ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.CE2009.295.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 295E

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

52e jaargang
4 december 2009


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

Europees ParlementZITTING 2008-2009Vergaderingen van 2 tot 4 september 2008AANGENOMEN TEKSTENDe notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 275 E van 30.10.2008

 

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 2 september 2008

2009/C 295E/01

Visserij en aquacultuur in de context van het geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa
Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over visserij en aquacultuur in de context van het geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa (2008/2014(INI))

1

2009/C 295E/02

Evaluatie van het Dublin-systeem
Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over de evaluatie van het Dublin-systeem (2007/2262(INI))

4

2009/C 295E/03

Bepaalde kwesties in verband met motorrijtuigenverzekering
Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over bepaalde kwesties in verband met motorrijtuigenverzekering (2007/2258(INI))

10

2009/C 295E/04

Gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude
Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over een gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude (2008/2033(INI))

13

2009/C 295E/05

Het uitroepen van 2011 tot het Europees jaar van de vrijwilligers
Verklaring van het Europees Parlement over het uitroepen van 2011 tot het Europees jaar van de vrijwilligers

19

2009/C 295E/06

Aandacht voor zelfverwezenlijking van de jeugd in het beleid van de Europese Unie
Verklaring van het Europees Parlement over aandacht voor zelfverwezenlijking van de jeugd in het beleid van de Europese Unie

21

2009/C 295E/07

Noodprocedures voor samenwerking bij het terugvinden van vermiste kinderen
Verklaring van het Europees Parlement over noodprocedures voor samenwerking bij het terugvinden van vermiste kinderen

23

 

Woensdag, 3 september 2008

2009/C 295E/08

Georgië
Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over de situatie in Georgië

26

2009/C 295E/09

Europees verbintenissenrecht
Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het Gemeenschappelijk referentiekader voor het Europees verbintenissenrecht

31

2009/C 295E/10

Speciaal verslag van de Europese Ombudsman naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling aan de Commissie (klacht 3453/2005/GG)
Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie met betrekking tot klacht 3453/2005/GG (2007/2264(INI))

33

2009/C 295E/11

Gelijkheid tussen mannen en vrouwen — 2008
Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen — 2008 (2008/2047(INI))

35

2009/C 295E/12

Klonen van dieren ten behoeve van de voedselvoorziening
Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het klonen van dieren ten behoeve van de voedselvoorziening

42

2009/C 295E/13

Effect van marketing en reclame op de gelijkheid tussen vrouwen en mannen
Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het effect van marketing en reclame op de gelijkheid tussen vrouwen en mannen (2008/2038(INI))

43

 

Donderdag, 4 september 2008

2009/C 295E/14

Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de situatie van Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen

47

2009/C 295E/15

Evaluatie van sancties van de EU als deel van optreden en beleid van de EU op het gebied van mensenrechten
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de evaluatie van sancties van de EU als deel van optreden en beleid van de EU op het gebied van mensenrechten (2008/2031(INI))

49

2009/C 295E/16

Milleniumdoelstellingen voor ontwikkeling — Doelstelling 5: verbetering van de gezondheid van moeders
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over moedersterfte aan de vooravond van de bijeenkomst op hoog niveau van de VN over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die op 25 september 2008 plaatsvindt

62

2009/C 295E/17

Handel in diensten
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de handel in diensten (2008/2004(INI))

67

2009/C 295E/18

Europees havenbeleid
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over een Europees havenbeleid (2008/2007(INI))

74

2009/C 295E/19

Goederenvervoer in Europa
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over het goederenvervoer in Europa (2008/2008(INI))

79

2009/C 295E/20

Tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (2007/2252(INI))

83

2009/C 295E/21

Staatsgreep in Mauritanië
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de staatsgreep in Mauritanië

89

2009/C 295E/22

Executies in Iran
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over executies in Iran

92

2009/C 295E/23

Vermoorden van albino's in Tanzania
Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over het vermoorden van albino's in Tanzania

94

 

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 2 september 2008

2009/C 295E/24

Involveren van de voorzitters van de subcommissies (interpretatie van artikel 182)
Besluit van het Europees Parlement van 2 september 2008 over de interpretatie van artikel 182 van het Reglement betreffende het involveren van de voorzitters van de subcomissies

97

 

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 2 september 2008

2009/C 295E/25

Programma Jeugd in actie (2007-2013) *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1719/2006/EG tot vaststelling van het programma Jeugd in actie voor de periode 2007-2013 (COM(2008)0056 — C6-0057/2008 — 2008/0023(COD))

98

P6_TC1-COD(2008)0023Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1719/2006/EG tot vaststelling van het programma Jeugd in actie voor de periode 2007-2013

98

2009/C 295E/26

Programma Cultuur (2007-2013) *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1855/2006/EG tot vaststelling van het programma Cultuur (2007-2013) (COM(2008)0057 — C6-0058/2008 — 2008/0024(COD))

99

P6_TC1-COD(2008)0024Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1855/2006/EG tot vaststelling van het programma Cultuur (2007-2013)

99

2009/C 295E/27

Programma Europa voor de burger (2007-2013) *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1904/2006/EG tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma Europa voor de burger ter bevordering van een actief Europees burgerschap (COM(2008)0059 — C6-0060/2008 — 2008/0029(COD))

100

P6_TC1-COD(2008)0029Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1904/2006/EG tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma Europa voor de burger ter bevordering van een actief Europees burgerschap

100

2009/C 295E/28

Actieprogramma op het gebied van een leven lang leren *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1720/2006/EG tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren (COM(2008)0061 — C6-0064/2008 — 2008/0025(COD))

101

P6_TC1-COD(2008)0025Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1720/2006/EG tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren

101

2009/C 295E/29

Sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG/Oezbekistan om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (COM(2007)0117 — C6-0213/2008 — 2007/0044(CNS))

102

2009/C 295E/30

Sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG/Kirgizstan om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kirgizstan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (COM(2007)0133 — C6-0228/2008 — 2007/0047(CNS))

102

2009/C 295E/31

Sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen EG/Tadzjikistan om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (COM (2007)0143 — C6-0254/2008 — 2007/0050(CNS))

103

2009/C 295E/32

Eigen aansprakelijkheid van Montenegro voor de langlopende leningen aan Servië en Montenegro (de voormalige Federale Republiek Joegoslavië) *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een eigen aansprakelijkheid van Montenegro voor de langlopende leningen die de Gemeenschap uit hoofde van de Besluiten 2001/549/EG en 2002/882/EG van de Raad aan de Statenunie van Servië en Montenegro (voorheen de Federale Republiek Joegoslavië) heeft toegekend, en tot evenredige beperking van de aansprakelijkheid van Servië voor deze leningen (COM(2008)0228 — C6-0221/2008 — 2008/0086(CNS))

104

2009/C 295E/33

Biologische productie en de etikettering van biologische producten *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 834/2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten (COM(2008)0314 — C6-0219/2008 — 2008/0097(CNS))

104

2009/C 295E/34

Sluiting namens de Europese gemeenschap van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische oceaan *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese gemeenschap van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische oceaan (COM(2007)0831 — C6-0047/2008 — 2007/0285(CNS))

105

2009/C 295E/35

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2008
Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2008 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, Afdeling III — Commissie (11571/2008 — C6-0294/2008 — 2008/2161(BUD))

106

2009/C 295E/36

Europees justitieel netwerk *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek, met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad betreffende het Europees Justitieel Netwerk (5620/2008 — C6-0074/2008 — 2008/0802(CNS))

107

2009/C 295E/37

Toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, de Slowaakse Republiek, het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland met het oog op de aanneming van een Kaderbesluit van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van verstekvonnissen en tot wijziging van Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, Kaderbesluit 2005/214/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, Kaderbesluit 2006/783/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie en Kaderbesluit 2008/…/JBZ van de Raad inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (5598/2008 — C6-0075/2008 — 2008/0803(CNS))

120

2009/C 295E/38

Gebruik van het visuminformatiesysteem (VIS) in het kader van de Schengen-grenscode *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 wat betreft het gebruik van het visuminformatiesysteem (VIS) in het kader van de Schengen-grenscode (COM(2008)0101 — C6-0086/2008 — 2008/0041(COD))

148

P6_TC1-COD(2008)0041Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 wat betreft het gebruik van het visuminformatiesysteem (VIS) in het kader van de Schengengrenscode

148

2009/C 295E/39

Versterking van Eurojust en wijziging van Besluit 2002/187/JBZ *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad inzake het versterken van Eurojust en tot wijziging van Besluit 2002/187/JBZ (5613/2008 — C6-0076/2008 — 2008/0804(CNS))

149

 

Woensdag, 3 september 2008

2009/C 295E/40

Indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en tot wijziging van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en Verordening (EG) nr. 1907/2006 (COM(2007)0355 — C6-0197/2007 — 2007/0121(COD))

163

P6_TC1-COD(2007)0121Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 september 2008 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006

163

2009/C 295E/41

Indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (aanpassing van Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG, 1999/13/EG, 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG) *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG en 1999/13/EG van de Raad en de Richtlijnen 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG teneinde ze aan te passen aan Verordening (EG) nr. …/… betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, en tot wijziging van Richtlijn 67/548/EEG en Verordening (EG) nr. 1907/2006 (COM(2007)0611 — C6-0347/2007 — 2007/0212(COD))

164

P6_TC1-COD(2007)0212Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 september 2008 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2008/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG en 1999/13/EG van de Raad en de Richtlijnen 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde ze aan te passen aan Verordening (EG) … betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels

164

2009/C 295E/42

Indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (aanpassing van Verordening (EG) nr. 648/2004) *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 648/004 teneinde deze aan te passen aan Verordening (EG) nr. … betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en tot wijziging van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en Verordening (EG) nr. 1907/2006 (COM(2007)0613 — C6-0349/2007 — 2007/0213(COD))

165

2009/C 295E/43

Typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (COM(2007)0593 — C6-0342/007 — 2007/0214(COD))

165

P6_TC1-COD(2007)0214Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 september 2008 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG

166

 

Donderdag, 4 september 2008

2009/C 295E/44

Gedragscode voor geautomatiseerde boekingssystemen *** I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een gedragscode voor geautomatiseerde boekingssystemen (COM(2007)0709 — C6-0418/2007 — 2007/0243(COD))

167

P6_TC1-COD(2007)0243Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 september 2008 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake een gedragscode voor geautomatiseerde boekingssystemen en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2299/89 van de Raad

167

2009/C 295E/45

Toepasselijkheid op de Centraal-Aziatische landen van Besluit 2006/1016/EG van de Raad *
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de toepasselijkheid op de Centraal-Aziatische landen van Besluit 2006/1016/EG van de Raad tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen en garanties voor projecten buiten de Gemeenschap (COM(2008)0172 — C6-0182/2008 — 2008/0067(CNS))

168

Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

**I

Samenwerkingsprocedure, eerste lezing

**II

Samenwerkingsprocedure, tweede lezing

***

Instemmingsprocedure

***I

Medebeslissingsprocedure, eerste lezing

***II

Medebeslissingsprocedure, tweede lezing

***III

Medebeslissingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de door de Commissie voorgestelde rechtsgrondslag)

Politieke amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

Technische correcties en aanpassingen door de diensten: nieuwe of vervangende tekst staat in cursief, schrappingen zijn met het symbool ║ aangegeven.

NL

 


Europees ParlementZITTING 2008-2009Vergaderingen van 2 tot 4 september 2008AANGENOMEN TEKSTENDe notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 275 E van 30.10.2008

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag, 2 september 2008

4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/1


Dinsdag, 2 september 2008
Visserij en aquacultuur in de context van het geïntegreerd beheer van kustgebiedenin Europa

P6_TA(2008)0382

Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over visserij en aquacultuur in decontext van het geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa (2008/2014(INI))

2009/C 295 E/01

Het Europees Parlement,

gezien Aanbeveling 2002/413/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2002 betreffende de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2007, getiteld „Verslag aan het Europees Parlement en de Raad: Evaluatie van het geïntegreerd beheer van kustgebieden (ICZM) in Europa” (COM(2007)0308),

gezien Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (2),

gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (3) en de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2005, getiteld „Thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu” (COM(2005)0504),

gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2007, getiteld „Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie” (COM(2007)0575),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 juni 2006 over kustvisserij en de problemen van de kustvisserijgemeenschappen (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 9 maart 2006 betreffende de verbetering van de economische situatie in de visserijsector (COM(2006)0103) en onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 september 2006 over dat onderwerp (5),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 september 2002, getiteld „Een strategie voor de duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur” (COM(2002)0511),

gezien de voor het Parlement uitgevoerde studie naar de afhankelijkheid van Europese regio’s van de visvangst („Regional dependency on fisheries”) (6),

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0286/2008),

A.

overwegende dat geïntegreerd beheer van kustgebieden (ICZM) niet alleen een onderdeel van het milieubeleid is maar ook een lopend proces gericht op verbetering van de economische en sociale omstandigheden in kustgebieden en op de duurzame ontwikkeling van alle activiteiten die in deze gebieden worden ontplooid, zoals visserij en aquacultuur,

B.

overwegende dat de implementatie van ICZM een langdurig proces is en dat met de uitvoering van de meeste nationale strategieën die in het kader van voornoemde aanbeveling zijn vastgesteld pas in 2006 is begonnen,

C.

overwegende dat het beheer van kustgebieden tot dusver heeft plaatsgevonden op basis van middellangetermijnperspectieven, waarbij is voorbijgegaan aan het feit dat het gaat om complexe ecosystemen die in de loop van de tijd veranderingen ondergaan,

D.

overwegende dat de genomen besluiten en maatregelen betrekking hadden op afzonderlijke activiteiten en verzuimd is het probleem van de achteruitgang van kustgebieden als geheel aan te pakken,

E.

overwegende dat bij de bestaande planning de aandacht tot dusver volledig op het land is gericht en geen rekening is gehouden met het effect van kustactiviteiten op andere activiteiten in hetzelfde gebied,

F.

overwegende dat verwacht wordt dat de uitvoering van de nationale strategieën voor ICZM weinig zal kosten maar wel aanzienlijke financiële baten zal opleveren,

G.

overwegende dat is verzuimd om alle sectoren naar behoren bij de planning en uitvoering van maatregelen voor de aanpak van de problemen van kustgebieden te betrekken en als gevolg daarvan de belangen van sommige sectoren worden geschaad,

H.

overwegende dat de planning van bevolkingsgericht, toeristisch en economisch gebruik van kustgebieden en van landschaps- en milieubescherming van invloed is op de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen voor geïntegreerd beheer,

I.

overwegende dat de activiteiten van organen belast met ICZM tot dusver niet op doeltreffende wijze konden worden gecoördineerd, uitgezonderd in een paar op zichzelf staande gevallen,

J.

overwegende dat de uitvoering van beleid voor het bevorderen van ICZM in sommige gevallen grootschalige bestedingen vereist, waartoe lokale gemeenschappen niet in staat zijn, met als gevolg dat op hogere bestuursniveaus beroep wordt gedaan en de uitvoering vertraging oploopt,

K.

overwegende dat het grensoverschrijdende karakter van veel kustprocessen het noodzakelijk maakt dat regionale coördinatie en samenwerking plaatsvindt, zelfs met derde landen,

L.

overwegende dat visserij en aquacultuur twee kustactiviteiten bij uitstek zijn, die afhankelijk zijn van een goede kwaliteit van de kustwateren,

M.

overwegende dat in de aquacultuur nog niet het niveau van technologische ontwikkeling is bereikt dat het mogelijk maakt deze activiteit (die van nature intensief is) buiten de kustgebieden uit te oefenen,

N.

overwegende dat rekening moet worden gehouden met de fundamentele en tot nu toe weinig erkende rol van vrouwen in gebieden die afhankelijk zijn van de visserij,

O.

overwegende dat 80 % van de communautaire visserijvloot wordt ingezet in de kustvisserij en dat deze vorm van visserij bijdraagt aan de economische en sociale samenhang van kustgemeenschappen en het behoud van hun culturele tradities,

P.

overwegende dat de visserij zelf geen vervuilingsbron is maar wel te lijden heeft onder de gevolgen van vervuiling door andere activiteiten die in kustgebieden plaatsvinden, welke vervuiling de levensvatbaarheid van de sector nog verder ondergraaft,

Q.

overwegende dat visserij en aquacultuur van groot economisch en sociaal belang zijn, omdat ze voornamelijk worden bedreven in kustgebieden met een kwetsbare economie, die in veel gevallen in een achterstandspositie verkeren en hun inwoners geen alternatieve werkgelegenheid kunnen bieden,

R.

overwegende dat een schoon en gezond marien milieu bijdraagt aan een stijging van de visserijproductie en zo de vooruitzichten voor de sector zal verbeteren,

S.

overwegende dat de aquacultuur stevig is gegrondvest op het beginsel van duurzame ontwikkeling en dat eventuele milieugevolgen worden ondervangen door Gemeenschapsvoorschriften,

T.

overwegende dat in een situatie waarin de visbestanden afnemen terwijl de mondiale vraag naar vis en schelpdieren stijgt, het belang van aquacultuur in Europa steeds groter wordt,

U.

overwegende dat nog niet alle lidstaten regionale plannen hebben opgesteld die in overeenstemming zijn met de beginselen van ICZM, die moeten verzekeren dat de activiteiten die in kustgebieden worden ontplooid, op evenwichtige wijze worden ontwikkeld,

V.

overwegende dat in kustgebieden een felle strijd wordt gevoerd over de beschikbare ruimte en dat beoefenaars van aquacultuur en vissers dezelfde rechten en plichten als andere gebruikers hebben,

W.

overwegende dat in de ultraperifere gebieden, zoals die zijn gedefinieerd in artikel 299, lid 2, van het EG-Verdrag en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, specifieke geïntegreerde nationale ICZM-strategieën en een adequate aanpassing van ICZM op EU-niveau noodzakelijk kunnen zijn,

1.

onderstreept het economische en sociale belang van visserij en aquacultuur voor kustgebieden en verzoekt om steun voor deze sectoren in het kader van ICZM;

2.

wijst op de noodzaak te waarborgen dat de visserij- en aquacultuursector betrokken worden bij en vertegenwoordigd zijn in transnationale maritieme samenwerkingsverbanden, en dringt er bij de Commissie op aan dit proces te stimuleren;

3.

benadrukt dat met middelen uit het Europees Visserijfonds kan worden bijgedragen aan de langetermijnfinanciering van maatregelen in het kader van ICZM, omdat deze middelen onder meer zijn bestemd voor het bevorderen van de duurzame ontwikkeling van visserijregio’s;

4.

wijst erop dat helderheid moet worden verschaft omtrent de bevoegdheden van de organen die met het beheer van de kustgebieden in kwestie zijn belast en gecoördineerde strategieën moeten worden ontwikkeld, zodat de activiteiten van die organen doeltreffender kunnen worden gemaakt;

5.

is zich bewust van de moeilijkheden rond het coördineren van de activiteiten van de organen belast met het beheer van de kustgebieden en verzoekt de Commissie de uitvoering van ICZM nauwkeurig te volgen en na overleg met de lidstaten opnieuw te beoordelen of er een coördinerend orgaan moet worden opgericht;

6.

wijst met klem op de noodzaak om bij activiteiten die verband houden met de planning en ontwikkeling van ICZM vertegenwoordigers van de visserij- en aquacultuursector te betrekken (waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat hun betrokkenheid bij strategieën voor duurzame ontwikkeling de toegevoegde waarde van hun producten zal verhogen), en herinnert eraan dat zulke collectieve acties kunnen worden ondersteund uit hoofde van het Europees Visserijfonds;

7.

erkent de belangrijke rol van vrouwen in gebieden die afhankelijk zijn van de visserij en verzoekt de Commissie en de lidstaten aan samen te werken teneinde het beginsel van gelijke kansen te bevorderen en te integreren in de verschillende fasen van de tenuitvoerlegging van het Europees Visserijfonds (waaronder de ontwerp-, uitvoerings-, toezicht- en evaluatiefase), zoals dit wordt voorgeschreven in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1198/2006;

8.

roept op tot nauwere samenwerking tussen de bevoegde instanties op regionaal niveau door het uitwisselen van informatie over de toestand van kustgebieden en het vaststellen van gezamenlijke maatregelen voor het verbeteren van de ecologische toestand van lokale mariene ecosystemen;

9.

verzoekt de nationale en regionale overheden van de ultraperifere gebieden geïntegreerde ICZM-strategieën op te stellen teneinde de duurzame ontwikkeling van de kustgebieden te waarborgen;

10.

benadrukt het belang van goede ruimtelijke ordening in de bovengenoemde context;

11.

wijst erop dat aquacultuur ten behoeve van herbevolking een essentieel instrument vormt voor ecologisch behoud in bepaalde kustgebieden, en daarom dan ook bevorderd, gestimuleerd en financieel gesteund moet worden;

12.

onderstreept de betekenis van de aquacultuur voor de levensmiddelenindustrie en de sociale en economische ontwikkeling in bepaalde gemeenschappen in EU-kustgebieden;

13.

is van mening dat de visserij- en de aquacultuursector beide moeten worden opgenomen in een horizontale benadering van alle maritieme activiteiten in kuststreken, teneinde tot duurzame ontwikkeling te komen, overeenkomstig de nieuwe richtsnoeren voor het maritiem beleid;

14.

onderstreept de noodzaak van het ontwikkelen en uitvoeren van strategieën voor het voorbereiden van de kustgebieden op toekomstige gevaren, waaronder klimaatverandering, waarbij de gevolgen voor visserij en aquacultuur volledig in aanmerking dienen te worden genomen;

15.

is van mening dat de inspanningen die worden ondernomen ten behoeve van gegevensverzameling moeten worden voortgezet om bij te dragen aan de uitwisseling en het gebruik van informatie waarmee vergelijkend onderzoek kan worden gedaan naar onder meer de stand van zaken met betrekking tot biodiversiteit en visbestanden;

16.

is van mening dat er meer aandacht moet worden besteed aan onderzoek naar aquacultuur met het oog op de invoering van gesloten teeltsystemen voor intensieve productie;

17.

stelt voor dat aquacultuurprojecten die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen en die geen schade toebrengen aan gebieden die zijn beschermd op grond van de EU-milieuwetgeving, voorrang zouden moeten krijgen binnen het ICZM;

18.

verzoekt de Commissie om na overleg met de lidstaten een duidelijk tijdschema op te stellen voor het onderzoek naar de voortgang van de uitvoering van het ICZM in de Europese Unie;

19.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 148 van 6.6.2002, blz. 24.

(2)  PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.

(3)  PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(4)  PB C 300 E van 9.12.2006, blz. 504.

(5)  PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 417.

(6)  IP/B/PECH/ST/IC/2006-198.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/4


Dinsdag, 2 september 2008
Evaluatie van het Dublin-systeem

P6_TA(2008)0385

Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over de evaluatie van het Dublin-systeem (2007/2262(INI))

2009/C 295 E/02

Het Europees Parlement,

gelet op Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend („de Dublin-verordening”) (1),

gelet op Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin („de Eurodac-verordening”) (2),

gelet op Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (3),

gelet op Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (4) („de Opvangrichtlijn”),

gelet op Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers (5),

gezien de conclusies van de Raad over het verlenen van toegang tot Eurodac aan de politiële en rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten alsook Europol (6),

gelet op Beschikking nr. 573/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 tot instelling van het Europees Vluchtelingenfonds voor de periode 2008-2013 als onderdeel van het algemeen programma „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” en tot intrekking van Beschikking 2004/904/EG van de Raad (7),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 april 2006 over de situatie in de vluchtelingenkampen op Malta (8),

gezien de verslagen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over de bezoeken die het heeft gebracht aan bewaringscentra in diverse lidstaten,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 juni 2007 over asiel: praktische samenwerking, kwaliteit van de besluitvorming in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (9),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 januari 2008: Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind (10),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2008 over de zaak van de Iraanse onderdaan Seyed Mehdi Kazemi (11),

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0287/2008),

A.

overwegende dat elke asielzoeker recht heeft op afzonderlijke en volledige behandeling van zijn of haar asielaanvraag,

B.

overwegende dat er van land tot land nog grote verschillen bestaan in de wetgeving en de praktijk op het gebied van asiel en dat asielzoekers dientengevolge in de verschillende Dublin-landen niet op dezelfde manier behandeld worden,

C.

overwegende dat het Dublin-systeem gebaseerd is op condities van wederzijds vertrouwen en betrouwbaarheid en dat, indien aan deze voorwaarden niet wordt voldaan — d.w.z. indien in bepaalde lidstaten de statistieken ernstige leemtes vertonen of indien het besluitvormingsproces onsamenhangend is — dit het hele systeem ondermijnt,

D.

overwegende dat er aanwijzingen zijn dat sommige lidstaten geen toegang garanderen tot een procedure om de vluchtelingenstatus vast te stellen,

E.

overwegende dat sommige lidstaten de opvangrichtlijn niet effectief toepassen, noch ten aanzien van asielaanvragers in afwachting van hun overdracht aan een andere lidstaat die onder de Dublin-verordening valt, noch bij asielzoekers in afwachting van hun terugkeer naar de verantwoordelijke lidstaat,

F.

overwegende dat sommige lidstaten personen die onder het Dublin-systeem vallen stelselmatig in detentie plaatsen,

G.

overwegende dat het grote aantal meervoudige aanvragen en het kleine aantal uitgevoerde overdrachten indicatoren zijn voor de gebreken in het Dublin-systeem en voor de noodzaak om een gemeenschappelijk Europees asielsysteem in te voeren,

H.

overwegende dat een correcte implementatie van de Dublin-verordening kan leiden tot een ongelijke verdeling van de verantwoordelijkheid voor mensen die bescherming zoeken, ten nadele van bepaalde lidstaten die enkel en alleen vanwege hun geografische ligging geconfronteerd worden met grotere stromen migranten,

I.

overwegende dat uit de evaluatie van de Commissie blijkt dat de 13 lidstaten aan de grenzen van de Unie in 2005 te kampen hadden met steeds grotere problemen ten gevolge van het Dublin-systeem,

J.

overwegende dat zuidelijke lidstaten asielaanvragen moeten accepteren van irreguliere immigranten die worden gered wanneer zij op weg naar Europa in nood komen te verkeren,

K.

overwegende dat zuidelijke lidstaten asielaanvragen moeten accepteren van irreguliere immigranten die niet worden bijgestaan door derde landen die op grond van het internationaal recht wel verplicht zijn om die bijstand te verlenen,

L.

overwegende dat lidstaten er wellicht geen belang bij hebben de verplichting na te leven om illegale immigranten in de Eurodac-gegevensbank te registreren, aangezien het aantal asielaanvragen waarmee zij te maken krijgen daardoor zou kunnen toenemen,

M.

overwegende dat de Dublin-verordening een systeem inhoudt dat bedoeld is om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag, maar dat het oorspronkelijk niet was ingesteld om te dienen als instrument voor het verdelen van de lasten, en dus ook niet als zodanig fungeert,

N.

overwegende dat het van wezenlijk belang is dat elke evaluatie van het Dublin-systeem vergezeld gaat van een concreet, permanent, eerlijk en effectief instrument voor het verdelen van de lasten,

O.

overwegende dat het criterium van het eerste land van binnenkomst uit het Dublin-systeem grote druk legt op de lidstaten aan de grenzen,

P.

overwegende dat de percentages erkende aanvragen voor een vluchtelingenstatus voor sommige onderdanen van derde landen per lidstaat kunnen verschillen van 0 tot circa 90 %,

Q.

overwegende dat het van essentieel belang is dat personen die een aanvraag indienen in een voor hen begrijpelijke taal volledig op de hoogte worden gebracht van de Dublin-procedure en de mogelijke consequenties daarvan,

R.

overwegende dat artikel 24, lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie stelt dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging moeten vormen,

S.

overwegende dat, hoewel de eenheid van het gezin in de Dublin-verordening wordt genoemd als belangrijkste criterium, die bepaling niet vaak wordt toegepast,

T.

overwegende dat gebleken is dat de statistieken over overdrachten onvoldoende accuraat zijn, aangezien hierin bijvoorbeeld niet wordt weergegeven hoeveel verzoeken er gedaan worden om een asielzoeker over te nemen op grond van een illegale grensoverschrijding, of hoe de verhouding is tussen verzoeken tot „overnemen” en verzoeken tot „terugnemen”,

U.

overwegende dat negen nieuwe lidstaten in 2005 verklaarden dat zij op grond van de Dublin-verordening meer „binnenkomers” overdroegen en dat de lidstaten zonder buitengrens van de Unie verklaarden dat zij meer „vertrekkers” overdroegen,

V.

overwegende dat de Commissie de kosten van het systeem niet heeft kunnen beoordelen en dat die kosten een belangrijk gegeven vormen om de doelmatigheid van het systeem te kunnen beoordelen,

W.

overwegende dat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in Luxemburg op 12 en 13 juni 2007 de Commissie heeft verzocht zo spoedig mogelijk een wijziging van de Eurodac-verordening voor te stellen, met als doel de politiële en rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten alsook Europol onder bepaalde voorwaarden toegang te verlenen tot Eurodac, een gegevensbank die oorspronkelijk bedoeld was als instrument voor de implementatie van de Dublin-verordening,

Doeltreffendheid van het systeem en delen van verantwoordelijkheid

1.

is uitdrukkelijk van mening dat, indien er geen toereikend en samenhangend niveau van bescherming tot stand gebracht wordt in de hele Europese Unie, het Dublin-systeem altijd tot onvoldoende resultaten zal leiden, zowel vanuit technisch als vanuit menselijk oogpunt, en dat asielzoekers daardoor gegronde redenen houden om hun aanvraag bij voorkeur in een bepaalde lidstaat in te dienen om van de gunstigste nationale besluitvormingsprocedures te kunnen profiteren;

2.

is er vast van overtuigd dat het Dublin-systeem bij gebrek aan een werkelijk gemeenschappelijk Europees asielsysteem en één gemeenschappelijke procedure onrechtvaardig zal blijven, zowel voor asielzoekers als voor sommige lidstaten;

3.

verklaart nogmaals dat het dringend noodzakelijk is zowel de kwaliteit als de samenhang van het besluitvormingsproces te verbeteren; is ervan overtuigd dat een Europees bureau voor asielondersteuning in dit verband een waardevolle rol zou kunnen spelen, bijvoorbeeld door het aanbieden van opleidingen op het gebied van strenge gemeenschappelijke normen en door het verlenen van ondersteuning door teams van deskundigen;

4.

verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe het UNHCR rechtstreeks van middelen kan worden voorzien in aanvulling op de financiering op projectbasis, zodat het zijn controle- en adviestaak in de EU beter kan uitvoeren en kan doorgaan met het ontwikkelen van methoden ter ondersteuning van landelijke overheden bij hun inspanningen om de kwaliteit van hun besluitvorming te verbeteren;

5.

verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor mogelijke instrumenten om de lasten te verdelen, die de onevenredige belasting kunnen verlichten waarmee bepaalde lidstaten, met name de grenslidstaten, geconfronteerd kunnen worden, maar die niet in het Dublin-systeem passen;

6.

verzoekt de Commissie om in afwachting van de invoering van Europese instrumenten voor het delen van de lasten te overwegen om binnen het kader van de Dublin-verordening te voorzien in andere dan financiële instrumenten waarmee voor de kleine lidstaten aan de buitengrenzen van de Unie de rampzalige gevolgen van de toepassing van de verordening kunnen worden hersteld;

7.

verzoekt de Commissie een bindend instrument te ontwikkelen waarmee een einde kan worden gemaakt aan de overdracht van asielzoekers naar lidstaten die geen garantie bieden op een volledige en eerlijke behandeling van hun aanvraag en stelselmatig maatregelen tegen deze landen te nemen;

8.

verzoekt de Commissie om zinvolle bilaterale werkrelaties aan te knopen met derde landen, om de samenwerking te bevorderen en te waarborgen dat deze derde landen hun internationale wettelijke verplichtingen met betrekking tot het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen en reddingsacties op zee nakomen;

Rechten van de aanvragers

9.

verzoekt de Commissie om in de nieuwe verordening duidelijkere en striktere bepalingen op te nemen betreffende de wijze waarop mensen die bescherming zoeken geïnformeerd worden over de implicaties van de Dublin-verordening en om te overwegen een standaardbrochure op te stellen die in een aantal talen vertaald kan worden en aan alle lidstaten verstrekt kan worden die ook rekening houdt met de individuele geletterdheid van personen;

10.

verzoekt de Commissie de artikelen 19 en 20 van de Dublin-verordening betreffende „overnemen en terugnemen” te wijzigen, zodat aanvragers automatisch het recht toegekend krijgen op beroep met opschortende werking tegen een beslissing om de verantwoordelijkheid onder de Dublin-verordening aan een andere lidstaat over te dragen;

11.

verklaart nogmaals dat het beginsel van non-refoulement van de Dublin-verordening een van de hoekstenen van een op het niveau van de Europese Unie in te voeren gemeenschappelijke asielregeling moet blijven en dringt erop aan dat de toepassing van de Dublin-verordening er nooit toe mag leiden dat een aanvraag afgesloten wordt op procedurele gronden en na een overdracht via de Dublin-procedure niet heropend wordt voor een volledige en eerlijke behandeling van het oorspronkelijke verzoek; is van mening dat dit in de verordening duidelijk gemaakt moet worden;

12.

is van mening dat de uitwisseling van informatie over overdrachten tussen lidstaten moet worden verbeterd, vooral ten aanzien van bijzondere medische verzorging die personen die worden overgedragen nodig hebben;

13.

verzoekt de Commissie na te gaan in hoeverre het mogelijk is om een persoon die op grond van het Dublin-systeem naar een andere lidstaat wordt overgebracht uitsluitend op zijn uitdrukkelijk eigen verzoek en onder volledige eerbiediging van de procedurerechten te laten overbrengen naar zijn land van herkomst;

Gezinshereniging en het beginsel van het belang van het kind

14.

adviseert dat er op het niveau van de Europese Unie gezamenlijke richtsnoeren worden aangenomen voor het vaststellen van de leeftijd en dat in geval van onduidelijkheid het kind het voordeel van de twijfel krijgt;

15.

wijst er nogmaals op dat het belang van het kind bij alle beslissingen omtrent kinderen voorop moet staan, dringt erop aan dat niet-begeleide minderjarigen nooit worden opgesloten of overgedragen aan een andere lidstaat, tenzij in het kader van gezinshereniging, en dat indien een dergelijke overdracht noodzakelijk is het kind gedurende de gehele procedure naar behoren vertegenwoordigd en begeleid wordt; spreekt er dan ook zijn voldoening over uit dat de Commissie het voornemen heeft meer helderheid te brengen in de toepasbaarheid van de Dublin-regels op niet-begeleide minderjarigen;

16.

betreurt dat de definitie van gezinslid onder de huidige verordening te beperkt is en verzoekt de Commissie de huidige definitie te verbreden om te zorgen dat hierin zijn inbegrepen alle naaste familieleden en lange-termijnpartners en met name degenen die verder geen steun van andere familie hebben en volwassen kinderen die niet in staat zijn voor zichzelf te zorgen;

17.

spreekt er zijn voldoening over uit dat de Commissie het voornemen heeft ook subsidiaire vormen van bescherming onder de toepassing van de Dublin-verordening te laten vallen, omdat daarmee aanvragers van een subsidiaire vorm van bescherming kunnen worden herenigd met gezinsleden die dit soort bescherming hebben verkregen of daar om gevraagd hebben in een andere lidstaat;

Detentie

18.

verzoekt de Commissie in de regeling een bepaling op te nemen waardoor voor Dublin-aanvragers pas in laatste instantie wordt overgegaan tot detentie, en waarin wordt vastgelegd op welke gronden detentie mag worden toegepast en welke procedurele waarborgen daarbij in acht moeten worden genomen;

19.

verzoekt de Commissie expliciet in de Dublin-verordening vast te leggen dat Dublin-aanvragers recht hebben op dezelfde opvangcondities als andere asielzoekers, in overeenstemming met de Opvangrichtlijn, waarin in artikel 3, lid 1 algemene regels zijn vastgesteld, inzonderheid met betrekking tot materiële opvangcondities, gezondheidszorg, bewegingsvrijheid en scholing voor minderjarigen;

Humanitaire en soevereiniteitsclausules

20.

is van mening dat de humanitaire clausule in artikel 15 van de Dublin-verordening het Dublin-systeem aanzienlijke flexibiliteit geeft, maar dat deze clausule ruimer zou moeten worden toegepast om te voorkomen dat gezinnen door scheiding onnodig extra leed wordt aangedaan;

21.

is van mening dat indien een asielzoeker zich in een extra kwetsbare situatie bevindt door een ernstige ziekte, een zware handicap, hoge leeftijd of zwangerschap en hij of zij daardoor afhankelijk is van de hulp van een familielid dat zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevindt dan de lidstaat die de aanvraag behandelt, hij of zij — indien mogelijk — met dat familielid herenigd dient te worden; verzoekt de Commissie te overwegen de desbetreffende bepalingen van de humanitaire clausule in artikel 15, lid 2 een verplichtend karakter te geven;

22.

is van mening dat voor organisaties zoals het Rode Kruis en de Rode Halve Maan de verplichting moet worden ingevoerd om gezinsleden proactief op te sporen;

23.

spreekt er zijn voldoening over uit dat de Commissie het voornemen heeft de omstandigheden en procedures voor de toepassing van de soevereiniteitsclausule nader te specificeren, met name om de voorwaarde toe te voegen van instemming van de asielzoeker;

Gegevensverzameling en Eurodac

24.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de discrepanties en de gebreken in de gegevensverzameling die naar voren zijn gekomen uit de door de Commissie uitgevoerde evaluatie van het Dublin-systeem, met name met betrekking tot de registratie van vingerafdrukken van personen die illegaal de grenzen van de Unie binnenkomen, hetgeen ernstige twijfels oproept omtrent de betrouwbaarheid van het systeem; vertrouwt erop dat de bovengenoemde Verordening (EG) nr. 862/2007 betreffende communautaire statistieken inzake migratie en internationale bescherming de belanghebbenden een meer accuraat beeld zal verschaffen omtrent het functioneren van het Dublin-systeem en andere communautaire instrumenten voor internationale bescherming;

25.

spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat momenteel geen enkele evaluatie van de kost van het Dublin-systeem beschikbaar is; verzoekt de Commissie hierin te voorzien omdat dit een belangrijk aspect is bij de beoordeling van het systeem;

26.

neemt met belangstelling kennis van de bezorgdheid die de Commissie heeft uitgesproken omtrent de verzameling en de kwaliteit van de gegevens die naar de Eurodac Central Unit worden verstuurd, alsook over de niet- naleving van de verplichting bepaalde gegevens te vernietigen en van de regels betreffende de bescherming van persoonsgegevens; is van mening dat deze tekortkomingen, die de betrouwbaarheid van Eurodac in het geding brengen, eerst naar behoren moeten worden rechtgezet alvorens kan worden overwogen deze gegevensbank voor enig ander doel te gebruiken;

27.

is van mening dat elke lidstaat op een limitatieve lijst dient op te geven welke agentschappen en instanties toegang hebben tot de Eurodac-databank en met welk doel, teneinde illegaal gebruik van gegevens te voorkomen;

28.

onderstreept dat het verlenen van toegang tot de Eurodac-gegevensbank aan de politiële en rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten alsook aan Europol het risico met zich meebrengt dat informatie in handen komt van derde landen, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor asielzoekers en hun familie; is ervan overtuigd dat hierdoor ook het risico zou toenemen dat asielzoekers gestigmatiseerd raken;

*

* *

29.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 50 van 25.2.2003, blz. 1.

(2)  PB L 316 van 15.12.2000, blz. 1.

(3)  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.

(4)  PB L 31 van 6.2.2003, blz. 18.

(5)  PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23.

(6)  2807e Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in Luxemburg op 12 en 13 juni 2007.

(7)  PB L 144 van 6.6.2007, blz. 1.

(8)  PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 301.

(9)  PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 364.

(10)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0012.

(11)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0107.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/10


Dinsdag, 2 september 2008
Bepaalde kwesties in verband met motorrijtuigenverzekering

P6_TA(2008)0386

Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over bepaalde kwesties in verband met motorrijtuigenverzekering (2007/2258(INI))

2009/C 295 E/03

Het Europees Parlement,

gezien het verslag van de Commissie over „bepaalde kwesties in verband met motorrijtuigenverzekering” (COM(2007)0207) (hierna: „het Commissieverslag”),

gelet op Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) (1),

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0249/2008),

A.

overwegende dat het vrije verkeer van personen in de EU, in het bijzonder in de context van de twee meest recente uitbreidingsronden en de dienovereenkomstige uitbreiding van de Schengengroep, heeft geleid tot een snelle toename van zowel het aantal personen als het aantal voertuigen dat voor zakelijke of privédoeleinden de nationale grenzen passeert,

B.

overwegende dat het geven van prioriteit aan de bescherming van slachtoffers van verkeersongevallen vereist dat op EU-niveau heldere, nauwkeurige en functionele wetgeving inzake motorrijtuigenverzekering wordt ingevoerd,

C.

overwegende dat ingevolge de Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering de Commissie het Europees Parlement en de Raad verslag moest uitbrengen over de toepassing en effectiviteit van de nationale strafbepalingen die met betrekking tot de procedure van het met redenen omkleed voorstel/antwoord waren uitgevaardigd, alsook over de gelijkwaardigheid ervan, en indien nodig voorstellen moest indienen,

D.

overwegende dat in het Commissieverslag verslag wordt gedaan van het onderzoek dat de Commissie heeft verricht naar nationale strafbepalingen, de effectiviteit van het mechanisme van de schaderegelaar, en de huidige beschikbaarheid van een vrijwillige rechtsbijstandverzekering die door elk potentieel slachtoffer van een verkeersongeval aanvullend kan worden afgesloten,

E.

overwegende dat artikel 4, lid 6, van de Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering de procedure van het met redenen omkleed voorstel regelt, ingevolge waarvan iemand die in het buitenland het slachtoffer is geworden van een auto-ongeval het recht heeft om een schadeclaim in te dienen bij de schaderegelaar die de betreffende verzekeraar heeft aangewezen in het land waar hij, het slachtoffer, zijn verblijfplaats heeft,

F.

overwegende dat indien het slachtoffer niet binnen drie maanden van de verzekeraar een met redenen omkleed antwoord ontvangt, er sancties kunnen worden opgelegd,

G.

overwegende dat de werking van deze bepaling nog steeds niet voldoende duidelijk is,

H.

overwegende dat de Commissie bij de uitvoering van EU-beleid volledig rekening dient te houden met de uitbreiding van de Unie, en vooral met het feit dat de kosten van een motorrijtuigenverzekering in de nieuwe lidstaten vrij hoog zijn,

I.

overwegende dat in de lidstaten uiteenlopende strafbepalingen met betrekking tot de procedure van het met redenen omkleed voorstel/antwoord zijn ingevoerd,

J.

overwegende dat overleg met de nationale autoriteiten, ook in de nieuwe lidstaten, heeft bevestigd dat de huidige strafbepalingen, waar deze bestaan, toereikend zijn en dat overal in de EU met de toepassing ervan het gewenste effect wordt gesorteerd,

K.

overwegende dat er in sommige lidstaten echter geen regeling is die het mogelijk maakt specifieke sancties op te leggen en er alleen wordt vertrouwd op de plicht van de verzekeraars de wettelijke rente over de schadevergoeding uit te betalen als er niet binnen drie maanden een met redenen omkleed voorstel/antwoord wordt verstrekt,

L.

overwegende dat de meeste lidstaten vrij goed bekend zijn met het stelsel van schaderegelaars,

M.

overwegende dat bij de beoordeling van het bewustzijn van burgers van het stelsel van schaderegelaars, de Commissie alleen de lidstaten en het verzekeringswezen bij haar raadplegingen heeft betrokken, zonder er de burgers en de consumentenorganisaties, met andere woorden degenen die er het meeste baat bij hebben dat het stelsel goed werkt, hierbij op de juiste wijze te betrekken,

N.

overwegende dat het afsluiten van een rechtsbijstandverzekering voor de juridische kosten die slachtoffers van een auto-ongeval maken, in de meeste lidstaten mogelijk is; overwegende dat meer dan 90 % van alle zaken in der minne worden geschikt en de juridische kosten in veel lidstaten worden vergoed; voorts overwegende dat rechtsbijstandverzekeraars al een aantal jaren dekking verschaffen voor alle soorten grensoverschrijdende zaken en afdelingen hebben opgericht voor het afhandelen van buitenlandse claims en het faciliteren van een snelle schikking,

O.

overwegende dat de vraag of bedoelde redelijke juridische kosten in alle lidstaten moeten worden gedekt door een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering (WA-verzekering) voor motorrijtuigen, nog steeds niet is beantwoord,

P.

overwegende dat echter in alle lidstaten dekking van redelijke juridische kosten door een WA-verzekering voor motorrijtuigen zeker bijdraagt aan een betere bescherming van Europese consumenten en hen meer vertrouwen zou geven,

Q.

overwegende dat de verzekeringsmarkten in de nieuwe lidstaten zich gestaag uitbreiden; voorts overwegende dat in een aantal van deze lidstaten de rechtsbijstandverzekering een betrekkelijk nieuw product is, dat gepromoot moet worden, aangezien het grote publiek betrekkelijk weinig bekend is met deze verzekering,

R.

overwegende dat de verplichte dekking van juridische kosten de consument meer vertrouwen zou geven in een WA-verzekering voor motorrijtuigen, vooral in gevallen dat hij naar de rechter wil stappen, omdat in veel nieuwe lidstaten hoge kosten voor rechtsbijstand in rekening worden gebracht, die door een verplichte verzekering zouden zijn gedekt,

S.

overwegende dat een verplichte rechtsbijstandverzekering voor de gerechten zou leiden tot een extra en meer complexe werklast en mogelijk ook tot vertragingen in uitspraken over geschillen en een hoger percentage ongegronde vorderingen,

T.

overwegende dat de WA-verzekering voor motorrijtuigen en de rechtsbijstandverzekering een verschillend doel dienen en een verschillende functie hebben: terwijl de WA-verzekering de consumenten verzekert tegen de kosten van een claim die naar aanleiding van een verkeersongeval tegen hen wordt ingediend, dekt de rechtsbijstandverzekering de juridische kosten van een vordering die naar aanleiding van een verkeersongeval tegen een derde wordt ingesteld,

U.

overwegende dat bewustmakingscampagnes van nationale autoriteiten, de verzekeraars en consumentenorganisaties, belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de nationale markten,

1.

verwelkomt het Commissieverslag en wijst er met nadruk op dat bij de ontwikkeling van EU-beleid op dit terrein alle belanghebbenden, in het bijzonder consumenten, volledig en op doeltreffende wijze dienen te worden geraadpleegd;

2.

verzoekt derhalve om systematische raadpleging van consumentenorganisaties die in het bijzonder slachtoffers vertegenwoordigen, bij het evalueren van de effectiviteit van de systemen die in de lidstaten zijn ingevoerd;

3.

verwelkomt deze ex-postevaluatie van wetgevingsmaatregelen om vast te stellen of de voorschriften werken als bedoeld en om de aandacht te vestigen op eventuele onvoorziene onjuiste toepassingen;

4.

benadrukt het belang van een groeiend consumentenvertrouwen in motorrijtuigenverzekeringen wat het grensoverschrijdend verkeer van motorvoertuigen binnen de EU betreft, vooral voor bestuurders uit de oude lidstaten die naar bestemmingen in de nieuwe lidstaten reizen en omgekeerd;

5.

is van mening dat het bevorderen van bestaande wettige en marktgestuurde oplossingen voor de bescherming van consumenten, het consumentenvertrouwen in motorrijtuigenverzekeringen zal doen toenemen;

6.

is van mening dat de lidstaten ook de verantwoordelijkheid hebben om met het oog op de EU-wetgeving inzake de procedure van het met redenen omkleed voorstel/antwoord en de juridische kosten die ten laste van verkeersslachtoffers komen, ervoor te zorgen dat hun nationale verzekeringssystemen correct functioneren;

7.

verzoekt de Commissie voortdurend in de gaten te houden of de marktmechanismen effectief functioneren en het Parlement hierover regelmatig verslag te doen;

8.

is van mening dat de loutere vereiste dat de verzekeraar in geval van vertraging de wettelijke rente betaalt, geen strafmaatregel is en dat de Commissie daarom meer controle moet uitoefenen en in dit opzicht passende maatregelen moet nemen om te waarborgen dat in alle lidstaten de markten soepel functioneren en de consumenten effectief worden beschermd;

9.

onderstreept dat de werkrelaties tussen de Commissie, de nationale autoriteiten, de verzekeringssector en consumentenorganisaties moeten worden versterkt, zodat men verzekerd is van een constante stroom van nauwkeurige gegevens over de handhavingssystemen die zijn geïmplementeerd;

10.

is van mening dat ten aanzien van sancties het subsidiariteitsbeginsel moet worden toegepast, hetgeen in overeenstemming is met de aanpak die de EU op dit terrein pleegt te volgen, en dat geen noodzaak bestaat voor het harmoniseren van nationale strafbepalingen,

11.

is van mening dat de nationale regelgevingsinstanties in een betere positie zijn om op de nationale markten voor maximale consumentenbescherming te zorgen;

12.

doet daarom met betrekking tot de procedure van het met redenen omkleed voorstel/antwoord de aanbeveling de lidstaten vrij te laten in hun beslissing om al dan niet sancties op te leggen alsook in de keuze van de aard en de hoogte van eventuele sancties;

13.

verzoekt de lidstaten om garanties te bieden voor de effectiviteit van de sancties in het geval dat de termijn van drie maanden om een met redenen omkleed antwoord uit te brengen op een verzoek om schadeloosstelling of een met redenen omkleed voorstel voor een schadeloosstelling niet wordt nageleefd;

14.

acht het wenselijk om nauwkeurig aandacht te besteden aan de oorzaken van het niet naleven van deze termijnen door verzekeringsmaatschappijen voordat sancties worden opgelegd, vooral rekening houdend met het feit dat er sprake is van factoren die buiten het bereik van de verzekeringsmaatschappij vallen; bepleit dat de Commissie toezicht blijft houden op de nationale markten door die nationale autoriteiten die om assistentie vragen, bij te staan;

15.

wijst er nogmaals op dat het belangrijk is dat via bewustmakingscampagnes en andere geschikte maatregelen het vertrouwen van burgers in de werking van het stelsel van schaderegelaars wordt vergroot;

16.

verzoekt de lidstaten en de Commissie het consumentenvertrouwen te vergroten door het nemen van geschikte maatregelen voor bewustmaking en het opzetten van centra voor voorlichting over verzekeringszaken aan te moedigen, en van de verzekeraars te eisen dat zij de contactgegevens van het voorlichtingscentrum in hun lidstaat vermelden in hun contractuele informatiepakket;

17.

doet voorts een oproep aan de lidstaten om verzekeraars voor te schrijven dat ze consumenten als onderdeel van de pre-contractuele informatieverstrekking uitvoerig inlichten over de werking van het stelsel van schaderegelaars en de voordelen ervan voor de verzekerde partij;

18.

verzoekt de Commissie met klem de werking van het stelsel nauwgezet te blijven volgen, en zo nodig coördinerend op te treden en te helpen en de nationale autoriteiten desgevraagd bijstand te verlenen;

19.

is voorts met betrekking tot de WA-verzekering voor motorrijtuigen van mening, dat de verplichte dekking van juridische kosten een belangrijke prikkel zou wegnemen om vorderingen in der minne te schikken, het aantal rechtszaken mogelijk zou doen toenemen en bijgevolg voor de gerechten tot een ongerechtvaardigde stijging van de werkbelasting zou leiden, en mogelijk een destabiliserende werking zou hebben op de bestaande en zich ontwikkelende markt voor vrijwillige rechtsbijstandverzekeringen;

20.

is daarom van mening dat alles bij elkaar genomen de negatieve effecten van het invoeren van een stelsel van verplichte dekking van juridische kosten in WA-verzekeringen voor motorrijtuigen, zwaarder zouden wegen dan de mogelijke positieve effecten;

21.

verzoekt de Commissie met klem om in partnerschap met de lidstaten aanvullende maatregelen te nemen voor de noodzakelijke bewustmaking van consumenten van het belang van een rechtsbijstandverzekering en andere verzekeringsproducten, vooral in de nieuwe lidstaten, waarbij consumenten over de voordelen van een of andere verzekering moeten worden geïnformeerd;

22.

is in dit verband van mening dat de nationale regelgevingsinstanties een cruciale rol hebben bij de invoering van de goede werkwijzen van andere lidstaten;

23.

verzoekt de Commissie derhalve om zich in te zetten voor een betere consumentenbescherming, hoofdzakelijk door de lidstaten met klem te verzoeken de nationale regelgevingsinstanties en nationale verzekeringsmaatschappijen aan te moedigen mensen bewust te maken van de mogelijkheid om een vrijwillige rechtsbijstandverzekering af te sluiten;

24.

is van mening dat pre-contractuele informatie over een motorrijtuigenverzekering informatie kan bevatten over de mogelijkheid van het afsluiten van een rechtsbijstandverzekering;

25.

doet een oproep aan de lidstaten om er bij de nationale regelgevingsinstanties en verzekeringsagenten op aan te dringen dat ze de consumenten informeren over mogelijke risico's en over de mogelijkheid van een aanvullende vrijwillige verzekering om zich tegen risico's in te dekken, zoals een verzekering voor de kosten van rechtsbijstand en andere juridische kosten of een diefstalverzekering;

26.

verzoekt die lidstaten die nog niet beschikken over een systeem van alternatieve geschillenbeslechting voor het schikken van claims, te overwegen een dergelijk systeem in te voeren op basis van de goede werkwijzen van andere lidstaten;

27.

vraagt de Commissie niet vooruit te lopen op de uitkomst van onderzoek dat wordt uitgevoerd in verband met differentiële letselschade en dat volgde op het aannemen van Verordening „Rome II” (2), uit welk onderzoek een voorstel kan volgen voor een op de verzekering gebaseerde oplossing en de hieruit voortvloeiende wijziging van de vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering;

28.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 181 van 20.7.2000, blz. 65.

