ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2009.211.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 211

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

52e jaargang
4 september 2009


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Comité van de Regio's

 

80e zitting 17-18 juni 2009

2009/C 211/01

Witboek van het Comité van de Regio's over multilevel governance

1

2009/C 211/02

Advies van het Comité van de Regio's over de documenten Eén jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk en De EU, Afrika en China: naar een trilaterale dialoog en trilaterale samenwerking

28

2009/C 211/03

Advies van het Comité van de Regio's over de uitbreidingsstrategie en de voornaamste uitdagingen voor 2008-2009 — potentiële kandidaat-lidstaten

34

2009/C 211/04

Advies van het Comité van de Regio's uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2008-2009: kandidaat-lidstaten

37

2009/C 211/05

Advies van het Comité van de Regio's over versterking van de totaalaanpak van migratie: naar een betere coördinatie, coherentie en synergie

43

2009/C 211/06

Advies van het Comité van de Regio's over een nieuwe impuls voor het tegengaan van het verlies aan biodiversiteit

47

2009/C 211/07

Advies van het Comité van de Regio's over het beheer van bioafval in de Europese Unie

54

2009/C 211/08

Resolutie van het Comité van de Regio's over de Europese reactie op de crisis in de automobielsector Goedgekeurd op 18 juni 2009

59

2009/C 211/09

Ontwerpresolutie van het Comité van de Regio's over klimaatverandering: de weg naar Kopenhagen goedgekeurd op 18 juni 2009

61

 

III   Voorbereidende handelingen

 

Comité van de Regio's

 

80e zitting 17-18 juni 2009

2009/C 211/10

Advies van het Comité van de Regio's pakket maatregelen voor kust en zee

65

2009/C 211/11

Ontwerpadvies van het Comité van de Regio's over een communautaire controleregeling voor de visserij

73

2009/C 211/12

Advies van het Comité van de Regio's over non-discriminatie en gelijke kansen en toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen

90

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Comité van de Regio's

80e zitting 17-18 juni 2009

4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/1


WITBOEK VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S OVER MULTILEVEL GOVERNANCE

(2009/C 211/01)

Het Comité van de Regio's houdt een algemene raadpleging. Het nodigt overheden, verenigingen en andere betrokken partijen uit om hun standpunt kenbaar te maken, en met name te laten weten hoe het multilevel governance-concept volgens hen het best in praktijk kan worden gebracht in Europa. Opmerkingen kunnen tot 30 november 2009 worden gestuurd naar:

Comité van de Regio's van de Europese Unie

Groep voor prospectief onderzoek

Kantoor VMA 0635

Belliardstraat 101

1040 Brussel

BELGIË

of naar: governance@cor.europa.eu

Initiatiefadvies van het Comité van de Regio's

„Witboek van het comité van de regio's over multilevel governance”

Het Witboek past in het streven naar „Samen bouwen aan Europa” en legt twee grote strategische doelstellingen vast: stimulering van de deelname aan het Europese proces en verbetering van de doeltreffendheid van communautaire maatregelen. Gezien de tanende belangstelling van de burgers voor de Europese verkiezingen ondanks het feit dat het lidmaatschap van de Europese Unie overwegend als een voordeel wordt beschouwd in het licht van de uitdagingen die de globalisering inhoudt, is het wenselijk het politieke optreden te herijken op basis van de beginselen en de mechanismen van multilevel governance.

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

verstaat onder multilevel governance een gecoördineerd optreden van de Unie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten, gebaseerd op partnerschap en met het oog op de uitstippeling en tenuitvoerlegging van het beleid van de Europese Unie. Een en ander impliceert gedeelde verantwoordelijkheid van de betrokken bestuursniveaus en is gebaseerd op alle bronnen van democratische legitimiteit en op de representativiteit van de verschillende betrokken actoren.

beveelt aan dat elke ingrijpende strategische communautaire hervorming gepaard gaat met een territoriaal actieplan, waarover tussen de Commissie en het Comité van de Regio's overeenstemming is bereikt, met beleidsmechanismen om de eigen verantwoordelijkheid voor en de uitvoering en evaluatie van het beleid te vereenvoudigen, en met een decentraal communicatieplan.

beveelt aan adequate instrumenten ter ondersteuning van de participatieve democratie te ontwikkelen, met name in het kader van de Strategie van Lissabon, de sociale agenda, en de strategie van Göteborg, en mechanismen te ontwikkelen naar voorbeeld van „Lokale agenda 21”, d.w.z. participatieve en geïntegreerde mechanismen waarin strategische plannen voor de lange termijn uiteengezet worden;

beveelt aan de praktijk van partnerschappen verder uit te bouwen, zowel in verticale zin tussen „decentrale overheden — nationale regering en Europese Unie” als in horizontale zin „decentrale overheden — maatschappelijk middenveld” en dan met name in het kader van de sociale dialoog;

verzoekt de Commissie en de lidstaten om de open coördinatiemethode te hervormen en haar inclusiever te maken, door samen met de lokale en regionale overheden indicatoren voor participatieve governance en territoriale indicatoren te ontwikkelen;

beveelt aan de territoriale effectbeoordelingen te systematiseren door vóór de politieke besluitvorming de verschillende relevante actoren te raadplegen om een beter inzicht te krijgen in de economische, sociale en milieugevolgen van communautaire voorstellen van wetgevende en niet-wetgevende aard voor de lokale en regionale gemeenschappen;

verbindt zich ertoe om met voorstellen te komen om experimenten op regionaal en lokaal niveau op bepaalde beleidsterreinen die onder de bevoegdheid van de EU vallen, zoals strategie voor groei en werkgelegenheid, sociale agenda, integratiebeleid, innovatiebeleid, cohesiebeleid, duurzame ontwikkeling en burgerbescherming te promoten;

beveelt aan om Europese territoriale pacten in te voeren, die moeten fungeren als kader voor vrijwillige samenwerking tussen de diverse bevoegde bestuursniveaus, met als doel de regionale en lokale overheden als partners bij de verwezenlijking van de grote politieke prioriteiten en doelstellingen van de EU te betrekken, en dringt erop aan dat geïnteresseerde regionale en lokale overheden hun belangstelling laten blijken in het kader van de raadpleging over de implementatie van dit Witboek.

Rapporteurs

:

Luc Van den Brande (BE/EVP), lid van het Vlaams Parlement, voorzitter van het Comité van de Regio's

Michel Delebarre (FR/PSE), burgemeester van Duinkerke, eerste vicevoorzitter van het Comité van de Regio's

INHOUD

1.

Inleiding

2.

Samen bouwen aan Europa

3.

Deelname aan het Europese proces bevorderen

4.

Doeltreffendheid van de communautaire acties verbeteren

5.

Uitvoering en follow-up van het Witboek

„Veel doelstellingen kunnen wij niet afzonderlijk, maar enkel samen verwezenlijken. De Europese Unie, de lidstaten en hun regio's en gemeenten verdelen onderling de taken.”  (1)

1.   Inleiding

Governance is een van de belangrijkste sleutels tot het welslagen van het Europese integratieproces. Europa zal sterk zijn, haar instellingen legitiem, haar beleid doeltreffend en de burgers zullen zich aangesproken en bij de zaak betrokken voelen, als Europa zo bestuurd wordt dat samenwerking gewaarborgd is tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus om de communautaire agenda uit te voeren en om de mondiale vraagstukken op te lossen.

Deze vaststelling is door de staatshoofden en regeringsleiders op 27 maart 2007 vastgelegd in de Verklaring van Berlijn. Met de erkenning van de draagwijdte van multilevel governance hebben zij de visie op en het concept van Europa bekrachtigd die het Comité van de Regio's enkele dagen eerder in zijn verklaring van Rome had geformuleerd. (2)

Vandaag de dag zijn er in de Europese Unie bijna 95.000 territoriale overheden met flinke bevoegdheden op belangrijke gebieden, zoals onderwijs, milieu, economische ontwikkeling, ruimtelijke ordening, vervoer, openbare dienstverlening en sociaal beleid. Zij dragen bij aan de uitoefening van de democratie en het Europese burgerschap (3).

Zowel het feit dat deze overheden dicht bij de burgers staan, als de verscheidenheid van governance op lokaal en regional niveau vormen een troef voor de Unie. Maar ondanks de forse vooruitgang die de laatste jaren is geboekt voor de erkenning van hun rol in het Europese proces, is er nog veel werk voor de boeg, zowel op communautair als op lidstaatniveau. Hoewel de ontwikkeling geleidelijk zal verlopen, zijn nu gedegen inspanningen geboden om een eind te maken aan een administratieve cultuur die de lopende decentralisatieprocessen belemmert.

Door de huidige mondiale crisis wordt het belang van een goede governance onderstreept, in het bijzonder op Europees niveau. Bovendien duidt deze op de noodzaak de regionale en lokale overheden nauw te betrekken bij de uitvoering van communautaire strategieën, aangezien zij bijna 70 % van de communautaire wetgeving omzetten, waardoor zij een wezenlijke rol spelen bij de uitvoering van bijvoorbeeld het Europees economisch herstelplan. Gezien de schaarser wordende overheidsmiddelen kan het tot pogingen komen om gemeenschappelijk beleid te hernationaliseren en om middelen te centraliseren, terwijl door de globalisering nu juist de relevantie van multilevel governance wordt benadrukt.

De capaciteit van de Europese Unie om zich aan de nieuwe mondiale context aan te passen, hangt immers in ruime mate af van het potentieel van haar territoriale gemeenschappen om te reageren en (interactief) op te treden. Het is dus zaak dat de Europese Unie een wijze van governance hanteert die tegelijkertijd inspeelt op:

bevestiging van de mondialisering en de opkomst van een multipolaire wereld die bepaalt wat er voor de Europese Unie op het spel staat;

voortzetting van het proces van Europese integratie dat de grenzen afschaft, de markten verenigt en de burgers dichter bij elkaar brengt met inachtneming van de nationale soevereiniteit en het behoud van de eigen identiteit.

Om het Europese model te behouden en te ontwikkelen, is het beslist noodzakelijk om twee van de grootste risico's van de globalisering te helpen ondervangen:

het risico van uniformisering van onze samenlevingen: de diversiteit moet bevorderd worden;

het risico op een toename van ongelijkheid binnen en tussen de lidstaten: de solidariteit moet verdedigd worden.

Het politieke initiatief van het Comité van de Regio's komt op een moment van overgang en verandering in het Europese integratieproces. De vernieuwing van het Europees Parlement en de Europese Commissie, de overgang naar een nieuw institutioneel kader, de herziening van de begroting van de Europese Unie en de directe en indirecte gevolgen van de wereldwijde crisis schetsen de nieuwe context van de communautaire agenda voor de komende jaren.

De komende maanden moet de Europese Unie haar strategieën op het gebied van de grote wereldwijde uitdagingen vaststellen, bijstellen en aanpassen, alsook nieuwe instrumenten in gebruik nemen om de uitvoering ervan te waarborgen. Dit nieuwe proces moet leiden tot een nieuwe aanpak van de Europese governance, die tot uiting zal komen in zowel de werkwijze en de inhoud van de voorstellen als de impact van het EU-optreden.

Multilevel governance speelt in op de belangrijkste beleidsdoelstellingen van de EU: het Europa van de burgers, economische groei en sociale vooruitgang, duurzame ontwikkeling en de rol van de EU als mondiaal speler. Zij versterkt de democratische dimensie van de EU en de doeltreffendheid van haar procedures. Ze wordt echter niet op alle beleidsgebieden van de Unie toegepast, en als ze wordt toegepast, gebeurt dat zelden symmetrisch of homogeen.

De actie van het Comité van de Regio's en de aanbevelingen die het formuleert, zijn geconcipieerd op basis van een ongewijzigd verdrag, maar gaan niettemin uit van een toekomstige inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, dat de territoriale dimensie en in het bijzonder de territoriale cohesie in het Europese integratieproces bevestigt en de mechanismen van multilevel governance versterkt.

De uitvoering van een daadwerkelijke multilevel governance in Europa was altijd al een strategische prioriteit van het Comité van de Regio's. Nu is ze een voorwaarde geworden voor goed Europees bestuur (4). Dit Witboek zet deze prioriteit concreet om: het bevat duidelijke beleidsvoorstellen ter verbetering van de Europese governance en beveelt specifieke mechanismen en instrumenten aan voor alle fasen van het Europese besluitvormingsproces. Het Witboek schetst trajecten voor actie en reflectie die, in het belang van de burger, kunnen leiden tot de uitstippeling en uitvoering van communautair beleid (5), bevat toezeggingen om deze te ontwikkelen en geeft voorbeelden van gedeelde governance. Verder vormt dit een eerste bijdrage van het Comité van de Regio's aan de Groep van wijzen, die in opdracht van de Europese Raad de EU moet helpen om beter en doeltreffender in te spelen op de langetermijnproblemen (d.w.z. tot 2020-2030), door uit te gaan van de Verklaring van Berlijn van 25 maart 2007.

Het Witboek past binnen een proactieve politieke aanpak in het streven naar „Samen bouwen aan Europa” en legt twee grote strategische doelstellingen vast: stimulering van de deelname aan het Europese proces en verbetering van de doeltreffendheid van communautaire maatregelen. Gezien de tanende belangstelling van de burgers voor de Europese verkiezingen ondanks het feit dat het lidmaatschap van de Europese Unie overwegend als een voordeel wordt beschouwd in het licht van de uitdagingen die de globalisering inhoudt, is het wenselijk het politieke optreden te herijken op basis van de beginselen en de mechanismen van multilevel governance.

2.   Samen bouwen aan Europa

Het vermogen van de Unie om haar taken te vervullen en om communautaire doelstellingen te verwezenlijken, is afhankelijk van haar institutionele organisatie maar ook en vooral van haar bestuursmodel. De legitimiteit, doeltreffendheid en zichtbaarheid van de werking van de Unie zijn gewaarborgd als alle actoren hun bijdrage leveren. Dat is zo indien de regionale en lokale overheden echte „partners” zijn, en niet langer slechts „tussenschakels”. Partnerschap gaat namelijk verder dan participatie en raadpleging; het bevordert een dynamischere benadering en een grotere verantwoordelijkheid voor de verschillende actoren. De uitdaging voor multilevel governance is dus ervoor te zorgen dat institutionele governance en governance op basis van partnerschap elkaar aanvullen en op elkaar afgestemd zijn (6). De ontwikkeling van de politieke en administratieve cultuur binnen de Europese Unie dient dus aangemoedigd en gestimuleerd te worden gestimuleerd. Ook de Europese burgers lijken dit te wensen.

I.   De burgers en gedeelde governance: de resultaten van de Eurobarometer (7)

Het in februari 2009 gepubliceerde speciale verslag Eurobarometer 307 over de rol en de impact van de regionale en lokale overheden in Europa toont aan dat gedeelde governance voor de Europeanen vanzelf lijkt te spreken. De resultaten van deze onder 27 000 Europeanen in 27 lidstaten in het najaar van 2008 uitgevoerde enquête wijzen uit dat men de nationale politieke vertegenwoordigers, de EP-leden en de regionale en lokale politici in gelijke mate in staat acht om op te komen voor de belangen van de burger op Europees niveau (29 % heeft vertrouwen in de nationale politici, 26 % in de leden van het EP en 21 % in de regionale en lokale vertegenwoordigers).

Bevestigd wordt dat de burgers een Europa verwachten dat meer aansluit bij hun dagelijkse realiteit en dat gebaseerd is op de actie van regionaal en lokaal gekozen politici. Niet minder dan 59 % vindt dat de regionale en lokale overheden onvoldoende bij het Europese proces betrokken worden.

De burgers hechten aan de lokale en regionale democratie, gezien hun vertrouwen in lokale en regionale politici (50 %), in vergelijking met nationale politici (34 %) en de politici die op EU-niveau actief zijn (47 %).

Tot slot lijkt deze Eurobarometer erop te wijzen dat er decentrale strategieën voor communicatie moeten komen: 26 % van de Europeanen meent dat de lokale en regionale politici de impact van Europees beleid in het dagelijks leven het best kunnen uitleggen (28 % in geval van nationale politici en 21 % in geval van EP-leden).

Onder multilevel governance verstaat het Comité van de Regio's gecoördineerd optreden van de Unie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten, gebaseerd op partnerschap en met het oog op de uitstippeling en tenuitvoerlegging van het beleid van de Europese Unie. Een en ander impliceert gedeelde verantwoordelijkheid van de betrokken bestuursniveaus en is gebaseerd op alle bronnen van democratische legitimiteit en op de representativiteit van de verschillende betrokken actoren. Zij leidt door middel van een geïntegreerde aanpak tot deelname van de verschillende bestuursniveaus aan de formulering van beleid en communautaire wetgeving aan de hand van verschillende mechanismen (raadpleging, territoriale impactanalyses, enz.).

Multilevel governance is een dynamisch proces met een zowel horizontale als verticale dimensie die de politieke verantwoordelijkheid geenszins afzwakt maar, als de mechanismen en instrumenten relevant en correct zijn toegepast, de eigen verantwoordelijkheid voor en de tenuitvoerlegging van besluiten bevordert. Zij vormt bijgevolg veeleer een politiek „actieschema” dan een juridisch instrument en kan niet worden begrepen wanneer ze alleen wordt bekeken vanuit het oogpunt van verdeling van bevoegdheden.

In 2001 heeft de Commissie in haar Witboek over Europese governance (8) vijf beginselen aangeduid die aan de basis liggen van goede governance: openheid, participatie, verantwoordingsplicht, doeltreffendheid en samenhang. Multilevel governance zorgt ervoor dat deze beginselen blijvend worden toegepast en, waar nodig, worden aangevuld.

De uitvoering van multilevel governance berust op naleving van het subsidiariteitsbeginsel, dat vermijdt dat besluiten worden genomen op één bevoegdheidsniveau en dat garandeert dat het beleid tot stand komt en wordt toegepast op het meest in aanmerking komende niveau. Naleving van het subsidiariteitsbeginsel en multilevel governance zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: het een betreft de bevoegdheden van de verschillende bestuursniveaus, het andere benadrukt de interactie tussen die niveaus.

De Europese Unie is gebouwd op een fundament van gezamenlijke waarden en grondrechten dat heeft geleid tot het ontstaan van een gemeenschappelijke politieke cultuur op het niveau van de Europese Unie. Subsidiariteit, evenredigheid, nabijheid, partnerschap, participatie, solidariteit en wederzijdse loyauteit zijn structurerende principes die de communautaire actie inspireren en richting geven. Zij vormen de voorwaarde voor het Europese model van bescherming van grondrechten, waartoe o.m. respect voor diversiteit en regionale en lokale autonomie behoren. Bevordering en verdediging van dit model impliceert gedeelde verantwoordelijkheid tussen alle bestuursniveaus.

Het Comité van de Regio's draagt overigens bij aan de uitvoering van het memorandum van overeenstemming dat tussen de EU en de Raad van Europa gesloten is, om een pan-Europese consensus over multilevel governance tot stand te brengen, op basis van democratische waarden en beginselen en de in de grondwet vastgelegde grondrechten. (9)

Multilevel governance omvat niet alleen het omzetten van Europese of nationale doelstellingen in lokale of regionale actie, maar moet ook worden beschouwd als een integratieproces van doelstellingen van regionale en lokale overheden in de strategieën van de Europese Unie. De multilevel governance dient verder de bevoegdheden van de regionale en lokale overheden op nationaal niveau te versterken en te stroomlijnen en hun deelname aan de coördinatie van het Europees beleid te bevorderen ten behoeve van de uitstippeling en uitvoering van communautair beleid.

De voorwaarden voor een deugdelijke multilevel governance berusten in feite bij de lidstaten zelf. Hoewel zich in Europa een duidelijke tendens naar decentralisatie aftekent, die zeker ongelijk maar niettemin algemeen is, wordt aan de voorwaarden voor deze gedeelde governance niet ten volle voldaan. De op communautair niveau voorgestane beginselen en mechanismen voor raadpleging, coördinatie, samenwerking en evaluatie moeten in de eerste plaats in de lidstaten worden toegepast.

De overgang van de bestanddelen van een Europese samenleving op basis van hulpbronnen naar een samenleving op basis van kennis vergt een aanpassing van de bestuursmechanismen, die in de toekomst zou moeten uitmonden in een meer horizontale, algemene en alomvattende benadering, die tot meer doelgerichte communautaire strategieën leidt en tot de invoering van een gecoördineerd en geïntegreerd gemeenschappelijk beleid. De EU-begroting moet de progressieve integratiedynamiek weerspiegelen; daarbij moet gemeenschappelijk beleid worden opgesteld en gefinancierd en moet plaats worden ingeruimd voor experimentele communautaire beleidsmaatregelen.

De communautaire methode dient de hoeksteen van de Europese governance te blijven.  (10) Zij heeft dus dusver immers borg gestaan voor het welslagen van het Europese integratieproces, maar zij moet aangepast kunnen worden om een doeltreffend en transparant politiek organisatiemodel te blijven.

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

een overlegproces op te zetten voor het opstellen van een Handvest van de Europese Unie voor multilevel governance, waarin de beginselen en uitvoeringsbepalingen worden vastgelegd, gericht op een gemeenschappelijk en gedeeld begrip van de Europese governance, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, ter ondersteuning van de lokale en regionale governance en het decentralisatieproces in de lidstaten, de kandidaat-lidstaten en de naburige landen; het handvest zou de politieke wil moeten waarborgen om het regionale en lokale zelfbestuur te respecteren, alsook hun betrokkenheid bij de Europese besluitvorming;

de bescherming van de grondrechten op diverse niveaus te stimuleren en om hiertoe samen te werken met het Bureau voor de grondrechten om de beste praktijken die op lokaal en regionaal niveau ontwikkeld zijn, te bevorderen en te verspreiden (11);

deel te nemen aan het communautaire debat en de toekomstige onderhandelingen om op de bres te staan voor een ambitieuze EU-begroting, voorzien van de nodige middelen om in te spelen op de wereldwijde problemen en om geïntegreerde en gecoördineerde strategieën toe te passen; deze begroting moet het ijkpunt en de hefboom zijn voor in contracten vastgelegde partnerschappen tussen de verschillende bestuurslagen;

beveelt het CvdR aan:

dat elke ingrijpende strategische communautaire hervorming gepaard gaat met een territoriaal actieplan, waarover tussen de Commissie en het Comité van de Regio's overeenstemming is bereikt, met beleidsmechanismen om de eigen verantwoordelijkheid voor en de uitvoering en evaluatie van het beleid te vereenvoudigen, en met een decentraal communicatieplan. Zo zou de huidige ontwikkeling kunnen worden tegengegaan, waarbij maar al te vaak de regionale en lokale overheden buitenspel staan, voordat communautaire acties tot stand komen;

dat de door de lidstaten opgestelde pacten voor groei en stabiliteit, alsmede de evaluatie ervan door de Commissie, ten volle rekening houden met het kwantitatieve en kwalitatieve aspect van de lokale en regionale financiën en dat verder de territoriale overheden meer betrokken worden bij de beheersing van de overheidsuitgaven.

3.   Deelname aan het Europese proces bevorderen

De geloofwaardigheid van de Europese democratie staat of valt met het onderschrijven van het Europese proces door de burgers. Het Europese burgerschap is gegrondvest en de Europese governance is gebaseerd op participatie. Deze heeft twee dimensies: de representatieve democratie, die de grondslag vormt, en de participatieve democratie, die haar aanvult. Een goede Europese governance impliceert dat de gekozen overheden en de actoren van het maatschappelijk middenveld samenwerken ten behoeve van het algemeen welzijn. De regionale en lokale overheden beschikken over een onbetwistbare democratische legitimiteit. Als overheden die rechtstreeks verantwoording afleggen aan de burgers vertegenwoordigen zij een essentieel onderdeel van de democratische legitimiteit binnen de Europese Unie en vervullen zij een belangrijk deel van de politieke taken. Met het oog hierop gaat het bij multilevel governance zowel om institutionele erkenning van de verschillende bestuursniveaus in Europa, met behulp van de juiste mechanismen, als om de organisatie van de politieke samenwerking en bevordering van een Europese publieke ruimte.

Institutionele vertegenwoordiging consolideren

De institutionele vertegenwoordiging van de regionale en lokale overheden wordt sinds het Verdrag van Maastricht gewaarborgd en is door achtereenvolgende institutionele hervormingen bekrachtigd. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zou een belangrijke stap worden gezet in de richting van de institutionele erkenning van multilevel governance als functioneel onderdeel van de Europese Unie. Binnen het Comité van de Regio's en in het kader van de werkzaamheden van de Raad van de Europese Unie moet daarom voorrang gegeven worden aan versterking van de vertegenwoordiging en de invloed van de regionale en lokale overheden in het communautaire besluitvormingsproces. De Verdragen bieden de regio's sinds 1994 al de mogelijkheid om, in overeenstemming met de respectieve nationale constitutionele structuren, deel te nemen aan de werkzaamheden van de Raad van de Europese Unie. Deze rechtstreekse participatie stelt de vertegenwoordigers van de betrokken regio's in staat deel uit te maken van de nationale delegatie, toestemming te krijgen om de nationale delegatie te leiden en, in voorkomende gevallen, het voorzitterschap van de Raad te bekleden.

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

in overeenstemming met zijn mission statement zijn status als politieke vergadering, zijn bijdrage aan de ontwikkeling van Europese strategieën en communautaire wetgeving voorafgaande aan het besluitvormingsproces, het toezicht op het subsidiariteitsbeginsel volgens de letter en de geest van het Verdrag van Lissabon, de evaluatie van de territoriale impact van communautair beleid en zijn faciliterende rol bij de participatieve democratie in Europa te consolideren;

te dien einde zijn interinstitutionele betrekkingen aan te halen met de Europese Commissie met het oog op de herziening van het Samenwerkingsprotocol, met het Europees Parlement in het kader van het politieke programma van de volgende zittingsperiode en ook met de Raad van de Unie ten behoeve van de intergouvernementele dynamiek van de politieke activiteiten van de regionale en lokale gekozen politici om Europese besluiten uit te stippelen en ten uitvoer te leggen;

zich verder in te zetten om de banden met de nationale parlementaire vergaderingen en de regionale wetgevende vergaderingen aan te halen, met name in het kader van het subsidiariteitstoezicht;

roept het CvdR de lidstaten op om:

hem stelselmatig te betrekken bij formele en informele raadsvergaderingen over communautair beleid op terreinen waarvoor raadplegingsplicht geldt of communautair beleid dat voor de regionale en lokale overheden in het kader van hun bevoegdheden specifiek van belang is;

hem net zo gemakkelijk toegang tot de documenten van de Raad te bieden als de andere Europese instellingen die deelnemen aan het uitwerken van communautaire wetgeving;

verzoekt het CvdR de lidstaten om:

indien formele vertegenwoordiging binnen de Raad of zijn voorbereidende commissies niet mogelijk is, interne procedures voor overleg en coördinatie met de regionale en lokale overheden op te zetten en hen eveneens elektronische toegang te verlenen tot het followup-systeem dat de lidstaten gebruiken voor de raadpleging van in voorbereiding zijnde Europese wetgevingsdocumenten, om zowel hun bevoegdheden in het kader van de voorbereiding van het standpunt van de lidstaat in aanmerking te kunnen nemen als de mogelijkheid te scheppen om deel te nemen aan het subsidiariteitstoezicht;

de reeds bestaande mechanismen voor de vorming van het nationale standpunt en voor de formele vertegenwoordiging binnen de Raad te versterken en aan te vullen, opdat deze volledig in overeenstemming zijn met de bevoegdheidsverdeling die in het constitutionele bestel van de desbetreffende lidstaat is vastgelegd.

Politieke samenwerking organiseren

Multilevel governance impliceert wederzijdse loyauteit tussen alle bestuursniveaus en tussen de instellingen teneinde de gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken. Het institutionele kader is van fundamenteel belang, maar is ontoereikend om goede governance te verzekeren. Goede samenwerking tussen de verschillende politieke bestuursniveaus en instellingen is evenwel onontbeerlijk. Deze samenwerking moet gebaseerd zijn op vertrouwen en niet op confrontatie tussen de verschillende politieke en democratische legitieme krachten.

De Europese democratie zou versterkt worden door een meer inclusieve en flexibele interinstitutionele samenwerking en door een sterkere politieke samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus. De Europese politieke partijen zijn immers een bijzonder belangrijke schakel in de versterking van het Europese politieke bestel en helpen zo een politieke cultuur van multilevel governance te ontwikkelen.

Gezien hun politieke aard is het logisch dat het Comité van de Regio's en het Europees Parlement nauw samenwerken om de democratische legitimiteit van het Europese integratieproces te versterken, zowel in de context van Europese politieke richtingen en fracties als in het kader van hun verschillende overlegorganen (12).

Interparlementaire samenwerking vormt langzamerhand een wezenlijk bestanddeel van de democratische legitimiteit en van het Europese wetgevingsproces. Multilevel governance is een manier om alle lokale en regionale overheden explicieter bij het proces te betrekken. Regionale parlementen en regionale wetgevende vergaderingen gaan in het kader van het vroegtijdig waarschuwingssysteem dat in het Verdrag van Lissabon wordt voorgesteld met name een rechtstreekse rol spelen bij de beoordeling van de naleving van het subsidiariteitsbeginsel.

Het voorstel van het Lissabonverdrag geldt voor alle lidstaten, maar kan wel op verschillende wijze ten uitvoer worden gelegd. Het CvdR moedigt lidstaten waarin het nationale parlement niet beschikt over een kamer die de territoriale overheden vertegenwoordigt, dan ook aan om te voorzien in de mogelijkheid om deze overheden bij het proces van toezicht op het subsidiariteitsbeginsel te betrekken.

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

de politieke en institutionele samenwerking met het Europees Parlement te versterken, opdat bij het uitwerken en uitvoeren van communautaire maatregelen beter rekening wordt gehouden met de wensen van de burgers;

het proefinitiatief „Erasmus voor lokale en regionale afgevaardigden” te ondersteunen en daartoe samen met het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie te werken aan de conceptuele en operationele ontwikkeling van het project en de invoering te bevorderen van opleidingsprogramma's en programma's voor de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken voor lokale en regionale afgevaardigden;

verzoekt het CvdR:

de raden van gekozen territoriale politici om speciale vergaderingen te wijden aan Europese integratie en Europees beleid, met deelname van vertegenwoordigers van de verschillende Europese instellingen die zijn betrokken bij gedeelde governance.

Het Burgemeestersconvenant vormt een referentiemodel voor de actieve rol van steden en regio's bij het verwezenlijken van de strategische doelstellingen van de Europese Unie en zou uitgebreid moeten worden tot andere terreinen, zoals werkgelegenheid, integratiebeleid en sociale uitsluiting.

II.   Het Burgemeestersconvenant: zich verbinden tot en samen werken aan het bestrijden van de klimaatverandering

Het Burgemeestersconvenant is een politiek initiatief waarmee wordt beoogd de burgemeesters van steden in Europa bijeen te brengen in het kader van de gezamenlijke doelstelling om de CO2-uitstoot vóór 2020 terug te dringen: de uitstoot van broeikasgassen moet met 20 % worden verlaagd, de energie-efficiëntie moet met 20 % worden verbeterd en 20 % van het energieverbruik moet worden opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.

Steden en regio's zijn verantwoordelijk voor meer dan de helft van de broeikasgasemissies die ontstaan door het gebruik van energie voor menselijke activiteiten. Het was dus van cruciaal belang een adequaat kader te scheppen om de steden, regio's en lidstaten verantwoordelijkheid te geven in de strijd tegen de klimaatverandering.

Met de ondertekening van het Convenant verbinden de burgemeesters zich er vrijwillig toe een actieplan voor duurzame energie ten uitvoer te leggen in hun gemeente. Dankzij het Convenant kunnen de eerste ervaringen worden verspreid, kan de uitwisseling van goede praktijken worden vergemakkelijkt en kunnen burgers en plaatselijke sociaaleconomische belanghebbenden ontvankelijk worden gemaakt voor een duurzaam energiegebruik.

Het Comité van de Regio's zet zich aan de zijde van de Europese Commissie in voor de verdere ontwikkeling van de initiatief en stelt voor het uit te breiden tot de regionale overheden. Het is immers noodzakelijk dat de actieplannen van de steden worden ondergebracht in de actieplannen op regionaal en nationaal niveau.

Om het Burgemeestersconvenant meer effect te laten sorteren is het ook uitermate belangrijk dat op de politieke activering op lokaal niveau concrete reacties volgen qua Europees beleid en Europese financiering: lokale overheden en regio's die willen investeren in programma's ter bevordering van de energie-efficiëntie en van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen zouden gemakkelijk een lening van de Europese Investeringsbank moeten kunnen krijgen.

NB: in maart 2009 hebben bijna 470 Europese steden het Convenant ondertekend en vele andere hebben aangegeven hun voorbeeld te willen volgen.

De regionale en lokale overheden zijn een steeds prominentere rol gaan spelen in het externe beleid van de Europese Unie en in de uitbreidingsstrategie. Dankzij de empirische aanpak die ten grondslag ligt aan de ontwikkeling van de internationale betrekkingen van de regionale en lokale overheden vervullen deze overheden nu een belangrijke rol op het gebied van de mondialisering, zonder dat dit tot duplicatie van de relevante communautaire mechanismen heeft geleid.

De meerwaarde van de deelname van de decentrale overheden aan het uitbreidingsproces is bij eerdere uitbreidingen al aangetoond en moet een referentiepunt vormen bij de tenuitvoerlegging van de huidige strategie om een dynamische ontwikkeling in de richting van een duurzame democratie op lokaal en regionaal niveau op gang te brengen (13)  (14).

Voorbeelden die het belang van multilevel governance duidelijk illustreren, zijn ook te vinden bij de regionale aanpak van het Europees nabuurschapsbeleid (mediterrane dimensie, Oostelijk partnerschap, Zwarte Zee-synergie, noordelijke dimensie), alsook het Europees beleid inzake groot nabuurschap (ultraperifere dimensie), dat moet worden ondersteund door doeltreffende samenwerking op regionaal en lokaal vlak. Zo kunnen de Euromediterrane regionale en lokale vergadering (ARLEM), die deel uitmaakt van het bestuur van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, een lokale en regionale vergadering van Oost-Europa en de zuidelijke Kaukasus voor het Oostelijk partnerschap die door de Europese Commissie is voorgesteld, of een permanent territoriaal forum van de noordelijke dimensie, zoals door het Comité van de Regio's is voorgesteld, het nabuurschapsbeleid een operationele en geïntegreerde dynamiek geven.

III.   De regionale en lokale overheden als partners van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied

Om het vernieuwde Euromediterrane partnerschap een territoriale dimensie te geven en met regionale en lokale politieke vertegenwoordigers uit te rusten heeft het Comité van de Regio's besloten de Euromediterrane regionale en lokale vergadering (ARLEM) op te richten.

De euromediterrane staatshoofden en regeringsleiders hebben het politieke initiatief van het Comité van de Regio's tijdens hun bijeenkomst op 13 juli 2008 in Parijs goedgekeurd. ARLEM is in het leven geroepen om het euromediterrane partnerschap een regionale en lokale dimensie te geven en ervoor te zorgen dat de regionale en lokale overheden voldoende zijn vertegenwoordigd binnen het partnerschap en actief kunnen deelnemen aan het bestuur ervan. Zo kunnen de territoriale overheden concrete resultaten bereiken en dit partnerschap tot iets tastbaars maken voor de burgers.

ARLEM bestaat uit evenveel EU- als mediterrane vertegenwoordigers van de regionale en lokale overheden en wil erkend worden als adviserende vergadering van het nieuwe bestuur van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied. ARLEM zal zich ook richten op deelname van de territoriale overheden aan concrete projecten op een groot aantal terreinen, zoals ontwikkeling van ondernemingen, milieu, energie, vervoer, onderwijs, cultuur, migratie, gezondheid, gedecentraliseerde samenwerking. Door de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen stimuleert ARLEM territoriale samenwerking en biedt zij nieuwe wegen om een dialoog te voeren.

Overigens leidt de systematische samenwerking met de territoriale overheden tot verdere ontwikkeling en verrijking van de traditionele multilaterale samenwerking, die kenmerkend is voor de betrekkingen tussen nationale regeringen en de Verenigde Naties. Daarom is in het kader van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties een „platform voor innovatieve partnerschappen” opgericht (15).

Multilevel governance biedt de ontwikkelingsstrategieën voor het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen een territoriale in plaats van een sectorale benadering en heeft niet de beperkingen van de te centralistische, sectorale en verticale benaderingen die de ontwikkelingshulp te lang hebben gedomineerd (16). Ook stedendiplomatie vormt een niet te verwaarlozen hefboom voor politieke samenwerking in het kader van het externe optreden van de Europese Unie waarmee belangrijke diplomatieke en politieke struikelblokken uit de weg geruimd kunnen worden.

„Jumelages” en de programma's voor samenwerking in grensregio's zijn in het (pre)toetredingsproces en binnen het nabuurschapsbeleid essentiële instrumenten geworden. In de context van de mondialisering houden zij de waarden van de Europese integratie hoog en ontwikkelen zij nieuwe vormen van solidariteit. (17)

Door de bijdrage van territoriaal bestuur en gedecentraliseerde samenwerking te erkennen hebben internationale en Europese instellingen de rol van de regionale en lokale overheden in de global governance de afgelopen jaren versterkt (18).

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

de ervaringen die de territoriale overheden bij eerdere uitbreidingen hebben opgedaan te evalueren, mede aan de hand van de activiteiten van zijn werkgroepen Westelijke Balkan, Turkije en Kroatië en van het Gemengd raadgevend comité voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;

het politiek en operationeel potentieel van de territoriale vergaderingen ter ondersteuning van het Europese nabuurschapsbeleid te ontwikkelen; het wijst in dit verband op het belang van interinstitutionele samenwerking en coördinatie met de andere bestaande mechanismen;

samen met de Europese Commissie de „decentrale-samenwerkingsbeurs” een impuls te geven door middel van een website waarop Europese territoriale overheden die actief zijn op het gebied van ontwikkelingssamenwerking informatie kunnen uitwisselen, om zo projecten van Europese territoriale overheden en ontwikkelingslanden beter op elkaar te kunnen afstemmen (19).

zijn institutionele positie te versterken als EU-orgaan dat bevoegd is voor wat betreft de ontwikkeling van de lokale en regionale democratie in het kader van het externe beleid van de Unie tijdens toezicht op het verloop van verkiezingen in Europa en in derde landen en de samenwerking op dit gebied met de Europese Commissie en het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa op te voeren;

roept het CvdR de Commissie op om:

te voorzien in goedkeuring van een vrijwillig politiek handvest voor het betrekken van de territoriale overheden bij het uitbreidingsproces, als gemeenschappelijk referentiepunt om het pretoetredingssteuninstrument verder te ontwikkelen op basis van de behoeften van de territoriale overheden en de grensoverschrijdende samenwerking en de institutionele en bestuurlijke capaciteit van de regionale en lokale structuren van de kandidaatlanden en de potentiële kandidaatlanden te versterken. (20)

Participatieve democratie stimuleren

Bestuur raakt steeds meer gestructureerd in de vorm van netwerken en is gunstig voor een horizontale samenwerkingsdynamiek. Deze ontwikkeling biedt de mogelijkheid om allerlei actieve netwerken op lokaal en regionaal niveau in Europa en in de rest van de wereld in aanmerking te nemen. Het is aan het Comité van de Regio's om deze opinieverspreiders aan te sluiten op het Europese proces om ertoe bij te dragen dat het gemeenschappelijke beleid vruchten afwerpt en de burger een gevoel van verantwoordelijkheid voor het beleid krijgt.

IV.   Open Days: de Europese week van regio's en steden

Ieder jaar organiseren het Comité van de Regio's en DG REGIO van de Europese Commissie de „Europese dagen van regio's en steden” te Brussel. In het kader van een interinstitutioneel samenwerkingsverband, waaraan ook het EU-voorzitterschap en het Europees Parlement deelnemen, brengt dit evenement meer dan 7 000 deelnemers en bijna 250 partners bijeen. De officiële partners van de Open days zijn enerzijds de regio's en hun contactbureaus te Brussel en anderzijds lokale partners als plaatselijke verenigingen en onderzoeksinstellingen. Verder zijn deze partners de hoofdorganisatoren van talloze seminars, workshops en een significant gedeelte van het kaderprogramma van de Open days.

Ieder jaar staat een bepaald thema centraal, dat te maken heeft met de EU-agenda en de Europese prioriteiten van de regionale en lokale overheden. Rond dit thema worden bijeenkomsten, seminars, workshops, media-activiteiten of tentoonstellingen georganiseerd, die niet alleen politici op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau trekken, maar ook deskundigen en vertegenwoordigers van sociaaleconomische kringen, vakbonden, financiële instellingen en het maatschappelijk middenveld.

Parallel hieraan worden ook evenementen georganiseerd in de partnersteden en -regio's, die de gelegenheid bieden om ervaringen uit te wisselen, netwerken op elkaar aan te sluiten en ideeën en expertise te vergelijken (21).

Netwerken, organisaties en verenigingen van territoriale overheden dragen ertoe bij dat de regionale en lokale overheden actief worden in het Europese proces en worden betrokken bij de operationele mechanismen voor territoriale samenwerking (22). Sinds de oprichting van het Comité van de Regio's is dankzij de samenwerking met de belangrijkste Europese en nationale verenigingen van territoriale overheden en bepaalde thematische netwerken een zekere complementariteit bereikt wat de institutionele rol van het CvdR en de rol van deze organisaties betreft. Bij de verdere ontplooiing van zijn werkzaamheden en ter bevordering van de in dit Witboek aangegeven doelstellingen en maatregelen zal het Comité van de Regio's streven naar partnerschappen met de Europese verenigingen van lokale en regionale besturen.

Multilevel governance lijkt trouwens ook zeer nuttig te zijn voor het bevorderen van actief burgerschap en garandeert een gedecentraliseerd communicatiebeleid dat beter aansluit bij de concrete en onmiddellijke verwachtingen van de burgers en er geleidelijk toe bijdraagt de kloof met de communautaire instellingen en de politieke verantwoordelijken te dichten.

Gedecentraliseerde communicatie over Europa beoogt vooral de integratie van de Europese dimensie in het lokale en regionale bestuur te bevorderen en de interactie met lokale en regionale media, alsook het gebruik van nieuwe innoverende communicatietechnologieën, met name de mogelijkheden van Web 2.0, op lokaal en regionaal niveau te vergemakkelijken. Ook zal aldus de organisatie van politieke debatten en openbare bijeenkomsten over Europa op lokaal en regionaal niveau worden aangemoedigd en wordt daardoor tevens actief burgerschap bevorderd, door deelname aan Europese kwesties te stimuleren.

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

de samenwerking met de relevante netwerken op lokaal en regionaal niveau die de interactie tussen en de onderlinge koppeling in de Europese samenleving van politiek, economie, verenigingen en cultuur bevorderen verder te ontwikkelen en de beste voorbeelden van lokale en regionale participatie te belichten;

bij te dragen aan een echt gedecentraliseerd communicatiebeleid, waarvan de reikwijdte wordt aangegeven in de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Raad „Communiceren over Europa in partnerschap” (23), waarin staat dat de institutionele actoren zich politiek moeten inzetten om het debat over Europa in de Europese steden en regio's te animeren en de besluiten op communautair niveau toe te lichten;

een actieplan op te stellen waarin de communicatie-instrumenten worden gedifferentieerd op basis van de betrokken doelstellingen en beleidsterreinen, om zo te zorgen voor synergie tussen de communicatie over de strategie en het communautaire beleid en de vertaling ervan voor de burgers op lokaal en regionaal niveau, en de aanbevelingen voor te leggen aan de Interinstitutionele Groep Voorlichting (IGV) (24);

methodes en instrumenten voor het lokale en regionale niveau voorstellen om de gebrekkige communicatie en de berichtgeving in de lokale en regionale media over de gevolgen van EU-beleid voor het dagelijkse leven van de burgers te verbeteren, en hun mogelijkheden qua communicatie, voorlichting en bemiddeling over Europa door middel van moderne communicatie-instrumenten, met name Web 2.0, te versterken;

beveelt het CvdR aan:

adequate instrumenten ter ondersteuning van de participatieve democratie te ontwikkelen, met name in het kader van de Strategie van Lissabon, de sociale agenda en de strategie van Göteborg, en mechanismen te ontwikkelen naar voorbeeld van „Lokale agenda 21”, d.w.z. participatieve en geïntegreerde mechanismen waarin strategische plannen voor de lange termijn uiteengezet worden (25);

zodra het Verdrag van Lissabon in werking is getreden, na te gaan of er mogelijkheden zijn voor samenwerking tussen het Comité zelf, de lokale en regionale overheden en de andere Europese instellingen met het oog op het opzetten van een Europees burgerinitiatief dat als aanjager van een echt Europees politiek debat kan dienen en zodoende de legitimiteit van het Europese systeem van multilevel governance kan helpen verbeteren;

de inspanningen op het gebied van Europese burgereducatie opvoeren, uitgaande van de bevoegdheden van de regionale en lokale overheden;

roept het CvdR de Commissie op:

bij Europese opiniepeilingen via Eurobarometer rekening te houden met nieuwe parameters die de reële betrokkenheid van de regionale en lokale overheden bij het functioneren van de Unie en de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke strategieën en maatregelen weerspiegelen;

verzoekt het CvdR:

de lidstaten om te zorgen voor een e-governance waarin de regio's en steden een grotere rol spelen, en de regio's en steden om door middel van hun communicatiebeleid en hun e-governancesysteem de burgers bewust te maken van wat de Europese Unie doet en inhoudt;

de communautaire instellingen om een Web 2.0-communicatiestrategie uit te werken en gebruik te maken van de nieuwe sociale internetsites YouTube///EU-tube

4.   Doeltreffendheid van de communautaire acties verbeteren

Met multilevel governance wordt ernaar gestreefd om het communautaire optreden op terreinen die er werkelijk toe doen voor de burgers, te verbeteren. In een ruimte die zo geïntegreerd is als de Europese Unie, heeft elk communautair optreden rechtstreeks effect op de territoriale gemeenschappen en hun burgers. Het is dus van essentieel belang dat de communautaire doelstellingen ook aangepast zijn aan de territoriale impact van dit beleid. De aanbevelingen van het Witboek zullen derhalve toegespitst worden op een betere aanpassing van de communautaire doelstellingen aan de concrete en uiteenlopende situaties op het gebied van beheer en planning waarmee de plaatselijke en regionale afgevaardigden worden geconfronteerd bij de tenuitvoerlegging van belangrijke beleidsmaatregelen.

Belangrijkste criterium om de doeltreffendheid van de communautaire methode te garanderen en de standaardnormen van de Europese governance verder te ontwikkelen is de keuze van de in te zetten instrumenten; daarbij moet meer worden gelet op differentiatie en specialisatie. De inzet van die instrumenten op de verschillende bestuursniveaus zal derhalve de garantie moeten bieden voor de coherentie van het communautaire optreden. Het proces van raadpleging, proefperiodes, analyse van territoriale impact, de open coördinatiemethode, juridische instrumenten voor het sluiten van overeenkomsten zoals de territoriale pacten of de Europese groepering voor territoriale samenwerking, moeten worden ontwikkeld om de negatieve gevolgen tegen te gaan van concentratie van besluiten, versnippering van actie en afzwakking van resultaten. Deze mechanismen en instrumenten vormen derhalve nieuwe middelen om de strategische doelstellingen van de Europese Unie te behalen.

Gemeenschappelijk beleid samen uitdenken en uitvoeren

Deze flexibele governancemethode kan goed worden aangepast, met behulp van wisselende mechanismen, aan de verschillende gemeenschappelijke beleidsterreinen, al naargelang de kenmerken ervan. Het cohesiebeleid is een voorbeeld van een succesvolle praktijk van de multilevel governance en het milieubeleid is een laboratorium geweest voor bepaalde mechanismen en praktijken.

