ondernemingspotentieel,

investering in kennis en innovatie;

klimaatverandering, energie en investeringen in de desbetreffende infrastructuur.

2.4   Europa ten prooi aan de financiële crisis

2.4.1   De EU zit nu midden in de wereldwijde financiële crisis die in de VS begon, maar inmiddels pandemische proporties heeft aangenomen en daarbij de mondiale economie heeft aangetast, investeringen in de weg staat, bedrijven de toegang tot broodnodige kredieten belemmert en mede verantwoordelijk is voor een afname van de wereldhandel die sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer was voorgekomen. In de hele EU zijn de sociale gevolgen van de crisis – verlies van arbeidsplaatsen en geringere koopkracht van werknemers – alarmerend, en er lijkt geen uitzicht op onmiddellijk herstel te zijn. De Europese Centrale Bank heeft tot dusverre geprobeerd om de euro te beschermen tegen inflatie en deflatie. De lidstaten zouden de benadering van de ECB moeten steunen, die rekening houdt met de economie en de werkgelegenheid, op dezelfde manier als met de prijsstabiliteit, de economie in de eurozone permanent in de gaten houdt en de ECOFIN-Raad aanbevelingen aan de hand doet. In dit verband zou het ook passend zijn om te kijken naar de daadwerkelijke taken van de Eurogroep en zijn bijdrage aan de formulering van het monetaire beleid voor de euro. Het liberaliseren van de markten in de financiële sector was een goede zaak. Maar overheidstoezicht en regelgeving hielden geen gelijke tred met de toenemend mondiale dimensie van de financiële markten. Dat zijn extra problemen die Europa moet aanpakken door zijn regelgeving te herzien en aan te scherpen.

2.5   Een terugval voor de interne markt en de Lissabonagenda

2.5.1   Globalisering. Gezien deze situatie in de EU spreekt het vanzelf dat de interne markt en de Lissabonagenda er beslist niet zonder kleerscheuren vanaf zullen komen. Ook na de crisis zal Europa nog steeds te maken hebben met de globalisering en de problemen waarmee deze ontwikkeling gepaard gaat. Het moet zijn internationale positie verbeteren door zijn economische, sociale en ecologische problemen aan te pakken en het tij te keren en nog sterker in te zetten op integratie en internationale samenwerking. Wil deze strategie kans van slagen hebben, dan moet conform de herziene prioriteiten van de Lissabonagenda gezorgd worden voor een evenwicht tussen de economische, de sociale en de ecologische dimensie van de verdere ontwikkeling.

2.5.2   Sociale cohesie

2.5.2.1   Toen de Lissabonstrategie in 2000 werd gelanceerd, was sociale cohesie een belangrijk vraagstuk en dat is eigenlijk nog steeds zo. Het is dan ook jammer om te moeten constateren dat de armoede groeit en dat de ongelijkheid tussen de lidstaten toeneemt. Armoede en ongelijkheid zijn nog altijd een van de grootste problemen in Europa. De herziening van de Lissabonstrategie moet leiden tot meer aandacht voor armoede en sociale cohesie en ambitieuzere doelstellingen voor economische en sociale ontwikkeling waarmee armoede en ongelijkheid drastisch dienen te worden ingeperkt.

2.5.2.2   Er zijn binnen de EU duidelijk verschillen in welvaart en sociale zekerheid. Sommige van die verschillen zijn terug te voeren op de totaal verschillende belastingstelsels en op de fiscale concurrentie. In sommige landen zijn de vennootschapsbelasting en de belastingen op dividend en rente hoog en in andere landen juist laag. Als gevolg van vlaktaksmodellen zijn de verschillen in inkomstenbelasting en inkomen in de lidstaten verder toegenomen. In sommige landen bedragen de sociale uitgaven meer dan 30 % van het BBP, terwijl andere landen met een lage vlaktaks niet boven de 15 % uitkomen. Alle landen ondervinden met het oog op de toekomst problemen met hun socialezekerheidsstelsels.

2.5.2.3   Hogere onderwijsnormen, betere en voor de arbeidsmarkt interessantere vaardigheden en meer onderzoekers zouden moeten zorgen voor een groter concurrentievermogen van een „groenere” Europese industrie, die het voortouw dient te nemen op het gebied van innovatie, met betere technologie, meer productiviteit en ook meer toegevoegde waarde. Dat moet leiden tot meer banen van een hogere kwaliteit en vaart zetten achter de sociaal-economische ontwikkeling, met minder armoede en ongelijkheid als gevolg.

2.5.2.4   De open coördinatiemethode en sterke nadruk op gelijktijdige en interactieve maatregelen op EU-, nationaal en regionaal niveau zijn van belang. Het zou het begrip van en het verantwoordelijkheidsgevoel voor de belangrijkste problemen ten goede komen als de lidstaten de nationale parlementen, de sociale partners en de rest van het maatschappelijk middenveld bij een en ander zou betrekken.

2.5.2.5   Openbare dienstverleners vormen in zekere zin het antwoord op de problemen in verband met sociale cohesie en de economische en financiële crisis, aangezien zij een belangrijke bijdrage leveren aan de inspanningen van de regeringen om de economie en de arbeidsmarkt te stabiliseren. De publieke sector fungeert als een katalysator voor economische groei en creëert de infrastructuur die nodig is voor een bloeiend bedrijfsleven. Betere openbare dienstverlening (bijvoorbeeld onderwijs, gezondheidszorg en sociale hulpverlening) zou in het belang van alle EU-burgers een fundamentele plaats moeten krijgen in de nieuwe Europese strategie voor economische groei en werkgelegenheid.

2.6   De recessie keren

2.6.1   De EU zou zich op de middellange termijn beter ontwikkelen en ook sneller uit de huidige financiële en economische crisis komen als de interne markt efficiënter functioneert. Er moeten structurele hervormingen worden uitgewerkt die leiden tot een degelijk en duurzaam herstel. Zonder voorbij te gaan aan het vereiste sociale evenwicht zou de EU met deze hervormingen moeten proberen om het tij van de recessie te keren en een verdere teruggang van haar productiecapaciteit te voorkomen. Als de lidstaten erin slagen om hun economieën eendrachtig, met de nodige synergie en vastberadenheid, weer op het spoor naar duurzame groei te krijgen, dan zou men duidelijk het gevoel hebben op de juiste weg te zijn. Zo zouden de lidstaten in het kader van de inspanningen om een eind te maken aan de recessie de koopkracht moeten herstellen om op die manier de vraag op de interne markt weer aan te wakkeren.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   Verderop in dit advies wordt in kaart gebracht op welke terreinen de interne markt na 2010 aan de Lissabonagenda kan bijdragen.

3.2   Omvang van de interne markt

3.2.1   Door de Europese integratie is de handel in goederen op de interne markt in omvang bijna tweemaal zo groot als de handel van de EU met de rest van de wereld (7). Europa's interne goederenmarkt staat te boek als een markt met grote concurrentievoordelen en biedt de lidstaten een goede uitgangspositie om succes te boeken op externe markten en voor meer banen en welstand voor hun burgers te zorgen. Verdere uitbreiding van de EU zal vroeg of laat aan de orde komen, en de interne markt zal dan zeker in omvang toenemen.

3.3   Vorderingen bij het werken aan de interne markt

3.3.1   De interne markt is een „work in progress”, maar bepaalde cruciale aspecten vereisen wel onmiddellijke actie. De juiste toepassing van het „acquis” van de interne markt is van wezenlijk belang. Het evenwicht en de samenhang tussen de verschillende belangen moeten bewaard blijven. Bovendien zou ervoor gezorgd moeten worden dat de concurrentie tussen de lidstaten op de interne markt de EU-consument betere en veiligere producten oplevert voor de beste prijs, terwijl het bedrijfsleven tegelijkertijd een sterkere en efficiëntere basis krijgt om zijn handel met derde landen uit te breiden. In een in januari 2009 gepubliceerd rapport (8) staat opgesomd welke aspecten van het uit 1992 stammende programma voor de interne markt nog niet zijn verwezenlijkt. Volgens het rapport leidt de huidige regelgeving tot verschillen in interpretatie en uitvoering en tot een gebrek aan harmonisering. Ook wordt gewag gemaakt van hoge administratieve kosten en ingegaan op manieren om de resterende belemmeringen voor bedrijven volledig te laten verdwijnen.

3.3.2   De EU heeft een nieuwe aanpak voor de internalisering van alle externe kosten van alle vervoerswijzen geïntroduceerd. Het EESC heeft zich hier al over uitgelaten (9) en wees er daarbij eens te meer op dat het gewenste effect pas bereikt wordt als deze aanpak overal daar, waar externe kosten optreden, op dezelfde schaal plaatsvindt. In zijn conclusies van 23 oktober 2009 benadrukte de Raad dat deze aanpak nodig is om voor eerlijke prijzen te zorgen. Hij drong er bij de lidstaten op aan om zich intensiever te beraden op het beste gebruik van kosteneffectieve instrumenten (zodat de ware milieukosten en -voordelen beter weerspiegeld worden) en aan CO2-emissies een voorspelbare prijs toe te kennen. De Raad verzocht de Commissie om in de nieuwe EU 2020-strategie concrete maatregelen en richtsnoeren te ontwikkelen voor eco-efficiëntie, met een geïntegreerde strategie en een actieplan om dit jaar eco-innovatie te promoten. Het aangekondigde Europese innovatieplan moet dan op dit gebied een concurrerende en geharmoniseerde markt tot stand brengen. Momenteel worden de externe kosten van de vervoerswijzen niet doorberekend, wat tot concurrentievoordelen kan leiden voor die vervoerswijzen die de samenleving juist met hoge kosten opzadelen. Met internalisering van die kosten zouden die voordelen verdwijnen en zouden milieuvriendelijker vervoerswijzen een impuls krijgen. Het Comité vindt het belangrijk dit principe veel beter voor het voetlicht te brengen, omdat toepassing daarvan ook zou kunnen leiden tot structurele veranderingen in het aanbod van en de vraag naar vervoer.

3.4   De dienstensector

3.4.1   De interne markt voor diensten vertoont nog altijd tekenen van zwakte. Hopelijk zal de inwerkingtreding van de dienstenrichtlijn begin dit jaar tot verbetering leiden. Vooral in de sectoren energie, postdiensten en financiële dienstverlening liggen de grensoverschrijdende aspecten nog steeds erg gevoelig. Wat sommige onderwerpen betreft, zijn oplossingen ondenkbaar omdat lidstaten zich ertegen verzetten; er is sprake van spanningen die uiteindelijk tot meer protectionisme kunnen leiden. Overheden moeten zich niet laten verleiden tot zulke kortzichtige kortetermijnmaatregelen. Wel moeten zij er nauwlettend op toezien dat niet wordt geraakt aan de sociale en kwaliteits-, milieu- en veiligheidsnormen in bovenvermelde sectoren. Ook moeten de betrokken personeelsleden met het oog op de omzetting van de dienstenrichtlijn een degelijke opleiding krijgen. De dienstensector moet verder worden ontwikkeld om het hoofd te kunnen bieden aan de problemen als gevolg van demografische veranderingen, die ook consequenties zullen hebben voor de interne markt, aangezien sociale dienstverlening niet altijd onder de Dienstenrichtlijn valt.

3.5   Monetaire Unie

3.5.1   De Monetaire Unie en het succes van de euro zijn van cruciaal belang voor verdere integratie en een versterking van de interne kapitaalmarkt. In economisch slappe tijden blijken de interne markt en de eurozone bedrijven de nodige stabiliteit te bieden. De handel binnen de EU is neemt namelijk minder af dan de handel met derde landen. Dit duidt erop dat er mogelijkheden zijn voor verdere integratie.

3.6   Externe effecten van de euro

3.6.1   Volgens ramingen is de handel met 5 % toegenomen sinds de introductie van de euro (10). De markten zullen baat hebben bij een „verdieping” van de eurozone door onder meer de coördinatie van macro-economische maatregelen, een vertegenwoordiging naar buiten toe en – met name gezien de huidige economische neergang – regelgeving voor financiële markten.

3.7   Beperkingen bij de handhaving van de vier vrijheden

3.7.1   De vrijheid van verkeer heeft de lidstaten economisch sterker gemaakt, stimuleert de concurrentie en biedt de consument een ruimere keus en betere producten tegen lagere prijzen. Ook binnen de EU helpt het vrije verkeer om te concurreren op markten van derdewereldlanden. Wat de richtlijn inzake detachering van werknemers betreft zijn er echter bewijzen van onduidelijke uitvoeringsbepalingen, met oneerlijke concurrentie en gebrekkige inachtneming van de rechten van werknemers en sociale dumping als gevolg.

3.7.2   De afgelopen jaren waren de werkgelegenheidsrichtsnoeren vooral gericht op arbeidsmobiliteit, die de structuur van de arbeidsmarkt moest verbeteren. Wil de arbeidsmarkt een grotere bijdrage kunnen leveren aan de uitvoering van de Lissabonstrategie, dan is het van cruciaal belang om de beginselen van een actieve arbeidsmarkt en flexicurity te promoten, maatregelen op het gebied van levenslang leren te nemen, degelijke socialezekerheidsstelsels op te zetten, gendergelijkheid te waarborgen, de combinatie van werk en privéleven en gezin mogelijk te maken en iedere vorm van discriminatie uit te bannen.

3.8   Beperkingen van regelgevende aard

3.8.1   Sinds de jaren tachtig ligt de nadruk in de EU-regelgeving op het vrije verkeer van goederen, diensten, arbeid en kapitaal. Het regelgevingsklimaat waarin bedrijven opereren is van cruciaal belang voor hun concurrentiekracht en hun vermogen om te groeien en banen te creëren. Regels kunnen borg staan voor eerlijke concurrentieverhoudingen, maar ze kunnen een gezond ondernemingsklimaat ook in de weg staan. Daarom moeten regels geëvalueerd en vereenvoudigd worden, zodat bedrijven zich snel kunnen aanpassen aan veranderingen en de markten tegelijkertijd eerlijk en relatief veilig blijven functioneren. Alle 27 lidstaten moeten op gecoördineerde wijze in actie komen om Europa's marktstelsel te stabiliseren. Er zijn snel maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat banken zich efficiënter concentreren op hun hoofdtaak: de reële economie van liquiditeit voorzien met behulp van uit spaargeld bestaande stabiele financieringsbronnen. De riskantere speculatieve operaties op de financiële markten dienen zij over te laten aan de economische actoren die daarin gespecialiseerd zijn.

3.8.2   In de afgelopen vijf jaar is de wetgeving voor het vrije verkeer van goederen en diensten op de interne markt sterk verbeterd. Een en ander is vooral te danken aan de verordening over wederzijdse erkenning, waarin gemeenschappelijke technische regels zijn vastgelegd. Hierdoor vallen de administratie- en productiekosten minder hoog uit. Ook de verordening inzake accreditatie en markttoezicht is het vrije verkeer in principe ten goede gekomen, doordat zij ten voordele van de consument een impuls heeft gegeven aan de verbetering van productnormen en aan de veiligheid van goederen die verkocht worden.

3.8.3   Het is belangrijk om te zorgen voor geharmoniseerde normen met een vrij verkeer van goederen, diensten, arbeid en kapitaal. Een aantal factoren staat een vlekkeloos werkende interne markt nog steeds in de weg.

3.8.4   Bepaalde door de Commissie opgerichte netwerken zouden in alle lidstaten operationeel moeten worden met genoeg middelen om goed te kunnen functioneren. Het EESC denkt hierbij met name aan het informatiesysteem voor de interne markt (IMI), het waarschuwingssysteem voor gevaarlijke non food-producten (RAPEX), het systeem voor snelle waarschuwingen over levensmiddelen (RASFF) en SOLVIT. Deze instrumenten informeren en beschermen de EU-burgers en staan er borg voor dat de regelgeving voor de interne markt soepeler wordt toegepast en ook het toezicht hierop soepeler verloopt. Een beter geïnformeerd publiek maakt het in het algemeen gemakkelijker om nuttige hervormingen door te voeren die de interne markt versterken.

3.9   Milieukosten

3.9.1   Op de middellange en lange termijn moet de EU een economische zone worden die vergeleken met de rest van de wereld het efficiëntst met energie en grondstoffen omgaat en het klimaatbeleid moet op duurzaamheid worden gericht. Alle mogelijkheden voor energiebesparing moeten worden onderzocht en lokale, duurzame en regionale structuren moeten worden gebruikt. Het vergroten van de efficiëntie waarmee energie en grondstoffen worden gebruikt zal een essentieel onderdeel van een nieuwe strategie zijn.

3.9.2   Voor een duurzamere economische ontwikkeling is een betere afstemming met het externe optreden van de EU nodig om de globalisering vorm te geven en ervoor te zorgen dat zich internationaal een strategische convergentie in de richting van duurzame ontwikkeling voltrekt.

3.9.3   Wil er wat dit betreft van de goederenmarkt een grotere bijdrage aan de verwezenlijking van de Lissabondoelstellingen komen, dan moet de EU bij internationale onderhandelingen nadrukkelijk en consequent met één stem spreken.

3.9.4   Er zijn meer investeringen nodig in onderzoek op het gebied van energie en klimaatverandering. Toekomstige industrie-investeringen in de EU zouden gebaseerd moeten worden op een strategisch energiebeleid dat op zijn beurt stoelt op bilaterale overeenkomsten van de EU met derde landen. Ook de ontwikkeling van een nieuwe koolstofarme, slimme en decentrale energie-infrastructuur is belangrijk.

3.10   Zekere aanvoer van energie en elementaire grondstoffen

3.10.1   De EU-economie moet absoluut kunnen vertrouwen op een continue en zekere toegang tot energie en elementaire grondstoffen, reden waarom de EU in dit opzicht nog zelfvoorzienender dient te worden.

3.10.2   Toen de energie- en grondstoffenprijzen in de afgelopen jaren aan hevige schommelingen onderhevig waren, bood de euro bescherming tegen de grote onrust op de financiële markten. Dankzij zijn sterke positie konden de prijsstijgingen van twee jaar geleden, toen de vraag op de wereldwijde levensmiddelen- en energiemarkten sterk toenam, enigszins worden opgevangen.

3.10.3   Open kapitaalmarkten zijn in dit verband ook van belang, met name tussen lidstaten. De EU moet toewerken naar deze liberalisering om zo de energiehandel te financieren en een impuls te geven aan investeringen in de energiesector.

3.10.4   De interne energiemarkt van de EU moet ook getransformeerd worden tot een hecht systeem met een gelijkgeschakeld beleid en volledige interconnectiviteit en operabiliteit, dat een garantie biedt voor eerlijke concurrentie en voor de bescherming van consumentenrechten en -belangen. Met het mededingingsbeleid van de EU, sterkere nationale regelgevingsautoriteiten en een beleid voor diensten van algemeen belang zou er aldus voor gezorgd worden dat consumenten op adequate en veilige wijze en zonder haperingen worden voorzien van een energiemix die zowel duurzaam als betaalbaar is.

3.11   Vervoers- en communicatieinfrastructuur

3.11.1   Tegen de achtergrond van de globalisering is vervoer van essentiële betekenis voor de werking van de interne markt. De grensoverschrijdende samenwerking en de handel tussen de lidstaten nemen erdoor toe. Efficiënte vervoerssystemen scheppen door middel van een breder scala aan tegen concurrerende prijzen verkrijgbare goederen de voorwaarden voor economische efficiëntie. De intra-Europese railinfrastructuur is, ander dan het vervoer over de weg met zijn hoge emissies, een efficiënt en milieuvriendelijk middel om goederen te vervoeren.

3.11.2   Ook de Zeevervoerstrategie 2009-2018 zal een bijdrage leveren aan een duurzame economische ontwikkeling. Naarmate het aantal schepen op de korte vaart en in de internationale handel toeneemt, zal echter wel gekeken moeten worden naar klimaatverandering en andere milieuproblemen.

3.11.3   Naar verwachting zullen veranderingen in het vervoersstelsel van de EU de verzadigde infrastructuur enigszins ontlasten en de EU-economie helpen om zich op de globalisering in te stellen. Een efficiënt vervoersstelsel is goed voor het ondernemings- en werkgelegenheidsklimaat en zorgt binnen en buiten de EU voor een duurzaam concurrentievermogen. Vervoer heeft ook een positief effect op innovatie en economische groei.

3.11.4   Met name wat betreft energienetwerken en de toegang tot breedbandinternet voor alle burgers moet aandacht worden geschonken aan de interoperabiliteit en interconnectiviteit tussen lidstaten. Deze kwesties hebben in het bijzonder voor perifere regio's gevolgen.

3.11.5   Perifere regio's zijn nog sterk in het nadeel wat betreft luchtvaartdiensten. De EU moet dit vraagstuk opnieuw en onbevangen bekijken en ernaar streven de bewoners aldaar dezelfde voorzieningen te garanderen als burgers in de rest van Europa.

3.12   Concurrentievermogen op de interne markt

3.12.1   De goederenmarkt heeft in een aantal opzichten veel baat gehad bij de Lissabonstrategie. Dankzij de interne markt is het gemakkelijker geworden om goederen te verhandelen en kunnen consumenten kiezen uit een veel breder scala aan zeer aantrekkelijke geprijsde producten. Eerlijke concurrentie is echter wel geboden; daarvoor dienen de lidstaten in onderlinge samenwerking adequaat toezicht uit te oefenen.

3.12.2   Wel lijkt er tussen de lidstaten en Europa een verschil te bestaan met betrekking tot de mate waarin toezeggingen gestand worden gedaan. Nu de internationale concurrentie op goederen- en dienstenmarkten toeneemt, krijgt de verbetering van het Europese concurrentievermogen een steeds dringender karakter. Alles wijst erop dat een betere coördinatie van O&O-activiteiten tussen MKB-clusters en grote ondernemingen ook buiten de interne markt hun concurrentievermogen zal vergroten.

3.12.3   Mede dankzij de EMU is de EU-markt, door de lagere en transparantere kosten en de grensoverschrijdende activiteiten, concurrerender geworden. Een en ander maakte het voor nieuwe bedrijven ook gemakkelijker om zich op de Europese markt te begeven, terwijl de minst efficiënte bedrijven het loodje legden of werden overgenomen. Wat de flexibiliteit op de interne markt en de arbeidsmobiliteit betreft is er echter nog ruimte voor verbetering. Het grootste probleem waar alle afzonderlijke markten nog steeds mee te maken hebben, zijn de resterende belemmeringen op de interne markt; deze moeten verwijderd worden.

3.13   De externe dimensie van de interne markt

3.13.1   Europa's open houding tegenover de rest van wereld heeft bijgedragen aan zijn welvaart. Het is daarom in zijn eigen belang om zijn externe agenda verder te ontwikkelen en aldus de belangen van zijn burgers te dienen. Sinds het Verdrag van Rome (1957) heeft Europa zich vooral op zichzelf gericht; die houding moet het nu afzweren. Het doet er goed aan zijn blik te richten op de geglobaliseerde economie en dient vastberaden te zijn om daarin een volwaardige rol te spelen. Het moet daarbij beseffen dat het mondiale zwaartepunt aan het verschuiven is in de richting van Azië en de opkomende landen, met name Brazilië, Rusland, India en China (de zogenoemde BRIC-landen). In het kader van het Europese nabuurschapsbeleid, waaronder mede het Oostelijk Partnerschap en de Unie voor het Middellandse Zeegebied vallen, zou de EU ook economisch moeten gaan samenwerken met haar buurlanden teneinde de vrijhandelszone uit te breiden. Vrijemarktbeginselen zouden een voorwaarde moeten zijn voor dergelijke overeenkomsten. Maar wil de EU wereldwijd marktleider blijven, dan is het tegelijkertijd wel van cruciaal belang dat zij blijft werken aan een nog beter functionerende interne markt.

3.13.2   Europa heeft ook de plicht om mondiale problemen aan te pakken en het tempo en de richting van de globalisering te helpen beïnvloeden. Samen met andere grote handelsblokken maakt de EU zich sterk voor liberalisering van de mondiale goederen- en dienstenmarkten. Zij onderhandelt met Korea, ASEAN en India over bilaterale vrijhandelsovereenkomsten. Ook in de Trans-Atlantische Economische Raad is de nodige vooruitgang geboekt. Deze strategie is onder meer ingegeven door het vermoeden dat het Doha-overleg op de korte termijn geen bevredigend resultaat zal opleveren. Een dergelijke bilaterale aanpak zou de hele bedoeling van multilaterale handelsbesprekingen kunnen ondermijnen. Bij de liberalisering van internationale markten moet men vasthouden aan het politieke beginsel van wederzijdsheid en afronding van het Doha-overleg dient een prioriteit te blijven. Het EESC verzoekt de Europese Commissie en de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten met klem om bij vrijhandelsbesprekingen bij regeringen van derde landen aan te dringen op eerbiediging van de mensenrechten, naleving van de verdragen van de IAO en bescherming van de natuurlijke, economische en culturele hulpbronnen.

3.13.3   Zo is het bijvoorbeeld wenselijk, maar vooral ook hoog tijd, dat er in de EU één uniforme bescherming van het Gemeenschapsoctrooi komt. Intellectuele-eigendomsrechten moeten strikt worden gehandhaafd en de handel in illegaal nagemaakte merkproducten moet efficiënt worden bestreden (11).

3.13.4   Dat het marktoezicht in de EU tekortschiet, is de afgelopen jaren duidelijk aan het licht gekomen door het minderwaardige voedsel en speelgoed dat uit derde landen wordt geïmporteerd. Hierdoor staan de consumenten in de EU bloot aan gezondheidsrisico's en aan producten van inferieure kwaliteit. Bovendien worden zo de concurrentieverhoudingen scheefgetrokken en zijn gevolgen voor investeringen en de werkgelegenheid in Europa niet uitgesloten.

3.13.5   Een ferme, gezamenlijke strategie moet ook gezien worden als een manier om de Europese consument te beschermen tegen de invoer van goederen en diensten uit derde landen die zich niets gelegen laten liggen aan technische, sociale en milieunormen en goede arbeidsomstandigheden. De EU zou er bij de landen waarmee zij handel drijft op moeten aandringen om zich te houden aan de normen van de ILO, de VN(-agentschappen) en andere internationale organisaties inzake individuele rechten, vrijheid van vereniging, het recht van werknemers om zich te organiseren en collectief te onderhandelen, en kinder- en dwangarbeid (beide verboden volgens die organisaties).

3.13.6   Uit de huidige crisis blijkt dat landen op de mondiale financiële en handelsmarkten steeds afhankelijker van elkaar worden. In het wereldwijde financiële systeem is het zaak via regelgeving de prudentie te bevorderen en de coördinatie en samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten en centrale banken te verbeteren. Voorts moeten de regels niet alleen de transparantie verhogen maar er ook toe leiden dat transacties met witgewassen geld in verband met drugs, misdaad en illegale wapenhandel strenger gecontroleerd worden.

3.13.7   In dit verband zouden derde landen het Europese sociale model als voorbeeld moeten nemen en zou het EESC zich meer moeten inspannen om dit model onder hun aandacht te brengen.

3.14   De sociale dimensie

3.14.1   Voor de verdere ontwikkeling van de interne markt is draagvlak van de Europese bevolking nodig. Met de verankering van het handvest van grondrechten in het Verdrag van Lissabon is de sociale dimensie van de interne markt versterkt. Een en ander zou moeten leiden tot een grotere rol voor het maatschappelijk middenveld bij de verdere ontwikkeling van de interne markt.

3.14.2   Na 2010 zou de EU met de strategie haar samenlevingsmodel aan de hand van een geïntegreerd beleid verder moeten ontwikkelen en aldus moeten streven naar een eerlijker en rechtvaardiger maatschappij. Elke lidstaat zou zich moeten aanpassen aan de globalisering en technologische veranderingen door het onderwijs en opleidingen te verbeteren en ervoor te zorgen dat mensen hier permanent toegang toe hebben. De crisis zou moeten worden aangegrepen om de kennis van arbeidskrachten bij te spijkeren en ze zo klaar te stomen voor de toekomst. Werklozen zouden de kans moeten krijgen om zich bij te scholen en aan (hoger-)onderwijsprogramma's mee te doen, zodat zij zich weer op de arbeidsmarkt kunnen begeven met uitzicht op beter werk. Dat zal hun werkgevers ook stimuleren om te investeren in een nieuwe vraag van de markt die naar verwachting in de komende jaren door meer technologieën zal ontstaan. Het globaliseringsfonds en het Europees Sociaal Fonds zouden beter gebruikt moeten worden en aangepast moeten worden aan de uitdagingen die zich in dit verband op de interne markt voordoen. Gegeven de gevolgen van de crisis moeten de programma's voor armoedebestrijding dringend opnieuw geformuleerd worden

4.   Slotopmerkingen

4.1   In de huidige crisis dient de EU de maatregelen voor de middellange en lange termijn van de Lissabonstrategie aan te passen. Zij moet in haar structurele-hervormingsplannen ook maatregelen voor de korte termijn opnemen en blijven investeren in de toekomst. Dit kan worden bereikt door verder te investeren in O&O, innovatie en onderwijs, door de vrije uitwisseling van kennis tussen lidstaten te stimuleren en door (met name kleine en middelgrote) bedrijven te steunen om de interne markt dynamischer te helpen maken. Maatregelen om de economie groener te maken zijn ook belangrijk omdat ze tot nieuwe banen en technologieën leiden, terwijl ze bovendien voor genoeg alternatieve energie en de verwezenlijking van milieudoelen zorgen. Een en ander zou mogelijk zijn als de Europese governance wordt versterkt om de collectieve dimensie van de EU te verbeteren en te voorkomen dat verschillende mensen dezelfde maatregelen nemen.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  COM(2009) 647 final van 24-11-2009

(2)  Zie voor een overzicht van de resterende obstakels op de interne markt de EESC-WIM-studie op http://www.eesc.europa.eu/smo/news/index_en.asp.

(3)  14891/09 van 23 oktober 2009

(4)  PB C 317, 23 december 2009, blz. 80.

(5)  PB C 77 van 31-3-2009, blz. 15

(6)  PB C 77 van 31 maart 2009, blz. 15.

(7)  Scorebord voor de interne markt, december 2008

(8)  Wanneer wordt het echt 1992? - Concrete voorstellen om de interne markt te voltooien, VNO-NCW, MKB Nederland (zie: http://www.vno-ncw.nl/web/servlet/nl.gx.vno.client.http.StreamDbContent? download = brochure&code = 1988)

(9)  PB C 317, 23-12-2009, blz. 80 en CESE 1947/2009, 17-12-2009 (TEN/356).

(10)  Study on the Impact of the Euro on Trade and Foreign Direct Investment (http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/publication12590_en.pdf).

(11)  EESC-advies Een strategie inzake industriële-eigendomsrechten voor Europa (CESE 1020/2009, rapporteur: Retureau), PB C 116 van 28 april 1999, blz. 35 en PB C 221 van 7 augustus 2001, blz. 20.


BIJLAGE

bij het ADVIES van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende wijzigingsvoorstellen, die meer dan een kwart van de uitgebrachte stemmen kregen, werden tijdens de discussie verworpen (artikel 54, lid 3, van het reglement van orde):

Paragraaf 1.2, streepjes 8, 9 en 10 als volgt wijzigen:

Het is met name van belang dat de dienstenrichtlijn volledig in de geest en volgens de regels van de interne markt wordt omgezet. Een groot probleem in dit verband is dat er nog steeds geen vrij verkeer van werknemers is uit sommige van de laatst toegetreden lidstaten. Voor een goede toepassing en verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn inzake detachering van werknemers, namelijk eerlijke concurrentie tussen bedrijven, inachtneming van de rechten van werknemers , zijn efficiënte en duidelijke nationale uitvoeringsbepalingen nodig.

en arbeidsvoorwaarden een concurrentiefactor . Bescherming van arbeidsnormen zal belangrijker worden en deel moeten uitmaken van de nieuwe EU 2020-strategie.

langeafstandstransport . . .”

Motivering

In het algemeen wordt het woord „dumping” heden ten dage alleen gebruikt in het internationale handelsrecht, waar het als volgt omschreven wordt: een fabrikant exporteert een product naar een ander land waar hij er een prijs voor rekent die lager ligt dan de prijs in zijn eigen land of dan de productiekosten. Vandaar dat de term „sociale dumping” ten onrechte wordt gebruikt in het gewraakte tekstgedeelte over de richtlijn inzake de detachering van werknemers: de kosten van het bedrijf (doorgaans uit een economisch minder goed ontwikkelde lidstaat) dat zijn producten en diensten aan de andere lidstaat levert zijn reëel. Gebruik van de term '„social dumping”' met betrekking tot de nieuwe lidstaten is beledigend en dient daarom vermeden te worden.

Het is nogal tegenstrijdig om te schrijven dat verschillen qua lonen en arbeidsvoorwaarden een probleem vormen op de interne markt. Lonen zijn namelijk altijd een factor in de concurrentie tussen bedrijven, die de basis vormt van de interne markt en de consument ten goede komt. Wat de bescherming van arbeidnormen betreft: aangegeven moet worden wélke normen bescherming behoeven. In ILO-verdragen die door het merendeel van de lidstaten zijn ondertekend worden deze normen omschreven.

Het is eenzijdig om de interne markt de schuld te geven van de toename van schadelijke transporten. Dan zouden we het vrije verkeer van personen ook verantwoordelijk kunnen stellen voor de grotere druk op het milieu. De impact van het vervoer op milieu en duurzame ontwikkeling moet bij de ontwikkeling van het vervoersbeleid in de EU 2020-strategie in aanmerking worden genomen.

Stemuitslag

voor: 93

tegen: 131

onthoudingen: 8

Paragraaf 3.7.1

De vrijheid van verkeer heeft de lidstaten economisch sterker gemaakt, stimuleert de concurrentie en biedt de consument een ruimere keus en betere producten tegen lagere prijzen. Ook binnen de EU helpt het vrije verkeer om te concurreren op markten van derdewereldlanden.

Motivering

Er bestaan nog steeds beperkingen voor het vrije verkeer van werknemers binnen de interne markt, ondanks bewijs dat opheffing van die belemmeringen de situatie op de arbeidsmarkt in landen met beperkingen niet verergerde.

In het algemeen wordt het woord „dumping” heden ten dage alleen gebruikt in het internationale handelsrecht, waar het als volgt omschreven wordt: een fabrikant exporteert een product naar een ander land waar hij er een prijs voor rekent die lager ligt dan de prijs in zijn eigen land of dan de productiekosten. Vandaar dat de term „sociale dumping” ten onrechte wordt gebruikt in het gewraakte tekstgedeelte over de richtlijn inzake de detachering van werknemers: de kosten van het bedrijf (doorgaans uit een economisch minder goed ontwikkelde lidstaat) dat zijn producten en diensten aan de andere lidstaat levert zijn reëel. Gebruik van de term „'sociale dumping”' met betrekking tot de nieuwe lidstaten is beledigend en dient daarom vermeden te worden.

Stemuitslag

Wijzigingsvoorstel 5 werd gekoppeld aan wijzigingsvoorstel 3 en verworpen omdat ook wijzigingsvoorstel 3 werd verworpen.

Paragraaf 3.8.1 als volgt wijzigen:

Sinds de jaren tachtig ligt de nadruk in de EU-regelgeving op het vrije verkeer van goederen, diensten, arbeid en kapitaal. Het regelgevingsklimaat waarin bedrijven opereren is van cruciaal belang voor hun concurrentiekracht en hun vermogen om te groeien en banen te creëren. Regels kunnen borg staan voor eerlijke concurrentieverhoudingen, maar ze kunnen een gezond ondernemingsklimaat ook in de weg staan. Daarom moeten regels geëvalueerd en vereenvoudigd worden, zodat bedrijven zich snel kunnen aanpassen aan veranderingen en de markten tegelijkertijd eerlijk en relatief veilig blijven functioneren. Alle 27 lidstaten moeten op gecoördineerde wijze in actie komen om Europa's marktstelsel te stabiliseren.

Motivering

Het eerste gedeelte van het te schrappen tekstgedeelte is niet realistisch. Welke maatregelen kunnen er dan genomen worden? Als dat niet duidelijk is, kan men er maar beter niet over beginnen, want dat leidt slechts tot verwarring en twijfel. Bovendien zijn de financieringsbronnen momenteel niet het probleem, maar het vertrouwen in de reële economie.

In paragraaf 1.6 staat heel duidelijk welke financiële problemen er spelen en wat de oplossingen zijn.

Stemuitslag

voor: 82

tegen: 127

onthoudingen: 19


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/19


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over integratie en sociale agenda

(initiatiefadvies)

(2010/C 347/03)

Rapporteur: Luis Miguel PARIZA CASTAÑOS

Corapporteur: Pedro ALMEIDA FREIRE

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn zitting van 16 juli 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Integratie en sociale agenda.

De afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 26 januari 2010.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) onderstaand advies met 158 stemmen vóór en 3 tegen, bij 3 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en voorstellen

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité is als instelling nauw betrokken bij de voortdurende ontwikkeling van de Agenda voor sociaal beleid, evenals bij de bevordering van de integratie van immigranten en etnische minderheden. Het heeft derhalve besloten het huidige initiatiefadvies op te stellen teneinde de Europese Unie aan te sporen de samenhang tussen het integratiebeleid en de Agenda voor sociaal beleid te versterken.

1.2   Het jaar 2010 is van groot belang voor het sociaal beleid van de EU, aangezien dit het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is. Bovendien zal de EU2020-strategie worden bepaald en zal er een nieuwe sociale agenda worden opgesteld.

1.3   Het Comité is van mening dat er bij de herziening van de sociale agenda voor 2010 meer oog moet zijn voor de maatschappelijke gevolgen van immigratie.

1.4   Rekening houdend met het feit dat immigratie-integratie en de sociale agenda onder de bevoegdheid van verschillende commissarissen en Directoraten-Generaal vallen, pleit het Comité voor verbetering van de administratieve en beleidssamenwerking binnen de Europese Commissie.

1.5   Het integratiebeleid dient afgestemd te zijn op de belangrijkste doelstellingen van het maatschappelijk beleid van de EU zodat alle inwoners - met inbegrip van onderdanen uit derde landen, Europese burgers met migrantenachtergrond en minderheden, de geboden kansen kunnen benutten. Ook bij de strijd tegen sociale uitsluiting dient aandacht te zijn voor de gehele bevolking, en dus ook voor immigranten - of zij nu EU-burgers zijn of onderdanen van derde landen.

1.6   Het Comité wil hier verder aan bijdragen en acht het van prioritair belang dat integratiemaatregelen worden ondersteund op Europees niveau. Daarbij dient de situatie van immigranten en minderheden in aanmerking te worden genomen met betrekking tot werkgelegenheid, sociale insluiting, gendergelijkheid, armoede, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg, sociale bescherming en discriminatiebestrijding.

1.7   De diversiteit die migratie met zich meebrengt is een aspect dat op een horizontale manier moet worden meegenomen in de formulering en tenuitvoerlegging van sociale beleidsmaatregelen. Tegelijkertijd dienen er specifieke beleidsmaatregelen te worden ontwikkeld voor migranten en etnische minderheden.

1.8   Ook gezien de ervaring op andere beleidsterreinen betekent dit concreet dat het Comité ervoor pleit om integratie te mainstreamen in de verschillende politieke, wettelijke en financiële instrumenten van de EU, ter bevordering van integratie, gelijke behandeling en non-discriminatie.

2.   Inleiding

2.1   De Europese Unie werkt aan een gemeenschappelijk immigratiebeleid, waaraan het Comité een bijdrage levert middels zijn adviezen. Daarin legt het de nadruk op het belang van integratie als „sleutel voor het welslagen van immigratie” en wijst het op de noodzaak voor de Europese samenlevingen om beter te leren omgaan met de diversiteit die inherent is aan immigratie, ter verbetering van de sociale cohesie.

2.2   De afgelopen tien jaar hebben migranten een belangrijke rol gespeeld in de economische en sociale ontwikkeling van Europa. (1) Veel mannen en vrouwen uit derde landen hebben een plek gevonden op de Europese arbeidsmarkt en hebben zo een bijdrage geleverd aan de groei van de economie, de werkgelegenheid, de sociale premies en de belastinginkomsten.

2.3   Het Comité heeft „integratie als burger” voorgesteld, bestaande uit „de geleidelijke gelijkstelling van de immigranten met de rest van de bevolking. Dit impliceert dat iedereen dezelfde rechten en plichten heeft en gelijke toegang tot goederen, diensten en kanalen voor burgerparticipatie”. (2)

2.4   In 2010 dienen de Lissabonstrategie (met de EU2020-strategie) en de sociale agenda vernieuwd te worden en wordt het Integratiefonds doorgelicht. Bovendien kan de EU zich nu baseren op het Verdrag van Lissabon en het Handvest van de grondrechten, gaat er een nieuwe Commissie (3) aan de slag en begint het Parlement aan het eerste deel van zijn huidige ambtstermijn.

2.5   Ook is 2010 het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, een uitgelezen kans om de inspanningen voor meer solidariteit, sociale rechtvaardigheid en een verdergaande integratie nieuwe kracht bij te zetten.

2.6   Het integratiebeleid dient afgestemd te zijn op de belangrijkste doelstellingen van het sociaal beleid van de EU. Het Comité pleit voor verbetering van de administratieve en beleidssamenwerking binnen de Europese Commissie.

2.7   Migranten worden in deze tijden van economische crisis als eersten getroffen en behoren vaak tot de meest kwetsbare groepen. Ze verliezen hun baan, ondervinden meer problemen om weer te integreren in de arbeidsmarkt en lopen het risico om tot armoede te vervallen. Voor vrouwelijke immigranten zijn deze risico's extra groot. (4)

2.8   Ook wordt het voor hun kinderen moeilijker om met succes het onderwijs te doorlopen.

2.9   Discriminatie dient efficiënter bestreden te worden, door bestaande wetgeving verder te ontwikkelen, het overheidsbeleid te versterken en maatschappelijke integratiemechanismen kracht bij te zetten.

2.10   De economische crisis valt in sommige lidstaten samen met een zich verhardend maatschappelijk en politiek klimaat ten aanzien van immigranten en hun rechten, hetgeen leidt tot aanscherping van de wetgeving en aanwakkering van de vreemdelingenhaat.

2.11   Enkele regeringen hebben ook besloten te korten op de overheidsmiddelen voor integratiebeleid, terwijl in tijden van crisis juist het omgekeerde moet gebeuren.

2.12   Het Comité is van mening dat een adequaat integratiebeleid tot grotere economische efficiency en sociale samenhang leidt, in het kader van een passend gemeenschappelijk immigratiebeleid.

2.13   Er zijn verschillende vormen van integratiebeleid in Europa, aangezien er in de lidstaten uiteenlopende rechtsstelsels en sociale en politieke culturen bestaan. Maar de integratiedoelstellingen zijn in alle lidstaten verbonden met het sociale beleid.

2.14   De opname van migranten in de Europese Unie kent aanzienlijke geografische verschillen. Momenteel is de toestroom van migranten naar de nieuwe lidstaten in Midden- en Oost-Europa nog beperkt in vergelijking met Zuid- en West-Europa. Maar de ervaring toont aan dat alle Europese landen in de toekomst te maken zullen krijgen met een aanzienlijke toestroom van migranten.

2.15   Het is van belang het Europese immigratiebeleid binnen een globale context te plaatsen en daarbij de samenhang tussen migratie en ontwikkeling sterker te benadrukken. Vanuit die optiek heeft het Comité twee adviezen opgesteld. (5)

3.   Integratie

3.1   Het maatschappelijke proces van integratie heeft te maken met verschillende dimensies van het leven: gezinsleven, activiteiten in de wijk en in de stad, op de werkplaats, in vakbonden en werkgeversorganisaties, op scholen en opleidingsinstituten, in religieuze instellingen, op sportclubs, in maatschappelijke bewegingen, in het leger, enz.

3.2   Aangezien integratie een proces is dat zich afspeelt binnen de maatschappelijke structuren, is goed bestuur noodzakelijk. Dit maatschappelijke proces dient immers te steunen op en in goede banen te worden geleid door passende beleidsmaatregelen van de overheid. Regionale en lokale overheden beschikken – naar gelang van de bevoegdheden die zij in de verschillende lidstaten hebben – over beleids-, wetgevings- en begrotingsinstrumenten die zij in het integratiebeleid op adequate wijze moeten gebruiken.

3.3   In nummer 10 van de Gemeenschappelijke basisbeginselen (Bijlage 1) wordt voorgesteld om integratiebeleid en -maatregelen in alle betrokken beleidssectoren en op alle bestuursniveaus op te nemen (mainstreaming).

3.4   Het Comité heeft verschillende initiatiefadviezen (6) opgesteld waarin het een pleidooi hield voor een proactief integratiebeleid, op basis van tweerichtingsverkeer, gericht op zowel het gastland als op de immigranten. De doelstelling is hierbij om een maatschappij tot stand te brengen waarin alle burgers, onafhankelijk van hun herkomst, dezelfde rechten en plichten hebben, en de waarden onderschrijven van democratische, open en pluralistische samenlevingen.

3.5   Het Comité is van oordeel dat het maatschappelijk middenveld een voortrekkersrol heeft in het integratieproces. Het is zowel aan de immigranten als aan het gastland om blijk te geven van hun bereidheid tot integratie. Sociale partners en maatschappelijke organisaties dienen zich voor integratie in te zetten en discriminatie te bestrijden.

3.6   Integratie is een sociaal proces dat gevolgen heeft voor zowel de immigranten als voor het gastland. Er zijn inspanningen vereist van de verschillende publieke overheden en de sociale actoren. De Europese, nationale, regionale en gemeentelijke overheden moeten op hun bevoegdheidsterreinen programma's opstellen. Programma's en maatregelen kunnen pas doeltreffend en samenhangend zijn als zij elkaar aanvullen en behoorlijk op elkaar worden afgestemd.

3.7   Het Comité heeft er in een eerder advies (7) bij de lokale overheden op aangedrongen een grotere inzet te tonen, aangezien integratie vooral een uitdaging vormt voor het lokale en regionale niveau. Integratiebeleid zal meer vruchten afwerpen als de regionale en lokale overheden erbij worden betrokken en als het maatschappelijk middenveld er actief aan meewerkt.

3.8   Integratie is een tweerichtingsproces, dat gebaseerd is op rechten en plichten van de ingezetenen van derde landen en van het gastland, en dat migranten in staat moet stellen hierin ten volle te participeren. In een eerder advies definieerde het Comité integratie als „de geleidelijke gelijkstelling van de immigranten met de rest van de bevolking. Dit impliceert gelijke kansen en gelijke behandeling; iedereen heeft dezelfde rechten en plichten en gelijke toegang tot goederen, diensten en kanalen voor burgerparticipatie.” (8)

3.9   Migranten moeten van hun kant ook bereidwilligheid tonen om te integreren. En een tweerichtingsproces houdt vanzelfsprekend in dat integratie niet alleen een zaak is van de migranten zelf, maar ook van het gastland.