(2)  Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40).


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/13


Dinsdag, 2 september 2008
Gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude

P6_TA(2008)0387

Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over een gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude (2008/2033(INI))

2009/C 295 E/04

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 31 mei 2006 over de noodzaak om een gecoördineerde strategie te ontwikkelen ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude (COM(2006)0254),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2007 over enkele basiselementen voor de ontwikkeling van een BTW-fraudebestrijdingsstrategie in de EU (COM(2007)0758),

gezien het verslag van de Commissie van 16 april 2004 over de toepassing van regelingen betreffende administratieve samenwerking op het gebied van bestrijding van BTW-fraude (COM(2004)0260),

gezien de conclusies van de Raad na de bijeenkomsten van 14 mei 2008, 5 juni 2007, 28 november 2006 en 7 juni 2006,

gezien het Speciaal Verslag nr. 8/2007 van de Rekenkamer over de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2005 over de bijdrage van het belasting- en douanebeleid tot de Lissabon-strategie (COM(2005)0532),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 februari 2008 over maatregelen tot wijziging van het BTW-stelsel met het oog op fraudebestrijding (COM(2008)0109),

gezien het voorstel van de Commissie van 17 maart 2008 voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde ter bestrijding van de belastingfraude in het intracommunautaire verkeer in combinatie met het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1798/2003 ter bestrijding van de belastingfraude in het intracommunautaire verkeer (COM(2008)0147),

gelet op artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien de aanbevelingen in de conclusies van het Voorzitterschap van de Raad van 14 mei 2008 inzake belastingkwesties die betrekking hebben op overeenkomsten die door de Gemeenschap en haar lidstaten met derde landen zullen worden gesloten,

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0312/2008),

A.

overwegende dat belastingfraude ernstige gevolgen heeft voor de begrotingen van de lidstaten en de eigen middelen van de Europese Unie, leidt tot schendingen van het beginsel van eerlijke en transparante belastingheffing en concurrentieverstoring in de hand werkt waardoor het functioneren van de interne markt wordt belemmerd; overwegende dat eerlijke bedrijven concurrentienadelen ondervinden door belastingfraude en dat het verlies aan belastinginkomsten uiteindelijk aangevuld wordt door de Europese belastingbetaler via andere vormen van belastingheffing,

B.

overwegende dat belastingfraude billijkheid en fiscale rechtvaardigheid in gevaar brengt omdat het derven van overheidsinkomsten vaak wordt gecompenseerd door belastingverhogingen die de minst vermogende en eerlijkste belastingbetalers treffen, die hun verplichte bijdrage niet kunnen of willen omzeilen of ontduiken,

C.

overwegende dat de toename van grensoverschrijdende handel die is gestimuleerd door de totstandbrenging van de interne markt, met zich heeft gebracht dat er een groeiend aantal transacties plaatsvindt waarbij de plaats van belastingheffing en de plaats van vestiging van de persoon die BTW moet betalen gelegen zijn in twee verschillende landen,

D.

overwegende dat degenen die nieuwe vormen van belastingfraude toepassen die te maken hebben met grensoverschrijdende transacties, zoals intracommunautaire carrousel- of ploffraude, gebruik maken van de versnippering van en de mazen in de huidige belastingstelsels en dat veranderingen in het functioneren van het BTW-stelsel noodzakelijk zijn,

E.

overwegende dat BTW-ontduiking en -fraude van invloed zijn op de financiering van de begroting van de Europese Unie, omdat daardoor meer beroep moet worden gedaan op de eigen middelen van de lidstaten, gebaseerd op het bruto nationale inkomen,

F.

overwegende dat bestrijding van belastingfraude, hoewel hoofdzakelijk een bevoegdheid van de lidstaten, geen probleem is dat uitsluitend op nationaal niveau kan worden opgelost,

G.

overwegende dat het door de globalisering steeds moeilijker wordt belastingfraude op internationaal niveau te bestrijden, gezien de toegenomen betrokkenheid van in derde landen gevestigde ondernemingen bij carrouselfraude, de expansie van elektronische handel en de globalisering van de dienstenmarkten; overwegende dat deze factoren sterk pleiten voor verbetering van internationale samenwerking, vooral met betrekking tot de BTW,

H.

overwegende dat de omvang van de belastingfraude in de Europese Unie een gevolg is van het huidige overgangsstelsel van de BTW dat te complex is, zodat intracommunautaire transacties moeilijk na te trekken zijn, ondoorzichtig zijn en daarom makkelijk leiden tot misbruik,

I.

overwegende dat de Commissie en de lidstaten bij de bestudering van de opties voor het aanpakken van fiscale fraude zo veel mogelijk maatregelen dienen te vermijden die kunnen leiden tot een buitensporige administratieve rompslomp voor bedrijven en belastingdiensten of die discriminatie van bedrijven in de hand kunnen houden,

J.

overwegende dat zowel de Commissie als de Rekenkamer hebben consequent verklaard dat het systeem voor de uitwisseling van informatie tussen lidstaten over intracommunautaire leveringen van goederen geen relevante informatie oplevert, of niet snel genoeg, om de BTW-fraude efficiënt te bestrijden; overwegende dat er dus duidelijkere en strengere regels nodig zijn voor de samenwerking tussen de lidstaten en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),

K.

overwegende dat het gebruik van alle beschikbare technologieën, waaronder de elektronische opslag en transmissie van bepaalde gegevens voor de BTW en accijnzen onmisbaar is voor het goed functioneren van de belastingstelsels van de lidstaten, overwegende dat de voorwaarden voor de uitwisseling van en de rechtstreekse toegang van de lidstaten tot elektronisch opgeslagen gegevens in elke lidstaat moet worden verbeterd, overwegende dat de belastingautoriteiten van de lidstaten zorgvuldig moeten omgaan met persoonlijke gegevens voor bepaalde doeleinden en op basis van de toestemming van de betrokkene of van een andere wettelijk vastgelegde grondslag,

L.

overwegende dat bedrijven vaak slechts ontoereikende informatie kunnen krijgen over de BTW-status van hun cliënten,

M.

overwegende dat de uitbreiding van de capaciteit om belastingfraude op te sporen gepaard moet gaan met de aanscherping van de bestaande wetgeving inzake bijstand bij de invordering van belasting, gelijke fiscale behandeling en uitvoerbaarheid voor het bedrijfsleven,

De EU-strategie ter bestrijding van belastingfraude

1.

merkt op dat een strategie ter bestrijding van EU-belastingfraude erop gericht moet zijn verlies aan belastinginkomsten door belastingfraude te bestrijden door in kaart te brengen waar verbeteringen kunnen worden aangebracht, zowel in de EU-wetgeving als in de administratieve samenwerking tussen lidstaten, waardoor de belastingfraude op efficiënte wijze zo veel mogelijk wordt teruggedrongen met zo min mogelijk onnodige rompslomp voor belastingdiensten en belastingbetalers;

2.

vraagt de lidstaten de bestrijding van belastingfraude eindelijk serieus te nemen;

3.

herinnert eraan dat invoering van een BTW-stelsel gebaseerd op het „oorsprongslandbeginsel”, dat inhoudt dat transacties tussen de lidstaten waarover BTW moet worden voldaan, veeleer worden belast in het land van oorsprong dan dat daarvoor het nultarief geldt, nog steeds een langetermijnoplossing is voor het effectief bestrijden van belastingfraude; merkt op dat het „oorsprongslandbeginsel” het onnodig zou maken dat goederen die worden verhandeld op de interne markt worden vrijgesteld van BTW en vervolgens worden belast in het land van bestemming; herinnert eraan dat voor een operationeel BTW-stelsel dat is gebaseerd op het „oorsprongslandbeginsel”, als de instelling van een clearingsysteem vereist is, zoals oorspronkelijk door de Commissie in 1987 voorgesteld;

4.

betreurt de obstructieve houding van enkele lidstaten in de afgelopen tien jaar, die elke effectieve EU-strategie tegen belastingfraude heeft tegengewerkt;

5.

betreurt het dat, ondanks veelvuldige analyses, eisen en kritiek, tot nu toe in de Raad geen doeltreffende strategie voor de bestrijding van belastingfraude werd goedgekeurd;

6.

dringt er bij de Commissie op aan om, ondanks herhaalde fiasco's in de afgelopen decennia, niet na te laten het probleem doortastend aan te pakken;

Algemene onderwerpen: omvang van belastingfraude en de gevolgen ervan

7.

erkent dat schattingen van de totale inkomsten uit (directe en indirecte) belastingen die zijn mislopen ten gevolge van belastingfraude variëren van 200 tot 250 miljard EUR, hetgeen neerkomt op 2 tot 2,25 % van het BBP in de Europese Unie, waarvan 40 miljard EUR wordt onttrokken door BTW-fraude, die naar schatting 10 % van de BTW-ontvangsten omvat, 8 % van de totale accijnzen op alcoholhoudende dranken in 1998 en 9 % van de totale accijnzen op tabaksproducten; betreurt echter dat er geen nauwkeurige cijfers beschikbaar zijn omdat de nationale rapportagecriteria zo sterk uiteenlopen;

8.

dringt aan op een uniforme verzameling van gegevens in alle lidstaten als basis voor transparantie en nationale maatregelen voor de bestrijding van belastingfraude;

9.

betreurt dat, omdat er op nationaal niveau te weinig gegevens worden verzameld, de werkelijke omvang van het probleem niet goed kan worden vastgesteld en dat er evenmin goed kan worden beoordeeld of er iets in positieve of negatieve zin is veranderd;

10.

verzoekt de Commissie nader onderzoek te doen naar een geharmoniseerd Europees systeem voor de verzameling van gegevens en de levering van statistische gegevens over belastingfraude, teneinde te komen tot een zo nauwkeurig mogelijke evaluatie van de werkelijke omvang van het verschijnsel;

11.

herinnert eraan dat aan de informele economie geen einde kan worden gemaakt zonder invoering van de nodige stimulerende mechanismen; stelt bovendien voor dat de lidstaten via het Lissabon-scorebord verslag dienen uit te brengen in welke mate zij erin zijn geslaagd hun informele economie terug te dringen;

Het huidige BTW-stelsel en de zwakke plekken ervan

12.

merkt op dat BTW-gerelateerde belastingfraude een bijzonder punt van zorg is voor het functioneren van de interne markt omdat deze een directe grensoverschrijdende impact heeft, er substantiële belastinginkomsten worden misgelopen en de EU-begroting direct wordt benadeeld;

13.

herhaalt dat het huidige BTW-stelsel, dat is ingevoerd in 1993, slechts bedoeld was als overgangsstelsel en dat het Parlement de Commissie heeft verzocht voorstellen in te dienen om tegen 2010 een definitief besluit te nemen over een definitief BTW-stelsel;

14.

verklaart dat het door het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal in de interne markt sinds 1993, alsmede door de geavanceerde nieuwe technologie ten aanzien van kleine, hoogwaardige producten steeds moeilijker is geworden BTW-fraude te bestrijden, wat nog verergerd wordt door het ingewikkelde en gefragmenteerde karakter van het huidige stelsel waardoor transacties moeilijk te traceren zijn en het stelsel dus vatbaarder is voor misbruik;

15.

neemt nota van de toenemende omvang van carrouselfraude en het doelbewuste misbruik van het BTW-stelsel door criminele bendes die dergelijke constructies opzetten om te profiteren van de mazen in het stelsel; en vestigt de aandacht op de door Eurojust aan de kaak gestelde zaak van BTW-carrouselfraude waarbij 18 lidstaten zijn betrokken en het gaat om een belastingfraude van naar schatting 2,1 miljard EUR;

16.

steunt de Commissie in haar pogingen om te zorgen voor een fundamentele wijziging van het huidige BTW-stelsel; is verheugd over het feit dat de lidstaten dit onderwerp nu hoger op de agenda plaatsen en dringt er bij hen op aan bereid te zijn om in dit verband ingrijpende maatregelen te treffen;

17.

is van mening dat het huidige stelsel gedateerd is en ingrijpend moet worden aangepast zonder eerlijke bedrijven met rompslomp op te zadelen; is van mening dat handhaving van de status quo geen optie is;

Alternatieven voor het huidige BTW-stelsel

Verleggingsregeling

18.

merkt op dat in een verleggingsregeling de cliënt BTW-plichtig is in plaats van de leverancier; erkent dat die regeling het voordeel biedt het risico van carrouselfraude op te heffen door de persoon aan wie de goederen worden geleverd als BTW-plichtig te beschouwen;

19.

merkt op dat de invoering van een dubbel-BTW-stelsel zou indruisen tegen het efficiënt functioneren van de interne markt en zou leiden tot een complexer klimaat -waardoor bedrijfsinvesteringen zouden worden ontmoedigd- dat op de lange termijn alleen zou kunnen worden verbeterd door een algemene, bindende verleggingsregeling, in tegenstelling tot een optioneel stelsel of een stelsel dat alleen voor bepaalde goederen geldt;

20.

merkt verder op dat de verleggingsregeling gesplitste betalingen niet toelaat en dat de totale BTW pas aan het einde van de leveringsketen wordt betaald, waardoor de zelfregulerende controlefunctie van het BTW-stelsel komt te vervallen; waarschuwt dat nieuwe vormen van fraude kunnen opduiken inclusief een toename van misgelopen BTW-ontvangsten op detailhandelsniveau en misbruik van BTW-nummers, en dat bestrijding van dergelijke fraude door de invoering van extra controle kan leiden tot extra administratieve lasten voor bedrijven die te goeder trouw zijn; dringt derhalve aan op voorzichtigheid en een zorgvuldige afweging alvorens een verleggingsregeling in te voeren; merkt desalniettemin op dat instelling van een drempel om het risico van onbelast eindverbruik te beperken wel helpt om fraude te bestrijden en acht de door de Raad voorgestelde drempel van 5 000 EUR redelijk;

Proefproject

21.

merkt, zij het voorzichtig en kritisch, op dat een proefproject er toe zou kunnen bijdragen dat de lidstaten meer begrip krijgen van de inherente risico's van de verleggingsregeling, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan passende waarborgen in te bouwen om ervoor te zorgen dat noch de deelnemende lidstaat noch enig andere lidstaat tijdens het proefproject wordt blootgesteld aan ernstige risico's;

Belastingheffing op intracommunautaire leveringen

22.

is van mening dat BTW-fraude bij grensoverschrijdende leveringen het best kan worden aangepakt door een stelsel in te voeren waarin de BTW-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen wordt vervangen door een belastingtarief van 15 %; merkt op dat het functioneren van een dergelijk stelsel erbij gebaat zou zijn als de variëteit en de complexiteit van verlaagde tarieven aanzienlijk zouden worden vereenvoudigd, waardoor de administratieve lasten voor bedrijven en belastingdiensten worden beperkt; merkt op dat individuele verlagingen van BTW-tarieven van voor 1992 zorgvuldig moeten worden onderzocht en beoordeeld met betrekking tot de vraag of deze nog langer economisch gerechtvaardigd zijn;

23.

erkent dat de BTW op intracommunautaire leveringen een herverdeling van betalingen tussen de lidstaten zou vereisen, gezien de verschillen in BTW-tarieven; is van mening dat een dergelijke herverdeling zou moeten plaatsvinden via een clearinghuis dat de doorgifte van inkomsten tussen de lidstaten zou faciliteren; benadrukt dat het technisch haalbaar is om een clearinghuis te laten functioneren;

24.

is van mening dat een gedecentraliseerd clearinghuisstelsel wellicht geschikter is en sneller zou kunnen worden opgezet aangezien het de lidstaten de mogelijkheid biedt om bilateraal overeenstemming met elkaar te bereiken over belangrijke details, rekening houdend met hun onderlinge handelsbalans, overeenkomsten in de werking van hun BTW-stelsels en hun controlemechanismes, en het wederzijds vertrouwen;

25.

benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de belastingdienst van de lidstaat van levering zou moeten zijn om de BTW te innen van de leverancier en een transfer te maken via het clearingsysteem naar de belastingdienst waar de intracommunautaire aankoop is gedaan; erkent dat er belastingdiensten wederzijds vertrouwen moet groeien;

Administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand op het gebied van BTW, accijnzen en directe belastingen

26.

benadrukt dat lidstaten afzonderlijk grensoverschrijdende belastingfraude niet kunnen bestrijden; is van mening dat uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de lidstaten en met de Commissie ontoereikend zijn geweest om belastingfraude op efficiënte wijze, in de zin van snel dan wel adequaat, te bestrijden; is van mening dat direct contact tussen lokale of nationale anti-fraude-eenheden onvoldoende is ontwikkeld en geïmplementeerd hetgeen leidt tot inefficiëntie, te gering gebruik van de regelingen voor administratieve samenwerking en vertraagde communicatie;

27.

dringt erop aan dat met het oog op de bescherming van de belastinginkomsten van alle lidstaten met betrekking tot de grenzen van de interne markt, de lidstaten vergelijkbare maatregelen dienen te treffen tegen fraudeurs, ongeacht waar de verliezen aan inkomsten plaatsvinden; verzoekt de Commissie mogelijke mechanismen voor te stellen voor de bevordering van een dergelijke samenwerking tussen de lidstaten;

28.

is verheugd over de voorstellen van de Commissie voor de wijziging van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (2) en Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (3) om de verzameling en de uitwisseling van informatie over intracommunautaire transacties met ingang van 2010 te versnellen; erkent dat de voorgestelde rapportageregels van één maand, bedrijven die alleen diensten verlenen die momenteel niet onder die regel vallen met administratieve rompslomp zullen opzadelen, maar legt zich erbij neer dat dit noodzakelijk is in verband met de mogelijke carrouselfraude bij bepaalde diensten;

29.

dringt er bij de Raad op aan voorgestelde maatregelen snel goed te keuren en verzoekt de Commissie verdere voorstellen in te dienen inzake de geautomatiseerde toegang van alle andere lidstaten tot bepaalde niet-gevoelige gegevens van de lidstaten met betrekking tot hun eigen belastingplichtigen (zoals onder meer in de bedrijfssector, bepaalde gegevens over de omzet), en inzake de harmonisatie van de procedures voor de registratie en uitschrijving van personen die BTW-plichtig zijn om te zorgen voor een snelle opsporing en uitschrijving van pseudo-belastingplichtigen; benadrukt dat de lidstaten de verantwoordelijkheid moeten nemen voor het bijhouden van hun gegevens, met name ten aanzien van uitschrijving en de opsporing van frauduleuze registratie;

30.

herinnert eraan dat belastingparadijzen een belemmering kunnen vormen voor de uitvoering van de Lissabon-strategie, indien ze een buitensporige neerwaartse druk op de belastingtarieven en in het algemeen op de belastinginkomsten uitoefenen, waardoor de gevolgen van belastingconcurrentie, die de fiscale soevereiniteit van de lidstaten aantast, worden ergert;

31.

onderstreept tevens dat in tijden van begrotingsdiscipline elke aantasting van de fiscale basis het vermogen van de lidstaten in gevaar zal brengen om te voldoen aan het hervormde stabiliteits- en groeipact;

32.

benadrukt dat om een einde te maken aan belastingparadijzen onder andere een drieledige strategie is vereist: de aanpak van belastingontduiking, een verruiming van de werkingssfeer van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (4) en een verzoek aan de OESO om door middel van haar leden sancties uit te vaardigen tegen belastingparadijzen die niet willen meewerken;

Belastingontduiking

33.

betreurt het dat de lidstaten met hun steeds weer nieuwe bezwaren en vertragingstaktieken een hervorming van Richtlijn 2003/48/EG belemmeren, en moedigt de Commissie, ongeacht de tekenen van tegenstand, aan zo spoedig mogelijk haar voorstellen voor te leggen;

34.

benadrukt dat de hervorming van Richtlijn 2003/48/EG een einde moet maken aan de diverse lacunes en hiaten erin omdat die het opsporen van belastingontduiking en belastingfraude in de weg staan;

35.

verzoekt de Commissie in de context van de hervorming van Richtlijn 2003/48/EG om hervormingsopties te bestuderen, met inbegrip van een zekere uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn met betrekking tot soorten van rechtspersonen en bronnen van financiële inkomsten;

36.

dringt er bij de Europese Unie op aan om de opheffing van belastingparadijzen op een mondiaal niveau op de agenda te houden, gezien hun schadelijke gevolgen voor de belastinginkomsten van de afzonderlijke lidstaten; verzoekt de Raad en de Commissie de handelsmacht van de EU aan te wenden bij de onderhandelingen over handels- en samenwerkingsovereenkomsten met regeringen van belastingparadijzen om hen ervan te overtuigen belastingbepalingen en -praktijken die belastingontduiking en fraude in de hand werken, af te schaffen; verwelkomt als eerste stap de aanbevelingen in de conclusies van de Raad van 14 mei 2008 om in handelsovereenkomsten een clausule van goed bestuur op fiscaal gebied op te nemen en verzoekt de Commissie met onmiddellijke ingang een dergelijke clausule in onderhandelingen over toekomstige handelsakkoorden aan de orde te stellen;

*

* *

37.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 20 van 25.1.2008, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(3)  PB L 264 van 15.10.2003, blz. 1.

(4)  PB L 157 van 26.6.2003, blz. 38.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/19


Dinsdag, 2 september 2008
Het uitroepen van 2011 tot het Europees jaar van de vrijwilligers

P6_TA(2008)0389

Verklaring van het Europees Parlement over het uitroepen van 2011 tot het Europees jaar van de vrijwilligers

2009/C 295 E/05

Het Europees Parlement,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2008 over de rol van vrijwilligerswerk als bijdrage aan de economische en sociale cohesie (1),

onder verwijzing naar de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 16 november 2007 over de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen voor vrijwilligersactiviteiten van jongeren (2),

gelet op artikel 116 van zijn Reglement,

A.

overwegende dat méér dan 100 miljoen Europeanen van alle leeftijden, geloofsovertuigingen en nationaliteiten vrijwilligerswerk verrichten,

B.

overwegende dat uit een in februari 2007 gepubliceerde Eurobarometer-enquête is gebleken dat drie van de tien Europeanen zeggen als vrijwilliger actief te zijn en dat bijna 80 % van de respondenten van oordeel is dat vrijwilligerswerk een belangrijk onderdeel van het democratische leven in Europa vormt (3),

C.

overwegende dat de sector vrijwilligerswerk naar schatting 5 % van het bruto binnenlands product van de lidstaten vertegenwoordigt, en innovatieve acties ontplooit voor het opsporen, verwoorden en inspelen op nieuwe maatschappelijke behoeften,

D.

overwegende dat het European Volunteer Centre, het Europees Jongerenforum, de Association of Voluntary Service Organisations, de World Organisation of the Scout Movement, het Rode Kruis/Afdeling Europese Unie, volonteurope, het Europees ouderenplatform (AGE), Solidar, Caritas Europa, ENGAGE, Johanniter International, de European Non-Governmental Sports Organisation en anderen — die samen duizenden organisaties met miljoenen vrijwilligers vertegenwoordigen — de EU-instellingen hebben opgeroepen 2011 uit te roepen tot Europees jaar van de vrijwilligers,

1.

verzoekt de Commissie, gesteund door de andere EU-instellingen, 2011 uit te roepen tot Europees jaar van de vrijwilligers,

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars, te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

Lijst van ondertekenaars

Adamos Adamou, Gabriele Albertini, Jim Allister, Alexander Alvaro, Jan Andersson, Georgs Andrejevs, Alfonso Andria, Laima Liucija Andrikienė, Emmanouil Angelakas, Roberta Angelilli, Stavros Arnaoutakis, Francisco Assis, Elspeth Attwooll, Marie-Hélène Aubert, Margrete Auken, Liam Aylward, Mariela Velichkova Baeva, Enrique Barón Crespo, Alessandro Battilocchio, Katerina Batzeli, Edit Bauer, Jean Marie Beaupuy, Zsolt László Becsey, Angelika Beer, Ivo Belet, Jean-Luc Bennahmias, Rolf Berend, Pervenche Berès, Sergio Berlato, Giovanni Berlinguer, Thijs Berman, Adam Bielan, Guy Bono, Josep Borrell Fontelles, Victor Boștinaru, Catherine Boursier, Bernadette Bourzai, John Bowis, Sharon Bowles, Emine Bozkurt, Iles Braghetto, Mihael Brejc, Frieda Brepoels, André Brie, Elmar Brok, Danutė Budreikaitė, Kathalijne Maria Buitenweg, Ieke van den Burg, Colm Burke, Philip Bushill-Matthews, Cristian Silviu Bușoi, Simon Busuttil, Jerzy Buzek, Martin Callanan, Mogens Camre, Luis Manuel Capoulas Santos, Marie-Arlette Carlotti, Giorgio Carollo, Paulo Casaca, Michael Cashman, Carlo Casini, Françoise Castex, Giuseppe Castiglione, Pilar del Castillo Vera, Jorgo Chatzimarkakis, Zdzisław Kazimierz Chmielewski, Ole Christensen, Sylwester Chruszcz, Philip Claeys, Luigi Cocilovo, Carlos Coelho, Richard Corbett, Giovanna Corda, Titus Corlățean, Jean Louis Cottigny, Michael Cramer, Corina Crețu, Gabriela Crețu, Brian Crowley, Marek Aleksander Czarnecki, Ryszard Czarnecki, Daniel Dăianu, Dragoș Florin David, Chris Davies, Bairbre de Brún, Jean-Luc Dehaene, Panayiotis Demetriou, Gérard Deprez, Proinsias De Rossa, Marielle De Sarnez, Marie-Hélène Descamps, Harlem Désir, Albert Deß, Mia De Vits, Jolanta Dičkutė, Koenraad Dillen, Giorgos Dimitrakopoulos, Alexandra Dobolyi, Beniamino Donnici, Den Dover, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Petr Duchoň, Andrew Duff, Árpád Duka-Zólyomi, Constantin Dumitriu, Michl Ebner, Lena Ek, Saïd El Khadraoui, James Elles, Maria da Assunção Esteves, Edite Estrela, Harald Ettl, Jill Evans, Robert Evans, Göran Färm, Richard Falbr, Markus Ferber, Emanuel Jardim Fernandes, Francesco Ferrari, Elisa Ferreira, Ilda Figueiredo, Petru Filip, Hélène Flautre, Alessandro Foglietta, Hanna Foltyn-Kubicka, Glyn Ford, Janelly Fourtou, Armando França, Duarte Freitas, Ingo Friedrich, Urszula Gacek, Michael Gahler, Milan Gaľa, Gerardo Galeote, Vicente Miguel Garcés Ramón, Eugenijus Gentvilas, Georgios Georgiou, Bronisław Geremek, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Adam Gierek, Maciej Marian Giertych, Neena Gill, Ioannis Gklavakis, Bogdan Golik, Ana Maria Gomes, Donata Gottardi, Genowefa Grabowska, Dariusz Maciej Grabowski, Vasco Graça Moura, Nathalie Griesbeck, Lissy Gröner, Elly de Groen-Kouwenhoven, Mathieu Grosch, Lilli Gruber, Ignasi Guardans Cambó, Ambroise Guellec, Pedro Guerreiro, Umberto Guidoni, Zita Gurmai, Fiona Hall, David Hammerstein, Małgorzata Handzlik, Gábor Harangozó, Malcolm Harbour, Marian Harkin, Rebecca Harms, Joel Hasse Ferreira, Satu Hassi, Anna Hedh, Jeanine Hennis-Plasschaert, Esther Herranz García, Jim Higgins, Jens Holm, Milan Horáček, Richard Howitt, Ján Hudacký, Stephen Hughes, Alain Hutchinson, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Monica Maria Iacob-Ridzi, Sophia in 't Veld, Mikel Irujo Amezaga, Ville Itälä, Lily Jacobs, Anneli Jäätteenmäki, Stanisław Jałowiecki, Mieczysław Edmund Janowski, Lívia Járóka, Elisabeth Jeggle, Rumiana Jeleva, Anne E. Jensen, Romana Jordan Cizelj, Jelko Kacin, Filip Kaczmarek, Gisela Kallenbach, Othmar Karas, Sajjad Karim, Ioannis Kasoulides, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Piia-Noora Kauppi, Tunne Kelam, Glenys Kinnock, Evgeni Kirilov, Ewa Klamt, Wolf Klinz, Dieter-Lebrecht Koch, Silvana Koch-Mehrin, Eija-Riitta Korhola, Miloš Koterec, Holger Krahmer, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Ģirts Valdis Kristovskis, Urszula Krupa, Wiesław Stefan Kuc, Jan Jerzy Kułakowski, Sepp Kusstatscher, Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk, Joost Lagendijk, Jean Lambert, Alexander Graf Lambsdorff, Vytautas Landsbergis, Esther De Lange, Anne Laperrouze, Romano Maria La Russa, Vincenzo Lavarra, Henrik Lax, Johannes Lebech, Bernard Lehideux, Lasse Lehtinen, Jörg Leichtfried, Jo Leinen, Katalin Lévai, Janusz Lewandowski, Bogusław Liberadzki, Marcin Libicki, Eva Lichtenberger, Alain Lipietz, Pia Elda Locatelli, Andrea Losco, Caroline Lucas, Sarah Ludford, Astrid Lulling, Elizabeth Lynne, Linda McAvan, Arlene McCarthy, Mary Lou McDonald, Mairead McGuinness, Edward McMillan-Scott, Jamila Madeira, Eugenijus Maldeikis, Toine Manders, Ramona Nicole Mănescu, Vladimír Maňka, Thomas Mann, Marian-Jean Marinescu, Catiuscia Marini, Sérgio Marques, Maria Martens, David Martin, Jean-Claude Martinez, Miguel Angel Martínez Martínez, Jan Tadeusz Masiel, Antonio Masip Hidalgo, Marios Matsakis, Yiannakis Matsis, Maria Matsouka, Manolis Mavrommatis, Hans-Peter Mayer, Erik Meijer, Íñigo Méndez de Vigo, Emilio Menéndez del Valle, Marianne Mikko, Miroslav Mikolášik, Gay Mitchell, Nickolay Mladenov, Claude Moraes, Eluned Morgan, Luisa Morgantini, Elisabeth Morin, Roberto Musacchio, Cristiana Muscardini, Joseph Muscat, Sebastiano (Nello) Musumeci, Riitta Myller, Pasqualina Napoletano, Michael Henry Nattrass, Robert Navarro, Cătălin-Ioan Nechifor, Bill Newton Dunn, Annemie Neyts-Uyttebroeck, James Nicholson, Angelika Niebler, Lambert van Nistelrooij, Ljudmila Novak, Vural Öger, Jan Olbrycht, Seán Ó Neachtain, Gérard Onesta, Janusz Onyszkiewicz, Ria Oomen-Ruijten, Dumitru Oprea, Miroslav Ouzký, Siiri Oviir, Doris Pack, Maria Grazia Pagano, Borut Pahor, Justas Vincas Paleckis, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Marco Pannella, Pier Antonio Panzeri, Dimitrios Papadimoulis, Georgios Papastamkos, Neil Parish, Aldo Patriciello, Vincent Peillon, Alojz Peterle, Maria Petre, Markus Pieper, Sirpa Pietikäinen, João de Deus Pinheiro, Józef Pinior, Mirosław Mariusz Piotrowski, Umberto Pirilli, Hubert Pirker, Paweł Bartłomiej Piskorski, Lapo Pistelli, Gianni Pittella, Zita Pleštinská, Anni Podimata, Zdzisław Zbigniew Podkański, Samuli Pohjamo, Lydie Polfer, Mihaela Popa, Nicolae Vlad Popa, Miguel Portas, Vittorio Prodi, John Purvis, Luís Queiró, Reinhard Rack, Alexander Radwan, Bilyana Ilieva Raeva, Poul Nyrup Rasmussen, Karin Resetarits, José Ribeiro e Castro, Marco Rizzo, Bogusław Rogalski, Zuzana Roithová, Raül Romeva i Rueda, Dariusz Rosati, Wojciech Roszkowski, Libor Rouček, Paul Rübig, Heide Rühle, Leopold Józef Rutowicz, Eoin Ryan, Aloyzas Sakalas, Katrin Saks, Antolín Sánchez Presedo, Manuel António dos Santos, Sebastiano Sanzarello, Amalia Sartori, Jacek Saryusz-Wolski, Toomas Savi, Luciana Sbarbati, Christel Schaldemose, Pierre Schapira, Agnes Schierhuber, Margaritis Schinas, Frithjof Schmidt, Olle Schmidt, Pál Schmitt, Elisabeth Schroedter, Inger Segelström, Esko Seppänen, Czesław Adam Siekierski, José Albino Silva Peneda, Brian Simpson, Kathy Sinnott, Marek Siwiec, Nina Škottová, Alyn Smith, Csaba Sógor, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Sérgio Sousa Pinto, Jean Spautz, Bart Staes, Grażyna Staniszewska, Margarita Starkevičiūtė, Dirk Sterckx, Struan Stevenson, Catherine Stihler, Ulrich Stockmann, Dimitar Stoyanov, Robert Sturdy, Margie Sudre, David Sumberg, László Surján, Eva-Britt Svensson, József Szájer, István Szent-Iványi, Konrad Szymański, Hannu Takkula, Charles Tannock, Andres Tarand, Salvatore Tatarella, Britta Thomsen, Marianne Thyssen, Silvia-Adriana Țicău, Gary Titley, Patrizia Toia, László Tőkés, Ewa Tomaszewska, Witold Tomczak, Jacques Toubon, Antonios Trakatellis, Kyriacos Triantaphyllides, Claude Turmes, Evangelia Tzampazi, Feleknas Uca, Vladimir Urutchev, Inese Vaidere, Nikolaos Vakalis, Frank Vanhecke, Johan Van Hecke, Anne Van Lancker, Ioannis Varvitsiotis, Armando Veneto, Donato Tommaso Veraldi, Bernadette Vergnaud, Cornelis Visser, Oldřich Vlasák, Diana Wallis, Graham Watson, Henri Weber, Manfred Weber, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Anders Wijkman, Glenis Willmott, Iuliu Winkler, Janusz Wojciechowski, Anna Záborská, Zbigniew Zaleski, Mauro Zani, Andrzej Tomasz Zapałowski, Stefano Zappalà, Tomáš Zatloukal, Tatjana Ždanoka, Gabriele Zimmer, Marian Zlotea, Jaroslav Zvěřina, Tadeusz Zwiefka


(1)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0131.

(2)  PB C 241 van 20.9.2008, blz. 1.

(3)  „European Social Reality”, Special Eurobarometer 273, Wave 66.3.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/21


Dinsdag, 2 september 2008
Aandacht voor zelfverwezenlijking van de jeugd in het beleid van de Europese Unie

P6_TA(2008)0390

Verklaring van het Europees Parlement over aandacht voor zelfverwezenlijking van de jeugd in het beleid van de Europese Unie

2009/C 295 E/06

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 116 van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Commissie in haar witboek „Een nieuw elan voor Europa's jeugd” (COM(2001)0681), dat werd onderzocht door het Parlement in zijn resolutie van 14 mei 2002 (1), heeft uitgesproken meer aandacht te willen besteden aan jongeren op andere beleidsterreinen, in het bijzonder onderwijs en levenslang leren, werkgelegenheid, sociale integratie, gezondheid, de autonomie van jongeren, mobiliteit, bevordering van grondrechten en bestrijding van discriminatie,

B.

overwegende dat de Europese Raad op 22 en 23 maart 2005 een „Europees pact voor de jeugd” heeft aangenomen als een van de instrumenten die bijdragen tot de realisering van de Lissabondoelstellingen en het belang daarvan heeft herbevestigd in maart 2008, daarbij de noodzaak onderstrepend om nu en in de toekomst in de jeugd te investeren,

C.

overwegende dat de Commissie de noodzaak van de opname van jongerenkwesties in het algemene beleid heeft geventileerd in haar mededeling van 5 september 2007 over het bevorderen van de volledige participatie van jongeren in het onderwijs, het arbeidsleven en het maatschappelijk leven (COM(2007)0498),

D.

overwegende dat het zijn resoluties van 19 juni 2007 over een regelgevend kader voor maatregelen ten behoeve van jonge vrouwen in de Europese Unie om gezin en studies met elkaar te verzoenen (2) en van 21 februari 2008 over de demografische toekomst van Europa (3), heeft aangenomen, waarin wordt onderstreept dat meer rekening moet worden gehouden met de jeugd,

1.

roept de Commissie op rekening te houden met de consequenties voor jongeren en de resultaten van de structurele dialoog met jongerenorganisaties wanneer zij wetgevingsvoorstellen voorbereidt, in het bijzonder op de in overweging A genoemde beleidsterreinen;

2.

roept de lidstaten op zich te concentreren op jongeren wanneer zij nationale hervormingsprogramma's uitvoeren in het kader van de Lissabonstrategie en rekening met hen te houden op de relevante beleidsterreinen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Europees Jeugdforum.

Lijst van ondertekenaars

Adamos Adamou, Vincenzo Aita, Gabriele Albertini, Alexander Alvaro, Jan Andersson, Georgs Andrejevs, Alfonso Andria, Laima Liucija Andrikienė, Emmanouil Angelakas, Roberta Angelilli, Kader Arif, Stavros Arnaoutakis, Francisco Assis, John Attard-Montalto, Elspeth Attwooll, Jean-Pierre Audy, Margrete Auken, Liam Aylward, Pilar Ayuso, Peter Baco, Maria Badia i Cutchet, Mariela Velichkova Baeva, Enrique Barón Crespo, Alessandro Battilocchio, Katerina Batzeli, Jean Marie Beaupuy, Zsolt László Becsey, Ivo Belet, Jean-Luc Bennahmias, Monika Beňová, Giovanni Berlinguer, Thijs Berman, Šarūnas Birutis, Sebastian Valentin Bodu, Herbert Bösch, Guy Bono, Victor Boștinaru, Bernadette Bourzai, John Bowis, Sharon Bowles, Emine Bozkurt, Iles Braghetto, Mihael Brejc, Frieda Brepoels, Jan Březina, André Brie, Danutė Budreikaitė, Kathalijne Maria Buitenweg, Wolfgang Bulfon, Udo Bullmann, Ieke van den Burg, Colm Burke, Niels Busk, Cristian Silviu Bușoi, Philippe Busquin, Simon Busuttil, Jerzy Buzek, Luis Manuel Capoulas Santos, David Casa, Paulo Casaca, Michael Cashman, Carlo Casini, Giuseppe Castiglione, Jean-Marie Cavada, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Luigi Cocilovo, Carlos Coelho, Daniel Cohn-Bendit, Richard Corbett, Dorette Corbey, Giovanna Corda, Titus Corlățean, Thierry Cornillet, Jean Louis Cottigny, Michael Cramer, Jan Cremers, Gabriela Crețu, Brian Crowley, Magor Imre Csibi, Marek Aleksander Czarnecki, Daniel Dăianu, Joseph Daul, Dragoș Florin David, Chris Davies, Antonio De Blasio, Bairbre de Brún, Arūnas Degutis, Jean-Luc Dehaene, Panayiotis Demetriou, Marie-Hélène Descamps, Albert Deß, Christine De Veyrac, Mia De Vits, Jolanta Dičkutė, Alexandra Dobolyi, Beniamino Donnici, Bert Doorn, Brigitte Douay, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Petr Duchoň, Bárbara Dührkop Dührkop, Árpád Duka-Zólyomi, Constantin Dumitriu, Michl Ebner, Lena Ek, Saïd El Khadraoui, Maria da Assunção Esteves, Edite Estrela, Harald Ettl, Jill Evans, Göran Färm, Richard Falbr, Carlo Fatuzzo, Claudio Fava, Emanuel Jardim Fernandes, Francesco Ferrari, Elisa Ferreira, Ilda Figueiredo, Petru Filip, Věra Flasarová, Alessandro Foglietta, Hanna Foltyn-Kubicka, Nicole Fontaine, Glyn Ford, Brigitte Fouré, Janelly Fourtou, Juan Fraile Cantón, Armando França, Monica Frassoni, Duarte Freitas, Milan Gaľa, Vicente Miguel Garcés Ramón, Iratxe García Pérez, Patrick Gaubert, Jean-Paul Gauzès, Eugenijus Gentvilas, Georgios Georgiou, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Claire Gibault, Ioannis Gklavakis, Ana Maria Gomes, Donata Gottardi, Vasco Graça Moura, Martí Grau i Segú, Louis Grech, Nathalie Griesbeck, Lissy Gröner, Elly de Groen-Kouwenhoven, Matthias Groote, Mathieu Grosch, Françoise Grossetête, Lilli Gruber, Ignasi Guardans Cambó, Ambroise Guellec, Pedro Guerreiro, Zita Gurmai, Cristina Gutiérrez-Cortines, Fiona Hall, David Hammerstein, Benoît Hamon, Małgorzata Handzlik, Marian Harkin, Rebecca Harms, Joel Hasse Ferreira, Satu Hassi, Anna Hedh, Gyula Hegyi, Jeanine Hennis-Plasschaert, Jim Higgins, Jens Holm, Mary Honeyball, Milan Horáček, Stephen Hughes, Alain Hutchinson, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Sophia in 't Veld, Ville Itälä, Carlos José Iturgaiz Angulo, Lily Jacobs, Anneli Jäätteenmäki, Mieczysław Edmund Janowski, Anne E. Jensen, Dan Jørgensen, Pierre Jonckheer, Romana Jordan Cizelj, Jelko Kacin, Filip Kaczmarek, Gisela Kallenbach, Othmar Karas, Ioannis Kasoulides, Piia-Noora Kauppi, Metin Kazak, Tunne Kelam, Glenys Kinnock, Ewa Klamt, Dieter-Lebrecht Koch, Silvana Koch-Mehrin, Jaromír Kohlíček, Maria Eleni Koppa, Miloš Koterec, Sergej Kozlík, Guntars Krasts, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Ģirts Valdis Kristovskis, Wiesław Stefan Kuc, Jan Jerzy Kułakowski, Sepp Kusstatscher, Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk, Joost Lagendijk, André Laignel, Alain Lamassoure, Jean Lambert, Vytautas Landsbergis, Esther De Lange, Anne Laperrouze, Henrik Lax, Johannes Lebech, Stéphane Le Foll, Roselyne Lefrançois, Bernard Lehideux, Lasse Lehtinen, Jörg Leichtfried, Jo Leinen, Marcin Libicki, Eva Lichtenberger, Marie-Noëlle Lienemann, Alain Lipietz, Pia Elda Locatelli, Caroline Lucas, Sarah Ludford, Florencio Luque Aguilar, Elizabeth Lynne, Marusya Ivanova Lyubcheva, Jules Maaten, Linda McAvan, Arlene McCarthy, Mary Lou McDonald, Mairead McGuinness, Edward McMillan-Scott, Jamila Madeira, Ramona Nicole Mănescu, Vladimír Maňka, Mario Mantovani, Catiuscia Marini, Helmuth Markov, Sérgio Marques, Maria Martens, David Martin, Miguel Angel Martínez Martínez, Jan Tadeusz Masiel, Marios Matsakis, Yiannakis Matsis, Manolis Mavrommatis, Manuel Medina Ortega, Erik Meijer, Íñigo Méndez de Vigo, Emilio Menéndez del Valle, Marianne Mikko, Miroslav Mikolášik, Claude Moraes, Javier Moreno Sánchez, Luisa Morgantini, Elisabeth Morin, Roberto Musacchio, Joseph Muscat, Sebastiano (Nello) Musumeci, Riitta Myller, Pasqualina Napoletano, Robert Navarro, Cătălin-Ioan Nechifor, Catherine Neris, Angelika Niebler, Ljudmila Novak, Raimon Obiols i Germà, Vural Öger, Jan Olbrycht, Seán Ó Neachtain, Gérard Onesta, Dumitru Oprea, Josu Ortuondo Larrea, Siiri Oviir, Borut Pahor, Justas Vincas Paleckis, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Vladko Todorov Panayotov, Pier Antonio Panzeri, Dimitrios Papadimoulis, Atanas Paparizov, Georgios Papastamkos, Neil Parish, Ioan Mircea Pașcu, Aldo Patriciello, Vincent Peillon, Maria Petre, Sirpa Pietikäinen, Rihards Pīks, João de Deus Pinheiro, Józef Pinior, Umberto Pirilli, Hubert Pirker, Paweł Bartłomiej Piskorski, Gianni Pittella, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Zita Pleštinská, Anni Podimata, Samuli Pohjamo, Bernard Poignant, José Javier Pomés Ruiz, Mihaela Popa, Nicolae Vlad Popa, Miguel Portas, Christa Prets, Pierre Pribetich, Vittorio Prodi, John Purvis, Luís Queiró, Reinhard Rack, Bilyana Ilieva Raeva, Miloslav Ransdorf, Poul Nyrup Rasmussen, Karin Resetarits, José Ribeiro e Castro, Teresa Riera Madurell, Frédérique Ries, Karin Riis-Jørgensen, Maria Robsahm, Bogusław Rogalski, Zuzana Roithová, Raül Romeva i Rueda, Dagmar Roth-Behrendt, Libor Rouček, Paul Rübig, Heide Rühle, Leopold Józef Rutowicz, Eoin Ryan, Tokia Saïfi, Aloyzas Sakalas, Katrin Saks, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Antolín Sánchez Presedo, Manuel António dos Santos, Sebastiano Sanzarello, Salvador Domingo Sanz Palacio, Amalia Sartori, Gilles Savary, Toomas Savi, Luciana Sbarbati, Christel Schaldemose, Agnes Schierhuber, Carl Schlyter, Frithjof Schmidt, Pál Schmitt, Elisabeth Schroedter, Inger Segelström, Adrian Severin, José Albino Silva Peneda, Brian Simpson, Csaba Sógor, Søren Bo Søndergaard, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Sérgio Sousa Pinto, Jean Spautz, Bart Staes, Grażyna Staniszewska, Gabriele Stauner, Petya Stavreva, Dirk Sterckx, Catherine Stihler, Ulrich Stockmann, Theodor Dumitru Stolojan, Dimitar Stoyanov, Daniel Strož, Margie Sudre, Eva-Britt Svensson, Hannes Swoboda, József Szájer, István Szent-Iványi, Csaba Sándor Tabajdi, Antonio Tajani, Hannu Takkula, Andres Tarand, Britta Thomsen, Marianne Thyssen, Silvia-Adriana Țicău, Gary Titley, Patrizia Toia, László Tőkés, Ewa Tomaszewska, Witold Tomczak, Jacques Toubon, Antonios Trakatellis, Catherine Trautmann, Kyriacos Triantaphyllides, Claude Turmes, Evangelia Tzampazi, Feleknas Uca, Vladimir Urutchev, Nikolaos Vakalis, Johan Van Hecke, Anne Van Lancker, Ioannis Varvitsiotis, Donato Tommaso Veraldi, Bernadette Vergnaud, Alejo Vidal-Quadras, Kristian Vigenin, Oldřich Vlasák, Dominique Vlasto, Johannes Voggenhuber, Sahra Wagenknecht, Graham Watson, Henri Weber, Renate Weber, Åsa Westlund, Jan Marinus Wiersma, Anders Wijkman, Glenis Willmott, Iuliu Winkler, Janusz Wojciechowski, Corien Wortmann-Kool, Francis Wurtz, Luis Yañez-Barnuevo García, Anna Záborská, Zbigniew Zaleski, Mauro Zani, Tatjana Ždanoka, Dushana Zdravkova, Marian Zlotea, Jaroslav Zvěřina, Tadeusz Zwiefka


(1)  PB C 180 E van 31.7.2003, blz. 145.