V.   Het Europese cohesiebeleid: hefboomeffect voor communautair beleid

Het cohesiebeleid toont al zo'n 20 jaar zijn meerwaarde aan en is, dankzij de ontwikkeling van concrete projecten, voor de burgers een uiting van Europese solidariteit. Door de jaren heen is het beleid geëvolueerd: aanvankelijk was het bedoeld ter begeleiding van de opzet van de interne markt teneinde de ontwikkeling van de kansarmere regio's op gang te brengen. Het heeft de sociaaleconomische ongelijkheden die waren ontstaan door de opeenvolgende uitbreidingen van de Unie helpen terugdringen en is zo een belangrijk instrument geworden ter ondersteuning van de strategie voor groei en werkgelegenheid in alle gebieden van de Europese Unie. Onlangs is er een beroep gedaan op dit instrument om het Europees economisch herstelplan te ondersteunen.

Het Europees cohesiebeleid, dat momenteel een derde van het communautaire budget beslaat, heeft een echt financieel hefboomeffect en helpt interinstitutionele partnerschappen bevorderen, dankzij de inzet van publiek-private partnerschappen en financiële instrumenten van de Europese Investeringsbank. Het hefboomeffect van het Europese cohesiebeleid vertaalt zich ook in de synergie die het op Europees niveau tot stand weet te brengen tussen de strategische prioriteiten voor lokale, regionale en nationale ontwikkeling.

Een ander opmerkelijk aspect van het hefboomeffect dat verband houdt met het gebruik van de structuurfondsen heeft te maken met de versterking van de institutionele capaciteiten van de overheden. Het cohesiebeleid heeft de tenuitvoerlegging van het communautaire beleid bevorderd door de beheerscapaciteit van de overheden te stimuleren en hun procedures op Europees niveau te harmoniseren. Ook heeft het cohesiebeleid ertoe geleid dat er dankzij de voordelen van het partnerschap en van de samenwerking tussen de overheidsinstellingen en de maatschappelijke organisaties, algemene oplossingen zijn gevonden voor uiteenlopende situaties in de Europese Unie.

Om een breder concept van territoriale cohesie vast te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de nieuwe uitdagingen waarmee de regionale en lokale overheden worden geconfronteerd (globalisering, klimaatverandering, energievoorziening, immigratie, enz.) is het noodzakelijk dat de concrete doelstellingen waarvoor Europese middelen worden uitgetrokken, op flexibele wijze worden gedefinieerd op basis van de specifieke kenmerken van elk gebied en van zijn strategie voor concurrentievermogen en duurzaamheid.

Verder is op die beleidsterreinen waarvoor de Europese Unie niet expliciet bevoegd is maar de communautaire maatregelen wel gevolgen hebben — zoals bv. het huisvestingsbeleid en belangrijke aspecten van de diensten van algemeen belang — multilevel governance een instrument om inzicht te krijgen in het transversale karakter van deze terreinen en verder te gaan dan bij een al te strikte interpretatie van verdeling van bevoegdheden het geval is teneinde gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken, met inachtneming van de constitutionele en administratieve diversiteit onder de respectieve lidstaten.

Om het multilevel governance in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

initiatieven uit te werken en op te zetten ter verspreiding van succesvolle praktijken inzake partnerschappen die te maken hebben met de definiëring van lokale, regionale, nationale en supranationale prioriteiten in de lidstaten en om alle door de lidstaten, het Europees Parlement en de Europese Commissie gelanceerde initiatieven te ondersteunen die gericht zijn op de toepassing van het partnerschapsbeginsel met de lokale en regionale overheden, niet alleen tijdens de uitvoeringsfase van het beleid, maar vooral ook tijdens het ontwerp ervan;

interinstitutionele mechanismen voor te stellen die het politieke en strategische karakter van de evaluatie van het Europese cohesiebeleid versterken; hiertoe dienen de betrekkingen die op nationaal en regionaal niveau zijn aangeknoopt verder uitgebouwd en op Europese leest geschoeid te worden;

beveelt het CvdR aan:

de praktijk van partnerschappen verder uit te bouwen, zowel in verticale zin tussen „decentrale overheden — nationale regering en Europese Unie” als in horizontale zin „decentrale overheden — maatschappelijk middenveld” en dan met name in het kader van de sociale dialoog; daarbij moet de participatie van de burgers worden gewaarborgd via speciaal door de verschillende betrokken overheden opgerichte organen, vooral die overheden die op basis van geografische nabijheid en toepassing van het subsidiariteitsbeginsel het dichtst bij de burger staan. Door middel van deze participatie kunnen de verschillende sociale groepen communautaire initiatieven evalueren, hun mening daarover geven en suggesties aandragen;

de administratieve procedures te vereenvoudigen en te stroomlijnen, teneinde een juridisch, administratief en financieel kader in te voeren dat geschikt is voor innovatieve activiteiten; nieuwe instrumenten te ontwikkelen ter ondersteuning van regionale innovatie en financieringsmechanismen te versterken (risicokapitaal, business angels, microkredieten, enz.);

de administratieve capaciteiten van de territoriale overheden te verbeteren zodat projecten vaardig kunnen worden beheerd en de uitwisseling van goede praktijken in de Europese Unie op het vlak van territoriale governance kan toenemen;

roept het CvdR de Commissie op om:

per geval na te gaan of het communautaire beleid aangepast kan woren in de zin van een versterkt partnerschap;

de coördinatie te stimuleren tussen financieringen uit de structuurfondsen, de sectorprogramma's en de programma's voor plattelandsontwikkeling;

na te gaan welke vooruitgang is geboekt inzake de vereenvoudiging en decentralisering van het beheer van de structuurfondsen tijdens de periode 2007-2013 en daarbij vooral oog te hebben voor de vraag of de administratieve lasten in verhouding staan tot de soort interventie en de omvang ervan, en wat de gevolgen daarvan zijn voor de lokale en regionale overheden.

Het Europese proces coördineren

Om de Europese governance te verbeteren en de communautaire strategieën ten uitvoer te leggen zijn enerzijds gecoördineerde actie van de verschillende bestuursniveaus en anderzijds coördinatie van maatregelen en instrumenten absoluut noodzakelijk. De economische crisis en de heersende consensus over de dringende behoefte aan een gecoördineerde Europese reactie benadrukken niet alleen dat coördinatie essentieel is, maar illustreren ook dat het organiseren van een dergelijk gemeenschappelijk optreden moeilijk blijft vanwege het gebrek aan coördinatie en wederzijds vertrouwen. Met de crisis wordt de Europese integratie dan ook op de proef gesteld. De vraag is of de Europese Unie in staat zal zijn om de politieke actie ter bevordering van het herstel te coördineren en een evenwichtiger alternatief voor te stellen waarbij duurzame ontwikkeling en territoriale cohesie hand in hand gaan. Dit vraagt om samenwerking tussen de verschillende actoren en een directe betrokkenheid van de regionale en lokale overheden en inschakeling van publiek/private partnerschappen. (26) De Europese integratiemechanismen moeten met behulp van de communautaire methode en een gecoördineerde intergouvernementele samenwerking worden gecoördineerd en daarbij dienen Europese stimuleringsinstrumenten op financieel, economisch, sociaal en territoriaal gebied te worden ingezet. Ook is er een betere afstemming nodig van de beleidsmaatregelen voor crisisbeheer (grotere flexibiliteit in het kader van de Europese structuurfondsen, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, steun van de EIB, enz.) en voor het overwinnen van de crisis (innovatiebeleid, industriebeleid, enz.). (26)

De communautaire methode biedt betere garanties op de tenuitvoerlegging van multilevel governance. De communautaire methode, die gebaseerd is op de institutionele driehoek en het exclusieve wetgevingsinitiatief van de Commissie, wordt weliswaar het meest toegepast, maar al sinds enige jaren aangevuld met de open coördinatiemethode voor gebieden waarop de Europese Unie alleen coördinatie- of ondersteuningsbevoegdheden heeft. Deze methode, die naar gelang van de situatie wordt toegepast, zou een middel kunnen zijn om, met in achtneming van het subsidiariteitsbeginsel, samenwerking aan te moedigen, goede praktijken uit te wisselen en gemeenschappelijke doelstellingen en richtsnoeren vast te stellen voor de lidstaten.

Toch heeft de open coördinatiemethode voor wat betreft de oorspronkelijke doelstellingen nog niet de verhoopte meerwaarde opgeleverd en heeft ze niet beantwoord aan de verwachtingen van de regionale en lokale overheden, die er niet voldoende bij worden betrokken. Zij zijn van mening dat de methode kan worden uitgebreid tot andere terreinen, op voorwaarde dat er meer actoren bij worden betrokken.

VI.   Het Lissabon monitoringplatform van het Comité van de Regio's

Het Comité van de Regio's heeft in 2006 een monitoringplatform voor de Lissabonstrategie (LMP) opgezet waar momenteel meer dan honderd regio's en steden uit 26 lidstaten deel van uitmaken. Met behulp van dit netwerk voor uitwisseling en evaluatie wordt de betrokkenheid van de lokale en regionale overheden in het Lissabonproces in het oog gehouden en wordt toegezien op de afstemming ervan met het cohesiebeleid.

In zijn monitoringverslag „De verwezenlijking van de Lissabondoelstellingen via gecoördineerd en geïntegreerd territoriaal beleid” benadrukt het LMP dat alle relevante bestuursniveaus nog harder moeten werken aan de onderlinge afstemming en integratie van hun beleidagenda's en dat zij een breder scala aan rechtsinstrumenten moeten invoeren.

Het Comité heeft tijdens de Europese top voor regio's en steden in Praag (5-6 maart 2009) een raadplegingsprocedure opgestart over de toekomstige strategie voor groei en werkgelegenheid, zodat de lokale en regionale overheden vanaf het begin betrokken kunnen worden bij het uitstippelen van het beleid. (www.lisbon.cor.europa.eu).

Teneinde de randvoorwaarden voor ondernemingen, en met name voor het mkb, te verbeteren, is het Comité voornemens om een innovatieve prijs uit te reiken aan regio's in heel de EU die zich onderscheiden door hun ondernemersgeest. Het label „Europese ondernemende regio” dat elk jaar zal worden toegekend, zal een stimulans vormen voor regio's om een strategisch platform voor economische en sociale hervormingen op lange termijn op te zetten, die breed worden gedragen door de bevolking en de lokale betrokken partijen.

Het Comité wil op deze manier een extra impuls geven aan de nieuwe post-Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid, en daarbij de tien principes van de Europese „Small business Act” op lokaal en regionaal niveau ruimere ingang doen vinden.

Er is ontegenzeggelijk een betere afstemming nodig in de Lissabonstrategie, die nog altijd teveel een topdown-aangelegenheid is. Het LMP heeft duidelijk gemaakt dat de regionale en lokale overheden paradoxaal genoeg te weinig zijn betrokken bij het Lissabonproces en wijst op de noodzaak om een meer gedecentraliseerde communautaire strategie voor groei en werkgelegenheid op poten te zetten, die de inbreng van de regio's en steden benut. Vanwege hun bevoegdheden zijn zíj immers degenen die als belangrijkste voortrekkers voor innovatie, onderzoek en onderwijs in Europa fungeren. (27)

Het herstel van de Europese economie verloopt ook via de verwezenlijking van de doelstellingen van de „Small Business Act” voor Europa, die zal worden uitgewerkt in partnerschap met de decentrale overheden. (28)

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

na te denken over de mogelijkheden om een decentrale open coördinatiemethode te organiseren en na te gaan op welke communautaire beleidsterreinen de open coördinatiemethode voor de regionale en lokale overheden de beste oplossing is; de terreinen die dan met name in aanmerking dienen te komen zijn immigratie- en integratiebeleid, innovatiebeleid en onderwijsbeleid;

tijdens de Europese Raad van maart 2010 de resultaten van de raadpleging van de regionale en lokale overheden over de toekomst van de Strategie voor groei en werkgelegenheid voor te leggen;

roept het CvdR:

de lidstaten op om de open coördinatiemethode te onderbouwen met regionale en lokale actieplannen en, om er bij deze methode ook op toe te zien dat er meer rekening wordt gehouden met regionale en lokale plannen in de nationale plannen en dat er schriftelijke akkoorden tussen de verschillende bestuursniveaus tot stand komen; roept derhalve de Europese Commissie op om in het kader van de monitoring van de open coördinatiemethode het bestaan te erkennen van de regionale en lokale aanspreekpunten;

verzoekt het CvdR de Commissie en de lidstaten:

om de open coördinatiemethode te hervormen en haar inclusiever te maken, door samen met de lokale en regionale overheden indicatoren voor participatieve governance en territoriale indicatoren te ontwikkelen; (29)

om in nauw overleg met de regionale en lokale overheden in kaart te brengen wat een goede functionering van de interne markt nog in de weg staat in de regio's, steden en gemeenten, en passende oplossingen aan te dragen om de interne markt aan te passen aan de huidige economische en sociale context;

om de regionale en lokale overheden op passende wijze bij de herziening van de Lissabonstrategie voor de periode na 2010 te betrekken.

Geïntegreerd beleid uitwerken

De geïntegreerde aanpak staat borg voor een doeltreffend gemeenschappelijk beleid. Ze behelst een verticale dimensie die een betere coördinatie en samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus veronderstelt, en een horizontale dimensie die om een coherentere tenuitvoerlegging van het sectorbeleid vraagt teneinde een duurzame ontwikkeling te garanderen en synergie met andere relevante EU-beleidsterreinen te stimuleren.

De tenuitvoerlegging van de territoriale cohesie als communautaire doelstelling is in dit verband fundamenteel voor de toekomst van het gemeenschappelijk beleid. Een juiste toepassing van het beleid voor territoriale cohesie vraagt om drie soorten maatregelen: 1) corrigerende maatregelen die ertoe bijdragen dat de „bestaande ongelijkheden worden weggewerkt” en die alle burgers, ongeacht hun woonplaats, gelijke toegang tot essentiële overheidsdiensten geven, 2) preventieve maatregelen die ervoor zorgen dat sectorbeleid met territoriale impact coherenter wordt en waarbij er in ieder geval naar wordt gestreefd dat de eigen hulpbronnen van benadeelde gebieden beter worden benut, zodat mensen daar eerder blijven wonen, en 3) stimulerende maatregelen die de samenwerking bevorderen terwille van de verbetering van de „territoriale integratie”.

De territoriale cohesie wordt dankzij het Verdrag van Lissabon een gedeelde bevoegdheid tussen de Europese Unie en de lidstaten en moet als dusdanig in het beleid in alle sectoren worden geïntegreerd en model gaan staan voor multilevel governance. Stedelijke governance is bovendien van doorslaggevend belang voor een geslaagde tenuitvoerlegging van de strategieën voor duurzame ontwikkeling in stedelijke gebieden, niet alleen om alle betuurslagen te coördineren maar ook om de lokale actoren te betrekken. Stedelijke governance in het kader van een geïntegreerde aanpak moet betrekking hebben op de drie pijlers van duurzame ontwikkeling: milieu, economie en sociale kwesties. Alleen dan is een echte sociale en territoriale cohesie haalbaar. Er zijn ook nog andere gemeenschappelijke beleidsterreinen van belang om een geïntegreerde en coherente benadering te bevorderen. Zo ook moeten plattelandsgebieden geïntegreerde strategieën op basis van multilevel governance ontwikkelen, die erop gericht zijn hun duurzame ontwikkeling en hun concurrentievermogen te stimuleren. In deze strategieën moet ook worden aangegeven met welke middelen het hoofd geboden kan worden aan de natuurlijke handicaps van deze gebieden en aan de scheefheden tussen plattelandsgebieden en stedelijke gebieden.

VII.   Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie

Eén van de zeldzame voorbeelden in Europa om tot een gezamenlijke aanpak te komen van verschillende sectorale beleidsterreinen aan de hand van een territoriale typologie is de formulering van een geïntegreerd maritiem beleid voor de EU. Uit het proces dat is opgestart met het Groenboek uit 2006 en is voortgezet met het Blauwboek is gebleken hoe groot de betrokkenheid van de regionale en lokale actoren moet zijn om tot een geïntegreerde aanpak te komen van het beheer van de maritieme zeebekkens. Om op een horizontale manier te kunnen voldoen aan de voorwaarden voor duurzame ontwikkeling en voor het behoud van de veiligheid van onze zeeën — die immers fundamentele natuurlijke en economische hulpbronnen vormen voor het Europese continent — moeten onder meer beleidssectoren als vervoer, milieu en hernieuwbare energiebronnen in aanmerking worden genomen.

Daarnaast zijn er ondersteunende maatregelen nodig om het samenbrengende karakter van een dergelijke geïntegreerde maritieme beleidsbenadering nog te kunnen versterken. In dat verband acht het Comité het van belang dat de financieringsmechanismen van de EU worden herzien en herleid tot één enkel vereenvoudigd instrument, waaronder alle — of de meeste — maritieme activiteiten zouden vallen. Dit zou kunnen leiden tot de oprichting van een Europees kust- en eilandenfonds en een Europees Zeeplatform, om deskundigheid en uitwisseling van goede praktijken te bundelen. De regionale en lokale autoriteiten en andere stakeholders moeten daarbij een rol spelen.

De versterkte raadplegingscultuur optimaliseren

Sinds 2002 heeft zich een versterkte cultuur van raadpleging ontwikkeld naar aanleiding van het pleidooi in het Witboek over Europese governance dat zegt dat „investeren in goede raadpleging in een vroeg stadium kan zorgen voor betere wetgeving die sneller wordt goedgekeurd en gemakkelijker kan worden toegepast en uitgevoerd”.

De dialoog die tussen de Europese Commissie en de belanghebbende partijen wordt gevoerd vooraleer voorstellen worden voorgelegd en politieke initiatieven worden goedgekeurd, neemt verschillende vormen aan:

raadpleging in het kader van het wetgevingsproces, met name van het Comité van de Regio's als institutionele vertegenwoordiger van de regionale lokale en overheden;

regelingen voor sectorale raadpleging, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke voorwaarden waaronder de Europese Unie op haar verschillende actiegebieden kan optreden;

totstandbrenging van een samenhangend raadplegingskader met vaststelling van minimumnormen;

gestructureerde dialoog met de verenigingen van territoriale gemeenschappen.

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

in het stadium van de voorbereiding van het wetgevingsprogramma van de Commissie, de samenwerking met de Europese Commissie en de Europese en nationale verenigingen van territoriale overheden te verbeteren in het kader van de gestructureerde dialoog;

met de andere EU-instellingen samen te werken om een doeltreffende effectbeoordeling van zijn activiteiten te ontwikkelen, teneinde zijn rol als adviesorgaan krachtens de Verdragen te versterken en aan te tonen welke meerwaarde het voor de Europese besluitvorming oplevert;

roept het CvdR de Commissie op om:

verslag te doen van de follow-up die wordt gegeven aan zijn in de vorm van mondelinge of schriftelijke vragen geformuleerde beleidsaanbevelingen.

Betere wetgeving

Bij de coördinatie van het wetgevingsproces die in het actieplan voor betere wetgeving wordt voorgesteld en in het desbetreffende door het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie in 2003 goedgekeurde interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” wordt bevestigd, moet ten volle rekening worden gehouden met de bijdrage van de regionale en lokale overheden en de juridische en beleidsinstrumenten die zij voor de strategie ter verbetering van de wetgeving aanbevelen.

Krachtens de huidige Verdragen en in afwachting van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is het op grond van de bestaande interne bepalingen en communautaire regelingen nu reeds mogelijk om in een gemeenschappelijke en gecoördineerde aanpak van de follow-up van en het toezicht op de toepassing van de subsidiariteitsbeginselen te voorzien. In een bepaald aantal lidstaten zijn bovendien interne hervormingen gestart die ervoor zorgen dat regionale wetgevende parlementen kunnen blijven deelnemen aan de mechanismen die in het aan het Verdrag van Lissabon gehechte protocol betreffende de toepassing van en het toezicht op het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel worden omschreven, zodat zij kunnen optreden als onderdeel van het parlementaire apparaat van hun land of van de kamers van het nationale parlement. Deze tendens moet worden voortgezet met inachtneming van de nationale constitutionele structuur.

Bovendien moet het vermogen van de regionale en lokale overheden om het Gemeenschapsrecht te bevatten worden versterkt teneinde de rechtszekerheid binnen de Europese Unie te vergroten en een correcte omzetting van de communautaire wetgeving te vergemakkelijken. De noodzaak om de regionale en lokale overheden meer te betrekken vloeit voort uit het feit dat de effecten van een Europese richtlijn of verordening aanzienlijk kunnen verschillen van de ene lidstaat tot de andere, naar gelang van de interne territoriale organisatie, de mate van autonomie van de regionale en lokale overheden en de reikwijdte van hun bevoegdheden. De problemen die zijn ontstaan bij de omzetting van de richtlijnen betreffende de storting van afvalstoffen (30) en het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (31) tonen aan dat het belangrijk is om de regionale en lokale overheden bij alle stadia van de totstandkoming van de Europese wetgeving te betrekken. (32)

Effectbeoordelingen van wetgevingsvoorstellen vormen een belangrijk instrument om tot betere communautaire wetgeving te komen. Een effectbeoordeling moet aandacht geven aan uitvoering en handhaving van regelgeving. In dit verband is het van groot belang dat het territoriale aspect van nieuwe wetgeving een centrale positie krijgt in de huidige effectbeoordelingen van de Commissie. Om dit territoriale aspect goed te meten dienen de Commissiediensten de gevolgen van nieuwe wetgeving voor regio’s en gemeenten vroegtijdig in kaart te brengen. Het Comité van de Regio’s kan hierbij een belangrijke rol spelen.

VIII.   Het netwerk voor subsidiariteitstoezicht van het Comité van de Regio's: een adequaat instrument om de democratische verantwoordingsplicht en betrokkenheid bij het wetgevingsproces van de Europese Unie te vergroten.

Het subsidiariteitsbeginsel zorgt ervoor dat op terreinen die niet tot de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap behoren de beslissingen worden genomen op het meest geschikte niveau. Op deze terreinen moet worden nagegaan of communautair optreden gerechtvaardigd is gezien de mogelijkheden die op nationaal, regionaal of lokaal niveau voorhanden zijn.

Het netwerk voor subsidiariteitstoezicht van het Comité van de Regio's telt momenteel 96 leden (regionale en lokale overheden, nationale en regionale parlementen, verenigingen van lokale en regionale gemeenschappen) en kan online, via zijn website, worden geraadpleegd. Het netwerk heeft tot doel:

overleg met de partners in het netwerk te organiseren over documenten en voorstellen van de Europese Commissie die beogen na te gaan in welke mate de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden toegepast en wat het effect is van voorgestelde maatregelen. Op deze manier bevordert het netwerk de communicatie tussen de regionale en lokale overheden en het Comité van de Regio's voor wat het Europese wetgevingsproces betreft;

als informatiebron te dienen voor de regionale en lokale overheden, zodat deze sneller toegang hebben tot de door hen gewenste informatie over de EU en over een extra kanaal beschikken om hun stem te laten horen;

het Comité van de Regio's te helpen bij zijn advieswerkzaamheden door toegang te verschaffen tot de politieke en administratieve bestuursstructuren van de regio's en steden van Europa en door deze middelen ter beschikking te stellen aan zijn rapporteurs;

de leden van het netwerk voor subsidiariteitstoezicht in een zeer vroeg stadium van de prelegislatieve fase te betrekken bij eventuele studies naar de territoriale impact van de voorstellen van de Commissie.

Om het multilevel governance-concept in de praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

meer betrokken te zijn bij de follow-up van het actieplan voor betere wetgeving en zijn interne beleidsproces en advieswerkzaamheden verder ontwikkelen door gebruik te maken van interactieve platforms om betrouwbare informatie te verzamelen over de mate waarin bij het opstellen van nieuwe wetgeving rekening wordt gehouden met de lokale en regionale dimensie;

zijn interinstitutionele betrekkingen met de Raad, de Europese Commissie en het Europees Parlement tijdens het gehele wetgevingsproces te versterken;

samen met de nationale parlementen en regionale wetgevende parlementen een modus operandi te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de regionale en lokale overheden van alle lidstaten zowel bij het ex ante-toezicht als in het kader van het vroegtijdig waarschuwingssysteem hun rol kunnen spelen (33);

een bijdrage te leveren aan de werkzaamheden van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau inzake de verlaging van administratieve lasten, zich uit te spreken over de voorstellen van deze groep en te werken aan de oprichting van een Groep van territoriale overheden op hoog niveau;

zou het CvdR graag zien dat:

het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie over beter wetgeven wordt uitgebreid met een convenant met het Comité van de Regio's over het gebruik van met name bepaalde mechanismen voor evaluatie en overleg;

roept het CvdR de Commissie op om:

de vereenvoudiging van het regelgevingsklimaat voort te zetten, met name in het kader van het cohesiebeleid, en in de nationale actieplannen ter vereenvoudiging van de regelgeving specifiek aandacht te besteden aan de regionale dimensie;

ervoor te zorgen dat de regionale en lokale overheden gemakkelijker een beroep kunnen doen op de comitéprocedure en op de deskundigengroepen die het actieplan voor betere wetgeving moeten uitvoeren (34); (35)

verzoekt het Comité de lidstaten om:

een mechanisme voor raadpleging van de lokale en regionale overheden in het leven te roepen om de omzetting van de Europese wetgeving te vergemakkelijken;

te waarborgen dat de bevoegdheidsverdeling binnen de lidstaten bij de omzetting en toepassing van de Europese wetgeving wordt gerespecteerd;

de werkzaamheden betreffende het ontwerphandvest voor regionale democratie binnen de Raad van Europa voort te zetten.

De territoriale impact van communautaire acties evalueren

Evaluatiemechanismen zorgen ervoor dat kan worden nagegaan of de besluiten op het passende niveau zijn genomen en uitgevoerd. Zij maken het ook mogelijk om adequate beleidsinstrumenten te ontwikkelen en het toepassingsgebied en de reikwijdte van het EU-optreden te bepalen. Van groot belang zijn het definiëren van het concept „territoriale impact”, het vastleggen van gemeenschappelijke maar aan de specifieke situatie in de regio's aan te passen doelstellingen en het ontwikkelen van goede kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren. Een en ander kan bovendien een concrete invulling helpen geven aan het beginsel van territoriale samenhang.

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen

verbindt het CvdR zich ertoe om:

de samenwerking met de Europese Commissie in het kader van het Samenwerkingsprotocol op te voeren om al in een vroeg stadium van het wetgevingsproces goed onderbouwde adviezen van de regionale en lokale gemeenschappen over de effectbeoordeling van de Commissievoorstellen te kunnen uitbrengen;

met de steun van de Raad voor Effectbeoordeling van de Europese Commissie een technische „groep op hoog niveau” op te richten en deze te belasten met de evaluatie van de territoriale gevolgen van belangrijke Europese beleidsmaatregelen, teneinde maatregelen te treffen om de wetgeving te verbeteren, de administratieve procedures te vereenvoudigen en de acceptatie van het EU-beleid door de burgers te vergroten;

beveelt het CvdR aan om:

de territoriale effectbeoordelingen te systematiseren door vóór de politieke besluitvorming de verschillende relevante actoren te raadplegen om een beter inzicht te krijgen in de economische, sociale en milieugevolgen van communautaire voorstellen van wetgevende en niet-wetgevende aard voor de lokale en regionale gemeenschappen;

te zorgen voor betere mechanismen voor het beoordelen van de territoriale impact wanneer in de loop van het wetgevingsproces wezenlijke wijzigingen in de oorspronkelijke voorstellen worden voorgesteld;

te voorzien in een betere regeling voor de evaluatie achteraf waarbij de lokale en regionale impact van bepaalde richtlijnen, alsook de omzetting en uitvoering van Europese regelgeving op lokaal en regionaal niveau worden beoordeeld en door de Commissie in haar beoordelingsverslag worden meegenomen;

erop toe te zien dat de Europese en nationale statistieken een duidelijk beeld geven van de uiteenlopende situaties op lokaal en regionaal niveau, teneinde een beter inzicht te krijgen in de precieze gevolgen van het beleid voor de lokale en regionale gemeenschappen;

roept het CvdR de Europese Commissie op om:

in haar scoreborden, die een overzicht gegeven van de vorderingen op bepaalde beleidsterreinen die van cruciaal belang zijn voor het de Europese integratie, ook de parameter „multilevel governance” op te nemen om de concrete impact van het EU-optreden te kunnen beoordelen; het pleit in dit verband voor een versterking van de lokale en regionale dimensie van het scorebord voor de interne markt.

De mogelijkheden voor territoriale samenwerking aangrijpen

Om de doelstellingen inzake economische, sociale en territoriale samenhang te kunnen verwezenlijken, moet de territoriale samenwerking worden opgevoerd. De komende jaren moet veel meer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden voor verticale en horizontale partnerschappen, die moeten worden gegarandeerd door een politiek, juridisch en financieel kader voor transnationale samenwerking dat samenwerking tussen meerdere gebieden van verschillende Europese landen mogelijk moet maken.

Samenwerking binnen een geografisch kader maakt het voor politieke overheden en besturen van verschillende niveaus mogelijk samen te werken en gemeenschappelijke belangen te behartigen door de levensomstandigheden van de burgers in de betrokken gebieden te verbeteren en de middelen en capaciteiten te bundelen.

Het CvdR wil de geplande versterking van de Europese Groeperingen voor Territoriale Samenwerking en de herziening van de betreffende verordening aangrijpen om voorstellen te formuleren met als doel de meerwaarde van dit instrument te maximaliseren.

IX.   Europese Groeperingen voor Territoriale Samenhang (EGTS)

Europese Groeperingen voor Territoriale Samenhang zijn een nieuw juridisch instrument waarmee de EU meer stabiliteit wil brengen in de territoriale samenwerking tussen de diverse bestuursniveaus en in de grensoverschrijdende samenwerking (zie Verordening 1082/2006). Zij kunnen in aanzienlijke mate bijdragen aan de versterking van het beleid ter verbetering van de territoriale samenhang. Er zijn al zes groeperingen opgericht en er zijn er nog een 30-tal in voorbereiding.

Multilevel governance neemt bij de voorbereiding, oprichting en werking van de groeperingen een centrale plaats in. Het is namelijk de bedoeling om de diverse overheden, elk met zijn specifieke bevoegdheden, volgens een „variabele institutionele geometrie” bij de territoriale samenwerking te betrekken en een partnerschap tussen deze overheden en de sociaaleconomische actoren tot stand te brengen. De al opgerichte groeperingen houden zich met sterk uiteenlopende taken bezig: volksgezondheid, burgerbescherming, economische ontwikkeling, het instandhouden en benutten van natuurlijke hulpbronnen, opleiding, onderzoek en innovatie, enz.

Het CvdR tracht in overleg met de regionale en lokale overheden, de Europese Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten het door dit nieuwe instrument geboden potentieel te optimaliseren en de totstandkoming van een ruimte van communicatie, informatie, analyse, onderzoek en uitwisseling van expertise te bevorderen.

Onderdeel van de interne strategie van de EU is onder meer de oprichting van macroregio's. Deze vernieuwende benadering vereist niet alleen een coherente aanpak, zowel wat de opzet van dergelijke regio's betreft als wat hun integratie in het EU-bestel aangaat, maar ook een systeem van multilevel governance dat is gebaseerd op een nieuw soort partnerschap, waarbij de interne en de externe beleidsstrategieën van de EU op elkaar worden afgestemd. De lessen die geleerd worden met de implementatie van de strategie voor het Oostzeegebied en de geplande strategie voor het Donaugebied zullen samen met de mogelijkheden van het actieplan voor het grote nabuurschap, dat voor de ultraperifere gebieden is opgesteld, van cruciaal belang zijn om het belang te bepalen van dergelijke macroregio's voor de Europese governance, de ontwikkeling van de territoriale samenwerking en de nagestreefde territoriale samenhang.

X.   Strategie voor het Oostzeegebied

De Strategie voor het Oostzeegebied moet een nieuw soort samenwerking in deze maritieme regio tot stand brengen, met als doel het milieu beter te beschermen, een duurzame economische ontwikkeling op gang te brengen, de toegang tot deze regio te vergemakkelijken en de veiligheid te verhogen. Deze allesomvattende participatieve strategie, die momenteel nog in voorbereiding is, is een schoolvoorbeeld van een sectoroverkoepelende aanpak, die wordt gedragen door verschillende actoren en specifiek is gericht op een Europese macroregio. Binnen deze strategie worden de verschillende (Europese, nationale en subnationale) programma's en budgetten onder één paraplu gebracht om betere resultaten te kunnen boeken met de programma's van het cohesiebeleid, dat als referentiekader fungeert.

Het welslagen van deze strategie zal afhangen van de wijze van governance. De uitwerking ervan vereist namelijk een multilevel-aanpak met nauwere samenwerking tussen de diverse bestuursniveaus (het Europese, nationale, regionale en lokale), maar ook intensievere samenwerking tussen overheid en particuliere sector en tussen actoren in verschillende lidstaten (36).

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

na te gaan in hoeverre de regionale en lokale overheden bij het opzetten, uitwerken, uitvoeren, uitleggen en evalueren van ontwikkelingsstrategieën ten behoeve van macroregio's — en de bijbehorende actieplannen — worden betrokken, en erop aan te dringen dat in de EU-begroting voldoende middelen voor de nodige financieringsbronnen en –mechanismen worden uitgetrokken;

samen met de Europese Commissie, de lidstaten en de overige instellingen een krachtige informatie- en ondersteuningscampagne ten behoeve van nieuwe Europese Groeperingen voor Territoriale Samenwerking op te zetten en in het kader van al eerder opgerichte groeperingen informatie over succesvolle methoden te verstrekken;

in het licht van de bevindingen van zijn deskundigengroep (37) mee te werken aan een eventuele herziening van de EGTS-Verordening (Verordening 1082/2006), met name met de bedoeling om de sociaaleconomische actoren een grotere rol toe te bedelen, de toepassing van de regeling aan de buitengrenzen van de EU te vergemakkelijken, de oprichtingsprocedures te versoepelen, in de voornaamste Europese wetgevingsteksten over thema's met een sterke grensoverschrijdende dimensie (b.v. grensoverschrijdende gezondheidszorg) een verwijzing naar de EGTS-regeling te laten opnemen, de invoering van stimulerende maatregelen — incl. juridische, economische en financiële stimulansen op Europees of nationaal niveau — te bevorderen en een opwaardering van dit instrument in het communautaire rechtsbestel te bepleiten;

beveelt het CvdR aan om

extra middelen uit te trekken voor de drie takken van territoriale samenwerking, gelet op de onmiskenbare bijdrage die deze leveren aan het Europese integratieproces;

verzoekt het CvdR

de Europese Commissie om in haar volgende verslag over de EGTS-Verordening (of de herziening daarvan) aan te geven welke initiatieven zij gaat nemen om het potentieel van dit rechtsinstrument tenvolle te kunnen benutten;

de Europese Commissie en de lidstaten om de voorlichting over dit instrument op te voeren door de interne informatieverstrekking binnen hun directoraten-generaal cq. ministeries aanzienlijk te intensiveren en de meerwaarde ervan te benutten;

de lidstaten om bij de oprichting van de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking loyaal met de regionale en lokale overheden samen te werken, opdat deze groeperingen volledig in overeenstemming met de letter en de geest van Verordening 1082/2006 worden opgericht en kunnen functioneren.

Innoverende, op partnerschap gebaseerde governancemethoden aanmoedigen

De economische, technologische en maatschappelijke veranderingen maken een mentaliteitsverandering en een andere aanpak noodzakelijk. De communautaire methode moet worden verrijkt met innovatieve en experimentele benaderingen, waarbij gebruik moet worden gemaakt van de ervaring en de expertise van de regionale en lokale bestuurders omdat het vaak juist op dát bestuursniveau is dat het EU-beleid ten uitvoer wordt gelegd en de EU-regelgeving in praktijk wordt gebracht.

Experimenteren is een uiting van goed bestuur. Het is nuttig om acties eerst op kleinere schaal uit te proberen om van te voren het effect ervan te kunnen beoordelen, en ze vervolgens, bij een positief resultaat, op grotere schaal ten uitvoer te leggen. Bovendien stelt experimenteren de politieke besluitvormers in staat om hun besluiten te baseren op feitelijke gegevens waarvan de territoriale impact al bekend is.

Het sluiten van overeenkomsten heeft in het kader van het Europees regionaal beleid geleid tot een gevoel van eigen verantwoordelijkheid op nationaal, regionaal en lokaal niveau ten aanzien van de Europese strategische prioriteiten, alsmede tot een betere coördinatie van het beleid op de diverse bestuursniveaus en een versterking van de bestuurscapaciteit van de verschillende overheden. Deze methode zou daarom ook in andere beleidssectoren moeten worden ingevoerd.

Om het multilevel governance-concept in praktijk te brengen:

verbindt het CvdR zich ertoe om:

met voorstellen te komen om experimenten op regionaal en lokaal niveau op bepaalde beleidsterreinen die onder de bevoegdheid van de EU vallen, zoals strategie voor groei en werkgelegenheid, sociale agenda, integratiebeleid, innovatiebeleid, cohesiebeleid, duurzame ontwikkeling, burgerbescherming, te promoten;

actiemogelijkheden uit te werken om de toepassing van de methode van gecontroleerde experimenten ter beoordeling van het effect van ingrijpende hervormingen van bepaalde onderdelen van het EU-beleid, zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid, te bevorderen;

zich in te zetten voor het sluiten van doelstellingenovereenkomsten, zoals bepleit in 2001, door de nodige aanpassingen van de politieke en juridische uitvoeringsbepalingen voor te stellen, o.m door middel van flexibele en gediversifieerde tripartiete instrumenten; daarbij is het bijzonder belangrijk dat volledig rekening wordt gehouden met de institutionele en procedurele autonomie van de lidstaten bij de omzetting en vooral ook de uitvoering van het Gemeenschapsrecht;

beveelt het CvdR aan om:

Europese territoriale pacten in te voeren, die moeten fungeren als kader voor vrijwillige samenwerking tussen de diverse bevoegde bestuursniveaus, met als doel de regionale en lokale overheden als partners bij de verwezenlijking van de grote politieke prioriteiten en doelstellingen van de EU te betrekken (38);

te bepalen dat bij de Europese territoriale pacten ook een EU-instelling of -agentschap én de nationale en één of meer territoriale overheden betrokken moeten zijn en dat moet worden vastgelegd welke Europese politieke doelstellingen ermee worden nagestreefd, hoe daarbij concreet te werk zal worden gegaan in het desbetreffende gebied, hoe het toezicht op een en ander zal worden georganiseerd en hoe dit alles zal worden gefinancierd (vastleggen van een budget met vermelding van de benodigde financiële bijdragen van de diverse betrokken partijen);

dringt het CvdR erop aan dat:

de financiering van de Europese territoriale pacten zó wordt geregeld dat er een synergie tussen de op EU-niveau beschikbare begrotingsmiddelen voor de betrokken sectoren en voor structurele steunverlening en de op nationaal, regionaal en lokaal niveau beschikbare middelen teweeg kan worden gebracht, zonder dat in het kader van het Europees regionaal beleid een nieuw financieel instrument in het leven hoeft te worden geroepen of via andere kanalen extra middelen hoeven te worden aangetrokken;

geïnteresseerde regionale en lokale overheden hun belangstelling laten blijken in het kader van de raadpleging over de implementatie van dit Witboek.

5.   Uitvoering en follow-up van het Witboek

Met de publicatie van dit Witboek wil het CvdR zijn visie op de communautaire methode onder de aandacht brengen, die uitgaat van een governance waarbij de territoriale overheden bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van het EU-beleid betrokken moeten worden. Het CvdR bouwt in dit Witboek, waarin de mogelijkheden en uitdagingen van een Europees systeem van gedeelde governance worden uiteengezet, voort op de vorderingen van het in 2001 door de Europese Commissie gepubliceerde Witboek over Europese governance heeft opgeleverd. De ontwikkeling van een Europese cultuur van multilevel governance is en blijft een uitdaging. Het Comité is derhalve van plan om de uitvoering van dit Witboek geregeld te evalueren en om de drie jaar een rapport over de implementatie van het multilevel governance-concept binnen de EU uit te brengen.

Zodra dit Witboek is gepubliceerd zal het CvdR een procedure inleiden voor overleg met de EU-instellingen om na te gaan hoe de actiemogelijkheden en verbintenissen die in dit Witboek zijn voorgelegd, geconcretiseerd kunnen worden.

Het CvdR geeft bij dezen ook het startsein voor een algemene raadpleging over zijn Witboek. Het nodigt de diverse overheden, verenigingen en andere betrokken partijen uit om hun standpunt kenbaar te maken, en met name te laten weten hoe het multilevel governance-concept volgens hen het best in praktijk kan worden gebracht. Zij kunnen hun opmerkingen nog tot 30 november 2009 sturen naar:

Comité van de Regio's van de Europese Unie

Groep voor prospectief onderzoek

Kantoor VMA 0635

Belliardstraat 101

1040 Brussel

BELGIË

of naar governance@cor.europa.eu (39).

Het CvdR zal in het licht van de resultaten van de algemene raadpleging en van het overleg met de instellingen en de betrokken partijen een actieplan opstellen om de uitvoering van zijn aanbevelingen in goede banen te leiden.

Brussel, 17 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


(1)  Verklaring ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de ondertekening van de Verdragen van Rome, Berlijn, 25 maart 2007.

(2)  Verklaring voor Europa van het Comité van de Regio's, DI/CdR 55/2007 fin.

(3)  De territoriale overheden zijn goed voor:

16 % van het BBP van de EU-27;

1/3 van de overheidsuitgaven;

2/3 van de totale overheidsinvesteringen;

56 % van de werkgelegenheid in de overheidssector (gegevens: Dexia — http://www.dexia.be/nl/particulier/press/pressrelease20090205-localauthorities.htm)

(4)  In zijn verslag van 17/09/2008 over „Governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en op projectbasis op het gebied van regionaal beleid A6- 0356/2008” verzoekt het Europees Parlement „het Comité van de Regio's zich meer in te zetten voor de ontwikkeling van governance in de praktijk, zowel uit kwantitatief als uit kwalitatief oogpunt”.

(5)  Aan het Witboek is ook een bijdrage geleverd door universiteiten, via de workshops van het Comité van de Regio's www.cor.europa.eu/ateliers en een raadpleging vooraf van de belangrijkste Europese verenigingen van territoriale overheden.

(6)  Verslag van het Europees Parlement over „Governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en op projectbasis op het gebied van regionaal beleid A6- 0356/2008”.

(7)  Eurobarometer: Comité van de Regio's: http://www.cor.europa.eu/ en Europese Commissie: http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/eb_special_en.htm.

(8)  Witboek van de Europese Commissie COM(2001) 428 final.

(9)  Het Comité van de Regio's en het Congres van lokale en regionale overheden in Europa werken te dien einde samen in het kader van een samenwerkingsovereenkomst

(10)  In haar Witboek over Europese governance had de Commissie een vernieuwde communautaire methode voorgesteld als methode voor de toekomst. Zij merkte daarbij op „dat ervoor moet worden gezorgd dat de Commissie beleid voorstelt en uitvoert, de Raad en het Europees Parlement besluiten nemen, en de nationale en regionale actoren worden betrokken bij het beleidsvormingsproces van de EU.” COM(2001)428 final.

(11)  In het verslag „Van het Handvest voor de grondrechten een realiteit maken”, waartoe het Comité van de Regio's opdracht heeft gegeven, worden de eerste voorstellen gedaan om burgers bewust te maken van hun rechten. Verder bevat het voorbeelden van goede praktijken van territoriale overheden. CdR 776/2008.

(12)  In zijn advies over over „De nieuwe rol en bevoegdheden van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon” benadrukt de commissie Regionale ontwikkeling van het Europees Parlement het belang van de betrekkingen met het Comité van de Regio's, PE 404.556 v02-00 (30/05/2008).

(13)  Advies van het Comité van de Regio's over „De meerwaarde van de participatie van de lokale en regionale overheden in het uitbreidingsproces”, CdR 93/2008 fin

(14)  United Cities and Local Governments (UCLG) publiceert regelmatig rapporten over decentralisatie en de lokale democratie in de wereld

(15)  ART GOLD is een internationaal samenwerkingsinitiatief dat de programma's en activiteiten van de verschillende gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties (zoals PNUD, UNESCO, UNIFEM, FENU, OMS en UNORS) verenigt om tot een nieuwe vorm van multilaterale samenwerking te komen.

(16)  Het Forum of Global Associations of Regions (FOGAR) en de FAO hebben een memorandum van overreenstemming ondertekend.

(17)  De Raad van Europese gemeenten en regio's (CEMR) heeft een website om jumelages te bevorderen, www.twinning.org

(18)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Plaatselijke overheden als ontwikkelingsactoren”, SEC(2008) 2570

(19)  Ontwerpadvies van het Comité van de Regio's „Plaatselijke overheden als ontwikkelingsactoren”, CdR 312/2008 rev. 1.

(20)  Advies van het Comité van de Regio's over „De meerwaarde van de participatie van de lokale en regionale overheden in het uitbreidingsproces”, CdR 93/2008 fin.

(21)  http://ec.europa.eu/regional_policy/conferences/od2009/index.cfm

(22)  

De Vergadering van de Regio’s van Europa heeft een interregionaal samenwerkingsprogramma opgezet met als doel het Europees bewustzijn te bevorderen, het Europa van de regio's verder te ontwikkelen en regionale ondernemingen aan te sporen om stagiairs aan te nemen.

de Vereniging van gekozen vertegenwoordigers van berggebieden heeft in het kader van INTERREG een interregionaal samenwerkingsproject voor berggebieden opgezet.

De Werkgemeenschap van Europese Grensgebieden heeft een netwerk van grensoverschrijdende regio's opgezet voor de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden, om zo concrete voorstellen te ontwikkelen die in het kader van de communautaire programma's gerealiseerd kunnen worden.

(23)  Communiceren over Europa in partnerschap: besluit van het Europees Parlement van 9 oktober 2008 en gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Raad (P6Ta(2008) 0463)

(24)  Het Comité van de Regio's biedt zijn leden en de regionale en de lokale overheden die zij vertegenwoordigen al een „communicatie-toolkit” om de burgers en beleid van de Europese Unie uit te leggen. CdR 234/2008 fin.

(25)  Naar aanleiding van een initiatief dat in 2002 tijdens de Top van Johannesburg over duurzame ontwikkeling werd gelanceerd zijn de Conferentie van perifere en maritieme regio's van de Europese Unie en de Forum van wereldwijde verenigingen van regio's actieve leden geworden van het netwerk van regionale regeringen voor duuzame ontwikkeling.

(26)  Conclusies van de Europese top van regio's en steden, Praag, 5-6 maart 2009. CdR 86/2009 fin.

(27)  In het kader van het Zesde Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling voert EUROCITIES met steun van de Europese Commissie een project uit dat de uitwisseling van goede praktijken, deskundigheid en de toepassing ervan in een duurzame stedelijke ontwikkeling wil bevorderen.

(28)  Advies van het Comité van de Regio's over „Denk eerst klein” — een „Small Business Act” voor Europa, 12 en 13 februari 2009 CdR 246/2008 fin.

(29)  „Het Comité van de Regio's stelt voor om nieuwe instrumenten en met name indicatoren in te voeren in functie van hetgeen nodig is voor de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, en ook moeten er subregionale analyses worden uitgevoerd.” Advies van het Comité van de Regio's over het „Groenboek over territoriale cohesie” (CdR 274/2008 fin.)

„Ten einde de juiste regionale ontwikkelingsstrategieën en beleidsreacties te bepalen moeten er adequate instrumenten komen waarmee in het beleid rekening kan worden gehouden met verschillen tussen gebieden (bijv. het inkomen per capita met het oog op overdrachten als aanvulling op het BBP per capita, de belastingopbrengsten, de toegankelijkheid van verschillende diensten (vervoer, energievoorziening, gezondheidszorg of onderwijs) de demografische structuur en de sedentarisatie van de bevolking (gegevens over bevolkingsspreiding, mate van vergrijzing en afhankelijkheidspercentage) en zelfs synthetische aanwijzingen voor de menselijke ontwikkeling” — Advies over het Groenboek over territoriale cohesie (CdR 274/2008 fin).

(30)  Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen — PB L 182 van 16.07.1999, blz. 1-19; Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende het storten van afvalstoffen — PB L 114 van 27.04.2006, blz. 9-21.

(31)  Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (30.04.2004) — PB L 134 van 30.04.2004, blz. 114-240.