3.10   De maatregelen voor integratie en sociale inclusie dienen op verschillende terreinen te worden ingezet, zoals de eerste opvang, talenonderwijs, kennis over wetgeving en cultuur, de bestrijding van discriminatie, werkgelegenheids- en opleidingsbeleid, gendergelijkheid, onderwijs voor minderjarigen, gezins- en jeugdbeleid, huisvesting, gezondheidszorg, armoedebestrijding, de uitbreiding van de maatschappelijke dienstverlening en de deelname van immigranten aan maatschappelijke bewegingen.

3.11   Deze beleidsmaatregelen moeten migranten helpen om zich thuis te voelen in de Europese gastlanden, waarvan de samenlevingen in toenemende mate een culturele en etnische verscheidenheid vertonen.

3.12   In 2002 heeft het Comité tijdens een samen met de Commissie georganiseerde conferentie (9) de EU-instellingen voorgesteld gezamenlijk te werken aan een Europees Programma voor Integratie en de oprichting van een Gemeenschappelijk Fonds. De Commissie is gestart met een proefprogramma voor integratie (INTI) en stelde in 2006 voor om een Integratiefonds op te richten. Dit voorstel werd goedgekeurd door de Raad en momenteel maakt dit fonds deel uit van de begroting voor 2007-2013.

3.13   In november 2004 heeft de Raad „enkele Gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid inzake de integratie van immigranten in de Europese Unie” vastgesteld. (10) Deze beginselen betekenen een aanvulling op het wetskader inzake mensenrechten, antidiscriminatie, gelijke kansen en maatschappelijke integratie.

3.14   Er is een gemeenschappelijke Europese aanpak nodig, aangezien dit een belangrijke toegevoegde waarde zou betekenen voor het beleid en de integratieprocessen; het zou een dwarsdoorsnijdend verband met de andere beleidsterreinen van de EU garanderen, zoals (onder andere) de EU2020-strategie, de sociale agenda en het cohesiebeleid. Ook kan hierdoor de samenhang worden versterkt tussen integratie en de waarden en beginselen van de EU die zijn vastgelegd in het Europees Handvest van de grondrechten en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

3.15   Het Integratiefonds is een financieel instrument voor de ontwikkeling van het integratiebeleid vanuit een Europees perspectief en met een Europese meerwaarde en past binnen het kader van de gemeenschappelijke basisbeginselen. Het integratiebeleid heeft artikel 63 van het Verdrag als rechtsgrondslag en is bestemd voor ingezetenen uit derde landen, terwijl het ESF gericht is op de hele EU-bevolking, met inbegrip van de immigranten. Daarom vullen het Integratiefonds en het ESF elkaar aan.

3.16   Het Comité staat achter de zes politieke doelstellingen van het Integratiefonds en hoopt kennis te kunnen nemen van de tussentijdse evaluatie van het Fonds in 2010, teneinde enkele wijzigingen te kunnen voorstellen.

3.17   Onlangs is het Europees Integratiefonds opgericht, teneinde het maatschappelijk middenveld en de migrantenorganisaties de kans te geven deel te nemen aan het integratiebeleid van de EU. Het Comité is bijzonder actief binnen dit Forum.

3.18   De Europese Raad stelde in haar conclusies van juni 2007 dat er op het gebied van integratie voortgang moest worden geboekt inzake de Gemeenschappelijke agenda voor Integratie van 2005 en de formulering van de gemeenschappelijke basisbeginselen.

3.19   Het Comité wil hier verder aan bijdragen en acht het van prioritair belang dat integratiemaatregelen worden ondersteund op Europees niveau. Daarbij dient de situatie van immigranten en minderheden in aanmerking te worden genomen met betrekking tot werkgelegenheid, sociale insluiting, gendergelijkheid, armoede, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg, sociale bescherming en discriminatiebestrijding.

4.   De agenda voor sociaal beleid

4.1   Als gevolg van de internationale financiële crisis wordt de Europese Unie geconfronteerd met een ernstige economische crisis die tot een dramatische verslechtering van de sociale toestand leidt. De crisis is een ondermijnende factor voor integratieprocessen.

4.2   Aangezien de vernieuwde sociale agenda (11) nog voor de crisis is gepubliceerd (2008), kon er geen rekening worden gehouden met de gevolgen van de economische neergang, de toename van de werkloosheid, de verslechtering van de overheidsfinanciën en de maatschappelijke omstandigheden.

4.3   De Europese Commissie verwacht dat de economie zich maar langzaam zal herstellen en dat nieuwe werkgelegenheid op zich zal laten wachten.

4.4   Het Comité denkt dat het maatschappelijk herstel hoe dan ook langere tijd zal vergen dan de economische heropleving. Tegen deze achtergrond is de bijdrage van het Europees sociaal beleid cruciaal.

4.5   Het jaar 2010 is van groot belang voor het sociaal beleid van de EU, aangezien dit het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is. Ook zal de EU2020-strategie worden bepaald en zal er een nieuwe sociale agenda worden opgesteld, met invoering van de noodzakelijke maatregelen en instrumenten.

4.6   In de vernieuwde sociale agenda (2008) wordt erkend hoe essentieel de bijdrage van immigratie is voor de werkgelegenheid in Europa, wordt gepleit voor verbetering van het integratieproces en voor de tenuitvoerlegging van het sociaal beleid op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting.

4.7   In zijn advies (12) van januari 2009 over de vernieuwde sociale agenda sprak het Comité zijn waardering uit voor deze nieuwe aanpak en formuleerde het enkele gedachten over de problemen die de toename van de migratiestromen met zich meebrengt en de hiaten in het sociaal beleid.

4.8   Het Franse voorzitterschap van de Raad verzocht het Comité een verkennend advies (13) op te stellen over „Een nieuw Europees programma voor sociale actie” dat in juli 2008 werd goedgekeurd. Het nieuwe programma voor sociale actie moet kunnen worden ingezet ter bestrijding van de nijpende economische en sociale situatie. Het Comité heeft voorgesteld dat in het nieuwe programma rekening wordt gehouden met het integratiebeleid, gelijke behandeling, ontwikkeling van de open coördinatiemethode, evenals met de toename van de voor het Integratiefonds bestemde middelen.

4.9   Op 6 mei 2009 keurde het Parlement een resolutie (14) goed over de sociale agenda, waarin het verklaarde dat het immigratiebeleid gebaseerd moet zijn op de mensenrechten, moet bijdragen aan de verbetering van de antidiscriminatiewetgeving en aan een strategie voor integratie en gelijkheid van kansen.

4.10   Mensen die zich administratief in een illegale situatie bevinden („mensen zonder papieren”) zijn zeer kwetsbaar en kunnen ten prooi vallen aan netwerken voor arbeidsuitbuiting, extreme armoede en sociale uitsluiting. Met het oog op de integratie in de maatschappij en op de arbeidsmarkt zou hun administratieve situatie derhalve moeten worden geregulariseerd in het kader van het Europees pact inzake immigratie en asiel, zoals het Comité ook heeft voorgesteld. Anderzijds is het Comité van mening dat ook mensen „zonder papieren” in aanmerking moeten komen voor de middelen uit het ESF en diens doelstellingen en programma's voor sociale integratie.

4.11   De komende jaren zal de interne mobiliteit van Europese burgers en immigratie naar Europa van talrijke onderdanen uit derde landen toenemen. Door dit proces zal er in de Europese Unie een nog grotere verscheidenheid ontstaan qua afkomst en etnische, religieuze of culturele achtergrond.

4.12   Toch wordt er in de huidige vernieuwde sociale agenda alleen en slechts beperkt rekening gehouden met de diversiteit van de Europese samenlevingen, de integratie van migranten en minderheden, de gelijkheid van behandeling en bestrijding van discriminatie. Het Comité is van mening dat er bij de herziening van de sociale agenda voor 2010 meer oog moet zijn voor de maatschappelijke gevolgen van immigratie, zowel voor de migranten zelf als voor de gastlanden.

4.13   De samenhang tussen de sociale agenda en integratie dient dus versterkt te worden. Daarom stelt het Comité voor dat integratie als doelstelling onderdeel wordt van alle relevante politieke, wettelijke en financiële EU- instrumenten.

5.   Enkele beleidsterreinen

5.1   Kinderen en jongeren

5.1.1   Bij het jeugdbeleid dient aandacht te worden geschonken aan de behoeften en omstandigheden van migrantenjongeren in hun overgangsproces naar het leven als volwassenen en hun maatschappelijke integratie.

5.1.2   Veel migrantenjongeren van de tweede generatie boeken maatschappelijk succes en groeien op tot zeer actieve deelnemers in hun gemeenschap. Maar er zijn ook veel jongeren, zelfs van de tweede en derde generatie, die zich in een zeer kwetsbare of gemarginaliseerde positie bevinden, bij wie veel schooluitval wordt geconstateerd en die dus veel risico lopen werkloos te worden.

5.1.3   Zoals het Comité al eerder heeft gesteld (15), is gezinsondersteuning van groot belang; de EU dient een actiever gezinsbeleid te voeren.

5.1.4   Bij de open coördinatiemethode op het terrein van jeugdbeleid dienen indicatoren gehanteerd te worden die diversiteit, migratie en non-discriminatie in aanmerking nemen.

5.1.5   Er zou meer gebruik moeten worden gemaakt van de mogelijkheden die worden geboden door Europese programma's voor levenslang leren, mobiliteit, ondernemingszin en burgerschap onder jongeren, teneinde de specifieke obstakels te overwinnen waar migrantenjongeren tegenaan lopen. Ook de uitwisseling van ervaringen dient te worden aangemoedigd.

5.2   Onderwijs en opleiding

5.2.1   Onderwijs en opleiding vormen belangrijke bouwstenen van het integratiebeleid van de lidstaten. Toch is er meer aandacht nodig voor de specifieke hindernissen waar migrantenkinderen en -jongeren evenals minderheden mee te maken krijgen.

5.2.2   Onderwijsinstellingen gaan vaak al gebukt onder de problemen en uitdagingen die op hen afkomen en waar ze geen adequaat antwoord op hebben. Het onderwijs dient meer middelen toebedeeld te krijgen en er moet gewerkt worden aan een grotere openheid middels interculturele vorming en diversiteitsmanagement voor onderwijzend personeel.

5.2.3   Er dienen kwaliteitsindicatoren voor het onderwijs te worden ontwikkeld die flexibel genoeg zijn om te beantwoorden aan de behoeften van de leerlingen in hun groeiende diversiteit.

5.2.4   De open coördinatiemethode op het gebied van onderwijs moet de mogelijkheid bieden om goede praktijken naar voren te halen die een antwoord kunnen bieden op schooluitval van migrantenjongeren.

5.2.5   Daarom is het noodzakelijk indicatoren te ontwikkelen zoals de socio-economische status; het doorlopen van het onderwijs (schoolplicht voor jongeren); de diversiteit van de docenten; de interculturele vaardigheden van de docenten; de mate waarin de school openstaat voor alle maatschappelijke geledingen; het percentage leerlingen met migrantenafkomst; het stimuleren van meertaligheid in het onderwijs; de mate waarin het onderwijs openstaat voor alle kinderen en jongeren, enz.

5.2.6   In zijn advies over Migratie, mobiliteit en integratie (16) heeft het Comité gewezen op de grote nadelen die volwassenen met een migrantenachtergrond ondervinden in het onderwijs: ze nemen veel minder deel aan programma's voor levenslang leren en het cursusaanbod blijft beperkt tot het verwerven van taalvaardigheden. Met het oog op integratie dienen er meer cursussen te worden aangeboden voor de gehele bevolking, met nadruk op gelijke toegang voor mensen met een migrantenachtergrond.

5.2.7   In de Europese onderwijs- en opleidingsprogramma's dient ruimte te zijn voor de overdracht van kennis over gebruiken, geschiedenis, de waarden en beginselen van Europese democratieën, evenals kennis van de cultuur en waarden van de landen van herkomst van de migrantenbevolking (indien hun aantal daar aanleiding toe geeft).

5.3   Werkgelegenheid

5.3.1   Op verzoek van het Spaanse voorzitterschap werkt het Comité momenteel aan een verkennend advies (17) over „De integratie van arbeidsmigranten” waarin eveneens voorstellen uit de Europese sociale agenda zijn opgenomen.

5.3.2   Toegang tot de arbeidsmarkt is van essentieel belang voor het integratieproces. Behoorlijke werkomstandigheden zijn immers de sleutel tot de financiële onafhankelijkheid van migranten, stimuleren de sociale contacten en geven migranten en autochtonen de kans elkaar beter te leren kennen.

5.3.3   Toch bevinden arbeidsmigranten zich vaak in nadeligere omstandigheden en krijgen ze te maken met directe of indirecte discriminatie. Ook ondervinden ze wettelijke moeilijkheden voor de erkenning van hun diploma's en in enkele gevallen beperkt migratiewetgeving de kans op maatschappelijke vooruitgang of de verandering van beroepsactiviteit.

5.3.4   Daardoor moeten arbeidsmigranten zich dikwijls tevreden stellen met slechte banen, die onderbetaald worden en nauwelijks sociale bescherming bieden. Het zijn vooral vrouwen die in dit soort moeilijke omstandigheden terechtkomen.

5.3.5   Mensen „zonder papieren” die zich illegaal in een land bevinden staan aan de grootste risico's bloot: ze werken in het zwarte circuit en worden soms het slachtoffer van arbeidsuitbuiting.

5.3.6   Bij nieuwe maatregelen voor de werkgelegenheid en maatregelen die worden gefinancierd uit het Europees Sociaal Fonds en het Progress-programma zouden criteria en indicatoren moeten worden opgenomen die specifiek rekening houden met de toegang van migranten tot projecten voor integratie op de arbeidsmarkt en in de maatschappij, met inbegrip van projecten voor zelfstandigen. In dergelijke programma's kunnen, naast taal- en cultuurcursussen, onder meer mogelijkheden worden geboden voor verdere training van migranten op het vlak van nieuwe technologieën en de preventie van arbeidsrisico's.

5.3.7   In samenwerking met de sociale partners moet ervoor worden gezorgd dat wetgeving en overheidsbeleid inzake werkgelegenheid elkaar aanvullen. Arbeidsmarktintegratie is namelijk ook een kwestie van maatschappijhouding en van afspraken tussen vakbonden en werkgevers.

5.3.8   Arbeidsmigranten zijn vaker bereid tot mobiliteit, hoewel bepaalde nationale wetgevingen (18) dit beletten en beperkingen opleggen. De richtlijn inzake de status van langdurig ingezetenen (die niet naar behoren is omgezet in sommige nationale wetgevingen) kan mobiliteit vereenvoudigen. Ook zou het EURES-netwerk beter benut kunnen worden om de mobiliteit van arbeidsmigranten in de EU te stimuleren.

5.4   Ondernemingszin van migranten

5.4.1   Veel mensen maken zich op voor emigratie met het idee zelfstandige te worden of een eigen onderneming te starten. Steeds meer bedrijven worden geleid door mensen met een migrantenachtergrond.

5.4.2   Het Comité is van oordeel dat de ondernemingszin van migranten moet worden gestimuleerd door de EU. Daarom zouden middelen uit het ESF daartoe vaker moeten worden ingezet voor de migrantenbevolking.

5.4.3   Ook zouden bedrijfsorganisaties en kamers van koophandel hun deuren vaker moeten openzetten voor migrantenondernemers en hen actiever toegang moeten bieden tot de bestuursraden.

5.4.4   Verder zijn veel migrantenondernemers actief in de sociale economie - ook daarvoor zouden de instrumenten uit het ESF en van de nationale overheden vaker kunnen worden benut.

5.5   Sociale bescherming

5.5.1   In Europa bestaan er verschillende nationale pensioensystemen. Het is zaak ervoor te zorgen dat migranten kunnen bijdragen aan de pensioenstelsels en dat ze zonder onderscheid aanspraak kunnen maken op de navenante uitkeringen.

5.5.2   Ook de overdracht van pensioenen dient te worden gegarandeerd met het oog op de mobiliteit, en indien mensen terugkeren naar hun eigen land, mogen de pensioenrechten niet verloren gaan.

5.5.3   In de open coördinatiemethode dienen indicatoren te worden opgenomen om na te gaan of arbeidsmigranten zonder uitsluiting of discriminatie kunnen deelnemen aan de pensioenstelsels.

5.6   Huisvesting

5.6.1   In veel steden groeit als gevolg van de economische crisis het aantal daklozen en velen van hen zijn migranten.

5.6.2   Momenteel ondervinden veel mensen en met name jongeren moeilijkheden om huisvesting te vinden.

5.6.3   Ook migranten en minderheden hebben de grootste moeite om een fatsoenlijk onderkomen te vinden. Daarom is het Comité van mening dat het huisvestingsbeleid van de lidstaten deel moet uitmaken van het integratiebeleid, de armoedebestrijding en de sociale uitsluiting.

5.6.4   De meeste Europeanen wonen in een stad of in een wijk, en dat is niet anders voor migranten en minderheden. In een ander advies (7) benadrukte het Comité de rol van de lokale en regionale overheden bij de tenuitvoerlegging van het integratiebeleid. Een goed stadsbeleid kan de integratie bevorderen en voorkomen dat er aftakelende stadsgetto's ontstaan, zoals nu het geval is in bepaalde steden.

5.6.5   Het huisvestingsbeleid dient derhalve criteria, maatregelen en indicatoren te omvatten die de bestaande belemmeringen wegnemen. Dit vraagt om een proactieve benadering waar de gehele samenleving bij betrokken moet worden, inclusief de overheden en de sociale actoren.

5.7   Gezondheidszorg en andere diensten

5.7.1   Vanwege de wetgeving in sommige lidstaten hebben een groot aantal migranten geen toegang tot het zorgstelsel, waardoor ze zich in een uitermate kwetsbare situatie bevinden.

5.7.2   Het coördinatiesysteem voor de gezondheidszorg en de Europese immigratiewetgeving moeten migranten de garantie op toegang tot goede openbare zorg en gelijke behandeling bieden. Ook dienen de zorgstelsels te worden aangepast aan de maatschappelijke diversiteit.

5.7.3   Het Comité wil opmerken dat in sommige lidstaten een groot deel van het personeel in de zorg en de thuishulp uit migranten bestaat.

5.7.4   Er zijn verder extra inspanningen nodig ter verbetering van de gezondheid op de werkplek, aangezien arbeidsmigranten vaak aan meer risico's blootstaan en niet goed op de hoogte zijn van de wetgeving en van preventieprogramma's.

5.7.5   In sommige lidstaten kunnen migranten niet optimaal gebruik maken van de maatschappelijke dienstverlening en is deze sector ook niet voldoende afgestemd op de diversiteit onder de bevolking. De Commissie zou de openbare dienstverlening moeten toetsen op aspecten als integratie, diversiteit en non-discriminatie.

5.7.6   Migranten mogen niet worden gediscrimineerd in de zorg of de maatschappelijke dienstverlening; ook zij betalen immers belastingen en premies, net als de rest van de bevolking. Gezien de huidige economische crisis en begrotingsmoeilijkheden, is het zaak dat iedereen zijn belastingen en premies betaalt, zodat de openbare dienstverlening in stand kan worden gehouden.

5.8   Armoede en sociale uitsluiting

5.8.1   Veel migranten lopen het risico in armoede te vervallen of leven al in armoede. Door de huidige recessie en de groeiende werkloosheid wordt deze situatie er alleen maar erger op. Migranten en minderheden moeten absoluut in staat worden gesteld deel te nemen aan omscholingsprogramma's, bescherming genieten tegen werkloosheid en toegang hebben tot huisvesting en de overige maatschappelijke diensten.

5.8.2   2010 is het Europese Jaar voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Er moet actiever werk worden gemaakt van de integratie van migranten en minderheden, en er moeten garanties worden geboden op een minimuminkomen, de toegang tot middelen en openbare diensten en deelname aan de arbeidsmarkt.

5.8.3   Het Comité wijst op de praktijken van bepaalde criminele netwerken die zich schuldig maken aan de arbeidsexploitatie van migranten zonder papieren. Hierbij moet met name worden gedacht aan vrouwen- en kinderhandel en hun seksuele uitbuiting. De politieke en juridische strijd tegen deze maffiose praktijken dienen gepaard te gaan met maatregelen ter ondersteuning en bescherming van de slachtoffers.

5.9   Bestrijding van discriminatie

5.9.1   Het Parlement (19) heeft onlangs een resolutie goedgekeurd over de nieuwe Richtlijn tegen discriminatie die een aanvulling vormt op de drie (20) al bestaande Richtlijnen. Het Comité heeft hierover eveneens een advies (21) uitgebracht, waarin het zijn steun uitsprak voor het Commissievoorstel en erop aandrong ook meervoudige discriminatie in aanmerking te nemen.

5.9.2   Wanneer de nieuwe richtlijn uiteindelijk zal worden goedgekeurd - en daarmee verdere invulling wordt gegeven aan artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie - wordt het non-discriminatiebeginsel uitgebreid tot terreinen als onderwijs, gezondheidszorg, sociale bescherming en huisvesting. Het Comité dringt er bij de Raad op aan om bij de goedkeuring van deze richtlijn rekening te houden met de aanbevelingen uit genoemd advies.

5.9.3   Migranten worden vaak met discriminatie geconfronteerd, of het nu vrouwen, mannen, ouderen of jongeren betreft, en die situatie wordt nog verergerd omdat ze als ingezetenen van derde landen een juridische status hebben die hun minder bescherming biedt. Ook zijn er velen die meervoudig gediscrimineerd worden.

5.9.4   De Europese Commissie zou een actieplan moeten opstellen tegen meervoudige discriminatie en het Comité zou hier graag zijn medewerking aan verlenen.

5.9.5   Het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (22) dient voort te gaan met de publicatie van rapporten over directe of indirecte discriminatie waar vele migranten mee te maken krijgen.

5.10   Gendergelijkheid

5.10.1   Migrantenvrouwen hebben het nog zwaarder te verduren vanwege hun vrouw-zijn; het integratiebeleid dient dan ook rekening te houden met dit genderperspectief.

5.10.2   Zowel in de gemeenschappelijke basisbeginselen voor integratie als bij de sociale agenda moet er aandacht worden geschonken aan gendergelijkheid, zodat vrouwen met een migranten- of minderhedenachtergrond gelijke kansen hebben en niet gediscrimineerd worden.

5.11   Migratie en ontwikkeling

5.11.1   In eerdere adviezen (23) heeft het Comité gewezen op de bijdrage die het immigratiebeleid kan leveren aan de economische en sociale ontwikkeling van het land van herkomst - reden waarom de EU haar immigratiewetgeving zou moeten versoepelen.

5.11.2   Op het gebied van extern beleid dient de EU bij de VN aan te dringen op een internationaal normatief kader voor migratie en het Verdrag (24) te onderschrijven dat momenteel van kracht is.

6.   Instrumenten van de sociale agenda

6.1   Mainstreaming

6.1.1   Mainstreaming van integratie houdt in dat beleidsprocessen dusdanig moeten worden ge(re)organiseerd, ontwikkeld en geëvalueerd dat er in alle doelstellingen, maatregelen en instrumenten van de sociale agenda, op alle niveaus en in alle fasen, voor alle betrokken actoren die bij de goedkeuring betrokken zijn, aandacht is voor integratieprocessen, gelijke kansen, gelijke behandeling en non-discriminatie van migranten.

6.1.2   Aangezien er in de Europese Unie verschillende culturele modellen bestaan, moet mainstreaming er ook voor zorgen dat de ervaringen, bevoegdheden, belangen en behoeften van mensen, in alle initiatieven van welke soort en voor welke doelgroep dan ook, worden geïntegreerd vanuit het perspectief van integratie en diversiteit, en dat hetzelfde geldt voor de beoordeling van de maatregelen.

6.1.3   Begin van dit proces moet een effectbeoordeling zijn, aan de hand waarvan de behoeften in kaart kunnen worden gebracht. Zo kan erop worden toegezien dat maatschappelijke diversiteit op alle terreinen op passende wijze in aanmerking wordt genomen. Daartoe zou er vaart moeten worden gezet achter het definiëren van integratie-indicatoren die een aanvulling vormen op de criteria die bij de open coördinatiemethode voor sociale insluiting worden gehanteerd. Het Europees Integratiefonds kan tot de formulering van deze indicatoren bijdragen.

6.1.4   Belangrijkste criteria voor de doorvoering van de mainstreaming zijn leiderschap van de beleidsverantwoordelijken en deelname van alle betrokken openbare en particuliere actoren. Daarom zou er een nieuw samenwerkingsverband moeten worden opgezet, waarbinnen de besluitvormingsprocessen voor de beoogde verandering vorm krijgen.

6.2   Wetgeving

6.2.1   De kwaliteit van de Europese gemeenschappelijke immigratiewetgeving moet worden verbeterd en richtlijnen dienen immigranten adequaat te beschermen. Vanuit dat streven heeft het Comité een initiatiefadvies (25) opgesteld waarin het pleit voor de eerbiediging van de grondrechten in de Europese beleidsmaatregelen en wetgeving op het gebied van immigratie.

6.2.2   Als het programma van Stockholm eenmaal is goedgekeurd, zal het volgens het Comité eenvoudiger zijn om vooruitgang te boeken op het gebied van de harmonisering van de wetgeving inzake immigratie en asiel.

6.2.3   Bij de uitwerking van de Europese immigratiewetgeving zal rekening moeten worden gehouden met de nieuwe antidiscriminatiewetgeving die momenteel wordt opgesteld en die artikel 13 van het Verdrag als rechtsgrondslag heeft.

6.3   Sociale dialoog

6.3.1   De sociale actoren hebben als taak om middels overleg en onderhandelingen de gelijke behandeling in ondernemingen te bevorderen. Het Comité en de Stichting van Dublin hebben in het kader van het opstellen van een advies (7) een hoorzitting georganiseerd. De conclusies van deze hoorzitting (opgenomen in bijlage 3) kunnen voor de sociale actoren en voor de Commissie zeer nuttig blijken als het erom gaat een vorm van arbeidsintegratie na te streven die gebaseerd is op gelijke behandeling en er geen sprake is van discriminatie van migranten ten opzichte van autochtone werknemers.

6.3.2   De sociale dialoog die op de verschillende terreinen wordt gevoerd, kan bijdragen tot actievere integratie van werknemers met een migranten- of minderhedenachtergrond. In het bedrijfsleven is het eenvoudiger om actieve deelname van migrantenwerknemers te bewerkstelligen.

6.3.3   De Europese sociale partners dienen naar behoren te worden geraadpleegd en hun oordeel te geven over de inhoud van de nieuwe sociale agenda.

6.3.4   Het Spaanse voorzitterschap van de EU heeft het Comité verzocht een verkennend advies (26) op te stellen over „De integratie van arbeidsmigranten”. In dit advies heeft het Comité talrijke voorstellen geformuleerd om integratie op de arbeidsmarkt te bevorderen.

6.4   Civiele dialoog

6.4.1   De civiele dialoog is, naast de sociale dialoog, een uitstekend bestuursmechanisme dat deel uitmaakt van het Europees sociaal model. Volgens het Comité is dit een onmisbaar instrument voor de formulering van de Europese sociale agenda en voor de integratieprocessen.

6.4.2   Op Europees niveau dienen de maatschappelijke organisaties die gespecialiseerd zijn in mensenrechten en in de steun aan migranten en minderheden, meer te worden betrokken bij het integratiebeleid en de sociale agenda.

6.4.3   Ook het Europees Integratieforum dient te worden geraadpleegd en dient actief deel te nemen bij het opstellen van de nieuwe sociale agenda van de EU.

6.4.4   Verder is het zaak dat de Europese Unie de interculturele dialoog blijft aanmoedigen, die immers deel uitmaakt van het integratieproces en de doelstellingen van het sociaal beleid.

6.5   De open coördinatiemethode

6.5.1   In het kader van het immigratiebeleid dient er een open coördinatiemethode op het vlak van integratie te worden opgestart, zoals voorgesteld door de Commissie en het Comité.

6.5.2   De Raad heeft besloten om de huidige coördinatie te verbeteren en de Commissie een belangrijkere rol toe te kennen. Het Comité staat achter deze beslissing maar meent dat er nog verder kan worden gegaan.

6.5.3   Deze open coördinatiemethode dient te functioneren aan de hand van specifieke kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren. Het Comité en het Europees Integratiefonds kunnen hieraan meewerken.

6.5.4   Bij de verschillende open coördinatiemethoden die op het terrein van sociaal beleid bestaan, dienen de integratiedoelstellingen en -indicatoren te worden aangescherpt voor het werkgelegenheidsbeleid, de sociale bescherming, de gezondheidszorg en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

6.6   Financiering

6.6.1   De synergie en de complementariteit tussen het Sociaal Fonds en het Integratiefonds dienen te worden verbeterd.

6.6.2   Het Europees Sociaal Fonds is bestemd voor mensen die met specifieke problemen kampen om werk te vinden, zoals vrouwen, jongeren en oudere werknemers. Ook biedt het steun aan ondernemingen en werknemers bij de aanpassing aan de veranderingen die de nieuwe technologieën en de vergrijzing van de samenleving met zich meebrengen. Het ESF dient het aspect van diversiteit als gevolg van immigratie meer in aanmerking te nemen bij zijn doelstellingen en programma's voor de huidige looptijd (2007-2013) en voor de toekomst.

6.6.3   Na 2013 is het van belang om meer financiële middelen toe te kennen aan het Integratiefonds en om de Commissie een belangrijkere rol toe te kennen in het beheer ervan.

6.6.4   Het Progress-programma, dat ten doel heeft om financiële steun te bieden aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie inzake werkgelegenheid en sociale aangelegenheden, dient ook meer oog te hebben voor integratie en diversiteit op de vijf belangrijkste actieterreinen: werkgelegenheid, sociale bescherming en integratie, arbeidsomstandigheden, non-discriminatie en diversiteit en gendergelijkheid.

7.   Een meer inclusief Europees burgerschap

7.1   Europese democratieën gelden als vrij en open, en dienen te zijn gebaseerd op de idee dat alle mensen deel uitmaken van de maatschappij. Integratie- en immigratiebeleid mogen nooit als een alibi worden gebruikt om migranten en minderheden hun burgerrechten te ontzeggen.

7.2   De basis van onze democratieën moet verbreed worden, zodat zij ook plaats bieden aan nieuwe burgers, die dezelfde rechten en plichten moeten krijgen. Iedereen dient, zonder aanzien des persoons, te kunnen genieten van de rechten die voortvloeien uit het nationale en Europese burgerschap.

7.3   Het Comité wil herinneren aan zijn voorstel, geformuleerd in een eerder advies (27), om ingezetenen van derde landen die een langdurige verblijfsstatus hebben het Europese burgerschap toe te kennen. Het wil er bij de Commissie, het Europees Parlement en de Raad op aandringen dit voorstel in aanmerking te nemen bij de formulering van de doelstellingen voor de nieuwe mandaatperiode.

7.4   De Europese Commissie zou werk moeten maken van een nieuw initiatief ter bevordering van het burgerschap van ingezetenen van derde landen en van hun deelname aan het politieke en maatschappelijke leven.

8.   De nieuwe Europese Commissie

8.1   Het Comité acht het met het oog op integratie niet raadzaam om immigratiezaken in de nieuwe Commissie in hetzelfde departement onder te brengen als veiligheidsvraagstukken, als er een aparte portefeuille wordt gecreëerd voor Justitie en grondrechten.

8.2   Door immigratie in verband te brengen met veiligheid, stuurt de Commissie een negatieve boodschap uit naar de Europese samenleving en naar de immigranten. Deze boodschap is ook in strijd met het eerste beginsel van de gemeenschappelijke basisbeginselen voor integratie, namelijk de idee van een tweerichtingsproces. Er worden al te veel signalen in Europa afgegeven die stigmatiserend zijn voor immigranten!

8.3   Wat de integratie wel ten goede zou komen is de beslissing om migratie- en asielaangelegenheden onder te brengen bij de dienst Justitie en grondrechten, zoals het Comité voorstelt.

8.4   In dit verband is het des te noodzakelijker om integratie verder te verankeren in de sociale agenda en het overige communautaire beleid, met name voor de bescherming van de grondrechten van de immigranten.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  COM(2008) 758 final.

(2)  PB C 125 van 27-5-2002.

(3)  Het integratiebeleid valt niet onder dezelfde commissaris en hetzelfde directoraat-generaal als het beleid inzake de sociala agenda.

(4)  Eurostat.

(5)  Zie de EESC-adviezen:

PB C 44 van 16-2-2008, blz. 91.

PB C 120 van 16-5-2008, blz. 82.

(6)  Zie de EESC-adviezen:

PB C 27 van 3-2-2009, blz. 95.

PB C 125 van 27-5-2002, blz. 112.

PB C 80 van 30-3-2004, blz. 92.

PB C 318 van 23-12-2006, blz. 128.

(7)  PB C 318 van 23-12-2006, blz. 218.

(8)  PB C 125 van 27-5-2002, paragraaf 1.4 (rapporteur: dhr. Pariza Castaños).

(9)  Conferentie over het thema „De rol van de georganiseerde civiele samenleving bij immigratie en maatschappelijke integratie”, Brussel, 9-10 september 2002.

(10)  Document 14615/04 van 19 november 2004.

(11)  COM(2008) 412 final.

(12)  PB C 182 van 4-8-2009, blz. 65.

(13)  PB C 27 van 3-2-2009, blz. 99.

(14)  2008/2330 (INI).

(15)  PB C 161 van 13-7-2007, blz. 66 en PB C 120 van 16-5-2008, blz. 66.

(16)  PB C 218 van 11-9-2009, blz. 85.

(17)  Verkennend advies van het EESC over „De integratie van arbeidsmigranten”.

(18)  Richtlijn 2003/109/EG.

(19)  Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het „Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.”

(20)  Richtlijn 2000/43/EG; Richtlijn 2004/113/EG; Richtlijn 2000/78/EG.

(21)  PB C 182 van 4-8-2009, blz. 19 en PB C 77 van 31-3-2009, blz. 102.

(22)  Enquête van EU-MIDIS („Enquête van de Europese Unie inzake minderheden en discriminatie”) gehouden onder meer dan 23 000 mensen die behoren tot etnische minderheden en migrantengemeenschappen, over hun ervaringen met discriminatie, door rassenhaat ingegeven misdrijven en politieoptreden in de EU.

(23)  PB C 44 van 16-2-2008, blz. 91.

(24)  Het VN-Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle werkende migranten en hun gezinsleden.

(25)  PB C 128 van 18.5.2010, blz. 29.

(26)  Verkennend advies van het EESC over „De integratie van arbeidsmigranten”, rapporteur: dhr. Pariza Castaños.

(27)  Initiatiefadvies in PB C 208 van 3-9-2003.


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/28


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de gevolgen van de economische partnerschapsovereenkomsten voor de ultraperifere regio's in het Caribische gebied

(initiatiefadvies)

(2010/C 347/04)

Rapporteur: de heer COUPEAU

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 februari 2009 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De gevolgen van de economische partnerschapsovereenkomsten voor de ultraperifere regio's in het Caribisch gebied.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari 2010) onderstaand advies met algemene stemmen goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De economische partnerschapsovereenkomst (EPO) die op 15 oktober 2008 door de 15 lidstaten van het Caribische Forum van ACS-staten (1) en de EU is ondertekend (2), heeft een zeer breed toepassingsgebied. Toch zijn er een aantal factoren die, ook al worden ze in de EPO genoemd, een sta-in-de-weg zijn voor de verwezenlijking van doelstellingen als regionale integratie, duurzame ontwikkeling en samenwerking tussen de Cariforum-staten en de ultraperifere regio's (UPR's). De UPR's mogen dan diep geworteld zijn in de Europese tradities, geografisch, historisch, cultureel en economisch gezien zijn ze nauw verbonden met de Cariforum-staten. Dankzij hun strategische positie kunnen er goede handelsbetrekkingen worden aangeknoopt met de eilanden in de omgeving. De UPR's zijn dan ook de eerste Europese regio's die te maken krijgen met de EPO.

1.2   Het EESC is zich bewust van de moeilijke onderhandelingen en van de mogelijke risico's die de EPO met zich meebrengt, maar ook van de kansen die de overeenkomst biedt voor zowel de Cariforum-staten als de UPR's en de EU in het algemeen.

1.3   Het dringt er sterk op aan om de lokale overheden van de UPR's volledig te betrekken bij het overleg over de EPO tussen de EU en de Cariforum-staten. Hoewel deze UPR's, anders dan de Cariforum-staten, ook deel uitmaken van de Franse departementen van Amerika (DFA), kunnen ze beslist een steentje bijdragen aan een daadwerkelijke integratie van de regio.

1.4   Daarnaast zouden middenveldorganisaties en de lokale overheden in de UPR's meer betrokken moeten worden bij de discussies over en de verschillende follow-upcomités voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst, teneinde de hiermee beoogde regionale integratie te verwezenlijken.

1.5   Stapsgewijze integratie van de Cariforum-staten in de wereldeconomie zal pas mogelijk zijn als er een oplossing komt voor de vervoersproblemen (infrastructuur en transportmiddelen). De Commissie zou het vervoersvraagstuk in een breder perspectief moeten plaatsen en samen met de Cariforum-staten en de UPR's meer op zoek moeten gaan naar concrete oplossingen.

1.6   Om de handelsbetrekkingen in het Caribisch gebied te bevorderen zouden de betrokken partijen de douaneheffingen tussen de UPR's en de Cariforum-staten nu al moeten verminderen.

1.7   Het is een goede zaak dat er in de EPO wordt gewezen op de noodzaak van een heldere procedure inzake de sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS). Wel moet er voor de UPR's een rol zijn weggelegd in de instantie die verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van SPS-maatregelen ter bevordering van de intraregionale handel, en moeten zij kunnen aanschuiven bij de onderhandelingen over bilaterale akkoorden. Ook zouden de ultraperifere regio's voor hun producten de herkomstbenaming „UPR” moeten kunnen gebruiken als bewijs van kwaliteit en naleving van de Europese normen.

1.8   Het EESC pleit er nadrukkelijk voor om het beheer van de visserijgebieden en de aquacultuur in de UPR's af te stemmen met de Cariforum-staten.

1.9   Tot slot moet de dienstverlening beter worden opgezet om een echte Caribische toeristensector te kunnen creëren.

1.10   Het EESC constateert dat er in de overeenkomst ook aandacht wordt besteed aan het milieu en sociale bescherming. Het zou voor het hele gebied graag een toekomstvisie willen geven.

2.   Inleiding en algemene opmerkingen

2.1   In artt. 349 en 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt het specifieke karakter van de ultraperifere regio's erkend. In 1986 riep de Commissie een interne coördinatiegroep in het leven die de communautaire activiteiten ten behoeve van UPR's in goede banen moest leiden en als tussenpersoon moest fungeren tussen de nationale overheden en de regio's in kwestie. In 1989 is er voor de UPR's een speciaal ondersteuningsprogramma opgezet, dat voor een betere aansluiting met de rest van de EU moest zorgen en op die manier de sociaaleconomische ontwikkeling van deze regio's moest bevorderen.

In art. 239 van de EPO tussen de EU en het Cariforum staat dat de UPR's in het Caribisch gebied (Martinique en Guadeloupe) geografisch gezien dicht bij de Cariforum-staten liggen: „ter versterking van de economische en sociale banden tussen deze gebieden en de Cariforum-staten, streven de partijen ernaar tussen de ultraperifere gebieden en de Cariforum-staten met name de samenwerking op alle door deze overeenkomst bestreken gebieden te bevorderen en daarnaast de handel in goederen en diensten te vergemakkelijken, investeringen aan te moedigen en vervoers- en communicatiebanden te stimuleren”. Ook voorziet dit artikel in gezamenlijke deelname van de Cariforum-staten en de UPR's aan de kaderprogramma's en speciale activiteiten op terreinen die onder de EPO vallen.

2.2.1   Het EESC wil erop wijzen dat ook de Nederlandse overzeese gebieden, d.w.z. Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten, een belangrijke plaats innemen in het Caribisch gebied. Vanuit Europees oogpunt behoren deze eilanden echter tot de „landen en gebieden overzee”. Daarmee onderscheiden ze zich juridisch gezien van de UPR's in het Caribisch gebied. Niettemin zal de regionale integratie, zoals voorzien in de EPO, alleen slagen als er meer rekening wordt gehouden met de overzeese gebieden van alle lidstaten (Nederland, Verenigd Koninkrijk en Frankrijk).

2.3   Voor het EESC is het belangrijk dat de sociaaleconomische effecten van deze overeenkomst voor het Caribisch gebied en met name de UPR's worden onderzocht. Er moet worden nagegaan wat de korte- en langetermijneffecten zullen zijn van regionale integratie op het gebied van goederen, diensten, samenwerking en goed economisch bestuur inzake handelsvraagstukken (concurrentie, investeringen, intellectueel eigendom enz.).

Regionale integratie in de ruime betekenis van het woord (Europese strategie voor UPR's) is een van de voornaamste doelstellingen van de EPO, maar ook van cruciaal belang voor de UPR's. De overeenkomst brengt echter een aantal elementen met zich mee die de regionale integratie en de effectiviteit van de EPO in gevaar brengen.

2.4.1   Doordat ze niet zijn geraadpleegd in het kader van de onderhandelingen over de EPO, spelen de regionale en algemene raden van de UPR's een zeer bescheiden rol in het Caribisch gebied. Toch hebben deze raden een zekere deskundigheid in huis wat betreft de „offensieve” en „defensieve” sectoren (3) van de UPR's. Bovendien kunnen ze dankzij de regionale stuurgroepen op elk moment de resultaten van hun eigen onderzoek naar buiten brengen. Op initiatief van de Franse regering dragen de Etats généraux de l’outre-mer overigens ook talrijke oplossingen aan voor de struikelblokken van de EPO. Vanwege hun geografische nabijheid en culturele banden hebben de raden reeds betrekkingen aangeknoopt met een aantal Cariforum-staten.

2.4.2   Doordat de UPR's niet betrokken zijn bij het Handels- en ontwikkelingscomité Cariforum-EG, het Parlementair Comité Cariforum-EG en vooral het Raadplegend Comité Cariforum-EG, hebben ze in de Europese Unie nauwelijks een stem in het kapittel. Het EESC pleit er daarom voor dat parlementsleden, leden van maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van lokale overheden uit de UPR's, indien mogelijk, zitting nemen in deze organen.

2.4.3   Voor de directe betrekkingen met het maatschappelijk middenveld in de Cariforum-staten is het bijzonder nadelig dat burgerorganisaties in de UPR's niet worden geraadpleegd. Juist de burgers ondervinden dagelijks problemen als gevolg van de knelpunten in het handelsverkeer met de landen in het Caribisch gebied (infrastructuur, quota, negatieve lijsten).

2.4.4   De betrokken partijen zouden ervoor moeten zorgen dat UPR's als waarnemers toetreden tot regionale organisaties in het Caribisch gebied, zoals Cariforum en de OECS (4). Een aantal besluiten over het Caribisch gebied wordt namelijk binnen deze organisaties genomen. Zolang de UPR's daar niet vertegenwoordigd zijn, zelfs niet als waarnemer, is er geen sprake van echte regionale integratie.

2.5   Vervoer

2.5.1   Het EESC benadrukt dat liberalisering van de goederen- en dienstenmarkt eigenlijk alleen mogelijk is als het vervoer en de infrastructuur op peil zijn. De vervoersmiddelen in het Caribisch gebied zijn ontoereikend. Er zijn weliswaar twee luchtvaartmaatschappijen en twee rederijen die zorgdragen voor het personenvervoer tussen de eilanden, maar de dienstregeling is onregelmatig en voor goederenvervoer wordt niet gezorgd. Ondanks de gerichte financiële steun van 275,6 miljoen euro ter compensatie van de extra kosten als gevolg van de geografische ligging van de UPR's (Guadeloupe, Martinique en Frans-Guyana), gaan de ultraperifere gebieden in de Cariben gebukt onder hoge vrachtprijzen en een Europese cabotagewetgeving die niet is toegesneden op eilandgebieden.

2.5.2   Om deze problemen het hoofd te bieden hebben de UPR's en de Cariforum-staten het idee geopperd om een systeem van vrachtschepen of veerboten in te voeren. Deze projecten zijn om financiële redenen echter niet van de grond gekomen.

2.5.3   In art. 37 van de EPO wordt in een hoofdstuk over landbouw en visserij het vervoersvraagstuk genoemd, zonder dat er echter concrete oplossingen worden aangedragen, en dat terwijl de UPR's en de Cariforum-staten al gemeenschappelijke oplossingen voor ogen hadden.

2.5.4   In het kader van het volgende EOF-programma zou er een ambitieus structuurbeleid moeten worden ingevoerd om het hele Caribische gebied te voorzien van een op eilandgebieden toegesneden vervoersnetwerk.

2.6   In de EPO wordt in het geheel voorbijgegaan aan de beslechting van civielrechtelijke en handelsgeschillen. Er bestaan geen bepalingen om conflicten tussen bedrijven uit Cariforum-staten en de UPR's op het gebied van rechtsmacht, toepasselijk recht of de exequaturprocedure op te lossen. De EPO voorziet slechts in oplossingen voor het beslechten van geschillen voortvloeiende uit de interpretatie en toepassing van de overeenkomst. Toch zou het goed zijn om te voorzien in rechtsmogelijkheden die bij een dergelijke overeenkomst passen.

3.   Bijzondere opmerkingen – analyse van het Caribisch gebied

3.1   Landbouw

Bananen worden in het Caribisch gebied in grote hoeveelheden geteeld en vormen een van de belangrijkste inkomstenbronnen van de UPR's. Er zijn meer dan 10 000 mensen werkzaam in de bananensector. 14 % van de bananen uit Guadeloupe en 24 % van de bananen uit Martinique worden naar de Europese Unie geëxporteerd. Daarmee is de banaan economisch en sociaal gezien van grote betekenis voor de UPR's. De EU is zich altijd bewust geweest van het strategische belang van de bananenproductie. Zo is er voor deze UPR's in het kader van het steunprogramma POSEI, dat op 22 augustus 2007 door de Commissie werd goedgekeurd, jaarlijks 129,1 miljoen euro beschikbaar. Toch is deze hulp lang niet voldoende. De bananenteelt in de UPR's heeft namelijk niet alleen te lijden van klimatologische problemen, maar wordt ook nog eens bedreigd door de leveranciers van dollarbananen, die (volgens ODEADOM (5)) sinds de liberalisering 73,4 % van de EU-markt in handen hebben. Daar komt bij dat de EU op 15 december 2009 een overeenkomst heeft geparafeerd met de producerende landen in Latijns-Amerika over verlaging van de douanerechten op bananen van 176 naar 114 euro per ton met ingang van 2017, hetgeen de situatie voor de UPR's en sommige Cariforum-staten nog zorgwekkender maakt.