(2)  PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 112.

(3)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0066.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/23


Dinsdag, 2 september 2008
Noodprocedures voor samenwerking bij het terugvinden van vermiste kinderen

P6_TA(2008)0391

Verklaring van het Europees Parlement over noodprocedures voor samenwerking bij het terugvinden van vermiste kinderen

2009/C 295 E/07

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 116 van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de ontvoering van een kind een van de meest onmenselijke misdrijven is,

B.

overwegende dat er in Europa sprake is van een toename van dergelijke misdrijven en dat daarbij ook sprake kan zijn van een grensoverschrijdend vervoer van slachtoffers,

C.

overwegende dat naarmate de tijd verstrijkt de vooruitzichten om het leven van een ontvoerd kind te redden afnemen,

D.

overwegende dat er geen Europees alarmsysteem voor kinderverdwijningen bestaat en er in veel landen van de Europese Unie op plaatselijk of nationaal niveau ook geen sprake is van dergelijke systemen,

1

verzoekt de lidstaten een alarmsysteem voor vermiste kinderen in te voeren, hetgeen zou inhouden dat de relevante nieuwsmedia, grensautoriteiten, douane- en rechtshandhavingsinstanties onmiddellijk worden voorzien van:

details van het vermiste kind, met foto, indien beschikbaar,

informatie met betrekking tot de verdwijning en de mogelijke ontvoerder(s),

een telefoonnummer dat gebeld kan worden om informatie door te geven (116 000 waar dit technisch mogelijk is);

2.

verzoekt de lidstaten om samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met alle aangrenzende staten om ervoor te zorgen dat zij in staat zijn om in alle betreffende gebieden snel alarm te slaan;

3.

roept op tot het ontwikkelen van een gemeenschappelijke organisatie om bijstand en opleiding te bieden aan nationale organen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Lijst van ondertekenaars

Adamos Adamou, Vittorio Agnoletto, Vincenzo Aita, Gabriele Albertini, Jim Allister, Alexander Alvaro, Georgs Andrejevs, Emmanouil Angelakas, Roberta Angelilli, Stavros Arnaoutakis, Richard James Ashworth, Robert Atkins, John Attard-Montalto, Elspeth Attwooll, Marie-Hélène Aubert, Margrete Auken, Liam Aylward, Mariela Velichkova Baeva, Paolo Bartolozzi, Domenico Antonio Basile, Gerard Batten, Alessandro Battilocchio, Katerina Batzeli, Jean Marie Beaupuy, Christopher Beazley, Zsolt László Becsey, Ivo Belet, Irena Belohorská, Jean-Luc Bennahmias, Sergio Berlato, Thijs Berman, Slavi Binev, Sebastian Valentin Bodu, Herbert Bösch, Jens-Peter Bonde, Vito Bonsignore, Graham Booth, Mario Borghezio, Costas Botopoulos, Catherine Boursier, Bernadette Bourzai, John Bowis, Sharon Bowles, Iles Braghetto, Mihael Brejc, Frieda Brepoels, André Brie, Danutė Budreikaitė, Paul van Buitenen, Kathalijne Maria Buitenweg, Udo Bullmann, Ieke van den Burg, Colm Burke, Philip Bushill-Matthews, Niels Busk, Cristian Silviu Bușoi, Philippe Busquin, Simon Busuttil, Jerzy Buzek, Milan Cabrnoch, Martin Callanan, Mogens Camre, Marco Cappato, Marie-Arlette Carlotti, Giorgio Carollo, David Casa, Paulo Casaca, Michael Cashman, Carlo Casini, Giuseppe Castiglione, Giusto Catania, Jorgo Chatzimarkakis, Giles Chichester, Ole Christensen, Fabio Ciani, Derek Roland Clark, Luigi Cocilovo, Carlos Coelho, Richard Corbett, Giovanna Corda, Titus Corlățean, Thierry Cornillet, Paolo Costa, Jean Louis Cottigny, Paul Marie Coûteaux, Michael Cramer, Gabriela Crețu, Brian Crowley, Marek Aleksander Czarnecki, Hanne Dahl, Daniel Dăianu, Chris Davies, Bairbre de Brún, Panayiotis Demetriou, Gérard Deprez, Proinsias De Rossa, Marielle De Sarnez, Marie-Hélène Descamps, Harlem Désir, Albert Deß, Nirj Deva, Christine De Veyrac, Mia De Vits, Giorgos Dimitrakopoulos, Alexandra Dobolyi, Beniamino Donnici, Bert Doorn, Brigitte Douay, Den Dover, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Petr Duchoň, Bárbara Dührkop Dührkop, Andrew Duff, Árpád Duka-Zólyomi, Constantin Dumitriu, Michl Ebner, Lena Ek, James Elles, Edite Estrela, Jill Evans, Jonathan Evans, Robert Evans, Nigel Farage, Markus Ferber, Emanuel Jardim Fernandes, Francesco Ferrari, Ilda Figueiredo, Petru Filip, Roberto Fiore, Věra Flasarová, Hélène Flautre, Alessandro Foglietta, Hanna Foltyn-Kubicka, Glyn Ford, Brigitte Fouré, Janelly Fourtou, Milan Gaľa, Elisabetta Gardini, Giuseppe Gargani, Evelyne Gebhardt, Georgios Georgiou, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Maciej Marian Giertych, Neena Gill, Ioannis Gklavakis, Ana Maria Gomes, Donata Gottardi, Genowefa Grabowska, Louis Grech, Nathalie Griesbeck, Lissy Gröner, Elly de Groen-Kouwenhoven, Mathieu Grosch, Françoise Grossetête, Lilli Gruber, Ignasi Guardans Cambó, Ambroise Guellec, Pedro Guerreiro, Catherine Guy-Quint, Fiona Hall, Benoît Hamon, Małgorzata Handzlik, Gábor Harangozó, Malcolm Harbour, Marian Harkin, Joel Hasse Ferreira, Satu Hassi, Christopher Heaton-Harris, Anna Hedh, Roger Helmer, Jeanine Hennis-Plasschaert, Jim Higgins, Mary Honeyball, Richard Howitt, Ján Hudacký, Ian Hudghton, Stephen Hughes, Jana Hybášková, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Sophia in 't Veld, Iliana Malinova Iotova, Mikel Irujo Amezaga, Marie Anne Isler Béguin, Caroline Jackson, Lily Jacobs, Anneli Jäätteenmäki, Lívia Járóka, Anne E. Jensen, Romana Jordan Cizelj, Ona Juknevičienė, Jelko Kacin, Filip Kaczmarek, Syed Kamall, Sajjad Karim, Ioannis Kasoulides, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Piia-Noora Kauppi, Robert Kilroy-Silk, Glenys Kinnock, Evgeni Kirilov, Wolf Klinz, Dieter-Lebrecht Koch, Maria Eleni Koppa, Eija-Riitta Korhola, Guntars Krasts, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Ģirts Valdis Kristovskis, Urszula Krupa, Sepp Kusstatscher, Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk, Joost Lagendijk, Alain Lamassoure, Jean Lambert, Alexander Graf Lambsdorff, Vytautas Landsbergis, Anne Laperrouze, Romano Maria La Russa, Vincenzo Lavarra, Henrik Lax, Johannes Lebech, Kurt Lechner, Bernard Lehideux, Klaus-Heiner Lehne, Jo Leinen, Jean-Marie Le Pen, Bogusław Liberadzki, Marcin Libicki, Pia Elda Locatelli, Andrea Losco, Caroline Lucas, Sarah Ludford, Astrid Lulling, Elizabeth Lynne, Marusya Ivanova Lyubcheva, Jules Maaten, Linda McAvan, Arlene McCarthy, Mary Lou McDonald, Mairead McGuinness, Edward McMillan-Scott, Jamila Madeira, Toine Manders, Ramona Nicole Mănescu, Marian-Jean Marinescu, Catiuscia Marini, David Martin, Jan Tadeusz Masiel, Véronique Mathieu, Yiannakis Matsis, Mario Mauro, Manolis Mavrommatis, Erik Meijer, Marianne Mikko, Gay Mitchell, Viktória Mohácsi, Claude Moraes, Eluned Morgan, Luisa Morgantini, Philippe Morillon, Elisabeth Morin, Jan Mulder, Roberto Musacchio, Cristiana Muscardini, Joseph Muscat, Sebastiano (Nello) Musumeci, Pasqualina Napoletano, Robert Navarro, Cătălin-Ioan Nechifor, Catherine Neris, Bill Newton Dunn, Annemie Neyts-Uyttebroeck, James Nicholson, null Nicholson of Winterbourne, Vural Öger, Seán Ó Neachtain, Gérard Onesta, Dumitru Oprea, Josu Ortuondo Larrea, Miroslav Ouzký, Siiri Oviir, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Pier Antonio Panzeri, Dimitrios Papadimoulis, Atanas Paparizov, Georgios Papastamkos, Neil Parish, Aldo Patriciello, Vincent Peillon, Maria Petre, Willi Piecyk, Rihards Pīks, João de Deus Pinheiro, Józef Pinior, Umberto Pirilli, Lapo Pistelli, Gianni Pittella, Zita Pleštinská, Rovana Plumb, Guido Podestà, Anni Podimata, Samuli Pohjamo, Lydie Polfer, José Javier Pomés Ruiz, Mihaela Popa, Pierre Pribetich, Vittorio Prodi, Jacek Protasiewicz, John Purvis, Luís Queiró, Reinhard Rack, Bilyana Ilieva Raeva, Miloslav Ransdorf, Poul Nyrup Rasmussen, Karin Resetarits, José Ribeiro e Castro, Frédérique Ries, Karin Riis-Jørgensen, Giovanni Rivera, Giovanni Robusti, Bogusław Rogalski, Zuzana Roithová, Luca Romagnoli, Dagmar Roth-Behrendt, Libor Rouček, Martine Roure, Heide Rühle, Leopold Józef Rutowicz, Eoin Ryan, Tokia Saïfi, Aloyzas Sakalas, Manuel António dos Santos, Amalia Sartori, Jacek Saryusz-Wolski, Toomas Savi, Christel Schaldemose, Margaritis Schinas, György Schöpflin, Jürgen Schröder, Inger Segelström, Adrian Severin, José Albino Silva Peneda, Brian Simpson, Kathy Sinnott, Peter Skinner, Nina Škottová, Alyn Smith, Søren Bo Søndergaard, Bogusław Sonik, Jean Spautz, Bart Staes, Grażyna Staniszewska, Margarita Starkevičiūtė, Dirk Sterckx, Struan Stevenson, Catherine Stihler, Dimitar Stoyanov, Daniel Strož, Robert Sturdy, Margie Sudre, David Sumberg, Konrad Szymański, Hannu Takkula, Charles Tannock, Andres Tarand, Salvatore Tatarella, Britta Thomsen, Silvia-Adriana Țicău, Jeffrey Titford, Gary Titley, Patrizia Toia, László Tőkés, Ewa Tomaszewska, Witold Tomczak, Antonios Trakatellis, Kyriacos Triantaphyllides, Claude Turmes, Evangelia Tzampazi, Feleknas Uca, Vladimir Urutchev, Inese Vaidere, Nikolaos Vakalis, Frank Vanhecke, Anne Van Lancker, Geoffrey Van Orden, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Ari Vatanen, Yannick Vaugrenard, Armando Veneto, Riccardo Ventre, Donato Tommaso Veraldi, Bernadette Vergnaud, Alejo Vidal-Quadras, Cornelis Visser, Oldřich Vlasák, Dominique Vlasto, Diana Wallis, Graham Watson, Manfred Weber, Renate Weber, Åsa Westlund, Anders Wijkman, Glenis Willmott, Iuliu Winkler, Janusz Wojciechowski, Corien Wortmann-Kool, Anna Záborská, Jan Zahradil, Iva Zanicchi, Stefano Zappalà, Tatjana Ždanoka, Dushana Zdravkova, Vladimír Železný, Gabriele Zimmer, Marian Zlotea, Jaroslav Zvěřina, Tadeusz Zwiefka


Woensdag, 3 september 2008

4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/26


Woensdag, 3 september 2008
Georgië

P6_TA(2008)0396

Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over de situatie in Georgië

2009/C 295 E/08

Het Europees Parlement,

onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Georgië en met name zijn resolutie van 26 oktober 2006 over de situatie in Zuid-Ossetië (1) en zijn resoluties van 29 november 2007 (2) en 5 juni 2008 (3) over de situatie in Georgië,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2007 over de versterking van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) (4) en zijn resoluties van 17 januari 2008 over een effectiever EU-beleid voor de zuidelijke Kaukasus (5) en over een regionale beleidsaanpak voor het Zwarte-Zeegebied (6),

gezien het actieplan dat in het kader van het ENB met Georgië is overeengekomen en een samenwerkingsverplichting bevat met het oog op de oplossing van de interne conflicten in Georgië,

gezien het Gemeenschappelijk Optreden 2008/450/GBVB van de Raad van 16 juni 2008 inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de oplossing van het conflict in Georgië/Zuid-Ossetië (7), en andere eerdere gemeenschappelijk optredens van de Raad in dezelfde kwestie,

onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de betrekkingen tussen de EU en Rusland, met name de resolutie van 19 juni 2008 over de Top EU-Rusland van 26-27 juni 2008 in Khanty-Mansiysk (8),

gezien de conclusies van de buitengewone vergadering van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 13 augustus 2008 over de situatie in Georgië,

gezien de conclusies van de buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad (9) van 1 september 2008 te Brussel,

gezien de resoluties S/RES/1781 (2007) en S/RES/1808 (2008) van de VN-Veiligheidsraad, waarin de territoriale integriteit van Georgië wordt ondersteund en de laatste waarvan het mandaat van de VN-Waarnemingsmissie in Georgië (UNOMIG) tot 15 oktober 2008 verlengt,

gezien besluit nr. 861 van de Permanente Raad van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) van 19 augustus 2008 over de verhoging van het aantal militaire waarnemende officieren in de OVSE-missie in Georgië,

gezien de verklaring van de NAVO-top in Boekarest op 3 april 2008 en de resultaten van de bijeenkomst van de NAVO-Raad op 19 augustus 2008,

gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de EU zich zal blijven inzetten voor de onafhankelijkheid, de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Georgië binnen zijn internationaal erkende grenzen,

B.

overwegende dat de uitreiking van Russische paspoorten aan burgers in Zuid-Ossetië en steun aan de afscheidingsbeweging, samen met het toegenomen militaire optreden door de separatisten tegen dorpen met een Georgische bevolking, en in combinatie met grootschalige Russische militaire manoeuvres dicht bij de Georgische grens in juli 2008, de spanning in Zuid-Ossetië verder hebben doen toenemen,

C.

overwegende dat, na diverse weken van toenemende spanning en schermutselingen tussen de verschillende partijen en provocaties van de zijde van de Zuid-Ossetische separatistische krachten, met bomaanvallen, gevechten, vuurwisselingen en schietpartijen waarbij vele doden en nog meer gewonden vielen onder de burgerbevolking, het Georgische leger in de nacht van 7 op 8 augustus 2008 bij verrassing een artillerieaanval opende op Tskhinvali, gevolgd door een grondoperatie waarbij zowel tanks als soldaten werden ingezet, met als doel de controle over Zuid-Ossetië te herstellen,

D.

overwegende dat Rusland na de langdurige opbouw van militaire capaciteit onmiddellijk met een massale tegenaanval heeft gereageerd, tanks en grondtroepen heeft gestuurd, diverse locaties in Georgië, waaronder de stad Gori, heeft gebombardeerd en Georgische havens aan de Zwarte Zee heeft geblokkeerd,

E.

overwegende dat zo'n 158 000 mensen als gevolg van de crisis hun huizen hebben moeten ontvluchten en nu moeten worden gesteund in hun pogingen naar huis terug te keren, overwegende dat die terugkeer onveilig wordt gemaakt door de aanwezigheid van clustermunitie, ongeëxplodeerde munitie en landmijnen, alsook door de Russische waarschuwingen en het gebrek aan samenwerking,

F.

overwegende dat de Georgische infrastructuur zwaar beschadigd is door de Russische militaire acties en er humanitaire hulp nodig is,

G.

overwegende dat uit documentatie van internationale mensenrechtenonderzoekers en militaire analisten blijkt dat de Russische troepen in Georgië clustermunitie hebben gebruikt en dat er nog duizenden ongeëxplodeerde submunities in de conflictgebieden liggen, overwegende dat ook Georgië heeft toegegeven clusterbommen te hebben gebruikt in Zuid-Ossetië, in de nabijheid van de Roki-tunnel,

H.

overwegende dat de Presidenten van Georgië en Rusland op 12 augustus 2008 na de bemiddelingsinspanningen van de EU tot een akkoord zijn gekomen dat voorziet in een onmiddellijk staakt-het-vuren, terugtrekking van Georgische en Russische troepen naar hun posities van vóór 7 augustus 2008, en de opening van internationale besprekingen over een snel te treffen internationale regeling ter voorbereiding van een vreedzame en duurzame oplossing van het conflict,

I.

overwegende dat de NAVO op 19 augustus 2008 de regelmatige contacten op topniveau met Rusland heeft opgeschort, op grond dat het militaire optreden van Rusland „onevenredig” was en „onverenigbaar met zijn rol als vredeshandhaver in delen van Georgië” en dat „de gewone gang van zaken” niet kon doorgaan zolang er Russische troepen in Georgië blijven,

J.

overwegende dat Rusland op 22 augustus 2008 tanks, artillerie en honderden soldaten vanuit de meest vooruitgeschoven posities in Georgië heeft teruggetrokken, maar nog altijd de toegang tot de ten zuiden van Abchazië gelegen havenstad Poti controleert, en de Russische regering aankondigde dat zij troepen in een veiligheidszone rond Zuid-Ossetië zou houden en acht controleposten zou instellen waar Russische troepen zullen worden ingezet,

K.

overwegende dat het Russische Hogerhuis op 25 augustus 2008 een resolutie heeft aangenomen waarin de president wordt verzocht de onafhankelijkheid van de afvallige Georgische regio's Abchazië en Zuid-Ossetië te erkennen, en dat de Russische president Dmitry Medvedev de twee regio's vervolgens op 26 augustus 2008 officieel als onafhankelijke staten heeft erkend,

L.

overwegende dat dit conflict vergaande gevolgen voor de regionale stabiliteit en veiligheid heeft die de rechtstreekse relatie tussen alle conflictpartijen duidelijk overstijgen, met mogelijke consequenties voor de relatie EU-Rusland, het ENB, de Zwarte-Zeeregio en daarbuiten,

M.

overwegende dat de EU in haar reactie op de crisis in Georgië haar politieke eensgezindheid volledig moet bewaren en met één stem moet spreken, met name in de betrekkingen met Rusland, en overwegende dat het proces dat tot een vreedzame en stabiele oplossing van de conflicten in Georgië en de Kaukasus moet leiden, een algehele herziening van het ENB en een nieuwe betrokkenheid met de gehele regio vereist, in samenwerking met alle Europese en mondiale organisaties, met name de OVSE,

N.

overwegende dat de Georgische regering vorige week de diplomatieke betrekkingen met Rusland heeft verbroken en dat de Russische Federatie als reactie daarop hetzelfde heeft gedaan,

1.

is van oordeel dat de conflicten in de Kaukasus niet met militaire middelen kunnen worden opgelost en veroordeelt nadrukkelijk allen die hun toevlucht hebben genomen tot machtsmiddelen en geweld om de situatie in de Georgische afscheidingsgebieden Zuid-Ossetië en Abchazië te veranderen;

2.

vraagt Rusland de soevereiniteit, territoriale integriteit van de Republiek Georgië en de onschendbaarheid van haar internationaal erkende grenzen te eerbiedigen, en veroordeelt daarom met de meeste nadruk de erkenning door de Russische Federatie van de onafhankelijkheid van de Georgische afscheidingsgebieden Zuid-Ossetië en Abchazië als zijnde in strijd met het volkenrecht;

3.

wijst erop dat elk besluit over de uiteindelijke status van Zuid-Ossetië en Abchazië moet steunen op de naleving van de grondbeginselen van het volkenrecht met inbegrip van de Slotakte van 1975 van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (Slotakte van Helsinki), met name voor wat betreft de terugkeer van vluchtelingen en de eerbiediging van hun eigendommen, alsook de waarborging en eerbiediging van de rechten van minderheden;

4.

veroordeelt de onaanvaardbare en buitensporige militaire reactie van Rusland en het feit dat het tot diep in Georgië is opgerukt, hetgeen een schending van het internationaal recht is; onderstreept dat er voor Rusland geen legitieme redenen bestaan om Georgië binnen te vallen, delen ervan te bezetten en te dreigen de regering van een democratisch land ten val te brengen;

5.

betreurt het verlies van mensenlevens en het menselijke lijden als gevolg van het ongenuanceerde gebruik van geweld door alle bij het conflict betrokken partijen;

6.

uit zijn diepe bezorgdheid over het effect van de Russische landmijnen op het sociale en economische leven in Georgië, met name naar aanleiding van een op 16 augustus 2008 bij Kaspi opgeblazen spoorbrug, onderdeel van de belangrijke spoorwegverbinding Tbilisi — Poti, en van de op 24 augustus 2008 bij Gori geëxplodeerde brandstoftrein, die met ruwe olie uit Kazakhstan onderweg was naar de uitvoerhaven Poti; benadrukt dat beide acties een schending van het staakt-het-vuren inhielden;

7.

verklaart zich nogmaals krachtig voorstander van het beginsel dat geen enkel land een veto kan uitspreken tegen de soevereine beslissing van een ander land om tot een internationale organisatie of bondgenootschap toe te treden of het recht heeft een democratisch gekozen regering te destabiliseren;

8.

benadrukt dat de partnerschap tussen Europa en Rusland moet berusten op eerbiediging van de fundamentele regels voor Europese samenwerking, die metterdaad en niet alleen met woorden moeten worden nageleefd;

9.

prijst het EU-voorzitterschap voor de doeltreffendheid en de snelheid waarmee het op dit conflict heeft gereageerd, en de eenheid die de lidstaten aan de dag hebben gelegd bij de bemiddeling tussen de twee partijen, waardoor zij een vredesplan met een wapenstilstand konden ondertekenen; verwelkomt in dit verband de conclusies van de bovenvermelde buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad;

10.

vraagt Rusland met klem alle toezeggingen in het staakt-het-vurenakkoord dat door de diplomatieke inspanningen van de EU werd bereikt en ondertekend, gestand te doen, te beginnen met de volledige en onmiddellijke terugtrekking van zijn troepen uit Georgië zelf en de vermindering van zijn militaire aanwezigheid in Zuid-Ossetië en Abchazië tot de troepensterkte die Rusland vóór de uitbarsting van het conflict voor de vredeshandhaving in de twee provincies had gestationeerd; veroordeelt de grootschalige plunderingen door Russische invasietroepen en meetrekkende huurlingen;

11.

wenst dat er met spoed een onafhankelijk internationaal onderzoek plaatsvindt om de feiten vast te stellen en voor meer duidelijkheid te zorgen omtrent bepaalde beschuldigingen;

12.

roept Georgië, dat het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof heeft geratificeerd, en de Russische autoriteiten op steun te verlenen aan en volledig samen te werken met het Bureau de openbare aanklager van het Internationaal Strafhof bij diens onderzoek naar de tragische gebeurtenissen en de aanvallen op burgers die tijdens het conflict hebben plaatsgevonden, zodat de verantwoordelijkheden kunnen worden vastgesteld en de verantwoordelijken kunnen worden berecht;

13.

roept de Russische en Georgische autoriteiten op alle informatie te verstrekken over gebieden waar hun strijdkrachten clusterbommen hebben afgeworpen, zodat onmiddellijk kan worden gestart met het opruimen van ongeëxplodeerde munitie, om te vermijden dat nog meer onschuldige burgers het slachtoffer worden en om de veilige terugkeer van ontheemden te vergemakkelijken;

14.

verzoekt de EU en de NAVO en de leden daarvan om uitgaande van een gemeenschappelijk standpunt alle mogelijkheden te benutten om de Russische regering ertoe te bewegen zich aan het volkenrecht te houden, een noodzakelijke voorwaarde voor vervulling van een verantwoordelijke rol in de internationale gemeenschap; herinnert Rusland aan zijn verantwoordelijkheid uit hoofde van zijn vetomacht in de VN-Veiligheidsraad voor een vreedzame wereldorde;

15.

vraagt de Raad en de Commissie hun beleid jegens Rusland te herzien mocht Rusland zijn toezeggingen in het staakt-het-vurenakkoord niet nakomen; betuigt daarom zijn instemming met het besluit van de Europese Raad om de onderhandelingsbesprekingen over de partnerschapsovereenkomst op te schorten zolang de Russische troepen zich niet hebben teruggetrokken op de stellingen die zij vóór 7 augustus 2008 innamen;

16.

roept de Commissie op voorstellen te doen voor overeenkomsten met Georgië inzake de versoepeling van de visumregeling en overname, die ten minste gelijkwaardig zijn aan de overeenkomsten met Rusland;

17.

vraagt de lidstaten de afgifte van visa voor economische activiteiten in Zuid-Ossetië en Abchazië te herzien;

18.

veroordeelt met kracht de gedwongen hervestiging van Georgiërs uit Zuid-Ossetië en Abchazië en verzoekt de de facto Zuid-Ossetische en Abchazische autoriteiten de veilige terugkeer van de ontheemde burgerbevolking overeenkomstig het internationaal humanitair recht te waarborgen;

19.

is verheugd over de initiatieven van de OVSE om het aantal ongewapende waarnemers te verhogen; verzoekt om verdere versterking van de OVSE-missie in Georgië, gekoppeld aan volledige bewegingsvrijheid in het gehele land, en moedigt de lidstaten aan een bijdrage aan deze inspanningen te leveren;

20.

pleit voor een stevige bijdrage van de EU aan de voorgenomen internationale regeling voor de oplossing van het conflict, en verwelkomt daarom het besluit van de Europese Raad tot uitzending van een monitoringmissie in het kader van het EVDB (Europees veiligheids- en defensiebeleid) als aanvulling op de VN- en OVSE-missies en tot verzoek om een VN- of OVSE-mandaat voor een EVDB-vredesmissie;

21.

is verheugd over de actieve en aanhoudende steun van de EU voor alle internationale inspanningen ten behoeve van een vreedzame en duurzame oplossing van het conflict, met name het engagement van de Raad ter ondersteuning van alle inspanningen van de VN, de OVSE en anderen om het conflict bij te leggen; is met name ingenomen met het besluit om een speciale vertegenwoordiger van de EU voor de crisis in Abchazië te benoemen;

22.

verwelkomt het 6 miljoen euro omvattende pakket van de Commissie voor snelle humanitaire hulpverlening aan burgers, dat moet worden aangevuld met verdere middelen op basis van een evaluatie van de behoeften ter plekke; merkt op dat er in de nasleep van het conflict dringend behoefte is aan hulp voor de wederopbouw;

23.

is verheugd over het besluit van de Raad om een internationale donorconferentie voor de wederopbouw van Georgië bijeen te roepen en dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de mogelijkheid te onderzoeken van een groot plan waarmee de EU financiële steun kan bieden voor de wederopbouw van de door de oorlog geteisterde gebieden in Georgië en een sterkere politieke aanwezigheid in dit land en de hele regio kan opbouwen;

24.

roept alle bij het conflict betrokken partijen op humanitaire hulpverleners ongelimiteerde en vrije toegang te verlenen tot de slachtoffers, met inbegrip van vluchtelingen en binnenlands ontheemden;

25.

is van mening dat het zoeken naar oplossingen voor het conflict in Georgië samen met de andere nog uitstaande conflicten in de zuidelijke Kaukasus baat zal hebben bij een toegenomen internationalisatie van de mechanismen voor conflictoplossing; stelt daarom voor dat de EU als essentieel onderdeel van dit proces een trans-Kaukasische vredesconferentie belegt; meent dat op die conferentie gesproken moet worden over internationale waarborgen inzake volledige eerbiediging van de burgerlijke en politieke rechten en de bevordering van de democratie door naleving van het internationaal recht; wijst erop dat de conferentie tevens een gelegenheid vormt om niet-vertegenwoordigde en tot zwijgen gebrachte groepen in de Kaukasus aan het woord te laten komen;

26.

dringt er bij Raad en Commissie op aan het ENB verder uit te bouwen door dit beter af te stemmen op de behoeften van onze oostelijke partners en ook door vergroting van de betrokkenheid van de EU bij het Zwarte-Zeegebied, het voorstel van het Parlement voor een Europese Economische Ruimte Plus of het Zweeds-Poolse voorstel voor een Oostelijk Partnerschap over te nemen en spoed te zetten achter de oprichting van een vrije handelszone, met name waar het gaat om Georgië, de Oekraïne en de Republiek Moldavië; merkt op dat er bij de liberalisering van het visumbeleid van de EU voor die landen rekening mee moet worden gehouden dat Rusland op dit gebied betere voorwaarden heeft verkregen dan zij;

27.

onderstreept het onderlinge verband tussen een aantal problemen in de zuidelijke Kaukasus en de noodzaak van een omvattende oplossing in de vorm van een stabiliteitspact, waarbij de belangrijke externe actoren betrokken moeten worden; onderstreept dat de samenwerking met de buurlanden in de Zwarte-Zeeregio verbeterd moet worden door een speciaal institutioneel en multilateraal mechanisme in het leven te roepen, zoals een Unie voor de Zwarte Zee, en door een internationale conferentie te organiseren over veiligheid en samenwerking in het zuidelijke Kaukasusgebied; verzoekt daarom de Commissie een specifiek voorstel aan het Parlement en de Raad voor te leggen over de oprichting van een multilateraal kader voor de Zwarte-Zeeregio, met inbegrip van Turkije en Oekraïne; is van mening dat buurlanden als Kazachstan erbij betrokken dienen te worden in het belang van de stabiliteit en energiestromen van de gehele regio;

28.

herinnert eraan dat de NAVO er tijdens de Top van Boekarest van 3 april 2008 mee heeft ingestemd dat Georgië lid van het bondgenootschap zou worden;

29.

benadrukt het belang van Georgië voor de verbetering van de energieveiligheid van de EU doordat het een alternatief biedt voor de transitroute voor Russische energie; acht het van vitaal belang dat bestaande infrastructuur zoals de Baku-Tbilisi-Ceyhan-pijpleiding daadwerkelijk wordt beschermd, en verzoekt de Commissie Georgië hierbij alle nodige hulp te bieden; verwacht dat de EU in politiek en budgettair opzicht vastbesloten voortgaat met het Nabucco-pijpleidingproject, erkend als prioritair project van de EU, die het Georgische grondgebied zou moeten doorkruisen en dat het meest serieuze alternatief vormt voor de projecten die in samenwerking met Rusland zijn ondernomen, welke alle de mogelijkheid in zich bergen dat de economische en politieke afhankelijkheid van de lidstaten van Rusland toeneemt;

30.

roept de Raad en de Commissie op inspanningen te blijven leveren om het gemeenschappelijke EU- energiebeleid aan te nemen dat, onder andere, ervoor zorgt dat de bevoorradingsbronnen worden gediversifieerd;

31.

is van mening dat de samenwerking in de zuidelijke Kaukasus niet moet gaan om exclusieve invloedssferen van de EU en Rusland (zogeheten „belangensferen”);

32.

onderstreept dat de rol van de EU in de huidige crisis de noodzaak onderstreept dat het Europees buitenlands, defensie- en veiligheidsbeleid, versterking behoeft en gelooft dat het Verdrag van Lissabon, met de invoering van het ambt van Hoge Vertegenwoordiger, de solidariteitsclausule en het EU energieveiligheidsbeleid, de juiste weg is om dit te bereiken;

33.

benadrukt dat de stabiliteit in de zuidelijke Kaukasus moet worden verzekerd, en verzoekt de regeringen van Armenië en Azerbeidzjan hieraan onder eerbiediging van al hun internationale verplichtingen bij te dragen;

34.

bekrachtigt het beginsel dat een pluralistisch en democratisch bestuur, met goed functionerende oppositiepartijen en eerbiediging van de mensen- en burgerrechten, de beste waarborg biedt voor stabiliteit in het gehele zuidelijke Kaukasus-gebied;

35.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de presidenten en parlementen van Georgië en de Russische Federatie, de NAVO, de OVSE en de Raad van Europa.


(1)  PB C 313 E van 20.12.2006, blz. 429.

(2)  Aangenomen teksten P6_TA(2007)0572.

(3)  Aangenomen teksten P6_TA(2008)0253.

(4)  Aangenomen teksten P6_TA(2007)0538.

(5)  Aangenomen teksten P6_TA(2008)0016.

(6)  Aangenomen teksten P6_TA(2008)0017.

(7)  PB L 157 van 17.6.2008, blz. 110.

(8)  Aangenomen teksten P6_TA(2008)0309.

(9)  Raad van de Europese Unie, document 12594/08.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/31


Woensdag, 3 september 2008
Europees verbintenissenrecht

P6_TA(2008)0397

Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het Gemeenschappelijk referentiekader voor het Europees verbintenissenrecht

2009/C 295 E/09

Het Europees Parlement,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 december 2007 over het Europees verbintenissenrecht (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 september 2006 over het Europees verbintenissenrecht (2),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 maart 2006 over het Europees verbintenissenrecht en de herziening van het acquis: verdere maatregelen (3),

onder verwijzing naar zijn resoluties van 26 mei 1989 (4), 6 mei 1994 (5), 15 november 2001 (6) en 2 september 2003 (7),

gezien het verslag van de Commissie van 25 juli 2007„Tweede voortgangsverslag over het gemeenschappelijk referentiekader (COM(2007)0447)”,

gezien het standpunt van de Raad Justitie en Binnenlandse zaken van 18 april 2008,

gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het academisch ontwerp voor een gemeenschappelijk referentiekader (DCFR) (8) eind 2007 aan de Commissie is aangeboden,

B.

overwegende dat het DCFR momenteel wordt geëvalueerd door een netwerk van verschillende groepen van wetenschappers, waaronder de „Association Henri Capitant des Amis de la Culture Juridique Française” en de „Société de législation comparée”, die al „Principes contractuels communs” en „Terminologie contractuelle commune” (9) hebben gepubliceerd,

C.

overwegende dat de Commissie bezig is met een interne selectie om te bepalen welke onderdelen van het DCFR in een toekomstig document, bijvoorbeeld een witboek van de Commissie over een gemeenschappelijke referentiekader (CFR) moeten worden opgenomen,

D.

overwegende dat het DCFR een zuiver academisch document is en dat de eventuele selectie van de onderdelen van dit ontwerp die worden opgenomen in het Commissiedocument een hoog politiek gehalte heeft,

1.

is ingenomen met de presentatie van het DCFR en verwacht dat de eindversie van het academisch DCFR eind december 2008 aan de Commissie wordt aangeboden;

2.

verzoekt de Commissie een duidelijk en transparant plan te presenteren over de wijze waarop de selectie met het oog op het Commissiedocument wordt georganiseerd en gecoördineerd, in het bijzonder met betrekking tot alle betrokken directoraten-generaal (DG);

3.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het DCFR in een zo groot mogelijk aantal relevante talen beschikbaar is om de toegankelijkheid voor alle belanghebbenden zeker te stellen;

4.

verzoekt de Commissie te overwegen het project toe te wijzen aan DG Justitie, vrijheid en veiligheid, met volledige betrokkenheid van alle andere relevante DG's, aangezien het CFR het terrein van consumentenverbintenissen ver overschrijdt, en om de noodzakelijke materiele en personele middelen beschikbaar te stellen;

5.

wijst erop dat het Commissiedocument de basis zal zijn voor het besluit van de Europese Instellingen en alle belanghebbenden over het toekomstige doel van het CFR, de inhoud en de wettelijke gevolgen ervan, die kunnen variëren van een niet-bindend wetgevingsinstrument tot de basis voor een optioneel instrument in het Europees verbintenissenrecht;

6.

meent dat er, ongeacht de toekomstige vorm van het CFR, maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat het regelmatig wordt bijgewerkt op basis van de veranderingen en nationale ontwikkelingen in het verbintenissenrecht;

7.

wijst erop dat de Commissie bij haar besluitname over de inhoud van het CFR rekening moet houden met de verklaring van de Raad van 18 april 2008 dat het CFR een instrument voor betere wetgeving moet zijn, bestaande uit een reeks niet-bindende richtsnoeren voor gebruik door wetgevers op communautair niveau;

8.

stelt voor dat in dit geval het CFR zo ruim mogelijk moet zijn en dat wellicht in dit stadium geen onderdelen of materiaal hoeft te worden uitgesloten;

9.

benadrukt nogmaals dat de resultaten van de recente workshops over het CFR moeten worden weerspiegeld in elke selectieproces; benadrukt dat verdere raadplegingen breed opgezet moeten zijn en een evenwichtige input van alle belanghebbenden, moeten waarborgen;

10.

stelt voor dat bij gebruik als niet-bindend wetgevinginstrument de relevante onderdelen van het CFR bij elk toekomstig wetgevingsvoorstel of elke mededeling van de Commissie met betrekking tot het verbintenissenrecht moeten worden gevoegd, om te verzekeren dat deze in overweging worden genomen door de communautaire wetgever;

11.

wijst erop dat de Commissie bij haar besluitname over de inhoud van het CFR er rekening mee moet houden dat het CFR wellicht een grotere reikwijdte heeft dan alleen maar een wetgevingsinstrument, en zou kunnen resulteren in een optioneel instrument;

12.

stelt voor dat het CFR, indien de toekomstige rechtsvorm waarschijnlijk die van een optioneel instrument zal zijn, beperkt moet blijven tot die terreinen waarop de communautaire wetgever actief is geweest of in de nabije toekomst waarschijnlijk actief zal zijn, of die nauw verband houden met het verbintenissenrecht; stelt voor dat elk optioneel instrument gebaseerd moet zijn op het DCFR, is van mening dat er in elk geval zorgvuldig op gelet moet worden dat de algemene samenhang van het optionele instrument niet wordt aangetast door het selectieproces;

13.

dringt er nogmaals op aan dat het Parlement volledig geraadpleegd moet worden en betrokken bij de selectie die wordt gemaakt voor het toekomstige Commissiedocument over het CFR;

14.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0615.

(2)  PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 247.

(3)  PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 109.

(4)  PB C 158 van 26.6.1989, blz. 400.

(5)  PB C 205 van 25.7.1994, blz. 518.

(6)  PB C 140 E van 13.6.2002, blz. 538.

(7)  PB C 76 E van 25.3.2004, blz. 95.

(8)  Von Bar, Clive, Schulte-Nölke et al. (eds.), Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law — Draft Common Frame of Reference (DCFR), 2008.

(9)  B. Fauvarque-Cosson, D. Mazeaud (dir.), collection „Droit privé comparé et européen”, Volumes 6 and 7, 2008.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/33


Woensdag, 3 september 2008
Speciaal verslag van de Europese Ombudsman naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling aan de Commissie (klacht 3453/2005/GG)

P6_TA(2008)0398

Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie met betrekking tot klacht 3453/2005/GG (2007/2264(INI))

2009/C 295 E/10

Het Europees Parlement,

gezien het speciaal verslag van de Europese ombudsman aan het Europees Parlement,

gelet op artikel 195, lid 1, tweede alinea, en artikel 211 van het EG-Verdrag,

gezien Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (1), inzonderheid artikel 3, lid 7 ervan,

gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 over betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het Gemeenschapsrecht (COM(2002)0141) (2),

gelet op artikel 195, lid 2, eerste zin, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0289/2008),

A.

overwegende dat de Europese Ombudsman op grond van artikel 195 van het EG-Verdrag bevoegd is kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen,

B.

overwegende dat klachten van burgers een belangrijke bron van informatie vormen voor mogelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht,

C.

overwegende dat de Commissie op grond van artikel 211 van het EG-Verdrag in haar rol als hoedster van de Verdragen moet toezien op de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag en van de bepalingen welke de instellingen krachtens dit Verdrag vaststellen,

D.

overwegende dat ingevolge de eerste alinea van artikel 226 van het EG-Verdrag de Commissie, indien zij van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, dienaangaande een met redenen omkleed advies uitbrengt, na deze staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken, en overwegende dat ingevolge de tweede alinea van datzelfde artikel de Commissie, indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt, de zaak aanhangig kan maken bij het Hof van Justitie,

E.

overwegende dat de Ombudsman er in zijn besluit over klacht 995/98/OV reeds op heeft gewezen dat de Commissie weliswaar beschikt over discretionaire bevoegdheden ten aanzien van het instellen van inbreukprocedures, maar dat deze wel onderhevig zijn aan de wettelijke beperkingen welke zijn vastgelegd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie, die onder andere voorschrijft dat bestuursorganen consequent en te goeder trouw dienen te handelen, dat zij discriminatie dienen te vermijden, zich dienen te houden aan de beginselen van evenredigheid, gelijkheid en rechtmatig vertrouwen, en de mensenrechten en fundamentele vrijheden moeten respecteren,

F.

overwegende dat de Commissie heeft onderstreept dat deze rol essentieel is voor de belangen van de Europese burgers, en dat zij het belang van de rechtsstaat in dit verband heeft erkend (3),

G.

overwegende dat de Commissie bevestigt dat in haar reeds aangehaalde mededeling van 20 maart 2002 de administratieve maatregelen worden uiteengezet ten gunste van de klager die de Commissie zal naleven tijdens de behandeling van zijn klacht en het onderzoek van het desbetreffende inbreukdossier,

H.

overwegende dat de Ombudsman van oordeel is dat het verzuim van de Commissie om een definitief standpunt in te nemen met betrekking tot de klacht van klager over de inbreuk een geval van wanbeheer betreft,

I.

overwegende dat de aanbeveling van de Ombudsman aan de Commissie luidt dat zij de klacht van klager zo snel en zorgvuldig mogelijk moet behandelen,

1.

onderschrijft de aanbeveling van de Europese Ombudsman aan de Commissie;

2.

benadrukt dat de wijze van behandeling door de Commissie van klachten van burgers over een beweerde inbreuk op het Gemeenschapsrecht door de lidstaten altijd in overeenstemming dient te zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur;

3.

wijst erop dat de Commissie in haar reeds aangehaalde mededeling van 20 maart 2002 een aantal verplichtingen is aangegaan wat betreft de behandeling van klachten over inbreuken;

4.

wijst erop dat de Commissie in haar mededeling heeft aangegeven dat zij in het algemeen binnen een termijn van een jaar na de registratie van de klacht zal besluiten een inbreukprocedure in te leiden dan wel de klacht te seponeren en dat zij de klager schriftelijk op de hoogte zal stellen indien deze termijn wordt overschreden;

5.

aanvaardt het feit dat het onderzoek van de Commissie in moeilijke en complexe gevallen meer dan een jaar in beslag kan nemen; is echter van mening dat de overschrijding van de termijn van een jaar alleen gerechtvaardigd is wanneer het onderzoek nog loopt;

6.

stelt vast dat de Commissie in het onderhavige geval betreffende het niet naar behoren door de Duitse regering toepassen van de arbeidstijdenrichtlijn (4) voornemens was de klacht te behandelen in het licht van haar voorstel tot wijziging van de richtlijn en besloot het resultaat van de discussies over haar voorstel met de andere communautaire instellingen af te wachten;

7.

herinnert eraan dat dat voorstel in september 2004 werd ingediend en dat er geen aanwijzingen zijn dat de Commissie sindsdien verdere stappen heeft ondernomen om haar onderzoek voort te zetten;

8.

stelt vast dat de Commissie in plaats van één van twee mogelijke besluiten te nemen — hetzij de officiële inbreukprocedure in te leiden hetzij de zaak te seponeren — geen enkele verdere actie heeft ondernomen met betrekking tot haar onderzoek;

9.

is van mening dat het Gemeenschapsrecht niet voorziet in de mogelijkheid om bestaande wetten en uitspraken te veronachtzamen met als argument dat nieuwe regelgeving wordt overwogen; wijst erop dat de Commissie ook heeft verzuimd in de klacht kwesties te behandelen die geen verband houden met de voorgestelde wijzigingen van de toepasselijke richtlijn;

10.

erkent dat de Commissie bepaalde discretionaire bevoegdheden heeft met betrekking tot het beheer van klachten en inbreukprocedures, met name ten aanzien van het aanhangig maken van zaken bij het Hof van Justitie, maar wijst erop dat artikel 226 van het EG-Verdrag bepaalt dat de Commissie de precontentieuze fase moet starten als zij van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

11.

is van oordeel dat de discretionaire bevoegdheden tevens onderhevig zijn aan wettelijke beperkingen overeenkomstig de algemene beginselen van administratief recht, zoals deze voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, en zich daarnaast niet buiten de grenzen moeten begeven die de Commissie zelf in haar reeds aangehaalde mededeling van 20 maart 2002 heeft gedefinieerd;

12.

geeft andermaal uiting aan zijn bezorgdheid over de ongerechtvaardigde en buitensporige termijnen — die zich vaak over verscheidene jaren uitstrekken — die de Commissie hanteert om inbreukprocedures in te leiden en af te ronden, alsook aan zijn ontevredenheid over de regelmatig voorkomende gevallen waarin lidstaten zich niet houden aan de beslissingen van het Hof van Justitie; is van mening dat hierdoor de geloofwaardigheid van de formulering en de coherente toepassing van het Gemeenschapsrecht wordt ondergraven en afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de EU;

13.

benadrukt nogmaals de essentiële rol van de lidstaten bij de correcte tenuitvoerlegging van de Gemeenschapswetgeving en onderstreept dat de toepassing daarvan in de praktijk van doorslaggevend belang is om de relevantie van de Europese Unie voor haar burgers te vergroten;

14.

verzoekt de Commissie een lijst te verstrekken met de namen van de lidstaten wier wetgeving niet in overeenstemming is met alle bepalingen van de arbeidstijdenrichtlijn en de door haar ter zake te nemen maatregelen aan te geven; dringt er bij de Commissie op aan met spoed overeenkomstig haar prerogatieven op te treden in alle gevallen en in alle lidstaten waar de omzetting of uitvoering van de richtlijn niet voldoet aan hetgeen is vastgelegd in de wetgeving of is bepaald door het Hof van Justitie;

15.

dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een analyse te maken van de nieuwe Duitse wet van 1 januari 2004 die op 1 januari 2007 in werking is getreden, teneinde vast te stellen of deze in overeenstemming is met alle bepalingen van de arbeidstijdenrichtlijn en met alle toepasselijke uitspraken van het Hof van Justitie; onderstreept dat de Commissie de details van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn dient te onderzoeken;

16.

stelt vast dat de Commissie onlangs haar richtsnoeren inzake inbreukprocedures heeft herzien; begrijpt uit dit document dat van tevoren een lijst met besluiten aan de permanente vertegenwoordigers en de lidstaten zal worden verstrekt en dat persberichten over goedgekeurde besluiten inzake inbreuken op de dag van de officiële goedkeuring kunnen worden gepubliceerd; stelt echter vast dat niet is voorzien in informatieverstrekking aan het Parlement of zijn bevoegde commissies;

17.

doet nogmaals een dringend beroep op de Commissie om het Parlement, en met name de Commissie verzoekschriften, in alle fasen van de procedure volledig op de hoogte te houden van besluiten in verband met inbreukdossiers;

18.

benadrukt dat het Parlement krachtens artikel 230 van het EG-Verdrag op dezelfde voorwaarden als de Raad en de Commissie het recht heeft om beroep in te stellen bij het Hof van Justitie en dat het Parlement op grond van artikel 201 van het EG-Verdrag bevoegd is controle uit te oefenen op de activiteiten van de Commissie;

19.

dringt er tevens bij alle lidstaten op aan om in het licht van het voorgaande getrouw alle regels met betrekking tot gezondheid en veiligheid op het werk toe te passen, zulks op basis van het beginsel dat in het geval van eventuele twijfel die interpretatie van de wet dient te prevaleren die het meest in het voordeel is van de gezondheid en veiligheid van de werkers (in dubio pro operario);

20.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese ombudsman.


(1)  PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15.

(2)  PB C 244 van 10.10.2002, blz. 5.

(3)  Mededeling van de Commissie van 11 december 2002 over „De verbetering van de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht” (COM(2002)0725).

(4)  Richtlijn 2003/88/EG, ter vervanging en intrekking van Richtlijn 93/104/EG (PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9).


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/35


Woensdag, 3 september 2008
Gelijkheid tussen mannen en vrouwen — 2008

P6_TA(2008)0399

Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen — 2008 (2008/2047(INI))

2009/C 295 E/11

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 2, artikel 3, lid 2 en artikel 141 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het verslag van de Commissie van 23 januari 2008 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen — 2008 (COM(2008)0010) („het verslag van de Commissie over gelijkheid”), en de jaarverslagen van voorgaande jaren (COM(2001)0179, COM(2002)0258, COM(2003)0098, COM(2004)0115, COM 2005)0044, COM(2006)0071 en COM(2007)0049),

gezien de Mededeling van de Commissie van 1 maart 2006, getiteld „Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010” (COM(2006)0092),

gezien Beschikking 2001/51/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende het programma in verband met de communautaire strategie inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen (1),

gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (2), in het bijzonder artikel 16, lid 1, daarvan,

gezien het Europees pact voor gendergelijkheid dat is aangenomen tijdens de Europese Raad van 23 en 24 maart 2006 in Brussel,

gezien de gemeenschappelijke verklaring die op 4 februari 2005 is aangenomen door de ministers van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het beleid ten aanzien van gendergelijkheid,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 maart 2004 over het combineren van beroep, gezin en privéleven (3),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 oktober 2006 over immigratie van vrouwen: de rol van vrouwelijke immigranten en hun plaats in de Europese Unie (4),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 april 2007 over de situatie van vrouwen met een handicap in de Europese Unie (5),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2007 over een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (2006-2010) (6),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 juni 2007 over een regelgevend kader voor maatregelen ten behoeve van jonge vrouwen in de Europese Unie om gezin en studie met elkaar te verzoenen (7),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 september 2007 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie — 2007 (8),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 januari 2008 over de rol van de vrouw in de industrie (9),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 maart 2008 over de situatie van de vrouw in de plattelandsgebieden van de EU (10),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2008 over de specifieke situatie van vrouwelijke gevangenen en de effecten van de detentie van ouders op het maatschappelijke leven en het gezinsleven (11),

gezien het Raadgevend Comité voor gelijke kansen van mannen en vrouwen en zijn advies over de ongelijke beloning van vrouwen en mannen, aangenomen op 22 maart 2007,

gezien het actiekader voor gendergelijkheid dat op 22 maart 2005 is aangenomen door de Europese sociale partners,

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0325/2008),

A.

overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een grondbeginsel van de EU is, dat wordt erkend in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat er, ondanks de aanzienlijke vooruitgang die op dit gebied is geboekt, nog veel ongelijkheden bestaan tussen vrouwen en mannen,

B.

overwegende dat geweld tegen vrouwen een groot obstakel voor de gelijkheid tussen vrouwen en mannen vormt en een van de meest voorkomende schendingen van de mensenrechten is, die geen geografische, economische of sociale grenzen kent; overwegende dat het aantal vrouwen dat slachtoffer is van geweld alarmerend is,

C.

overwegende dat de term „geweld tegen vrouwen” geïnterpreteerd moet worden als iedere daad van gendergerelateerd geweld, die resulteert in of die vermoedelijk resulteert in lichamelijke, seksuele of psychologische schade of leed voor vrouwen, inclusief dreigingen met dergelijke daden, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht het feit of dit plaatsvindt in het openbaar of in het privé-leven,

D.

overwegende dat mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting een onaanvaardbare schending van de mensenrechten betekent en een moderne vorm van slavernij is die nauw samenhangt met andere vormen van criminaliteit en die alle inspanningen om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen in aanzienlijke mate ondermijnt,

E.

overwegende dat de bevordering van een actief beleid voor flexibiliteit op de arbeidsmarkt niet zozeer op de behoeften van bedrijven of van de overheid gericht moet zijn, maar in de eerste plaats als uitgangspunt moet nemen de tijd die vrouwen en mannen nodig hebben om elk hun verantwoordelijkheden binnen het gezin ernstig te nemen,

F.

overwegende dat in de Europese werkgelegenheidsstrategie niet langer specifieke genderrichtsnoeren noch de hoofdcomponent gelijke kansen zijn te vinden,

G.

overwegende dat de ongelijke kansen op het gebied van werkgelegenheid laten zien dat er nog steeds zowel kwalitatieve als kwantitatieve ongelijkheden bestaan tussen vrouwen en mannen,

H.

overwegende dat het verschil in beloning tussen vrouwen en mannen sinds 2003 is blijven staan op 15 % en sinds 2000 slechts één procentpunt is afgenomen,

I.

overwegende dat de segregatie van sectoren en beroepen tussen vrouwen en mannen niet afneemt en in sommige landen zelfs toeneemt,

J.

overwegende dat deelname van vrouwen aan de besluitvorming een bepalende indicator is van gelijkheid tussen vrouwen en mannen; overwegende dat de aanwezigheid van vrouwelijke managers in bedrijven en universiteiten laag blijft en het aantal vrouwelijke politici of onderzoekers slechts zeer langzaam stijgt,

K.

overwegende dat de stereotypen die nog steeds bestaan met betrekking tot de onderwijs- en beroepsmogelijkheden beschikbaar voor vrouwen, helpen de ongelijkheid in stand te houden,

L.

overwegende dat de doelstellingen van Lissabon voor het genereren van groei en het bevorderen van de sociale markteconomie uitsluitend kunnen worden gehaald als het significante potentieel van vrouwen op de arbeidsmarkt volledig wordt benut,

M.

overwegende dat er een risico op „gedwongen” deeltijdwerk bestaat, in de eerste plaats voor vrouwen, die hiertoe vaak genoodzaakt zijn vanwege een tekort aan betaalbare kinderopvangplaatsen,

N.

overwegende dat een aantal uitdagingen en moeilijkheden meer betrekking hebben op vrouwen dan op mannen, met name de kwaliteit van banen, de situatie van „meehelpende” echtgenoten in bepaalde sectoren als de landbouw of de visserij en in kleine familiebedrijven, gezondheid en veiligheid op het werk en bescherming van het moederschap, alsmede een groter risico op armoede,

O.

overwegende dat de tewerkstellingsgraad voor zowel mannen als vrouwen lager is in plattelandsgebieden en dat veel vrouwen bovendien nooit op de officiële arbeidsmarkt tewerk gesteld zijn en daardoor noch als werkloos geregistreerd staan, noch in de werkloosheidsstatistieken voorkomen, hetgeen specifieke financiële en juridische problemen met zich meebrengt betreffende het recht op zwangerschaps- en ziekteverlof, de opbouw van pensioenrechten en toegang tot sociale zekerheid, alsook problemen in het geval van echtscheiding; overwegende dat in plattelandsgebieden een ernstig tekort bestaat aan kwalitatief hoogwaardige banen,

P.

overwegende dat de omstandigheden van sommige groepen vrouwen, die vaak te maken hebben met een combinatie van meerdere moeilijkheden en risico's, alsmede dubbele discriminatie — in het bijzonder vrouwen met een handicap, vrouwen met de zorg voor afhankelijke personen, oudere vrouwen, vrouwen die tot een minderheid behoren en vrouwelijke immigranten en vrouwelijke gevangenen — tekenen van verslechtering vertonen,

Q.

overwegende dat er nog steeds belangrijke verschillen bestaan tussen vrouwen en mannen in alle andere aspecten in verband met de kwaliteit van het werk, bijvoorbeeld wat betreft het combineren van werk en gezin, werkregelingen die de capaciteiten van personen niet ten volle stimuleren en kwesties inzake veiligheid en gezondheid op het werk; overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen slechts 62,4 % bedraagt, tegenover 91,4 % bij mannen; overwegende dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt nog steeds in hoge mate wordt gekenmerkt door een groot en toenemend aandeel deeltijdbanen — 31,4 % in de EU-27 in 2007, in vergelijking met slechts 7,8 % voor mannen — en dat 76,5 % van de deeltijdse werknemers vrouwen zijn; overwegende dat tijdelijke arbeidscontracten eveneens vaker voorkomen bij vrouwen (15,1 %, d.w.z. één procentpunt meer dan bij mannen); overwegende dat langdurige werkloosheid duidelijk vaker bij vrouwen (4,5 %) voorkomt dan bij mannen (3,5 %),

R.

overwegende dat het risico op armoede groter is voor vrouwen dan voor mannen, in het bijzonder voor vrouwen van 65 jaar en ouder (21 %, d.w.z. vijf procentpunt meer dan bij mannen),

S.

overwegende dat het combineren van werk, gezin en privéleven zowel voor vrouwen als voor mannen een onopgeloste kwestie blijft,

T.

overwegende dat de sociale partners een belangrijke rol spelen bij het bepalen en de doeltreffende tenuitvoerlegging van acties voor de gelijkheid tussen vrouwen en mannen op Europees, nationaal, regionaal, sector- en bedrijfsniveau,

U.

overwegende dat de verdeling van de gezins- en huishoudelijke taken tussen vrouwen en mannen, met name door het gebruik van het recht op ouderschaps- en vaderschapsverlof te stimuleren, een absoluut noodzakelijke voorwaarde is voor de bevordering en totstandbrenging van gelijkheid tussen vrouwen en mannen; overwegende dat zwangerschaps- en ouderschapsverlof niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de totale werktijd en dat dit een vorm van discriminatie is, die ertoe leidt dat vrouwen worden benadeeld op de arbeidsmarkt,

V.

overwegende dat toegang tot diensten voor de zorg voor kinderen, ouderen en andere afhankelijke personen essentieel is voor gelijke arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen, alsook voor een gelijke deelname aan onderwijs en opleiding,

W.

overwegende dat de verordeningen inzake de Structuurfondsen stellen dat de lidstaten en de Commissie ervoor moeten zorgen dat de gelijkheid tussen vrouwen en mannen en de integratie van het genderperspectief worden bevorderd gedurende de verschillende stadia van de tenuitvoerlegging van de fondsen,

1.

verwelkomt het hoger vermelde verslag van de Commissie over gelijkheid en wijst nogmaals op het dubbele karakter van het beleid inzake gelijke gelijkheid van vrouwen en mannen op EU-niveau, waarbij enerzijds moet worden gezorgd voor gelijkheid van vrouwen en mannen op alle beleidsterreinen (gendermainstreaming) en anderzijds gerichte maatregelen moeten worden genomen om discriminatie van vrouwen te verminderen, zoals bewustmakingscampagnes, uitwisseling van beste praktijken, dialogen met burgers en publiek-private partnerschapsinitiatieven;

2.

benadrukt het belang van de bestrijding van geweld tegen vrouwen voor het bereiken van gelijkheid tussen vrouwen en mannen; roept de lidstaten en de Commissie derhalve op tot gecoördineerde actie op dit gebied; verzoekt de Commissie met klem na te denken over mogelijkheden voor nieuwe maatregelen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

3.

roept de Commissie en de lidstaten op om hun inspanningen te bundelen met het oog op de bestrijding van de georganiseerde misdaad en van netwerken van mensenhandel, alsook om nieuwe wetgevende, administratieve, educatieve, maatschappelijke en culturele maatregelen goed te keuren om de vraag naar prostitutie tegen te gaan;

4.

roept de lidstaten op om het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel met spoed te ratificeren;

5.

is van mening dat de deelname van vrouwen aan de beleidsvorming op lokaal, nationaal en EU-niveau in het algemeen onvoldoende is en nodigt de Commissie, de lidstaten en de politieke partijen daarom uit na te denken over acties om deze situatie te verbeteren; wijst in dit verband op de positieve effecten van het gebruik van electorale quota op de vertegenwoordiging van vrouwen;

6.

wijst op de correlatie tussen de deelname van vrouwen aan de politiek en beleidsvorming en hun betrokkenheid bij ngo's en activiteiten van maatschappelijke organisaties; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom met klem acties die deze betrokkenheid bevorderen te ondersteunen;

7.

benadrukt het belang van actieve betrokkenheid van vrouwen bij vakbonden die zich inzetten voor de bescherming van vrouwen op de werkplek en de toekenning van de rechten die hun toekomen;

8.

merkt op dat het voor de zelfverwezenlijking van vrouwen van groot belang is dat zij zeggenschap hebben over hun seksuele en reproductieve rechten; ondersteunt daarom maatregelen en acties om de toegang van vrouwen tot diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid te verbeteren en hen meer bewust te maken van hun rechten en de beschikbare diensten;

9.

roept de Commissie en de lidstaten op de noodzakelijke maatregelen te nemen voor een betere integratie van het genderbeleid in alle sociale, tewerkstellings- en socialezekerheids- strategieën, met name de flexizekerheidsstrategie, en alle vormen van discriminatie te bestrijden;

10.

ondersteunt de maatregelen van het Europees Sociaal Fonds en het PROGRESS-programma voor 2007-2013 die de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt verbeteren en discriminatie helpen uitbannen;

11.

maakt zich zorgen over het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot de ongelijke beloning van vrouwen en mannen in de afgelopen jaren; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom met klem de strategieën en acties op dit gebied te evalueren en, indien nodig, in samenwerking met de sociale partners eventuele nieuwe maatregelen of nieuwe benaderingen in de tenuitvoerlegging van bestaande maatregelen vast te stellen om de situatie te verbeteren; steunt in dit kader de suggestie van de Adviescommissie voor gelijke kansen om de bestaande Europese wetgeving terzake te versterken met een verplichting voor werkgevers om loonaudits te verrichten en actieplannen te ontwikkelen om de loonkloof te dichten; benadrukt de noodzaak van een gecoördineerde aanpak, in het bijzonder in de context van de nieuwe cyclus van de Europese strategie voor groei en werkgelegenheid, en van gemeenschappelijke beginselenn van flexizekerheid;

12.

maakt zich zorgen over de ongunstige situatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, die tot gevolg heeft dat vrouwen minder individuele rechten op het gebied van pensioen en ander sociale uitkeringen verwerven, in het bijzonder in systemen waar deze rechten voornamelijk zijn gebaseerd op de bijdragen of het inkomen uit arbeid van de betrokkene; dringt derhalve bij de lidstaten aan op doeltreffende maatregelen die zorgen voor inachtneming van de sociale normen en voor de werknemersrechten respecterende jobs in verschillende sectoren van activiteit, en derhalve zo een waardige bezoldiging aan de werknemers en in het bijzonder aan vrouwen verzekeren, alsmede recht op veiligheid en gezondheid op het werk, sociale bescherming en vrijheid van vakbond, en bijdragen aan de uitbanning van discriminatie tussen mannen en vrouwen op het gebied van werk;

13.

verzoekt de lidstaten de Commissie te ondersteunen bij het controleren van de implementatie van nationale maatregelen, die bedoeld zijn om de naleving van het gelijkheidsbeginsel te beoordelen, met name betreffende wettelijke rechten, pensioenregelingen en sociale zekerheid;

14.

verzoekt de communautaire instellingen en de lidstaten om 22 februari uit te roepen tot de „Internationale dag voor gelijke beloning”;

15.

maakt zich zorgen over de blijvende discrepantie tussen het opleidingsniveau van vrouwen en mannen enerzijds, waarbij vrouwen beter presteren dan mannen, en de situatie op de arbeidsmarkt anderzijds, waarbij vrouwen lagere lonen verdienen, werkzaam zijn in minder zekere banen en minder snel carrière maken dan mannen; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem te onderzoeken wat de redenen hiervan zijn en oplossingen voor deze situatie te vinden;

16.

beveelt de lidstaten aan zich vastberaden in te zetten voor gelijke behandeling in de scholen en maatregelen te nemen tegen de werksegregatie, die nog steeds bestaat in het onderwijs, aangezien vrouwelijke leerkrachten veel sterker vertegenwoordigd zijn in het kleuter- en lager onderwijs dan in het secundair onderwijs, waar meer mannen werken en waar de erkenning, bezoldiging en sociale waardering hoger ligt;

17.

stelt voor dat de Commissie maatregelen overweegt om meisjes en jongens aan te moedigen wetenschappelijke en technologische studierichtingen te volgen, teneinde het werknemersaanbod in de sector te vergroten en aan de bestaande vraag tegemoet te komen;

18.

verzoekt de Commissie en de lidstaten verdere maatregelen te nemen voor het verbeteren van de toegang tot en deelname aan de arbeidsmarkt door vrouwen, in het bijzonder in sectoren waar zij nog steeds ondervertegenwoordigd zijn, bijvoorbeeld spitstechnologie, onderzoek, wetenschap en techniek, en van de kwaliteit van het werk van vrouwen, in het bijzonder door middel van programma's voor een leven lang leren op alle niveaus; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem gebruik te maken van de Europese Structuurfondsen om dit te bereiken;

19.

verzoekt de Commissie en de lidstaten aandacht te besteden aan de situatie van echtgenoten die meewerken in ambachtelijke bedrijven, de handel, de landbouw en de visserij en in kleine familiebedrijven, vanuit het perspectief van gendergelijkheid en rekening houdend met het feit dat vrouwen in een kwetsbaardere positie verkeren dan mannen; verzoekt de Commissie onverwijld een voorstel in te dienen tot wijziging van Richtlijn 86/613/EEG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap (12), met het oog op het wegwerken van indirecte discriminatie, het uitbouwen van een positieve verplichting tot gelijke behandeling en de verbetering van de rechtspositie van meewerkende echtgenoten;

20.

verzoekt de lidstaten een wettelijke constructie van gedeeld eigendom te creëren, teneinde volledige erkenning van de rechten van vrouwen in de landbouwsector, fatsoenlijke bescherming op het gebied van sociale zekerheid en erkenning van hun werk te waarborgen;

21.

moedigt de lidstaten aan vrouwelijk ondernemerschap in de industriële sector te stimuleren en financiële steun en beroepsadvies te verlenen aan vrouwen die bedrijven oprichten, alsook in een passende opleiding te voorzien;

22.

verzoekt de lidstaten speciaal aandacht te besteden aan de beschikbaarheid van moederschapsfaciliteiten voor zelfstandig werkzame vrouwen;

23.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in het bijzonder kennis te nemen van de situatie van het toenemende aantal werknemers die formeel als zelfstandigen werkzaam zijn, maar in werkelijkheid als „economisch afhankelijke werknemers” kunnen worden beschouwd;

24.

verzoekt de lidstaten ondernemingen te erkennen, die de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bevorderen en het combineren van werk en gezinstaken steunen, teneinde bij te dragen aan de verspreiding van goede praktijken op dit terrein;

25.

verzoekt de Commissie en de lidstaten voorrang te geven en speciaal aandacht te besteden aan kwetsbaardere groepen vrouwen, in het bijzonder vrouwen met een handicap, vrouwen met de zorg voor afhankelijke personen, oudere vrouwen, vrouwen die tot een minderheid behoren, vrouwelijke immigranten en vrouwelijke gevangenen, alsook gerichte maatregelen te ontwikkelen om te voorzien in hun behoeften;

26.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de noodzakelijke maatregelen vast te stellen en uit te voeren om gehandicapte vrouwen te helpen vooruit te komen in de sectoren van het sociale, culturele en politieke leven en het beroepsleven waarin zij nog steeds ondervertegenwoordigd zijn;

27.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de toegang tot het onderwijs en de arbeidsmarkt voor vrouwelijke immigranten te verbeteren door maatregelen te treffen om dubbele discriminatie tegenover vrouwelijke immigranten op de arbeidsmarkt te bestrijden, gunstige omstandigheden te creëren zodat ze toegang tot de arbeidsmarkt krijgen en een goed evenwicht tussen werk en gezin kunnen bereiken, en voor aangepaste beroepsopleidingen te zorgen;

28.

verwelkomt het overleg tussen de Commissie en de sociale partners gericht op het verbeteren van de wetgeving- en niet-wetgevingskaders voor het combineren van werk, gezin en privéleven; kijkt uit naar een analyse van dat overleg en naar de voorstellen die eruit voortkomen, in het bijzonder voorstellen met betrekking tot zwangerschapsverlof en het in aanmerking nemen van dit verlof voor de berekening van de totale werktijd, ouderschapsverlof, vaderschapsverlof, adoptieverlof en zorgverlof; is bovendien van mening dat de kaderovereenkomst over ouderschapsverlof op de volgende punten kan worden verbeterd: het voorzien van aanmoedigingen voor vaders om ouderschapsverlof te nemen, de versterking van de arbeidsrechten van werknemers die ouderschapsverlof nemen, de flexibilisering van de verlofregeling, langere duur en vergoeding van het ouderschapsverlof;

29.

herinnert eraan dat alle beleid in verband met het combineren van werk en gezin gebaseerd moet zijn op het beginsel van vrije en persoonlijke keuze en gericht moet zijn op de verschillende levensfasen;

30.

verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen voor te stellen voor de bestrijding van ongelijkheden tussen vrouwen en mannen die worden veroorzaakt door verstoorde arbeidspatronen, in het bijzonder als gevolg van zwangerschapsverlof of zorgverlof en voor het beperken van de negatieve effecten daarvan op de loopbaan, het loon en de pensioenrechten;

31.

merkt op dat het combineren van werk, gezin en privéleven een van de sleutels is voor het verhogen van de arbeidsparticipatie en verzoekt de Commissie beste praktijken te verzamelen en te verspreiden met betrekking tot een effectief evenwicht tussen werk en privéleven en een grotere betrokkenheid van mannen bij het gezinsleven;

32.

verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem de deelname van mannen aan de tenuitvoerlegging van beleidslijnen inzake gendergelijkheid aan te moedigen, met name wat betreft het combineren van werk, gezin en privéleven;

33.

verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten de beschikbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid van kinderopvang en opvang voor afhankelijke personen te verbeteren in overeenstemming met de Barcelona-doelstellingen, en ervoor te zorgen dat de beschikbaarheid van deze diensten aansluit bij het werkschema van vrouwen en mannen met een volledige baan en de verantwoordelijkheid voor kinderen of afhankelijke personen;

34.

verzoekt de verantwoordelijken binnen bedrijven een flexibel gezinsbeleid op te nemen in hun plannen voor personeelsbeheer, om het voor werknemers gemakkelijker te maken om weer te gaan werken na een loopbaanonderbreking;

35.

vraagt de aandacht van de Commissie en de lidstaten voor de vervrouwelijking van de armoede, nu vrouwen, in het bijzonder oudere vrouwen en alleenstaande moeders, risico lopen op uitsluiting en armoede, en verzoekt hen met klem maatregelen te nemen om deze ontwikkeling een halt toe te roepen;

36.

verzoekt de Commissie en de lidstaten hulpmiddelen voor scholing en tenuitvoerlegging te ontwikkelen om alle belanghebbenden in staat te stellen in hun respectieve bevoegdheidsgebieden een perspectief op te nemen dat is gebaseerd op gelijke kansen voor vrouwen en mannen, waaronder de beoordeling van het specifieke effect van beleid op vrouwen en mannen;

37.

verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten met klem zorg te dragen voor het effectief gebruik van de bestaande hulpmiddelen, zoals de handleidingen voor mainstreaming van gelijke kansen voor vrouwen en mannen op het gebied van het werkgelegenheidsbeleid die zijn opgesteld door de Commissie;

38.

verzoekt de lidstaten met klem te zorgen voor een passende opleiding in verband met gendermainstreaming voor ambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de communautaire programma's op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

39.

roept de Commissie en de lidstaten op een aantal kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren te ontwikkelen alsmede naar geslacht uitgesplitste statistieken die betrouwbaar, vergelijkbaar en tijdig beschikbaar zijn, met het oog op gebruik ervan bij de follow-up van de uitvoering van de strategie van Lissabon voor groei en werkgelegenheid, teneinde rekening te houden met de genderdimensie en te zorgen voor de correcte tenuitvoerlegging en follow-up van het beleid;

40.

verwelkomt de oprichting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid en de aanstelling van de leden van de raad van bestuur die het Instituut een beleidsvormingsorgaan heeft gegeven; is echter bezorgd over de vertraging bij de benoeming van een directeur voor het Instituut en verzoekt de Commissie met klem dit probleem op te lossen;

41.

vraagt de Commissie om, met de hulp van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, in toekomstige jaarverslagen over de gelijkheid van vrouwen en mannen feiten en statistische gegevens van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten op te nemen;

42.

verzoekt de lidstaten sportbeoefening en een gezonde levensstijl voor alle bevolkingsgroepen te promoten, rekening houdend met het feit dat vrouwen minder aan sport doen;

43.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 17 van 19.1.2001, blz. 22.

(2)  PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.

(3)  PB C 102 E van 28.4.2004, blz. 492.

(4)  PB C 313 E van 20.12.2006, blz. 118.

(5)  PB C 74 E van 20.3.2008, blz. 742.

(6)  PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 56.

(7)  PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 112.

(8)  Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0423.

(9)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0019.

(10)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0094.

(11)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0102.

(12)  PB L 359 van 19.12.1986, blz. 56.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/42


Woensdag, 3 september 2008
Klonen van dieren ten behoeve van de voedselvoorziening

P6_TA(2008)0400

Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het klonen van dieren ten behoeve van de voedselvoorziening

2009/C 295 E/12

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het Protocol inzake de bescherming en het welzijn van dieren de Gemeenschap en de lidstaten voorschrijft bij de formulering en uitvoering van het landbouw- en onderzoeksbeleid ten volle rekening te houden met de eisen inzake dierenwelzijn,

B.

overwegende dat kloonprocessen een laag overlevingspercentage voor overgebrachte embryo's en gekloonde dieren laten zien, en dat veel gekloonde dieren in een vroeg levensstadium sterven aan cardiovasculaire insufficiëntie, immunodeficiëntie, leverinsufficiëntie, ademhalingsproblemen en abnormale ontwikkeling van nieren, spieren en skelet,

C.

overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in haar advies van 2008 heeft geconcludeerd dat het sterfte- en ziektecijfer onder gekloonde dieren hoger is dan bij door seksuele voortplanting voortgebrachte dieren, en dat sterfte en problemen in een laat stadium van de draagtijd vaak het welzijn van de draagmoeder aantasten,

D.

overwegende dat de Europese werkgroep voor ethische vraagstukken en nieuwe technologieën (EGE) zich gezien de huidige omvang van het lijden en de gezondheidsproblemen bij surrogaatmoeders en gekloonde dieren afvraagt of het klonen van dieren ten behoeve van de voedselvoorziening ethisch te rechtvaardigen is en geen overtuigende argumenten kan vinden om voedselproductie met behulp van gekloonde dieren en hun nakomelingen te rechtvaardigen,

E.

overwegende dat in Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (1) wordt bepaald dat er „geen natuurlijke of kunstmatige fokmethoden (mogen) worden toegepast die de betrokken dieren pijn of letsel toebrengen of kunnen toebrengen” (bijlage, punt 20),

F.

overwegende dat klonen de genetische diversiteit binnen dierpopulaties aanzienlijk zou doen afnemen, waarmee de kans toeneemt dat hele kuddes worden gedecimeerd door ziektes waarvoor zij gevoelig zijn,

G.

overwegende dat EFSA op 24 juli 2008 een wetenschappelijk advies heeft gepubliceerd over de gevolgen van het klonen van dieren voor de voedselveiligheid, de gezondheid en het welzijn van dieren en het milieu, waarin zij tot de conclusie kwam dat de gezondheid en het welzijn van een aanzienlijk deel van de klonen nadelige invloeden ondergaat, en wel vaak op ernstige of zelfs fatale wijze,

H.

overwegende dat het belangrijkste doel van klonen de productie van een groot aantal kopieën van dieren is, met een grotere groeisnelheid of een hogere opbrengst, maar dat de traditionele manier van selectief fokken reeds heeft geleid tot pootproblemen en cardiovasculaire stoornissen bij snelgroeiende varkens, en kreupelheid, mastitis en voortijdige uitschifting bij hoogproductieve runderen; overwegende dat het klonen van de snelstgroeiende en meest productieve dieren tot nog grotere gezondheids- en welzijnsproblemen zal leiden;

I.

overwegende dat, behalve het feit dat de implicaties van het klonen van dieren ten behoeve van de voedselvoorziening niet voldoende zijn bestudeerd, klonen een ernstige bedreiging vormt voor het imago en de inhoud van het Europese landbouwmodel, dat gebaseerd is op productkwaliteit, milieuvriendelijke beginselen en eerbiediging van strenge voorwaarden inzake dierenwelzijn,

1.

roept de Commissie op voorstellen in te dienen voor een verbod — waar het gaat om de voedselvoorziening — op (i) het klonen van dieren, (ii) het fokken met gekloonde dieren of hun nakomelingen, (iii) het op de markt brengen van vlees of zuivelproducten van gekloonde dieren of hun nakomelingen en (iv) het invoeren van gekloonde dieren, hun nakomelingen, zaad en embryo's van gekloonde dieren of hun nakomelingen, en vlees of zuivelproducten van gekloonde dieren of hun nakomelingen, en daarbij rekening te houden met de aanbevelingen van de EFSA en de EGE;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/43


Woensdag, 3 september 2008
Effect van marketing en reclame op de gelijkheid tussen vrouwen en mannen

P6_TA(2008)0401

Resolutie van het Europees Parlement van 3 september 2008 over het effect van marketing en reclame op de gelijkheid tussen vrouwen en mannen (2008/2038(INI))

2009/C 295 E/13

Het Europees Parlement,

gelet op het EG-Verdrag, in het bijzonder artikel 2, artikel 3, lid 2, en artikel 152,

gezien het acquis communautaire op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

gezien het Actieplatform van de Vierde Wereldvrouwenconferentie gehouden op 15 september 1995 in Peking en haar resolutie van 18 mei 2000 inzake de follow-up van de uitvoering van het actieplatform van Peking (1),

gelet op Richtlijn 89/552/EEG van 3 oktober 1989 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn Audiovisuele mediadiensten) (2),

gelet op Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (3),

gezien de routekaart van de Commissie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010 (COM(2006)0092) en de bijbehorende effectbeoordeling (SEC(2006)0275),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 juli 1997 over discriminatie van vrouwen in de reclame (4),

gezien resolutie 1557 (2007) van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, getiteld „Image of women in advertising” (beeld van vrouwen in reclame),

gezien het Europees pact voor gendergelijkheid dat is aangenomen door de Europese Raad van Brussel op 23 en 24 maart 2006,

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0199/2008),

A.

overwegende dat identiteit, waarden, overtuigingen en standpunten die het individu een plek en een rol geven in de maatschappij waarin hij/zij is opgegroeid, samensmelten bij het proces van socialisatie (via de school, het gezin en de sociaal-culturele omgeving); overwegende dat identificatie een sleutelbegrip is om te begrijpen hoe dit proces werkt,

B.

overwegende dat er meer inspanningen moeten worden geleverd voor het bevorderen van een redelijk en verantwoord gebruik van de televisie en van de nieuwe technologieën vanaf jonge leeftijd, zowel op school als thuis,

C.

overwegende dat reclame waarin discriminerende en/of neerbuigende boodschappen op basis van het geslacht en allerlei vormen van genderstereotypen worden meegegeven, een belemmering vormt voor een moderne en gelijkwaardige maatschappij,

D.

overwegende dat stereotypen aanleiding kunnen geven tot een bepaald gedrag en zodoende een element vormen van identificatie,

E.

overwegende dat reclame en marketing cultuur reflecteren en ook helpen creëren,

F.

overwegende dat reclame deel uitmaakt van de markteconomie en een aspect van de werkelijkheid vormt waarmee iedereen dagelijks wordt geconfronteerd,

G.

overwegende dat reclame soms een karikaturale visie op het leven van mannen en vrouwen kan laten zien,

H.

overwegende dat genderdiscriminatie nog altijd wijdverbreid is in de media; overwegende dat genderstereotypen in de reclame en de media als een onderdeel van deze discriminatie kunnen worden beschouwd,

I.

overwegende dat genderstereotypen in reclame de ongelijke machtsverdeling tussen mannen en vrouwen op deze manier versterken,

J.

overwegende dat men zich in alle lagen van de samenleving moet verzetten tegen genderstereotypen, teneinde gelijkheid en samenwerking van vrouwen en mannen in zowel de private als de publieke sfeer te bevorderen,

K.

overwegende dat genderstereotypen vanaf de eerste jaren van de socialisatie van het kind aanleiding kunnen geven tot discriminatie op grond van geslacht, hetgeen de instandhouding van levenslange ongelijkheid tussen vrouwen en mannen en het ontstaan van genderspecifieke clichés versterkt,

L.

overwegende dat het creëren van genderstereotypen contraproductief is en aanleiding geeft tot een verdeling van de arbeidsmarkt naar geslacht, waarbij vrouwen over het algemeen minder verdienen dan mannen,

M.

overwegende dat de hele maatschappij moet worden betrokken bij de inspanningen om te voorkomen dat genderstereotypen worden bestendigd; overwegende dat allen hiervoor samen de verantwoordelijkheid moeten dragen,

N.

overwegende dat de obstakels voor het uitdragen van een positief beeld van mannen en vrouwen in alle sociale situaties, moeten worden weggewerkt,

O.

overwegende dat kinderen een bijzonder kwetsbare groep zijn die niet alleen vertrouwt op autoriteit, maar ook op figuren uit verhalen, tv-programma's, plaatjesboeken, educatief materiaal, tv-spelletjes, reclame voor speelgoed, enz.; overwegende dat kinderen leren door te imiteren en na te spelen wat zij net hebben beleefd; overwegende dat genderstereotypen in reclame daarom een invloed hebben op de individuele ontwikkeling en nadruk leggen op de perceptie dat iemands geslacht bepaalt wat wel en wat niet mogelijk is,

P.

overwegende dat reclame via verschillende soorten van media deel uitmaakt van ons dagelijks leven; overwegende dat het uiterst belangrijk is dat reclame via de media voldoet aan bestaande ethische of wettelijke bindende regels en/of gedragscodes om te voorkomen dat reclameberichten op genderstereotypen gebaseerde discriminerende of vernederende boodschappen meegeven en aanzetten tot geweld,

Q.

overwegende dat verantwoorde reclame een positieve invloed kan hebben op de visie van de maatschappij op kwesties als lichaamsbeeld, genderrollen en normaliteit; overwegende dat reclame een krachtig instrument kan zijn in het in vraag stellen en doorbreken van stereotypen,

1.

benadrukt dat het belangrijk is vrouwen en mannen dezelfde kansen te geven om zich als individu te ontwikkelen;

2.

merkt op dat mannelijke en vrouwelijke stereotypen blijven bestaan en wijdverbreid zijn, ondanks verschillende communautaire programma's om gendergelijkheid te bevorderen;

3.

merkt op dat verder onderzoek zou helpen het eventuele verband tussen genderstereotypen in reclame en genderongelijkheid te verduidelijken;

4.

verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten om voornoemd onderzoek en de resultaten ervan te gebruiken en te verspreiden;

5.

benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten de verplichtingen nakomen die zij zijn aangegaan uit hoofde van het voornoemd Europees pact voor gendergelijkheid;

6.

vraagt de Raad, de Commissie en de lidstaten dat zij zich houden aan de richtsnoeren die zijn goedgekeurd in het kader van verschillende communautaire programma's, bijvoorbeeld EQUAL, en de richtsnoeren gericht op gendergelijkheid;

7.

verzoekt de Raad en de Commissie toe te zien op de uitvoering van de bestaande bepalingen in de communautaire wetgeving inzake discriminatie op grond van geslacht en aanzetting tot haat op grond van geslacht;

8.

verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten om in heel de EU bewustmakingsacties op te zetten tegen seksistische beledigingen of een vernederend beeld van vrouwen en mannen in reclame en marketing;

9.

verzoekt de lidstaten het beeld van vrouwen en mannen in reclame en marketing te bestuderen en hierover verslag uit te brengen;

10.

benadrukt dat stereotypen in reclame voor tv-programma's voor kinderen een bijzonder probleem vormen wegens hun mogelijke invloed op gendersocialisatie en bijgevolg op het beeld dat de kinderen hebben van zichzelf, hun gezinsleden en de buitenwereld;

11.

merkt op dat inspanningen om genderstereotypen in de media en de reclame te bestrijden geflankeerd moeten worden door onderwijsstrategieën en maatregelen om bewustmaking vanaf jonge leeftijd te cultiveren en vanaf de adolescentie de kritische zin te ontwikkelen;

12.

benadrukt de fundamentele rol die het schoolsysteem moet spelen in de ontwikkeling van de kritische zin van kinderen ten aanzien van beelden en de media in het algemeen, teneinde de nefaste gevolgen van terugkerende genderstereotypen in marketing en reclame te voorkomen;

13.

merkt op dat de traditionele rolpatronen in vraag moeten worden gesteld teneinde gendergelijkheid te verwezenlijken;

14.

vestigt met name de aandacht op de noodzaak boodschappen die indruisen tegen de menselijke waardigheid en die genderstereotypen overdragen, te verwijderen uit tekstboeken, speelgoed, video- en computerspelletjes, het internet en de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën (ICT), alsook reclame via verschillende media;

15.

is uitermate bezorgd over de aanbieding van seksuele diensten, die het stereotype van de vrouw als object versterken, in publicaties als plaatselijke kranten, die voor kinderen gemakkelijk zichtbaar en beschikbaar zijn;

16.

merkt op dat er behoefte is aan een voortgezette opleiding voor mediadeskundigen en aan initiatieven, in samenwerking met deze deskundigen, om de maatschappij bewust te maken van de negatieve gevolgen van genderstereotypen;

17.

vestigt de aandacht op het feit dat kinderen en adolescenten steeds meer gebruik maken van de tv en de nieuwe technologieën, dat dit gebruik begint op zeer jonge leeftijd en dat tv-kijken zonder toezicht toeneemt;

18.

merkt op dat het beeld dat marketing en reclame ophangen van het ideale lichaam, een nadelige invloed kan hebben op het gevoel van eigenwaarde van vrouwen en mannen, met name tieners en personen die vatbaar zijn voor eetstoornissen als anorexia nervosa en boulimia nervosa; roept reclamemakers ertoe op voorzichtig te zijn met het tonen van bijzonder magere vrouwen om reclame te maken voor producten;

19.

verzoekt de lidstaten er met gepaste middelen voor te zorgen dat marketing en reclame eerbiediging van de menselijke waardigheid en integriteit garanderen, noch direct noch indirect discriminerend zijn, noch enige aanzetting tot haat op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, religie of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bevatten, noch materiaal bevatten dat, in zijn context beoordeeld, geweld tegen vrouwen wettigt, bevordert of verheerlijkt;

20.

erkent dat de regelgevende instanties voor de media in een aantal lidstaten al inspanningen hebben geleverd om de gevolgen van genderstereotypen te onderzoeken en moedigt de regelgevers in alle lidstaten aan goede praktijken omtrent deze problemen uit te wisselen;

21.

herinnert de Commissie eraan dat het eerste voorstel voor de hoger genoemde Richtlijn 2004/113/EG, ook betrekking had op discriminatie in de media; verzoekt de Commissie extra inspanningen te leveren tegen deze discriminatie;

22.

benadrukt het belang van goede voorbeelden in de media en reclamewereld vanuit een genderperspectief om aan te tonen dat veranderingen mogelijk én wenselijk zijn; is van mening dat de lidstaten officieel een prijs van reclamemakers voor reclamemakers en een publieksprijs moeten toekennen, om de reclame te belonen die het best genderstereotypen doorprikt en een positief of opwaarderend beeld schetst van vrouwen, mannen of de relaties tussen vrouwen en mannen;

23.

benadrukt de noodzaak om de beginselen van gendergelijkheid te verspreiden via de media door middel van publicaties en programma's die ontworpen zijn voor verschillende leeftijdsgroepen, om goede praktijken en de eerbiediging van sekseverschillen te populariseren;

24.

benadrukt de noodzaak van een voortdurend debat over marketing en reclame en hun rol in het creëren en doen voortleven van genderstereotypen;

25.

verzoekt de lidstaten educatieve initiatieven te ontwerpen en te lanceren, die zijn ontwikkeld in een geest van tolerantie en zich onthouden van alle vormen van stereotypen, en een cultuur van gendergelijkheid te bevorderen door middel van gepaste educatieve programma's;

26.

benadrukt dat een eind moet worden gemaakt aan genderstereotypen;

27.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 59 van 23.2.2001, blz. 258.

(2)  PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23.

(3)  PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.

(4)  PB C 304 van 6.10.1997, blz. 60.