(32)  Het Europees Instituut voor Bestuurskunde (EIB) heeft opdracht gekregen om onderzoek te doen naar „de impact van het Gemeenschapsrecht op lokaal niveau” en met name naar deze twee gevallen. De resultaten van dit onderzoek zullen tijdens het Zweedse voorzitterschap in oktober 2009 aan de Groep op hoog niveau Europese governance en de Europese Unie worden gepresenteerd.

(33)  De Conferentie van Europese regionale wetgevende parlementen (CALRE) heeft een netwerk opgericht dat zowel inhoudelijk als beleidsmatig toezicht moet houden op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel.

(34)  Verslag van het seminar op hoog niveau over lokale governance (Biarritz, 14-16 september 2008).

(35)  De Conferentie van de Europese regio's met wetgevende bevoegdheid (REGLEG) organiseert uitwisselingen van goede praktijken over de deelname van deskundigen als vertegenwoordigers van regio's met wetgevende bevoegdheid in het kader van de comitéprocedure en binnen de deskundigengroepen van de Commissie en de werkgroepen van de Raad.

(36)  Advies van het CvdR over „De rol van de lokale en regionale overheden in de nieuwe strategie voor het Oostzeegebied”, CdR 381/2008 fin

(37)

toe te zien op de toepassing van de bepalingen van de Verordening op het niveau van de lidstaten;

de uitwisseling van ervaringen met de oprichting van een EGTS op lokaal en regionaal niveau te bevorderen en te zorgen voor de verspreiding van informatie over best practices op dit vlak;

toe te zien op de toepassing van de bepalingen van de Verordening op het niveau van de lidstaten;

de uitwisseling van ervaringen met de oprichting van een EGTS op lokaal en regionaal niveau te bevorderen en te zorgen voor de verspreiding van informatie over best practices op dit vlak;

aan te geven op welke manier Europese Groeperingen voor Territoriale Samenwerking de territoriale ontwikkeling kunnen bevorderen;

(37)

toe te zien op de toepassing van de bepalingen van de Verordening op het niveau van de lidstaten;

de uitwisseling van ervaringen met de oprichting van een EGTS op lokaal en regionaal niveau te bevorderen en te zorgen voor de verspreiding van informatie over best practices op dit vlak;

aan te geven op welke manier Europese Groeperingen voor Territoriale Samenwerking de territoriale ontwikkeling kunnen bevorderen;

toe te zien op de toepassing van de bepalingen van de Verordening op het niveau van de lidstaten;

de uitwisseling van ervaringen met de oprichting van een EGTS op lokaal en regionaal niveau te bevorderen en te zorgen voor de verspreiding van informatie over best practices op dit vlak;

aan te geven op welke manier Europese Groeperingen voor Territoriale Samenwerking de territoriale ontwikkeling kunnen bevorderen;

de communicatie over de mogelijkheden van en uitdagingen voor dit nieuwe instrument op lokaal en niveau te verbeteren. Website: www.cor.europa.eu/egtc.htm.

(37)

toe te zien op de toepassing van de bepalingen van de Verordening op het niveau van de lidstaten;

de uitwisseling van ervaringen met de oprichting van een EGTS op lokaal en regionaal niveau te bevorderen en te zorgen voor de verspreiding van informatie over best practices op dit vlak;

aan te geven op welke manier Europese Groeperingen voor Territoriale Samenwerking de territoriale ontwikkeling kunnen bevorderen;

de communicatie over de mogelijkheden van en uitdagingen voor dit nieuwe instrument op lokaal en niveau te verbeteren. Website: www.cor.europa.eu/egtc.htm.

(38)  Advies van het CvdR over de „invoering van Europese territoriale pacten: voorstel tot herziening van de tripartiete contracten en overeenkomsten”, CdR 135/2006 fin.

(39)  In het kader van de follow up van dit Witboek zullen er ook workshops worden georganiseerd (zie www.cor.europa.eu/ateliers).


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/28


Advies van het Comité van de Regio's over de documenten „Eén jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk” en „De EU, Afrika en China: naar een trilaterale dialoog en trilaterale samenwerking”

(2009/C 211/02)

Het Comité van de Regio's (CvdR) is te spreken over de inspanningen die de Europese en Afrikaanse betrokkenen sinds de lancering van het partnerschap EU-Afrika hebben geleverd en onderstreept dat de in het kader van de acht partnerschappen opgezette initiatieven voortgezet, versneld, versterkt en verruimd moeten worden.

Het CvdR zou moeten deelnemen aan het werk van de groepen die belast zijn met de uitvoering van de thematische partnerschappen, in het bijzonder de groepen die zich bezighouden met governance, MDG's, klimaatverandering, migratie, mobiliteit en werkgelegenheid. De EU zou de beschikking moeten krijgen over statistische en evaluatie-instrumenten voor activiteiten van lokale en regionale overheden op het vlak van decentrale samenwerking. De bijeenkomsten over decentrale samenwerking moeten de gelegenheid bij uitstek vormen voor overleg tussen de Commissie en het CvdR, en in dit kader moet een speciale plaats worden ingeruimd voor het partnerschap EU-Afrika.

Het CvdR is ingenomen met de Commissiemededeling over de samenwerking tussen de EU, Afrika en China en wijst op de verschillen in doelstellingen en middelen tussen het ontwikkelingsbeleid dat resp. de EU en China m.b.t. Afrika voeren. Gezien deze verschillen is het nog noodzakelijker dat de EU en China hun samenwerking intensiveren, waarbij wel gehamerd moet blijven worden op de noodzaak van goed bestuur en naleving van de mensenrechten.

Nu reeds moet worden nagegaan hoe de Afrikaanse, Europese en Chinese decentrale overheden aan de trilaterale samenwerking tussen de EU, Afrika en China kunnen deelnemen, vooral waar het gaat om de vaststelling van de samenwerkingsthema's.

In het licht van de economische en financiële crisis wijst het CvdR erop dat het budget voor ontwikkelingshulp voor Afrika op peil moet blijven, ja zelfs moet worden verhoogd.

Rapporteur

:

Jean-Louis Destans (FR/PSE),

voorzitter van de departementsraad van het departement Eure

Referentiedocumenten

Eén jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk

COM(2008) 617 final

De EU, Afrika en China: naar een trilaterale dialoog en trilaterale samenwerking

COM(2008) 654 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

A.   Algemene opmerkingen

Partnerschap EU-Afrika

1.

Het CvdR is ingenomen met de Commissiemededeling „Eén jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk”, waarin beoordeeld wordt welke vooruitgang er is geboekt tijdens het eerste jaar van de tenuitvoerlegging van het actieplan 2008-2010 dat bestaat uit acht thematische partnerschappen waarmee de gezamenlijke strategie EU-Afrika concrete invulling krijgt.

2.

Ook is het CvdR te spreken over de inspanningen die de Europese en Afrikaanse betrokkenen hebben geleverd sinds de lancering van de strategie in 2007. Hiermee kon de basis worden gelegd voor dialoog en samenwerking die uitstijgen boven louter Afrikaanse, institutionele en ontwikkelingsaspecten.

3.

Er is dus al enige vooruitgang geboekt, maar de in het kader van de acht partnerschappen opgezette initiatieven moeten voortgezet, versneld, versterkt en verruimd worden. De ontwikkelings- en samenwerkingsstrategie EU-Afrika zal pas het beoogde effect sorteren als beide partijen zich hiervoor nog krachtiger gaan inzetten. Wat er in het eerste jaar van de tenuitvoerlegging is bereikt, moet de Europese en Afrikaanse partijen ertoe aanzetten hun inspanningen op te voeren en bij te dragen tot het langetermijnsucces van de strategie.

4.

Het CvdR juicht toe dat er op 21 november 2008 een gezamenlijk rapport van de EU en de Afrikaanse Unie (AU) is goedgekeurd waarin de conclusies van de Europese Commissie worden overgenomen.

5.

Het CvdR heeft met belangstelling kennisgenomen van de benadering van de Commissie, die niet alleen de balans opmaakt, maar ook een aantal aanbevelingen formuleert om

een oplossing te vinden voor de problemen die bij de tenuitvoerlegging van het actieplan aan het licht zijn gekomen;

te bevorderen dat alle betrokkenen de strategie als hun collectieve verantwoordelijkheid gaan beschouwen;

een horizontale totaalaanpak voor het Afrikaanse continent uit te werken;

binnen de internationale organisaties de coördinatie en samenwerking tussen de EU en Afrika te stimuleren;

de doelstellingen en verwezenlijkingen van het partnerschap meer onder de aandacht te brengen, teneinde de transparantie te vergroten en ervoor te zorgen dat de Afrikaanse en Europese burgers erachter gaan staan.

6.

Duidelijk is en erkend wordt dat lokale en regionale overheden uit zowel de EU als Afrika voor een meerwaarde kunnen zorgen t.a.v. al deze aanbevelingen en de drie pijlers van het partnerschap, vooral de pijlers „verder gaan dan ontwikkeling” en „verder gaan dan het institutionele”. De Commissie had hier in haar Mededeling dan ook een speerpunt van moeten maken.

Trilaterale dialoog en samenwerking tussen de EU, Afrika en China

7.

Het CvdR is ingenomen met de Commissiemededeling „De EU, Afrika en China: naar een trilaterale dialoog en trilaterale samenwerking” en beklemtoont het belang van de gecreëerde dynamiek, die kan helpen om ten behoeve van Afrika synergieën tot stand te brengen.

8.

Het CvdR acht het voor de toekomst van Afrika inderdaad van essentieel belang dat de aanzet wordt gegeven tot samenwerking tussen de EU en China, die allebei bilaterale partnerschappen met Afrika hebben ontwikkeld en resp. de grootste en op twee na grootste handelspartners van Afrika zijn. Bovendien staan zij op de bovenste twee plaatsen waar het gaat om rechtstreekse investeringen in Afrika.

9.

Deze trilaterale benadering moet in een nieuw kader worden geplaatst, waarbij ook rekening dient te worden gehouden met de rest van de wereld, inclusief de grote opkomende landen.

10.

Het CvdR wijst op de verschillen in doelstellingen en middelen tussen het ontwikkelingsbeleid dat resp. de EU en China m.b.t. Afrika voeren. Gezien deze verschillen is het nog noodzakelijker dat de EU en China hun samenwerking intensiveren.

11.

De AU, de Afrikaanse landen en de Afrikaanse lokale en regionale overheden moeten een volwaardige rol spelen bij de vaststelling van de samenwerkingsthema's en het opstarten van de trilaterale samenwerking, die niet beperkt mag blijven tot het op elkaar afstemmen van de Europese en Chinese beleidsmaatregelen.

12.

De continentale, nationale, regionale en lokale vertegenwoordigers van Afrika zouden met voorstellen moeten komen voor samenwerking op de gebieden die volgens hen het meest voor de land liggen wil men de uitdagingen aangaan die de ontwikkeling van Afrika met zich meebrengt.

13.

Bij het in kaart brengen van mogelijke samenwerkingsgebieden moet een flexibele en pragmatische aanpak worden gevolgd waarbij geen enkel gebied vooraf wordt uitgesloten.

14.

Energiehulpbronnen worden in Afrika op intensieve wijze geëxploiteerd. Daarom beklemtoont het CvdR het belang van het samenwerkingsthema „Duurzaam beheer van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen”.

15.

Wat de voorgestelde samenwerkingsthema's betreft, heeft de Commissie tot verbazing van het CvdR geen speciale nadruk gelegd op volksgezondheid, onderwijs en onderzoek, terwijl het hierbij toch gaat om gebieden die voor de langetermijnontwikkeling van Afrika cruciaal zijn en die in het kader van de VN en van het partnerschap EU-Afrika als prioritair zijn aangemerkt. Het CvdR verzoekt de Commissie dan ook om haar voorstellen ter zake kracht bij te zetten.

16.

Binnen de trilaterale samenwerking zou de AU als bevoorrechte gesprekspartner moeten gelden, zodat kan worden bijgedragen tot een algemene, samenhangende aanpak die de nationale tegenstellingen overstijgt.

17.

De topontmoeting tussen de EU en China in mei 2009 in Praag is een goede zaak. In dit verband verzoekt het CvdR de Raad om

de trilaterale samenwerking tussen de EU, Afrika en China ter sprake te brengen om de Commissievoorstellen concreet invulling te geven;

meer nadruk te leggen op de geplande samenwerking op het gebied van volksgezondheid, onderwijs en onderzoek;

aandacht te schenken aan de voorstellen van de Afrikaanse betrokkenen.

18.

De EU dient in het ontwikkelingsbeleid m.b.t. Afrika te blijven hameren op de noodzaak van goed bestuur en naleving van de mensenrechten, zowel in het bilaterale beleid EU-Afrika als in het trilaterale beleid EU-Afrika/China.

19.

Deze voorwaarden moeten dynamisch en progressief worden gehanteerd, rekening houdend met de geboekte vooruitgang en de door Afrikaanse landen reeds in gang gezette maatregelen om goed bestuur en naleving van de mensenrechten te bevorderen.

20.

De EU moet zich in haar beleid inzake de trilaterale samenwerking tussen de EU, Afrika en China niet aanpassen aan de methoden en doelstellingen van China, omdat een dergelijke aanpak wellicht niet strookt met de waarden en beginselen van de EU en met de belangen van Afrika op lange termijn. Wel moet het mogelijk zijn om gemeenschappelijke belangen na te streven.

21.

Het CvdR en de lokale en regionale overheden uit Europa, Afrika en China hebben op lange termijn een rol te vervullen bij de concretisering van de trilaterale samenwerking, waaraan meer invulling moet worden gegeven, temeer nu de bilaterale betrekkingen (EU-Afrika, Afrika-China en EU-China) zich steeds verder ontwikkelen.

22.

Bij de tenuitvoerlegging van de samenwerking en het driepartijenoverleg moet de economische en sociale situatie van iedere regio in aanmerking worden genomen. De lokale en regionale overheden uit Europa, Afrika en China dienen bij de vaststelling van de samenwerkingswijze te worden betrokken.

23.

Er moeten instrumenten worden gecreëerd voor het toezicht en de controle op de tenuitvoerlegging van de samenwerking en het driepartijenoverleg, teneinde te garanderen dat de betrokken partijen hun toezeggingen nakomen.

De impact van de economische en financiële crisis

24.

Het CvdR maakt zich zorgen over de gevolgen van de economische en financiële crisis voor Afrika, nu de aandacht vooral gericht is op de situatie in de ontwikkelde landen.

25.

Het is verontrustend dat de ontwikkelingslanden ook nu weer op het tweede plan komen. In de G20 is Afrika enorm ondervertegenwoordigd, waardoor het geen invloed kan uitoefenen op internationale besluiten die genomen worden ter bestrijding van de economische crisis, waarvan de directe en indirecte gevolgen zich in Afrika nog sterker doen gevoelen dan elders.

26.

Dat de crisis Afrika extra hard treft, komt door de kwetsbaarheid van zijn sociaaleconomische modellen. Directe gevolgen van de crisis zijn dat Afrikaanse landen door de verslapping van de wereldeconomie minder grondstoffen uitvoeren, dat de buitenlandse investeringen zijn ingestort, dat de voedselcrisis dreigt te verergeren doordat kredieten moeilijker te krijgen zijn, en dat gezinnen in Afrika minder inkomsten hebben doordat Afrikaanse emigranten in de ontwikkelde landen hun baan hebben verloren en dus minder geld naar de herkomstlanden overmaken. De indirecte gevolgen van de crisis zijn met name dat de ontwikkelingshulp wordt teruggeschroefd en dat de ontwikkelde landen hun middelen meer gaan richten op de ondersteuning van hun eigen economie.

27.

Volgens ramingen van het IMF zal de economische crisis zich in Afrika vertalen in een vertraging van de economische groei, die in 2009 hooguit 3 % zal bedragen. Zo komt er dus een eind aan de gemiddelde groei van ruim 6 % die de voorbije vijf jaar werd geregistreerd en aan het geleidelijke herstel van de economische, politieke en sociale situatie op het Afrikaanse continent.

28.

De crisis zal in Afrika nog harder aankomen omdat sociale maatregelen er nog weinig zijn ontwikkeld. Bovendien kan de economische crisis aanleiding geven tot humanitaire, politieke en sociale crises die een bron van instabiliteit voor de regio kunnen vormen en nieuwe conflicten kunnen veroorzaken.

29.

In dit licht wijst het CvdR erop dat het partnerschap EU-Afrika en de geplande samenwerking tussen de EU, Afrika en China erg belangrijk zijn en dat het budget voor ontwikkelingshulp voor Afrika op peil moet blijven, ja zelfs moet worden verhoogd.

30.

Het valt daarom te betreuren dat sommige lidstaten reeds hebben aangekondigd hun ontwikkelingshulp te zullen verminderen. Hierdoor krijgt Afrika met crisis op crisis te maken.

31.

In deze moeilijke financiële context spelen de Europese lokale en regionale overheden een centrale rol. Zij verlenen niet alleen financiële bijstand, maar dragen ook kennis en ervaring over en werken samen in het kader van concrete projecten.

B.   Rol van lokale en regionale overheden in het partnerschap EU-Afrika

Het specifieke karakter van lokale en regionale overheden

32.

Het CvdR juicht toe dat er in het partnerschap EU-Afrika rekening wordt gehouden met het maatschappelijk middenveld en de niet-traditionele actoren; het is ingenomen met het voorstel van de Commissie om consultaties te houden met belangrijke niet-institutionele actoren, waaronder maatschappelijke organisaties, de academische wereld en de particuliere sector, zodat zij een actieve rol kunnen gaan spelen bij de uitvoering van de gezamenlijke strategie en het toezicht daarop.

33.

De Commissie zij erop gewezen dat onderscheid moet worden gemaakt tussen lokale en regionale overheden enerzijds en het maatschappelijk middenveld anderzijds, dat Europese lokale en regionale overheden actieve betrekkingen onderhouden met hun Afrikaanse tegenhangers, dat zij samenwerken op gebieden als onderwijs, gemeentediensten (watervoorziening, afvalbeheer), infrastructuur, vervoer, communicatie, regionale economische ontwikkeling en ondersteuning van het lokale bestuur; dat zij via deze projecten deskundigheid en knowhow hebben verworven en ervaring hebben opgedaan in sectoren die voor de sociaaleconomische en politieke ontwikkeling van het Afrikaanse continent van groot belang zijn.

34.

Het is dan ook onontbeerlijk dat de Europese lokale en regionale overheden een grotere rol krijgen in het partnerschap EU-Afrika en dat hun ervaring optimaal wordt benut.

35.

De Commissie heeft in eerdere Mededelingen, met name in de Mededeling „Plaatselijke overheden als ontwikkelingsactoren”, expliciet erkend dat lokale en regionale overheden een rol vervullen in de internationale samenwerking met de ontwikkelingslanden. De decentrale overheden en het CvdR hebben tijdens de Europese Ontwikkelingsdagen (15-17 november 2008) aangetoond dat zij een belangrijke bijdrage tot de ontwikkelingssamenwerking leveren. Ook hebben zij er beklemtoond dat zij op Europees en internationaal niveau moeten kunnen optreden op de terreinen waarop zij bevoegd zijn.

36.

Het erkennen van bovengenoemde rol moet in alle samenwerkingsstrategieën van de EU tot uiting komen, met name waar het gaat om Afrika en de samenwerking EU-Afrika-China.

37.

De Commissie zou bijgevolg niet alleen moeten overleggen met het maatschappelijk middenveld en de niet-traditionele actoren, maar ook met de lokale en regionale overheden (als gesprekspartners waar men niet omheen kan) en met hun internationale organisaties. Zo moet worden gewaarborgd dat Europese en Afrikaanse decentrale overheden bij de uitstippeling van het ontwikkelingsbeleid worden betrokken.

38.

Het CvdR zal coördinatie-inspanningen van Afrikaanse lokale en regionale overheden op nationaal en subnationaal niveau aanmoedigen en ondersteunen, teneinde de structurele dialoog tussen het CvdR en de Europese en Afrikaanse decentrale overheden te versterken.

Deelname van lokale en regionale overheden aan het partnerschap

39.

De Europese en Afrikaanse decentrale overheden zouden op drie niveaus concreet bij het partnerschap EU-Afrika moeten worden betrokken, nl. bij:

de uitstippeling van maatregelen voor samenwerking met het CvdR, dat betrokken dient te worden bij het opstellen van een routekaart voor de uitvoering van het partnerschap;

de uitvoering van samenwerkingsprojecten, zodat initiatieven van de EU, de AU, afzonderlijke landen en decentrale overheden goed op elkaar worden afgestemd;

de follow-up en evaluatie van de uitvoering van het partnerschap, om te bewerkstelligen dat de burgers erachter gaan staan en er warm voor gaan lopen.

40.

Gezien deze doelstelling zou het CvdR moeten deelnemen aan het werk van de groepen die belast zijn met de uitvoering van de thematische partnerschappen en die bestaan uit vertegenwoordigers van lidstaten die op dit terrein erg actief zijn, de Commissie en het secretariaat van de Raad. Het CvdR wijst erop dat het een rol speelt in de groep die zich met democratisch bestuur en mensenrechten bezighoudt en dat het ook zou moeten kunnen meedoen aan andere partnerschappen waaraan decentrale overheden een belangrijke bijdrage kunnen leveren, te weten: het partnerschap inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's), het partnerschap inzake klimaatverandering en het partnerschap inzake migratie, mobiliteit en werkgelegenheid.

41.

Er bestaan momenteel geen nauwkeurige, gedetailleerde en uitvoerige statistieken over het totale bedrag dat decentrale overheden aan ontwikkelingssamenwerking uitgeven, noch over de voornaamste samenwerkingsthema's, noch over het personeel dat zij daarbij inzetten. Niettemin is dergelijke informatie essentieel om ervoor te zorgen dat deze initiatieven aansluiten bij de doelstellingen van het partnerschap EU-Afrika en synergie creëren.

42.

De EU zou de beschikking moeten krijgen over statistische en evaluatie-instrumenten voor activiteiten van lokale en regionale overheden op het vlak van decentrale samenwerking, met name in Afrika. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat deze activiteiten niet uitsluitend in financiële termen kunnen worden gemeten; decentrale overheden verlenen namelijk ook heel wat immateriële hulp.

43.

Gelukkig ziet thans ook de Commissie in dat het zaak is een „beurs” voor decentrale samenwerking op te zetten, teneinde te stimuleren dat informatie wordt uitgewisseld en dat er nieuwe lokale partnerschappen voor decentrale samenwerking ontstaan die aansluiten bij de reeds ondernomen acties.

44.

Het CvdR is bereid om deze „beurs” in partnerschap met de Commissie concreet gestalte te geven in de vorm van een internetportaal, dat min of meer zou kunnen worden gezien als een voortzetting van de jaarlijkse bijeenkomsten over decentrale samenwerking.

45.

Deze bijeenkomsten moeten de gelegenheid bij uitstek vormen om in strategisch en politiek opzicht te overleggen en na te denken over maatregelen inzake decentrale samenwerking. In dit kader moet een speciale plaats worden ingeruimd voor de betrekkingen EU-Afrika met als doel ertoe bij te dragen dat de samenwerkingscultuur tussen Europese en Afrikaanse decentrale overheden wordt versterkt, het inzicht in de lokale ontwikkelingsproblematiek wordt vergroot en er in verband met het partnerschap EU-Afrika strategische richtsnoeren worden ontwikkeld.

Bevordering van de deelname van Afrikaanse lokale en regionale overheden aan het partnerschap

46.

Niet alleen decentrale overheden uit Europa zouden bij het partnerschap EU-Afrika moeten worden betrokken.

47.

Gezien het decentralisatieproces en de om zich heen grijpende verstedelijking in Afrika en het feit dat de economische en financiële crisis in Afrika zich in eerste instantie op plaatselijk niveau doet gevoelen, kan men als het over ontwikkeling gaat niet om de lokale en regionale overheden heen.

48.

Bij de pogingen om het ontwikkelingsbeleid doeltreffender en samenhangender te maken, zouden Afrikaanse decentrale overheden een stem in het kapittel moeten krijgen.

49.

De Commissie zou dan ook niet alleen het maatschappelijk middenveld, de niet-traditionele actoren en de Europese decentrale overheden moeten raadplegen, maar ook de Afrikaanse decentrale overheden en de verenigingen die hen vertegenwoordigen.

50.

Het CvdR moedigt de internationale verenigingen van lokale Afrikaanse overheden aan om de coördinatie met de Afrikaanse Unie en de Afrikaanse landen te verbeteren, zodat nationale en subnationale Afrikaanse maatregelen elkaar onderling meer gaan versterken.

51.

Zowel Europese als Afrikaanse decentrale overheden helpen het publiek bewuster te maken van de ontwikkelingsproblematiek door lokale verenigingen en burgers die zich voor ontwikkelingskwesties inzetten, bij hun concrete samenwerkingsprojecten te betrekken. Aldus dragen zij bij tot het welslagen van het partnerschap, want of dit een succes wordt, hangt sterk af van de mate waarin burgers uit het Noorden en het Zuiden zich achter de samenwerkings- en ontwikkelingsdoelstellingen scharen.

Partnerschap inzake goed democratisch bestuur en mensenrechten

52.

Het CvdR memoreert dat een echt democratisch bestuur niet mogelijk is zonder daadwerkelijke deelname van lokale en regionale overheden aan het besluitvormingsproces.

53.

Via de projecten die zij op touw zetten dragen lokale en regionale overheden bij tot de versterking van de democratie en de totstandbrenging van goed bestuur, overeenkomstig de beginselen en actieterreinen van het Europees Handvest ter ondersteuning van lokale democratie.

54.

Door mee te werken aan projecten die gericht zijn op het oplossen van dagelijkse problemen kunnen decentrale overheden helpen om het vertrouwen in de lokale democratie te vergroten.

55.

Het CvdR wijst nog eens op het beginsel inzake de rol van decentrale samenwerking bij de hervorming van het ontwikkelingsbeleid. Volgens dat beginsel is beter bestuur de sleutel tot een geslaagd ontwikkelingsbeleid en is het voor goed bestuur van essentieel belang om te erkennen dat de beste besluiten genomen worden op het niveau dat het dichtst bij de burgers staat.

Partnerschap inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's)

56.

Tal van lokale en regionale overheden uit de EU hebben speciale ontwikkelingsbanden met hun Afrikaanse tegenhangers. Zo hebben zij deskundigheid opgebouwd, met name op gebieden als onderwijs, volksgezondheid, onderzoek, gemeentediensten (water- en afvalbeheer), ambachtelijke visserij en aquacultuur, infrastructuur, vervoer, communicatie, milieu, plattelandsontwikkeling, regionale economische ontwikkeling en ondersteuning van lokaal bestuur en van beleidsdecentralisatie.

57.

Lokale en regionale overheden verstrekken fondsen en immateriële hulp voor projecten van hun partners uit Afrikaanse en andere ontwikkelingslanden en dragen aldus bij tot de versterking van de financiële en strategische grondslagen die nodig zijn om de MDG's te kunnen verwezenlijken.

58.

De Commissie wordt verzocht meer over de brug te komen bij de financiering van ontwikkelingssamenwerkingsacties van lokale en regionale overheden en betere informatie te geven over desbetreffende instrumenten en programma's. De middelen die deze overheden uittrekken voor concrete projecten, komen namelijk direct ten goede aan de lokale gemeenschappen en helpen de situatie op het terrein rechtstreeks en met minder rompslomp te verbeteren.

59.

Het CvdR zal ervoor ijveren om het ontwikkelingsprogramma „Niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden in het ontwikkelingsproces” onder lokale en regionale overheden te promoten, zodat deze alle mogelijkheden ervan gaan benutten. Eventueel zal het CvdR samen met de Commissie voorstellen dit instrument aan te passen om het voor decentrale overheden gebruiksvriendelijker te maken.

Partnerschap inzake klimaatverandering

60.

Het is een goede zaak dat in het partnerschap inzake klimaatverandering rekening wordt gehouden met het lokale niveau, met name bij het initiatief „Een groene muur voor de Sahara”. Maatregelen moeten worden afgestemd op de plaatselijke situatie en op de specifieke lokale behoeften, aangezien deze van land tot land, maar ook binnen één land, aanzienlijk uiteen kunnen lopen.

61.

Decentrale ontwikkelingssamenwerking door lokale en regionale overheden is een krachtig middel voor lokale en regionale ontwikkeling omdat er op vele verschillende terreinen wordt opgetreden en er uiteenlopende particuliere en overheidsactoren bij betrokken kunnen zijn.

62.

Op deze manier kunnen lokale en regionale overheden mens- en milieuvriendelijke productiestructuren, afzetkanalen en economische activiteiten stimuleren.

Partnerschap inzake migratie, mobiliteit en werkgelegenheid

63.

Het CvdR attendeert erop dat immigratie in eerste instantie de lokale en regionale overheden aangaat, zowel wat betreft de problemen als gevolg van clandestiene immigratie (opvang en beheer, illegale arbeid, criminaliteit, veiligheid in steden) als waar het gaat om de diensten die decentrale overheden geacht worden te verlenen (op gebieden als gezondheidszorg, onderwijs, enz.) en het integratiebeleid.

64.

Sommige lokale en regionale overheden (vooral die welke de problemen en gevolgen van migratie aan den lijve ondervinden) hebben ervaring met grensoverschrijdende en internationale samenwerking. Die ervaring kan zeer nuttig blijken om oplossingen voor migratie- en mobiliteitsvraagstukken te vinden.

Overige partnerschappen

65.

Ook ten aanzien van de overige partnerschappen kunnen decentrale overheden voor een meerwaarde zorgen die niet over het hoofd mag worden gezien. Daar zij dicht bij de burgers staan om wie het gaat, kunnen zij een belangrijke rol vervullen:

wat het partnerschap inzake vrede en veiligheid betreft, moet absoluut worden ingezet op het bevorderen van acties om burgers bewust te maken van de conflicten die er op beide continenten bestaan en van de specifieke problemen van vluchtelingen;

wat het partnerschap inzake energie betreft, moet er steun komen voor het stimuleren van decentralesamenwerkingsacties waarmee duurzame energie wordt gepromoot en afval wordt verminderd via microprojecten of breed opgezette bewustwordingscampagnes om onnadenkend gedrag tegen te gaan, met name bij de productie van huishoudelijk afval;

wat het partnerschap inzake wetenschap, informatiemaatschappij en ruimte betreft, moet bijzondere aandacht uitgaan naar het steunen van lokale initiatieven om de digitale kloof te helpen overbruggen.

66.

In het licht van deze opmerkingen zou de Commissie haar financiële steun prioritair moeten richten op acties voor decentrale samenwerking die bij de doelstellingen van het partnerschap EU-Afrika aansluiten.

C.   Rol van de lokale en regionale overheden in de dialoog en samenwerking tussen de EU, Afrika en China

67.

Nu reeds moet worden nagegaan hoe de Afrikaanse, Europese en Chinese decentrale overheden aan de trilaterale samenwerking tussen de EU, Afrika en China kunnen deelnemen, vooral waar het gaat om de vaststelling van de samenwerkingsthema's.

68.

De thema's waarop de trilaterale samenwerking betrekking heeft, moeten worden verruimd, rekening houdend met de ervaring en deskundigheid van decentrale overheden, in het bijzonder op de gebieden die doorgaans onder hun bevoegdheid vallen (zoals onderwijs, watervoorziening, gemeentelijk vervoer, afvalbeheer, energie en duurzame ontwikkeling) en die van wezenlijk belang zijn voor de langetermijnontwikkeling van Afrika en voor de verwezenlijking van de MDG's.

69.

De structurele verschillen (in bevoegdheden, omvang en financiële middelen) die er tussen Europese, Afrikaanse en Chinese decentrale overheden bestaan, maken het extra noodzakelijk dat de decentrale overheden snel bij het partnerschap EU-Afrika/China worden betrokken, zodat er een samenwerkingscultuur ontstaat.

70.

De dialoog moet worden vormgegeven op het niveau van het continent, het niveau van groepen landen en dat van landen afzonderlijk, maar moet ook op subnationaal niveau worden ontwikkeld.

71.

Het CvdR is bereid om trilaterale samenwerkingsprojecten tussen decentrale overheden uit de EU, Afrika en China te bevorderen. Het zal daarbij van zijn bestaande contacten gebruikmaken en helpen nagaan welke nieuwe activiteiten er op het vlak van decentrale samenwerking mogelijk zijn en met welke nieuwe partners er kan worden samengewerkt.

Brussel, 17 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/34


Advies van het Comité van de Regio's over de uitbreidingsstrategie en de voornaamste uitdagingen voor 2008-2009 — potentiële kandidaat-lidstaten

(2009/C 211/03)

Het Comité van de Regio's zou de Commissie willen oproepen om dieper in te gaan op de hervormingen en de rol van lokale en regionale overheden bij het uitbreidingsproces. De Commissie zou in haar landenverslagen meer aandacht moeten besteden aan decentralisering (zoals bepaald bij het acquis) en de voortgang die lokale overheden daarbij boeken.

Het Comité zou er bij de Commissie op willen aandringen om steun te verlenen aan voorlichtingsprogramma's die de burgers duidelijk moeten maken wat het toekomstige EU-lidmaatschap behelst en hoezeer dat hun leven (in positieve zin) zal veranderen.

De Commissie zou meer werk moeten maken van de versoepeling van het visumbeleid voor landen die vooruitgang hebben geboekt met de naleving van de in de routekaarten vastgelegde criteria.

De lidstaten zouden de lokale overheden in de potentiële kandidaat-lidstaten moeten blijven steunen bij de opbouw van een onpartijdig en betrouwbaar ambtenarenapparaat.

De betrokken landen zouden meer draagvlak moeten creëren voor Europese normen en waarden, voor hervormingen en voor dialoog als middel om geschillen te beslechten.

Het kandidaat-lidmaatschap moet pas in het vooruitzicht worden gesteld als de betreffende landen kunnen aantonen dat ze vooruitgang hebben geboekt met de naleving van de geldende criteria.

Rapporteur

:

de heer Keymer (UK/EVP),

lid van de districtsraad van Tandridge

Referentiedocument

„Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2008-2009”

COM(2008) 674 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

A.   Algemene aanbevelingen

Algemene vorderingen en tijdpad

1.

Het Comité van de Regio's is ingenomen met de Commissiemededeling „Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2008-2009 — potentiële kandidaat-lidstaten”.

2.

Wel zou het de Commissie willen oproepen om dieper in te gaan op de hervormingen en de rol van lokale en regionale overheden bij het uitbreidingsproces. De Commissie zou in haar landenverslagen meer aandacht moeten besteden aan decentralisering (zoals bepaald bij het acquis) en de voortgang die lokale overheden daarbij boeken.

3.

De lokale en regionale overheden in de potentiële kandidaat-lidstaten zijn slechts tot op zekere hoogte betrokken bij het uitbreidingsproces en plukken er niet echt de vruchten van. Het gevolg is dat het proces ook voorbijgaat aan de burgers. Het Comité zou er bij de Commissie dan ook op willen aandringen om steun te verlenen aan voorlichtingsprogramma's die de burgers duidelijk moeten maken wat het toekomstige EU-lidmaatschap behelst en hoezeer dat hun leven (in positieve zin) zal veranderen.

4.

Het pleidooi voor meer intermenselijk contact valt moeilijk te rijmen met het strenge visumbeleid dat nog altijd wordt gevoerd. De Commissie zou daarom meer werk moeten maken van versoepeling van dat beleid voor landen die vooruitgang hebben geboekt met de naleving van de in de routekaarten vastgelegde criteria.

5.

De lidstaten zouden de lokale overheden in de potentiële kandidaat-lidstaten moeten blijven steunen bij de opbouw van een onpartijdig en betrouwbaar ambtenarenapparaat.

6.

De Commissie zou de regeringen van de betreffende landen moeten helpen bij de aanpak van de financiële en economische crisis, die immers ook de lokale overheden en de burgers direct zal treffen.

7.

Het Comité roept de lidstaten op om het uitbreidingsproces te blijven steunen vanwege „de strategische belangen van de EU op het gebied van stabiliteit, veiligheid en conflictpreventie” (1).

8.

De betrokken landen zouden meer draagvlak moeten creëren voor Europese normen en waarden, voor hervormingen en voor dialoog als middel om geschillen te beslechten. Ook zouden ze moeten blijven zoeken naar bilaterale oplossingen voor bijvoorbeeld grensconflicten en zich moeten inzetten voor de terugkeer van vluchtelingen en binnenlandse ontheemden. De lokale en regionale overheden zijn dé bestuursniveaus die daartoe de aanzet kunnen geven.

9.

Het is goed dat er wegen worden aangelegd en dat er nieuw leven wordt geblazen in regionale luchthavens, aangezien dit in de betreffende landen een positief effect zal hebben op de werkgelegenheid en toegankelijkheid, een impuls zal geven aan het toerisme en zal bijdragen aan een gezonde economische ontwikkeling van de regio.

10.

Het kandidaat-lidmaatschap moet pas in het vooruitzicht worden gesteld als de betreffende landen kunnen aantonen dat ze vooruitgang hebben geboekt met de naleving van de geldende criteria.

B.   Opmerkingen per land

Albanië

11.

Het Comité juicht het toe dat alle lidstaten de stabilisatie- en associatieovereenkomst met Albanië hebben geratificeerd.

12.

Het is een positieve ontwikkeling dat de centrale overheid haar bevoegdheden op het gebied van BTW, lokale heffingen, watervoorziening en rioolwaterzuivering, en sociale zekerheid en sociale integratie heeft overgedragen aan de gemeenten. Toch vraagt het Comité zich af of de gemeenten deze nieuwe bevoegdheden wel aankunnen.

13.

Er bestaat een grote behoefte aan verdere capaciteitsopbouw bij de lokale overheden, de verenigingen van gemeenten en vooral het departement Openbaar bestuur, dat onder de centrale regering valt en belast is met de ontwikkeling van strategieën voor bestuurlijke hervormingen op lokaal niveau.

14.

Aangezien lokale belastingen en heffingen nauwelijks worden geïnd, moet ook bij de gemeentelijke financiële diensten dringend worden gewerkt aan de opbouw van capaciteiten. Hopelijk zal dit probleem in het kader van de aangekondigde fiscale decentralisatie worden aangepakt.

Bosnië-Herzegovina

15.

Het Comité is blij dat de stabilisatie- en associatieovereenkomst met de EU is ondertekend en spoort de regering van Bosnië-Herzegovina ertoe aan om de verplichtingen die in de overeenkomst zijn vastgelegd, na te komen.

16.

Het is zeer te spreken over het verloop van de lokale verkiezingen die onlangs in Bosnië-Herzegovina zijn gehouden en die geheel voldeden aan de internationale normen. Dit neemt niet weg dat de etnische scheidslijnen het land diep verscheuren.

17.

Het Comité is ingenomen met de recente hervormingen van het lokaal bestuur in beide entiteiten, waardoor de lokale wetgeving thans in overeenstemming is met het Europees Handvest inzake lokale autonomie en de aanbevelingen van de Commissie van Venetië.

18.

Het is jammer dat de regeringen van de entiteiten niet met elkaar praten over toetreding tot de EU, vooral ook omdat de hervormingen daardoor vertraging oplopen en de lokale overheden niet goed worden geïnformeerd.

19.

Wel moet worden opgemerkt dat de gemeenten in beide entiteiten goed met elkaar communiceren. De Commissie zou dan ook steun moeten blijven verlenen aan „gemeenschappelijke projecten”, met name op het gebied van capaciteitsopbouw bij (verenigingen van) lokale overheden.

Montenegro

20.

Het Comité is ingenomen met Montenegro's aanvraag voor de status van kandidaat-lidstaat en roept de lidstaten op om de Commissie het startsein te geven voor de beoordelingsprocedure.

21.

De Commissie zou steun moeten verlenen aan de bouw van de noord-zuidsnelweg, aangezien dit grote infrastructurele project ook een enorme bijdrage zal leveren aan de ontwikkeling van gemeenschappen in Montenegro.

22.

De beperkte bestuurlijke capaciteiten bij de lokale overheden en de Montenegrijnse vereniging van gemeenten moeten worden uitgebouwd en de Commissie dient steun te verlenen aan projecten voor de uitwisseling van knowhow tussen gelijkgestemde partijen.

Servië

23.

Het is een goede zaak dat de centrale regering steeds vaker overleg voert met de „Permanente conferentie van Servische steden en gemeenten” en dat er binnen deze vereniging een departement voor EU-integratie is opgezet, dat met een actieplan zal komen om de lokale overheden nauwer bij het toetredingsproces te betrekken.

24.

Het Comité roept de Servische regering op om te blijven werken aan decentralisering. Een oplossing voor het vraagstuk van de eigendomsrechten van gemeenten zou een stap in de goede richting zijn. Op dit moment hebben de lokale overheden in Servië namelijk niet de juridische eigendom van, in wezen, hun zaken.

25.

Om ervoor te zorgen dat de lokale bestuurders hun steeds zwaardere taken en bevoegdheden aankunnen, moeten de Commissie en de lidstaten de lokale capaciteitsopbouw met geld en scholing blijven ondersteunen.

26.

De Commissie moet steun blijven verlenen aan de lokale capaciteitsopbouw, bijvoorbeeld via het programma „Exchange” van de „Permanente conferentie van Servische steden en gemeenten”.

Kosovo (conform VN-resolutie 1244)

27.

Het Comité is verheugd over de inspanningen die talrijke internationale en lokale organisaties zich getroosten om Kosovo een betere toekomst te bieden, en beschouwt de gebrekkige decentralisering als een van de belangrijkste obstakels voor de opbouw van een democratisch bestel.

28.

De inwoners van Kosovo hebben behoefte aan tastbare verbeteringen. Het openbaar vervoer en de infrastructuur moeten verder worden ontwikkeld, vooral in de gebieden die binnenkort te maken krijgen met de terugkeer van vluchtelingen en binnenlandse ontheemden.

29.

Het Comité zou graag zien dat er meer activiteiten worden ontplooid om het onderlinge verrouwen tussen de etnische groepen in Kosovo te vergroten, en dat de betrokkenheid bij het lokale besluitvormingsproces wordt gestimuleerd. Een grote bron van zorg is de lage opkomst bij de lokale verkiezingen.

Brussel, 17 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


(1)  COM(2008) 674 final.


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/37


Advies van het Comité van de Regio's uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2008-2009: kandidaat-lidstaten

(2009/C 211/04)

HET COMITE VAN DE REGIO'S

steunt ten volle de maatregelen en hervormingen die de kandidaat-lidstaten doorvoeren om aan de toetredingscriteria te kunnen voldoen;

wijst erop dat de uitbreidingsprocessen van belang zijn voor de stabiele en democratische ontwikkeling van de kandidaat-lidstaten, en is er zich ook van bewust dat zij voor de hele EU een toegevoegde waarde vormen;

wijst op het buitengewone belang van goede nabuurschapsrelaties en regionale samenwerking voor de stabilisatie- en associatieprocessen; roept de kandidaat-lidstaten op hun inspanningen op te voeren om prioritair werk te maken van een vreedzame en voor iedereen aanvaardbare oplossing voor aanslepende problemen met buurlanden;

beklemtoont dat lokale en regionale overheden en hun verenigingen in een vroeg stadium bij het uitbreidingsproces moeten worden betrokken. Met hun knowhow en ervaring kunnen zij immers nieuwe alsook toegevoegde waarde creëren voor het associatieproces.

pleit voor intensievere samenwerking tussen lokale en regionale overheden van de lidstaten en kandidaat-lidstaten en is van mening dat in zowel de lidstaten als de kandidaat-lidstaten vooral moet worden gestreefd naar publieke steun voor het associatieproces.

Rapporteur

:

Jasmina Vidmar (SL/ALDE)

Gemeenteraadslid van Maribor

Referentiedocument

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement -

Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2008-2009

COM(2008) 674 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

1.

Het Comité van de Regio's steunt ten volle de maatregelen en hervormingen die de kandidaat-lidstaten doorvoeren om aan de toetredingscriteria te kunnen voldoen.

2.

Het wijst erop dat de uitbreidingsprocessen van belang zijn voor de stabiele en democratische ontwikkeling van de kandidaat-lidstaten, en is er zich ook van bewust dat zij voor de hele EU een toegevoegde waarde vormen.

3.

Het is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt dankzij de vele hervormingen in de kandidaat-lidstaten ter versterking van de rechtsstaat en ter modernisering van de economische en sociale structuren.

4.

Het is van mening dat kandidaat-lidstaten moeten worden aangemoedigd verdere inspanningen te leveren en hun potentieel te gebruiken om hervormingen door te voeren met het oog op een vlotte en snellere toenadering tot de EU.

5.

Het juicht de inspanningen toe ter verbetering van de kwaliteit en de transparantie van het uitbreidingsproces, met name de vaststelling van benchmarks voor het openen en afsluiten van onderhandelingshoofdstukken.

6.

Het wijst op het buitengewone belang van goede nabuurschapsrelaties en regionale samenwerking voor de stabilisatie- en associatieprocessen en roept de kandidaat-lidstaten op hun inspanningen op te voeren om prioritair werk te maken van een vreedzame en voor iedereen aanvaardbare oplossing voor aanslepende problemen met buurlanden.

7.

Het Comité is ingenomen met de algemene vooruitgang van Kroatië inzake de goedkeuring en tenuitvoerlegging van hervormingen met het oog op EU-lidmaatschap en is van mening dat kan worden vastgehouden aan het voorgestelde tijdschema om tegen eind 2009 de laatste ronde van de toetredingsonderhandelingen in 2009 te bereiken, op voorwaarde dat Kroatië aan alle noodzakelijke criteria voldoet.

8.

Het beklemtoont dat Kroatië zijn inspanningen moet intensiveren wat betreft de hervorming van justitie, de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, de bevordering van de rechten van minderheden, de terugkeer van vluchtelingen en de samenwerking met het Joegoslaviëtribunaal.

9.

Het neemt er nota van dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië vorderingen heeft gemaakt wat betreft justitiële en politiehervormingen, inachtneming van de criteria van de stabilisatie- en associatieovereenkomst en ontwikkeling van een multi-etnische samenleving.

10.

Het is er zich van bewust dat aan de politieke criteria nog niet helemaal is voldaan zoals in het voortgangsverslag van de Europese Commissie voor 2008 is aangegeven. Het verheugt zich over de vooruitgang die is geboekt bij de presidents- en lokale verkiezingen begin 2009 die grotendeels conform internationale normen zijn georganiseerd en is daarom van mening dat voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië een datum in het vooruitzicht moet worden gesteld om de toetredingsonderhandelingen met de EU te beginnen als aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan.

11.

Het neemt er nota van dat Turkije de hervormingen m.b.t. de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat probeert voort te zetten en dringt er bij het land op aan, zich positief op te stellen tegenover de pogingen om tot een overeenkomst over de hereniging van het eiland Cyprus te komen.

12.

Het beklemtoont dat lokale en regionale overheden en hun verenigingen in een vroeg stadium bij het uitbreidingsproces moeten worden betrokken. Met hun knowhow en ervaring kunnen zij immers nieuwe alsook toegevoegde waarde creëren voor het associatieproces.

13.

Het is ingenomen met de goede grensoverschrijdende samenwerking tussen lokale en regionale overheden tot dusver, en roept deze overheden op de samenwerking verder te versterken, daar zij niet alleen de welvaart ten goede komt maar ook rechtstreeks contact en een beter wederzijds begrip tussen mensen in EU-lidstaten en andere landen mogelijk maakt. Het wijst op de mogelijkheden die in dit verband door de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) worden geboden en verzoekt de bevoegde nationale overheden dan ook de nodige maatregelen te nemen om de deelname van partners in de kandidaat-lidstaten aan toekomstige EGTS overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006 mogelijk te maken.

14.

Het verheugt zich over de betere coördinatie van de pretoetredingssteunregelingen en de steun van andere internationale financiële instellingen en donoren, en is van mening dat verdere harmonisatie van de verschillende steunregelingen de doeltreffendheid ervan ten goede zal komen.

15.

Het pleit voor intensievere samenwerking tussen lokale en regionale overheden van de lidstaten en kandidaat-lidstaten en is van mening dat in zowel de lidstaten als de kandidaat-lidstaten vooral moet worden gestreefd naar publieke steun voor het associatieproces.

16.