3.1.1.1   Ook voor de Cariforum-staten is de bananenteelt buitengewoon belangrijk. Op Dominica bijvoorbeeld is de banaan goed voor 18 % van het bbp en is 28 % van de beroepsbevolking in de bananensector werkzaam. De crisis in de bananensector is niet alleen voelbaar in de UPR's. Van de 10 000 bananenplanters die Saint Lucia in 1990 telde, zijn er nu nog maar 2 000 over.

3.1.1.2   Het EESC pleit voor de oprichting van een pan-Caribische beroepsorganisatie die het marktaandeel van bananen uit dit gebied in de EU moet vergroten, vooral ook omdat bepaalde Cariforum-staten (zoals Saint Lucia en Dominica) al bananen naar andere landen (bijv. Canada) exporteren die min of meer dezelfde normen hanteren qua volksgezondheid en traceerbaarheid als de EU.

3.1.2   Rietsuiker – rum: met meer dan 6 500 volledige arbeidsplaatsen neemt de rietsuikersector eveneens een belangrijke plaats in in de UPR's. Van de totale oppervlakte cultuurgrond (OC) wordt op Guadeloupe en Martinique resp. 32 % en 13 % gebruikt voor de rietsuikerteelt. In het seizoen 2006-2007 bedroeg de rietsuikerproductie op Martinique 5 849 ton en op Guadeloupe zelfs 80 210 ton. Met een productie van 79 352 hza (6) op Martinique en 74 524 hza op Guadeloupe is rum, wat de verkoop buiten de UPR's betreft, strategisch gezien niet onbelangrijk.

De twee UPR's maken te weinig gebruik van hun vruchtbare grond voor de groente- en fruitteelt. Wel hebben ze gekozen voor een diversifiëring van hun landbouwproductie. In 2006 produceerden Guadeloupe en Martinique resp. 17 218 ton en 8 666 ton fruit. De productie van verse groente bedroeg in hetzelfde jaar resp. 43 950 en 37 892 ton. Daarnaast produceert Guadeloupe (met 179 ha tuinbouwgrond) aromatische en parfumplanten (vanille), koffie, cacao, specerijen en geneeskrachtige planten en worden er op Martinique (met 105 ha tuinbouwgrond) vooral ananas en bepaalde specerijen verbouwd. Er zit met andere woorden toekomst in deze landbouwactiviteiten, zeker nu de twee UPR's hun betrekkingen met de andere Caribische landen op het gebied van regionale en internationale handel in goederen alsook onderzoek en ontwikkeling willen intensiveren.

3.1.3.1   Waar de landbouw van de UPR's van oudsher wordt gedomineerd door de voor export bedoelde productie van bananen en rietsuiker, moet door middel van deze diversifiëring volledig aan de binnenlandse vraag naar voedsel kunnen worden voldaan (autarkie). In 2008 steeg de invoer van varkensvlees op Martinique bijvoorbeeld met 10 % en op Guadeloupe met 68,2 %, terwijl de invoer van verse producten op Guadeloupe voor 67 % uit groente bestond. In het streven naar zelfvoorziening hebben de boeren in de UPR's onlangs besloten om brancheorganisaties op te zetten waarin niet alleen producenten, maar ook verwerkende bedrijven, leveranciers en distributeurs (met andere woorden de hele productieketen) vertegenwoordigd zijn. Al deze leden hebben een belangrijke stem in het besluitvormingsproces van de brancheorganisaties (7). Zo'n regeling ontbreekt echter op de naburige eilanden, die gebukt gaan onder een gebrekkige organisatie, met alle gevolgen van dien voor de handel in landbouwproducten met de UPR's.

3.1.4   Belemmeringen voor het handelsverkeer in landbouwproducten tussen de UPR's en de Cariforum-staten

3.1.4.1   De landbouw is cruciaal voor het voortbestaan en de ontwikkeling van de regio en dus een defensieve sector voor de UPR's. De belangrijkste problemen van de regio houden verband met de voedselveiligheid, het ontbreken van een goede infrastructuur en de douanerechten, die een belemmering vormen voor de regionale handel en de sociale bescherming.

3.1.4.2   Wat de voedselveiligheid betreft, voldoet de groente- en fruitteelt van de Cariforum-staten ondanks het gebruik van HACCP-systemen (8) niet helemaal aan de Europese wetgeving. Het feit dat de UPR's niet over bepaalde producten beschikken die in de Cariforum-staten in grote hoeveelheden voorhanden zijn, maakt het er niet gemakkelijker op.

3.1.4.3   Op grond van art. 40 van de EPO (inzake voedselveiligheid) kunnen de betrokken partijen in situaties die „tot ernstige problemen (kunnen) leiden”, een beroep doen op de vrijwaringsclausule. Niettemin kan het voor de UPR's lastig zijn om op korte termijn gebruik te maken van deze mogelijkheid. Bovendien moeten de bij de overeenkomst (9) vastgelegde sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS) resulteren in intraregionale SPS-wetgeving die beantwoordt aan de WTO-voorschriften. Het uiteindelijke doel is om via bilaterale afspraken over de erkenning van de gelijkwaardigheid van SPS-maatregelen te komen tot maatregelen die afgestemd zijn op die van de EU. De UPRs, die onderworpen zijn aan de Europese wetgeving, kunnen ondanks herhaalde pleidooien van het EESC (10), lokale overheden (11) en leden van het Europees Parlement (12) nog altijd geen gebruik maken van de herkomstbenaming „UPR” voor hun landbouw- en visserijproducten. Daar komt bij dat de UPR's niet vertegenwoordigd zijn in de instantie die verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van SPS-maatregelen ter bevordering van de intraregionale handel, en ook niet betrokken zijn bij de onderhandelingen over bilaterale akkoorden.

3.1.4.4   Het EESC staat achter het in de EPO geformuleerde streven naar ontwikkeling van marketingcapaciteiten „zowel wat de handel tussen Cariforum-staten als wat de handel tussen de partijen betreft” en naar „vaststelling van mogelijkheden tot verbetering van de marketinginfrastructuur en het vervoer” (art. 43, lid 2, sub b). In de overeenkomst staat ook dat vaststelling „van de financierings- en samenwerkingsmogelijkheden voor producenten en handelaren” een van de belangrijkste doelstellingen is op het gebied van landbouw en visserij.

3.1.4.5   De douane van bepaalde Caribische landen heeft een aantal verwerkte producten uit de UPR's (zoals jam, koffie enz.) op de „negatieve lijsten” (inzake douaneheffingen) gezet, hetgeen de verkoop daarvan in die landen bemoeilijkt. Gezien de bijzondere positie van de UPR's binnen de Cariben en hun specifieke karakter, zoals bepaald bij artt. 349 en 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dringt het EESC er, in weerwil van art. 9 e.v. van de EPO inzake douanerechten, bij de betrokken partijen op aan om ten behoeve van het handelsverkeer in het Caribisch gebied de douanerechten tussen de UPR's en de Cariforum-staten nu al te verminderen.

3.2   Visserij

3.2.1   Op het gebied van de visserij valt er veel vooruitgang te boeken, nadat er aanvankelijk geen overeenstemming kon worden bereikt over de vraag of er een apart akkoord moest worden gesloten over de visserij of dat dit thema deel moest uitmaken van de EPO. De EU weigerde om een aparte overeenkomst op te stellen over vraagstukken inzake de regionale visserij, maar gaf juist de voorkeur aan bilaterale akkoorden over openstelling van de visvangst.

3.2.2   Op grond van art. 43, lid 2, sub e, kunnen ondernemers uit de Cariforum-staten worden geholpen bij de naleving van de regionale, nationale of internationale technische, gezondheids- en kwaliteitsvoorschriften op het gebied van visserij en visserijproducten.

3.2.3   De EU streeft door middel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) naar een langetermijnvisie op het visserijbeheer. Het voorzorgsbeginsel staat centraal in het GVB. Doel is de bescherming en het behoud van de bio-aquatische hulpbronnen en de minimalisering van het effect van de visvangst op de mariene ecosystemen. De situatie is in het Caribisch gebied echter niet overal dezelfde. De UPR's zijn in tegenstelling tot de Cariforum-staten nog altijd onderworpen aan een zeer strenge wetgeving (met een volledig vangstverbod voor bepaalde gebieden, voorschriften voor de vangst van langoest, Strombus gigas en zee-egels, de visconcentratievoorzieningen (13) enz.). Visserijbeheer is weliswaar een taak die aan de afzonderlijke lidstaten wordt overgelaten, maar er wordt geen rekening gehouden met de specifieke kenmerken van het Caribisch gebied, hetgeen nadelig is voor de visserij op volle zee in deze regio.

3.2.4   Het EESC pleit er daarom voor om met de Cariforum-staten tot een gezamenlijk visserijbeheer in de Cariben te komen.

3.3   Aquacultuur

3.3.1   De visserij in de Cariben richt zich vooral op vissoorten die dicht bij de kust leven, zoals de roze vleugelhoorn (een grote, in zee levende buikpotige waarvan het vlees in talrijke plaatselijke gerechten wordt verwerkt), de tandbaars, de langoest, de snapper en allerlei andere koraalvissen. De exploitatie van de pelagische bestanden staat vanwege het gebrek aan zeeschepen en de problemen in de tropische wateren nog in de kinderschoenen.

3.3.2   De laatste jaren is de vraag op de lokale markten gegroeid dankzij het toerisme. Daarnaast zijn er maatregelen getroffen om de export naar Amerika en Europa te bevorderen, hetgeen overbevissing in de hand heeft gewerkt. Op termijn zal het visbestand hierdoor in de hele regio aanzienlijk teruglopen.

3.3.3   Tegenwoordig importeren bijna alle Caribische landen visserijproducten. Vanwege de overvloed was er voorheen geen enkele belangstelling voor aquacultuur en hebben de meeste landen in de regio niet echt een traditie van viskwekerijen. Waar de aquacultuur wereldwijd een hoge vlucht heeft genomen, is de visteelt in het Caribisch gebied nog maar nauwelijks ontwikkeld.

3.3.4   Pas sinds 2000 is er een duidelijke verbetering te zien op het gebied van aquacultuur. In 2004 bedroeg de aquacultuurproductie van Martinique 97 ton (10 ton riviergarnalen, 12 ton zonnevis en 75 ton rode ombervis).

3.3.5   De hulp die de UPR's ontvangen voor de aquacultuurproductie, is hoofdzakelijk afkomstig van de regionale raden en het FIOV (14). Toch lijkt deze hulp niet voldoende, zolang sommige Caribische landen hun grote voorsprong weten te behouden (de productie van Jamaica bedroeg volgens de FAO in 2002 circa 6 000 ton) en de UPR's nog altijd visserijproducten moeten importeren uit Venezuela, de Europese Unie en een aantal Aziatische landen.

3.3.6   Het EESC dringt er met klem op aan om in het Caribisch gebied met behulp van het EOF en het ELFPO een gemeenschappelijke aquacultuur te ontwikkelen.

3.4   Toerisme

3.4.1   Het toerisme is een belangrijke bron van inkomsten voor de UPR's. Het Caribisch gebied heeft wat dat betreft een gunstige uitgangspositie: nergens ter wereld vinden toeristen zo'n unieke natuurlijke omgeving. Dankzij zijn geografische ligging is het een van de grootste toeristische trekpleisters ter wereld. Gezien de situatie in het internationale toerisme worden er bovendien aan beide kanten van de Atlantische Oceaan nieuwe en hogere eisen gesteld om tegemoet te komen aan de wensen van de toeristen in het Caribisch gebied.

3.4.2   Niettemin moet er zeker ook worden gewezen op de verschillen in toeristische infrastructuur tussen de UPR's en de andere Caribische landen, waar de nadruk vooral op het massatoerisme ligt en het aanbod gevarieerder is (cruises, zeetoerisme en in mindere mate ecotoerisme). De UPR's zijn vooral gebonden aan een Franstalige en meer seizoensgebonden nichemarkt. Dit verschil is een gevolg van de maatschappelijke positie van werknemers in de Cariforum-staten die niet altijd even rooskleurig is.

3.4.3   Het EESC wil er tevens op wijzen dat het toeristenverkeer tussen de eilanden zeer beperkt is. Afgezien van cruiseschepen zijn er slechts twee luchtvaartmaatschappijen en twee rederijen die toeristen van het ene naar het andere eiland vervoeren. Bovendien moeten inwoners van Cariforum-staten die naburige UPR's willen bezoeken, eerst een visum aanvragen, wat maanden kan duren. Beide factoren belemmeren niet alleen het toerisme in de regio, maar ook de handelsbetrekkingen.

3.4.4   Het is dan ook een goede zaak dat er in de EPO aandacht wordt besteed aan het toerisme en dat er een aantal regels worden ingevoerd op het gebied van concurrentievervalsing, mkb, kwaliteits- en milieunormen, samenwerking en technische ondersteuning. Toch wordt nergens in de overeenkomst gewag gemaakt van toeristische activiteiten in het Caribisch gebied in het algemeen en de UPR's in het bijzonder. Er wordt alleen gerefereerd aan de tijdelijke aanwezigheid van personen voor professionele doeleinden.

3.4.5   Het Caribisch gebied, zoals vastgesteld door het secretariaat-generaal van de Verenigde Naties (15), telt 250 miljoen inwoners. Op de Caribische eilanden alleen wonen 41 miljoen mensen. Toch heeft dit gebied te kampen met slechte verbindingen tussen de eilanden, hetgeen bepaald niet bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het regionale toerisme. Voor zowel de UPR's als de Cariforum-staten zou het dan ook nadelig zijn als men de kansen laat liggen die het toerisme in de Cariben, in de ruime betekenis van het woord, biedt.

3.4.6   Het Caribisch gebied zou door middel van verbetering van de diensverlening kunnen profiteren van de ontwikkeling van het toerisme.

3.5   Diensten

3.5.1   De dienstensector maakt een enorme bloei door en boekt zichtbaar successen. Er kan dan ook worden gesproken van een offensieve sector voor de UPRs. Terwijl de export van goederen uit het Caribisch gebied is teruggelopen, is de export van diensten, vooral dankzij het toerisme, gegroeid. De regio is zich goed bewust van de mogelijkheden die de handel in diensten biedt. Het toerisme, het verzekeringswezen, de bouw, milieudiensten, producenten van duurzame energie, consultants (op het gebied van kwaliteit en marketing), gekwalificeerde onderhoudsbedrijven, communicatiebedrijven en de transportsector dragen allemaal bij aan de groei van de handel en de economie in de regio.

3.5.2   De UPR's komt een belangrijke rol toe in de export van diensten binnen het Caribisch gebied, aangezien landen als Haïti en de Dominicaanse Republiek, die alleen al bijna 20 miljoen inwoners tellen, graag gebruik zouden willen maken van het soort gezondheidszorg en zakelijke dienstverlening dat in de UPR's bestaat. Bepaalde aanbieders van mobiele telefonie zijn bovendien reeds actief in een aantal Caribische landen (zoals de Dominicaanse Republiek), hoewel ze hun activiteiten zeker nog zouden kunnen en willen uitbreiden.

3.5.3   Hoewel art. 75 e.v. van de EPO alleen betrekking hebben op de handel tussen de Cariforum-staten en het Europese vasteland, zou er voor alle bij de overeenkomst betrokken partijen een win-winsituatie kunnen ontstaan als er versneld wordt overgegaan tot liberalisering van de dienstensector in het Caribisch gebied (de Dominicaanse Republiek) en dus ook de UPR's.

3.6   MKB

3.6.1   Het mkb heeft behoefte aan stabiliteit, duidelijke regels en toegang tot de meest geavanceerde procedures. Sinds 2000 bestaat driekwart van de ondernemingen in de UPR's uit kleine bedrijven zonder personeel (INSEE) (16). In 2007 zijn er tamelijk veel nieuwe bedrijven opgericht. De industrie (18 %), de groot- en detailhandel (12,8 %) en vooral de dienstensector (net iets meer dan de helft van alle nieuwe bedrijven) zijn flink gegroeid.

3.6.2   Het mkb in de Franse overzeese departementen heeft uiteraard meer kosten en hogere prijzen dan het midden- en kleinbedrijf in de buurlanden, maar daar staat tegenover dat ook de kwaliteitsgaranties aan de Europese normen voldoen. Vanwege deze garanties, die aan de UPR's worden opgelegd en die de Cariforum-staten niet kennen, zou er een herkomstbenaming „UPR” moeten komen (zie ook par. 3.1.4.3).

3.6.3   Voor een goed functionerende Caribische markt is het bijzonder belangrijk dat er gemakkelijker gebruik kan worden gemaakt van een dergelijke regeling. Op basis van de werkzaamheden van de Commissie (17) en het EESC (18) binnen de EU zouden er dus concrete oplossingen moeten worden aangedragen voor de oprichting van kleine en middelgrote productie-eenheden. Invoering van betalingstermijnen, vermindering van de administratieve rompslomp, ontwikkeling van netwerken, investeringen en levenslang leren in het mkb zijn allemaal manieren voor het Caribisch gebied om te kunnen blijven concurreren.

3.6.4   Het zou daarom een goede zaak zijn om in het kader van het regionale ontwikkelingsprogramma en/of het volgende EOF-programma een ambitieus beleid in te voeren dat aanstuurt op de oprichting van kleine en middelgrote ondernemingen binnen een groot netwerk in het hele Caribische gebied.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  De ACS-staten zijn de 79 landen in Afrika, de Cariben en de Stille Zuidzee die in 1975 de overeenkomst van Lomé en vervolgens in 2000 de overeenkomst van Cotonou sloten.

(2)  Op 11 december 2009 heeft Haïti zich bij de ondertekenaars gevoegd.

(3)  De raadgevende comités van de UPR's hebben vastgesteld welke sectoren een groot marktaandeel vertegenwoordigen voor de ultraperifere regio's en daarmee cruciaal zijn voor hun economie (de gevoelige sectoren) en welke sectoren gevaar lopen en zonder hulp van de EU zelfs zouden kunnen verdwijnen (de defensieve sectoren).

(4)  Organisation of the Eastern Caribbean States (een organisatie van negen landen uit het oostelijk Caribisch gebied).

(5)  Frans bureau voor landbouweconomische ontwikkeling in de overzeese gebieden.

(6)  Hectoliter zuivere alcohol.

(7)  IGUAFLHOR is de organisatie van de fruit-, groente- en tuinbouwbranche op Guadeloupe.

(8)  Het „Hazard Analysis and Critical Control Point” is een oorspronkelijk Amerikaans systeem van interne controle op het gebied van landbouwproducten en voedingsmiddelen. Het gaat uit van zeven grondbeginselen en is dus bedoeld om de grote risico's met betrekking tot voedselveiligheid vast te stellen, te onderzoeken en te beheersen. In sommige Europese wetgevingsteksten (bijv. Richtlijn 93/43 inzake levensmiddelenhygiëne) wordt ernaar verwezen, in andere niet (zoals Verordening 178/2002).

(9)  Art. 52 e.v. EPO.

(10)  PB C 211, 19.8.2008, blz. 72.

(11)  De „Etats généraux de l’outre-mer”.

(12)  Bijv. Madeleine Degrandmaison.

(13)  Nota van het Directoraat-generaal intern beleid van de Europese Unie over de visserij op Martinique, januari 2007.

(14)  Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij, waarmee de Commissie de aanpassing en modernisering van het materieel van de sector ondersteunt.

(15)  Het Caribisch gebied bestaat uit de Antillen ( en ), het , de Caribische kust van , de kustvlakten van en , en de .

(16)  „Institut National de la Statistique et des Etudes Economiques” (Frans bureau voor de statistiek).

(17)  COM(2007) 724 final en COM(2008) 394 final.

(18)  Advies over „Verschillende beleidsmaatregelen die, samen met een passende financiering, kunnen bijdragen aan groei en ontwikkeling van het MKB”, PB C 27 van 3.2.2009, blz. 7; advies over „Internationale aanbestedingen”, PB C 224 van 30.8.2008, blz. 32; advies over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Denk eerst klein”: een „Small Business Act” voor Europa”, PB C 182 van 4.8.2009, blz. 30.


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/34


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de strategie voor de Europese zuivelsector voor de periode 2010-2015 en daarna

(initiatiefadvies)

(2010/C 347/05)

Rapporteur: de heer ALLEN

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 juli 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De strategie voor de Europese zuivelsector voor de periode 2010-2015 en daarna.

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 januari 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 152 stemmen vóór en 6 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De Europese zuivelsector voorziet de EU-burgers van goede en veilige producten en is daarmee duurzaam van strategisch belang. De EU mag nooit afhankelijk worden van externe melkleveranciers. De EU moet blijven vasthouden aan de hoogste normen op het gebied van dierenwelzijn, hygiëne, traceerbaarheid, diergeneeskunde, milieubescherming en duurzaam produceren.

1.2   Boeren zullen melk van goede kwaliteit blijven produceren als hun dat iets oplevert (maar als ze blijvend verlies maken, zullen ze het bijltje er uiteindelijk bij neergooien). Als we er niet in slagen om de prijzen te stabiliseren en winstgevend te maken, zal de EU-melkproductie afnemen en in sommige gebieden zelfs helemaal verdwijnen. Speciale aandacht moet uitgaan naar de zgn. probleemgebieden. Ook moeten melkveehouders financieel gecompenseerd worden voor maatschappelijke taken die zij in het kader van de multifunctionele landbouw verrichten: behoud en ontwikkeling van het landschap, de biodiversiteit, natuurlijke habitats, het culturele erfgoed op het platteland, enz. In de nieuwe lidstaten zou de mogelijkheid van gekoppelde rechtstreekse steun voor melkproducenten moeten worden overwogen.

1.3   De zuivelsector moet efficiënter worden, zowel op het niveau van de producerende als van de verwerkende bedrijven. Daartoe dienen er aanzienlijke middelen te worden uitgetrokken voor innovatie, onderzoek en ontwikkeling, en veeteelt. Het gaat hierbij ook om een beter gebruik van gras en voeders in producerende bedrijven en van nieuwe producten in verwerkende bedrijven. Tevens is er bij de productie en verwerking behoefte aan nieuwe en betere technologie. Forse investeringen om de sector te ontwikkelen zijn van essentieel belang. We moeten op dit gebied wereldwijd de toon gaan aangeven.

1.4   Hoe dan ook moet worden voorkomen dat de prijzen weer zo gaan schommelen als in de periode 2007-2008. Daartoe dienen er adequate steunmaatregelen te komen en moet de markt goed in de gaten worden gehouden, zodat er voor een redelijk evenwicht tussen vraag en aanbod kan worden gezorgd.

1.5   De EU kan nog tot ten minste 2015 op de marktsituatie reageren via het quotasysteem en andere marktordeningsinstrumenten.

1.6   Overeenkomstig de Commissiemededeling van juli 2009 moet een stappenplan opgesteld en uitgevoerd worden om iets te doen aan het feit dat de consumentenprijzen voor zuivel nog steeds 14 % hoger liggen dan vóór de prijsstijging. Er is transparantie nodig in de gehele voedingsketen.

1.7   Om de Europese zuivelsector ook na 2015 een toekomst te geven, zullen verschillende landbouwbeleidsmaatregelen, in combinatie met een vangnet voor het ondersteunen en stabiliseren van de prijzen, nodig blijven om te voorkomen dat de prijzen af-boerderij tot onder een bepaald niveau dalen en dat de prijzen te sterk gaan schommelen, en om tevens te zorgen voor voldoende voorraden in geval van onverwachte tekorten of natuurrampen. Een systeem met marktmaatregelen aan aanbod- en vraagzijde is van essentieel belang om in de periode na 2015 voor een duurzame en milieuvriendelijke zuivelindustrie te zorgen. Voedsel in het algemeen en melk in het bijzonder zijn voor het welzijn van de burgers te belangrijk om aan de grillen van een ongereguleerd vrijemarktsysteem te worden overgelaten.

2.   Inleiding

2.1   De zuivelsector is in de EU een van de belangrijkste agrarische bedrijfstakken. In 2008 werd er door één miljoen boeren 150 miljoen ton melk geproduceerd met een waarde van ruim 40 miljard euro, wat neerkomt op 14 % van de totale EU-landbouwproductie. Meer dan 60 % van het in de EU geproduceerde rundvlees is afkomstig van de melkveestapel. Volgens de International Dairy Federation (IDF) is de EU de grootste melkproducent ter wereld met 27 % van de mondiale productie, vóór India (20 %) en de VS (16 %).

2.2   De zuivelsector (van het verzamelen tot de verwerking van melk) biedt in de EU werk aan ca. 400 000 mensen.

2.3   Melkveehouderijen zijn van groot belang voor de instandhouding van de sociaaleconomische structuur in probleemgebieden. 60 % van alle melkveehouderijen in de EU-25 liggen in probleemgebieden. Melkveebedrijven behoren tot de meest geschikte ondernemingen om boerengezinnen in probleemgebieden te houden, en spelen samen met rundvee- en schapenhouderijen een belangrijke rol bij de instandhouding en ontwikkeling van het landschap en het milieu.

3.   Achtergrond

3.1   De mondiale zuivelmarkten hebben in de voorbije twee jaar grote prijsschommelingen gekend. In 2007 en begin 2008 zijn de wereldprijzen van grondstoffen voor de zuivelsector tot recordhoogten gestegen, waardoor melk en melkproducten fors duurder zijn geworden. Vervolgens zijn deze prijzen in de tweede helft van 2008 op nog indrukwekkendere wijze ingestort.

3.2   De meeste melkproducten worden geconsumeerd in de regio waar ze worden geproduceerd. Ongeveer 8 % van de mondiale zuivelproductie wordt op de wereldmarkt verhandeld, hetgeen betekent dat een kleine verandering in de mondiale productie toch een aanzienlijke invloed kan hebben op de wereldmarkt. Een verschil van bijv. 2 % tussen de mondiale productie en consumptie van zuivel is goed voor ongeveer een kwart van de wereldhandel.

3.3   De EU is 's werelds grootste kaasexporteur, maar het grootste deel van de uitvoer van zuivel naar landen buiten de EU bestaat uit grondstoffen (melkpoeders en boter). De mondiale zuivelmarkt kan dan ook worden omschreven als zijnde voornamelijk een zuivelgrondstoffenmarkt.

3.4   De EU heeft voor zuivelproducten een zelfvoorzieningsgraad van 109 %. Het overschot van 9 % is beschikbaar voor uitvoer naar de wereldmarkt. De EU exporteert vooral boter/boterolie, mageremelkpoeder (MMP), kaas, vollemelkpoeder (VMP) en gecondenseerde melk.

3.5   Vanaf 2000 groeide het mondiale zuivelverbruik met gemiddeld 2,5 % per jaar. Thans bedraagt de jaarlijkse groei nog maar 1 %.

3.6   In de periode 2004-2006 werd er wereldwijd meer zuivel geconsumeerd dan geproduceerd, waardoor alle voorraden opraakten. Dit was de hoofdoorzaak van de plotselinge stijging van de prijzen van grondstoffen voor zuivelproducten op de wereldmarkt. In 2008 is het tij gekeerd, waardoor de productie nu weer groter is dan de vraag.

3.7   De plotselinge melkprijsstijging leidde uiteindelijk tot een daling van het marktaandeel omdat consumenten overschakelden op goedkopere substituten en vooral omdat bestanddelen van zuivelproducten werden vervangen door goedkopere alternatieven. Door de wereldwijde recessie en de daling van de olieprijzen liep de verkoop van zuivelproducten nog verder terug. Olieproducerende landen zijn grote importeurs van zuivelproducten en dalende olieprijzen betekenen dat zij minder zuivelproducten invoeren, met als gevolg dat de wereldmarktprijzen van grondstoffen voor zuivelproducten naar beneden kunnen gaan.

3.8   Schommelingen in de prijzen van zuivelproducten met een hogere toegevoegde waarde zijn moeilijker na te sporen dan die in grondstoffenprijzen, maar buiten kijf staat dat de verkoop van zuivelproducten met toegevoegde waarde is teruggelopen omdat consumenten zijn overgeschakeld op goedkopere producten.

3.9   De Commissie merkt in haar van juli 2009 daterende Mededeling aan de Raad op dat de forse prijsstijging in de tweede helft van 2007 heeft geleid tot een snelle toename van de melkprijzen en tot sterk gestegen consumentenprijzen. Toen de prijzen in de EU de tweede helft van 2008 en in 2009 echter weer naar beneden gingen (prijsdaling van 39 % voor boter, 49 % voor MMP, 18 % voor kaas en 31 % voor melk), daalden de consumentenprijzen in de EU gemiddeld maar met ca. 2 %. Zo liggen de consumentenprijzen gemiddeld nog steeds 14 % hoger dan vóór de prijsstijging. In landen waar grote hoeveelheden zuivelproducten verkocht worden aan goedkope detailhandelaars, woedde in 2009 echter een prijzenoorlog. Daarin worden zuivelproducten gebruikt om onder de prijs van concurrerende detailhandelaars te gaan zitten (1).

3.10   Door rationaliseringen en toenemende concentratie binnen de detailhandelsector in de EU hebben de detailhandelaars een machtspositie opgebouwd waaraan geen van de andere schakels in de voedselbevoorradingsketen kan tippen. Boeren bepalen de prijzen niet langer, maar ondergaan ze, vooral als het aanbod van melk groter is dan de vraag. Door de bank genomen lijken de mededingingsautoriteiten en de mededingingsregels meer de grootwinkelbedrijven dan de ruim één miljoen boeren in de kaart te hebben gespeeld. Het evenwicht in de voedingsketen kan pas worden hersteld als de boeren bij het bepalen van de melkprijzen af-boerderij een sterkere onderhandelingspositie krijgen.

3.11   In het kader van Agenda 2000 en de daaropvolgende tussentijdse herziening en de doorlichting (health check) van het GLB, waarmee de Europese landbouw moest worden voorbereid op een mogelijke toekomstige WTO-overeenkomst, is de interventieprijs verlaagd. Samen met de kwantitatieve interventiebeperkingen heeft dit geleid tot een verzwakking van het prijsondersteuningsmechanisme, waardoor de melkprijzen af-boerderij dieper zakten dan vroeger het geval was, d.w.z. voordat steunmechanismen zoals de interventieregeling werden ingevoerd.

4.   Marktvooruitzichten

4.1   Europese Unie

4.1.1   De productie op de Europese zuivelmarkt ligt 9 % hoger dan de consumptie.

4.1.2   Ook importeert de EU zuivelproducten tegen gereduceerde prijzen uit derde landen. Deze invoer heeft maar een relatief klein aandeel in de totale EU-consumptie. Zo heeft de EU in 2007 en 2008 respectievelijk ongeveer 330 000 en 300 000 ton zuivelproducten geïmporteerd. Bij de invoer van zuivelproducten in de EU gaat het onder meer om kaas (1,1 % van de EU-productie), boter (4,3 % van de EU-productie) en mageremelkpoeder (2,4 % van de EU-productie). De invoer van zuivelproducten vertegenwoordigt in melkequivalent ca. 2 à 3 % van de EU-melkproductie.

4.1.3   Ruim 40 % van de EU-melk wordt verwerkt tot kaas en ca. 30 % wordt gebruikt voor verse zuivelproducten. De groei van de melkconsumptie in de EU in het voorbije decennium is vooral aan deze twee soorten producten te danken. Van de resterende 30 % wordt boter, melkpoeder en caseïne gemaakt.

4.1.4   De interventievoorraden van boter en MMP groeiden als gevolg van de lagere consumptie binnen de EU, de daling van de wereldmarktprijzen en de wereldwijde recessie. De EU-melkquota werden in 2008 met 2 % en in 2009 met 1 % verhoogd, hetgeen samen met reeds afgesproken toekomstige quotaverhogingen uiteindelijk zou kunnen leiden tot een hogere melkproductie in de EU.

4.1.5   Door het gebruik van uitvoerrestituties kon worden voorkomen dat tijdens de interventieperiode nog grotere overschotten door de EU werden aangekocht.

4.1.6   Door optreden van de Commissie kon worden voorkomen dat de melkprijzen in de EU daalden tot het wereldmarktprijsniveau van 14 à 15 eurocent per liter. Zo bleven de EU-prijzen hoger dan de wereldprijzen. De melkprijzen in de EU lopen uiteen van 16 eurocent in Letland tot 25 à 27 cent in vele andere lidstaten, maar zelfs de laatstgenoemde prijs volstaat niet om de productiekosten te dekken. Zijn er andere sectoren waarin mensen voor niets werken of zelfs het wettelijk minimumloon niet ontvangen?

4.1.7   De melkproductie ligt momenteel 4,2 % onder het quotum en zal in de periode 2009-2010 naar verwachting ook onder het quotum blijven liggen.

4.1.8   Het herstel van de EU-prijzen (dat al is ingezet) zal waarschijnlijk heel geleidelijk gaan. Het bestaan van aanzienlijke interventievoorraden die boven de markt hangen, zou het herstel kunnen vertragen, afhankelijk van het moment waarop de Commissie besluit om deze voorraden weer op de markt te brengen.

4.1.9   Volgens EU-gegevens is het slachten van koeien toegenomen. Er zullen waarschijnlijk meer koeien geslacht gaan worden, wat de melkproductie in de nabije toekomst zal drukken. Door de geleidelijke stijging van de melkprijzen zal de productie in enkele landen op korte termijn echter toenemen.

4.1.10   Met het herstel van de melkprijzen op middellange termijn zal de melkproductie tot 2015 stijgen en waarschijnlijk gelijke tred houden met de quotaverhogingen die bij de health check zijn overeengekomen.

4.1.11   De daling van de melkproductie in Zuid-Europa en sommige noordelijke lidstaten zal zich waarschijnlijk voortzetten.

4.1.12   Het ziet er voorts naar uit dat de consumptie van kaas en verse zuivelproducten in de EU laag zal blijven als gevolg van de verwachte lagere inkomensgroei.

4.1.13   Vanwege de lagere boterproductie en de toenemende kaasproductie gaat de Commissie ervan uit dat het boteroverschot tot 2015 zal afnemen. De gevraagde vermindering van de uitvoerrestituties, waarover momenteel binnen de WTO wordt onderhandeld, zou hierdoor vergemakkelijkt kunnen worden.

4.1.14   Volgens sommige marktdeskundigen echter zou er een boteroverschot kunnen blijven bestaan als gevolg van een grotere productie van magere zuivelproducten en een stagnerende kaasconsumptie.

4.1.15   Het is onzeker hoe de EU-markt zich tussen nu en 2015 zal ontwikkelen, maar het is niet waarschijnlijk dat de groei van de voorbije tien jaar zal aanhouden.

4.1.16   De Europese melkmarkt wordt de laatste jaren geconfronteerd met het specifieke probleem van de grote prijsschommelingen. Hierdoor komen landbouwbedrijven in grote moeilijkheden. Doordat de prijzen zo vaak veranderen, weten ook de consumenten niet meer waar zij aan toe zijn. Daarom zou geprobeerd moeten worden om deze grote schommelingen op de markten d.m.v. passende maatregelen te beperken.

4.2   Verenigde Staten van Amerika

4.2.1   In de vijf jaar vóór 2008 is de zuivelproductie in de VS met 2,5 % per jaar en de consumptie met ca. 1 % per jaar gegroeid. De VS had een jaarlijks exporteerbaar overschot van soms wel 5 miljoen ton. De Amerikaanse export werd geholpen door de zwakke dollar.

4.2.2   Op korte termijn zijn de vooruitzichten voor de Amerikaanse zuivelindustrie niet rooskleurig. De productie is in 2009 met 1 % gedaald en zal in 2010 naar verwachting met nog eens 1 % afnemen. Als de melkprijzen zich herstellen en de kosten van diervoeders niet de pan uit rijzen, kan er op middellange termijn een lichte groei worden verwacht. Wat er tegen die tijd méér aan melk wordt geproduceerd, zal waarschijnlijk worden verwerkt tot kaas en in het binnenland worden geconsumeerd.

4.2.3   De afdeling Economisch onderzoek van het Amerikaanse ministerie van landbouw verwacht voor 2010 dat de melkprijzen in de VS gaan stijgen omdat er meer melkkoeien worden geslacht en er meer zuivel wordt uitgevoerd.

4.3   Nieuw-Zeeland

4.3.1   Nieuw Zeeland is 's werelds grootste zuivelexporteur. Doordat de productie in 2007/2008 met ca. 3 % daalde, liep de export terug, maar in 2008/2009 nam de productie met 8 % toe. Commentatoren verwachten dat de productie jaarlijks met gemiddeld 3 % zal groeien, maar tegen 2015 weer zal afnemen. Aangezien de melk in Nieuw-Zeeland hoofdzakelijk afkomstig is van weidekoeien, kan de productie aanzienlijk worden beïnvloed door de weersomstandigheden.

4.3.2   De lage prijzen hebben in Nieuw-Zeeland tot dusverre niet geleid tot een productiedaling. Door een groter gebruik van krachtvoer en kunstmest is het in de toekomst waarschijnlijk dat bij terugkerende lage prijzen de melkproductie minder sterk zal groeien.

4.3.3   Milieuaspecten worden in Nieuw-Zeeland belangrijker en ook dit kan de groei op lange termijn afremmen.

4.3.4   De uitvoer van Nieuw-Zeelandse zuivel zal waarschijnlijk blijven groeien.

4.4   Zuid-Amerika

4.4.1   Zuid-Amerika is een steeds belangrijkere zuivelexporteur en zal waarschijnlijk met de EU gaan concurreren op de Afrikaanse markten en niet zozeer met Nieuw-Zeeland op de Aziatische markten. Het ziet ernaar uit dat met name Brazilië tot 2015 een exporteerbaar overschot zal houden.

4.5   China

4.5.1   De Chinese zuivelproductie is in de afgelopen tien jaar razendsnel gestegen, maar in het komende decennium zal de groei waarschijnlijk minder snel gaan. De Chinese productie loopt nog achter bij de consumptie, maar China importeert tegenwoordig al minder zuivel dan aanvankelijk nodig werd geacht.

4.5.2   De verwachting op middellange termijn is dat de Chinese invoer van kaas en MMP zal toenemen terwijl de Chinese uitvoer van VMP ook zal stijgen.

4.5.3   In december 2009 zijn twee nieuwe gevallen van met melamine besmette melk aan het licht gekomen. Hierdoor kan de Chinese zuivelexport ernstig worden geschaad.

4.6   Rusland

4.6.1   De Russische melkproductie zal zich in de komende vijf jaar waarschijnlijk herstellen omdat koeien met een lage opbrengst worden vervangen door geïmporteerde koeien die meer melk geven. Om redenen van voedselzekerheid zou Rusland graag een zelfvoorzieningsgraad voor zuivelproducten bereiken van 95 % (thans 70 %). Het doel is om in 2012 37 miljoen ton melk te produceren. Het is daardoor mogelijk dat de Russische boterinvoer op lange termijn zal dalen, terwijl de invoer van kaas waarschijnlijk zal aantrekken.

4.7   Wat de algemene wereldmarktvooruitzichten betreft, wordt uitgegaan van langzame groei. Afhankelijk van het herstel van de wereldeconomie zal deze groei ook bepalen in welke mate de consumptie – met name in derdewereldlanden – zal aantrekken.

4.8   In de komende 30 jaar zal de bevolking vooral in derdewereldlanden groeien, waardoor de vraag naar zuivelproducten in deze landen normaal gesproken zou moeten toenemen. Als de economische groei in deze landen echter tekortschiet, zullen de mensen er geen grotere hoeveelheden zuivel kunnen kopen. Daarbij komt dat zuivelproducten in Azië en in sommige derdewereldlanden van oudsher niet tot het dagelijkse voedselpatroon behoren.

4.9   Om het marktaandeel van zuivel in stand te houden en te vergroten, moet de nadruk worden gelegd op de voedingswaarde van zuivelproducten en op het feit dat zij de gezondheid ten goede komen. Onderzoek en innovatie op deze gebieden zijn van essentieel belang.

4.10   Op het etiket moet worden vermeld dat het product een authentiek zuivelproduct is en duidelijk worden aangegeven welke voedingswaarde het heeft en in welke zin het goed is voor de gezondheid. Voor de melkproductie zal de naleving van milieunormen in de toekomst belangrijker worden.

5.   De Groep op hoog niveau

5.1   Commissaris Fischer Boel heeft een groep op hoog niveau voor de melksector opgericht, die eind juni 2010 haar eindverslag zal voorleggen.

5.2   De volgende onderwerpen staan op de agenda van deze groep:

contractuele betrekkingen tussen melkproducenten en zuivelbedrijven; bedoeling is vraag en aanbod op de zuivelmarkt beter op elkaar af te stemmen;

hoe kan de onderhandelingspositie van de melkproducenten worden versterkt?

transparantie en consumentenvoorlichting, kwaliteit, gezondheid en etikettering;

hoe kunnen innovatie en onderzoek de concurrentiepositie van de sector verbeteren?

de mogelijkheid van een futuresmarkt voor zuivelproducten.

6.   Het Frans-Duitse initiatief

6.1   Volgens de Franse minister van landbouw Le Maire moet met het Europese landbouwbeleid zeker ook worden beoogd om:

er met behulp van krachtige regelgevende instrumenten voor te zorgen dat de landbouwers over een stabiel en behoorlijk inkomen kunnen beschikken;

de prijzen over de hele bevoorradingsketen transparanter te maken; daartoe kan eventueel een Europees toezichtorgaan in het leven geroepen worden; en

innovatie en investeringen in de voedingsmiddelenindustrie bovenaan de Lissabonagenda te plaatsen.

6.2   In het kader van het Frans-Duitse initiatief wordt gepleit voor meer EU-maatregelen om de melkveehouders te beschermen. Zo wordt voorgesteld de minimale interventieprijs die de EU betaalt voor landbouwoverschotten, tijdelijk op te trekken.

7.   Het beleid tot 2015

7.1   De mogelijkheid om de in het kader van de doorlichting van het GLB (health check) vastgelegde quotaverhogingen te wijzigen, wordt door de Commissie resoluut van de hand gewezen. Op dit moment zijn die verhogingen nauwelijks voelbaar omdat de EU nog 4,5 % onder de quota zit en zulks waarschijnlijk ook volgend jaar het geval zal zijn. Nu op middellange termijn een verhoging van de melkprijs te verwachten valt, zal de productie echter stijgen en de kloof tussen productie en consumptie zich verdiepen, waardoor de producentenprijs - afhankelijk van de situatie op de wereldmarkt - omlaag dreigt te gaan.

7.2   De prijzen voor zuivelgrondstoffen op de wereldmarkt liggen doorgaans onder de EU-prijs. Dit komt door verschillen in normen (en dus ook in productiekosten) binnen en buiten de EU. De EU-melkveehouderij zal nooit kunnen concurreren met Nieuw-Zeeland of bepaalde andere landen, omdat de structuur van de productiekosten en de omvang van de melkveehouderijen totaal verschillend zijn.

7.3   De Europese kaasexport is over het algemeen genomen concurrerend, maar de toename van de consumptie in derde landen is afhankelijk van de vraag of de internationale economie gedurende een langere periode zal groeien.

7.4   Het optrekken van de quota zonder rekening te houden met de vraag, om zo te zorgen voor een „zachte landing”, is zonder flankerende maatregelen in tegenspraak met het streven naar de ontwikkeling van het Europese landbouwmodel en de instandhouding van de melkproductie in probleemgebieden. Vitaliteit is het sleutelwoord voor een bloeiende plattelandsomgeving en in sommige gebieden is de melkproductie de drijvende kracht achter sociale, economische en culturele vooruitgang. Het alternatief is dat landbouwgrond wordt opgegeven, met alle ongunstige sociale en milieugevolgen van dien.

7.5   Het optrekken van de melkquota, ongeacht de marktsituatie, gevolgd door volledige deregulering van de melksector, zou een logische keuze zijn als het in de bedoeling van de EU lag het landbouwmodel van Nieuw-Zeeland en de VS over te nemen. De toename van enorm uitgestrekte weidegronden, met meer dan 2 000 koeien, wordt in de VS beschouwd als een positieve ontwikkeling. Als de huidige trend doorzet dan zal heel binnenkort 1/3 van de melkproductie van de VS afkomstig zijn van niet meer dan 500 landbouwbedrijven. In de EU zou een dergelijk beleid een ernstige bedreiging vormen voor het culturele erfgoed, het landschap en de ontwikkeling van de plattelandsgebieden. Het milieu en de biodiversiteit zouden worden aangetast en waterrijke en berggebieden zouden aan hun lot worden overgelaten. Hiermee zou afstand worden gedaan van het EU-model van multifunctionele landbouw.

7.6   Multifunctionele landbouw houdt in dat de sector zich naast voedselproductie ook richt op de ontwikkeling van het rurale landschap, de bevordering van het natuurlijke en culturele erfgoed, de ondersteuning van de plattelandseconomie en de veiligstelling van de voedselvoorziening. De omschrijving van de OESE komt erop neer dat multifunctionele landbouw zich niet alleen richt op de levering van grondstoffen (voedsel en vezels) maar ook van andere producten, inclusief sociale en milieuproducten en -diensten.

7.7   Grootschalige weideveeteeltbedrijven die zich niet houden aan de voorschriften (bijv. inzake het beheer van stikstof in de bodem), leggen een zware claim op het milieu.

7.8   Op dit moment wordt 11 % van het EU-grondgebied benut voor de helft van de melkproductie. Welke richting het beleid ook uitgaat, de omvang van de gemiddelde veestapel in de EU zal blijven toenemen. Toch kan het niet de bedoeling zijn dat beleidskeuzes worden gemaakt die aanzetten tot intensieve en grootschalige melkveehouderij in gebieden met een specifiek productiekostenvoordeel. Een dergelijk beleid zou nl. aanzienlijke milieurisico's kunnen meebrengen.

7.9   Ook melkveehouderijen maken deel uit van het EU-model van multifunctionele landbouw. Zelfs al kan een multifunctioneel bedrijf problemen van tijdelijke aard overwinnen, dan nog is een dergelijk model niet houdbaar als de melkveehouders steeds weer geconfronteerd worden met schommelende producentenprijzen. Stabiele producentenprijzen, waardoor melkveehouders verzekerd zijn van een behoorlijk inkomen, zijn in het voordeel van landbouwers én van consumenten.

8.   Na 2015

8.1   Willen we de melkveehouderij in de EU in stand houden en ontwikkelen, dan moeten de landbouwers kunnen beschikken over een billijk inkomen dat hoog genoeg is om een normaal leven te kunnen leiden én te investeren in hun toekomst als melkveehouder. Een billijk inkomen betekent een inkomen dat vergelijkbaar is met het gemiddelde inkomen buiten de landbouw.

8.2   In art. 33 van het EG-Verdrag worden de doelstellingen van het GLB vastgelegd. Het gaat er m.n. om a) de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren; b) de markten te stabiliseren; c) de voorziening veilig te stellen; en d) redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.