Donderdag, 4 september 2008

4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/47


Donderdag, 4 september 2008
Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen

P6_TA(2008)0404

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de situatie van Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen

2009/C 295 E/14

Het Europees Parlement,

onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties over het Midden-Oosten,

gezien de verklaring van commissaris Benita Ferrero-Waldner in het Parlement op 9 juli 2008 over de situatie van Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen,

gezien de Associatieovereenkomst EU-Israël en de resultaten van de achtste vergadering van de Associatieraad EU-Israël op 16 juni 2008,

gezien het rapport van de ad-hocdelegatie van het Parlement naar Israël en de Palestijnse gebieden (30 mei-2 juni 2008) en de conclusies daarin,

gezien de Verdragen van Genève, in het bijzonder het vierde Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949, en met name de artikelen 1 tot en met 12, 27, 29 tot en met de artikelen 34, 47, 49, 51, 52, 53, 59, 61 tot en met 77 en 143,

gelet op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN van 1966,

gezien het jaarverslag 2007 van het Internationaal Comité van het Rode Kruis, met name het onderdeel betreffende de bezette Palestijnse gebieden,

gezien de, in de jaren 2006, 2007 en 2008 met financiële steun van de Commissie en diverse lidstaten door het Openbaar Comité tegen marteling in Israël gepubliceerde verslagen,

gezien de desbetreffende VN-resoluties over het conflict in het Midden-Oosten,

gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de afgelopen jaren veel terroristische aanslagen met dodelijke afloop op de burgerbevolking van Israël zijn gepleegd, en overwegende dat de Israëlische autoriteiten een aantal maatregelen hebben genomen om deze terroristische acties te voorkomen, zoals de arrestatie van verdachte Palestijnse militanten, maar dat de bestrijding van terrorisme geen rechtvaardiging is voor schendingen van het humanitair recht,

B.

overwegende dat op dit moment meer dan 11 000 Palestijnen, waaronder honderden vrouwen en kinderen, in Israëlische gevangenissen en detentiecentra worden vastgehouden, en overwegende dat het merendeel van deze gedetineerden in de bezette Palestijnse gebieden zijn gearresteerd,

C.

overwegende dat het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat door Israël is ondertekend, een kind definieert als een menselijk wezen jonger dan 18 jaar; overwegende dat Palestijnse kinderen vanaf 16 jaar op grond van de Israëlische militaire regels voor de bezette Palestijnse gebieden echter als volwassenen worden beschouwd en vaak onder niet-geëigende omstandigheden worden vastgehouden,

D.

overwegende dat de Israëlische regering op 25 augustus 2008 198 Palestijnen heeft vrijgelaten als gebaar van goede wil en wederzijdse vertrouwensvorming, en dat beide partijen verder aan het onderhandelen zijn om tot een uitgebreider akkoord over de vrijlating van andere gevangenen te komen,

E.

overwegende dat de regeringen van Israël en Libanon onlangs positieve stappen hebben gedaan in de vorm van een ruil van gevangenen tegen de stoffelijke overschotten van Israëlische soldaten,

F.

overwegende dat ongeveer duizend gevangenen in Israël worden vastgehouden op grond van „administratieve detentie-orders”, met het recht om in beroep te gaan, maar zonder in staat van beschuldiging gesteld en berecht te worden en zonder dat zij zich kunnen verdedigen; overwegende dat dergelijke „administratieve detentie-orders” jarenlang kunnen worden verlengd en dat dit in sommige gevallen ook gebeurt,

G.

overwegende dat uit mensenrechtenverslagen blijkt dat Palestijnse gevangenen worden mishandeld en gefolterd,

H.

overwegende dat het voor de overgrote meerderheid van de Palestijnse gevangenen in gevangenissen op Israëlisch grondgebied vaak onmogelijk of buitengewoon moeilijk is gebruik te maken van het bezoekrecht van hun families, ondanks dringende verzoeken van het Internationale Comité van het Rode Kruis aan Israël,

I.

overwegende dat de gevangenenkwestie zwaarwegende politieke, maatschappelijke en humanitaire implicaties heeft en dat de arrestatie van 48 leden van de Palestijnse Wetgevende Raad en van gemeenteraadsleden ernstige gevolgen voor de politieke ontwikkelingen in de bezette Palestijnse gebieden heeft; overwegende dat het zogenaamde gevangenendocument, dat in mei 2006 door gevangen Palestijnse politieke leiders van verschillende groeperingen is aangenomen, als basis heeft gediend voor nationale verzoening en de weg heeft bereid voor de samenstelling van een regering van nationale eenheid,

J.

overwegende dat de betrekkingen tussen de Europese Gemeenschappen en Israël krachtens artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël stoelen op eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen, die een essentieel onderdeel van deze overeenkomst vormen; overwegende dat het actieplan EU-Israël de eerbiediging van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht benadrukt als een van de waarden die beide partijen gemeenschappelijk hebben,

1.

is ingenomen met het recente besluit van de Israëlische regering om een aantal Palestijnse gevangenen vrij te laten, omdat dit een positief gebaar is om het gezag van de Palestijnse Autoriteit te versterken en een klimaat van wederzijds vertrouwen te scheppen;

2.

dringt erop aan dat Hamas en Israël stappen ondernemen met het oog op de onmiddellijke vrijlating van de Israëlische korporaal Gilad Shalit;

3.

benadrukt dat de kwestie van de Palestijnse gevangenen een enorme impact heeft op zowel de Palestijnse samenleving als het Israëlisch-Palestijnse conflict en is van mening dat in dit verband de vrijlating van een significant aantal Palestijnse gevangenen, alsook de onmiddellijke vrijlating van de gevangengenomen leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, onder wie Marwan Barghouti, een positieve stap kan zijn voor het herstel van een klimaat van wederzijds vertrouwen dat noodzakelijk is om met de vredesonderhandelingen voortgang van betekenis te boeken;

4.

steunt de legitieme veiligheidsoverwegingen van Israël; is van mening dat de rechtsstaat ten volle moet worden geëerbiedigd bij de behandeling van gevangenen, daar dit een wezenlijke stap is voor een democratisch land;

5.

verzoekt Israël te garanderen dat de minimumnormen inzake detentie worden nageleefd, alle gedetineerden te berechten, een eind te maken aan de toepassing van „administratieve detentie-orders” en adequate maatregelen te treffen voor minderjarigen en het bezoekrecht van gevangenen, in volledige overeenstemming met de internationale normen, waaronder het Verdrag inzake de rechten van het kind en het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

6.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de situatie van vrouwelijke en kwetsbare Palestijnse gevangenen, die naar verluidt worden mishandeld en geen toegang krijgen tot gezondheidszorg;

7.

verzoekt de Palestijnse Autoriteit alles in het werk te stellen om te voorkomen dat met name voormalige gevangenen, en in het bijzonder kinderen, gewelddadige of terroristische daden plegen;

8.

is van mening dat de verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Israël moet samenhangen met en moet worden gekoppeld aan de naleving door Israël van de verplichtingen krachtens het internationaal recht;

9.

is verheugd over het besluit dat is genomen op de achtste Associatieraad EU-Israël om ter vervanging van de bestaande werkgroep Mensenrechten een volwaardige subcommissie Mensenrechten in het leven te roepen; dringt aan op uitgebreide raadpleging en volledige participatie van mensenrechtenorganisaties en niet-gouvernementele organisaties in Israël en de bezette Palestijnse gebieden bij het toezicht op de voortgang die Israël boekt bij het naleven van zijn verplichtingen krachtens het internationaal recht;

10.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Israëlische regering, de Knesset, de voorzitter van de Palestijnse Autoriteit, de Palestijnse Wetgevende Raad, de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de gezant van het Kwartet voor het Midden-Oosten, de voorzitter van de Euro-Mediterrane Parlementaire Vergadering, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN en het Internationale Comité van het Rode Kruis.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/49


Donderdag, 4 september 2008
Evaluatie van sancties van de EU als deel van optreden en beleid van de EU op het gebied van mensenrechten

P6_TA(2008)0405

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de evaluatie van sancties van de EU als deel van optreden en beleid van de EU op het gebied van mensenrechten (2008/2031(INI))

2009/C 295 E/15

Het Europees Parlement,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien alle mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de facultatieve protocollen dienaangaande,

gezien het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en de twee bijbehorende optionele protocollen,

gezien het Handvest van de VN en in het bijzonder de artikelen 1 en 25 en, in Hoofdstuk VII, de artikelen 39 en 41,

gezien het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (Europese Mensenrechtenverdrag) en de bijbehorende protocollen,

gezien het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa,

gelet op de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa van 1975 (Slotakte van Helsinki),

gelet op artikel 3, 6, 11, 13, 19, 21, 29 en 39 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 60, 133, 296, 297, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over de situatie betreffende de mensenrechten in de wereld,

gezien zijn vorige debatten en onder verwijzing naar spoedresoluties over schendingen van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 september 1996 over de mededeling van de Commissie over de bepalingen inzake de eerbiediging van de democratische beginselen en de rechten van de mens in de overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen (1),

gezien de internationale verplichtingen van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, met inbegrip van de verplichtingen die in WHO-overeenkomsten zijn vervat,

gelet op de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caraibisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (Overeenkomst van Cotonou) (2), in het bijzonder artikelen 8, 9, 33, 96 en 98, en de herziening van die overeenkomst (3),

gezien het Raadsdocument „Invoering van een „sanctie-samenstelling””van de Groep raden buitenlandse betrekkingen (RELEX/Sancties) van 22 januari 2004 (5603/2004),

gezien het Raadsdocument „Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties)” van 7 juni 2004 (10198/1/2004),

gezien het Raadsdocument „Richtsnoeren inzake de implementatie en evaluatie van restrictieve maatregelen (sancties) in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU”, in de laatste bijgewerkte versie van 2 december 2005 (15114/2005),

gezien het Raadsdocument „Beste praktijken van de EU inzake een doeltreffend gebruik van restrictieve maatregelen” van 9 juli 2007 (11679/2007),

gezien Gemeenschappelijk Standpunt 96/697/GBVB van de Raad van 2 december 1996 over Cuba (4),

gelet op het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad 2001/930/GBVB inzake terrorismebestrijding (5) en het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (6), beide van 27 december 2001, en Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (7),

gelet op het Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Osama bin Laden, de leden van de Al Qaida-organisatie, de Taliban en andere daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten (8), en Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Osama bin Laden, het Al Qaida-netwerk en de Taliban (9), beide van 27 mei 2002,

gezien de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen (10),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen (11),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten (12),

gezien alle overeenkomsten die de Europese Unie met derde landen afgesloten heeft en de mensenrechtenclausules die ze bevatten,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 oktober 1982 over de betekenis en de gevolgen van economische sancties, met name van het handelsembargo en de boycot, voor de externe betrekkingen van de EEG (13),

onder verwijzing naar de resolutie over de gevolgen van sancties, en met name embargo’s, voor de mensen van landen waaraan zulke maatregelen worden opgelegd (14), aangenomen door de paritaire parlementaire vergadering van de ECP-EU op 1 november 2001 in Brussel (België),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2007 over het functioneren van de mensenrechtendialogen en de raadplegingen over mensenrechten met derde landen (15),

gezien resolutie 1597 (2008) en aanbeveling 1824 (2008) over de zwarte lijsten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en van de Europese Unie, aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa op 23 januari 2008,

gezien het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend in Lissabon op 13 december 2007, dat naar verwachting op 1 januari 2009 in werking treedt,

gelet op regel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie internationale handel (A6-0309/2008),

A.

overwegende dat artikel 11, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de eerbiediging van de mensenrechten erkent als een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlandse en veiligheidsbeleid (GBVB) en overwegende dat het nieuwe artikel 21 van het EU-Verdrag zoals ingevoerd door artikel 1, punt 24 van het Verdrag van Lissabon, erkent dat „het internationaal optreden van de Unie berust op en is gericht op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht”,

B.

overwegende dat sancties worden opgelegd ter verwezenlijking van specifieke doelstellingen van het GBVB als vervat in artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die onder meer, maar niet uitsluitend, de bevordering van mensenrechten en fundamentele vrijheden, democratie, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur omvatten,

C.

overwegende dat de hiervoor genoemde Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties) van 2004 het eerste pragmatisch document vormen waarin het kader wordt omschreven waarbinnen de EU sancties oplegt, terwijl de EU dat in de praktijk al sinds het begin van de jaren 80 doet, vooral na het in werking treden van het EU-verdrag in 1993; overwegende dat het document sancties formeel als een instrument van het GBVB instelt en dientengevolge het beginpunt van een EU sanctiebeleid vormt,

D.

overwegende dat dit sanctiebeleid is gegrondvest op de vijf volgende doelstellingen van het GBVB: het veiligstellen van gemeenschappelijke waarden, fundamentele belangen, en de onafhankelijkheid en integriteit van de Unie in overeenstemming met de beginselen van het Handvest van de VN; het versterken van de veiligheid van de Unie in alle opzichten; het bewaren van de vrede en het versterken van internationale veiligheid in overeenstemming met de beginselen van het Handvest van de VN en de slotakte van Helsinki, alsmede de doelstellingen van het Handvest van Parijs, inclusief die betreffende buitengrenzen; het bevorderen van internationale samenwerking; het ontwikkelen en consolideren van democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden,

E.

overwegende dat de internationale consensus groeit dat elke ernstige en moedwillige aantasting van het milieu de vrede en de internationale veiligheid in gevaar brengt en een schending van de mensenrechten inhoudt,

F.

overwegende dat de EU zich tot systematische uitvoering van de sancties verplicht waartoe de VN-Veiligheidsraad heeft besloten uit hoofde van Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties en tegelijkertijd zelfstandig sancties oplegt bij ontstentenis van een mandaat van de VN-Veiligheidsraad in die gevallen waar de VN-Veiligheidsraad niet de bevoegdheid heeft om actie te ondernemen of daarvan wordt afgehouden door een gebrek aan overeenstemming onder zijn leden; daarbij nadrukkelijk overwegende dat op zowel de VN als de EU de verplichting rust om sancties op te leggen in overeenstemming met het internationaal recht,

G.

overwegende dat het sanctiebeleid van de EU daarom sancties van de VN-Veiligheidsraad omvat, maar dat de reikwijdte en doelstellingen breder zijn dan die van het beleid van de VN-Veiligheidsraad (internationale vrede en veiligheid),

H.

overwegende dat sancties behoren tot de instrumenten die de EU kan gebruiken om haar mensenrechtenbeleid uit te voeren; dat het gebruik van sancties consistent moet zijn met de algemene strategie van de EU op het betreffende terrein en de laatste poging op de prioriteitenlijst moet zijn om de specifieke doelstellingen van het GBVB te verwezenlijken; overwegende dat de effectiviteit van sancties afhangt van hun gelijktijdige toepassing door alle lidstaten,

I.

overwegende dat er noch het internationaal recht noch in het recht van de EU/EG een gezaghebbende definitie van een sanctie bestaat; overwegende dat evenwel binnen het raamwerk van het GBVB sancties of beperkende maatregelen worden gezien als maatregelen die geheel of gedeeltelijk een onderbreking of vermindering betekenen van diplomatieke of economische betrekkingen met een of meer derde landen en die bepaalde activiteiten of bepaald beleid willen veranderen, zoals schendingen van het internationaal recht of van mensenrechten, of beleid waarmee de rechtsstaat of democratische beginselen door regeringen van derde landen, non-gouvernementele entiteiten of natuurlijke en rechtspersonen niet worden geëerbiedigd,

J.

overwegende dat de soorten beperkende maatregelen een reeks maatregelen omvat, zoals wapenembargo’s, handelssancties, financieel/economische sancties, het bevriezen van tegoeden, vluchtverboden, toelatingsbeperkingen, diplomatieke sancties, boycots van sportieve en culturele evenementen, en de opschorting van samenwerking met een derde land,

K.

overwegende dat in deze resolutie, in overeenstemming met de algemene EU-praktijk, de termen „sancties” en „beperkende maatregelen” zonder onderscheid worden gebruikt; overwegende dat in deze resolutie de definitie van „passende maatregelen” is overgenomen uit artikel 96 van de overeenkomst van Cotonou (16)

L.

overwegende dat EU-sancties zelf zijn gebaseerd op een verscheidenheid van juridische grondslagen, die afhankelijk zijn van de precieze aard van de beperkende maatregelen en van het juridisch karakter van de betrekkingen met het betreffende derde land, en van de sectoren en doelstellingen in kwestie; overwegende dat deze factoren bepalend zijn voor zowel de procedure die wordt gehanteerd voor het aannemen van sancties — waarvoor vaak, maar niet altijd, een gemeenschappelijk standpunt in het kader van het GBVB is vereist en derhalve unanimiteit in de Raad — als voor de juridische procedure die moet worden gevolgd om de sancties juridisch bindend en uitvoerbaar te maken, waarbij de procedure zoals geformuleerd in artikel 301 van het EU-Verdrag de gewone procedure is,

M.

overwegende dat visumverboden en wapenembargo's de GBVB-sancties zijn die het vaakst worden opgelegd en dat deze sancties in de sanctiereeks van de EU het eerst worden ingezet; overwegende dat deze twee maatregeltypen de enige maatregelen zijn die direct door de lidstaten kunnen worden uitgevoerd, aangezien hiervoor geen specifieke sanctiewetgeving is vereist op grond van het EU-Verdrag; overwegende dat voor financiële sancties (bevriezing van tegoeden) en handelssancties wel specifieke sanctiewetgeving moet worden aangenomen,

N.

overwegende dat, volgens de genoemde Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties) en de relevante beleidsregels, gerichte sancties doelmatiger dan algemenere sancties kunnen zijn en dus de voorkeur verdienen, ten eerste omdat zo nadelige effecten voor een groter deel van de bevolking worden voorkomen en ten tweede omdat ze rechtstreekse gevolgen hebben voor de verantwoordelijken en derhalve waarschijnlijk effectiever zijn als het gaat om het teweegbrengen van beleidswijzigingen in het beleid van deze personen,

O.

overwegende dat er maatregelen bestaan die weliswaar door de Raad in de vorm van conclusies van de voorzitter aangenomen zijn, maar die niet „sancties” worden genoemd en tevens verschillen van de andere beperkende maatregelen die als GBVB-instrument zijn aangemerkt,

P.

overwegende dat op economische betrekkingen tussen de EU en derde landen vaak sectorale bilaterale en multilaterale overeenkomsten van toepassing zijn waar de EU zich bij het opleggen van sancties aan moet houden; overwegende dat, indien nodig, de EU de relevante overeenkomst derhalve moet opschorten of opzeggen voordat er economische sancties worden opgelegd die niet in overeenstemming zijn met de rechten die op grond van een bestaande overeenkomst aan het betrokken derde land worden verleend,

Q.

overwegende dat op betrekkingen tussen de EU en derde landen vaak bilaterale of multilaterale overeenkomsten van toepassing zijn op grond waarvan een van de partijen passende maatregelen kan nemen als een andere partij een essentieel onderdeel van de overeenkomst schendt, met name als het gaat om eerbiediging van de mensenrechten, het internationaal recht, democratische beginselen en de rechtsorde (de mensenrechten-clausule), waarvan de Overeenkomst van Cotonou een prominent voorbeeld is,

R.

overwegende dat de invoering en uitvoering van beperkende maatregelen moet beantwoorden aan de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, waaronder eerlijke procedures en het recht op effectieve verhaalsmogelijkheden, naast evenredigheid, en moet voorzien in passende uitzonderingen om rekening te houden met de fundamentele menselijke behoeften van de personen op wie de sancties zijn gericht, zoals basisonderwijs, drinkwater en elementaire medische verzorging, o.a. ook de meest onmisbare geneesmiddelen; overwegende dat een sanctiebeleid ten volle rekening moet houden met de normen die zijn vastgelegd in de Conventie van Genève, het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, naast de VN-resoluties met betrekking tot de bescherming van burgers en van kinderen bij gewapende conflicten,

S.

overwegende dat de geloofwaardigheid van de EU en de afzonderlijke lidstaten in het gedrang komt wanneer EU-sancties lijken te worden geschonden, en dat Robert Mugabe was uitgenodigd voor deelname aan de EU-Afrika-top van 8-9 december 2007 in Lissabon hoewel hem door Gemeenschappelijk Standpunt 2004/161/GBVB van 19 februari 2004 houdende verlenging van de beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (17), laatstelijk uitgebreid door het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/135/GBVB van 18 februari 2008 (18), formeel de toegang tot alle delen van het grondgebied van de EU-lidstaten ontzegd was,

Algemene overwegingen met het oog op een effectief EU-sanctiebeleid

1.

betreurt dat er tot op heden geen enkele evaluatie of beoordeling van het effect van het sanctiebeleid van de EU heeft plaatsgevonden en dat het daarom uiterst moeilijk is om de effecten en de doeltreffendheid in het veld te meten en daarmee ook om daaruit de nodige conclusies te trekken; roept de Raad en de Commissie op om zorg te dragen voor deze beoordeling; denkt echter dat het tegen Zuid-Afrika gehanteerde sanctiebeleid doeltreffend heeft bijgedragen tot de beëindiging van de apartheid;

2.

meent dat de uiteenlopende wettelijke grondslagen voor het sanctiebeleid van de EU, die leiden tot verschillende niveaus voor besluitvorming, uitvoering en controle, een belemmering vormen voor de transparantie en samenhang van het sanctiebeleid van de EU en daarmee voor zijn geloofwaardigheid;

3.

is van mening dat het een vereiste voor doeltreffendheid van de sancties is dat de publieke opinie, in Europa en daarbuiten, maar ook in het land waar veranderingen worden verwacht, het opleggen daarvan als legitiem ervaart; benadrukt dat raadpleging van het Parlement bij het besluitvormingsproces deze legitimiteit versterkt;

4.

merkt eveneens op dat sancties een symbolische werking kunnen hebben omdat een morele veroordeling door de EU wordt uitgesproken en daarmee wordt bijgedragen aan een grotere zichtbaarheid en geloofwaardigheid van het buitenlands beleid van de EU; waarschuwt echter tegen te grote nadruk op het idee van sancties als symbolische maatregelen, omdat ze hun waarde daardoor helemaal kunnen verliezen;

5.

vindt dat een beroep op sancties moet worden overwogen indien het optreden van autoriteiten, non-gouvernementele entiteiten of natuurlijke en rechtspersonen ernstig afbreuk doet aan de veiligheid en de rechten van personen of in geval van uitputting of verzanding van alle contractuele en/of diplomatieke betrekkingen door toedoen van de derde partij;

6.

meent dat iedere vrijwillige en onomkeerbare aantasting van het milieu een bedreiging vormt voor de veiligheid en een ernstige schending van de mensenrechten; verzoekt de Raad en de Commissie in dit verband om iedere vrijwillige en onomkeerbare aantasting van het milieu op te nemen bij de gronden die aanleiding kunnen vormen voor het opleggen van sancties;

7.

erkent dat de sanctie-instrumenten van de EU in het algemeen flexibel worden ingezet op basis van de behoeften die elk uniek geval met zich meebrengt; betreurt echter het feit dat het sanctiebeleid van de EU vaak inconsequent wordt toegepast en dat derde landen verschillend worden behandeld, zelfs als ze een vergelijkbare staat van dienst hebben als het gaat om mensenrechten en democratie, wat aanleiding geeft voor de kritiek dat er met twee maten wordt gemeten;

8.

meent in dat opzicht dat de toepassing en evaluatie van sancties door de Europese Unie naar aanleiding van schendingen van de mensenrechten principieel dienen te prevaleren boven eventuele nadelen die het opleggen van sancties voor de commerciële belangen van de Europese Unie en haar burgers met zich meebrengt;

9.

betreurt dat interne meningsverschillen binnen de EU over het te voeren beleid tegenover een of ander land, zoals Cuba, en de weerstand van lidstaten om belangrijke partners zoals Rusland tegen zich in het harnas te jagen, ertoe hebben geleid dat de EU slechts„informele sancties” heeft aangenomen in de conclusies van het voorzitterschap, hetgeen een uiting is van een onevenwichtige en inconsequente toepassing van de sancties door de Europese Unie; erkent echter dat maatregelen in de conclusies van de Raad bevatten, zoals de opschorting van de ondertekening van de akkoorden met bepaalde landen, zoals Servië, een nuttig instrument zouden kunnen zijn om derde landen onder druk te zetten en tot volledige medewerking aan internationale mechanismen te bewegen;

10.

merkt op, met betrekking tot Cuba, dat het Gemeenschappelijk Standpunt dat in 1996 aangenomen en vervolgens periodiek vernieuwd is, een routekaart voor een vreedzame overgang naar democratie inhoudt, volledig wordt geïmplementeerd en binnen de Europese instellingen geen controverse oproept; betreurt dat er zich totnogtoe geen enkele betekenisvolle verbetering voor de rechten van de mens heeft voorgedaan; neemt akte van het besluit van 20 juni 2008 van de Raad om de informele sancties tegen Cuba op te heffen, samen met de vraag om alle politieke gevangenen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, de toegang tot de gevangenissen te verbeteren en het internationaal verdrag inzake de burgerlijke en politieke rechten te ratificeren en in praktijk te brengen; neemt ter kennis dat de Raad over een jaar besluit of hij de politieke dialoog met Cuba voortzet naargelang er al dan niet betekenisvolle verbeteringen voor de rechten van de mens vast te stellen zijn; wijst erop dat het standpunt van de Raad ook de instellingen van de Europese Unie bindt in de dialoog met zowel de Cubaanse overheden als de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; herhaalt zijn standpunt in verband met de winnaars van de Sacharov-prijs Oswaldo Payá Sardiñas en de Vrouwen in het wit (Damas de Blanco);

11.

vindt dat de ondoeltreffendheid van de sancties niet kan worden gebruikt als argument om ze op te heffen en in plaats daarvan moet dienen om de sanctie zelf te heroriënteren en te herevalueren; is bovendien van mening dat het al dan niet doorgaan met sancties alleen mag afhangen van het al dan niet bereikt zijn van de doelstellingen, waarbij de sancties op basis van evaluatie kunnen worden verzwaard of anderszins aangepast; meent dat sancties daarom altijd vergezeld moeten gaan van duidelijke ijkpunten;

12.

is van mening dat de doeltreffendheid van de sancties op verschillende niveaus moet worden geanalyseerd, zowel in termen van intrinsieke doeltreffendheid van de maatregelen, d.w.z. of ze van invloed kunnen zijn op de privé- en beroepsactiviteiten van de personen tegen wie ze gericht zijn in hun hoedanigheid van leden van een bepaald regime, of op de werking van dat regime, als in termen van politieke doeltreffendheid, d.w.z. of ze een stimulans kunnen zijn om de activiteiten of het beleid naar aanleiding waarvan ze opgelegd zijn, te staken of om te buigen;

13.

meent dat het effect van een sanctie afhangt van het vermogen van de Europese Unie om ze de hele tijd vol te houden en betreurt daarom het gebruik van bepalingen als „vervalbepalingen”, waarbij sancties automatisch worden opgeheven;

14.

is onder alle omstandigheden tegen het opleggen van algemene, niet-selectieve sancties tegen een land, omdat het een benadering is die in de praktijk volledige isolatie van de bevolking betekent; meent dat economische sancties, tenzij in coördinatie met andere politieke hulpmiddelen, maar zeer moeilijk politieke verandering in het regime teweeg kunnen brengen dat ze willen treffen; benadrukt daarom dat alle sancties tegen regeringsinstanties systematisch vergezeld moeten gaan van steun voor het maatschappelijk middenveld van het betreffende land;

Sancties als onderdeel van een algehele mensenrechtenstrategie

15.

wijst erop dat de meeste EU-sancties worden opgelegd naar aanleiding van zorgen over de veiligheid; benadrukt echter dat schendingen van de mensenrechten een afdoende reden voor het opleggen van sancties moeten zijn, aangezien deze schendingen waarschijnlijk eveneens een bedreiging vormen voor de veiligheid en stabiliteit;

16.

wijst erop dat het belangrijkste doel van sancties bestaat in het teweegbrengen van een wijziging in het beleid of activiteiten overeenkomstig de doelstellingen van het gemeenschappelijk standpunt in het kader van het GBVB, of conclusies die zijn aangenomen door de Raad dan wel het internationale besluit waarop de sancties zijn gebaseerd;

17.

benadrukt dat de Raad, door het aannemen van de hiervoor genoemde Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties), zichzelf ertoe heeft verplicht sancties te gebruiken als onderdeel van een uitgebreide en geïntegreerde beleidsbenadering; benadrukt in dit opzicht dat deze benadering naast elkaar politieke dialoog, stimulansen en voorwaardelijkheid omvat en dat ze in laatste instantie zelfs het gebruik van dwangmiddelen kan behelzen, zoals geformuleerd in de Fundamentele beginselen; is van mening dat mensenrechten- en democratieclausules, het stelsel van algemene preferenties en ontwikkelingshulp moeten worden gebruikt als instrumenten voor een dergelijke uitgebreide en geïntegreerde beleidsbenadering;

18.

benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de mensenrechtenclausule niet kan worden gezien als een geheel autonome of eenzijdige EU-sanctie, aangezien deze rechtstreeks voortkomt uit de bilaterale of multilaterale overeenkomst, die een wederzijdse verplichting oplegt om mensenrechten te eerbiedigen; is van mening dat passende maatregelen die in overeenstemming met deze clausule worden genomen, uitsluitend betrekking hebben op de uitvoering van het betreffende akkoord, waarbij elke partij een wettelijke grondslag wordt geboden om het akkoord op te schorten of te annuleren; denkt daarom dat de tenuitvoerlegging van mensenrechtenclausules en autonome of eenzijdige sancties elkaar per definitie aanvullen;

19.

verheugt zich dan ook over de systematische opname van mensenrechtenclausules en dringt aan op de opname van een specifiek uitvoeringsmechanisme in alle nieuwe bilaterale overeenkomsten, ook sector-specifieke overeenkomsten, die met derde landen worden gesloten; herinnert in dit verband aan het belang van de aanbevelingen voor doeltreffender en systematischer tenuitvoerlegging van de bepaling, namelijk opstelling van doelstellingen en referentiecriteria, en regelmatige evaluatie; herhaalt zijn oproep tot tenuitvoerlegging van de mensenrechtenclausules door middel van een transparante procedure van overleg tussen de partijen, waaronder het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld, waarbij de politieke en juridische mechanismen worden uitgewerkt, die worden gebruikt in het geval van een verzoek om opschorting van bilaterale samenwerking op grond van herhaaldelijke en/of systematische schending van de mensenrechten in strijd met het internationaal recht; ondersteunt het krachtens het Cotonou-akkoord vastgestelde proceduremodel voor reageren op ernstige schendingen van de mensenrechten, voor de democratische beginselen en voor de rechtsstaat; is van mening dat het systeem van intensieve politieke dialoog (artikel 8 van het Cotonou-akkoord) en raadplegingen (artikel 9 van het Cotonou-akkoord) voor en na het goedkeuren van passende maatregelen in een aantal gevallen een zeer succesvol instrument gebleken is voor het verbeteren van de situatie ter plaatse;

20.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om geen vrijhandels- en/of associatieovereenkomsten aan te bieden — ook al bevatten ze mensenrechtenclausules — aan regeringen van landen waar volgens de verslagen van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties op grote schaal mensenrechtenschendingen plaatsvinden;

21.

meent dat het uitblijven van gepaste of beperkende maatregelen in een toestand van aanhoudende schendingen van de rechten van de mens de mensenrechtenstrategie, het sanctiebeleid en de geloofwaardigheid van de Europese unie ondermijnt;

22.

is van mening dat een sanctiebeleid veel doeltreffender is wanneer het onderdeel is van een coherente mensenrechtenstrategie; herhaalt zijn verzoek aan de Raad en de Commissie om opstelling van een specifieke strategie voor de mensenrechten en de stand van zaken in democratisch opzicht als onderdeel van elk landenstrategiedocument en andere soortgelijke documenten;

23.

is van mening dat in geval van het opleggen van sancties, discussies over de voortgang van het verwezenlijken van de doelstellingen en ijkpunten die zijn geformuleerd op het moment van de aanname van de beperkende maatregelen, noodzakelijkerwijs en systematisch deel moeten uitmaken van de dialogen en raadplegingen met betrekking tot de mensenrechten; vindt tegelijkertijd dat de doelstellingen die bij de mensenrechtendialogen en de raadplegingen zijn bereikt, in geen geval in de plaats kunnen treden van de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de sancties;

Gecoördineerde actie door de internationale gemeenschap

24.

is van mening dat gecoördineerde actie door de internationale gemeenschap een grotere invloed heeft dan afzonderlijke en verschillende acties door landen of regionale entiteiten; verwelkomt daarom het feit dat het sanctiebeleid van de EU gebaseerd moet blijven op een voorkeur voor VN-maatregelen;

25.

verzoekt de Raad om, bij het uitblijven van sancties van de VN-Veiligheidsraad, samen te werken met niet-EU-landen die sancties opleggen, informatie te delen, en op internationaal niveau stappen te coördineren om ontduiking van de sancties te voorkomen en het effect en de uitvoering van de EU- en andere sancties te maximaliseren overeenkomstig het internationaal recht;

26.

vindt dat de EU met andere regionale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie en de Organisatie van Zuid-Aziatische landen (ASEAN), moet gaan samenwerken om de mensenrechten te bevorderen en coördinatie van maatregelen naar aanleiding van sancties zeker te stellen;

27.

verzoekt de EU om systematisch een dialoog te ontwikkelen met landen die geen sancties opleggen om zo tot een gemeenschappelijk standpunt te komen ten aanzien van beperkende maatregelen, met name op regionaal niveau; wijst erop dat, zoals is gebleken in het geval van Birma/Myanmar, sancties zelden de vereiste wijziging in het beleid of activiteiten teweegbrengen als de internationale gemeenschap verdeeld is en de belangrijkste spelers niet zijn betrokken bij de uitvoering van de sancties;

28.

verzoekt de Raad en de Commissie om bij het opstellen van de agenda van politieke dialogen met niet sanctionerende staten systematisch het punt mee te nemen van hun rol en hun invloed ten aanzien van het regime of de niet-overheidsactoren waarop de sancties zich richten — of dit nu individuen, organisaties of zelfs ondernemingen zijn;

29.

is van mening dat het vooruitzicht van de ondertekening van een vrijhandelsovereenkomst met de regio waarin het bewuste land ligt, moet worden gebruikt als lok- en pressiemiddel en dat een land waaraan sancties zijn opgelegd in elk geval van een dergelijke overeenkomst moet worden uitgesloten;

Duidelijke besluitvorming, doelstellingen, ijkpunten en herzieningsmechanismen

30.

onderstreept de noodzaak van een uitgebreide analyse van elke specifieke situatie voordat er sancties worden aangenomen, zodat het potentiële effect van verschillende sancties wordt beoordeeld en er in het licht van alle relevante factoren en vergelijkbare ervaringen wordt bepaald welke sancties het effectiefst zijn; is van mening dat een dergelijke voorafgaande analyse vooral op haar plaats is omdat het moeilijk is om terug te krabbelen als het sanctieproces eenmaal is gestart, zonder de geloofwaardigheid van de EU aan te tasten en de steunbetuiging door de EU aan de bevolking van het bewuste derde land te ondergraven, gezien de mogelijkheid voor de autoriteiten van het land in kwestie om het besluit van de EU uit te buiten; neemt in dit opzicht notitie van de huidige gang van zaken, waarbij de geschiktheid, aard en doelmatigheid van de voorgestelde sancties in de Raad worden besproken op grond van een beoordeling door de hoofden van de vertegenwoordiging in het desbetreffende land, en roept op tot opname in die beoordeling van een verslag door een onafhankelijke deskundige;

31.

benadrukt echter dat een dergelijke analyse niet gebruikt mag worden om het vaststellen van sancties te vertragen; wijst er daarom met nadruk op dat de tweestapsprocedure voor het opleggen van sancties overeenkomstig het GBVB ruimte biedt voor snelle politieke reactie, in eerste instantie middels vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt, dat na een uitgebreidere analyse van de Verordening wordt uitgewerkt met vermelding van de precieze aard en omvang van de sancties;

32.

vraagt dat er systematisch duidelijke en specifieke ijkpunten als criteria voor het opheffen van de sancties worden opgenomen in de juridische instrumenten; dringt er met name op aan dat de referentiecriteria worden gebaseerd op onafhankelijke expertise en niet in de loop van de tijd worden aangepast op basis van politieke wijzigingen binnen de Raad;

33.

verzoekt de Raad en de Commissie om een voorbeeldprocedure voor de herziening van sancties op te stellen, dat met name de systematische opname van een revisieclausule inhoudt, op grond waarvan de sanctieprocedure opnieuw wordt geëvalueerd op basis van de vastgestelde ijkpunten en waarbij wordt gekeken of er is voldaan aan de doelstellingen; benadrukt dat intentieverklaringen of de wil om procedures in te voeren die tot positieve resultaten kunnen leiden aanmoediging verdienen, maar in geen geval bij de evaluatie van de sancties in de plaats kunnen treden van tastbare, daadwerkelijke vorderingen bij het voldoen aan de referentiecriteria;

34.

ziet het wapenembargo dat aan China is opgelegd als een illustratie van de samenhang en consistentie van de Unie, aangezien oorspronkelijk tot dit embargo is besloten naar aanleiding van de slachting op het plein van de Hemelse Vrede in 1989 en de EU tot op heden geen verklaring voor die slachting heeft ontvangen zodat er geen reden bestaat om het embargo op te heffen;

35.

roept de „sanctie-afdeling” van de Groep raden buitenlandse betrekkingen (RELEX/sancties) op om haar mandaat volledig ten uitvoer te leggen; onderstreept vooral de noodzaak van onderzoek voorafgaand aan het aannemen van sancties en, als ze eenmaal zijn aangenomen van de periodieke verstrekking van actuele informatie over de ontwikkelingen en de noodzaak van de uitwerking van beste praktijken voor de implementatie en de handhaving van restrictieve maatregelen;

36.

erkent dat landen en internationale en regionale organisaties verantwoordelijk moeten kunnen worden gehouden voor internationaal onrechtmatige daden bij de uitvoering van sancties en onderstreept daarom de noodzaak van een gerechtelijk mechanisme om inachtneming van het internationaal en humanitair recht te waarborgen;

37.

vraagt dat het Parlement wordt betrokken bij alle fasen van het sanctieproces: bij het besluitvormingsproces voorafgaand aan sancties, bij het selecteren van sancties die het beste bij de situatie passen, en ook bij het definiëren van ijkpunten en het evalueren van hun toepassing in het kader van het herzieningsmechanisme en het opheffen van de sanctie;

Gerichte sancties als efficiënter middel?

38.

betreurt dat het door het ontbreken van een evaluatie niet mogelijk is de doeltreffendheid van de gerichte maatregelen te beoordelen; erkent echter de grote humanitaire betrokkenheid van de EU, die ertoe heeft geleid dat sancties met een algemene economische toepassing zijn opgeheven, zoals in het verleden is gebeurd in het geval van Irak, en die heeft geleid tot het opleggen van meer gerichte, „slimme” sancties, die zijn opgesteld om een maximaal effect te sorteren op het gedrag van degenen op wie de sancties zijn gericht terwijl de nadelige humanitaire effecten of gevolgen voor mensen of buurlanden op wie de sancties niet zijn gericht, worden geminimaliseerd;

39.

is van mening dat het zeer onwaarschijnlijk is dat regimes waarop sancties zijn gericht, grote beleidswijzigingen gaan aanbrengen als gevolg van economische sancties die geïsoleerd van andere beleidsinstrumenten worden gebruikt; benadrukt bovendien dat verregaande economische beperkingen een veel te hoge economische en humanitaire tol kunnen eisen, en herhaalt daarom zijn oproep tot zorgvuldiger opgestelde en beter gerichte sancties, die voornamelijk gericht zijn tegen vooraanstaande leiders van de beoogde regimes en daders van schendingen van de mensenrechten;

40.

benadrukt dat alle economische sancties in de eerste plaats gericht dienen te zijn op die sectoren die geen intensieve inzet van arbeidskrachten vereisen en slechts van beperkt belang zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen, welke van belang zijn zowel voor de economische ontwikkeling als voor de inkomensherverdeling;

41.

ondersteunt het gebruik van gerichte financiële sancties tegen vooraanstaande leiders van regimes waarop de sancties zijn gericht en hun naaste familieleden, die rechtstreekse gevolgen hebben voor de inkomsten van de personen voor wie de sancties zijn bedoeld; benadrukt dat deze sancties gepaard moeten gaan met passende maatregelen tegen economische subjecten uit de EU die met dat soort personen samenwerken; benadrukt dat gerichte productsancties die zijn gericht op een specifieke of belangrijke inkomstenbron van een regime, het risico met zich meedragen van bredere gevolgen voor de hele bevolking en een „zwarte economie” kunnen bevorderen;

42.

vindt dat economische en financiële sancties — zelfs gerichte — moeten worden toegepast door alle natuurlijke en rechtspersonen die commerciële activiteiten in de EU ontplooien, met inbegrip van burgers van derde landen en EU burgers of rechtspersonen die zijn geregistreerd of gevestigd overeenkomstig de wetgeving van een EU-lidstaat en buiten de EU commerciële activiteiten ontplooien;

43.

verzoekt om een beperkte toepassing van de buitengewone vrijstellingen inzake het bevriezen van tegoeden; verzoekt om de opstelling van een specifieke bezwaarprocedure voor het geval een lidstaat een vrijstelling wil verlenen voor het bevriezen van tegoeden, omdat de efficiëntie van de beperkende maatregel wordt ondergraven door het ontbreken van een dergelijke procedure aangezien de lidstaten de Commissie alleen maar van tevoren op de hoogte hoeven te stellen van een dergelijke vrijstelling;

44.

verzoekt om stappen om de toepassing van de gerichte financiële sancties van de EU te verbeteren, zodat er wordt gewaarborgd dat de personen en entiteiten waarop de sancties zijn gericht, in de praktijk door de maatregelen van geen enkele financiële dienst binnen de EU-jurisdictie gebruik kunnen maken, en onder meer geen transacties kunnen uitvoeren die gebruikmaken van verrekenkantoren in de EU of waarbij anderszins financiële diensten binnen de EU-jurisdictie betrokken zijn; benadrukt de noodzaak van meer flexibiliteit in de verspreiding van sanctielijsten binnen de EU en de lidstaten onder alle personen die gehouden zijn aan de verplichtingen van de Derde Witwasrichtlijn (19); stelt voor dat elke lidstaat één instelling verantwoordelijk maakt voor de verspreiding van deze informatie;

45.

verzoekt om een sterkere samenwerking tussen de Raad plus de Commissie en het management en de aandeelhouders van SWIFT in Europa, zodat er betere resultaten worden behaald bij het bevriezen van rekeningen die op de zwarte lijst staan en er niet langer geld van en naar dergelijke rekeningen kan worden geboekt;

46.

verzoekt de Raad en de Commissie om de mogelijkheden en manieren te onderzoeken om bevroren inkomsten van autoriteiten op wie sancties zijn gericht, op een constructieve manier te gebruiken, bijvoorbeeld door ze aan slachtoffers van mensenrechtenschendingen toe te wijzen of voor ontwikkelingsdoeleinden in het kader van hoofdstuk VII van het VN-Handvest te gebruiken;

47.

stipt aan dat een wapenembargo een sanctie is die is bedoeld om een halt toe te roepen aan de stroom wapens en militair materieel naar conflictgebieden of naar regimes die de middelen waarschijnlijk gaan gebruiken voor binnenlandse onderdrukking of agressie tegen een ander land, zoals geformuleerd in de gedragscode betreffende wapenuitvoer;

48.

verzoekt om een gecoördineerde samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie als het gaat om de uitvoering van EU-wapenembargo's die door elke lidstaat zijn opgelegd;

49.

verzoekt de lidstaten om de aanneming van het gemeenschappelijk standpunt inzake wapenuitvoer dat de huidige gedragscode betreffende wapenuitvoer juridisch bindend maakt;

50.

dringt er bij de Raad, de Commissie en de lidstaten op aan om te blijven werken aan verbeteringen in de capaciteiten voor VN-toezicht en -handhaving en ondersteunt de mening dat er een permanent VN-team moet worden samengesteld dat de handel in conflictproducten beoordeelt evenals de waarde van sancties die daarbij worden opgelegd;

51.

herinnert eraan dat toegangsbeperkingen (reis- en visaverboden) een van de eerste stappen vormen in de sanctiereeks van de EU en dat zij inhouden dat personen en niet-statelijke entiteiten die op de zwarte lijst staan, geen officiële EU-vergaderingen mogen bijwonen en ook niet om privéredenen naar de EU mogen reizen;

52.

tekent met bezorgdheid aan dat lidstaten zich niet optimaal aan de EU-visaverboden hebben gehouden; verzoekt de lidstaten een eendrachtige benadering te bezigen bij het toepassen van reisbeperkingen en de relevante vrijstellingsclausules;

Eerbiediging van de mensenrechten bij het toepassen van gerichte sancties in de strijd tegen terrorisme

53.

neemt in aanmerking dat zowel de autonome antiterroristische sancties van de EU als de uitvoering door de EU van antiterroristische sancties van de VN-Veiligheidsraad het onderwerp zijn van verscheidene zaken voor het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg;

54.

herinnert eraan dat EU-lidstaten verplicht zijn sancties op te stellen overeenkomstig artikel 6, lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin staat dat de Unie de grondrechten moet eerbiedigen, zoals deze worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien; benadrukt dat de huidige zwartelijstprocedures op zowel EU- als VN-niveau niet voldoen als het gaat om rechtszekerheid en juridische verhaalsmogelijkheden; dringt er bij de Raad op aan alle nodige conclusies te trekken en volledig uitvoering te geven aan de arresten van het Gerecht van eerste aanleg met betrekking tot autonome sancties van de EU;

55.

verzoekt de Raad en de Commissie om de bestaande procedure voor het toevoegen aan en verwijderen van de zwarte lijst te herzien, zodat de procedurele en wezenlijke mensenrechten van op de zwarte lijst geplaatste personen en entiteiten worden geëerbiedigd en met name de internationale normen inzake de mogelijkheid van beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige instantie en een behoorlijke procesgang, met inbegrip van het recht om in kennis te worden gesteld en adequaat op de hoogte te worden gebracht van de beschuldigingen tegen de persoon of entiteit in kwestie en van de genomen besluiten alsmede het recht op schadevergoeding voor eventuele schending van de mensenrechten; verzoekt de lidstaten uit dien hoofde tevens te ijveren voor eenzelfde herziening binnen de mechanismen van de VN om eerbiediging van de grondrechten te waarborgen bij het opleggen van gerichte sancties in de strijd tegen terrorisme;

56.

is van mening dat artikel 75 van het VWEU een kans biedt die het Europees Parlement moet aangrijpen om de tekortkomingen in de huidige praktijk bij het plaatsen van namen op een zwarte lijst te herstellen, en steunt alle lopende parlementaire werkzaamheden die voor het wetgevend programma 2009 op de agenda gezet moeten worden;

57.

betreurt dat geen van de rechterlijke organen in staat is om te beoordelen of een toevoeging aan de zwarte lijst terecht is, omdat de redenen voor inschrijving op de zwarte lijst op de eerste plaats op informatie berusten die in het bezit van de geheime diensten is, die vanzelfsprekend in het geheim werken; vindt echter dat deze fundamentele geheimhouding bij schendingen van het internationaal recht niet mag uitdraaien op straffeloosheid; verzoekt de lidstaten daarom om effectief parlementair toezicht op het werk van de geheime diensten te verzekeren; acht het daarom noodzakelijk dat het Parlement bij de werkzaamheden van de bestaande conferentie van commissies van toezicht op de inlichtingendiensten van de lidstaten betrokken wordt;

58.

herhaalt echter dat het systeem van terreurlijsten, als het tenminste de meest recente jurisprudentie van het Hof van Justitie eerbiedigt, een doeltreffend instrument is van het antiterreurbeleid van de Europese Unie vormt;

59.

benadrukt dat terrorisme een bedreiging vormt voor de veiligheid en vrijheid, en dringt er daarom bij de Raad op aan om de lijst van terroristische organisaties te herzien en bij te werken, rekening houdend met hun activiteiten in alle werelddelen;

Geschakeerd sanctiebeleid

60.

merkt op dat de EU altijd heeft geijverd voor een positieve benadering van het gebruik van sancties, vanuit de gedachte dat veranderingen aangemoedigd moeten worden; benadrukt daarom dat het van belang is de voorkeur te geven aan een geïntegreerde globale actie via een strategie waarin pressie en aansporing gedoseerd worden toegepast;

61.

denkt dat een strategie van openheid en een sanctiebeleid elkaar onderling niet uitsluiten; is daarom van mening dat het sanctiebeleid van de EU kan bijdragen tot meer eerbied voor de mensenrechten in landen waarop de sancties gericht zijn, wanneer dat beleid wordt herzien met het expliciete doel om te komen tot een beleid van positieve maatregelen; neemt in dit verband nota van de cyclus van sancties die aan Oezbekistan van november 2007 tot april 2008 zijn opgelegd: hoewel er een verlenging van een jaar was voor de sancties die waren opgelegd omdat er niet was voldaan aan interne criteria met betrekking tot het onderzoek naar het bloedbad in Andijan en eerbiediging van de mensenrechten, besloot de Raad de uitvoering van het visumverbod op te schorten en het Oezbeekse regering zes maanden te geven om te voldoen aan een reeks mensenrechtencriteria, met het dreigement dat als er niet aan zou worden voldaan het visumverbod automatisch zou worden hernieuwd; tekent aan dat de mengeling van betrokkenheid en sancties heeft geleid tot een aantal positieve ontwikkelingen, dankzij de mogelijke automatische vernieuwing van de sancties en de definitie van precieze criteria; benadrukt dat de criteria binnen een beperkt tijdsbestek vervuld moeten kunnen worden en relevant moeten zijn voor het algemene sanctiestelsel; betreurt echter dat er tot nu toe nog geen wezenlijke positieve ontwikkelingen zijn geweest en dat het gebrek aan samenwerking met de regering van Oezbekistan voortduurt;

62.

dringt erop aan dat sancties in het kader van een sterk geschakeerde strategie systematisch vergezeld gaan van versterkte positieve maatregelen ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers en allerlei projecten ter bevordering van de mensenrechten en democratie; vraagt thematische programma's en instrumenten (IEDDH (20), niet-statelijke actoren, investeren in mensen) die ten volle bijdragen aan de verwezenlijking van die doelstelling;

63.

roept de Raad en de Commissie op om de kans te grijpen die wordt geboden door de ratificering van het Verdrag van Lissabon en de aansluitende oprichting van de Europese dienst voor extern optreden (EEAS) om te zorgen voor een optimalisering van de coherentie van de instrumenten voor externe maatregelen van de EU als een wezenlijk onderdeel van de toekomstige doeltreffendheid van het EU-sanctiebeleid;

Aanbevelingen in verband met de EU-instellingen en lidstaten

64.

roept de Raad en de Commissie op tot uitgebreide en diepgaande evaluatie van het EU-sanctiebeleid om vast te stellen welke invloed het heeft en welke maatregelen er genomen moeten worden om het te versterken; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om een programma met dergelijke maatregelen voor te leggen; vraagt de Raad en de Commissie om na te gaan welke weerslag de sancties op het ontwikkelingsbeleid van het betreffende land en het handelsbeleid van de Europese unie hebben;

65.

doet een beroep op de Commissie om erop toe te zien dat de ontwikkelingshulp-strategieën krachtens het Instrument voor Ontwikkelingssamenwerking en het Europees Ontwikkelingsfonds in overeenstemming zijn met de bestaande sanctieregimes en de dialogen over de mensenrechten; vraagt haar om erop toe te zien dat de voorwaarden voor algemene begrotingssteun, met inbegrip van de steun volgens de contracten op grond van de millennium-doelstellingen voor de ontwikkeling (de zogenoemde „Millenium Development Goals contracts”), nadrukkelijk gekoppeld zijn aan democratie- en mensenrechtencriteria;

66.

verzoekt de Raad en de Commissie om te profiteren van de gelegenheid die wordt geboden door de ratificering van het Verdrag van Lissabon, de aanstelling van een Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die eveneens vicevoorzitter van de Commissie en voorzitter van de raad van ministers van Buitenlandse zaken zal zijn, en de hieropvolgende oprichting van de EEAS optreden, om de externe acties van de EU samenhangender en consequenter te maken, de expertise van de relevante EU-diensten die actief zijn op het gebied van sancties te verbeteren en de samenwerking tussen de verschillende diensten te versterken;

67.

verzoekt eveneens om versterkte samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie om de samenhang en effectieve uitvoering van beperkende maatregelen te verbeteren;

68.

verzoekt tevens de lidstaten die lid zijn van de VN-Veiligheidsraad om systematisch te streven naar internationalisering van de door de Europese Unie opgelegde sancties, overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 Verdrag betreffende de Europese Unie;

69.

roept de lidstaten op om bij hun optreden binnen de Veiligheidsraad van de VN de verplichtingen die ze anderzijds zijn aangegaan voor de eerbiediging van de mensenrechten, en met name het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet te schenden;

70.

draagt zijn parlementaire organen op, in het bijzonder zijn permanente en ad hoc-delegaties, om hun contacten met de parlementen van niet-sanctionerende landen te gebruiken om meer begrip te kweken voor de bestaande sanctieregimes van de EU die betrekking hebben op de betreffende regio en de mogelijkheden voor gecoördineerde actie ter bevordering van de mensenrechten te onderzoeken;

71.

verzoekt de Commissie een netwerk van onafhankelijke deskundigen op te zetten die waar nodig de meest geschikte restrictieve maatregelen aan de Raad voorstellen, regelmatig aan de hand van de vastgestelde criteria en doelstellingen een verslag opstellen over de ontwikkelingen en, indien noodzakelijk, aangeven hoe de uitvoering van sancties zou kunnen worden verbeterd; is van mening dat door het opzetten van een dergelijk netwerk de transparantie en de discussies over sancties in het algemeen zouden verbeteren en ook de uitvoering van en het continue toezicht op sancties in specifieke gevallen zouden worden versterkt; is tegelijkertijd van mening dat de Commissie een proactievere rol dient te spelen bij het uitstippelen van een duidelijk sanctiebeleid van de EU;

72.

is van mening dat de legitimiteit van het sanctiebeleid, een belangrijk en gevoelig onderdeel van het GBVB, moet worden versterkt door het Parlement bij alle stadia van de procedure te betrekken (zoals vastgelegd in artikel 21 Verdrag betreffende de Europese Unie), met name bij het opstellen en ten uitvoer leggen van sancties, in de vorm van systematisch overleg met en verslaglegging van de Raad en de Commissie; is voorts van mening dat het Parlement betrokken moet worden bij het toezicht op het bereiken van ijkpunten door degenen aan wie sancties zijn opgelegd; belast zijn Subcommissie mensenrechten met het systematiseren van en het toezicht op de overeenkomstige werkzaamheden voor alle sancties waarvan de doelstellingen en referentiecriteria betrekking hebben op mensenrechten;

*

* *

73.

verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Secretaris-Generaal van de VN en de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.


(1)  PB C 320 van 28.10.1996, blz. 261.

(2)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(3)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27.

(4)  PB L 322 van 12.12.1996, blz. 1.

(5)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 90.

(6)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.

(7)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70.

(8)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 4.

(9)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.

(10)  PB C 98 van 18.4.2008, blz. 1.

(11)  PB C 131 E van 5.6.2003, blz. 147.

(12)  PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.

(13)  PB C 292 van 8.11.1982, blz. 13.

(14)  PB C 78 van 2.4.2002, blz. 32.

(15)  PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 214.

(16)  Artikel 96 van de overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000 luidt als volgt: Essentiële onderdelen:

„overlegprocedure en aangepaste maatregelen inzake mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat

1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de term „Partij” verstaan de Gemeenschap en de lidstaten van de Europese Unie, enerzijds, en iedere ACS-staat, anderzijds

2.

a)

Indien, ondanks de politieke dialoog die regelmatig tussen de partijen plaatsvindt, een partij van mening is dat de andere partij een verplichting voortvloeiend uit de eerbiediging van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat, bedoeld in artikel 9, lid 2, niet nakomt, verstrekt zij, behalve in bijzondere dringende gevallen, de andere partij en de Raad van ministers alle terzake dienende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Met dit doel verzoekt zij de andere partij om overleg te plegen over maatregelen die door de betrokken partijen zijn genomen of moeten worden genomen om de situatie recht te zetten.

Het overleg vindt plaats op het niveau en in de vorm die het meest geschikt wordt geacht om tot een oplossing te komen. Het overleg begint uiterlijk 15 dagen na de datum van het verzoek; de duur ervan wordt, afhankelijk van de aard en ernst van de schending, met wederzijdse instemming vastgesteld. De dialoog in het kader van de overlegprocedure duurt niet langer dan 60 dagen.

Indien het overleg niet tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing leidt, indien overleg wordt geweigerd of in bijzonder dringende gevallen kunnen passende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen worden ingetrokken zodra de redenen ervoor hebben opgehouden te bestaan…

b)

Het begrip „bijzonder dringende gevallen” heeft betrekking op uitzonderlijke gevallen van bijzonder ernstige en flagrante schending van één van de essentiële onderdelen bedoeld in artikel 9, lid 2, die een onmiddellijke reactie vereisen. De Partij die gebruikmaakt van de procedure voor bijzonder dringende gevallen stelt de andere Partij en de Raad van Ministers afzonderlijk daarvan in kennis, behalve wanneer haar de tijd ontbreekt om dit te doen.

c)

De in dit artikel bedoelde „passende maatregelen” worden genomen in overeenstemming met het internationaal recht en staan in verhouding tot de schending. Bij de keuze van deze maatregelen dient voorrang te worden gegeven aan die maatregelen die de werking van de Overeenkomst het minst verstoren. Er is overeengekomen dat slechts in laatste instantie tot opschorting zal worden overgegaan.

Indien in bijzonder dringende gevallen maatregelen worden genomen, worden deze onmiddellijk ter kennis gebracht van de andere Partij en de Raad van Ministers. Op verzoek van de betrokken Partij kan overleg worden gepleegd om de situatie grondig te onderzoeken en, indien mogelijk, tot een oplossing te komen. Dit overleg wordt gevoerd in overeenstemming met het bepaalde in de tweede en derde alinea sub a).”

(17)  PB L 50 van 20.2.2004, blz. 66.

(18)  PB L 43 van 19.2.2008, blz. 39.

(19)  Richtlijn 2005/60/EG van 26 oktober 2005 van het Europees Parlement en de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25 november 2005, blz. 15).

(20)  Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1).


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/62


Donderdag, 4 september 2008
Milleniumdoelstellingen voor ontwikkeling — Doelstelling 5: verbetering van de gezondheid van moeders

P6_TA(2008)0406

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over moedersterfte aan de vooravond van de bijeenkomst op hoog niveau van de VN over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die op 25 september 2008 plaatsvindt

2009/C 295 E/16

Het Europees Parlement,

gezien de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) die zijn goedgekeurd tijdens de Millenniumtop van de Verenigde Naties in september 2000,

gezien de „EU-Agenda voor Actie over MOD's” van de Europese Raad van juni 2008 en de daarin opgenomen mijlpalen voor 2010,

gezien de bijeenkomst op hoog niveau over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die op 25 september 2008 plaatsvindt in het hoofdkantoor van de VN in New York,

gezien het EU-verslag over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling 2000-2004 van de Commissie (SEC(2005)0456),

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 16 en 17 december 2004 waarin de volledige inzet van de Europese Unie voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en voor samenhang van het beleid wordt bevestigd,

gezien de VN-verklaring over de rechten van het kind van 20 november 1959, die stelt dat „het kind en zijn moeder beiden bijzondere zorg en bescherming [moeten] krijgen, met inbegrip van voldoende prenatale en postnatale zorg”, en het VN-Verdrag over de rechten van het kind van 20 november 1989, waarin de ondertekende landen zich ertoe verbinden „passende pre- en postnatale gezondheidszorg voor moeders te waarborgen”,

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over gendergelijkheid en het mondig maken van vrouwen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking (COM(2007)0100),

gezien de gezamenlijke strategie Afrika/EU aangenomen op de EU-Afrika Lissabontop in 2007,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2008 over gendergelijkheid en het mondig maken van vrouwen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking (1),

onder verwijzing naar zijn resoluties van 12 april 2005 over de rol van de Europese Unie in de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MOD's) (2), en 20 juni 2007 over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling op het halfwegpunt (3),

onder verwijzing naar zijn resoluties van 17 november 2005 over een ontwikkelingsstrategie voor Afrika (4) en van 25 oktober 2007 over de stand van de betrekkingen tussen de EU en Afrika (5),

gezien de 4e Wereldconferentie over de vrouw van september 1995 in Peking, de verklaring en het actieplatform van Peking en vervolgens de resultaatdocumenten over verder optreden en verdere initiatieven om de verklaring van Peking en het actieplatform uit te voeren, respectievelijk aangenomen op de speciale zittingen van de Verenigde Naties Peking +5 en +10 op respectievelijk 10 juni 2000 en 11 maart 2005,

gezien de gemeenschappelijke verklaringen van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: „De Europese consensus” (De Europese consensus over ontwikkeling) (6), en de „Europese consensus over humanitaire hulpverlening” (7),

gezien de verslagen van het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA)over de toestand van de wereldbevolking, „The Promise of Equality: Gender Equity, Reproductive Health and the Millennium Development Goals” van 2005 en „A Passage to Hope: Women and International Migration” van 2006,

gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) (8),

gezien het protocol bij het Afrikaans Handvest over mensen- en volkenrechten over de rechten van de vrouw in Afrika, ook bekend als het „protocol van Maputo”, dat op 25 november 2005 van kracht geworden is, en het actieplan van Maputo voor de inwerkingtreding van het Afrikaans beleidskader 2007-2010 voor seksuele en reproductieve gezondheid, aangenomen op de speciale zitting van september 2006 aan de Conferentie van ministers van de Afrikaanse Unie,

gezien de Internationale Conferentie van de VN over bevolking en ontwikkeling (ICPD) die in september 1994 in Caïro is gehouden, het in Caïro goedgekeurde definitieve actieprogramma, alsmede de daaropvolgende resultatendocumenten die in 1999 zijn goedgekeurd tijdens de speciale zitting van Algemene Vergadering van de VN over verdere uitvoering van het ICPD-actieprogramma (ICPD+5),

gezien het in Brussel vastgestelde kader voor actie en aanbevelingen over gezondheid voor duurzame ontwikkeling, goedgekeurd door de eerste vergadering van de ministers van Gezondheid van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) te Brussel in oktober 2007,

gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de VN (ICESCR) dat op 3 januari 1976 in werking is getreden, met name artikel 12,

gezien het algemene commentaar nr. 14 van de VN-Commissie economische, sociale en culturele rechten op artikel 12 van het ICESCR (het recht op de hoogst bereikbare gezondheidsnormen),

gelet op het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) dat op 3 september 1981 in werking is getreden,

gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de gezondheid van moeders (MOD 5) van alle MOD's het gebied is waarop de minste vooruitgang wordt geboekt, en dat MOD 5 dus een van de doelstellingen is die de minste kans maken om in 2015 te worden verwezenlijkt, met name in Afrika ten zuiden van de Sahara en Zuid-Azië,

B.

overwegende dat er elk jaar meer dan een half miljoen vrouwen in de loop van hun zwangerschap of bij de bevalling sterven, en dat 99 % van die sterfgevallen zich in ontwikkelingslanden voordoen; overwegende dat het cijfer in Afrika ten zuiden van de Sahara in 20 jaar slechts met 0,1 % per jaar is gedaald en dat 1 op de 16 vrouwen in deze regio het risico loopt om tijdens zwangerschap of bij de bevalling te sterven; overwegende dat moedersterfte dan ook de meest dramatische indicator is van de mondiale ongelijkheid op het gebied van de volksgezondheid,

C.

overwegende dat, afgezien van geografische ongelijkheden, uit ervaring met en onderzoek naar moedersterfte is gebleken dat er aanmerkelijke verschillen in sterftecijfers bestaan al naargelang welvaart, ras, etnische afkomst, woonplaats (stad of platteland), alfabetiseringsgraad en zelfs door religieuze of taalverschillen tussen landen, ook industrielanden, en dat dit de grootste ongelijkheid is in alle statistieken over gezondheidszorg,

D.

overwegende dat de G8 een pakket gezondheidsmaatregelen heeft aangenomen dat ertoe bijdraagt 1,5 miljoen gezondheidswerkers in Afrika op te leiden en aan te werven zodat 80 % van de moeders bij de bevalling door een geschoolde gezondheidswerker wordt bijgestaan; dat daarmee een verbintenis wordt aangegaan om het aantal gezondheidswerkers tot 2,3 per 1 000 inwoners te verhogen in 36 Afrikaanse landen waar sprake is van een ernstig tekort; maar dat met geen woord wordt gerept over het verkrijgen van de 10 miljard USD die volgens het maatschappelijk middenveld nodig zijn om elk jaar 6 miljoen moeders en kinderen het leven te redden,

E.

overwegende dat de sterfte en ziekte van moeders in de wereld een medische noodtoestand is, want elk jaar sterven ongeveer 536 000 vrouwen tijdens de bevalling en 1 op de 20 vrouwen krijgt met ernstige complicaties te maken krijgen, variërend van chronische infecties tot invaliderende letsels zoals obstetrische fistels of levenslange handicaps,

F.

overwegende dat het geen mysterie is waarom zoveel vrouwen tijdens de zwangerschap en bij de bevalling overlijden — de oorzaken van moedersterfte en de middelen om deze te voorkomen liggen voor de hand en zijn algemeen bekend,

G.

overwegende dat kraamvrouwensterfte voorkomen kan worden door veilige zorg voor de moeder rond de bevalling, beschikbaarheid van doeltreffende voorbehoedsmiddelen en legale en veilige abortus,

H.

overwegende dat de hoge moedersterfte kan worden voorkomen door een betere toegang tot en het toepassen van methoden voor gezinsplanning, door toegang tot en beschikbaarstelling van veilige, kwalitatief hoogstaande moederzorg, vooral tijdens de zwangerschap, de bevalling, met inbegrip van noodzorg tijdens en na de bevalling en door een verbetering van de gezondheid van vrouwen, van haar voeding en haar positie in de maatschappij,

I.

overwegende dat deze preventieve benadering ook inhoudt dat vrouwen en gezondheidswerkers leren complicaties tijdens de zwangerschap en de bevalling te herkennen en adequate zorg te zoeken, alsmede een netwerk van adequate faciliteiten voor gezondheidszorg nodig is die, afhankelijk van de bestaande infrastructuur en middelen van vervoer, binnen een redelijke tijd kunnen worden bereikt, en de verlening van adequate zorg door geschoold personeel in deze buurtfaciliteiten, die efficiënt worden geleid en waar stroom, water en medische apparatuur voorhanden zijn,

J.

overwegende dat moedersterfte die te voorkomen is een schending betekent van het recht op leven van vrouwen en opgroeiende meisjes, zoals neergelegd in talloze internationale mensenrechtenverplichtingen, waaronder de Universele Verklaring voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties en dat de oorzaken van ziekte en -sterfte bij moeders ook kunnen neerkomen op schending van andere rechten van de mens zoals het recht op de hoogste standaard van lichamelijke en geestelijke gezondheid en het recht om niet gediscrimineerd te worden bij de toegang tot de elementaire gezondheidszorg,

K.

overwegende dat het recht op seksuele en reproductieve zelfbeschikking het recht inhoudt om te trouwen, een gezin te stichten en vrijwillig seksuele relaties aan te gaan alsook het recht om gevrijwaard te blijven van seksueel geweld en seksuele dwang,

L.

overwegende dat het onder de verantwoordelijkheid van de regeringen valt om zelf of via derden gezondheidsdiensten beschikbaar te stellen en overwegende dat ook regeringen met geringe financiële middelen noodmaatregelen kunnen nemen die gevolgen hebben voor de gezondheid van moeders,

M.

overwegende dat de onderliggende oorzaken voor moedersterfte en letsels als gevolg van bevallingen minder van praktische of structurele aard zijn maar veeleer van systematische aard, als gevolg van de geringe waarde en de geringe status van vrouwen, die over het algemeen in de samenleving worden benadeeld, en overwegende dat in landen met een vergelijkbaar economisch ontwikkelingsniveau de moedersterfte lager ligt naarmate de status van vrouwen hoger is,

N.

overwegende dat vrouwen tijdens de zwangerschap of de bevalling bijzonder kwetsbaar zijn door verschillende vormen van discriminatie, o.a. ongelijkheid tussen man en vrouw in de huishouding, traditionele praktijken die schadelijk zijn voor vrouwen, geweld jegens vrouwen, niet mogen meebeslissen over hun reproductieve rechten, afwijzing van meisjesbaby's en het stereotyperen van vrouwen als moeders en verzorgsters; overwegende dat het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) door alle EU-lidstaten is geratificeerd,

O.

overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wereldwijde toegang tot reproductieve gezondheidszorg tegen 2015 heeft genomen onder MOD 5, als een van de ontwikkelingsstreefdoelen van de internationale gemeenschap, om sterfte bij moeders te verminderen,

P.

overwegende dat de internationale gemeenschap op de internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) nieuwe middelen toegezegd hebben en reproductieve gezondheidszorg (met inbegrip van gezinsplanning en zorg voor moeder en kind) als centrale prioriteit voor de internationale inspanningen voor de ontwikkeling aanwijzen,

Q.

overwegende dat in plaats van een verhoging van de steun de totale donormiddelen voor gezinsplanning nu veel lager liggen dan in 1994 en zijn gedaald van 723 miljoen USD in 1995 tot 442 miljoen USD in 2004 in absolute cijfers,

R.

overwegende dat de EU regelmatig en consequent verplichtingen is aangegaan, laatstelijk met de voornoemde „EU-Agenda voor actie inzake MOD's”,

S.

overwegende dat gezondheidszorg voor moeders ondanks de ernst van het probleem en de schending van de rechten van de mens een lage prioriteit op de internationale agenda blijft, overschaduwd door de aandacht voor optreden tegen welbepaalde ziekten, en dat dit heeft geleid tot een marginalisering van moedersterfte en dat de hoge aantallen aids-patiënten de ontwikkeling naar minder kraamvrouwenziekte en -sterfte hebben helpen tegenhouden of achteruitgaan,

1.

maakt zich ernstig ongerust over het feit dat de doelstelling moedersterfte (binnen MOD 5) de enige millenniumdoelstelling is waarmee sinds 2000, vooral in de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara en in Zuid-Azië, geen vooruitgang is geboekt, en dat de cijfers dezelfde zijn als 20 jaar geleden;

2.

merkt op dat naast onderwijs de empowerment van de vrouw in aanzienlijke mate bijdraagt tot de verbetering van de gezondheid van moeders (MOD 5);

3.

doet een beroep op de Raad en de Commissie om voorafgaand aan de VN-bijeenkomst op hoog niveau over de voorrang te verlenen aan maatregelen ten behoeve van het halen van de streefcijfers van MOD 5;

4.

verzoekt de Raad en de Commissie voor minder ongelijkheid bij de moedersterfte tussen industrie- en ontwikkelingslanden te zorgen door hogere investeringen en beleidsvoering voor beter personeel in de gezondheidszorg, en ruimere middelen en inzet om de gezondheidszorg en de elementaire medische infrastructuur te verbeteren, ook met middelen voor begeleiding en toezicht, elementaire volksgezondheidsdiensten, maatschappelijk werk en andere noodzakelijke ondersteunende functies;

5.

verzoekt de Raad en de Commissie om meer inspanningen te leveren om voorkoombare kraamvrouwenziekte en -sterfte uit te roeien door „routekaarten” en actieplannen tegen kraamvrouwenziekte en -sterfte in de wereld op te stellen, uit te voeren en regelmatig te evalueren, die een gelijkheidsgerichte, systematische en duurzame benadering met als uitgangspunt de rechten van de mens volgen, degelijk ondersteund en vergemakkelijkt door krachtige institutionele mechanismen en financiering;

6.

verzoekt de Raad en de Commissie om de diensten voor de gezondheid van moeder en kind in de eerstelijnsgezondheidszorg uit te breiden, volgens het concept van de geïnformeerde keuze, en voor meer voorlichting over veilig moederschap, gerichte en doelmatige prenatale zorg, voedingsprogramma's voor moeders, en voor degelijke bijstand bij de bevalling te zorgen om te ruime aanwending van de keizersnede te voorkomen en verloskundige noodhulp te kunnen bieden, alsmede verwijzingsdiensten voor complicaties bij zwangerschap, bevalling en abortus, en postnatale zorg en gezinsplanning;

7.

doet een beroep op de Raad en de Commissie om de toegang van alle vrouwen tot veelomvattende seksuele en reproductieve gezondheidsvoorlichting en -diensten te bevorderen;

8.

verzoekt de Raad en de Commissie om beproefde indicatoren en referentiepunten voor het terugdringen van de moedersterfte te ontwikkelen en aan te nemen (met inbegrip van ODA (Official Development Assistance)-uitkeringen) en controle- en rekenschapsmechanismen in te voeren die voortdurende verbetering van de bestaande beleidsmaatregelen en -programma's mogelijk maken;

9.

doet een beroep op de Raad en de Commissie om te waarborgen dat reproductieve gezondheidsdiensten betaalbaar, beschikbaar, toegankelijk en van goede kwaliteit zijn, en om de maximaal beschikbare middelen te besteden aan de beleidsmaatregelen en programma's inzake moedersterfte;

10.

dringt er bij de Raad en de Commissie op aan te zorgen voor de verzameling van betrouwbare en actuele gegevens om over richtsnoeren te kunnen beschikken voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter vermindering van ziekte- en sterfgevallen onder moeders;

11.

vraagt de Raad en de Commissie om opleiding, capaciteitsuitbreiding en infrastructuur voor een passend aantal geschoolde geboortehelpers mogelijk te maken, en ervoor te zorgen dat alle zwangere vrouwen en meisjes een beroep op hun diensten kunnen doen, en dat dit doel in „road maps” en nationale actieplannen wordt weerspiegeld;

12.

vraagt dat de nationale gezondheidsprogramma's met betrekking tot hiv-tests voor en tijdens de zwangerschap, antiretrovirale behandeling voor hiv-positieve zwangere vrouwen en hiv-preventieve maatregelen zoals voorlichtingscampagnes en onderwijs, worden opgevoerd;

13.

dringt er bij de Europese Unie op aan het voortouw te blijven nemen bij de bevordering van de seksuele en reproductieve gezondheid door handhaving van de middelen voor de uitvoering van het actieprogramma van de ICPD; betreurt dat Afrika ten zuiden van de Sahara de hoogste cijfers voor moedersterfte heeft, maar wereldwijd ook het laagste cijfer voor het gebruik van anticonceptie (19 %) en dat 30 % van de totale sterfte onder moeders in de regio het gevolg is van onveilige abortussen;

14.

is van mening dat de EU meer financiële steun moet geven om het millenniumontwikkelingsdoel — algemene toegang tot reproductieve gezondheidszorg tegen 2015 — te halen en dat anders vrouwen blijven sterven als gevolg van zwangerschap of daarmee verband houdende oorzaken;

15.

doet een beroep op de Raad en de Commissie om programma's en beleid te ontwikkelen om de doorslaggevende factoren voor de gezondheid die van fundamenteel belang zijn voor de voorkoming van moedersterfte aan te pakken, zoals participatie in de besluitvormingsprocessen die met gezondheidszorg verband houden, voorlichting over seksuele en reproductieve gezondheidszorg, alfabetisme, voeding, niet-discriminatie en de voor gendergelijkheid doorslaggevende sociale normen;

16.

verzoekt de Raad en de Commissie om, in verband met de vooruitgang die met de terugdringing van de moedersterfte is geboekt, actief aan wereldwijde fora zoals „Countdown to 2015” deel te nemen om te kunnen profiteren van positieve praktijkervaring met dit soort programma's en beleidsvormen en om de verbeteringsdynamiek te kunnen vasthouden;

17.

dringt er bij de lidstaten op aan hun financiële verplichtingen niet te verzaken om de MOD's, met inbegrip van MOD 5, te kunnen halen, en verzoekt het Raadsvoorzitterschap het voortouw te nemen en een voorbeeld te stellen door ervoor te zorgen dat passende, voorspelbare fondsen beschikbaar zijn en dat meer wordt gedaan om levens te redden;

18.

herinnert aan de toezegging van de lidstaten om tegen 2015 ODA-niveaus van 0,7 % van hun bruto nationaal product (BNP) aan ontwikkelingshulp te besteden en roept de lidstaten die niet op schema liggen, op om hun inspanningen te vergroten;

19.

roept de landen die schadelijke praktijken en tradities zoals genitale verminking van vrouwen nog niet hebben verboden, op om daartoe actie te ondernemen en voorlichtingscampagnes te steunen;

20.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat MOD-contracten vooral zijn gericht op de sectoren gezondheid en onderwijs;

21.

betreurt het door de kerken voorgestane verbod op het gebruik van anticonceptiemiddelen, daar het gebruik van condooms van cruciaal belang is voor de preventie van ziektes en ongewenste zwangerschappen;

22.

veroordeelt de Global Gag Rule van de VS die buitenlandse NGO's die financiële steun voor gezinsplanning van USAID (United States Agency for International Development) ontvangen, verhindert gebruik te maken van hun eigen niet-Amerikaanse fondsen om legale abortus, medisch advies of door verwijzingen voor abortus aan te bieden;

23.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de Interparlementaire Unie, en de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).


(1)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0103.

(2)  PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 311.

(3)  PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 232.

(4)  PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 475.

(5)  Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0483.

(6)  PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(7)  PB C 25 van 30.1.2008, blz. 1.

(8)  PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/67


Donderdag, 4 september 2008
Handel in diensten

P6_TA(2008)0407

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de handel in diensten (2008/2004(INI))

2009/C 295 E/17

Het Europees Parlement,

gezien de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) die in januari 1995 in werking is getreden,

gezien de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld „Europa als wereldspeler: Wereldwijd concurreren. Een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid” (COM(2006)0567),

gezien de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld „Europa als wereldspeler: Een sterker partnerschap voor markttoegang ten behoeve van Europese exporteurs” (COM(2007)0183),

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad tot ondertekening en voorlopige toepassing van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Cariforum-staten, anderzijds (COM(2008)0155),

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting van de economische partnerschapovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Cariforum-staten, anderzijds (COM(2008)0156),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2007 over Europa als wereldspeler — externe aspecten van het concurrentievermogen (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 februari 2008 over de strategie van de EU voor markttoegang ten behoeve van Europese exporteurs (2),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2007 over de handels- en economische betrekkingen met Korea (3),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 mei 2008 over de commerciële en economische betrekkingen met de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN) (4),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-ronde na de ministersconferentie in Hongkong (5),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 oktober 2006 over de economische en commerciële betrekkingen tussen de EU en Mercosur met het oog op het sluiten van een interregionale associatieovereenkomst (6),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 juni 2006 over de trans-Atlantische economische betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten (7),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 oktober 2005 over de vooruitzichten voor de handelsbetrekkingen tussen de EU en China (8),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 september 2006 over de economische en handelsrelatie van de EU met India (9),

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0283/2008),

A.

overwegende dat de Europese Unie de meest concurrerende speler is op het gebied van de handel in diensten; overwegende dat de Europese Unie de grootste exporteur en de grootste dienstverlener ter wereld is met meer dan 28 % van de totale wereldexport en daardoor groot belang heeft bij het waarborgen dat nieuwe markten voor goederen, diensten en investeringen worden opengesteld,

B.

overwegende dat het totaal van het BBP-aandeel in de EU25 in 2007 voor meer dan 75 % afkomstig was uit de dienstensector; overwegende dat het BBP-aandeel voor diensten in 2007 ongeveer 78 % voor Noord-Amerika, 52 % voor Afrika, en 60 % voor Azië bedroeg;

C.

overwegende dat de handel in diensten tot dusverre al 25 % van de wereldhandel uitmaakt; overwegende dat de sector een enorm potentieel en meer werkgelegenheid schept dan enige andere sector van de economie,

D.

overwegende dat de ontwikkeling van kwaliteitswerkgelegenheid vergezeld gaat van een kwantitatieve banengroei; merkt op dat in de dienstensector het hoogste niveau aan deeltijdbanen wordt gecreëerd en dat voor de ontwikkeling van deze economische sector rekening moet worden gehouden met aanbevelingen van de internationale arbeidsorganisatie (IAO),

E.

overwegende dat het multilaterale handelsstelsel, belichaamd in de Wereldhandelsorganisatie (WTO), het meest effectieve kader blijft voor het bereiken van eerlijke en billijke handel in goederen en diensten op mondiaal niveau door passende regels te ontwikkelen en naleving van die regels te waarborgen; overwegende dat de rol van de WTO met betrekking tot de GATS rekening moet houden met de afwijkende aard van de dienstensector, die zich niet leent voor kwantitatieve meting van de mate van liberalisering of van resterende handelsbelemmeringen,

F.

overwegende dat de GATS het multilaterale kader is en moet blijven voor het reguleren van de handel in diensten; overwegende dat dit staten en met name de EU niet weerhoudt van onderhandelen over bilaterale overeenkomsten die verderreikende schema's van specifieke verplichtingen bevatten, daarbij echter rekening houdend met het feit dat bilaterale overeenkomsten een negatieve invloed kunnen hebben op de voortgang en het belang van het multinationale kader,

G.

overwegende dat een efficiënte infrastructuur voor diensten een voorwaarde is voor economisch succes; overwegende dat toegang tot diensten van wereldklasse exporteurs en producenten van goederen en diensten in ontwikkelingslanden helpt om hun concurrentievermogen te kapitaliseren; overwegende dat een aantal ontwikkelingslanden, bouwend op buitenlandse investeringen en expertise, ook is vooruitgegaan in de internationale dienstenmarkten; overwegende dat de liberalisering van diensten zo een belangrijk element is geworden van veel ontwikkelingsstrategieën,

H.

overwegende dat handelsbelemmeringen en barrières achter de grenzen de handel in goederen niet alleen beperken, maar ook aanzienlijke gevolgen hebben voor de handel in diensten en openbare aanbestedingen,

I.

overwegende dat bij het openstellen van de dienstenmarkt een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen geïndustrialiseerde landen en ontwikkelingslanden en tussen de afzonderlijke ontwikkelingslanden om rekening te houden met de verschillende ontwikkelingsniveaus,

J.

overwegende dat sommige ontwikkelingslanden, en in het bijzonder de minst ontwikkelde landen, hun beheer moeten versterken en efficiënte structuren en infrastructuur moeten creëren voor de uitbreiding van de handel en het uitbreiden van dienstenmarkten,

K.

overwegende dat het belangrijk is dat het Parlement te zijner tijd toegang krijgt tot de teksten van de diverse onderhandelingsmandaten die de Commissie heeft gekregen,

Algemene opmerkingen

1.

merkt op dat internationale handel die is ingesteld op ontwikkeling en armoedebestrijding eveneens moet bijdragen aan sociale vooruitgang en kwaliteitswerkgelegenheid; dat handelsregelingen moeten voldoen aan de sociale normen van de IAO; dat maatregelen om alle vormen van exploitatie op de werkplaats te bestrijden (met name het verbieden van dwangarbeid en kinderarbeid) samen met respect voor vrijheden van vakverenigingen essentieel zijn voor een evenwichtige handel in het belang van iedereen; bevestigt opnieuw de noodzaak om de interactie tussen handel en sociale kwesties te onderzoeken;

2.

vestigt de aandacht op het hoge niveau van het externe concurrentievermogen van de dienstverleners in de EU; verzoekt de Commissie in handelsonderhandelingen een geleidelijke en wederzijdse openstelling van de toegang tot de dienstenmarkt na te streven, en een beleid te voeren van toenemende transparantie en voorspelbaarheid van regels en regelgeving, vergezeld van strenge regels en sancties ter bestrijding van corruptie en monopolievorming, zodat burgers en ondernemers van beide partijen bij de overeenkomst toegang kunnen krijgen tot een bredere reeks diensten;

3.

is zich volledig bewust van het huidige onderscheid tussen de verschillende karakters van de diensten, en met name van de noodzaak onderscheid te maken tussen commerciële en niet-commerciële diensten; beklemtoont de noodzaak van een gedifferentieerde aanpak bij de openstelling van de markten voor diensten van algemeen belang;

4.

herinnert er aan dat de Commissie rekening moet houden met de belangen van de verschillende lidstaten en met die van de ontwikkelingslanden, alsmede met de economische ongelijkheid tussen de categoriën individuen, bij het onderhandelen over verplichtingsschema's;

5.

is van mening dat een efficiënt werkende interne markt voor diensten belangrijk is voor het mondiale concurrentievermogen van de ondernemingen in de EU; benadrukt dat een tijdige en correcte toepassing en omzetting van het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt (10), daartoe van belang zijn;

6.

benadrukt dat de dienstensector vele oplossingen kan bieden voor milieuproblemen en is van mening dat diensten tot de belangrijkste elementen van toegevoegde waarde behoren in de export van knowhow van de EU; benadrukt dat bij het uitstippelen van een beleid voor duurzame ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de betekenis van de dienstensector;

7.

is verheugd dat de Commissie de nadruk legt op het feit dat de positieve effecten van de globalisering aan de consument ten goede moeten komen; benadrukt dat eerlijke concurrentie in de dienstensector, in combinatie met een hoog niveau van bescherming van de consument, van wezenlijk belang is om ervoor te zorgen dat de consumenten van de vrijgemaakte EU-markten profiteren;

8.

is er van overtuigd dat diensten een belangrijke rol spelen in elke economie en is van mening dat een bredere openstelling van de toegang tot de dienstenmarkt, die rekening houdt met de verschillende economische realiteiten, dan ook niet alleen belangrijk is voor ontwikkelde landen, maar ook voor ontwikkelingslanden;

9.

benadrukt de noodzaak dat de Europese Unie rekening houdt met de verschillende niveaus van ontwikkeling bij het eisen van deregulering en liberalisering van diensten en onderstreept dan ook dat de EU geen algemeen geldend model mag opleggen aan andere landen;

10.

is van mening dat voor het behalen van gunstige resultaten de liberalisering van een nieuwe dienstensector, met name in de ontwikkelingslanden, steeds gepaard moet gaan met nieuwe regelgeving en nieuwe toezicht- en implementatiemechanismen, om gevolgen voor bevolking en milieu te temperen en het misbruik van een dominante positie of concentratie te beperken, en voorts in fasen moet worden ingevoerd en begeleid moet worden door flankerende maatregelen;

11.

is zich ervan bewust dat de onlangs voorgestelde regels betreffende binnenlandse regelgeving als bijlage aan de GATS worden toegevoegd, wat een wijziging van de overeenkomst vergt; dringt er bij de Commissie op aan het Parlement op de hoogte te houden van de werkzaamheden van de werkgroep voor binnenlandse regelgeving van de GATS en besluiten over een wijziging van de GATS-overeenkomst aan het Parlement voor te leggen in het kader van de medebeslissingsprocedure;

12.

erkent de soevereiniteit van staten, en dus hun recht op regulering voor alle dienstengebieden, met name op het gebied van openbare diensten, ongeacht of er verplichtingen zijn aangegaan in het kader van de GATS, mits dergelijke regels worden opgesteld conform artikel VI van de GATS over binnenlandse regelgeving; is van mening dat dienstenmarkten heldere en juridisch ondubbelzinnige regels behoeven voor een effectieve werking;

13.

suggereert dat de efficiëntiewinst die kan worden behaald dankzij het openstellen van markten voor dienstenconcurrentie, indien vergezeld van binnenlandse regulerende maatregelen, minder ontwikkelde landen in staat zou stellen om een groter bereik aan diensten te verlenen aan hun burgers; benadrukt het belang van universele, toegankelijke en duurzame diensten met betaalbare prijzen en kwalitatief hoogstaande normen;

14.

onderstreept de noodzaak van regels en normen waaraan de liberalisatie moet zijn onderworpen; stimuleert naleving van milieu- en kwaliteitsnormen op een redelijke en objectieve wijze, zonder onnodige handelsbelemmeringen op te werpen;

15.

verwelkomt het feit dat de Commissie het Gemeenschapspakket van aanbiedingen in de huidige GATS-onderhandelingen heeft gepubliceerd; is echter van mening dat de Commissie de huidige ontwikkelingen gedetailleerder moet bespreken met het Parlement en zijn relevante commissies;

16.

wijst er op dat handel in diensten in grote mate neerkomt op een overdracht van expertise tussen landen en dat daarom de vrije handel in diensten een belangrijk onderdeel is van elke ontwikkelingsstrategie omdat hierdoor kennis snel en effectief in de breedte kan worden overgedragen;

17.

erkent dat de problemen met betrekking tot eerlijkheid en transparantie bij het verlenen van diensten in sommige ontwikkelingslanden vaak worden veroorzaakt met de medeplichtigheid van bedrijven in ontwikkelde landen;

18.

verzoekt de Commissie om een gedetailleerd overzicht van specifieke dienstensectoren, zoals software, film, logistiek en financiële diensten, die een cruciale rol spelen in bepaalde ontwikkelingslanden en die wereldwijd worden verleend en gedistribueerd; verzoekt de Commissie verder om een gedetailleerde analyse van de gevolgen die dit heeft voor de Europese dienstenmarkt;

19.

verzoekt de Commissie om een gedetailleerd overzicht van belangrijke gegevens over ontginningsdiensten (data-miningdiensten)die wereldwijd worden uitgevoerd; verzoekt de Commissie verder gedetailleerde informatie te geven over locatie, dienstverleners, grootte en kwaliteit van de dienst in deze sector;

De Doha-ontwikkelingsronde en de GATS

20.

herinnert aan artikel XIX van de GATS waarin staat dat de lidstaten dienen te beginnen aan een reeks opeenvolgende onderhandelingen, die van start zullen gaan uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van het WTO-akkoord en die vervolgens periodiek zullen plaatsvinden met het doel het niveau van de liberalisering geleidelijk op te voeren; herinnert eraan dat dergelijke onderhandelingen plaatsvinden in het kader van het beginsel van één verbintenis en daarvoor moeten worden afgewogen tegen de belangen die naar voren worden gebracht op andere onderhandelingsgebieden;

21.

herinnert er aan dat de beginselen van de GATS privatisering noch deregulering verhinderen; onderstreept daarom dat het elke staat vrijstaat elke dienstensector te liberaliseren; benadrukt dat GATS-schema's gaan over de bindende verplichtingen van elk WTO-lid met betrekking tot handel in diensten en dat elk lid vrij is om zijn markt open te stellen buiten de GATS-verplichtingen om, mits het meestbegunstigingsbeginsel (Most Favoured Nation-beginsel) van artikel II of artikel V van de GATS over economische integratie wordt nageleefd;

22.

herinnert eraan dat de Doha-ontwikkelingsronde gericht moet zijn op ontwikkeling, en dienovereenkomstig, dat onderhandelingen over de handel in diensten zowel in het belang moeten zijn van de EU als van de economische groei van de armste landen;

23.

benadrukt de noodzaak om ontwikkelingslanden beleidsruimte te geven met betrekking tot de mate van reprociteit bij het openstellen van de handel, door hen zelf de omvang en het tempo te laten bepalen van de liberalisering;

24.

neemt notitie van het verzoek van ontwikkelingslanden aan de EU en de VS om de aanbiedingen in de wijze van dienstverlening 4 te verbeteren; acht het noodzakelijk het juiste evenwicht te vinden om beide kanten tevreden te stellen; verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over eventuele wijzigingen in de oorspronkelijke verzoeken;

Bilaterale en regionale overeenkomsten

25.

stimuleert een helder en ondubbelzinnig verplichtingsniveau in de huidige onderhandelde en toekomstige bilaterale en regionale handelsovereenkomsten; wijst op het belang van opname daarin van bepalingen over mensenrechten en maatschappelijke normen;

26.

neemt notitie van de resultaten die zijn bereikt in de economische partnerschapsovereenkomst met het Caribisch forum van ACS-staten (Cariforum); is van mening dat de handel in diensten een middel voor ontwikkeling is op voorwaarde dat er goede en transparante binnenlandse regelgeving aanwezig is waaraan de diensten moeten zijn onderworpen; dringt aan op universele, toegankelijke, duurzame en betaalbare openbare diensten met hoge kwaliteitsnormen, voor allen;

27.

merkt op dat in het investeringshoofdstuk van de economische partnerschapsovereenkomst met Cariforum buitenlandse investeerders verwachte winsten worden gegarandeerd, naar aanleiding van toezeggingen die in het kader van die overeenkomst zijn gedaan;

28.

ondersteunt in het bijzonder de overeenkomst over de wijze van dienstverlening 4 in de overeenkomst tussen de EU en Cariforum; is van mening dat dit een middel is om het wegvloeien van expertise te vermijden;

29.

is met betrekking tot de onderhandeling van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de ASEAN van mening dat in de aspecten van de overeenkomst die van invloed zijn op de openbare aanbesteding, investeringen en diensten, het variërende ontwikkelingsniveau van ASEAN-leden moet worden erkend en dat het recht van alle deelnemers om openbare diensten te reguleren, met name de diensten voor basisbehoeften, moet worden gerespecteerd, maar dat dit particuliere bedrijven niet mag beletten om de leemte te vullen wanneer de staat de door burgers benodigde diensten niet verleent;

30.

is zich met betrekking tot de onderhandeling van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Korea bewust van de problemen die buitenlandse bedrijven ondervinden bij het verkrijgen van toegang tot de Koreaanse markt voor diensten, inclusief bankproducten, verzekeringen, telecommunicatie, nieuwsdiensten en juridisch advies; dringt er dan ook bij de Commissie op aan om bij het aansnijden van deze kwesties in de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomst rekening te houden met de groeiende bezorgdheid in de EU over de crisisgevoeligheid van een bank- en verzekeringssector waarin een gezonde en transparante binnenlandse regelgeving geen gelijke tred houdt met het privatiseringstempo;

31.

benadrukt met betrekking tot de onderhandeling van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en India het belang van ons partnerschap met India en de noodzaak om een ambitieuze overeenkomst te sluiten met substantiële en brede verplichtingen en zo min mogelijk belemmeringen voor de toegang tot de Indiase markt voor alle soorten dienstverlening; wijst erop dat de liberalisering van de handel in diensten ten minste 90 % moet bedragen, zowel voor wat betreft sectorale dekking als voor handelsvolume, in overeenstemming met het voorschrift van substantiële dekking uit hoofde van artikel V van de GATS; benadrukt dat de belemmeringen in het bijzonder acuut zijn bij financiële diensten, telecommunicatie, distributie, post- en koeriersdiensten en juridische diensten;

32.

maakt zich met betrekking tot de onderhandeling van een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de samenwerkingsraad voor de Golf (GCC) zorgen over het niveau van transparantie en verantwoording bij financiële diensten en met name op het gebied van investeringen door staatsfondsen;

Sectorspecifieke kwesties

33.

merkt op dat nog geen enkel WTO-lid verplichtingen is aangegaan over de waterdistributiesector; benadrukt dat indien een dergelijke verplichting wordt aangegaan, dit de staat niet belet om niveaus vast te stellen voor kwaliteit, veiligheid, prijs of voor andere beleidsdoelstellingen die volgens de staat nodig zijn, en dat zowel voor buitenlandse als lokale leveranciers dezelfde regels zouden gelden;

34.

onderstreept het belang van culturele diensten, zoals de audiovisuele, muziek- en uitgeverijsectoren, voor zowel de EU-industrieën als voor onze handelspartners; roept de Commissie op om te waarborgen dat de handel in culturele diensten dan ook evenwichtiger wordt, terwijl de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten wordt gerespecteerd;

35.

benadrukt dat in het bijzonder het toerisme in grote mate bijdraagt aan de economie in een aantal ontwikkelingslanden; vindt het dan ook van essentieel belang dat de Europese Unie helpt door middel van ontwikkelingssamenwerking en technische bijstand;

36.

is van mening dat, op basis van vooraf vastgestelde goede en transparante binnenlandse regulering, het voorzichtig en gefaseerd openstellen van de markt voor financiële diensten in ontwikkelingslanden burgers en ondernemers toegang tot middelen kan bieden om lokale banen te creëren en de armoede te verlichten omdat ze niet langer zijn gedwongen om terug te vallen op staatsmonopolies of instanties;

37.

is van mening dat de Europese Unie, om haar externe concurrentievermogen te vergroten, maatregelen moet nemen in het kader van haar commercieel beleid om de veiligheid van elektronische transacties en handel te versterken en de bescherming van gegevens te verbeteren;

38.

merkt op dat diensten, en financiële diensten in het bijzonder, van invloed zijn op vele bevoegdheidsgebieden en benadrukt dat deze resolutie zich met name richt op de handel in diensten, dus op het bereiken van markttoegang door de vrijwillige openstelling van markten via de methode van vraag en aanbod voor onderhandelingen; suggereert om gebieden als financieel toezicht, financiële regulering en andere punten die verband houden met verschillende aspecten van financiële diensten in het geschikte forum te behandelen;

39.

steunt ten zeerste de opvatting van de Commissie dat markttoegang en vrije handel in diensten essentiële onderdelen zijn van de Lissabon-agenda voor groei en werkgelegenheid; benadrukt dat open markten in combinatie met een evenwichtige en gereguleerde vrije handel in diensten ten goede komen aan alle deelnemende landen en regio's;

40.

wijst erop dat ondernemingen in de EU in toenemende mate internationaal actief zijn, dat de groei van de wereldeconomie grotendeels voor rekening van derde landen komt en dat een betere markttoegang daarom zou bijdragen aan versterking van het concurrentievermogen van de Europese Unie;

41.

is van mening dat de handel in diensten een noodzakelijke aanvulling op de handel in goederen vormt maar dat er tussen deze twee vormen van handel onderscheid behoort te worden gemaakt;

42.

is van mening dat de diensteneconomie in kwantitatieve zin de belangrijkste economische sector in de OESO-economieën is geworden en dat de toegenomen handel in, en beschikbaarheid van diensten de economische groei zal doen toenemen, groei en ontwikkeling van bedrijven zal stimuleren en de prestaties van andere industrieën zal doen verbeteren omdat diensten belangrijke tussenproducten zijn, met name in een wereld met steeds meer internationale contacten;

43.

erkent dat het bereiken van markttoegang voor diensten in het kader van de lopende WTO/Doha-onderhandelingen die in het kader van de Ontwikkelingsagenda worden gevoerd, een moeilijk proces is; verzoekt de Commissie te streven naar een evenwichtig pakket met een ambitieus aanbod van diensten, vooral financiële diensten, omdat de EU-industrie beschikt over concurrerende deskundigheid en een groot groeipotentieel; merkt op dat naleving van voorschriften en normen noodzakelijk is ter voorkoming van niet-tarifaire belemmeringen die op het gebied van diensten gevoelig kunnen liggen;

44.

verzoekt de Commissie om in de handelsbesprekingen ten volle rekening te houden met het bestaan van diensten van algemeen belang en de mogelijke effecten van de openstelling van markten op hun organisatie;

45.

merkt op dat de Europese Unie op het gebied van financiële diensten weliswaar een van de meest open markten ter wereld heeft, maar dat ze zich in de onderhandelingen over de handel in diensten agressiever en evenwichtiger moet opstellen en de beginselen openheid, ontwikkeling en wederkerigheid moet onderschrijven;

46.

benadrukt dat autoriteiten voor financiële diensten alle ontwikkelingen op de Europese en wereldwijde markten voor financiële diensten goed moeten bijhouden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de Europese wet- en regelgeving te verbeteren en de dialoog op dit gebied tussen de Europese Unie en haar handelspartners te intensiveren met het oog op vermindering van de handelsbelemmeringen;

47.

verzoekt de Commissie zich te buigen over de „offshore”-praktijken van derde landen die nadelig zijn voor een wederzijds voordelige openstelling van markten;

48.

verzoekt de lidstaten om samen met de Commissie te werken aan een meer geïntegreerd en samenhangend handelsbeleid, in het bijzonder op investeringsgebied; wijst erop dat de lidstaten het risico van buitenlandse investeringen niet moeten overdrijven, maar moeten streven naar het daadwerkelijk openstellen van hun economie en naar een gemeenschappelijke benadering in het geval van staatsinvesteringsfondsen; neemt kennis van de noodzaak om kwesties zoals de voorzieningszekerheid te evalueren, met name betreffende buitenlandse investeringen in de energiesector door staatsbedrijven; herinnert eraan dat een dergelijke evaluatie niet als protectionistische maatregel kan worden gebruikt;

49.

vestigt met betrekking tot de naleving van mededingingsregels binnen de Europese Unie de aandacht van de Commissie op de mogelijke risico's als gevolg van het ontbreken van wederkerigheid in de WTO-overeenkomst over openbare aanbestedingen;

50.

verzoekt de Commissie om intensivering van de strijd tegen namaakproducten die met name via het internet worden verkocht, onder meer door het stimuleren van betere samenwerking tussen nationale overheden en het uitbreiden van middelen tot waarneming en evaluatie van namaak; verzoekt de Commissie voorts het Parlement en de Raad een voorstel voor te leggen dat beoogt de Gemeenschap en haar lidstaten te voorzien van hoogwaardige en statistische gegevens over namaak, op Europees niveau, met name via internet;

51.

steunt de Commissie in haar krachtige ondersteuning van multilaterale handelsbesprekingen, maar merkt op dat voor de handel in diensten, in het bijzonder financiële diensten, vrijhandelsovereenkomsten mogelijk beter geschikt zijn voor het bereiken van markttoegang; is van mening dat bij de afronding van volledige economische partnerschapsovereenkomsten met de ACS-landen, daarin niet alleen goederen maar ook diensten en investeringen zouden kunnen worden opgenomen, maar alleen als bedoelde landen dit wensen;

52.

benadrukt dat door effectieve markttoegang voor financiële diensten betere kansen voor concurrentie, transparantie en diversificatie ontstaan; merkt op dat met name in de opkomende economieën effectieve markttoegang zou kunnen leiden tot een sterkere ontwikkeling van lokale financiële markten ten gunste van ondernemingen die zich willen vestigen en daarnaast consumenten meer keuzevrijheid en betere producten zou kunnen bieden;

53.

verzoekt de Commissie om, gelet op de geringe financiële, bestuurlijke en institutionele capaciteit van de ACS-landen, de naleving van de internationaal aanvaarde normen voor regelgeving en toezicht in de financiële dienstensector te waarborgen bij onderhandelingen over, en uitvoering van handelsovereenkomsten met landen die als belastingparadijzen worden beschouwd;

54.

is van mening dat het voor personen in ontwikkelingslanden die basale economische activiteiten willen ontplooien, met name nodig is dat ze toegang tot financiële diensten hebben (microkredieten, bankrekeningen en essentiële bankdiensten, hypotheken, lease en factoring, verzekeringen, pensioenen en binnenlandse en buitenlandse overboekingen), en verzoekt de Commissie derhalve om in ontwikkelingslanden een betere markttoegang voor financiële diensten te bevorderen, naast goede regelgeving voor toezicht, de ontwikkeling van concurrerende markten en voorlichting over financiële diensten.

*

* *

55.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Wereldhandelsorganisatie en haar lidstaten.


(1)  PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 128.

(2)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0053.

(3)  Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0629.

(4)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0195.

(5)  PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 155.

(6)  PB C 308 E van 16.12.2006, blz. 182.

(7)  PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 235.

(8)  PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 103.

(9)  PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 400.