Het erkent dat het van belang is gebruik te maken van bestaande netwerken van lokale overheden als NALAS (het Netwerk van Nationale Verenigingen van Lokale Overheden in Zuidoost-Europa) voor zijn betrekkingen met de kandidaat-lidstaten. De coördinatie en uitwisseling van ervaringen tussen de CvdR-werkgroepen en het gemeenschappelijk raadgevend comité dat voor de regio bevoegd is, kunnen worden verbeterd door inschakeling van NALAS met het oog op een vergelijking van de integratieprocessen en de decentralisatie-initiatieven in de regio.

KROATIË

Vorderingen in het toetredingsproces

17.

Het Comité van de Regio's constateert met voldoening dat Kroatië de eindfase van de onderhandelingen zal ingaan, zodra het aan de toetredingscriteria voldoet; het spoort het land aan vaart te zetten achter hervormingen in een aantal sleutelsectoren .

18.

Het is van mening dat vooruitgang is geboekt in de bestrijding van de corruptie dankzij de verbetering van het wetgevingskader en de activiteiten van het Bureau ter bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit. Corruptie blijft evenwel een ernstig probleem en het Comité pleit dan ook voor extra inspanningen ter versterking van de coördinatie en het onafhankelijk toezicht, alsook voor een uitbreiding van de administratieve capaciteit van de ter zake bevoegde instanties.

19.

Het verheugt zich over de wettelijke garanties voor en de algemene erkenning van vrije en pluralistische media. Het neemt met bezorgdheid nota van de gevallen van fysiek geweld, bedreiging en politieke druk waarmee journalisten te maken krijgen. Het stelt vast dat nog een aantal passende maatregelen zijn getroffen en roept de overheid op verdere stappen te ondernemen om journalisten een veilige werkomgeving te garanderen en vrije en onafhankelijke berichtgeving mogelijk te maken.

20.

Het neemt er nota van dat Kroatië met het Joegoslaviëtribunaal heeft samengewerkt en roept de Kroatische overheid op ervoor te zorgen dat het tribunaal toegang krijgt tot de overige door hem gevraagde documenten.

21.

Het spoort Kroatië aan een oplossing te vinden voor de grensgeschillen met Slovenië, Servië, Montenegro en Bosnië Herzegovina. Het verheugt zich erover dat Kroatië en Slovenië bereid zijn hun grensgeschillen met bemiddeling van de Europese Commissie op te lossen, in overeenstemming met het in het VN-Handvest opgenomen beginsel van vreedzame oplossing van geschillen.

22.

Het is van mening dat de tenuitvoerlegging van de constitutionele wet op de minderheden, samen met de goedkeuring van een actieplan, een belangrijke stap is op weg naar de invoering van een wettelijk kader ter bevordering van de integratie van minderheden in de samenleving. Het is daarbij van belang te zorgen voor de juiste informatie, financiële middelen en administratieve ondersteuning om de wet ook op lokaal en regionaal niveau succesvol te kunnen toepassen.

23.

Het is van mening dat er vooruitgang is geboekt wat betreft de terugkeer van vluchtelingen en binnenlandse ontheemden en benadrukt dat, met het oog op een snellere terugkeer en integratie van deze vluchtelingen en ontheemden, aan wie ook passende levensomstandigheden moeten worden gegarandeerd, er tevens maatregelen moeten worden genomen om hun toegang tot de arbeidsmarkt te verbeteren en om sommige lokale vijandelijkheden een halt toe te roepen.

Versterking van de capaciteit van lokale en regionale overheden

24.

Het Comité van de Regio's juicht de ratificatie toe van het Europees Handvest inzake lokale autonomie maar beklemtoont toch dat er meer inspanningen moeten worden geleverd met het oog op volledige tenuitvoerlegging van de bepalingen ervan.

25.

Het verheugt zich over de verbetering van het rechtskader op het gebied van openbaar bestuur en is van mening dat de goedkeuring van de wet op de openbare dienst een belangrijke stap voorwaarts is op weg naar de noodzakelijke depolitisering, betere administratie en de vaststelling van rechten en plichten van openbare ambtenaren.

26.

Het stelt vast dat lokale en regionale overheden en hun verenigingen niet adequaat betrokken worden bij de goedkeuringsprocedures van wetten en uitvoeringsbesluiten, die de werking, financiering en organisatie van lokale en regionale overheden regelen. Het roept de nationale overheden dan ook op procedures uit te werken die ervoor zorgen dat deze overheden passend worden vertegenwoordigd in het besluitvormingsproces.

27.

Het is van mening dat lokale en regionale overheden en hun verenigingen moeten worden betrokken bij het tenuitvoerleggingsproces van het communautaire acquis en regelmatig op de hoogte moeten worden gehouden van de vorderingen inzake het associatieproces. Het onderstreept dat lokale en regionale overheden goed voorbereid moeten zijn op zowel de verplichtingen als de mogelijkheden die met het toekomstige EU-lidmaatschap samenhangen.

28.

Het onderstreept dat de decentralisatieprocessen vertraging hebben opgelopen en dat, om bevoegdheden met succes naar het lokale en regionale niveau over te dragen, de capaciteit van de betrokken administraties moet worden verbeterd.

29.

Het merkt op dat de financiële middelen van lokale en regionale overheden niet afgestemd zijn op de talrijke veeleisende taken die met de noodzakelijke decentralisatie gepaard gaan, en pleit er daarom voor dat passende maatregelen worden genomen om de financiële situatie van lokale en regionale overheden in de Gemeenschap te verbeteren.

30.

Het is van mening dat het rechtskader voor samenwerking tussen gemeenten moet worden verbeterd zodat gemeenten met elkaar kunnen samenwerken inzake gedecentraliseerde aangelegenheden.

31.

Het steunt het initiatief van gemeentelijke en regionale verenigingen om de huidige werkgroep om te zetten in een gemeenschappelijk raadgevend comité, teneinde de dialoog tussen lokale en regionale overheden in Kroatië en hun tegenhangers in de EU-lidstaten te verbeteren.

DE VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACEDONIË

Vorderingen in het toetredingsproces

32.

Het Comité van de Regio's is ingenomen met de vorderingen die tot dusver zijn gemaakt op een aantal gebieden en wat de inachtneming van de bepalingen van de stabilisatie- en associatieovereenkomst betreft, en moedigt de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aan de politieke criteria in acht te nemen en de kernprioriteiten van het toetredingspartnerschap volledig ten uitvoer te leggen. Het zou voorts graag zien dat een datum voor het begin van de toetredingsonderhandelingen wordt vastgesteld als aan de nodige criteria, met inbegrip van goede nabuurschapsbetrekkingen, is voldaan.

33.

Het is van mening dat dankzij de goedkeuring van een nieuw anticorruptieprogramma en een actieplan vorderingen kunnen worden verwacht in de bestrijding van de corruptie. Het onderstreept evenwel dat corruptie nog altijd een wijdverspreid fenomeen is en dringt daarom aan op verdere inspanningen om corruptie en georganiseerde misdaad te bestrijden.

34.

Het is van mening dat de raamovereenkomst van Ohrid de nodige garanties biedt dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de rechten van etnische minderheden zal respecteren en verheugt zich over de vorderingen die zijn gemaakt via de goedkeuring van de talenwet, waarbij het gebruik van minderheidstalen wordt geregeld en verruimd. Het betreurt evenwel dat er geen verdere vooruitgang is geboekt ten aanzien van de rechten van de Romagemeenschap en wijst op herhaalde gevallen van discriminatie van deze gemeenschap. Het dringt dan ook aan op verdere maatregelen om de maatschappelijke integratie van de Roma te verbeteren en hun discriminatie een halt toe te roepen.

35.

Het is ingenomen met de overeenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië over de versoepeling van de visumprocedures en hoopt dat er genoeg vorderingen zijn gemaakt op het gebied van de benchmarks om te kunnen voorstellen de visumvereisten voor de burgers van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië af te schaffen.

36.

Het zet aan tot goede nabuurschapsrelaties en herhaalt zijn steun voor de inspanningen van de speciale VN-gezant Matthew Nimetz met betrekking tot de naamskwestie. Het dringt er in aansluiting op de verkiezingen bij de nieuwe president van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië op aan een compromis te vinden met Griekenland wat de naamskwestie betreft. Het roept de nationale autoriteiten van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië op acties te vermijden die de inspanningen om een wederzijds aanvaardbare oplossing voor de naamskwestie te vinden, zouden kunnen ondermijnen. Deze kwestie mag evenwel geen invloed hebben op het besluit om toetredingsonderhandelingen te openen, maar zou het toetredingsproces in aanzienlijke mate vooruithelpen.

37.

Het vindt dat er enige vooruitgang is geboekt inzake gendergelijkheid en dat het een goede zaak is dat in tal van lokale gemeenschappen commissies voor gelijke kansen zijn opgericht. Het dringt aan op verdere inspanningen ter preventie van huiselijk en seksueel geweld en ter vermindering van de discriminatie, alsook ter garantie van meer gelijkgerechtigde deelname bij verkiezingen.

38.

Het neemt er nota van dat er op lokaal niveau commissies zijn opgericht voor de betrekkingen tussen etnische gemeenschappen maar is zich ook bewust van de moeilijkheden in dat verband die te wijten zijn aan het onduidelijke mandaat en de ontoereikende financiële middelen van deze commissies. Het roept de overheden dan ook op de obstakels weg te nemen die de doeltreffende werking van deze commissies in de weg staan.

Versterking van de capaciteit van lokale overheden

39.

Het Comité van de Regio's verheugt zich over de voortzetting van de decentralisatie op belastingsgebied en over de verdere schuldenafbouw van lokale gemeenschappen, alsook over de verhoging van het niveau van de belastinginkomsten. Het wijst er evenwel op dat de financiële middelen nog steeds ontoereikend zijn om een kwalitatief hoogstaande uitvoering van de taken op lokaal niveau te garanderen.

40.

Het is ingenomen met de goedkeuring van de wet op de regionale ontwikkeling en dringt aan op passende financiële middelen om een evenwichtige regionale ontwikkeling te verzekeren en om regionale ontwikkelingsraden op te richten. Het acht het van belang meer mogelijkheden te creëren voor coördinatie tussen de verschillende administratieve structuren.

41.

Het wijst op de noodzaak van een doeltreffender en meer samenhangende dialoog tussen nationale en lokale overheden op gebieden als onderwijs, staatseigendommen, en andere gebieden die van belang zijn voor de ontwikkeling en werking van lokale overheden, en pleit voor een versterking van die dialoog.

42.

Het beklemtoont dat moet worden voorzien in passende instrumenten om de administratieve capaciteiten van lokale overheden te versterken en de transparantie en verantwoordelijkheidszin van lokale administraties te vergroten.

43.

Het neemt er nota van dat het decentralisatieproces wordt voortgezet en is van mening dat dit proces moet worden versneld. Het onderstreept dat de ontoereikende financiering voor de decentralisatie van bevoegdheden en taken de kwaliteit van de uitvoering van de betreffende taken en diensten in het gedrang brengt en zou dan ook graag zien dat passende financiële middelen voor de uitvoering van deze gedecentraliseerde taken ter beschikking worden gesteld.

44.

Het is ervan op de hoogte dat een wetsvoorstel betreffende de samenwerking tussen gemeenten wordt voorbereid en zou graag zien dat de betreffende wet zo spoedig mogelijk wordt goedgekeurd.

45.

Het is van mening dat er enige vooruitgang is geboekt wat de hervorming van de openbare besturen betreft, en beklemtoont dat moet worden voorzien in passende instrumenten om de administratieve capaciteiten van lokale overheden te versterken en de transparantie van de werkzaamheden van lokale administraties te vergroten.

46.

Het neemt nota van de aanpassingen die zijn aangebracht in het nationale systeem voor de coördinatie van het onderwijs, en van de goedkeuring van de opleidingsstrategie voor ambtenaren op lokaal en regionaal niveau. Het is van mening dat met het oog op een doeltreffende en kwaliteitsvolle opleiding van openbare ambtenaren ook ZELS (vereniging van gemeenten) bij het opleidingssysteem moet worden betrokken.

47.

Het verheugt zich erover dat reeds ruim 70 gemeenten gedragscodes voor ambtenaren op lokaal niveau hebben goedgekeurd, waarbij deze ambtenaren zich ertoe verbinden de hoogste arbeidsnormen na te streven. Het roept de overige gemeenten op om hieraan dringend de nodige aandacht te schenken.

TURKIJE

Vorderingen in het toetredingsproces

48.

Het Comité van de Regio's verheugt zich erover dat de regering zich ertoe verbindt het toetredingsproces voort te zetten en hoopt dat werk wordt gemaakt van doeltreffende politieke en constitutionele hervormingen die Turkije verder bij internationale en Europese normen zullen doen aansluiten. Het is van mening dat aanvullende inspanningen moeten worden geleverd om respect voor verscheidenheid te verzekeren en problemen via dialoog en compromissen op te lossen.

49.

Het stelt vast dat op het gebied van bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad slechts beperkte vooruitgang is geboekt en beklemtoont dat er voor de goedkeuring van basisdocumenten en passende institutionele kaders ook volledige politieke steun vereist is om in die situatie verbetering te kunnen brengen.

50.

Het onderstreept dat, gelet op de aanzienlijke financiële ondersteuning die de EU aan Turkije verstrekt om het land in staat te stellen het hoofd te bieden aan de enorme toename van illegale migranten die via zijn grondgebied de Unie proberen binnen te komen, de onderhandelingen over een overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije van prioritair belang blijven. Deze onderhandelingen moeten zo spoedig mogelijk worden hervat zodat ook zo spoedig mogelijk een overeenkomst kan worden gesloten. Het Comité merkt voorts op dat het in dit verband van bijzonder belang is de bestaande bilaterale overeenkomsten tussen Turkije en de lidstaten op een adequate en doeltreffende manier ten uitvoer te leggen.

51.

Het onderstreept dat vaart moet worden gezet achter de ratificatie van internationale instrumenten ter bescherming van de mensenrechten en vrijheden, en hoopt dat het Grondwettelijk Hof zo spoedig mogelijk een besluit in dat verband zal nemen en een ombudsman voor de mensenrechten zal instellen.

52.

Het begroet de inspanningen om te komen tot een betere bescherming van de vrijheid van meningsuiting, maar is van mening dat de nieuwe wettelijke bepalingen sneller in praktijk moeten worden gebracht en dat alle belemmeringen voor de persvrijheid en de vrijheid van vergadering uit de weg moeten worden geruimd.

53.

Het is ingenomen met de lancering van televisieprogramma's in de Koerdische taal en met de plannen voor uitzendingen in het Armeens maar wijst erop dat niet volledig is voldaan aan de EU-normen voor eerbiediging van culturele en religieuze diversiteit en respect voor en bescherming van minderheden en hoopt daarom dat de nodige wettelijke en praktische maatregelen zullen worden genomen met het oog op de volledige inachtneming van de rechten van minderheden.

54.

Het beklemtoont dat gelijke rechten voor vrouwen volledig ten uitvoer moeten worden gelegd wat betreft het politieke leven, het onderwijs, de toegang tot de arbeidsmarkt en de gezondheidszorg, en spoort aan de bepalingen van de wet op de gemeenten toe te passen die voorschrijven dat moet worden voorzien in een aantal plaatsen waar vrouwen hun toevlucht kunnen zoeken als zij bescherming behoeven tegen huiselijk geweld en eremoord.

55.

Het benadrukt dat men bij de bescherming van de openbare veiligheid en orde strikt binnen de grenzen van de rechtsstaat dient te blijven, dat alleen de staat zijn toevlucht mag nemen tot machtsmiddelen en dat de taken die ter handhaving van de orde zijn voorbehouden aan de staatsorganen, niet gedeeltelijk mogen worden overgedragen aan bepaalde groepen in de bevolking.

56.

Het wijst erop dat de Cyprus-kwestie op afdoende wijze moet worden geregeld op basis van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad en de beginselen die ten grondslag liggen aan de Europese Unie. Het is een goede zaak dat de leiders van de twee gemeenschappen opnieuw naar een onderhandelde oplossing willen streven en het Comité steunt dan ook de lopende directe onderhandelingen ter zake.

57.

Het beklemtoont m.b.t. de relaties tussen Griekenland en Turkije dat het laatstgenoemde land zich heeft verplicht tot goede nabuurschapbetrekkingen en roept daarom de Turkse regering op zich in te spannen om alle bestaande geschillen vreedzaam en overeenkomstig het Handvest van de VN, andere relevante internationale verdragen en bilaterale akkoorden en verplichtingen op te lossen.

Versterking van de capaciteit van lokale overheden

58.

Het Comité vestigt er de aandacht op dat lokale overheden zo vroeg mogelijk bij het toetredingsproces en bij de uitstippeling en tenuitvoerlegging van de nodige hervormingen en juridische maatregelen moeten worden betrokken, en pleit voor de nodige informatie-uitwisseling en coördinatie tussen de lokale en nationale niveaus.

59.

Het verheugt zich over de goedkeuring van wijzigingen op de wet op de gemeenten en hoopt dat die een doeltreffender werking en organisatie van de lokale gemeenschappen mogelijk zullen maken.

60.

Het is ingenomen met de versterking van de financiële capaciteit van gemeenten dankzij de goedkeuring van de wet op de verhoging van de gemeentelijke inkomsten en de tenuitvoerlegging van de wetten op de lokale besturen en kijkt uit naar verdere initiatieven om gemeenten op financieel gebied te versterken zodat zij hun bevoegdheden doeltreffender kunnen uitoefenen.

61.

Het betreurt dat geen vooruitgang is geboekt wat de goedkeuring van een kaderwet op de openbare besturen betreft en wijst op het belang van gedecentraliseerde besturen om de burgers een goede uitvoering van taken te garanderen.

62.

Het is van mening dat extra inspanningen nodig zijn met het oog op een doeltreffende werking van lokale raden die fungeren als een platform voor actieve deelname van burgers aan de besluitvorming op lokaal niveau.

63.

Het onderstreept het belang van decentralisatie van het bestuur, van passende versterking van de capaciteiten van lokale besturen om gedecentraliseerde bevoegdheden te kunnen uitoefenen, en van bevordering van de verantwoordelijkheidszin en transparantie.

64.

Het betreurt het dat er zich onlangs bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen vooral in Koerdische gebieden uitbarstingen van geweld hebben voorgedaan, waarbij ook enkele doden zijn gevallen, en roept de verantwoordelijke instanties op om er alles aan te doen dat verkiezingen in de toekomst vrij, democratisch, transparant en vreedzaam kunnen verlopen.

65.

Het attendeert andermaal op de noodzaak een gemeenschappelijk raadgevend comité CvdR-Turkije op te richten als belangrijk instrument voor uitwisseling van ervaringen, kennis en informatie over procedures om lokale en regionale overheden bij het associatieproces te betrekken.

Brussel, 17 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/43


Advies van het Comité van de Regio's over versterking van de totaalaanpak van migratie: naar een betere coördinatie, coherentie en synergie

(2009/C 211/05)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

wijst erop dat de lokale en regionale overheden nauw betrokken zijn bij de formulering, uitvoering, evaluatie en monitoring van migratiebeleid en daarom moeten worden beschouwd als onmisbare partners voor de uitwerking van dergelijk beleid;

wil dat de lidstaten en de Europese instellingen zich inzetten voor een sterker interinstitutioneel partnerschap;

is van mening dat meer aandacht moet worden besteed aan capaciteitsopbouw van de lokale en regionale overheden, aangezien die een sleutelrol spelen bij de formulering en uitvoering van migratiebeleid, met name in de samenwerking met overheidsinstanties uit derde landen die verantwoordelijk zijn voor werkgelegenheid en immigratie. Het heeft hier in eerdere adviezen al voor gepleit;

pleit ervoor bestaande instrumenten en structuren — zoals de op initiatief van het CvdR opgezette Euromediterrane vergadering van lokale en regionale overheden (ARLEM), de Raad van Europa en andere relevante netwerken — te betrekken bij de aanpak van migratievraagstukken;

vindt dat de integratie van migranten in de gastlanden beter moet, aangezien migranten zeer belangrijk zijn voor de ontwikkeling van zowel hun land van herkomst als hun nieuwe thuisland;

roept alle betrokkenen op zich in te spannen voor een beter beheer van de buitengrenzen, vooral van de zuidelijke maritieme grenzen en de grenzen van de regio's die worden geconfronteerd met grote aantallen migranten die aankomen onder erbarmelijke omstandigheden;

benadrukt dat het netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen een belangrijke rol speelt bij de realisering van de doelstellingen uit de mededeling. De Commissie moet ervoor zorgen dat de bevoegde lokale en regionale overheden kunnen meedoen aan en profiteren van de uitwisseling van de via dit netwerk verzamelde goede praktijkvoorbeelden en informatie;

is ermee ingenomen dat de totaalaanpak wordt uitgebreid tot andere landen en regio's, zoals Azië, Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied, en dringt er bij de Commissie op aan op de ingeslagen weg verder te gaan en daarbij regelingen uit te werken voor de dialoog met deze landen en regio's alsmede het pad te effenen voor nauwere samenwerking met Afrika en de zuidelijke en zuidoostelijke buurregio's van de EU.

Rapporteur

:

Arnoldas ABRAMAVIČIUS (LT/EVP), burgemeester van Zarasai

Referentiedocument

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Versterking van de totaalaanpak van migratie: naar een betere coördinatie, coherentie en synergie

COM(2008) 611 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

De rol van de lokale en regionale overheden

1.

De lokale en regionale overheden zijn nauw betrokken bij de formulering, uitvoering, evaluatie en monitoring van migratiebeleid en moeten daarom worden beschouwd als onmisbare partners voor de uitwerking van dergelijk beleid.

2.

De lokale en regionale overheden hebben gedeelde en/of exclusieve bevoegdheden op het gebied van migratie. Derhalve zouden ze door de lidstaten en de Europese Commissie verplicht over beleidsplannen op dit terrein moeten worden geraadpleegd, zowel in het prelegislatieve proces als in de adviesfase, waarbij ook het Comité van de Regio's (CvdR) moet worden betrokken.

3.

De lidstaten en de Europese instellingen moeten zich inzetten voor een sterker interinstitutioneel partnerschap.

4.

Meer aandacht moet worden besteed aan capaciteitsopbouw van de lokale en regionale overheden, aangezien die een sleutelrol spelen bij de formulering en uitvoering van migratiebeleid, met name in de samenwerking met overheidsinstanties uit derde landen die verantwoordelijk zijn voor werkgelegenheid en immigratie. Het CvdR heeft hier in eerdere adviezen al voor gepleit. (1)

5.

De cruciale rol die de lokale en regionale overheden in grensoverschrijdende territoriale samenwerking op migratiegebied spelen, wordt helaas onvoldoende erkend.

6.

Nadere bestudering verdienen initiatieven als het zoeken naar nieuwe wetenschappelijke methodes voor de verzameling en uitwisseling van informatie over migratieroutes, integratiebeleid en de financiële en administratieve consequenties daarvan voor lokale en regionale overheden.

7.

De informatie waar de afzonderlijke immigratieprofielen van de lidstaten primair op worden gebaseerd, moet betrouwbaar, actueel en kwantitatief en kwalitatief goed zijn. De Europese Commissie moet haar best doen om de samenstelling en verspreiding van dergelijke informatie te verbeteren.

8.

Het is een goed idee om expliciet te wijzen op de behoefte aan meer personeel en financiële middelen voor het toezicht op de uitvoering van bestaande wetgeving. Dit is zeer belangrijk voor het verbeteren van de regelgeving in het algemeen.

9.

Met de voorgenomen steun van de Commissie voor migrantenorganisaties in de herkomstlanden moet rechtstreeks worden ingespeeld op de lokale en regionale context om potentiële migranten bewuster te maken van de kansen die hun eigen land biedt. De lokale en regionale overheden en hun nationale verenigingen uit de partnerlanden en andere derde landen zouden daarbij moeten worden betrokken met het oog op een gemeenschappelijke tenuitvoerlegging van migratiebeleid.

10.

Bestaande instrumenten en structuren — zoals de op initiatief van het CvdR opgezette Euromediterrane vergadering van lokale en regionale overheden (ARLEM), de Raad van Europa en andere relevante netwerken — moeten worden betrokken bij de aanpak van migratievraagstukken.

11.

Migratiebeleid zou moeten worden ontwikkeld vanuit een inclusieve benadering en de Commissie zou dan ook in haar mededeling alle lokale, regionale en nationale betrokkenen die meewerken aan de totstandkoming en doeltreffende uitvoering van migratiebeleid expliciet moeten vermelden.

12.

Een van de uitkomsten van de in 2009 te Praag gehouden Top van regio's en steden was de oproep tot een geïntegreerde en alomvattende aanpak van migratie en integratie op basis van de beleidsinspanningen van de lokale en regionale overheden.

13.

Een gemeenschappelijk overeengekomen Europees migratiebeleid mag lidstaten er niet van weerhouden om zelf soepeler nationale regels op dit gebied toe te passen, indien ze dit nodig achten.

Op weg naar een versterking van de totaalaanpak van migratie

Algemene aanbevelingen

14.

Het migratiebeleid van de EU wordt gekenmerkt door veel dwarsverbanden met andere beleidsterreinen, kent veel verschillende facetten en is daarom een verantwoordelijkheid die EU, derde landen en de verschillende bestuursniveaus in de lidstaten delen. Zij moeten gezamenlijk optreden op basis van democratie, subsidiariteit, solidariteit en wederzijds vertrouwen, met inachtneming van regionale en lokale verschillen en met respect voor de mensenrechten en de fundamentele waarden van de EU.

15.

Het CvdR is voorstander van een coherente totaalaanpak van migratie waarin versterking van de politieke dialoog en praktische samenwerking tussen de EU-lidstaten en derde landen en regio's een essentiële rol speelt. Aan de grondbeginselen en de overkoepelende doelstellingen van het sociaal, economisch en extern ontwikkelingsbeleid van de EU mag echter niet worden getornd.

16.

Ook moet worden vastgehouden aan alle al eerder geformuleerde (2) richtsnoeren, met name m.b.t. de drie belangrijkste dimensies van migratiebeleid (goed beheer van legale migratie, bestrijding van onregelmatige immigratie en het verband tussen migratie en ontwikkeling), en aan de noodzaak om bij de uitvoering van migratiebeleid die dimensies evenwichtig te doseren.

17.

In de mededeling van de Commissie worden alleen het Europese en nationale niveau genoemd als het gaat om de uitvoering van een alomvattend migratiebeleid. Er zal in dit verband meer aandacht moeten worden besteed aan de rol van de lokale en regionale overheden.

18.

Verder moet worden ingegaan op de zeer kwetsbare positie van vrouwelijke immigranten (zie advies CdR 296/2007).

19.

Het CvdR kan zich vinden in de conclusies van de Raad van de Europese Unie van december 2008 (3), waarin wordt opgeroepen tot meer samenhang in de financiering, zodat de voorgenomen maatregelen snel kunnen worden uitgevoerd. Ook beveelt het CvdR aan om bestaande communautaire fondsen te benutten om de samenwerking tussen lokale en regionale overheden uit de EU en derde landen te verbeteren.

Legale economische migratie en mobiliteit

20.

Mobiliteit moet een van de belangrijkste aspecten van legale migratie blijven en moet door de lokale en regionale overheden meer worden gestimuleerd, bijv. door uitbreiding van het aantal proefpartnerschappen zoals die zijn gesloten met Moldavië en Kaapverdië.

21.

De lokale en regionale overheden moeten intensief worden betrokken bij de verzameling van informatie over regelmatig terugkerende migratiestromen, die wordt verspreid via interactieve portaalsites zoals de aangekondigde EU-immigratieportaalsite, de Europese informatieportaalsite voor beroepsmobiliteit, het netwerk EURES, de portaalsite over de mobiliteit van Europese onderzoekers en het Europese migratienetwerk. Dit zou ertoe bijdragen dat bij de ontwikkeling van migratiebeleid correct rekening wordt gehouden met lokale en regionale bijzonderheden.

22.

Het CvdR staat achter de voorstellen van de Commissie om meer flexibele en efficiënte oplossingen voor de arbeidsmarktproblemen van migranten te ontwikkelen, bijv. door te zoeken naar nieuwe mogelijkheden voor de overdracht van pensioenrechten, de erkenning van buitenlandse kwalificaties en de inburgering van migranten.

23.

De integratie van migranten in de gastlanden moet beter, aangezien migranten zeer belangrijk zijn voor de ontwikkeling van zowel hun land van herkomst als hun nieuwe thuisland.

24.

Het CvdR is ingenomen met de beoogde oprichting van een netwerk van waarnemingscentra voor migratie (conclusies van de Raad Algemene zaken van 8-12-2008), omdat daarmee de migratieprofielen een nog belangrijker instrument worden voor het gemeenschappelijke immigratiebeleid van de EU. De lokale en regionale overheden moeten rechtstreeks worden betrokken bij de werkzaamheden van deze waarnemingscentra en zouden intensief moeten meewerken aan de oprichting en activiteiten daarvan.

Bestrijding van illegale migratie

25.

Tot tevredenheid van het CvdR zal Frontex ook derde landen kunnen gaan helpen bij hun grensbewaking (zoals al ter sprake kwam in advies CdR 210/2008).

26.

Het CvdR steunt het voorstel uit het Europese pact inzake immigratie en asiel om te onderzoeken of een Europees systeem van grenswachten kan worden opgezet.

27.

De Commissie zou in haar mededeling moeten vermelden dat de lokale en regionale overheden, met name die welke het meest te maken hebben met migratiestromen, bij de activiteiten van de snelle grensinterventieteams moeten worden betrokken.

28.

Alle betrokkenen moeten zich inspannen voor een beter beheer van de buitengrenzen, vooral van de zuidelijke maritieme grenzen en de grenzen van de regio's die worden geconfronteerd met grote aantallen migranten die aankomen onder erbarmelijke omstandigheden.

29.

Het netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen speelt een belangrijke rol bij de realisering van de doelstellingen uit de mededeling. De Commissie moet ervoor zorgen dat de bevoegde lokale en regionale overheden kunnen meedoen aan en profiteren van de uitwisseling van de via dit netwerk verzamelde goede praktijkvoorbeelden en informatie.

30.

De Commissie stelt terecht voor om prioriteit te geven aan de uitvoering van het actieplan van Ouagadougou ter bestrijding van mensenhandel, in het bijzonder de handel in vrouwen en kinderen. De verenigingen van lokale en regionale overheden spelen een cruciale rol bij de uitwerking van strategieën en actieplannen ter bestrijding van mensenhandel.

Migratie en ontwikkeling

31.

Het CvdR steunt jumelageprogramma's tussen publieke en private werkgevers en organisaties uit lidstaten en herkomstlanden, omdat die circulaire migratie bevorderen en hersenvlucht tegengaan. De lokale en regionale overheden zouden waardevolle informatie en hun kundigheid kunnen inbrengen om migranten te helpen weer de weg terug te vinden naar de arbeidsmarkt van hun herkomstland.

32.

Het is goed dat de Commissie voorstelt een beter inzicht te verwerven in de omvang en gevolgen van hersenvlucht, waar de lokale en regionale overheden in een eerder CvdR-advies al voor hadden gepleit (CdR 296/2007).

33.

Meer onderzoek moet worden verricht naar het verband tussen klimaatverandering en migratie.

34.

De lokale en regionale overheden zijn van grote betekenis voor het stimuleren van territoriale ontwikkeling, capaciteitsopbouw en goed bestuur. Zij moeten worden betrokken bij de formulering en uitvoering van samenwerkingsprogramma's op het gebied van migratie.

35.

Het CvdR verwelkomt het gezamenlijk migratie- en ontwikkelingsinitiatief (JMDI) van EU en VN. Dit initiatief speelt een belangrijke rol omdat het maatschappelijke organisaties en lokale overheden helpt migratie en ontwikkeling aan elkaar te koppelen en zo maximale synergie tussen lokale en regionale betrokkenen te realiseren.

36.

Deelname van de lokale en regionale overheden, via hun nationale en regionale verenigingen, aan samenwerkingsverbanden (zoals netwerken en platforms) met lokale en regionale overheden en hun netwerken uit derde landen zou de samenwerking op het vlak van opleiding van handhavingsambtenaren, jumelageprogramma's, verzameling en verspreiding van gegevens, monitoring van migratiestromen en andere soortgelijke activiteiten aanzienlijk verbeteren.

37.

Het is belangrijk dat permanente platforms worden opgericht voor samenwerking, dialoog en uitwisseling tussen lokale en regionale overheden en hun verenigingen, in de eerste plaats in het noordelijke, zuidelijke en oostelijke Middellandse Zeegebied. De oprichting van de Euromediterrane vergadering van lokale en regionale overheden (ARLEM) kan hierbij als voorbeeld dienen.

38.

Er moet stelselmatiger aandacht worden geschonken aan de mate waarin de ontwikkeling van een herkomstland wordt beïnvloed door een diaspora, bijvoorbeeld via geldovermakingen, verenigingen en netwerken.

Geografische benadering

39.

Het CvdR kan zich vinden in het standpunt van de Raad van de Europese Unie (4) over bestudering van de mogelijkheid voor instelling van tripartiet overleg tussen herkomstlanden, gastlanden en doorreislanden in verschillende geografische gebieden. In dit verband zouden bestaande instrumenten moeten worden benut en uitgebreid, zoals (proef)partnerschappen inzake mobiliteit, bilaterale kanalen, samenwerkingskaders zoals ECOWAS, en het Rabat-proces. Verder zou de toepassing van concrete instrumenten en middelen moeten worden afgestemd op de praktische behoeften en mogelijkheden van derde landen en hun regio's.

40.

Het CvdR is ermee ingenomen dat de totaalaanpak wordt uitgebreid tot andere landen en regio's, zoals Azië, Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied. Het dringt er bij de Commissie op aan op de ingeslagen weg verder te gaan en daarbij regelingen uit te werken voor de dialoog met deze landen en regio's alsmede het pad te effenen voor nauwere samenwerking met Afrika en de zuidelijke en zuidoostelijke buurregio's van de EU.

Brussel, 17 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


(1)  CvdR-advies over „Een gemeenschappelijk immigratiebeleid voor Europa”, CdR 210/2008 fin

(2)  Zie COM(2007) 248 final, COM(2007) 780 final, COM(2008) 359 final, het „Europees pact inzake immigratie en asiel” van de Raad van de Europese Unie, doc. 13440/08, ASIM 72, Brussel, 24-9-2008, en de verklaring van Lima van 18 mei 2008.

(3)  2914e vergadering van de Raad Algemene zaken, 8 december 2008

(4)  2914e vergadering van de Raad Algemene zaken, Brussel, 8 december 2008, par. 22


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/47


Advies van het Comité van de Regio's over „een nieuwe impuls voor het tegengaan van het verlies aan biodiversiteit”

(2009/C 211/06)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S WIJST OP HET VOLGENDE:

Het beleid om in 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit in Europa tot staan te hebben gebracht dreigt te mislukken. Hier is een dynamische strategie voor nodig die moet worden ingepast in een systeembenadering en over een zeer lange periode (tot ver na 2010) moet worden ondersteund; bij deze strategie zullen de lokale en regionale overheden nauw moeten worden betrokken, waarbij de lidstaten hun de juridische en financiële middelen moeten geven.

De Europese Unie, de lidstaten en de lokale en regionale overheden zouden een streng systeem moeten opstellen van randvoorwaarden voor subsidies en steun, De Commissie zou er in dit verband voor moeten zorgen dat de lidstaten hun belastingsstelsels zo herzien dat ze gunstiger uitpakken voor biodiversiteit.

De Natura 2000-gebieden moeten in de meeste landen geconsolideerd worden en de lidstaten moeten hun verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van hun maritieme gebieden en grondwatervoorraden. Met inbreng van lokale en regionale overheden en de eigenaars van particuliere (cultuur)gronden moeten op maat gesneden beheersplannen voor Natura 2000-gebieden worden opgesteld en uitgevoerd.

Er moet zo snel mogelijk een ecologisch stramien, een ware natuurlijke infrastructuur worden opgezet. Maatregelen ter bestrijding van BKG-emissies mogen geen schadelijke gevolgen hebben voor de biologische diversiteit. Alleen op Europees niveau heeft een strategie ter bestrijding van invasieve soorten kans van slagen.

Het welslagen van een strategie voor het behoud van de biologische diversiteit is alleen mogelijk wanneer de gehele bevolking zich aanpast. Lokale en regionale overheden kunnen hieraan een bijdrage leveren door te helpen, en geholpen te worden, met de opzet van een kwaliteitsprogramma voor bewustwording en scholing.

Rapporteur

:

SOUCHON (FR/PSE) Voorzitter van de regioraad van Auvergne

Referentiedocumenten

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een middenbeoordeling van de uitvoering van het biodiversiteitsactieplan van de EG

COM(2008) 864 final

en

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Naar een EU-strategie ten aanzien van invasieve soorten

COM(2008) 789 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITE VAN DE REGIO'S,

1.

stelt vast dat volgens wetenschappers en onderzoekers de levende soorten, flora en fauna, vele malen sneller verdwijnen dan ooit sinds er leven bestaat;

2.

stelt vast dat biodiversiteit, in het bijzonder vanwege de ecosysteemdiensten, voor toekomstige generaties, maar ook voor de huidige generatie van primair belang is voor de overlevingskans van de mensheid;

3.

merkt nu al op welke invloed het klimaat heeft op de dynamiek en de verspreiding van levende soorten;

4.

merkt op dat de mens niet in staat is in een zuiver minerale omgeving te leven, en concludeert hieruit dat de verandering of achteruitgang van de biodiversiteit dramatische gevolgen voor de mensheid zal hebben;

5.

neemt nu al de negatieve sociale en economische gevolgen waar van het verlies aan biodiversiteit en de achteruitgang van de ecosysteemdiensten;

6.

stelt vast dat de oorzaak van de achteruitgang van de biodiversiteit in belangrijke mate gelegen is in het door de mens aanwenden van grond voor materiële doeleinden, in de versnippering van natuurgebieden, en in de ontwikkeling van exotische populaties van planten- en diersoorten, in de intensivering van de landbouw, de klimaatverandering en de verschillende vormen van verontreiniging;

7.

stelt vast dat biologische diversiteit op lokaal en regionaal niveau moet worden beheerd en bewaard, zodat zij wereldwijd beschermd blijft, en hiertoe moeten de bij de bescherming van de biodiversiteit betrokken lokale partijen — onder meer bedrijven verenigingen, eigenaars en beheerders van landelijke gebieden, wetenschappers, politici en lokale en regionale overheden — worden verenigd;

Algemene opmerkingen en rol van de lokale en regionale overheden

8.

is van mening dat de gevolgen die het verlies aan biodiversiteit voor de mensheid heeft, net als de gevolgen van klimaatverandering, uitermate ernstig kunnen zijn;

9.

stelt formeel vast dat het mislukken van het beleid om vanaf 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit in Europa een halt toe te roepen te wijten is aan het aanzienlijke verschil tussen de uitgesproken ambities en de gerealiseerde acties en ingezette middelen;

10.

merkt niettemin op dat enkele specifieke maatregelen, zoals de plannen voor het beschermen van bepaalde planten- en diersoorten — aasgier, visotter, rotgans (Branta bernicla) etc. — en habitats — alluviale bossen in het Rijnland, Theems etc.— geslaagd zijn, en de beheersplannen in bepaalde geoormerkte gebieden;

11.

is van mening dat het dringend noodzakelijk is een nieuwe impuls te geven aan strategieën en programma's (bijvoorbeeld in het kader van de uitvoering van het Europese Landschapsverdrag in alle lidstaten) die gericht zijn op het duurzaam behoud van de biodiversiteit en de ecosysteemdiensten of hieraan bijdragen, zodat met de ingezette middelen een tastbaar resultaat kan worden bereikt;

12.

acht het daarom noodzakelijk de regionale en lokale overheden nauw te betrekken bij zowel het opzetten als het uitvoeren van de programma's, en hun dus in het kader van de duurzaamheid de juridische en financiële middelen te geven die bij de bijbehorende verantwoordelijkheden passen;

13.

merkt op dat het gedrag van samenlevingen ten opzichte van de natuurlijke hulpbronnen en de natuurlijke omgeving (gebruik of exploitatie van hulpbronnen, ruimtelijke ordening, gebruik van gebieden, etc.) samenhangt met de status van de natuur in de culturele tradities; roept de EU daarom op een nieuwe integrale cultuurvisie op biologische diversiteit te ontwikkelen met zowel een ethische component, in het bijzonder gekoppeld aan de intrinsieke waarde van de natuur, onderdeel van het werelderfgoed, als een meer utilitaristische component, waarbij de nadruk vooral ligt op de ecosysteemdiensten;

14.

merkt op dat de bescherming van de biologische diversiteit en van de ecosysteemdiensten (bescherming tegen bodemerosie, waterzuivering, etc.) een dynamische strategie verlangt die moet worden ingepast in een systeembenadering (dat wil zeggen in een samenhangende logica van een aantal verschillende, dynamisch samenhangende elementen) en over een zeer lange periode (tot ver na 2010) moet worden ondersteund; bij deze strategie zullen de lokale en regionale overheden nauw moeten worden betrokken;

15.

hoopt dat het behoud van de biologische diversiteit een schakel wordt in het beheer en de inrichting van het grondgebied, zowel in landelijke als in stedelijke gebieden, en dit blijft tot ver na 2010;

16.

hoopt dat het behoud van de biologische diversiteit een belangrijk onderdeel wordt van het beleid, de strategieën en de programma's op Europees niveau, en dit blijft tot ver na 2010; het dient als sectoroverschrijdend thema te worden opgenomen in andere thema's en een leidraad te zijn voor de noodzakelijke concrete coherentie van de verschillende vormen van beleid op het gebied van de inrichting en het gebruik van het grondgebied, wat een nauwe samenwerking vereist tussen de verschillende directoraten van de Commissie en een sterke mobilisering van de lokale en regionale overheden;

17.

is ingenomen met de striktheid van de door de lidstaten en de Commissie uitgewerkte methode: er is een tussentijdse balans opgesteld waarin de aandacht uitgaat naar zowel de toestand van de biodiversiteit als de met de actieprogramma's gemaakte vorderingen. De lidstaten hebben deze vorderingen zelf in kaart gebracht en de Commissie heeft er vervolgens een samenhangend overzicht van gemaakt;

18.

is ingenomen met de Resolutie die het Europees Parlement op 3 maart 2009 met algemene stemmen heeft aangenomen (2008/2210(INI)) en waarin het de noodzaak erkent van een Europees netwerk van natuurgebieden, ook wel wilde natuurgebieden of „wildernessgebieden” genoemd — dat wil zeggen gebieden die nauwelijks veranderd zijn door menselijk ingrijpen — en is ingenomen met de „Conference on Wilderness and Large Natural Habitat Areas in Europe”, die het Tsjechische voorzitterschap van de Raad op 27 en 28 mei 2009 heeft gehouden.