8.3   Er moeten veel meer middelen worden uitgetrokken voor veeteelt en preventie van veeziektes en voor onderzoek en innovatie in de landbouw, zodat de sector efficiënter kan worden. Daarnaast kan de concurrentiepositie van de zuivelsector worden versterkt door een beter gebruik van gras en ander basisvoeder. Ook op het niveau van de verwerking zijn meer onderzoek en innovatie geboden, zodat nieuwe producten kunnen worden ontwikkeld en het marktaandeel kan worden vergroot. Onderwijs- en gezondheidsinstellingen en maatschappelijke organisaties moeten de consumptie van melkproducten propageren, want melk is tegelijkertijd voedings- en geneesmiddel en ook nog eens een goede dorstlesser. Een radicale ommezwaai is hier broodnodig. Voorts moet de EU haar melkbevoorrading veilig stellen. De lage producentenprijzen in de rundvleessector hebben ertoe geleid dat de EU nu afhankelijk is van de invoer; het zou een grote stommiteit zijn als we ook voor zuivelproducten afhankelijk zouden worden van derde landen.

8.4   Aanbeveling nr. 1 uit het speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 14/2009 luidt als volgt: „De Commissie moet toezicht blijven houden op de ontwikkeling van de markt voor melk en zuivelproducten door de noodzakelijke maatregelen in te voeren om te voorkomen dat de deregulering van de sector leidt tot nieuwe overproductie. Anders zou de doelstelling van de Commissie om slechts op een minimaal niveau regulerend op te treden, snel onmogelijk te bereiken zijn”. Het EESC is ervan overtuigd dat interventie- en opslagmaatregelen als vangnet ook een aantal marktstabiliseringsmaatregelen aan aanbod- en vraagzijde vereisen.

8.5   Het EESC acht het van cruciaal belang dat de nodige voorwaarden worden geschapen om de zuivelsector overal in de EU levensvatbaar te houden.

8.6   Een systeem dat marktmaatregelen aan aanbod- en vraagzijde combineert met passende regelingen voor rechtstreekse ondersteuning is cruciaal voor de instandhouding van een Europese zuivelsector die voldoet aan de maatschappelijke behoeften op sociaal, economisch en milieugebied en kan uitgroeien tot een waarlijk multifunctionele landbouwsector die de Europese plattelandsgebieden nieuw leven inblaast. Een dergelijke ontwikkeling zou de EU op sociaal, cultureel en economisch gebied voordeel opleveren.

9.   Bijzondere opmerkingen

9.1   De mogelijkheid van een futuresmarkt voor de melksector moet met de grootste omzichtigheid worden bekeken. We mogen niet vergeten dat het ondeugdelijke gebruik van financiële producten wereldwijd tot financiële onrust heeft geleid. Het EESC heeft er eerder al op gewezen dat „aan voedingsmiddelen ook een heel andere waarde (moet) worden gehecht dan aan bijvoorbeeld industriële producten, die in de eerste plaats daar worden vervaardigd waar dat zo goedkoop mogelijk kan”.

9.2   De meeste melkveehouders zijn georganiseerd in coöperaties, waardoor zij tot op zekere hoogte invloed kunnen uitoefenen op de afzet van hun producten. Melkveehouders die zijn aangesloten bij een coöperatie en daaraan hun melk verkopen zijn beter beschermd dan melkveehouders die aan een particuliere zuivelhandel verkopen. Er bestaan al vrijwillige overeenkomsten tussen individuele melkveehouders en afnemers, maar melkveehouders hebben bij het onderhandelen over een dergelijke overeenkomst met een particulier zuivelbedrijf weinig speelruimte. Met deze overeenkomsten worden de leveringsvoorwaarden duidelijker, maar kan geen invloed worden uitgeoefend op de algemene marktontwikkeling in de EU als geheel. Uit de ervaring blijkt dat de marktpositie van boeren en hun coöperaties in de levensmiddelenketen dient te worden verbeterd. Daarom is het tevens zaak na te gaan welke samenwerkingsmogelijkheden er zijn op het gebied van het mededingingsrecht.

9.3   In de nieuwe lidstaten zijn er daarentegen veel boeren die hun melk rechtstreeks aan particuliere zuivelbedrijven verkopen. Aangezien de concentratie in de zuivelindustrie echter steeds verder toeneemt, hebben zij maar weinig keuze en dalen de producentenprijzen. Willen de boeren met rauwe melk kunnen blijven concurreren, dan moeten ze de mogelijkheid krijgen zich te organiseren in coöperaties die de melk aan de zuivelindustrie kunnen doorverkopen.

9.4   De meeste melkproducenten in de nieuwste lidstaten (Bulgarije en Roemenië) ontvangen nauwelijks steun in de vorm van rechtstreekse betalingen, die volledig ontkoppeld zijn op hectarebasis. Doordat de steun beperkt en de productiviteit laag is en boeren maar weinig inkomsten uit de markt halen en moeilijk toegang hebben tot leningen, kunnen zij niet investeren om aan de gezondheidsnormen van de EU te voldoen.

9.5   Alle zuivelproducten die in de EU worden ingevoerd moeten m.n. beantwoorden aan de EU-normen inzake traceerbaarheid, dierenwelzijn, hygiëne, het gebruik van diergeneesmiddelen, milieubescherming, voedselveiligheid en duurzame productiemethoden. Voorts wordt steeds meer belang gehecht aan het koolstofgehalte.

9.6   De bestaande advies- en beheercomités moeten voldoende middelen krijgen om vraag en aanbod op de melkmarkt onder de loep te nemen. Er moeten regelingen worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat de melkveehouders een behoorlijke prijs krijgen voor hun melk, d.w.z. een prijs die hun kosten dekt en ruimte laat voor een winstmarge. De EU moet haar eigen melkbevoorrading in stand kunnen houden en moet tot elke prijs vermijden afhankelijk te worden van melk uit de derde landen. Als we niet de juiste beleidskoers volgen is een dergelijk doemscenario echter op termijn niet uitgesloten.

9.7   Het behouden en creëren van fulltime- en parttimebanen in de melkveehouderij, m.n. in plattelandsgebieden, moet bovenaan de agenda staan.

9.8   De problematiek van honger en het tekort aan voedselbronnen in de derde wereld mag niet worden doodgezwegen. Thema's als de wereldwijde klimaatverandering, de internationale voedselprijzen en de mondiale voedselvoorziening kunnen niet los van elkaar worden gezien. Het is onze plicht de ontwikkelingslanden een helpende hand te bieden.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB C 128, 18.5.2010, blz. 111 en PB C 255, 14.10.2005, blz. 44.


BIJLAGE

Onderstaand wijzigingsvoorstel werd verworpen, maar kreeg wel meer dan een kwart van de uitgebrachte stemmen:

Paragraaf 7.7

te schrappen:

„Grootschalige weideveeteeltbedrijven die zich niet houden aan de voorschriften (bijv. inzake het beheer van stikstof in de bodem), leggen een zware claim op het milieu.”

Stemuitslag:

Voor: 56

Tegen: 76

Onthoudingen:25


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/41


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over landbouw in de Euromed-regio (met inbegrip van het belang van het werk van vrouwen in de landbouw en de rol van coöperaties)

(initiatiefadvies)

(2010/C 347/06)

Rapporteur: Pedro NARRO

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 februari 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Landbouw in de Euromed-regio (met inbegrip van het belang van het werk van vrouwen in de landbouw en de rol van coöperaties).

De afdeling Externe betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 februari 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 18 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 156 stemmen vóór, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   De landbouw in het Middellandse Zeegebied heeft vele verschillende gezichten. Niet alleen de productiesystemen lopen uiteen, maar ook het ontwikkelingspeil, de mate waarin de overheid de landbouw ondersteunt, en de economische structuur. Dat neemt echter niet weg dat de landbouw in alle mediterrane landen de ruggengraat van landelijke gebieden vormt en de economie aanzwengelt.

1.2   De huidige liberalisering van de handel in landbouwproducten is een niet te stoppen proces dat bepalend zal zijn voor de duurzaamheid van de landbouw in het Middellandse Zeegebied. Deze liberalisering moet voor het Euromed-partnerschap geen oogmerk op zich vormen, maar een middel ter verwezenlijking van het prioritaire doel: economische, sociale en regionale ontwikkeling aan beide zijden van de Middellandse Zee.

1.3   Het EESC pleit voor een overgangsperiode om de gewenste veranderingen in de landbouw in de betrokken landen te kunnen doorvoeren, zodat de uitdagingen die de mondialisering van de economie, van het handelsverkeer en van kennisoverdracht met zich meebrengt voor de landbouwsector, met de nodige garanties kunnen worden aangegaan.

1.4   De Commissie heeft onderzocht wat een vrijhandelszone in het Middellandse Zeegebied voor gevolgen zal hebben voor de landbouw. Uit deze impactstudies blijkt duidelijk wie hierbij de grote verliezers zullen zijn. De Zuid-Europese tuinbouwregio's zullen niet opkunnen tegen de concurrentie uit hun mediterrane buurlanden, terwijl de productie van „continentale” producten (graan, melk, vlees, enz.) geleidelijk het loodje zal moeten leggen in de landen ten zuiden van de Middellandse Zee. In het huidige liberaliseringsproces moet in acht worden genomen dat gevoelige producten dienen te worden beschermd.

1.5   Nu de landbouw in het Middellandse Zeegebied in deze door de voedselcrisis en de liberalisering gekenmerkte omschakelingsfase verkeert, moet de overheid met een solide langetermijnstrategie komen om de instandhouding en de levensvatbaarheid van de landbouwactiviteit te garanderen. Deze strategie moet berusten op de volgende drie elementen: opleiding, technologie en onderzoek. Doel moet zijn een vlottere overgang mogelijk te maken naar een landbouw waarin kwaliteit, toegevoegde waarde en afzetverbetering centraal staan.

1.6   Overheidsbeleid in het Middellandse Zeegebied moet erop gericht zijn om de gevolgen van de liberalisering goed op te vangen. Het EESC pleit voor maatregelen op korte en middellange termijn om via aanvullende steun daadwerkelijk compensatie te bieden voor EU-producenten uit de sectoren die het meest door de handelsliberalisering worden getroffen. Voorts zijn er maatregelen nodig om de bedrijvigheid in landelijke gebieden te diversifiëren en om landbouwers en hun bedrijven te ondersteunen zodat zij zich gemakkelijker aan de nieuwe productieomstandigheden kunnen aanpassen.

1.7   De mediterrane landen moeten opleidingsmaatregelen voor de agrarische sector treffen teneinde kwalitatief hoogwaardige banen te bevorderen, ervoor te zorgen dat de landbouwberoepsbevolking over voldoende vaardigheden beschikt om aan de behoeften van het nieuwe productiemodel te voldoen, en de negatieve impact van de plattelandsvlucht op de werkgelegenheid en de migratiestromen te beperken.

1.8   Om de mediterrane landbouw verder te ontwikkelen acht het EESC het van prioritair belang de rol van lokale landbouworganisaties te versterken via ontwikkelingsprojecten waarmee het voor boeren gemakkelijker wordt om hun belangen te behartigen en aan het besluitvormingsproces deel te nemen.

1.9   De mediterrane landbouw zal beter tegen de concurrentie opgewassen zijn als er een dynamischere afzetstrategie wordt uitgewerkt. Binnen deze nieuwe strategie moet een hoofdrol zijn weggelegd voor coöperaties en andere producentenorganisaties. Deze zouden moeten worden omgevormd tot instrumenten waarmee de boeren het aanbod kunnen concentreren en hun marktpositie kunnen verbeteren. Het EESC is voorstander van initiatieven waarmee beoogd wordt de voedselketen beter te laten functioneren en de baten evenwichtiger onder alle schakels in de keten te verdelen.

1.10   Het is absoluut noodzakelijk dat vrouwen en jongeren erkenning krijgen voor de rol die zij in landbouwbedrijven en op het platteland vervullen. In de landen ten zuiden van de Middellandse Zee hebben vrouwen een groot aandeel in de landbouw, hoewel hun werk meestal erkend noch beloond wordt en mede wordt bepaald door krachtige sociale factoren. Er is behoefte aan nieuwe structurele maatregelen en prikkels om het werk van vrouwen de nodige waardering te geven, vrouwen in staat te stellen de informele sector te verlaten, en te bevorderen dat mensen zich aaneensluiten zodat de ondernemingsgeest, die ook in de landbouw noodzakelijk is, wordt aangemoedigd.

1.11   Watermanagement is voor de ontwikkeling van de landbouw in het Middellandse Zeegebied cruciaal. Een van de meest schadelijke gevolgen van de klimaatverandering in het Middellandse Zeegebied is dat er minder water voor de landbouw beschikbaar zal zijn. Volgens het EESC zijn er dringend nieuwe controle- en moderniseringsmaatregelen geboden om water te besparen en ook verstandiger met deze kostbare hulpbron om te springen. Om te garanderen dat irrigatie in sociaal, economisch en milieuopzicht mogelijk blijft, moeten bij al deze beleidsmaatregelen nieuwe technologieën worden toegepast.

1.12   Institutionele samenwerking moet gepaard gaan met nauwere samenwerking tussen maatschappelijke actoren. Van het hoogste belang is dat de EU regionale samenwerking vergemakkelijkt en dat vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties een belangrijkere stem in het kapittel krijgen, zodat het mogelijk wordt ervaringen te delen en concrete projecten op te zetten waarmee agrarische organisaties in het Middellandse Zeegebied een multifunctioneel landbouwmodel kunnen promoten. Hoe dan ook is het zaak om het landbouwhoofdstuk van de Unie voor het Middellandse Zeegebied kracht bij te zetten en werk te maken van de oprichting van de Bank voor het Middellandse Zeegebied.

2.   Inleiding

2.1   Met de start van het Proces van Barcelona in 1995 kregen de betrekkingen tussen de EU en de mediterrane buurlanden (1) een nieuwe impuls en werd de basis gelegd voor de totstandbrenging van een ruimte van vrede en welvaart in het Middellandse Zeegebied. Vijftien jaar na de Verklaring van Barcelona gebiedt de eerlijkheid echter te zeggen dat er slechts matige vooruitgang is geboekt en dat er bij onze partners ten zuiden van de Middellandse Zee een zekere teleurstelling heerst.

2.2   Op instigatie van Frankrijk en Duitsland is in 2008 de Unie voor het Middellandse Zeegebied in het leven geroepen. Uit dit politieke initiatief blijkt dat het Middellandse Zeebeleid, waar jarenlang nauwelijks schot in zat, thans weer hoog op de agenda van de EU staat, met als uitvloeisel dat de discussie over de landbouw, die in de 21e eeuw een strategische sector vormt, nieuw leven is ingeblazen.

2.3   Om bij te dragen tot het belangrijke debat over de rol die de landbouw in het Middellandse Zeegebied moet vervullen, heeft het EESC besloten onderhavig initiatiefadvies op te stellen. De landbouw krijgt met grote mondiale uitdagingen te maken, zodat gesteld kan worden dat de ontwikkeling van deze sector zich thans in een cruciale fase bevindt.

2.4   De landbouw in het Middellandse Zeegebied is een zeer complex gegeven, zodat onmogelijk in detail kan worden ingegaan op de sectorspecifieke problemen die zich in de dagelijkse praktijk voordoen. Het EESC wil echter wel een strategisch debat op gang brengen over de vraag waar het met de mediterrane landbouw naartoe moet, uitgaande van de mogelijke gevolgen die de totstandbrenging van een vrijhandelszone voor landbouwproducten aan beide zijden van de Middellandse Zee zal hebben. Liberalisering zal niet alleen gevolgen hebben op handelsgebied, maar zeker ook voor de manier waarop een land zich in economisch, sociaal en milieuopzicht zal ontwikkelen.

2.5   Van oudsher hebben de zuidelijke Middellandse Zeelanden fel bekritiseerd dat de EU haar landbouw buitensporig beschermt. De EU heeft er op haar beurt op gewezen dat de invoer van bepaalde producten negatief uitwerkt op tal van Europese regio's; het gaat hierbij met name om groenten en fruit uit Marokko, dat vanwege zijn agrarische mogelijkheden en het feit dat het vanuit geografisch en cultureel oogpunt dichtbij de EU ligt, tot de belangrijkste mediterrane landbouwlanden behoort. De andere hoofdrolspeler in de mediterrane landbouw is kandidaat-lidstaat Turkije. De landbouw is er de voornaamste economische sector en als „groen reservaat” van Europa beschikt het land over een enorm agrarisch potentieel. De afgelopen jaren is ook Egypte uitgegroeid tot een van de landen met het grootste landbouwpotentieel van het Middellandse Zeegebied.

2.6   Het is echter dringend zaak om de traditionele blik op de landbouwbetrekkingen in het Middellandse Zeegebied te verruimen en een strategische langetermijnvisie op de mediterrane landbouw uit te werken die de ontwikkeling van synergieën en de economische en sociale levensvatbaarheid van de agrarische sector aan beide zijden van de Middellandse Zee ten goede komt.

2.7   De EU-aanpak op het gebied van kwaliteitsproductie, oorsprongsaanduidingen, modernisering van infrastructuur en opleiding zou als voorbeeld moeten dienen. Op basis hiervan moeten richtsnoeren worden geformuleerd die landen ten zuiden van de Middellandse Zee kunnen helpen om de noodzakelijke veranderingen in goede banen te leiden. Maar niet alleen positieve ervaringen kunnen leerrijk zijn. In Europa is het helaas zo dat landbouwsteunmaatregelen onvoldoende samenhang vertonen, een langetermijnplanning ontbreekt en er te weinig evenwicht is in de voedselketen, die gekenmerkt wordt door een zeer versnipperd aanbod waarvan de distributiesector profiteert. Dit leidt tot bepaalde gevaren waarmee rekening moet worden gehouden in de belangrijke overgangsfase waarin de mediterrane landbouw verkeert.

2.8   De landbouw vertoont in de zuidelijke landen twee gezichten: enerzijds is er een dynamische, exportgerichte sector waarin grote commerciële bedrijven veel geld steken, anderzijds een economisch onvoldoende georganiseerde landbouw waarbij kleine boeren vooral voor de plaatselijke markten produceren.

3.   Liberalisering van de handel

3.1   Overeenkomstig het stappenplan dat bij de lancering van het Proces van Barcelona (1995) is vastgesteld, moeten landbouwproducten genieten van een preferentiële behandeling. de geleidelijke liberalisering van de handel in landbouwproducten via een regeling voor preferentiële en wederzijdse toegang tussen de betrokken partijen, wordt rekening gehouden met traditionele handelsstromen en desbetreffende landbouwbeleidsmaatregelen (2). Sinds 2005 was het hoofddoel om tegen 2010 een vrijhandelszone te creëren. Dit jaartal is bedoeld ter indicatie en moet zeker niet als een deadline worden gezien de landen werken namelijk met verschillende snelheden naar deze vrijhandelszone toe.

3.2   De Europese Unie heeft de voorbije jaren nieuwe en ambitieuze landbouwakkoorden gesloten met Israël, Jordanië en Egypte. De complexe, uitgebreide onderhandelingen met Marokko gaan door. De Europese onderhandelaars laten maar weinig los, maar na de recente afronding van de onderhandelingen wijst alles erop dat de overeenkomst in 2010 zal worden getekend. Van de overige mediterrane landen zijn alleen Tunesië en onlangs Algerije nieuwe onderhandelingsronden begonnen.

Landbouwonderhandelingen tussen de EU en de Middellandse Zeelanden

3.3   De bescherming in de EU wordt vormgegeven via verscheidene instrumenten, die doorgaans met elkaar gecombineerd worden: contingenten, douanerechten, tijdschema's, invoervergunningen, invoerprijzen, enz. Hieruit kan worden afgeleid dat de EU haar boeren van oudsher heeft gesteund via douanemaatregelen, aangezien de traditionele GLB-steun in het geval van mediterrane producten slechts een geringe rol speelt (3). Naast deze steeds geringere douanebescherming spelen factoren als afstand, productiekosten en infrastructuur een essentiële rol bij de handel in landbouwproducten.

3.4   De Europese organisatie COPA-COGECA, een samenwerkingsverband van de voornaamste landbouworganisaties en -coöperaties in de EU, benadrukt in haar standpunt over de Euromediterrane akkoorden dat de EU bepaalde fundamentele onderhandelingsbeginselen moet eerbiedigen. Het gaat hierbij onder meer om behoud van het concept „gevoelige producten” en van een invoerprijs voor fruit en groenten, aanscherping van de douanecontroles om fraude tegen te gaan, invoering van een efficiënt systeem voor fytosanitair toezicht en inachtneming van het seizoensgebonden karakter van de productie, ter bevordering van een gemeenschappelijk beheer van de tijdschema's voor productie en afzet. (4)

3.5   Voor producenten uit het zuidelijke Middellandse Zeegebied valt het niet mee om de Europese gezondheidsvoorschriften toe te passen. Voor ingevoerde landbouwproducten uit het Middellandse Zeegebied worden er namelijk minder strenge eisen gehanteerd dan die welke er inzake dierenwelzijn, traceerbaarheid en milieunormen voor communautaire producten gelden. Het EESC dringt er bij de EU op aan om onze partners uit het Middellandse Zeegebied de nodige technische handelsbijstand te geven, alsook hulp bij technologieoverdracht en de invoering van traceerbaarheidsstelsels en systemen voor vroegtijdige waarschuwing.

3.6   Herhaaldelijk heeft het EESC erop gewezen dat traceerbaarheid en kwaliteitscertificering hoekstenen van het Europese landbouwmodel zijn. Met dit in de EU verankerde systeem kan er „van boer tot bord” informatie over voedingsmiddelen worden verkregen en kan in alle fasen (productie, verwerking en distributie) worden gevolgd welk parcours zij afleggen. Traceerbaarheidsvereisten moeten in de landbouwonderhandelingen met mediterrane landen een vooraanstaande rol spelen.

3.7   Momenteel is al 90 % van de handel in landbouwproducten in het Middellandse Zeegebied geliberaliseerd. De EU is de grootste importeur van levensmiddelen ter wereld en heeft te maken met een historisch ongekend handelsvrijmakingsproces. Ondanks deze belangrijke marktopenstelling bestaan er nog een aantal gevoelige producten waarvoor specifieke bepalingen gelden, bedoeld om bepaalde producenten die door een forse stijging van de invoer van landbouwproducten (met name groenten en fruit) zeer sterk getroffen zouden kunnen worden, niet te benadelen.

3.8   De hoofdrol in dit liberaliseringsproces is voor de sector groenten en fruit weggelegd. Groenten en fruit zijn namelijk goed voor bijna de helft van alle landbouwproducten die derde landen uit het Middellandse Zeegebied naar de EU uitvoeren. Veel Zuid-Europese regio's zijn gespecialiseerd in de teelt van groenten en fruit en de regionale economie is er in belangrijke mate van deze sector afhankelijk. In twintig EU-regio's is de sector groenten en fruit goed voor meer dan de helft van de totale landbouwproductie. De EU moet erop toezien dat er in landbouwovereenkomsten met landen aan de zuidkant van de Middellandse Zee bescherming komt voor producten die als „gevoelig” gelden en die door deze overeenkomsten het meest worden getroffen.

3.9   De Europese Commissie heeft laten nagaan wat de handelsliberalisering voor gevolgen zal hebben in het Middellandse Zeegebied. Uit deze effectbeoordeling (5) blijkt duidelijk dat bij volledige of gedeeltelijke liberalisering de EU-uitvoer van continentale producten als granen, zuivel en vlees zou verveelvoudigen. De productie in deze sectoren zou in landen als Marokko daarentegen sterk terugvallen. Daar zou in 14 jaar tijd de melkproductie met 55 % dalen, de vleesproductie met 22 % en de graanproductie met 20 %. (6) Het gevaar van monocultuur ligt op de loer, met een bevoorradingstekort en invoerafhankelijkheid als mogelijke gevolgen.

3.10   Naar het oordeel van het EESC zouden er in de associatieovereenkomsten criteria en clausules moeten worden opgenomen om het effect van de openstelling van de handel op beide partijen te kunnen inschatten, met name met het oog op de verwezenlijking van het uiteindelijke doel van het externe beleid van de EU, nl. dat er vooruitgang wordt geboekt op het gebied van het milieu, de arbeidsrechten en – vooral – de economische en sociale ontwikkeling van de plaatselijke bevolking en dus niet alleen de ontwikkeling van de grote lokale of buitenlandse bedrijven. In dit verband is het absoluut noodzakelijk om aan de openstelling van de Europese markten de voorwaarde te verbinden dat bepaalde minimumnormen op het vlak van arbeidsverhoudingen, milieu en gezondheid worden nageleefd, niet alleen om de Europese consument veilig voedsel te garanderen, maar ook om de leef- en werkomstandigheden in de landen ten zuiden van het Middellandse Zeegebied te verbeteren.

3.11   Het EESC pleit voor doeltreffende regelingen en verbetering van de bestaande regelingen om te garanderen dat beide partijen de bepalingen inzake handelsliberaliseringkwesties die zij in de associatieovereenkomsten hebben onderschreven, ook daadwerkelijk naleven, vanuit het oogpunt van de eerbiediging van de vastgestelde douanehoeveelheden en de inachtneming van de contingenten.

De rol van de overheid bij liberalisering

3.12   Het zuidelijke Middellandse Zeegebied staat thans voor een aantal grote dilemma's waar ook de EU mee te maken heeft gehad. Welke rol moet de overheid spelen bij marktliberalisering en -deregulering? In dit verband heeft de EU, en met name de evolutie van het GLB, verrassende koerswijzigingen gekend die voor de zuidelijke mediterrane landen als voorbeeld zouden moeten dienen. Door te leren van de fouten en successen van hun Europese buren kan de overheid er doeltreffende en samenhangende middellange- en langetermijnmaatregelen nemen waarmee zij met meer garanties het hoofd kan bieden aan de mondialisering, die de mededinging in de agrarische sector soms ernstig scheeftrekt. Omwille van zijn bijdrage aan het BBP van een land mag de landbouw in internationale onderhandelingen hoe dan ook niet als zomaar een economische sector worden beschouwd.

3.13   Tot voor kort werd er in het beleid van derde mediterrane landen geen hoge prioriteit toegekend aan de landbouw. Ontwikkelingsgeld van de EU en internationale organisaties werd aan andere sectoren besteed (7), waarbij blijk werd gegeven van een kortetermijnvisie die de agrarische ontwikkeling van deze landen niet ten goede is gekomen. Sinds enkele jaren is het politieke tij echter aan het keren.

3.14   Toen er in 2008 een voedselcrisis woedde, waarbij de prijzen voor essentiële grondstoffen stegen en er gegronde angst bestond voor het liberaliseringsproces, schoten bepaalde nationale en regionale autoriteiten wakker en begonnen zij opnieuw na te denken over hun landbouwaanpak, die van oudsher gericht was en het alsmaar verder opvoeren van de productie en op het exporteren van landbouwproducten.

3.15   De landbouwstrategie van de regeringen van de Middellandse Zeelanden moet leiden tot een verbetering van het afzetproces en tot een landbouw waarin kwaliteit vooropstaat en waarmee toegevoegde waarde wordt geschapen. De achterliggende gedachte is duidelijk en wordt door alle betrokkenen in het Middellandse Zeegebied volledig onderschreven. De harde werkelijkheid gebiedt echter te zeggen dat het gebrek aan financiële middelen een zeer moeilijk te nemen horde blijkt.

3.16   Opleiding, technische ondersteuning en onderzoek moeten hoofdbestanddelen vormen van toekomstige landbouwbeleidsmaatregelen van mediterrane landen. Deze elementen moeten er samen voor helpen zorgen dat de mediterrane landbouw sterker uit de bus komt en zich beter kan positioneren, teneinde de voedselvoorziening te garanderen, armoede te bestrijden en ontvolking van landelijke gebieden tegen te gaan.

3.17   Met ronkende woorden wordt gepleit voor verder agronomisch onderzoek, maar veel landen uit het Middellandse Zeegebied hebben geen politieke bereidheid aan de dag gelegd om daarvoor een gunstig wettelijk kader te scheppen. Wil men de teeltmethoden verbeteren en nieuwe markten aanboren via een kwaliteitssprong, dan moet er veel meer onderzoek worden verricht. Door de bevolkingsgroei moet één hectare grond nu drie keer zoveel voedsel opleveren als 40 jaar geleden. Om de productiviteit te verhogen dient er geavanceerde technologie beschikbaar te zijn. Biotechnologie kan in dit verband een cruciale bijdrage leveren tot een productievere, milieuvriendelijke landbouw (8). Bij onderzoeksactiviteiten moet er in de toekomst meer worden samengewerkt tussen overheid en particuliere sector en moet er sprake zijn van betere coördinatie tussen verschillende instanties, zodat aan de reële basisbehoeften van de landbouw en de boeren kan worden voldaan.

Marokko's „Groene plan”: een instrument om de landbouwuitdagingen aan te gaan

3.18   Een goed voorbeeld waaruit blijkt dat het tij is gekeerd, is het Groene plan dat Marokko in april 2008 heeft gepresenteerd. Hierin wordt een interessante nieuwe strategie voor de landbouw in de Maghreb ontvouwd. Met dit plan wordt beoogd om de landbouw in een periode van 10 à 15 jaar door middel van forse overheidsinvesteringen (9) om te vormen tot de drijvende kracht achter de nationale economie. Twee hoofddoelstellingen staan daarbij centraal: een moderne landbouw met een hoge toegevoegde waarde, en inkomensverbetering voor kleine boeren.

3.19   De Marokkaanse regering wil deze ambitieuze doelen verwezenlijken via regionale actieplannen die zullen moeten draaien om drie soorten projecten. Ten eerste gaat het om het faciliteren van de overgang van graangewassen naar gewassen die meer toegevoegde waarde opleveren en waarbij men minder afhankelijk is van water. Ten tweede wordt er gestreefd naar een intensievere landbouw, in het kader waarvan de boeren moeten kunnen rekenen op nieuwe productietechnieken. Ten derde moeten de regionale plannen ertoe bijdragen om de productie te diversifiëren en regionale en lokale producten beter in de verf te zetten.

Liberalisering: verliezers aan beide oevers van de Middellandse Zee

3.20   Op regionaal niveau zullen met name de Europese groenten- en fruitregio's hard worden getroffen door de liberalisering. Daarbij gaat het steevast om regio's die al tot de meest achtergebleven en kansarme gebieden van de EU behoren. Bij wijze van voorbeeld kan hierbij worden gewezen op Andalusië (Spanje), Thessalië (Griekenland), Calabrië (Italië) en Noord-Douro (Portugal). Volgens de door de Europese Commissie in 2007 bevolen effectbeoordeling, die is uitgevoerd door het CIHEAM (10), zullen de negatieve gevolgen van het liberaliseringsproces niet evenwichtig verspreid zijn over heel Europa, maar zich vooral doen gevoelen in een aantal specifieke regio's, die de echte verliezers van de liberalisering zullen zijn.

3.21   Kleine boeren in de zuidelijke mediterrane landen zullen rechtstreeks door de openstelling van de grenzen worden getroffen; zij zullen het bijltje erbij neer moeten leggen, omdat zij niet opgewassen zullen zijn tegen de concurrentie van producenten aan de noordkant van de Middellandse Zee. In deze liberaliseringscontext moet voorzien worden in instrumenten om kleine producenten, die het meest kwetsbaar zijn, in staat te stellen van de nieuwe akkoorden te profiteren. In dit verband moet prioriteit worden verleend aan maatregelen om de inkomens van boeren te ondersteunen en om hen te helpen zich te organiseren en hun bedrijven te moderniseren.

3.22   De overheid moet zich hard maken voor het omkeren van de huidige, gevaarlijke trend dat de liberalisering hoofdzakelijk grote landbouwbedrijven, multinationals en buitenlandse investeerders in de kaart speelt. De baten van de openstelling van de markten moeten op evenwichtige en rechtvaardige wijze over alle betrokkenen in de productieketen worden verdeeld.

Organisatie van de productiesector in het licht van de nieuwe afzetstructuren

3.23   In de EU bestaat er tussen de verschillende spelers in de levensmiddelenketen een gebrek aan evenwicht. Dit is sterk in het nadeel van de productiesector, die niet opkan tegen de dominante positie die grootwinkelbedrijven in de EU hebben verworven. Ook bij de ontwikkeling van de landbouw aan de andere kant van de Middellandse Zee doet zich het gevaar voor dat enkele grote spelers het voor het zeggen krijgen. De boeren dreigen er hun band met de nationale markt te verliezen en te worden overgeleverd aan de wil van de grootwinkelbedrijven.

3.24   Het concurrentievermogen van de landbouw hangt niet alleen af van productieverbeteringen op het vlak van prijs en kwaliteit. Om echt werk te maken van het concurrentievermogen moet speciale aandacht uitgaan naar de marketing- en afzetstrategie. Gezien de grote versnippering in de productiesector is het absoluut zaak dat met de nieuwe strategie gestreefd wordt naar een grotere concentratie van het aanbod, bv. via telersverenigingen, coöperaties en andere vormen van capaciteitsbundeling.

3.25   Het is geen gemakkelijke opgave om de producenten te organiseren in coöperaties. In het zuidelijke Middellandse Zeegebied zijn er nog tal van factoren die de ontwikkeling van landbouwcoöperaties in de weg staan, al is er een begin gemaakt met wetgeving die hiervoor een gunstig klimaat moet scheppen. Voornaamste problemen van coöperaties in het Middellandse Zeegebied zijn dat er niet genoeg mensen zijn die coöperaties als een bedrijf kunnen runnen, dat de financiële middelen soms tekortschieten, dat men te sterk afhankelijk is van overheidssteun, dat de wetgeving niet flexibel genoeg is en dat markten moeilijk toegankelijk zijn. Wil de coöperatieve beweging succes hebben, dan moeten deze problemen worden verholpen en moet er worden ingezet op een nieuwe filosofie waarin van het collectief wordt uitgegaan. Overal in het Middellandse Zeegebied geldt echter als allereerste voorwaarde dat de boeren de landbouwactiviteit kunnen voortzetten en niet gedwongen worden om de sector vaarwel te zeggen.

3.26   De versnippering van de landbouw, een belangrijke handicap, kan worden tegengegaan als boeren hun positie kunnen verbeteren door zich te organiseren en de handen ineen te slaan. Een navolgenswaardig voorbeeld voor andere sectoren is de succesvolle Marokkaanse zuivelcoöperatie COPAG, die jaarlijks 170 miljoen liter melk produceert en daarmee 11 % van de nationale productie vertegenwoordigt. Deze coöperatie schept toegevoegde waarde, verdeelt subsidies en garandeert haar leden een minimumprijs. Maar er zijn ook landen, bv. Libanon, waar vele coöperaties louter en alleen worden opgericht omdat zij noodzakelijk zijn om toegang te krijgen tot ontwikkelingsprogramma's van ngo's. Wordt de geldkraan dichtgedraaid, dan ziet men de coöperaties helaas uiteenvallen en verdwijnen.

3.27   In het zuidelijke Middellandse Zeegebied is krachtige overheidssteun nodig om associatieve structuren verder te ontwikkelen en om te bevorderen dat producenten de handen ineenslaan. Deelname aan coöperaties moet worden aangemoedigd zodat zij kunnen uitgroeien tot een instrument dat voor de landbouwer zinvol en rendabel is. Alleen het oprichten van coöperaties is echter niet genoeg; zij moeten ook dynamisch zijn en blijk geven van ondernemersgeest, want pas dan kunnen zij de wereldwijde concurrentiestrijd aangaan en het inkomen van hun leden consolideren en maken zij meer kans op toegang tot investeringen, diensten en markten.

4.   Sociale omschakeling in de mediterrane landbouw

4.1   Vrijhandel in de landbouw moet de sociale ontwikkeling en de regionale eigenheid ten goede komen en moet daarmee volledig compatibel zijn. Het EESC vindt dat grondig moet worden nagegaan wat het integreren van de landbouw in de mondiale handelsstromen in sociaal opzicht kost, zodat de impact van dit onvermijdelijke proces kan worden gekwantificeerd en de meest kwetsbare gemeenschappen geholpen kunnen worden zich hieraan aan te passen. Volgens de kille macro-economische cijfers levert de landbouw slechts een beperkte bijdrage aan de handel in de mediterrane landen (in totaal 7 % van de uitvoer en 9 % van de invoer), maar in de praktijk is de politieke en sociale impact van de agrarische productie veel hoger.

4.2   De sociale kwetsbaarheid in mediterrane landelijke gebieden vertaalt zich in armoede, werkloosheid, tekortschietende infrastructuur, aantasting van het landschap en aanhoudende plattelandsvlucht. Net als in EU-landen is gebeurd, zal de aanpassing aan de mondialisering er in de landen van het Middellandse Zeegebied toe leiden dat er minder mensen in de landbouw zullen werken, de meest kansarme landelijke gebieden ontvolkt raken en de migratiestromen onder grotere druk komen te staan.

4.3   Om de negatieve gevolgen van de liberalisering voor landelijke gebieden te verzachten, moeten de nationale en regionale overheden een stevig plattelandsontwikkelingsbeleid voeren dat het concurrentievermogen van kleine landbouwbedrijven ten goede komt, dat alternatieve werkgelegenheid schept voor boeren die gedwongen zijn de landbouw op te geven, en dat landelijke gebieden in staat stelt om de omschakeling van de landbouw, die voor hun sociaaleconomische structuur enorm belangrijk is, met bepaalde garanties tegemoet te treden. De plattelandsontvolking is een gevaarlijke ontwikkeling die alleen kan worden omgebogen als de integratie van vrouwen en jongeren in de agrarische sector succesvol verloopt.

Vrouwen en jongeren als drijvende kracht achter de omschakeling

4.4   Binnen enkele jaren zullen vrouwen en jongeren als drijvende kracht achter de omschakeling van de landbouw in het zuidelijke Middellandse Zeegebied fungeren. In de strategie voor duurzame ontwikkeling van het Middellandse Zeegebied wordt ervoor gepleit om programma's op te stellen waarmee vrouwen meer inspraak krijgen in de besluitvorming en waarmee werk wordt gemaakt van het opleiden van nieuwe leidinggevenden in de landbouw en op het platteland die – met hun vermogen tot innovatie en met een goede voorbereiding – daadwerkelijk voor verandering kunnen zorgen.

4.5   Vrouwen worden in de mediterrane landbouw steeds belangrijker. Hun rol in de landbouw neemt geleidelijk aan toe en kan nog veel groter worden wanneer men de forse bevolkingsgroei, de veranderingen op milieugebied en de trek van mannen naar stedelijke en andere welvarendere gebieden in aanmerking neemt (11). Helaas zijn er maar weinig officiële statistische gegevens voorhanden en blijkt daaruit niet goed welke bijdrage de vrouwen daadwerkelijk aan de landbouw leveren.

4.6   In het Middellandse Zeegebied zijn interessante initiatieven ontplooid om de situatie van plattelandsvrouwen te verbeteren. Uit hoofde van het MEDA-programma zijn in Marokko arganoliecoöperaties gefinancierd die volledig door vrouwen worden gerund. Het in dit kader gehanteerde bedrijfsmodel heeft inmiddels ook in andere mediterrane regio's ingang gevonden. In Libanon is in 2008 een nationale waarnemingspost voor plattelandsvrouwen (NOWARA) opgericht (12). Mede hierdoor zijn er tal van initiatieven ontplooid om te bevorderen dat vrouwen en mannen in de landbouw op gelijke voet worden behandeld en zijn er programma's en activiteiten opgezet om de toegang van vrouwen tot productiemiddelen te verbeteren.

4.7   Vrouwen in de landbouw worden van land tot land op zeer uiteenlopende wijze behandeld. In Libanon werkt slechts 3,4 % van de vrouwen in de landbouw en in Algerije is de situatie vergelijkbaar; vrouwen nemen er slechts in zeer beperkte mate deel aan economische activiteiten. In Egypte daarentegen wordt de helft van al het agrarische werk door vrouwen verricht, maar mogen zij door hen geërfde landbouwgrond niet zelf beheren. De situatie in Syrië is nog slechter; daar worden vrouwen onder sociale druk gedwongen om af te zien van hun recht op grondeigendom. Opvallend in Marokko is dat er zeer veel vrouwen in de landbouw actief zijn; zij verrichten ca. 60 % van het werk in deze sector. In Turkije ligt dit percentage zelfs op 70 %. In deze landen verrichten vrouwen vooral arbeidsintensief handwerk. Zo zijn zij verantwoordelijk voor het oogsten en opslaan van voedsel en spelen zij een belangrijke rol bij zaaiwerk, irrigatie, controle op ziektes en bemesting.

4.8   Vrouwen die in de zuidelijke mediterrane landen actief zijn in de landbouw, hebben bij hun werk met een aantal grote handicaps te maken. Zo zijn velen van hen ongeletterd en onvoldoende opgeleid, verrichten zij onbetaald werk, mogen zij dikwijls geen grond bezitten, hebben zij geen inspraak in de besluitvorming, werken zij onder slechtere arbeidsvoorwaarden dan mannen, hebben zij moeilijk toegang tot leningen en worden zij vooral geconfronteerd met godsdienstige en maatschappelijke factoren waardoor hun zelfbeslissingsrecht een dode letter blijft. Er moet helaas nog heel wat water door de zee voordat vrouwen en mannen in de landbouw en op het platteland gelijke kansen zullen hebben. De regeringen van de mediterrane landen moeten hiervan een prioritaire doelstelling maken. (13)

5.   Mediterrane landbouw en klimaatverandering

5.1   Uit alle tot dusverre opgestelde wetenschappelijke studies blijkt dat de Middellandse Zeeregio het meest door de klimaatverandering zal worden getroffen. De mediterrane landbouw is door de geografische en klimatologische omstandigheden bijzonder gevoelig voor de negatieve gevolgen van de klimaatverandering, vooral ook in het licht van de bevolkingsgroei en de door de FAO onderstreepte noodzaak om de voedselproductie op te voeren. De klimaatverandering kan er o.m. toe leiden dat:

teelten verdwijnen en de biodiversiteit vermindert;

de woestijn verder oprukt en meer gebieden verdrogen;

nieuwe plagen en ziektes de kop opsteken;

de landbouwopbrengsten dalen en grote schommelingen gaan vertonen;

de watervoorraden afnemen.

5.2   Met het oog op de aanpassing aan de klimaatverandering zijn er dringend maatregelen en passende instrumenten nodig om het risicomanagement in de landbouw te verbeteren, nieuwe, meer resistente variëteiten te ontwikkelen, landbouwers technische adviezen te geven bij hun dagelijkse werkzaamheden en vooral om de agrarische sector te laten profiteren van onderzoek en nieuwe technologie.

Het verband tussen water en landbouw

5.3   Wat bij de klimaatverandering echter het meest op het spel staat en het belangrijkst is voor de ontwikkeling van de landbouw in het Middellandse Zeegebied, is de factor water. Het EESC heeft zich al eerder gebogen over de impact van de afname van watervoorraden op de landbouw (14) en blijft erop wijzen dat de overheid op een rationeler watergebruik moet inzetten. Het komt erop aan te bewerkstelligen dat de landbouw met minder water toch welvaart, toegevoegde waarde, werkgelegenheid, enz. blijft opleveren.

5.4   Volgens ramingen van „Plan bleu” (15) zal de vraag naar water in het zuidelijke en oostelijke Middellandse Zeegebied in 2025 ca. 25 % hoger liggen dan nu. Hoe moet er met deze toename van de vraag worden omgesprongen nu er steeds minder water beschikbaar is en deze kostbare hulpbron schaars wordt? Naar het oordeel van het EESC kan men voor een duurzaam waterbeheer niet louter vertrouwen op het verminderen van irrigatie, maar is er tevens behoefte aan betere controlemaatregelen en modernisering.

5.5   Irrigatie is in de mediterrane landbouw van strategisch belang. In Egypte wordt alle landbouwgrond geïrrigeerd en Marokko hoopt dat in 2025 450 000  hectare méér landbouwgrond zal zijn geïrrigeerd. Geen enkel land ter wereld is technologisch zo geavanceerd op het gebied van watermanagement voor de landbouw als Israël, terwijl Tunesië een succesvol watermanagementprogramma inzake irrigatie ten uitvoer heeft gelegd dat door de FAO en de Wereldbank lovend is onthaald.

5.6   De Tunesische regering heeft gekozen voor meer publiek-private samenwerking om haar strategische plan toe te passen. Deze strategie omvat de gunning aan landbouwbedrijven van contracten met stimulerende maatregelen voor de boeren, programma's om tot een groter geïrrigeerd areaal te komen door het bevorderen van de overschakeling op andere gewassen die meer toegevoegde waarde opleveren en minder water verbruiken, verdeling van quota over het bekken, en een prijsbepalingssysteem waarmee de kosten gedekt kunnen worden. De Spaanse regio Andalusië kan als een voorbeeld van moderne irrigatie dienen, omdat de benodigde hoeveelheid water per hectare er in slechts 30 jaar tijd is gehalveerd.

5.7   Volgens het EESC moeten er dringend nieuwe technieken worden toegepast om water te besparen en ook verstandiger met deze hulpbron om te springen. In het kader van het watermanagement in de landbouw dienen verschillende mogelijkheden te worden nagegaan: lokale irrigatiestelsels, zuivering en ontzilting van water, nieuwe infrastructuurvoorzieningen, variëteiten die genetisch beter zijn aangepast aan waterschaarste, benutting van niet-traditionele waterbronnen, enz.

Brussel, 18 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Momenteel zijn bij de Unie voor het Middellandse Zeegebied de 27 EU-lidstaten aangesloten en de volgende mediterrane niet-EU-landen: Algerije, Marokko, Tunesië, Turkije, Egypte, Israël, Palestina, Syrië, Libanon, Jordanië, Kroatië, Albanië, Montenegro, Bosnië en Herzegovina, Monaco, Mauritanië en Libië (waarnemer).

(2)  Tijdens de periodieke conferenties van de ministers van handel van de Euromediterrane landen moeten politieke impulsen worden gegeven aan de handelsaspecten van het liberaliseringsproces. De meest recente ministerconferentie vond in november 2009 in het EESC-gebouw in Brussel plaats.

(3)  De sector groenten en fruit vertegenwoordigt 16 % van de totale agrarische productie van de EU, maar ontvangt slechts 4,5 % van de EOGFL-steun.

(4)  EESC-advies over „Voedselveiligheid m.b.t. ingevoerde landbouwproducten en levensmiddelen” (PB C 100, 30.4.2009, blz. 60).

(5)  Sustainability impact asessment, Eu-Med Ag Pol.

(6)  Deze gegevens komen uit de studie „Defining a trade strategy for Southern Mediterranean Countries”. Antoine Bouet, International food policy research institute, 2006.

(7)  Van alle MEDA-middelen die aan de partnerlanden in het Middellandse Zeegebied worden verstrekt, gaat slechts 5 % naar landbouw en plattelandsontwikkeling.

(8)  EESC-advies „De EU en de wereldwijde uitdaging van de voedselzekerheid” (PB C 100, 30.4.2009, blz. 44).

(9)  De komende tien jaar zal Marokko via het Landbouwontwikkelingsagentschap ca. 150 miljoen dirham uittrekken voor de toepassing van de maatregelen uit het Groene plan.

(10)  Beoordeling van de gevolgen van de handelsliberalisering tussen de EU en de mediterrane landen, EU-MED AGPOL - effectrapportage gemaakt door het CIHEAM-IAM (Montpellier).

(11)  In regio's waar sprake is van een grote trek naar stedelijke gebieden, is de bijdrage van vrouwen aan de landbouwproductie van extra groot belang.

(12)  Meer informatie op www.nowaralebanon.org.

(13)  Zie het EESC-advies van 12-6-2007„Bevordering van het ondernemerschap van vrouwen in de Euromediterrane regio”, CESE 1004/2007. Deze thematiek is ook besproken tijdens de op 11 en 12 november 2009 in Marrakech gehouden tweede ministerconferentie over de versterking van de maatschappelijke rol van vrouwen.

(14)  Zie de EESC-adviezen „Klimaatverandering en landbouw in Europa” (PB C 27, 3.2.2009, blz. 59), „De aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie” (PB C 224, 30.8.2008, blz. 67).

(15)  „Plan bleu” is een centrum voor samenwerking op het gebied van het milieu en de ontwikkeling van het Middellandse Zeegebied in het kader van het VN-programma voor het Middellandse Zeegebied (UNEP/MAP).


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/48


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de bevordering van de sociaaleconomische aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika

(initiatiefadvies)

(2010/C 347/07)

Rapporteur: José María ZUFIAUR NARVAIZA

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 februari 2009 besloten om overeenkomstig art. 29, lid 2, van zijn reglement van orde een advies op te stellen over

„De bevordering van de sociaaleconomische aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika”.

De gespecialiseerde afdeling Externe betrekkingen, die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 3 februari 2010.

Tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 110 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd:

1.   Aanbevelingen

1.1   Een kwalitatieve stap vooruit in het biregionaal strategisch partnerschap. Gezien de nieuwe wereldwijde context moet volgens het Comité intensiever politiek overleg worden gepleegd en een zwaardere agenda worden opgesteld, waarbij niet alleen onderlinge afhankelijkheden aan de orde komen maar ook kwesties die betere internationale regels vergen, zoals het milieu, ongelijkheid, migratie of vrede en veiligheid. Op biregionaal vlak zouden de conclusies van de topbijeenkomsten meer praktische betekenis moeten krijgen.

1.2   Een nieuwe impuls voor traditioneel beleid. Dit impliceert dat migratie hoog op de biregionale agenda moet komen te staan en dat sociale cohesie een totaalaanpak vergt waarvoor een meer doelgerichte samenwerking noodzakelijk is. Ook moeten er mechanismen voor structurele convergentie in het leven worden geroepen, moet het sectoraal beleid een impuls krijgen en moeten de voorwaarden voor fatsoenlijk werk moeten worden geschapen. In de associatieovereenkomsten moet terdege aandacht worden besteed aan de bestaande ongelijkheden; daarvoor moeten instrumenten worden gebruikt als evaluatie van duurzaamheid, effectieve erkenning van het principe van speciale en gedifferentieerde behandeling van minder ontwikkelde landen, het maken van uitzonderingen en vaststellen van overgangsperiodes voor sectoren waar nodig en een gedifferentieerde aanpak van ontwikkelingssamenwerking. De samenwerking met Latijns-Amerikaanse landen met een middeninkomen zou gericht moeten zijn op doelstellingen als macroeconomische stabiliteit, institutionele capaciteitsopbouw, verbetering van het concurrentievermogen en versterking van de handelscapaciteit, belastinghervormingen, innovatie en samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en technologie.

1.3   Het opstellen van een innovatieagenda ter bevordering van ontwikkeling en industriële hervormingen, waarin de sociale aspecten van innovatie aan de orde komen. Het Comité dringt erop aan rekening te houden met de sociale dimensie van innovatie in al haar facetten alsook met het belang van de sociale en culturele context voor technologische innovatie, met sociale barrières als armoede (die het innovatieproces belemmeren), met de sociale gevolgen van het innovatiebeleid en met de sociale kracht van innovatie. Voorts moet ook, met name in het overheidsbeleid, aandacht worden besteed aan de sociale innovatie die de samenleving zelf voortbrengt en die het gevolg is van aloude, collectieve en praktische kennis die zich o.m. op sociaal en milieugebied manifesteert. Tot slot is ook de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld van belang voor de acceptatie en integratie van activiteiten en beleid op het gebied van innovatie.

1.4   Een centrale plaats voor het maatschappelijk middenveld in het strategisch partnerschap EU/Latijns-Amerika Het Comité zou graag zien dat de versterking van de organisaties van het maatschappelijk middenveld en van de representatieve instanties of organismen daarvan op regionaal niveau in Latijns-Amerika tot de prioriteiten van het samenwerkingsbeleid van de EU en van de nieuwe versie van het programma EurosociAL zou behoren. Aanbevelingswaardig zijn ook het opzetten van een biregionaal mechanisme voor coördinatie van de werkzaamheden van de vertegenwoordigende organisaties van het maatschappelijk middenveld van beide regio's, de betrokkenheid van het Comité bij het bestuur van de toekomstige stichting EU/Latijns-Amerika, de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de associatieovereenkomsten tussen de EU en Latijns-Amerika middels de oprichting van gemengde raadgevende comités en de toevoeging van een sociale, arbeidsrechtelijke en milieudimensie aan deze overeenkomsten, de institutionalisering van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het strategisch partnerschap EU/Mexico en de betrokkenheid van de organisaties van het maatschappelijk middenveld bij het opstellen en uitwerken van het programma EurosociAL alsook bij de fora voor sociale cohesie EU/Latijns-Amerika.

1.5   Ten aanzien van de associatie- en vrijhandelsovereenkomsten, waarover de EU momenteel onderhandelt met de landen en regio's van Latijns-Amerika, beklemtoont het Comité dat de naleving van fundamentele sociale en mensenrechten een noodzakelijke voorwaarde moet zijn voor de ondertekening van dergelijke overeenkomsten door de Europese instellingen. Er moeten mechanismen voor de follow-up en evaluatie van en het overleg over dergelijke overeenkomsten komen, waaraan wordt deelgenomen door het maatschappelijk middenveld. Het Comité verzoekt de Europese Commissie om hiervan met name in het geval van de beoogde vrijhandelsovereenkomsten met Colombia en Peru een principekwestie te maken. Vóórdat er überhaupt overeenkomsten worden gesloten, laat staan geratificeerd, moet er binnen de instellingen een diepgaand politiek debat plaatsvinden, zoals commissaris De Gucht heeft beloofd. Het EESC en het maatschappelijk middenveld moeten bij dit debat worden betrokken.

2.   De betrekkingen EU/Latijns-Amerika: een positieve balans

2.1   De zesde top van staatshoofden en regeringsleiders van de EU en Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied vindt plaats onder heel andere mondiale, Europese en Latijns-Amerikaanse omstandigheden dan tien jaar geleden, toen op de Top van Rio in 1999 (1) de eerste stappen naar Europees/Latijns-Amerikaanse strategische samenwerking werden gezet.

2.2   De betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika bestaan al meer dan 30 jaar. De aanzet hiertoe werd gegeven in de jaren 70 met het parlementair overleg EP-Parlatino, het proces van San José en de dialoog tussen de EG en de Groep van Rio. Hoewel de maatschappelijke organisaties graag zouden hebben gezien dat deze betrekkingen zich verder hadden ontwikkeld, dat bepaalde samenwerkingsovereenkomsten al jaren geleden zouden zijn ondertekend en dat de conclusies van de topbijeenkomsten meer praktische betekenis zouden hebben, moet toch worden gezegd dat de balans van de resultaten tot dusver zeer positief is. In de jaren tachtig stonden vooral vrede en democratie hoog op de agenda en leverde de Europese Gemeenschap een belangrijke bijdrage aan de vredesprocessen in Centraal-Amerika. Later stimuleerde de EU het regionalisme en het biregionaal strategisch partnerschap, waarbij voor een gedifferentieerde aanpak van elke subregio werd gekozen, en ging de aandacht vooral uit naar de aanpak van gemeenschappelijke problemen als gevolg van de globalisering, zoals milieurisico's, energievoorziening, voedselzekerheid, migratie of maatregelen ter bestrijding van de financiële en economische crisis. Op de biregionale agenda staan inmiddels ook doelstellingen als sociale samenhang en de voorziening van mondiale en regionale collectieve goederen. Verder hebben de biregionale betrekkingen invloed gehad op de mondiale governance door de aandacht te vestigen op het belang van efficiënt multilateralisme. In de laatste mededeling van de Europese Commissie (2) wordt verwezen naar concrete instrumenten die in gebruik zijn genomen. Allereerst zijn daar natuurlijk de topontmoetingen, maar er wordt ook gewerkt aan de totstandkoming van een hele reeks associatieovereenkomsten (die met Chili en Mexico zijn al ondertekend). Met Brazilië en Mexico is een strategisch partnerschap gesloten. Ter ondersteuning van het beleid op bepaalde terreinen zijn instrumenten in het leven geroepen als het programma EurosociAL, EurocLima en programma's voor onderwijs. Ook is een Euro-Latijns-Amerikaanse parlementaire vergadering opgericht (EuroLat). De Unie blijft de belangrijkste investeerder in dit gebied, de tweede handelspartner en de eerste verstrekker van ontwikkelingshulp.

2.3   Er is een netwerk van betrekkingen opgezet met de representatieve organisaties van het maatschappelijk middenveld in de subregio's van Latijns-Amerika; er is een wezenlijke bijdrage geleverd aan een betere coördinatie tussen de verschillende sectoren (werkgevers- en werknemersorganisaties, maatschappelijk middenveld) van beide continenten; de samenwerking met de regionale parlementen is verbeterd en het Comité heeft de status van waarnemer in EUROLAT gekregen, waarmee het een samenwerkingsprotocol heeft ondertekend dat ook openstaat voor deelname van de sociaaleconomische organisaties in Latijns-Amerika. In het kader van het strategisch partnerschap EU/Brazilië is een rondetafelconferentie EU/Brazilië georganiseerd tussen het EESC en de Braziliaanse Raad voor Economische en Sociale Ontwikkeling (CDES). Het Comité heeft op zijn beurt bijgedragen tot een grotere rol voor de vertegenwoordigende organen van het maatschappelijk middenveld bij de subregionale integratieprocessen in Latijns-Amerika en er zijn voorzichtige stappen gezet om het maatschappelijk middenveld te betrekken bij lopende onderhandelingen, bij de erkenning van het uitgangspunt dat toezicht- en adviesprocedures binnen de associatieovereenkomsten moeten worden geïnstitutionaliseerd en dat in dergelijke overeenkomsten ook aandacht moet worden besteed aan sociale, arbeidsrechtelijke en milieukwesties.

3.   Naar een kwalitatieve stap vooruit in het biregionaal strategisch partnerschap

3.1   De nieuwe politieke context wordt momenteel gekenmerkt door een internationale economische crisis, de milieuproblematiek, de economische opkomst van Azië, het vastlopen van de WTO-onderhandelingen, de toename van migrantenstromen, de intensivering op alle fronten van de Zuid-Zuidbetrekkingen en het ontstaan van nieuwe internationale overlegstructuren (G20, BRIC). In deze context spelen de ontwikkelingslanden een steeds grotere rol en deze tendens moet worden doorgetrokken naar andere organisaties zoals internationale financiële instellingen (3) of de VN-organisaties. Dit alles vergt dat de agenda van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika wordt aangepast en dat er speciale en functionele mechanismen in het leven worden geroepen om de conclusies van de topbijeenkomsten en van alle andere bilaterale contacten verder uit te werken.

3.2   Tegelijkertijd doemen nieuwe integratieprojecten op in Latijns-Amerika, waarbij de nadruk meer komt te liggen op de politieke dimensie en op veiligheid en defensie, op infrastructuur of op de coördinatie van energie- of financieel beleid en, in het algemeen, op niet-commerciële kwesties, zoals in het geval van de Unie van Zuid-Amerikaanse landen (UNASUR). Anderzijds werkt de groeiende behoefte aan beleidssamenwerking op internationaal niveau, die door de crisis duidelijk aan het licht is gekomen, dóór in het belang van niet-commerciële kwesties - milieubescherming, energiebeleid, voedselzekerheid, migratie, bestrijding van armoede en ongelijkheid, internationale financiële stabiliteit – op de biregionale agenda.

3.3   Deze nieuwe fase vergt een intensievere politieke dialoog en een vernieuwde agenda, die niet alleen onderlinge afhankelijkheden aan de orde stelt maar ook kwesties die meer en betere internationale regels vergen, zoals het milieu, migratie, toenemende ongelijkheid of vrede en veiligheid. Dat zou tot een gemeenschappelijke aanpak van de sociale gevolgen van de economische en financiële crisis moeten leiden en tot meer samenwerking op het gebied van klimaatverandering en de negatieve effecten daarvan, de aanpassing van het energiemodel, onderzoek en ontwikkeling en mondiale governance. Anderzijds mogen de traditionele doelstellingen van het biregionale partnerschap (bevordering van de sociale samenhang, regionale integratie, uitbreiding en aanpassing van de samenwerkingsprogramma's) niet uit het oog worden verloren en moet een nieuwe impuls worden gegeven aan de uitvoering van de bestaande associatieovereenkomsten door hierin bepalingen op te nemen die meer rekening houden met de verschillen en de sociale cohesie beter waarborgen. In dit opzicht is het positief, maar nog niet voldoende, dat de Commissie heeft aangekondigd een investeringsfaciliteit voor Latijns-Amerika (MIAL) in het leven te roepen, die de regionale integratie en onderlinge band en de ontwikkeling van sectoraal beleid bevordert, meer nadruk legt op sociale cohesie in de associatieovereenkomsten – naast andere economische en sociale maatregelen – en reeds gelanceerde initiatieven ter bevordering van cohesie stimuleert, zoals het Centraal-Amerikaans Fonds voor monetaire stabilisatie (FOCEM) van Mercosur of het cohesiefonds in het kader van de in 2007 door Centraal-Amerika opgerichte douaneunie.

4.   Naar een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de doelstellingen en programma's van het strategisch partnerschap

4.1   Op grond van zijn ervaringen met de Europese integratie is het Comité van mening dat een grotere en meer uitgesproken betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij alle fases van het proces een voorwaarde is voor de versterking van het biregionaal strategisch partnerschap en aanscherping van de politieke, economische en sociale doelstellingen daarvan. Betrokkenheid van maatschappelijke organisaties is van cruciaal belang om de betrekkingen opener, bekender en doorzichtiger te maken, om een groter draagvlak in de respectieve samenlevingen te creëren en om de maatregelen die samen worden genomen doeltreffender te maken. De betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika zijn meer dan dertig jaar geleden ontstaan uit de banden die werden aangeknoopt door politieke bewegingen en maatschappelijke organisaties. Om de biregionale dialoog nieuw leven in te blazen moeten daarom niet alleen nieuwe onderwerpen op de agenda worden gezet of moet deze agenda sneller en beter kunnen worden afgehandeld, maar moeten ook bepaalde actoren en sectoren bij dit proces kunnen worden betrokken.

4.2   Om de regionale integratieprocessen te stimuleren en te rechtvaardigen is een bottom-up impuls van de maatschappelijk middenveld onontbeerlijk. En voor de uitvoering van het overheidsbeleid op het gebied van sociale cohesie is de oprichting én versterking van organen voor maatschappelijk overleg noodzakelijk. Met het oog hierop verzoekt het Comité de Commissie om bij de aanpassing van het programma EurosociAL de invoering te overwegen van een programma ter versterking van de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de representatieve instanties of organismen daarvan op regionaal niveau.

4.3   Het Comité staat vierkant achter het streven om een strakker omlijnd, praktischer en beter te controleren en evalueren actieprogramma op te stellen voor het biregionaal strategisch partnerschap. Om dit programma efficiënter te maken is het o.m. raadzaam de vertegenwoordigende organisaties uit het maatschappelijk middenveld van Latijns-Amerika en de EU hierbij te betrekken, zoals het sociaaleconomisch adviesforum van MERCOSUR, het raadgevend comité van de SICA, de adviesraden voor werkgevers en werknemers van de Gemeenschap van Andeslanden, de Adviesraad voor inheemse volkeren van de Andes, het Consumentenforum voor de Andes en andere nog op te richten organen in Chili en Mexico, en het EESC. Al deze instanties kunnen een positieve bijdrage leveren aan het uitwerken van beleid, o.m. op het gebied van sociale cohesie, klimaatverandering, innovatie, migratie en werkgelegenheid, dat tijdens de top kan worden goedgekeurd en deel uitmaakt van de biregionale agenda. Met het oog hierop is het Comité bereid om mee te werken aan het opzetten van een biregionaal mechanisme voor coördinatie van de werkzaamheden van de vertegenwoordigende organisaties van het maatschappelijk middenveld van beide regio's, dat deze bijdragen in de perioden tussen de topbijeenkomsten van de EU en Latijns-Amerika in goede banen kan leiden.

4.4   Het Comité is verheugd over de aangekondigde oprichting van een stichting EU/Latijns-Amerika en Caraïbisch gebied. Deze stichting kan zich dan bezighouden met de voorbereiding, organisatie en eventueel follow-up van topbijeenkomsten en als schakel fungeren tussen de verschillende betrokken actoren en kan aldus een zeer positieve rol spelen. Het Comité zou, als vertegenwoordigende organisatie van het Europees maatschappelijk middenveld bij uitstek, graag betrokken worden bij het bestuur van de toekomstige stichting EU/Latijns-Amerika.

4.5   Zoals naar aanleiding van alle voorgaande topbijeenkomsten al werd gevraagd, zou de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld op zijn beurt tot uiting moeten komen in de associatieovereenkomsten middels de oprichting van gemengde raadgevende comités, de toevoeging van een sociale, arbeidsrechtelijke en milieudimensie aan deze overeenkomsten en de raadpleging van het maatschappelijk middenveld over de impactbeoordeling van dergelijke overeenkomsten.

4.6   Het Comité verzoekt het maatschappelijk middenveld te betrekken bij het strategisch partnerschap tussen Mexico en de EU, zoals dat ook is gebeurd bij het strategisch partnerschap tussen de EU en Brazilië door middel van de oprichting van een rondetafelconferentie tussen de vertegenwoordigende maatschappelijke organisaties.

4.7   Het Comité is van mening dat nauwere samenwerking met de Euro-Latijns-Amerikaanse parlementaire vergadering (EuroLat) noodzakelijk is om het maatschappelijk middenveld daadwerkelijk bij het biregionaal strategisch partnerschap te betrekken. Met het oog hierop zal het een efficiënt systeem voor communicatie met EuroLat opzetten en zal het, in zijn hoedanigheid van waarnemer, namens de maatschappelijke organisaties een bijdrage leveren aan de onderwerpen die op de agenda van dit orgaan staan. Het in par. 4.3 genoemde biregionaal mechanisme voor coördinatie zou hierbij zeer goed van pas komen.

4.8   Op zijn beurt pleit het Comité voor een grotere betrokkenheid van de maatschappelijke en beroepsorganisaties bij de vaststelling en uitvoering van de tweede fase van het programma EurosociAL. Tot slot constateert het Comité dat het op doeltreffender wijze zou kunnen bijdragen tot het Forum voor sociale cohesie als het meer zou worden betrokken bij de voorbereiding en organisatie daarvan.

5.   Sociaaleconomische aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied

5.1   Immigratiebeleid EU/Latijns-Amerika

5.1.1   Gezien de toenemende stroom migranten van Latijns-Amerika naar Europa moet het onderwerp migratie hoog op de agenda van de Euro-Latijns-Amerikaanse dialoog staan. Deze dialoog zou moeten resulteren in overeenkomsten die gericht zijn op de ontwikkeling van een pro-actief migratiebeleid dat migratie langs legale weg mogelijk maakt en een passend integratiebeleid bevordert. Met het oog hierop is het noodzakelijk dat de fundamentele grondrechten van migranten, met name arbeids- en sociale rechten, in acht worden genomen. Ook valt te denken aan afspraken omtrent de erkenning van beroepskwalificaties van immigranten, vereenvoudiging van de procedures voor seizoensmigratie en gezinshereniging voor in de Unie gevestigde immigranten, en akkoorden over het recht van immigranten om deel te nemen aan het politieke leven. Migranten die vanuit de EU naar Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied vertrekken, moeten volgens het wederkerigheidsbeginsel worden behandeld.

5.1.2   Op het gebied van - seizoensgebonden (bepaalde werknemers) of permanente (klassieke emigratie) - migratie zou moeten worden gezocht naar oplossingen om te voorkomen dat werknemers uit de EU die tijdelijk, met het oog op dienstverlening of in verband met bedrijfsinvesteringen, naar Latijns-Amerika worden uitgezonden en omgekeerd twee keer sociale premies moeten betalen, zowel in het land van herkomst als in het land van tewerkstelling. Deze dubbele socialepremieheffing zou kunnen worden vermeden door middel van bilaterale instrumenten die de toepasselijke wetgeving stroomlijnen.

5.1.3   In het geval van klassieke emigratie moet het mogelijk zijn om salarissen, en met name pensioenen, naar het buitenland over te maken. De goedkeuring of invoering van dergelijke mechanismen, die vergelijkbaar zijn met reeds bestaande regelingen op andere terreinen, zowel aan Europese als aan Latijns-Amerikaanse zijde, komt de institutionele betrekkingen ten goede en is gunstig voor emigranten die na hun loopbaan willen terugkeren naar hun land van herkomst en hun pensioen - resultaat van hun arbeid en afdrachten – willen laten overmaken.

5.1.4   Om te voorkomen dat migrantenwerknemers zich genoodzaakt zien om hun gezinnen voor een korte periode te laten overkomen, met ontheemding als gevolg, zou het ook mogelijk moeten zijn om gezinstoelagen over te maken wanneer een werknemer in het ene land werkt en zijn gezin in een ander land woont. Het zou dus mogelijk moeten zijn om rechten te verplaatsen, in plaats van gezinnen, hetgeen positief is voor beide partijen. Als eerste actiepunt zou er dus voor gezorgd moeten worden dat de reeds bestaande of beoogde associatieovereenkomsten tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied socialezekerheidsclausules bevatten die vergelijkbaar zijn met de clausules in de Euromediterrane overeenkomsten (4). Tot slot en gezien het bestaan van een Ibero-Amerikaans multilateraal akkoord op het gebied van sociale zekerheid (5)en van Verordening (EG) nr. 883/2004 zou moeten worden nagegaan of het mogelijk is beide instrumenten te coördineren in het belang van zowel werknemers als bedrijven. Dat zou de economische en sociale betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika kunnen helpen verbeteren.

5.1.5   Het Comité vindt het essentieel dat migratie tussen de EU en Latijns-Amerika gebied een van de prioritaire actiepunten wordt van het volgende EurosociAL II-programma. Ook staat het achter het voorstel van het Europees Parlement om een biregionale waarnemingspost Migratie op te richten.

5.2   Sociale cohesie

5.2.1   De Europese ervaring leert dat het cohesiebeleid verder reikt dan het bestaan van structuurfondsen en een coherente totaalaanpak vergt die een pakket beleidslijnen omvat, dat gaat van macroeconomische stabiliteit tot de bestrijding van discriminatie. Cohesie staat of valt in wezen met nationaal beleid en nationale middelen. Daarom moet Latijns-Amerika zich meer concentreren op het binnenlands beleid: fiscaal beleid, sociale bescherming, actieve bevordering van concurrentievermogen en fatsoenlijk werk.

5.2.2   Er moet een reeks maatregelen worden genomen om de sociale cohesie in de regionale integratieprocessen te bevorderen. Het gaat hierbij om de erkenning van verschillen tussen landen en regio's en om acties op het gebied van infrastructuur, cohesiefondsen, harmonisatie van wetgeving, regelgeving, doeltreffende regelingen voor geschillenbeslechting, harmonisatie van arbeidswetgeving, gemeenschappelijk beheer van migratie, industriebeleid en kaderregelingen voor productiesectoren. Behalve met puur institutionele zaken moet het biregionale partnerschap zich volgens het Comité ook bezighouden met het bevorderen van de sectorale dialoog, om te komen tot een biregionaal actieplan dat integratiebevorderend werkt en de sociaaleconomische convergentie in de regio ten goede komt door het wegwerken van de interne verschillen tussen landen en regio's.

5.2.3   De sterke impuls die uitgaat van een democratisch kader voor arbeidsbetrekkingen, de verbreiding van fatsoenlijk werk, de regularisatie van de grijze economie, sociale bescherming, de collectieve onderhandelingen en de sociale dialoog zijn essentiële factoren voor sociale cohesie. Met het oog hierop verzoekt het Comité vast te leggen dat de sociale partners worden betrokken bij de evaluatie van de eerste ervaringen met EuroSociAL en meehelpen bij het uitwerken en uitvoeren van het vervolg daarvan.

5.2.4   De erkenning van de rechten van de inheemse volkeren, zoals vastgelegd in IAO-conventie 169 van 1989 over inheemse volkeren en stammen in onafhankelijke staten, is cruciaal voor de sociale samenhang.

5.3   Associatieovereenkomsten

5.3.1   Het Comité is van mening dat in deze associatieovereenkomsten, die ingrijpende economische liberaliseringsprocessen op gang brengen, terdege rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen de subregio's van Latijns-Amerika en de EU, zowel om de lopende associatieonderhandelingen te bevorderen als bij te dragen tot de biregionale doelstellingen van sociale cohesie. Daarvoor moeten instrumenten worden gebruikt als evaluatie van duurzaamheid (met dien verstande dat het maatschappelijk middenveld voortdurend moet worden betrokken bij impactbeoordelingsstudies), erkenning van het principe van speciale en gedifferentieerde behandeling van minder ontwikkelde landen, het maken van uitzonderingen en vaststellen van overgangsperiodes voor sectoren waar dat nodig is, een gedifferentieerde aanpak van ontwikkelingssamenwerking en de stimulans van convergentiefondsen.

5.3.2   Het is volgens het Comité van cruciaal belang dat de EU vasthoudt aan haar beleid om de regionale integratieprocessen in Latijns-Amerika te steunen. Zowel de lopende multilaterale onderhandelingen met bepaalde landen als de strategische partnerschappen met weer andere landen moeten ertoe leiden dat regionale akkoorden worden afgesloten en dat de integratieprocessen worden versterkt. Daartoe zouden een strategie en maatregelen zoals genoemd in par. 5.2.2 moeten worden ingezet. Voor het Comité is dit van wezenlijk belang voor het biregionaal strategisch partnerschap en een absolute voorwaarde om van Europa en Latijns-Amerika mondiale partners te maken in multilaterale governance.

5.3.3   Het Comité zou het op prijs stellen als de bepalingen in de associatieovereenkomst tussen de EU en Chili die verwijzen naar de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, verder zouden worden uitgewerkt en zouden worden toegepast. Met het oog hierop dringt het erop aan dat zowel het EESC als de vertegenwoordigende organisaties van het Chileense maatschappelijk middenveld worden geraadpleegd. Ook verzoekt het Comité de Associatieraad van de overeenkomst EU/Mexico een gemengd raadgevend comité op te richten dat voor de follow-up zorgt en overleg pleegt met het maatschappelijk middenveld zoals bedoeld in de overeenkomst.

5.4   Samenwerking

5.4.1   De laatste jaren is er veel moeite gedaan om de ontwikkelingssamenwerking van de EU af te stemmen op de gewijzigde ontwikkelingsagenda, ook die van de landen met een middeninkomen. Hoewel de EU de middelen in eerste instantie moet blijven aanwenden ten behoeve van de armste landen in de regio, vindt het Comité dat de samenwerking met de landen met een middeninkomen toch ook moet worden voortgezet. Deze samenwerking moet op strategische doelstellingen zijn gericht zoals macroeconomische en financiële stabiliteit, institutionele capaciteitsopbouw, doeltreffendheid en doelmatigheid van het overheidsbeleid, belastinghervorming, productiecapaciteit en investeringen in menselijk kapitaal, innovatie en steun aan sociale partners als initiatiefnemers tot institutionele aanpassingen en veranderingen in wetgeving.

5.4.2   Met het oog op het sluiten van associatieovereenkomsten moeten de samenwerkingsprogramma's meer worden aangepast, zodat zij het beleid inzake industriële hervorming en verbetering van het concurrentievermogen ondersteunen; daarbij moet vooral worden gelet op de capaciteit van het MKB, de versoepeling van de handel en de fysieke verbinding met de markten.

5.4.3   Ook belangrijk zijn de versterking van de handelscapaciteit en de bevordering van een gemeenschappelijk beleid op het gebied van regionale integratie, hetgeen de sociale en territoriale cohesie ten goede moet komen en de onderlinge verschillen moet verkleinen. Samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en technologie, via overheidsinstellingen of door middel van stimuleringsprogramma's voor de privésector, kan ondersteuning bieden aan industriële hervorming en aan het nationale O&O&I-beleid.

6.   Innovatie, industriële hervorming en ontwikkeling

6.1   De regeringen van de EU, Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied hebben besloten om innovatie bovenaan de agenda van hun zesde topbijeenkomst te plaatsen. Innovatie is een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste, aanjager van ontwikkeling en is van fundamenteel belang om een langdurige cyclus van aanhoudende economische groei en welzijn mogelijk te maken. Hoewel het nog steeds hoofdzakelijk de industrie is die technische vooruitgang genereert, is innovatie ook steeds vaker terug te vinden in andere sectoren, zoals dienstverlening, landbouw en energievoorziening, met als gevolg dat innovatie ook fundamenteel is voor de stijging van de productiviteit op veel andere gebieden.

6.2   Innovatie is ook een doorslaggevende factor bij twee belangrijke tendensen die de mondialisering van de economie kenmerken: de ontwikkeling van een kenniseconomie en de overgang naar een duurzame economie. Op deze terreinen is de koppeling tussen de mondiale en lokale dimensie van innovatie een absolute voorwaarde.

6.3   Het Comité stelt zijn zusterorganisaties in Latijns-Amerika voor om zich tijdens de zesde bijeenkomst van het maatschappelijk middenveld EU/Latijns-Amerika uit te spreken over het belang van innovatie voor industriële hervorming, ontwikkeling en sociale cohesie, evenals over de verschillende onderdelen van de sociale dimensie van innovatie. Dat is vooral van belang voor de biregionale betrekkingen op een moment dat deze de totstandbrenging van een „netwerk” van partnerovereenkomsten beogen, waaronder ook vrijhandelszones. De ambitieuze doelstellingen van deze overeenkomsten op het vlak van economische liberalisering, die van het type „WTO-plus” worden geacht omdat zij verder gaan dan wat binnen de WTO is overeengekomen, kunnen aanzienlijke kosten met zich brengen die moeten worden aangepakt met een actief beleid voor industriële hervorming en modernisering en verbetering van het concurrentievermogen. In dit beleid moet het opzetten van nationale systemen voor onderzoek, innovatie en ontwikkeling een belangrijke rol spelen.

6.4   De overdracht van technologie is een aspect van bijzonder belang, omdat technologie bepalend is voor het innovatieproces. De hoge eisen die in de associatieovereenkomsten worden gesteld aan de bescherming van intellectuele eigendomsrechten kunnen de overdracht van technologie door Europese investeerders stimuleren of garanderen maar kunnen anderzijds ook, zoals door sommige regeringen in de regio is opgemerkt, een hoge barrière opwerpen voor technologieoverdracht en innovatie. Daarom is het vooral belangrijk dat deze overeenkomsten worden gekenmerkt door een hoge mate van flexibiliteit en door formules die oog hebben voor de belangrijke verschillen tussen beide regio's op dit vlak; dat geldt ook, zoals gezegd, voor de ontwikkelingssamenwerking van de EU.

6.5   De EU beschikt reeds over een groot aantal instrumenten voor samenwerking op het gebied van O&O&I met Latijns-Amerika. Daarbij valt met name te denken aan het 7e kaderprogramma en de samenwerkingsovereenkomsten op het gebied van technologie, die met de meest ontwikkelde landen in de regio zijn gesloten, evenals aan beurzenprogramma's en biregionale academische samenwerking (Albán, ALFA) en aan de programma's die door DG Onderwijs van de Commissie zijn opgezet. Maar tot dusver bestaat er geen enkele overkoepelende strategie waar al deze instrumenten onder vallen en die aan de doelstellingen van biregionaal partnerschap is gelinkt. Het is absoluut noodzakelijk dat de huidige versnippering van instrumenten, vooral binnen de Commissie, wordt tegengegaan en dat erop toegezien wordt dat deze instrumenten bijdragen tot de versterking van de nationale capaciteit op het gebied van O&O&I. Het opzetten van een gemeenschappelijke ruimte voor hoger onderwijs en onderzoek EU/Latijns-Amerika en Caraïbisch gebied, als onderdeel van het biregionaal strategisch partnerschap, en van een agenda voor innovatie en ontwikkeling van beide regio's is in dit verband van groot belang. Samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en technologie kan ondersteuning bieden aan industriële hervorming en aan het nationale O&O&I-beleid.

6.6   Innovatie heeft ook consequenties op andere terreinen die van belang zijn voor de biregionale samenwerking, zoals de verbetering van de levensstandaard en –kwaliteit van de bevolking. Door innovatie gaat de productiviteit van de voedselsector omhoog, hetgeen de voedselvoorziening ten goede komt. Een ander voorbeeld is de toepassing van innovatieve methoden, technieken, producten en diensten in de gezondheidszorg, het onderwijs en de sociale zekerheid. Zo wordt de dienstverlening in deze sectoren toegankelijker gemaakt voor bepaalde delen van de bevolking en wordt discriminatie, die bijv. ontstaat door het gebruik van informatie- en communicatietechnologie, uitgebannen. Een ander voorbeeld van het belang van innovatie voor een betere levenskwaliteit voor de burgers zijn de nieuwe technologieën voor de productie van hernieuwbare energie en voor de verbetering van de energie-efficiëntie en vermindering van de vervuiling door fossiele energie, alsook de technologieën die de problemen in verband met de beschikbaarheid van drinkwater en de woestijnvorming beogen op te lossen.

6.7   De drie pilaren waarop innovatie steunt, zijn: kennis, instanties en bedrijven. Daarom zijn de hoofdrolspelers in het innovatieproces, grosso modo, universiteiten, overheidsinstellingen en productiecentra. Maar innovatie kan ook voortvloeien uit wetenschappelijke of technologische kennis, kennis die van generatie op generatie is overgedragen of kennis door ervaring (de plaatselijke bevolking die de eigenschappen van planten kent of de gekwalificeerde werknemers van een onderneming bijvoorbeeld). Ook wordt, wanneer over instanties wordt gesproken (anders dan marktinstanties), niet alleen gedoeld op overheidsinstellingen en andere publieke organen, maar ook op een ander soort instanties dat innovatie stimuleert, zoals bijv. de instellingen die de arbeidsverhoudingen reguleren. Tot slot heeft innovatie niet alleen betrekking op productie en industrie maar ook op de sociale sector (gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting, defensie, justitie, veiligheid) en het milieu (water, bodem, biodiversiteit, ontbossing enz.).

6.8   Voor een theoretische analyse moet innovatie vanuit een integraal sociaal perspectief worden bekeken en als een systemisch geheel worden beschouwd dat van invloed is op de gehele samenleving, en dus ook op alle onderdelen daarvan, en een hele reeks aspecten omvat, gaande van puur wetenschappelijke of technologische tot sociale en institutionele aspecten. Zo heeft innovatie sinds de jaren negentig ook betrekking op sociaal-culturele en organisatorische aspecten, waarvoor men vóór die tijd nauwelijks oog had. Vanuit historisch oogpunt gaat technologische innovatie gepaard met sociale innovatie of de sociale dimensie van innovatie en vice versa. Het verband tussen sociale innovatie en economische ontwikkeling is duidelijk. De sociale dimensie van innovatie kan dan ook als bijzonder belangrijk worden beschouwd, vooral in gevallen van beginnende structurele ontwikkeling.

6.9   Een ander belangrijk kenmerk van innovatie is de sociale kracht ervan: innovatie kan een sociale band smeden tussen individuen, groepen en instanties met gemeenschappelijke belangen, interesses, doeleinden enz., banden die op hun beurt weer de sociale context tot stand brengen om innovaties te introduceren, te verwerken en te verspreiden.

6.10   Anderzijds dient niet te worden vergeten dat het bestaan van sociale barrières als armoede het innovatieproces in objectieve zin belemmeren. Ten eerste omdat zij ervoor zorgen dat de productiestijging als gevolg van innovatie niet ten volle kan worden benut omdat er onvoldoende vraag is en ten tweede omdat het menselijk kapitaal ontbreekt om het innovatieproces te bevorderen en in goede banen te leiden.

6.11   Bovendien is innovatie het resultaat van een ingewikkelde reeks betrekkingen tussen actoren die verschillende soorten kennis produceren, verspreiden en toepassen. Innovatie vergt in veel gevallen - bijv. in industriële en ontwikkelingscentra en -clusters – een stevige regionale en lokale dynamiek, die niet te verwezenlijken is zonder de inbreng van de organisaties van het maatschappelijk middenveld. Om innovatie centraal te stellen in economische en sociale strategieën moeten er ingrijpende culturele wijzigingen plaatsvinden. Voor ondernemingen betekent innovatie grote en langdurige investeringen. Sociale acceptatie van de veranderingen en arbeidsverhoudingen die gebaseerd zijn op overleg en consensus is hiervoor geboden, evenals een scholingsbeleid voor menselijk kapitaal op alle momenten en alle niveaus, zoals beroepsopleiding en permanente educatie.

6.12   Met het oog op dit advies kan uit het voorgaande maar één conclusie worden getrokken: de sociale dimensie van innovatie is belangrijk. Om het risico dat een technocratische benadering van innovatie met zich zou brengen te vermijden, moet het belang van maatschappelijk overleg in dezen en van de instanties die zulks stimuleren en mogelijk maken worden onderstreept. Dat is van bijzondere betekenis voor het EESC, dat pleit voor wezenlijke betrokkenheid van de sociale partners en hun vertegenwoordigende organisaties bij de voorstellen aangaande menselijk kapitaal en, meer in het algemeen, aangaande het toevoegen van een sociale dimensie aan het actieplan over innovatie dat tijdens de Top zal worden opgesteld.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  De topbijeenkomsten die tot nu toe zijn georganiseerd, vonden plaats in Rio de Janeiro (1999), Madrid (2002), Mexico (2004), Wenen (2006) en Lima (2008).

(2)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: „De Europese Unie en Latijns-Amerika: een partnerschap van wereldspelers” COM(2009) 495/3.

(3)  Zie in verband hiermee de aanbevelingen van het EESC in zijn „Programma voor Europa”: „Er moet voor worden geijverd dat de ontwikkelingslanden meer te zeggen krijgen in de internationale organisaties, m.n. bij het IMF en de Wereldbank” (18.3).

(4)  BESLUIT VAN DE RAAD EN DE COMMISSIE van 24 januari 2000 inzake de sluiting van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (2000/204/EG, EGKS) – PB L 70 van 18-3-2000, blz. 1, artt. 64 t/m 68).

(5)  http://www.oiss.org/IMG/pdf/Convenio_2007_esp.pdf.


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/55


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Marokko

(initiatiefadvies)

(2010/C 347/08)

Rapporteur: Margarita LÓPEZ ALMENDÁRIZ

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 juli 2009 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De betrekkingen tussen de Europese Unie en Marokko.

De afdeling Externe betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 7 januari 2010 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 187 stemmen vóór en 2 tegen, bij 8 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC acht het uitermate belangrijk dat er in Marokko overeenstemming is bereikt over de oprichting van een sociaaleconomische raad (SER) en hoopt dat deze binnen de gestelde termijn het licht zal zien. Er zit schot in de zaak, want de ministerraad heeft in oktober jl. ingestemd met de organieke ontwerpwet voor het nieuwe orgaan, die ter goedkeuring aan het Marokkaanse parlement zal worden voorgelegd. Het is de bedoeling dat de Marokkaanse SER, bestaande uit diverse sociaaleconomische actoren, met name vertegenwoordigers van vakbonden, werkgeversverenigingen en andere maatschappelijke organisaties, binnen enkele maanden met zijn werkzaamheden zal beginnen. Het EESC steunt de oprichting van de SER en wil deze gaarne met raad en daad terzijde staan.

1.2   Op de eerste topontmoeting tussen de EU en Marokko, die tijdens het Spaanse voorzitterschap in het eerste halfjaar van 2010 zal worden gehouden, zouden de staatshoofden het EESC en de toekomstige Marokkaanse SER moeten opdragen tot gestructureerde samenwerking te komen waarmee wordt gewaarborgd dat maatschappelijke organisaties actief inspraak krijgen.

1.3   Het EESC heeft er waardering voor dat Marokko, ook al is het geen lid van de EU, bereid is om het communautaire acquis in zijn wetgeving te verwerken. Marokko zal hierdoor voortaan een grotere rol kunnen spelen op de Europese interne markt. Door de overname van het acquis zouden de overleg- en onderhandelingsorganen (ervan uitgaande dat zij representatief en onafhankelijk zijn) meer effect moeten gaan sorteren. Zij dienen voldoende middelen te krijgen om zich van hun taken te kunnen kwijten. Erkend moet worden dat zij recht hebben op toegang tot de daarvoor benodigde informatie en bestuurlijke documenten.

1.4   Marokko heeft een heel parcours afgelegd om de „gevorderde status” te verkrijgen. Dit is uiteindelijk gelukt met het besluit dat de Associatieraad op 13 oktober 2008 in Luxemburg heeft genomen. Het EESC heeft lof voor de inspanningen die Marokko zich getroost om tot de belangrijkste partners van de EU in de regio te blijven behoren. Zoals ook met andere landen (bv. de lidstaten van de Europese Economische Ruimte) is gebeurd, zou het verkrijgen van genoemde status een prikkel voor de Marokkaanse overheid kunnen betekenen naarmate het land zijn commitment t.a.v. de EU versterkt en het het communautaire acquis op alle gebieden, waaronder sociaal beleid en mensenrechten, onderschrijft.

1.5   Er is bijval voor de veranderingen die Marokko heeft doorgevoerd, maar buiten kijf staat dat er nog heel wat zaken hervormd moeten worden wil Marokko als een ontwikkeld land met alle noodzakelijke garanties worden beschouwd.

1.6   Het EESC is van mening dat de mogelijkheden in de relatie tussen de EU en Marokko nog niet op alle punten voldoende worden benut. Hierbij moet bovenal worden gekeken naar wat in het belang is van de Marokkaanse samenleving. Zo vindt het EESC dat er hervormingen moeten worden aangemoedigd om nieuwe sectoren open te stellen voor de handel in diensten en voor investeringen. Wederzijdse vestiging van bedrijven moet worden gestimuleerd, waarbij het zaak is om de institutionele betrekkingen te faciliteren, een gunstig ondernemingsklimaat te scheppen en ontmoetingsfora te bevorderen. Bij externe initiatieven van gemeenschappelijk belang dient er bilateraal meer te worden samengewerkt, vooral met de overige landen in het Middellandse Zeegebied, in het streven naar verdere regionale integratie op economisch, sociaal en milieugebied.

1.7   Van essentieel belang bij dit alles is participatie van het maatschappelijk middenveld. Zoals eerder opgemerkt is het EESC er in dit verband sterk voorstander van dat er in Marokko een adviserende sociaaleconomische raad in het leven wordt geroepen. Het dringt er bij de Marokkaanse autoriteiten op aan om hierover een openbare raadpleging te houden. Representativiteit, onafhankelijkheid en legitimiteit moeten in dezen als uitgangspunten gelden. Op basis van onze ervaring durven wij te stellen dat het bij de oprichting van dit orgaan cruciaal is om tot een consensus tussen de verschillende betrokken maatschappelijke geledingen en de Marokkaanse overheid te komen en om billijke criteria op te stellen op grond waarvan de in het orgaan te vertegenwoordigen organisaties als representatief kunnen worden beschouwd. Deze organisaties zouden hun afgevaardigden vrij moeten kunnen aanwijzen. Oprichting van een Marokkaanse SER zou in geen geval mogen rechtvaardigen dat bestaande adviesorganen, die reeds aan het raadplegen van het maatschappelijk middenveld deelnemen en ertoe bijdragen dat dit tot wasdom komt, worden opgeheven. De SER zou in principe bevoegd moeten zijn voor alle beleidsterreinen waarop de regering besluiten dient te nemen, ook als het om financiële kwesties gaat.

1.8   Het uiteindelijke doel van de EU moet zijn dat Marokko uitgroeit tot een cruciale strategische partner bij alle huidige en toekomstige aspecten van de EU-betrekkingen met de Euromed-zone.

1.9   Tegen deze achtergrond pleit het EESC voor de totstandbrenging van een Waarnemingspost voor de arbeidsmarkt, een beroepsopleidingssysteem en een socialezekerheidsstelsel waarin vrouwen niet gediscrimineerd worden en kinderarbeid beter wordt bestreden. Ook raadt het EESC de Commissie aan om de sociale partners te ondersteunen teneinde het sociaal overleg te intensiveren en effect te laten sorteren.

1.10   Het EESC betreurt het dat er bij de totstandkoming van de associatieovereenkomst tussen de EU en Marokko niet van tevoren met de sociale partners van beide kanten is overlegd over samenwerking op het gebied van werkgelegenheid en sociale ontwikkeling.

1.11   In deze context heeft het EESC onderhavig advies over Marokko opgesteld. Om te bewerkstelligen dat er in de bilaterale betrekkingen rekening wordt gehouden met het maatschappelijk middenveld, stelt het EESC voor dat er ten behoeve van de dialoog tussen maatschappelijke organisaties uit de EU en Marokko een nieuwe structuur wordt gecreëerd.

2.   Motivering

2.1   Marokko is een bevoorrechte partner van de EU. Het onderschrijft de doelstellingen van het externe EU-beleid, die erop gericht zijn om de democratie en de economische en sociale ontwikkeling te bevorderen. Om deze doelstellingen te halen, ijvert de Marokkaanse regering voor versterking van de democratie en de rechtstaat, gebieden waarop Marokko in de regio al vooroploopt.

2.2   Doel van de EU-strategie voor Marokko is om de twee uitdagingen aan te gaan die bovenaan de politieke, economische en sociale agenda van het land prijken. Ten eerste is het zaak dat de economische groei aanhoudt en dat werkloosheid, armoede en emigratie worden tegengegaan. Ten tweede is het op extern vlak de bedoeling dat de associatieovereenkomst, het Europees nabuurschapsbeleid en de actieplannen volledig ten uitvoer worden gelegd.

2.3   De ad-hocwerkgroep EU-Marokko heeft gepleit voor nauwere banden tussen nieuwe hoofdrolspelers in de toenadering tussen de EU en Marokko, met name tussen het Europees Parlement en het Parlement van Marokko (1), en tussen het Europees Economisch en Sociaal Comité en de binnenkort in te stellen Sociaaleconomische Raad van Marokko.

3.   Politieke situatie

3.1   Marokko is een constitutionele monarchie. De koning heeft er zeer uitgebreide bestuurlijke bevoegdheden. Overeenkomstig de huidige, van 1970 daterende grondwet, die in 1991 en 1996 is gewijzigd, kent Marokko een uit twee kamers bestaand parlementair systeem, is een éénpartijstelsel uitdrukkelijk verboden en is de vrijheid van vereniging gewaarborgd.

3.2   Enkele jaren geleden is er in Marokko een proces op gang gebracht om 's lands politieke systeem te moderniseren en democratischer te maken. In dit verband zij gewezen op de vaststelling van een nieuwe gezinswet, de wet op politieke partijen, de versterking van de lokale democratie, de hervorming van justitie en gevangeniswezen en het voorstel voor een nieuwe kieswet. Ondanks de geboekte vooruitgang is het EESC van mening dat de uitdagingen op sociaal gebied nog enorm zijn en dat de inspanningen met het oog op de sociale herverdeling op lange termijn moeten worden voortgezet en samenhangend moeten zijn, zodat een aanpassing van de indicatoren voor menselijke ontwikkeling mogelijk wordt.

4.   Economische situatie

4.1   Ondanks het niet erg gunstige klimaat slaagt Marokko erin om zijn macro-economische kader verder kracht bij te zetten. De toeristische sector bv. neemt de laatste jaren een hoge vlucht met grootscheepse investeringen, vooral in het noorden van het land. Ook wordt een stevige agrarische hervorming doorgevoerd, bedoeld om de productiviteit van de landbouw op te voeren en deze sector een grotere rol te geven in de strijd tegen armoede.

4.2   Wat concurrentievermogen en het aantrekken van investeringen betreft kan er nog heel wat verbeteren, maar de rechtstreekse buitenlandse investeringen zijn aanzienlijk toegenomen; zij beliepen in 2006 een bedrag van 29 en een kwart miljard USD (2), hoofdzakelijk dankzij privatiseringen. Sinds 2006 staan de buitenlandse investeringsstromen steeds meer los van het privatiseringsproces en wordt er fors geïnvesteerd in bv. toerisme, onroerend goed, telecommunicatie, het verzekeringswezen, de banksector, de industrie en de vervoerssector.

4.3   De Marokkaanse economie is tamelijk gediversifieerd, waarbij de dienstensector een belangrijk en steeds groter aandeel heeft in het BBP (3). De be- en verwerkende industrie staat op de tweede plaats wat BBP-aandeel betreft, gevolgd door de landbouw (4), waarvan het aandeel geleidelijk kleiner wordt. De bijdrage van de mijnbouw- en energiesector aan het BBP is nog steeds bescheiden.

4.4   Belangrijkste deviezenbron voor Marokko is het toerisme. Daarna komen geldovermakingen door Marokkanen in het buitenland en vervolgens de uitvoer van fosfaat. De inkomsten uit de export van diensten (5) komen overeen met ruim 80 % van die van de goederenuitvoer. Steeds meer Europeanen kiezen voor Marokko als vakantiebestemming of zelfs als woonplaats.

4.5   De macro-economische en structurele hervormingen van de afgelopen jaren hebben geholpen om de Marokkaanse economie verder te diversifiëren en over het algemeen goede resultaten te boeken. Dergelijke hervormingen moeten op middellange en lange termijn geconsolideerd worden door beter bestuur, toepassing van transparante mededingingsregels en een doeltreffend beleid ter bescherming van consumenten en gebruikers. In de periode 2002-2007 groeide het Marokkaanse BBP reëel met gemiddeld 4,5 % per jaar (6), mede dankzij een dynamische interne vraag en een significante stijging van het investeringscijfer. In 2008 groeide de Marokkaanse economie zelfs met 5,8 %, ondanks een zekere vertraging die te wijten was aan de kleinere externe vraag als gevolg van de internationale economische en financiële crisis, en aan de stijging van de prijzen, met name de olieprijzen.

4.6   De landbouwsector speelt in de sociaaleconomische ontwikkeling van Marokko een doorslaggevende rol, die zijn reële aandeel in het BBP (7) overstijgt. De sector verschaft werk aan 44 % (8) van de beroepsbevolking en op het platteland zelfs aan 80 % daarvan, vanwege het gebrek aan economische diversifiëring aldaar.

De landbouw blijft een sector die sterk afhankelijk is van het klimaat, als gevolg van een onderontwikkelde watervoorzieningsinfrastructuur. Bovendien heeft de sector zich nauwelijks gemoderniseerd: hij bestaat voor het merendeel (75 %) uit kleine bedrijven, met gebrekkig materieel, achterhaalde productiemethoden en laaggeschoold personeel. Desalniettemin valt er de laatste jaren een verbetering te bespeuren, deels dankzij inspanningen van de regering, deels door de komst van buitenlandse investeerders. Momenteel bestaat de resterende 25 % uit grote, moderne landbouwbedrijven op geïrrigeerde landbouwgrond, die duidelijk op de export zijn gericht en 80 % van de citrusvruchten produceren, 35 % van de groenten en 15 % van het graan. Feitelijk zijn er 400 à 500 producenten van belang: grote exportproducenten, de Marokkaanse regering en enkele landbouwcoöperaties.

Opleiding, technische ondersteuning en onderzoek moeten basisbestanddelen van het toekomstige Marokkaanse landbouwbeleid vormen. Om de Marokkaanse landbouw concurrerender te maken, dient er een dynamischere afzetstrategie te worden uitgewerkt. Ook is er behoefte aan nieuwe structurele maatregelen en prikkels om het werk van vrouwen de nodige waardering te geven en om te bevorderen dat mensen zich aaneensluiten, zodat de ondernemingsgeest, die ook in de landbouw noodzakelijk is, wordt aangemoedigd.

4.7   Coöperaties en andere producentenorganisaties kunnen onderdeel uitmaken van deze nieuwe strategie. Zij zouden moeten worden omgevormd tot instrumenten waarmee de producenten het aanbod kunnen concentreren en hun marktpositie kunnen verbeteren. Het voorbeeld van de Marokkaanse zuivelcoöperatie COPAG laat zien hoe toegevoegde waarde kan worden geschapen en de ondernemingszin onder producenten (de zwakste schakel in de keten) kan worden gestimuleerd als zij zich in coöperaties aaneensluiten.

4.8   Daarnaast heeft Marokko in april 2008 het zgn. Groene Plan gepresenteerd, dat erop gericht is om de Marokkaanse landbouw te ontwikkelen met steun van buitenlandse particuliere investeerders. Hierin wordt een interessante nieuwe strategie voor de landbouw in de Maghreb ontvouwd; een voorbeeld van een mentaliteitsverandering. Met dit plan wordt beoogd om de landbouw in een periode van 10 à 15 jaar door middel van forse overheidsinvesteringen om te vormen tot de drijvende kracht achter de nationale economie. Twee hoofddoelstellingen staan daarbij centraal: een moderne landbouw met een hoge toegevoegde waarde, en inkomensverbetering voor kleine boeren. Het plan voorziet in de privatisering van 700 000 hectare grond waarop momenteel graan wordt verbouwd, om deze te bestemmen voor de meer intensieve groenten- en fruitteelt, door een veelvuldiger gebruik van irrigatie. In het komende decennium zal Marokko via het Landbouwontwikkelingsagentschap ca. 150 miljoen dirham voor de toepassing van de maatregelen uit zijn Groene Plan vrijmaken. Hiervoor worden 700 à 900 projecten voor een bedrag 10 à 15 miljoen dirham per jaar voorgesteld.

4.9   Marokko is een middeninkomensland. In 2008 bedroeg het BBP per hoofd van de bevolking er 2 580 USD (9), wat neerkomt op vrijwel een verdubbeling t.o.v. 2002.

4.10   In november 2009 kwam het inwonertal van Marokko boven de 31 650 000 uit. Gemiddeld groeit de bevolking ieder jaar met 1,2 % (9). De stedelijke bevolking blijft toenemen en is goed voor 56,4 % van het totaal. In 2008 bestond de beroepsbevolking uit 11,5 miljoen zielen (10), d.w.z. 0,7 % meer dan in het jaar daarvoor, terwijl de participatiegraad lichtjes daalde naar 36,8 % t.o.v. 36,9 % in 2007.

4.11   Werkloosheid is nog steeds een van de grootste problemen van het land. Het werkloosheidscijfer bedraagt 14,1 % in de steden en 4,7 % in landelijke gebieden. Over het geheel genomen zat 9,4 % van de beroepsbevolking (personen van 15 jaar en ouder) in 2008 zonder baan (11), wat neerkomt op 1 077 800 mensen. Het gemiddelde loon op het platteland ligt in Marokko tussen de 0,55-0,65 euro per uur voor een 9-urige werkdag (12). De rechten van seizoenarbeiders worden op geen enkele wijze beschermd en in Marokkaanse broeikassen is kinderarbeid schering en inslag.

4.12   De economie van Marokko heeft tot op heden nog geen grote klappen gehad van de internationale financiële crisis. Dit komt vooral doordat de Marokkaanse financiële sector weinig geïntegreerd is in de internationale financiële sector. Toch kan men er niet omheen dat de internationale economische crisis reeds van invloed is op een aantal essentiële economische sectoren, zoals de onroerendgoedsector, het toerisme, de textielsector, de auto-industrie en de export. Ook heeft de crisis haar weerslag op buitenlandse investeringen en geldovermakingen uit het buitenland, in die zin dat er minder geld dan voorheen naar Marokko wordt overgemaakt, wat zou kunnen betekenen dat de crisis zich er langer zal doen gevoelen.

4.13   Marokko komt in een studie uit de bus als het op twee na beste Afrikaanse land voor rechtstreekse buitenlandse investeringen in 2009-2010, na Zuid-Afrika en Egypte (13). Volgens deze studie heeft Marokko goede resultaten geboekt in verscheidene categorieën, zoals infrastructuur, de aanpak van rechtstreekse buitenlandse investeringen en economisch potentieel. De trends qua investeringsstromen zien er goed uit, maar het blijft zaak om het ondernemingsklimaat kritisch tegen het licht te houden. Wel is er vorig jaar een algemene wet over bedrijfsbestuur en een specifieke wet voor het midden- en kleinbedrijf goedgekeurd, en zijn er decreten uitgevaardigd voor de manier waarop de wijzigingen op de wet inzake naamloze vennootschappen moeten worden doorgevoerd. In oktober 2008 is ingestemd met het wetsontwerp betreffende de oprichting van het Marokkaans agentschap voor de ontwikkeling van investeringen (AMDI).

4.14   De Marokkaanse overheid heeft geijverd voor de invoering van het Euromediterraan bedrijvenhandvest, waarin overleg, consensus en kwaliteit hoog in het vaandel staan. Er bestaan diverse instellingen die particuliere ondernemingen (vooral uit het mkb) helpen bij investeringen, en de toegang tot krediet wordt bevorderd via de Centrale Garantiekas (CCG).

4.15   Ondanks alles blijven de vooruitzichten (14) voor de Marokkaanse economie bemoedigend. Marokko wordt momenteel tegen de wereldwijde financiële onrust beschermd doordat zijn buitenlandse schuld relatief klein is en zich over een lange periode uitstrekt, en doordat het zijn macro-economische beleid heeft versterkt. Naar verwachting zal de economische groei op middellange termijn vrij fors blijven en zal er een overschot blijven op de lopende rekening van de betalingsbalans, hoewel er op middellange termijn een klein tekort zou kunnen optreden. De Marokkaanse regering gaat voor 2009 uit (15) van een groei van het reële BBP met 5,8 % (15 % groei in de agrarische sector (16) en 4,1 % elders). De economische autoriteiten van het land zijn vastbesloten om de in de afgelopen jaren ingezette consolidering van de begroting voort te zetten en het beoogde doel te bereiken, nl. dat het primaire begrotingstekort op middellange termijn onder de 3 % van het BBP blijft.

5.   Sociale situatie

5.1   De werkloosheid beliep in 2008 9,4 % (11), ook al zijn er het voorbije jaar 310 000 banen gecreëerd, hoofdzakelijk in de bouw en de dienstensector. In de eerste drie maanden van 2009 zijn er netto 40 000 arbeidsplaatsen bijgekomen: op het platteland verdwenen er 36 000, maar in de steden werden 76 000 nieuwe banen geschapen. Nader bekeken valt op dat het aantal banen alleen toenam in de dienstensector en de sector openbare werken (plus 5,9 %), terwijl er elders verliezen werden opgetekend: van 4,5 % in de industrie tot 1,4 % in de landbouw en visserij.

5.2   Het meest zorgwekkend in dit verband is de hoge werkloosheid onder jongeren (17), met inbegrip van jonge academici. Dit werkt een braindrain in de hand. Tevens moet worden benadrukt dat de arbeidsmarkt wordt gedomineerd door de landbouwsector, met een aanzienlijk grijs circuit. Ook bestaat er een informele economie, gebaseerd op zwartwerk. Vanwege de vorige bevolkingsexplosie is het voor Marokko bovendien erg moeilijk om arbeidskrachten een plaats te geven op de arbeidsmarkt.

5.3   Deze werkloosheidscijfers werken rechtstreeks door op de financiële situatie van huishoudens, omdat socialebeschermingsstelsels (werkloosheidsverzekering, ziektekosten, pensioenen, enz.) nog steeds tekortschieten.

5.4   De EU blijft de voornaamste bestemming van Marokkaanse arbeidsmigranten, al neemt de migratie onder invloed van de economische crisis af. Legale en illegale emigratie moeten goed van elkaar worden onderscheiden. Voor illegale migranten zijn de opvangomstandigheden veel moeilijker. Verder komt ook de uitwisseling van professionals tussen de EU en Marokko steeds vaker voor.

5.5   De arbeidsdeelname van vrouwen is nog altijd laag. Onder mannen is de participatiegraad ca. 80 %, en onder vrouwen 21 % in de steden en 33 % op het platteland (18). Wat de indicatoren voor sociale ontwikkeling betreft, scoren vrouwen op alle terreinen lager dan mannen, behalve op het vlak van levensverwachting. Het gaat dan om het soort werk, het beroepsstatuut, het verantwoordelijkheidsniveau, de lonen in de particuliere sector, het werkloosheidscijfer en de mate van sociale bescherming.

5.6   Er moet uitgebreider onderzoek worden gedaan naar werkgelegenheid en sociale zaken, teneinde een institutioneel kader tot stand te brengen waarmee het mogelijk wordt om actieve maatregelen en overheidsdiensten op het gebied van werkgelegenheid tot stand te brengen, arbeidsmarkttoezicht uit te oefenen om het grijze circuit, de informele sector en zwartwerk te bestrijden, investeringen in menselijk kapitaal en inzetbaarheid op te voeren, de sociale bescherming en sociale integratie te verbeteren, en regelingen te treffen om discriminatie bij de aanwerving van personeel tegen te gaan.

5.7   Voor het leeuwendeel van de Marokkaanse werknemers schiet de sociale zekerheid tekort, wat in veel gezinnen tot dramatische toestanden leidt. De regering is zich hiervan bewust en heeft de politieke wil om hieraan iets te doen. De Marokkaanse autoriteiten hebben toegezegd meer te gaan controleren of alle aangeworven werknemers wel gedekt zijn door het socialezekerheidsstelsel. In dit licht maken de Arbeidsinspectie en de „Nationale socialezekerheidskas” zich er sterk voor om de dekking voor de werknemers te verbeteren. Dat neemt niet weg dat de Marokkaanse regering meer zal moeten investeren in gezondheidszorg en ziektekostendekking, teneinde de toegang van de Marokkaanse burgers tot het openbare gezondheidszorgstelsel te verbeteren.

5.8   Er wordt een tripartiet plan ontwikkeld om vast te stellen in hoeverre Marokkaanse ondernemingen zich aan de arbeidswetgeving van hun land houden. Voorts worden er in het kader van de sociale wetgeving van Marokko vorderingen gemaakt met de certificering van bedrijven die de arbeidsnormen daadwerkelijk in acht nemen.

5.9   Enige tijd geleden werden de eerste stappen gezet naar de oprichting van een centraal forum van maatschappelijke organisaties, dat echter niet echt representatief was. Thans heeft de regering van Marokko toegezegd om voor het eind van 2009 een sociaaleconomische raad in het leven te roepen. De officiële oprichting heeft echter nog niet plaatsgevonden, hoewel zo'n raad al sinds 1997 in de Marokkaanse grondwet wordt genoemd. Het EESC hoopt dat het pluralistische karakter van de maatschappelijke organisaties tot uitdrukking komt in de samenstelling van de Marokkaanse SER. Sociaaleconomische raden kunnen immers pas doeltreffend zijn als hun representativiteit op basis van duidelijke en faire criteria is verzekerd en als zij onafhankelijk kunnen werken en daarvoor voldoende middelen krijgen. Het bestaan van een sociaaleconomische raad is niet in tegenspraak met de rol die gespeeld wordt door andere adviesorganen die er momenteel in Marokko bestaan, maar vult die juist aan.

5.10   De meest representatieve werkgeversorganisatie is het Algemeen Verbond van Marokkaanse Ondernemingen (CGEM). Ook de Kamer van Koophandel en Fabrieken vervult een belangrijke rol bij de ondersteuning van ondernemingen, onderwijs, opleiding, bedrijfsdienstverlening en internationalisering. De Marokkaanse Vereniging van Vrouwelijke Ondernemers (AFEM), die op nationaal niveau meer dan 350 leden telt, probeert de rol van vrouwen in het bedrijfsleven aan te moedigen en beschikt ook over regionale organisaties. De vereniging „Maroc Entrepreneurs” helpt jongeren bij vakopleidingen en het opzetten van een eigen bedrijf.

5.11   De belangrijkste vakbonden zijn de Unie van Marokkaanse Werknemers (UMT), het Democratisch Arbeidsverbond (CDT), de Algemene Bond van Werknemers van Marokko (UGTM), de Democratische Arbeidsfederatie (FDT) en het Nationaal Verbond van Marokkaanse Werknemers (UNTM). Ook moet worden gewezen op het Nationaal Verbond van Marokkaanse Landbouwcoöperaties (UNCAM).

5.12   De Marokkaanse regering heeft het arbeidsrecht hervormd, maar er moet nog breder naar gestreefd worden om de inachtneming van werknemersrechten te verbeteren. Daarbij is het zaak dat de desbetreffende IAO-verdragen, met name verdrag 87 inzake vakbondsvrijheid, worden geratificeerd.

5.13   Een van de grootste uitdagingen voor de verdere ontwikkeling van het land blijft de verbetering van het onderwijsstelsel en de alfabetiseringsgraad. Het Marokkaanse ministerie van Onderwijs heeft in september 2008 een noodplan gepresenteerd om ervoor te zorgen dat meer meisjes in landelijke gebieden naar school gaan en om alle leerplichtige kinderen daadwerkelijk gelijke toegang tot onderwijs te verschaffen. Het gebrek aan gekwalificeerde arbeidskrachten is een van de knelpunten bij het oprichten van een bedrijf in Marokko. Er is vooral een tekort aan middelbaar technisch personeel.

5.14   Er wordt geprobeerd om de Marokkaanse hogeronderwijs-, onderzoeks- en beroepsopleidingstelsels beter te doen aansluiten op de Europese Ruimte voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en beroepsopleiding. Dit zal ertoe bijdragen om de kwalificaties van Marokkaanse studenten en hun kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren. De beroepsvaardigheden en de personeelsbehoeften van bedrijven dienen beter op elkaar te worden afgestemd. Tevens zou het goed zijn om bedrijfsstages te bevorderen via overeenkomsten tussen de universiteit en werkgeversorganisaties zoals het CGEM en de kamers van koophandel.

5.15   Gezien de „gevorderde status” van Marokko wijst het EESC op de noodzaak van regelingen betreffende wederzijdse erkenning van academische titels tussen de EU en Marokko. Het hoge aantal werkloze academici behoort tot de grootste problemen van het land.

5.16   De samenwerking met de EU voorziet in de oprichting van een werkgroep (19) bestaande uit vertegenwoordigers van Europese en Marokkaanse ondernemingsbonden en werkgeversorganisaties. Deze groep moet de Associatieraad regelmatig informeren over belemmeringen voor handel en investeringen. Ook vakbondsafgevaardigden zouden in deze groep kunnen participeren.

5.17   De hervormingen met het oog op een democratischere samenleving hebben geresulteerd in een nieuwe kieswet die de deelname van vrouwen ten goede komt, in corruptiebestrijdingsmaatregelen en in een strategisch actieplan dat gelijke behandeling van vrouwen en mannen institutionaliseert. De Marokkaanse regering heeft in dit verband weliswaar meegedeeld dat zij haar voorbehoud bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen heeft laten varen, maar moet de desbetreffende instrumenten bij de Verenigde Naties nog neerleggen (20).

5.18   In november 2008 heeft het ministerie van Sociale ontwikkeling, Gezinszaken en Solidariteit het startschot gegeven voor zijn zesde campagne ter bestrijding van seksegebonden geweld. Hierdoor zijn er op het speciale telefoonnummer dat hiervoor is geopend meer aangiften van geweld tegen vrouwen gedaan. Dat neemt niet weg dat er nog steeds te weinig opvangcentra voor slachtoffers zijn. En door aanhoudende problemen bij de toepassing van de gezinswet is het wetsontwerp om gendergeweld strafbaar te stellen ook nog niet goedgekeurd (21).

5.19   Het armoedecijfer is gedaald naar 9 % (6), wat nog altijd betekent dat er ruim twee miljoen armen zijn, hetgeen in sociaal opzicht zorgwekkend blijft. Armoedebestrijding behoort dan ook tot de voornaamste uitdagingen waarvoor het land zich gesteld ziet. De eerder genoemde stijging van het BBP per hoofd volstaat niet om de armoede een halt toe te roepen, omdat zij onevenwichtig is verdeeld en voor de bevolking niet de verhoopte stijging van het levenspeil heeft opgeleverd. Armoede kan het best worden aangepakt door de economische groei op te voeren en de productiviteit te verbeteren en tegelijkertijd op de bres te gaan staan voor de onlosmakelijk verbonden economische, sociale, culturele en milieurechten van de mens, want anders zal het niet lukken om de rijkdom beter te verdelen. Tevens is er behoefte aan betere coördinatie van de diverse armoedebestrijdingsprogramma's die internationale organisaties zoals de VN en de Wereldbank in Marokko op touw hebben gezet.

5.20   Een ander belangrijk punt van zorg betreft de illegale emigratie naar de EU. Twee miljoen Marokkanen verblijven legaal in een van de EU-lidstaten, maar naar schatting zouden er daarnaast nog eens een miljoen illegale Marokkanen in de EU wonen. Voorts is Marokko een doorgangsland voor illegale emigranten uit sub-Sahara-Afrika die naar de EU willen. Momenteel onderhandelen de EU en Marokko over een overnameovereenkomst.

6.   Betrekkingen Europese Unie – Marokko

6.1   De eerste overeenkomsten tussen de EU en Marokko dateren van 1969 en 1976. Daarna volgde, reeds in het kader van het in 1995 opgestarte Barcelonaproces, de ondertekening van de associatieovereenkomst tussen de EU en Marokko, die in 2000 in werking trad. In juli 2005 werd als onderdeel van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) het Actieplan EU-Marokko goedgekeurd, met een looptijd van vijf jaar (22). De huidige relatie met Marokko wordt vormgegeven binnen de Unie voor het Middellandse Zeegebied.

6.2   Het rechtskader voor de betrekkingen tussen de EU en Marokko is vastgelegd in de associatieovereenkomst. Op grond daarvan wordt er gestreefd wordt naar een vrijhandelszone en naar een bijzondere samenwerkingsband op politiek, economisch, sociaal, wetenschappelijk en cultureel gebied.

6.3   Het strategische kader voor de EU-steunverlening aan Marokko in de periode 2007-2013 is vastgelegd in het landenstrategiedocument, waarin staat dat de samenwerking wordt toegespitst op de volgende terreinen:

ontwikkeling van beleidsmaatregelen op sociaal gebied;

economische modernisering;

institutionele ondersteuning;

goed bestuur en bevordering van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

milieubescherming.

6.4   Binnen de strategische samenwerking tussen de EU en Afrika speelt Marokko een belangrijke rol in het politieke overleg tussen de EU en Afrika, omdat het land hoofdverantwoordelijk is voor het opzetten van de samenwerking op het vlak van klimaatverandering.

6.5   In oktober 2008 hebben de EU en Marokko in het kader van de associatieovereenkomst een gezamenlijk document ondertekend waarmee beoogd wordt de bilaterale banden aan te halen met het oog op het verkrijgen van de „gevorderde status”, zodat de politieke betrekkingen kunnen worden geïntensiveerd en meer werk kan worden gemaakt van internemarktintegratie, sectorale samenwerking en de menselijke dimensie.

6.6   De EU blijft de belangrijkste handelspartner van Marokko, want meer dan de helft (23) van wat het land importeert komt uit de EU, terwijl zijn uitvoer voor bijna driekwart (24) naar de EU gaat. Wat de afzonderlijke lidstaten betreft, betrekt Marokko het meest uit Frankrijk, Spanje het Verenigd Koninkrijk, Italië en Duitsland (in die volgorde). Voor de uitvoer van Marokko geldt hetzelfde.

6.7   Bekijkt men welke producten er tussen de EU en Marokko worden verhandeld, dan valt op dat er geleidelijk meer variatie in de Marokkaanse invoer komt. In de loop van het voorbije decennium is het aantal verschillende Europese producten dat door Marokko wordt gekocht fors toegenomen. Marokko importeert uit de EU vooral textiel, petroleumgas en andere koolwaterstoffen, diverse machines en apparatuur, en chemische producten.

6.8   De Marokkaanse export naar de EU is minder veelsoortig, want het gaat daarbij voor meer dan de helft om confectieartikelen en gebreide kleding (ruim een derde van het totaal), elektronicaonderdelen, schaal-, schelp- en weekdieren en elektriciteitssnoeren en -kabels.

6.9   Bij de huidige onderhandelingen wordt de toestand waarin bepaalde gevoelige sectoren verkeren in aanmerking genomen en is voorzien in asymmetrische afspraken en stapsgewijze implementatie. Het gaat vooral om de liberalisering van de handel in diensten en het vestigingsrecht, alsmede om de liberalisering van de handel in landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten en visserijproducten.

6.10   De Europese landbouw wordt sterk getroffen door de huidige economische crisis, die de boereninkomens heeft doen kelderen (in 2009 met ca. 12,2 %, volgens Eurostat). De nieuwe handelstoezeggingen die aan Marokko zijn gedaan in zeer gevoelige sectoren zoals de groenten- en fruitteelt, die in Europa vrijwel geen steun krijgt, maken de economische toestand er voor tal van Europese landbouwbedrijven nog moeilijker op. De sector groenten en fruit wordt bij de openstelling van de handel tussen de EU en Marokko als pasmunt gebruikt ten gunste van andere economische activiteiten. Dit heeft rampzalige gevolgen en bedreigt de toekomst van de producenten en de ontwikkeling van grote delen van Europa. Via aanvullende steun dienen er dan ook daadwerkelijke compensaties te komen teneinde het concurrentievermogen in deze gebieden te verbeteren.

Het EESC vindt het zorgwekkend dat de EU en Marokko onlangs hebben afgesproken om hun handelsbetrekkingen op landbouwgebied in het kader van de Associatieovereenkomst te herzien terwijl de vigerende overeenkomst stelselmatig aan de laars wordt gelapt. Het gaat hierbij om de niet-betaling van de vastgestelde douanetarieven en de niet-naleving van de contingenten. Er is verzuimd nieuwe mechanismen vast te stellen of bestaande mechanismen aanzienlijk te verbeteren teneinde te garanderen dat beide partijen de door hen onderschreven bepalingen ook daadwerkelijk eerbiedigen.

6.11   Waar het gaat om rechtstreekse investeringen door EU-landen (25) zij opgemerkt dat Frankrijk (26) de grootste investeerder is in Marokko, gevolgd door Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland (27). Er wordt het meest geïnvesteerd in toerisme, onroerend goed, telecommunicatie, het verzekeringswezen, de banksector, de industrie en de vervoerssector.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  De parlementaire samenwerking zal worden geïntensiveerd door onder meer de oprichting van een gemengde parlementaire commissie van het Europees Parlement en het Marokkaanse parlement, waarin van Marokkaanse zijde wordt deelgenomen door beide kamers, en dus niet alleen de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

(2)  Bron: UNCTAD – FDI/INC Database.

(3)  Ongeveer twee derde.

(4)  Inclusief veeteelt, bosbouw en visserij.

(5)  Deze zijn in de periode 2002-2006 meer dan verdubbeld.

(6)  Bron: Internationaal Monetair Fonds (IMF).

(7)  De landbouwsector vertegenwoordigde 13 % van het BBP in 2008. Bron: FAO.

(8)  13 734 506 personen (incl. landbouw, bosbouw en visserij). Bron: FAO.

(9)  Bron: Wereldbank – World Development Indicators.

(10)  Bron: IAO - LABORSTA (databank voor werkgelegenheidsstatistieken) volgens een arbeidskrachtenenquête.

(11)  Bron: IAO - LABORSTA (databank voor werkgelegenheidsstatistieken).

(12)  Bron: Marokkaanse nationale landbouwfederatie (UMT).

(13)  Volgens een studie van FDI Intelligence, onderdeel van de Britse persgroep The Financial Times.

(14)  Volgens gegevens van het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

(15)  Ramingen van het Marokkaanse ministerie van Economie en Financiën.

(16)  Inclusief visserij en bosbouw.

(17)  Volgens gegevens van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) ligt de werkloosheid onder jongeren zeven procentpunten hoger dan de gemiddelde werkloosheid onder de beroepsbevolking. 39 % van alle werklozen zijn jongeren.

(18)  Bron: Voortgangsverslag Marokko – document SEC(2009) 520/2 van 23 april 2009.

(19)  Opgenomen in het gezamenlijke document van de EU en Marokko over de versterking van de bilaterale betrekkingen/Gevorderde status - DG E V, doc. 13653/08, blz. 6.

(20)  Volgens het Voortgangsverslag Marokko – document SEC(2009) 520/2 van 23 april 2009.

(21)  In voorbereiding sinds 2006.

(22)  Er zijn tot op heden drie voortgangsverslagen gepubliceerd, nl. in december 2006, april 2008 en april 2009.

(23)  Van de Marokkaanse import komt 51,4 % uit de EU.

(24)  Van de Marokkaanse uitvoer gaat 71,9 % naar de EU.

(25)  Bron: Office des Changes - financieringsstromen – Regering van Marokko.

(26)  In de periode 2002-2008 beliepen de Franse investeringen in Marokko een bedrag van ruim 53 miljard dirham.

(27)  In dezelfde periode investeerde Spanje er voor meer dan 35 miljard dirham en het Verenigd Koninkrijk en Duitsland elk voor meer dan 6 miljard dirham.


III Voorbereidende handelingen

Europees Economisch en Sociaal Comité

460e plenaire zitting op 17 en 18 februari 2010

18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/62


460e PLENAIRE ZITTING OP 17 EN 18 FEBRUARI 2010

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen en het gebruik van biociden

(COM(2009) 267 definitief — 2009/0076 (COD))

(2010/C 347/09)

Rapporteur: de heer BIOT

De Raad heeft op 17 juli 2009, overeenkomstig artikel 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen en het gebruik van biociden.

COM(2009) 267 final – 2009/0076 (COD).

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 februari 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) onderstaand advies met 180 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité is voorstander van de vervanging van de huidige richtlijn door een verordening die tot harmonisering leidt bij het op de markt brengen van biociden, aangezien ze rechtstreeks van toepassing is in de lidstaten.

1.2   De Commissie heeft pogingen gedaan om de Europese biocidewetgeving gelijk te schakelen met de REACH-verordening inzake chemische stoffen en is van mening dat in de nieuwe verordening de vereisten inzake de te verstrekken gegevens op één lijn moeten worden gebracht, in lijn met Richtlijn 88/379/EEG en artikel 14, lid 2 van de REACH-verordening.

1.3   Het Comité is ingenomen met de veranderingen in de kaderformuleringen, waardoor er binnen een groep biociden eenvoudiger variaties in de samenstelling kunnen worden ontwikkeld en op de markt gebracht. Toch dient verduidelijkt te worden hoe ver de flexibiliteit in de samenstelling kan gaan, zowel wat de werkzame stoffen als de inerte bestanddelen in de biociden betreft.

1.4   De Commissie heeft het Europese agentschap voor chemische producten (ECHA) slechts een coördinerende rol toebedacht. Toch zou ECHA zich meer kunnen laten gelden om de toelatingsprocedures voor biociden op zowel communautair als nationaal niveau efficiënter te helpen maken. Het Comité vraagt zich echter wel af of het agentschap tijdig over voldoende middelen kan beschikken om zijn taken uit te voeren, nu ook biociden tot zijn werkterrein gaan behoren.

1.5   Het Comité pleit ervoor om vast te houden aan het principe van risicobeoordeling van geval tot geval overeind te houden bij besluiten over de toelating van de werkzame stoffen in de „Lijst van werkzame stoffen met eisen voor opneming in biociden” in bijlage I van het voorstel. Het Comité vindt echter dat er sprake is van willekeurige discriminatie wat bepaalde desinfecterende producten voor de menselijke voeding en voor diervoeders betreft; deze kunnen niet profiteren van de onder punt c) van artikel 5, lid 1 geformuleerde voorwaarden.

Het Comité is ingenomen met het feit dat er een verplichte uitwisseling van gegevens is voorzien, met name wat proeven met dieren betreft.

1.6.1   Het Comité onderschrijft de bepaling in het Commissievoorstel dat stipuleert dat alle behandelde voorwerpen en materialen uitsluitend toegelaten biociden mogen bevatten. Het gaat om een billijke maatregel.

Ook stemt het Comité in met de uitbreiding van deze maatregel tot alle materialen en voorwerpen die uit derde landen komen, teneinde gelijke marktvoorwaarden te garanderen.

1.7.1   Om de consument goed voor te lichten zouden met biociden behandelde materialen of producten van een etiket moeten worden voorzien. Het Comité dringt er echter bij de Commissie op aan hierover wel goed na te denken; etiketten zouden alleen zeer uitgebreide informatie moeten bevatten als de consument daar baat bij heeft. Het EESC stelt twee informatieniveaus voor. De informatie van het eerste niveau is essentieel voor het gebruik door en de bescherming van de consument. Het tweede niveau moet alle bekende informatie omvatten, en deze informatie dient bijvoorbeeld in databanken of via websites beschikbaar te zijn in het geval dat consumenten professionele hulp zoeken (zoals antigifcentra en artsen).

1.8   Het Comité steunt het voorstel om de structuur van de vergoedingen te harmoniseren, zowel voor de lidstaten als voor ECHA. Het kan echter niet instemmen met een ongegronde jaarlijkse vergoeding.

In navolging van de nieuwe verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen is het Comité van mening dat de procedures voor parallelhandel in het kader van het vrije verkeer van goederen beperkt zouden moeten worden tot identieke producten die gebaseerd zijn op dezelfde bronnen van werkzame stoffen en co-ingrediënten.

1.9.1   Het EESC heeft waardering voor het feit dat de Commissie het fenomeen van de „clandestiene passagier” erkent. Het zou echter een goede zaak zijn om in artikel 83 meer details aan te brengen.

1.10   Het Comité verzoekt de Commissie om aan te geven op welke wijze ze de lidstaten denkt te steunen bij een doeltreffende tenuitvoerlegging van de controles van de biociden die op de markt zijn.

1.11   Naar het voorbeeld van de kaderrichtlijn over een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (1) en in het kader van een duurzaam gebruik van biociden zou de Commissie in de toekomst een rationeler gebruik van deze producten mogelijk moeten maken.

2.   Inleiding

2.1   Onder biociden worden werkzame stoffen of mengsels verstaan die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, een of meer werkzame stoffen bevatten en bestemd zijn om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden. Alle stoffen, mengsels en hulpmiddelen die op de markt worden gebracht met het doel werkzame stoffen te doen ontstaan, worden eveneens als biociden aangemerkt. (2)

2.2   Bij verstandig gebruik zijn biociden een alledaags verschijnsel in ontwikkelde landen. Ze kunnen de verspreiding van ziektes voorkomen en houden de hygiëne op een hoog peil in een dichtbevolkte omgeving. In alle onderdelen van het dagelijks leven worden biociden gebruikt. Sommige producten kunnen intrinsiek gevaarlijk zijn, maar niettemin de gezondheid en de hygiëne van mens of dier, evenals van het milieu op duurzame manier beschermen.

2.3   De huidige Richtlijn 98/8/EG (3) voorziet in een geharmoniseerd regelgevingskader voor de toelating en het op de markt brengen van biociden met een gering risico en basisstoffen

2.4   Het Comité heeft hierover destijds een advies (4) uitgebracht, en ingestemd met dit voorstel voor een richtlijn, aangezien deze een bescherming inhield voor de gezondheid van mens en dier, en voor het milieu.

2.5   Richtlijn 98/8/EG bepaalt dat de Commissie zeven jaar na de inwerkingtreding ervan een verslag opstelt en dit bij de Raad indient. In dat verslag moet worden ingegaan op de uitvoering van de richtlijn en het functioneren – tot dusver – van de vereenvoudigde procedures (kaderformuleringen, biociden met een gering risico en basisstoffen).

2.6   Voorafgaand aan de effectbeoordeling zijn er verschillende betrokken partijen geraadpleegd en is er een algemene raadpleging via internet gehouden.

2.7   Ook zijn er verschillende studies uitgevoerd ter ondersteuning van het voorstel, met name de studie ter beoordeling van de effecten van de herziening van Richtlijn 98/8/EG, waarin de economische, sociale en milieueffecten van de verschillende beleidsopties nader worden onderzocht. De conclusies van deze studie zijn bepalend geweest voor de effectbeoordeling.

2.8   De Commissie wil eerdergenoemde richtlijn vervangen door het huidige voorstel voor een verordening.

3.   Samenvatting van het voorstel

3.1   De voorgestelde verordening, die in de plaats moet komen van Richtlijn 98/8/EG, heeft ten doel het vrije verkeer van biociden in de Gemeenschap te bevorderen. De bedoeling is de eerste acht toepassingsjaren vastgestelde onvolkomenheden van het regelgevingskader weg te werken, bepaalde elementen van het systeem te verbeteren en te actualiseren en enkele voor de toekomst voorzienbare problemen te vermijden. De structuur van richtlijn 98/8/EG blijft behouden.

3.2   Bovendien kan een vereenvoudiging van de toelatingsprocedures voor biociden in de lidstaten wellicht ook helpen om de kosten te drukken en de administratieve lasten voor economische actoren te verlichten, zonder dat dit ten koste gaat van de veiligheid.

3.3   De Commissie streeft met dit voorstel naar samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU. Zo neemt ze de volgende zaken in aanmerking:

de recente herziening van de EU-wetgeving inzake chemische stoffen (5)

Verordening 1272/2008; (6)

de relevante horizontale EU-wetgeving;

de algemene regels en de op de lidstaten rustende verplichtingen;

een overgangsperiode.

3.4   Het voorstel moet:

de regels inzake gegevensbescherming vereenvoudigen;

de nodeloze herhaling van proeven op gewervelde dieren  (7) vermijden door een verplichte uitwisseling van gegevens;

de harmonisatie van de vergoedingssystemen in de lidstaten en op EU-niveau versterken;

regels voor de parallelhandel in biociden vaststellen;

bepalingen invoeren inzake met biociden behandelde voorwerpen en materialen.

3.5   In diverse artikelen wordt opgeroepen tot onderzoek en innovatie.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Voorstel voor nieuwe wetgeving

4.1.1   De biocidenrichtlijn 98/8/EG zal worden vervangen door een verordening.

4.1.2   Het onderhavige voorstel voor een verordening past binnen de in de biocidenrichtlijn beschreven logica. Er is een effectbeoordeling aan voorafgegaan, waarbij de aandacht uitging naar het toepassingsgebied, de producttoelating, de uitwisseling van gegevens, de gegevensvereisten en de vergoedingen die lidstaten aanrekenen.

4.1.3   De Commissie heeft geprobeerd om de Europese biocidewetgeving gelijk te schakelen met de REACH-verordening inzake chemische stoffen.

4.2   Toelatingsprocedures

4.2.1   De introductie van het concept van communautaire toelating, waarbij de ECHA-bepalingen als uitgangspunt worden genomen, is een element dat een geharmoniseerde tenuitvoerlegging van de verordening in de EU-lidstaten in principe moet bevorderen. Dit is volgens de Commissie de meest efficiënte en geschikte wijze om de beschikbaarheid van producten te verbeteren en om innovatie te stimuleren. Dat komt dus ook de gezondheid en het milieu ten goede. De versnippering van de biocidenmarkt voor zowel de producenten (weinig internationaal opererende bedrijven, veel kleine en middelgrote bedrijven) als de producten en de toepassingen ervan dwingen echter tot enige nuancering van dit standpunt. Veel ondernemingen die slechts in een beperkt aantal landen actief zijn vragen namelijk een lokale toelating. Wanneer de handel wordt uitgebreid tot andere lidstaten, wordt er een wederzijdse erkenning aangevraagd.

4.2.2   De nieuwe aanpak van de Commissie inzake een communautaire toelating van de biociden met een gering risico en van de nieuwe basisstoffen dreigt weinig effect te sorteren, aangezien een en ander slechts een klein gedeelte van de werkzame stoffen van biociden zou betreffen; dit zou dus zowel voor het bedrijfsleven als voor de autoriteiten maar weinig administratieve vereenvoudiging opleveren. Bedrijven worden zo niet aangezet tot meer innovatie.

4.2.3   In het voorstel voor een verordening wordt her en der gewag gemaakt van het concept „biociden met een gering risico”. Het is raadzaam een duidelijkere definitie te geven van bedoelde biociden.

4.3   Verplichte gegevens

4.3.1   Bepaalde criteria voor de definiëring van biociden met een gering risico zouden wel eens te restrictief kunnen blijken. Alvorens deze criteria daadwerkelijk vast te leggen in de verordening, zouden ze moeten worden beoordeeld op hun effecten. De studie moet ingaan op de risico's en daarbij rekening houden met de blootstelling en niet alleen met de intrinsieke gevaarlijke eigenschappen. Een dergelijke maatregel zou aanzetten tot de ontwikkeling van veiligere producten op basis van de bestaande stoffen. Producten die aan deze criteria voldoen zouden derhalve als biociden „met gering risico” moeten kunnen worden aangemerkt. Een verbod op de ontwikkeling van deze biociden als zijnde biociden met gering risico zou contraproductief zijn.

4.3.2   Het voorstel van de Commissie om biociden met gering risico niet langer op te nemen in Bijlage I zal leiden tot een grotere productie en meer aanbod van deze producten. Er dienen echter nog verschillende punten te worden opgehelderd en geanalyseerd. Zo zijn er met name richtsnoeren nodig in verband met de gegevens rond werkzame stoffen en het formaat waarin deze moeten worden aangeleverd.

4.3.3   Het Comité kan over het algemeen instemmen met de in Bijlage IV opgenomen algemene regels voor de aanpassing van de vereiste gegevens. Ze geven aan in welke gevallen welke testen nodig zijn.

4.3.4   De in twee fasen ingedeelde Bijlage II (waarvan de eerste als standaardinformatie wordt beschouwd) betreft de verplichte gegevens voor werkzame stoffen. Afhankelijk van de kenmerken en het voorgenomen gebruik van de werkzame stof en met name wanneer een gevaar is aangetoond voor mens en milieu, moeten wellicht ook gegevens van fase II worden ingediend.

4.3.5   Bepaalde toxicologische onderzoeken zijn niet meer noodzakelijk in de eerste fase, maar misschien wel in de tweede. Maar aangezien het de lidstaten zijn die, aan de hand van hun beoordeling, het spectrum aan vereiste gegevens bepalen, bestaat het risico dat er gegevens vereist worden die verder gaan dan wat wetenschappelijk gezien noodzakelijk is.

4.3.6   Omwille van de concurrentie kunnen gegevens die moeten worden verstrekt inzake alternatieve bronnen niet ingeperkt worden zolang deze stoffen vermeld staan in Bijlage I en hun bescherming nog van kracht is.

4.3.7   Het hoge niveau van gegevensvereisten voor biociden, zoals vermeld in artikel 18, dat de gegevensvereisten voor aanvragen tot toelating bepaalt, en in Bijlage III van het voorstel, was ook al in de vorige richtlijn terug te vinden. Er zijn geen testen voor verschillende fasen voorzien en de vereisten zijn niet beperkt tot het strikt noodzakelijke. Het wordt dus heel ingewikkeld voor producenten om aan productinnovatie voor specifieke toepassingen te doen.

4.4   Gegevensuitwisseling

4.4.1   Onder de huidige richtlijn geldt de verplichting gegevens inzake dierproeven uit te wisselen en toe te zien op een eerlijke verdeling van de kosten voor de inzameling en het gebruik van gegevens die de veiligheid van producten aantonen.

4.4.2   Hoewel de verplichting van gegevensuitwisseling ook in de REACH-richtlijn wordt gehanteerd, wijkt het huidige voorstel ervan af als het gaat om de bescherming van gegevens en de beschermingstermijn.

4.5   Vereenvoudiging in de procedures

4.5.1   Er zijn positieve veranderingen aangekondigd in de kaderformuleringen, waardoor er binnen een groep biociden eenvoudiger variaties in de samenstelling kunnen worden ontwikkeld. Toch moet verduidelijkt worden hoe ver de flexibiliteit in de samenstelling kan gaan, zowel wat de werkzame stoffen als de inerte bestanddelen in de biociden betreft.

4.6   De rol van ECHA

4.6.1   ECHA heeft alleen de taak om te coördineren en de communautaire toelating voor biociden met gering risico en voor de nieuwe stoffen te valideren.

4.6.2   ECHA kan ook als clearinghouse fungeren, waar soortgelijke toepassingen worden samengebracht. De evaluatie ervan kan vervolgens door één autoriteit worden uitgevoerd, zelfs als het dossier aan verschillende lidstaten is voorgelegd.

4.7   Parallelhandel - bescherming van gegevens

4.7.1   In navolging van de nieuwe verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, is het Comité van mening dat de procedures voor parallelhandel in het kader van het vrije verkeer van goederen beperkt zouden moeten worden tot identieke producten die gebaseerd zijn op dezelfde bronnen van werkzame stoffen en co-ingrediënten.

4.7.2   In het kader van de parallelhandel behoeft de bescherming inzake de gegevensvereisten verbetering, in ieder geval voor de werkzame stoffen in biociden die in Bijlage I moeten worden opgenomen.

4.7.3   Teneinde het fenomeen van „clandestiene passagiers” te voorkomen, heeft de industrie erop aangedrongen om de relatie van de in Bijlage I opgenomen werkzame stoffen met de bewuste onderneming als voorwaarde aan te merken voor de eigendom en voor de bescherming van gegevens. De biocide-industrie heeft waardering voor het feit dat de Commissie dit fenomeen onderkent. Om korte metten te kunnen maken met deze handelspraktijken zou artikel 83 meer in detail moeten treden.

4.8   Materialen en behandelde voorwerpen

4.8.1   In het voorstel staat dat alle behandelde voorwerpen en materialen uitsluitend in ten minste één lidstaat toegestane biociden mogen bevatten. De Commissie wil verder dat deze maatregel wordt uitgebreid tot alle materialen en voorwerpen die uit derde landen komen, teneinde voor iedereen een gelijke en eerlijke behandeling te garanderen.

4.8.2   Om de consument goed voor te lichten moeten met biociden behandelde materialen of producten van een etiket worden voorzien. Het Comité dringt er echter bij de Commissie op aan hierover wel goed na te denken; etiketten zouden alleen zeer uitgebreide informatie moeten bevatten als de consument daar baat bij heeft. Het EESC stelt twee informatieniveaus voor. De informatie van het eerste niveau is essentieel voor het gebruik door en de bescherming van de consument. Het tweede niveau moet alle bekende informatie omvatten en deze informatie dient bijvoorbeeld in databanken of via websites beschikbaar te zijn in het geval dat consumenten professionele hulp zoeken.

4.9   Termijnen en tenuitvoerlegging

4.9.1   Wanneer de in de richtlijn aangegeven termijnen voor beoordeling niet worden nagekomen, kan dat heel wat problemen opleveren. Deze termijnen zijn verlengd n.a.v. een mini-herziening van de richtlijn, maar er blijkt weinig gedaan te zijn om werkzame stoffen die niet aangepast zijn en die mogelijk schade zouden kunnen veroorzaken, van de markt te halen. Een uniforme toepassing van de definities en de termijnen moet leiden tot een betere functionering van de procedure tussen de lidstaten.

4.9.2   Wanneer wetgeving van de Unie niet op uniforme en efficiënte wijze ten uitvoer wordt gelegd in de lidstaten, heeft dat consequenties voor heel de communautaire wetgeving.

4.10   Vergoedingsprocedures

4.10.1   De Commissie stelt voor de structuur van de vergoedingen te harmoniseren, zowel voor de lidstaten als voor ECHA. De gebruikers lopen tegen grote verschillen aan tussen de lidstaten wat betreft de vergoedingen voor de beoordeling. Vaak is er geen enkel verband tussen de vereiste middelen en de werkelijk gebruikte middelen.

4.10.2   Er zou meer transparantie moeten zijn wat de vergoedingen betreft, waarbij de verschillende etappes en procedures die tot de beoordeling leiden worden aangegeven. Ook zou er een redelijk verband moeten zijn tussen vergoedingen en werklast, en ze zouden alleen mogen worden geëist indien noodzakelijk.

4.10.3   Een jaarlijkse vergoeding mag nooit zonder rechtvaardiging worden geïnd.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   Uitsluiting van werkzame stoffen van Bijlage I

5.1.1   Artikel 5, lid 2, stipuleert dat werkzame stoffen die als kankerverwekkend, mutageen, of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, evenals stoffen die als hormoonontregelend worden aangemerkt, worden uitgesloten van Bijlage I waarin de toegestane werkzame stoffen zijn opgenomen.

5.1.2   Dergelijke stoffen worden alleen in bijlage I opgenomen indien aan ten minste een van de volgende in artikel 5, lid 1, genoemde voorwaarden is voldaan:

de blootstelling van gebruikers aan de werkzame stof is verwaarloosbaar

de werkzame stof is essentieel voor de volksgezondheid

de voordelen van de werkzame stof wegen op tegen de nadelen.

Volgens de laatste alinea van artikel 5, lid 1, is deze laatste voorwaarde niet van toepassing op werkzame stoffen voor de productsoorten 4 en 14 tot en met 19. (8)

5.1.3   Bepaalde werkzame stoffen in biociden kunnen gevaar opleveren vanwege hun aard, hetgeen een gevolg is van hun functie; de definitie van een werkzame stof is immers „een stof of micro-organisme met een werking tegen schadelijke organismen.” Toch kunnen deze biociden worden goedgekeurd vanwege de voordelen van het gebruik ervan, dat moet wel gepaard gaan met maatregelen ter inperking van de blootstelling van mens en milieu.

5.1.4   Hoewel incidentele blootstelling niet echt een bron van zorg hoeft te zijn, is wel voorzichtigheid geboden bij langdurige blootstelling aan biociden zonder adequate bescherming.

5.1.5   Het Comité vindt echter dat er sprake is van willekeurige discriminatie wat de eerder genoemde productsoorten betreft (4 en 14 t/m 19); deze kunnen niet profiteren van de onder punt c) van artikel 5, lid 1 geformuleerde voorwaarden. Deze maatregel remt innovatie af en werpt een blokkade op voor werkzame stoffen die mogelijk van nut kunnen zijn als biociden voor de toekomst.

5.2   Uitbreiding van het takenpakket van ECHA

5.2.1   Het Comité is voorstander van een uitbreiding van de bevoegdheden van ECHA. Het agentschap zou zich actief moeten kunnen bezighouden met alle procedures met het oog op de toelating van biociden, zowel op communautair als op nationaal vlak.

5.2.2   Er zijn een aantal voordelen van een gecentraliseerde beoordeling:

ECHA zou over alle procedures beschikken die vereist zijn voor de validatie van de toepassing in het geval van communautaire toelating;

Door de validatie van dossiers aan één enkele instantie over te laten is een grotere consistentie mogelijk, evenals een harmonieuzere en eenvoudigere wetgeving inzake biociden;

De lidstaten kunnen hun middelen vervolgens reserveren voor de beoordeling van de toepassing;

Bovendien kunnen er ook in het geval van validatie door ECHA nieuwe gegevens worden ingevoerd die tijdens een beoordeling aan het licht zijn gekomen; de beoordeling zelf blijft een zaak van de lidstaten.

5.2.3   Er zijn nog andere voordelen als ECHA de rol van clearinghouse op zich neemt en daarnaast de dossiers van biociden beheert:

Het door ECHA beheerde communautair register voor biociden zou een uitstekend instrument zijn voor het beheer van dergelijke hergroeperingen van biociden;

Voor biociden die op dezelfde werkzame stof zijn gebaseerd of gebruikt worden in dezelfde soort producten, zou dezelfde termijn voor de indiening van hun aanvraag gelden;

Door de beoordeling van de hoofdelementen van de dossiers van deze producten aan één enkele autoriteit over te laten, wint de biocidenwetgeving aan samenhang en is harmonisering ervan eenvoudiger;

Door te zorgen voor een doelmatig beheer van de beoordelingsprocedure worden gebruikers aangezet tot een proactievere voorbereiding van hun dossiers en wordt de drempel voor het bedrijfsleven verlaagd.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Richtlijn 2009/128/EG, PB L 309 van 24-11-2009, blz. 71

(2)  Richtlijn 98/8/EG

(3)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(4)  PB C 195 van 18.7.1994, blz. 70.

(5)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH), PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(6)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1

(7)  PB C 94 van 18-04-02, blz. 5 en PB C 277 van 17-11-09, blz. 51.

(8)  Productsoort 4: ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders

Productsoort 14: rodenticiden (knaagdierbestrijdingsmiddelen)

Productsoort 15: aviciden

Productsoort 16: mollusciciden

Productsoort 17: pisciciden

Productsoort 18: insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen

Productsoort 19: afweermiddelen en lokstoffen

Samen vormen de productsoorten 14 t/m 19 GROEP 3, de plaagbestrijdingsmiddelen.


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/68


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vervoerbare drukapparatuur

(COM(2009) 482 definitief — 2009/0131 (COD))

(2010/C 347/10)

Rapporteur: de heer PEZZINI

De Raad heeft op 29 september 2009 besloten, overeenkomstig art. 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vervoerbare drukapparatuur

COM(2009) 482 final – 2009/0131 COD.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 februari 2010 goedgekeurd; rapporteur was de heer PEZZINI.

Het Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) het volgende advies uitgebracht, dat met 190 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC waardeert de inspanningen van de Commissie om de Europese wetgeving inzake vervoerbare drukapparatuur aan te passen aan de internationale ontwikkelingen en aan de recente bepalingen, teneinde de interne markt te versterken en de procedures te vereenvoudigen.

1.2   Het voorstel van de Commissie is van zeer groot belang omdat de toepassing van de internationale overeenkomsten ADR, RID en ADN, die reeds in Richtlijn 2008/68/EG zijn overgenomen, hiermee kan worden uitgebreid tot het nationale vervoer.

1.3   Bovendien maakt de goedkeuring van de richtlijn het mogelijk om de aanbeveling van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) en de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF), om te zetten in een communautair wetgevingsbesluit, wat ongetwijfeld voordelen heeft voor de interne markt.

1.4   Het EESC dringt er met klem op aan dat alle procedures primair gericht moeten zijn op de veiligheid van de operatoren en de burgers in de productie-, vervoer-, verkoop- en recyclingfase van de apparatuur.

1.5   Het EESC onderstreept dat de veiligheid centraal staat in de regelgeving: zowel in het onderhavige voorstel als bij de toepassing van Richtlijn 2008/68/EG.

1.6   Het EESC onderstreept de noodzaak van opleiding, om ervoor te zorgen dat het personeel dat werkzaam is in het risicobeheer vakkundig en gecertificeerd is. Het stelt voor om duidelijke verantwoordelijkheden te formuleren voor de verschillende actoren, en sancties vast te stellen in het geval van overtreding van de veiligheidsinstructies en een eventuele schadevergoeding, bijvoorbeeld via een door de operatoren af te sluiten aansprakelijkheidsverzekering.

1.7   Het EESC onderstreept dat de Commissie de juiste keuzes heeft gemaakt om het voorstel een samenhangende wetgevingsstructuur te geven, te weten:

het onderbrengen van de technische voorschriften in één enkele tekst;

de omzetting van de uitgevaardigde wetgeving met het oog op een versterking van de interne markt, door de rol van de aangemelde instanties beter te omschrijven;

de uitbreiding van de EU-wetgeving tot andere landen, die geen lidstaat zijn;

een versterking van de marktcontrole.

1.8   Sommige artikelen van het voorstel zouden volgens het EESC beter kunnen worden uitgewerkt, teneinde de omzetting in de lidstaten te vergemakkelijken en eventuele verschillen in interpretatie te voorkomen.

1.9   Het EESC is van mening dat de betrekkingen met derde landen nader moeten worden bestudeerd, vooral met aangrenzende landen en met de communautaire enclaves, via overeenkomsten met landen wier drukapparatuur over het grondgebied van de EU wordt vervoerd, om ervoor te zorgen dat ook zij aan de eisen van de richtlijn voldoen.

1.10   Het EESC is ervan overtuigd dat de vaststelling van nauwkeurige voorschriften voor de traceerbaarheid tijdens montage, onderhoud en controle van vervoerbare drukapparatuur het mogelijk zou maken om een groter verantwoordelijkheidsgevoel te kweken en meer duidelijkheid te scheppen bij eventuele geschillen die kunnen rijzen in geval van schade aan operatoren, personen en zaken. In geval van een ongeval zouden de aangemelde instanties de gebeurtenissen moeten onderzoeken en analyseren en hierover verantwoording moeten afleggen aan operatoren en derden.

1.11   Het EESC beveelt aan om, in het licht van de nieuwe regelgeving, nieuwe richtsnoeren uit te werken die een aanpassing zijn van de richtsnoeren die waren vervat in Richtlijn 1999/36/EG, die moet worden ingetrokken.

2.   Context

2.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is er stellig van overtuigd dat het vergroten van de veiligheid van vervoerbare drukapparatuur tijdens het binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen, en het waarborgen van het vrij verkeer van die goederen binnen de Gemeenschap, van fundamenteel belang is voor de volledige verwezenlijking van de Europese interne markt, voor de bescherming van de industrie en van de internationale handel, de consumenten, het milieu en de burgers in het algemeen.

2.2   Het EESC is het er geheel mee eens dat moet worden gezorgd voor:

certificatie en beoordeling van de conformiteit van nieuwe vervoerbare drukapparatuur;

periodieke controles en hernieuwde conformiteitsbeoordelingen;

periodieke keuringen van bestaande vervoerbare drukapparatuur;

het aanbrengen van een conformiteitskeurmerk op apparatuur door aangemelde instanties, als teken dat zij zijn gecertificeerd;

een verscherping van het markttoezicht, zoals het EESC in zijn advies (1) over het nieuwe wetgevingskader van Verordening (EG) nr. 765/2008 en Besluit nr. 768/2008/EG heeft betoogd.

2.3   De Verenigde Naties (VN) formuleren regelmatig nauwkeurige aanbevelingen over nieuwe ISO-normen, die weliswaar niet juridisch afdwingbaar zijn, maar wel in het zogenaamde Oranjeboek worden opgenomen, waarmee een internationale erkenning van vrijwillige ISO-normen wordt gewaarborgd. Deze aanbevelingen houden rekening met de technische ontwikkeling, nieuwe materialen en de behoeften van de vervoerssector, met het oog op een betere bescherming van personen, goederen en het milieu.

2.4   Het comité van deskundigen van de VN heeft onlangs besloten om tal van verwijzingen naar ISO-normen op te nemen in een speciaal hoofdstuk, waarmee de UN-markering kracht van wet krijgt.

2.5   De Economische Commissie voor Europa van de VN (UN/ECE) heeft haar standpunt kenbaar gemaakt in het kader van:

de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) (2);

het Reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (RID) (3), dat is overgenomen in de Richtlijnen 94/55/EG en 96/49/EG;

de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN) (4).

2.6   In het kader van deze overeenkomsten heeft de UN/ECE op 18 augustus 2009 de XVIe herziening van de aanbevelingen betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen gepubliceerd.

2.7   Deze behelst:

de indeling en definitie van categorieën;

een lijst van de belangrijkste gevaarlijke goederen;

algemene vereisten inzake verpakking;

testprocedures;

de markering, etikettering, tests en goedkeuring van verpakkingen en mobiele tanks;

de vrachtprocedures.

2.8   Hopelijk leidt deze herziening tot een vereenvoudiging van het vervoer, de afhandeling en de controle, een terugdringing van de formaliteiten en, in het algemeen, minder obstakels voor het internationale vervoer van goederen die als „gevaarlijk” zijn ingedeeld. Zij het altijd met een voortdurende aandacht voor de veiligheidsnormen en -systemen, zowel voor de operatoren als voor de burgers.

2.9   Het Europees Parlement en de Raad hebben op 24 september 2008 Richtlijn 2008/68/EG betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land goedgekeurd, waarover het EESC een gunstig advies (5) had uitgebracht. Deze richtlijn kwam in de plaats van de Richtlijnen 94/55/EG, 96/49/EG, 96/35/EG en 2000/18/EG (6).

2.10   Met Richtlijn 2008/68/EG is de weg van de vereenvoudiging ingeslagen, „door de drie vormen van vervoer over land in één wetsdocument te behandelen en de mogelijkheid te creëren om internationale overeenkomsten en verdragen alleen in de bijlagen bij de richtlijn te vermelden” (5).

2.11   Binnen Europa valt deze materie momenteel niet alleen onder Richtlijn 2008/68/EG, waarin de ADR, het RID en de ADN (7) zijn overgenomen, maar ook onder Richtlijn 1999/36/EG betreffende vervoerbare drukapparatuur, waarover het EESC zich reeds heeft uitgesproken (8), en, in het kader van de „nieuwe aanpak”, onder een verordening die meerdere malen is gewijzigd (9) om deze aan te passen aan de technologische vooruitgang.

2.12   De behoeften op het stuk van de normalisatie zijn zeer belangrijk als het gaat om vervoerbare drukapparatuur. Om een beleid van kwaliteit en veiligheid te waarborgen is normalisatie, ter ondersteuning en aanvulling van de regelgeving, dan ook van essentieel belang. Ook de toebehoren moeten in aanmerking worden genomen, zoals in de ADR/RID/ADN-overeenkomsten is voorzien.

2.13   De Commissie heeft op 9 september 2005 een verslag (10) gepubliceerd over de toepassing van Richtlijn 99/36/EG door de lidstaten, waarin zij opmerkte dat „de meeste lidstaten […] geen erkende instanties overeenstemmingsbeoordelingen [laten] uitvoeren voor het op de binnenlandse markt brengen van nieuwe vervoerbare drukapparatuur” (zij maken dus geen gebruik van art. 4). Er zij op gewezen dat het gebruik van erkende instanties facultatief is, terwijl het gebruik van aangemelde instanties verplicht is.

2.14   Anderzijds heeft de Commissie de datum waarop Richtlijn 1999/36/EG moest worden uitgevoerd, voor drukvaten, flessenbatterijen en tanks uitgesteld tot 1 juli 2005, aangezien „er […] geen gedetailleerde technische voorschriften [bestaan] en er […] niet voldoende verwijzingen naar de relevante Europese normen [zijn] toegevoegd aan de bijlagen van Richtlijn 94/55/EG […] en Richtlijn 96/49/EG […] betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor”, hetgeen overeenstemt met het advies van het comité voor het vervoer van gevaarlijke goederen (11).

2.15   De toepassing van Richtlijn 1999/36/EG heeft verbazing gewekt bij het bedrijfsleven, instanties die zijn belast met de conformiteitsbeoordeling van de producten, gebruikers, beroepsorganisaties en normalisatie-instanties die zijn belast met het vaststellen van de essentiële eisen.

2.16   Het EESC herhaalt wat het al eerder over dit onderwerp heeft opgemerkt, namelijk dat „zolang er geen eenvormige communautaire regelgeving is voor alle vormen van vervoer over land (over de weg, het spoor en de binnenwateren), niet kan worden gezegd dat gevaarlijke goederen op de meest veilige manier kunnen worden vervoerd” (12). Dit stemt overeen met de internationale regelgeving.

3.   Het voorstel van de Commissie

3.1   Het voorstel voor een richtlijn, dat tot de Europese Economische Ruimte EER moet worden uitgebreid, zou aan de volgende hoofddoelstellingen moeten beantwoorden:

de intrekking van Richtlijn 1999/36/EG en de Richtlijnen 76/767/EEG, 84/525/EEG, 84/526/EEG en 84/527/EEG betreffende hogedrukcilinders;

de voorschriften waar mogelijk vereenvoudigen, door ze te optimaliseren en te harmoniseren met de huidige internationale wetgeving;

aanpassing van de wetgeving inzake het verhandelen van producten op de Europese interne markt, om het vrij verkeer en gebruik van vervoerbare drukapparatuur te waarborgen, met name Verordening (EG) 765/2008 en Besluit nr. 768/2008/EG;

het schrappen van tegenstrijdigheden tussen de bestaande regelgeving betreffende vervoerbare drukapparatuur (Richtlijn 1999/36/EG) en de internationale voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen, via een vereenvoudiging van de bestaande bepalingen, vooral wat betreft de conformiteitsbeoordelingsprocedures.

3.2   In het belang van de verkeersveiligheid en het vrij verkeer van vervoerbare drukapparatuur wenst de Commissie in haar voorstel de verplichtingen en verantwoordelijkheden van de verschillende marktdeelnemers en van de operatoren die belast zijn met het dagelijks onderhoud, met inbegrip van de eigenaars en de operatoren van vervoerbare drukapparatuur, nauwkeurig en op transparante wijze vast te stellen.

3.3   Het voorstel legt de vereisten en verantwoordelijkheden vast voor de instanties die zijn belast met de beoordeling, de aanmelding en het toezicht op aangemelde instanties en inspectie-instanties, zoals de wederzijdse erkenning van aangemelde instanties.

3.4   De Commissie behoudt zich het recht voor de bijlagen bij de richtlijn aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aan te passen, volgens de regelgevingsprocedure met toetsing in de comitéprocedure (13).

4.   Algemene opmerkingen

Het EESC stemt in met de doelstellingen van het voorstel als het gaat om de veiligheid, verplichtingen en verantwoordelijkheden van operatoren en overheidsinstanties, duidelijke procedures en controles, voorwaarden voor het in de handel brengen, het aanbieden en het gebruik van vervoerbare drukapparatuur, binnen het gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten dat is vastgelegd in Besluit nr. 768/2008/EG en het markttoezichtsysteem van Verordening (EG) nr. 765/2008.

4.1.1   Het EESC is van mening dat de operatoren een essentiële rol spelen in alle procedures die betrekking hebben op vervoerbare drukapparatuur (de hernieuwde conformiteitsbeoordeling, de productie, het vervoer, het technisch onderhoud en de recycling), en hoopt derhalve dat de maatregelen ter uitvoering van de richtlijn rekening houden met al deze delicate functies. Er zou voor regelmatige en adequate opleidingen moeten worden gezorgd voor het betreffende personeel, gericht op een bedachtzaam risicobeheer. Een aansprakelijkheidsverzekering voor operatoren zou zinvol kunnen zijn.

4.2   Het EESC heeft in een eerder advies al met klem benadrukt dat „het vrije verkeer van goederen van essentieel belang is voor het concurrentievermogen en de sociaaleconomische ontwikkeling van de EU en dat consumenten, burgers en bedrijven er alle belang bij hebben dat de voorwaarden voor het in de handel brengen van veilige kwaliteitsproducten worden aangescherpt en gemoderniseerd” (14).

4.3   Het EESC acht het van belang dat de nieuwe regelgeving aansluit op de internationale regelgeving, met de mogelijkheid verwijzingen op te nemen naar de relevante internationale overeenkomsten en akkoorden, mede om uiting te geven aan het streven naar vereenvoudiging van de technische voorschriften en bepalingen (15).

4.4   Het EESC neemt er nota van dat het Commissievoorstel tot stand is gekomen na „diepgaand overleg met de lidstaten en andere belanghebbenden”, maar had liever gezien dat de nieuwe richtlijn onderwerp was geweest van een impactbeoordeling, mede vanwege de complexiteit van de bepalingen en de technische specificaties.

4.5   Het EESC zet vraagtekens bij het voorstel de richtlijn niet toe te passen op vervoerbare drukapparatuur die uitsluitend wordt gebruikt voor vervoer van gevaarlijke goederen tussen het grondgebied van de EER en dat van derde landen. Het EESC is van mening dat de betrekkingen met derde landen nader moeten worden bestudeerd, vooral met aangrenzende landen en met de communautaire enclaves.

4.6   Het EESC acht het van essentieel belang dat gedetailleerde bepalingen worden vastgesteld inzake de traceerbaarheid van vervoerbare drukapparatuur, wat nuttig zal zijn in verband met de aansprakelijkheid. Het tragische ongeluk op het station van Viareggio, waar een tankwagon is ontploft, heeft laten zien dat het niet altijd makkelijk is om aan te wijzen wie aansprakelijk kan worden gesteld.

4.7   Het EESC vraagt zich ook af waarom er geen sancties zijn voorzien in het geval dat de verplichtingen die zijn neergelegd in de richtlijn, vooral op veiligheidsgebied, niet worden nageleefd. De veiligheid van operatoren en burgers moet worden beschermd.

4.8   Met betrekking tot de regelgevingsprocedure met toetsing in de comitéprocedures heeft het EESC in een eerder advies al onderstreept dat „de comitéprocedures voor de inwoners van de EU en met name voor de directe betrokkenen zo transparant en begrijpelijk mogelijk moeten zijn”, en dat „volledig uitvoering moet worden gegeven aan artikel 8A van het Verdrag van Lissabon, inhoudende dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers moeten worden genomen, en dat de volledige toegankelijkheid tot informatie voor burgers en maatschappelijk middenveld gewaarborgd moet zijn” (16).

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1   Met betrekking tot art. 2, lid 14, stelt het EESC voor dat duidelijker wordt aangegeven dat het onderscheid „al dan niet tegen betaling” voor bijzondere gevallen is bedoeld, die niet onder de bevoegdheid van de aangemelde instanties vallen.

5.2   In art. 6, lid 6, zou volgens het EESC moeten worden aangegeven aan wie de documentatie moet worden verstrekt indien de importeur zijn activiteiten heeft gestaakt, voor de resterende jaren van de periode van 20 jaar. Aangezien deze mogelijkheid wordt voorzien in de bijlagen bij Richtlijn 2008/68/EG (in par. 1.8.7.1.6) zou dit in het voorstel expliciet moeten worden vermeld.

5.3   Met betrekking tot art. 18, lid 5, is het EESC van mening dat gevoelige informatie vertrouwelijk moet worden behandeld, maar dat de maatregelen openbaar moeten worden gemaakt, om fouten en nalatigheden te voorkomen.

5.4   In art. 29 zou het volgens het EESC nuttig zijn om de verplichtingen, verbintenissen en verantwoordelijkheden van de aangemelde instanties beter te definiëren, om een uniforme en strikte toepassing van de procedures in de delicate sector van vervoerbare drukapparatuur te waarborgen.

5.5   Volgens het EESC zou in de richtlijn duidelijker moeten worden aangegeven wie binnen de lidstaten verantwoordelijk is voor het beoordelen van de doeltreffende werking en de veroudering van apparatuur en machines, vooral om eventuele schade aan personen te voorkomen. Dit staat ook al in Richtlijn 2008/68/EG, maar zou ook in het huidige voorstel expliciet moeten worden vermeld.

5.6   Het EESC benadrukt dat er naast drukapparatuur ook apparatuur bestaat die na het verrichten van bepaalde handelingen „onder druk” komt te staan. Ook voor deze apparatuur zouden bepalingen moeten worden opgenomen. Verder zouden veiligheidsvoorschriften moeten worden vastgesteld voor de opslag op middellange- (zie Richtlijn 2008/68/EG) of lange termijn.

5.7   Volgens het EESC zou nog kunnen worden vermeld hoe eventuele geschillen tussen eigenaren, importeurs, vertegenwoordigers en operatoren kunnen worden beslecht (via de rechter, arbitrage, …).

5.8   Ten slotte beveelt het EESC aan om gezamenlijk richtsnoeren uit te werken ter verduidelijking van zowel de voorgestelde nieuwe richtlijn als Richtlijn 2008/68/EG, naar het voorbeeld van hetgeen is gedaan voor Richtlijn 1999/36/EG, die moet worden ingetrokken.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB C 120 van 16 mei 2008, blz. 1.

(2)  Gesloten op 30 september 1957 te Genève. Op 31 maart 2009 hadden 45 landen de overeenkomst geratificeerd: Albanië, Andorra, Azerbeidzjan, België, Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Kazachstan, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Macedonië, Malta, Marokko, Moldavië, Montenegro, Nederland, Noorwegen, Oekraïne, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Russische Federatie, Servië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechische republiek, Tunesië, Verenigd Koninkrijk, Wit-Rusland, Zweden, Zwitserland.

(3)  Het RID-reglement is opgenomen in bijlage C bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) dat op 3 juni 1999 te Vilnius is goedgekeurd.

(4)  Europese overeenkomst gesloten op 26 mei 2000 te Genève en vervolgens gewijzigd.

(5)  PB C 256 van 27 oktober 2007, blz. 44.

(6)  Richtlijn 2000/18/EG (PB L 118 van 19 mei 2000, blz. 41-43).

(7)  Zie voetnoten 2, 3 en 4.

(8)  EESC-advies van 10 juli 1997 (PB C 296 van 29 september 1997, blz. 6).

(9)  Door Richtlijn 2001/2/EG van de Commissie van 4 januari 2001 (PB L 5 van 10 januari 2001, blz. 4) en Richtlijn 2002/50/EG van de Commissie van 6 juni 2002 (PB L 149 van 7 juni 2002, blz. 28).

(10)  COM(2005) 415 final van 9 september 2005

(11)  Beschikking 2003/525/EG (PB L 183 van 22 juli 2003, blz. 45).

(12)  Zie noot 7.

(13)  Besluit 1999/468/EG (PB L 184 van 17 juli 1999, blz. 23).

(14)  PB C 120 van 16 mei 2008, blz. 1.

(15)  Er zij op gewezen dat de VS geen flessen accepteren die het UN-merk dragen, maar alleen flessen die zijn gehomologeerd door het Amerikaanse Department of Transportation (DOT).

(16)  PB C 224 van 30 augustus 2008, blz. 35


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/73


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (herschikking)

(COM(2009) 427 definitief — 2009/0118 (CNS))

(2010/C 347/11)

Rapporteur: de heer BURANI

De Raad heeft op 23 september 2009 besloten, overeenkomstig art. 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (herschikking)

COM(2009) 427 final – 2009/0118 (CNS).

De gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2010 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari 2010) het volgende advies uitgebracht, dat met 203 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Verordening nr. 1798/2003 (EG) van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de btw is sinds 1 januari 2004 van kracht. De Commissie dient om de drie jaar een verslag over de werking ervan voor te leggen; tegelijk met het verslag van augustus 2009 heeft zij een nieuw voorstel voor een verordening gepresenteerd (herschikking). Dit voorstel bevat enkele wijzigingen in het wettelijk kader van de vigerende verordening, waarbij gebruik gemaakt wordt van de ervaring van de afgelopen jaren; de uitdrukkelijke hoofddoelstelling is de lidstaten een doeltreffender instrument in handen te geven voor fraudebestrijding via verbeterde administratieve samenwerking.

1.2   Het verslag van de Commissie bevat een waardevolle opmerking over de interpretatie ervan: de verordening schiet om tal van redenen tekort. Kortom, „de administratieve samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de btw (is) nog steeds niet intensief genoeg om ontwijking en fraude betreffende de intracommunautaire btw te bestrijden”: de Europese Rekenkamer heeft zich aldus uitgelaten, en de Commissie heeft de uitspraak in haar verslag letterlijk overgenomen.

1.3   Volgens het EESC is het verzet tegen verandering fnuikend voor de financiën van de lidstaten en van de EU; er zijn weliswaar praktische motieven, maar de fundamentele reden is het onuitgesproken streven om het eigenbelang te beschermen, boven het algemeen belang.

1.4   Op praktisch niveau bestaan er objectief verschillende benaderingen om het „correcte verloop” van grensoverschrijdende transacties te garanderen: enerzijds wil men voorrang verlenen aan de feitelijke administratieve samenwerking, anderzijds is er de tendens om de fraudebestrijding als prioriteit te zien. De Commissie beschikt voor elk van beide aspecten over adviesorganen, de groep ATFS (1) en het SCAC (2) (zie verderop, par. 2.3): hun fusie, of een gecombineerde en gecoördineerde structuur zou het sluimerende conflict tussen beide benaderingen kunnen verminderen.

1.5   Belangrijkste struikelblok blijft echter de weerstand op politiek niveau, die zich concreet uit in de betwisting van de bevoegdheid van de Rekenkamer om de correcte uitvoering van de verordening na te gaan: een lidstaat heeft deze kwestie aan het Hof van Justitie voorgelegd.

1.6   Het nieuwe voorstel bevat tal van vernieuwingen, te veel om in deze overzichtstekst te behandelen; slechts de belangrijkste worden genoemd. Onder andere: de verplichting voor lidstaten om de verordening in al haar onderdelen en volgens de vastgestelde termijnen toe te passen. Indien goedgekeurd krijgt de Commissie de broodnodige bevoegdheid om sancties op te leggen.

1.7   De oprichting van één centraal verbindingsbureau in elke lidstaat zou de samenwerking moeten vereenvoudigen en stroomlijnen; de verplichte mededeling van inlichtingen over een belastingplichtige die op het eigen grondgebied woont, wordt bevestigd; de mogelijkheid om te weigeren dat een andere dienst onderzoek verricht, wordt beperkt tot enkele welomschreven gevallen. Deze voorschriften zijn met name van belang voor onderzoek in verband met verkoop of afstand; de doeltreffendheid hiervan is volgens het EESC overigens afhankelijk van de algemene invoering van computersystemen: het is dus raadzaam om een dergelijke verplichting in 2015 te voorzien, na afloop van de overgangsperiode.

1.8   Diverse artikelen voorzien in een reek automatismen: automatische mededeling, en op eigen initiatief, van voor andere diensten nuttige informatie, verplichte terugmelding na ontvangen informatie, automatische toegang tot gegevensbanken. Een en ander veronderstelt de invoering van gemeenschappelijke procedures, die de Commissie zo snel mogelijk moet uitwerken.

1.9   Enigszins bevreemdend is het voorschrift inzake de deelname van ambtenaren uit andere lidstaten aan onderzoek, ook buiten de bureaus van de ontvangende staat. Het EESC acht dit voorschrift onnodig in verband met de bescherming van bijzondere of gevoelige gegevens.

1.10   De oprichting van een gemeenschappelijke structuur voor de bestrijding van btw-fraude (Eurofisc) is wellicht de belangrijkste vernieuwing: zij zou de snelle en multilaterale uitwisseling van gegevens mogelijk moeten maken. Het EESC staat hier onvoorwaardelijk achter, maar vestigt tegelijk de aandacht op een zaak waarop het al tijden hamert: de noodzaak om samen te werken met andere organen die zich bezighouden met de bestrijding van de georganiseerde misdaad en het witwassen van geld.

2.   Inleiding

2.1   Op 1 januari 2004 is Verordening (EG) nr. 1798 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in werking getreden. De meeste lidstaten verwelkomden de verordening en onderschreven het streven van de Commissie om het wettelijk kader voor de administratieve samenwerking te verbeteren en om een instrument voor de fraudebestrijding te verschaffen  (3). Luidens art. 45 moet de Commissie om de drie jaar aan het Europees Parlement en de Raad een verslag over de toepassing van de verordening voorleggen: derhalve heeft zij, als meest recente, het verslag van 18 augustus 2009 gepresenteerd (4).

2.2   Ondertussen was men zich scherper bewust geworden van de belastingfraude; de Mededeling van de Commissie over de noodzaak om een gecoördineerde strategie te ontwikkelen ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude  (5) van 31 mei 2006 vermeldde immers de noodzaak om tot een gecoördineerde bestrijdingsstrategie te komen, met name voor de carrouselfraude (6)  (7). Een hierop volgende mededeling (8) bevatte een actieprogramma voor de korte termijn.

2.3   De Commissie komt nu met een voorstel voor een verordening, gericht op deherschikking (9) van de voorgaande verordening. Dit is het resultaat van de overwegingen van de Commissie en van bijdragen van buitenaf: de verslagen van de lidstaten over het functioneren van de verordening van 2004, hun reacties op specifieke vragenlijsten, speciaal verslag nr. 8/2007 van de Europese Rekenkamer en de resolutie van het Parlement van 2 september 2008 (2008/2033(INI)). Verder was er de bijdrage van de Groep van deskundigen voor de strategie ter bestrijding van belastingfraude (ATFS) en die van het Permanent comité voor de administratieve samenwerking (SCAC).

3.   Algemene opmerkingen

3.1   Het eerder vermelde verslag, COM(2009) 428 final, bevat een zinvol aanknopingspunt voor de interpretatie van de nieuwe verordening: de Commissie vermeldt haar ontevredenheid over de toepassing van de vigerende verordening. De ontevredenheid kan in een door de Commissie zelf aangevoerd citaat van de Europese Rekenkamer als volgt worden samengevat: „Ondanks nieuwe regelingen is de administratieve samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de btw nog steeds niet intensief genoeg om ontwijking en fraude betreffende de intracommunautaire btw te bestrijden.” De Commissie heeft haar best gedaan om de regels te verbeteren en om de toepassing te vergemakkelijken, maar de echte oorzaak van de tegenslag is het verzet tegen verandering van sommige, of misschien veel nationale administraties. Behalve de objectieve problemen van organisatorische of technische aard, is het zinloos om te ontkennen dat de wil tot volledige samenwerking ook vandaag de dag nog steeds schipbreuk lijdt op de bescherming van daadwerkelijk of geveinsd eigenbelang. Op geen enkel gebied breekt de Europese idee zo moeilijk door als op het gebied van belastingen.

3.2   Een goede administratieve samenwerking is absoluut noodzakelijk voor het correcte verloop van grensoverschrijdende transacties en is zeker in het belang van de nationale administraties en de burgers; maar het begrip „correct verloop” impliceert dat bij dergelijke transacties ook de belastingregels worden nageleefd. De twee begrippen vervloeien: administratieve samenwerking en bestrijding van belastingfraude zijn een onlosmakelijk geheel; het concrete voorstel van de Commissie in dit verband behelst de oprichting van een gemeenschappelijke structuur (Eurofisc).

3.3   De Commissie beschikt over twee adviesorganen met deskundigen van het hoogste niveau: de groep ATFS en het SCAC (zie par. 2.3): als zij opgaan in één orgaan (of als de twee groepen gecoördineerd worden door één besluitvormingsstructuur), dan zou dat het sluimerende „belangenconflicttussen de twee bevoegdheden, de administratieve en de fiscale, kunnen verzachten. De regels voor de bestrijding van belastingfraude zijn niet altijd perfect te rijmen met de stroomlijning van de administratieve procedures, en omgekeerd; de weerstand tegen verandering is ten minste deels gelegen in diverse eisen in verband met hetzelfde probleem.

3.4   De grootste problemen lijken echter op politiek niveau te liggen: in het in par. 2.1 vermelde verslag staat dat de Commissie naar aanleiding van de reacties op de vragenlijsten (zie par. 2.3) de lidstaten de mogelijkheid biedt om „hun standpunt kenbaar te maken over het functioneren van de administratieve samenwerking”. Verbijsterend is het volgende: „Slechts twee lidstaten hadden belangstelling voor een open gesprek over dit onderwerp met de Commissie.” Veelzeggend is ook het volgende: één lidstaat heeft zelfs de bevoegdheid van de Rekenkamer ter discussie gesteld om een audit te verrichten in verband met de uitvoering van de verordening voor administratieve samenwerking. Het Hof van Justitie heeft de zaak momenteel in behandeling. Deze feiten spreken boekdelen en bieden weinig hoop voor de toekomst.

3.5   Een ander politiek aspect betreft de administratieve samenwerking tussen fiscale overheden en de autoriteiten voor de bestrijding van het witwassen van geld, afkomstig uit de georganiseerde criminaliteit en terrorisme: dit is een eis waarop het EESC al geruime tijd hamert en waarover voorlopig geen consensus schijnt te heersen (10).

4.   Specifieke opmerkingen

De ingrijpendste wijzigingen in de nieuwe verordening betreffen de belangrijkste taken van de lidstaten in verband met de samenwerking, het vaststellen van de te verstrekken en ontvangen inlichtingen en de beperking van de toegangsrechten tot de informatie. Voorts worden de beginselen van een wettelijk kader voor de kwaliteit van de inlichtingen geschetst, alsook de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor het verstrekken van correcte en tijdige informatie; tot slot wordt gewerkt aan de rechtsgrondslag voor een structuur voor administratieve samenwerking die in de eerste plaats de fraude moet bestrijden (Eurofisc).

4.1.1   Het EESC waardeert en steunt de Commissie: de nieuwe verordening is inderdaad een beslissende stap vooruit in de regelgeving terzake. De invoering van deze regels zal, als de lidstaten het willen, leiden tot een betere opzet van de overheidsfinanciën, zowel uit het oogpunt van vereenvoudiging van de procedures als wat de fraudebestrijding betreft.

4.2   Hierna volgen enkele kanttekeningen bij de belangrijkste vernieuwende voorstellen uit de verordening: enerzijds worden de opmerkingen ingegeven door de wil tot samenwerking, anderzijds zijn zij het resultaat van een objectieve beoordeling van de problemen die een goede administratieve samenwerking nog steeds dwarsbomen.

Artikel 1, lid 1, vermeldt uitdrukkelijk dat het één van de hoofddoelstellingen van de herschikte verordening is om „de btw-fraude te bestrijden” en in lid 2 stelt het de voorwaarden vast die de lidstaten moeten naleven in verband met hun verplichtingen „ter bescherming van de btw-opbrengsten van alle lidstaten”. De tekst van de vigerende verordening is zwakker en minder nauwkeurig. Zij beperkt zich immers tot de definitie van „regels en procedures vastgesteld voor de uitwisseling van bepaalde inlichtingen”.

4.3.1   De verandering is van aanzienlijk belang: de verplichting om actie te ondernemen voor de samenwerking betekent dat de lidstaten de verordening in al haar onderdelen en binnen de vastgestelde termijnen moeten toepassen. Het EESC kan het hiermee alleen maar eens zijn, maar vraagt zich af of de lidstaten in feite de nieuwe regelgeving wel kunnen of willen invoeren, gezien de vertragingen en uitzonderingen waaronder de huidige regelgeving lijdt. Het verplichte karakter van de regels impliceert verder dat de Commissie bevoegd is om sancties op te leggen en dat de Rekenkamer na moet kunnen gaan of de regels goed worden toegepast: taken waarmee niet iedereen het eens is. In het in par. 2.1 vermelde verslag noemt de Commissie Duitsland, dat een inbreukprocedure betwist, en de bevoegheid van de Rekenkamer om audits te verrichten. Het besluit van het Hof van Justitie over het in behandeling zijnde bezwaarschrift zal doorslaggevend zijn voor de toekomst van de administratieve samenwerking op btw-terrein.

4.3.2   De nieuwe formulering van het artikel onthult dus dat er ook op belastinggebied in de Europese politiek verschillende tendensen zijn: de uiteenlopende interpretaties van de Verdragen brengen de Commissie er vaak toe om bevoegdheden te verdedigen, en de lidstaten om op de bres te staan voor hun nationale prerogatieven. Het EESC wil in dezen geen standpunt innemen en beperkt zich tot de wens dat het goedgekeurde nieuwe Verdrag een nieuw Europa voortbrengt waarin de lidstaten de principes die eraan ten grondslag liggen, uit overtuiging onderschrijven.

4.4   Artikel 4 verplicht elke lidstaat om één centraal verbindingsbureau in te stellen dat verantwoordelijk is voor de contacten met de andere lidstaten; het EESC is verheugd over dit besluit, maar wijst erop dat een centraal verbindingsbureau pas goed werkt als de omringende nationale structuur efficiënt is, een voorwaarde die thans niet overal schijnt te zijn vervuld.

Artikel 7 (ex. art. 5) verplicht de lidstaten om op verzoek van een andere lidstaat inlichtingen te verstrekken over een belastingplichtige die op zijn grondgebied woont. In enkele welbepaalde gevallen (11) mag de aangezochte autoriteit weigeren om een onderzoek in te stellen, te weten als zij in de voorafgaande twee jaar al informatie aan de verzoekende autoriteit verstrekt heeft; de lidstaat blijft echter gehouden om alle gegevens te verstrekken over de door de belastingplichtige in de laatste twee jaar verrichte transacties.

4.5.1   De nieuwe regels zijn van groot belang voor de verkoop op afstand en zijn gebaseerd op een correct beleid voor administratieve samenwerking; helaas zijn zij ook in de huidige vorm slechts deels ingevoerd, vooral ten gevolge van de nog steeds tekortschietende informaticastructuur. Volgens het EESC is het daarom raadzaam om de overgangsperiode voor andere bepalingen uit te breiden tot deze regels, en de verplichting uit te stellen tot 2015, als Verordening (EG) nr. 143/2008 van de Raad in werking treedt (12).

4.6   Artikel 15 gaat in op de betekenis van „spontane uitwisseling” van inlichtingen, die in art. 17 van de huidige wetgeving al genoemd wordt: elke lidstaat dient spontaan, op eigen initiatief, inlichtingen mee te delen die een andere lidstaat van nut kunnen zijn om zijn belastinginkomsten te beschermen De impact hiervan is aanzienlijk: als en indien dit artikel systematisch wordt toegepast, is de spontane verzending van inlichtingen die voor andere administraties van belang zijn, het bewijs dat administratieve samenwerking handen en voeten heeft gekregen.

4.7   Artikel 17 sluit uitstekend aan bij artikel 15 omdat het bepaalt dat de verzoekende autoriteit een terugmelding moet uitvoeren aan de verstrekkende autoriteit: de samenwerking omvat dus niet alleen de verstrekking van inlichtingen, maar ook het op de hoogte houden van degene die de informatie heeft verstrekt over de resultaten van de ondernomen actie.

4.8   Artikel 18 (ex. art. 22) beschrijft de informatie die elke lidstaat in zijn eigen database moet opnemen. Deze bepalingen leveren volgens het EESC dubbel voordeel op: enerzijds dragen ze ertoe bij dat de gegevensuitwisseling in het kader van VIES (13) beter zal werken, anderzijds vestigen ze de aandacht van de lidstaten op de toepassing van Richtlijn 2006/112/EG, voor wat betreft de toewijzing, wijziging en schrapping van btw-nummers; een juiste toepassing van de bepalingen is belangrijk omdat de fraude grotendeels gebaseerd is op btw-nummers. Er is ook een niet te verwaarlozen voordeel voor de gebruikers, vooral dankzij de veranderingen in verband met de in artt. 23 en 24 opgenomen minimumstandaarden voor de databases.

4.9   Enige bevreemding wekt artikel 22, volgens hetwelk elke lidstaat geautomatiseerde toegang moet verlenen aan de autoriteiten van elke andere lidstaat tot de eigen gegevensbanken; ook al moet er vooraf toestemming zijn van de aangezochte autoriteit  (14), het EESC tekent desondanks aan dat rechtstreekse toegang tot problemen leidt in verband met de taal, de juiste interpretatie en het gebruik van de informatie. De Commissie is bekend met het probleem: de 23e overweging luidt immers dat „gemeenschappelijke procedures die de vergelijkbaarheid van die gegevens garanderen, (dienen) te worden vastgesteld.” De regels over geautomatiseerde toegang moeten volgens het EESC tot later worden uitgesteld, als alle lidstaten de gemeenschappelijke administratieve en elektronische procedures hebben goedgekeurd.

Artikel 29, betreffende de deelname van ambtenaren van de verzoekende lidstaat aan administratief onderzoek, bepaalt namelijk in lid 1 dat zulke ambtenaren niet alleen in de kantoren aanwezig mogen zijn, maar ookop iedere andere plaats” (in de praktijk gaat het om de kantoren van de belastingplichtigen naar wie onderzoek plaatsvindt). Tegelijkertijd wordt in par. 2 enerzijds de regel geschrapt dat de aangezochte autoriteit de voorwaarden kan vaststellen voor deelname aan onderzoeken van ambtenaren van de verzoekende autoriteit, anderzijds bevestigt het dat de ambtenaren van de verzoekende autoriteit, hoewel zij niet „de aan de ambtenaren van de aangezochte autoriteit verleende controlebevoegdheden” uitoefenen, „wel toegang (kunnen) krijgen tot dezelfde plaatsen en bescheiden als laatstgenoemden (…)”.

4.10.1   Deze reeks bevoegdheden en prerogatieven lijkt niet verstandig noch gerechtvaardigd; het EESC verzoekt om de regels te herzien en er nog eens goed over na te denken. Een ambtenaar uit een andere lidstaat kan in de kantoren van een belastingplichtige „een bedrijfs -, nijverheids -, handels - of beroepsgeheimte weten komen of „gegevens waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde.” De laatste zin is een vrijwel woordelijke herhaling van lid 4 van art. 56, dat de gevallen bepaalt waarin informatie kan worden geweigerd; des te meer is het onaanvaardbaar dat zulke informatie ter ore komt van een ambtenaar van een andere lidstaat doordat hij aanwezig is in de kantoren van de belastingplichtige.

Artikelen 34-39 betreffen een vernieuwing: de oprichting van een gemeenschappelijke structuur voor de bestrijding van btw-fraude enontwijking. Deze structuur, in het verslag (15) aangeduid met „Eurofisc”, krijgt als hoofdtaak de organisatie van snelle en multilaterale gegevensuitwisselingen, met in het kader van de administratieve samenwerking verzamelde en verspreide nuttige inlichtingen. De diverse artikelen betreffen de verschillende aspecten van de werkwijze van het nieuwe orgaan. Het is overigens nog onbekend of het een om centrale of decentrale structuur zal gaan.

4.11.1   Het EESC onderschrijft de oprichting van een orgaan dat de gegevens centraal beheert en verspreidt; als dat orgaan echter aan het werk gaat, moet de verordening worden herzien in bepaalde onderdelen die wellicht aanpassing aan de huidige regeling voor bilaterale samenwerking behoeven.

4.11.2   Een aspect van het op te richten Eurofisc dat nergens in de verordening of in het inleidende verslag aan bod komt is de samenwerking en de verbinding met andere organen die zich bezighouden met de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en het witwassen van geld. Vaak, en in de ergste gevallen is btw-ontwijking niet een op zichzelf staand misdrijf, maar is ze gerelateerd aan de smokkel van vervalste goederen, de handel in verdovende middelen, oorlogsmaterieel en allerlei door de georganiseerde criminaliteit en terroristen verrichte en gecontroleerde activiteiten. Er is, noch op papier noch in de praktijk sprake van gestructureerde samenwerking tussen organen die zich bezighouden met diverse aspecten van één en hetzelfde verschijnsel, of van verschillende verschijnselen die naar dezelfde organisaties leiden: vandaar overlappend werk, inefficiëntie en niet zelden bevoegdheidsconflicten.

4.11.3   In een ander advies, over fiscaal goed bestuur (16), gaat het EESC uitgebreider in op aspecten van de samenwerking tussen belastingautoriteiten en politiediensten die criminelen en terroristen opsporen; uiterst beknopt komt het erop neer dat de coördinatie tussen de belastingrichtlijnen en de richtlijn inzake het witwassen van geld verbeterd moet worden. Het is ontoelaatbaar dat er verschillende organen zijn, zoals diensten van directe en indirecte belastingen, douane, politie en geheime diensten, die allen (vrijwel) hetzelfde nastreven, maar die niet met elkaar verbonden zijn of geen samenwerkingsovereenkomsten kennen.

4.11.4   Het EESC beseft de praktische en administratieve problemen en de lange termijnen die een oplossing zou vergen; maar het wijst erop dat het grootste struikelblok ongetwijfeld de momenteel ontbrekende politieke wil van de lidstaten is. De Commissie zou in dezen het voortouw moeten nemen en administratieve samenwerking tussen onderzoekende organen moeten opnemen in haar programma's voor de middellange en lange termijn.

4.12   Het voorstel voor een verordening bevat geen datum van inwerkingtreding; er wordt slechts vermeld dat het van kracht wordt op de twintigste dag na zijn publicatie in het Publicatieblad; artikel 45 vermeldt evenwel dat een reeks procedures, gebaseerd op elektronische samenwerking, vanaf 1 januari 2015 geldig zijn. Deze datum lijkt realistisch, mits alle lidstaten zich willen en kunnen inzetten om die datum in acht te nemen.

4.13   Artikel 51 luidt dat elke lidstaat een (interne) audit verricht naar de werking van de regeling voor samenwerking: dit is zeker een noodzakelijke maatregel, wellicht ingegeven door de ervaring met externe audits (zie par. 3.4 en 4.3.1), waarover het Hof van Justitie zich nog moet uitspreken. Het EESC vraagt zich overigens af hoe doeltreffend een maatregel is die het aan de lidstaten overlaat om zichzelf te controleren.

4.14   Ongewijzigd blijft artikel 56 (ex art. 40), dat de lidstaten de mogelijkheid biedt om geen inlichtingen te verstrekken, noch onderzoek te verrichten als de eigen wetgeving zulks niet toelaat of als er sprake is van aspecten die beschermd worden door industrieel of beroepsgeheim. Er wordt echter een lid toegevoegd dat bepaalt dat deze mogelijkheid niet geldt voor gevallen die worden beschermd door het bankgeheim. De kwestie zou bekeken moeten worden in het bredere kader van de afschaffing van het bankgeheim en de regels inzake het witwassen van geld; het blijft dus twijfelachtig of de inlichtingen waarover een persoon beschikt „die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt” onder het bank- of het beroepsgeheim vallen. Het EESC meent dat opheldering gewenst is.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Anti Tax Fraud Strategy Expert Group (deskundigengroep Strategie voor bestrijding van belastingfraude)

(2)  Standing Committee on Administrative Cooperation (permanent comité inzake administratieve samenwerking)

(3)  Het EESC heeft een advies over de verordening gepubliceerd: PB C 267 van 27 oktober 2005, blz. 45).

(4)  COM(2009) 428 final - Het verslag komt in dit EESC-document niet uitdrukkelijk aan de orde; de inlichtingen en standpunten van de Commissie zijn overigens waardevol voor een beter begrip van de maatregelen in de nieuwe verordening.

(5)  COM(2006) 254 final

(6)  Deze praktijk is in sommige gevallen uitgegroeid tot zogenaamde intracommunautaire „ploffraude”, COM(2009) 511 final, blz. 3

(7)  Ook aan deze mededeling heeft het EESC een advies gewijd, gepubliceerd in PB C 161 van 13 juli 2007, blz. 8.

(8)  COM(2008) 807 final

(9)  COM(2009) 427 final

(10)  Zie het EESC-advies over Bevordering van goed bestuur in belastingzaken.

(11)  De gevallen waarin een verzoek geweigerd kan worden, staan vermeld in een (nieuwe) bijlage bij de verordening en betreffen een reeks diensten, waaronder de afstandsverkopen, diensten inzake onroerende goederen en roerende lichamelijke zaken, met vervoer samenhangende activiteiten en telecommunicatie- en radio- en televisieomroepdiensten.

(12)  Verordening (EG) nr. 143/2008 van de Raad van 12 februari 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1798/2003 met betrekking tot de invoering van een regeling voor administratieve samenwerking en informatie-uitwisseling in het kader van de bepalingen betreffende de plaats van een dienst, de speciale systemen en de btw-teruggaafprocedure, PB L 44 van 20 februari 2008, blz. 1.

(13)  VIES: VAT Information Exchange System, het systeem voor de uitwisseling van gegevens betreffende de btw.

(14)  Art. 7 luidt: „Op verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit de (…) inlichtingen.”

(15)  COM(2009) 428 final, par. 2.1

(16)  Mededeling van de Commissie: Bevordering van goed bestuur in belastingzaken, COM(2009) 201 final.


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/79


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/71/EG betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten

(COM(2009) 491 definitief — 2009/0132 (COD))

(2010/C 347/12)

Algemeen rapporteur: de heer GRASSO

De Raad heeft op 14 oktober 2009 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over het:

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/71/EG betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten

COM(2009) 491 final - 2009/0132 (COD).

Het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft de gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang op 3 november 2009 belast met de voorbereiding van het advies.

Het Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 18 februari) het onderstaande advies met 156 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 4 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het voorstel voor een richtlijn beoogt twee overwegend aanvaardbare beginselen te integreren in de bestaande communautaire wetgeving, te weten: a) de kwaliteit van de informatie is van doorslaggevend belang voor de doeltreffende ondersteuning van operatoren, met name kleine beleggers, bij hun investeringskeuzen; b) het informatiebeheer kan zuiniger worden gemaakt door overlapping van informatie en dus dubbele kosten voor het verstrekken van die informatie terug te dringen.

1.2   De concrete toepassing van deze twee beginselen stuit op objectieve moeilijkheden, aangezien kwaliteit zich moeilijk laat meten, zeker wanneer het gaat om de kwaliteit van informatie. Voorts dient er rekening mee te worden gehouden dat de specifieke mechanismen voor de verspreiding van informatie op de financiële markten (en die als „osmotisch” kunnen worden omschreven) en de transversale effecten die deze over en weer genereren tussen de verschillende bij een belegging betrokken economische actoren (het zgn. „signaaleffect”), ervoor zorgen dat er aanzienlijke discrepanties ontstaan tussen de kosten van de informatie en de potentiële (economische) baten daarvan.

1.3   De problemen in verband met de kwaliteit en betaalbaarheid van de informatie moeten dus gelijktijdig worden aangepakt, rekening houdend met het feit dat de uitgevende instelling het meest geneigd zal zijn kwaliteitsvolle informatie te verstrekken wanneer de economische opbrengst ten minste gelijk is aan de kosten die zijn gemaakt voor het verstrekken van de informatie. De economische beoordeling van de informatie moet rekening houden met het feit dat als de informatie transparant is, de kosten voor het bijeenbrengen van kapitaal dalen; wanneer de informatie niet transparant is, stijgen de kosten voor het bijeenbrengen van kapitaal (de zgn. premie voor het informatierisico). Het EESC hoopt dan ook dat de verschillen in informatieverstrekking worden overwonnen ten einde de kosten voor het aantrekken van kapitaal en de premie voor het informatierisico te verlagen, en er zo voor te zorgen dat de Europese bedrijven concurrerender worden in het bijeenbrengen van kapitaal.

1.4   Een aanzienlijk deel (circa 3/4) van het verschil tussen de kosten en de baten van de informatie is het gevolg van de structurele mechanismen waarmee de informatie onder de marktdeelnemers wordt verspreid, terwijl een kleiner deel (circa 1/4) het gevolg is van het feit dat informatie door de uitgevende instelling wordt achtergehouden. De oplossingen in het richtlijnvoorstel zijn erop gericht het eerste aspect van het informatierisico terug te dringen, en moet dan ook worden toegejuicht. Het EESC benadrukt alleen dat de aanzienlijke kostenbesparing die kan worden gemaakt niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de verstrekte informatie, omdat het voorstel anders contraproductief is.

1.5   De inhoud van het voorstel werpt nog een ander aspect van het probleem op, dat onopgelost blijft. Het vereiste dat de verstrekte informatie ook voor leken begrijpelijk moet zijn is in tegenspraak met het vereiste dat beleggers alle elementen aangereikt moeten krijgen die noodzakelijk zijn om een belegging te selecteren, waarvoor het gebruik van technische termen onvermijdelijk is. De beste oplossing volgens het EESC is een markt van „informatie-intermedia irs” in het leven te roepen, gescheiden van de meer traditionele financiële intermedia irs (banken, beheersmaatschappijen, derivatenhandelaren, enz.). In het licht van de ervaringen in andere landen en situaties, stelt het EESC voor (ook voor de plaatsing van effecten, en bovenop de voorstellen in het onderhavige document) om een specifieke juridische vorm van delegatie in te voeren (vergelijkbaar met proxy voting), en dat gespecialiseerde beroepsprofielen voor financiële informatie (naar het voorbeeld van de family offices) in specifieke regelgeving worden erkend.

2.   Ontwikkeling van de wetgeving en belang van het onderwerp

2.1   De Europese Commissie hecht veel belang aan transparante informatie op de financiële markten, getuige het feit dat voortdurend nieuwe regelgeving wordt geproduceerd. Met voorstel nr. 2000/0126 is een tienjarig traject in gang gezet, gericht op de totstandkoming van een duidelijke en transparante communautaire wetgeving ter codificering van de procedures voor toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en inzake de te verstrekken informatie. Met het onderhavige richtlijnvoorstel gaat dit proces een nieuwe fase in, gericht op een betere toepassing van de regels voor transparante informatie, door bepaalde voorschriften voor de publicatie van prospectussen terug te schroeven en te vereenvoudigen.

In de loop van de periode 2000-2010 is de focus van het communautaire wetgevingsapparaat geleidelijk komen te verschuiven.

2.2.1   In Richtlijn nr. 2001/34 werd de focus prioritair gericht op de hoeveelheid informatie die de uitgevers van effecten werden verplicht te verstrekken aan beleggers, in de veronderstelling dat de efficiency van het allocatievermogen van de financiële markten hier rechtstreeks van afhangt. Deze aanpak werd door het EESC grotendeels gesteund in zijn advies van 29 november 2000 (rapporteur: de heer Lehnhoff, advies met 112 stemmen vóór en zonder stemmen tegen en onthoudingen goedgekeurd), met als enige kanttekening dat werd gehamerd op het belang van eenvoudige en duidelijke informatie aan beleggers.

2.2.2   In 2003 verschoof de aandacht naar het gebruik van de informatie door de marktdeelnemers, met wetgevingsinitiatieven ter aanvulling van de oorspronkelijke tekst van Richtlijn nr. 2001/34. Richtlijn nr. 2003/6 heeft de handel met voorwetenschap aangepakt, met name die manipulaties die het evenwicht op de financiële markten verstoren en het vertrouwen van de consumenten aantasten. Deze richtlijn had echter betrekking op uitgevende instellingen en toezichthouders, en had minder oog voor de impact van de informatie op het gedrag van beleggers. Geheel in deze lijn werden in Richtlijn nr. 2003/71 de criteria vastgesteld voor het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten.

2.2.3   Richtlijn nr. 2004/109 betrof een wijziging op de tekst van Richtlijn nr. 2001/34, en concentreerde zich op de technische modaliteiten van de informatie die aan beleggers moet worden verstrekt door uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, met als doel de Europese financiële markten en de financiële dienstverlening daarop te harmoniseren en integreren. In het EESC-advies dat aan deze richtlijn voorafging, goedgekeurd op 10 december 2003 (rapporteur: de heer Simon, 110 stemmen vóór en 1 onthouding) werd ingestemd met de technische voorstellen, maar wordt wel benadrukt dat een overdreven strenge regeling de kosten van de verplichte informatie al te zeer kunnen opdrijven, waardoor zeker kleine uitgevende instellingen niet geneigd zullen zijn volledige transparantie van informatie na te streven.

2.2.4   In 2005 heeft de wetgevingsactiviteit zich gericht op de zgn. regelgevers voor de informatie op de markten, door een nieuwe comitéstructuur voor financiële diensten in het leven te roepen. Het was de bedoeling om Europese wet- en regelgevers in staat te stellen doeltreffender en sneller in te spelen op ontwikkelingen op de financiële markten (met name als gevolg van technologische veranderingen). Het EESC heeft zich hierover op 31 maart 2004 in positieve zin uitgesproken (rapporteur: mevrouw Fusco, 95 stemmen vóór, 2 onthoudingen).

2.3   Het voorstel voor een richtlijn dat onderwerp is van het onderhavige advies beoogt hoofdzakelijk de toepassing te verbeteren van de Richtlijnen nrs. 2003/71 en 2004/109, door enkele vereenvoudigingen aan te brengen om de financiële informatie beter te laten aansluiten op de behoeften van kleine beleggers, en om de efficiency en de internationale concurrentiepositie van in de EU gevestigde uitgevende instellingen te vergroten. In tegenstelling tot de eerdere wetgevingshandelingen is dit voorstel voor een richtlijn dus vooral gericht op de kwaliteit van de financiële informatie.

2.4   Het EESC is van mening dat „veel” informatie niet altijd synoniem is voor „goede informatie”. Dit levert ook problemen op van economische aard, omdat ervan wordt uitgegaan dat de kosten van de financiële informatie meer worden bepaald door de hoeveelheid te produceren prospectussen, dan door de kwaliteit van de inhoud. Dit voorstel voor een richtlijn zou een besparing van minstens 300 miljoen euro per jaar kunnen opleveren, omdat de overlappingen in de verschillende fasen van de informatieverspreiding worden aangepakt.

2.5   Het streven naar een financiële markt die in staat is beleggers de juiste hoeveelheid kwaliteitsvolle en betaalbare informatie over te brengen, is een onderwerp dat brede belangstelling geniet. Recente studies van de Universiteit van Venetië Ca Foscari hebben aangetoond dat het gevaar van slechte informatie (het zgn. informatierisico) de afgelopen 15 jaar verantwoordelijk is geweest voor gemiddeld 37 % van de volatiliteit op de Europese aandelenmarkten, zonder wezenlijk onderscheid tussen de verschillende marktsegmenten. Dezelfde studies laten zien hoe meer dan 3/4 van het informatierisico – verrassend genoeg – te wijten is aan de mechanismen voor informatieverspreiding onder de marktdeelnemers, terwijl slechts 1/4 te wijten is aan het niet-vrijgeven van informatie door de uitgevende instellingen. Deze situatie hangt samen met het kostenplaatje van de financiële informatie, die wordt gekenmerkt door hoge productiekosten en een lage prijs voor de overdracht aan derden: een rechtstreeks gevolg van het feit dat niemand van het gebruik ervan kan worden uitgesloten. Dit is een verschijnsel dat op zichzelf aanzet tot een mindere kwaliteit van de informatie en van de verspreidingsmechanismen, wat dan weer wordt gecompenseerd door een overdaad aan informatie, vaak dubbelop.

2.6   Het EESC acht het derhalve zaak dat maatregelen worden getroffen om de economische processen rond de productie en verspreiding van informatie te reglementeren, zodat zij daadwerkelijk kunnen bijdragen tot een betere kwaliteit van de op de financiële markten beschikbare informatie, zodat beleggers hun beleggingen beter kunnen selecteren en zodat uitgevers van effecten minder kosten voor het aantrekken van financiële middelen zullen moeten maken.

3.   De belangrijkste bepalingen van het richtlijnvoorstel

3.1   Het voorstel voor een richtlijn bestaat uit vijf artikelen, waarvan de eerste twee zijn gericht op wijziging van resp. Richtlijn 2003/71/EG (artikel 1 van het voorstel, een omvangrijke wijziging) en Richtlijn 2004/109/EG (artikel 2 van het voorstel, minder omvangrijk). De overige drie artikelen zijn ondersteunende artikelen, aangezien zij betrekking hebben op de omzetting (art. 3), de inwerkingtreding (art. 4) en de adressaten (art. 5).

3.2   Inhoudelijke analyse en opmerkingen m.b.t. artikel 1 van het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/71/EG

3.2.1   Voorstel tot wijziging van art. 1, lid 2, punt h) en j) en artikel 3, lid 2, punt e). Toevoeging van vierde lid aan artikel 1

3.2.1.1   In de nieuwe tekst wordt allereerst gespecificeerd dat de grenswaarden voor de toepasselijkheid van de richtlijn betrekking hebben op alle effectenaanbiedingen op het grondgebied van de Europese Unie. Deze precisering is van belang om te voorkomen dat de richtlijn wordt omzeild door de economische transacties op te splitsen in verschillende, juridisch onafhankelijke transacties, die onder specifieke juridische contexten vallen. Ook onderstreept het EESC dat deze precisering noodzakelijk is om eventuele verschillen in de verspreiding van informatie in verschillende territoriale contexten, en de extra kosten die daaruit zouden kunnen voortvloeien, met grote gevolgen voor kleinere transacties, te voorkomen.

3.2.1.2   Vervolgens worden nieuwe grenswaarden voor de toepassing van de Richtlijn genoemd, die overeenstemmen met de huidige context van de financiële markten. Om te voorkomen dat de grenswaarden op een gegeven moment achterhaald zouden zijn, wordt voorgesteld dat de Commissie de grenswaarden kan aanpassen aan de pro tempore omstandigheden indien dat nodig is om de verspreiding van informatie op de financiële markten veilig te stellen. Het EESC is het ermee eens dat de grenswaarden gemakkelijk moeten kunnen worden aangepast aan de marktvoorwaarden, maar stelt voor dat de Commissie haar wijzigingen baseert op de voorstellen van de markttoezichtautoriteiten en de financiële intermedia irs, aangezien zij het beste in staat zijn de werkelijke marktbehoeften voortdurend in het oog te houden.

3.2.2   Voorstel tot wijziging van art. 2, lid 1, punt e) en punt m), punt ii)

3.2.2.1   Het voorstel vraagt om de definitie van „gekwalificeerde beleggers” op één lijn te brengen met de in de MiFID-richtlijn gehanteerde definitie. Het EESC stemt in met dit voorstel, omdat het de homogeniteit van het communautaire wetgevingskader ten goede komt.

3.2.2.2   Het voorstel stelt de criteria vast voor de vaststelling van het geografische toepassingsgebied voor effecten zonder aandelenkarakter met een nominale waarde van minder dan 1 000 EUR, door deze te beperken tot de lidstaten waar de uitgevende instelling haar statutaire zetel heeft of de lidstaten waar de effecten zullen worden toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of waar de effecten aan het publiek worden aangeboden. Het EESC stemt in met het streven van de Commissie om de procedures te vereenvoudigen en de extra kosten als gevolg van het moeten opstellen van meerdere prospectussen, te voorkomen. In dit verband merkt het EESC op dat de marktwaarde van de effecten sterk verschilt van de nominale waarde, die vaak een louter juridische waarde heeft en wordt gebruikt om het proportionele aandeel in een initiatief vast te stellen. Bijgevolg hebben niet alle effecten een nominale waarde, en bieden sommige rechtssystemen de mogelijkheid om effecten uit te geven zonder zogenaamde „par value”, vooral als het gaat om effecten die geen aandeel in het kapitaal vertegenwoordigen. Het EESC stelt daarom voor het voorstel aan te passen, door iedere verwijzing naar de „nominale waarde” te vervangen door een verwijzing naar de „marktwaarde” (of plaatsingswaarde) van effecten met aandelenkarakter en naar de „onderliggende waarde” in het geval van effecten zonder aandelenkarakter.

3.2.3   Voorstel tot wijziging van art. 3, lid 2

3.2.3.1   Het voorstel biedt de intermedia irs die verantwoordelijk zijn voor de plaatsing de mogelijkheid om het oorspronkelijke prospectus van de uitgevende instelling te gebruiken, zolang dit prospectus overeenstemt met de Europese wetgeving, om zo de kosten voor de opstelling van bijkomende documenten te vermijden. Het EESC is het in principe eens met dit voorstel en de argumentatie, maar stelt voor dat de toepassing van de nieuwe wetgevingstekst explicieter wordt uitgelegd, bijvoorbeeld voor het geval dat een intermedia ir zijn zetel in een derde land heeft en overgaat tot plaatsing in een ander land dan het land van de uitgevende instelling.

3.2.3.2   Ook vraagt het EESC zich af of het feit dat de „retail cascade” gebruik kan maken van de hierboven (in par. 3.2.3.1) genoemde mogelijkheid, niet in tegenspraak is met de snelle veroudering van de financiële informatie. Het stelt dan ook voor dat de markttoezichtautoriteiten waaraan de uitgevende instellingen (of de intermedia irs) verantwoording moeten afleggen, een termijn vaststellen voor de geldigheid van het prospectus, bij het verstrijken waarvan deze verplicht moet worden bijgewerkt indien de specifieke belegging waarvoor het prospectus gepubliceerd is nog steeds loopt.

3.2.4   Voorstel tot wijziging van art. 4, lid 1, punt e)

3.2.4.1   Het voorstel omvat een uitbreiding van de momenteel geldende vrijstelling tot aandelenplannen voor werknemers van ondernemingen die niet op een gereglementeerde markt zijn genoteerd (met inbegrip van ondernemingen met aandelen die op niet-EU-markten zijn genoteerd). Dit voorstel is bedoeld om een einde te maken aan de verschillen in behandeling tussen verschillende categorieën ondernemingen (in de EU genoteerde ondernemingen vs. niet-genoteerde en buiten de EU genoteerde ondernemingen) en tevens om de kosten van plaatsingen die zijn voorbehouden aan personen die reeds over het beleggingsrisico zijn geïnformeerd, omdat ze werknemers zijn, te beperken.

3.2.4.2   Het EESC is het ermee eens dat de kosten moeten worden teruggedrongen, maar onderstreept dat het feit dat aandelen worden aangeboden aan de eigen werknemers op zich al relevante informatie kan zijn voor beleggers op de secundaire markt, zeker wanneer het gaat om internationale concerns. Het hoopt dan ook dat de uitbreiding van de vrijstelling gepaard gaat met een herziening van de regelgeving m.b.t. de transparantie van de markten. Het EESC zou hierover een apart initiatiefadvies kunnen uitbrengen.

3.2.5   Voorstel tot wijziging van art. 5, lid 2, art. 6, lid 2 en art. 7

3.2.5.1   In het richtlijnvoorstel wordt voorgesteld meer aandacht te besteden aan de samenvatting van het prospectus, omdat dit voor kleine beleggers een belangrijke bron van informatie is. De opsteller van het prospectus zou juridisch aansprakelijk kunnen worden gehouden voor fouten in de samenvatting; in het voorstel wordt echter gespecificeerd dat de hoeveelheid woorden geen goede indicator is voor de informatiewaarde van het document, die namelijk afhangt van de inhoud van de zgn. „kerngegevens”.

3.2.5.2   Het EESC is het ermee eens dat de hoeveelheid woorden geen adequate indicator kan zijn voor de informatiewaarde van de samenvatting, maar is van mening dat de voorgestelde richtlijn duidelijkere criteria moet geven voor wat onder de belangrijkste informatie wordt verstaan. Aangezien beleggers een belegging moeten beoordelen op grond van de verhouding tussen het verwachte risico en het rendement, zouden de kerngegevens betrekking moeten hebben op dat wat het meest van invloed is op het risicoprofiel van de belegging, iets wat van nature moeilijk kan worden vastgesteld. Voorgesteld wordt dan ook de kerngegevens vast te stellen op basis van hun potentiële impact, af te meten aan de hand van standaardindicatoren die ook in andere EU-wetgeving worden gebruikt, zoals de „value-at-risk”. Een alternatieve en eenvoudige oplossing die het EESC bepleit is de verplichte vermelding van de value-at-risk in de samenvatting van het prospectus.

3.2.6   Voorstel tot wijziging van art. 7, lid 2

De voorgestelde wijziging wil ervoor zorgen dat de kosten voor het opstellen van het prospectus in verhouding staan tot de omvang van de emissie, ook in het geval van claimemissies. Het is immers bekend dat de productiekosten van prospectussen niet geheel evenredig zijn aan de omvang van de financiële transactie, en dat de kosten voor kleinere transacties dus onevenredig hoog zijn. In het geval van claimemissies worden de minder vergaande informatieverplichtingen gerechtvaardigd door de stelling dat „bestaande aandeelhouders reeds de initiële beslissing hebben genomen om in de betrokken onderneming te investeren en er dus vertrouwd mee zouden moeten zijn”.

Het EESC is het ermee eens dat de impact van de vaste kosten van het prospectus op de omvang van de financiële transactie moet worden teruggedrongen, omdat dit iets is wat objectief kan worden gemeten. Daarentegen vindt het de rechtvaardiging voor het verminderen van de informatieverplichtingen voor claimemissies te beperkend, aangezien deze emissies vaak voorafgaan aan de verhandeling van die claims aan beleggers die op het moment van de emissie niet tot de aandeelhouders van de onderneming behoren, zodat zij over minder informatie beschikken. Voor beide gevallen zou de invoering van een verplichte „value-at-risk”-vermelding de kosten voor het opstellen van het prospectus laag kunnen houden, zonder dat de informatiewaarde van de samenvatting hieronder lijdt.

3.2.7   Voorstel tot wijziging van art. 8

Voorgesteld wordt de documentatieplicht m.b.t. de garant van de emissie op te heffen wanneer het een lidstaat betreft. Dit om de totale kosten van de transactie binnen de perken te houden. Het EESC stemt hier in principe mee in maar stelt voor dat het prospectus in ieder geval de laatste „rating” van de garant vermeldt, aangezien deze zelfs bij gelijke valuta per lidstaat verschilt, en aangezien de garantie ook kan worden verstrekt door financieel autonome overheidsorganen en eventueel ook door openbare „special purpose vehicles”.

3.2.8   Voorstel tot wijziging van art. 9 en art. 14, lid 4

Het voorstel beoogt de geldigheidsduur van het prospectus te verlengen van 12 naar 24 maanden. Het EESC herhaalt wat het al eerder heeft opgemerkt, namelijk dat de aard van de financiële informatie het niet toelaat de geldigheidsduur van de informatie strikt vast te leggen; het stelt dan ook voor de huidige geldigheidsduur van 12 maanden te handhaven en de toezichthouders van de financiële markten de mogelijkheid te geven deze met nog eens 12 maanden te verlengen op grond van een met redenen omkleed verzoek van de uitgevende instelling.

3.2.9   Voorstel tot wijziging van art. 10, art. 11, lid 1, art. 12, lid 2 en art. 14, lid 4

3.2.9.1   Het EESC stemt in met het voorstel om art. 10 van de richtlijn te schrappen, aangezien de verplichting om jaarlijks een document te verstrekken dat alle gegevens bevat die de laatste twaalf maanden zijn gepubliceerd een onnodige extra last voor de uitgevende instelling inhoudt, zonder dat de belegger hier op enige wijze bij gebaat is. Met de moderne informatie-instrumenten kan de belegger immers gemakkelijk oude prospectussen opvragen, zeker in het licht van de wijziging van art. 14, waarin wordt voorgesteld de termijn waarbinnen prospectussen op het internet beschikbaar moeten zijn, te verlengen.

3.2.9.2   De voorstellen tot wijziging van de artt. 11 en 12 zijn het gevolg van het voorstel om art. 10 te schrappen en dus heeft het EESC geen bezwaren, behoudens de hierboven gemaakte opmerkingen.

3.2.10   Voorstel tot wijziging van art. 16

3.2.10.1   Het voorstel beoogt in de eerste plaats het moment vast te leggen waarop de informatieplicht vervalt, met name indien de afsluiting van de aanbieding niet samenvalt met het tijdstip waarop de handel aanvangt: voorgesteld wordt het tijdstip dat het eerst valt te kiezen. Het EESC zou dit voorstel willen aanvullen met de verplichting voor intermedia irs die effecten plaatsen om het handelsvolume in de periode tussen de afsluiting van de aanbieding en de aanvang van de handel bekend te maken. De gegevens over het handelsvolume tijdens deze periode (een praktijk die vroeger de „grijze markt” werd genoemd) moeten worden bevestigd door een toezichthouder en moeten betrekking hebben op alle handelstransacties tussen de aan de plaatsing deelnemende intermedia irs.

3.2.10.2   In het voorstel wordt vervolgens een homogene termijn vastgesteld van twee dagen na de publicatie van de aanvullende informatie, waarbinnen beleggers het recht hebben hun aanvaarding in te trekken. Het EESC vindt het een goede zaak dat de termijn voor het recht tot intrekking van de aanvaarding wordt geharmoniseerd, maar stelt voor de verplichting in te voeren om beleggers die de effecten reeds hebben aanvaard de aanvulling op het prospectus toe te mailen op een speciaal hiervoor meegedeeld e-mailadres.

3.2.11   Voorstel tot wijziging van art. 18

De wijziging die wordt voorgesteld op art. 18 is zeer technisch van aard en zorgt voor een snellere toezending van de goedkeuringsverklaring dat het prospectus in overeenstemming met de richtlijn is opgesteld. Dit zal resulteren in minder kosten en risico's in verband met technische fouten bij de publicatie van prospectussen, vooral in lidstaten waar het zgn. „paspoort” nog niet volledig functioneert. Het EESC stemt in met dit wijzigingsvoorstel.

3.3   Inhoudelijke analyse en opmerkingen m.b.t. artikel 2 van het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG

De wijzigingen die worden voorgesteld in art. 2 zijn bedoeld om de tekst van de betreffende richtlijn in overeenstemming te brengen met de inhoud van de voorafgaande paragrafen. Het EESC stemt in met de voorgestelde wijzigingen, behoudens de hierboven gemaakte opmerkingen.

Brussel, 18 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/84


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Evaluatie van het milieubeleid 2008

(COM(2009) 304 definitief)

(2010/C 347/13)

Rapporteur: Daniel RETUREAU

De Europese Commissie heeft op 24 juni 2009 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de

„Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement – Evaluatie van het milieubeleid 2008”

COM(2009) 304 final.

De gespecialiseerde afdeling, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 januari 2010 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) het volgende advies uitgebracht, dat met 118 stemmen vóór en 4 stemmen tegen, bij 10 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Samenvattend meent het Comité dat de communautaire instellingen en de lidstaten de problematiek van klimaatverandering en duurzame ontwikkeling zeer serieus hebben genomen. Er blijft echter nog veel te doen; zo moeten uiteindelijk gemeenschappelijke standpunten worden aangenomen en internationale, in cijfers uitgedrukte verbintenissen op papier worden gezet. Daartoe is een herziening nodig van het beleid inzake steun aan de ACS-landen en meer in het algemeen de ontwikkelingslanden. Dit geldt ook voor de voornaamste handelspartners, waaronder in de eerste plaats de Verenigde Staten.

1.2   De totale ecologische voetafdruk van goederen dient te worden onderworpen aan minimumnormen. Het EU-beleid behoort een combinatie van wetgeving en vrijwillige instrumenten en initiatieven te blijven, om zo een gedragswijziging te bewerkstelligen en te zorgen voor een toenemend besef van de nieuwe problemen die wij als mensheid voortaan het hoofd moeten bieden; aspecten als „informatie” en „educatie” dienen op het niveau van het maatschappelijk middenveld tot ontwikkeling te worden gebracht.

1.3   Het geïntegreerde beleid klimaat/energie begint zijn doelmatigheid te bewijzen; het moet worden voortgezet door het uit te breiden naar andere broeikasgassen en andere sectoren (in de eerste plaats het vervoer in al zijn vormen) en door internationale samenwerking te bevorderen.

1.4   Wetgeving zoals REACH en milieuaansprakelijkheid zullen een voorname rol blijven spelen en worden aangevuld met initiatieven van het bedrijfsleven, burgers en consumenten.

1.5   In veel van de richtlijnen die de laatste jaren werden goedgekeurd, wordt gepleit voor een nauwgezette follow-up, zodat kan worden nagegaan of de EU-bepalingen naar behoren worden omgezet en de nationale wetgeving efficiënt is; daarbij moet vooral aandacht worden besteed aan de handhaving.

1.6   Het verslag is bijzonder volledig en nuttig, maar het Comité vraagt zich af of het ook onder het publiek wordt verspreid.

2.   Voornaamste punten uit het verslag van de Commissie

2.1   Wat de Europese burgers betreft, werd het jaar 2008 gekenmerkt door een ongekende bewustwording van de mondiale klimaatveranderingscrisis, die van nu af aan voor hen een zeer hoge politieke prioriteit heeft.

2.2   Dit onderstreept de noodzaak ons te richten op de ontwikkeling van een economie met een laag koolstofverbruik en een zuinig beheer van natuurlijke hulpmiddelen. Aanvullende inspanningen worden overwogen om deze uitdagingen aan te gaan.

2.3   De economie werd zwaar getroffen door een crisis zonder weerga; de financiële crisis heeft het investeringsklimaat in de reële economie verstikt en geleid tot aanzienlijke werkloosheid en een enorme toename van de overheidsschulden, vanwege overheidsleningen en participaties in banken en kredietinstellingen.

2.4   Het verslag van de Commissie bestaat uit een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement; het EECS wordt niet formeel geraadpleegd over periodieke voortgangsverslagen, maar verzoekt over het algemeen om deze verslagen te ontvangen. Zo kan het de daadwerkelijke uitvoering van de wetgeving en communautaire richtsnoeren volgen.

2.5   Het jaarverslag van 2008 over het milieubeleid heeft als verdienste dat het de balans opmaakt van communautaire initiatieven en hun doeltreffendheid, met name ten aanzien van de afspraken inzake de reductie van broeikasgassen die in Kyoto zijn gemaakt en de verwachte uitkomsten van de conferentie van Kopenhagen van december 2009. Het Comité heeft hierover advies uitgebracht (1).

2.6   Volgens de Commissie, en afgaande op de verwachtingen, ziet het er naar uit dat de EU haar doelstellingen van broeikasgasreductie ingevolge het Kyoto-protocol inzake de strijd tegen de klimaatverandering, zal bereiken. De EU en haar lidstaten – in ieder geval het merendeel – zouden zich aan hun reductieafspraken hebben gehouden. De doelstellingen zouden zelfs kunnen worden overtroffen dankzij de unilaterale inspanningen van enkele lidstaten die aanvullende maatregelen overwegen.

2.7   De verschillende terreinen waarop het communautaire milieubeleid van toepassing is, passeren in het verslag de revue. We mogen echter niet vergeten dat de mededeling slechts een samenvatting is, het volledige verslag beslaat meer dan 200 bladzijden en is opgenomen in de bijlage.

2.8   Op basis van volledige, op 2006 betrekking hebbende cijfers, waren in juni 2008 de emissies van broeikasgassen in de EU-15, 2,7 % lager dan in het referentiejaar (1990), bij een economische groei van ongeveer 40 % in dezelfde periode. Gezien het beleid en de maatregelen die op dit moment van kracht zijn, moet het mogelijk zijn om in 2010 te komen tot een totale reductie van 3,6 % vergeleken met het referentiejaar, ofwel halverwege de periode 2008-2012, waarvoor wij een reductie van 8 % hebben afgesproken. Een aanvullende reductie van 3 %, die de totale reductie op 6,6 % zou brengen, moet voortvloeien uit de emissierechten die uit hoofde van de Kyoto-mechanismen van derde landen zijn gekocht. Nog eens 1,4 % wordt verwacht van de koolstofputten.

2.9   Dit alles moet het mogelijk maken de doelstelling van Kyoto te halen of zelfs te overtreffen, aangezien in de prognoses van de lidstaten nog geen sprake is van vastgestelde plafonds voor de toewijzing van communautaire emissiequota voor de ruilperiode 2008-2012, waarvan een aanvullende reductie van 3,3 % aan emissies wordt verwacht, vergeleken met het referentiejaar.

3.   Opmerkingen

3.1   De verwachtingen van de Commissie in het verslag over 2008 berusten op betrekkelijk oude, volledige gegevens en vanaf 2006 op onvolledige gegevens. Meer gegevens waren in 2008 echter nog niet beschikbaar, en de Commissie heeft rekening gehouden met alle relevante informatie waarop zij tot op het moment van publicatie de hand kon leggen. Ondanks het teleurstellende resultaat van de milieuconferentie van Kopenhagen moet de EU vast houden aan haar doelstelling inzake de beperking van de uitstoot tegen 2012; daarnaast moet zij haar inspanningen met het oog op verdere beperkingen tegen 2020 voortzetten.

3.2   Veel van de richtlijnen die de afgelopen jaren zijn goedgekeurd vragen om nauwgezet toezicht voor een dergelijke omzetting in nationaal recht en de doeltreffende waarborging ervan, met name wat betreft de controle van de uitvoering. Sommige landen zijn er niet in geslaagd de doelstellingen waartoe zij zich hadden verbonden, te verwezenlijken. Uit het verslag blijkt duidelijk welke problemen en obstakels nog moeten worden overwonnen en op welke vlakken vooruitgang is geboekt. Het gaat om een volledig en gedetailleerd verslag waarin ook nieuwe indicatoren worden voorgesteld om de totale ecologische voetafdruk van producten en activiteiten te bepalen. De tekst verdient daarom op ruime schaal te worden verspreid en ook toekomstige verslagen moeten onder de aandacht van het publiek worden gebracht, zodat een mentaliteitsverandering ontstaat in de productie- en distributiesector en bij de consument.

3.3   Het Comité is niet volledig overtuigd van het argument dat de crisis zelf een kans biedt om op duurzamere productie- en consumptiepatronen over te schakelen. De koopkracht van een toenemend aantal gezinnen wordt sterk aangetast door de werkloosheid en door de sluiting van bedrijven, die in sommige gevallen hun productie hebben verplaatst naar een derde land. Werkgelegenheid en huisvesting, in het bijzonder voor jongeren, blijven op korte termijn grote zorgen waarvoor oplossingen dienen te worden gevonden.

3.4   Onzekere banen, in deeltijd uitgevoerd en van beperkte duur, lijken schering en inslag te worden, wat een onevenwichtige situatie veroorzaakt die de veranderingen in de consumptiepatronen van huishoudens en bedrijven weinig ten goede komt. Deze laatste neigen er vaak toe hun meest verontreinigende productie uit de EU te verplaatsen, in plaats van te investeren in andere productiewijzen, wat vooral voor het midden- en kleinbedrijf ook moeilijker is, nu krediet schaarser is geworden.

3.5   Het verslag gaat slechts kort in op de gevolgen van de crisis, die nog allesbehalve zijn opgelost op een wijze die het milieu ten goede komt. De klap is ook hard aangekomen in de landen buiten de EU-27, in het bijzonder in ontwikkelingslanden. Een doelmatig beleid ten aanzien van deze landen valt op korte termijn niet te verwachten, nu de officiële ontwikkelingshulp naast andere vormen van hulp snel afneemt. Een snelle en consequente gedragsverandering is absoluut noodzakelijk om deze landen, die de middelen en technologie ontberen om de klimaatverandering te bestrijden, te hulp te schieten.

3.6   Een halfslachtig „business as usual”-herstel, met het vertrouwde economische bestel, zal een veiliger en beter milieu niet dichterbij brengen. Vooralsnog geven de financiële markten en de industrie verre van bemoedigende signalen af; politieke vastberadenheid is onontbeerlijk, alsmede een sterkere mobilisering van Europese burgers en objectieve, dus niet nodeloos sensatiebeluste berichtgeving in de media.

Voor de nieuwe industrielanden (China, Brazilië, India…) zijn de oude consumptiepatronen van geïndustrialiseerde landen met een markteconomie nog altijd een begeerde doelstelling. Noch de regeringen, noch de burgers hebben veel begrip voor de beperkingen die men hun wil opleggen op het gebied van milieuverontreiniging en verandering van levens- en consumptiepatronen. Zij ervaren de verplichtingen die de strijd tegen de klimaatverandering met zich meebrengt als een soort historisch onrecht, jegens hen begaan, op een moment dat zij hun bevolking van armoede proberen te bevrijden en de gezondheidszorg en het onderwijs trachten te stimuleren door middel van een industrialisering die berust op onderaanneming voor transnationale bedrijven.

3.7.1   Zij vragen om hulp en overdracht van technologieën. Dit behoort zeer serieus in overweging te worden genomen, indien men verder wil gaan op de weg die met de klimaatakkoorden is ingeslagen.

3.8   De kwestie van het vervoer van het ene einde van de wereld naar het andere via versnipperde productieketens en naar consumptielocaties die zeer ver van elkaar verwijderd zijn, dient te worden bestudeerd en er moeten passende maatregelen worden genomen. Het terugboeken van de daadwerkelijke milieu- en klimaatkosten is op dit moment een belasting voor de consument, zowel uit het oogpunt van kosten als van verontreiniging. Het Comité ondersteunt derhalve de inspanningen om het MARPOL-verdrag te herzien en de verontreiniging door schepen te beperken; daarnaast moeten ook algemene regelingen worden ingevoerd voor de financiële markten en met het oog op de verbetering van de vervoerslogistiek en de bevordering van duurzame productie.

3.9   Het Comité deelt de mening van de Commissie dat de regeringen hun economische herstelplannen moeten gebruiken om een doelmatiger energiegebruik te bewerkstelligen, zulks door de ecologische infrastructuur te ontwikkelen en eco-innovatie te bevorderen.

3.10   Een krachtig milieubeleid kan ertoe bijdragen dat er een „groener” herstel wordt ingezet, met een verminderde koolstofvoetafdruk en een aangepast verbruik van ondernemingen en huishoudens.

3.11   Het snelle verlies aan biodiversiteit in de wereld (uitsterven van vele planten- en diersoorten, waarvan sommige, zoals bijen en vogels, zwaar worden getroffen, terwijl zij essentieel zijn voor de landbouwproductie) moet een aansporing zijn om beleid in gang te zetten dat de verdwijning van soorten afremt; dit geldt in het bijzonder voor:

het beheer van de bossen en de stopzetting van het kappen van oerbossen en regenwouden;

gangbare landbouwmethoden (het staat vast dat de huidige gewasbeschermingsmiddelen de gezondheid van bijen en het voedsel van vogels aantasten).

3.12   Het Comité stemt in met de uitwerking van nieuwe indicatoren die rekening houden met de biodiversiteit en het klimaat, naar het voorbeeld van de voor EUROSTAT vastgestelde indicatoren inzake de prioritaire gebieden van het Zesde Milieuactieprogramma.

3.13   CO2 is niet het enige broeikasgas. Er dient scherp te worden gelet op NOx (stikstofoxiden) en op alles wat de ozonlaag kan aantasten en de atmosfeer kan opwarmen.

3.14   Het Comité dringt aan op de bewustmaking en actieve deelname van burgers, toegespitst op goede praktijken aangaande gebruikte producten, op het beperken en scheiden van huishoudelijk afval; onontbeerlijk is ook de bewustmaking van ondernemingen, die de strijd tegen de klimaatverandering deel moeten laten uitmaken van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

3.15   Over de meeste programma’s en wetgeving die in het verslag aan de orde komen is op een bepaald moment door het EESC advies uitgebracht (2). Ook heeft het EESC een permanente waarnemingspost voor duurzame ontwikkeling ingesteld om op doelmatiger wijze bij te dragen aan strategieën ter bestrijding van de klimaatverandering, aan de follow-up van communautair beleid en communautaire wetgeving, en aan de controle op de doeltreffendheid daarvan.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB C 128, 18.5.2010, blz. 116.

(2)  EESC-adviezen: PB C 128, 18.5.2010, blz. 122; PB C 318, 23.12.2009, blz. 97; PB C 317, 23.12.2009, blz. 75; PB C 318, 23.12.2009, blz. 92; PB C 306, 16.12.2009, blz. 42; PB C 277, 17.11.2009, blz. 67; PB C 277, 17.11.2009, blz. 62; PB C 318, 23.12.2009, blz. 88; PB C 218, 11.9.2009, blz. 55; PB C 218, 11.9.2009, blz. 50; PB C 218, 11.9.2009, blz. 46; PB C 175, 28.7.2009, blz. 34; PB C 218, 11.9.2009, blz. 59; PB C 306, 16.12.2009, blz. 39; PB C 204, 9.8.2008, blz. 66.