(10)  PB L 376 van 29.12.2006, blz. 36.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/74


Donderdag, 4 september 2008
Europees havenbeleid

P6_TA(2008)0408

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over een Europees havenbeleid (2008/2007(INI))

2009/C 295 E/18

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie „Mededeling inzake een Europees havenbeleid” (COM(2007)0616),

gezien de mededeling van de Commissie „Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën” (COM(2006)0275),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 juli 2007 over een toekomstig maritiem beleid voor de Europese Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 maart 2008 over een duurzaam Europees vervoersbeleid, rekening houdend met Europees energie- en milieubeleid (2),

gelet op Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (3),

gelet op Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (4),

gelet op Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (5),

gelet op Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (6),

gelet op artikel 299, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0308/2008),

A.

overwegende dat de toegang tot de markt voor havendiensten een onderwerp is waarover binnen het Parlement debat is gevoerd, naar aanleiding waarvan de Commissie de belanghebbende partijen uitgebreid geraadpleegd heeft,

B.

overwegende dat in bovengenoemde mededeling van de Commissie inzake een Europees havenbeleid geen nieuwe maatregelen worden voorgesteld met betrekking tot de toegang tot de markt voor havendiensten,

C.

overwegende dat vanwege zijn internationale dimensie deze sector zicht leent voor een Europees havenbeleid op communautair niveau dat inspeelt op de comparatieve geopolitieke voordelen van de Europese havens,

D.

overwegende dat havens niet alleen van belang zijn voor de zeescheepvaart, de binnenvaart en het intermodaal vervoer in Europa, maar ook van belang zijn omdat zij een spil vormen in het economisch beleid, zorgen voor werkgelegenheid en een middel zijn voor de integratie van de bevolking,

E.

overwegende dat een Europees havenbeleid dat als hoofddoelstellingen heeft om het concurrentievermogen van het maritiem vervoer te vergroten en moderne en kwalitatief hoogwaardige diensten te verschaffen, de volgende vier beginselen zou moeten bevorderen: veiligheid, snelle dienstverlening, lage kosten, en zorg voor het milieu,

F.

overwegende dat voor de Europese havens een aantal uitdagingen in het verschiet liggen, in het bijzonder op het gebied van milieu, mondialisering, duurzame ontwikkeling, werkgelegenheid en sociale condities, en met name op terreinen als veiligheid en levenslang leren, financiering, toegang tot de markt en het bestuur, alsook concurrentieverstorende en discriminerende maatregelen van derde landen op relevante geografische markten,

G.

overwegende dat het gezien het tekort in Europa aan gebieden waar de ontwikkeling van havens kan worden gerealiseerd, alsmede de schaarste aan natuurlijke habitats en de kwetsbaarheid daarvan, voor de wetgever van belang is te zorgen voor evenwicht en juridische duidelijkheid ten aanzien van de economische, maatschappelijke en milieuverplichtingen,

H.

overwegende dat de Europese havensector een aanzienlijke diversiteit kent en er in de komende jaren een sterke groei wordt verwacht,

I.

overwegende dat de verbreding van het Panamakanaal waarschijnlijk tot gevolg zal hebben dat de huidige tendens om steeds grotere schepen te gebruiken nog zal worden versterkt,

J.

overwegende dat moderne infrastructuur en effectieve verbindingen met het achterland en eilanden voor havens belangrijk zijn,

1.

verwelkomt de hiervoor genoemde mededeling van de Commissie inzake een Europees havenbeleid;

2.

complimenteert de Commissie met de wijze waarop zij te werk is gegaan bij het opstellen van deze mededeling, in het bijzonder voor wat betreft de uitgebreide raadpleging die daarbij heeft plaatsgevonden;

3.

is verheugd dat de Commissie de nadruk legt op het invoeren van „zachte wetgeving”, zoals de publicatie van richtsnoeren en het verwijderen van administratieve hindernissen;

4.

benadrukt het fundamentele belang van de havensector in de Europese Unie, zowel uit economisch, commercieel, maatschappelijk, milieutechnisch als strategisch oogpunt;

5.

is van mening dat voor de Commissie een belangrijke rol is weggelegd als het erom gaat ervoor te zorgen dat alle Europese havens hun potentieel volledig kunnen benutten;

6.

verwelkomt het voornemen van de Commissie om richtsnoeren op te stellen betreffende de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving bij de ontwikkeling van havens en de bijbehorende infrastructuur, met als hoofddoelstelling de bescherming van het mariene milieu en het gebied rond de havens; dringt er bij de Commissie op aan deze richtsnoeren vóór het einde van 2008 te publiceren;

7.

is van mening dat havens en natuur op duurzame wijze samen kunnen gaan, aangezien de vernietiging van de natuur vaak leidt tot economische schade aan andere sectoren, zoals het toerisme, de landbouw en de visserij, en nodigt de transportcommissaris daarom uit om bij het opstellen en handhaven van EU-wetgeving en richtsnoeren inzake havens en milieukwesties nauw samen te werken met de milieucommissaris;

8.

is van oordeel dat het doel van deze richtsnoeren moet bestaan in het tegengaan van de rechtsonzekerheid die bepaalde milieurichtlijnen met zich meebrengen, en het daarbij echt werk maken van milieubeleid, rekening houdend met de specifieke situatie van de havens in de Unie;

9.

onderstreept dat het noodzakelijk is om de havenautoriteiten en de lokale autoriteiten te betrekken bij het opstellen van plannen voor het beheer van de waterkwaliteit van stroomgebieden en zeehavens overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

10.

wijst erop dat de regionale gemeenschappen de inspanningen om de CO2-emissies van schepen en van het vervoer over land en door de lucht te verminderen, moeten steunen door de invoering van beheersplannen voor luchtkwaliteit en te voldoen aan het Marpol-Verdrag en Richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (7);

11.

benadrukt dat een geïntegreerd Europees beleid moet worden ontwikkeld door middel van partnerschappen op interinstitutioneel, intersectoraal en multiterritoriaal niveau om het regionaal concurrentievermogen en de territoriale cohesie te versterken, zonder de sociale, de economische, de milieu- en de veiligheidsaspecten op elk territoriaal niveau uit het oog te verliezen;

12.

stelt vast dat de Commissie zich zorgen maakt over de verdeling van de verkeersstromen binnen Europa, en wijst erop dat de havensector een grote diversiteit kent en dat het aantal kleine en middelgrote havens in Europa groeit; is bovendien van mening dat de Commissie rekening moet houden met de belangrijke veranderingen die in het internationale maritieme vervoer verwacht worden als gevolg van de technologische en economische vooruitgang, de verbreding van het Panamakanaal en de toename van de omvang en capaciteit van de schepen, welke aspecten ongetwijfeld van grote invloed zullen zijn op de sector;

13.

vestigt de aandacht op de territoriale dimensie van de ontwikkeling van de Europese havens, met name de noodzaak van een grensoverschrijdende samenwerking en coördinatie tussen de aangrenzende havengebieden; benadrukt het belang van het Europees nabuurschapsbeleid en de regionale strategie voor de Middellandse Zee, de Oostzee en de Zwarte Zee; juicht het voorstel van de Commissie toe om een inventaris op te stellen van de knelpunten tussen de havens van de Europese Unie en de havens van de aangrenzende staten;

14.

verzoekt de Commissie om systematisch de ontwikkeling te volgen van nieuwe technologieën en beheersmethoden die internationaal worden toegepast bij haven- en scheepsdiensten, in vracht- en passagiersterminals en in terminals voor transport over land, teneinde op basis hiervan beleid en initiatieven te bevorderen voor het ontwikkelen van communautaire havens en het verbeteren van de efficiency en productiviteit van die havens, ten bate van zowel de havens zelf als hun gebruikers;

15.

is van mening dat de technologische veranderingen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de tussenliggende havens het hoofd kunnen bieden aan de uitdagingen van het toegenomen verkeersvolume, grote financiële gevolgen zullen hebben voor de betrokken regio's; is van mening dat deze regio's hiervoor een beroep moeten kunnen doen op de structuurfondsen, in het bijzonder om de aanschaf van geavanceerde technologische installaties te financieren, banen in innoverende bedrijfstakken te creëren en stedelijke gebieden te rehabiliteren nadat de havenactiviteiten naar de buitenkant van de steden zijn verplaatst;

16.

is van mening dat de rechtszekerheid van de communautaire wetgeving op maritiem gebied, zoals die voortvloeit uit het internationaal wettelijk kader, afhangt van de snelle goedkeuring van „Erika III”, het derde pakket maatregelen op maritiem gebied,

17.

roept de Commissie en de lidstaten op de samenwerking tussen de Europese havens te bevorderen; benadrukt hierbij de rol van de havens in de regionale economie van het achterland; benadrukt in dit opzicht dat de harmonieuze ontwikkeling van de havens een sleutelelement is van het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie;

18.

benadrukt de maatschappelijke en culturele rol van havens voor de bevolking van het achterland, en acht het van wezenlijk belang dat het grote publiek meer bewust wordt gemaakt van het belang van havens voor ontwikkeling;

19.

is van mening dat de zeescheepvaart en de binnenvaart niet los kunnen worden gezien van het land- en luchttransport en dat de verbindingen met het achterland van groot belang zijn voor het commerciële succes van een haven en dat het bijgevolg noodzakelijk is onderlinge verbindingen tussen havens, binnenlandse logistieke platforms en inlandterminals aan te leggen; is in dat licht ook van mening dat het noodzakelijk is dat havens zowel met betrekking tot de trans-Europese vervoernetwerken (TEN-T's) als bij de toekomstige „groene corridors” van de Gemeenschap in een co-modaal systeem worden opgenomen, waardoor de vervoerscapaciteiten in de kustvaart en de binnenscheepvaart beter benut kunnen worden, en ook met betrekking tot de daarbijbehorende verbindingen met vervoerswijzen over land en door de lucht, zodat er uiteindelijk een coherent en authentiek vervoerbeleid ontstaat;

20.

steunt daarom de Commissie in haar voornemen om ter gelegenheid van de tussentijdse beoordeling van de TEN-T's in 2010 (8), de verbindingen van havens met het achterland en de behoeften en gevolgen in dat verband voor een evenwichtig netwerk van verkeersstromen te beoordelen;

21.

is van mening dat een van de doelstellingen van de tussentijdse beoordeling van de TEN-T's in 2010 moet zijn om de zeescheepvaart en de binnenvaart via de Europese havens met het vervoer over land te integreren;

22.

verzoekt de betrokken regionale overheden een meer multimodaal vervoersbeleid te implementeren, zodat wordt gewaarborgd dat er, naast de autosnelwegen, meer verkeer via het spoor en de binnenwateren gaat en een effectieve verbinding ontstaat tussen de havengebieden en de TEN-T's alsook een effectievere verbinding tussen de havens en het achterland met name door gebruik te maken van het spoor of binnenlandse vaarwegen;

23.

stelt vast dat de EU-havens moeten concurreren met havens in derde landen, waarvoor vaak niet dezelfde regels gelden, en dat zij ook te maken hebben met een discriminerend economisch beleid in buurlanden van de EU, bijvoorbeeld via een discriminerend tariefstelsel;

24.

verzoekt de Commissie om opnieuw een studie te doen naar de veiligheid in havens en dit keer de kostenstijgingen en de gevolgen daarvan voor het concurrentievermogen van de Europese havens mee te nemen;

25.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie een inventaris op te maken van de problemen die op dit gebied door de Europese havens worden ondervonden en nodigt de Commissie uit te overwegen een register van deze problemen op te stellen, teneinde de problemen die ontstaan door de concurrentie met niet-EU-havens en als gevolg van concurrentiebeperkende en discriminerende maatregelen van buurlanden van de EU, specifiek aan te pakken;

26.

benadrukt de noodzaak van meer samenwerking met derde landen voor het opzetten en indienen van programma's voor de ontwikkeling, coördinatie en overdracht van knowhow tussen naburige havens;

27.

is van oordeel dat de Commissie de mogelijkheid zou moeten bestuderen een communautair programma in te voeren over de vernieuwing van transportschepen, in het bijzonder van de schepen die bestemd zijn voor de kustvaart en de binnenscheepvaart;

28.

is van mening dat nieuwe technologieën, met name op het gebied van de informatica, een sleutelrol spelen voor de EU-havens — die toch al onder druk staan door de concurrentie die zij ondervinden van havens uit derde landen en soms te weinig ruimte hebben om verder te groeien — om hun efficiëntie en rentabiliteit te verbeteren;

29.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om via de toepasselijke instanties haast te maken met de invoering van systemen voor „loodsen van op afstand”, teneinde in havens en gebieden waar redes liggen de efficiency en veiligheid van het verkeersbeheer te vergroten;

30.

moedigt de Commissie aan onderzoek en innovatie in deze sector na te streven door middel van de kaderprogramma's van de Unie, en nodigt de Commissie en de lidstaten uit onderzoek te ondersteunen op het gebied van veiligheid, teneinde het aantal ongelukken zoveel mogelijk terug te brengen, alsmede op het gebied van logistiek, met het oog op een betere benutting van de ruimte in de havens, en op milieugebied, om onder andere de CO2-emissie en vervuiling als gevolg van afval te verminderen;

31.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om ondersteuning van de voorstellen die momenteel voor de Internationale Maritieme Organisatie liggen en die ertoe strekken de huidige brandstof vóór 2020 te vervangen door diesel, alsook om ondersteuning van een eventuele uitbreiding van het toepassingsgebied van de regeling voor de emissiehandel tot de maritieme sector;

32.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van het SOLAS-Verdrag (voor de beveiliging van mensenlevens op zee) en het SAR-Verdrag (voor opsporing en redding op zee) actief steun te verlenen voor de continue verbetering van de vloot van opsporings- en reddingsdiensten (SAR) en andere SAR-functies in havens, en de samenwerking tussen maritieme reddingscoördinatiecentra verder te verbeteren;

33.

is van mening dat de programma's „Schoon schip” en „Schone haven” moeten worden uitgebreid;

34.

nodigt de Commissie en de sector uit de scheepvaartmaatschappijen aan te moedigen het aantal leeg vervoerde containers terug te brengen en de capaciteit daarvan ten volle te benutten, en initiatieven in die richting (o.a. via onderzoeksprogramma's) te steunen, rekening houdend met de werkelijke, specifieke behoeften van klanten en met beperking van de gevolgen voor het milieu;

35.

staat zeer gunstig tegenover het voornemen van de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen voor de oprichting van een Europese maritieme vervoersruimte zonder grenzen, en is van mening dat het doel van dit voorstel moet bestaan in het verzekeren van een evenwichtige concurrentie tussen het maritieme vervoer en het vervoer over land in de Unie;

36.

is er voorstander van dat in de Gemeenschap ingeklaarde goederen worden vrijgesteld van elke douanecontrole wanneer het gaat om maritiem vervoer op de korte vaart binnen de Gemeenschap, en zou eveneens graag zien, voor zover dat mogelijk is, dat er afzonderlijke havengebieden worden gecreëerd voor intracommunautair verkeer en internationaal verkeer, waarbij tevens gezorgd wordt voor vereenvoudiging van het vervoer binnen de interne markt en voor standaardisering en identificatie van speciale containers;

37.

verzoekt de Commissie om herziening en verbetering van beleid voor het ontwikkelen en ondersteunen van de korte vaart;

38.

nodigt de Commissie uit de mogelijkheid in overweging te nemen één enkel vervoersdocument voor containers in de Gemeenschap in te voeren, teneinde de administratieve procedures te vereenvoudigen;

39.

nodigt de Commissie uit studie te verrichten naar de financiering door overheidsinstanties van Europese commerciële havens, teneinde eventuele concurrentieverstoringen te kunnen identificeren en in de richtsnoeren inzake overheidssteun duidelijk te maken welk type steun aan havenautoriteiten als overheidssteun moet worden beschouwd; gelooft echter dat overheidsinvesteringen in de ontwikkeling van havens niet als overheidssteun moeten worden beschouwd wanneer deze rechtstreeks bedoeld zijn voor verbetering van het milieu of voor ontlasting van wegen en vermindering van het goederenvervoer over de weg, en zeker niet wanneer zij van essentieel belang wordt geacht voor de economische, sociale en territoriale samenhang (bijv. met betrekking tot eilanden), tenzij deze steun ten goede komt aan een enkele gebruiker of ondernemer;

40.

verzoekt de Commissie richtsnoeren te publiceren betreffende overheidssteun aan havens in 2008; is van mening dat deze richtsnoeren moeten gelden voor het havengebied als zodanig, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen toegangs- en verdedigingsinfrastructuur, en projectgerelateerde infra- en suprastructuur, maar niet tussen verschillende categorieën havens;

41.

staat achter de uitbreiding van de transparantievoorschriften van Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven en de financiële doorzichtigheid binnen bepaalde ondernemingen (9), maar nodigt de Commissie uit te overwegen om een lagere jaarlijkse inkomstendrempel vast te stellen in plaats van een absolute verplichting;

42.

neemt in het bijzonder nota van de door de Commissie gemaakte analyse voor wat betreft de havenconcessies en verzoekt de Commissie rekening te houden met het feit dat de havenautoriteiten op dit gebied belang hebben bij enige flexibiliteit, met name voor wat betreft verlenging van concessies waaraan grote investeringen zijn verbonden, maar is van oordeel dat deze flexibiliteit niet gebruikt mag worden om de concurrentie binnen de havens te beperken;

43.

is van mening dat het van het allergrootste belang is de vrijheid van dienstverlening en de specifieke eisen van de havens met elkaar in evenwicht te houden, en benadrukt dat publiek-private samenwerking nodig is om de havens te moderniseren;

44.

moedigt het gebruik aan van de programma's inzake de Europese territoriale samenwerking in het kader van het cohesiebeleid en van de samenwerkingsprogramma's van het nabuurschapsbeleid en het uitbreidingsbeleid van de EU; moedigt de Commissie, de lidstaten en de betrokken regionale overheden echter ook aan om in het kader van de medefinanciering van haveninfrastructuren zoveel mogelijk een grensoverschrijdende strategie toe te passen voor het benutten van bestaande capaciteit;

45.

ondersteunt ten zeerste de rol van non-profit trusthavens die in lokale handen zijn, en verzoekt lokale, regionale, nationale en Europese overheden met klem om maatregelen te nemen tegen het verval van deze havens, aangezien hun maatschappelijke, recreatieve en toeristische baten voor de omringende gemeenschappen verder reiken dan de oorspronkelijke economische functie van deze havens;

46.

wijst er met de meeste klem op dat bij alle discussies over Europa en het Europese maritieme beleid — wil dat beleid slagen — mee moet spelen dat de Europese pleziervaart een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van de plaatselijke economie omdat de jachthavens niet alleen het achterland promoten en een trekpleister zijn voor toeristen die de haven en zijn omgeving willen ontdekken, maar ook van wezenlijk belang zijn voor de levering aan de plaatselijke handelaren;

47.

is ingenomen met de nadruk die wordt gelegd op de dialoog binnen de havensector; verzoekt om de oprichting van een comité voor sociale dialoog en is van mening dat dit comité zich zal moeten bezighouden met onderwerpen die de havens aangaan, waaronder de rechten van werknemers, de havenconcessies en de ILO-Conventie Nr. 152 van 1979 inzake veiligheid en gezondheid op het werk (dokwerk);

48.

benadrukt het belang van de handhaving en verzekering van een zo goed mogelijke opleiding van havenarbeiders; steunt de Commissie in haar wens dat havenarbeiders een wederzijds erkende basiskwalificatie krijgen, teneinde de flexibiliteit in deze sector te ondersteunen; daarom dienen om te beginnen de verschillende bestaande systemen voor beroepskwalificaties voor havenarbeiders met elkaar te worden vergeleken; is evenwel van mening dat deze basiskwalificatie niet als gevolg mag hebben dat het gemiddelde kwalificatieniveau van havenarbeiders in een lidstaat naar beneden gaat;

49.

stelt voor het thema beroepskwalificaties en levenslang leren samen met de sociale partners aan de orde te stellen in het toekomstige Europese comité voor sociale dialoog;

50.

moedigt de Commissie aan de uitwisseling van goede praktijken in de havensector in zijn algemeenheid te bevorderen, en meer in het bijzonder voor wat betreft innovatie en de opleiding van werknemers, teneinde de kwaliteit van de dienstverlening, het concurrentievermogen en het investeringsniveau te vergroten;

51.

verwelkomt de invoering van de Europese zeevaartdag, op 20 mei, en steunt in het bijzonder de invoering van een „open dag”, waardoor het publiek een beter begrip kan krijgen van het werk en het belang van de havensector;

52.

verzoekt de Commissie met klem om zich overeenkomstig de resolutie van het Parlement van 8 mei 2008 over de Trans-Atlantische Economische Raad (10) verder in te spannen voor wijziging van Amerikaanse wetgeving die ertoe strekt dat voor de VS bestemde lading voor honderd procent moet worden gecontroleerd, zodat samenwerking plaatsvindt op basis van de wederzijdse erkenning van „geautoriseerde ondernemers” en op basis van de normen die in het kader van de Werelddouaneorganisatie (C-TPAT, SAFE) zijn overeengekomen; verzoekt de Commissie een raming te maken van de potentiële kosten voor het bedrijfsleven en de EU-economie van een 100 %-controle van voor de VS bestemde zeevrachtcontainers, alsook van de mogelijke effecten daarvan op douanewerkzaamheden;

53.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 175 E van 10.7.2008, blz. 531.

(2)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0087.

(3)  PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.

(4)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

(5)  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.

(6)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(7)  PB L 296 van 21.11.1996, blz. 55.

(8)  Zie artikel 19 van Verordening (EG) nr. 680/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie (PB L 162 van 22.6.2007, blz. 1).

(9)  PB L 318 van 17.11.2006, blz. 17.

(10)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0192.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/79


Donderdag, 4 september 2008
Goederenvervoer in Europa

P6_TA(2008)0409

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over het goederenvervoer in Europa (2008/2008(INI))

2009/C 295 E/19

Het Europees Parlement,

gezien de mededelingen van de Commissie „De EU-agenda op het gebied van goederenvervoer: versterking van de doeltreffendheid, integratie en duurzaamheid van het goederenvervoer in Europa” (COM(2007)0606), „Actieplan inzake goederenlogistiek” (COM(2007)0607), „Naar een spoorwegnet met voorrang voor goederenverkeer” (COM(2007)0608) en „Beheersovereenkomsten betreffende de kwaliteit van de spoorweginfrastructuur” (COM(2008)0054),

gezien de mededeling van de Commissie „Goederenlogistiek in Europa — Sleutel tot duurzame mobiliteit” (COM(2006)0336),

gezien de mededeling van de Commissie betreffende de invoering van het Europees signaleringssysteem voor spoorwegen ERTMS/ETCS (COM(2005)0298),

gezien de conclusies van de Raad van 29-30 november en 3 december 2007 over de mededeling van de Commissie betreffende het „Actieplan inzake goederenlogistiek”, evenals die van 7 april 2008 over de mededeling van de Commissie „Naar een spoorwegnet met voorrang voor goederenverkeer”,

gezien het Groenboek van de Commissie, getiteld „Een nieuwe stedelijke mobiliteitscultuur” (COM(2007)0551),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 september 2007 over goederenlogistiek in Europa — sleutel tot duurzame mobiliteit (1),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 juli 2008 over „Een nieuwe stedelijke mobiliteitscultuur” (2),

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0326/2008),

A.

overwegende dat de vervoerssector verantwoordelijk is voor bijna 30 % van de CO2-uitstoot in de EU — en in de steden zelfs 40 % — en dat de CO2-uitstoot, ondanks een aantal inspanningen die zijn verricht op het gebied van technologische verbetering en innovatie, tussen 1990 en 2005 met 26 % toegenomen is, terwijl deze in de andere sectoren door aanzienlijke investeringen (die miljarden euro's bedroegen) met 10 % werden verminderd,

B.

overwegende dat een duurzaam en efficiënt vrachtvervoer in Europa van vitaal belang is voor een succesvolle en concurrerende economie, de behoeftevoorziening van de consument en het scheppen van een aanzienlijk aantal arbeidsplaatsen en welvaart voor de Europese burgers,

C.

overwegende dat, zoals in het Witboek van de Commissie, getiteld „Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen” (COM(2001)0370) wordt voorspeld, het goederenvervoer tussen 2000 en 2020 naar verwachting met ongeveer 50 % (in tonkilometer) zal toenemen en dat het goederenvervoer al tussen 1995 en 2005 met 30 % sneller is toegenomen dan het BBP; verder overwegende dat de groei in het totale goederenvervoer grotendeels het gevolg is geweest van een toename van het vervoer over de weg en door de lucht ten opzichte van andere vervoerswijzen,

D.

overwegende dat oplossingen voor duurzamere en doeltreffender systemen voor logistiek en goederenvervoer en oplossingen met het oog op de intermodale integratie van alle vervoerwijzen niet alleen tot een verbetering van de economie en veiligheid leiden, maar ook de doelstellingen van de EU ten aanzien van klimaatverandering en voor 2020 te behalen energiebesparingen helpen realiseren,

E.

overwegende dat, om deze uitdagingen het hoofd te bieden, de EU en de lidstaten, in de huidige context van onvoldoende budgettaire middelen, zichzelf bepaalde gecoördineerde prioriteiten moeten stellen, hun middelen moeten concentreren op een beperkt aantal maatregelen ten gunste van de duurzaamheid en intermodaliteit van het goederenvervoer en rekening moeten houden met gevoelige regio's,

F.

overwegende dat het Europese corridornetwerk beter moet worden ontwikkeld, waarbij men moet uitgaan van het bestaande net en van de bestaande structuren en technologieën en waarin ook de „groene corridors” voor alle vrachtvervoerwijzen met ambitieuze, duurzame criteria voor milieu moeten worden geïntegreerd,

G.

overwegende dat het vorenvermelde actieplan inzake goederenlogistiek van de EU ten doel moet hebben de bewegingen van het goederenvervoer in Europa en daarbuiten te vergemakkelijken ten bate van alle Europese bedrijven en het Europese concurrentievermogen in het algemeen,

1.

benadrukt dat de Europese goederenvervoerssystemen aan dringende uitdagingen het hoofd moet bieden om de doeltreffende integratie en de duurzaamheid van het goederenvervoer in Europa te bevorderen, sterker bij te dragen aan de verbetering van de mobiliteit, efficiënt energiegebruik en de vermindering van het olieverbruik, van vervuilende emissies en van de externe kosten en verwelkomt daarom bovengenoemde mededelingen van de Commissie en Raadsconclusies; moedigt de Commissie, lidstaten en industrie aan, in de toekomst een goederenvervoersbeleid te ondersteunen dat duurzamer is in termen van mobiliteit, milieu, klimaat, economie, veiligheid en sociale belangen, door bij de stapsgewijze integratie van prioritaire grensoverschrijdende goederenspoorcorridors, knooppunten en conventionele netwerken in een uitgebreide Europese Unie het gebruik van efficiëntere logistieke systemen te bevorderen, en door het beginsel dat de gebruiker en de vervuiler betaalt voor alle vervoerwijzen te bevorderen;

2.

steunt het standpunt van de Commissie dat co-modaliteit en intermodaliteit van fundamenteel belang blijven voor het creëren van een duurzaam en efficiënt vrachtvervoer in Europa;

3.

stelt echter vast dat de bevoegdheden en middelen van de EU ter verbetering van de goederenvervoersmarkten beperkt zijn; wijst erop dat belangrijke onderdelen van het net al op volledige capaciteit worden gebruikt en dringt er daarom bij de vervoersministers die verantwoordelijk zijn voor de belangrijkste Europese corridors op aan om het thema investeringen in infrastructuur aan de orde te stellen en het ten minste eens te worden over de coördinatie van hun nationale investeringsplannen voor hun respectieve corridors;

4.

is ervan overtuigd dat stedelijke goederenlogistiek een specifieke aanpak vereist; hoopt dat de discussie over bovengenoemd Groenboek stedelijke mobiliteit samen met het Actieplan inzake goederenlogistiek kan leiden tot een uitwisseling van goede praktijken tussen steden ten einde tot duurzame oplossingen te komen voor de bevoorrading van steden;

5.

verzoekt daarom dat de Commissie ten laatste eind 2008 een programma voorstelt voor nauwere samenwerking tussen de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor projecten op dit gebied en dat zij oplossingen voor de bestaande knelpunten vergemakkelijkt en evalueert met bijzondere aandacht voor het goederenvervoer en naar behoren rekening houdend met de toegevoegde waarde van de factor logistiek;

6.

steunt het idee van speciale netwerken voor goederenvervoer, die gebruik moeten maken van bestaande conventionele verkeersnetwerken, die geleidelijk ontlast worden als gevolg van de vooruitgang die met hogesnelheidstreinen wordt geboekt;

7.

benadrukt dat de goederenspoorwegnetten op de meest „marktrelevante” corridors voor goederenvervoer moeten berusten waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande ERTMS (European Rail Traffic Management System: Europees beheersysteem voor spoorvervoer) corridors en het TEN-T (Trans-European-Transport: trans-Europees vervoersnet), (d.w.z. zo nodig uitgebreid met specifieke gebieden met een groot verkeersvolume, zoals havens); meent dat er corridorcoördinators op hoog niveau benoemd moeten worden waar dit nog niet is gebeurd; verzoekt het Europees Spoorwegbureau, als de autoriteit van het ERTMS, ervoor te zorgen dat deze trajecten op elkaar aansluiten;

8.

verwacht dat de Commissie de „groene corridors” definieert als exemplarische mobiliteits- en intermodaliteitsprojecten om over te schakelende op milieuvriendelijke vervoerswijzen ter vermindering van ongevallen, verkeersopstoppingen, lawaai, lokale giftige en niet-giftige vervuiling, CO2-emissies, landschaps- en energieverbruik, en uitbreiding van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen (in het bijzonder van wind- en zonne-energie) in overeenstemming met de EU-wetgeving, haar doelstellingen en intelligente vervoerssystemen;

9.

dringt er in dit verband op aan dat de Commissie en de lidstaten sterkere stimuli moeten bieden ter bevordering van de milieuvriendelijkheid van alle vervoerswijzen en ter ondersteuning van de meest efficiënte combinatie van vervoerswijzen die tot de minste schade aan het milieu leidt, met name in de „groene corridors”;

10.

stelt voor om de integratie van regionale planning, productieprocessen en marktstructuren en — met inbegrip van het vermijden van overbodig vervoer — te steunen en de afstanden te verkorten en snelheden aan te passen in het goederenvervoer; is van mening dat het tijdverspillende en energie-intensieve „stop-and-go” in het goederenvervoer door geautomatiseerde snelheidsaanpassing moet worden voorkomen;

11.

beschouwt een betere tenuitvoerlegging en aanscherping van de bestaande wetgeving inzake het vervoer van gevaarlijke en verontreinigende goederen als een prioriteit;

12.

spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan de uitwisseling van beste praktijken in gevoelige grensgebieden (bergachtige en dichtbevolkte gebieden) en steden te bespoedigen, rekening houdend met de aanbevelingen in de vorenvermelde resolutie over stedelijke mobiliteit en met de ervaringen die zijn opgedaan met het CIVITAS-programma betreffende schoner en beter vervoer in steden, door de logistieke aspecten meer gewicht te geven;

13.

verzoekt de Commissie om de medefinanciering van de EU te concentreren op de doeltreffendheid, op de interoperabiliteit en verbetering van de spoorweginfrastructuur, op intermodale knooppunten alsmede op alle andere wijzen van goederenvervoer;

14.

verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens, met het oog op de voor 2009 verwachte herziening van de begroting van de Europese Unie, nu reeds de positie van vervoer in die begroting te overwegen, om in het verleden gemaakte fouten niet te herhalen en voldoende investeringen in de strategische infrastructuur voor de toekomst te waarborgen, ten einde de doelen inzake duurzame ontwikkeling en emissiereductie die de Europese Unie zich gesteld heeft, te bereiken;

15.

benadrukt hoe uitermate belangrijk op elkaar aansluitende tolsystemen zijn voor een efficiënt goederenvervoer in Europa;

16.

beschouwt een betere aansluiting van zee- en rivierhavens op het spoorwegnet en wegennet van het achterland als een belangrijk onderdeel van de transportinfrastructuur; onderstreept de belangrijke rol van interne platforms en droogdokken;

17.

is overtuigd van de mogelijkheden die de binnenwateren bieden voor het goederenvervoer, en dringt erop aan dat de Commissie voor een behoorlijke uitvoering van het actieprogramma NAIADES over het bevorderen van de binnenvaart in Europa zorgt;

18.

benadrukt dat investeringen in terminals in het binnenland flexibel en snel gerealiseerd kunnen worden en zo knelpunten in de gehele intermodale keten kunnen verhelpen;

19.

wenst dat de naleving en/of invoering van stabiele, intermodale normen betreffende afmetingen en gewicht van voertuigen, containers en laad- en losinstallaties beschouwd wordt als zijnde van strategisch belang om het vrachtvervoer naar spoorwegen en duurzame waterwegen te verplaatsen om zo de infrastructuurkosten te beperken;

20.

stelt vast dat verschillende horizontale technieken die zouden bijdragen aan eenvoudigere laadmogelijkheden van vrachtwagens naar rails, maar ook bij de verplaatsing naar verschillende spoorbreedtes van de rails, vaak onvoldoende gestandaardiseerd zijn; dringt er daarom bij de internationale en Europese instanties op aan, deze technieken vooral met oog op grotere doeltreffendheid en kostenbesparing te standaardiseren; onderstreept in dit verband dat het van belang is snel te komen tot vaststelling van een wereldwijde norm voor intermodale laadeenheden;

21.

verzoekt de Commissie haar richtsnoeren voor milieu- en spoorsteun zo vorm te geven dat investeringen in het duurzaam goederenspoorvervoer vereenvoudigd worden; benadrukt in dit opzicht het strategische belang van de medefinanciering van vermindering van geluidsoverlast, ook aan de bron (aanpassing van goederenwagons), zoals voor het uitrusten van het rollend materieel met ERTMS al het geval is;

22.

is ervan overtuigd dat infrastructuurbeheer en het verrichten van diensten grensoverschrijdend, niet-discriminerend en transparant georganiseerd moeten worden om een doeltreffende, interoperabele en soepele goederenlogistiek te kunnen realiseren; beklemtoont in dit opzicht het belang van de verdere voltooiing van de interne vervoersmarkt voor alle vervoerswijzen; verwelkomt in dit verband het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europese maritieme vervoersruimte zonder grenzen en ondersteunt de idee van één vervoersdocument en unieke toegangspunten voor alle vervoerwijzen;

23.

benadrukt dat een goed werkende interne markt voor wegvervoer kan bijdragen tot efficiënter vervoer en minder lege ritten; vraagt de Commissie om strikt toe te zien op de naleving van de EU-wetgeving inzake internationaal vervoer over de weg en cabotage; erkent dat lidstaten het cabotagevervoer onder bepaalde voorwaarden mogen beperken, maar verzoekt de Commissie om als hoedster van het Verdrag streng op te treden tegen onevenredige beperkingen en sancties die een aantal lidstaten in dit verband opleggen aan buitenlandse transporteurs;

24.

moedigt de Commissie aan om in meerjaarlijkse contracten voor de kwaliteit van de spoorweginfrastructuur randvoorwaarden voor minimale pan-Europese kwaliteitsnormen op te stellen; stelt de lidstaten voor om de beschikbaarheid van middelen voor de aanleg, uitbreiding en onderhoud van de spoorweginfrastructuur aan deze kwaliteitsnormen te koppelen en als onscheidbaar pakket te beschouwen om zo bij te dragen aan meer doeltreffendheid en kostenbesparing;

25.

verzoekt de Commissie zorg te dragen voor toezicht op en bevordering van een doeltreffende en stelselmatige toepassing van goede praktijken op het vlak van meerjarige contracten voor infrastructuurkwaliteit; vraagt de Commissie om, op basis van haar hierboven vermelde mededeling (COM(2008)0054), en in nauwe samenwerking met beheerders van infrastructuur een format voor benchmarking van infrastructuurdiensten te ontwikkelen, met inbegrip van de belangrijkste prestatie-indicatoren;

26.

verzoekt de Commissie krachtiger aanbevelingen te doen betreffende meerjarencontracten voor infrastructuurkwaliteit en -capaciteit (stoelend op een transparante monitoring van de huidige toepassing van artikel 6 van Richtlijn 2001/14/EG (3)); verzoekt de Commissie in dit verband de lidstaten aan te sporen uitvoering te geven aan deze meerjarige financieringskaders, teneinde de beheerders van spoorinfrastructuur wat betreft hun onderhouds- en vernieuwingsbehoeften (waarvoor adequate publieke financiële steun nodig is) financiële stabiliteit te bieden;

27.

verzoekt de Commissie steun te verlenen aan projecten voor gedifferentieerd gebruik van hogesnelheidslijnen, bijv. voor licht goederenvervoer;

28.

spoort de Commissie ertoe aan een onderzoek te doen naar de vrachtwagens in de EU die zijn uitgerust met satellietgestuurde navigatiesystemen om op basis hiervan de grensoverschrijdende interoperabiliteit of compatibiliteit van deze systemen met reeds bestaande systemen te testen, interoperabele, satellietgestuurde navigatiesystemen in nieuwe vrachtwagens te realiseren en de uitrusting achteraf van bestaande vrachtwagens te stimuleren; ondersteunt het vaststellen van de beste praktijken bij laadtechnieken (voorbeelden van „modelprocedures”), die de intermodale keten van overladen en lossen van begin tot eind zo structureren dat ze tot een grotere doeltreffendheid van de hele sector leiden;

29.

onderstreept de noodzaak van harmonisering en vereenvoudiging van de administratieve procedures van de overheden die bij de goederenvervoersmarkt betrokken zijn, samen met vereenvoudigde douaneregels en –processen aan de betreffende grenzen; is met name verheugd over het besluit om een Europese maritieme ruimte zonder grenzen in te stellen; dringt er bij de Commissie op aan de bevoegde internationale federaties en organisaties te verzoeken een uniform, intermodaal vrachtdocument te ontwikkelen;

30.

onderstreept dat het ontbreekt aan goede universitaire opleidingen logistiek en vraagt daarom de lidstaten absolute prioriteit toe te kennen aan hoger onderwijs en bijscholing in de sector logistiek en goederenvervoer;

31.

verzoekt de Commissie met klem steun te verlenen aan projecten en onderzoek om toe te werken naar het standaardiseren van informatiestromen, om de integratie en interoperabiliteit van de diverse vervoerswijzen op het niveau van de gegevensverwerking te garanderen;

32.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 154.

(2)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0356.

(3)  Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PB L 75 van 15.3.2001, blz. 29).


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/83


Donderdag, 4 september 2008
Tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010

P6_TA(2008)0410

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (2007/2252(INI))

2009/C 295 E/20

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (COM(2007)0314),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 februari 2005 over het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (1),

gezien het verslag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 27 juli 2007 getiteld „Principles for evaluating health risks in children associated with exposure to chemicals” (Principes voor de beoordeling van de gezondheidsrisico's voor kinderen bij blootstelling aan chemische stoffen),

gelet op artikel 152 en 174 van het EG-Verdrag over een betere bescherming van de volksgezondheid en het milieu,

gezien Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013) (2),

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0260/2008),

A.

overwegende dat het met belangstelling vaststelt dat de Europese Unie haar beleid inzake bescherming van de gezondheid sinds 2003 baseert op een nauwere samenwerking tussen de gezondheids-, milieu- en onderzoekssector, hetgeen hoop geeft dat er op termijn een coherente en geïntegreerde Europese strategie voor een gezond milieu zal worden ingevoerd,

B.

overwegende dat de werkzaamheden die de Unie momenteel verricht in het kader van haar eerste Actieplan voor milieu en gezondheid (2004-2010) (COM(2004)0416), te weten de indicatoren voorbereiden, het geïntegreerde toezicht ontwikkelen, relevante gegevens verzamelen en beoordelen en het onderzoek opdrijven, een beter inzicht zullen geven in de interactie tussen de bronnen van de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid, maar duidelijk niet volstaan voor een terugdringing van het toenemende aantal ziekten die door milieufactoren worden veroorzaakt,

C.

overwegende dat het nagenoeg onmogelijk is een tussentijdse balans op te maken van het voornoemde actieplan, aangezien het geen welomlijnde en in cijfers uitgedrukte doelstelling nastreeft en het bovendien moeilijk te bepalen is welk algemeen budget eraan is toegekend en het budget absoluut onvoldoende is voor een efficiënte promotie,

D.

overwegende dat het programma Volksgezondheid (2008-2013) met name gericht is op de traditionele gezondheidsbepalende factoren, zijnde voeding, roken, alcohol- en druggebruik, en het huidige actieplan (2004-2010) zich zou moeten concentreren op bepaalde nieuwe gezondheidsuitdagingen, en bepaalde milieufactoren die schadelijk zijn voor de volksgezondheid, zou moeten onderzoeken, zoals de kwaliteit van de buiten- en binnenlucht, elektromagnetische golven, nanodeeltjes en zeer zorgwekkende chemische stoffen (stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld (CMR's), hormoonontregelaars), alsook op de gezondheidsrisico's door de klimaatverandering,

E.

overwegende dat ademhalingsziekten in de Unie de tweede plaats innemen wat betreft doodsoorzaak, frequentie, prevalentie en kosten, dat ze de belangrijkste doodsoorzaak zijn bij kinderen van jonger dan 5 jaar en dat ze zich blijven ontwikkelen, met name door de verontreiniging van de buiten- en binnenlucht,

F.

overwegende dat luchtvervuiling, en in het bijzonder vervuiling door fijne deeltjes en ozon in de troposfeer, een aanzienlijke bedreiging vormt voor de gezondheid, dat dit schadelijk is voor de ontwikkeling van kinderen en dat dit de levensverwachting in de Unie doet dalen (3),

G.

overwegende dat, in het kader van stedelijke milieugezondheid en in het bijzonder de kwaliteit van binnenlucht, de Gemeenschap, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, meer moet ondernemen om verontreiniging binnenshuis te bestrijden, aangezien de Europese burger gemiddeld 90 % van zijn tijd binnenshuis doorbrengt,

H.

overwegende dat de ministerconferenties van de WHO in 2004 en 2007 over milieu en gezondheid de nadruk hebben gelegd op het verband tussen de complexe gecombineerde invloed van verontreinigende chemische stoffen en een aantal chronische stoornissen en ziekten, met name bij kinderen; overwegende dat deze bekommernissen ook terug te vinden zijn in de officiële documenten van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en het Intergouvernementele Forum voor de veiligheid van chemische stoffen (IFCS),

I.

overwegende dat wetenschappers steeds beter kunnen aantonen dat blaas-, bot-, long-, huid- en borstkanker en andere vormen van kanker niet alleen worden veroorzaakt door de gevolgen van chemische stoffen, straling en deeltjes in de lucht, maar ook door andere milieufactoren,

J.

overwegende dat er naast deze problematische ontwikkelingen op het gebied van milieugezondheid de laatste jaren nieuwe ziekten of ziektesyndromen zijn opgedoken, bijv. het syndroom van de meervoudige chemische overgevoeligheid (MCSS, Multiple Chemical Sensitivity Syndrome), het syndroom van de tandheelkundige amalgamen, de overgevoeligheid voor elektromagnetische stralen, het ziek-gebouw-syndroom of de aantasting van de aandacht en hyperkinetisch gedrag (ADHD, Attention Deficit and Hyperactivity Disorder) bij kinderen,

K.

overwegende dat het voorzorgsbeginsel sinds 1992 uitdrukkelijk is opgenomen in het Verdrag; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen herhaaldelijk heeft gepreciseerd dat de inhoud en de draagwijdte van het beginsel in het Gemeenschapsrecht een van de grondslagen is van het beschermingsbeleid dat de Gemeenschap voert op het gebied van milieu en gezondheid (4),

L.

overwegende dat de criteria die de Commissie in haar mededeling van 2 februari 2000 over het voorzorgsbeginsel (COM(2000)0001) noemt voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel, een bijzonder dwingend karakter hebben en zelfs niet haalbaar zijn,

M.

overwegende dat het belangrijk is biomonitoring bij de mens toe te passen om de graad van blootstelling van de Europese bevolking aan de gevolgen van verontreiniging te evalueren en gezien de wil, door het Parlement verscheidene malen geuit, in punt 3 van zijn voornoemde resolutie van 23 februari 2005 en opgenomen in de conclusies van de Milieuraad van 20 december 2007, om spoed te zetten achter de invoering van een programma voor biomonitoring op EU-niveau,

N.

overwegende dat algemeen erkend is dat de klimaatverandering een belangrijke rol kan spelen in de toename van de ernst en de frequentie van bepaalde ziekten en vooral dat de frequentie van hittegolven, overstromingen en bosbranden, de meest frequente natuurrampen in de Unie, kan leiden tot bijkomende ziekten, slechte hygiënische omstandigheden en sterfgevallen, terwijl tegelijkertijd ook erkend is dat maatregelen om de klimaatverandering in te perken, positieve gevolgen hebben op de gezondheid,

O.

overwegende dat de klimaatverandering belangrijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van de mens omdat onder andere bepaalde besmettelijke en parasitaire ziekten zich zullen ontwikkelen bij temperatuur- en vochtigheidsveranderingen en gevolgen zullen hebben voor ecosystemen, dieren, planten, insecten, parasieten, protozoa, microben en virussen,

P.

overwegende dat Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (5) en de dochterrichtlijnen duidelijke bepalingen bevatten over het behoud en het herstel van schoon water,

Q.

overwegende dat milieugeneeskunde een nieuwe medische discipline is die is gebaseerd op een nog te sterk gefragmenteerde universitaire opleiding, die verschilt van lidstaat tot lidstaat, en zij daarom moet worden gesteund en bevorderd binnen de Unie,

R.

overwegende dat steeds meer mensen lijden onder de gevolgen van milieufactoren en dat een epidemiologische inventaris zou moeten worden opgemaakt om de ziekten in kaart te kunnen brengen die geheel of gedeeltelijk door milieufactoren worden veroorzaakt,

1.

erkent de inspanningen die de Commissie heeft gedaan sinds de start van het actieplan in 2004, hoofdzakelijk op het gebied van de verbetering van de informatieketen met betrekking tot milieu en gezondheid, de integratie en uitbreiding van EU-onderzoek naar milieu en gezondheid en de samenwerking met gespecialiseerde internationale organisaties als de WHO;

2.

is echter van mening dat een dergelijk actieplan de kiem van een halve mislukking in zich draagt, aangezien het alleen bedoeld is ter begeleiding van de bestaande communautaire beleidsvoering, het niet berust op een preventiebeleid ter vermindering van ziekten die worden veroorzaakt door milieufactoren en het geen welomlijnde en in cijfers uitgedrukte doelstelling nastreeft;

3.

vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat onder auspiciën van de WHO al een programma werd uitgevoerd waarbij de lidstaten van de WHO hun eigen nationale en plaatselijke milieugezondheidsactieplannen hebben opgesteld met specifieke doelstellingen en uitvoeringsplannen; beveelt derhalve de Commissie aan om dit WHO-programma opnieuw te bekijken als een mogelijk model dat de Unie in de toekomst ook als nuttig voorbeeld kan nemen;

4.

betreurt ten zeerste dat de Commissie, en meer bepaald haar directoraat-generaal Onderzoek, niet heeft gezorgd voor een adequate financiering voor biomonitoring bij de mens voor het jaar 2008, ten einde een coherente benadering van biomonitoring in de Unie in te voeren, zoals ze beloofd had aan de lidstaten en het Parlement;

5.

verzoekt de Commissie tevens tegen 2010 te voldoen aan twee essentiële doelstellingen die ze zichzelf gesteld heeft in 2004 en een uitvoerbare communicatiestrategie op te stellen en toe te passen voor deze doelstellingen, zijnde enerzijds het sensibiliseren van de burgers voor milieuvervuiling en de gevolgen ervan voor hun gezondheid en anderzijds het evalueren en aanpassen van het Europese beleid inzake risicovermindering;

6.

beveelt de Commissie en de lidstaten sterk aan hun verplichtingen inzake de toepassing van de communautaire wetgeving na te komen;

7.

benadrukt dat bij de evaluatie van de gevolgen van milieufactoren voor de gezondheid eerst en vooral rekening moet worden uitgegaan van kwetsbare groepen zoals zwangere vrouwen, pasgeboren baby's, kinderen en bejaarden;

8.

roept op om in het bijzonder rekening te houden met kwetsbare groepen die het gevoeligst zijn voor verontreinigende stoffen door, dankzij de goedkeuring van gezonde praktijken inzake binnenluchtkwaliteitsbeheer, maatregelen in te voeren die de blootstelling aan verontreinigende stoffen in binnenmilieus in de gezondheidssector en in het onderwijs beperken;

9.

dringt er bij de Commissie op aan om bij de herziening van de huidige wetgeving, deze wetgeving onder invloed van lobby's of regionale of internationale organisaties niet te verzwakken;

10.

wijst er andermaal op dat de Unie steeds voor een dynamische en flexibele benadering van het actieplan moet kiezen; acht het daarom belangrijk dat zij zich specifieke deskundigheid op het gebied van milieugezondheid eigen maakt die berust op een transparante en multidisciplinaire aanpak met hoor en wederhoor en aldus een antwoord biedt op het wantrouwen van het publiek in het algemeen ten opzichte van agentschappen en officiële comités van deskundigen; wijst op het belang van een betere opleiding van gezondheidsdeskundigen met name door middel van een uitwisseling van beste praktijken op communautair niveau;

11.

benadrukt dat er de laatste jaren werkelijk vooruitgang is geboekt op het gebied van het milieubeleid, bijvoorbeeld wat betreft de vermindering van de luchtverontreiniging, de verbetering van de waterkwaliteit, het beleid inzake afvalinzameling en -recycling, de controle van chemische stoffen en het verbod op loodhoudende benzine, maar stelt tegelijkertijd vast dat het Europese beleid gekenmerkt blijft door het gebrek aan een algemene en preventieve strategie en het achterwege blijven van de toepassing van het voorzorgsbeginsel;

12.

verzoekt de Commissie derhalve de criteria die zijn opgenomen in haar voornoemde mededeling over het voorzorgsbeginsel, te herzien in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zodat het beginsel van actie en veiligheid, gebaseerd op de goedkeuring van voorlopige en evenredige maatregelen, centraal komt te staan in het communautaire beleid inzake gezondheid en milieu;

13.

is van mening dat de omkering van de bewijslast, waarbij de producent of importeur moet bewijzen dat het product onschadelijk is, de bevordering van een op preventie gebaseerd beleid mogelijk zou maken, zoals overigens ook bepaald in Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (6), en moedigt de Commissie in dit opzicht aan deze verplichting uit te breiden tot de Gemeenschapswetgeving voor alle producten; is van mening dat een toename van dierproeven in het kader van het actieplan moet worden voorkomen en dat veel aandacht moet worden besteed aan de ontwikkeling en de toepassing van alternatieve methodes;

14.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om zo snel mogelijk concrete maatregelen over de binnenluchtkwaliteit voor te stellen voor een betere bescherming van de veiligheid en gezondheid van binnenmilieus, vooral bij het herzien van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (7), en om maatregelen voor te stellen om de energie-efficiëntie van gebouwen, alsmede de veiligheid en onschadelijkheid van chemische elementen die worden gebruikt bij de constructie van uitrusting en meubilair, te verhogen;

15.

adviseert de Commissie, teneinde de schadelijke gevolgen van het milieu voor de gezondheid te verminderen, de lidstaten op te roepen om de marktspelers via belastingvoordelen en/of andere economische stimuleringsmaatregelen ertoe aan te zetten in hun gebouwen, vestigingen en kantoren de kwaliteit van de binnenlucht te verbeteren en de blootstelling aan elektromagnetische straling te beperken;

16.

adviseert de Commissie gepaste minimumeisen in te voeren om de kwaliteit van binnenlucht in nieuwbouw te garanderen;

17.

adviseert de Commissie om bij de toekenning van individuele Europese steun bij de betreffende projecten, naast de aandacht voor milieubeschermingscriteria, ook te letten op de kwaliteit van de binnenlucht, de blootstelling aan elektromagnetische straling en de gezondheid van bepaalde kwetsbare groepen;

18.

dringt aan op het uitwerken van milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen in water overeenkomstig de laatste wetenschappelijke bevindingen en deze normen regelmatig aan te passen aan nieuwe wetenschappelijke kennis;

19.

wijst erop dat bepaalde lidstaten met succes mobiele analyselaboratoria of „milieuambulances” hebben ingevoerd, om snel en betrouwbaar een diagnose te maken van de verontreiniging van het binnenmilieu in openbare en privé-gebouwen; is van mening dat de Commissie deze praktijk zou kunnen bevorderen bij de lidstaten die nog niet beschikken over dit middel om direct in te grijpen op de verontreinigde site;

20.

drukt zijn bezorgdheid uit over de gebrekkige specifieke wettelijke bepalingen inzake de veiligheid van verbruiksgoederen die nanodeeltjes bevatten en over de passieve houding van de Commissie, die de regelgevingen voor het gebruik van nanodeeltjes in verbruiksgoederen zou moeten herzien, aangezien verbruiksgoederen met nanodeeltjes in steeds grotere hoeveelheden op de markt worden gebracht;

21.

is diep onder de indruk van het internationale rapport Bio-Initiative (8) over elektromagnetische velden, dat een synthese is van meer dan 1 500 studies ter zake en waarin in de conclusies gewezen wordt op de gezondheidsgevaren van de stralingen van mobiele telefonie, zoals gsm's, UMTS-Wifi-Wimax-Bluetooth en draagbare telefoons met een vast basisstation (DECT-telefoons);

22.

stelt vast dat de limieten voor blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden verouderd zijn, aangezien ze niet meer aangepast zijn sinds Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz tot 300 GHz (9), dat in deze limieten uiteraard geen rekening is gehouden met de ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologieën noch met de aanbevelingen van het Europees Milieuagentschap of de strengere emissienormen die bijvoorbeeld in België, Italië en Oostenrijk zijn opgelegd, en dat er niets is ondernomen voor kwetsbare groepen zoals zwangere vrouwen, pasgeboren baby's en kinderen;

23.

verzoekt de Raad bijgevolg zijn Aanbeveling 1999/519/EG te wijzigen om rekening te houden met de beste werkmethoden van de lidstaten en aldus de strengste blootstellingsnormen vast te leggen voor alle apparaten die elektromagnetsiche golven uitzenden in het frequentiebereik 0,1 MHz-300 GHz;

24.

neemt de meervoudige gezondheidsbedreigingen die gepaard gaan met de opwarming van het klimaat op het grondgebied van de Unie zeer ernstig op en roept op tot een versterkte samenwerking tussen de WHO, de nationale controle-instanties, de Commissie en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding teneinde het systeem voor vroegtijdige waarschuwing te versterken en zo de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor de gezondheid te beperken;

25.

benadrukt dat het een goede zaak zou zijn om dit actieplan te verruimen tot de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering voor de volksgezondheid door de nodige doeltreffende aanpassingsmaatregelen op communautair niveau uit te werken. Deze maatregelen kunnen bestaan uit:

systematische voorlichting van de bevolking en bewustwordingsprogramma's;

de integratie van aanpassingsmaatregelen inzake klimaatverandering in volksgezondheidsstrategieën en -programma's op het gebied van bijvoorbeeld besmettelijke en niet-besmettelijke ziekten, gezondheid op het werk en dierziektes die schadelijk zijn voor de volksgezondheid;

goede controle waardoor de uitbraak van een ziekte vroegtijdig kan worden onderkend;

alarm- en reactiesystemen op het gebied van gezondheid;

coördinatie tussen bestaande milieucontrolenetwerken en netwerken voor uitbraak van ziekten;

26.

verzoekt de lidstaten en de Commissie adequaat te reageren op de nieuwe bedreigingen ten gevolg van de klimaatverandering, zoals het toenemende aantal nieuwe virussen en niet-ontdekte ziekteverwekkers, en in dat verband gebruik te maken van nieuwe, reeds bestaande technologieën voor het reduceren van ziekteverwekkers, die bekende en niet-ontdekte virussen en andere via het bloed overgedragen ziekteverwekkers reduceren;

27.

betreurt dat bij de laatste kosten-batenanalyse „Naar 20-20 in 2020 — Kansen van klimaatverandering voor Europa” (COM(2008)0030) enkel rekening werd gehouden met de voordelen voor de gezondheid van minder luchtvervuiling bij 20 % minder uitstoot van broeikasgassen tegen 2020; verzoekt de Commissie om in het kader van een effectbeoordeling snel de (secondaire) bijkomende voordelen voor de gezondheid te onderzoeken die voortvloeien uit de uiteenlopende streefcijfers, overeenkomstig de aanbevelingen van het internationale panel voor klimaatverandering om tegen 2020 de uitstoot van binnenlandse broeikasgassen te verlagen met 25 % tot 40 %, en indien mogelijk tot 50 % of meer;

28.

verzoekt de Commissie om aandacht te besteden aan het ernstige probleem van geestelijke gezondheid aangezien het aantal zelfdodingen in de Unie hoog is, en om meer middelen ter beschikking te stellen voor de ontwikkeling van goede preventiestrategieën en -therapieën;

29.

herhaalt dat de Commissie en de lidstaten het actieplan voor Europa „Kind, milieu en gezondheid” van de WHO moeten helpen promoten middels een communautair en bilateraal ontwikkelingsbeleid en moeten helpen gelijksoortige processen buiten de Europese regio van de WHO te stimuleren;

30.

verzoekt de Commissie om in haar tweede actieplan opnieuw het SCALE-initiatief op te nemen (Science, Children, Awareness, Legal instrument, Evalutation) inzake de vermindering van de blootstelling aan verontreinigende stoffen, dat deel uitmaakt van de Europese strategie voor milieu en gezondheid (COM(2003)0338);

31.

dringt er bij de Commissie op aan instrumenten te ontwikkelen en aan te reiken om het uitwerken en bevorderen van innoverende oplossingen aan te moedigen, zoals werd benadrukt in de agenda van Lissabon, met als doel belangrijke gezondheidsrisico's die worden veroorzaakt door belastende milieufactoren te beperken;

32.

dringt er bij de Raad op aan onverwijld tot een besluit te komen inzake het voorstel voor een verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Unie, aangezien het Parlement reeds op 18 mei 2006 zijn standpunt heeft vastgesteld (10); is van oordeel dat de nieuwe verordening die samen met andere maatregelen de drempels zal verlagen voor de inwerkingtreding van het Solidariteitsfonds van de Unie, het mogelijk zal maken om de schade ten gevolge van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen doeltreffender, flexibeler en sneller te verhelpen; onderstreept dat een dergelijk financieel instrument zeer belangrijk is, met name omdat wordt aangenomen dat natuurrampen zich in de toekomst vaker zullen voordoen, ook ten gevolge van de klimaatverandering;

33.

adviseert de Commissie om de kleine en middelgrote ondernemingen, die in Europa een belangrijke economische rol spelen, technische ondersteuning te bieden zodat zij, met deze hulp, kunnen voldoen aan de eisen in de verordeningen inzake milieugezondheid en zodat zij gestimuleerd worden om andere maatregelen te nemen die de gezondheid van het milieu bevorderen en die de werking van het bedrijf beïnvloeden;

34.

beveelt de Commissie aan om voor 2010 en met het oog op de „tweede cyclus” van het actieplan voor milieu en gezondheid de maatregelen te richten op de kwetsbare bevolkingsgroepen en nieuwe risicobeoordelingsmethoden uit te werken rekening houdend met het fundamentele belang van de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen, zwangere vrouwen en bejaarden;

35.

dringt er bijgevolg bij de Commissie en de lidstaten op aan de voordelen te erkennen van preventie- en voorzorgsbeginselen, en hulpmiddelen te ontwikkelen en in te voeren waarmee mogelijke risico's voor de gezondheid en het milieu kunnen worden opgespoord en voorkomen; adviseert de Commissie de „tweede cyclus” van dit actieplan te begroten en te zorgen voor de financiering waarin rekening wordt gehouden met een hoger aantal concrete maatregelen om de milieugevolgen voor de gezondheid te verminderen en preventie- en voorzorgsbeginselen in te voeren;

36.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de WHO.


(1)  PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 264.

(2)  PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3.

(3)  Rapport getiteld „Het milieu in Europa, de vierde evaluatie. Samenvatting”. Europees Milieuagentschap (10.10.2007).

(4)  Arrest van 23 september 2003 in de zaak C-192/01, Commissie tegen Denemarken, Jurispr. 2003, blz. I-9693; arrest van 7 september 2004 in de zaak C-127/02, Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee en Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, Jurispr. 2004, blz. I-7405.

(5)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(6)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1. Rectificatie in PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.

(7)  PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12.

(8)  Een groep onafhankelijke wetenschappers heeft dit rapport gepubliceerd op 31 augustus 2007. Het kan worden geraadpleegd op: www.bioinitiative.org.

(9)  PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.

(10)  PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 331.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/89


Donderdag, 4 september 2008
Staatsgreep in Mauritanië

P6_TA(2008)0411

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de staatsgreep in Mauritanië

2009/C 295 E/21

Het Europees Parlement,

gezien de verklaringen van zijn Voorzitter, het fungerend Voorzitterschap van de Raad namens de Europese Unie, de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de Commissie, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de Afrikaanse Unie (AU), de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) en de Organisation internationale de la Francophonie (OIF) naar aanleiding van de staatsgreep,

gezien het tweede bezoek aan Mauritanië sinds de staatsgreep van de Speciale Vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor West-Afrika, Said Djinnit,

gezien het oprichtingsverdrag van de AU, waarin elke poging tot gewelddadige machtsgreep wordt veroordeeld,

gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat op 6 augustus 2008 in Mauritanië een staatsgreep heeft plaatsgevonden, waarbij de Mauritaanse president Sidi Mohamed Ould Cheikh Abdallahi werd afgezet door een groep van de hoogste generaals die hij eerder die dag had ontslagen,

B.

overwegende dat de wetgevende verkiezingen van november en december 2006, de senaatsverkiezingen van januari 2007 en de verkiezing van president Sidi Mohamed Ould Cheikh Abdallahi in maart 2007 als eerlijk en transparant zijn bestempeld door de internationale waarnemers, inclusief de waarnemers van de Europese Unie, in het bijzonder de waarnemingsmissies op initiatief van het Europees Parlement, dat zich op die manier garant heeft gesteld voor de wettelijkheid van deze verkiezingen,

C.

overwegende dat meer dan twee derde van de leden van het Mauritaanse parlement een verklaring hebben ondertekend, waarin zij hun steun betuigen aan de aanvoerder van de coup, Mohamed Ould Abdel Aziz, en de overige generaals dat de wetgevende macht in juni 2008 in een motie van wantrouwen president Abdallahi ertoe had opgeroepen zijn regering onmiddellijk te herschikken, en dat 49 parlementsleden ontslag hebben genomen nadat president Abdallahi 12 ministers had aangesteld die deel hadden uitgemaakt van het zeer onpopulaire voorgaande regime,

D.

overwegende dat de beslissingen over de politieke, economische en maatschappelijke toekomst van Mauritanië enkel en alleen mogen worden genomen door de verkozen vertegenwoordigers van het volk en dat democratie een bevoegdheidsevenwicht impliceert tussen de uitvoerende en de wetgevende macht, die beide door de kiezer gelegitimeerd zijn,

E.

overwegende dat de staatsgreep plaats heeft gehad in een bedenkelijke economische en sociale context en dat ontwikkeling de beste garantie biedt voor het welslagen van de democratie,

F.

zijn voldoening uitsprekend over de voortgang die is geboekt op het vlak van de terugkeer van de vluchtelingen en het aannemen van de wet tot strafbaarstelling van de slavernij in het land,

G.

gezien de steun van de EU aan de overgang naar democratie en het steunprogramma voor een bedrag van 156 000 000 EUR voor de periode 2008/2013 in het kader van het tiende Europese Ontwikkelingsfonds, ter aanvulling van de bestaande hulp en de 335 000 000 EUR aan steun die sinds 1985 zijn toegekend,

H.

overwegende dat de Wereldbank voor 175 000 000 USD aan steun voor Mauritanië heeft geblokkeerd en dat deze opschorting gevolgen zal hebben voor zo'n 17 nationale projecten in Mauritanië en de deelneming van het land aan regionale projecten van de Wereldbank, onder meer betreffende plattelandsontwikkeling, gezondheid, onderwijs, infrastructuur en wegenaanleg,

I.

overwegende dat een democratisch Mauritanië een stabiliteitspool zou zijn in een uitermate kwetsbare subregio, met enerzijds de aanwezigheid, in de Sahara, aan de noord-oostelijke grens met Algerije en Mali, van de „groupe salafiste pour la prédication et le combat”, nu uitgegroeid tot Al Qaida in de grote Islamitische Maghreb, en anderzijds de Touareg-rebellen,

J.

overwegende dat het „constitutionele besluit” waarin de junta haar bevoegdheden omschrijft en waarop zij zich beroept om per decreet te regeren, geen enkele rechtsgrondslag heeft,

1.

veroordeelt de militaire staatsgreep door de Mauritaanse generaals, de tweede in dat land in drie jaar tijd, die volstrekt haaks staat op de grondwettelijkheid en de internationaal erkende democratische resultaten van de verkiezingen; betreurt deze teruggang, vooral gezien de merkbare vooruitgang die de jongste jaren in Mauritanië was geboekt in de totstandbrenging van de democratie en de rechtsstaat; dringt erop aan dat een eind wordt gemaakt aan de huidige politieke spanningen in Mauritanië, binnen het institutionele kader dat het resultaat is van de overgang naar democratie, en dat de grondwettelijke en maatschappelijke orde zo spoedig mogelijk worden hersteld;

2.

dringt aan op onmiddellijke vrijlating van president Sidi Mohamed Ould Cheikh Abdallahi, premier Yahya Ould Ahmed el-Waghef en de andere regeringsleden die nog steeds op verschillende plaatsen onder huisarrest staan;

3.

verlangt volstrekte eerbied voor de grondwettelijkheid van de bevoegdheden van de president en het parlement van Mauretanië, hetgeen impliceert dat de mechanismen die het samenspel regelen tussen de president en het parlement, alsook de evenwichtsmechanismen tussen de uitvoerende en de wetgevende macht tot stand komen met inachtneming en in het kader van het grondwet; waarvan de wijzigingen, die voor meer stabiliteit moeten zorgen, ook volstrekt grondwettelijk moeten zijn en het onderwerp moeten uitmaken van een breed debat tussen alle politieke formaties;

4.

is van mening dat een vrijmoedig en oprecht debat tussen de voornaamste politieke geledingen de routes en de grondwettelijke middelen moet bepalen om een eind te maken aan de crisis;

5.

spreekt zijn voldoening uit over de terugkeer van de vluchtelingen, de goedkeuring van een wet tot strafbaarstelling van de slavernij en het wetsontwerp betreffende de liberalisering van de media; betreurt het achterwege blijven van een democratische regeling voor het „humanitaire tekort” en het geweld in de loop van 1990 tegen de zwarte Mauritaanse gemeenschap, ondanks de beloftes van de president om een onderzoekscommissie in te stellen;

6.

dringt erop aan dat de vluchtelingen die naar Mauritanië zijn teruggekeerd in hun rechten worden hersteld en dat zij de goederen die hun waren ontnomen terugkrijgen;

7.

dringt erop aan dat het Mauritaanse volk, dat al zwaar gebukt gaat onder de economische crisis en de hongersnood, niet ook nog wordt gegijzeld door de huidige crisis, en verzoekt de Commissie projecten op te starten ter ondersteuning van het maatschappelijke middenveld in het kader van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten;

8.

neemt er kennis van dat de militaire junta nieuwe presidentsverkiezingen heeft aangekondigd, maar betreurt dat zij, in tegenstelling tot de junta die tussen 2005 en 2007 aan de macht is geweest, geen enkele verbintenis is aangegaan om neutraliteit te garanderen; dringt er bij de militaire machthebbers op aan dat zij zich onverwijld vastleggen op een tijdschema voor het herstel van de democratische instellingen in overleg met alle politieke geledingen;

9.

zegt zijn steun toe aan de inspanningen van de AU om door het gezond verstand tot een oplossing van de crisis te komen;

10.

verzoekt de Commissie een politieke dialoog op gang te brengen, overeenkomstig artikel 8 van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (1), als gewijzigd te Luxemburg op 24 juni 2005 (Overeenkomst van Cotonou), met als doel de grondwettelijkheid te herstellen, en wenst door de Commissie op de hoogte te worden gehouden van de resultaten van deze dialoog; verlangt dat, indien deze dialoog op niets uitloopt, artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou opnieuw wordt geactiveerd, hetgeen kan leiden tot het bevriezen van de steun, met uitzondering van de humanitaire en de voedselhulp;

11.

dringt er op aan dat het fungerend Voorzitterschap van de Raad, in nauwe samenwerking met de AU, de politieke situatie in het land nauwkeurig blijft volgen en de veiligheid van de EU-ingezetenen waarborgt;

12.

dringt erop aan dat zo spoedig mogelijk een parlementaire delegatie te sturen om er de Mauritaanse collega's te ontmoeten en hulp aan te bieden om uit de crisis te geraken;

13.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse staten, de Organisation internationale de la francophonie en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.


(1)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/92


Donderdag, 4 september 2008
Executies in Iran

P6_TA(2008)0412

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over executies in Iran

2009/C 295 E/22

Het Europees Parlement,

onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name die welke de mensenrechten betreffen, en meer in het bijzonder zijn resolutie van 19 juni 2008 (1) over de executie van jeugdige overtreders in Iran,

gezien de verklaring die het voorzitterschap op 13 juni 2008 namens de Europese Unie over de executie van Mohammad Hassanzadeh heeft afgelegd,

gezien de verklaring die het voorzitterschap op 18 juli 2008 namens de Europese Unie over de toepassing van de doodstraf in Iran heeft afgelegd,

gezien de verklaring die het voorzitterschap op 29 juli 2008 namens de Europese Unie over de executie van 29 personen in de Evin-gevangenis in Iran heeft afgelegd,

gezien de verklaring die het voorzitterschap namens de Europese Unie op 25 augustus 2008 over de executie door ophanging van Reza Hejazi heeft afgelegd,

gezien de verklaringen die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie over de dreigende executie van Behnood Shojaee en Bahman Soleimanian op 19 en 28 augustus 2008 heeft afgelegd,

gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, met name resolutie A/RES/62/168 van 18 december 2007 over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran en resolutie A/RES/62/149 van 18 december 2007 over een moratorium op de toepassing van de doodstraf,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van het kind, die alle door de Islamitische Republiek Iran zijn ondertekend,

gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat, volgens Amnesty International, er dit jaar tot nu toe minstens 191 executies in Iran zijn uitgevoerd, terwijl er in 2007 in Iran meer executies werden uitgevoerd — 317 — dan in om het even welk ander land in de wereld behalve China, hoewel de bevolking van Iran 18 maal kleiner is dan die van China,

B.

overwegende dat er op 27 juli 2008 in de Evin-gevangenis in Teheran 29 personen tegelijkertijd werden geëxecuteerd,

C.

overwegende dat op 10 juni 2008 de 16-jarige Mohammad Hassanzadeh, een Iraanse Koerd, werd geëxecuteerd voor een misdaad die hij op 14-jarige leeftijd had gepleegd; overwegende dat op 22 juli 2008 de jeugdige overtreders Hassan Mozafari en Rahman Shahidi werden geëxecuteerd, en dat op 19 augustus 2008 de 19-jarige Reza Hezjazi werd opgehangen voor een moord die hij zou hebben gepleegd toen hij 15 was; overwegende dat op 26 augustus 2008 de 19-jarige Behnam Zare werd geëxecuteerd voor een overtreding die hij op 15-jarige leeftijd heeft begaan, waardoor hij al de zesde jeugdige overtreder is die in 2008 wordt terechtgesteld,

D.

overwegende dat noch de familie van Zare of van Hezjazi, noch hun advocaat op de hoogte werden gesteld van het tijdstip en de plaats van de geplande executies, wat in strijd is met het Iraanse recht,

E.

overwegende dat de jeugdige overtreders Amir Marollahi, Behnood Shojaee, Mohammed Fadaei en Bahman Soleimanian binnenkort dreigen te worden geëxecuteerd,

F.

overwegende dat de executie van jeugdige overtreders krachtens het internationaal recht verboden is, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en van het Verdrag inzake de rechten van het kind; overwegende dat momenteel minstens 130 kinderen en kinderen die een overtreding hebben begaan op de dood wachten, ondanks de wettelijke verplichtingen van Iran,

G.

overwegende dat activisten die ijveren voor de rechten van minderheden steeds meer met de doodstraf worden bedreigd, zoals Yaghoub Mehrnehad, een etnische Baluch en uitvoerend directeur van de Voice of Justice Youth Association, die op 4 augustus 2008 werd geëxecuteerd nadat hij lokale gezagsdragers in het openbaar aan de kaak had gesteld door te eisen dat ze verantwoording zouden afleggen voor hun geringe prestaties,

H.

overwegende dat een andere activist die ijvert voor de rechten van minderheden, de Koerdische leraar Farzad Kamangar, zonder bewijzen ter dood is veroordeeld omdat hij de wapens zou hebben opgenomen tegen de staat,

I.

overwegende dat bekentenissen vaak na foltering en zonder bijstand van een advocaat worden verkregen, en dat de rechtsgang niet voldoet aan de minimumnormen waaraan voldaan moet zijn om een eerlijk proces te waarborgen,

J.

overwegende dat het Iraanse gerecht op 5 augustus 2008 heeft aangekondigd het gebruik van steniging als executiemiddel op te schorten, met als gevolg dat 10 anonieme vrouwen voor wie steniging dreigde, niet zouden worden gestenigd,

K.

overwegende dat er redenen tot bezorgdheid zijn over het feit dat leden en sympathisanten van de Iraanse oppositie, die momenteel overeenkomstig artikel 27 van het vierde Verdrag van Genève samen worden beschermd in kamp Ashraf in het noorden van Irak door multinationale troepen onder leiding van de VS, dreigen te worden uitgewezen of worden gedwongen om naar Iran terug te keren, waar hen zware vervolging of mogelijks zelfs de doodstraf zou kunnen wachten,

1.

is ten zeerste ontstemd over de recente executie van meerdere jeugdige overtreders in Iran, waardoor Iran het enige land ter wereld is waar deze zware en onmenselijke straf in 2008 nog wordt toegepast;

2.

vestigt met name de aandacht op het lot van Soghra Najafpour, die bijna de volledige afgelopen 19 jaar van haar leven gevangen zat in afwachting van de doodstraf voor een moord die werd begaan toen ze 13 was;

3.

verzoekt het hoofd van de rechterlijke macht, Ayatollah Mahmoud Hashemi Sharoudi, alle doodstraffen voor jeugdige overtreders stelselmatig om te zetten in een andere straf, en verzoekt de Iraanse autoriteiten met klem de executie van Amir Marollahi, Behnood Shojaee, Mohammed Fadaei en Bahman Soleimanian niet uit te voeren;

4.

veroordeelt stellig het toenemend aantal executies en verzoekt de Iraanse autoriteiten met klem een moratorium op de toepassing van de doodstraf in te voeren, met het oog op de afschaffing van de doodstraf overeenkomstig de resolutie die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 18 december 2007 heeft goedgekeurd;

5.

herhaalt zijn verzoek aan de leden van de Majlis om de wetgeving dringend te wijzigen, ten einde te waarborgen dat niemand wordt geëxecuteerd voor een misdaad die werd begaan toen hij of zij jonger dan 18 was en de leeftijd voor juridische aansprakelijkheid op te trekken tot de internationale normen;

6.

steunt de wetgevingsinspanningen in Iran om een afzonderlijk wetgevend en gerechtelijk stelsel in te voeren voor jeugdige overtreders, en verzoekt de leden van de Majlis maatregelen te nemen met het oog op opvoeding en sociale reclassering van jeugdige overtreders; verzoekt de Commissie de Iraanse autoriteiten te steunen bij elk verzoek om internationale samenwerking op dit gebied;

7.

veroordeelt met klem de vervolging en opsluiting van burgers in Iran die ijveren voor de verdediging van de mensenrechten en campagne voeren tegen de doodstraf, en die doorgaans worden beschuldigd van „activiteiten tegen de nationale veiligheid”; dringt met name aan op de onvoorwaardelijke vrijlating van Emadeddin Baghi en Mohammad Sadegh Kabovand, alsook op de omzetting van de doodstraf voor Farzad Kamangar en op een nieuw onderzoek naar zijn zaak;

8.

is verheugd over de recente aankondiging van de opschorting van steniging als executiemiddel; is evenwel bezorgd over het feit dat in het voorstel voor een hervorming van het strafwetboek waarover de Majlis zich momenteel buigt, steniging nog wordt behouden voor bepaalde vormen van overspel, en verzoekt de leden van de Majlis zich te verbinden tot de volledige afschaffing van steniging;

9.

verzoekt de Iraakse en de Amerikaanse autoriteiten geen Iraanse oppositieleden, vluchtelingen of asielzoekers voor wie ernstig vervolgingsgevaar dreigt gedwongen naar Iran te doen terugkeren, en meer bepaald met de UNHCR en andere organisaties samen te werken om een bevredigende oplossing op de lange termijn te vinden voor de situatie van diegenen die momenteel in kamp Ashraf vastzitten;

10.

verzoekt om indiening op de Algemene Vergadering van de VN van een resolutie die alle landen die de doodstraf kennen, oproept aan de secretaris-generaal van de VN en aan het publiek alle informatie inzake de doodstraf en de executies ter beschikking te stellen, om het staatsgeheim over de doodstraf te ondervangen, dat ook een rechtstreekse oorzaak is van een groot aantal executies;

11.

vraagt dat de nieuwe resolutie voorziet in de aanstelling van een bijzondere gezant van de secretaris-generaal die tot taak heeft toezicht te houden op de toestand, te zorgen voor een maximale transparantie van het doodstrafuitvoeringssysteem en een intern proces te bevorderen dat gericht is op de uitvoering van de VN-resolutie inzake het moratorium op executies

12.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran, de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Raad voor de mensenrechten van de VN, de hoge commissaris voor de vluchtelingen van de VN, en de regeringen van de Verenigde Staten en Irak.


(1)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0314.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/94


Donderdag, 4 september 2008
Vermoorden van albino's in Tanzania

P6_TA(2008)0413

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over het vermoorden van albino's in Tanzania

2009/C 295 E/23

Het Europees Parlement,

onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over ernstige schendingen van de mensenrechten,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren dat werd aangenomen op 27 juni 1981 en in werking is getreden op 21 oktober 1986,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat werd aangenomen op 20 november 1989 en in werking is getreden op 2 september 1990, en dat bindend is en zonder uitzondering wordt toegepast,

gezien de VN-Verklaring over de rechten van personen behorende tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden van 18 december 1992,

gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat volgens ngo's en mediaverslagen, bevestigd door de regering van Tanzania, sinds maart 2008 ten minste 25 albino's, waaronder kinderen, werden vermoord en verminkt in het Lake Victoria-gebied, met name in Mwanza, Shinyanga en Mara, waar veel albino's wonen,

B.

overwegende dat de drie voornoemde regio's ook berucht zijn voor, naast het vermoorden van albino's, het vermoorden van mensen waarvan wordt geloofd dat ze heksen of tovenaars zijn; overwegende dat enkel geruchten vaak volstaan voor een woedende menigte om een persoon die wordt verdacht van hekserij te vermoorden,

C.

overwegende dat de moorden op albino's volgens de Tanzaniaanse autoriteiten het werk zijn van georganiseerde bendes die worden ingehuurd door medicijnmannen,

D.

overwegende dat de media in Dar es Salaam hebben meegedeeld dat 173 mensen zijn aangehouden in verband met de moorden op albino's in Tanzania, waaronder een groot aantal medicijnmannen en hun cliënten,

E.

overwegende dat medicijnmannen, volgens de nationale politie, afgehakte lichaamsdelen en het bloed van albino's verkopen aan mijnwerkers en vissers, die geloven dat dit hen geluk, gezondheid en rijkdom kan brengen,

F.

overwegende dat deze moorden hebben gezorgd voor grote bezorgdheid en angst bij de albinogemeenschap, aangezien ze zich momenteel zeer onveilig voelen en zelfs bang zijn om alleen te blijven, te wandelen of te reizen, om de mogelijke risico's te ontlopen,

G.

overwegende dat 36 % van de Tanzaniaanse bevolking beneden de nationale armoedegrens leeft; overwegende dat de toegang tot gezondheidszorg erg beperkt is, waardoor de bevolking vaak een beroep doet op medicijnmannen en traditionele genezers,

H.

overwegende dat albino's een minderheid vormen en dat de discriminatie van albino's een ernstig probleem is in heel Afrika ten zuiden van de Sahara; overwegende dat albinisme ongeveer één op 20 000 mensen in de wereld treft,

I.

overwegende dat volgens een studie van het ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) bijna de helft van de ouders van albinokinderen zich schaamde ten tijde van de geboorte van het kind; overwegende dat vrouwelijke albino's worden gediscrimineerd door andere vrouwen en overwegende dat vrouwen die bevallen van albinobaby's vaak worden beschimpt of verworpen en worden gediscrimineerd op het werk; overwegende dat ongeveer twee derde van de ouders aangaf dat specifieke gezondheidsinterventies voor albinokinderen duur zijn, en dat de helft meedeelde dat hun kinderen ernstige problemen hebben met hun zicht; overwegende dat 83 % echter aangaf dat hun kinderen even goed presteren op school als alle andere kinderen,

1.

veroordeelt ten stelligste de moorden op albino's in Tanzania en het vermeende verhandelen van hun lichaamsdelen;

2.

is verheugd over de veroordeling van de moorden op albino's door de president van Tanzania, Jakaya Mrisho Kikwete, en zijn belofte om inspanningen te leveren om deze misdaden een halt toe te roepen; benadrukt dat deze woorden moeten worden gevolgd door daden;

3.

feliciteert de Tanzaniaanse president Jakaya Mrisho Kikwete met zijn besluit om mevrouw Al-Shymaa Kway-Geer te benoemen als eerste albino-parlementslid, vanwege haar overtuiging om de discriminatie te bestrijden waar zij en andere albino's onder lijden;

4.

steunt en is verheugd over de stappen die tot dusver werden genomen door de Tanzaniaanse regering, zoals de organisatie van een albinotelling en de totstandbrenging van een dienst voor politiebegeleiding voor albinokinderen; sluit zich aan bij de vraag van de Tanzaniaanse parlementsleden naar verdere maatregelen van de regering om de fundamentele oorzaken van het probleem aan te pakken en alle discriminatie tegen albino's een halt toe te roepen;

5.

roept de Tanzaniaanse autoriteiten, plaatselijke overheden en het maatschappelijk middenveld op samen te werken om alle albino's te beschermen; dringt er bij de Tanzaniaanse regering op aan onmiddellijk maatregelen te treffen, het maatschappelijk bewustzijn te bevorderen en informatie te verstrekken over albinisme; is van oordeel dat dergelijke maatregelen vooral in landelijke gebieden moeten worden geïmplementeerd, waar mensen vaak minder opgeleid en meer bijgelovig zijn;

6.

is verheugd over de arrestatie van 173 verdachten vorige maand in verband met de moorden op albino's in Tanzania; dringt er ten stelligste bij de autoriteiten op aan de verantwoordelijken snel voor een rechtbank te brengen;

7.

stelt met teleurstelling vast dat een onderzoeksjournaliste, Vicky Ntetema, is ondergedoken nadat ze doodsbedreigingen had ontvangen omdat ze had aangetoond dat medicijnmannen en politiemensen betrokken waren bij de moorden; dringt er bij de Tanzaniaanse autoriteiten op aan een diepgaand en onafhankelijk onderzoek naar deze beschuldigingen, geuit door Vicky Ntetema, in te stellen;

8.

drukt zijn waardering en steun uit voor het werk van de Tanzaniaanse vereniging van albino's, die steun biedt aan de albinogemeenschap; roept de Commissie op deze vereniging actief te steunen, alsook haar oproep aan academici, religieuze leiders en mensenrechtenactivisten om het publiek bewust te maken dat het vermoorden van albino's sociaal en moreel onaanvaardbaar is;

9.

roept de Commissie op de inspanningen van het UNDP te steunen om albino's in Afrika te beschermen en te steunen;

10.

is van mening dat de beste manier om de rechten van de Tanzaniaanse albino's te beschermen erin bestaat hen gelijke toegang te garanderen tot kwalitatief hoogstaand onderwijs en gezondheidszorg, binnen het kader van een integratiebeleid, en te zorgen voor adequate sociale en juridische bescherming;

11.

roept de Commissie en de lidstaten op de Tanzaniaanse regering, de ngo's en het maatschappelijk middenveld te steunen in hun inspanningen om een beleid te formuleren dat voorziet in de behoeften en rechten van albino's, gebaseerd op niet-discriminatie en maatschappelijke integratie, en gelijke toegang tot werkgelegenheid;

12.

roept op tot een verbeterde opleiding van gezondheidswerkers en tot het organiseren van workshops voor onderwijzers en ouders om hen aan te moedigen ervoor te zorgen dat albinokinderen worden beschermd tegen de zon, aangezien velen onder hen sterven aan huidkanker voor ze 30 jaar oud zijn;

13.

dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten al het mogelijke doen om zich ervan te vergewissen dat de middelen voor de gezondheidszorg de armste bevolkingslagen in Tanzania bereiken; wijst met nadruk op de dringende behoefte aan bereikbare gezondheidszorg in plattelandsgebieden en afgelegen streken;

14.

roept de Raad en de Commissie op de mensenrechtensituatie van albino's in Tanzania op de voet te volgen;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de Afrikaanse Unie, de regering en het parlement van Tanzania, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de ACS-Raad.


MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

Dinsdag, 2 september 2008

4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/97


Dinsdag, 2 september 2008
Involveren van de voorzitters van de subcommissies (interpretatie van artikel 182)

P6_TA(2008)0388

Besluit van het Europees Parlement van 2 september 2008 over de interpretatie van artikel 182 van het Reglement betreffende het involveren van de voorzitters van de subcomissies

2009/C 295 E/24

Het Europees Parlement,

gezien het schrijven van 22 juli 2008 van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

gezien artikel 201 van zijn Reglement,

1.

Stelt onderstaande interpretatie van artikel 182, lid 1 van het Reglement vast:

Deze bepaling verhindert de voorzitter van de hoofdcommissie niet, maar stelt hem juist in staat, de voorzitters van de subcommissies bij de werkzaamheden van het bureau te betrekken of hun de mogelijkheid te bieden het debat over agendapunten die specifiek tot het werkterrein van de betrokken subcommissie behoren, voor te zitten, op voorwaarde evenwel dat het volledige bureau van de commissie van deze werkwijze in kennis wordt gesteld en er mee instemt.

2.

Verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Europees Parlement

Dinsdag, 2 september 2008

4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/98


Dinsdag, 2 september 2008
Programma „Jeugd in actie” (2007-2013) *** I

P6_TA(2008)0369

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1719/2006/EG tot vaststelling van het programma „Jeugd in actie” voor de periode 2007-2013 (COM(2008)0056 — C6-0057/2008 — 2008/0023(COD))

2009/C 295 E/25

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0056),

gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 149, lid 4, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0057/2008),

gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0274/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Dinsdag, 2 september 2008
P6_TC1-COD(2008)0023

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1719/2006/EG tot vaststelling van het programma „Jeugd in actie” voor de periode 2007-2013

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 1349/2008/EG.)


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/99


Dinsdag, 2 september 2008
Programma „Cultuur” (2007-2013) *** I

P6_TA(2008)0370

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1855/2006/EG tot vaststelling van het programma Cultuur (2007-2013) (COM(2008)0057 — C6-0058/2008 — 2008/0024(COD))

2009/C 295 E/26

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0057),

gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 151, lid 5, eerste streepje van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0058/2008),

gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0273/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Dinsdag, 2 september 2008
P6_TC1-COD(2008)0024

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1855/2006/EG tot vaststelling van het programma Cultuur (2007-2013)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 1352/2008/EG.)


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/100


Dinsdag, 2 september 2008
Programma „Europa voor de burger” (2007-2013) *** I

P6_TA(2008)0371

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1904/2006/EG tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma „Europa voor de burger” ter bevordering van een actief Europees burgerschap (COM(2008)0059 — C6-0060/2008 — 2008/0029(COD))

2009/C 295 E/27

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0059),

gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 151 en 308 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0060/2008),

gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0275/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Dinsdag, 2 september 2008
P6_TC1-COD(2008)0029

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1904/2006/EG tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma „Europa voor de burger” ter bevordering van een actief Europees burgerschap

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 1358/2008/EG.)


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/101


Dinsdag, 2 september 2008
Actieprogramma op het gebied van een leven lang leren *** I

P6_TA(2008)0372

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1720/2006/EG tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren (COM(2008)0061 — C6-0064/2008 — 2008/0025(COD))

2009/C 295 E/28

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0061),

gelet op artikel 251, lid 2, en de artikelen 149, lid 4, en 150, lid 4, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0064/2008),

gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0276/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Dinsdag, 2 september 2008
P6_TC1-COD(2008)0025

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 september 2008 met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1720/2006/EG tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Besluit nr. 1357/2008/EG.)


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/102


Dinsdag, 2 september 2008
Sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG/Oezbekistan om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU *

P6_TA(2008)0373

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (COM(2007)0117 — C6-0213/2008 — 2007/0044(CNS))

2009/C 295 E/29

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie (COM(2007)0117),

gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met de Republiek Oezbekistan,

gelet op artikel 44, lid 2, artikel 47, lid 2, laatste zin, de artikelen 55, 57, lid 2, 71, 80, lid 2, 93, 94, 133, 181 bis en artikel 300, lid 2, tweede zin, van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 101 van het Euratom-Verdrag,

gelet op artikel 6, lid 2, van de Akte van Toetreding van Bulgarije en Roemenië,

gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0213/2008),

gelet op de artikelen 51 en 83, lid 7, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0306/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Oezbekistan.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/102


Dinsdag, 2 september 2008
Sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG/Kirgizstan om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU *

P6_TA(2008)0374

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kirgizstan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (COM(2007)0133 — C6-0228/2008 — 2007/0047(CNS))

2009/C 295 E/30

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie (COM(2007)0133),

gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met de Republiek Kirgizstan,

gelet op de artikelen 44, lid 2, 47, lid 2, laatste zin, 55, 57, lid 2, 71, 80, lid 2, 93, 94, 133, 181a en 300, lid 2, tweede zin van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 101 van het Euratomverdrag,

gelet op artikel 6, lid 2, van de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië,

gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0228/2008),

gelet op de artikelen 51 en 83, lid 7, en artikel 43, lid 1 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0307/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kirgizstan.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/103


Dinsdag, 2 september 2008
Sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen EG/Tadzjikistan om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU *

P6_TA(2008)0375

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de sluiting van het protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (COM(2007)0143 — C6-0254/2008 — 2007/0050(CNS))

2009/C 295 E/31

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie (COM(2007)0143),

gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met de Republiek Tadzjikistan,

gelet op artikel 44, lid 2, artikel 47, lid 2, laatste zin, de artikelen 55, 57, lid 2, 71, 80, lid 2, 93, 94, 133, 181 A, en artikel 300, lid 2, tweede zin van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 101 van het Euratom-Verdrag,

gelet op artikel 6, lid 2, van de Akte van Toetreding van Bulgarije en Roemenië,

gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0254/2008),

gelet op de artikelen 51, 83, lid 7, en 43, lid 1, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0320/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Tadzjikistan.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/104


Dinsdag, 2 september 2008
Eigen aansprakelijkheid van Montenegro voor de langlopende leningen aan Servië en Montenegro (de voormalige Federale Republiek Joegoslavië) *

P6_TA(2008)0376

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een eigen aansprakelijkheid van Montenegro voor de langlopende leningen die de Gemeenschap uit hoofde van de Besluiten 2001/549/EG en 2002/882/EG van de Raad aan de Statenunie van Servië en Montenegro (voorheen de Federale Republiek Joegoslavië) heeft toegekend, en tot evenredige beperking van de aansprakelijkheid van Servië voor deze leningen (COM(2008)0228 — C6-0221/2008 — 2008/0086(CNS))

2009/C 295 E/32

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0228),

gelet op artikel 308 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0221/2008),

gelet op de artikelen 51 en 43, lid 1, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A6-0281/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/104


Dinsdag, 2 september 2008
Biologische productie en de etikettering van biologische producten *

P6_TA(2008)0377

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 834/2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten (COM(2008)0314 — C6-0219/2008 — 2008/0097(CNS))

2009/C 295 E/33

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0314),

gelet op artikel 37, lid 2, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0219/2008),

gelet op artikel 51 en artikel 43, lid 1, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6-0311/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/105


Dinsdag, 2 september 2008
Sluiting namens de Europese gemeenschap van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische oceaan *

P6_TA(2008)0378

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese gemeenschap van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische oceaan (COM(2007)0831 — C6-0047/2008 —2007/0285(CNS))

2009/C 295 E/34

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0831),

gelet op artikel 37 en artikel 300, lid 2, eerste alinea, van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0047/2008),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

gelet op de artikelen 51 en 35 en artikel 83, lid 7, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0315/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel voor een besluit van de Raad, als geamendeerd door het Parlement, alsmede aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENT

Amendement 1

Voorstel voor een besluit

Visum 1

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37 juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, en lid 3, eerste alinea,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37 juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, en lid 3, tweede alinea


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/106


Dinsdag, 2 september 2008
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2008

P6_TA(2008)0379

Resolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2008 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, Afdeling III — Commissie (11571/2008 — C6-0294/2008 — 2008/2161(BUD))

2009/C 295 E/35

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (1), en met name op de artikelen 37 en 38 daarvan,

gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, definitief vastgesteld op 13 december 2007 (2),

gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (3),

gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2008 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, ingediend door de Commissie op 18 juni 2008 (COM(2008)0381),

gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2008, opgesteld door de Raad op 22 juli 2008 (11571/2008 — C6-0294/2008),

gelet op artikel 69 en Bijlage IV van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0328/2008),

1.

keurt ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2008 zonder wijziging goed;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 71 van 14.3.2008, blz. 1.

(3)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


4.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 295/107


Dinsdag, 2 september 2008
Europees justitieel netwerk *

P6_TA(2008)0380

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 september 2008 over het initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek, met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad betreffende het Europees Justitieel Netwerk (5620/2008 — C6-0074/2008 — 2008/0802(CNS))

2009/C 295 E/36

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek (5620/2008),

gelet op artikel 34, lid 2, onder c) van het EU-Verdrag,

gelet op artikel 39, lid 1 van het EU-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0074/2008),

gelet op de artikelen 93 en 51 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0292/2008),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Raad de tekst dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek;

5.

verzoekt de Raad en de Commissie na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon prioriteit te geven aan elk toekomstig voorstel tot wijziging van het besluit in overeenstemming met verklaring nr. 50 ad artikel 10 van het protocol betreffende de overgangsbepalingen, te hechten aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

6.

is vastbesloten dergelijke toekomstige voorstellen via de urgentieprocedure te behandelen overeenkomstig de in lid 5 bedoelde procedure en in nauwe samenwerking met de nationale parlementen;

7.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek.

DOOR 14 LIDSTATEN VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENT

Amendement 1

Initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek,de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek

Overweging 7

(7)

De justitiële samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie moet worden versterkt en daartoe moeten de contactpunten van het Europees Justitieel Netwerk en Eurojust in staat worden gesteld om, telkens als dat nodig is, rechtstreeks en doeltreffender te communiceren via een beveiligd telecommunicatienetwerk ,

(7)

De justitiële samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie moet worden versterkt en daartoe moeten de contactpunten van het Europees Justitieel Netwerk en Eurojust in staat worden gesteld om, telkens als dat nodig is, rechtstreeks en doeltreffender te communiceren via beveiligde telecommunicatieverbindingen ,

Amendement 2

Initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek,de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek

Overweging 7 bis (nieuw)

 

(7 bis)

Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens dient Kaderbesluit …/…/JBZ van de Raad over de bescherming van persoonsgegevens die verwerkt worden in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (1), dat voorziet in een passend niveau van gegevensbescherming, van toepassing te zijn. Lidstaten dienen in hun nationale wetgeving een beschermingsniveau voor persoonsgegevens te waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan dat van het verdrag van de Raad van Europa voor de bescherming van personen met betrekking tot de automatische verwerking van persoongegevens van 28 januari 1981 en het Aanvullend Protocol daarbij van 8 november 2001, en daarbij rekening te houden met Aanbeveling R (87) 15 van 17 september 1987 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied, die eveneens van toepassing is wanneer gegevens niet automatisch worden verwerkt.

Amendement 3

Initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek,de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek

Artikel 2 — lid 3

3.   Elke lidstaat wijst onder de contactpunten een nationale correspondent voor het Europees Justitieel Netwerk aan.

3.   Elke lidstaat wijst onder de contactpunten een nationale correspondent voor het Europees Justitieel Netwerk aan , alsmede een nationaal informatiecontactpunt. .

Amendement 4

Initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek,de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek

Artikel 2 — lid 4

4.   Elke lidstaat ziet erop toe dat zijn contactpunten taken in verband met justitiële samenwerking in strafzaken vervullen en voldoende kennis hebben van een andere taal van de Europese Unie dan de nationale taal, aangezien elk contactpunt moet kunnen communiceren met de contactpunten van andere lidstaten. Alvorens een nieuw contactpunt aan te wijzen, kunnen de lidstaten het advies van de nationale correspondenten inwinnen.

4.   Elke lidstaat ziet erop toe dat zijn contactpunten taken in verband met justitiële samenwerking in strafzaken vervullen en voldoende kennis hebben van een andere taal van de Europese Unie dan de nationale taal, aangezien elk contactpunt moet kunnen communiceren met de contactpunten van andere lidstaten. Bij het selecteren van contactpunten voldoen de lidstaten aan de criteria in de richtsnoeren voor de selectie van contactpunten van het Europees Justitieel Netwerk.

Amendement 5

Initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek,de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek

Artikel 2 — lid 4 bis (nieuw)

 

4 bis.     De lidstaten waarborgen tevens dat hun contactpunten over voldoende middelen beschikken om hun taak als contactpunt naar behoren te vervullen.

Amendement 6

Initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek,de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek

Artikel 2 — lid 5

5.   De in Gemeenschappelijk Optreden 96/277/JBZ bedoelde verbindingsmagistraat wordt, voor zover hij in een lidstaat is aangewezen en overeenkomstige taken vervult als die welke in artikel 4 aan de contactpunten zijn opgedragen, aan het Europees Justitieel Netwerk en aan het beveiligde communicatienetwerk overeenkomstig artikel 10 toegevoegd door de lidstaat die hem uitzendt, overeenkomstig de door die lidstaat vast te stellen voorwaarden.

5.   De in Gemeenschappelijk Optreden 96/277/JBZ bedoelde verbindingsmagistraat wordt, voor zover hij in een lidstaat is aangewezen en overeenkomstige taken vervult als die welke in artikel 4 aan de contactpunten zijn opgedragen, aan het Europees Justitieel Netwerk en aan beveiligde communicatieverbindingen overeenkomstig artikel 10 toegevoegd door de lidstaat die hem uitzendt, overeenkomstig de door die lidstaat vast te stellen voorwaarden.

Amendement 7

Initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek,de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek

Artikel 2 — lid 7

7.   Het Europees Justitieel Netwerk beschikt over een secretariaat dat in samenwerking en in overleg met het voorzitterschap van de Raad verantwoordelijk is voor het beheer van het netwerk. Het secretariaat kan, in overleg met het voorzitterschap, het netwerk vertegenwoordigen .

7.   Het Europees Justitieel Netwerk beschikt over een secretariaat dat verantwoordelijk is voor het beheer van het netwerk.

Amendement 8

Initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Slowaakse Republiek,de Republiek Estland, de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek

Artikel 3 — letter b)

b)

het organiseert periodieke vergaderingen van de vertegenwoordigers van de lidstaten, zoals bepaald in de artikelen 5, 6 en 7 ;

b)