19.

merkt op dat er conform het subsidiariteitsbeginsel voor het duurzaam behoud van de biologische diversiteit en van de ecosysteemdiensten op lokaal niveau maatregelen nodig zijn en tevens, aangezien ecosystemen zich niet aan bestuurlijke grenzen houden, een algemene aanpak geboden is, met name voor de dienstverlening aan het publiek;

20.

verzoekt de lidstaten de bepalingen van de SMB(SEA) (strategische milieubeoordeling, Richtlijn 2001/42/EG) en van de MER(EIA) (milieueffectrapportage, Richtlijn 65/337/EG), alsmede van de Natura 2000-procedure strikt toe te passen om de druk die wordt uitgeoefend op de natuurlijke omgeving en op de biologische diversiteit tot een minimum te beperken;

21.

is van mening dat een strategie voor het behoud van de biologische diversiteit ambitieus moet zijn om de achteruitgang van de biodiversiteit tot staan te kunnen brengen; een dergelijke strategie moet daarom een financieel-economisch aspect bevatten en voor zowel lokale als regionale overheden en ook voor eigenaars prikkelend zijn; de te voeren strategieën moeten uitgestippeld en uitgevoerd worden op de diverse niveaus waarop de natuurlijke systemen functioneren om ervoor te zorgen dat ze onderlinge samenhang vertonen en iedereen zich verantwoordelijk voelt;

22.

verzoekt de Europese Unie, de lidstaten en de lokale en regionale overheden een streng systeem op te stellen van randvoorwaarden voor subsidies en steun, dat gebaseerd is op duidelijke indicatoren, zoals de indicatoren die momenteel in het kader van de stroomlijning van Europese biodiversiteitsindicatoren (SEBI 2010) worden verbeterd, voor het meten van biologische diversiteit en de wisselwerking hiervan met andere beleidsgebieden;

23.

verzoekt de Commissie, voor zover dit haar aangaat, te stimuleren dat de belastingstelsels van de lidstaten worden herzien en dat de nationale subsidies ter ondersteuning van ondernemingen en decentrale overheden worden aangepast, wat beter is voor de biodiversiteit, zoals een verlaging van de BTW op producten die afkomstig zijn van biologische landbouw of die zijn geproduceerd in Natura 2000-gebieden. Het is in dit verband wenselijk dat:

23.1

enerzijds de belastingen en heffingen en de subsidies worden verlaagd of geschrapt, wanneer ze leiden tot gedrag dat schadelijk is voor de biodiversiteit, om te zorgen voor samenhang tussen de nationale wetgevingen voor de bescherming van de biodiversiteit;

23.2

anderzijds de subsidies worden verhoogd en het toepassingsgebied van de belastingvrijstellingen wordt uitgebreid, wanneer dit leidt tot gedrag dat gunstig is voor de biodiversiteit;

24.

verzoekt de Commissie in de huidige Europese discussie over een herziening van de criteria die worden gebruikt voor het berekenen van het BBP (GDB) (daarbij wordt slechts gekeken naar de geldstromen, niet naar het belang van het opgeslagen kapitaal) niet alleen te kijken naar de criteria voor volksgezondheid en welzijn, maar ook oog te hebben voor het zo noodzakelijke behoud van de biologische diversiteit en van de bijbehorende ecosysteemdiensten; de uitgaven voor het werk dat moet worden gedaan ten gevolge van al dan niet toevallige verontreiniging zouden bijvoorbeeld aftrekbaar moeten zijn en niet, zoals nu, moeten worden bijgeteld;

25.

roept met klem op om tot ver na 2010 door te gaan met de acties die zijn gestart om de achteruitgang van de biodiversiteit een halt toe te roepen;

26.

is van mening dat bij de bestrijding van de economische crisis, waarvoor grootscheepse herstructureringsmaatregelen nodig zijn, ook volop rekening moet worden gehouden met de biodiversiteit. Dit belangrijke milieu-onderwerp moet op alle territoriale niveaus en vooral ook bij alle economische activiteiten meer aandacht krijgen;

Biodiversiteit in de Europese Unie

27.

onderstreept de noodzaak van vrijwillige en samenhangende acties op Europees niveau, én op alle lokale en in het bijzonder regionale niveaus, omdat deze dichter bij de bevolking staan;

28.

onderstreept de oorspronkelijkheid en de kracht van de benadering van Natura 2000, waarin wetenschap en politiek samenkomen en waarin wordt gestreefd naar duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen; is ingenomen met de aangewezen gebieden die ongeveer 20 % van het Europees grondgebied beslaan;

29.

is niettemin van mening dat het netwerk van speciale beschermingszones (SBZ) op grond van de Habitatrichtlijn (93/42/EEG) en op grond van de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) in de meeste landen geconsolideerd moet worden: doordat er weinig wetenschappelijke gegevens zijn, is het moeilijk de geschiktheid van de Natura 2000-gebieden aan de criteria van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn te toetsen; verzoekt de lidstaten bovendien hun verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van hun maritieme gebieden en grondwatervoorraden;

30.

onderstreept het bijzondere belang van ecosystemen bij riviermonden, die belangrijke habitats vormen voor de biologische diversiteit van zowel zee- als zoetwaterecosystemen, en roept op hieraan door middel van verplichte geïntegreerde beheersplannen voor in ieder geval de Natura 2000-gebieden zeer veel aandacht te besteden;

31.

benadrukt dat het noodzakelijk is zoveel mogelijk aandacht te besteden aan de bodemkwaliteit en de biodiversiteit hiervan; de bodem is namelijk het enige ecologische onderdeel van onze planeet waardoor alle materiaal- en energiestromen gaan die inherent zijn aan de dynamiek van de ecosystemen, en daarmee van de levende soorten. Het verdient aanbeveling in de bijbehorende richtlijn het onderdeel biologische diversiteit, waaraan momenteel wordt gewerkt, fors meer gewicht te geven;

32.

zou graag zien dat speciale aandacht wordt besteed aan het — ook in kwalitatieve zin — op peil houden van het grondwaterniveau; grondwater is van groot belang voor de kwaliteit en de biologische diversiteit van de bodem (vooral voor de landbouw) als mede voor de voedsel- en drinkwatervoorziening van de bevolking;

33.

hoopt dat de operationele betrekkingen tussen deskundigen, of zij nu werken bij wetenschappelijke organen of bij natuurverenigingen, en politieke besluitvormers worden versterkt; om de doelstelling van het duurzaam behoud van de biologische diversiteit te halen, is bij beslissingen over en bij het uitvoeren van programma's de kennis van zowel de wetenschappelijke deskundigen als de verantwoordelijken voor het beheer van het grondgebied onmisbaar;

34.

is van mening dat de Natura 2000-gebieden alleen volledig kunnen bijdragen aan het duurzaam behoud van de biologische diversiteit als het erfgoedbeheer wordt aangepast, in het bijzonder door de lokale en regionale overheden en de eigenaars van particuliere (cultuur)gronden; uit het feit dat waarschijnlijk de helft van de levende soorten en meer dan driekwart van de habitats van Europees belang in ongunstige staat verkeren blijkt dat het ad-hocbeheer van deze gebieden dringend geregeld moet worden;

35.

is van mening dat het Natura 2000-netwerk en alle wilde natuurgebieden volledig moeten worden opgenomen in de strategieën voor het ruimtelijk behoud van de biodiversiteit die door de lidstaten en de lokale en regionale overheden worden uitgevoerd;

36.

roept op tot het zeer snel opzetten van een ecologisch stramien, een ware natuurlijke infrastructuur die zorgt voor functionele verbindingen tussen allereerst de Natura 2000-gebieden en de wilde natuurgebieden, maar ook in steden en dicht bij steden gelegen landbouwgebieden, en om hierbij de verschillende lokale en regionale overheden, waaronder de regio's, in te zetten; deze ecologische infrastructuur zal door de bestaande en toekomstige vervoerslijnen (autowegen, spoorbanen, etc.) moeten worden gerespecteerd, om versnippering van de gebieden te voorkomen, en moeten worden geïntegreerd in het nieuwe GLB;

37.

stelt vast dat de biologische diversiteit van de Natura 2000-gebieden, vanwege de functionele kenmerken van de biologische diversiteit, onder hoge druk van de omliggende gebieden staat en is van mening dat het beheer en de exploitatie van de gebieden die grenzen aan de Natura 2000-gebieden zo zouden moeten zijn dat deze duurzaam bijdragen aan het behoud van de biologische diversiteit en de ecosysteemdiensten binnen de Natura 2000-gebieden;

38.

benadrukt de noodzaak het visserijbeleid (GVB) en het landbouwbeleid (GLB) grondig te herzien en te versterken, alsmede beleid te maken ten aanzien van bossen, en hierbij ruime aandacht te besteden aan de biologische diversiteit en aan de vereiste milieuvriendelijkheid van steunverlening;

39.

roept ertoe op het bedrijven van aquacultuur in grondwater en in zeewater, in het bijzonder wanneer dit intensief plaatsvindt, toe te voegen aan bijlage I van Richtlijn 2008/1/EG met betrekking tot preventie en bestrijding van verontreiniging;

40.

stelt voor de criteria voor het bepalen van de geografische herkomstaanduiding te herzien: in de betreffende gebruikte teeltmethoden moeten de eisen van biologische diversiteit en de dynamische interactie worden opgenomen;

41.

is ingenomen met het besluit van de Europese Raad van ministers van 2 maart 2009 betreffende de toepassing van het voorzorgsbeginsel op de teelt van genetisch gemodificeerde planten (Handvest van Florence, getekend op 4 februari 2005), en wenst dat dit besluit zo transparant en zo strikt mogelijk wordt toegepast, overeenkomstig het Verdrag van Aarhus, (getekend op 26 juni 1998);

42.

maakt zich zorgen over de mogelijke gevolgen van energiegewassen, bijvoorbeeld voor de productie van biobrandstoffen, waarvoor een groot oppervlak nodig is, waardoor met name de druk zal toenemen om braakland en wilde natuurgebieden te bewerken, bijvoorbeeld met het opheffen van de braakleggingsverplichting in het najaar van 2008, en de ontbossing in de zuidelijke landen zal toenemen; de Commissie zou daarom de gevolgen van de productie van biobrandstoffen voor de biodiversiteit, habitats en ecosystemen in kaart moeten brengen;

43.

merkt op dat de levende soorten, de ecosystemen en de toevoerstromen van materialen de bestuurlijke grenzen, en in het bijzonder de landsgrenzen, passeren en wijst erop dat er Natura 2000-gebieden zijn waar een landsgrens doorheen loopt; stelt dan ook voor op Europees niveau grensoverschrijdende ruimtelijke statussen of labels in te voeren (Natura 2000-gebied, grensoverschrijdend natuurreservaat of regionaal park), om zo te zorgen voor een samenhangende aanpak van de biologische diversiteit en van de betreffende ecosystemen;

44.

is van mening dat het welslagen van een strategie voor het behoud van de biologische diversiteit alleen mogelijk is wanneer de gehele bevolking zich aanpast, van eenvoudige burgers tot economische leiders en degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van het grondgebied; dit betekent dat er een kwaliteitsprogramma moet komen voor bewustwording en scholing, en dat hierbij in het bijzonder gebruik moet worden gemaakt van de modernste communicatietechnieken (internet), maar ook van programma's voor scholen; de lokale en regionale overheden, en in het bijzonder de regio's, die dichter bij de bevolking staan, moeten hiertoe worden aangezet en hierbij worden geholpen;

45.

stelt voor om voorbeelden van acties die gunstig zijn voor de biologische diversiteit en de dynamische interactie ervan te belonen door er meer bekendheid aan te geven;

Invasieve soorten in het bijzonder

46.

is ingenomen met het feit dat de Commissie veel aandacht besteedt aan het probleem van de exotische soorten die invasief geworden zijn en een ernstige bedreiging vormen voor de lokale biologische diversiteit;

47.

doet nogmaals de aanbeveling dat dringend iets moet worden gedaan aan de invasieve soorten (CdR 159/2006 definitief) door middel van een bewuste en duidelijke strategie, en hier de lokale en regionale overheden nauw bij te betrekken; is van mening dat het noodzakelijk is een ad-hocrichtlijn op te stellen;

48.

is van mening dat een strategie voor het bestrijden van invasieve soorten alleen op Europees niveau doeltreffend kan zijn; dit betekent dat hieraan op samenhangende en intensieve wijze moet worden deelgenomen door alle lidstaten — vooral waar het regelgeving betreft — en door de lokale en regionale overheden in de lidstaten — vooral waar het bestrijdingsmaatregelen betreft; is namelijk van mening dat acties van toezicht, preventie en uitroeiing van invasieve soorten het meest doeltreffend zijn als ze op regionaal niveau worden uitgevoerd;

49.

stelt vast dat op Europees niveau, ondanks het bestaan van specifieke teksten op andere gebieden, adequate regelgeving ontbreekt, terwijl dit niveau juist relevant is voor het beheersen van de introductie van exotische plant- en diersoorten;

50.

betreurt de heterogeniteit van de nationale bepalingen en maatregelen, waardoor de doeltreffendheid van de strategieën ter bestrijding van invasieve exotische soorten in grote mate belemmerd wordt, en verzoekt de lidstaten via regelgeving tot een samenhangend geheel te komen;

51.

is van mening dat dringend strenge toezichtmaatregelen genomen moeten worden ten aanzien van de invoer, ten minste de vrijwillige invoer, van niet-inheemse soorten in het Europese grondgebied, maar vestigt de aandacht op de overwegingen die voorafgaan aan of ten grondslag liggen aan beslissingen die op dit gebied genomen worden, en doet de aanbeveling zoveel mogelijk ethische waakzaamheid te betrachten;

De EU en biodiversiteit op wereldschaal

52.

erkent dat de EU een bijzondere verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de biologische diversiteit op wereldschaal, zowel vanwege haar geschiedenis als vanwege de economische betrekkingen, en om die reden een voorbeeldfunctie dient te vervullen;

53.

vestigt met klem de aandacht op de grote risico's die de openstelling van de markten met zich meebrengt voor de verspreiding van natuurlijke of genetisch gemodificeerde soorten die mogelijk invasief zijn; roept dan ook dringend op de noodzakelijke bepalingen voor het behoud van biologische diversiteit op te nemen in alle internationale handelsovereenkomsten;

54.

verzoekt de lidstaten hun volledige verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van hun grondgebieden en maritieme gebieden die buiten de grenzen van Europa gelegen zijn, met name in de sectoren die bijzonder rijk aan levende soorten zijn en waar veel ecosystemen zijn, zelfs wanneer deze gebieden veraf gelegen zijn;

55.

roept op tot steun voor internationale samenwerking tussen regio's, vooral op het gebied van economie en onderwijs, die goed is voor het duurzaam behoud van biodiversiteit op een niveau waarop de regio's de uitvoering hiervan niet alleen initiëren, maar ook ondersteunen;

56.

er moet een internationaal panel van deskundigen op het gebied van de biodiversiteit worden opgezet naar het voorbeeld van instanties zoals het European Topic Centre on Biological Diversity, de IUICN of het IPBES (dat nog in de opbouwfase verkeert);

Biodiversiteit en klimaatverandering

57.

stelt vast dat klimaatomstandigheden een bepalende invloed op de levende soorten en de ecosystemen hebben en daarmee op de biologische diversiteit waardoor — bijvoorbeeld voor ecologisch instabiele systemen — een systeembenadering de voorkeur verdient boven een soortenbenadering. Investeren in het creëren van andersoortige natuur zou in instabiele gebieden kunnen leiden tot het ontstaan van nieuwe ecosystemen;

58.

roept op ervoor te zorgen dat maatregelen ter bestrijding van BKG-emissies geen schadelijke gevolgen hebben voor de biologische diversiteit;

59.

is van mening dat het noodzakelijk is de afstanden tussen de plaatsen waar met name voedsel wordt geproduceerd en de plaatsen waar dit wordt geconsumeerd te verkleinen, enerzijds om de energiekosten die het vervoer over lange afstand oplevert te beperken en anderzijds om ervoor te zorgen dat de zelfvoorzieningsgraad en onafhankelijkheid van de verschillende landen op voedselgebied worden verbeterd;

60.

merkt in dit verband op dat levende soorten bijdragen aan de mondiale uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2, en roept op om in de programma's voor het behoud van biodiversiteit, bijvoorbeeld het behoud van habitats die voor minder CO2 en voor meer O2 zorgen zoals boshabitats en wetlands (moerassen, veengebieden, etc.), rekening te houden met de doelstelling van BKG-emissiereductie;

61.

stelt vast dat er een hernieuwde belangstelling is voor bossen, die weer worden gezien als hernieuwbare energiebronnen; dit mag niet leiden tot een nieuwe vorm van beheer (monocultuur, kortere exploitatiecycli, etc.) die schadelijk is voor de biologische diversiteit;

62.

benadrukt dat er bij lopende investeringen en activiteiten inzake hernieuwbare energie die tot habitatveranderingen leiden of de biodiversiteit negatief beïnvloeden (met name minicentrales en waterkrachtcentrales) natuurlijke hulpbronnen moeten worden gebruikt en tegelijkertijd moet worden voldaan aan een aantal basisvoorwaarden die het behoud en het voortbestaan van de potentiële biodiversiteit in de omgeving van de rivier garanderen. Mocht het rendement teruglopen omdat de biodiversiteit in acht moet worden genomen, dan kan hier hoe dan ook geen recht op compenserende staatssteun uit voortvloeien; het gaat immers om een bindende verplichting. Ook moet absoluut worden gewaarborgd dat de waterloop en de omliggende riviervlakte als ecologische corridors kunnen fungeren, zodat populaties niet geïsoleerd raken.

Een kennisbasis

63.

benadrukt dat het noodzakelijk is te beschikken over betrouwbare kennis ten aanzien van biologische diversiteit, over de toestand ervan en over het functioneren van ecosystemen, en dat deze kennis zo toegankelijk mogelijk moet zijn;

64.

benadrukt het belang van onderzoeken op het gebied van natuurwetenschappen en ecologie; met het oog hierop dient een netwerk van volledig beschermde natuurgebieden en/of wildernessgebieden te worden opgezet, dat kan dienen als waarnemingscentrum voor de natuurlijke dynamiek en in het bijzonder de invloed die klimaatveranderingen hierop hebben;

65.

stelt voor onderzoek op te zetten dat gericht is op het beter bepalen en analyseren van de werkelijke waarde (zowel cultureel als economisch) van biologische diversiteit en de erbij behorende ecosystemen; voor deze onderzoeken dienen teams te worden samengesteld uit de verschillende betrokken disciplines, zodat systematisch te werk kan worden gegaan en het mogelijk is te komen tot een totaalbeeld waarin zowel natuur als cultuur een plaats krijgt;

66.

benadrukt dat het noodzakelijk is zowel op nationaal als op regionaal niveau uit te zoeken en goed te bepalen wat de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van de biologische diversiteit en de bijbehorende vermindering van de ecosysteemdiensten zijn, zodat doeltreffende strategieën voor het behoud hiervan kunnen worden opgezet en gerealiseerd;

67.

onderstreept dat het absoluut noodzakelijk is goede indicatoren te ontwikkelen of verder te verbeteren (bijvoorbeeld die van SEBI-2010), die op Europees niveau samenhangend zijn, om monitoring van de toestand en ontwikkeling van de biologische diversiteit en van het functioneren van ecosystemen mogelijk te maken;

68.

verzoekt de lidstaten het onderwijs, en dan met name het hoger onderwijs, in de natuurwetenschappen, in het bijzonder in situ, en in het in kaart brengen van levende soorten en ecosystemen, te verbeteren en te moderniseren;

69.

verzoekt hen ook in het hoger technisch onderwijs en in beroepsopleidingen aandacht aan biodiversiteit te besteden (onder meer ruimtelijke ordening, landbouw, aanleg van infrastructuur, economie en stedenbouw);

De belangrijkste ondersteunende maatregelen

70.

benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is de nationale, lokale en regionale overheden de nodige mankracht en technische en financiële middelen te geven om duurzame programma's — dat wil zeggen met een effect tot ver na 2010 — te kunnen ondersteunen, om er zo voor te zorgen dat biodiversiteit op de lange termijn behouden blijft;

71.

verzoekt om verhoging van de bijbehorende kredieten uit de begrotingen en om vereenvoudiging van de goedkeuringsprocedures (zonder dat dit ten koste gaat van de voordelen voor de biodiversiteit), in het bijzonder voor LIFE+, maar ook om een beter gebruik van de gelden van EFRO, ELFPO en EVF voor het behoud van de biodiversiteit;

72.

hoopt dat de strenge randvoorwaarden voor het toekennen van bijbehorende financiële steun, die zijn opgesteld op basis van criteria waarin duidelijke en betrouwbare indicatoren zijn opgenomen (zoals die van SEBI-2010), strikt zullen worden toegepast;

73.

benadrukt met klem dat het noodzakelijk is dat de administratieve en logistieke teams, of het nu teams zijn van de Commissie, van de lidstaten of van de regionale en lokale overheden, vanaf het moment dat een project van de grond komt, nauw met elkaar samenwerken, zodat een systeembenadering (waarbij verschillende, dynamisch samenhangende elementen worden gecombineerd) kan worden gegarandeerd;

74.

benadrukt met klem dat het noodzakelijk is programma's op te zetten voor wetenschappelijk onderzoek, in het bijzonder op het gebied van de natuurwetenschappen en de ecologie, teneinde zo te kunnen beschikken over de kennis die onontbeerlijk is om de achteruitgang van de biologische diversiteit een halt toe te roepen; zowel in de biowetenschappen als in de sociale wetenschappen zouden de programma's voor het aankweken van vaardigheden en het beginnen van een wetenschappelijke loopbaan (bijvoorbeeld met behulp van Europese studiebeurzen) gericht moeten worden op het onderwerp biodiversiteit;

75.

onderstreept het belang van onderricht aan leerlingen, studenten en jongeren in het algemeen, dat als resultaat heeft dat de gehele bevolking, en daarmee wordt bedoeld iedere sociale klasse, de problemen op het gebied van biodiversiteit werkelijk onder ogen ziet en haar gedrag aanpast; dit onderricht moet gedragen worden door de lokale en regionale overheden, die dicht bij de bevolking staan;

Monitoring

76.

wijst erop dat de concrete resultaten van een beleid dat gericht is op het behoud van de biodiversiteit een langetermijnkarakter hebben, dat wil zeggen tot ver na 2010 en zelfs 2020; daarom kan een evaluatie van wat in twee jaar gerealiseerd is slechts betrekking hebben op de effectiviteit van de uitvoering van de acties;

77.

wijst er nadrukkelijk op dat een evaluatie van de biologische diversiteit niet alleen gebaseerd mag zijn op het aantal levende soorten, maar ook rekening moet houden met hun onderlinge relaties en de complexiteit en het functioneren van de ecosystemen;

78.

roept natuurverenigingen op om met behulp van hun kennis eventuele veranderingen van de biodiversiteit op de voet te volgen en hierover te rapporteren aan lokale en regionale overheden;

79.

verzoekt om het oprichten van een groot „Waarnemingscentrum voor de Biodiversiteit” (dat deel kan uitmaken van een uitgebreid Europees centrum voor natuur), in het verlengde van de stappen die zijn gezet voor de huidige middenbeoordeling; het is wenselijk dat dit centrum wordt voorzien van waarnemingen op nationaal niveau en op subnationale niveaus (zoals het regionale niveau).

Brussel, 18 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/54


Advies van het Comité van de Regio's over „het beheer van bioafval in de Europese Unie”

(2009/C 211/07)

HET COMITE VAN DE REGIO'S WIJST OP HET VOLGENDE:

Besluiten over (beperkende) maatregelen met betrekking tot de behandeling van afval dienen een zaak van elke lidstaat zelf moeten zijn. De bevoegde overheden in de lidstaten zelf moeten kunnen kiezen welke afvalbehandelingsmethoden het best aansluiten bij hun lokale of regionale situatie. Dat is een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van methoden die op de lokale situatie zijn afgestemd, het milieu ontzien en het gewenste effect sorteren.

De overkoepelende doelstelling is om waar mogelijk te voorkomen dat bioafval ontstaat. Het is belangrijk iedereen meer bewust van de situatie te maken, de hoeveelheid weggegooid voedsel in te perken, toekomstgerichte ruimtelijke ordening, 'smart gardening' en thuis composteren te ondersteunen en via overheidsopdrachten sturend op te treden.

Nationale regelingen die een lagere bovengrens voor de hoeveelheden te storten bioafval bevatten dan de afvalstortrichtlijn van de EU zullen vaart zetten achter de omschakeling op duurzamere methoden voor de behandeling van bioafval als de EU investeringen in de benodigde infrastructuur ondersteunt.

Het CvdR is voor gescheiden inzameling van bioafval, onder meer omdat de kwaliteit ervan op die manier gegarandeerd kan worden. De manier waarop afval gescheiden wordt ingezameld moet wel worden aangepast aan lokale omstandigheden. De invoering van gescheiden inzameling moet ook een van de vele manieren zijn om de behandeling van bioafval te ontwikkelen.

De EU moet bepalen hoe de doelstellingen voor de gescheiden inzameling en recycling van verschillende afvalsoorten eruit komen te zien en in welke kaders zij geplaatst dienen te worden, waarbij elke lidstaat de mogelijkheid moet hebben om al naar gelang de lokale, regionale en nationale omstandigheden en behoeften met eigen doelstellingen te komen. Niet wettelijke EU-doelstellingen dienen progressief te zijn, aangezien het als plantenmest te gebruiken bioafval van een gegarandeerde kwaliteit moet zijn. Wanneer uit bioafval verkregen compost of compostachtige stof gevaarlijk zijn voor het milieu en de volksgezondheid, dienen hiervoor EU-brede kwaliteitsnormen te gelden.

Rapporteur

:

Mona-Lisa Norrman (SE/PSE) lid van de Provinciale Staten van Jämtland

Referentiedocument

Groenboek „Het beheer van bioafval in de Europese Unie”

COM(2008) 811 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

Algemeen

1.

Het CvdR is ingenomen met het groenboek, en dan in het bijzonder met de overkoepelende doelstelling om het verband tussen groei en toenemende hoeveelheden afval in de EU te doorbreken. Dit is ook een belangrijke doelstelling van de duurzame-ontwikkelingsstrategie van de EU, waarin strenge milieu-eisen en sociale samenhang worden gecombineerd met een duurzame en dynamische economie.

2.

De productie en het beheer van afval in de EU en elders in de wereld vormen een probleem voor het milieu en de volksgezondheid, iets waarmee de lokale en regionale overheden als de instanties die hiervoor verantwoordelijk zijn en een en ander in de praktijk moeten regelen, over het algemeen direct te maken hebben. Alle partijen die bij de behandeling van afval zijn betrokken dienen voor een goede bescherming van mens en milieu te zorgen. Afvalbeheer moet dan ook worden beschouwd als een dienst van algemeen economisch belang conform artikel 86, lid 2, van het EG-Verdrag.

3.

De overkoepelende doelstelling is om waar mogelijk te voorkomen dat afval ontstaat. Conform artikel 16 van het EG-Verdrag moeten de EU-instellingen en de lidstaten ervoor zorgen dat deze doelstelling van algemeen belang wordt verwezenlijkt.

4.

Een groot gedeelte van het vervoer in de EU bestaat uit afvaltransporten, die slecht zijn voor het klimaat en zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Afval moet daarom overeenkomstig artikel 174, lid 2, van het EG-Verdrag worden behandeld, waarin staat dat milieuaantastingen aan de bron dienen te worden bestreden. Bij het beheer van afval is het dan ook van belang dat tevens naar vervoers- en infrastructuuraspecten wordt gekeken. Belangrijk in dit verband zijn de afvalbeheersplannen die conform de afvalrichtlijn 2008/98/EG worden opgesteld.

5.

In het groenboek komt een groot aantal beleidsterreinen aan de orde: afval, klimaat, energie, vervoer, landbouw, consumptie en productie van levensmiddelen, concurrentie en vrij verkeer. Het CvdR gaat ervan uit dat de Commissie, overeenkomstig artikel 6 van het EG-Verdrag, op de beleidsterreinen die raakvlakken hebben met de behandeling van bioafval structureel oog zal hebben voor de bescherming van het milieu.

6.

De ontwikkeling van een bij voorkeur lokale markt voor bioafval verdient ondersteuning. Bioafval moet worden beschouwd als een waardevolle natuurlijke hulpbron waarmee compost kan worden geproduceerd, dat essentieel is om de bodem productief te houden, het gebruik van energie-intensieve kunstmest terug te dringen en het waterretentievermogen van de bodem te vergroten (en zo waterafvoer en plotselinge overstromingen te verminderen). Aan deze markt dienen volgens het CvdR de volgende in het EG-Verdrag vastgelegde beginselen ten grondslag te liggen: het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Dit is een belangrijke voorwaarde wil de Commissie met toekomstige voorstellen inzake het beheer van bioafval tegemoet kunnen komen aan de verwachtingen van de burgers en hun eisen inzake geloofwaardige maatregelen op het gebied van afvalbeheer. De markt voor bioafval moet verder ontwikkeld en geanalyseerd worden om zowel op nationaal als EU-niveau een teveel of een tekort aan regelgeving te voorkomen. Hierbij spelen de nationale afvalbeheersplannen een belangrijke rol.

7.

Net als de Commissie is het CvdR van mening dat de bevoegde overheden in de lidstaten zelf moeten kunnen kiezen welke afvalbehandelingsmethoden het best aansluiten bij hun lokale of regionale situatie. Dat is een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van methoden die op de lokale situatie zijn afgestemd, het milieu ontzien en het gewenste effect sorteren. Onder meer de volgende factoren zijn hierbij van belang: het klimaat, de geologie en de bodemgesteldheid, de vraag naar plantenmest en energie, de bevolkingsdichtheid en afvalhoeveelheden, de fysieke omgeving (zoals de infrastructuur), lokaal engagement en een goed werkend overleg tussen de bevoegde overheden en andere partijen, niet in de laatste plaats de bevolking. Het mag duidelijk zijn dat het subsidiariteitsbeginsel het beginsel inzake lokaal zelfbestuur en het nabijheidsbeginsel in dit verband van groot belang zijn voor de verwezenlijking van de EU-doelstellingen.

8.

De definitie van „bioafval” in het groenboek sluit aan bij artikel 3, lid 4, van de afvalrichtlijn. Het CvdR begrijpt dat de Commissie bezorgd is over een al te brede definitie van „bioafval”, omdat het daardoor moeilijker kan worden om de hoeveelheden in te dammen en het beheer effectiever te maken. Niettemin doet de Commissie er goed aan om na te gaan wat de gevolgen van de in het groenboek voorgestelde definitie zouden kunnen zijn.

9.

De Commissie moet goed beseffen dat de uitbreiding van de infrastructuur voor de behandeling van onder meer bioafval geen geringe taak is voor zowel overheid als bedrijfsleven. Gedegen afvalbeheersplannen van nationale, regionale of lokale overheden komen goed van pas bij het creëren van een goed functionerende infrastructuur voor de behandeling van afval. Het is belangrijk dat deze plannen worden gecoördineerd met andere plannen voor de ontwikkeling van de samenleving. Afvalplannen kunnen ook worden gebruikt voor het toezicht op het beheer van bioafval in de lidstaten en voor de uitwisseling van ervaringen.

10.

Om de ontwikkeling van methoden die op de lokale situatie zijn afgestemd, het milieu ontzien en het gewenste effect sorteren te stimuleren zijn economische ondersteuning en meer investeringen in O&O nodig. Het CvdR zou graag zien dat de EU geld uittrekt voor de verdere ontwikkeling van infrastructuur en markten die toegesneden zijn op een duurzame behandeling van bioafval. Deze EU-financiering moet dan wel gepaard gaan met benchmarking en relevant onderzoek en mag niet indruisen tegen algemeen economische beginselen.

Visie op het initiatief

Vraag 1: Afvalpreventie

11.

Een groot gedeelte van het bioafval dat onder de definitie van het groenboek valt, wordt veroorzaakt door de consumptie en productie van levensmiddelen in onze samenleving. Zo zou in Groot-Brittannië niet minder dan 35 % van de door huishoudens ingekochte levensmiddelen worden weggegooid. Bij hun inkopen worden huishoudens steeds meer beïnvloed door wat hun als trendy wordt voorgeschoteld en door het groeiende aanbod aan fastfood en kant-en-klare of al gedeeltelijk bereide maaltijden. Om tijd en geld te besparen kopen ze bovendien grote hoeveelheden in. Zowel producenten als consumenten zouden meer bewust moeten worden gemaakt van het verband tussen enerzijds consumptie en productie en anderzijds kosten, afval, milieu en gezondheid. Ook moet ervoor worden gezorgd dat onder meer in de levensmiddelensector, de handel, het restaurantwezen, de gezondheidszorg en op scholen minder levensmiddelen worden weggegooid. O&O-inspanningen op het gebied van duurzame productie en consumptie zouden hier op hun plaats zijn.

12.

Het verband tussen enerzijds wetgeving, economische steun en beleidsmaatregelen in de landbouw en de levensmiddelensector en anderzijds de productie van bioafval zou in kaart moeten worden gebracht.

13.

Een toekomstgerichte ruimtelijke ordening die duurzame consumptie en productie mogelijk maakt, is een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van duurzame steden. Zo zouden er meer levensmiddelenwinkels in de woonomgeving van mensen moeten komen, en niet daarbuiten. Een meer op kleinschaligheid gerichte ruimtelijke ordening leidt tot een duurzamer koopgedrag en aldus tot minder bioafval.

14.

De ontwikkeling van „smart gardening” en O&O-activiteiten op dit gebied moeten ondersteund worden. Compostering via het lokaal recyclen van uit plantsoenen, tuinen en andere groenvoorzieningen afkomstige plantenmest leidt tot minder afvaltransporten, een betere kwaliteitszorg en een veiliger behandeling van bioafval. Het thuis composteren moet waar mogelijk verder worden uitgebouwd met als doel lokale kringlopen van bioafval te creëren, maar ook om de inzet van mensen te steunen en te benutten.

15.

Overheidsopdrachten, die goed zijn voor 14 % van het BBP van de EU, vormen onder meer een belangrijk middel om het ontstaan van bioafval te voorkomen. Er moet een dialoog worden aangezwengeld tussen de overheid en de producenten van goederen en diensten over de productie en behandeling van bioafval. De aanbesteding van technische projecten moet verder ontwikkeld worden, zodat producenten en consumenten samen kunnen werken aan de ontwikkeling van producten en diensten.

Vraag 2: Beperking van de hoeveelheid bioafval die gestort mag worden

16.

Lokale en regionale overheden hebben veel geld geïnvesteerd en voor de lange termijn strategieën uitgestippeld en samenwerkingsverbanden ontwikkeld om aan de milieueisen van de EU, met name die van de afvalstortrichtlijn (1999/31/EG), te kunnen voldoen. Bij het nadenken over nieuwe initiatieven voor bioafval moet hiermee rekening worden gehouden, om te voorkomen dat de strategieën en samenwerkingsverbanden ondergraven worden.

17.

Wat de bestuurlijke, politieke, economische, geografische en klimatologische situatie betreft bestaan er grote verschillen tussen de 27 lidstaten. Daarom zouden besluiten over (beperkende) maatregelen met betrekking tot de behandeling van afval een zaak van elke lidstaat zelf moeten zijn.

18.

Of de lidstaten nu kiezen voor het recyclen van plantenmest via compostering en vergisting, voor de productie van biogas of voor het verbranden van bioafval voor energiedoeleinden, en of een en ander nu door de overheid of door het bedrijfsleven wordt uitgevoerd — feit is dat er een beroep zal worden gedaan op de overheidsfinanciën: de overheid zal kapitaal moeten investeren en/of veel geld moeten betalen voor de afvalverwerking.

19.

Er zijn goede ervaringen opgedaan met nationale regelingen die een lagere bovengrens voor de hoeveelheden te storten bioafval bevatten dan de afvalstortrichtlijn van de EU. In Zweden is het sinds 2002 verboden om brandbaar afval en sinds 2005 verboden om organisch afval te storten. Door deze regelingen is er veel minder bioafval gestort, en bovendien vindt het storten nu in sterkere mate hogerop in de afvalhiërarchie plaats.

20.

Men mag ervan uitgaan dat de omschakeling op duurzamere methoden voor de behandeling van bioafval sneller zal verlopen als in de EU maatregelen worden genomen ter beperking van het storten hiervan en er daarbij geïnvesteerd wordt in de infrastructuur. De landen waar de bestuurlijke, politieke en economische situatie het gunstigst is maken een goede kans om deze omschakeling succesvol te laten verlopen, terwijl andere landen hierbij mogelijk geholpen moeten worden. In dit verband dient de EU ervoor te zorgen dat de voor het beheer van bioafval — een dienst van algemeen economisch belang — verantwoordelijke instanties zonodig de mogelijkheid krijgen om in eigen installaties te investeren zonder dat zij hierin gedwarsboomd worden door de communautaire regelgeving voor concurrentie en de interne markt. Het Comité pleit voor aanvullende maatregelen ter beperking van de hoeveelheid gestort afval (waarbij grenzen worden gesteld aan de hoeveelheid snelgistend organisch materiaal in gestort afval en hiervoor een stabiliteitsvereiste wordt ingevoerd) of voor economische maatregelen om storten te bestraffen (heffing op de hoeveelheid gestort afval).

Vraag 3: Alternatieve methoden voor de behandeling van bioafval

21.

Bij het bepalen van de behoefte aan energie en warmte, het recyclen van plantenmest en de productie van biogas dient men uit te gaan van de lokale en regionale omstandigheden. Daarom moet de keuze van methoden voor de behandeling van bioafval op lokaal en regionaal niveau gebeuren.

22.

De verantwoordelijke overheden — in veel lidstaten de lokale en regionale overheden — moeten conform hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden bepalen wat de beste behandelingsmethoden zijn en de rechts- en financiële middelen krijgen om de plannen voor deze dienst van algemeen economisch belang uit te voeren. Als zij besluiten om op regionaal niveau en met het bedrijfsleven samen te werken mogen zij hierin niet gehinderd worden door de regelgeving voor concurrentie en de interne markt. Het is aan de Commissie om een goed evenwicht te vinden tussen enerzijds het beginsel van vrij verkeer en anderzijds milieu- en klimaatbelangen. Het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat de vervuiler betaalt moeten ten grondslag liggen aan eventuele voorstellen van de Commissie op dit gebied. Voor een zo volledig mogelijke besluitvorming zijn levenscyclusanalyses in dit verband van groot belang.

23.

Om de ambitieuze klimaatdoelstellingen van de EU te kunnen verwezenlijken moeten moderne technologieën voor het benutten en produceren van duurzame energie worden ontwikkeld. Door biogas te winnen uit bioafval wordt er minder gestort. Wil uit bioafval gewonnen biogas echt een duurzame lokale energiebron worden, dan moet er genoeg van geproduceerd worden en moet het op een effectieve manier gedistribueerd kunnen worden.

24.

Verder is er onder meer door de strengere milieu-eisen bij overheidsopdrachten een groot onbenut potentieel om de uitstoot van broeikasgassen in het vervoer terug te dringen. Biogas maakt deel uit van dit potentieel:

op biogas rijdend energie-efficiënt openbaar vervoer

door biogas aangedreven vrachtwagens en bouwvoertuigen

carpoolen met biogasauto's

door biogas aangedreven taxi's.

25.

Als besloten wordt bioafval niet te storten maar op een andere manier te behandelen, dienen er wel op meer structurele wijze levenscyclusanalyses te worden gemaakt. Wat dit aangaat moeten methoden worden ontwikkeld en worden afgestemd op de situatie zoals die is.

Vraag 4: Productie van energie uit bioafval

26.

Wil verbranding van bioafval een gangbaar alternatief worden in de afvalhiërarchie, dan moet er wel energie mee worden gewonnen. Afvalverbranding is vooral een alternatief voor het gebruik als plantenmest indien de kwaliteit van het bioafval niet gegarandeerd kan worden, d.w.z. indien afval wel bioafval bevat maar niet gescheiden is ingezameld.

27.

In tal van lidstaten zijn er grootschalige lokale systemen voor afstandsverwarming, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van afvalverbranding. Als gevolg van de toenemende behoefte aan klimaatbeheersing en elektriciteit en van de groeiende hoeveelheden afval worden deze systemen steeds verder uitgebreid.

Vraag 5: Recycling van bioafval

28.

Gedifferentieerde doelstellingen voor de gescheiden inzameling en recycling van verschillende afvalsoorten komen een milieuvriendelijke behandeling van onder meer bioafval ten goede. De EU moet bepalen hoe deze doelstellingen eruit komen te zien en in welke kaders zij geplaatst dienen te worden, waarbij elke lidstaat de mogelijkheid moet hebben om al naar gelang de lokale, regionale en nationale omstandigheden en behoeften met eigen doelstellingen te komen. Niet wettelijke EU-doelstellingen dienen progressief te zijn, aangezien het als plantenmest te gebruiken bioafval van een gegarandeerde kwaliteit moet zijn. Dit is alleen mogelijk als de grondstof voor de productie van plantenmest wordt gescheiden, d.w.z. als bioafval apart wordt ingezameld. Het kost tijd om de hiervoor noodzakelijke technologie en logistiek te ontwikkelen en in te voeren. In dit verband zijn zowel in de lidstaten als op EU-niveau O&O-inspanningen nodig.

29.

Ter bescherming van de volksgezondheid dient bij de behandeling en het gebruik van bioafval het voorzorgsbeginsel voorop te staan. Dit afval kan namelijk indirect weer terechtkomen in de voedsel(verwerkings)keten en gebruikt worden in geïmporteerde voedingsmiddelen en diervoeders.

30.

De mate waarin landbouwgrond bemest moet worden verschilt per lidstaat en hangt onder meer af van geologische factoren, de bodemsoort en het grondgebruik. Ook als bioafval als plantenmest wordt gebruikt dient men uit te gaan van de lokale en regionale omstandigheden en behoeften.

31.

Bij de productie van plantenmest en biogas kan enige coördinatie voordeel opleveren; zo kan na de productie van biogas het restmateriaal als mest worden gebruikt. Plantenmest of biogas kan niet alleen geproduceerd worden uit wat in het groenboek als bioafval wordt omschreven, maar ook uit restmateriaal van landbouw en bosbouw, stalmest, zuiveringsslib of ander biologisch afval zoals natuurvezels, papier en houtverwerkingsresten. Bij een gecoördineerde behandeling van alle soorten bioafval dient men een integrale en systematische aanpak te volgen waarbij rekening wordt gehouden met ieder aspect van duurzame ontwikkeling.

Vraag 6: Maatregelen om het gebruik van compost/digestaat te stimuleren

32.

Het CvdR dringt aan op gescheiden inzameling van bioafval, onder meer omdat de kwaliteit ervan op die manier gegarandeerd kan worden. De manier waarop bioafval wordt ingezameld moet wel worden aangepast aan lokale omstandigheden. De invoering van gescheiden inzameling moet ook geleidelijk gaan, als een van de vele manieren om de behandeling van bioafval te ontwikkelen.

33.

De beste vorm van bioafvalbeheer bestaat erin om in gevallen waarin grond vruchtbaarder moet worden gemaakt door het aandeel organisch materiaal op te voeren, bioafval gescheiden op te halen en vervolgens te behandelen via anaerobe vergisting en compostering van het digestaat of andere processen, zodat kwaliteitscompost wordt verkregen. Aldus kan bioafval materieel en voor energiedoeleinden worden benut.

34.

Dat bioafval niet als plantenmest wordt gebruikt hangt in de eerste plaats samen met de mogelijkheden om de kwaliteit hiervan te garanderen. Ook belangrijk in dit verband is de mate waarin burgers/consumenten het belang van een goed werkende kringloop en de daardoor geboden mogelijkheden inzien.

35.

Wanneer uit bioafval verkregen compost of compostachtige stof gevaarlijk zijn voor het milieu en de volksgezondheid, dienen hiervoor EU-brede kwaliteitsnormen te gelden. Ook moet gekeken worden naar de omvang en de bodemgesteldheid van het gebied waar de compost of compostachtige stof wordt gebruikt en naar de hoeveelheden en de concentratie hiervan. Wat dit betreft zou de grond in kwestie ook geclassificeerd moeten worden. Uit bioafval verkregen stoffen kunnen wat kwaliteitsnormen aangaat in twee niveaus worden ingedeeld:

stoffen voor landbouwgrond die voor de teelt van voedingsgewassen wordt gebruikt

stoffen voor parken, groenvoorzieningen, bossen en energiegewassen.

36.

Om een impuls te geven aan het gebruik van bioafval als plantenmest moet ook steeds een lijst van de bestanddelen hiervan worden opgesteld, zodat onder meer duidelijk is hoeveel mull en welke voedingsstoffen de mest bevat.

37.

De belangrijkste reden om compost als bodemverbeteraar te gebruiken is de noodzaak om landbouwgronden en andere gronden met plantenmest te bewerken. De behoeften en omstandigheden in de lidstaten lopen echter uiteen. Daarom moet men uitgaan van de lokale omstandigheden en behoeften als men een keuze maakt tussen het gebruik van bioafval van gegarandeerde kwaliteit om landbouwgronden of andere gronden te bemesten of het gebruik van bioafval om door middel van verbranding energie te produceren.

Vraag 7: Regelgevingskader voor operationele normen voor inrichtingen

38.

De eisen die worden gesteld aan inrichtingen voor de behandeling van bioafval moeten gebaseerd zijn op de geldende milieu-eisen, maar ook worden afgestemd op de lokale omstandigheden en behoeften.

Vraag 8: Voor- en nadelen van de ontwikkeling van verschillende behandelingsmethoden

39.

Er zijn meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling nodig om de voor- en nadelen van de verschillende behandelingsmethoden in kaart te brengen, maar vooral om nieuwe technieken en methoden uit te werken. Het onderzoek dient alle elementen van de behandeling van biologisch afval — van technische en milieuveiligheidsaspecten tot consumptie- en gedragspatronen — te omvatten.

Brussel, 18 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/59


Resolutie van het Comité van de Regio's over de Europese reactie op de crisis in de automobielsector

Goedgekeurd op 18 juni 2009

(2009/C 211/08)

HET COMITE VAN DE REGIO'S

De ernst van de crisis in de automobielindustrie

1.

is verontrust over de territoriale impact van de crisis in de automobielsector waardoor de hele auto-industrie van de Europese Unie wordt getroffen en waarvan regio's in verschillende opzichten het slachtoffer zijn,

2.

wijst op het sneeuwbaleffect van deze crisis op toeleveranciers, MKB en lokale en regionale gemeenschappen,

3.

wijst op de bereidheid van lokale en regionale overheden om maatregelen te nemen teneinde de gevolgen van de crisis te verzachten,

De Europese bijdrage aan de bestrijding van de crisis

4.

is ingenomen met de resolutie van het Europees Parlement van 25 maart jl. over de toekomst van de automobielindustrie,

5.

beklemtoont dat de automobielindustrie van bijzonder belang is voor het bruto binnenlands product (bbp), voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie en voor de werkgelegenheid in Europa en dat deze sector in diverse Europese regio's een van de belangrijkste aanjagers van de economie is,

6.

verzoekt de Europese Commissie met een voorstel te komen voor een gemeenschappelijke Europese aanpak van de problemen — incl. de structurele problemen die al eerder bestonden — in de automobielsector en daarbij de lokale en regionale overheden alsook een breed scala van sociale partners en stakeholders te betrekken,

7.

vestigt de aandacht op het gevaar van protectionisme in tijden van economische crisis,

8.

wijst op het belang van maatregelen om banen te behouden en de sociale impact van de crisis op werknemers en getroffen werkgelegenheidsgebieden te verzachten, met name door de criteria voor toegang tot het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering uit te breiden en te versoepelen, en wijst op het belang van verbetering van de inzetbaarheid van werknemers via vaardigheidstrainingen,

9.

betreurt dat de bestaande instrumenten ontoereikend zijn om de specifieke problemen van het midden- en kleinbedrijf (MKB) en met name van de toeleveranciers aan de auto-industrie, ongeacht de omvang van hun bedrijf, het hoofd te bieden,

10.

verzoekt om een betere uitvoering van wettelijke en financiële regelingen op Europees niveau om ervoor te zorgen dat het MKB ten volle profiteert van bestaande of nieuwe financieringsmogelijkheden,

11.

vraagt de Europese Commissie om netwerken tussen regio's die in hoge mate gespecialiseerd zijn in de automobielsector, te promoten via het initiatief „Regio's voor economische verandering” of andere instrumenten voor territoriale of technische samenwerking,

Naar een groenere auto-industrie

12.

is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie voor een initiatief inzake groene auto's, waarin het principe van duurzame ontwikkeling in acht wordt genomen en regionale betrokkenheid bij de coördinatie van onderzoek en innovatie op dit gebied wordt gestimuleerd,

13.

vindt het belangrijk dat voldoende overheidsgeld ter beschikking wordt gesteld om met name alle acties op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie, milieuvriendelijke technologie en bijscholing van de werknemers in de automobielsector te bevorderen,

14.

roept alle betrokken partijen op om initiatieven te stimuleren die tot de aankoop van nieuwe auto's leiden, alsook om meer informatiecampagnes op te zetten rond de economische en milieuvoordelen van energiezuinige voertuigen,

Bevordering van een constructieve dialoog met de lokale en regionale overheden

15.

eist dat de regels van de interne markt in acht worden genomen, evenals de samenhang tussen nationaal en/of regionaal beleid, zoals nationale regelingen voor consumentenkrediet,

16.

bevestigt dat er behoefte is aan verdieping en uitbreiding van de huidige dialoog en discussies over de toekomst van de automobielsector; zonodig moet worden bijgedragen aan de opkomst van nieuwe industrieën,

Naar meer erkenning voor de territoriale dimensie van de crisis

17.

verzoekt de Europese Commissie vertegenwoordigers van het Comité van de Regio's op te nemen in de groep op hoog niveau „CARS 21”,

18.

wijst op de behoefte aan betrouwbare en vergelijkbare gegevens over de automobielindustrie,

19.

verzoekt dat de lokale en regionale overheden meer worden betrokken bij de acties van de lidstaten ter ondersteuning van de auto-industrie en o.a. mogen aanschuiven bij constructief overleg met autofabrikanten, toeleveranciers, werknemersorganisaties en nationale of Europese overheidsinstanties,

20.

staat erop dat de automobielindustrie een dialoog aangaat met lokale of regionale werknemersorganisaties; staat erop dat gesprekken worden aangegaan met de lokale en regionale overheden voordat ingrijpende en uitzonderlijke beslissingen worden genomen die een grote of onverwachte impact kunnen hebben op de sociaal-economische structuur van een bepaald gebied,

Volgende stappen

21.

verzoekt de bevoegde CvdR-commissie zich te buigen over de Europese reactie op de crisis in de automobielindustrie,

22.

verzoekt de lokale en regionale overheden in de hele EU om hun eigen wagenpark te moderniseren en hun ondergeschikte organisaties of contractpartners aan te moedigen om hetzelfde te doen, zodat de uitstoot van schadelijke stoffen wordt teruggebracht, de vraag naar nieuwe technologieën stijgt en de toeleveranciers in hun regio een duidelijk signaal krijgen,

23.

verzoekt zijn voorzitter deze resolutie toe te sturen aan de Europese Commissie, het Europees Parlement, de Raad en de voorzitterschappen van de Europese Unie.

Brussel, 18 juni 2009.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/61


Ontwerpresolutie van het Comité van de Regio's over klimaatverandering: de weg naar Kopenhagen

goedgekeurd op 18 juni 2009

(2009/C 211/09)

KLIMAATVERANDERING EN LOKALE EN REGIONALE OVERHEDEN

Het Comité van de regio's wijst op het volgende:

1.

Klimaatverandering is een van de grootste beleidsproblemen waar de mens mee te maken heeft. In de bestrijding van klimaatverandering is voor lokale en regionale overheden een cruciale rol weggelegd, zeker omdat de sociale en economische kosten van dit probleem vaak op hen neerkomen.

2.

De economische crisis mag geen argument zijn om minder maatregelen te nemen. Integendeel, de bestrijding van klimaatverandering moet juist worden opgevoerd. De economische crisis moet worden aangegrepen om de technische knowhow te vergroten en activiteiten ter bestrijding van de klimaatverandering te ontwikkelen.

3.

Veel lokale en regionale overheden dragen al in belangrijke mate bij aan het welslagen van Europese klimaat- en energie-initiatieven en zijn met hun maatregelen op het gebied van openbaar vervoer, verkeers- en energie-infrastructuur, volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, energie-efficiëntie en voorlichting aan het publiek van cruciaal belang voor de uitvoering van het beleid in kwestie.

4.

Europese regio's zijn kwetsbaar voor klimaatverandering en niet allemaal even goed in staat om zich hieraan aan te passen, wat vooral te maken heeft met verschillen in sociaaleconomische ontwikkeling, natuurlijke omstandigheden en bevolkingsdichtheid. Berggebieden, kustgebieden, perifere en eilandregio's en veel semi-aride gebieden in het Middellandse Zeebekken zijn het kwetsbaarst voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering.

5.

De kosten van beleidsmaatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering zullen beslist veel lager uitvallen dan de geraamde kosten van de klimaatverandering zelf.

6.

Met een effectief klimaatbeleid kunnen de sociale ongelijkheden worden voorkomen die een gevolg zijn van de klimaatverandering.

7.

De overgang naar een koolstofvrije economie herbergt een groot groei- en werkgelegenheidspotentieel, vooral voor lokale en regionale overheden.

VOLGENDE STAPPEN VOOR INTERNATIONALE KLIMAATONDERHANDELINGEN

8.

Het CvdR doet een dringend beroep op de EU om zich op het allerhoogste politieke niveau nog meer in te spannen voor versterking van de internationale coalitie tegen klimaatverandering en erop toe te zien dat er post-Kioto-overeenkomsten komen met ambitieuze, transparante en wettelijk bindende doelstellingen.

9.

Er dient absoluut voor te worden gezorgd dat het CvdR, als spreekbuis van de regio's en de lokale overheden, deel uitmaakt van de EU-delegatie voor de UNFCCC-conferentie in Kopenhagen (COP 15) in december 2009.

10.

Het baart het CvdR zorgen dat in het jongste voorlopige onderhandelingsdocument van de ad hoc-werkgroep over langetermijnsamenwerking in het kader van het Verdrag, waarin weliswaar het belang van subnationale maatregelen voor de aanpassing aan de klimaatverandering wordt erkend, met geen woord wordt gerept over de rol van de desbetreffende overheden op het gebied van mitigatie en ook een langetermijnvisie voor de aanpak van klimaatverandering ontbreekt.

ALGEMENE BELEIDSAANBEVELINGEN

11.

De Europese Commissie en de lidstaten dienen het subsidiariteitsbeginsel toe te passen bij het ontwikkelen van en onderhandelen over nieuwe klimaatmaatregelen die grote gevolgen kunnen hebben voor (de inwoners van) gemeenten en regio's. Ook moeten zij ervoor zorgen dat de verschillende bestuurslagen die zij verantwoordelijkheden toewijzen over genoeg geld en personeel beschikken.

12.

Er moeten actieve voorlichtingscampagnes worden opgezet waaraan lokale en regionale overheden, die een rechtstreeks communicatiekanaal met het publiek hebben, alle steun dienen te verlenen.

13.

Het is dan ook een goede zaak dat de EU conform de Lissabonagenda en de overeenkomst van Göteborg een aantal elkaar versterkende mitigatie- en adaptatiemaatregelen wil nemen. Wat de nieuwe, voor de periode na 2010 uit te voeren Lissabonstrategie betreft verdient het echter aanbeveling om de huidige situatie met drie parallelle processen te veranderen en toe te werken naar één enkel kader voor de sociale, economische en ecologische maatregelen van de EU.

14.

Er moet consequent geïnvesteerd worden in groene infrastructuur, een ruimer gebruik van ICT in het bestuur, energie-efficiënte renovatie van oude particuliere en overheidsgebouwen, en nieuwe vervoerswijzen. Het gebruik van energie-efficiënte verlichting, verwarming en koelinstallaties moet ook worden gestimuleerd. Verder dient er groen aanbesteed te worden en moet de continuïteit van de energieaanvoer nog beter gegarandeerd worden.

15.

Adaptatie en mitigatie moeten een expliciete doelstelling worden van alle EU-beleidsterreinen, waaronder landbouw en plattelandsontwikkeling (inclusief voorkomen van ontbossing), vervoer, biodiversiteit en water- en afvalbeheer, en ook financieringsprogramma's ter uitvoering van onder meer het cohesiebeleid.

16.

De begroting, de programma's, het beleid, maar vooral ook de belangrijkste wetten van de EU voor na 2013 moeten worden herzien naar gelang van de veranderende parameters van de klimaatverandering.

17.

Voor een goede aanpak van de klimaatverandering moet worden nagegaan of er nieuwe duurzaamheidsindicatoren dienen te komen die als parameters in de volgende generatie structuurfondsen moeten gaan fungeren.

18.

Lokale en regionale overheden moeten als volwaardige partijen worden betrokken bij het uitstippelen, ontwikkelen, goedkeuren en uitvoeren van nationale strategieën en actieplannen op het gebied van klimaatverandering.

19.

Het CvdR staat politiek volledig achter het op initiatief van de Commissie en het CvdR opgestelde burgemeestersconvenant, een reactie van steden op de opwarming van de aarde waarin zij formeel beloven om wat de vermindering van de CO2-uitstoot betreft verder te gaan dan de EU-doelstellingen voor 2020. Het convenant zou open moeten staan voor alle relevante subnationale overheden. Ook dient het verder te worden uitgewerkt, en voor de ontwikkeling van op de specifieke behoeften van lokale overheden afgestemde expertise en strategieën moeten voldoende middelen worden vrijgemaakt.

ADAPTATIE

20.

Het EU-budget moet zo groot zijn dat alle lokale en regionale overheden goed worden uitgerust om de klimaatverandering het hoofd te bieden en de middelen hebben om de oorzaken hiervan weg te nemen en zich aan te passen aan de gevolgen. Een en ander moet vooral de mensen en economische partijen die het het zwaarst te verduren krijgen ten goede komen.

MITIGATIE

21.

Via doorberekening van de milieukosten van goederen en diensten moet het beginsel dat de vervuiler betaalt worden toegepast in al het beleid dat betrekking heeft op het klimaat en de bescherming van het milieu.

22.

Het CvdR stemt in met het beginsel van samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten dat met de nieuwe EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten is ingevoerd tussen de technologisch meest geavanceerde landen (met de meest energie-efficiënte industriële sectoren) en landen met een ontwikkelingsachterstand (die nog een economie met hoog energieverbruik hebben en hun groeipercentage nog moeten opschroeven).

23.

Ondanks de geboekte vooruitgang moeten de transparantie en betrouwbaarheid van de ETS-regeling op de lange termijn worden versterkt, en moet tevens worden gekeken naar de sociale en milieugevolgen van de voorgestelde maatregelen, met name op regionaal en lokaal niveau.

24.

Het CvdR beveelt dan ook aan goed rekening te houden met de vereisten van het regionale ontwikkelingsbeleid. Voor een transparantere en effectievere koolstofmarkt zou het nodig kunnen zijn om sommige industriële ondernemingen ingrijpend te herstructureren, zodat minder efficiënte of noodlijdende installaties uit het productiesysteem kunnen verdwijnen. In dat geval beveelt het CvdR aan dat ondersteunende maatregelen worden genomen om de industriële reconversie te begeleiden en de betrokken werknemers om te scholen.

25.

Het CvdR wijst erop dat naast een emissierechtenstelsel veel grotere inspanningen vereist zijn om over te stappen op milieuvriendelijke vervoerswijzen. Nationale overheden dienen werk te maken van de uitbouw van spoorweg- en waterwegeninfrastructuur alsook intermodaal vervoer in het algemeen te bevorderen.

26.

Gezien de mate waarin de Europese vervoerssector van olie afhankelijk is, valt het te betreuren dat de tweede strategische toetsing van het energiebeleid niet net als het energie-efficiëntiepakket voorstellen bevat voor efficiency in het vervoer, waarbij te denken valt aan de trein en andere vormen van openbaar vervoer, energiezuinige voertuigen, carpoolen, milieubewust rijden en maatregelen om meer mensen op de fiets te krijgen.

27.

Het energiebeleid en het klimaatbeschermingsbeleid hangen nauw samen en moeten op elkaar worden afgestemd; 80 % van alle CO2-emissies in Europa komt namelijk op het conto van de energieproductie.

28.

Het CvdR betreurt het dat er in het pakket maatregelen inzake klimaatverandering en energie van 2008 geen bindende doelstellingen inzake energie-efficiency zijn vastgelegd; dit zou immers een stok achter de deur zijn geweest om te zorgen voor de noodzakelijke terugdringing van de CO2-uitstoot.

29.

Het CvdR wijst op de uiteenlopende resultaten die de Europese regio's en steden in de afgelopen jaren hebben geboekt met de terugdringing van de CO2-uitstoot en het energieverbruik. Er zou rekening moeten worden gehouden met de verschillen qua energieconsumptie en -productie en de bijbehorende broeikasgasemissies tussen en binnen de verschillende lidstaten, en dan met name tussen stad en platteland.

30.

Regionale klimaatplannen en/of duurzame energieplannen zouden een schakel kunnen vormen tussen de lokale en de nationale initiatieven die voor de praktische instrumenten voor de verwezenlijking van de doelstellingen moeten zorgen. Verder moet een adequate hoeveelheid financiële middelen beschikbaar komen.

31.

Aanbevolen wordt om naast de structuurfondsen ook extra middelen en maatregelen in te zetten ter ondersteuning van het aanpassings- en mitigatiebeleid, zoals maatregelen op het gebied van energiebesparing en duurzame energie, de energieprestatie van gebouwen en de reductie van broeikasgasemissies. Hierdoor zal de steun voor een Europees klimaatbeleid toenemen.

32.

Er moet meer geld komen voor onderzoek naar technieken om CO2 af te vangen; samen met de andere mitigatiemaatregelen dienen deze gebruikt te worden om de zo noodzakelijke grote daling van broeikasgasemissies te bewerkstelligen.

33.

Steunregelingen zouden open moeten staan voor alle producenten van duurzame energie, ook voor kleine installaties, maar het zou wel zo consequent zijn als de steun op het gebied van duurzame energie gericht wordt op een steeds geringer gebruik van fossiele brandstoffen.

BESCHERMING VAN KWETSBARE BURGERS

34.

Door duurzame energie en energie-efficiency te promoten kan het burgemeestersconvenant een stimulans zijn voor regio's en steden bij het doorvoeren van veranderingen om de meest kwetsbare burgers — met name die met een laag vast inkomen — te beschermen tegen de gevolgen van de hoge energieprijzen en tegen het risico van „energiearmoede”. Hierbij moet gesubsidieerd energiegebruik echter worden voorkomen. Ook dient het energiegebruik door middel van sterke economische prikkels efficiënter te worden gemaakt en zo mogelijk te worden verminderd.

35.

Het CvdR dringt er echter met klem op aan om de minder draagkrachtige burgers te beschermen tegen een eventuele stijging van de prijs van industriële producten, en vooral van de elektriciteitstarieven en de tarieven van de overige energiebronnen, onder meer door hen te helpen de energie-efficiëntie van hun woningen te verbeteren.

Het CvdR gelast zijn voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan het Tsjechische en het Zweedse voorzitterschap, de Europese Commissie en de lidstaten, en de relevante VN-organen.

Brussel, 18 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


BIJLAGE

lijst van recente CvdR-adviezen die direct of indirect betrekking hebben op klimaatverandering

„Een economisch herstelplan en de rol van de regionale en lokale territoriale lichamen” CdR 12/2009 fin

„Energie: strategische toetsing en energieprestaties van gebouwen” CdR 8/2009 fin

„Groenboek over territoriale cohesie” CdR 274/2008 fin

„Vijfde voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie” CdR 273/2008 fin

„Hoe de regio's bijdragen aan de verwezenlijking van de Europese doelstellingen op het gebied van energie en klimaatverandering, met name via het burgemeestersconvenant” CdR 241/2008 fin

„De uitdaging van energie-efficiëntie aangaan via informatie- en communicatietechnologieën” CdR 254/2008 fin

Verkennend advies over „De Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid” CdR 245/2008 fin

„De wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie naar aanleiding van de doorlichting van het gemeenschappelijk landbouwbeleid” CdR 162/2008 fin

„Handel in emissierechten” CdR 161/2008 fin

„Bevordering van hernieuwbare energie” CdR 160/2008 fin

Verkennend advies over „De bijdrage van de regionale en lokale overheden tot de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling” CdR 85/2007 fin

„Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie” CdR 22/2008 fin

„De Europese elektriciteits- en gasmarkt: derde wetgevingspakket” CdR 21/2008 fin

„De begroting hervormen — Europa veranderen” CdR 16/2009 fin

„De aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie” CdR 313/2007 fin

„De strategie voor de ultraperifere regio's: verwezenlijkingen en toekomstperspectieven” CdR 309/2007 fin

„Groenboek stadsvervoer” CdR 236/2007 fin

„De”health check„van het GLB” CdR 197/2007 fin

„Aanpassing aan de klimaatverandering in Europa: mogelijkheden voor EU-actie” CdR 118/2007 fin

„Het energiepakket” CdR 111/2007 fin

„De wereldwijde klimaatverandering beperken tot 2 graden Celsius en Het opnemen van de luchtvaart in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten” CdR 110/2007 fin


III Voorbereidende handelingen

Comité van de Regio's

80e zitting 17-18 juni 2009

4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/65


Advies van het Comité van de Regio's „pakket maatregelen voor kust en zee”

(2009/C 211/10)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

meent dat het Europese maritieme beleid moet worden gevoerd vanuit een mondiaal en intersectoraal perspectief, uitgaande van een maritieme ruimtelijke ordening, om het intensievere gebruik van de zee het hoofd te kunnen bieden en een evenwicht te bevorderen tussen de verschillende vormen van gebruik in een beperkte en kwetsbare ruimte;

meent dat maritieme ruimtelijke ordening een vernieuwende bestuurlijke regelgeving vergt, gestoeld op het principe van multilevel governance en op een eerbiediging van de subsidiariteit. Het CvdR benadrukt dan ook de belangrijke rol die de lokale en regionale overheden moeten spelen op het gebied van maritieme ruimtelijke ordening, met name als financiers van beleid, maar ook als instanties die door hun aanwezigheid ter plekke het beste in staat zijn om ervoor te zorgen dat de diverse doeleinden elkaar niet doorkruisen;

prijst de Commissie voor de weg die ze heeft afgelegd op het gebied van maritieme ruimtelijke ordening, en voor haar voornemen om gemeenschappelijke principes op Europees niveau vast te stellen en is van mening dat de rol van de Europese Unie zich kan ontwikkelen in de richting van het bepalen van normen, zowel qua methode als qua beginselen, met name op basis van bestaande regionale verdragen;

ondersteunt de wens van de Commissie om de interne markt te voltooien, om het zeevervoer aantrekkelijker en concurrerender te maken, maar betreurt dat concrete maatregelen in hoofdzaak op economische aspecten gericht zijn. Het CvdR vindt dat volledig rekening gehouden zou moeten worden met sociale en milieuaspecten;

herhaalt zijn oproep om de optie te evalueren om het EU-financiële stelsel om te vormen tot één vereenvoudigd stelsel (een Europees fonds voor kustgebieden) voor alle maritieme aangelegenheden in het kader van het overleg over het financiële kader voor de periode 2014-2020;

is verheugd dat opheldering wordt gegeven over staatssteun ten behoeve van snelwegen op zee, maar pleit voor een ambitieuzere benadering en een algemene bezinning over de aard van de activiteiten en investeringen die in aanmerking komen voor Europese subsidies, gezien het feit dat de huidige bepalingen niet het verwachte resultaat hebben opgeleverd; daarbij zou vooral naar de eisen inzake levensvatbaarheid op korte termijn gekeken moeten worden.

Rapporteur

:

Michel DELEBARRE, burgemeester van Duinkerke (FR/PSE)

Referentiedocumenten

Routekaart naar maritieme ruimtelijke ordening: werken aan gemeenschappelijke principes in de EU — COM(2008) 791 definitief, mededeling van de Commissie van 25.11.2008

Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 — COM(2009) 8 definitief, mededeling van de Commissie van 21.1.2009

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten van de Gemeenschappen en tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG — COM(2009) 11 definitief, 21.1.2009

Mededeling en actieplan met het oog op de instelling van een Europese maritieme ruimte zonder grenzen — COM(2009) 10 definitief, 21.1.2009

Mededeling betreffende richtsnoeren voor staatssteun ter aanvulling van de communautaire financiering voor de totstandbrenging van snelwegen op zee (2008/C 317/8)

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

1.

Het Comité van de Regio's erkent dat de Commissie aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt en verwelkomt de doeltreffende uitvoering van het actieplan en de gekozen geïntegreerde benadering. Het Comité meent dat het Europese maritieme beleid moet worden gevoerd vanuit een mondiaal en intersectoraal perspectief dat „alle aspecten bestrijkt van de relatie tussen de mens en de zeeën en oceanen” (1).

2.

De kuststeden en -regio's van de Europese Unie dragen ongeveer 40 % bij aan het Europese BBP. Bijna de helft van de Europese bevolking woont er (2). De lokale en regionale overheden beschikken over diverse bevoegdheden die verband houden met het maritieme beleid, en zijn het niveau waarop de coördinatie van de verscheidene sectorale beleidsterreinen ter plaatse dient te worden bevorderd. Bovendien hebben de lokale en regionale overheden in kustgebieden een bijzondere verantwoordelijkheid ten aanzien van de inrichting van deze gebieden: zij moeten immers de spanningen beheersen die voortkomen uit concurrerende menselijke activiteiten in de kuststreken en op zee, en daarnaast moeten zij proberen een duurzame ontwikkeling en werkgelegenheid te bewerkstelligen die verenigbaar zijn met de noodzakelijke bescherming van het mariene milieu. Dientengevolge hebben zij het vermogen ontwikkeld om een geïntegreerde strategie voor deze gebieden uit te werken, met inachtneming van uiteenlopende beleidsterreinen, zoals vervoer, de ontwikkeling van havens, veiligheid, stedelijke ontwikkeling, maritieme ruimtelijke ordening, beroepsopleidingen en een Geïntegreerd Beheer van Kustgebieden (ICZm).

3.

Voor een goede uitvoering van het Europese maritieme beleid is een governance nodig waarbij lokale en regionale actoren directer worden betrokken. Met een governance van het maritieme beleid dat daadwerkelijk op partnerschap berust en alle niveaus van besluitvorming omvat, alsmede het maatschappelijk middenveld, wordt het mogelijk om eventuele conflicten op tijd te ontdekken en oplossingen te vinden die zijn toegesneden op de situatie ter plaatse.

4.

Het CvdR onderschrijft het standpunt dat de Commissie in haar mededeling over de richtsnoeren voor het maritieme beleid (3) verwoordt: kustregio's plukken niet alleen de vruchten van een geïntegreerde benadering van het maritieme beleid, maar kunnen ook nadelen ondervinden wanneer een dergelijke benadering ontbreekt.

5.

De ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem beleid moet hand in hand gaan met het streven naar territoriale cohesie, met name om te zorgen voor een grotere samenhang in de regionale ontwikkeling van kust- en eilandgebieden en de verbindingen met het achterland en binnenhavens, en om de toekomstige financiering van specifieke acties in die gebieden beter te coördineren.

6.

Het CvdR herhaalt in dit verband zijn oproep „om de optie te evalueren om het EU-financiële stelsel om te vormen tot één vereenvoudigd stelsel (het Europees fonds voor kustgebieden) voor alle of de meeste maritieme aangelegenheden” in het kader van het overleg over het financiële kader voor de periode 2014-2020 (4).

7.

Het CvdR hecht zijn volledige steun aan het plan van de Commissie om de projecten in de maritieme regio's onder te brengen in een databank, waarin ook informatie is opgenomen over de begunstigden van alle communautaire middelen. Dit is van essentieel belang om de transparantie op dit gebied te waarborgen en de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen. Het CvdR wil graag worden betrokken bij het beheer van deze databank, die uiterlijk in 2010 gereed zou moeten zijn.

Maritieme ruimtelijke ordening  (5)

8.

Het CvdR verwelkomt de routekaart en steunt de voorstellen van de Commissie om tien principes van ruimtelijke ordening uit te werken die op termijn zouden kunnen uitgroeien tot gemeenschappelijke principes, die in alle lidstaten toegepast kunnen worden.

9.

Het CvdR steunt de inspanningen van de Europese Commissie om een geïntegreerd beleid te ontwikkelen en vindt dat met het blauwboek een duidelijke richting wordt aangegeven voor het beheer van hulpbronnen in mariene en kustgebieden. Het spoort de Commissie aan deze weg te vervolgen en te verduidelijken hoe 'maritieme ruimtelijke ordening' samenhangt met andere maatregelen die de Europese Unie heeft genomen, en dan vooral met Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, de kaderrichtlijn water, de kaderrichtlijn mariene strategie en de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad betreffende het geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa. Maritieme ruimtelijke ordening zou moeten bijdragen tot het vergroten van de synergie tussen deze wetgevingsonderdelen om verwarring of overlapping te voorkomen.

10.

Het CvdR meent dat strategische bezinning en bestuurlijke organisatie vooraf moeten gaan aan concrete uitvoering. De strategische bezinning is immers een onmisbare fase in het proces van ruimtelijke ordening, aangezien daarmee de onderlinge afstemming van doelstellingen en middelen kan worden bevorderd en de ruimtelijke ordening kan worden gestuurd. In deze gezamenlijke opbouwfase kunnen de principes en richtsnoeren worden omschreven en de prioriteiten vastgesteld die zich aandienen tijdens het uitwerken van de ruimtelijke ordening, alsmede bij de arbitrage die uit dit proces voortvloeit.

11.

Vernieuwende bestuurlijke regelgeving, gestoeld op het principe van multilevel governance en op een eerbiediging van de subsidiariteit, is onontbeerlijk om te komen tot een omschrijving van strategische doelstellingen waarmee de ruimtelijke ordening kan worden gestuurd. Deze dient noodzakelijkerwijs op verschillende niveaus te worden ingevuld, van het zeebekken tot het lokale niveau. Er zij verder op gewezen dat, ook al kan de door de Commissie gehuldigde ecosysteembenadering (6) op brede overeenstemming rekenen, deze nog niet hoeft samen te vallen met alle maritieme activiteiten. Daarom verlangt het CvdR dat de Commissie in haar toekomstige voorstellen het niveau van het zeebekken en van de regionale zee opneemt, dat groot genoeg is om deze klip te kunnen omzeilen.

12.

Het CvdR benadrukt dat de maritieme ruimtelijke ordening in beginsel betrekking heeft op alle maritieme activiteiten, en wel op grensoverschrijdende wijze, om beter aan te sluiten op de realiteiten van het ecosysteem; uit dien hoofde is zij een essentieel geïntegreerd maritiem beleidsinstrument. Deze regelgeving is onontbeerlijk bij een intensiever gebruik van de zee en om een evenwicht te bevorderen tussen bestaande strijdige belangen in een beperkte en kwetsbare ruimte. Wel is het zo dat het zeevervoer de uitdaging moet aangaan om maritieme ruimtelijke ordening en het principe van vrije zee, zoals geregeld in de IMO-verdragen, met elkaar te verenigen.

13.

Erkent dat de maritieme ruimtelijke ordening een aangewezen middel is om de eisen van elke activiteit tegen elkaar af te wegen en om de zeeën, met een duurzame bescherming van de ecosystemen, zo goed mogelijk te gebruiken. Met duidelijke en algemeen bekende regels zullen investeringen op de lange termijn worden bevorderd en zullen maritieme activiteiten een grotere bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake concurrentievermogen en stimulering van groei en werkgelegenheid volgens de Lissabonstrategie. De Commissie dient in dit verband tot het uiterste te gaan bij het vaststellen van beginselen voor arbitrage, teneinde borg te staan voor de transparantie van dit proces, aan de hand van vooraf in nauw overleg met de maritieme regio's opgestelde regels die soepel genoeg zijn om rekening te kunnen houden met de bijzonderheden van de zeebekkens.

14.

Het CvdR prijst de Commissie voor de weg die ze heeft afgelegd op het gebied van maritieme ruimtelijke ordening, en voor haar voornemen om gemeenschappelijke principes op Europees niveau vast te stellen. De Europese Unie heeft een aansporende en coördinerende rol op dit gebied, en dankzij de raadplegingsprocedure die de Commissie in 2009 heeft ingeleid, kan beter worden begrepen wat er op het spel staat, en kunnen er richtsnoeren worden voorgesteld ter bevordering van een gemeenschappelijke aanpak. Het CvdR stelt in dat verband voor dat de Commissie aan het einde van deze raadplegingen een witboek opstelt.

15.

Het CvdR is van mening dat de rol van de Europese Unie zich kan ontwikkelen in de richting van het bepalen van normen, zowel qua methode als qua beginselen, teneinde voor een daadwerkelijke coördinatie van de maritieme ruimtelijke ordening binnen en tussen de betrokken lidstaten te zorgen. Het CvdR verwijst in dat opzicht naar de ervaringen die reeds op een aantal regionale niveaus worden opgedaan, in het bijzonder in het Middellandse Zeegebied, in het kader van het Verdrag van Barcelona over de bescherming van het mariene milieu. Van belang is vooral het 7e protocol: hiermee hebben de betrokken lidstaten besloten om samen een Geïntegreerd Beheer van Kustgebieden in het Middellandse Zeegebied te voeren op basis van bindende instrumenten. De Europese Unie hoeft zich niet te beperken tot het aanmoedigen van een gemeenschappelijke aanpak van de maritieme ruimtelijke ordening, zij kan ook helpen om bestaande regionale verdragen in elk zeebekken onder te brengen in een duurzame en geïntegreerde maritieme ontwikkeling in samenspraak met de desbetreffende maritieme regio.

16.

Het CvdR moedigt de Commissie krachtig aan om proefprojecten in elk zeebekken te ondersteunen, teneinde de deugdelijkheid van de voorgestelde principes te toetsen aan de diversiteit van de regionale zeeën. De ultraperifere regio's, die een groot deel van de Europese maritieme ruimte omvatten, dienen daarbij volledig te worden betrokken.

17.

Het CvdR benadrukt de belangrijke rol die de lokale en regionale overheden moeten spelen op het gebied van maritieme ruimtelijke ordening, met name als financiers van beleid, maar ook als instanties die door hun aanwezigheid ter plekke het beste in staat zijn om ervoor te zorgen dat de diverse doeleinden elkaar niet doorkruisen. Voor de bestaande partnerschappen in mariene en kustgebieden en voor de reeds bestaande maritieme netwerken is een cruciale rol weggelegd: zij moeten de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het maritieme ruimtelijkeordeningsbeleid in de lidstaten bevorderen. De lidstaten zijn in de meeste gevallen bevoegd de territoriale wateren en de EEZ's (7) te besturen, maar de lokale en regionale overheden treden uit hoofde van hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden op als beheerders van de wateren … en soms als havenautoriteiten of als beheerders van beschermde gebieden. In het algemeen zijn zij verantwoordelijk voor de bevordering van een evenwichtige en solidaire ontwikkeling, waarvan de maritieme ruimte niet mag worden uitgezonderd.

18.

Het CvdR benadrukt tevens de noodzaak om de ruimtelijke ordening op het vasteland en de maritieme ruimtelijke ordening op samenhangende en gemeenschappelijke wijze uit te voeren, teneinde het grensgebied tussen land en zee goed te beheren, met name waar het de kuststrook betreft. Het herinnert in dat verband aan de werkzaamheden in het kader van het Geïntegreerd Beheer van Kustgebieden.

19.

Het CvdR herinnert eraan dat de Europese steden en gebieden nu al grensoverschrijdende en transnationale samenwerkingsverbanden initiëren, met name in het kader van de Interreg-programma's, die hen in staat stellen gemeenschappelijke projecten uit te voeren, verband houdende met het beheer van de maritieme ruimte. Ook de Europese Groeperingen voor Territoriale Samenwerking (EGTS) bieden beslist interessante mogelijkheden tot regionale samenwerking.

20.

Het CvdR verwelkomt het door de Commissie ingestelde Europees marien observatie- en datanetwerk, dat eind 2009 moet leiden tot een prototype van een Europese zeeatlas, en hoopt dat deze atlas kan worden verbonden aan de nieuwe, in februari 2009 gepresenteerde tool Google Ocean.

21.

Het CvdR betreurt het dat de Commissie onvoldoende aandacht schenkt aan de kwestie van de subsidiariteit. Thans berust het voorstel van de Commissie op een bundeling van rechtsgrondslagen (onder meer met betrekking tot het vervoersbeleid en duurzame ontwikkeling). Tot nu toe werd het ruimtelijkeordeningsbeleid echter tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten gerekend, op basis van het Verdrag van Nice. Indien het Verdrag van Lissabon in werking treedt en er een koppeling wordt gemaakt met de nieuwe doelstelling van territoriale cohesie, kan men zich afvragen of artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Unie (dat overeenkomt met artikel 308 van het Verdrag van Nice) als rechtsgrondslag kan dienen voor toekomstige regelgevingsmaatregelen op het gebied van maritieme ruimtelijke ordening.

Zeevervoer

22.

Het zeevervoer is enerzijds een essentieel onderdeel van de Europese economie, een bron van inkomsten en werkgelegenheid, en van menselijke en technologische knowhow, een factor qua milieuprestaties en concurrentievermogen, maar vergt anderzijds ook specifieke voorzorgsmaatregelen op het gebied van maritieme veiligheid. Door de nadelen van het zeevervoer ten opzichte van andere vervoerswijzen weg te nemen en door milieueisen in te voeren moet het zeevervoer van steeds groter belang worden voor een duurzaam beheer. Weliswaar is het zeevervoer bijzonder gevoelig voor de grillen van de financiële economie, maar zij blijft onverminderd een belangrijke aanjager van de reële economie. Bovendien, zodra deze laatste zich begint te herstellen, moeten de Europese havens in staat zijn te beantwoorden aan de behoeften van de maritieme industrie op het gebied van uitrustingen en diensten. Gedurende de afgelopen tien jaar hebben de Europese haveninstallaties zich niet in hetzelfde tempo aangepast als in de meeste wereldhavens — in het bijzonder in Azië — het geval was. Met het oog op duurzame ontwikkeling moet de Europese haveninfrastructuur dan ook dringend een inhaalslag maken om te kunnen beantwoorden aan de toekomstige uitdagingen van de wereldhandel.

23.

Het CvdR ondersteunt de wens de interne markt te voltooien, om het zeevervoer aantrekkelijker en concurrerender te maken. Het betreurt dat concrete maatregelen in hoofdzaak op dit punt gericht zijn; er zou volledig rekening gehouden moeten worden met sociale en milieuaspecten.

24.

Het zeevervoerbeleid moet worden ontwikkeld als onderdeel van de gehele logistieke keten waartoe het behoort. Dit betekent dat de havenlocaties worden gezien als onmisbare verbindingen tussen de verschillende takken van goederenvervoer van het ene naar het andere punt in Europa en daarbuiten. De havens mogen dus niet simpelweg worden beschouwd als vertrekpunt of eindbestemming; zij zijn een bepalende factor in het transport „van deur tot deur”.

25.

Het CvdR benadrukt met klem de noodzaak om van de havens echte referentiepunten te maken in het virtuele beheer van de vervoersketen, waarmee kan worden vooruitgelopen op het beheer van goederenstromen. Dit betekent dat informatiesystemen ter optimalisering van de logistieke en vervoersdiensten (door het in „real time” bijhouden van het goederenverkeer), niet mogen worden onderbroken tijdens de overslag in de havens. Het is dan ook van belang dat interoperabiliteit van havenexploitatiesystemen onderling en tussen havenexploitatiesystemen en platforms in het binnenland tot stand wordt gebracht of verder wordt verbeterd.

26.

Het CvdR prijst het voornemen van de Commissie om de hoeveelheid administratieve en douanebeperkingen die op het zeevervoer wegen, in overeenstemming te brengen met die andere vervoerstakken. Het is bijvoorbeeld een illusie om een verschuiving van het wegtransport naar het zeevervoer teweeg te willen brengen aan de hand van het concept van snelwegen op zee zolang de formaliteiten voor de inscheping en ontscheping van vrachtwagens potentiële gebruikers op kosten jagen. De voorschriften moeten daarom beperkt blijven tot datgene wat noodzakelijk is gezien de specifieke omstandigheden van het zeevervoer (de vage grenzen in havens door het open karakter van zeeën, bijzondere risico's voor het maritieme milieu bij ongevallen, e.d.).

Maritieme strategie 2018  (8)

27.

Het CvdR prijst de aanbevelingen die de Commissie heeft gedaan over de voornaamste onderdelen van de tekst:

ondersteuning van eerlijke internationale maritieme handelsvoorwaarden door de eerbiediging van algemeen geldende regels,

opwaardering van maritieme beroepen (opleiding, kwalificaties, professionalisering…) en eerbiediging van de bepalingen van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de billijke behandeling van zeevarenden, hun levensomstandigheden en loon,

ontwikkeling in de richting van een afval- en emmissievrij zeevervoer, en het zeevervoer volledig onderbrengen in het kader van duurzame ontwikkeling,

duurzame zekerstelling van de veiligheid en beveiliging van het zeevervoer door handhaving van de opgestelde voorschriften en de ontwikkeling van preventieve maatregelen.

28.

Het CvdR zet echter vraagtekens bij het vermogen van de Europese Unie om deze aanbevelingen door te voeren, gezien het brede terrein dat ze bestrijken. Het legt de Commissie in dat verband voor een rangorde aan te brengen in de problemen, en prioriteiten te stellen inzake de te nemen maatregelen. Daartoe zou samen met de lidstaten en alle andere betrokkenen zo snel mogelijk, en in ieder geval vóór eind 2009, een gedetailleerde routekaart moeten worden opgesteld.

29.

Het CvdR betreurt dat de concrete voorstellen slechts betrekking hebben op de liberalisering van handelstransacties, om het concurrentievermogen en de productiviteit te verbeteren. Het behoud van het milieu en het waarborgen van betere sociale normen voor zeevarenden blijven beperkt tot het verwoorden van algemene principes, zonder dat er in een tijdpad of concrete actie is voorzien.

30.

Het CvdR benadrukt dat het zeevervoer een duurzame vervoerswijze is die een cruciale bijdrage levert aan de bestrijding van de klimaatverandering en luchtverontreiniging en meer in algemene zin aan een milieuvriendelijker vervoer. Het beschouwt de ontwikkeling van een vervoersstelsel waarin meer rekening wordt gehouden met het milieu als een politieke prioriteit. Het is namelijk van mening dat met een omschakeling naar het zeevervoer zowel kan worden beantwoord aan de toenemende vraag naar vervoer (passagiers en goederen) als aan de eisen die verband houden met de strijd tegen de klimaatverandering. Het CvdR betreurt het vooral dat het internationale zeevervoer nog steeds is uitgesloten van de mechanismen van het Kyoto-protocol en van het tijdpad dat is uitgezet voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Het moedigt derhalve de Internationale Maritieme Organisatie aan om, in het licht van de VN-klimaatconferentie te Kopenhagen (december 2009), bindende regelgeving op te stellen betreffende de uitstoot van broeikasgassen, die geldt voor alle schepen, onder welk vlag zij ook varen, en uiterlijk in 2011 wordt goedgekeurd. De Europese Commissie zou haar steun moeten geven aan uniforme en transparante milieucertificaten voor schepen en havens, zoals de Environmental Ship Index (ESI), die is ontwikkeld in het kader van het World Ports Climate Initiative. Om te voorkomen dat de Europese zeevaartsector een concurrentienadeel wordt bezorgd zou de Europese Unie wel voorrang moeten geven aan bindende regelingen op internationaal niveau. Bovendien moet worden nagegaan wat de gevolgen zouden zijn van differentiatie van havengelden op basis van de belasting voor het milieu.

31.

Het CvdR benadrukt dat het milieuvriendelijker maken van het zeevervoer ook verder moet gaan dan het nemen van maatregelen die gericht zijn op beperking van de ecologische voetafdruk van vaartuigen: de invloed van logistieke en haveninstallaties op het milieu moet ook gemeten en verminderd worden. Het is weliswaar onontbeerlijk om de procedures voor haveninrichtingen te versnellen teneinde het concurrentievermogen van de Europese havens te waarborgen, maar dit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van milieubeoordelingen. Dat neemt niet weg dat er specifieke regels moeten komen die maar voor één interpretatie vatbaar zijn en daardoor de concurrentie niet kunnen schaden. Een goede stedelijke integratie van maritieme, logistieke en havenactiviteiten moet worden gezien als een volwaardige doelstelling van het Europese maritieme beleid.

32.

Het CvdR vindt dat het zeevervoer tot voorbeeld van milieuvriendelijker vervoer moet worden gemaakt en verzoekt de Europese Unie krachtige steun te verlenen aan onderzoek en innovatie om schepen en havens milieuvriendelijker te maken; zo zou aandacht geschonken moeten worden aan het voorkomen van door schepen veroorzaakte verontreiniging van wateren.

33.

Het CvdR wijst erop dat het uitvoeren van de aanbevelingen aanzienlijke middelen vergt en verzoekt de Commissie de kosten van de voorgestelde bepalingen te evalueren, financieringsmogelijkheden nader te omschrijven en een verdeling onder de betrokken partijen voor te stellen. Het zeevervoer verdient als vervoerstak die ecologisch duurzamer is dan met name het wegvervoer, ruimere communautaire financiering. Het Comité dringt er dan ook bij de Europese Unie op aan alle nodige initiatieven te nemen om de vereiste communautaire financiering te verzekeren.

34.

Het CvdR dringt erop aan dat het met de volgende herziening van het Trans-Europees vervoersnetwerk mogelijk wordt binnen de Europese begroting (structuurfondsen, lijn TEN V en Marco Polo) een hogere prioriteit toe te kennen aan investeringen in havens en investeringen in de aansluiting van havens op het achterland. De onderhandelingen tussen de lidstaten en de Commissie hebben een situatie opgeleverd die in het nadeel is van havens en maritieme aspecten. De Europese havenkaart moet in de toekomst een beter evenwicht vertonen tussen de verschillende havencategorieën (erkenning van het belang van kleine en middelgrote havens om de toegankelijkheid ervan te verbeteren) en tussen de verschillende regio's (centrum/periferie); alle communautaire financiële instrumenten dienen daaraan bij te dragen.

35.

Het CvdR is van mening dat de doelstelling om eerlijke mededingingsregels tussen de verschillende vervoerstakken te handhaven, een doorberekening van externe kosten (in het bijzonder milieukosten) inhoudt en dat als deze doorberekening uitblijft, de regels van de markt onvoldoende zijn om het maritieme verkeer te reguleren.

36.

Het CvdR herinnert tevens aan de kwestie van een gedifferentieerde ondersteuning van de eilandgebieden in de EU, die sterk afhankelijk zijn van deze vervoerstak voor hun concurrentievermogen en hun integratie in de internationale en Europese handel. Het herhaalt de wens dat de „de eilandregio's van de Unie een betere toegang krijgen tot de interne markt door hun integratie in het systeem van maritieme snelwegen”. (9)

37.

Het CvdR ondersteunt het voorstel een taskforce in te stellen, teneinde te komen tot een inventarisatie van middelen voor de totstandbrenging van een goed evenwicht tussen de arbeidsvoorwaarden van zeevarenden en het concurrentievermogen van de Europese vloot. Het stelt voor de taakomschrijving uit te breiden met „sociale eisen” die van de menselijke factor een volwaardige ontwikkelingsfactor maken. Het beschouwt de opleiding, het professionalisme en de arbeids- en levensomstandigheden van bemanningen als de sleutel tot succes in alle maatregelen die tot doel hebben het concurrentievermogen van maritieme diensten, de maritieme veiligheid en beveiliging, alsmede milieuvriendelijkheid te waarborgen. Het CvdR verzoekt de Europese Unie daarom een specifiek kadermechanisme te ontwikkelen voor het toezicht op arbeidsbemiddelingsbureaus in de scheepvaart, waarbij wordt uitgegaan van de bepalingen van de IMO-verdragen, naar voorbeeld van de mechanismen voor de opleidingscentra op basis van het STCW-verdrag.

38.

Het CvdR onderstreept net als de Commissie dat opleiding in alle schakels van de maritieme keten van het grootste belang is en steunt de desbetreffende voorstellen. Het is vooral ingenomen met het voorstel om op maritiem gebied een soort Erasmus-systeem in te voeren en zou graag zien dat de Commissie dit voorstel verder uitwerkt en de betreffende voorwaarden alsook het toepassingsgebied ervan verduidelijkt. Daarbij gaat het met name om de vraag hoe ervoor kan worden gezorgd dat niet alleen officiers in opleiding, maar alle jongeren die een maritieme opleiding volgen, van dit systeem gebruik kunnen maken.

39.

Het CvdR vindt dat de voorstellen betreffende zeevarenden en maritieme bevoegdheden en knowhow de gehele maritieme keten dienen te behelzen, inclusief de schakels aan land, d.w.z. banen in havens, in verband met logistieke activiteiten en in het voor- en natransport. Het is dan ook wenselijk in EU-verband een algemeen kader vast te stellen met een gids van goede praktijken die iedereen als voorbeeld neemt, maar ook met een aantal beperkingen, waardoor bijvoorbeeld wordt afgestapt van het beginsel van zelfafhandeling bij de overslag. Een dergelijk kader is alleen haalbaar als het in elke haven flexibel toegepast kan worden. Uit het feit dat de richtlijn inzake liberalisering van havendiensten twee keer is verworpen, blijkt wel dat ieder regelgevingsinitiatief — dat per definitie te star is — gedoemd is te mislukken.

40.

Het CvdR spoort de Commissie aan details te verschaffen over de manieren waarop concurrentievervalsing tussen havens kan worden vermeden, als het gaat om de bekostiging van veiligheidsmaatregelen.

41.

Het CvdR verzoekt de Commissie nader aan te geven hoe concurrentievervalsing tussen havens als gevolg van de verplichtingen die door de Europese richtlijnen worden opgelegd, met name op het gebied van veiligheid, voorkomen kan worden.

42.

Het CvdR sluit zich aan bij de voorstellen inzake maritieme veiligheid en is zich bewust van de belangrijke vooruitgang die is geboekt in de harmonisering van deze kwesties. Het feit dat het Europees Parlement onlangs het derde maritieme pakket (Erika III) heeft goedgekeurd, toont aan dat harmonisatie van regels voor het zeevervoer wel degelijk mogelijk is. Het CvdR maakt zich zorgen over de nieuwe risico's bij het maritiem vervoer, met name de risico's die containerschepen en chemicaliëntankers bij ongevallen opleveren, zeker nu de schepen steeds groter worden. Het verzoekt de Commissie dan ook nader aan te geven welke maatregelen zijn voorzien of reeds zijn goedgekeurd om hier het hoofd aan te bieden.

43.

Er moet een aparte aanpak worden gehanteerd voor de belangrijkste zeestraten in de mondiale scheepvaart, die gericht is op een betere coördinatie van het beheer van deze gebieden, die blootstaan aan grote risico's waaraan de lokale actoren rechtstreeks het hoofd moeten bieden. De economische en ecologische gevolgen van een ongeval in een belangrijke zeestraat als het Nauw van Calais zijn enorm, niet alleen voor de betrokken maritieme regio's maar voor heel Europa.

44.

De uiteenlopende manieren waarop de lidstaten douanecontroles en veterinaire controles uitvoeren, kunnen leiden tot concurrentievervalsing. Het CvdR verlangt daarom een aanscherping van de controle door de Commissie op de omzetting van richtlijnen, teneinde een eerlijke interpretatie te waarborgen.

45.

Het CvdR wijst met nadruk op het belang van het externe aspect van het maritieme beleid, in het bijzonder wat de transportsector betreft. Met een harmonisatie van werkwijzen in de Europese vlaggenstaten kan de positie van de Europese Unie in de Internationale Maritieme Organisatie worden versterkt en er een extra stap worden gezet naar een mondiale harmonisatie van regels betreffende het zeevervoer. Het CvdR verlangt uit dien hoofde dat de EU haar stem beter laat horen in internationale instellingen (IMO, WTO en IAO), opdat het Europese zeevervoer zich in een transparanter en eerlijker mededingingsklimaat kan ontwikkelen. Het steunt de inspanningen van de Commissie om de standpunten van de lidstaten binnen de IMO te coördineren en pleit ervoor dat de Europese Unie binnen de IMO de status van waarnemer krijgt.

46.

Het CvdR zet vraagtekens bij de tijd die voor deze Maritieme Strategie is uitgetrokken, nl. 2009-2018. Het pleit voor een aanpassing (verruiming) aan het tijdpad van de nieuwe Lissabonstrategie 2010+.

Maritieme ruimte zonder grenzen

47.

Het CvdR stemt in met de doelstelling om de administratieve procedures die de ontwikkeling van de korte vaart belemmeren, af te schaffen of te verlichten en tegelijkertijd een hoog niveau van milieubescherming en -veiligheid te waarborgen.

48.

Het verwelkomt het voornemen van de Commissie een ruimte zonder grenzen voor het zeevervoer in te stellen, die het mogelijk zal maken de interne markt op het gebied van zeevervoer te voltooien, maar betreurt dat de Commissie geen melding maakt van een gemeenschappelijke maritieme ruimte die verder gaat dan het opheffen van administratieve belemmeringen voor schepen die tussen de Europese havens varen.

49.

Het CvdR verlangt dat er volledig rekening wordt gehouden met sociale aspecten en dat de Europese Unie zich meer inspant voor eerbiediging van de regels inzake arbeidsrecht en milieubescherming, teneinde eerlijke mededingingsregels op mondiaal niveau te handhaven. Het beschouwt de door de Commissie voorgestelde maatregelen dan ook slechts als een eerste stap op weg naar een echte gemeenschappelijke maritieme ruimte. In dit licht is het CvdR ingenomen met de mogelijke verdere benaderingen die de Commissie in haar mededeling van 21 januari 2009 schetst en verzoekt het de Commissie op korte termijn de volgende stadia in de ontwikkeling van een gemeenschappelijke maritieme ruimte uiteen te zetten.

50.

Het CvdR is verheugd over de voorgestelde richtsnoeren voor vereenvoudiging, harmonisatie, een algemeen loket en elektronisch verkeer. Het vindt dat schepen die zijn ingeschreven onder de vlag van een lidstaat en tussen twee havens van de Europese Unie varen, niet mogen worden onderworpen aan zwaardere administratieve verplichtingen dan die voor andere vervoermiddelen, tenzij dit gebeurt vanwege specifieke veiligheidsaspecten rond het zeevervoer.

51.

Het CvdR benadrukt dat er al inspanningen worden geleverd om de meldingsformaliteiten en de dematerialisering te vereenvoudigen. Het is verheugd over het voornemen de vereenvoudiging en harmonisatie van administratieve procedures tussen lidstaten voort te zetten, vooral op het gebied van douane en de gezondheid van dieren en planten.

52.

Het CvdR betreurt de ongelukkige formulering van de Commissie, dat „loodsdiensten een ernstig probleem (kunnen) vormen”. Het wijst op het belang van loodsdiensten voor de maritieme veiligheid in havens en op de toegangsvaarwegen. Het CvdR verzoekt de EU en de lidstaten dan ook om bij het vaststellen van het kader voor het verlenen van ontheffingen van de loodsplicht de grootst mogelijke striktheid aan de dag te leggen.

53.

Het CvdR verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te nemen ter vermijding van onevenwichtigheden die het gevolg zijn van interpretatieverschillen in de toepassing van procedures die al zijn geharmoniseerd.

54.

Het CvdR verwelkomt het streven naar een algemeen loket, maar wijst erop dat er omvangrijke investeringen zijn vereist om alle deelnemers aan de keten van de nodige middelen te voorzien. Het vindt dat het Europese netwerk SafeSeaNet van prioritair belang is om de uitwisseling van documenten onder de deelnemers aan het zeevervoer te rationaliseren en te versnellen. Ondersteuning van de middelen van de havengemeenschappen is onontbeerlijk om een efficiënte uitwisseling van documenten en het succes van dit Europese netwerk te waarborgen. Zo ook wijst het CvdR de Commissie op de gevolgen voor kleine en middelgrote havens van bepaalde maatregelen die zij heeft voorgesteld en pleit het voor de nodige stappen om te voorkomen dat deze maatregelen de concurrentie scheeftrekken, waardoor het evenwicht binnen het Europese havennetwerk aangetast zou kunnen worden.

Staatssteun ter aanvulling van de communautaire financiering voor de totstandbrenging van snelwegen op zee  (10)

55.

Het CvdR verwelkomt het initiatief van de Commissie om duidelijkheid te scheppen over het op elkaar aansluiten van de verschillende staatssteunregelingen ter aanvulling van de communautaire financiering voor de totstandbrenging van snelwegen op zee. Het benadrukt dat financiële ondersteuning door de overheid onontbeerlijk en bepalend is voor de ontwikkeling van de korte vaart. Het herinnert eraan dat staatssteun voor snelvervoer op zee geheel gerechtvaardigd is, gezien de beoogde ontlasting van het wegennet en de vermindering van het effect van vrachtvervoer op het milieu. Om die reden moet de optie om steunmiddelen vrij te maken op nationaal, regionaal en lokaal niveau worden toegejuicht, al wordt zo geen bevredigend antwoord gegeven op de ontoereikende Europese financiering van snelwegen op zee.

56.

Het CvdR betreurt dat de Commissie bij de bestudering van de projecten vooral heeft gekeken naar de levensvatbaarheid op korte termijn, terwijl dit uiterst moeilijk is vanwege de omvang van de benodigde aanvangsinvesteringen en de onzekerheid betreffende de bezettingsgraad van de vaartuigen, zoals blijkt uit de tussen 2005 en 2008 opgedane ervaringen met de dienst tussen de havens van Toulon en Civitavecchia (Rome).

57.

Het CvdR zet vraagtekens bij het ontbreken van een algemene bezinning op de aard van de activiteiten en investeringen die in aanmerking komen voor Europese subsidies, gezien het feit dat de bepalingen die de afgelopen jaren zijn ingevoerd, niet het verwachte resultaat hebben opgeleverd. Afgezien van hun complexiteit lijkt het erop dat sommige onderdelen van de voorgestelde financieringsmechanismen niet zijn aangepast aan — of van zeer gering nut zijn voor — de behoeften die met de totstandbrenging van een snelwegdienst op zee worden gegenereerd.

58.

Het CvdR stelt voor dat schepen die door een ondernemer in het zeevervoer gebouwd of gekocht zijn en voor het snelwegvervoer op zee zijn bestemd, bij wijze van uitzondering gelijkgesteld kunnen worden aan infrastructuurvoorzieningen, ondanks het feit dat ze zich kunnen verplaatsen. Deze schepen kunnen dan net als sommige investeringen in wegen en spoorwegen gesubsidieerd worden. De financiële steun voor de exploitatie van die schepen mag echter niet meer bedragen dan een financiële compensatie voor openbaredienstverplichtingen, conform de jurisprudentie van het HvJ, met name het arrest in de zaak Ferring (C-53/00) en in de zaak Altmark (C-280/00). Bij de snelwegen op zee staat zoveel op het spel voor het milieu dat uitzonderlijke bepalingen overwogen moeten worden. De gevolgen van de overschakeling van vervoer over land naar vervoer over zee zullen pas zichtbaar zijn wanneer deze overschakeling daadwerkelijk plaatsvindt. Het is dan ook niet zo'n gek idee om vooruitlopend op deze overschakeling over te gaan tot een verschuiving van de financiering.

59.

Het CvdR verlangt dat private deelnemers (reders, logistieke ondernemers, vervoerders) — die een bepalende rol spelen in de uitvoering van het concept van snelwegen op zee — volledig betrokken en gehoord worden in een diepgaand onderzoek naar de redenen voor hun aarzeling om snelwegdiensten op zee te beginnen.

60.

Het CvdR pleit in dit verband voor een grotere erkenning en een grotere rol van de organen die door de lidstaten zijn opgericht om het shortseavervoer te bevorderen (nationale expertisecentra). Dit betekent dat zij de beschikking moeten krijgen over meer personeel en meer geld, bijvoorbeeld in het kader van partnerschapsovereenkomsten met regionale maritieme autoriteiten en private partijen binnen de vervoersketen, zoals reders, logistieke ondernemers en bevrachters.

61.

Het CvdR vindt dat de regeling voor staatssteun ter aanvulling van de communautaire financiering voor de totstandbrenging van snelwegen op zee, omwille van de begrijpelijkheid, had kunnen worden opgenomen in de tekst over communautaire richtsnoeren inzake staatssteun aan het zeevervoer.

62.

Het CvdR verzoekt de Commissie in bredere zin te onderzoeken of de regels voor staatsteun en voor communautaire financiering voor snelwegen op zee in het algemeen op elkaar kunnen worden afgestemd.

63.

Het CvdR vindt in navolging van de Commissie dat „het vaststellen van een vooraf bepaalde hoeveelheid openbare financiering waarop kan worden gerekend essentieel is voor potentiële inschrijvers”. Het wijst er in dit verband op dat de terugbetalingsclausules ook een belemmering kunnen zijn voor deelnemers aan het economische verkeer, die het gevaar lopen financiële hulp te moeten terugbetalen voor projecten waarvan de doelstellingen niet zijn bereikt. Het CvdR onderschrijft dat de staatssteun aan snelwegen op zee afhankelijk moet worden gemaakt van de realisering van precieze doelstellingen, maar stelt de Commissie voor om te onderzoeken of er bij de uitvoering van projecten voor snelwegen op zee kan worden voorzien in gefaseerde doelstellingen, als voorwaarde voor verdere overheidssteun.

64.

Het CvdR verzoekt de Commissie om, los van de officiële publicaties, op ruime schaal informatie te verspreiden, teneinde de deelnemers te overtuigen van de deugdelijkheid van haar beleid en te laten weten dat zij, zonder concurrentievervalsing teweeg te willen brengen, vastbesloten is de grote uitdaging aan te gaan om over te schakelen van wegvervoer op zeevervoer, aan de hand van aangepaste maatregelen en in volledige overeenstemming met de aangegeven doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling.

Meldingsformaliteiten van schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten

65.

Het CvdR erkent dat een vereenvoudiging van de administratieve procedures door algemene invoering van elektronische gegevensoverdracht en rationalisering van meldingsformaliteiten bijdraagt aan een aantrekkelijker zeevervoer.

66.

Het CvdR wijst erop dat deze maatregelen bovendien een gunstig effect hebben op het milieu en de maritieme veiligheid, aangezien zij de bemanning zullen bevrijden van administratieve taken, waardoor zij zich kunnen concentreren op de wachtdienst. Dankzij de elektronische overdracht van gegevens zullen overheden in „real time” beschikken over de noodzakelijke gegevens om te bepalen welke middelen in geval van een ongeval ingezet moeten worden.

67.

Het CvdR is ingenomen met de keuze voor een harmonisatieproces waarin rekening wordt gehouden met veranderingen, opdat de aanpassing aan en de samenhang met het tijdpad van de Internationale Maritieme Organisatie gewaarborgd wordt. Deze blijft het belangrijkste niveau, wat blijkt uit het voorstel voor een Europees fiche waarmee verzoeken om informatie op veiligheidsgebied kunnen worden geharmoniseerd, in afwachting van een op internationaal niveau geharmoniseerde fiche. Het Comité van de Regio's steunt in dat verband het verzoek aan de delegaties van de lidstaten van de Europese Unie tijdens de zittingen van het FAL-comité „zich in te spannen om de formulieren van het FAL-verdrag overeen te doen stemmen met de bestaande communautaire wetgeving”.

68.

Het CvdR ondersteunt de doelstelling om uiterlijk op 15 februari 2013 over te schakelen op elektronische gegevensoverdracht, maar wijst erop dat er omvangrijke investeringen zijn vereist om ervoor te zorgen dat dit systeem in de gehele maritieme vervoersketen ingevoerd kan worden. Het verzoekt de Commissie nadere inlichtingen te verschaffen over de financiële hulp die kan worden geboden aan kleine havens, aangezien de ontwikkelingskosten voor gegevensoverdrachtssystemen aanzienlijk zijn voor kleine havens.

69.

Het CvdR vindt in navolging van de Commissie dat een vereenvoudiging en harmonisatie van formaliteiten en administratieve documenten belangrijk is voor de stimulering van de korte vaart. Het verwelkomt in dat verband de vrijstelling van FAL-formulieren voor schepen die tussen havens van de Europese Unie varen. Waar mogelijk zou de ISPS-code aangepast moeten worden aan de activiteiten van zeevervoerders.

70.

Het CvdR betreurt dat er geen aandacht wordt geschonken aan de bestrijding van clandestiene immigratie, die de exploitatieprocedures ernstig vertraagt en in bepaalde gebieden aanzienlijke kosten met zich meebrengt.

71.

Het dringt erop aan dat alle lidstaten het internationale verdrag inzake de opsporing en redding op zee (SAR) en het internationale verdrag inzake de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS) integraal goedkeuren. In deze verdragen worden voor de gehele internationale gemeenschap gezamenlijke regels vastgesteld met betrekking tot de verplichting om drenkelingen en zeelui die het slachtoffer dreigen te worden van schipbreuk of die op de Europese wateren in de steek zijn gelaten, te redden en eerste hulp te verlenen. Het CvdR vindt wel dat de goedkeuring van deze regels gepaard moet gaan met oprichting van solidariteitsmechanismen op EU-niveau; de aanpak van illegale migratie over zee mag niet alleen voor rekening komen van die EU-lidstaten die daar vanwege hun ligging het meest mee geconfronteerd worden. Het CvdR benadrukt tevens dat de inspanningen om de opsporings- en reddingsacties voor migranten en vluchtelingen in nood op zee te verbeteren slechts één aspect uitmaken van het antwoord op de bredere problematiek rond illegale migratie over zee.

Brussel, 17 juni 2009.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


(1)  Advies „Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie”.

(2)  Bevolking die op minder dan 50 km afstand van de zee of de oceaan woont.

(3)  Richtsnoeren voor een geïntegreerde benadering van het maritieme beleid: Naar de beste praktijken op het gebied van geïntegreerd maritiem bestuur en overleg met de belanghebbende partijen, COM(2008) 395 final

(4)  CdR 22/2008, par. 14

(5)  COM(2008) 791final

(6)  Met name in haar kaderrichtlijn mariene strategie.

(7)  Exclusieve Economische Zone.

(8)  COM(2009) 8 final

(9)  CdR 119/2006 „Tussentijdse evaluatie van het Witboek Vervoer”, par. 4.4

(10)  2008/C 317/8


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/73


Ontwerpadvies van het Comité van de Regio's over een communautaire controleregeling voor de visserij

(2009/C 211/11)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

is ingenomen met de hervorming van de controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en verzoekt de Raad en de Europese Commissie om rekening te houden met de diversiteit en specifieke kenmerken van de verschillende vloten en visserijgebieden;

is van mening dat een „nalevingscultuur” meer kans van slagen heeft als de controlemaatregelen via dialoog en consensus tot stand komen en niet van bovenaf worden opgelegd. Het verheugt zich over de nieuwe maatregelen in de verordening, die de lidstaten ertoe verplichten de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid na te leven, maar wijst erop dat er goed over moet worden nagedacht of dergelijke maatregelen de evenredigheidstoets wel kunnen doorstaan. Het verzet zich in dit verband tegen de weigering van quotaruil of -overdrachten;

verzoekt om meer duidelijkheid over de reikwijdte van de nieuwe bepalingen betreffende vergunningen en machtigingen voor de recreatievisserij. Dit soort visserij kan, als er geen regels voor worden opgesteld, beschermde visbestanden in gevaar brengen, maar de voorgestelde maatregelen moeten in verhouding staan tot het doel;

in het belang van een duurzame en rendabele kleinschalige visserij, zou er een toelichting moeten worden gegeven bij de nieuwe voorschriften op grond waarvan schepen met een lengte van 10 tot 15 meter verplicht zijn om een satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen te installeren, een elektronisch logboek bij te houden en elektronisch aangifte te doen van landing. Het is het er niet mee eens dat alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter moeten worden uitgerust met een automatisch identificatiesysteem en zou graag zien dat schepen met een lengte van minder dan tien meter waarop alleen passief vistuig wordt gebruikt, worden vrijgesteld van de verplichting om een certificaat van het motorvermogen voor te leggen.

Rapporteur

:

Simon DAY (UK/EVP), lid van de Devon County Council

Referentiedocumenten

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten garanderen — COM(2008) 718 final

Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen — COM(2008) 721 final — 2008/0216 (CNS)

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

1.

Het Comité van de Regio's is ingenomen met de hervorming van de controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Die regeling is momenteel namelijk inefficiënt, duur en complex en levert niet de gewenste resultaten op.

2.

Het Comité stemt in met de doelstellingen: vereenvoudiging, harmonisering, kostenefficiëntere controles en ontwikkeling van een nalevingscultuur.

3.

Het Comité acht een algehele hervorming noodzakelijk en vindt optie 3 (een nieuwe regeling) het meest realistisch.

A.   De lokale en regionale dimensie

4.

Het Comité van de Regio's verzoekt de Raad en de Europese Commissie om rekening te houden met de diversiteit en specifieke kenmerken van de verschillende vloten en visserijgebieden, zoals omschreven in overweging 18 van het voorstel.

5.

Speciale aandacht dient uit te gaan naar de behoeften van perifere maritieme regio's die zwaar leunen op de visserij. Flexibiliteit en de mogelijkheid om specifieke actie te ondernemen die is toegesneden op bijzondere omstandigheden en op de betreffende regio dienen voorop te staan (1).

6.

De decentralisering van het GVB, die tot uiting komt in de oprichting van de regionale adviesraden (RAR's) en de reorganisatie van DG MARE van de Europese Commissie, benadrukt dat het steeds noodzakelijker wordt om het nieuwe beleidskader voor visserijcontrole op regionale leest te schoeien. Dit vergt een grotere capaciteit van de Europese Commissie om in te spelen op de diversiteit die inherent is aan het regionale model.

7.

De nieuwe controleregeling voor de visserij zal veranderingen met zich meebrengen voor de lokale en regionale instanties die verantwoordelijk zijn voor het visserijtoezicht. De nieuwe regeling kan alleen met succes in praktijk worden gebracht als de lidstaten de gewijzigde bevoegdheden correct toewijzen aan alle betrokken bestuursniveaus. Voorwaarde is wel dat er genoeg financiële en personele middelen ter beschikking worden gesteld voor goede organisatiestructuren, die met voldoende middelen zijn toegerust voor het uitoefenen van controle en voor het bevorderen van een natuurlijke nalevingscultuur alsook met instrumenten voor een gecoördineerd gebruik van die middelen.

B.   Een nieuwe, gemeenschappelijke aanpak van controles en inspecties

Algemene bepalingen

8.

Het Comité deelt de mening dat de respectieve bevoegdheden van de lidstaten en regio's, de Commissie en het Communautair Bureau voor visserijcontrole (CBVC) duidelijker moeten worden omschreven om taakoverlapping te voorkomen. De Commissie zal de noodzakelijke controlemaatregelen blijven nemen om ervoor te zorgen dat de visserijregels in alle regio's uniform worden nageleefd.

9.

Het Comité is blij met de nieuwe bepalingen inzake strategische programmering, tactische doelgroepbepaling en bemonsteringsstrategie bij visserijcontrole, met inbegrip van een systematische risicoanalyse. Om ongecoördineerd gebruik van dit nieuwe instrument te voorkomen pleit het Comité voor ondersteuning van de controleautoriteiten door de ontwikkeling van uniforme risicobeoordelingsmethoden op alle niveaus, zoals bijvoorbeeld voorzien door het CBVC in artikel 112.

10.

Het Comité is vooral ingenomen met de nieuwe verplichting voor de lidstaten (art. 5, lid 5) om in elke lidstaat één enkele autoriteit de controleactiviteiten van alle nationale controleautoriteiten te laten coördineren.

Vermindering van de administratieve lasten en kosten

11.

Het Comité hoopt op een substantiële vermindering van de operationele kosten met 30 %, zodat de kostenefficiëntie van de nationale en regionale controleregelingen toeneemt; voorwaarde hierbij is wél dat optimaal gebruik wordt gemaakt van moderne technologie en gestroomlijnde controlesystemen. Mocht een dergelijke vermindering er niet komen, dan moet elke kostenstijging voor de lidstaten of de regio's worden opgevangen door de EU-begroting, vooral omdat aan bepaalde lidstaten en regio's een buitensporig zware verantwoordelijkheid wordt toebedeeld bij de controle van de hun in het kader van het GVB opgelegde quota.

12.

De Raad moet de nadruk leggen op het bereiken van kostenefficiëntie door aan de kust publieke structuren op te zetten die de governance van de visserij beter doen aansluiten bij die van andere mariene activiteiten, alsook door kustlidstaten en aangrenzende gebieden gemeenschappelijke visserijcontrole-instanties te helpen oprichten.

13.

Het Comité heeft onlangs nog aanbevolen de visserij-inspecties te belasten met zaken als milieubewaking, grenscontrole, reddingsdiensten en burgerbescherming (2), en juicht de aangekondigde oprichting van een geïntegreerd maritiem bewakingsnetwerk toe (art. 4, art.  12 (art. 17g over de bevoegdheden van het CBVC).

Intensiever gebruik van moderne technologie

14.

Het Comité is voorzichtig positief over de nadruk die in het voorstel wordt gelegd op een intensiever gebruik van moderne technologie en efficiënte gegevensvalideringssystemen, waaronder satellietvolgsystemen voor vissersvaartuigen en andere geschikte en kostenefficiënte systemen (art. 9-11), en die deels een eerdere aanbeveling van het CvdR weerspiegelt (3). Hoewel elektronisch toezicht een essentieel onderdeel is van kostenefficiënte visserij, mogen handhavings- en beheersystemen elkaar niet overlappen. De installaties moeten in verhouding staan tot de omvang van het schip en de duur en locatie van de reis. Het Comité wil er met name op wijzen dat het geautomatiseerde identificatiesysteem (AIS) voor de veiligheid van de scheepvaart is bedoeld en niet geschikt is voor visserijcontrole.

15.

De techniek is constant in beweging en het is dan ook van groot belang dat de regeling toekomstbestendig wordt gemaakt en over efficiënte mechanismen beschikt die aanpassing aan technische ontwikkelingen mogelijk maken. Lokale en regionale overheden en producentenorganisaties moeten worden betrokken bij proefprojecten met traceerinstrumenten, zoals genetische analyse (art. 13, lid 1).

Toezicht op visserij en op de afzet

16.

Controles op zee moeten worden gehandhaafd; dit is momenteel de enige methode om adequaat te controleren of vistuig, technische instandhoudingsmaatregelen, maaswijdte enz. voldoen aan de milieuvoorschriften waaraan zij veelal zijn onderworpen.

17.

Het Comité is voorstander van een tweesporenaanpak, die naar een evenwichtige controle op zee en aan de wal streeft. Deze aanpak moet a) meer relevante en doeltreffender controles op zee en b) verbeterde controles en inspecties aan de wal in met name de belangrijkste havens omvatten, alsook een betere controle van geïmporteerde vis. De beschikbaarheid van meer betrouwbare vangstgegevens is van cruciaal belang voor de evaluatie van de visstand.

18.

Aangezien vlootbeheer een cruciaal onderdeel van het GVB blijft, verdienen de nieuwe instrumenten voor het toezicht op het motorvermogen, de certificering van het motorvermogen en de kruiscontrole met betrekking tot het motorvermogen (art. 30-32), alle steun; wel dient een uitzondering te worden gemaakt voor schepen van minder dan tien meter lengte waarop alleen passief vistuig wordt gebruikt.

19.

Het zou een goede zaak zijn, én in het belang van een duurzame en rendabele kleinschalige visserij, indien een toelichting zou worden gegeven bij de nieuwe voorschriften op grond waarvan schepen met een lengte van 10 tot 15 meter verplicht zijn om een satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen te installeren (art. 9), een elektronisch logboek bij te houden (art. 14) en elektronisch aangifte te doen van landing (art. 21), voorschriften waarop de lidstaten echter uitzonderingen kunnen toestaan. Om deze kleinere schepen te helpen aan de nieuwe voorschriften te voldoen, is het absoluut noodzakelijk dat er meer uitzonderingen worden toegestaan of dat hiervoor meer Europese en nationale middelen worden uitgetrokken.

20.

Op lokaal/regionaal niveau moeten initiatieven worden genomen om de vrijwillige, gesubsidieerde, installatie van bovenvermelde of soortgelijke controlesystemen in boten met een lengte van minder dan 10 meter te stimuleren, bijv. met het oog op het beheer van beschermde mariene gebieden en instandhoudingszones.

21.

Om te garanderen dat schepen met een lengte van minder dan 10 meter voldoende worden gecontroleerd, moeten de lidstaten en regio's aan de hand van een steekproefplan toezicht houden op die vaartuigen. De uitleg bij de steekproefplannen moet „voor zover mogelijk, binnen de regio's gestandaardiseerd” zijn (art. 16, lid 2, en art. 22, lid 2).

22.

Het Comité is zeer te spreken over de nieuwe gemeenschappelijke normen voor het toezicht op de afzet, waardoor de vangsten volledig te traceren zijn. Zo wordt illegale visvangst teruggedrongen en krijgt de consument in elk stadium van de afzet relevante productinformatie (art. 51).

Specifiek toezicht op meerjarenplannen en technische maatregelen

23.

De lokale en regionale controleautoriteiten en belanghebbenden moeten worden betrokken bij de definitie van „aangewezen havens” (art. 34) en bij het opzetten van nationale en regionale controleactieprogramma's voor elk meerjarenplan (art. 36).

24.

Het Comité pleit opnieuw voor verbeterde controle van technische maatregelen om teruggooi te verminderen en zelfs uit te bannen, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de specifieke lokale omstandigheden en dat er stimuleringsmaatregelen moeten worden genomen (4). Het is echter niet duidelijk waarom zou worden gewacht met het overboord zetten van vis die moet worden teruggegooid en er moeten alleen schattingen omtrent de over boord gezette hoeveelheden worden genoteerd.

25.

De nieuwe, voor beschermde mariene gebieden voorgestelde geavanceerde satellietvolgsystemen voor vissersvaartuigen (art. 39) zijn toe te juichen en geven de overheidsinstanties betere instrumenten in handen om hun beheerstaken voor deze gebieden te vervullen. Beschermde mariene gebieden moeten echter ook goed worden afgebakend en hun bestemming moet duidelijk bekend worden gemaakt zodat alleen vaartuigen die niet in deze gebieden mogen vissen, gecontroleerd worden.

Toezicht op de recreatievisserij

26.

Het Comité verzoekt de Raad om meer duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van het nieuwe artikel 47 betreffende recreatievisserij. Dit soort visserij kan, als er geen regels voor worden opgesteld, beschermde visbestanden in gevaar brengen, bijv. door professioneel vistoerisme of wanneer het commerciële visseizoen is gesloten.

C.   Een nalevingscultuur

27.

In de vijfde overweging van de verordening moet met meer klem worden gewezen op de ontwikkeling van een natuurlijke nalevingscultuur onder alle belanghebbenden waarop de visserijregels betrekking hebben. Dit moet worden beschouwd als de hoeksteen van een doeltreffende hervorming van het controlesysteem.

28.

Het Comité is van mening dat een „nalevingscultuur” meer kans van slagen heeft als de controlemaatregelen via dialoog en consensus tot stand komen en niet van bovenaf worden opgelegd. Er is behoefte aan een coherent partnerschap tussen vissers, controleautoriteiten, onderzoeksinstellingen, ngo's en de visserij-industrie, waaraan ook de RAR's en lokale groepen die onder As 4 van het EVF zijn opgericht, deelnemen. Het Comité heeft al eerder beklemtoond dat vissers verantwoordelijkheid moeten krijgen voor controle op de visserij en de visserijrechten (5).

29.

Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om haar uiterste best te doen om ervoor te zorgen dat de nalevingscultuur door alle internationale partners en in andere wateren waar EU-vaartuigen actief zijn, wordt omarmd.

30.

Het Comité beschouwt vereenvoudiging van de controleregeling voor de visserij als een primaire doelstelling (6) en waardeert de belangrijke stap die de Commissie op dit vlak heeft gezet. Dit vermindert de administratieve rompslomp voor overheidsinstanties en particulieren en maakt de regels gemakkelijker te controleren. Hierdoor vergroot ook het vertrouwen van belanghebbenden en wordt een nalevingscultuur bevorderd.

Invoering van geharmoniseerde afschrikkende sancties

31.

Het Comité neemt met genoegen kennis van de invoering van afschrikkende en geharmoniseerde sancties voor ernstige inbreuken (art. 82), onder meer door vaststelling van een strafpuntensysteem (art. 84), dat kan resulteren in de schorsing of intrekking van een visvergunning, en juicht ook het opzetten van nationale registers van inbreuken toe (art. 85).

32.

Dit alles weerspiegelt het eerdere pleidooi van het Comité voor harmonisatie van de afschrikkings- en sanctiemaatregelen (7), helpt het arbitraire karakter van het huidige systeem te bestrijden, breekt met het beleid van „misdaad loont” en beperkt de kans dat overtreders uitwijken naar de lidstaten met de laagste straffen.

33.

Lidstaten en regio's moeten hun sancties voor inbreuken binnen grensoverschrijdende visserijgebieden, bijv. grensoverschrijdende beschermde mariene gebieden, harmoniseren.

34.

Behalve boetes kunnen inderdaad ook subsidieaanvragen als sanctiemaatregel worden ingezet; zo kunnen vaartuigen die veelvuldig ernstige overtredingen hebben begaan, worden uitgesloten van overheidssteun of subsidies. De ontwikkeling van een nalevingscultuur zou echter zeer gediend zijn bij positieve prikkels als extra „dagen op zee” of andere beloningen in ruil voor deelname aan regelingen zoals het gebruik van selectiever vistuig, steun voor realtimesluitingen, deelname aan plannen ter vermijding van bepaalde vissoorten, enz.

Samenwerking tussen de lidstaten, de Europese Commissie en het CBVC

35.

Het Comité is verheugd over de aangescherpte voorschriften ter verbetering van de samenwerking tussen de regionale en nationale instanties voor visserijcontrole en met de Commissie en juicht toe dat voor een moderne aanpak van gegevensuitwisseling wordt geopteerd, waarbij een sleutelrol is weggelegd voor het CBVC.

36.

Er is vooruitgang geboekt met de ontwikkeling van plannen voor gezamenlijke inzet op zee. Maar in het geval van inspecties aan de wal lijkt de vooruitgang minder spectaculair. Los daarvan moet worden voorzien in samenwerking met de bevoegde instanties van derde landen en moet ervoor worden gezorgd dat zij over de vereiste middelen en vaardigheden beschikken.

37.

Dankzij de nieuwe, nog op te zetten, beveiligde websites voor het uitwisselen van gegevens (artikelen 106-108) en de systematische kruiscontroles van alle geregistreerde gegevens (artikel 102) zal de Europese Commissie beter kunnen beoordelen hoe goed het GVB feitelijk door de lidstaten wordt gehandhaafd.

38.

Het Comité was in het verleden voorstander van de oprichting van een „Europese visserij-inspectie” (8) en is dan ook erg ingenomen met de uitbreiding van het mandaat van het Communautair Bureau voor visserijcontrole (CBVC) zoals voorgesteld in artikel 112 van de ontwerpverordening. Het Comité dringt er echter op aan dat de voorziene ondersteuning door het CBVC van de nationale, regionale en lokale visserijcontroleautoriteiten ook betrekking heeft op de standaardisering van de controle- en inspectieprocedures op zee en aan de wal, de verificatie van de nationale opleidingsnormen en de organisatie van workshops en seminars, en een „helpdeskfunctie” omvat voor lidstaten, RAR's of brancheorganisaties die meer willen weten over de reikwijdte en betekenis van de verordening.

D.   Effectieve toepassing van de GVB-voorschriften

Nieuwe normen voor toezicht en inspecties

39.

Het is inderdaad noodzakelijk niet alleen de sancties te verhogen maar ook de kans op opsporing door de inspectie- en bewakingsinstanties te vergroten. Het Comité is dan ook verheugd over de nieuwe voorschriften voor standaardisering van toezicht en waarnemingen en voor de ontvankelijkheid van bewakingsverslagen (artikel 61-64).

40.

Het is een goede zaak dat een lidstaat nu ook vissersvaartuigen die zijn vlag voeren of vissersvaartuigen van een andere lidstaat mag inspecteren in kustwateren die buiten de 12-mijlszone vallen en inspecties mag uitvoeren op het grondgebied van een andere lidstaat (artikel 71-73). Het Comité moedigt lokale en regionale controleorganen die in grensgebieden actief zijn aan om synergieën tot stand te brengen door nauw samen te werken bij hun inspecties en de machtigingsprocedures van artikel 72 snel toe te passen.

Meer bevoegdheden voor de Commissie op het vlak van evaluatie, beheer en controle

41.

Het Comité juicht het toe dat de Europese Commissie wat meer gebruik maakt van haar bevoegdheden om een gelijk speelveld voor controles tot stand te brengen, met dien verstande dat de lidstaten primair verantwoordelijk blijven voor het toezicht op het GVB. Het Comité is voorzichtig positief over de extra bevoegdheden die de Commissie krijgt voor het uitoefenen van autonome inspecties (art. 90) en voor audits van de controlesystemen van de lidstaten (artikel 92). Wél moet opheldering worden verschaft over de reikwijdte van de nieuwe bevoegdheden van de Commissie bij het opstellen van een specifiek actieplan voor in gebreke blijvende lidstaten die hun naleving van het GVB willen verbeteren (artikel 94, lid 4).

42.

Het Comité verzoekt de Europese Commissie om weerstand te bieden aan de verleiding om zich met microbeslissingen te gaan bezighouden. Het is dan ook de vraag of de Commissie de bevoegdheid voor realtimesluitingen moet krijgen (artikel 45), hoewel vissoorten die door overbevissing worden bedreigd hiervan zouden kunnen profiteren.

43.

Het verkrijgen van extra bevoegdheden moet gebaseerd zijn op herziene samenwerking met de lidstaten evenals, binnen de Commissie, op capacity building in DG MARE en het CBVC en op een betere coördinatie met DG Milieu.

Handhavingsmaatregelen

44.

Als één lidstaat zich niet goed aan de regels houdt, dan kan dat, met name voor migrerende vissoorten, een goed beheer van de gemeenschappelijke visbestanden in gevaar brengen. De enige procedure waarover de Commissie thans beschikt om een lidstaat tot de orde te roepen, is de inbreukprocedure, die veel tijd in beslag neemt en niet per definitie in sancties resulteert.

45.

Het Comité verheugt zich over de nieuwe maatregelen in de verordening, die de lidstaten ertoe verplichten de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid na te leven, inclusief sluiting van de visserij op initiatief van de Commissie (artikel 96), financiële maatregelen tegen de lidstaten zoals opschorting van visserijactiviteiten en intrekking van de communautaire financiële bijstand (artikel 95). Het Comité is echter bang dat uitbreiding van het toepassingsgebied tot korting op quota (artikel 98) en weigering van quotaoverdrachten (artikel 99) kan betekenen dat de Commissie eenzijdig de relatieve stabiliteit van TAC's en quota kan wijzigen.

46.

Er moet goed over nagedacht worden of dergelijke maatregelen de evenredigheidstoets wel kunnen doorstaan. Het Comité vraagt zich af of de rekening niet beter bij de kustregio's van de EU en de visserijsector kan worden neergelegd in plaats van bij de lidstaten.

47.

Het Comité verzoekt de Commissie om de meer coöperatieve koers, die is ingeslagen met de nieuwe memoranda van overeenstemming die zij met sommige lidstaten heeft ondertekend en die duidelijk omschreven ijkpunten bevatten voor de verbetering van de controleregelingen voor de visserij in die lidstaten, voort te zetten. Lokale en regionale controle-instanties moeten bij het opstellen van dergelijke memoranda worden betrokken.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Voorstel voor een verordening van de Raad, overweging 29

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(29)

De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om een visserijtak te sluiten als het quotum van een lidstaat of de TAC zelf is uitgeput. Voorts moet zij de bevoegdheid krijgen om quota te korten en de overdracht of uitwisseling van quota te weigeren om te garanderen dat de lidstaten de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid halen.

(29)

De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om een visserijtak te sluiten als het quotum van een lidstaat of de TAC zelf is uitgeput. Voorts moet zij de bevoegdheid krijgen om quota te korten en de overdracht of uitwisseling van quota te weigeren om te garanderen dat de lidstaten de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid halen.

Motivering

Het Comité vindt ook dat een lidstaat die toestaat dat een vloot herhaaldelijk zijn quota overschrijdt of niet de noodzakelijke maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd, moet worden gestraft. Maar in zo'n geval mag niet worden gegrepen naar middelen als korting op quota en weigering van de overdracht of uitwisseling van quota, omdat hierdoor niet de in gebreke blijvende lidstaat wordt gestraft maar de vloten die wellicht part noch deel hebben aan de inbreuken en zelfs — in het geval van uitwisseling van quota — andere lidstaten die niets te maken hebben met de inbreuk in kwestie. Bovendien zouden deze maatregelen betekenen dat de Commissie de relatieve stabiliteit onder de lidstaten eenzijdig kan wijzigen.

Wijzigingsvoorstel 2

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 4 — punt (21)

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(21)

gegevens van het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen”: gegevens betreffende identificatie, geografische positie, datum, tijdstip, vaarrichting en snelheid van de vissersvaartuigen die met aan boord van de vissersvaartuigen geïnstalleerde satellietvolgapparatuur worden doorgestuurd naar het visserijcontrolecentrum van de vlaggenstaat;

(21)

gegevens van het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen”: gegevens betreffende identificatie, geografische positie, datum, tijdstip, vaarrichting en snelheid van de vissersvaartuigen die met aan boord van de vissersvaartuigen geïnstalleerde satellietvolgapparatuur of soortgelijke volgsystemen aan land worden doorgestuurd naar het visserijcontrolecentrum van de vlaggenstaat;

Motivering

De voorgestelde definitie sluit uit dat — na de nodige tests — gebruik wordt gemaakt van goedkopere maar daarom niet minder efficiënte satellietvolgsystemen die geschikter zouden kunnen zijn voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 10 maar maximaal 15 meter, op voorwaarde dat zij dicht genoeg bij de volgsystemen aan land blijven. Het Comité wijzigt deze definitie en de desbetreffende bepalingen van artikel 9 (zie wijzigingsvoorstel 7).

Wijzigingsvoorstel 3

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 4 — nieuw punt na punt (24)

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

„ernstige inbreuk”: gedrag dat wordt beschouwd als bijzonder schadelijk voor de correcte toepassing van de regels van het GVB, met name op terreinen als de instandhouding van de bestanden, controle op de visserij en afzet van visserijproducten, in het bijzonder de activiteiten die in artikel 42, lid 1 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad worden genoemd;

Motivering

Het Comité wenst meer duidelijkheid omtrent de inbreuken die als „ernstig” worden beschouwd in de zin van artikel 82. Voorts moet aandacht worden besteed aan verschillende interpretaties door de lidstaten en relevante criteria moeten zoveel mogelijk worden gestroomlijnd.

Wijzigingsvoorstel 4

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 4 — nieuw punt na punt (24)

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

„visafslag”: de natuurlijke of rechtspersoon die geregistreerd staat als visafslag en gemachtigd is om vis voor het eerst te verkopen bij opbod of rechtstreeks aan geregistreerde kopers;

Motivering

Het Comité constateert dat „visafslag” niet gedefinieerd is, ofschoon in artikel 52 wordt bepaald dat de eerste verkoop van bepaalde vangsten uitsluitend in een visafslag mag plaatsvinden. „Afslag” mag in het kader van deze verordening niet worden beperkt tot „bij opbod”.

Wijzigingsvoorstel 5

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 4 — nieuw punt na punt (24)

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

„recreatievisserij” : andere visserijactiviteiten dan commerciële en toegestane visserijactiviteiten, die op grote schaal vanaf een vaartuig of vaartuigen zonder vergunning op open zee plaatsvinden en waarbij wordt gevist op visbestanden waarvoor een meerjarenprogramma geldt;

Motivering

Artikel 47 gaat over „recreatievisserij”. Zelfs al wordt artikel 47 aangepast door de Commissie, dan nog is het volgens het Comité raadzaam om deze definitie van „recreatievisserij” op te nemen omdat zij de context verduidelijkt.

Niet-commerciële recreatievisserij betekent echter normaliter: visserij in mariene wateren, met inbegrip van onder meer sportvisserij, recreatievisserij en viswedstrijden, vanaf een vaartuig waarvoor geen communautaire visvergunning vereist is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1281/2005 van de Commissie van 3 augustus 2005.

Wijzigingsvoorstel 6

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 5, lid 6

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

6.   De bijdragen uit het Europees Visserijfonds in het kader van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad en de financiële bijdragen van de Gemeenschap voor de in artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad bedoelde maatregelen worden slechts betaald als de lidstaten hun verplichting nakomen om ervoor te zorgen dat de instandhoudings-, controle-, inspectie- en handhavingsregels van het gemeenschappelijk visserijbeleid die betrekking hebben op de doeltreffendheid van de gefinancierde maatregelen of daarop een impact hebben, worden nageleefd en om hiertoe een doeltreffende inspectie-, toezichts-, bewakings- en handhavingsregeling toe te passen en in stand te houden.

6.   De bijdragen uit het Europees Visserijfonds in het kader van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad en de financiële bijdragen van de Gemeenschap voor de in artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad bedoelde maatregelen worden slechts betaald als de lidstaten hun verplichting nakomen om ervoor te zorgen dat de instandhoudings-, controle-, inspectie- en handhavingsregels van het gemeenschappelijk visserijbeleid die betrekking hebben op de doeltreffendheid van de gefinancierde maatregelen of daarop een impact hebben, worden nageleefd en om hiertoe een doeltreffende inspectie-, toezichts-, bewakings- en handhavingsregeling toe te passen en in stand te houden.

Motivering

Het Comité is van mening dat betere regelgeving zowel stimuleringsmaatregelen als sancties omvat. Indien de lidstaten er niet in slagen om ervoor te zorgen dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid volledig worden nageleefd, dan moet hierop naar verhouding worden gereageerd en alleen ernstige gevallen moeten op het passende gerechtelijke niveau worden behandeld. Het is onaanvaardbaar dat de uitbetaling van de bijdragen uit het Europees Visserijfonds wordt gekoppeld aan de volledige naleving van controleverplichtingen. Door deze paragraaf ontstaat er rechtsonzekerheid. (Zie artikel 95.)

Wijzigingsvoorstel 7

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 9, lid 1

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De lidstaten passen een satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen toe om doeltreffend toezicht te houden op de visserijactiviteiten van de vissersvaartuigen die hun vlag voeren, ongeacht waar die zich bevinden, en op de visserijactiviteiten in hun wateren. De lidstaten zien erop toe dat de juistheid van die gegevens regelmatig wordt gecontroleerd en grijpen onmiddellijk in als een onjuistheid wordt geconstateerd.

1.   De lidstaten passen een satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen en, waar nodig, een volgsysteem aan land toe om doeltreffend toezicht te houden op de visserijactiviteiten van de vissersvaartuigen die hun vlag voeren, ongeacht waar die zich bevinden, en op de visserijactiviteiten in hun wateren. De lidstaten zien erop toe dat de juistheid van die gegevens regelmatig wordt gecontroleerd en grijpen onmiddellijk in als een onjuistheid wordt geconstateerd.

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel 2.

Wijzigingsvoorstel 8

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 10

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 10

Automatisch identificatiesysteem

1.   Een vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 15 meter wordt uitgerust met een automatisch identificatiesysteem dat beantwoordt aan de prestatienormen van de Internationale Maritieme Organisatie overeenkomstig hoofdstuk V, voorschrift 19, sectie 2.4.5 van het Solas-verdrag van 1974 in zijn meest recente versie, en zorgt ervoor dat het systeem operationeel blijft.

2.   De lidstaten gebruiken de gegevens van het automatisch identificatiesysteem om kruiscontroles met andere beschikbare gegevens te verrichten overeenkomstig de artikelen 102 en 103. Met het oog hierop zorgen de lidstaten ervoor dat de gegevens van het automatisch identificatiesysteem met betrekking tot vissersvaartuigen die hun vlag voeren, beschikbaar zijn voor hun nationale visserijcontroleautoriteiten. De lidstaten zien erop toe dat de juistheid van die gegevens regelmatig wordt gecontroleerd en grijpen onmiddellijk in als een onjuistheid wordt geconstateerd.

Artikel 10

Automatisch identificatiesysteem

1.   Een vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 15 meter wordt uitgerust met een automatisch identificatiesysteem dat beantwoordt aan de prestatienormen van de Internationale Maritieme Organisatie overeenkomstig hoofdstuk V, voorschrift 19, sectie 2.4.5 van het Solas-verdrag van 1974 in zijn meest recente versie, en zorgt ervoor dat het systeem operationeel blijft.

2.   De lidstaten gebruiken de gegevens van het automatisch identificatiesysteem om kruiscontroles met andere beschikbare gegevens te verrichten overeenkomstig de artikelen 102 en 103. Met het oog hierop zorgen de lidstaten ervoor dat de gegevens van het automatisch identificatiesysteem met betrekking tot vissersvaartuigen die hun vlag voeren, beschikbaar zijn voor hun nationale visserijcontroleautoriteiten. De lidstaten zien erop toe dat de juistheid van die gegevens regelmatig wordt gecontroleerd en grijpen onmiddellijk in als een onjuistheid wordt geconstateerd.

Motivering

Volgens het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) moeten alle schepen met een bruto tonnage van ten minste 300 gt die voor internationale reizen worden gebruikt en alle passagiersschepen, ongeacht hun lengte, zijn uitgerust met een automatisch identificatiesysteem.

Op dit moment zijn 40 000 schepen wereldwijd uitgerust met automatische identificatiesystemen met als doel de veiligheid van de scheepvaart en van het internationale zeevervoer te vergroten. Als alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter worden uitgerust met een automatisch identificatiesysteem, dan wordt het systeem onherroepelijk overbelast en zal het niet langer een doeltreffend instrument zijn om de maritieme veiligheid te waarborgen.

Wijzigingsvoorstel 9

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 14, lid 1

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Onverminderd bijzondere voorschriften houden kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 10 meter een logboek van hun activiteiten bij, waarin zij met name alle hoeveelheden van meer dan 15 kg, uitgedrukt in levend gewicht, van elke gevangen en aan boord gehouden soort vermelden, en, met betrekking tot die vangsten, de datum en het betrokken geografische gebied, via een verwijzing naar het deelgebied en de sector of subsector of, indien van toepassing, naar het statistisch vak waarin op grond van de communautaire regelgeving vangstbeperkingen gelden, alsmede het gebruikte vistuig. Voorts wordt in het logboek vermeld hoeveel vis van elke soort in zee is teruggegooid. De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de in het logboek vermelde gegevens.

1.   Onverminderd bijzondere voorschriften houden kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 10 meter een logboek op papier van hun activiteiten bij, waarin zij met name alle hoeveelheden van meer dan 15 50 kg, uitgedrukt in levend gewicht, van elke gevangen en aan boord gehouden soort vermelden, en, met betrekking tot die vangsten, de datum en het betrokken geografische gebied, via een verwijzing naar het deelgebied en de sector of subsector of, indien van toepassing, naar het statistisch vak waarin op grond van de communautaire regelgeving vangstbeperkingen gelden, alsmede het gebruikte vistuig. Voorts wordt in het logboek vermeld hoeveel vis van elke soort in zee is teruggegooid. Voorts kunnen schattingen omtrent de over boord gezette hoeveelheden voor evaluatiedoeleinden in het logboek worden opgetekend. De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de in het logboek vermelde gegevens.

Motivering

Ter juridische verduidelijking, en rekening houdend met de wijziging van artikel 15, acht het Comité het noodzakelijk om de woorden „op papier” toe te voegen.

Het Comité is van mening dat de kwantitatieve beperkingen in dit artikel een nieuwe en uitzonderlijke verplichting op de schouders van kapiteins van vissersvaartuigen leggen, die, voor wat betreft het melden van de teruggooi, bovendien los staat van het gebruik van de vangstmogelijkheden. Het Comité pleit ervoor vast te houden aan de tekst van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad, die als volgt luidt: „De over boord gezette hoeveelheden kunnen voor evaluatiedoeleinden worden opgetekend”.

Wijzigingsvoorstel 10

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 14, lid 3

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

3.   Voor de in het logboek vermelde ramingen van de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden aan boord gehouden vis geldt een tolerantiemarge van 5 %.

3.   Voor de in het logboek vermelde ramingen van de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden aan boord gehouden en aan TAC's en quota onderworpen vissoorten vis geldt een tolerantiemarge van 5 12 %.

Motivering

De hier vermelde tolerantiemarge is een willekeurig gekozen percentage waarvoor geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat. In de praktijk is uit onderzoek door MRAG op vissersvaartuigen gebleken dat sterk uiteenlopende marges worden gehanteerd in situaties die aanzienlijk verschillen. Als er al een vast percentage wordt bepaald, dan moet dat efficiënt zijn en in verhouding staan tot de toezichtvereisten. De voorgestelde marge kan niet worden toegepast; daarom moet een compromis worden gevonden tussen het huidige systeem en de marge voor herstelbestanden. De verordening zou alleen van toepassing moeten zijn op TAC-soorten.

Wijzigingsvoorstel 11

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 15, lid 1 en 2

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 15

Elektronische registratie en verzending van de logboekgegevens

1.   De kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 10 meter registreert de logboekgegevens over de visserij elektronisch en stuurt die gegevens minstens eenmaal per dag elektronisch door naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.

2.   Lid 1 geldt met ingang van 1 juli 2011 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter, maar niet meer dan 24 meter en met ingang van 1 januari 2012 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 10 meter, maar niet meer dan 15 meter. Communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van niet meer dan 15 meter kunnen van lid 1 worden vrijgesteld als zij:

a)

uitsluitend actief zijn in de territoriale zeeën van de vlaggenlidstaat, of

b)

nooit meer dan 24 uur op zee blijven tussen het tijdstip van vertrek uit de haven en het tijdstip van terugkeer naar de haven.

Artikel 15

Elektronische registratie en verzending van de logboekgegevens

1.   De kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 10 15 meter registreert de logboekgegevens over de visserij elektronisch en stuurt die gegevens minstens eenmaal per dag elektronisch door naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.

2.   Lid 1 geldt met ingang van 1 juli 2011 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter, maar niet meer dan 24 meter en met ingang van 1 januari 2012 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 10 meter, maar niet meer dan 15 meter. Communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van niet meer dan 15 meter kunnen van lid 1 worden vrijgesteld als zij:

a)

uitsluitend actief zijn in de territoriale zeeën van de vlaggenlidstaat, of

b)

nooit meer dan 24 uur op zee blijven tussen het tijdstip van vertrek uit de haven en het tijdstip van terugkeer naar de haven.

Motivering

Het Comité vindt dat vissersvaartuigen met een lengte over alles van 10 tot 15 meter te klein zijn om een veilig en kostenefficiënt gebruik van elektronische visserijlogboeken mogelijk te maken.

Wijzigingsvoorstel 12

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 17, lid 1

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Onverminderd specifieke bepalingen in de meerjarenplannen stelt de kapitein van een communautair vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan hij de haven of de aanlandingsvoorzieningen wenst te gebruiken, ten minste vier uur vóór het geraamde tijdstip van aankomst in de haven, behalve als de bevoegde autoriteiten toestemming hebben gegeven om vroeger binnen te varen, in kennis van de volgende gegevens:

a)

de identificatie van het vaartuig;

b)

de naam van de aangewezen haven van bestemming en het beoogde doel van het aanmeren, bijv. aanlanding, overlading of toegang tot diensten;

c)

de vismachtiging of, in voorkomend geval, de machtiging om visserijacties te ondersteunen of visserijproducten over te laden;

d.

de datums van de visreis en de gebieden waarin is gevangen;

e)

de datum en het tijdstip waarop de haven vermoedelijk wordt aangedaan;

f)

de hoeveelheden van elke aan boord gehouden soort, met inbegrip van nulaangiften;

g)

de hoeveelheden van elke soort die zullen worden aangeland of overgeladen.

1.   Onverminderd specifieke bepalingen in de meerjarenplannen stelt de kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 15 meter of zijn vertegenwoordiger de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan hij de haven of de aanlandingsvoorzieningen wenst te gebruiken, ten minste vier uur vóór het geraamde tijdstip van aankomst in de haven, behalve als de bevoegde autoriteiten toestemming hebben gegeven om vroeger binnen te varen, in kennis van de volgende gegevens:

a)

de identificatie van het vaartuig;

b)

de naam van de aangewezen haven van bestemming en het beoogde doel van het aanmeren, bijv. aanlanding, overlading of toegang tot diensten;

c)

de vismachtiging of, in voorkomend geval, de machtiging om visserijacties te ondersteunen of visserijproducten over te laden;

d.

de datums van de visreis en de gebieden waarin is gevangen;

e)

de datum en het tijdstip waarop de haven vermoedelijk wordt aangedaan;

f)

de hoeveelheden van elke aan boord gehouden soort, met inbegrip van nulaangiften;

g)

de hoeveelheden van elke soort die zullen worden aangeland of overgeladen.

Motivering

Het Comité is van mening dat kleinere vissersvaartuigen met een lengte over alles van maximaal 15 meter te klein zijn om te kunnen voldoen aan de veiligheidseis dat zij ten minste vier uur vóór het geraamde tijdstip van aankomst in de haven bepaalde gegevens bekend maken. Het is onbegrijpelijk waarom aangifte moet worden gedaan van wat niet is gevangen.

Wijzigingsvoorstel 13

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 21, lid 2

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   Onverminderd specifieke bepalingen in de meerjarenplannen stuurt de kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 10 meter, of zijn vertegenwoordiger, binnen twee uur na het beëindigen van de aanlanding elektronisch een aangifte van aanlanding door naar de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat.

2.   Onverminderd specifieke bepalingen in de meerjarenplannen stuurt de kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 10 meter, of zijn vertegenwoordiger, binnen twee 48 uur na het beëindigen van de aanlanding elektronisch, in geval van een lengte over alles van meer dan 15 meter en anders op papier, een aangifte van aanlanding door naar de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat.

Motivering

De kapitein moet erop toezien dat de informatie op de aangifte van aanlanding correct is, wat inhoudt dat de vangst moet worden gewogen en gesorteerd. Een dergelijke verplichting kan bijzonder duur uitvallen in havens waar geen gebruik kan worden gemaakt van de voorzieningen van een visafslag en met name voor kleinere vaartuigen in perifere maritieme regio's. Het Comité stelt daarom voor vast te houden aan artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2847/93 van de Raad, waarin wordt bepaald dat de kapitein 48 uur de tijd krijgt voor het indienen van de aangifte.

Wijzigingsvoorstel 14

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 23, lid 3

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

3.   Alle hoeveelheden die door communautaire vissersvaartuigen worden gevangen uit een bestand of groep bestanden waarvoor quota gelden, worden ongeacht de plaats van aanlanding in mindering gebracht op het quotum waarover de vlaggenlidstaat voor dat bestand of die groep bestanden beschikt.

3.   Alle hoeveelheden die door communautaire vissersvaartuigen worden gevangen aangevoerd uit een bestand of groep bestanden waarvoor quota gelden, worden ongeacht de plaats van aanlanding in mindering gebracht op het quotum waarover de vlaggenlidstaat voor dat bestand of die groep bestanden beschikt.

Motivering

Hoewel nationale quota worden bepaald aan de hand van de hoeveelheid „totaal toegestane vangsten”, wordt gekeken naar de plaats waar de vis aan land wordt gebracht en het eerst wordt verkocht en dat moet ook zo blijven. Teruggooi mag niet worden afgetrokken van de nationale quota.

Wijzigingsvoorstel 15

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 31, lid 1

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Voor nieuwe motoren, vervangingsmotoren en technisch gewijzigde motoren verstrekken de autoriteiten van de lidstaten een officiële goedkeuring waaruit blijkt dat die motoren geen groter vermogen kunnen ontwikkelen dan het vermogen dat op het motorcertificaat is vermeld. Een dergelijke goedkeuring wordt uitsluitend verstrekt als de motor niet in staat is meer dan het vermelde vermogen te ontwikkelen.

1.   Voor nieuwe motoren, vervangingsmotoren en technisch gewijzigde motoren verstrekken de autoriteiten van de lidstaten een officiële goedkeuring waaruit blijkt dat die motoren geen groter vermogen kunnen ontwikkelen dan het vermogen dat op het motorcertificaat is vermeld. Een dergelijke goedkeuring wordt uitsluitend verstrekt als de motor niet in staat is meer dan het vermelde vermogen te ontwikkelen. Een uitzondering dient te worden gemaakt voor schepen van minder dan tien meter lang waarop alleen passief vistuig wordt gebruikt.

Motivering

Het lijkt weinig zin te hebben om certificaten te eisen voor het motorvermogen van vissersschepen die vooral worden ingezet voor kleinschalige kustvisserij; deze bepalingen horen dan ook niet te slaan op schepen met een lengte van minder dan 10 meter waarop alleen passief vistuig wordt gebruikt. De door de fabrikant vermelde kenmerken zouden moeten volstaan. Alleen bij visserij met sleepnetten is het motorvermogen van doorslaggevend belang voor de efficiëntie.

Wijzigingsvoorstel 16

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 37, lid 2, inleiding

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   Als het gaat om visserijtakken waarvoor zich meer dan twee soorten vistuig aan boord mogen bevinden, wordt het vistuig dat niet wordt gebruikt, zo geborgen dat het niet onmiddellijk kan worden gebruikt, dat wil zeggen dat:

2.   Als het gaat om visserijtakken waarvoor zich meer dan twee of meer soorten vistuig aan boord mogen bevinden, wordt het vistuig dat niet wordt gebruikt, zo geborgen dat het niet onmiddellijk kan worden gebruikt, dat wil zeggen dat:

Motivering

Dit is vermoedelijk een schrijffout. Er mogen twee of meer soorten vistuig worden geborgen.

Wijzigingsvoorstel 17

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 40, lid 1 en 2

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 40

Doorvaart door een beschermd marien gebied

1.   Vissersvaartuigen mogen door een beschermd marien gebied varen op voorwaarde dat:

a)

alle zich aan boord bevindend vistuig tijdens de doorvaart is vastgemaakt en geborgen, en

b)

de snelheid tijdens het doorvaren niet minder dan 6 knopen bedraagt.

2.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen die van plan zijn door een beschermd marien gebied te varen, delen aan de autoriteiten van de vlaggenlidstaat en aan de kustlidstaat de volgende gegevens mee in een verslag over de doorvaart:

a)

de naam, de externe kentekens en de radioroepnaam van het vaartuig en de naam van de kapitein van het vaartuig;

b)

de coördinaten van de geografische locatie van het vaartuig waarop de mededeling betrekking heeft;

c)

de datum en het tijdstip van het binnenvaren van het beschermde mariene gebied, en

d.

de datum en het tijdstip van het uitvaren uit het beschermde mariene gebied.

Artikel 40

Doorvaart door een beschermd marien gebied

1.   Vissersvaartuigen die niet op andere wijze gemachtigd zijn om in het gebied te vissen mogen door een beschermd marien gebied varen op voorwaarde dat:

a)

alle zich aan boord bevindend vistuig tijdens de doorvaart is vastgemaakt en geborgen, en

b)

de snelheid tijdens het doorvaren niet minder dan 6 knopen bedraagt.

2.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen die van plan zijn door een beschermd marien gebied te varen of gemachtigd zijn hierin visserijactiviteiten te verrichten, delen aan de autoriteiten van de vlaggenlidstaat en aan de kustlidstaat de volgende gegevens mee in een verslag over de doorvaart:

a)

de naam, de externe kentekens en de radioroepnaam van het vaartuig en de naam van de kapitein van het vaartuig;

b)

de coördinaten van de geografische locatie van het vaartuig waarop de mededeling betrekking heeft;

c)

de datum en het tijdstip van het binnenvaren van het beschermde mariene gebied, en

d.

de datum en het tijdstip van het uitvaren uit het beschermde mariene gebied.

Motivering

Het Comité maakt zich ernstig zorgen over de wettelijke status van beschermde mariene gebieden zoals die is vastgelegd in artikel 4 en wordt voorgesteld in de artikelen 39 en 40. Beschermde mariene gebieden zouden dezelfde status krijgen als een gesloten gebied (No Take Zone). Een transitregel is alleen van toepassing op vaartuigen die op grond van artikel 7, sub c), niet anderszins gemachtigd zijn. Het Comité plaatst vraagtekens bij de controlevereisten in artikel 39 en de bepalingen van de artikelen 4 en 40 en stelt derhalve een wijziging voor.

Wijzigingsvoorstel 18

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 41, lid 1

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De kapitein van een vissersvaartuig registreert alle teruggegooide hoeveelheden van meer dan 15 kg volume-equivalent levend gewicht en deelt deze gegevens onmiddellijk, zo mogelijk elektronisch, aan de bevoegde autoriteiten mee.

1.   De kapitein van een vissersvaartuig kan registreert alle teruggegooide hoeveelheden van meer dan 15 kg volume-equivalent levend gewicht en deelt deze gegevens onmiddellijk, zo mogelijk elektronisch, aan de bevoegde autoriteiten mee schattingen omtrent de over boord gezette hoeveelheden voor evaluatiedoeleinden optekenen in het logboek.

Motivering

Het Comité pleit ervoor vast te houden aan de tekst van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad, die als volgt luidt: „De over boord gezette hoeveelheden kunnen voor evaluatiedoeleinden worden opgetekend”. Het zou onredelijk zijn om te eisen dat alle teruggegooide hoeveelheden van meer dan 15 kg worden opgetekend en dat de bevoegde instanties hiervan op de hoogte worden gesteld. Het Comité vindt dat de hoeveelheden die moeten worden teruggegooid, zo snel mogelijk over boord moeten worden gezet om de overlevingskansen van de vis te vergroten.

Wijzigingsvoorstel 19

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 47

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 47

Recreatievisserij

1.   In de communautaire wateren mag de recreatievisserij op een bestand waarvoor een meerjarenplan geldt, slechts worden beoefend als de vlaggenlidstaat het betrokken vaartuig daartoe heeft gemachtigd.

2.   De vlaggenlidstaat registreert de vangsten uit onder een meerjarenplan vallende bestanden die in het kader van de recreatievisserij worden gemaakt.

3.   De in het kader van de recreatievisserij gemaakte vangsten van onder een meerjarenplan vallende soorten worden in mindering gebracht op het desbetreffende quotum van de vlaggenlidstaat. De betrokken lidstaten stellen het gedeelte van het quotum vast dat uitsluitend voor recreatievisserij mag worden gebruikt.

4.   De in het kader van de recreatievisserij gemaakte vangsten mogen niet in de handel worden gebracht, behalve voor liefdadigheidsdoeleinden.

Artikel 47

Recreatievisserij

1.   In de communautaire wateren mag de recreatievisserij vanaf een vaartuig zonder vergunning op een bestand waarvoor een meerjarenplan geldt, slechts worden beoefend als de vlaggenlidstaat het betrokken vaartuig daartoe heeft gemachtigd.

2.   De vlaggenlidstaat registreert de vangsten uit onder een meerjarenplan vallende bestanden die in het kader van de recreatievisserij worden gemaakt.

3.   De in het kader van de recreatievisserij gemaakte vangsten van onder een meerjarenplan vallende soorten worden in mindering gebracht op het desbetreffende quotum van de vlaggenlidstaat. De betrokken lidstaten stellen het gedeelte van het quotum vast dat uitsluitend voor recreatievisserij mag worden gebruikt.

4.   De in het kader van de recreatievisserij gemaakte vangsten mogen niet in de handel worden gebracht, behalve voor liefdadigheidsdoeleinden.

Motivering

Het Comité stelt voor een definitie van de term „recreatievisserij” op te nemen in artikel 4, onder punt (27). De hier voorgestelde tekst verschaft opheldering over het standpunt ten aanzien van vergunningen en machtigingen.

Zoals wordt opgemerkt in punt 26 kan dit soort visserij, als er geen regels voor worden opgesteld, beschermde visbestanden in gevaar brengen, bijv. door professioneel vistoerisme of wanneer het commerciële visseizoen is gesloten. Door de leden 3 en 4 te schrappen echter wordt vermeden dat naar aanleiding van de verordening maatregelen zouden worden genomen die niet in verhouding staan tot het doel.

Wijzigingsvoorstel 20

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 52, leden 2 en 3

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   Andere visserijproducten worden uitsluitend verkocht in een visafslag of aan door de lidstaten gemachtigde instanties of personen.

3.   De koper van visserijproducten die, in een eerste verkoop, door een vissersvaartuig worden verkocht, moet geregistreerd zijn bij de autoriteiten van de lidstaat waar de eerste verkoop plaatsvindt. Voor registratiedoeleinden wordt elke koper geïdentificeerd aan de hand van zijn in de nationale gegevensbanken vermelde btw-nummer.

2.   Andere visserijproducten worden uitsluitend verkocht in een visafslag of aan door de lidstaten gemachtigde instanties of personen.

3. 2.   De koper van visserijproducten die, in een eerste verkoop, door een vissersvaartuig worden verkocht, moet geregistreerd zijn bij de autoriteiten van de lidstaat waar de eerste verkoop plaatsvindt. Voor registratiedoeleinden wordt elke koper geïdentificeerd aan de hand van zijn in de nationale gegevensbanken vermelde registratienummer of btw-nummer.

Motivering

Een btw-nummer is wellicht niet altijd relevant maar een registratienummer wordt door de lidstaat verstrekt.

Wijzigingsvoorstel 21

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 53, lid 1

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Alle geregistreerde kopers die visserij- en aquacultuurproducten kopen, zien erop toe dat alle ontvangen partijen worden gewogen op een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde weegschaal. De weging vindt plaats vóór het sorteren, verwerken, opslaan, vervoeren uit de plaats van aanlanding of doorverkopen van de vis.

1.   Alle geregistreerde kopers die visserij- en aquacultuurproducten kopen, zien erop toe dat representatieve monsters van alle ontvangen partijen worden gewogen op een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde weegschaal. De weging vindt plaats tijdens het sorteren maar vóór het sorteren, verwerken, opslaan, vervoeren uit de plaats van aanlanding of doorverkopen van de vis.

Motivering

Het Comité is bang dat als elke doos vis wordt gewogen, de kwaliteit van de vis negatief wordt beïnvloed door onnodige handelingen en vertragingen.

Wijzigingsvoorstel 22

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 53, lid 3

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

3.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten toestaan dat verse vis wordt gewogen na vervoer uit de plaats van aanlanding, mits de vis niet bij de aanlanding kon worden gewogen en voor zover hij naar een bestemming op het grondgebied van de lidstaat wordt vervoerd die niet meer dan 20 km verwijderd is van de plaats van aanlanding.

3.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten toestaan dat verse vis wordt gewogen na vervoer uit de plaats van aanlanding, mits de vis niet bij de aanlanding kon worden gewogen en voor zover hij naar een bestemming op het grondgebied van de lidstaat wordt vervoerd die niet meer dan 20 100 km verwijderd is van de plaats van aanlanding.

Motivering

Het Comité is bang dat de Commissie de sector met zoveel onnodig zware eisen belast dat de bevordering van een nalevingscultuur in het gedrang komt.

Wijzigingsvoorstel 23

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 54, lid 1

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen en andere instanties of personen onder de verantwoordelijkheid waarvan in een lidstaat aangelande visserijproducten voor het eerst op de markt worden gebracht, doen binnen twee uur na de eerste verkoop elektronisch een verkoopdocument toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de producten voor het eerst op de markt zijn gebracht. Als deze lidstaat niet de vlaggenlidstaat is van het vaartuig dat de vis heeft aangeland, zorgt hij ervoor dat, na ontvangst van de betrokken gegevens, een kopie van het verkoopdocument aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat wordt toegestuurd. Deze kopers, visafslagen, instanties of personen zijn verantwoordelijk voor de juistheid van de verkoopdocumenten.

1.   Geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen en andere instanties of personen onder de verantwoordelijkheid waarvan in een lidstaat aangelande visserijproducten voor het eerst op de markt worden gebracht, doen binnen twee 48 uur na de eerste verkoop elektronisch een verkoopdocument toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de producten voor het eerst op de markt zijn gebracht. Als deze lidstaat niet de vlaggenlidstaat is van het vaartuig dat de vis heeft aangeland, zorgt hij ervoor dat, na ontvangst van de betrokken gegevens, een kopie van het verkoopdocument aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat wordt toegestuurd. Deze kopers, visafslagen, instanties of personen zijn verantwoordelijk voor de juistheid van de verkoopdocumenten.

Motivering

Bij de afzet van vis moet aandacht worden besteed aan kwaliteit en de vis moet zo snel mogelijk aan de klant kunnen worden geleverd. Het is niet praktisch om de periode tussen de eerste verkoop en het voorleggen van de documenten aan de bevoegde autoriteiten te reduceren van 48 uur tot twee uur.

Wijzigingsvoorstel 24

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 82, lid 2 en 3

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   Voorts zien de lidstaten er voor alle ernstige inbreuken waarvan de ernst niet kan worden afgemeten aan de waarde van de uit de inbreuk voortvloeiende visserijproducten, op toe dat een natuurlijke persoon die een ernstige inbreuk heeft begaan, of een rechtspersoon die aansprakelijk wordt geacht voor een ernstige inbreuk, kan worden gestraft met een administratieve boete van ten minste 5 000 euro en van ten hoogste een bedrag dat niet kleiner is dan 300 000 euro voor elke ernstige inbreuk. De vlaggenlidstaat wordt onverwijld in kennis gesteld van de opgelegde sanctie.

3.   Bij herhaling van een ernstige inbreuk binnen een periode van 5 jaar legt de lidstaat een administratieve boete op van ten minste 10 000 euro en van ten hoogste een bedrag dat niet kleiner is dan 600 000 euro.

2.   Voorts zien de lidstaten er voor alle ernstige inbreuken waarvan de ernst niet kan worden afgemeten aan de waarde van de uit de inbreuk voortvloeiende visserijproducten, op toe dat een natuurlijke persoon die een ernstige inbreuk heeft begaan, of een rechtspersoon die aansprakelijk wordt geacht voor een ernstige inbreuk, kan worden gestraft met een administratieve boete van ten minste 5 000 euro en van ten hoogste een bedrag dat niet kleiner is dan300 000 euro voor elke ernstige inbreuk. De vlaggenlidstaat wordt onverwijld in kennis gesteld van de opgelegde sanctie.

3.   Bij herhaling van een ernstige inbreuk binnen een periode van 5 een jaar legt de lidstaat een administratieve boete op van ten minste 10 000 euro en van ten hoogste een bedrag dat niet kleiner is dan600 000 euro.

Motivering

Het Comité is van mening dat elke lidstaat de maximale boete moet opleggen. De formulering „ten hoogste een bedrag dat niet kleiner is dan” is dubbelop. Ter wille van de uniformiteit merkt het Comité op dat in artikel 76 slechts wordt verwezen naar „een jaar”.

Wijzigingsvoorstel 25

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 99

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 99

Weigering van quotaoverdrachten

De Commissie kan de overdracht van quota voor bestanden van een lidstaat naar het volgende jaar overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota weigeren wanneer:

a)

de over te dragen quota door de betrokken lidstaat in één van de twee voorgaande jaren zijn overschreden of

b)

het quotum betrekking heeft op een bestand waarvoor een meerjarenplan geldt of dat samen met een bestand waarvoor een meerjarenplan geldt, wordt bevist, en het quotum voor dat bestand of voor het bestand waarvoor een meerjarenplan geldt en dat samen met het eerste bestand wordt bevist, door de vloot van de betrokken lidstaat is overschreden in een van de voorgaande vijf jaren, of

c)

de betrokken lidstaat geen passende maatregelen neemt om te zorgen voor een deugdelijk beheer van de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden, met name door geen gebruik te maken van het geautomatiseerde valideringssysteem als bedoeld in artikel 102 of door onvoldoende gebruik te maken van de systemen die de gegevens voor dit valideringssysteem verschaffen.

Artikel 99

Weigering van quotaoverdrachten

De Commissie kan de overdracht van quota voor bestanden van een lidstaat naar het volgende jaar overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota weigeren wanneer:

a)

de over te dragen quota door de betrokken lidstaat in één van de twee voorgaande jaren zijn overschreden of

b)

het quotum betrekking heeft op een bestand waarvoor een meerjarenplan geldt of dat samen met een bestand waarvoor een meerjarenplan geldt, wordt bevist, en het quotum voor dat bestand of voor het bestand waarvoor een meerjarenplan geldt en dat samen met het eerste bestand wordt bevist, door de vloot van de betrokken lidstaat is overschreden in een van de voorgaande vijf jaren, of

c)

de betrokken lidstaat geen passende maatregelen neemt om te zorgen voor een deugdelijk beheer van de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden, met name door geen gebruik te maken van het geautomatiseerde valideringssysteem als bedoeld in artikel 102 of door onvoldoende gebruik te maken van de systemen die de gegevens voor dit valideringssysteem verschaffen.

Motivering

Het Comité is bang dat weigering van quotaoverdrachten als straf wordt gepresenteerd. Het gevaar bestaat dat de Commissie de relatieve stabiliteit van TAC's en quota onder de lidstaten eenzijdig kan wijzigen.

Wijzigingsvoorstel 26

Voorstel voor een verordening van de Raad, artikel 100

door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 100

Weigering van quotaruil

De Commissie kan de mogelijkheid om quota te ruilen overeenkomstig artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 uitsluiten wanneer:

a)

het gaat om quota waarvoor in een van de twee voorgaande jaren het aan een van de betrokken lidstaten toegewezen quotum met meer dan 10 % is overschreden, of

b)

de betrokken lidstaat geen passende maatregelen neemt om te zorgen voor een deugdelijk beheer van de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden, met name door geen gebruik te maken van het geautomatiseerde valideringssysteem als bedoeld in artikel 102 of door onvoldoende gebruik te maken van de systemen die de gegevens voor dit valideringssysteem verschaffen.

Artikel 100

Weigering van quotaruil

De Commissie kan de mogelijkheid om quota te ruilen overeenkomstig artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 uitsluiten wanneer:

a)

het gaat om quota waarvoor in een van de twee voorgaande jaren het aan een van de betrokken lidstaten toegewezen quotum met meer dan 10 % is overschreden, of

b)

de betrokken lidstaat geen passende maatregelen neemt om te zorgen voor een deugdelijk beheer van de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden, met name door geen gebruik te maken van het geautomatiseerde valideringssysteem als bedoeld in artikel 102 of door onvoldoende gebruik te maken van de systemen die de gegevens voor dit valideringssysteem verschaffen.

Motivering

Het Comité is bang dat weigering van quotaruil als straf wordt gepresenteerd. Het gevaar bestaat dat de Commissie de relatieve stabiliteit van TAC's en quota onder de lidstaten eenzijdig kan wijzigen.

Brussel, 18 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


(1)  CdR 22/2008 fin, CdR 258/2006 fin, CdR 153/2001 fin

(2)  CdR 22/2008 fin, CdR 258/2006 fin

(3)  CdR 258/2006 fin

(4)  CdR 22/2008 fin, CdR 252/2004 fin, CdR 189/2002 fin, CdR 153/2001 fin

(5)  CdR 189/2002 fin

(6)  CdR 153/2001 fin

(7)  CdR 258/2006 fin, CdR 189/2002 fin, CdR 153/2001 fin

(8)  CdR 153/2001 fin


4.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 211/90


Advies van het Comité van de Regio's over non-discriminatie en gelijke kansen en toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen

(2009/C 211/12)

Het Comité van de Regio’s (CvdR) stemt in met het vernieuwde engagement van de Commissie om nieuwe voorstellen in te dienen voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; het is krachtig pleitbezorger van het beginsel dat discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid geen plaats mag hebben in een verlichte en door respect voor grondrechten gekenmerkte samenleving.

Het acht het van essentieel belang dat integratie van non-discriminatie in alle beleidssectoren en individueel welzijn tot topprioriteiten worden gemaakt, ter ondersteuning van een toenemende diversiteit in Europa die is ontstaan als gevolg van het uitbreidingsproces, migratie, maatschappelijke veranderingen zoals de vergrijzing, en nieuwe familiepatronen.

Gelijke behandeling kan alleen bereikt worden wanneer lokale en regionale overheden zich daadwerkelijk gaan inzetten voor dit thema. Aangezien zij als eerste instaan voor dienstverlening op belangrijke gebieden als gezondheidszorg, onderwijs en sociale zorg, spelen lokale en regionale overheden een sleutelrol bij het overbrengen van de juiste informatie over zich aftekenende noden bij kwetsbare groepen.

Bij iedere regionale overheid moet er een orgaan voor gelijke rechten en kansen worden opgezet om toe te zien op de praktische toepassing van het gelijkekansenbeginsel bij alle regionale maatregelen die door de EU worden meegefinancierd.

Rapporteur

:

Claudette Abela Baldacchino (MT/PSE), locoburgemeester van Qrendi (Malta)

Referentiedocumenten

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Non-discriminatie en gelijke kansen: een vernieuwd engagement

COM(2008) 420 final

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid

COM(2008) 426 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

1.

Het Comité van de Regio’s (CvdR) stemt in met het vernieuwde engagement van de Commissie om nieuwe voorstellen in te dienen voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; het is krachtig pleitbezorger van het beginsel dat discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid geen plaats mag hebben in een verlichte en door respect voor grondrechten gekenmerkte samenleving.

2.

Het acht het van essentieel belang dat de integratie van non-discriminatie in alle beleidssectoren en individueel welzijn tot topprioriteiten worden gemaakt, ter ondersteuning van een toenemende diversiteit in Europa die is ontstaan als gevolg van het uitbreidingsproces, migratie, maatschappelijke veranderingen zoals de vergrijzing, en nieuwe familiepatronen.

3.

Het wijst erop dat er het afgelopen decennium weliswaar aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, handicap of ras, maar dat de reikwijdte van de bescherming tegen discriminatie moet worden uitgebreid tot alle in artikel 13 genoemde gronden.

4.

Het CvdR verwelkomt het vernieuwde engagement van de Commissie inzake gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid en wijst erop dat het gemeenschappelijk Europees stelsel van waarden hierdoor niet in gevaar mag komen.

5.

Nagegaan zou moeten worden of het non-discriminatiebeginsel kan worden gemainstreamd door wetgeving waarmee enerzijds wordt voorzien in „redelijke aanpassingen” en anderzijds wordt gezorgd voor een onderling overeengekomen afstemming van beleid en procedures.

6.

Het wijst erop dat voorlichting en onderwijs, met name rond diversiteit, belangrijke strategische maatregelen vormen ter verbetering van de maatschappelijke verstandhoudingen en de sociale cohesie.

7.

De media hebben een belangrijke rol te spelen bij het aanzwengelen van een objectief debat en de berichtgeving over diversiteit. Het CvdR benadrukt derhalve dat zij een speciale verantwoordelijkheid dragen wat de bevordering van sociale cohesie betreft door diversiteit positief te benaderen.

De lokale en regionale dimensie en de rol van het CvdR

8.

Gelijke behandeling kan alleen bereikt worden wanneer lokale en regionale overheden zich daadwerkelijk gaan inzetten voor dit thema. Aangezien zij als eerste instaan voor dienstverlening op belangrijke gebieden als gezondheidszorg, onderwijs en sociale zorg, spelen lokale en regionale overheden een sleutelrol bij het overbrengen van de juiste informatie over zich aftekenende noden bij kwetsbare groepen.

9.

Bij iedere regionale overheid moet er een orgaan voor gelijke rechten en kansen worden opgezet om de praktische toepassing van het gelijkekansenbeginsel in alle regionale maatregelen die door de EU worden meegefinancierd te controleren.

10.

Lokale en regionale overheden staan het dichtst bij de burgers en zijn verantwoordelijk voor de meeste sociale en economische aspecten van hun dagelijks leven. Daarom zijn zij de aangewezen instanties om de waarden en structuren van de voorgestelde richtlijn in de praktijk te vertalen.

11.

Het mainstreamen van gelijke behandeling en van non-discriminatie in alle geledingen van de samenleving is alleen mogelijk als er met het maatschappelijk middenveld wordt samengewerkt en er op alle bestuursniveaus naar integratie wordt gestreefd.

12.

Het CvdR is van mening dat op alle overheidsniveaus doeltreffende en concrete maatregelen ter bevordering van gelijke behandeling genomen en gecoördineerd moeten worden. Verder erkent het CvdR dat dialoog via bemiddeling een efficiënt middel is om burgers en instellingen in staat te stellen nieuwe sociale betrekkingen aan te gaan waardoor gelijke behandeling daadwerkelijk tot de mogelijkheden gaat behoren.

Subsidiariteit, proportionaliteit en regulering

13.

Het CvdR onderstreept dat lokale en regionale decentralisering en subsidiariteit bijdragen tot grotere participatie en daadwerkelijke betrokkenheid van de burgers, met name van diegenen die het risico lopen gediscrimineerd te worden bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid of programma's.

14.

Het wil er nogmaals op wijzen dat het evenredigheidsbeginsel moet worden nageleefd wanneer het gaat om oplossingen en uitvoeringsbepalingen, bijv. m.b.t. beperkingen aan sancties en de bewijslast.

15.

Wat discriminatie op grond van leeftijd betreft, is het toepassingsgebied van de voorgestelde richtlijn niet duidelijk afgebakend. Een aantal openbare diensten en rechten zijn leeftijdsgebonden. Zo wordt leeftijd vaak gebruikt als objectief criterium, zowel bij wetgeving als in het openbaar bestuur. Met de huidige formulering van de voorgestelde richtlijn kunnen dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen juridisch aanvechtbaar en zelfs onwettig worden.

16.

De administratieve rompslomp moet worden teruggebracht en er dient rekening te worden gehouden met de impact van de voorgestelde richtlijn op economische actoren, zoals het MKB, maar ook op consumenten.

17.

In het richtlijnvoorstel wordt niet getornd aan nationale bevoegdheden op het gebied van de verhoudingen tussen kerk en staat of verwante instellingen en organisaties, de organisatie en de inhoud van het onderwijs, de erkenning van de burgerlijke staat of de gezinssituatie, reproductieve rechten, adoptie en soortgelijke zaken.

Versterking van het rechtskader

18.

Het CvdR onderstreept dat moet worden nagegaan of krachtigere Europese antidiscriminatiewetgeving nodig is ter waarborging van het recht op gelijke behandeling en bescherming voor iedereen die in Europa leeft en/of werkt.

19.

Het wijst erop dat ernaar wordt gestreefd om kwetsbare groepen in de praktijk volledig gelijk te behandelen waar het gaat om onderwijs, sociale bescherming, sociale uitkeringen en de toegang tot goederen en diensten.

20.

Het CvdR pleit voor versterking (mocht daarvan nog geen sprake zijn) van de wettelijke maatregelen inzake het verbod op lichamelijk geweld, seksueel misbruik en uitbuiting.

21.

Er zijn degelijke wettelijke procedures nodig om minderheden te beschermen tegen geweldpleging en andere misdragingen waarmee ze vanwege hun kwetsbare positie te maken krijgen.

22.

Het CvdR onderstreept dat wettelijke bescherming van cruciaal belang is, maar blijft erop hameren dat de weg van bemiddeling de voorkeur geniet, omdat burgers hierdoor ook leren en mondiger worden, en instellingen en dienstverleners kunnen veranderen en verbeteren.

23.

De Commissie en alle andere verantwoordelijke instellingen wordt opgeroepen om niet alleen steun te verlenen aan bemiddelingsinstanties (met name zij die zich inzetten voor sociale en culturele bemiddeling op lokaal en regionaal niveau), maar ook voor de ontwikkeling van interculturele vaardigheden bij dienstverleners en hun personeel, met name in de publieke sector.

24.

In tal van lidstaten komen mensenhandel en commerciële uitbuiting van vrouwen en kinderen nog steeds op ruime schaal voor. Het CvdR is van mening dat deze moderne vorm van slavernij de gedeelde Europese waarden en de grondrechten ondermijnen.

25.

Er zijn dan ook doeltreffende maatregelen nodig om dergelijke laakbare praktijken tegen te gaan en de huidige wetgeving te versterken en beter te handhaven. Bovendien moeten passende diensten worden ingezet om migranten, en met name vrouwen en kinderen, in te lichten over het gevaar dat zij onder valse voorwendselen naar de EU worden gelokt en worden uitgebuit. In dit verband moeten netwerken worden versterkt door op lokaal en regionaal niveau gemeenschappelijke benaderingen en strategieën uit te werken. Slachtoffers dienen sociale hulp te krijgen, met name door onafhankelijke organisaties en verenigingen.

26.

Op grond van art. 3 van de voorgestelde richtlijn is het verbod op discriminatie ook op alle personen in de particuliere sector van toepassing. Het CvdR voorziet problemen met de interpretatie van het begrip „particuliere sector”; dit zou moeten worden gedefinieerd. Daarbij dient erop te worden gelet dat het eigendomsrecht en de hiermee samenhangende onafhankelijkheid van het privaatrecht op het niveau van de lidstaten en dat van de EU grondwettelijk moeten zijn gewaarborgd.

27.

Bij de beoordeling van onevenredige belasting moet ook rekening worden gehouden met de uiteenlopende behoeften van gehandicapten. Deze behoeften zijn afhankelijk van de aard (lichamelijk, verstandelijk, zintuiglijk of cognitief) en de ernst van de handicap.

Versterking van beleidsinstrumenten

28.

Non-discriminatiewetgeving moet worden gecombineerd met beleidsinstrumenten die ongelijke behandeling, stereotypes en kleinering bestrijden, zodat complexe, meervoudige en uiteenlopende patronen van discriminatie doeltreffend kunnen worden aangepakt.

29.

In de voorgestelde richtlijn zou de nadruk moeten komen te liggen op het mainstreamen van het beginsel van gelijke behandeling, d.w.z. dat bij het uitstippelen van beleid, het analyseren van de impact daarvan en het vergroten van de bewustwording alle gronden van discriminatie in aanmerking worden genomen.

30.

In alle plannen, beleidsmaatregelen en programma’s dient het beginsel van gelijke behandeling aan de orde te komen. Mainstreamingsinstrumenten zijn belangrijk; zo is het met name zaak om alle belanghebbenden en ondervertegenwoordigde bevolkingsgroepen te raadplegen en rechtstreeks bij het beleid te betrekken.

31.

Passend sociaal overleg, zowel op Europees niveau als met ngo’s en andere representatieve organisaties, is noodzakelijk om veranderingen teweeg te brengen. Uiteenlopende maatschappelijke situaties en oplossingen kunnen immers het best in kaart worden gebracht als kennis en vaardigheden worden gedeeld en goede praktijken worden uitgewisseld.

32.

Samenwerking met het Comité voor sociale cohesie van de Raad van Europa kan de mainstreaming van het beginsel van gelijke behandeling ten goede komen. Verder erkent het CvdR de inspanningen van de door de Commissie en de Raad van Europa ingestelde werkgroep over interculturele vaardigheden in maatschappelijke dienstverlening.

33.

Belangrijk is dat de lokale en regionale overheden hierbij worden betrokken. Verder wijst het CvdR erop dat specifieke maatregelen kunnen bijdragen tot gelijke kansen voor personen en groepen die het risico lopen te worden gediscrimineerd en buitengesloten bij de toegang tot goederen en diensten.

34.

Er dient optimaal gebruik te worden gemaakt van de instrumenten die de Structuurfondsen ter beschikking stellen om de sociale integratie te verbeteren en om de toegang tot de arbeidsmarkt, goederen en diensten en deelname aan het maatschappelijk leven te bevorderen.

35.

Het CvdR steunt bewustmakingscampagnes die belanghebbenden kunnen helpen om hun rechten en plichten te kennen en discriminatie en intimidatie tegen te gaan.

36.

Het stelt tevreden vast dat in veel lidstaten al op kinderen afgestemde diensten worden verleend, zodat zij kunnen worden ingelicht over hun rechten en daarin kunnen worden begeleid. Dit soort dienstverlening zou in alle lidstaten moeten bestaan. Daarnaast zouden kinderen in het onderwijs bewust moeten worden gemaakt van de relatie tussen rechten en plichten.

37.

Er is meer informatie nodig over de problemen en behoeften van kwetsbare groepen, met name wat betreft onbegeleide minderjarige immigranten, mensenhandel, kinderrechten, laagbetaalde arbeidskrachten, gezinnen met lage inkomens, discriminatie op grond van geloof of overtuiging en seksuele geaardheid.

38.

Bovendien is verdere gegevensverzameling inzake ongelijke behandeling nodig om een totaalbeeld te krijgen van de huidige situatie op het gebied van discriminatie. Er dienen gemeenschappelijke criteria te worden opgesteld voor gegevensverzameling en -analyse, zodat er betrouwbare en vergelijkbare statistieken en gegevens kunnen worden opgesteld, zonder dat dit tot onnodige extra rompslomp leidt.

Ontwikkeling van doelgerichte methoden

39.

Daar de verschillende gronden van discriminatie onderling sterk verschillen, pleit het CvdR voor een op maat gesneden aanpak van elke grond van discriminatie.

40.

In sommige lidstaten hebben bepaalde burgers te maken met meervoudige discriminatie: ontoereikende gezondheidszorg, pensioenen en pensioenregelingen en een gebrek aan toegang tot een brede waaier van passende economische goederen en diensten, als gevolg van reële belemmeringen voor het gebruik van moderne technologie zoals internet.

41.

Het zou een goede zaak zijn als openbare en particuliere dienstverleners gebruiksvriendelijke diensten zouden aanbieden. Dit dient op een respectvolle manier te gebeuren en afgestemd te zijn op de mogelijkheden van de persoon in kwestie. Duidelijke voorlichting over technologische aspecten moet daar deel van uitmaken.

42.

Met de voorgestelde richtlijn moeten vrouwen ook buiten de arbeidsmarkt beter worden beschermd. Hun waardigheid en veiligheid worden immers nog altijd bedreigd door seksuele intimidatie en seksueel misbruik en geweld.

43.

Als gevolg van genderstereotypen en structurele en culturele belemmeringen in het onderwijs, de media en de politiek lopen vrouwen nog steeds een groter risico op armoede en sociale uitsluiting. Dit heeft te maken met het loonverschil tussen mannen en vrouwen en nadelig uitvallende voorzieningen in de sociale zekerheid en in de toekenning van pensioenrechten.

44.

Het CvdR pleit voor wettelijke maatregelen en beleid om homofobie (met name haattaal en haatmisdaden) te bestrijden, obstakels bij het vinden van huisvesting uit de weg te ruimen en rechtstreekse discriminatie in de gezondheidszorg en intimidatie en pesterij in onderwijsinstellingen, op de werkplek en in beroepsopleidingen aan te pakken.

45.

Er moet meer werk worden gemaakt van de maatschappelijke integratie en participatie van lesbiennes, homo's, bi- en transseksuelen.

46.

Tevens dient te worden gezorgd voor aangepaste voorzieningen voor gehandicapten en kansarmen, zodat hun deelname aan en toegang tot onderwijs en beroepsopleiding, gezondheidszorg, huisvesting, vervoer, winkels, vrijetijdsactiviteiten en andere goederen en diensten op proportionele wijze worden bevorderd, zij op gelijke voet met de rest van de bevolking worden behandeld en onnodige rompslomp en misbruik van klachtenprocedures worden voorkomen.

47.

Mensen met geestelijke gezondheidsproblemen worden eerder buitengesloten en geconfronteerd met vooroordelen. Het CvdR roept de lidstaten dan ook op om extra aandacht aan deze mensen te schenken en meer te doen om hen te helpen. Met name kinderen met geestelijke gezondheidsproblemen moeten hulp krijgen die is afgestemd op hun behoeften.

48.

Gediscrimineerde individuen en groepen moeten kunnen rekenen op de nodige steun, zodat zij vlotter toegang krijgen tot onderwijs en opleiding, vrijetijdsactiviteiten en cultuur, en daaraan ook blijvend kunnen deelnemen, wat van fundamenteel belang is voor hun maatschappelijke integratie.

Aanpak van meervoudige discriminatie

49.

In de Europese wetgeving moet meer aandacht komen voor meervoudige discriminatie. Dat moet in de eerste plaats gebeuren door dit fenomeen duidelijk te definiëren, zodat er bescherming kan worden geboden en er beter kan worden gezorgd voor de behoeften van groepen en individuen die gevaar lopen op meervoudige discriminatie (migranten (met name vrouwen en kinderen), Romakinderen, alleenstaande minderjarigen, asielzoekers, gehandicapten en mensen met geestelijke gezondheidsproblemen, ouderen uit etnische minderheden, enz.).

50.

In de context van het beleid van lokale en regionale overheden, pleit het CvdR verder voor de bevordering en ondersteuning van gespecialiseerde centra en waarnemingsposten voor gelijke behandeling die belast zijn met tal van taken, zoals de bestrijding van alle vormen van discriminatie, de bescherming van de rechten van mensen die risico lopen op meervoudige discriminatie, slachtofferhulp, het uitvoeren van onderzoek, het publiceren van rapporten over meervoudige discriminatie en het uitvoeren van alle taken op de terreinen die in de voorgestelde richtlijn aan de orde komen.

Toegang tot kwaliteitswerk

51.

Discriminatie kan ertoe leiden dat een individu zijn potentieel niet volledig kan ontplooien en daardoor terecht dreigt te komen in laagbetaalde banen, waardoor mensen vervolgens weer problemen kunnen ondervinden bij de toegang tot goederen en diensten zoals onderwijs en huisvesting. Dit kan vervolgens resulteren in armoede en sociale uitsluiting.

52.

Factoren die het verrichten van betaald werk belemmeren, behoren tot de hoofdoorzaken van ongelijkheid en sociale uitsluiting. En vaak zijn het juist mensen in kwetsbare situaties, zoals jonge en oudere werknemers, migranten en gehandicapten, die onzekere en slechtbetaalde banen hebben.

53.

Het CvdR is voorstander van vrijwillige convenanten en andere stimulerende maatregelen die ondernemingen aanmoedigen om methoden te gebruiken die gelijke behandeling en gelijke kansen bevorderen, zoals diversiteitsmanagement. Dit is immers niet alleen in het voordeel van de werkgevers, maar komt ook de werknemers en de klanten ten goede.

54.

De beginselen van non-discriminatie en van gelijke behandeling zijn universeel. Het CvdR wijst echter in het bijzonder op de buitengewoon kwetsbare situatie van kinderen en Roma in Europa.

Sociale integratie van Roma

55.

Het CvdR benadrukt dat de deelname van Roma aan arbeidsmarkt en beroepsopleiding moet worden bevorderd en dat hun bijdrage moet worden erkend. Verder moet er sprake zijn van gedeelde verantwoordelijkheid, zodat hun toegang tot goederen en diensten als huisvesting en gezondheidszorg kan worden verbeterd en het risico op armoede kan worden teruggebracht. Bovendien kan een en ander de gezondheid van Romakinderen ten goede komen, de risico's op geweld en misbruik doen verminderen en voorkomen dat kinderen het slachtoffer worden van kinderprostitutie, seksueel misbruik of kinderhandel.

56.

Het CvdR erkent het belang van specifieke maatregelen om discriminerende praktijken jegens Roma terug te dringen en uit te bannen, gelijke behandeling te bevorderen en zo hun maatschappelijke integratie te versnellen.

57.

Met behulp van het Europees Sociaal Fonds moeten constructieve campagnes worden opgezet om mensen bewuster te maken van het belang van de bijdrage van Roma aan de samenleving. Meer werkgelegenheidsprogramma’s, alfabetiseringscampagnes, beroepsopleidingen, beurzen voor leerlingen en studenten in het middelbaar en hoger onderwijs en specifieke diensten die in hun behoeften voorzien (bv. gezondheidsprogramma's voor vrouwen) zijn onmisbaar voor de sociale integratie van Romakinderen. Het gaat dan met name om goedgeorganiseerde diensten voor zorg en opvang en beroepsopleidingen (vooral gericht op taalonderwijs).

58.

De Commissie wordt verzocht meer te ijveren voor de bestrijding van genderdiscriminatie in onderwijs, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en sociale bescherming. Tegen alle vormen van discriminatie moet uiteindelijk eenzelfde mate van bescherming worden geboden, en de Commissie zou een tijdschema voor de verwezenlijking van deze doelstelling moeten vaststellen.

Aanbevelingen van het Comité van de Regio's

59.

Aangezien stereotypen in onderwijs, op de arbeidsmarkt en in de media echte obstakels vormen voor gelijke behandeling en sociale integratie, dringt het CvdR erop aan dat deze de wereld worden uitgeholpen. Er moet voor worden gezorgd dat kinderen op jonge leeftijd leren om respect te hebben voor en om te gaan met medeleerlingen uit etnische of religieuze minderheden en leerlingen met een handicap.

60.

De in de richtlijn voorgestelde aanbevelingen dienen te worden aangevuld met praktische trainingssessies en conferenties met belanghebbenden, zodat deze zich volledig bewust worden van wat mainstreaming in het kader van het streven naar gelijke behandeling inhoudt.

61.

Het is zaak beroepskrachten uit alle sectoren (dokters, leerkrachten, de mediawereld, enz.), overheidswerknemers op alle bestuursniveaus en personeel uit de dienstensector bij te scholen in interculturele vaardigheden en in sociale en culturele bemiddeling, teneinde discriminerend, beledigend of onverschillig gedrag bij te stellen, stereotypen te bestrijden en deze personen bewust te maken van de specifieke behoeften van mensen die een andere achtergrond en andere noden hebben.

62.

Het CvdR vraagt speciale aandacht voor mannelijke en vrouwelijke migranten, die vanwege uitbuiting op de werkplek vaker te maken krijgen met armoede en sociale uitsluiting, en is van mening dat scholing (met name taallessen) en beroepsopleiding voor etnische minderheden mannelijke en vrouwelijke migranten zouden kunnen helpen betere banen te vinden.

63.

Migrantenvrouwen lopen bovendien een nog groter risico, aangezien ze vaker het slachtoffer worden van fysieke of seksuele mishandeling als ze op zoek zijn naar werk of een huwelijkspartner of als ze in de prostitutie belanden. Ze dienen beter te worden ingelicht over de omstandigheden en gevaren in de landen waar ze terecht kunnen komen, teneinde te voorkomen dat ze ten prooi vallen aan mensenhandelaars. Er dienen betere maatregelen ter bescherming en integratie van deze groep te worden ingevoerd, zodat ook zij hun mensenrechten kunnen opeisen.

64.

Het CvdR stelt voor een specifiek fonds voor onbegeleide minderjarige immigranten op te richten, zodat de voor hun opvang verantwoordelijke regio's kunnen worden geholpen deze kinderen dezelfde kansen te bieden als hun leeftijdsgenoten en ervoor te zorgen dat zij in het gastland kunnen integreren; op die manier kan worden vermeden dat deze minderjarigen én als immigrant, én vanwege hun leeftijd het slachtoffer worden van discriminatie.

65.

Het probleem van asielzoekers is voornamelijk een probleem van maatschappelijke aard met sociaaleconomische gevolgen en zou als dusdanig moeten worden aangepakt, door in de eerste plaats de sociale integratie van (met name minderjarige/jonge) asielzoekers te promoten via gedeelde verantwoordelijkheden en gelijke kansen bij de toegang tot goederen en diensten.

66.

Het CvdR is voorstander van de actieve toepassing van onderwijs- en trainingsmodules ter bevordering van non-discriminatie en gelijke behandeling en ter verwezenlijking van de Lissabondoelstellingen. Daarvoor is het nodig om vaardigheden voortdurend op te frissen en in te zetten op levenslang leren.

67.

Wat arbeidsmarktintegratie betreft, zijn er voor elk van de groepen met uiteenlopende behoeften specifieke maatregelen nodig, bijvoorbeeld beroepsonderwijs voor Roma, migranten en oudere werklozen, IT-training voor ouderen om hun positie als consument te verbeteren, alfabetiseringscampagnes voor plattelandsvrouwen, arme vrouwen en kinderen; begeleiding voor gehandicapten, laagbetaalde werknemers, kinderen van laagbetaalde werknemers, enz.

68.

Er dienen bewustmakingscampagnes op touw te worden gezet om de aanbevelingen uit de voorgestelde richtlijn onder ieders aandacht te brengen, belanghebbenden over hun rechten en plichten te informeren, en uit te leggen welke specifieke maatregelen en procedures er bestaan op het gebied van slachtofferhulp.

69.

Instanties en organisaties die strijden voor de rechten van mensen die tot de risicogroepen behoren, hebben een belangrijke taak in het verspreiden van informatie, met name door cultuurgevoelig materiaal uit te geven, informatieve websites op te zetten en nationale conferenties te organiseren. De informatie moet goed zijn afgestemd op de doelgroepen.

70.

Het CvdR wijst er nogmaals op dat het zaak is om voor de tenuitvoerlegging van de voorgestelde richtlijn voldoende personele en financiële middelen in te zetten (met name via het PROGRESS-programma), zodat alle vormen van discriminatie kunnen worden aangepakt.

71.

Het CvdR roept alle lokale en regionale overheden op om op decentraal niveau non-discriminatie te bevorderen door toe te zien op de naleving van mensenrechten, door te werken aan vertrouwen via een constructieve dialoog waardoor mensen mondig worden, de samenleving democratischer wordt, polarisering wordt afgezwakt en de sociale cohesie verder wordt gesmeed. Verder zal het CvdR de waarde van diversiteit uitdragen en een lans breken voor het dynamische karakter van diversiteit als een bron van innovatie en creativiteit, vooruitgang en welzijn voor iedereen, in lijn met alle fundamentele waarden van de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie.

Brussel, 18 juni 2009

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE