ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2009.175.dut

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 175

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

52e jaargang
28 juli 2009


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

449 e plenaire zitting op 3 en 4 december 2008

2009/C 175/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Toekomstige investeringen in de kernindustrie en de rol hiervan in het energiebeleid van de EU

1

2009/C 175/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Toegang tot breedband voor iedereen: uitbreiding van de universele dienst in de elektronischecommunicatiesector

8

2009/C 175/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Adequate governance van de herziene Lissabonstrategie

13

2009/C 175/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Economische democratie op de interne markt

20

2009/C 175/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De proactieve benadering van het recht: een stap voorwaarts naar betere regelgeving op EU-niveau

26

2009/C 175/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Aanpak van de problemen rond het AEEA- beheer in de EU

34

2009/C 175/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De behoefte aan een gezamenlijk EU-optreden ter versterking van maatschappelijke organisaties in plattelandsgebieden, m.n. in de nieuwe lidstaten

37

2009/C 175/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp De maatschappelijke gevolgen van de ontwikkeling van het koppel vervoer/energie

43

2009/C 175/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De Europese vliegtuigindustrie: Stand van zaken en perspectieven

50

2009/C 175/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Ontwikkelingen in de sector van grootwinkelbedrijven en de gevolgen daarvan voor leveranciers en consumenten

57

2009/C 175/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Territoriale ontwikkeling en maatschappelijk verantwoord ondernemen

63

 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

449 e plenaire zitting op 3 en 4 december 2008

2009/C 175/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek — Efficiënte tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie: transparantie van het vermogen van schuldenaren

73

2009/C 175/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft

78

2009/C 175/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers

81

2009/C 175/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking 2001/470/EG van de Raad betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk op het gebied van burgerlijke en handelszaken

84

2009/C 175/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De uitdaging van energie-efficiëntie aangaan via informatie- en communicatietechnologieën

87

2009/C 175/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Het internet bevorderen Actieplan voor de toepassing van Internet Protocol versie 6 (IPv6) in Europa

92

2009/C 175/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een Verordening (EG) nr. …./…. van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 219/2007 van de Raad betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming voor de realisering van het Europese nieuwe generatie luchtverkeersbeveiligingssysteem (SESAR)

97

2009/C 175/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het concurrentievermogen van de metaalindustrie — Een bijdrage tot de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid

100

2009/C 175/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een innovatieve en duurzame houtsector in de Europese Unie — Een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid

105

2009/C 175/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers

109

2009/C 175/22

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg

116

2009/C 175/23

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn …/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van […] strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 48, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken

122

2009/C 175/24

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 143, onder b) en c), van Richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen

123

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

449 e plenaire zitting op 3 en 4 december 2008

28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Toekomstige investeringen in de kernindustrie en de rol hiervan in het energiebeleid van de EU”

(2009/C 175/01)

In een brief d.d. 27 mei 2008 heeft de Europese Commissie het EESC verzocht overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag een verkennend advies op te stellen over:

Toekomstige investeringen in de kernindustrie en de rol hiervan in het energiebeleid van de EU.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer IOZIA.

Het Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 122 stemmen vóór en 15 stemmen tegen, bij 16 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Overwegingen en aanbevelingen

1.1   Er gaan ongeveer tien jaar voorbij met administratieve procedures en bouwtijd voordat een elektriciteit opwekkende kerncentrale kan worden opgeleverd; de investeringskosten variëren van 2 tot 4,5 miljard euro voor een vermogen van 1 000 MWe of 1 600 MWe. Een wettelijk stabiele omgeving is vereist, gezien de periode die tussen de investeringen en de commerciële ingebruikname van de centrale ligt. De keuze voor kernenergie en de daarvoor geldende wetgeving zouden gesteund moeten worden door de meerderheid van de burgers en de politiek.

1.2   Tot 2030 zal, op basis van de huidige programma's, ongeveer de helft van de kerncentrales uit gebruik moeten worden genomen. Het is onontbeerlijk dat er strenge maatregelen komen die garanderen dat de daarvoor benodigde financiële middelen er zijn, volgens het principe „de vervuiler betaalt”, en dat werknemers en burgers een hoge mate van bescherming wordt geboden. Het EESC staat geheel achter de desbetreffende voorstellen van de Commissie, waarin wordt verzocht om een snelle omzetting van Aanbeveling 2006/851/Euratom in een richtlijn voor de instelling van onafhankelijke autoriteiten die de fondsen voor uitgebruikname en ontmanteling moeten gaan beheren.

1.3   Volgens het EESC zijn de belangrijkste obstakels gelegen in de politieke onzekerheid, de procedures voor het verkrijgen van een vergunning, het gebrek aan transparantie en aan volledige, duidelijke en betrouwbare informatie over feitelijke risico's, en de gebrekkige besluitvorming over de aanwijzing van definitieve en veilige locaties voor de opslag van afval. Het risico is voor particuliere investeerders te hoog en de financiële crisis maakt het nog moeilijker om aan kapitaal voor de middellange en lange termijn te komen, zoals die welke voor de kernindustrie nodig zijn. Omdat staatssteun in dit geval niet toegestaan is, zou de financiering geholpen zijn met een stabiel en veilig wettelijk kader voor de investeerders en met de mogelijkheid om contracten te sluiten voor langetermijnleveringen die garanderen dat de investering terugverdiend wordt. De moeilijkheden die al rijzen bij een bescheiden uitbreiding van de Euratom-middelen voor de financiering („Euratom-leningen”) doen vermoeden dat het beleid van de Unie niet snel zal veranderen.

1.4   De burgers moeten democratisch bij de zaak betrokken worden en moeten uitvoerig worden ingelicht over de risico's en mogelijkheden van kernenergie om vervolgens verantwoorde keuzes te kunnen maken die hen rechtstreeks aangaan. Het EESC beaamt deze eis en verzoekt de Commissie om bij de lidstaten te pleiten voor een transparante en doordachte campagne over de Europese behoefte aan energie, over energie-efficiëntie en de verschillende mogelijke oplossingen, inclusief die van kernenergie.

1.5   In de huidige omstandigheden is de optie om de centrales toch nog langer te blijven exploiteren economisch verantwoord, mits de veiligheidsvoorschriften strikt nageleefd worden, ook al wordt zo afgezien van een aanzienlijke verhoging van de thermodynamische efficiëntie (15 à 20 %).

1.6   Het moet makkelijker worden om te investeren in onderzoek naar de veiligheid en bescherming van werknemers en burgers en in programma's voor opleidingen, stages en professionele ontwikkeling, gericht op het behoud van een hoog niveau van technische en technologische capaciteit in deze sector en bij nationale regelgevings- en controleautoriteiten. Zulke investeringen zouden niet alleen moeten worden bekostigd met het 7e Kaderprogramma voor Euratom, maar ook met nationale overheidsprogramma's.

1.7   De diverse compensatie- en aansprakelijkheidsregelingen voor als er zich ongelukken voordoen, zijn volgens het EESC ontoereikend en ongerechtvaardigd. Hopelijk komt het, om te beginnen, tot een gelijktrekking van de voorwaarden van de Conventies van Parijs en van Wenen, die onderling verschillen qua wettelijk kader en compensatiemaatregelen voor schade in verband met kernenergie. Het zou zinvol zijn om overeenkomstig de bepalingen van art. 98 van het Euratom-Verdrag een richtlijn goed te keuren inzake de verzekering van risico's, dat uitdrukkelijk stelt dat de lasten, in geval van ongelukken, geheel voor rekening zijn van de actoren in de sector. Gezien de kenmerken van het risico zou een gedeeld risico onder Europese actoren in de sector gestimuleerd moeten worden, in het verlengde van de reeds bestaande voorbeelden.

1.8   De Europese industrie moet voor de hypothetische mogelijkheid van een sterke groei van de vraag naar nieuwe centrales enorme investeringen doen in kennis en scholing, en onderzoek en ontwikkeling, die onontbeerlijk zijn voor de toekomst van de sector in Europa. Als kerncentrales minder dan 10 à 15 % van de totale jaarlijkse stroomproductie voor hun rekening nemen, zou dat weinig zinvol zijn omdat voor de kosten van de administratie en het beheer van het afval een kritische massa nodig is om schaalvoordelen te kunnen creëren.

1.9   Het EESC beseft dat het niet haalbaar is om één of meer gemeenschappelijke Europese opslagplaatsen aan te wijzen, zoals in de VS is gedaan. Het roept de lidstaten op om de procedures voor de keuze van definitieve nationale locaties te versnellen. Er zouden geharmoniseerde veiligheidsvereisten moeten komen in de vorm van een richtlijn. Daarom is al gevraagd door de West-Europese vereniging van regelgevende autoriteiten voor kernenergie (WENRA) en het Europees Parlement.

1.10   Het EESC spoort de Commissie aan om de onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's te steunen, met name voor kernenergie van de vierde generatie.

1.11   Ook ten aanzien van de afvalverwerking en de bescherming tegen ioniserende straling lijken de beschikbare onderzoeksmiddelen niet toereikend. Het EESC roept de Commissie, de Raad en het Europees Parlement op om het 7e KP Euratom van meer middelen te voorzien en gezamenlijke, specifiek toegespitste technologische initiatieven te ondersteunen, zoals al gebeurt op het gebied van brandstofcellen en geneesmiddelen. Het EESC doet voorts een beroep op de lidstaten om, voorzover zij bevoegd zijn, aanzienlijk meer voor de oplossing van deze problemen te doen. In juli 2008 heeft de Nuclear Decommissioning Authority (NDA) bekendgemaakt dat er in vergelijking met 2003 30 % meer overheidsgeld nodig is voor het uit bedrijf nemen van kerncentrales. De schattingen van de NDA belopen in totaal 73 miljard pond, ofwel 92 miljard euro, waarbij de tendens stijgende is (1). Volgens EDF, een in hoge mate gestandaardiseerde organisatie, komen deze kosten overeen met 15-20 % van de aanvankelijke bouwkosten.

1.12   Volgens het Comité kunnen de Unie en de lidstaten een aantal stappen overwegen om deze onzekerheden weg te nemen:

de Unie en de lidstaten zouden moeten werken aan een langetermijnconsensus in het gehele politieke spectrum over de rol die kernenergie in de bestrijding van de klimaatverandering zou kunnen spelen;

in economisch opzicht zouden zij kunnen verduidelijken welke eisen zij zullen stellen aan de uitbedrijfname, de verwerking van kernafval en de financiële voorzieningen die operatoren moeten treffen voor deze langtermijnkosten; zij, en de toezichthouders, zouden ook duidelijk moeten maken op welke voorwaarden kernenergie op het net mag komen en hoe acceptabele leveringscontracten voor de lange termijn er uit moeten zien;

de Unie en de lidstaten zouden verder O&O kunnen steunen voor de derde en vierde generatie van nucleaire technologie (inclusief kernfusie), die aan hogere efficiëntie-, milieu- en veiligheidsvereisten voldoen dan de huidige generatie kerninstallaties;

de langdurige ruimtelijkeordeningsprocedures voor de selectie en voorbereiding van geschikte opslaglocaties zouden versneld moeten worden;

de Europese financiële instellingen kunnen wellicht middelen mobiliseren die andere investeerders aanzetten om over de brug te komen en hun rol te vervullen.

2.   De financiering van de nucleaire sector

2.1   De Europese behoefte aan energie en de omvang van de geraamde kosten

2.1.1   In de komende 20 jaar zal Europa circa 800 tot 1 000 miljard euro moeten investeren om de huidige elektriciteitscentrales te vervangen, ongeacht de gebruikte brandstof. Van de in totaal 146 kerncentrales zullen er 50 à 70 vervangen moeten worden (met kosten die tussen de 100 en 200 miljard euro liggen).

2.1.2   De kosten om de levensduur van de in bedrijf zijnde kerncentrales te verlengen, bedragen ongeveer een kwart van de kosten van een nieuwe centrale; daarna kunnen kerncentrales weer 10 à 20 jaar mee. In een recent onderzoek (2) worden uiteenlopende cijfers voor de kosten gegeven: die variëren van 80 tot 500 euro/KWe, afhankelijk van de gebruikte technologie. Het uitgangspunt voor de berekening zijn kerncentrales waarvan de levensduur met circa 10 jaar wordt verlengd.

2.1.3   De onzekerheid over de toekomstige keuzes op energiegebied en de mogelijkheid om al gedane investeringen nog verder te laten renderen, zet de operatoren aan om aan te dringen op een langer gebruik van de huidige installaties in plaats van enorme bedragen in nieuwe en efficiëntere centrales te investeren. Verlenging van de levensduur, waarbij ten minste hetzelfde veiligheidsniveau gegarandeerd wordt, is zeker financieel en uit oogpunt van klimaatbeleid interessant, maar betekent geen oplossing voor de langetermijnbehoefte aan energie: met verlenging van de levensduur van kerncentrales wordt die oplossing eenvoudigweg op de lange baan geschoven.

2.1.4   Indien de productie van elektriciteit door kerncentrales geleidelijk afneemt, moet die elektriciteit worden geproduceerd uit andere energiebronnen die een gelijk uitstootniveau en dezelfde basislast garanderen. Als de stilgelegde centrales worden vervangen, belopen de kosten 100 à 200 miljard euro; wordt het huidige aandeel van kernenergie gehandhaafd, dan kost dit 200 à 400 miljard euro, afhankelijk van de ontwikkeling van de vraag naar elektriciteit.

2.1.5   De kosten voor de bouw van een nieuwe kerncentrale bedragen 2 à 4,5 miljard euro. Volgens de EIB is de ontwikkeling van kernenergie op de lange termijn onzeker en zal het aandeel hiervan in de EU in 2030 ten opzichte van 2004 met niet minder dan 40 % gedaald zijn. De president van de EIB heeft deze verwachting onlangs tijdens een hoorzitting van het EESC bevestigd. Het Internationale Agentschap voor Atoomenergie (AIEA) verwacht dat het aandeel van kernenergie in de productie van elektriciteit in dezelfde periode zal toenemen van 368 GW tot 416 GW, ofwel een wereldwijde stijging van 13 %, terwijl in Europa juist een daling van 15 GW (3) wordt verwacht.

2.2   Klimaatverandering, CO2-uitstoot en kernenergie

2.2.1   Om te voldoen aan de Kyoto-doelstellingen en de nog strengere normen die in Kopenhagen zullen worden vastgesteld, zou de EU 60 % van haar elektriciteit CO2-neutraal moeten produceren. Momenteel is circa 40 % van de CO2-uitstoot in de EU afkomstig van energieopwekking. De rol van kernenergie mag niet buiten beschouwing worden gelaten. Het streven om in 2020 te beschikken voor 20 % hernieuwbare energiebronnen te gebruiken, zou volgens de Commissie moeten worden opgetrokken tot 30 % voor 2030.

2.2.2   De CO2-uitstoot bij de winning en de opwerking van uranium zal waarschijnlijk toenemen, hoofdzakelijk door de gestage uitputting van de lagen met sterk uraniumhoudende mineralen en door het stijgende broeikasgaseffect vanwege het gebruik van fluor en chloor, die vereist zijn voor de bereiding van uraanhexafluroride en de zuivering van het zirkoon dat nodig is voor de staven waarin het verrijkt uranium wordt geplaatst.

2.2.3   De CO2-voetafdruk bij de opwekking van elektriciteit uit kernenergie blijft echter zeer beperkt, een gegeven dat zeker aandacht verdient.

2.2.4   De vraag naar elektriciteit voor openbaar en privé vervoer zal toenemen, evenals de vraag voor de productie van waterstof, dat nu voor 95 % afkomstig is van koolwaterstoffen. Waterstof is een deel van de oplossing voor het probleem van de opslag van elektriciteit, mits geproduceerd met brandstoffen met minimale uitstoot.

2.3   De moeilijkheden waarop de kernindustrie stuit

2.3.1   De belangrijkste moeilijkheid voor de kernindustrie is de onzekerheid op bestuurlijk vlak en in de regelgeving. In elk land zijn de procedures weer anders, in sommige landen is de bouwtijd daardoor twee of drie keer zo lang. De Commissie schat dat er in Finland minstens 10 jaar nodig is, maar in verband met problemen tijdens de bouw is het project stilgelegd en ontstaat er een vertraging van nog eens minstens 18 maanden. De administratieve procedure is begonnen in 2000 en de aansluiting op het net zal waarschijnlijk niet eerder dan in 2011 plaatsvinden.

2.3.2   Kenmerkend voor investeringen in kernenergie is het zeer hoge startkapitaal, dat circa 60 % van de totale investering bedraagt, terwijl de verkoop van elektriciteit pas ongeveer 10 jaar later begint. Rente en aflossing van het geïnvesteerde kapitaal vergt zowat 20 jaar. Hieruit blijkt hoe belangrijk het is dat de looptijden lang genoeg zijn om deze techniek rendabel te maken.

2.3.3   Het betreft investeringen op zeer lange termijn: inbedrijfneming, normaal bedrijf, ontsmetting en ontmanteling kunnen bij elkaar meer dan een eeuw duren. Langdurige financiële stabiliteit van de actoren is onontbeerlijk, evenals de inzet van de overheid voor de toekomst van de kernenergie.

2.3.4   De financiering van de nucleaire sector is meer dan andere bedrijfstakken afhankelijk van de politieke keuze van nationale regeringen. De eerste onzekerheidsfactor ontstaat daardat een veilig en stabiel beleidskader nodig is. Het is zaak burgers hierbij te betrekken en hen van de problematiek bewust te maken: zij kunnen bijdragen aan die politieke keuze op grond van volledige, transparante, begrijpelijke en waarachtige informatie. Slechts op basis van een democratische procedure kan er een bewuste keuze gemaakt worden, die de toekomst van de Europese kernindustrie bepaalt.

2.3.5   Vanwege de hoge financieringskosten moet alle geproduceerde energie ook daadwerkelijk verkocht worden, overwegende dat de nucleaire installaties als basislast moeten fungeren en de geproduceerde stroom gedurende een groot aantal uren per jaar moeten distribueren. De problematische onzekere rentabiliteit kan verholpen worden door het afsluiten van langdurige contracten, zoals in Finland gebeurt.

2.3.6   De tweede onzekerheidsfactor hangt samen met de regeling voor compensatie en de bepaling van de aansprakelijkheid tussen de lidstaten in geval van ongelukken. Het is wenselijk dat er een uniforme Europese garantieregeling komt die de huidige regelingen en verzekeringsdekkingen verbetert, die nu zonder meer ontoereikend zijn in geval van een ernstig ongeluk. De kosten en de aansprakelijkheid dienen geheel voor rekening te komen van de producenten, zoals bij alle andere activiteiten. Gezien de aard van het risico (zeer hoge kosten in geval van een ongeluk gerelateerd aan een uiterst geringe kans hierop) zouden vormen van co-verzekering op wederzijdse basis tussen de diverse kernenergieproducenten moeten worden gestimuleerd.

2.3.7   De publieke opinie. Uit de meest recente opiniepeiling (4) komt een trendbreuk naar voren en een opmerkelijk positieve beoordeling in de landen waar kernenergie gebruikt wordt, hoewel in de EU-27 de negatieve houding enigszins blijft overheersen (45 tegenover 44 %). Op het gebrek aan transparantie en de behoefte aan duidelijke, volledige informatie heeft ook het Europees Forum voor kernenergie gewezen.

2.4   De communautaire middelen

2.4.1   Het Euratom-Verdrag voorziet in het Kaderprogramma van EURATOM specifieke financieringsprojecten voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie.

Het eerste programma (indirecte acties) betreft de volgende sectoren:

onderzoek naar fusie-energie (5),

kernsplijting en stralingsbescherming.

Het tweede programma (rechtstreekse acties) betreft investeringen in:

kernfusie (1 947 miljoen euro, waarvan ten minste 900 miljoen voor activiteiten in verband met het project ITER);

kernsplijting en stralingsbescherming (287 miljoen euro);

nucleaire activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (517 miljoen euro).

2.4.2   Een ander communautair financieringsinstrument is de EIB, die voor deze sector financiering heeft gegarandeerd voor een totaal van 6 589 miljoen euro, voor zowel de bouw van kerncentrales als voor de kernafvalverwerking, waar, voor dezelfde doeleinden, nog 2 773 miljoen euro bijkomt die Euratom beschikbaar stelt.

2.4.3   Uit de analyse van de investeringen blijkt dat de EIB, na een gunstig advies van de Commissie, alleen enorme bedragen garandeert voor de bouw van kerncentrales, maar ook voor de verwerking van het radioactieve afval en voor uitbedrijfname. De internalisering van kosten die de EIB vermeldt, gaat echter voorbij aan andere indirecte kosten, zoals die voor de externe bescherming van de kerncentrales door veiligheidstroepen en de kosten van de ontmanteling van bijkomende installaties, zoals de stuwen die in de rivieren worden aangelegd om een constante watertoevoer naar de reactoren te garanderen, ook in geval van droogte.

2.4.4   De diverse manieren om de kosten te berekenen en de noodzaak om te beschikken over een gegarandeerd systeem van ad-hocfondsen zijn duidelijk beschreven in de Mededeling van de Commissie Tweede verslag over het gebruik van de financiële middelen voor de ontmanteling van nucleaire installaties en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (6).

2.4.5   In dit verslag wordt ook melding gemaakt van het in sommige lidstaten „ongepaste” gebruik van fondsen voor ontmanteling en afvalbeheer. In sommige landen worden deze met overheidsgeld gefinancierde fondsen vaak voor andere doeleinden gebruikt. Hierdoor worden de concurrentieverhoudingen aanzienlijk veranderd, omdat deze kosten aangerekend zouden moeten worden volgens het principe „de vervuiler betaalt”.

2.4.6   Het voorstel van de Commissie uit 2002 om de besluiten 270/1977 en 179/1994 te bundelen en om de financiering te verhogen heeft niet de algemene steun van de Raad gekregen. De beschikbare Euratom-leningen blijven op hetzelfde niveau staan, te weten: 600 miljoen euro, die aangevraagd kunnen worden tot een maximum van 20 % van de totale financiering. Dat is ontoereikend om aan bepaalde aanvragen te voldoen die formeel nog niet zijn ingediend, maar waarover nu al wel voorbereidend overleg met de Commissie wordt gevoerd.

2.4.7   De Euratom-middelen en de EIB-leningen zouden echter gebruikt moeten worden om onderzoek en toepassingen voor een veilige en duurzame ontwikkeling van de kernindustrie te stimuleren. De huidige maatregelen lijken tekort te schieten gezien de stijgende behoefte aan middelen om hoge veiligheidsnormen te garanderen en de risico's tot een minimum te beperken. Deze middelen zouden specifiek bestemd moeten worden voor landen met een aantoonbaar overheidsbeleid inzake verwerking van kernafval.

2.5   Financiering op nationaal niveau

2.5.1   De regeling voor staatssteun sluit de mogelijkheid uit om de bouw van kerncentrales met staatssteun te financieren, terwijl overheidsfinanciering mogelijk en gewenst is voor de uitbreiding van de veiligheidsmaatregelen, de ontwikkeling en invoering van transparante en uniforme methoden voor de verstrekking van vergunningen en voor de locatiekeuze, en de steun aan programma's voor scholing en beroepsontwikkeling. Los van de vraag of er al dan niet nieuwe kerncentrales komen, zijn zeer gespecialiseerde ingenieurs en technici nodig om de veiligheid van kerncentrales te kunnen waarborgen, of die nu nog in bedrijf zijn of niet.

2.5.2   De Europese industrie richt zich momenteel op de bouw van 4 reactoren (2 in Bulgarije, 1 in Finland en 1 in Frankrijk). In de huidige context is het moeilijk uit te gaan van een vergaande uitbreiding van de productiecapaciteit, met name wat betreft de capaciteit voor kernsplijting. De Britse NIA heeft in een recent onderzoek bevestigd dat het 70-80 % van een nieuw programma voor kernenergie kan steunen, met uitzondering van essentiële onderdelen van de reactor zoals de drukketel en turbogeneratoren (7). Het gebrek aan technici en ingenieurs is het grootste struikelblok voor een forse groei van de sector. Dit gebrek tekent zich vooral af in lidstaten die kernenergie nog niet of nauwelijks ontwikkeld hebben. Aan die schaarste kan wèl iets gedaan worden: de opleiding van een ingenieur duurt gemiddeld vijf jaar, terwijl de periode tussen het besluit om een kerncentrale te bouwen en de inbedrijfneming ongeveer tien jaar bedraagt.

2.5.3   Er moet fors geïnvesteerd worden in technische en wetenschappelijke opleidingen. De jongere generaties zijn niet bijster geïnteresseerd in nucleaire studies, met de opvallende uitzondering van landen die een fors nucleair programma ontwikkeld hebben, met goede beroepsmogelijkheden. Voor de nabije toekomst zijn er echter wetenschappers, technici, ingenieurs en deskundigen op het gebied van industriële installaties nodig. De lidstaten die nucleaire technologie gebruiken, en met name de landen die deze willen ontwikkelen, moeten beslist specifieke en forse projecten opzetten waarmee in opleidingen wordt geïnvesteerd.

2.5.4   Het Europese Forum voor kernenergie heeft het belang onderstreept van een harmonisatie van de veiligheidsvereisten. Het CNS (Verdrag inzake nucleaire veiligheid) en de veiligheidsnormen van het IAAE zijn erkend als fundamenteel referentiekader. De West-Europese vereniging van nucleaire regelgevende autoriteiten (WENRA) wil vóór 2010 een geharmoniseerd programma tussen de EU en Zwitserland opzetten. Op basis van een SWOT-analyse wordt voorgesteld te werken aan een Europese richtlijn over de basisbeginselen inzake veiligheid van nucleaire installaties.

3.   De mogelijkheden

3.1   Het gebruik van kernenergie en de financiering ervan houden verband met het door de CO2-uitstoot veranderende klimaat. Ongeveer één derde van de geproduceerde elektriciteit en 15 % van de verbruikte energie in de Unie zijn van nucleaire oorsprong, met een lage CO2-uitstoot. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de bijdrage van hernieuwbare energiebronnen groter wordt (de andere koolstofvrije bron, waaraan voortvarend gewerkt moet worden, samen met energiebesparing), dan nog lijkt het uiterst moeilijk om in de komende decennia de CO2-uitstoot terug te dringen zonder de productie van elektriciteit uit kernenergie op het huidige niveau te handhaven.

3.2   Kernenergie is minder gevoelig voor prijsschommelingen, gezien de geringe invloed van de prijs van uranium op de totale kosten.

3.3   Diversifiëring van de energiemix verhoogt de speelruimte, vooral voor landen die sterk afhankelijk zijn van de invoer van energie.

3.4   Volgens gegevens van de Commissie en enkele betrokkenen in de sector is een met kernenergie geproduceerd kWh duurder dan een kWh uit een traditionele thermische centrale, maar goedkoper dan wanneer er met hernieuwbare energiebronnen wordt gewerkt; de cijfers houden evenwel geen rekening met de te verwachten kosten van de CO2-emissierechten, noch met de gedeeltelijke doorberekening van te verwachten kosten van ontsmetting en ontmanteling aan het eind van de levensduur van een kerncentrale. Voor elk type energiebron zou een methode moeten worden goedgekeurd voor de internalisering van alle externe kosten. Sommige operatoren en minder recente onderzoeken (8) bevestigen dat de kosten van een met kernenergie opgewekt kWh lager zijn.

3.5   Uitputting van brandstofvoorraden. Bij een ongewijzigd aantal centrales en de huidige reactortechnologie zijn de bekende voorraden toereikend voor een economisch verantwoorde werking met lage CO2-uitstoot gedurende een periode die volgens de schattingen varieert van enige decennia tot een paar eeuwen (9)  (10). De onzekerheid is een gevolg van de gestage uitputting van de „zuivere” uraniumlagen, waardoor de kosten voor winning en raffinage toenemen. Dit komt doordat meer energie en chemische middelen nodig worden waardoor het broeikasgaseffect toeneemt. De toekomstige generatie kerncentrales zou echter het verbruik in absolute cijfers kunnen verminderen door de ontwikkeling van kweekreactoren. Het zou interessant zijn om thorium als brandstof te gebruiken, dat meer voorkomt dan uranium en een hogere neutronenopbrengst en betere neutronenabsorptie kent, waardoor er dus per eenheid geproduceerde energie minder verrijking nodig is. Verder zou thorium ook niet-snelle kweekreactoren kunnen voeden en zou er veel minder radiotoxisch afval en plutonium (dat voor oorlogsdoeleinden gebruikt kan worden) vrijkomen.

4.   Risico's

4.1   Kans op catastrofes en fall out: ook al heeft de ontwikkeling van de reactortechnologie dankzij herhaaldelijke controlemaatregelen de risico's objectief gezien tot een minimum teruggebracht, theoretisch blijft het mogelijk dat de kernreactor smelt. Passieve beveiligingssystemen, zoals de „core catcher” in de EPR, die momenteel in Finland in aanbouw is, garanderen dat radioactiviteitlekken in de hand worden gehouden, ook in het zeer onwaarschijnlijke geval van een smeltende kern. De toekomstige reactoren met „inherente veiligheid” zouden dit risico kunnen uitsluiten. Het Europese VHTR-project Raphael bijv. zou garanderen dat de warmte, ook als de koelinstallatie blokkeert, geleidelijk evolueert naar een evenwicht tussen de ontsnappende warmte en de productie van energie, terwijl in de huidige reactoren snel moet worden ingegrepen om de stijgende temperatuur in de kern een halt toe te roepen.

4.2   Gezondheidsrisico's bij normale werking van kerncentrales. Tijdens een tussen 1990 en 1998 uitgevoerd onderzoek naar leukemie bij kinderen die in de buurt van kerncentrales wonen, zijn 670 gevallen vastgesteld, zonder dat er bewijs was voor buitensporig veel gevallen bij kinderen die in een straal van 20 km rond een kerncentrale wonen. Uit een recenter epidemiologisch onderzoek (KiKK), dat in Duitsland op verzoek van het Bundesamt für Strahlenschutz (BfS) op grond van uitgebreid materiaal (1 592 gevallen en 4 735 controles) werd uitgevoerd, is echter gebleken dat het aantal gevallen van kanker bij kinderen onder de vijf jaar omgekeerd evenredig is met de afstand van de woonplaats tot een kerncentrale. De onderzoekers kwamen tot de slotsom dat het gemeten stralingsniveau zo laag is dat, gelet op de stand van de radiobiologische kennis, niet gesteld mag worden dat de blootstelling aan ioniserende straling de oorzaak van de kanker is. Een extern panel van deskundigen (11) heeft de resultaten van het KiKK-onderzoek onder de loep genomen: die resultaten zijn betrouwbaar gebleken en het gemeten lage stralingsniveau noopt tot nader onderzoek naar eventuele hypergevoeligheid van kinderen voor straling en tot constante monitoring van de bevolking die in de buurt van kerninstallaties woont (12). In september 2008 heeft de Zwitserse federale gezondheidsdienst het programma Canupis gelanceerd (Childhood Cancer and Nuclear Power Plants in Switzerland), in het verlengde van de resultaten van het Duitse onderzoek en de analyse van de desbetreffende vakliteratuur die in opdracht van de ASN (de Franse autoriteit voor veilige kernenergie), en naar aanleiding van de aanbevelingen van het rapport-Vroussos is gedaan.

4.3   Kernafval. Er zijn maar heel weinig landen die het probleem van kernafval hebben opgelost door definitieve opslagplaatsen aan te wijzen. De VS hebben de opslagplaats in Nieuw Mexico (Waste Isolation Pilot Plant), die sinds 1999 actief was, moeten degraderen vanwege infiltratie van vloeistoffen die, in combinatie met het steenzout van de mijn, veel corrosie aan de vaten veroorzaakten. Dit leidde tot de conclusie dat locaties in zoutlagen geologisch instabiel zijn. In Europa hebben alleen Finland en Zweden aangekondigd dat ze definitieve opslagplaatsen zullen gaan aanwijzen. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar de herbehandeling van het afval. Het onderzoek naar de definitieve opslag van afval na herbehandeling van bestraalde brandstof moet worden voortgezet. De kwaliteit van deze opslag en de verpakking van het afval zijn essentiële onderdelen in de veiligheid van de brandstofcyclus.

4.4   Behandeling en vervoer. Verdere problemen hangen samen met het beheer van installaties voor behandeling en vervoer van bestraalde brandstof, waarbij in het verleden het gedrag van de verantwoordelijken laakbaar was en niet te vergelijken met het gedrag van de technici van kerncentrales. Zo is het voorgekomen dat voor het vervoer gebruik is gemaakt van ongeschikte schepen (één is er gezonken, gelukkig zonder bestraald materiaal aan boord) of dat gevaarlijk materiaal in zee is geloosd.

4.5   Geologische en hydrogeologische risico's. Gevaarlijk is voorts dat veel centrales in seismische gebieden zijn gebouwd. Japan vond het daarentegen beter om de grootste centrale ter wereld, Kashiwazaki Kariwa in de regio Nigata, te sluiten en daarmee af te zien van een vermogen van 8 000 MWe. Door die sluiting na de aardbeving van 16 juli vorig jaar, is de productie van nucleaire elektriciteit gedaald met 25 TWh. Momenteel wordt er gewerkt aan het weer in bedrijf nemen van twee reactoren.

4.6   Nucleaire proliferatie en terrorisme. De laatste jaren is de bezorgdheid toegenomen na nieuwe bedreigingen door terroristische groeperingen. Echt veilige installaties zouden bestand moeten zijn tegen een er tegenaan vliegend vliegtuig, zonder dat er radioactief materiaal ontsnapt.

4.7   Water. Essentieel zijn tevens de klimaatverandering en het toenemende gebrek aan water. Zoals voor alle thermische centrales geldt, inclusief de op steenkool, olie of zonne-energie werkende centrales, hebben ook kerncentrales een enorme behoefte aan water voor de koeling, tenzij de minder efficiënte luchtkoeling wordt gebruikt. (In Frankrijk is 57 % van het totale jaarlijkse waterverbruik bestemd voor de productie van elektriciteit, met inbegrip van hydro-elektrische stroom, 19,3 miljard m3 op een totaal van 33,7 miljard m3. Het leeuwendeel hiervan (93 %) stroomt weer terug, na koeling van het splijtingsproces en de productie van elektriciteit (13). De opwarming van grote hoeveelheden water door kerncentrales en de zorgwekkende vermindering van de hoeveelheid oppervlakte en grondwater roept verdere vragen op ten aanzien van de keuze van vestigingsplaatsen. Ook de bevolking krijgt steeds meer vragen en wil duidelijke antwoorden van de overheid. In sommige gevallen is in verband met droogte de productie van elektriciteit beperkt of stilgelegd.

4.8   De EU beschikt niet over de nodige grondstoffen. In 2007 was slechts 3 % van de benodigde grondstoffen afkomstig uit de EU. Rusland is de grootste leverancier (circa 25 %, ofwel 5 144 tU), gevolgd door Canada (18 %), Niger (17 %) en Australië (15 %). Kernenergie vermindert dus niet de afhankelijkheid van derde landen, ook al zijn de andere leveranciers grotendeels politiek stabiele landen.

4.9   Toegang tot financiering en kapitaal op de lange termijn. De vereiste financiële middelen zijn zeker omvangrijk, terwijl de ontwerp- en bouwtijd langer dan 10 jaar kan zijn (dus voordat een centrale in bedrijf gaat) de investeringen zeer riskant maakt. De aanvankelijk geplande bouwtijd is tot nu toe altijd overschreden, evenals de tijd die gemiddeld nodig is voordat kan worden begonnen met de verkoop van geproduceerde stroom, wat ook weer extra geld kost.

4.10   Recente ongelukken. Terwijl dit advies werd geschreven, hebben er tal van ongevallen plaatsgevonden: één in Slovenië en vier in Frankrijk. Het verbod om water te gebruiken en om vis te eten uit de rivieren waarin radioactief water was gelekt, is slechts gevallen in de Europese publieke opinie. Deze gebeurtenissen, en de bijbehorende zeer negatieve media-aandacht tonen aan dat strikt de hand moet worden gehouden aan de onderhoudsprocedures en dat de ondernemingen die in kerncentrales werken, zorgvuldig gekozen moeten worden.

5.   Opmerkingen van het EESC

5.1   De hoeveelheid met behulp van kerncentrales geproduceerde stroom is vandaag de dag zo groot dat daarvoor in de Europese energiebalans niet zomaar op korte termijn een vervanging kan worden gevonden.

5.2   Financiering voor de nucleaire sector is meer dan de financiering in andere sectoren verweven met politieke keuzes van de nationale regeringen. Een onzekerheid in de hand werkende factor is de behoefte aan een deugdelijk en stabiel regelgevingskader. Er is beleid nodig dat de burgers bij de zaak betrekt en hen bewust maakt van de problematiek, zodat ze een keuze kunnen maken op grond van volledige en transparante, begrijpelijke en waarachtige informatie. Slechts aan de hand van een democratische procedure kan er een bewuste keuze worden gemaakt, die bepalend is voor de toekomst van de Europese kernindustrie.

5.3   Het gebrek aan transparantie en het feit dat nauwelijks, en dan ook nog tegenstrijdige informatie wordt gegeven over zaken als de toewijzing van middelen voor afvalverwerking en de ontmanteling van uit gebruik genomen centrales, maken de ongerustheid bij de burgers alleen maar groter, zoals de Commissie zelf heeft kunnen vaststellen. Het EESC verzoekt de Commissie om er bij de lidstaten op aan te dringen om een campagne te lanceren over de Europese behoefte aan energie, energie-efficiëntie en de diverse mogelijkheden in dat verband, inclusief die van kernenergie, waarin transparantie en de betrouwbaarheid van de informatie vooropstaan.

5.4   Het Comité tekent aan dat de komende twintig jaar in Europa vele, zowel met fossiele brandstoffen gestookte, als nucleaire centrales het eind van hun levensduur bereiken; dit zou kunnen leiden tot onderbrekingen in de stroomvoorziening, tenzij er fors geïnvesteerd wordt.

5.5   Het Comité heeft in diverse adviezen betoogd dat de meeste aandacht op energiegebied dient uit te gaan naar een sterkere bevordering van energie-efficiëntie en naar uitbreiding van het aandeel van hernieuwbare energie in de opwekking van elektriciteit.

5.6   Het Comité beseft evenwel dat zelfs met maximale inspanningen de uitbreiding van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie het verschil tussen de vraag naar en het aanbod van elektriciteit waarschijnlijk niet zullen kunnen opvangen. In Europa zijn nieuwe investeringen vereist, zowel in kolengestookte als kerncentrales.

5.7   In beide gevallen beschouwt het Comité het als essentieel om alle kosten van milieu- en veiligheidsvereisten mee te nemen in de beoordeling van investeringsprojecten en in de exploitatiekosten.

5.8   Gezien het toenemende belang van klimaatverandering zouden alle nieuwe, met fossiele brandstoffen gestookte centrales geschikt moeten zijn voor voorzieningen voor het afvangen en opslaan van CO2; met de kosten hiervan moet rekening gehouden worden in de beoordeling en het bedrijfsplan. Evenzo dienen de kosten van een eventuele uitbedrijfname en afvalverwerking te worden meegewogen in de beoordeling en bedrijfsplannen van nieuwe kerncentrales. Er mag geen sprake zijn van verkapte subsidies.

5.9   Momenteel staan investeerders en andere financieringsbronnen huiverig tegenover de verstrekking van aanzienlijke middelen voor de bouw van een nieuwe generatie kerncentrales in Europa, vanwege de onzekerheid op het gebied van economie, politiek en regelgeving en de lange termijn tussen de forse investeringen en de inbedrijfname van een centrale.

5.10   Navolging van het Finse model, waarbij een consortium van grootverbruikers tegen stabiele prijzen het leeuwendeel van de opgewekte elektriciteit op vaste basis afneemt, zou gestimuleerd en vergemakkelijkt moeten worden.

5.11   De Commissie zou de O&O-programma's moeten steunen, met name die voor kernfusie en kernenergie van de vierde generatie, ook al zal deze laatste vorm van kernenergie niet vóór 2030 (14) commercieel toepasbaar zijn. Met deze vierde generatie wordt gestreefd naar een „schonere” vorm van kernenergie, waarmee de problemen in verband met afvalbeheer en proliferatie worden opgelost, die de risico's van fall out verder vermindert en waarvoor minder splijtstof nodig is. Deze generatie kan ook een efficiënte bijdrage leveren aan de productie van waterstof. Verder moet kernfusie nadrukkelijk ontwikkeld worden, om de bijzondere voordelen daarvan ten aanzien van veiligheid en voorraden in de tweede helft van deze eeuw te kunnen exploiteren.

5.12   De middelen die Euratom beschikbaar stelt als borgstelling ter verlichting van de financiële lasten van ondernemingen die gebruik kunnen maken van de heel hoge rating van de Europese instellingen, zijn vastgezet en zouden kunnen worden aangepast aan de hogere kosten en de inflatie van de tussentijd, zonder afbreuk te doen aan andere steunprogramma's, zoals die voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen, waaraan eventueel zelfs nog specifieke middelen kunnen worden toegevoegd.

5.13   Ook voor afvalbehandeling en bescherming tegen ioniserende straling lijken de beschikbare middelen en de bijbehorende onderzoeksprogramma's niet toereikend. Het EESC roept de Commissie, de Raad en het Europees Parlement op om het 7e KP Euratom van extra middelen te voorzien, ook via speciale gezamenlijke technologische initiatieven, zoals al het geval is op het gebied van brandstofcellen en geneesmiddelen. Het EESC roept de lidstaten bovendien op om ook van hun kant het nodige te doen in de vorm van uitgebreidere nationale onderzoeksprogramma's op het gebied van stralingsbiologie en -bescherming, epidemiologie en definitieve opslag.

5.14   Het financieringsmodel voor kernenergie, dat losstaat van andere kaderprogramma's, verdient uitbreiding tot de programma's voor energie-efficiëntie en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.

5.15   De lidstaten zouden nationale forums over kernenergie moeten organiseren in navolging van het door de Commissie opgezette model waarbij in Praag en Bratislave de volgende drie thema's zijn besproken: kansen, risico's, transparantie en informatie.

5.16   Stroomlijning van de verstrekking van vergunningen en van de selectie van locaties via een uniforme Europese procedure zou zonder meer positieve gevolgen hebben voor de zekerheid van investeringen en de periodes voor inbedrijfname; de publieke opinie zou echter faliekant tegen Europese regelgeving zijn die soepeler is dan de nationale regelgeving. Inzake veiligheid moet gekeken worden naar het Europees belang bij de omschrijving van strenge en geharmoniseerde normen, gezien het transnationale karakter van de bijbehorende risico's (bijv. kerncentrales in grensstreken). Harmonisatie van ontwerp en voorschriften is wellicht een zaak voor de volgende generatie reactoren.

5.17   Consumenten zouden moeten kunnen mee profiteren van goedkoper opgewekte elektriciteit. Momenteel zijn de prijzen aan de elektriciteitsbeurs gebaseerd op de kosten van de duurste elektriciteit (combinatie van gas- en kolengestookte centrales). De beursnotering zou per energiebron moeten plaatsvinden, met gedifferentieerde prijzen.

Brussel, 4 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Lagerhuis, Committee of Public Accounts Nuclear Decommissioning Authority 38 Report of Session 2007/2008, VK.

(2)  Österreichisches Ökologie Institut Wien 2007.

(3)  Verslag DOE/EIA-0484 (2008), juni 2008.

(4)  Speciaal nummer van Eurobarometer 297, meningen over radioactief afval (juni 2008).

(5)  P. Vandenplas, G. H. Wolf.50 years of controlled nuclear fusion in the European Union, Europhysics News, 39, 21 (2008).

(6)  COM(2007) 794 final van 12 december 2007.

(7)  NIA (Nuclear Industry Association). The UK capability to deliver a new nuclear build programme 2008 update.

(8)  DGEMP-Referentiekosten voor stroomopwekking; Ministerie van Economische Zaken, financiën en industrie, december 2003.

(9)  Storm van Leeuwen, Nuclear Power, the energy balance (2008), www.stormsmith.nl.

(10)  World Nuclear Association, www.world-nuclear.org/info/info.html.

(11)  Dr. Brüske-Hohlfeld, GSF, Neuherber, prof. Greiser, BIPS, Bremen, prof. Hoffmann, universiteit Greifswald, dr. Körblein, Umweltinstitut München, prof. Jöckel, universiteit Essen Duisburg, dr. Küchenhoff, LMU München, dr. Pflugbeil, Berlijn, dr. Scherb, GSF, Neuherberg, dr. Straif, IARC, Lyon, prof. Walther, universiteit München, prof. Wirth, Wuppertal, dr. Wurzbacher, Umweltinstitut München.

(12)  Mélanie White-Koning, Denis Hémon, Dominique Laurier, Margot Tirmarche, Eric Jougla, Aurélie Goubin, Jacqueline Clave.

(13)  Eau France en IFEN (Institut Français de l'Environnement), gegevens over 2004.

(14)  GIF Generation IV International Forum 2008.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/8


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Toegang tot breedband voor iedereen: uitbreiding van de universele dienst in de elektronischecommunicatiesector”

(2009/C 175/02)

Het Franse voorzitterschap van de Europese Unie heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag op 3 juli 2008 schriftelijk verzocht een verkennend advies op te stellen over het volgende onderwerp:

Toegang tot breedband voor iedereen: uitbreiding van de universele dienst in de elektronischecommunicatiesector.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 november 2008 goedgekeurd; rapporteur was de heer Hencks.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 125 stemmen vóór en 3 tegen werd goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1   Tegenwoordig moet informatie- en communicatietechnologie (ICT) — die de basis vormt van een voor iedereen toegankelijke informatiemaatschappij — beantwoorden aan de behoeften van alle burgers.

1.2   Toch blijven elektronischecommunicatiemiddelen onbereikbaar voor veel burgers doordat zij geen toegang tot netwerken en diensten of te weinig vaardigheden hebben. Tot op heden is het nog niet gelukt om de digitale kloof te laten verdwijnen, ondanks de universeledienstverplichtingen die gelden voor de elektronischecommunicatiesector (op grond waarvan een bepaalde minimale dienstverlening van een bepaalde kwaliteit voor een redelijke prijs aan alle gebruikers moet worden geleverd).

1.3   Sinds de invoering van het begrip „universele dienst” is het toepassingsgebied daarvan namelijk vrijwel ongewijzigd gebleven. Dat omvat voor de elektronischecommunicatiesector nog altijd slechts één smalbandaansluiting op het openbare telefoonnetwerk.

1.4   Algemene toegang tot breedband vormt echter niet alleen een kernvoorwaarde voor de ontwikkeling van de moderne economieën en een belangrijk onderdeel van de Lissabon-agenda, maar is ook van essentieel belang voor welzijn en e-inclusie.

1.5   Het EESC is dan ook van mening dat de universeledienstverlening aan de technologische vooruitgang en de behoeften van de gebruikers moet worden aangepast. In dit verband stelt het voor om:

de omvang van de universele dienst uit te breiden en binnen redelijke termijnen (die in een meerjarenprogramma moeten worden vastgelegd) een universeel aanbod verplicht te stellen van DSL-toegang met minimale transmissiesnelheden van tussen de 2 en 10 Mb/s, ofwel mobiele of draadloze toegang (WIMAX, satelliet enz.) met dezelfde transmissiesnelheden;

niet alleen aandacht te besteden aan digitale (dus sociale) uitsluiting ten gevolge van geografische omstandigheden, maar ook aan die welke verband houdt met tekortschietende financiële draagkracht of vaardigheden van bepaalde groepen gebruikers, en het concept van de universele dienst zodanig aan te passen dat alle burgers toegang kunnen krijgen tot het internet, ongeacht hun geografische, financiële of sociale situatie;

steun te verlenen aan nationale en lokale projecten ter bevordering van de digitale integratie alsmede aan kleinschalige initiatieven van instanties en organisaties die mensen met technische hulpmiddelen leren omgaan, met name door microkredieten voor lokale scholingsprojecten te verstrekken, openbare internetcentra op te richten en op openbare plaatsen interactieve zuilen met gratis internettoegang te installeren;

de lidstaten te verzoeken financiële steun te verlenen aan mensen en gezinnen voor wie de basisapparatuur voor elektronische communicatie (computer, software en modem), internettoegang en aanverwante dienstverlening te duur zijn;

financiering van universele dienstverlening met overheidssubsidies en bijdragen uit communautaire middelen aan te moedigen, aangezien dat de enige geschikte financieringsmogelijkheid is voor landen waar de universeledienstverplichtingen buitensporig hoge kosten voor de exploitanten met zich meebrengen;

de Commissie te verzoeken regelmatig goede praktijkvoorbeelden hieromtrent te publiceren.

2.   Inleiding

2.1   De Europese Commissie beschreef in 1993 (1) voor het eerst gedetailleerd wat in de telecommunicatiesector onder het begrip universele dienst moest worden verstaan. Dat concept werd toentertijd als vangnet gezien om „de toegang tot een welbepaald minimumpakket van diensten van een bepaalde kwaliteit en de levering van die diensten aan alle gebruikers mogelijk te maken, ongeacht hun geografische locatie en, in het licht van de specifieke nationale omstandigheden, voor een betaalbare prijs”.

2.2   Vervolgens werd het begrip universele dienst in meerdere richtlijnen (2) geconsolideerd en omdat telecommunicatie, media en IT steeds verder met elkaar verweven raakten, uitgebreid met elektronischecommunicatiediensten.

2.3   Naarmate de informatiemaatschappij zich verder ontwikkelt, wordt de afstand (de digitale kloof genoemd) steeds groter tussen degenen die de mogelijkheden van elektronischecommunicatienetwerken benutten voor hun carrière of persoonlijke ontwikkeling, en degenen die dat niet kunnen omdat zij geen toegang tot ICT hebben of de nodige kennis missen.

2.4   Uit een steekproef van Eurobarometer (3) bleek dat eind 2007 49 % van alle huishoudens in de EU-27 aangesloten was op het internet (52 % in de EU-15 en 33 % in de 12 nieuwe lidstaten) en meer dan de helft van alle Europeanen thuis een computer had (57 %).

2.5   Hoewel het aantal internetaansluitingen in de hele EU continu stijgt, is gemiddeld dus nog maar één op de twee huishoudens aangesloten op het internet. In Bulgarije, Griekenland en Roemenië is dat nog niet één op de vier.

2.6   De elektronischecommunicatiemiddelen, zonder welke de informatiemaatschappij niet tot stand kan komen, zijn voor veel burgers dus niet toegankelijk, terwijl grote hoeveelheden informatie alleen nog maar via ICT worden doorgegeven.

2.7   Het gevaar van een steeds groter wordende digitale kloof baart de EU al jaren permanent zorgen. Regelmatig wordt de wetgeving inzake elektronische communicatie aangepast en aangevuld met specifieke bepalingen, teneinde een universele dienstverlening te behouden en de rechten van gebruikers en persoonsgegevens te beschermen. Het EESC heeft al een groot aantal adviezen hierover uitgebracht (4).

2.8   In de verklaring van Riga (5) van 11 juni 2006 over e-inclusie hebben de lidstaten zich ertoe verbonden de regionale verschillen t.a.v. internettoegang in de EU significant te verkleinen door de uitrol van breedband in gebieden waar die tot nog toe achterbleef, te bevorderen. Ook hebben de lidstaten beloofd in de periode tot 2010 het aantal personen uit met sociale uitsluiting bedreigde groepen dat geen internet gebruikt, met de helft te verkleinen.

2.9   Ondanks deze verklaring werd het toepassingsgebied van de universele dienst niet gewijzigd.

2.10   De Europese Commissie heeft in 2007 een ingrijpende herschikking voorgesteld van de bestaande Europese regelgeving voor elektronische communicatie. Die herschikking behelsde onder meer een wijziging van de „Universeledienstrichtlijn” (6).

2.11   De belangrijkste veranderingen die met betrekking tot deze richtlijn werden geformuleerd, hielden verband met een betere voorlichting van eindgebruikers, het gebruik en de toegang tot elektronische communicatie door resp. voor gehandicapten, de oproep van nooddiensten, en de instandhouding van een basisconnectiviteit en minimale dienstverlening (7).

2.12   Gehandicapten en mensen met specifieke behoeften stuiten permanent op problemen als zij toegang willen krijgen tot essentiële sociaaleconomische diensten (8). Het EESC kan er daarom alleen maar mee instemmen dat in het voorstel uit 2007 tot wijziging van de Universeledienstrichtlijn (9) de mogelijkheid die de lidstaten tot dan toe hadden om specifieke maatregelen te nemen t.b.v. gehandicapte gebruikers, werd vervangen door een expliciete verplichting  (10).

2.13   Het voorstel tot wijziging van de Universeledienstrichtlijn omvatte echter geen uitbreiding van de omvang van de universele dienst en evenmin veranderingen t.a.v. de levering daarvan aan consumenten en eindgebruikers.

3.   De huidige omvang van de universele dienst

3.1   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat door ten minste één onderneming wordt voldaan aan alle redelijke aanvragen om aansluiting op een vaste locatie op het openbare telefoonnetwerk en om toegang tot openbare telefoondiensten op een vaste locatie (telefonische inlichtingen, telefoonboek, openbare betaaltelefoons, voorzieningen voor gehandicapten).

3.2   Omdat de exploitanten van mobieletelefonienetwerken op grond van hun nationale licenties verplicht zijn voor een volledige geografische en/of demografische dekking te zorgen, wordt spraaktelefonie inmiddels universeel aangeboden, hoewel de tarieven vaak niet transparant zijn.

3.3   De verplichte aansluiting op het vaste netwerk is echter beperkt tot één smalbandaansluiting. Er worden geen eisen aan de data- of bitsnelheid gesteld, maar de aansluiting moet geschikt zijn voor „functionele toegang tot internet, rekening houdend met de door de meerderheid van de abonnees gebruikte gangbare technologieën en met de technologische haalbaarheid (11).

4.   Uitbreiding van de universele dienst

4.1   Algemene opmerkingen

4.1.1   Het begrip universele dienst en de omvang daarvan moeten worden aangepast aan de technologische vooruitgang, marktontwikkelingen en veranderende gebruikersbehoeften.

4.1.2   De Commissie stelt in haar „tweede periodieke evaluatie inzake de omvang van de universele dienst met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten” (12) dat de voorwaarden voor uitbreiding van het toepassingsgebied van de universele dienst (zoals geformuleerd in bijlage V bij de Universeledienstrichtlijn) op dit moment niet zijn vervuld. Ze erkent echter dat „redelijkerwijze [kan] worden verwacht dat smalband binnen relatief korte tijd niet meer zal voldoen aan de eis” toereikend zijn voor functionele toegang tot internet „”.

4.1.3   Volgens het EESC is een aanpassing van de universele dienst nu al geboden. Die zou betrekking moeten hebben op onderstaande aspecten.

4.2   Toegang tot een basispakket aan diensten

4.2.1   Soms wordt de digitale kloof veroorzaakt door bepaalde gedragingen of culturele gewoontes. Die kunnen in de loop der tijd veranderen. Andere keren ligt de oorzaak echter in structurele sociaaleconomische ongelijkheden.

4.2.2   Deze leiden op hun beurt tot andere ongelijkheden, bijvoorbeeld t.a.v. toegang tot de arbeidsmarkt, onderwijs, na- en bijscholing, consumptiegoederen, (openbare) diensten, sociale voorzieningen en mogelijkheden om actief invulling te geven aan burgerschap en democratie.

4.2.3   De ongelijkheden die ten grondslag liggen aan de digitale kloof, houden verband met verschillende aspecten, zoals een gebrek aan apparatuur, toegangsmogelijkheden en opleiding en een tekortschietende ondersteuning van gebruikers. Daarom moeten tegelijkertijd maatregelen worden genomen t.a.v.:

aanbod van scholing in nieuwe technologieën;

beschikbaarheid van apparatuur;

connectiviteit.

4.3   Scholing van gebruikers

4.3.1   Digitale technologieën worden op steeds grotere schaal toegepast en het gebruik ervan vereist steeds meer vaardigheden. Daardoor zullen de ongelijkheden m.b.t. benutting van of toegang tot die technologieën steeds groter worden, zelfs als iedereen over de benodigde apparatuur zou beschikken.

4.3.2   Mensen die niet kunnen omgaan met een computer of zich geen raad weten met het internet (vaak veroorzaakt door een totaal gebrek aan interesse) ondervinden daarvan steeds meer de gevolgen. Er is een sociale kloof aan het ontstaan, niet alleen voor degenen die geen toegang hebben tot de nieuwe technologieën, maar ook voor degenen die moeite hebben daarmee te leren omgaan.

4.3.3   In dit verband moet speciale aandacht worden geschonken aan ouderen, aangezien die zich vaak slechts schoorvoetend op het digitale pad begeven (generatiekloof). Voor hen zouden speciale op maat gemaakte „digitale alfabetiseringsprogramma's” moeten worden opgezet (13).

4.3.4   Gelet op bovenstaande moet steun worden verleend aan nationale en lokale projecten ter bevordering van de digitale integratie alsmede aan kleinschalige initiatieven van instanties en organisaties die mensen met technische hulpmiddelen leren omgaan, met name door microkredieten voor lokale scholingsprojecten te verstrekken, openbare internetcentra op te richten en op openbare plaatsen interactieve zuilen met gratis internettoegang te installeren. Het EESC vindt dat de Commissie regelmatig goede praktijkvoorbeelden hieromtrent moet publiceren.

4.4   Beschikbaarheid van apparatuur

4.4.1   Veel mensen en gezinnen hebben geen toegang tot het internet of elektronischecommunicatiediensten omdat de basisapparatuur die zij daarvoor nodig hebben (computer, software en modem) te duur is.

4.4.2   Het EESC roept de lidstaten daarom op om in hun beleid t.a.v. de universele dienst een financiële steunregeling op te nemen teneinde het realiseren van een internetaansluiting te vergemakkelijken en het internetgebruik te bevorderen.

4.5   Connectiviteit

4.5.1   Tegenwoordig spreekt het voor zich dat ICT — die de basis vormt van een voor iedereen toegankelijke informatiemaatschappij — moet beantwoorden aan de behoeften van alle burgers en met name van degenen die buitengesloten dreigen te worden. Alleen zo kan de digitale kloof worden verkleind en worden voorkomen dat definitief een tweesnelhedenmaatschappij ontstaat.

4.5.2   De gevolgen van de mondiale convergentie van het internet, het ontstaan van netwerken en de digitalisering vereisen tezamen steeds vaker snelle netwerkverbindingen voor het gebruik van nieuwe toepassingen.

4.5.3   De Commissie concludeert in haar mededeling van 20 maart 2006 (14) over de „overbrugging van de breedbandkloof” het volgende: „Grootschalige toegang tot breedband is een kernvoorwaarde voor de ontwikkeling van moderne economieën en een belangrijk onderdeel van de Lissabon-agenda”. In haar mededeling van 29 september 2008 erkent ze „dat er geografische gebieden zijn waar de markt waarschijnlijk niet binnen een redelijke termijn […] [breedband]diensten zal gaan aanbieden […] [en de] uitsluiting van informatie een reëel probleem [zal] worden”.

4.5.4   Het EESC dringt er daarom al jaren op aan om breedbandtoegang volledig onder de universele dienst te laten vallen.

4.5.5   Als gevolg van een wijziging van de Universeledienstrichtlijn in 2002 werd de universele dienst uitgebreid met het begrip functionele toegang tot het internet, hetgeen inhoudt dat data met zo'n snelheid moeten worden doorgegeven dat toegang tot het internet mogelijk is.

4.5.6   Deze wijziging leek zes jaar geleden voldoende omdat toen hoofdzakelijk het openbaar telefoonnet werd gebruikt om toegang te krijgen tot het internet. Tegenwoordig echter is breedband vereist voor toepassingen op het vlak van e-gezondheid, e-zakendoen, e-overheid en e-leren — toepassingen die de komende jaren essentieel zullen worden voor de levenskwaliteit en groei in Europa.

4.5.7   Het EESC vindt het daarom hoogstnoodzakelijk te preciseren wat moet worden verstaan onder „functionele toegang tot het internet”. Het stelt dan ook voor om de universeledienstverlener te verplichten binnen redelijke termijnen (die in een meerjarenprogramma moeten worden vastgelegd) DSL-toegang aan te bieden met minimale transmissiesnelheden van tussen de 2 en 10 Mb/s, ofwel mobiele of draadloze toegang (WIMAX, satelliet enz.) met dezelfde transmissiesnelheden, waarbij deze cijfers aan de technologische vooruitgang en de behoeften van de gebruikers moeten worden aangepast.

4.6   Beschikbaarheid voor alle gebruikers ongeacht waar zij wonen

4.6.1   De markt is vaak niet in staat om in afgelegen of landelijke gebieden (met name in de nieuwe lidstaten) tegen een redelijke prijs kwalitatief goede toegang te verschaffen tot infrastructuur voor elektronische communicatie.

4.6.2   Er bestaan grote verschillen tussen stad en platteland t.a.v. de beschikbaarheid van breedband. Op het platteland bedraagt de DSL-dekking 71,3 %, in stedelijke gebieden 94 % (8). Een ander probleem vormen de te lage transmissiesnelheden in landelijke gebieden. Deze belemmeren het gebruik van breedband door ondernemingen en huishoudens, waardoor die niet kunnen ervaren wat een echte multimediaomgeving inhoudt.

4.6.3   Verschillende sociale groepen zijn het slachtoffer van de digitale kloof, afhankelijk van bepaalde demografische (leeftijd, geslacht, soort huishouden), sociaaleconomische (opleidingsniveau, werk, status, inkomen) of geografische variabelen (woning, woonplaats, regionale of lokale kenmerken, geopolitieke situatie).

4.6.4   Er moet daarom niet alleen aandacht worden besteed aan digitale (dus sociale) uitsluiting ten gevolge van geografische omstandigheden, maar ook aan uitsluiting die verband houdt met tekortschietende financiële draagkracht of vaardigheden van bepaalde groepen gebruikers.

4.6.5   Het EESC vindt dan ook dat het concept van de universele dienst zodanig moet worden aangepast dat alle burgers toegang kunnen krijgen tot het internet, ongeacht hun geografische, financiële of sociale situatie.

4.7   Dienstverlening van een bepaalde kwaliteit

4.7.1   In het voorstel tot wijziging van de Universeledienstrichtlijn wordt de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid verleend om een daling van de kwaliteit van de dienstverlening, ontoegankelijkheid van de netwerken en vertraging van het verkeer over de netwerken te voorkomen door minimumkwaliteitsniveaus vast te stellen voor netwerktransmissiediensten voor eindgebruikers.

4.7.2   Het EESC is van mening dat het minimumkwaliteitsniveau voor alle lidstaten hetzelfde zou moeten zijn. In eerste instantie zou dat niveau dan ook door de Europese wetgever en niet door nationale regelgevende instanties moeten worden vastgesteld.

4.8   Dienstverlening voor een redelijke prijs

4.8.1   In plaats van over een redelijke of een billijke prijs zou gesproken moeten worden van een „voor iedereen betaalbare prijs”, omdat die formulering beter aansluit op de beoogde doelstellingen.

4.8.2   Het element „redelijke prijs” maakt al deel uit van de definitie van de universele dienst, maar behoort niet tot het communautaire toepassingsgebied daarvan, aangezien de vraag wat onder internettoegang voor een redelijke prijs moet worden verstaan afhankelijk is van nationale factoren zoals het gemiddeld inkomen.

4.8.3   Het EESC stelt voor op communautair niveau na te gaan of de lidstaten in het kader van de universeledienstverlening sociale tarieven voor breedbandinternettoegang en -gebruik zouden kunnen invoeren.

5.   Financiering

5.1   Als de universele dienst wordt uitgebreid met breedbandinternet, brengt dat veel extra kosten met zich mee voor de exploitanten, die ten gevolge daarvan vaak geen winst meer zullen kunnen maken.

5.2   Deze extra kosten hangen niettemin voor een groot deel samen met de gebruikte technologie. Enerzijds kunnen zij worden beperkt door mobiele in plaats van vaste aansluitingen te kiezen (het aansluiten van een nieuwe abonnee op een bestaand mobiel netwerk kost immers bijna niets), anderzijds moet niet worden vergeten dat de inbelkosten voor de gebruikers bij een vaste aansluiting veel minder bedragen dan bij een mobiele aansluiting.

5.3   Als een universeledienstverplichting een „onredelijke last” voor een dienstverlener vormt, mogen de lidstaten op grond van de Universeledienstrichtlijn uit 2002 hem te hulp schieten met financieringsregelingen, zoals:

het gebruik van algemene overheidsmiddelen;

heffingen ten laste van de gebruikers;

heffingen op alle ondernemingen of nader bepaalde groepen ondernemingen.

5.4   Daarnaast kunnen voor de ontwikkeling van regio's en landelijke gebieden met ontwikkelingsachterstanden onder bepaalde voorwaarden de Structuurfondsen en de middelen voor plattelandsontwikkeling worden aangesproken.

5.5   Wat betreft de toegang tot ICT-netwerken in Europese regio's die te kampen hebben met de digitale kloof, herhaalt het EESC zijn verzoek (15) om via de Structuurfondsen en de middelen voor plattelandsontwikkeling en O&O specifiek geld uit te trekken voor e-inclusie.

5.6   De mondiale convergentie van het internet en het grote aantal betrokken exploitanten (leveranciers van toegangsinfrastructuur, internetplatforms en inhoud) maakt het steeds lastiger de markten af te bakenen die aan de benodigde middelen moeten bijdragen. Hierover ontstaan constant conflicten en besluiten worden aldoor betwist.

5.7   Bovendien worden de aan de exploitanten opgelegde heffingen in het algemeen (op zijn minst gedeeltelijk) doorberekend in de uiteindelijke prijs.

5.8   Het EESC kan er dan ook niet mee instemmen dat de residuele kosten van de universele dienst worden gecompenseerd middels een directe of indirecte heffing of via hogere tarieven voor de gebruikers: zulks is onverenigbaar met het concept „redelijke prijs”.

5.9   Volgens het EESC zijn overheidssubsidies, in combinatie met bijdragen uit de communautaire middelen, de enige geschikte financieringsmogelijkheid voor landen waar de universeledienstverplichtingen dermate hoge kosten voor bedrijven inhouden dat normale commerciële exploitatie onmogelijk is.

5.10   Financiering van de universele dienst via de algemene belastingen — waardoor de kosten daarvan fiscaal gezien veel breder worden uitgesmeerd — betekent namelijk heel wat minder verlies aan maatschappelijk welzijn dan financiering via heffingen voor exploitanten of consumenten.

Brussel, 4 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Zie document COM(93) 159 final

(2)  Richtlijnen 95/62/EG, 97/33/EG, 98/10/EG en 2002/22/EG

(3)  Eurobarometer special 293, juni 2008: Enquête naar de elektronische communicatiemogelijkheden van huishoudens in de periode november-december 2007

(4)  Mededeling van de Commissie „Elektronische communicatie: De weg naar de kenniseconomie”, COM(2003) 65 final, 11 februari 2003; advies CESE, „Snelle verbindingen voor Europa”, rapporteur McDonogh, PB C 120 van 20 mei 2005, blz. 22; advies CESE, „Overbrugging van de breedbandkloof”, rapporteur McDonogh, PB C 318 van 23 december 2006, blz. 229; advies CESE, „i2010 –Informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid”, rapporteur Lagerholm, PB C 110 van 9 mei 2006, blz. 83; advies CESE, „e-toegankelijkheid”, rapporteur Cabra de Luna, PB C 110 van 9 mei 2006, blz. 26

(5)  Zie http://ec.europa.eu/information_society/events/ict_riga_2006/doc/declaration_riga.pdf

(6)  Voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, van Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie, en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (COM(2007) 698 final)

(7)  Advies CESE, „Elektronischecommunicatienetwerken”, PB C 224 van 30 8 2008, blz. 50, apporteur Hernández Bataller

(8)  Voortgangsverslag over de interne Europese markt voor elektronische communicatie 2007 (13e verslag) (COM(2008) 153 final)

(9)  COM(2007) 698 final

(10)  Advies CESE, „e-toegankelijkheid”, rapporteur Cabra de Luna, PB C 110 van 9 mei 2006, blz. 26

(11)  Zie COM(2007) 698 final

(12)  COM(2008) 572 final

(13)  Zie verkennend advies CESE 1524/2008 „Wat ouderen nodig hebben en hoe daarmee rekening kan worden gehouden”, rapporteur Heinisch

(14)  COM(2006) 129 final

(15)  Advies CESE „De toekomstige wetgeving op het gebied van elektronische toegankelijkheid”, rapporteur de heer Hernández Bataller, PB C 175 van 27 juli 2007, blz. 91


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/13


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Adequate governance van de herziene Lissabonstrategie”

(2009/C 175/03)

In een brief aan de heer DIMITRIADIS heeft de Europese Commissie op 11 juni 2008 het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht om overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag een verkennend advies op te stellen over het thema:

Adequate governance van de herziene Lissabonstrategie.

Het bureau van het EESC heeft de afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang op 25 mei 2008 met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden belast.

Gezien de urgente aard van de werkzaamheden heeft het Comité tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december) besloten mevrouw FLORIO als algemeen rapporteur aan te wijzen. Vervolgens heeft het onderstaand advies met 100 stemmen vóór en 5 tegen, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

INLEIDING

In tijden van grote onzekerheid is er behoefte aan een langetermijnvisie, een consistent beleid en betrokkenheid van alle stakeholders. De Lissabonstrategie biedt een overkoepelend kader dat de Europese Unie in staat stelt om nog luider met één stem te spreken op het wereldtoneel.

Door het maatschappelijk middenveld hierbij actiever te betrekken zal ongebruikt potentieel worden aangeboord. Uit de opzet en uitvoering van de strategie blijkt dat een combinatie van een top-down- en bottom-upaanpak het beste is. Door een goede governance van de Lissabonstrategie kunnen beleidslijnen beter op elkaar worden afgestemd en kunnen economische groei en werkgelegenheid worden bevorderd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De Lissabonstrategie is een project dat de gehele Europese samenleving in staat moet stellen om de uitdagingen van de oprukkende mondialisering aan te kunnen. Het Comité is van oordeel dat ten gevolge van de huidige crisis op de financiële markten en de economische consequenties en toenemende onzekerheid die hieruit voortvloeien, het Europese concurrentievermogen, duurzame groei en sociale samenhang nog altijd van cruciaal belang zijn. De drie pijlers van de Lissabonagenda, nl. groei en werkgelegenheid, sociale samenhang en duurzaamheid, vereisen een continue interactieve en evenwichtige aanpak.

1.2   Dit advies is in de eerste plaats op verzoek van de Europese Commissie tot stand gekomen (1). Het gaat over de governance van de Lissabonstrategie en ligt in het verlengde van eerdere bijdragen van zowel het EESC als Europese maatschappelijke organisaties aan het Lissabonproces.

1.3   Het Comité beklemtoont dat de nationale overheden de strategie voldoende moeten steunen en wijst derhalve op hun politieke en morele plicht om samen met de maatschappelijke organisaties hervormingen op touw te zetten en door te voeren. Het is van essentieel belang dat de niet-gouvernementele stakeholders in de lidstaten als volwaardige gesprekspartners kunnen meebeslissen over de agenda van het Lissabonproces. De nationale sociaaleconomische raden of soortgelijke organisaties moeten de rol spelen die hun krachtens de nationale wetgeving en praktijk ten aanzien van de Lissabonstrategie toekomt (2).

1.4   Er zijn grote verschillen in governance tussen de lidstaten. In sommige lidstaten zijn de raadplegings- en informatieprocedures goed georganiseerd, in andere zijn deze voor verbetering vatbaar. Uitwisseling van goede praktijkervaringen moet worden gestimuleerd. Het EESC gaat dan ook regelmatig op werkbezoek in de lidstaten om met stakeholders uit het maatschappelijk middenveld over de uitwisseling van goede praktijkervaringen en de uitvoering van de hervormingen te spreken (3).

1.5   Het EESC wijst erop dat de herziening van de strategie de burgers belangrijke economische en sociale stabiliteit garandeert, terwijl tegelijkertijd doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling zijn vastgesteld. De verschillende actoren uit de publieke en private sector zouden elk hun eigen rol moeten bepalen en nagaan welke positieve bijdrage zij kunnen leveren, zodat economische efficiëntie en sociale rechtvaardigheid gecombineerd kunnen worden ten behoeve van het welzijn van de Europese burgers.

1.6   Het EESC vindt het zeer wenselijk dat alle stakeholders (op nationaal, regionaal en lokaal niveau) rechtstreeks betrokken worden bij het vaststellen van „adequate governance” op het desbetreffende niveau. Gezien de verschillende overlegniveaus zijn verschillende vormen van betrokkenheid en verschillende werkmethodes nodig.

1.7   Rekening houdend met verschillen tussen lidstaten is het EESC voorstander van een permanente dialoog met de nationale sociaaleconomische raden enerzijds en de sociale partners anderzijds, waaraan ook andere stakeholders uit het maatschappelijk middenveld (bijv. het mkb en organisaties uit de sociale economie (4)) en universiteiten en denktanks kunnen deelnemen. Daarnaast kunnen organisaties die sociale cohesie en gelijke kansen willen bevorderen, hierbij worden betrokken.

1.8   Aan het einde van elke Lissaboncyclus zou er (als follow-up van de permanente nationale dialoog) een conferentie met stakeholders en maatschappelijke organisaties kunnen worden gehouden om de sterke en zwakke punten te bespreken. Door de nadruk te leggen op de sterke punten en successen zal er, in het algemeen, een sterker maatschappelijk draagvlak ontstaan voor de voortzetting van het hervormingsproces.

1.9   Er is een beter en meer gedetailleerd monitoringsysteem nodig om toezicht te houden op de rol en de acties van de verschillende stakeholders bij de tenuitvoerlegging. Daarom pleit het Comité voor een meer algemeen gebruik van het model voor kwantitatieve en kwalitatieve benchmarking (zie par. 2.8) dat in sommige landen wordt getest; hierdoor krijgen maatschappelijke organisaties een grotere rol bij de uitvoering en monitoring.

1.10   Volgens het Comité is er dringend behoefte aan een breed maatschappelijk debat over de wijze waarop de strategie wordt uitgevoerd. Het is dan ook de hoogste tijd dat het maatschappelijk middenveld een brede en diepgaande discussie aangaat over de hervormingen die de Lissabonstrategie op verschillende niveaus teweegbrengt. De nationale sociaaleconomische raden of soortgelijke maatschappelijke organisaties in lidstaten zonder een dergelijke raad moeten een grotere rol gaan spelen, met name in de gevallen waarin hun speciale rol nog niet uit de verf komt. Ook andere adviesorganen die zich bezighouden met bepaalde aspecten van de Lissabonstrategie (nationale raden voor duurzame ontwikkeling, gelijke kansen of armoedebestrijding), moeten hierbij worden betrokken, samen met organen voor de raadpleging van de sociale partners.

1.11   Er moeten nieuwe concrete stappen worden ondernomen door de Europese Commissie en de lidstaten om de tenuitvoerlegging te verbeteren door gebruik te maken van nieuwe, met name elektronische, communicatiemethodes (in kaart brengen van goede praktijkervaringen, scoreborden enz.) Grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van goede praktijkervaringen dienen te worden bevorderd.

1.12   Het EESC kan niet alleen fungeren als platform voor de uitwisseling van informatie tussen nationale sociaaleconomische raden, sociale partners en andere maatschappelijke actoren aan de ene kant en de Europese instellingen aan de andere kant, maar ook als platform voor de uitwisseling van gedachten en ervaringen tussen nationale niet-gouvernementele actoren. Het Comité is zeer te spreken over de bijdragen van de nationale sociaaleconomische raden en andere maatschappelijke organisaties aan de discussies.

1.13   De nationale coördinatoren van de Lissabonstrategie zouden tijdens de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van de nationale hervormingsprogramma's in alle gevallen regelmatig moeten samenwerken met alle welbepaalde stakeholders. Het Comité verzoekt de regeringen van de lidstaten om hun burgers uitgebreider te informeren over de resultaten van de civiele en sociale dialoog met betrekking tot de Lissabondoelstellingen.

2.   De rol van in het governance-proces — nieuwe vormen van en instrumenten voor adequate governance

2.1   Doordat de internationale economie met grote problemen en onzekerheden wordt geconfronteerd, is het economisch optimisme in Europa sterk getaand. In deze context winnen de Lissabonagenda en de tenuitvoerlegging van evenwichtige structurele hervormingen nog aan belang en zijn onmiddellijke oplossingen geboden.

2.2   Het EESC vindt een adequate governance van de strategie uiterst belangrijk voor een coherente tenuitvoerlegging ervan en wijst erop dat de inbreng van verschillende niveaus (nationaal, regionaal en lokaal) voorstellen en oplossingen dichterbij kan helpen brengen.

2.3   Het EESC stelt vast dat de strategie in veel lidstaten aanvankelijk werd beschouwd als een een-tweetje tussen nationale overheden en Europese instellingen. Het Comité heeft samen met de nationale sociaaleconomische raden en andere maatschappelijke organisaties een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbetering van de governance ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Het Comité betreurt dat de betrokkenheid van alle stakeholders niet in alle lidstaten evenveel is toegenomen.

2.4   De nationale Lissaboncoördinatoren moeten maatschappelijke organisaties en sociale partners actiever betrekken bij de activiteiten en hervormingen die in het kader van de Lissabonstrategie vereist zijn (bijv. door hen tijdig te informeren en samen evenementen te organiseren) en bij het ontwikkelen van een doeltreffender publieksvoorlichting over de strategie.

2.5   Nauwe samenwerking tussen de nationale sociaaleconomische raden, de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties heeft ook buiten het beleidsterrein een positieve invloed en leidt tot nieuwe vormen van synergie. Het is van belang dat alle stakeholders, waaronder ook vertegenwoordigers van kansarme groepen (gehandicapten, immigranten enz.), hun steentje bijdragen.

2.6   Voor een succesvolle tenuitvoerlegging is, in overeenstemming met de Lissabondoelstellingen, een efficiënter gebruik van de communautaire middelen (Structuurfondsen e.d.) noodzakelijk.

2.7   Adequate multilevel governance

2.7.1   Er zijn nieuwe en innovatieve vormen van governance nodig om de wereldwijde uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Het EESC stelt voor een permanente dialoog tot stand te brengen met de nationale sociaaleconomische raden, de sociale partners, het mkb, universiteiten, andere stakeholders uit het maatschappelijk middenveld, waaronder ook organisaties uit de sociale economie, en al diegenen die sociale cohesie en gelijke kansen voor iedereen willen bevorderen. Deze dialoog moet de knelpunten bij de tenuitvoerlegging in kaart helpen brengen en de aanzet geven tot nieuwe stimuleringsmaatregelen voor achterblijvende gebieden. Op deze manier kunnen nationale sociaaleconomische raden of soortgelijke organisaties bijdragen tot het vinden van mogelijke oplossingen voor de gesignaleerde problemen.

2.7.2   Deze permanente dialoog kan, in de landen waar dat noodzakelijk wordt geacht, als instrument dienen voor adequate multilevel governance in samenwerking met de dienst van de nationale Lissaboncoördinator en kan tevens van pas komen bij het evalueren van acties op elk prioritair terrein (overeenkomstig de aanbevelingen die de Commissie voor elke lidstaat apart geformuleerd heeft), eventueel m.b.v. een systeem voor kwantitatieve en kwalitatieve benchmarking op nationaal, regionaal en lokaal niveau (zie par. 2.8). Dit kan ook nuttig zijn voor grensoverschrijdende benchmarking.

2.7.3   Tijdens bijeenkomsten van de Europese Commissie met sociale partners, ngo's en allerlei maatschappelijke organisaties moet transparantie (toegang tot gegevens en inachtneming van termijnen) worden gegarandeerd.

2.7.4   Een instrument dat bij de tenuitvoerlegging van de Lissabonagenda kan worden gebruikt, is de open coördinatiemethode (OCM). Het Comité heeft er bij tal van gelegenheden op gewezen dat deze methode op een betere en efficiëntere manier kan worden aangewend. Met het oog hierop kan gebruik worden gemaakt van de onlangs geïntroduceerde methode van de „gemeenschappelijke beginselen (5) en kan het maatschappelijk middenveld worden betrokken bij de uitwerking van en de onderhandelingen over de Lissabondoelstellingen op Europees niveau. Gezien de huidige ernstige financiële en economische situatie moeten alle regeringen en stakeholders echter verdere stappen ondernemen om betere doelstellingen vast te stellen.

2.7.5   Stakeholders dienen nieuwe methodes te ontwikkelen om goede praktijkvoorbeelden uit te wisselen: via multilevelnetwerken kan onderling informatie worden uitgewisseld tussen de verschillende bestuursniveaus, terwijl een nauwere samenwerking tussen grensgebieden van één of meerdere lidstaten kan leiden tot de ontwikkeling van grensoverschrijdende doelstellingen.

2.8   Kwantitatieve en kwalitatieve benchmarking

2.8.1   Eén van de verschillen tussen de lidstaten betreft de wijze waarop relevante gegevens voor structurele indicatoren worden verzameld. Er moeten manieren en middelen worden gevonden om objectieve informatie van hoge kwaliteit over de indicatoren in alle lidstaten te verkrijgen. Nog belangrijker is het echter om, zoals Eurostat ook probeert, de bestaande contacten tussen de verantwoordelijke agentschappen (bijv. nationale bureaus voor de statistiek) te versterken, zodat de noodzakelijke gemeenschappelijke databank kan worden opgezet. De betreffende gegevens moeten ruim toegankelijk zijn en de discussies over de gehanteerde criteria dienen op een zo transparant mogelijke manier te worden gevoerd.

2.8.2   Kwantitatieve en kwalitatieve benchmarking, gebaseerd op de doelstellingen van de nationale hervormingsprogramma's en uitgevoerd door stakeholders in samenwerking met overheidsvertegenwoordigers, levert efficiënte en concrete informatie op, waardoor het mogelijk wordt om aan de hand van structurele indicatoren (6) te meten hoeveel vooruitgang elke lidstaat heeft geboekt met betrekking tot de algemene doelstellingen van de Lissabonstrategie. Elke nationale sociaaleconomische raad of soortgelijke organisatie zou zijn eigen prioritaire criteria moeten analyseren en bepalen. Nationale sociaaleconomische raden in landen als België, Bulgarije en Frankrijk zijn al begonnen met regelmatige benchmarking (bijv. om de twee jaar) van de 14 door de lidstaten vastgestelde indicatoren en nog een paar extra indicatoren, met behulp van openbare statistische gegevens op de Eurostat-website. Andere sociaaleconomische raden kunnen dit voorbeeld desgewenst volgen.

2.8.3   Nationale criteria kunnen op basis van de behoeften van elk niveau (nationaal, regionaal, lokaal en sectoraal (7)) worden gewijzigd en aangepast. Nationale benchmarks op elk prioritair terrein (zoals bepaald op de Europese Voorjaarstop van 2006) moeten vooral gericht zijn op het verzamelen van nationale en regionale gegevens met het oog op de ontwikkeling van concrete prestatie-indicatoren en –maatregelen. Het gegevensbestand moet toegankelijk zijn voor nationale sociaaleconomische raden, sociale partners en andere stakeholders uit het maatschappelijk middenveld. De volgende praktische stappen worden voorgesteld:

een toegankelijke benchmarking via internet (op de website van het EESC: CESLINK (8)) om op een efficiënte manier actuele gegevens (9) te verzamelen en te analyseren;

gegevens kunnen één of meerdere keren per driejarige Lissaboncyclus worden verzameld door nationale sociaaleconomische raden of soortgelijke organisaties of hier moet via het bestaande nationale participatiesysteem voor worden gezorgd;

de resultaten kunnen ook tijdens regelmatige rondetafelbijeenkomsten worden geanalyseerd en tijdens een jaarlijkse EESC-conferentie worden gepresenteerd.

2.8.4   Op deze manier kunnen de stakeholders realistische streefdoelen vaststellen en coherente informatie verschaffen voor de herziening van de nationale hervormingsprogramma's. Bovendien zal het zo gemakkelijk worden om informatie te actualiseren en continu te evalueren. Tegelijkertijd kunnen de beste praktijkervaringen uit de verschillende lidstaten aldus gemakkelijk in kaart worden gebracht.

Brussel, 4 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. Sepi

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. Westlake


(1)  Op 11 juni 2008 stuurde mevrouw Wallström, vicevoorzitter van de Europese Commissie, een brief naar de heer Dimitriadis, voorzitter van het EESC, waarin zij het EESC verzocht een verkennend advies op te stellen over de Lissabonstrategie inzake groei en werkgelegenheid. Dit verzoek aan het EESC sluit aan bij het algemene verzoek dat tijdens de Voorjaarstop 2008 aan de Commissie en de lidstaten werd gericht om „de belanghebbende partijen nauwer bij het Lissabonproces te betrekken”.

(2)  Het EESC wijst erop dat het zich geenszins wil mengen in de eigen procedures van de lidstaten t.a.v. raadpleging, bevoegdheden en legitimiteit van de sociale partners.

(3)  Vertegenwoordigers uit Frankrijk, Spanje, België en Nederland hebben hun tevredenheid geuit over de wijze waarop het proces in hun land verloopt. Voor de resultaten van het eerste werkbezoek: zie bijlage 2.

(4)  „De sociale economie is opgebouwd rond drie grote soorten organisaties: coöperatieve verenigingen, onderlinge maatschappijen en verenigingen en, sinds kort, ook stichtingen”, De sociale economie in de EU, blz. 11, CESE/COMM/05/2005.

(5)  De methode van de "gemeenschappelijke beginselen" betreft zeer specifieke terreinen waarop de lidstaten vorderingen willen boeken ondanks het feit dat de EU op die terreinen slechts beperkte bevoegdheden heeft (zie het EESC-advies Een nieuw Europees sociaal actieprogramma, PB C 27 van 3.2.2009, blz. 99).

(6)  In december 2003 zijn 14 structurele indicatoren vastgelegd door de regeringen van de lidstaten. Dit zijn: BBP per inwoner in KKS, arbeidsproductiviteit per werknemer, arbeidsparticipatie, participatiegraad van oudere werknemers, percentage jonge afgestudeerden, bruto binnenlandse uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, relatief prijspeil, investeringen door ondernemingen, armoederatio na sociale transfers, percentage langdurige werklozen, spreiding van regionale werkloosheidscijfers, uitstoot van broeikasgassen, energie-intensiteit van de economie, en volume van het vrachtvervoer in verhouding tot het BBP. Eurostat verstrekt regelmatig informatie over structurele indicatoren.

Zie http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page?_pageid=1133,47800773,1133_47802588&_dad=portal&_schema=PORTAL

(7)  Sectoraal: elke economische sector moet ook bepalen welke stappen nodig zijn om de Lissabondoelstellingen te bereiken (bijv. innovatie en concurrentievermogen)

(8)  http://www.eesc.europa.eu/ceslink/09-fr/presentation-ceslink-fr.html

(9)  Het EESC kan hieraan een bijdrage leveren door ruimte vrij te maken op zijn website voor het delen van gegevens en uitwisselen van informatie.


BIJLAGE I

BELANGRIJKSTE BIJDRAGEN VAN HET EESC AAN DE LISSABONSTRATEGIE, OPGESTELD IN SAMENWERKING MET ZIJN NETWERK VAN NATIONALE SOCIAALECONOMISCHE RADEN EN SOORTGELIJKE ORGANISATIES

Samenvattende verslagen voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad:

Tenuitvoerlegging van de Lissabonstrategie — Bijdragen naar aanleiding van het mandaat van de Europese Raad van 22 en 23 maart 2005 — Samenvattend verslag, opgesteld in samenwerking met de nationale sociaaleconomische raden van de Europese Unie — Bijdragen van twee kandidaat-lidstaten — Verslag van de verbindingsgroep

CESE 1468/2005 rev. (zie EESC-website:

http://www.eesc.europa.eu/lisbon_strategy/events/09_03_06_improving/documents/ces1468-2005_rev_d_nl.pdf)

Lissabonstrategie 2008-2010. De rol van het maatschappelijk middenveld. Samenvattend verslag voor de Europese Raad (13 en 14 maart 2008). Uitvoering van de Lissabonstrategie: stand van zaken en perspectieven

CESE 40/2008

Resolutie voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad:

Resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De tenuitvoerlegging van de herziene Lissabonstrategie (voorjaar 2007)

CESE 298/2007

Rapporteur: de heer Van IERSEL

Corapporteur: de heer BARABAS

ADVIEZEN OVER DE PRIORITAIRE GEBIEDEN VAN DE LISSABONSTRATEGIE

Op weg naar de Europese kennismaatschappij — De bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan de Lissabonstrategie (verkennend advies)

PB C 65 van 17.3.2006, blz. 94

Rapporteur: de heer OLSSON

Corapporteurs: mevrouw BELABED en de heer Van IERSEL

Potentieel van ondernemingen, met name het mkb (Lissabonstrategie) (initiatiefadvies)

PB C 256 van 27.10.2007, blz. 8

Rapporteur: mevrouw FAES

Investeringen in kennis en innovatie (Lissabonstrategie) (initiatiefadvies)

PB C 256 van 27.10.2007, blz. 17

Rapporteur: de heer WOLF

Arbeidskansen voor prioritaire categorieën (Lissabonstrategie)

PB C 256 van 27.10.2007, blz. 93

Rapporteur: de heer GREIF

Het bepalen van een energiebeleid voor Europa (Lissabonstrategie) (initiatiefadvies)

PB C 256 van 27.10.2007, blz. 31

Rapporteur: mevrouw SIRKEINEN

ANDERE DOCUMENTEN AFKOMSTIG VAN DE IN HET KADER VAN „LISSABON” OPGERICHTE WERKORGANEN

Brochure „ 58 concrete measures to ensure the success of the Lisbon Strategy

ANDERE ADVIEZEN (NIET AFKOMSTIG VAN DE IN HET KADER VAN „LISSABON” OPGERICHTE WERKORGANEN)

Klimaatverandering en de Lissabonstrategie (initiatiefadvies)

PB C 44 van 16.2.2008, blz. 69

Rapporteur: de heer EHNMARK

Ondernemersgeest en de agenda van Lissabon (initiatiefadvies)

PB C 44 van 16.2.2008, blz. 84

Rapporteur: mevrouw SHARMA

Corapporteur: de heer OLSSON


BIJLAGE II

Beknopt verslag van het werkbezoek aan Boekarest op 13 oktober 2008

De delegatie van het EESC heeft een ontmoeting gehad met Roemeense maatschappelijke organisaties in het gebouw van de nationale sociaaleconomische raad. Er is gesproken met vertegenwoordigers van 17 maatschappelijke organisaties.

Werkgevers en vakbonden zijn het over tal van onderwerpen eens, maar vinden weinig gehoor bij de regering. Conclusies:

Algemeen:

De regering raadpleegt de sociale partners over het NHP, maar het tijdschema is vaak onrealistisch. De suggesties van de sociale partners worden zeer zelden in aanmerking genomen of overgenomen in het NHP.

In het NHP wordt serieus aandacht besteed aan problemen i.v.m. de energievoorziening of klimaatverandering in het land.

De sociale dialoog functioneert niet goed en de voordelen ervan moeten beter onder de aandacht van de burgers worden gebracht. Alle sociale partners moeten dan ook meer samenwerken en de handen ineenslaan om de sociaaleconomische belangen te vertegenwoordigen.

Wegens het onevenwichtige loonbeleid hebben meer dan drie miljoen hooggekwalificeerde werknemers het land verlaten; als gevolg hiervan is een ernstig tekort aan arbeidskrachten ontstaan. Er zijn minstens 500 000 werknemers nodig om aan de behoeften van de verschillende sectoren te kunnen voldoen.

De wetgeving voor het oprichten en runnen van een klein en/of middelgroot bedrijf moet worden aangepast.

Er moeten meer belastingvriendelijke maatregelen worden genomen om de economische groei en werkgelegenheid in Roemenië te stimuleren; daarbij moet vooral aandacht worden besteed aan de 750 000 gehandicapten.

Een systeem voor levenslang leren is niet of nauwelijks aanwezig.

Het Roemeens maatschappelijk middenveld maakt zich zorgen over de continuïteit van o.m. de grondstoffen- en energievoorziening.

Corruptie is nog steeds een factor die de ontwikkeling in diverse sectoren ondermijnt.

Specifiek:

De toepassing van de arbeidswetgeving blijft problematisch en de nationale arbeidsinspectie schiet tekort (zwart circuit).

De uitvoering van flexizekerheid is een probleem; de interpretatie en toepassing ervan door de overheid leidt tot onzekerheid.

Het beroepsonderwijs en ook het zogeheten „certificatiesysteem” moeten beter inspelen op de behoeften van de verschillende sectoren. De huidige situatie ondermijnt ernstig het concurrentievermogen van de hele economie. Zowel in de beginfase als in de uitvoerings- en evaluatiefase is hulp hard nodig.

Het mkb ondervindt hinder van parafiscale heffingen.

Maatschappelijke organisaties kampen voortdurend met financiële en capaciteitsproblemen en zijn nog niet volledig ontwikkeld. Een coalitie van ngo's is aanwezig in de stuurcomités voor de Structuurfondsen maar meer betrokkenheid is noodzakelijk.

In onderwijsprogramma's moet aandacht worden besteed aan kwesties als energie, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling (met name het lesprogramma van scholen moet beter worden gecoördineerd).

De sociale partners ontvangen informatie van de Europese Commissie. Alle partners hebben de nationale regering verzocht om ook andere maatschappelijke organisaties te raadplegen en een beter gestructureerde civiele dialoog te ontwikkelen. Dit moet tot uiting komen in een hervorming van de Roemeense sociaaleconomische raad. De juridische grondslag daarvoor is al aanwezig en werd oorspronkelijk door de regering voorgesteld, maar andere maatschappelijke organisaties zijn nog niet vertegenwoordigd.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/20


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Economische democratie op de interne markt”

(2009/C 175/04)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 27 september 2007 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten om een initiatiefadvies op te stellen over

„Economische democratie op de interne markt”.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw SÁNCHEZ MIGUEL.

Het Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december 2008) het volgende advies uitgebracht, dat met 110 stemmen vóór en 29 stemmen tegen, bij 22 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   Echte democratie op de interne markt vormt één van de fundamentele voorwaarden om de rechten van de Europese burgers werkelijk te kunnen doen gelden. Alleen wanneer men het daarover eens is, zullen alle marktpartijen het belang van die democratie voor het integratieproces inzien en hun steun geven.

1.2   Dank zij consumentenbescherming is er meer evenwicht tussen de marktspelers gekomen, maar ook staat het vast dat het mededingingsbeleid heeft geresulteerd in wetgevingsinstrumenten om concurrentiebeperkingen aan banden te leggen en schade voor consumenten, werknemers en burgers in te perken.

1.3   Economische democratie op de markt impliceert niet alleen dat alle partijen gelijk zijn maar ook een betere levenskwaliteit voor alle burgers en die kan worden verwezenlijkt op basis van:

ontwikkeling en toepassing van mededingingswetgeving en de nodige betrokkenheid van de consumenten en anderen bij de ter zake bevoegde communautaire en nationale instanties;

dusdanige verdieping van dat beleid dat recht wordt gedaan aan de economische belangen van iedereen die door verboden mededingingsgedragingen wordt geraakt.

1.4   Daartoe moet het vertrouwen van alle internemarktpartijen middels concrete maatregelen worden gegarandeerd en vergroot. Die maatregelen zouden kunnen worden gericht op:

harmonisatie van wetgeving. In ieder geval ten aanzien van centrale kwesties van materiële en procedurele aard zouden wetgevingen vergelijkbaar moeten worden gemaakt;

de nodige koppeling van de bescherming van de marktactoren aan de in de Verdragen verankerde grondrechten. Daarbij moeten er geen nieuwe procedures worden ingevoerd om te voorkomen dat administratieve rompslomp toeneemt;

deelneming door partijen aan de werkzaamheden van de mededingingsinstanties, zoals het Comité in talloze adviezen heeft herhaald, en opzetten van een soepel functionerend informatienetwerk.

1.5   Het Comité heeft in dit verband reeds veel gedaan aan de bevordering van de uitoefening van gelijkheidsrechten op alle beleidsterreinen en intensieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het werk van de communautaire instellingen en vooral de mededingingsinstanties. Het is van mening dat economische democratie op de interne markt het best kan worden gerealiseerd door de doelstellingen van de Lissabonagenda te verwezenlijken en zo tot een concurrentiekrachtige en dynamische economie te komen.

2.   Achtergrond

2.1   In het Verdrag van Lissabon (artikel 6 van het VEU) (1) is het volgende bepaald: „De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (2) (…), dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.”

2.2   In dit handvest worden onder meer als grondrechten genoemd gelijkheid, het recht op eigendom, consumentenbescherming en toegang tot diensten van algemeen belang. Deze rechten zijn van invloed op verwezenlijking en functioneren van de interne markt.

2.3   De gelijkheid van de burgers is een waarde waarop de Unie berust (artikel 2 VEU). Daarnaast vormt het een democratisch beginsel dat de Unie krachtens artikel 9 van het VEU in al haar activiteiten, inclusief economische activiteiten op de interne markt, moet eerbiedigen.

Wel is de Unie exclusief bevoegd om de mededingingsvoorschriften (3) uit te vaardigen die nodig zijn voor de werking van de interne markt (artikel 3, lid 1, onder b van het VWEU).

2.4.1   Dat resulteert erin dat afgestemde gedragingen en misbruik van een machtspositie onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn (antimonopolieregels). Zulks vooral omdat zij, onder andere, schadelijk zijn voor de consumenten, bedrijven en andere marktdeelnemers zoals de werknemers.

2.4.2   Ook kunnen genoemde internemarktspelers zware schade lijden wanneer de regels voor ondernemingsconcentraties gebrekkig of in het geheel niet worden toegepast.

2.4.3   Referentiepunt bij de beoordeling van concentraties is of de consument geen schade ondervindt van de beweerde efficiëntiewinst. Daarom moet het efficiëntievoordeel substantieel zijn en prompt gestalte krijgen. Verder moet het ten goede komen aan de consumenten op de relevante markten. Is dat niet het geval, dan is er waarschijnlijk sprake van mededingingsperikelen.

Inzake de consumentenbescherming heeft de Unie een gedeelde bevoegdheid (artikel 4, lid 2, onder f, van het VWEU).

2.5.1   Bij het opstellen en uitvoeren van ander beleid en andere maatregelen van de Unie moet rekening worden gehouden met de in het nieuwe artikel 12 van het VWEU neergelegde eisen in verband met de consumentenbescherming.

2.5.2   Het gaat hier om een horizontale aanpak van het consumentenbeleid die uitdrukkelijk in het primair recht wordt erkend en in het licht waarvan het voor de verwezenlijking van de interne markt cruciaal is om op alle beleidsterreinen de belangen van de consument voor ogen te houden ten einde alle consumenten in de Unie een hoog beschermingsniveau te garanderen.

2.5.3   Wanneer de Commissie voorstellen doet voor het nader tot elkaar brengen van wetgeving aangaande consumentenbescherming moet zij uitgaan van een hoog beschermingsniveau (artikel 114, lid 3, van het VWEU). Die verplichting wordt concreet uitgewerkt in artikel 169 van het VWEU: „Om de belangen van de consumenten te bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen, draagt de Unie bij tot …”.

2.5.4   Tot op heden gaat het bij de harmonisatie in verband met de consumentenbescherming doorgaans (4) om minimumharmonisatie: de lidstaten kunnen opteren voor invoering of handhaving van een hoger beschermingsniveau. Dit heeft wel eens geresulteerd in strijd tussen de regels voor consumentenbescherming en die voor de verwezenlijking van de interne markt.

In zijn advies over Mededingingsregelingen en consumenten  (5) wees het Comité erop dat vrije concurrentie in principe alle marktpartijen, dus ook de consument, voordeel brengt. In de geliberaliseerde sectoren is er evenwel duidelijk sprake geweest van mededingingsbeperkingen: concurrenten maakten zich schuldig aan uitsluitingspraktijken en de economische rechten van de consument werden substantieel ingeperkt.

2.6.1   Daarom kwam de nadruk te liggen op de noodzaak om systemen voor voorlichting en raadpleging van de consument te versterken. Daarom ook moest het Europees mededingingsnetwerk zijn activiteiten bijstellen om in te kunnen spelen op de informatie en opmerkingen die de nationale of Europese consumentenorganisaties willen ventileren om het mededingingsbeleid efficiënter te maken en de economische rechten van de consument erkend te zien.

2.6.2   Naar aanleiding van een door de Commissie uitgebracht Groenboek over schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels sprak het Comité zich uit (6) voor het opstellen van richtsnoeren voor de toepassingsvoorwaarden voor een schadevergoedingsactie wegens schending van de artikelen 81 en 82 van het VWEU.

2.6.3   Ook toonde het zich voorstander van het opstellen van EG-regelgeving voor collectieve schadevorderingen die zouden kunnen worden ingesteld door de representatieve organisaties van de op de interne markt actieve sociaal-economische actoren. Het dacht daarbij met name aan consumentenorganisaties (7).

2.6.4   Momenteel werkt het Comité aan een advies over het Witboek Schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels  (8). In afwachting van de goedkeuring wordt naar de inhoud ervan verwezen.

2.6.5   Bijgevolg wordt in dit advies niet ingegaan op kwesties in verband met civielrechtelijke schadevergoeding naar aanleiding van schending van het kartelrecht en evenmin op het instellen van groepsacties door Europese consumentenorganisaties. Daarover heeft het Comité zich reeds uitgesproken. Wél is het advies gericht op economische democratie op de interne markt.

3.   Het concept economische democratie op de interne markt

3.1   Met het mededingingsbeleid wordt gestreefd naar creatie en behoud van voorwaarden waaronder markten op basis van concurrentie kunnen functioneren en zulks in het belang van zowel de consumenten als de ondernemingen. Dit veronderstelt dat:

praktijken waardoor de concurrentievoorwaarden op de markt worden verstoord iedere keer efficiënter moeten worden bestreden;

de consumenten en iedereen die economische rechten aan hun economische activiteiten ontleent (inclusief de werknemers) de mogelijkheid hebben om actief bij het mededingingsbeleid te worden betrokken;

wordt bevorderd dat er permanent informatie wordt uitgewisseld en dat raadpleging soepel verloopt en tot zichtbare resultaten leidt;

er rechtsinstrumenten of kanalen komen voor toereikende waarborging van het beginsel dat marktdeelnemers — zeker ook de mkb's, die daar veel baat bij hebben — gelijk zijn, het eigendomsrecht, consumentenbescherming en toegang tot de diensten van algemeen belang.

3.2   Op die manier is men zich gaandeweg bewust geworden van de noodzaak om voor economische democratie op de interne markt te zorgen. Dat vormt impliciet onderdeel van de doelstellingen van de agenda van Lissabon om de economie van de Unie tot de meest dynamische en concurrentiekrachtige ter wereld te maken en duurzame economische groei te creëren met meer en betere banen en meer sociale samenhang (9).

Om het bestaan van een economische democratie op de interne markt te garanderen die de levenskwaliteit van de Europese burgers verhoogt moet langs de volgende drie lijnen worden gewerkt.

In de eerste plaats moet er bij de ontwikkeling en toepassing van de traditionele instrumenten van het mededingingsbeleid (antimonopolieregels, regels betreffende concentraties en staatssteun) speciaal aandacht worden besteed aan vooral de geliberaliseerde sectoren.

3.3.1.1   Daarbij gaat het om de diensten van algemeen economisch belang. Deze werden vroeger beheerd door een monopolist maar via de recente openstelling van de desbetreffende markten is er nu sprake van een bedrijf met een dominante positie en beperkte mededinging omdat nieuwe verleners slechts zelden toegang tot die markten krijgen.

3.3.1.2   Hier zouden de consumenten meer mogelijkheden moeten kunnen krijgen om om de toepassing van de antimonopolieregels te verzoeken. Anders gezegd, (groepen) consumenten die daartoe gelegitimeerd zijn zouden een procedure moeten kunnen inleiden wanneer zij op een mogelijke schending van de antitrustregels stuiten. De consument is hier het best geholpen met informatie, scholing en bewustmaking. Verder moeten hij en de consumentenverenigingen natuurlijk gemakkelijker toegang krijgen tot instellingen en procedures.

In de tweede plaats moet het mededingingsbeleid worden versterkt waar het de consument in het algemeen raakt, alsook de mensen (waaronder werknemers) die hun inkomsten aan activiteit op de interne markt ontlenen.

3.3.2.1   Concurrentievervalsende praktijken van ondernemingen (afstemming of misbruik van een machtspositie) resulteren onvermijdelijk in inkomstenverlies of meerkosten voor de gelaedeerden. Dergelijke rechtsschendingen tasten dus hun eigendomsrecht aan.

3.3.2.2   Daarom kan overtreding van de mededingingsvoorschriften worden beschouwd als onrechtmatige toeëigening van de inkomsten die de consument en alle anderen personen en bedrijven op de interne markt verdienen en die de concurrentievoorschriften wél naleven. Deze nieuwe kijk op het mededingingsbeleid veronderstelt tevens een versterking van de positie van het mkb, dat, zoals bekend, de ruggengraat van de Europese economie vormt.

In de derde plaats moet de onontbeerlijke samenwerking tussen de leden van het Europees mededingingsnetwerk en de Commissie worden versterkt. Hetzelfde geldt voor de samenwerking tussen de nationale gerechten en de Commissie en die tussen de nationale consumentenautoriteiten en –organisaties en de Commissie.

3.3.3.1   Voorts kan middels wederzijdse bijstand sneller worden besloten wie een zaak inleidt en hoe die tot een zo goed mogelijk einde kan worden gebracht.

4.   Kwesties die het concept van economische democratie beïnvloeden

4.1   Om voor werkelijke economische democratie te zorgen moet de Unie haar mededingingsbeleid en maatregelen ten behoeve van het nader tot elkaar brengen van de nationale wetgevingen aanpassen aan de behoeften en verwachtingen van de Europese consumenten en alle andere markpartijen. Het is daartoe cruciaal dat zij bepaalde onderwerpen concreet aanpakt om het vertrouwen van alle marktspelers te verhogen.

4.2   Harmonisatie van wetgeving

Zijn wettelijke regels betreffende in ieder geval centrale materieel- en formeelrechtelijke aangelegenheden onvergelijkbaar, dan kan er in wezen geen sprake zijn van echte economische democratie op de interne markt. Dit wordt overigens erkend in de artikelen 144 e.v., alsook vooral in artikel 116 van het VWEU.

4.2.1.1   Er kan alleen van een echte interne markt worden gesproken wanneer de consument voldoende zekerheid en vertrouwen heeft om waar dan ook in de Unie te kopen, en ervan uit mag gaan dat hij overal eenzelfde en effectieve bescherming geniet tegen mogelijke schendingen van zijn economische rechten door bedrijven. Dank zij het grensoverschrijdende goederen- en dienstenverkeer kan hij gunstige offertes en innovatieve producten en diensten zoeken waardoor hij kan besluiten wat het voordeligste is. Het is daarom van het grootste belang dat de verschillen tussen de regels voor consumentenbescherming in de gehele Unie tot een minimum worden gereduceerd.

Weliswaar hebben de lidstaten bepalingen in hun wetgeving opgenomen die soortgelijk zijn aan de artikelen 101 en 102 van het VWEU (de voormalige artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag), maar nog altijd bestaan er grote verschillen tussen hun mededingingsregels. Die betreffen onder meer de nationale definities van een machtspositie en misbruik, de procedurele rechten van de consument, erkenning van de rol van de consumentenorganisaties en de betrekkingen tussen die organisaties en de nationale mededingingsautoriteiten.

4.2.2.1   De doestellingen aangaande de interne markt en consumentenbescherming kunnen het best via „minimumharmonisatie” worden verwezenlijkt. In tegenstelling tot het oorsprongsbeginsel en andere „internemarktclausules” voor de wederzijdse erkenning van regels voor consumentenbescherming is die harmonisatiemethode ontoereikend voor „een hoog niveau van consumentenbescherming”.

4.2.2.2   Om dat hoge niveau te bereiken, en in lijn met de recente communautaire strategieën op het gebied van consumentenbeleid, heeft het meer zin om naar totale harmonisatie te streven aangaande specifieke kwesties van vitaal belang als beginselen, definities en bepaalde procedurele aspecten.

De slachtoffers van schendingen van de mededingingsregels moeten een financiële en volledige schadevergoeding krijgen om te voorkomen dat de inbreukmakers zich ongerechtvaardigd verrijken. Onder meer de volgende instrumenten kunnen daartoe dienen:

inbeslagneming van onrechtmatig verkregen winsten door de publieke autoriteiten. Dat geld zou vervolgens moeten worden besteed aan vooraf in de nationale wetgeving aangegeven doelstellingen van algemeen belang en in de eerste plaats aan overheidsmaatregelen om de slachtoffers bij te staan. Die nationale maatregelen moeten voldoen aan de door het HvJ geformuleerde beginselen van gelijkheid en nuttig effect.

Dwingende, efficiënte, afschrikwekkende en evenredige administratieve of strafrechtelijke maatregelen tegen zwaardere inbreuken die het functioneren en realiseren van de interne markt aantasten. De definitie van onrechtmatigheid moet betrekking hebben op zaken waarvoor de Unie exclusief bevoegd is om voor een zo doelmatig mogelijke toepassing van het Gemeenschapsrecht te zorgen door gemeenschappelijke minimumcriteria voor delicten te definiëren (10). Het Verdrag van Lissabon bevat de mogelijkheid om middels de co-decisieprocedure minimumvoorschriften vast te stellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie (artikel 83, lid 1 van het VWEU).

Ook kan publicatie van straffen een efficiënt middel zijn, zouden er voor het publiek toegankelijke databanken met de namen van de inbreukmakers kunnen worden opgericht, enz. Voorts vormen de straffen die op overtreding van de mededingingsvoorschriften staan een element van afschrikking voor potentiële overtreders. Wordt een straf opgelegd, dan zouden de slachtoffers van de inbreuk moeten worden geïnformeerd over de ernst van de zaak en de hulp die wordt verleend om de burgers bewust te maken van de maatregelen om de mededinging te waarborgen.

Dit zijn alle aanvullende maatregelen op schadevergoeding die, zoals opgemerkt, hier niet wordt behandeld omdat het advies over het Witboek Schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels wordt afgewacht.

4.2.3.1   Men kan zich verder afvragen of de nationale gerechten niet bevoegd gemaakt zouden moeten worden om te besluiten over de eindbestemming van administratieve boetes en deze mee te nemen in de civielrechtelijke vaststelling van de schadevergoeding voor slachtoffers van inbreuken. Dat zou de effectiviteit van schadevergoedingsacties ten goede kunnen komen.

4.2.4   Voorts is het de vraag hoe volledige harmonisatie op bepaalde gebieden toereikend kan worden gecombineerd en hoe kan worden voorkomen dat de consumentenbescherming in bepaalde lidstaten wordt aangetast. Dat is een van de doelstellingen waarmee rekening moet worden gehouden bij de wetgevingshervormingen die regelingen voor de interne markt betreffen.

4.3   Aantasting van grondrechten

4.3.1   Inbreuken op de internemarktregels vormen tevens een aantasting van een reeks grondrechten, zoals gelijkheid (artikel 20 van het Handvest van grondrechten van de Unie), het recht op eigendom (artikel 17), consumentenbescherming (artikel 38) en toegang tot de diensten van algemeen belang (artikel 36), die ook door de instellingen en organen van de Unie moeten worden beschermd. Sommige rechten — met name gelijkheid of het verbod van ongelijke behandeling — komen ook in de mededingingswetgeving voor als leidend beginsel voor het gedrag van alle economische actoren en zulks met betrekking tot zowel de relatie met de concurrent als met de consument (11).

4.3.2   Dit roept de volgende vragen op:

Moet er een speciaal beschermingsmechanisme komen tegen schending van deze rechten?

Welke zou de Gemeenschapsrechtelijke basis kunnen zijn?

Verdient het aanbeveling om ex de artikelen 17, 20 en 38 van het Handvest deze rechten van consumenten, bedrijven en allen (inclusief werknemers) die economische rechten aan hun economische activiteiten op de markt ontlenen uit te werken als specifieke regels betreffende de vrije mededinging in de Gemeenschap?

4.3.3   Het vaststellen van „een hoog niveau van bescherming” zou een manier kunnen zijn om de grondrechten op de markt te eerbiedigen en te beschermen. Een speciaal mechanisme of een buitengewone procedure brengen waarschijnlijk namelijk administratieve lasten mee. Het Comité denkt dat het de voorkeur verdient om met de bestaande instrumenten te werken en daarbij de legitimatie van de consumentenorganisaties te verhogen. Ook zou het wenselijk zijn om via beleid en de juiste kanalen expliciete clausules in specifieke regelingen van de Unie en de lidstaten op te nemen waarin de rechten en de legitimatie van de consument en ieder ander (waaronder de werknemer) worden erkend. Dat geldt voor bepaalde sectoren en aangelegenheden: aanbestedingen aangaande essentiële goederen en diensten, bescherming van de mededinging, oneerlijke handelspraktijken. Dat zou ook bijdragen tot voorlichting en bewustmaking van de burger, hetgeen het Comité, zoals reeds opgemerkt, wezenlijk acht.

4.4   Betrokkenheid van de respectieve marktspelers

4.4.1   Om goed bestuur te bevorderen en de participatie van het maatschappelijk middenveld te waarborgen werken de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid. Transparantie is cruciaal als men wil dat de burgers zich in het Gemeenschapsbeleid kunnen vinden.

Die participatie moet op de rails worden gezet middels vlotte en efficiënte mechanismen voor de communicatie tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten en consumentenorganisaties. Daarbij is het doel om bij wijze van preventie de aandacht te vestigen op van meet af aan grensoverschrijdende inbreuken. Daartoe moeten de volgende vragen worden beantwoord:

hoe kan de samenwerking worden verbeterd?

Hoe kan de preventie efficiënter worden gemaakt?

Het Europees Parlement heeft voorgesteld (12) een Europese ombudsman voor consumentenzaken aan te stellen en steunt het idee om adviseurs te benoemen die binnen de Commissie zullen worden belast met de relaties met de consument. Het verdient in dit verband aanbeveling om een „ad hoc”-orgaan als de consumentenombudsman op te richten of, beter nog, de bevoegdheden van de reeds bestaande Europese ombudsman uit te breiden. Ten behoeve van een redelijk gebruik van middelen om in het mededigingsbeleid voor een hoog niveau van consumentenbescherming te zorgen en om de bestaande middelen optimaal te benutten kan volgens het Comité in principe worden volstaan met aanstelling van een adviseur voor de consumentenbetrekkingen (13) binnen de DG’s van de Commissie die speciaal relevant zijn voor het consumentenbeleid.

4.4.3   Verder zouden de administratieve procedures binnen de Commissie wellicht moeten worden herzien om in onderzoeken die tot sancties kunnen leiden volledig recht te doen aan het vertrouwelijkheidsbeginsel. Hier kunnen problemen worden opgelost op basis van de in artikel 44 van het Handvest neergelegde beginselen die de toegang tot de stukken en de zitting garanderen, alsook motivering van besluiten en het beroepsrecht.

4.4.4   Ook zou de feedback betreffende de minimumnormen voor raadpleging moeten worden verbeterd: ieder DG maakt een effectbeoordeling van de raadpleging wanneer die over een voorstel heeft plaatsgevonden, en, zoals het Comité al eerder opmerkte (14), mag dat niet tot raadpleging over strategische documenten worden beperkt. Bovendien zou de Commissie zich moeten verdiepen in kwesties die van groot belang voor alle Europese burgers zijn. Daarbij moet worden gedacht aan de raadplegingstalen, neutraliteit van de vragen en reactietermijnen.

4.4.5   Daarnaast moet worden gesproken over de rol die de consumenten- en andere representatieve organisaties kunnen spelen wanneer zij ten aanzien van het gehele klachtenprocedure als actief gelegitimeerd worden beschouwd. Dit moet een adequaat wetgevingsinstrument worden wanneer de discussie is beëindigd over genoemd Witboek betreffende „schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels”.

4.4.6   Fundamenteel is het de burgers bewust te maken van het belang van hun betrokkenheid bij het mededingingsbeleid. Bepaalde bedrijven maken zich schuldig aan verboden gedragingen als kartelvorming en dat moeten de mensen niet beschouwen als zaken waar toch niets aan gedaan kan worden of die alleen op hoog politiek of economisch niveau kunnen worden opgelost. Integendeel, zij moeten dat zien als zware maatschappelijke inbreuken die het eigendomsrecht van de slachtoffers (kunnen) aantasten. Daarom moet er de meest passende maatregelen komen om de Europese consument voor te lichten en bewust te maken van de gevolgen van dit soort illegale praktijken. Daartoe dient in de eerste plaats en impuls te worden gegeven aan het net van Europese consumentencentra in al zijn facetten. Het is wezenlijk dat er in ieder geval in de grootste steden van iedere lidstaat een centrum is. Ook moet er aan algemene dan wel sectorale voorlichting worden gedaan om de consument snel en eenvoudig op de hoogte te stellen van zijn rechten en de organisaties waar hij met een klacht of verzoek om advies terecht kan.

4.5   De diensten van algemeen belang

4.5.1   Artikel 14 van het VWEU en bijbehorend Protocol 26 vormen de rechtsbasis voor communautair optreden in verband met deze diensten. Om te zorgen voor een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid, gelijke behandeling, bevordering van universele toegang en waarborging van de rechten van de gebruiker dienen de volgende vragen te worden beantwoord:

Hoe moet er regelmatig op EG-niveau worden geëvalueerd?

Welke maatregelen moeten worden genomen tegen mededingingsdistorsies die zich op recentelijk geliberaliseerde markten voordoen?

Hoe kan openstelling van markten ten goede komen aan de consument?

4.5.2   In het algemeen kan worden gesteld dat die vragen een antwoord behoeven vanwege het gebrek aan transparant beheer van deze diensten en de ongewettigd hoge tarieven die bedrijfsleven en consument moeten betalen.

4.6   De rol van het mededingingsbeleid op de interne markt

4.6.1   De Unie is exclusief bevoegd voor het opstellen van de mededingingsregels die nodig zijn voor het functioneren van de interne markt.

4.6.2   Met het mededingingsbeleid moet ervoor worden gezorgd dat de consument de beste opties heeft in termen van prijs, kwaliteit en variëteit. Dat geldt met name voor basisdiensten en –producten als voeding, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, energie, vervoer en telecommunicatie. Dat alles dient tegen lagere prijzen te worden aangeboden.

Niet alleen de efficiëntie van de interne markt maar ook de levensstandaard en het welzijn van de consumenten vormen een einddoel. Daarom moet actieve participatie van de consumenten institutioneel worden geregeld om te voorkomen dat zij passief aan een welzijnsconcept zouden zijn onderworpen.

4.6.3.1   Daartoe dient het huidige regelgevingkader in het licht te komen staan van een nieuwe interpretatie van de regels of nieuwe rechtsinstellingen voor het mededingingsbeleid. Ten slotte zou men moeten overwegen om nieuwe regels uit te vaardigen die de bestaande aanvullen of vervangen.

Brussel, 3 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Artikelnummering van de geconsolideerde versie van het EU-Verdrag gebruikt (gepubliceerd in PB C 115 van 9 mei 2008).

(2)  Het gaat hier om het handvest dat op 12 december 2007 te Straatsburg werd goedgekeurd en in PB C 303 van 14 december 2007 werd gepubliceerd. Deze tweede proclamatie was nodig omdat na de eerste goedkeuring, in december 2000 tijdens de top van Nice, de toelichtingen in de voetnoten in de tekst zelf waren verwerkt.

(3)  Zie de Richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies op grond van de Verordening van de Raad inzake de controle op concentraties van ondernemingen (PB C 31 van 5 februari 2004, blz. 5).

(4)  Als uitzondering kan worden genoemd Richtlijn 2005/27/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken.

(5)  PB C 309 van 16 december 2006, blz. 1

(6)  PB C 324 van 30 december 2006, blz. 1

(7)  PB C 162 van 25 juni 2008, blz. 1

(8)  COM(2008) 165 final, PB C 309 van 16 december 2006, blz. 1

(9)  Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Feira, 2000

(10)  Zie in dit verband het voorstel van de Commissie inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht — COM(2007) 51 final en de rechtspraak van het HvJ in de zaken C-176/03 en C-440/05.

(11)  Zie de artikelen 101, 1, d) en 102, c van het VWEU.

(12)  Rapport van EP-lid Lasse Lehtinen over het strategisch consumentenprogramma 2007-2013

(13)  In artikel 153, lid 2, van het EG-Verdrag is het volgende bepaald: „Met de eisen terzake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Gemeenschap op andere gebieden.” Die verplichting geldt voor alle functionarissen van de Europese instellingen. De voorgestelde adviseur zou ertoe bij kunnen dragen dat genoemde functionarissen zich in hun dagelijks werk van die verplichting jegens de Europese burgers bewust zijn.

(14)  Zie het Groenboek „Europees transparantie-initiatief”, PB C 324 van 30 december 2006.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/26


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De proactieve benadering van het recht: een stap voorwaarts naar betere regelgeving op EU-niveau”

(2009/C 175/05)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 17 januari 2008 besloten om, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over

De proactieve benadering van het recht: een stap voorwaarts naar betere regelgeving op EU-niveau.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer PEGADO LIZ.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 449e zitting op 3 en 4 december 2008 (vergadering van 3 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 155 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen werd goedgekeurd:

1.   Conclusies

1.1   Dit advies gaat uit van de vooronderstelling dat het recht, en niet zozeer de wetgeving die door juristen is bedacht, het gedrag weergeeft dat in een bepaalde samenleving acceptabel wordt geacht en als voorwaarde voor maatschappelijke orde geldt. Het recht bestaat niet uit formele begrippen die voor eeuwig en altijd vastliggen, maar uit – geschreven en ongeschreven – regels en principes die de collectieve rechtmatige belangen van alle burgers op een bepaald moment weergeven.

1.2   In elk rechtsstelsel is het vanouds de taak van de wetgever om de collectieve belangen van de samenleving in het oog te houden en, indien nodig, bij wet vast te leggen wat rechtmatig gedrag is alsook sancties op te leggen voor gedrag dat hiervan afwijkt. Sinds jaar en dag heerst de mening dat de wetten die op deze manier totstandkomen, niet alleen rechtvaardig en billijk moeten zijn maar ook begrijpelijk, toegankelijk, aanvaardbaar en uitvoerbaar. In de moderne samenleving volstaat dat echter niet meer.

1.3   In juridische kringen is veel te lang de nadruk op het verleden gelegd. Wetgevers en rechters streven ernaar gebreken, geschillen, gemiste deadlines en schendingen te verhelpen en te herstellen. Geschillen, rechtszaken en rechtsmiddelen om naleving af te dwingen kosten te veel. Die kosten kunnen niet alleen in geld worden uitgedrukt.

1.4   Het Comité pleit voor een mentaliteitsverandering. De tijd is gekomen om de eeuwenoude reactieve benadering van het recht te vervangen door een proactieve benadering. Het is tijd voor een andere benadering; tijd om vooruit te kijken in plaats van achteruit, om zich te concentreren op hoe het recht in het dagelijks leven wordt gebruikt en functioneert en hoe het wordt ontvangen in de gemeenschap waarop de regels zijn gericht. Het verhelpen en oplossen van problemen blijft weliswaar belangrijk maar nog belangrijker is het voorkómen van problemen, alsook het inspelen op de behoeften van burgers en bedrijven en het bevorderen van productieve interactie tussen hen.

1.5   De proactieve benadering van het recht draait om mogelijkheden en kansen, die worden gecreëerd voor, door en met de gebruikers van het recht, zowel burgers als bedrijven; gestreefd wordt naar een samenleving waar burgers en bedrijven hun rechten en verantwoordelijkheden kennen, kunnen profiteren van de voordelen die het recht kan opleveren, op de hoogte zijn van hun wettelijke plichten zodat zij, indien mogelijk, problemen kunnen voorkomen en onvermijdelijke conflicten op de meest geschikte manier kunnen oplossen.

1.6   De proactieve benadering van het recht wil de beoogde doelstellingen op verschillende manieren bereiken en is niet alleen gericht op wettelijke voorschriften en de formele handhaving daarvan. Om de beoogde doelstellingen vast te stellen en te verwezenlijken met behulp van de meest geschikte combinatie van middelen is het van belang dat alle belanghebbenden hierbij van meet af aan worden betrokken teneinde de doelstellingen van eenieder in kaart te brengen, een gezamenlijke visie te ontwikkelen en vanaf het begin draagvlak te creëren voor een succesvolle uitvoering. Het Comité is ervan overtuigd dat deze nieuwe denkwijze die „proactieve benadering” heet, algemeen van toepassing is op recht en wetgeving.

1.7   Vanwege zijn specifieke eigenschappen leent het rechtsstelsel van de Gemeenschap zich uitstekend voor een proactieve benadering van de planning, uitwerking en uitvoering van regelgeving. Maar regels en voorschriften zijn volgens het Comité niet het enige middel en niet altijd het beste middel om de beoogde doelstellingen te bereiken; sommige, waardevolle, doelstellingen zijn er het meest bij gebaat als de regelgever afziet van regelgeving en, indien mogelijk, zelf- en coregulering stimuleert. In dit geval krijgen fundamentele beginselen als subsidiariteit, evenredigheid, voorzorg en duurzaamheid een nieuwe betekenis en een nieuwe dimensie.

1.8   Het Comité is van mening dat de interne markt er wel bij zou varen als het Europees recht en de makers daarvan (wetgevers en bestuurders in de ruimste zin van het woord) hun blik niet naar binnen, naar het rechtsstelsel, de regels en de instanties, zouden richten maar naar buiten, naar de gebruikers van de wet: de samenleving, de burgers en bedrijven waarvoor het rechtsstelsel bestemd is.

1.9   Hoewel de omzetting en uitvoering van rechtsregels belangrijke stappen zijn in de richting van betere Europese regelgeving, wordt het succes van de regelgeving afgemeten aan de wijze waarop de gebruikers van de wet, de Europese burgers en bedrijven, hun doelstellingen bereiken. Wetten moeten bekend worden gemaakt op een manier die begrijpelijk is voor de doelgroep. Dat zijn eerst en vooral diegenen op wier gedrag de regels van toepassing zijn en niet alleen de regelgevingsinstanties en hun medewerkers.

1.10   Bij het aanmaken en uitvoeren van Europese wetgeving moet systematisch worden nagegaan of een proactieve aanpak opportuun is. Het Comité is er stellig van overtuigd dat als niet alleen in het kader van „beter wetgeven” maar ook door nationale en regionale wetgevers en bestuurders in de EU bij voorkeur voor een proactieve benadering wordt gekozen, er een stevige juridische grondslag kan worden gelegd voor het welvaren van burgers en bedrijven.

2.   Aanbevelingen

2.1   Rechtszekerheid is een van de basisvoorwaarden voor een goed functionerende samenleving. De gebruikers van de wet moeten de wet kennen en begrijpen, anders schiet zij haar doel voorbij. Met het oog hierop pleit het Comité voor een proactieve benadering van het recht. Dit is een toekomstgerichte benadering die tot doel heeft te bevorderen wat wenselijk is en vooraf zoveel mogelijk kansen te benutten terwijl zo weinig mogelijk ruimte wordt gelaten voor problemen en risico's.

2.2   Met dit initiatiefadvies wil het Comité erop wijzen dat „betere regelgeving” gericht moet zijn op een optimale mix van regelgevingsinstrumenten die het meest bevorderlijk zijn voor maatschappelijke doelstellingen en een goed functionerend, burger- en bedrijfsvriendelijk, juridisch kader.

2.3   Het doel van dit advies is te laten zien hoe een proactieve benadering van het recht de regelgeving kan helpen verbeteren door een nieuwe denkwijze te introduceren, die uitgaat van de levensechte behoeften en ambities van burgers en bedrijven.

2.4   De wetgever zou bij het opstellen van wetten moeten streven naar het produceren van echt doeltreffende regels die praktische behoeften weerspiegelen en die op zo'n manier worden uitgevoerd dat de uiteindelijke doelstellingen van die regels worden gerealiseerd.

2.5   De levenscyclus van een wetgevingsbesluit begint niet met het formuleren van een voorstel of eindigt niet met de formele goedkeuring ervan. Wetgeving is geen doel op zich; de succesvolle uitvoering ervan is het doel. En uitvoering betekent niet alleen handhaving door instanties, maar ook goedkeuring, acceptatie en, indien nodig, een mentaliteitsverandering bij de desbetreffende individuen en organisaties.

2.6   Sommige gevolgen van deze benadering – ook de praktische gevolgen - kunnen al worden voorspeld:

de actieve en effectieve deelname, en niet alleen raadpleging, van belanghebbenden voor en tijdens het formuleren van voorstellen en tijdens het besluitvormingsproces;

bij de effectbeoordeling wordt niet alleen gekeken naar economische maar ook naar sociale en ethische aspecten, niet alleen naar het ondernemingsklimaat maar ook naar de consumenten, en wordt niet alleen naar het standpunt van maatschappelijke organisaties geluisterd maar ook naar de stem van de anonieme burger;

er moet worden uitgegaan van oplossingen en niet van problemen; de wet moet worden gebruikt om doelstellingen te verwezenlijken en te handhaven en om rechten en vrijheden te realiseren in een gegeven culturele context;

wetten moeten zo ongecompliceerd mogelijk worden opgesteld en zoveel mogelijk gericht zijn op de gebruiker; het taalgebruik moet duidelijk en begrijpelijk zijn en de inhoud moet op gepaste wijze worden medegedeeld;

alle overbodige, onsamenhangende, verouderde en niet-toepasselijke wetten moeten geschrapt worden en de interpretatie van termen, definities, omschrijvingen, beperkingen en interpretaties moet binnen een gemeenschappelijk referentiekader geharmoniseerd worden;

ook moet worden aangedrongen op de introductie van nieuwe terreinen van contractuele vrijheid, zelf- en coregulering en van terreinen waarop nationale en Europese normen of gedragscodes van toepassing kunnen zijn;

tot slot moet worden getracht hoofdzakelijk met „modelwetten” te werken (zoals de zogenaamde „28ste regelingen”) in plaats van overdreven gedetailleerde en onnodige volledige harmonisatie na te streven.

2.7   Via onderzoeksprojecten en dialoog met belanghebbenden over de specifieke rol van een proactieve benadering van het recht tijdens de gehele levenscyclus en op alle niveaus van de regelgeving kan hiermee alvast een begin worden gemaakt.

2.8   Het Comité beveelt derhalve aan dat de Commissie, de Raad en het Europees Parlement proactief te werk gaan bij het plannen, opstellen, aanpassen en uitvoeren van het Gemeenschapsrecht en de lidstaten ertoe aanmoedigen om, indien mogelijk, hun voorbeeld te volgen.

3.   Inleiding: een beetje rechtstheorie

3.1   Wanneer wordt gesproken over regels of over „hoe het hoort”, dient te worden opgemerkt dat wettelijke voorschriften zich onderscheiden van morele of esthetische regels door hun dwingende karakter; d.w.z. dat naleving kan worden gevorderd door een rechtbank en dat schending kan worden bestraft. Een typisch kenmerk van het ius cogens (of dwingend recht) is de mogelijkheid om, in principe via rechterlijke toetsing, gebruik te maken van „dwang” om ervoor te zorgen dat de wet wordt toegepast of, indien dat niet gebeurt, dat overtreders worden gestraft.

3.2   Essentieel voor „hoe het hoort” is echter dat naleving van de wet, in het algemeen, vrijwillig gebeurt en dat rechtsvervolging de uitzondering, de ultima ratio, is. Als het publiek er niet vrijwillig en op brede schaal mee zou instemmen dat het de door de regels opgelegde verplichtingen moet nakomen, dan zou de effectiviteit van de regels onherroepelijk in gevaar worden gebracht.

3.3   Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de wetgever om wetten uit te vaardigen die doorgaans vrijwillig in acht worden genomen en spontaan worden nageleefd, hetgeen feitelijk een basisvoorwaarde is voor de eerbiediging van ieders rechten en de grondslag vormt van het leven binnen een samenleving. Tegen deze achtergrond krijgt het streven naar „goed wetgeven” en „beter wetgeven” (1) een bijzondere betekenis en heeft het grote gevolgen voor de interpretatie, integratie en toepassing van wetten.

3.4   Dit betekent dat een wet niet alleen „billijk” of „rechtvaardig” (2) moet zijn, maar ook:

begrijpelijk,

toegankelijk,

aanvaardbaar (3) en

afdwingbaar.

Als niet aan deze criteria wordt voldaan, is de kans groot dat de wet wordt afgewezen door de doelgroep, niet wordt uitgevoerd door degenen die moeten toezien op de naleving ervan en in onbruik raakt omdat justitie niet bij machte is om de wet effectief toe te passen.

3.5   Dit punt is weliswaar belangrijk voor nationale rechtsstelsels maar heeft nóg meer belang in een rechtssysteem als dat van de Europese Unie, waarin de beide „helften” van de rechtsstaat doorgaans gescheiden zijn: de „verplichting” die inherent is aan wetgeven, is een bevoegdheid van de Gemeenschap, terwijl de handhaving van het recht en de sancties in geval van schending in principe tot de gezagsbevoegdheid van de nationale rechtsstelsels behoren.

3.6   Dit verklaart misschien waarom de Europese instellingen sinds kort zo veel belang hechten aan „beter wetgeven”, een streven dat door alle lidstaten wordt gesteund en dat geenszins nieuw is.

3.7   Voorspelbaarheid, duurzaamheid en voorzienbaarheid zijn basisvereisten voor een goed functionerend, burger- en bedrijfsvriendelijk, juridisch kader. Belanghebbenden hebben een redelijke mate van rechtszekerheid nodig om hun doelstellingen te bepalen, hun plannen uit te voeren en voorspelbare resultaten te boeken. De wetgever, in de ruimste zin van het woord, moet - behalve datgene realiseren waarvoor wetgeving bedoeld is - die zekerheid proberen te verschaffen en voor een stabiele juridische infrastructuur zorgen.

3.8   Dat is de achtergrond van dit initiatiefadvies, waarin de aandacht uitgaat naar een innovatieve benadering van het recht, die afkomstig is van de Nordic School of Proactive Law en de voorgangers daarvan, en waarin wordt nagegaan in hoeverre deze benadering de Europese Unie een stap dichter bij betere regelgeving kan brengen (4). Daarbij is terdege rekening gehouden met de vele adviezen van het Comité over dit onderwerp, die reeds een omvangrijk oeuvre vormen dat in het onderhavige advies is verwerkt en hierin wordt onderschreven.

4.   Op weg naar betere regelgeving, betere uitvoering en betere handhaving van de EU-wetgeving

4.1   Het begrip „beter wetgeven”, dat uitgaat van het perspectief van de gebruikers van wetgeving (5), omvat een aantal beginselen die de afgelopen jaren aan belang hebben gewonnen: raadpleging vooraf, bestrijding van wetsinflatie, schrappen van verouderde wetgeving of voorstellen, vermindering van de administratieve rompslomp en kosten, vereenvoudiging van het acquis communautaire, verbetering van de formulering van wetsvoorstellen inclusief effectbeoordeling vooraf en achteraf, beperking van wetgeving tot de kernpunten en aandacht voor de doelstellingen en duurzaamheid van wetgeving zonder de flexibiliteit uit het oog te verliezen.

4.2   De Europese Commissie (6), het Europees Parlement (7) en het Europees Economisch en Sociaal Comité (8) pleiten sinds jaar en dag voor betere regelgeving, vereenvoudiging en communicatie als belangrijkste beleidsdoelstellingen in het kader van de voltooiing van de interne markt. Eén van de eerste documenten over dit onderwerp was het belangrijke verslag-Molitor uit 1995 met zijn 18 aanbevelingen, die nog steeds actueel zijn (9).

4.3   Beter wetgeven omvat ook proportionaliteit en subsidiariteit en kan aldus belanghebbenden, via co- en zelfregulering, bij het wetgevingsproces betrekken onder toeziend oog van de wetgever; e.e.a. is vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 2003 over beter wetgeven (10) en uitgewerkt in de achtereenvolgende jaarverslagen van de Commissie.

4.4   Beter wetgeven betekent niet noodzakelijk minder regelgeving of deregulering (11) en rechtszekerheid is inderdaad een van de essentiële voorwaarden voor een goed functionerende interne markt (12).

4.5   Sinds 2000 concentreert de Waarnemingspost interne markt (WIM) van het EESC zich op initiatieven van belanghebbenden die „beter wetgeven” vanuit het oogpunt van het maatschappelijk middenveld benaderen. Het EESC volgt het werkprogramma van de Europese Commissie op de voet en brengt, als spreekbuis van het maatschappelijk middenveld, al jarenlang advies uit aan de Commissie over tal van onderwerpen die verband houden met betere regelgeving (13).

4.6   De WIM heeft samen met de Europese Commissie een databank opgezet voor co- en zelfregulering in Europa (14). Op grond van de verzamelde gegevens over zelfreguleringsinitiatieven is de WIM nu van plan om modellen (doelmatigheidsindicatoren, richtsnoeren voor controle en handhaving enz.) op te zetten en clusters te vormen met academici, denktanks, belanghebbenden en instanties voor co- en zelfreguleringskwesties.

5.   Een beetje preventie: de proactieve benadering

5.1   In juridische kringen is de blik traditiegetrouw op het verleden gericht. Rechtswetenschappelijk onderzoek heeft zich meestal beziggehouden met dingen die misgaan: tekortkomingen, vertragingen, niet-naleving van de wet.

5.2   De proactieve benadering gaat anders te werk; hierbij is de blik op de toekomst gericht. Proactief zijn is het tegenovergestelde van reactief of passief zijn. De benadering die Proactive Law wordt genoemd, is in de jaren negentig in Finland ontstaan. Als reactie op de behoefte aan werkmethoden en rechtstheorieën op dit nieuwe terrein werd in 2004 de Nordic School of Proactive Law (NSPL) opgericht (15).

5.3   Het woord „proactief” duidt op anticiperend handelen, de leiding nemen, het initiatief naar zich toetrekken (16). Deze elementen zijn allemaal onderdeel van de proactieve benadering van het recht, die nog twee andere aspecten van proactiviteit onderscheidt, nl. bevordering (bevorderen wat wenselijk is, goed gedrag aanmoedigen) en preventie (voorkomen wat niet wenselijk is, voorkomen dat juridische risico's werkelijkheid worden).

5.4   De proactieve benadering van het recht is op succes gericht, niet op mislukking. Het gaat hierbij om het nemen van initiatief om succesbevorderende factoren te stimuleren en te versterken. De proactieve benadering van het recht komt voort uit een andere benadering, die Proactive Contracting heet (17). Het doel was oorspronkelijk om een kader tot stand te brengen voor het integreren van een juridisch vooruitziende blik in de concrete, dagelijkse praktijk en het combineren van goede praktijken op het gebied van contracten, wettelijke bepalingen, projecten, kwaliteits- en risicobeheer.

5.5   Hoewel Proactive Law in belangrijke mate is geïnspireerd door Preventive Law  (18), wordt in het laatste geval hoofdzakelijk uitgegaan van het standpunt van de advocaat en is de aandacht gericht op het voorkomen van juridische risico's en geschillen. Bij een proactieve benadering van het recht ligt de nadruk op het garanderen van succes en op het verwezenlijken van de beoogde doelstellingen in een concrete situatie. Om in termen van gezondheidszorg en preventieve geneeskunde te spreken: de proactieve benadering van het recht combineert de aspecten van gezondheidsbevordering met die van ziektepreventie; het doel is om individuen en bedrijven te helpen om „juridisch gezond” te blijven en „ziekten” als rechtsonzekerheid, geschillen en rechtszaken te voorkomen.

6.   Hoe een proactieve benadering verder nog kan bijdragen aan betere regelgeving, betere uitvoering en betere handhaving van EU-wetgeving

6.1   Een van de fundamentele doelstellingen van de Europese Unie is een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zonder binnengrenzen voor haar burgers te creëren, een ruimte die gebaseerd is op de beginselen van transparantie en democratisch toezicht. Maar rechtvaardigheid ontstaat niet vanzelf, door burgers en bedrijven toegang tot de rechter of tot herstelmaatregelen te verlenen. Wat burgers en bedrijven nodig hebben, is een stevige juridische grondslag om succesvol te zijn.

6.2   Particulieren en bedrijven verwachten van de wetgever een redelijke mate van zekerheid, duidelijkheid en samenhang, zodat zij hun doelstellingen kunnen vaststellen, hun plannen kunnen uitvoeren en voorspelbare resultaten kunnen boeken.

6.3   Wetgevers moeten zich aangesproken voelen als particulieren of bedrijven niet voldoende geïnformeerd zijn om te weten of de wet op hen van toepassing is, dan wel om desgewenst meer te weten te komen over hun rechtspositie of conflicten te vermijden of op te lossen met behulp van de meest geschikte technieken (19). Uit ervaring en onderzoek is gebleken dat particulieren en bedrijven, consumenten en met name het MKB, niet altijd voldoende geïnformeerd zijn.

6.4   Het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie hebben in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven een aantal afspraken gemaakt en gemeenschappelijke doelstellingen vastgesteld om de wetgeving te verbeteren en te vereenvoudigen, de wetten duidelijker en samenhangender te maken en de transparantie in het wetgevingsproces te bevorderen.

6.5   Het is echter duidelijk dat betere regelgeving niet door de deelnemende instellingen alleen tot stand kan worden gebracht (20). Ook op nationaal en regionaal niveau moeten vereenvoudigings- en andere initiatieven worden gelanceerd en uitgewerkt. Gecoördineerd optreden is geboden; hierbij moeten ook de nationale, regionale en lokale instanties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Europese wetgeving en de gebruikers van de wetgeving (21) worden betrokken.

6.6   De Europese Unie heeft al stappen gezet in de richting van een proactieve benadering. Het Comité is zeer te spreken over:

het besluit om een interne markt tot stand te brengen en later een gemeenschappelijke munt in te voeren;

de mogelijkheden van de sociale partners om, overeenkomstig het Verdrag, mee te onderhandelen over sociale regelgeving;

„Denk eerst klein „- Een”Small Business Act” voor Europa (COM(2008) 394 final, 25.06.2008) met in bijlage „Uitwisseling van goede praktijken in het MKB-beleid” (22);

de voorbeelden van goede praktijken in de lidstaten die als inspiratiebron dienen voor de uitvoering van de Small Business Act  (23), de voorbeelden die in het kader van het Europees handvest voor kleine ondernemingen zijn verzameld en

de Europese prijzen voor het bedrijfsleven ter erkenning van uitmuntendheid in het bevorderen van ondernemerschap;

de herziene richtsnoeren voor effectbeoordeling van de Commissie;

het Solvit-netwerk voor probleemoplossing;

de IPR Help Desk service (voor intellectuele-eigendomsrechten);

de door de Commissie gestimuleerde ontwikkeling van Europese normen;

de website en gegevensbank van het EESC over co- en zelfreguleringskwesties.

6.7   Maar tot dusver zijn het slechts aarzelende stappen, en er wordt kennelijk niet veel onderzoek verricht of sectoroverschrijdende lering getrokken uit de opgedane ervaring. Het zou de moeite waard zijn om na te gaan waar deze stappen toe leiden en wat hun belang, implicaties en waarde op andere terreinen zijn. Het Comité stelt voor deze initiatieven op de voet te volgen en te gebruiken voor het herkennen en uitwisselen van goede praktijken.

6.8   Anderzijds kan een aantal recente voorbeelden van onnodige problemen en moeilijkheden illustreren dat een proactieve aanpak geboden is:

Richtlijn 2006/123/EG van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (ook bekend als de „Bolkestein-richtlijn”) (24);

Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken (25);

Richtlijn 2008/48/EG van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (26) waartegen vrijwel alle belanghebbenden al bezwaar hebben gemaakt (27);

alle richtlijnen uit het „consumentenacquis” (28), die volgens velen niet goed zijn opgesteld, niet goed zijn omgezet en slecht zijn uitgevoerd (29);

het gemeenschappelijk referentiekader (CFR), dat het verbintenissenrecht wilde vereenvoudigen maar uiteindelijk, alleen al voor het algemene deel (30), een „monster” van 800 bladzijden opleverde;

het recente voorstel voor een richtlijn over immigratie (31);

de mislukte regelgeving inzake financiële dienstverlening aan consumenten en met name inzake te zware schuldenlast (32);

de – zelfs door de Commissie erkende - groeiende hoeveelheid EU-regelgeving die nog steeds in nationaal recht moet worden omgezet (33).

6.9   Het doel van dit advies is te laten zien hoe een proactieve benadering van het recht de regelgeving kan helpen verbeteren door een nieuwe manier van denken te introduceren: een denkwijze die uitgaat van de levensechte behoeften en ambities van burgers en bedrijven, en niet van de rechtsinstrumenten en hoe zij moeten worden gebruikt.

6.10   Dit betekent dat de wetgever bij het opstellen van wetten zou moeten streven naar het produceren van echt doeltreffende regels die praktische behoeften weerspiegelen en die op zo'n manier worden uitgevoerd dat de uiteindelijke doelstellingen van die regels worden gerealiseerd. Over de regels moet op een voor de doelgroep begrijpelijke manier worden gecommuniceerd, zodat zij worden begrepen en kunnen worden toegepast door degenen die er de gevolgen van ondervinden.

6.11   De levenscyclus van een wetgevingsbesluit begint niet met het formuleren van een voorstel of eindigt niet met de officiële goedkeuring ervan. Wetgeving is geen doel op zich; de succesvolle uitvoering ervan is het doel. En uitvoering betekent niet alleen handhaving door instanties, maar ook goedkeuring, acceptatie en, indien nodig, een mentaliteitsverandering bij de desbetreffende individuen en organisaties. Onderzoek heeft uitgewezen dat als de sociale partners betrokken zijn geweest bij de beraadslagingen over voorstellen die later uitgroeien tot Europese regelgeving, de uitvoering van die regels dan doorgaans meer succes heeft.

Sommige gevolgen van deze benadering – ook de praktische gevolgen - voor het besluitvormingsproces in verband met het opstellen, uitvoeren en handhaven van de EU-wetgeving kunnen al worden voorspeld.

6.12.1   Ten eerste door de actieve en effectieve deelname, en niet alleen raadpleging, van belanghebbenden voor en tijdens het formuleren van voorstellen en tijdens het besluitvormingsproces, zodat wordt uitgegaan van concrete problemen en de oplossingen daarvoor en het besluitvormingsproces een permanente dialoog is en een wederzijds leerproces dat gebaseerd is op het bereiken van bepaalde doelstellingen (34).

6.12.2   Ten tweede door bij de effectbeoordeling niet alleen te kijken naar economische maar ook naar sociale en ethische aspecten; niet alleen naar het ondernemingsklimaat maar ook naar de consumenten als doelgroep bij uitstek van wettelijke maatregelen en initiatieven; en door niet alleen naar het standpunt van maatschappelijke organisaties maar ook naar de stem van de anonieme burger te luisteren (35).

6.12.3   Ten derde moet worden uitgegaan van oplossingen en niet van problemen; de wet moet worden gebruikt om doelstellingen te verwezenlijken en te handhaven en om rechten en vrijheden te realiseren in een gegeven culturele context in plaats van zich te concentreren op formalistische juridische logica (36).

6.12.4   Ook moeten wetten zo ongecompliceerd mogelijk worden opgesteld en zoveel mogelijk gericht zijn op de gebruiker; het taalgebruik moet duidelijk en begrijpelijk zijn en de inhoud moet op gepaste wijze worden medegedeeld. Voorts moet de uitvoering en handhaving van wetten in alle stadia van hun levenscyclus worden gevolgd en begeleid.

6.12.5   Verder moeten alle overbodige, onsamenhangende, verouderde en niet-toepasselijke wetten geschrapt worden en moet de interpretatie van termen, definities, omschrijvingen, beperkingen en opvattingen binnen een gemeenschappelijk referentiekader geharmoniseerd worden (37). Ook moet een halt worden toegeroepen aan de invoering van nieuwe begrippen of het gebruik van onduidelijk „eurojargon”, dat door iedereen in de mond wordt genomen terwijl de meesten niet eens weten wat er mee bedoeld wordt.

6.12.6   Voorts moet worden aangedrongen op de introductie van nieuwe terreinen van contractuele vrijheid, zelf- en coregulering en van terreinen waarop nationale en Europese normen of gedragscodes van toepassing kunnen zijn (38) en moeten de juridische obstakels worden opgespoord en uit de weg worden geruimd.

6.12.7   Tot slot moet worden getracht hoofdzakelijk met „modelwetten” te werken (zoals de zogenaamde „28ste regelingen”) in plaats van tot in het kleinste detail onnodige volledige harmonisatie na te streven en moet, indien mogelijk, gepaste ruimte worden gelaten voor co- en zelfregulering.

6.13   Via onderzoeksprojecten en dialoog met belanghebbenden over de specifieke rol van een proactieve benadering van het recht tijdens de gehele levenscyclus en op alle niveaus van de regelgeving kan hiermee alvast een begin worden gemaakt. Als eerste stap kunnen rondetafeldiscussies of seminars met academici, think tanks, belanghebbenden en instanties worden georganiseerd om een kader en een actieplan op te zetten voor verdere initiatieven. Het is de bedoeling dat de proactieve benadering voortaan in alle gevallen in overweging wordt genomen, zoals ook altijd aandacht wordt besteed aan het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel. Aangezien de WIM zich nadrukkelijk toelegt op kwesties die verband houden met betere regelgeving, is dit wellicht het ideale platform voor verdere discussie over een proactieve benadering van het recht.

Brussel, 3 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Voor de betekenis van „beter wetgeven” voor de Europese instellingen: zie het EESC-advies over „Beter wetgeven” (CESE, PB C 24 van 31.1.2006, blz. 39), dat werd opgesteld door de heer Retureau). De „juridische” inhoud van dit begrip kan worden gevonden in het Interinstitutioneel Akkoord van 2003 (PB C 321 van 31.12.2003).

(2)  Wat dat ook moge betekenen in het licht van de heersende waarden in een gegeven maatschappij en op een bepaald moment in de geschiedenis; dit conflict tussen „wettelijk vastgesteld” recht en „billijk” recht is het onderwerp van menige Griekse tragedie.

(3)  Regels moeten „relevant en proportioneel” zijn, willen zij worden aanvaard (zie par. 1.6 van advies PB C 48 van 21.2.2002, blz. 130 over „Vereenvoudiging” van 29 november 2001, dat werd opgesteld door de heer Walker.

(4)  Voor meer informatie: zie Helena Haapio, An Ounce of PreventionProactive Legal Care for Corporate Contracting Success, gepubliceerd in het Finse juristenblad JFT (Tidskrift utgiven av Juridiska Föreningen i Finland, uitgave 1/2007). Zie ook Helena Haapio (Ed.): A Proactive Approach to Contracting and Law, Turku 2008, en Peter Wahlgren & Cecilia Magnusson Sjöberg (Eds): A Proactive Approach, Deel 49 van de Scandinavian Studies in Law, Stockholm 2006; see http://www.cenneth.com/sisl/tom.php?choice=volumes&page=49.html.

(5)  Zoals zeer terecht opgemerkt in het advies van het EESC over betere regelgeving (PB C 24 van 31.1.2006, blz. 39, par. 1.1.2, opgesteld door de heer Retureau), betekent beter wetgeven vooral „dat de wetgever zich moet verplaatsen in de adressaat van de rechtsregel. Daarom is inspraak zo belangrijk: overleg vooraf met, en aandacht voor de representativiteit van, maatschappelijke organisaties en sociale partners (…).”

(6)  Belangrijkste documenten van de Commissie over dit onderwerp:

Een strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling - COM(2001) 264 final

Mededeling over effectbeoordeling - COM(2002) 276 final

Actieplan „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving” - COM(2002) 278 final

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid – COM(2002) 713 final

Modernisering en vereenvoudiging van het acquis communautaire - COM(2003) 71 final

Uitvoering van het Lissabonprogramma van de Gemeenschap: Een strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving - COM(2005) 535 final

Betere regelgeving in de Europese Unie: een strategische evaluatie - COM(2006) 689 final

Eerste voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving – COM(2006) 690 final

Tweede voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving – COM(2008) 33 final

Gemeenschappelijke Praktische Handleiding (ten behoeve van eenieder die binnen de Gemeenschapsinstellingen bij de opstelling van wetteksten is betrokken).

(7)  Belangrijkste documenten van het Europees Parlement:

Verslag over de wetgeving verbeteren 2004: toepassing van het subsidiariteitsbeginsel - 12e jaarverslag, A6-0082/2006

Verslag inzake het 21ste en het 22ste jaarverslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht (2003 en 2004), A6-0089/2006

Verslag over institutionele en wettelijke gevolgen van het gebruik van „soft law”-instrumenten, A6-0259/2007

Verslag Betere regelgeving in de Europese Unie, A6-0273/2007

Verslag over het minimaliseren van uit wetgeving voortvloeiende administratieve lasten, A6-0275/2007

Verslag over De wetgeving verbeteren 2005: toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid - 13de jaarverslag, A6-0280/2007

Verslag over evaluatie van de interne markt: hinderpalen en inefficiëntie bestrijden met betere implementatie en handhaving, A6-0295/2007

Verslag over het 23e jaarlijks verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht (2005), A6-0462/2007

(8)  Belangrijkste documenten van het Europees Economisch en Sociaal Comité:

Initiatiefadvies over „De vereenvoudiging van de regelgeving voor de interne markt”, PB C 14 van 16.1.2001, blz. 1

Initiatiefadvies over „Vereenvoudiging”, PB C 48 van 21.2.2002, blz. 130

Verkennend advies over „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving” - COM(2001) 726 final, PB C 125 van 27.5.2002, blz. 105

Initiatiefadvies over „Vereenvoudiging”, PB C 133 van 6.6.2003, blz. 5

Advies over „Modernisering en vereenvoudiging van het acquis communautaire” - COM(2003) 71 final, PB C 112 van 30.4.2004, blz. 4

Brochure getiteld What is the state of the enlarged Single Market? - 25 Findings by the Single Market Observatory EESC C-2004-07-EN

Informatief rapport over „Zelfregulering in de interne markt: huidige stand van zaken” - CESE 1182/2004 fin

Brochure getiteld „Improving the EU regulatory frameworkupstream and downstream of the legislative process”, EESC 2005-16-EN

Verkennend advies op verzoek van het Britse voorzitterschap over „Beter wetgeven”, PB C 24 van 31.1.2006, blz. 39

Initiatiefadvies over „Verbetering van de tenuitvoerlegging en handhaving van de Europese wetgeving”, PB C 24 van 31.1.2006, blz. 52

Advies over de „Uitvoering van het Lissabonprogramma van de Gemeenschap: Een strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving” - COM(2005) 535 final, PB C 309 van 16.12.2006, blz. 18

Verkennend advies op verzoek van de Europese Commissie over „Vereenvoudiging van de regelgeving in de machinebouw”, PB C 10 van 15.1.2008, blz. 8.

(9)  Rapport van de groep van onafhankelijke deskundigen inzake de vereenvoudiging van wettelijke en administratieve regelingen (COM(95) 288 def. - C4-0255/95 - SEC(95)1379). Vermeldenswaard is ook het verslag-Mandelkern (november 2001) en zijn aanbevelingen, waarvan een samenvatting is opgenomen in het EESC-advies PB C 125 van 27.5.2002, blz. 105, dat werd opgesteld door de heer Walker.

(10)  http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2003:321:0001:0005:NL:PDF

(11)  Reeds in zijn advies van over „De vereenvoudiging van de regelgeving voor de interne markt”, PB C 14 van 16.1.2001, blz. 1(CES, rapporteur: de heer Vever) verklaarde het Comité het volgende: „Het gaat niet aan om eenvoudigweg drastisch over de hele linie te dereguleren; dat zou afbreuk doen aan de kwaliteit van producten, diensten en de collectieve belangen van alle adressaten, ongeacht de vraag of deze ondernemer, werknemer of consument zijn. Om goed te functioneren hebben economie en samenleving regels nodig” (par. 2.8). In zijn advies over beter wetgeven PB C 24 van 31.1.2006, blz. 39 constateerde het Comité: „Wetgeving vereenvoudigen betekent wetten en regels zoveel mogelijk minder complex maken, maar níet dat de omvang van de communautaire wetgeving drastisch moet worden teruggebracht of op grote schaal deregulering zou moeten plaatsvinden. Dat zou indruisen tegen de door het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven verwachte en benodigde rechtszekerheid en stabiliteit”. In zijn advies over de evaluatie van de interne markt, ten slotte, PB C 93 van 27.4.2007, blz. 25, (rapporteur: de heer Cassidy) wees het Comité erop dat „minder regelgeving niet noodzakelijk tot een betere regelgeving leidt” (par. 1.1.7).

(12)  „Less (legislation) is more”, http://bre.berr.gov.uk/regulation/news/2005/050720_bill.asp

(13)  Het Comité heeft ook herhaaldelijk verkennende adviezen uitgebracht ten behoeve van het voorzitterschap van de Raad van de EU (PB C 175 van 27.7.2007).

(14)  http://eesc.europa.eu/self-and-coregulation/index.asp

(15)  Zie http://www.proactivelaw.org.

(16)  Volgens de woordenboeken zitten er twee aspecten aan het woord „proactief”: ten eerste een „anticiperend” aspect, d.w.z. vooruitlopen op een toekomstige situatie, zoals in „anticiperen op toekomstige problemen, behoeften of veranderingen”; ten tweede een „actief” aspect, in de zin van „controle uitoefenen over een situatie door zelf actie te ondernemen in plaats van af te wachten”. Recent onderzoek naar proactief gedrag is gebaseerd op dergelijke definities. Parker et al. (2006) omschrijven „proactief gedrag” als anticiperend handelen ten einde de situatie of zichzelf te veranderen en verbeteren. Zie het Proactivity Research in Organizations Programme, http://proactivity.group.shef.ac.uk/

(17)  Het eerste boek over Proactive Contracting werd in 2002 gepubliceerd door de Finse auteur Soile Pohjonen (Ed.) onder de titel Ennakoiva sopiminen (Helsinki, 2002).

(18)  Louis M. Brown was de eerste die deze aanpak onder deze naam introduceerde in zijn verhandeling getiteld Manual of Preventive Law, Prentice-Hall, Inc., New York 1950.

(19)  Zie Civil.justice.2000A Vision of the Civil Justice System in the Information Age 2000. http://www.dca.gov.uk/consult/meta/cj2000fr.htm#section1.

(20)  In het initiatiefadvies over „De vereenvoudiging van de regelgeving voor de interne markt”PB C 14 van 16.1.2001, blz. 1(opgesteld door de heer Vever, werd reeds de aandacht gevestigd op het feit dat „nagenoeg alle EG-regels uitsluitend worden uitgevaardigd via de EG-(mede)besluitvormingsprocedures”. Voorts ontberen de economische en maatschappelijke actoren „niet alleen qua advies- maar in voorkomend geval ook qua medebeslissingsbevoegdheden de partnerstatus en worden besluiten voornamelijk door politiek en administratie genomen. Als gevolg daarvan voelen zij zich weinig betrokken bij of verantwoordelijk voor een vereenvoudigingsbeleid” (par. 3.5).

(21)  Het verband tussen de Europese en de nationale en regionale bestuursorganen is aan de orde gekomen in het advies CESE PB C 325 van 30.12.2006, blz. 3, dat werd opgesteld door de heer van Iersel.

(22)  EESC-advies, rapporteur: de heer Cappellini, en EESC-advies PB C 27 van 3.2.2009, blz. 7, rapporteur: de heer Malosse (in voorbereiding).

(23)  Zie bijlage 1 van de eerder genoemde mededeling.

(24)  EESC-advies PB C 175 van 27.7.2007, blz. 14, rapporteur: mevrouw Alleweldt.

(25)  EESC-advies PB C 108 van 30.4.2004, blz. 81, rapporteur: de heer Hernández Bataller.

(26)  PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66

(27)  EESC-advies PB C 234 van 30.9.2003, blz. 1, rapporteur: de heer Pegado Liz.

(28)  Ten minste 8 van de 22 richtlijnen die samen het „acquis inzake consumentenbescherming” vormen, nl. Richtlijn 85/577/EEG van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten; Richtlijn 90/314/EEG van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten; Richtlijn 93/13/EG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten; Richtlijn 94/47/EG van 26 oktober 1994 betreffende timesharing; Richtlijn 97/7/EG van 20 mei 1997 betreffende op afstand gesloten overeenkomsten; Richtlijn 98/6/EG van 16 februari 1998 betreffende prijsaanduiding; Richtlijn 98/27/EG van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken; Richtlijn 1999/44/EG van 25 mei 1999 betreffende de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen.

(29)  EESC-advies PB C 256 van 27.10.2007, blz. 27, rapporteur: de heer Adams.

(30)  Cf. „EC Consumer Law CompendiumComparative Analysis”, Bielefeld University, (12/12/2006), Profs Hans Schulte-Nolke, Christian Twig-Felsener en Dr. Martin Ebers.

(31)  EESC-advies PB C 44 van 16.2.2008, blz. 91, rapporteur: de heer Pariza Castaños.

(32)  Zie „Eén markt in financiële diensten - Voortgangsrapport 2006” van 21.02.07 en de EESC-adviezen PB C 151 van 17.6.2008, blz. 1 over het „Groenboek over financiële diensten voor consumenten in de interne markt” (rapporteurs: de heer Iozia en mevrouw Mader Saussaye); PB C 44 van 16.2.2008, blz. 74 over „Krediet en sociale uitsluiting in een maatschappij van overvloed” (rapporteur: de heer Pegado Liz); PB C 65 van 17.3.2006, blz. 113 over het „Groenboek - Hypothecair krediet in de EU” (rapporteur: de heer Burani); PB C 27 van 3.2.2009, blz. 18 over het „Witboek over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet” (rapporteur: de heer Grasso).

(33)  Zie de Mededeling van de Commissie „Een Europa van resultaten – toepassing van het Gemeenschapsrecht” (COM(2007) 502 final) en het advies van het Comité ter zake PB C 204 van 9.8.2008, blz. 9 (rapporteur: de heer Retureau) en het zeer indrukwekkende artikel van Dr. Michael Kaeding getiteld „Active Transposition of EU Legislation”, (EIPASCOPE 2007/03, bladzijde 27).

(34)  In zijn advies over vereenvoudiging constateerde het Comité al dat „de officiële raadpleging niet beperkt mag blijven tot de door de Commissie zelf verkozen gesprekspartners. Alle belanghebbenden moeten erbij worden betrokken. Bovendien moet de raadplegingsprocedure worden uitgebreid tot alle belanghebbenden, waarbij het initiatief van deze laatsten zou moeten uitgaan” (Zie PB C 133 van 6.6.2003, blz. 5, par. 4.1 en 4.1.1.1, rapporteur: de heer Simpson).

(35)  Zie met name de EESC-adviezen over „Beter wetgeven”PB C 024 van 31.1.2006, blz. 39 en over „Kwaliteitsnormen die volgens de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties bij effectbeoordelingen gehanteerd moeten worden t.a.v. inhoud, procedures en methoden”PB C 175 van 27.7.2007, blz. 21, beide opgesteld door de heer Retureau).

(36)  Zoals reeds beklemtoond in het EESC-advies over „Verbetering van de tenuitvoerlegging en handhaving van de Europese wetgeving”PB C 24 van 31.1.2006, blz. 52 (rapporteur: de heer van Iersel) werd hierover reeds het volgende gezegd: „Om uitvoerbaar te zijn moet een wet voldoende duidelijk zijn en om doeltreffend te zijn moet een wet een passend antwoord bieden op specifieke problemen. Slechte wetten leiden tot een wildgroei van wetten en buitensporige hoeveelheden regels, die een onnodige last op de schouders van bedrijven leggen (die aan de regels moeten voldoen) en verwarring zaaien onder burgers” (par. 1.6).

(37)  Mededeling van de Commissie over „Modernisering en vereenvoudiging van het acquis communautaire” (COM(2003) 71 final), waarover het EESC advies heeft uitgebracht (CESE PB C 112 van 30.4.2004, blz. 4, rapporteur: de heer Retureau).

(38)  En het advies over „De prioriteiten voor de interne markt – 2005-2010” (PB C 255 van 14.10.2005, blz. 22, rapporteur: de heer Cassidy).


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/34


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Aanpak van de problemen rond het AEEA- beheer in de EU

(2009/C 175/06)

_Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 17 januari 2008 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

AEEA-beheer.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 30 oktober 2008 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw GAUCI.

Het Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 119 stemmen vóór, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De AEEA-Richtlijn zou kunnen worden vereenvoudigd, en dat zou goed nieuws zijn voor marktspelers.

1.2   Deze herziening zou ertoe moeten leiden dat zowel de EU als de nationale overheden erop toezien dat er met deze richtlijn in alle EU-lidstaten dezelfde spelregels worden ingevoerd. Dit zal het milieu, het bedrijfsleven en de Europese burgers ten goede komen.

1.3   Doordat er nu waardevollere materialen worden gebruikt dan zo'n 5 à 10 jaar geleden, komt veel AEEA niet bij de daarvoor aangewezen inzamelingspunten terecht. Dit heeft tot gevolg dat bepaalde afvalproducten niet op de juiste manier worden behandeld. Zo komen gevaarlijke, niet-waardevolle onderdelen van afgedankte koelkasten zoals condensatoren op de afvalhoop terecht zonder behandeld te zijn. Momenteel zijn het de producenten die verantwoordelijk zijn voor het AEEA-beheer, ook al hebben ze daar weinig of geen toezicht op. In feite zouden alle actoren in de keten, met inbegrip van schroothandelaren, dezelfde verantwoordelijkheid moeten dragen.

1.4   Scholen spelen een belangrijke rol bij de bewustwording van jonge burgers ten aanzien van het afvalvraagstuk en hun eigen verantwoordelijkheid daarin. Jonge burgers zouden daarom moeten worden voorgelicht over de risico's bij de behandeling van afgedankte elektronische apparatuur, zodat de mentaliteit steeds meer richting preventie, hergebruik, terugwinning en recycling gaat. Onderwijs is in de eerste plaats een taak van de lidstaten, maar productenorganisaties kunnen en moeten ook een grote rol spelen.

1.5   Met de herziening van deze richtlijn kunnen de bepalingen rond de bescherming van de volksgezondheid en het milieu enerzijds en de regels betreffende het soepel functioneren van de interne markt anderzijds beter op elkaar worden afgestemd. De in de richtlijn opgenomen definitie van een producent mag in ieder geval geen bijkomende belemmeringen voor de interne markt opwerpen. De Commissie zal zich immers moeten houden aan een recente uitspraak van het Hof van Justitie waarin wordt gestipuleerd dat bepalingen inzake milieubescherming niet mogen indruisen tegen de beginselen van de interne markt.

1.6   Totnogtoe hebben op marktaandelen gebaseerde collectieve systemen goede resultaten opgeleverd wat het beheer van AEEA betreft. De herziening van de richtlijn zou niet mogen leiden tot nieuwe belemmeringen ten aanzien van de praktijk van kostendeling van het AEEA-beheer op basis van de huidige marktaandelen. Bijlage II dient dusdanig te worden toegepast dat belanghebbende partijen hierdoor in staat worden gesteld om de ontwikkeling van behandelingsnormen voort te zetten.

1.7   Tot slot zou dankzij een kostenefficiënter beheer van de afvalstroom van elektrische en elektronische apparatuur in de EU kunnen worden voorkomen dat dit soort afval wordt verscheept naar derde landen, waar de milieunormen lager liggen en de risico's voor de arbeidskrachten die met dit afval moeten omgaan, groter zijn. Met de richtlijn zou dus moeten worden voldaan aan de sociale doelstelling om het milieu te beschermen en de impact van afval op de volksgezondheid te verminderen. De toepassing van de behandelingsnormen zou moeten worden bevorderd in derde landen.

2.   Inleiding

2.1   Met Richtlijn 2002/96/EG (1) betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur wil de Commissie de toenemende afvalstroom van elektrische en elektronische apparatuur (EEA) aanpakken en voor een aanvulling zorgen op de EU-maatregelen inzake het storten en verbranden van afval.

2.2   Aan de hand van een groot aantal bronnen en verschillende inschattingstechnieken is de hoeveelheid op de EU-markt gebrachte nieuwe elektrische en elektronische apparatuur geraamd op om en nabij de 10,3 miljoen ton per jaar. Uit een aantal prognoses komt naar voren dat de totale AEEA van nu tot in 2020 jaarlijks met 2,5 à 2,7 % zal stijgen en daarmee op ongeveer 12,3 miljoen ton zal uitkomen. De totale hoeveelheid ingezameld afval kwam in 2006 uit op 2 miljoen ton.

2.3   Het is nu dus van belang om na te gaan of de Richtlijn de verwachte resultaten heeft opgeleverd inzake milieubescherming. Ook dient te worden bekeken of er nog verbeteringen mogelijk zijn en met welke middelen deze het beste bereikt kunnen worden.

2.4   Zo zijn er dankzij de AEEA-Richtlijn een aantal afvalbeheerspatronen ingevoerd, teneinde meer elektrische en elektronische apparatuur te recycleren en de totale hoeveelheid afval die definitief verwerkt moet worden, te verminderen.

2.5   Producenten worden aangemoedigd om milieuvriendelijkere elektrische en elektronische apparatuur te ontwerpen en rekening te houden met alle aspecten van afvalbeheer. Om die reden is in de AEEA-Richtlijn het concept van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid opgenomen. Op grond van deze wetgeving zien producenten zich nu verplicht om de hele levenscyclus van hun elektrische en elektronische apparatuur in ogenschouw te nemen, met inbegrip van de duurzaamheid van de producten, de opwaardering ervan, de mogelijkheden tot reparatie en demontage en het gebruik van eenvoudig te recycleren materialen. Ook zijn ze verantwoordelijk voor het terugnemen en het recycleren van elektrische en elektronische apparatuur, in zoverre deze onder één van de tien productcategorieën (2) vallen. Tot slot dienen ze met gegevens te komen waaruit kan worden opgemaakt dat ze zich aan de richtlijn houden.

2.6   De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt van kracht met de registratie van een marktexploitant in het door elk van de lidstaten opengestelde nationale producentenregister. Een „producent” kan zich met verschillende soorten activiteiten bezighouden, bv. met het maken van eigen-merkproducten, of met de import of doorverkoop van producten. Het begrip „producent” wordt dus breed opgevat, teneinde er zoveel mogelijk bedrijfsactiviteiten onder te laten vallen en aldus tot een kostenefficiënt AEEA-beheerssysteem te komen. Het probleem is echter dat een ruime definitie een situatie in de hand werkt waarbij er voor één en hetzelfde product verschillende producenten verantwoordelijk zijn voor het beheer van het afval daarvan, hetgeen wettelijk gezien onaanvaardbaar is.

2.7   Met de AEEA-Richtlijn wil de Commissie gescheiden afvalinzameling aanmoedigen door kwantitatieve doelstellingen te formuleren. De EU-lidstaten dienden uiterlijk op 31 december 2006 een percentage van gescheiden inzameling van elektrische en elektronische apparatuur uit particuliere huishoudens bereikt te hebben van minimaal 4 kg gemiddeld per inwoner per jaar. In december 2008 zou er een nieuw bindend streefcijfer moeten zijn vastgesteld.

2.8   Ook worden met de AEEA-Richtlijn de praktijken van terugwinning, hergebruik en recycling aangemoedigd middels de invoering van streefwaarden op dit vlak.

2.9   De laatste pijler waarop de AEEA-Richtlijn berust, zijn de eindgebruikers, oftewel de consumenten. Consumenten mogen hun afgedankte apparatuur kosteloos inleveren. Om risico's met afgedankte EEA te voorkomen, is er op basis van Richtlijn 2002/95/EG (BGS) (3) een verbod op of beperking van het gebruik van bepaalde stoffen ingevoerd.

3.   Algemeen commentaar — overzicht van de problemen

3.1   Gezien bovenstaande acties werden de lidstaten geacht om hun eigen nationale AEEA-beheersplannen uit te werken, om zo te voldoen aan de bepalingen van de richtlijn. Na een eerste beoordeling van de tenuitvoerlegging van de AEEA-Richtlijn in de lidstaten kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

er zijn binnen de EU uiteenlopende interpretaties ontstaan over het toepassingsgebied van de richtlijn: eenzelfde product valt niet per se in alle lidstaten onder dat toepassingsbied, waardoor producenten in Europa dus te maken krijgen met verschillende niveaus van toepassing van de richtlijn;

de streefcijfers voor inzameling kunnen gemakkelijk worden waargemaakt door de meeste van de EU-15, maar blijven problematisch voor de meeste nieuwe lidstaten;

de resultaten op het vlak van inzameling van producten uit andere categorieën dan categorie I zijn teleurstellend (4);

kleinere apparaten worden vaak niet ingeleverd bij de inzamelingspunten en komen daardoor niet in de reguliere AEEA-kanalen terecht.

het netwerk van inzamelingspunten voor AEEA is in nogal wat lidstaten ondermaats gebleven;

er is een gebrek aan verslaglegging over de kwaliteit van de behandeling van AEEA (5);

de twee belangrijkste activiteiten die administratieve lasten met zich meebrengen zijn het registreren in het nationale producentenregister en de verslaglegging;

de omzetting van de AEEA-Richtlijn in nationale wetgeving is pas na 13 augustus 2004 van start gegaan — en in sommige lidstaten is dit proces nog altijd niet voltooid. Het is derhalve nog te vroeg voor een alomvattende maatschappelijke monitoring en beoordeling.

4.   Specifiek commentaar — Hoe nu verder?

4.1   Bij de herziening van de richtlijn dient de Commissie te streven naar maximale milieuwinst (meer inzamelen) en naar verbetering van de kostenefficiency van de AEEA-behandeling (betere behandeling).

4.2   Willen er resultaten worden geboekt op het vlak van AEEA-beheer in de EU, dan zal ook de bureaucratische rompslomp moeten worden teruggebracht, zodat bedrijven concurrerend blijven en middelen kunnen investeren in de verbetering van de met hun bedrijvigheid samenhangende milieuprestaties, of dat nu gaat om productontwerp, de organisatie van hun inzameling, de terugnamesystemen of de voorlichting van het publiek.

4.3   Met behulp van de nationale overheden en door particuliere initiatieven kunnen er voorlichtingscampagnes op scholen worden gefinancierd, zodat kinderen al in een vroeg stadium vertrouwd raken met goede praktijken inzake het verwijderen en het recycleren van elektrische en elektronische apparatuur. Deze programma's zouden op lokaal niveau moeten worden uitgevoerd en de inhoud ervan zou dus op de plaatselijke omstandigheden en consumptiepatronen moeten worden afgestemd.

4.4   Om optimale milieuverbeteringen en een maximale winst in kostenefficiency te bereiken, zijn de volgende maatregelen aangewezen:

van een productgerichte benadering (6) overschakelen op een benadering die uitgaat van de productcategorie en het afvalbeheer ervan;

de streefwaarden voor hoeveelheden ingezamelde apparatuur, recyclingpercentages en verwerkingscriteria differentiëren;

gelijke concurrentievoorwaarden scheppen voor de verschillende belanghebbenden overal in de EU; Daarbij gaat het met name om het volgende:

Onder de producentendefinitie zouden in heel de EU dezelfde ondernemers moeten vallen. Daarom zou degene die een product op de interne markt brengt, voor alle nationale markten in de EU dezelfde producent moeten zijn;

De werking van de nationale producentenregisters dient geharmoniseerd te worden. De uiteenlopende wettelijke vereisten voor de verschillende stelsels van nationale registratie en financiering leiden namelijk tot extra kosten voor producenten die grensoverschrijdend actief zijn op de interne markt. Producentenregisters zijn anders opgezet als het gaat om de vraag welke gegevens bij producenten moeten worden ingezameld en om hoe daarbij te werk moet worden gegaan. Zo bestaan er in de registers verschillen in de definities van het soort apparatuur, in de criteria voor gewicht, in de regels t.a.v. de cijfers die voor verslaglegging worden gebruikt en in de mate waarin verkoop aan andere lidstaten in aanmerking wordt genomen. Ook variëren de frequentie van en de tijdstippen voor de verslaglegging. De Europese instellingen zouden, na een goede raadpleging van de belanghebbenden, aanbevelingen en richtsnoeren kunnen formuleren om dit doel te bereiken.

Er zou een Europees netwerk van nationale registers kunnen worden opgezet, zodat de informatie kan worden uitgewisseld. Producenten zouden zich in één enkele lidstaat moeten kunnen registreren, met daarbij een overzicht van hun bedrijfsactiviteiten in de hele EU. Dit zou tot een aanzienlijke verlichting van de administratieve lasten voor de registranten leiden en de tenuitvoerlegging van de richtlijn tegelijkertijd efficiënter maken. Met een grotere harmonisering en minder bureaucratie zou het eenvoudiger worden om de milieudoelstellingen te realiseren.

De vereisten inzake etikettering voor het op de markt brengen van elektrische en elektronische apparatuur zouden verder moeten worden geharmoniseerd. Indien men verzuimt dit te doen, wordt het vrije verkeer van goederen op de interne markt voortdurend verstoord.

duidelijkheid scheppen rond een geharmoniseerde aanpak en deze vervolgens op een homogene manier ingang doen vinden in de EU-lidstaten;

nagaan hoe nationale regeringen onderzoek terwille van milieuverbeteringen in het AEEA-beheer kunnen aanmoedigen;

en tot slot verder onderzoeken welke rol de consument speelt voor de bijsturing van het AEEA-beleid; uiteindelijk is het toch de consument die zijn afgedankte apparatuur moet inleveren en die hiervoor ook een bijdrage zal betalen, los van de vraag hoe de financiering wordt geregeld.

Brussel, 4 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  EESC-advies over AEEA, PB C 116 van 20.4.2001, blz. 38-43

(2)  In de AEEA-richtlijn zijn 10 productcategorieën opgenomen:

1. Grote huishoudelijke apparaten

2. Kleine huishoudelijke apparaten

3. IT- en telecommunicatieapparatuur

4. Consumentenapparatuur

5. Verlichtingsapparatuur

6. Elektrisch en elektronisch gereedschap

7. Speelgoed, apparatuur voor sport en ontspanning

8. Medische hulpmiddelen

9. Meet- en controle-instrumenten

10. Automaten

(3)  De BGS-richtlijn stipuleert dat in nieuwe elektrische en elektronische apparatuur die vanaf 1 juli 2006 op de markt wordt gebracht, bepaalde zware metalen (lood, mercuur, cadmium en zeswaardig chroom) en broomhoudende brandvertragers (polybroombifenylen — PBB) en polybroomdifenylethers (PBDE's) door andere stoffen moeten worden vervangen.

(4)  Zie voetnoot nr. 2

(5)  Krachtens artikel 12 (AEEA-Richtlijn) over „Informatie en rapportage”, dienen producenten op een jaarlijkse basis gegevens te verzamelen, waaronder degelijke ramingen, over de hoeveelheden en categorieën elektrische en elektronische apparatuur die in de lidstaten op de markt werden gebracht, langs de onderscheidene wegen werden ingezameld, hergebruikt, gerecycleerd en nuttig gebruikt, alsmede over de hoeveelheden ingezamelde AEEA die werden uitgevoerd, naar gewicht of, desnoods, in aantallen.

(6)  Zie de productcategorieën zoals beschreven onder voetnoot 2.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/37


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De behoefte aan een gezamenlijk EU-optreden ter versterking van maatschappelijke organisaties in plattelandsgebieden, m.n. in de nieuwe lidstaten

(2009/C 175/07)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 17 januari 2008 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten een initiatiefadvies op te stellen over:

De behoefte aan een gezamenlijk EU-optreden ter versterking van maatschappelijke organisaties in plattelandsgebieden, m.n. in de nieuwe lidstaten.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 30 oktober 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer KAMIENIECKI.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 107 stemmen vóór en 6 stemmen tegen, bij 11 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het plattelandsbeleid heeft zich lange tijd uitsluitend toegespitst op thema's die rechtstreeks verbonden zijn met landbouwproductie. Pas tijdens de laatste twintig jaar ontstond het bewustzijn dat de rurale gebieden onderling zodanig verschillen dat er geen eenvormige beleidsinstrumenten op nationaal of Europees niveau kunnen worden ontwikkeld, en dat er geen ontwikkeling en gelijkheid van kansen e.d. mogelijk zijn zonder betrokkenheid en inspraak van de plattelandsbewoners zelf.

1.2   Het huidige debat over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het plattelandsbeleid is van cruciaal belang voor de toekomst van het Europese platteland. Aan dit debat moeten niet alleen deskundigen en politici, maar ook de plattelandsbewoners zelf kunnen deelnemen.

1.3   Het Leader-initiatief is in dit verband een goed voorbeeld — ook vele nieuwe lidstaten beschouwen het daarom als een kans om meer initiatieven en een efficiënter gebruik van ontwikkelingssteun op het platteland te stimuleren. Zaak is om zowel uit nationale als communautaire bronnen steun te verzekeren voor allerlei initiatieven ter versterking van de civiele maatschappij op het platteland.

1.4   De civiele maatschappij in de plattelandsgebieden van de verschillende Europese lidstaten staat de laatste decennia bloot aan bijzonder ingrijpende veranderingen van economische (o.a. toegenomen concurrentie op de diverse markten), maatschappelijke (ontvolking van het platteland) en ecologische aard (klimaatverandering). De huidige processen spelen zich af in een economisch kader dat sterk bepaald is door diep verankerde, historische omstandigheden. Vooral in de plattelandsgebieden van de nieuwe lidstaten zijn de veranderingen dramatisch.

1.5   De ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld kan o.a. worden gestimuleerd door de daartoe beschikbare instrumenten aan te passen aan de behoeften en mogelijkheden van concrete plattelandsgebieden. Dit veronderstelt dat men een en ander vaker van onderaf aanpakt (bottom-up approach). Ook onderwijs kan een fundamentele rol spelen.

1.6   De eerste ngo's in Centraal- en Oost-Europa ontstonden reeds aan het eind van de jaren tachtig. In vergelijking met organisaties in de EU-15-landen stuiten deze niet-gouvernementele organisaties op meer obstakels als gevolg van het verschil in economische ontwikkeling, de moeilijkere toegang tot nieuwe technologieën en allerlei financieringsvormen (o.a. uit de private sector), het juridische landschap en de houding van publieke overheden.

1.7   Er moet beter op worden toegezien dat plattelandsorganisaties toegang hebben tot financiële middelen. Deze middelen moeten zowel stabiel als elastisch zijn en ook de werkingskosten van de organisatie zelf dekken (institutionele subsidies).

1.8   Er zijn speciale institutionele oplossingen nodig om het potentieel van plattelandsorganisaties (ook in landen die zich voorbereiden op toetreding tot de EU) te versterken. Er moeten allerlei instrumenten worden ingezet die het voor de plattelandsgemeenschappen gemakkelijker maken om toegang te krijgen tot informatie.

1.9   Plattelandsbewoners, die meestal minder hoog opgeleid zijn en moeilijker toegang hebben tot informatie, vinden slechts met moeite hun weg in deze snel veranderende wereld.

1.10   Overal in de EU wordt de ontwikkeling van de civiele maatschappij in plattelandsgebieden geremd door de volgende obstakels:

moeilijke toegang tot kennis en informatie;

gebrek aan ondernemersvaardigheden;

demografische problemen en ongelijke kansen voor mannen en vrouwen (1)

een minder goede sociale infrastructuur dan in de steden.

1.11   Op nationaal niveau is er behoefte aan meer coördinatie tussen besluiten over gezondheidszorg, onderwijs en sociale voorzieningen in plattelandsgebieden enerzijds, en het landbouwbeleid of het plattelandsbeleid in strikte zin anderzijds. Daarnaast moeten er ook meer acties worden ondernomen om de band tussen platteland en stad te versterken.

1.12   Er zijn nog altijd te weinig instrumenten die plattelandsbewoners helpen bij het zoeken naar alternatieve inkomsten. Het behoort ook tot de taak van de overheid om de voorwaarden te creëren voor een dialoog tussen haar instellingen en de maatschappij.

1.13   De decentrale overheden hebben een cruciale rol te vervullen. De lokale overheden moeten optreden als katalysator voor de ontwikkeling van plattelandsgemeenschappen en hen aanzetten tot het nemen van gemeenschappelijke initiatieven.

1.14   In de nieuwe lidstaten is het gebrek aan vertrouwen tussen maatschappelijke vertegenwoordigers en lokale overheden een zeer groot probleem. De maatschappelijke organisaties zien de decentrale overheden als een obstakel voor maatschappelijke initiatieven, terwijl de overheidsvertegenwoordigers de concurrentie van lokale maatschappelijke vertegenwoordigers vrezen.

1.15   De mogelijkheid dient te worden overwogen om op ruimere schaal het mechanisme van „rural proofing” in te voeren, d.w.z. na te gaan welke impact juridische oplossingen (die b.v. betrekking hebben op het onderwijssysteem of op openbare aanbestedingen) op het platteland hebben.

2.   Achtergrond

2.1   De veranderingen die de plattelandgebieden in de EU ondergaan, doen een aantal vragen oprijzen: in welke richting evolueren de plattelandsgemeenschappen, in welke mate zijn zij zelf in staat om hun toekomst te bepalen, en worden de betrekkingen die er zich ontwikkelen tussen mensen en de nieuwe behoeften tot samenwerking door het beleid, het juridisch kader en de openbare instellingen gesteund?

2.2   Aan de civiele maatschappij worden vele functies toegekend. Hieruit kan worden opgemaakt dat ze het leven vergemakkelijkt en dat ze de ruimte tussen individuen, het gezin en de overheid invult.

2.3   De Europese integratie beïnvloedt de dynamiek van de veranderingen op het platteland. Het behoort tot de taken van het EESC om dit proces te observeren en zo inzicht te verwerven in de ontwikkeling van een basis voor de civiele maatschappij.

2.4   De civiele maatschappij in de plattelandsgebieden van de verschillende Europese lidstaten staat de laatste decennia bloot aan bijzonder ingrijpende veranderingen van economische (o.a. toegenomen concurrentie op de diverse markten), maatschappelijke (ontvolking van het platteland) en ecologische aard (klimaatverandering). De huidige processen spelen zich af in een economisch kader dat sterk bepaald is door diep verankerde, historische omstandigheden.

2.5   Vooral in de plattelandsgebieden van de nieuwe lidstaten zijn de veranderingen dramatisch. Zij treffen alle aspecten van het leven tegelijk: niet alleen de economie (met name de banksector), maar ook de sociale sector (hervorming van de gezondheidszorg en van socialezekerheidsstelsels) en de rechtsorde (veranderende rol van lokale overheden, regelgeving m.b.t. niet-gouvernementele organisaties, financiële en fiscale wetgeving, enz.).

2.6   De voormalige werknemers van grote landbouwproductiebedrijven, waar de traditionele kenmerken van de plattelandsgemeenschap teloor zijn gegaan, vormen de nalatenschap van de vorige periode.

2.7   Plattelandsbewoners, die meestal minder hoog opgeleid zijn en moeilijker toegang hebben tot informatie, vinden slechts met moeite hun weg in deze snel veranderende wereld.

2.8   In de EU-15 vonden een aantal van deze processen reeds eerder plaats, maar gespreid over een langere periode. Niettemin konden ook deze landen niet volledig ontsnappen aan de negatieve gevolgen van o.a. de concentratie van de landbouwproductie.

2.9   In de EU-15 is men zich sterker bewust van de waarde van het platteland dan in de nieuwe lidstaten. In de publieke opinie en de media van de nieuwe lidstaten beperkt de aandacht zich meestal tot landbouwvraagstukken.

De eerste formele ngo's die zich inzetten voor de ontwikkeling van het platteland in Centraal-en Oost-Europa, ontstonden reeds aan het eind van de jaren tachtig. In vergelijking met ngo's in de EU-15-landen stuiten zij voortdurend op meer obstakels als gevolg van het verschil in economische ontwikkeling, de moeilijkere toegang tot nieuwe technologieën en allerlei vormen van financiering (o.a. uit de private sector), het juridische landschap en de houding van publieke overheden, die maar weinig ervaring en vertrouwen hebben wanneer het aankomt op samenwerking met de sociale sector.

2.10.1   Uit officiële gegevens over het aantal ngo's per inwoner blijkt dat er op het platteland in verhouding minder maatschappelijke inzet op te tekenen valt. Als echter rekening wordt gehouden met kennis over initiatieven van de lokale overheden of met informele groeperingen, buurtnetwerken en de betrokkenheid van plattelandbewoners bij zaken die hun streek aanbelangen, dan blijkt dat dit soort sociaal kapitaal meer op het platteland meer voorradig is dan in grote steden.

2.11   Sinds het begin van de 21e eeuw kent de ontwikkeling van plattelandsverenigingen in de Centraal- en Oost-Europese landen een nieuw elan. De onderlinge samenwerking is ook toegenomen, o.a. door de totstandkoming van structuren op regionaal en nationaal niveau. In sommige landen zijn deze structuren op een Scandinavische leest geschoeid, met een lokale vereniging in elk dorp. In andere landen hebben ngo's die zich inzetten voor rurale thema's, nationale overeenkomsten gesloten en platformen gevormd met het oog op samenwerking, uitwisseling van ervaringen en de vertegenwoordiging van plattelandsgemeenschappen bij de overheid. Met behulp van Scandinavische organisaties hebben deze ngo's in de nieuwe lidstaten onder de naam Prepare (Partnership for Rural Europa) een overeenkomst gesloten om elkaar te helpen en samen hun werking te verbeteren.

3.   De Europese Unie en de civiele maatschappij in plattelandsgebieden

3.1   Het plattelandsbeleid heeft zich lange tijd uitsluitend toegespitst op thema's die rechtstreeks verbonden waren met de landbouwproductie, en was daardoor in heel de Europese Unie hetzelfde. Het beleid inzake investeringen in plattelandsinfrastructuur werd daarentegen meestal op nationaal niveau bepaald. Pas aan het eind van de jaren tachtig ontstond het bewustzijn dat plattelandsgebieden onderling zodanig verschillen dat er geen eenvormige beleidsinstrumenten op nationaal of Europees niveau mogelijk zijn, en dat er geen ontwikkeling en gelijkheid van kansen e.d. mogelijk is zonder betrokkenheid en inspraak van de plattelandsbewoners zelf.

3.2   De recent ontwikkelde plattelandsontwikkelingsprogramma's bevatten instrumenten en oplossingen die in zekere mate beantwoorden aan de behoeften van de civiele maatschappij in plattelandsgebieden. Vooral het Leader-programma is zo'n instrument, met lokale actiegroepen waarin een belangrijke rol is weggelegd voor ngo's (in de nieuwe programmaperiode zal de Leader-aanpak worden toegepast op 40 % van de Europese plattelandsgebieden).

3.3   Daarnaast kunnen ngo's in het kader van de plattelandsontwikkelingsprogramma's ook gebruik maken van maatregelen die o.a. rurale dienstverlening betreffen. Zaak is echter in de verschillende landen oplossingen te vinden die het voor organisaties mogelijk maken om diensten te verlenen en publiek-sociale of publiek-private partnerschappen aan te gaan waaraan ook ngo's kunnen deelnemen. Verder kunnen ngo's ondersteuning krijgen in het kader van nationale plattelandsnetwerken.

3.4   De aanpak die wordt voorgesteld in het kader van het Leader-programma kan worden aangepast aan de specifieke omstandigheden en behoeften van de verschillende lidstaten. Vele landen passen deze benadering veel ruimer toe dan het Leader-initiatief en zetten nationale en regionale middelen in om lokale initiatieven te ondersteunen (dit gebeurt o.m. in Ierland, Spanje en Duitsland).

Ook vele nieuwe lidstaten beschouwen het Leader-initiatief als een kans om aan te zetten tot meer initiatieven en een efficiënter gebruik van ontwikkelingssteun op het platteland. Zaak is zowel uit communautaire als nationale bronnen steun te verzekeren voor allerlei initiatieven ter versterking van de civiele maatschappij op het platteland.

3.5.1   Het moet als een positieve trend worden gezien in het EU-beleid dat er steun wordt verleend aan een actieve civiele maatschappij die de gemeenschappelijke lokale behoeften van de burgers kan bevredigen. Niettemin wordt de opbouw van een civiele maatschappij volgens het geprefereerde bottom-upmodel gehinderd door verschillende problemen als gevolg van o.a. administratieve obstakels die dringend moeten worden weggeruimd.

4.   Nationaal beleid en de civiele maatschappij in plattelandsgebieden

4.1   Momenteel is er een debat gaande over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het plattelandsbeleid. De uitkomst van dit debat zal van invloed zijn op de omvang van de middelen die niet alleen in de huidige, maar ook in de volgende (2013-2020) en daaropvolgende begrotingsperiodes aan het platteland zullen worden toegekend. Het is dus van essentieel belang dat niet alleen deskundigen en politici, maar ook de plattelandsbevolking zelf aan dit debat deelnemen.

4.2   In de nieuwe lidstaten is het niet echt de gewoonte dat de overheid en de civiele maatschappij, of zelfs verschillende ministeries en departementen van één en dezelfde overheid, samenwerken. Daardoor is er bijna geen enkele coördinatie tussen besluiten over gezondheidszorg, onderwijs en sociale voorzieningen in plattelandsgebieden enerzijds, en het landbouwbeleid of het plattelandsbeleid in strikte zin anderzijds.

4.3   Voor de nieuwe lidstaten is de raming van de communautaire uitgaven voor de begrotingsperiode 2007-2013 nog maar de tweede „oefening” van deze aard, wat mede door de beperkte ervaring van ambtenaren en de frequente regeringswissels met zich meebrengt dat sommige mogelijkheden die op Europees niveau worden aangeboden om de ontwikkeling van het platteland te bevorderen, niet ten volle worden aangewend.

4.4   Verder mag niet uit het oog worden verloren dat één van de voornaamste voorwaarden om te komen tot sociaal-economische cohesie in de uitgebreide Unie is dat er een sterkere band wordt gevormd tussen platteland en stad. Door formele, vaak kunstmatige grenzen te trekken omdat men b.v. verplicht wordt een „demarcatielijn” tussen middelen uit verschillende communautaire fondsen (o.a. EFRO en ELFPO) in stand te houden — en dit in een context waar de voorwaarden voor steun regelmatig veranderen en de besluitvormingsprocedures van de verschillende fondsen onderling geen verband houden — wordt het moeilijker om complementaire activiteiten te realiseren en groeit de kloof tussen stedelijke en plattelandsgebieden.

4.5   Voor plattelandsgebieden ontwikkelt men voornamelijk activiteiten die aansluiten bij de klassieke productierol of typische „'sociale” instrumenten (werkloosheidsuitkeringen of steun aan semi-zelfvoorzieningsbedrijven). Deze zijn absoluut noodzakelijk (vooral in landen als Roemenië en Polen, waar de armoede voornamelijk op het platteland geconcentreerd is), maar zij houden tegelijkertijd de huidige situatie in stand zonder fundamenten te leggen voor verandering. Er zijn nog altijd te weinig instrumenten die plattelandsbewoners helpen bij het zoeken naar alternatieve inkomsten. De bevordering van werkgelegenheid op het platteland gebeurt nog altijd door instellingen die de landbouw moeten ontwikkelen, zodat de programma's die zij aanbieden onvoldoende aandacht besteden aan beroepen buiten deze sector.

4.6   De Lissabonstrategie zou een belangrijke rol kunnen spelen, aangezien innovatie en concurrentievermogen in ruime zin ook op het platteland mogelijk zijn. Deze concepten worden echter te vaak uitsluitend met nieuwe technologieën en onderzoekscentra in grote steden in verband gebracht. Daardoor wordt een uitgebreid terrein van innovatie op maatschappelijk vlak of met betrekking tot het erfgoed, ecologische waarden of lokale tradities terzijde gelaten.

4.7   Vele lidstaten, m.n. de nieuwe, geven in hun nationale politiek een beperkte interpretatie aan innovatie en concurrentievermogen (dit blijkt o.m. uit de voorwaarden en vooral de uitzonderlijk hoge drempels van meerdere miljoenen euro voor ondernemingen die om communautaire steun vragen, wat in de praktijk betekent dat ondernemingen uit plattelandsgebieden of kleine steden buiten de boot vallen).

4.8   Het nationale beleid m.b.t. plattelandsgemeenschappen is erg behoudend en conjunctuurgebonden. Dit komt doordat de overheden onvoldoende doortastend zijn in het creëren van voorwaarden om hun ontwikkeling te bevorderen, doordat het ontbreekt aan een langetermijnvisie voor het plattelandsbeleid en omdat men bang is de civiele maatschappij een rol toe te kennen die het belang van politieke partijen zou kunnen verminderen. Gezien het beleid van de nationale overheden verwachten vele plattelandsgemeenschappen dat de impuls voor veranderingen van de Europese Unie zal komen.

4.9   Het behoort echter tot de taak van de nationale overheden om de voorwaarden te creëren voor een dialoog tussen hun instellingen en de maatschappij, en om een cultuur van openheid en transparantie tot stand te brengen. Dit is des te belangrijker omdat plattelandsgemeenschappen worden gekenmerkt door het feit dat slechts een relatief laag percentage van de burgers (in Polen b.v. 17 %) gelooft in het democratische gehalte van de samenleving.

5.   Lokale overheden en de civiele maatschappij in plattelandsgebieden

5.1   De rol van decentrale overheden bij het ondersteunen van maatschappelijke initiatieven en bij het bevorderen van samenwerking tussen maatschappelijke vertegenwoordigers is van cruciaal belang in plattelandsgebieden. De lokale overheden moeten optreden als katalysator voor de ontwikkeling van plattelandsgemeenschappen en hen aanzetten tot het nemen van gemeenschappelijke initiatieven.

5.2   De samenwerking tussen plattelandsorganisaties en de lokale overheid verloopt vaak niet van een leien dakje. De gebrekkige relatie tussen de decentrale overheden en de maatschappelijke organisaties en hun vertegenwoordigers in plattelandsgebieden is een probleem dat in alle lidstaten bestaat, zij het in de ene meer dan in de andere. Op vele plaatsen zijn er goede voorbeelden te vinden die aanzetten tot een positieve instelling en getuigen van de huidige veranderingen en mogelijkheden.

5.3   In de nieuwe lidstaten is het gebrek aan vertrouwen tussen maatschappelijke vertegenwoordigers en lokale overheden een zeer groot probleem. De decentrale overheden worden ervaren als een obstakel voor maatschappelijke initiatieven, en de overheidsinstellingen kijken bevreesd toe hoe er op hun werkterrein alsmaar meer vertegenwoordigers van de civiele maatschappij opstaan, omdat ze die zien als concurrenten die hun positie bedreigen. Maatschappelijke organisaties die hopen dat de decentrale overheden als partners aan hun initiatieven zullen deelnemen of hen zullen steunen, stuiten op wantrouwen of worden behandeld als lastige klanten.

5.4   Het gebrek aan vertrouwen wordt doorbroken als projecten tot een goed einde zijn gekomen en als de gemeenten (gemeenschappen) waarin de samenwerking tussen de lokale overheid en maatschappelijke vertegenwoordigers goed is verlopen, zien welke voordelen dit met zich mee heeft gebracht.

5.5   In plattelandsgebieden worden inspanningen geleverd om te komen tot positieve betrekkingen en communicatie tussen de lokale overheden en maatschappelijke organisaties, o.a. door over deze thema's training te geven. Maar om dit probleem op een duurzame manier op te lossen zijn er nog meer bijscholingsactiviteiten nodig.

6.   Obstakels voor de ontwikkeling van de civiele maatschappij in plattelandsgebieden

6.1   Naast problemen die vooral kenmerkend zijn voor de landen van Centraal- en Oost-Europa zijn er ook verschillende knelpunten die in alle plattelandsgebieden van de Europese Unie kunnen worden waargenomen.

Hierbij gaat het o.a. om: moeilijke toegang tot kennis en behoefte aan verschillende soorten opleidingen voor de plattelandsbevolking;

moeilijkere toegang tot informatie en minder vaardigheid om er gebruik van te maken;

gebrek aan ondernemersvaardigheden, moeilijkheden om de overgang van landbouwonderneming naar plattelandsonderneming te maken;

ongelijke kansen voor mannen en vrouwen (1);

regionale demografische problemen, m.n. een tekort aan mannelijke of vrouwelijke partners die een gezin willen stichten op het platteland; in sommige regio's is er sprake van plattelandsontvolking;

een minder goede sociale infrastructuur dan in de steden;

bureaucratische beperkingen en een gebrek aan steun van de overheidsinstellingen.

7.   Mogelijkheden voor de ontwikkeling van de civiele maatschappij in plattelandsgebieden

7.1   De activiteiten van maatschappelijke organisaties op het platteland kunnen worden bevorderd door de bestuurlijke besluitvormingsmethode in brede zin (governance) te verbeteren, en dit op zowel nationaal (door maatschappelijke organisaties te betrekken bij de ontwikkeling van het plattelandsbeleid in plaats van hen alleen maar te raadplegen over reeds door ambtenaren voorbereide oplossingen) als lokaal en regionaal niveau (door de bevolking te betrekken bij de besluitvorming over de toekenning van ontwikkelingssteun aan projecten).

7.2   Om de ontwikkelingsinstrumenten aan te passen aan de behoeften en mogelijkheden van concrete plattelandsgebieden moet men vaker gebruik maken van een aanpak van onderaf (bottom-up). Dit houdt in dat deze aanpak niet alleen bij welbepaalde activiteiten van het programma voor plattelandsontwikkeling, maar ook in het kader van de Structuurfondsen of het nationale beleid moet worden toegepast.

7.3   De belangrijke problemen van plattelandsgebieden kunnen m.b.v. partnerschappen tussen de publieke, private (ondernemingen) en niet-gouvernementele sector worden opgelost. Door de gemeenschap die een lokaal partnerschap is aangegaan, te laten (mee)beslissen/in ieder geval inspraak te geven over het gebruik van middelen voor het scheppen van arbeidsplaatsen, de activering van werklozen of de strijd tegen maatschappelijke uitsluiting, kan men ertoe bijdragen dat burgers zich meer verantwoordelijk gaan voelen voor de situatie in hun omgeving en meer gemotiveerd worden om zich in te zetten voor de lokale gemeenschap.

7.4   Er zou ook meer aandacht moeten worden besteed aan het opbouwen van contacten tussen de wetenschap en plattelandsorganisaties. Het loont de moeite om de goede praktijken die zich op dit vlak in vele landen hebben ontwikkeld, te identificeren en te verspreiden.

7.5   De ontwikkeling van de civiele maatschappij op het platteland wordt in sterke mate beïnvloed door het onderwijs. De hervorming van de opleidingssystemen in plattelandsgebieden moet het voor plattelandsbewoners gemakkelijker maken om een plaatselijke school op te richten, aangezien dit blijk geeft van bezorgdheid over de opleidingsmogelijkheden van de toekomstige generaties en van een bijzondere maatschappelijke inzet die moet kunnen rekenen op medewerking van de overheid. Ook goede voorbeelden van volwasseneneducatie (b.v. „volksuniversiteiten”) die men in een aantal EU-landen aantreft, zouden meer verspreiding moeten kennen.

7.6   Als mensen zich inzetten voor de gemeenschap versterkt dit het gemeenschapsgevoel. De voorbije jaren is gebleken dat gemeenschappen die er dankzij hun maatschappelijke inzet in zijn geslaagd om hun uitzichtloosheid en passiviteit te doorbreken, graag hun ervaringen delen met anderen die minder ondernemend zijn (2).

7.7   Er moet ook beter op worden toegezien dat plattelandsorganisaties toegang hebben tot financiële middelen. In theorie bestaan dergelijke mogelijkheden op zowel Europees als nationaal en internationaal niveau, maar uit recente studies blijkt dat kleine ngo's (die voornamelijk op het platteland actief zijn) zeer weinig gebruik maken van de beschikbare financieringsbronnen.

7.8   Er zouden voorwaarden moeten worden gecreëerd voor een stabiele, elastische financiering van ngo's, waarbij ook middelen moeten worden toegekend voor hun werking zelf (institutionele financiering, en niet alleen projectfinanciering) en mechanismen worden gezocht die de toegang tot dergelijke middelen gemakkelijker maakt voor plattelandsorganisaties, b.v. middels systemen van „regranting” via intermediaire organisaties (zoals dat b.v. gebeurt in het Leader-programma, maar dan op grotere schaal).

7.9   Dankzij dergelijke oplossingen kan ook sneller beslist worden over de toekenning van middelen, wat voor kleine projecten op lokaal niveau van wezenlijk belang is.

7.10   Een actievere civiele maatschappij op het platteland kan bijdragen tot een betere coördinatie van allerlei „sectorale” beleidslijnen (onderwijs, gezondheidszorg, sociaal beleid, milieubescherming, enz.), al was het maar omdat ngo's meer ervaring hebben met het ontwikkelen van samenwerkingsverbanden dan overheidsdepartementen.

7.11   De mogelijkheid dient te worden overwogen om op ruimere schaal het mechanisme van „rural proofing” in te voeren. Met dit mechanisme, dat in sommige lidstaten reeds wordt toegepast, kan worden nagegaan welke impact juridische oplossingen (die niet rechtstreeks betrekking hebben op het platteland, maar b.v. op het onderwijs of openbare aanbestedingen) op het platteland hebben. Van wezenlijk belang is dat maatschappelijke organisaties aan dit soort evaluaties deelnemen.

7.12   Er moet gezocht worden naar speciale institutionele oplossingen om het potentieel van plattelandsorganisaties te vergroten. Dit soort oplossingen (institutionele ondersteuning, hulp bij de organisationele capaciteitsontwikkeling of „capacity building” en verspreiding van het concept van publiek-sociale partnerschappen) zou zeker ook nuttig zijn in landen die zich voorbereiden op toetreding tot de EU.

7.13   Er moeten allerlei instrumenten worden ingezet die het voor plattelandsgemeenschappen gemakkelijker maken om toegang te krijgen tot informatie. Deze instrumenten dienen te worden aangepast aan de specifieke kenmerken van elk land (b.v. participatie van media en lokale overheden, oprichting van informatiepunten) en rekening te houden met de beschikbaarheid van internet. Niet alleen ngo's, maar ook scholen en landbouw- en werknemersorganisaties kunnen een belangrijke rol spelen bij het verspreiden van informatie.

7.14   In dit verband dient de uitwisseling van ervaring tussen de nieuwe lidstaten en kandidaat-lidstaten te worden bevorderd.

7.15   Zaak is ook mechanismen te ontwikkelen die aanzetten tot nauwere samenwerking tussen organisaties op het platteland en in de steden, onder meer door de voorwaarden voor het gebruik van communautaire middelen hierop af te stemmen. Hiertoe moeten het „sectorale” denken en de strikte scheiding tussen verschillende fondsen echter worden doorbroken.

7.16   Het huidige debat over de toekomst van het platteland vormt wellicht een goede gelegenheid om het bewustzijn over de verschillende problemen van plattelandsgebieden ook bij stadsbewoners aan te scherpen. In dit verband zijn er recentelijk enkele interessante initiatieven van experimentele aard gelanceerd, o.a. in het kader van het project European Citizens’ Panel (3), waardoor een breder publiek, dat tot dusver niet in deze problematiek geïnteresseerd was, bij het debat betrokken werd. Plattelands- en stedelijke organisaties zouden zich samen kunnen inzetten voor bewustmakingscampagnes.

Brussel, 4 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  De problemen van plattelandsvrouwen heeft het EESC behandeld in het advies PB C 204 van 18.7.2000, blz. 29.

(2)  Dit is niet alleen zo binnen één en hetzelfde land (b.v. in Polen, waar in het kader van het nationale netwerk „Krajowa Sieć Grup Partnerskich” meer ontwikkelde groepen minder ervaren groepen coachen), maar ook tussen verschillende landen (b.v. Poolse plattelandsorganisaties die actief zijn in Oekraïne, Slowaakse organisaties in Servië en Hongaarse organisaties in Albanië). Dit soort activiteiten heeft echter institutionele steun nodig en moet ruimer worden gepromoot als een goed praktijkvoorbeeld.

(3)  www.citizenspanel.eu


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/43


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp „De maatschappelijke gevolgen van de ontwikkeling van het koppel vervoer/energie”

(2009/C 175/08)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 17 januari 2008 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten om een initiatiefadvies op te stellen over het onderwerp:

De maatschappelijke gevolgen van de ontwikkeling van het koppel vervoer/energie.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw BATUT.

Het Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 107 stemmen vóór en 29 stemmen tegen, bij 15 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Conclusies

1.1.1   Vervoer en energie, een onlosmakelijk koppel dat cruciaal is voor concurrentievermogen, ontwikkeling, welvaart en cohesie, staan onder druk van drie krachten — van economische, sociale en ecologische aard — nu het Europese energie-aanbod schaarser wordt en het buitenlandse aanbod instabieler, met schommelende prijzen als gevolg die jarenlang een stijgende lijn kunnen laten zien.

Het verdient aanbeveling om in brede zin en met vooruitziende blik na te denken over hoe noodzakelijk dit koppel is voor de Europese burgers, over de impact hiervan op hun leefwijze (vooral als zij zich in een kansarme situatie bevinden), en over de maatregelen die de EU in dit verband zou kunnen nemen om ervoor te zorgen dat het welzijn van de burgers meer in aanmerking wordt genomen.

1.1.2   Het voortbestaan van het Europese sociale model is ten dele van dit koppel afhankelijk. De steeds hogere kosten van dit koppel op de lange termijn hebben gevolgen voor mensen, bedrijven, werknemers, de mobiliteit en de werkgelegenheid in het algemeen. Het koppel is uitgegroeid tot de vierde uitsluitingsfactor, na huisvesting, werk en inkomen. Doordat sommige mensen geen geld hebben voor vervoer en energie raken zij ook buitengesloten in de e-samenleving. Het welslagen van de Lissabonstrategie staat in sociaal, economisch en milieuopzicht — de drie genoemde aspecten — op het spel.

1.1.3   De markt en de prijzen. In de consumentenprijzen werken factoren door als de liberalisering, de koers van de euro, de toestand op de financiële markten, fiscale kwesties, de kosten van duurzame energie, de bestrijding van de klimaatverandering en externe zaken. De markt kan niet alles zelf regelen. Er moeten diverse instrumenten in de steigers worden gezet waarmee de sociale uitsluiting kan worden bestreden en voor een eerlijker verdeling van kosten en prijzen kan worden gezorgd.

1.2   Aanbevelingen

1.2.1   Uit sociaal oogpunt doet de EU er in tijden van stijgende prijzen goed aan om voor bepaalde doelgroepen onderscheid te maken tussen enerzijds vervoer en energie waar zij absoluut niet zonder kunnen en waarvoor zij eventueel financiële hulp kunnen krijgen, en anderzijds vervoer en energie waar zij wel zonder kunnen. Dit onderscheid zou in overleg moeten worden bepaald.

1.2.2   Voor de solidariteit op energiegebied en de blijvende mobiliteit van burgers zouden ook de structuurfondsen gebruikt kunnen worden.

1.2.3   De publieke middelen moeten op evenwichtige wijze over de verschillende O&O-activiteiten worden verdeeld om de klimaatbescherming te verbeteren en de onafhankelijkheid van de EU op energiegebied te vergroten.

Er zou voortdurend moeten worden gezorgd voor hoogwaardig onderzoek om snel grote vooruitgang te boeken op het gebied van (het gebruik van) nieuwe energiebronnen. Deze inzet mag niet verslappen zodra de olieprijs weer gaat dalen, zoals na de eerste oliecrisis wel gebeurde.

1.2.4   In de wetgeving voor overheidssteun zou systematisch bepaald moeten worden dat de mededingingsregels niet gelden als het op geld voor onderzoek aankomt. Dat zou investeerders de nodige rechtszekerheid geven en zo de exploitatie van nieuwe technologieën alsook de werkgelegenheid ten goede komen.

1.2.5   Als ook het innoverende mkb-segment een beroep kan gaan doen op de financieringsfaciliteit met risicodeling (Risk-Sharing Finance Facility — RSFF) (1), zal het concurrentievermogen van deze ondernemingen toenemen en wordt de kans op concrete verbeteringen van het koppel vervoer-energie vergroot.

1.2.6   Met een verruiming van de criteria om ervoor in aanmerking te komen zou het EFG  (2) er ook voor kunnen zorgen dat werknemers minder nadelige gevolgen ondervinden van de maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering.

1.2.7   Om het concurrentievermogen van de Europese economie op peil te houden zonder dat dit ten koste gaat van de sociale samenhang, is er volgens het EESC het volgende nodig:

een oriënterende opzet voor een gemeenschappelijk industriebeleid, met onderzoek naar duurzame ontwikkeling en naar geslaagde voorbeelden van co-modaliteit (3) in het vervoer;

een in samenhang met klimaatbescherming uit te voeren energiebeleid, met als uitgangspunt de solidariteit tussen de lidstaten;

studies naar de wenselijkheid en haalbaarheid van een Europese energie-DAB ten behoeve van de burgers, met een gemeenschappelijke aanpak qua prijzen, brandstofaccijnzen, regels inzake financiële zekerheid, economische ontwikkeling en klimaatbescherming; de rol van de nationale publieke vervoers- en energiediensten ten behoeve van het publiek  (4), die werken in een krachtenveld waar zaken als regelgeving, territoriale factoren, werkgelegenheid en inachtneming van de grondrechten van de burger samenkomen;

gekwantificeerde doelstellingen en zowel kwantitatieve als kwalitatieve instrumenten om te meten hoe efficiënt de scheiding van netwerkactiviteiten en distributie-activiteiten is en welk prijseffect hiervan uitgaat;

enquêtes onder consumenten over de harmonisatie van de Europese brandstofaccijnzen, waarna de uitslag breed gepubliceerd wordt, en daarna het uitwerken van goede indicatoren voor het meten van het effect van onvermijdelijk vervoer op het milieu;

een dialoog over de toekomstige klimaatplannen om concurrentiedistorsies en sociale dumping te voorkomen.

1.2.8   Verder is er in bedrijven en dienstverlenende instellingen in de EU volgens het EESC het volgende nodig:

een sociale dialoog en onderhandelingen over de niet verder te verlagen uitgaven voor vervoer en energie als bestanddeel van het minimumloon;

besprekingen over een plan voor duurzame mobiliteit;

besprekingen over een keurmerk voor bedrijven van het type EMAS;

vervolgens aan de hand van — ook hier — in overleg vast te stellen criteria de met het lager gebruik van energie en vervoer behaalde winst in kaart brengen met het ook op de verdeling hiervan via door het bedrijf en de werknemers afgesproken methoden;

kwalitatieve studies naar de gezondheidstoestand van de werknemers in verband met het gebruik van vervoersmiddelen en van de energiebronnen waaraan zij worden blootgesteld; een en ander moet leiden tot voorzorgsmaatregelen.

1.2.9   Op EU-schaal moet er volgens het EESC een civiele dialoog op gang komen:

over de culturele dimensie en de menselijke inspanningen die nodig zijn om er in de EU voor te zorgen dat betaalbaar vervoer en betaalbare energie voor iedereen het welzijn van de bevolking helpen verhogen en bijdragen aan het begrip van de diversiteit van de EU;

over hoe burgers vanaf de allereerste schoolklas geleerd kan worden om verantwoord gebruik te maken van vervoer en energie;

over de gezondheidstoestand van de burgers (door middel van grootschalige enquêtes) in verband met het gebruik van vervoersmiddelen en van de energiebronnen waaraan zij worden blootgesteld; een en ander moet leiden tot voorzorgsmaatregelen;

over een door de EU op te zetten gestandaardiseerd, met het BTW-stelsel te vergelijken systeem (niet een label), bedoeld om alle burgers bewust te maken van wat er in verband met vervoer/energie/milieu op het spel staat, waarbij op het etiket van elk consumptie-artikel een zogenoemde APCO2-regel komt te staan (APCO2 = Added Production of CO2 );

tijdens de internationale handelsbesprekingen zou dit gestandaardiseerde Europese systeem dan gebruikt kunnen worden, en de resultaten zouden, net als bij het Edifact-systeem gebeurt, verwerkt kunnen worden in de bestaande handelsdocumenten, onder jaarlijks toezicht van het maatschappelijk middenveld. In het Edifact-systeem (5) is deze controlefunctie weggelegd voor de Europese economische commissie van de Verenigde Naties (6), die jaarlijks aan de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties verslag uitbrengt over de stand van zaken van Edifact. De EU zou hier op mondiale schaal haar voordeel mee kunnen doen.

2.   Mogelijke werkterreinen voor de EU

2.1   Diplomatie

2.1.1   De onafhankelijkheid van de EU op energiegebied, de ontwikkeling van de economie, het behoud van de kwaliteit van leven van de Europeanen, en de sociale en ecologische duurzaamheid hangen samen met het vermogen van de lidstaten om zichzelf te bevoorraden.

2.2   De markten

2.2.1   De vraag naar vervoer en energie neemt steeds sneller toe, en hetzelfde geldt voor de uitstoot van broeikasgassen. Wat energie en netwerkindustrieën betreft zijn de Europese markten nog altijd versnipperd, al is er inmiddels wel sprake van enige integratie (in 2006 zijn de markten van Frankrijk, Nederland en België „gekoppeld”, Duitsland volgt waarschijnlijk in 2009, er is een Europese „spotmarkt (7)” opgericht, men is uit op fusies). De liberalisering waarvoor men heeft gekozen, met scheiding van de netwerken (gas elektriciteit, spoor), kan echter gevaren met zich meebrengen, zoals overname door buitenlandse fondsen (soevereine emittenten), crises zonder gemeenschappelijke reservecapaciteit, onbeheerst en voor de consument rampzalig prijsbeleid. De EU kan niet langer om kernenergie heen; het zou onverantwoord zijn als zij deze optie links laat liggen

2.2.2   Om te werken, als toerist op reis te gaan, andere Europeanen en aldus Europa te leren kennen moet men zich kunnen verplaatsen. De mogelijkheden daartoe worden kleiner als de energieprijs te hoog is, met alle ernstige gevolgen van dien voor mensen, ondernemingen, de werkgelegenheid en de economische bedrijvigheid.

2.2.3   Een energiemix en solidariteit tussen de lidstaten zijn nodig om een verdere versnippering van de markt te voorkomen. Een mobiele samenleving zonder buitengesloten bevolkingsgroepen heeft behoefte aan samenhangende regelgeving en aan instanties die op de handhaving hiervan toezien. Het maatschappelijk middenveld kan dit duidelijk helpen maken.

2.3   Prijsvorming

2.3.1   Factoren die van invloed zijn op de consumentenprijzen:

de liberalisering: de consument heeft niet alle aangekondigde prijsdalingen bewaarheid zien worden;

de prijzen werken op elkaar in; de energieprijzen beïnvloeden de vervoersprijzen en de olieprijs werkt door in de aardgasprijs; samen vormen ze het prijsbeleid; de praktijken van producenten en distributeurs die prijsstijgingen veroorzaken en er de meeste baat bij hebben, om vervolgens de prijs te halveren als ze niet genoeg liquide middelen hebben;

de koers van de euro: de waarde van de euro ten opzichte van die van de dollar zou de prijsstijgingen eigenlijk moeten afremmen, maar vóór de crisis hadden de erg grote vraag en de prijzen hun weerslag op de landen van de eurozone, helemaal door de hoge nationale accijnzen voor benzine en diesel (8); en tijdens de crisis wordt het effect van de dalende productiekosten afgezwakt doordat de koers van de euro daalt ten opzichte van die van de dollar;

de toestand op de financiële markten: de crisis van eind 2008 heeft een gebrek aan liquiditeit en daardoor een val van de olieprijs veroorzaakt — om niet te veel verlies te lijden komen verkopers de kopers tegemoet; de benzineprijs is echter nauwelijks gedaald sinds het begin van de crisis, terwijl de sociaaleconomische gevolgen al wel voelbaar werden;

de belastingen, die wat energie betreft erg hoog zijn en verschillen per lidstaat, moeten onder de loep worden genomen en op Europees niveau worden gelijkgetrokken;

het marktsegment van duurzame energie; duurzame-energiebronnen hebben geprofiteerd van de internationale stijging van de energieprijzen, die de hoge aanloopkosten ervan tenietdeden, maar de gemiddelde consument merkt nog altijd weinig van enig voordeel; daling van de kosten zou de positie van duurzame energie echter weer zwakker kunnen maken;

externe factoren, zoals de kosten die voortvloeien uit het beginsel dat de vervuiler betaalt; andere mogelijke externe elementen: ware liberalisering op de markt voor olieproducten en geharmoniseerde prijzen voor Europese diesel

2.3.2   De EU moet voor meer solidariteit zorgen, een oriënterende opzet mogelijk maken voor een gemeenschappelijk industriebeleid dat gebaseerd is op onderzoek naar duurzame ontwikkeling en naar geslaagde voorbeelden van co-modaliteit in het vervoer; en haar politieke stabiliteit opwaarderen via regelgeving. Bij het uitwerken van dit beleid kan het van pas komen om serieus na te gaan welke invloed de scheiding van netwerk- en distributie- of exploitatie-activiteiten op de prijzen heeft.

2.4   Financiering

2.4.1   Overheid

Het is de bedoeling hier alleen in te gaan op een aantal sociale gevolgen (9). De publieke middelen moeten goed verdeeld worden over de terreinen klimaatbescherming, communautaire onafhankelijkheid op energiegebied en welzijn van de bevolking en daarbij besteed worden aan snel resultaat opleverende maatregelen en onderzoek. Overschotten op EU-budgetten zouden systematisch naar een ondersteuningsfonds voor onderzoek en innovatie moeten gaan. In de wetgeving voor overheidssteun zou bepaald moeten worden dat de mededingingsregels niet op nationale steunfondsen van toepassing zijn. Dat zou investeerders de nodige rechtszekerheid geven en zo de exploitatie van nieuwe technologieën alsook de werkgelegenheid ten goede komen. Het MKB moet steun krijgen om de in 2000 in Lissabon gedefinieerde nuttige groei te kunnen doormaken, meer banen te kunnen creëren en zijn innovatievermogen op peil te houden.

2.4.2   Consumenten

De EU staan krachtige instrumenten ter beschikking (structuurfondsen, regionaal beleid). Deskundigen in de hele wereld waren vóór de crisis van mening dat de prijzen van grondstoffen zouden blijven stijgen. De Commissie zou kunnen overwegen om de communautaire solidariteit in stelling te brengen als de olieprijs weer gaat stijgen. Dat zou haar in staat stellen om de marginalisering van bepaalde bevolkingsgroepen door „energiearmoede” te beperken en te voorkomen dat het BBP van de EU een knauw krijgt. En in het geval van een depressie (dalende prijzen plus onder meer dalende consumptie en dalende koopkracht) zou zij zo de vraag op peil kunnen houden.

Een van de sociale gevolgen van de ontwikkeling van het koppel vervoer-energie is dat iedereen als het ware gegijzeld wordt door de stijgende prijzen, terwijl daarnaast de inkomens en de koopkracht onder druk staan van de mondialisering en de financialisering van de economie (oorzaak van de crisis) en de arbeidsparticipatie in de EU laag is. De prijzen worden overigens grotendeels bepaald door indirecte, niet progressieve belastingen.

Uit sociaal oogpunt doet de EU er goed aan te stimuleren dat verschillende prijzen worden gehanteerd voor enerzijds vervoer en energie waar mensen absoluut niet zonder kunnen — de eerste kilometers, de eerste liters benzine, de eerste paar kilowatt — en anderzijds vervoer en energie waar zij eventueel wel zonder kunnen; de hoeveelheden en gebruikerscategorieën zouden in overleg moeten worden vastgesteld. Voor het „vitale” gedeelte zouden dan ten behoeve van kansarme groepen steunregelingen in het leven kunnen worden geroepen.

Ten behoeve van het gemeenschappelijke energiebeleid zou onderozek moeten worden gedaan naar de haalbaarheid van een Europese energie-DAB. Met een gemeenschappelijke aanpak zou zo'n DAB een middel kunnen worden in de strijd om de economische ontwikkeling te blijven stimuleren en tegelijkertijd het klimaat te beschermen en de consument via een eerlijker kostenverdeling van dienst te zijn.

2.5   Belastingen

2.5.1   De belastingen hebben invloed op de prijsvorming (met het milieuvignet als het meest recente voorbeeld). De lidstaten hebben een zeker manoeuvreerruimte behouden. Een meer geïntegreerd marktbeleid zou de EU ertoe brengen om de fiscale stand van zaken nog eens onder de loep te nemen en zou de zaken er voor de burger/consument transparanter op maken.

2.5.2   De TIPP (10), een door de EU vastgestelde accijns op aardolieproducten, wordt berekend uitgaande van de hoeveelheid, de BTW uitgaande van de waarde. Net als alle andere indirecte belastingen is de BTW oneerlijk, in die zin dat iedereen, ongeacht zijn financiële situatie, haar moet betalen. Juist de huishoudens die het in sociaal-economisch opzicht toch al het moeilijkst hebben voelen dit in hun portemonnee. De inwoners van de lidstaten worden bij het tanken ongelijk behandeld door de fiscus. Om uit te vinden wat het beste systeem is als het op convergentie aankomt, is het zaak om dit nader te onderzoeken en vervolgens de bevindingen te publiceren, zodat de consumenten er kennis van kunnen nemen. Een „Europese” dieselprijs zou de transparantie meteen vergroten (11).

2.6   Onderzoek

2.6.1   Het niveau van de investeringen moet zo hoog zijn dat er snel grote vooruitgang kan worden geboekt. Anders blijft de EU afhankelijk van buitenlandse energie, kan zij wereldwijd niet voorop blijven lopen in de strijd tegen klimaatverandering, en is het onmogelijk om het welzijn van Europeanen op peil te houden en het voortbestaan van Europa te garanderen. Een gratis Europese octrooiprocedure voor duurzame energie en schoon en zuinig vervoer zou de tijdspanne tussen het ontdekken en het op de markt brengen van een nieuw concept kunnen bekorten. Dat zou niet in strijd zijn met artikel 194, lid 1 c) van het Verdrag van Lissabon. Men moet absoluut beredeneerde risico's aangaan. Voor investeringen eist de EIB dat de energie-efficiëntie met 20 % toeneemt. Dat zou op innovatie toegepast kunnen worden en als optie aan allerlei bedrijven kunnen worden voorgelegd (12).

Als ook het mkb een beroep kan gaan doen op de RSFF (zie paragraaf 1.2.5) zou dat overal tot meer innovaties kunnen leiden. Zo komen car sharing-initiatieven wel van de grond, maar ze blijven afhankelijk van lokale subsidies, die maar tot een bepaald niveau mogen gaan. Dat is bijvoorbeeld het geval in de Franse steden Saint Brieuc en Rennes (13). En dat terwijl deze initiatieven tot mobiliteit, minder CO2-uitstoot en tijdwinst leiden en bovendien een sociale functie hebben, aangezien ook de minder bemiddelde burger er dankzij hun lage prijs gebruik van kan maken.

2.7   Territoriale dimensie

2.7.1   Vervoer en energie „irrigeren” de regio's en maken lokale ontwikkeling mogelijk (denk bijvoorbeeld aan de betekenis van de TGV-spoorlijnen voor de Franse regio's). Maar waren verplaatsingen vanouds een motor voor de economie en de ruimtelijke ordening, ze werken als een rem wanneer de energiekosten hoog zijn.

2.7.2   De EU voert een energie- en klimaatbeleid met kwantitatieve doelstellingen en heeft hierbij meetinstrumenten nodig. Het zou interessant zijn om op een geharmoniseerde manier de kwalitatieve aspecten te meten, en om de behoeften in kaart te brengen kan men het best kijken naar de territoriale dimensie. Op lokaal niveau kunnen de middelen beter worden beheerd als men precies weet wat de tendensen zijn.

2.7.3   Via het regionaal beleid van de EU ontvangen de regio's steun. De verdeling van deze steun kan als leidraad dienen bij het onderzoeken in hoeverre burgers er wat vervoer en energie betreft op vooruit zijn gegaan. De ontwikkelingen van het koppel energie-vervoer kunnen doorwerken in hele delen van de economie en ernstige sociale gevolgen hebben. Door de prijsstijgingen kan een sector als de visserij zijn winst bijvoorbeeld zien verdampen.

2.7.4   Het woon-werkverkeer wordt beïnvloed door de ruimtelijke spreiding van economische activiteiten en door het verkeersbeleid in steden  (14). Met een speciale toepassing van de structuurfondsen zou een bindende clausule om werknemers lokaal aan te werven kracht kunnen worden bijgezet (percentage arbeidsplaatsen voorbehouden aan mensen uit de regio en belastingvrijstelling voor bedrijven die aan zo'n regeling meewerken). Werk, huisvesting, gelijke kansen en dus het salaris, en — als vierde factor — vervoer zijn stuk voor stuk middelen in de strijd tegen sociale uitsluiting.

De toename van de collectieve kosten zou niet op een in sociaal opzicht minder gelukkige manier moeten worden „rechtgetrokken”. De voorkeur verdienen dan ook oplossingen waarbij het stedelijk beleid inzake het woon-werkverkeer anders, en met nieuwe prioriteiten, wordt gecoördineerd.

Met een betrouwbaar nationaal en Europees rechtskader kunnen maatregelen optimaal worden verdeeld tussen decentrale overheden, ondernemingen en huishoudens.

2.8   Publieke dienstverlening

2.8.1   Wat energie betreft is er eerder sprake van een oligopolie dan van volledige concurrentie, en de gevolgen hiervan voor de toegang tot het net en het prijsbeleid ondervinden de burgers aan den lijve (zo worden kleine stations en busdiensten opgeheven omdat ze niet meer rendabel zouden zijn en stijgen de consumentenprijzen en de energiekosten). Nationale publieke diensten werken in een krachtenveld waar zaken als regelgeving, territoriale factoren, werkgelegenheid en inachtneming van de grondrechten van de burger samenkomen.

Decentrale overheden hebben als taak om de impact van de ontwikkelingen (en de onzekerheid waar die toe leiden) enigszins draaglijk te maken voor de burger. Zij moeten actief worden op hun grondgebeid om deze economische en financiële schokken op te vangen. Omdat zij sterk geconfronteerd worden met de ontwikkelingen van het koppel energie-vervoer, zoeken zij naar oplossingen.

Er is behoefte aan nieuwe governance-instrumenten op de verschillende bestuursniveaus: lokaal, regionaal, nationaal en communautair. De EU-programma's zouden beter onder de aandacht kunnen worden gebracht en meer experimenten kunnen toelaten.

2.8.2   Lokale arbeidsmarkten zouden qua spreiding van de werkgelegenheid beter functioneren als er afstemming plaatsvindt met de openbaarvervoersnetten. De rol van lokale arbeidsbureaus is zeer belangrijk; zij dienen rekening te houden met de nieuwe situatie op energie- en vervoersgebied.

2.8.3   De dichtheid van regionale netwerken is het resultaat van politieke keuzes en investeringen. Door invloed uit te oefenen op de prijsvorming kan worden gezorgd voor betaalbare toegang en prijzen en raken kansarme bevolkingsgroepen niet buitengesloten. Vervoer, dat noodzakelijk, duur en niet altijd voorhanden is, kan na huisvesting, werk en inkomen worden beschouwd als de vierde uitsluitingsfactor. De sociale gevolgen van de nieuwe eisen die aan het vervoer worden gesteld (energie- en klimaatpakket) moeten goed in de gaten worden gehouden. Economische efficiëntie kan worden bereikt met een systematische aanpak van het verplaatsingsbeleid en van intermodale knooppunten, met een concurrerende rentabilisering van alle geografische en tijdelijke niches (15), technisch en sociaal onderzoek in het streven naar optimalisering van de hulpbronnen en terugdringing van de kosten. Dit vergt politieke wil en mobilisering van de actoren.

2.9   Gezondheid

De ontwikkelingen van het koppel vervoer-energie werken ook door in de gezondheid van de bevolking, wat reden genoeg is om ter compensatie van eerdere keuzes maatregelen te nemen, die echter wel moeten stroken met het energie- en klimaatpakket. Een en ander werd al aangekaart in het Witboek van de Commissie over het vervoersbeleid.

2.9.1   Het dagelijkse woon-werkverkeer over lange afstanden heeft zijn weerslag op de gezondheid en leidt tot problemen op het werk, stress, asthenie en ziekten (voor volwassenen onder meer allergieën en RSI, voor kinderen onder meer bronchiolitis).

Het gebruik van niet-duurzame energie tast de gezondheid aan: luchtverontreiniging, vervuiling van zoet water en zeewater de bodem en de daarin/daarop verbouwde voedingsgewassen enzovoort. Men zou weer over kernenergie — waar niemand inmiddels meer om heen kan –, de daarmee samenhangende risico's en de voorlichting van de bevolking hieromtrent moeten gaan nadenken. In de kernenergie producerende landen neemt de vraag hiernaar namelijk toe, terwijl de kerncentrales verouderen.

2.10   Werkgelegenheid

2.10.1   Groei, werkgelegenheid (Lissabonstrategie) en duurzame ontwikkeling stuiten op duur vervoer en dure energie en nu ook op de gevolgen van de financiële crisis. Sociale en werkgelegenheidsaspecten en de sociale aspecten van de Lissabonstrategie moeten in aanmerking worden genomen. De liberalisering heeft al grote gevolgen gehad voor werknemers in de gas- en elektriciteitssector.

2.10.2   Aangezien het klimaatbeleid in Europa steeds meer een communautaire aangelegenheid wordt, zou er op macro-economisch niveau een sociale dialoog moeten komen die uitmondt in onderhandelingen over de toekomstige klimaatplannen van Europa. Op die manier kunnen concurrentiedistorsies en sociale dumping worden voorkomen. De Commissie zou de sociale partners een mechanisme kunnen aanreiken met behulp waarvan zij zich kunnen voorbereiden op de sociaaleconomische veranderingen die zullen voortvloeien uit het nieuwe klimaatbeleid (en die op hun beurt gevolgen hebben voor het koppel vervoer-energie) en dat hun de kans geeft om eventueel flankerende maatregelen te nemen.

2.10.3   Er moet meer geld worden uitgetrokken voor toegepast onderzoek. Dat komt de ontwikkeling van nieuwe technologieën en aldus de werkgelegenheid, met name in het mkb en in micro-ondernemingen, ten goede.

2.10.4   Met een ruimer „toelatingsbeleid” zou het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering ervoor kunnen zorgen dat werknemers minder nadelige gevolgen ondervinden van de maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering. Alle bevolkingsgroepen die problemen ondervinden, onder de armoedegrens dreigen te zakken of met sociale uitsluiting te maken hebben zouden van dit fonds moeten kunnen profiteren, en de manier waarop dit fonds functioneert zou moeten worden aangepast, allereerst door de criteria om ervoor in aanmerking te komen te verruimen.

2.10.5   De vaste lasten drukken steeds zwaarder op de schouders van de meest kansarme bevolkingsgroepen, waardoor hun aansluiting met de digitale wereld („e-integratie”) in gevaar komt, en dat kan een extra oorzaak zijn van ontslag en sociale uitsluiting. De EU moet ervoor zorgen dat de prijzen betaalbaar blijven en tegelijkertijd haar energiezekerheid vergroten.

2.11   Overleg tussen bedrijfsleiding en werknemers

2.11.1   De ontwikkelingen van het koppel vervoer-energie hebben op micro-economische schaal gevolgen voor bedrijven waarmee in het overleg tussen bedrijfsleiding en werknemers rekening moet worden gehouden.

Bij dit overleg zou de aandacht kunnen uitgaan naar cursussen voor het personeel en de bedrijfsleiding om een duurzamer, energiezuiniger gedrag aan te leren en voor schonere vervoerswijzen te kiezen;

Tijdens het overleg zou als eis kunnen gelden dat er voor het bedrijf of de dienst een duurzaam mobiliteitsplan moet worden uitgewerkt;

Werkgevers zouden kunnen worden overgehaald om de vervoerskosten van de werknemers, aan de hand van tijdens het overleg te bepalen inschalingen, via het basissalaris te vergoeden;

Tijdens het overleg zouden afspraken over certificering van het bedrijf kunnen worden gemaakt (16);

Ook moet worden afgesproken volgens welke criteria het met het geringere energie- en vervoersgebruik uitgespaarde geld zou kunnen worden verdeeld.

Dat is een breed nieuw terrein voor het overleg tussen bedrijfsleiding en werknemers.

2.12   Cultuur en onderwijs

2.12.1   Al sinds lang hebben vervoer en energie een culturele dimensie die dankzij de democratisering binnen het bereik van een groot gedeelte van de bevolking is gekomen. Deze dimensie, die niet meer los kan worden gezien van de Europese eenwording, moet overeind blijven. Het gaat hier om een uit menselijk oogpunt belangrijke taak om de Europese diversiteit in stand te houden en te begrijpen.

2.12.2   De huidige ontwikkelingen kunnen worden aangegrepen om ervoor te zorgen dat iedereen vanaf de lagere school onderwijs krijgt over andere Europeanen, een goed gebruik van vervoer en energie en verantwoorde dagelijkse handelingen. Daarbij zou wel rekening moeten worden gehouden met bevolkingsgroepen die het moeilijk hebben: gehandicapten, ouderen en mensen die met sociale uitsluiting te maken hebben. Deze lessen zouden gekoppeld kunnen worden aan gezondheidslessen, die daardoor meer impact krijgen (17).

2.13   Maatregelen van het maatschappelijk middenveld

2.13.1   Individueel

Iedere burger heeft de plicht op de hoogte te zijn en mag verwachten dat de besluiten van de instellingen en van bijvoorbeeld de regelgevingsautoriteiten transparant zijn. Om daarvoor te zorgen zijn grootschalige voorlichtingsmaatregelen geboden.

Het EESC spreekt nogmaals zijn steun uit voor het voorstel van de Commissie van 5 juli 2007 om ter bescherming van energieconsumenten een handvest betreffende hun rechten in het leven te roepen, aangezien „de marktwerking immers niet [volstaat] om deze te waarborgen (18)” (paragrafen 1.2 en 1.8 van eerder EESC-advies).

2.13.2   Algemeen

Voor het welslagen van het energiebeleid moet de bevolking worden gemobiliseerd; een vastberaden bijdrage van alle burgers is een absolute noodzaak.

In dit verband heeft het EESC een voorstel om burgers/consumenten tot een bewuster koopgedrag aan te zetten: op alle consumentenproducten vermelden met hoeveel extra CO2-uitstoot de vervaardiging ervan gepaard is gegaan.

Burgers hebben niet genoeg informatie om in hun koopgedrag verantwoorde keuzes te maken. De EU zou wat dit betreft op twee niveaus maatregelen kunnen nemen die elkaar aanvullen en niet schadelijk zijn voor het concurrentievermogen van het bedrijfsleven:

op macro-economisch niveau, zoals uiteengezet in het EESC-advies van 20 februari 2008 (19);

op micro-economisch niveau, waar consumenten een keuzemogelijkheid zouden krijgen als bedrijven aan de hand van een gestandaardiseerd EMAS-achtig certificaat in elke schakel van de waardeketen op het etiket van alle producten of diensten zouden zetten hoeveel extra CO2 deze hebben gekost. In Groot-Brittannië, maar ook buiten de EU (bijvoorbeeld in Vancouver, Canada), zijn in dit kader al deelprojecten opgestart.

Met zo'n op de BTW gelijkend systeem zouden alle consumenten zich bewust worden van wat ze kopen. Op allerlei soorten documenten, zoals kassabonnen of salarisstrookjes, zou dan komen te staan hoeveel extra CO2 elk product of elke dienst heeft gekost (de Added Production of CO2 , kortweg APC). Dat zou iedereen in de EU objectieve informatie verschaffen over hoe de zaken liggen.

Dit zou los staan van de betaling van de kosten van de CO2-productie. Waar het om gaat is dat iedereen in elke sector op een eenvoudige manier van de ernst van de zaak doordrongen raakt.

Tijdens de internationale handelsbesprekingen zou dit Europese systeem dan gebruikt kunnen worden, en de resultaten zouden, net als bij het Edifact-systeem gebeurt, verwerkt kunnen worden in de bestaande handelsdocumenten, onder jaarlijks toezicht van het maatschappelijk middenveld. In het Edifact-systeem is deze controlefunctie weggelegd voor de Europese economische commissie van de Verenigde Naties, die jaarlijks aan de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties verslag uitbrengt over de stand van zaken van Edifact.

De rest van de wereld loopt ver achter bij de EU als het gaat om het besef dat vervoer, energie en milieu samen, als onderdelen van één beleid, behandeld moeten worden. De EU zou hier op mondiale schaal haar voordeel mee kunnen doen.

Brussel, 4 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Op 5 juni 2007 sloten de Commissie en de EIB een samenwerkingsovereenkomst waarbij dit instrument, dat met een budget van 10 miljard euro onderzoek, ontwikkeling en innovatie in Europa moet stimuleren, in het leven werd geroepen.

(2)  Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering

(3)  Definitie van co-modaliteit: een efficiënt gebruik van verschillende vervoersmodaliteiten of een combinatie daarvan (Tussentijdse evaluatie in juni 2006 van het Witboek van de Commissie over het vervoersbeleid tot het jaar 2010)

(4)  Artikel 73 van het EG-Verdrag: „Met dit Verdrag zijn verenigbaar de steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip” openbare dienst „verbonden, verplichte dienstverrichtingen.” Zie ook Verordening (EEG) 1107/70 van de Raad van 4 juni 1970 betreffende de steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, PB L 130 van 15.6.1970, blz. 1-3; en Verordening 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad.

(5)  Edifact, een acroniem van Electronic Data Interchange For Administration, Commerce and Transport, is een standaard van de Verenigde Naties waarbij de syntax van de gegevenselementen enerzijds en de betekenis van de verschillende elementen anderzijds worden gedefinieerd. Nationale en sectorale normalisatiebureaus werken met Edifact om in de behoeften van elke bedrijfstak te kunnen voorzien.

(6)  De uit 56 leden bestaande UNECE, de SER van de VN, is een van de vijf regionale commissies van de VN. Naast Europese landen zijn ook de Verenigde Staten, Canada, Israël en de Centraal-Aziatische republieken lid van de UNECE.

(7)  Een spotmarkt is een markt waarop zeer snel deviezen of grondstoffen worden verhandeld. Levering vindt de dag zelf of de volgende dag plaats.

(8)  DESTATIS, het Duitse bureau voor de statistiek: door de stijgende energieprijzen nemen ook de productieprijzen toe, en wel met 3,8 % in een jaar. In dezelfde periode zijn de prijzen met 7 % gestegen, olieproducten met 19 % en elektriciteit met bijna 10 %. Als energie niet worden meegerekend zouden de prijzen in een jaar met slechts 2,7 % zijn gestegen (bron: het Franse dagblad Les Echos van 21/22 maart 2008)

(9)  Zie met name de EESC-adviezen „De vervoersinfrastructuur gereedmaken voor de toekomst” van 28-1-2004, rapporteur: Alleweldt, en „Trans-Europese netwerken: Naar een geïntegreerde aanpak” van 28-3-2008, rapporteur: Krzaklewkski PB C 204 van 9.8.2008, blz. 25

(10)  BTW en TIPP — In Frankrijk vloeit er dankzij de Taxe intérieure sur les produits pétroliers (TIPP), die 74 % van de benzineprijs en 67 % van de dieselprijs uitmaakt, jaarlijks 17,6 miljard euro in de schatkist. De BTW bedraagt 19,6 % van de met de TIPP verhoogde basisprijs (Europese regelgeving, Richtlijn 2003/96/EG), ofwel 7,1 miljard euro.

(11)  „De belastingheffing op brandstoffen vormt een aanvulling op de heffing op het gebruik van vervoersinfrastructuur en is gericht op doorberekening van externe kosten in de door de gebruiker betaalde prijzen. Door deze belastingheffing kunnen met name de externe kosten worden ingecalculeerd die verband houden met de uitstoot van broeikasgassen. Nu het wegtransport volledig is opengesteld voor concurrentie, vormt het ontbreken van een geharmoniseerde belastingheffing op brandstoffen steeds meer een belemmering voor de interne markt” (Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010 — Witboek van de Commissie, 2001).

(12)  Zie EESC-advies „De mogelijke positieve en negatieve gevolgen van toegenomen milieu- en energie-eisen voor het concurrentievermogen van de Europese industrie”; rapporteur: de heer Wolff, 20-2-2008, PB C 162 van 25.6.2008, blz. 72

(13)  Gemeenten in Bretagne (22), Frankrijk; de studiegroep die aan dit advies werkt heeft in Saint-Brieuc een hoorzitting gehouden.

(14)  EESC-advies „Verkeer in stedelijke en grootstedelijke gebieden”; rapporteur: Ribbe,, CESE PB C 168 van 20.7.2007, blz. 77.

(15)  Gemeente Saint-Brieuc, Bretagne (22) Frankrijk, hoorzitting van 6 oktober 2008: invoering van „virtuele” lokale routes waarop op verzoek voor vervoer wordt gezorgd. Een en ander wordt geregeld vanuit een geïnformatiseerde mobiliteitscentrale, die de door de lokale bevolking gebruikte vervoerswijzen op elkaar afstemt en informatie verschaft over de andere netwerken (intelligente verkeerssystemen — ITS).

(16)  Certificaten van het type EMAS (dat staat voor Eco Management & Audit Scheme), verordening uit 1995, herzien in 2002 en 2004; verordening 761/2001 over vrijwillige deelname

(17)  Advies CESE PB C 24 van 31.1.2006, blz. 63„Obesitas in Europa — rol en verantwoordelijkheid van de partners uit het maatschappelijk middenveld”; rapporteur: Sharma.

(18)  Advies PB C 151 van 17.6.2008, blz. 27„Naar een Europees Handvest betreffende de rechten van de energieconsument”; rapporteur: Iozia, 16-1-2008

(19)  Het eerder genoemde advies van de heer Wolff


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/50


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De Europese vliegtuigindustrie: „Stand van zaken en perspectieven”

(2009/C 175/09)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 27 september 2007 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

De Europese vliegtuigindustrie: stand van zaken en perspectieven.

De adviescommissie Industriële reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Opran en corapporteur de heer Baudouin.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 110 stemmen vóór en 9 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

VOORAF

Dit advies heeft betrekking op de Europese luchtvaartsector die de vervoerssector voor passagiers en vracht voorziet van vliegtuigen met vaste vleugels. Alle andere gevallen (militaire vliegtuigindustrie, helikopters, onderhoud, enz.) vallen uitdrukkelijk buiten het bestek van dit advies.

Eerste deel — Conclusies en aanbevelingen

Doelstelling: „Behoud van de wereldwijd leidende positie van de Europese burgerluchtvaartindustrie in de sector vliegtuigen met vaste vleugel: vaststelling van dringende gevaren, omschrijving van prioriteiten en voorstellen voor een succesvolle strategie voor 2008-2012”.

Uit het rapport „STAR 21” blijkt dat de industrie een grote rol speelt in de ontwikkeling van partnerschappen met onderzoekscentra (universiteiten, hogescholen, overheidslaboratoria, enz.). De vliegtuigindustrie is een broedplaats van competentie en fundamentele technologie, alsook een essentiële hefboom voor innovatie. Deze industrie is gebaseerd op civiele techniek en defensie, die met elkaar verweven zijn en berusten op de toepassing van geavanceerde technologie.

1.1   De vliegtuigindustrie, zowel de civiele als de militaire, is van doorslaggevend belang voor een solide industriële basis, technologische ontwikkeling en economische groei. Verder speelt deze industrie een rol op mondiaal niveau en beïnvloedt zij de economische of politieke besluitvorming.

1.2   Ook is zij betrokken bij de ontwikkeling van gekwalificeerde arbeid in Europa die, in vergelijking met andere sectoren, relatief goed betaald wordt.

1.3   Kortom: de Lissabonstrategie (2000) en de conclusies van de Europese Raad van Barcelona (2002) (1) zijn actueler dan ooit.

Volgens het Comité zijn er vijf essentiële factoren die een serieuze bedreiging vormen voor de Europese vliegtuigindustrie als de politiek en het bedrijfsleven geen maatregelen nemen.

2.1   De exponentiële toename van de kosten voor ontwikkeling van vliegtuigen, waarbij de fabrikanten binnen hun Europese industriestrategieën de ontwikkeling van nieuwe modellen onmogelijk geheel zelf kunnen financieren, veroorzaakt een verschuiving van de financiering en het financieringsrisico naar de toeleveringsindustrie en onderaannemers, en leidt tot steeds langere terugverdientermijnen, hogere schulden en onzekerheid voor de toeleveranciers en onderaannemers.

2.2   De zwakke dollar, zoals deze zich heeft ontwikkeld sinds 2005 na het uitbreken van de huidige wereldwijde crisis, vertoont nu een onregelmatige schommeling. Ten opzichte van de euro tekent zich over het algemeen een stijging af, zonder de geringste economische rechtvaardiging. Een en ander heeft tot gevolg:

verlies van concurrentievermogen voor de Europese industrie (2),

permanent streven naar terugdringing van vaste kosten (salarissen);

prikkels tot verplaatsingen naar de dollarzone;

afname van het aantal onderaannemers in Europa;

aanmoediging van partnerschappen in gebieden buiten Europa.

2.3   Het in Frankrijk als „papy boom” bekend staande fenomeen, dat die in 2015 (3) zijn hoogtepunt zal bereiken, zal leiden tot verlies van veel hooggekwalificeerde banen (de helft van het personeel in de Europese luchtvervoersector zal in 2015 met pensioen gaan), waardoor strategische vaardigheden definitief verloren kunnen gaan.

2.4   De toenemende concurrentie, met de opkomst van nieuwe, zeer agressieve actoren in de sector regionale vliegtuigen (India en Brazilië) noopt het bedrijfsleven tot kostenverlaging om het concurrentievermogen en de rentabiliteit op te schroeven, alsook tot partnerschappen met opkomende landen als China, ondanks de risico's door de overdracht van technologie en plaatselijke vestigingen om deze nieuwe markten te veroveren. Deze concurrentie zorgt er ook voor dat de opdrachtgevers zich weer op hun kerntaken gaan richten.

2.5   Tegen de achtergrond van een wereldwijde economische crisis, waarvan de omvang en de duur nog onafzienbaar zijn, kan de huidige voordelige olieprijs de aanhoudende onzekerheid van de ontwikkeling op middellange- en lange termijn niet maskeren. Deze factoren wegen op de vraag, verzwakken de luchtvaartmaatschappijen en verplichten de fabrikanten om na te denken over de vraag hoe zij de exploitatiekosten van vliegtuigen kunnen drukken, met name door gebruik van alternatieve brandstof en bijbehorende technologieën.

3.   Het Comité meent dat de sector zich bovenval moet richten op behoud van zijn concurrentievermogen, zijn nut voor de burger en zijn internationale uitstraling.

In dit verband doet het Comité diverse aanbevelingen en zou het graag zien dat de Commissie en de lidstaten de belangrijke rol benadrukken die de vliegtuigindustrie in de Unie speelt, alsook het belang dat zij voor de burgers heeft door haar effect op tal van andere industrietakken in geheel Europa.

Voor de technologische ontwikkeling, de groei en de samenwerking zou er een nieuw kader moeten komen dat de ondernemingen uit verschillende lidstaten de mogelijkheid biedt en hen aanzet om doeltreffender samen te werken teneinde hun bedrijfsprioriteiten af te bakenen en te verwezenlijken. Dit versterkt het concurrentievermogen en komt de reacties op de schommelingen op de markt ten goede. Via een betere financiering van O&O moeten de kwalitateit en de efficiëntie snel op een hoger plan worden gebracht.

4.1.1   Er dient meer coördinatie te komen tussen de Commissie en het Europees Defensieagentschap (EDA) om de ontwikkeling van nieuwe hybride technologieën te bevorderen die zowel de militaire als de civiele tak van de luchtvaart ten goede komen. Tegelijk moet worden gewaarborgd dat de Europese Commissie en het EDA de controle behouden over iedere vorm van verspreiding van deze zowel voor de militaire als civiele luchtvaart bruikbare technologieën.

4.1.2   Steun verdient ook het bedrijfsleven — waarbij de aandacht met name moet uitgaan naar de ontwikkeling van het MKB in de toeleveringsketen– voor een snelle en brede invoering van „CLEAN SKY JTI”; dit moet enerzijds de milieudoelstellingen van Europa helpen verwezenlijken en anderzijds de industrie de mogelijkheid bieden om een belangrijke rol te spelen bij de invoering van een systeem voor beheer van het luchtverkeer van de nieuwe generatie (SESAR-ATM), om het initiatief Gemeenschappelijk Europees luchtruim (SES) (4) te promoten.

4.2   Het Comité stelt voor om de actieve, rechtstreekse deelname te stimuleren van landen in de EU met een erkende luchtvaarttraditie aan de oprichting van een Europees netwerk van onderaannemers die zinvolle steun kunnen verlenen aan vliegtuigfabrikanten als AIRBUS, SAAB, ALENIA, ATR, enz. Het is belangrijk om hun kennis te behouden en uit te breiden, met name door zich te richten op de nieuwe technologieën.

4.3   De regionale luchtvaartsector veert in Europa weer op, dankzij de vliegtuigen van ATR (5) en de brandstofbesparing die zij opleveren. Op de luchtvaartmarkt komt ook meer belangstelling voor vliegtuigen van het type RJ, de Regional Jets  (6). Steun verdienen voorts ondernemingen die vernieuwende industriële strategieën hebben ontwikkeld, van het type „Open Innovation”, waarvan SuperJet International momenteel waarschijnlijk het beste voorbeeld is.

4.4   Het Comité acht het essentieel dat de lidstaten ervoor zorgen dat de onderaannemers minder afhankelijk worden van de huidige opdrachtgevers (steun aan diversificatie van de markt en internationalisatie) en dat er een handvest komt tussen opdrachtgevers en onderaannemers met wederzijdse langetermijnverplichtingen.

4.5   Het staat voor het Comité buiten kijf dat de omschrijving van innovatiestrategieën voor de onderaannemers dringend steun verdient, zodat zij duurzame nieuwe producten en diensten met een hogere meerwaarde kunnen bieden en voor het bereiken van een kritische massa gemakkelijker kunnen samenwerken.

4.6   Ondanks het geschil tussen de EU en de VS binnen het WTO stelt het Comité de Commissie en de lidstaten voor om een financieringsprocedure te overwegen die het fabricageproces kan veiligstellen. Dit zou kunnen in de vorm van leningen aan de onderaannemers in de sector, of als garantie voor de leningen, op basis van terug te betalen voorschotten, of als leningen tegen preferentieel tarief in samenspraak met de EIB (Europese Investeringsbank). Het zou ook zinvol zijn om mechanismen uit te werken ter dekking van financiële risico's die uit monetaire schommelingen kunnen voortvloeien.

4.7   Behalve het industriële aspect moet er ook gekeken worden naar de ontwikkelingen en veranderingen in de beroepssector, door de invoering van een toekomstgerichte planning van de werkgelegenheid en competenties op de verschillende betrokken niveaus, te weten de beroepssector, de Europese, nationale of regionale instanties. Door waarnemingsposten voor beroepen in de luchtvaart op te richten, kan samen met universiteiten in kaart worden gebracht wat de beroepen van morgen zijn en de opleidingsvereisten.

4.8   Verder dienen er volgens het Comité instrumenten voor economisch toezicht te komen die de prestaties van ondernemingen volgen en zo vroeg mogelijk risico's ontdekken. Deze instrumenten moeten enerzijds innoverend zijn wat scholing betreft en anderzijds de banden aanhalen tussen onderzoek-universiteiten-bedrijfsleven om jongeren, evenals werknemers beter voor te bereiden op de beroepen van morgen en op de zich aftekenende technologische veranderingen.

4.9   Meer uitwisselingen tussen concurrentiepolen, met het oog op de verwezenlijking van de door de EU vastgestelde technologische en milieudoelstellingen, zouden moeten leiden tot netwerkvorming, met een betere verdeling van de taken en Europese middelen, waardoor concurrentie tussen Europese regio's vermeden wordt en de synergie gestimuleerd wordt.

4.10   De EU dient financieel deel te nemen aan de concurrentiepolen. Deze zijn opgericht opdat de EU de toon blijft aangeven op het gebied van geavanceerde technologie en over een concurrerende, innovatieve industrie beschikt die aan de eisen voldoet in verband met Hoge Milieutechnische Kwaliteit (HMK). Als men bijvoorbeeld besluit om bepaalde samengestelde materialen te gebruiken vanwege hun hoge resistentie of lage gewicht, moet men er ook op letten of deze wel gerecycled of vernietigd kunnen worden.

4.11   Volgens het Comité dienen er snel maatregelen te worden genomen met het oog op:

de „vergroening” van het luchtvervoer;

de tevredenheid en veiligheid van de passagiers;

de terugdringing van de CO2-uitstoot in de luchtvervoerssector (conform het Europees beleid voor een algemene terugdringing van de CO2-uitstoot in Europa), geluidsoverlast en brandstofverbruik;

de ontwikkeling van concepten voor de ontmanteling van oude materialen (gebruik van recycleerbaar materiaal, enz.).

4.12   De Commissie en de lidstaten dienen snel te werk te maken van een strategisch beleid voor de luchtvaartsector. Onderdeel van dat beleid is ook de uitvoering van concrete acties in Europees verband en in gebieden met een luchtvaarttraditie om beter in te spelen op de komende veranderingen en om de sociale gevolgen te beperken. De Commissie en de lidstaten zouden er goed aan doen om voor de luchtvaartsector een comité voor sociale dialoog op te richten, zoals de sociale partners aanbevelen.

Tweede deel — Motivering

5.   Context en voorgeschiedenis

5.1   Analisten voorzagen in 2007 dat het vliegverkeer in 20 jaar ruim zal verdubbelen, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 6% (5 miljard passagiers in 2025 tegenover circa 2 miljard in 2006). Vanwege deze toename zijn de verwachtingen voor het aantal te bestellen nieuwe vliegtuigen (met meer dan 90 plaatsen) voor de komende 20 jaar rooskleurig; deze variëren van 22 600 (bron: Airbus) tot 23 600 (bron: Boeing) stuks.

5.2   Gezien de toenemende liberalisering in het luchtvervoer, de exploderende vraag in de opkomende landen (Zuidoost-Azië en het Midden-Oosten) en de sinds 2007 weer gezonde financiële situatie van luchtvaartmaatschappijen, zou deze ontwikkeling haar beslag moeten kunnen krijgen.

Op 27 september 2007 heeft de voltallige vergadering van het EESC de Adviescommissie Industriële reconversie (CCMI) toestemming gegeven om een initiatiefadvies te formuleren over de toekomst van de vliegtuigindustrie in Europa (uitgezonderd de militaire luchtvaart, helikopters, onderhoud, enz.).

5.3.1   Het EESC stelt dit advies op gezien het grote belang van deze sector door zijn productie, export, werkgelegenheid en investeringen in O&O voor de hele Europese industrie. Bovendien fungeert de sector als motor van allerlei industrietakken (toeleveranciers en afnemers, bijv. vliegtuigonderhoud) en van hele regio's. Niet minder belangrijk is dat de luchtvaart het toonbeeld van de Europese meerwaarde is en het bewijs dat Europa door samenwerking het hoofd kan bieden aan zijn concurrenten, en dan met name de VS.

5.3.2   De ervaring die de CCMI heeft verworven bij de uitwerking van het advies over „Waarde- en aanbodketens in Europa en wereldwijd” (7) is zeer welkom bij de analyse van de vliegtuigindustrie, een in dit opzicht zeer complexe sector.

Verder bedreigt een nieuwe reeks risico's de groei, die tot nieuwe problemen kunnen leiden:

5.4.1   Sterke afhankelijkheid van de fabrikanten van de opkomende markten kan ertoe leiden dat een onverwachte vertraging van de Aziatische groei (niet alleen in China en India) directe en fnuikende gevolgen zou hebben voor de gehele sector.

5.4.2   Door de ingrijpende wijzigingen in de betrekkingen tussen opdrachtgevers die op last van de opdrachtgevers worden doorgevoerd, en toeleveranciers alsook door de permanente herstructureringen is het evenwicht in de sector zoek. Het valt tegenwoordig niet mee om de gevolgen te bepalen van de toegenomen financiële risico's voor de belangrijkste toeleveranciers, die onder druk staan van de opdrachtgevers uit hoofde van overeenkomsten voor risicodeling.

5.4.3   Ontoereikende financiering, zowel op nationaal als Europees niveau, voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën. Ook zou het zinvol zijn om middelen uit te trekken voor fundamenteel onderzoek naar bedrijfs- en innovatiestrategieën.

5.4.4   Het toenemende gebruik van composietmaterialen maakt een volledige reorganisatie van de keten nodig (sluiting van Airbuslocaties bijv.), zelfs voordat deze technologie deugdelijk genoeg is gebleken; samengesteld materiaal wordt in de B787, waarvan al ruim 800 stuks besteld zijn, massaal toegepast, terwijl het vliegtuig nog steeds niet goedgekeurd is.

5.4.5   Tussen 2000 en 2007 is de euro 4 % in waarde gestegen (en 66% indien rekening gehouden wordt met de eerste acht maanden van 2008) ten opzichte van de dollar; als dit verschijnsel dat momenteel tot stilstand is gekomen, zich opnieuw zou voordoen of zelfs zou uitbreiden, zou dit Airbus ertoe kunnen dwingen nieuwe bezuinigingsmaatregelen te treffen (als de dollar 10 cent daalt, kost dit de vliegtuigbouwer 1 miljard euro, zoals de president van Airbus herhaaldelijk heeft gesteld), wat dramatische gevolgen zou hebben voor de onderaannemers, van wie velen niet de middelen hebben om zich hiertegen in te dekken. Daardoor zouden veel bedrijven hun activiteiten verplaatsen, met rampzalige sociale en politieke gevolgen.

5.4.6   De technische tegenslagen met de A380 en de A400M, alsook met de B787, en de directe gevolgen hievan spreken boekdelen over de moeilijkheden voor de constructeurs om greep te krijgen op de toenemende complexiteit van nieuwe vliegtuigen.

5.4.7   Het is op dit moment moeilijk te voorspellen wat de gevolgen zullen zijn van de huidige internationale crisis. De dalende olieprijs kan in ieder geval op de korte termijn gunstig zijn voor de luchtvaartmaatschappijen. De crisis zal echter negatief uitpakken voor het internationale toerisme en daarmee ook voor het aantal geboekte reizen.

5.5   Ongeacht de eventuele ontwikkelingen in het luchtvervoer en ondanks de huidige groei, is de economische en sociale impact van de huidige en toekomstige reorganisatie in deze sector in Europa reëel en er is een serieuze dreiging dat het aantal industrieën in de Europese luchtvaartsector meer en meer zal afnemen.

5.6   Deze afname bergt grote gevaren in zich, zoals het uitsterven van kerncompetenties, het verlies van de leidende positie van Europa wereldwijd, omdat het niet meer in staat is de vereiste investeringen te doen om nieuwe toptechnologieën te ontwikkelen, het wegvallen uit de toeleveringsketen van een groot aantal onderaannemers in Europa en massaal verlies van werkgelegenheid.

6.   Belangrijkste doelstellingen en uitdagingen voor de vliegtuigindustrie in de EU

6.1   Volgens het Comité zijn de belangrijkste vraagstukken voor de sector behoud van concurrentievermogen en verbetering van het beeld dat het publiek van de sector heeft.

6.2   Voor nieuwe spelers is het moeilijk om in de industriële luchtvaart te integreren; een plaats in de eerste gelederen is uitgesloten. Wereldwijd zijn er slechts twee fabrikanten van vliegtuigen met meer dan 100 zitplaatsen: Airbus en Boeing. Tanende of geheel verdwijnende (kennis van) technologieën, vaardigheden of infrastructuur zijn bijna niet te vervangen.

Europa moet er dus voor zorgen dat landen met een erkende luchtvaarttraditie:

6.3.1   hun competentie behouden en verbeteren, met name door zich te richten op geavanceerde technologie, en dat zij deelnemen aan de oprichting van een Europees netwerk van onderaannemers dat de grote opdrachtgevers zoals Airbus, SAAB, ATR e.a. doeltreffend kan bedienen;

6.3.2   een grotere rol spelen in de ontwikkeling van partnerschappen met het onderzoeksmilieu (universiteiten, hogescholen, overheidslaboratoria, enz.) op het gebied van fundamenteel onderzoek.

6.4   Europa kan niet ontkennen dat in de VS militair en civiel onderzoek nauw met elkaar verbonden zijn. Ook al heeft het programma B787 met een zekere vertraging te kampen, Boeing heeft geprofiteerd van financiële steun van de NASA en het DARPA om een technologische sprong te maken en op composietmaterialen over te stappen. Daarom bepleit het Comité meer coördinatie tussen de Commissie en het Europees Defensieagentschap (EDA) om vaart te zetten achter de ontwikkeling van nieuwe technologieën voor tweeledige toepassing (civiel en militair) in de vliegtuigindustrie.6.5 De vliegtuigindustrie dient ook aandacht te schenken aan de REACH-verordening,

6.5   EC nr. 1907/2006, die het Europees Parlement en de Raad op 18 december 2006 hebben goedgekeurd en die op 1 juni 2007 in werking is getreden. Aanvankelijk was de verwachting dat er circa 30 000 stoffen moesten worden beoordeeld en erkend, en eventueel beperkt, die op de EU-markt in grote hoeveelheden aanwezig zijn. De afgelopen weken is echter duidelijk geworden dat alle 100 000„bestaande stoffen” gepreregistreerd zijn. Daardoor stijgt het risico van stagnatie in de leveringen, vooral bij de beoordeling van stoffen die in complexe of composietmaterialen worden gebruikt. De EU dient dus bedrijven bij te staan in concurrentiepolen die veel met composietmaterialen werken, als zij de risico's beoordelen van de afzonderlijke stoffen van composietmaterialen. Tegen deze achtergrond kunnen de Commissie en de lidstaten de Europese luchtvervoerssector helpen om de milieudoelstellingen te halen.

6.6   De EU heeft zich voorgenomen de CO2-uitstoot, de geluidsoverlast en het brandstofverbruik (ook door meer biobrandstof te gebruiken) terug te dringen. Daarom zou de Commissie voor het bedrijfsleven, inclusief het MKB, de nodige voorwaarden moeten scheppen voor een snelle en vlekkeloze invoering van het gezamenlijke technologische initiatief „Clean Sky”.

Wat vliegtuigen voor korteafstandsvluchten betreft, dient Europa bijtijds een O&O-programma te plannen, zodat de A320 door de NSR (8) vervangen kan worden. Daarbij mag de Europese industrie niet in dezelfde fout als met de A350 vervallen. De tijd dringt, want er tekent zich een ingrijpende ontwikkeling af in het industriële segment van narrowbodyvliegtuigen met meer dan 100 zitplaatsen.

6.7.1   Over tien jaar zal er immers een einde komen aan het duopolie Boeing-Airbus in dit strategische segment, dat ongeveer 65% uitmaakt van de 29 400 tot 2027 nieuw te bouwen toestellen (dus circa 19 160 vliegtuigen) (9), maar slechts 40% van de waarde; hieruit blijkt de toegenomen concurrentie en de hogere druk op het prijsniveau van dit model.

6.7.2   Nieuwkomers zijn waarschijnlijk actief omstreeks 2015-2020, zoals Avic 1 + 2 (zojuist gefuseerd) in China, Soechoj in Rusland, zelfs Bombardier (Canada) of Embraer (Brazilië). Europa zal niet per definitie als overwinnaar uit de prijzenoorlog in dit segment uit de bus komen; behoud van zijn technologische voorsprong dankzij innovatie zou soelaas kunnen bieden.

Het regionale luchtverkeer neemt jaarlijks met 8% toe; de bestellingen bereikten in 2007 een hoogtepunt, zowel voor Regional Jets (RJ) als voor schroefturbinemotoren (verdubbeling van aantal bestellingen). Gezien de omstandigheden (duurdere brandstof en financiële crisis) zal het succes van schroefturbinemotoren wel aanhouden, waarbij RJ waarschijnlijk een deel van de totale markt zullen kwijtraken aan schroefturbinemotoren. Desondanks zal de markt voor RJ waarschijnlijk blijven groeien, omdat de vraag in deze categorie heel groot is, wat deels ten koste zal gaan van het aandeel van fabrikanten als Boeing en Airbus, met nieuwe series vliegtuigen als de „serie-C” van Bombardier en nieuwkomers als Soechoj of Avic.

6.8.1   De regionaleluchtvaartsector in Europa zit in de lift, dankzij de vliegtuigen van ATR en de brandstofbesparing die zij mogelijk maken. Op de markt is ook een tendens te zien naar RJ-modellen, een segment dat, in tegenstelling tot de beperkte concurrentie voor LCA's (duopolie Airbus-Boeing) een felle concurrentie kent tussen de fabrikanten Bombardier (Canada) en Embraer (Brazilië), op ruime afstand gevolgd door ATR en diverse andere nationale bedrijven (bijv. in Japan, Rusland en China).

6.8.2   De Europese knowhow van RJ, die bijna geheel verdwenen is, zou terug kunnen keren via SuperJet International. Dit bedrijf, voor 51 respectievelijk 49% in handen van Alenia Aeronautica (Italië) en Soechoj (Rusland), ontwikkelt een ondernemingsplan voor regionale jets met een capaciteit van 75 à 100 plaatsen en is een overtuigend en concreet voorbeeld van hoe de Europese productie van regionale jets weer van de grond kan komen in tijden van schommelende olieprijzen.

6.8.3   Dit programma steunt op de beste kennis in Europa en wereldwijd, met name door partnerschappen met belangrijke Franse leveranciers (Thales en Safran leveren meer dan 30% van de waarde van het toestel) maar ook met andere Europese leveranciers zoals Liebherr (Duitsland) en Intertechnique (Frankrijk), leveranciers van buiten Europa zoals Honeywell (VS) en internationale kenniscentra, bijv. gevestigd in India.

6.9   De vliegtuigindustrie is een twistappel tussen Europa en de Verenigde Staten. Niettemin kan de financiering van civiele activiteiten van de Amerikaanse luchtvaart door middel van militaire contracten beschouwd worden als verkapte overheidssubsidie, die in feite tot scheve concurrentieverhoudingen leidt. Dit werd tot een paar maanden geleden nog verergerd door de zwakke dollar. Steun van de Europese en nationale instellingen in de vorm van terug te betalen voorschotten of dergelijke, is niet alleen geoorloofd op grond van de overeenkomst tussen de EU en de VS over „Large Civil Aircraft” (LCA), maar is ook een transparant instrument (en verenigbaar met de marktregels) voor de financiering van nieuwe programma's.

Gezien de schommelingen in de €/$-koers is het abnormaal dat de grote opdrachtgevers (Airbus) het wisselkoersrisico afwentelen op hun onderaannemers door hen in dollars te betalen, terwijl zelfs EADS, het moederbedrijf van Airbus, zich kan indekken tegen koersrisico's op een manier die niet te vergelijken is met die van onderaannemers. De opdrachtgevers proberen dus de financiële en technologische risico's van nieuwe programma's af te wentelen op onderaannemers in de eerste en tweede lijn.

6.10.1   Is tegen deze achtergrond actieve samenwerking mogelijk tussen opdrachtgevers en onderaannemers? Samenwerking kan diverse vormen aannemen. Er valt te denken aan „Risk Sharing” en „Work Package”. Deelname dient ook plaats te vinden op het gebied van O&O. De opdrachtgever dient de totale kosten van het hoogwaardige toegepaste onderzoek voor zijn rekening te nemen, terwijl het MKB deelneemt in de kosten voor onderzoek in het industriële „proces”.

6.10.2   Een andere vorm van actieve deelname betreft de aanschaf van grondstoffen door ondernemingen. Het is een feit dat Airbus titanium tegen kostprijs aan zijn onderaannemers verkoopt. Het zou zonder meer een goede zaak zijn als opdrachtgevers deelnemen in de aankoop van grondstoffen. Is het ondenkbaar dat onderaannemers uit het MKB en de opdrachtgevers samen een orgaan oprichten voor de gecombineerde aanschaf van grondstoffen, wat tot lagere kosten zou leiden?

Tegenwoordig is het MKB zeer afhankelijk van één opdrachtgever in de luchtvaart (Airbus bijv.) In sommige belangrijke sectoren, zoals algemene werktuigkunde, metallurgie en elektronische onderdelen, bedraagt deze afhankelijkheid circa 70%; in de dienstensector benadert zij 67% (10).

6.11.1   Het is dus essentieel, met name om de cyclische effecten in de luchtvaartsector op te vangen, dat het MKB zijn activiteiten uitbreidt naar andere sectoren, door gebruik te maken van de troeven van Europa. Anderzijds moeten deze ondernemingen beschikken over een sterk aanpasingsvermogen om een plaats te veroveren op terreinen die hun in beginsel vreemd zijn. Ze moeten ook verschillende soorten activiteiten aankunnen, met de vereiste financiële en persoonlijke middelen. Hiertoe moet het MKB toegang krijgen tot regionale, nationale en/of Europese financiering om die diversificatie te ontwikkelen, beheren en industrialiseren; verder moet de opdrachtgever deelnemen aan het onderzoek naar diversificatie en de op verschillende gebieden vereiste kennis ter beschikking stellen.

6.11.2   Vroeg of laat duikt in dit verband het verschijnsel spin-out op. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de regio Aquitanië, waar een vestiging van het voormalige Aérospatiale technologie een plasmatoorts heeft ontwikkeld, die verkocht wordt door het bedrijf Europlasma.

Elke industriële reconversie vereist aanzienlijke financiële middelen. Daarom dienen de overheden — ongeacht nationale of Europese — bedrijven te steunen. In dit verband, en met inachtneming van de WTO-regels, moet de EU gaan nadenken over de schommelende dollarkoers. Hoe kan de EU bijdragen aan het terugdringen van het financiële risico van de euro-dollarkoers voor de luchtvaartsector? Overdracht van het wisselkoersrisico aan onderaannemers is een weinig bevredigende oplossing, want de pariteit €/$ blijft een handicap voor de concurrentie, met name tegenover de VS.

6.12.1   Een interessante ervaring is opgedaan in de regio Midi-Pyreneeën. Daar is sinds 2000, naar aanleiding van de lancering van de A380, het plan ADER ingevoerd om onderaannemers van luchtvaartbedrijven in het MKB te begeleiden. Dit experiment heeft interessante resultaten opgeleverd en verdient voortzetting om het MKB te helpen bij de aanpassing aan het plan-„POWER8”, waartoe Airbus besloten heeft.

6.12.2   Het nieuwe programma, ADER II, is bedoeld om van geval tot geval combinaties van ondernemingen te begeleiden, hun technologische mogelijkheden te vergroten, ze op nieuwe markten bij te staan, gezamenlijk grondstoffen aan te kopen enz.

De mondialisering van de luchtvaartsector is van zeer grote invloed op de werknemers en de werkgelegenheid. Hiertoe moeten de faciliteiten voor onderzoek en opleiding worden uitgebreid en ondersteund ten einde nieuwe banen te scheppen. Eén van die mogelijkheden is de „Gestion prévisionnelle des emplois et des compétences”, een anticiperende benadering van banen en vaardigheden (GPEC).

6.13.1   De GPEC moet inspelen op toekomstige veranderingen. Zij moet de werknemers helpen om zich minder zorgen te maken over een onzekere toekomst, langetermijnprojecten op te zetten, hun werk zinvol te maken, carrière te maken en zich voor het bedrijf in te zetten, rekening houdend met hun behoeften en wensen. De GPEC moet de onderneming in staat stellen te anticiperen op veranderingen en op de concurrentie.

6.13.2   De GPEC moet gebaseerd zijn op langetermijndoelstellingen (30 jaar) en op solide vooruitzichten voor beroepen en kwalificaties. Hoofddoel is te omschrijven welke behoefte er is aan scholing en ontwikkeling van vaardigheden die op middellange termijn moeten worden aangeboden in de opleiding en bijscholing, niet alleen uit de optiek van het bedrijfsleven, maar ook van docenten en vertegenwoordigers van werknemers. In het kader van de GPEC zou ook over werkgelegenheidspools kunnen worden nagedacht.

Voor de handhaving van een technisch en qua kennis hoogwaardige luchtvaartsector moet deze industrie personeel kunnen aanwerven met een hoge basisopleiding op terreinen die in ontwikkeling zijn, zoals composietmaterialen of het milieu. Ook andere aspecten dienen te worden ontwikkeld, zoals beheersing van bedrijfsrisico's, nieuwe materialen, schone voortstuwing, enz.

6.14.1   De opleidingsstelsels moeten niet alleen gericht zijn op „witte boorden”, maar ook voor „blauwe boorden” studierichtingen oprichten of uitbreiden, die al te lang onder een slecht imago hebben geleden en in de meeste Europese onderwijssystemen te weinig aandacht kregen. Blauwe boorden spelen nu eenmaal een belangrijke rol in het concurrentievermogen van de Europese vliegtuigindustrie.

6.14.2   In de basisopleiding moet ook plaats ingeruimd worden voor stages, in de vorm van overeenkomsten tussen scholen en universiteiten of voor ambachtelijke beroepen en bedrijven. Het levenslange leren dient grootschalige omscholing mogelijk te maken, ook van het weinig geschoolde personeel. Eerst en vooral is het een essentieel en concreet middel, als onderdeel van een strategisch plan, om de kloof te verkleinen die er tussen het huidige personeel en de toekomstige behoefte aan werknemers kan ontstaan. Meer in het algemeen dient elke Europese werknemer gebruik te kunnen maken van een mininumaanbod aan opleidingen tijdens zijn werkzame leven.

6.15   Alle middelen, ongeacht hun aard, vergen optimaal overleg tussen bedrijfsdirecties en vertegenwoordigers van werknemers. Dit overleg bestaat vaak op nationaal niveau, maar verdient voortzetting op Europees niveau. Een eerste stap is gezet met de invoering van Richtlijn 94/45/EG voor de Europese ondernemingsraden. Terwijl de directies hun strategie op Europees niveau uitstippelen, kunnen alleen de Europese ondernemingsraden economische informatie verzamelen en de stand van zaken in kaart brengen, vóór de onderhandelingen. De Commissie en de lidstaten dienen werk te maken van de oprichting van een comité voor sociale dialoog in de Europese luchtvaartsector.

7.   Voorstellen voor toekomstige adviezen

7.1   De luchtvaartsector is zo complex dat in dit advies onmogelijk alle aspecten aan bod kunnen komen. De CCMI zou dus moeten overwegen om haar werkzaamheden over dit onderwerp zonder dralen in toekomstige adviezen voort te zetten.

7.2   Eventuele onderwerpen voor toekomstige adviezen zijn:

militaire luchtvaart;

militaire en civiele helikopters;

vliegtuigonderhoud;

militaire en civiele luchtvaartelektronica, inclusief geavanceerde wapensystemen;

nieuwe en actuele procedures, standaards en uitrusting voor vliegtuigen die een noodlanding moeten maken.

Brussel, 3 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  „Teneinde de kloof tussen de EU en haar belangrijkste concurrenten te dichten, moeten alle inspanningen op het gebied van O&O en innovatie in de Unie aanzienlijk worden opgevoerd met bijzondere aandacht voor speerpunttechnologieën.”

(2)  Tussen 2000 en 2007 is de euro 48% in waarde gestegen ten opzichte van de dollar (en 66% als men rekening houdt met de gemiddelde koers tijdens de eerste acht maanden in 2008); als dit verschijnsel dat momenteel tot stilstand is gekomen, zich opnieuw zou voordoen of zelfs zou uitbreiden, zou dit Airbus ertoe kunnen dwingen om het herstructureringsplan „Power 8” (opgesteld op basis van een maximale €/$-pariteit van 1,37) te annuleren en om andere bezuinigingsmaatregelen te treffen, wat rampzalige sociale en politieke gevolgen zou hebben.

(3)  „Papy boom” is het verschijnsel dat in de ontwikkelde landen tussen 2000 en 2020 veel mensen met pensioen zullen gaan. Dit is het logische en voorspelbare gevolg van de naoorlogse „baby boom” en van het dalende geboortecijfer, die tot vergrijzing leiden. Dit proces zal de economie aanzienlijk beïnvloeden en tot hogere uitgaven leiden voor gezondheidszorg, pensioenen en tot een slinkende beroepsbevolking.

(4)  Communautair initiatief ter indeling van het luchtruim en de diensten voor luchtnavigatie op pan-Europees niveau voor een beter beheer van het luchtverkeer en ter waarborging van een homogeen en hoog veiligheidsniveau in het Europese luchtruim.

(5)  ATR, dat in 2004 op 12 bestellingen kon rekenen, heeft in 2007 al 113 definitieve bestellingen genoteerd.

(6)  Regional Jet: vliegtuig voor passagiersvervoer, met maximaal 100 plaatsen (dat op den duur een deel zal afsnoepen van het segment voor narrowbody-vliegtuigen/korteafstandsvliegtuigen met één gangpad).

(7)  Advies CESE PB C 168, 20.7.2007, blz. 1

(8)  New Short Range.

(9)  Bron: Boeing Forecast 2008-2027.

(10)  Bron: Insee, dossier nr.138, maart 2007.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/57


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Ontwikkelingen in de sector van grootwinkelbedrijven en de gevolgen daarvan voor leveranciers en consumenten”

(2009/C 175/10)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 27 september 2007 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Ontwikkelingen in de sector van grootwinkelbedrijven en de gevolgen daarvan voor leveranciers en consumenten.

De adviescommissie Industriële reconversie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw SHARMA.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 136 stemmen vóór en 21 stemmen tegen, bij 20 onthoudingen, werd goedgekeurd:

1.   Conclusies, aanbevelingen en voorstellen

1.1   Grootwinkelbedrijven spelen in Europa een belangrijke rol gelet op hun financiële bijdrage aan de economie, het aantal banen dat zij scheppen en de diversiteit van het aanbod voor de consumenten. Recentelijk is bewijs geleverd van en zijn uitspraken gedaan over de impact van deze ontwikkeling. In het licht van de Lissabonstrategie, waarbij wordt gestreefd naar concurrentievermogen, groei en meer en betere banen, worden in dit advies specifieke gebieden aangeduid waar binnen de sector meer transparantie en zorgvuldigheid („due diligence”) op hun plaats zouden zijn, alsook waar de bescherming van detailhandelaars, leveranciers, werknemers en consumenten zou kunnen worden verbeterd.

1.2   Bij de Europese Commissie verrichten DG Interne markt en DG Ondernemingen thans onderzoek naar de ontwikkelingen binnen de sector van de grootwinkelbedrijven, met name wat winstmarges, de lengte van de aanbodketen, de betrokken stakeholders en de detailhandel in zijn geheel betreft. DG Werkgelegenheid zal nagaan welke vaardigheden voor de detailhandel in de komende tijdspanne tot 2020 vereist zijn. Het Comité biedt de Commissie, waar mogelijk, zijn steun aan.

1.3   Het EESC stelt in zijn aanbevelingen de onderstaande maatregelen voor waarmee het mogelijk moet zijn de economische groei te behouden, een gezonde concurrentie voor detailhandelaars en leveranciers te garanderen en de werknemers te beschermen, en waarmee de consument ook op langere termijn gebaat is, dit alles in het kader van duurzaamheid.

1.4   Het EESC zal nauwlettend blijven toezien op de ontwikkeling van grootwinkelbedrijven, m.n. in de kleinste Europese landen en de sectoren die in het huidige onderzoek niet ter sprake komen, zoals bv. de witgoedsector.

1.5   Uit door het EESC besteld onderzoek (1) is gebleken dat er in West-Europa in zowel de voedings- en de kledingsector als in andere sectoren als doe-het-zelf, sport, ontspanning en cultuur, een concentratie van grootwinkelbedrijven kan worden waargenomen. Dit is meestal evenwel niet het gevolg van fusies, overnames of acquisities in de betrokken sectoren. Hoewel de laatste jaren grote internationale spelers op het toneel zijn verschenen, blijft de sector van de detailhandel nog hoofdzakelijk op het nationale niveau toegespitst.

1.6   De groei en het succes van de detailhandel is een goede zaak voor de Europese economie. Tal van detailhandelaars, die ooit als MKB zijn begonnen, geven geleidelijk aan blijk van meer doeltreffendheid, concurrentievermogen en productiviteit, en hebben hun succes te danken aan het feit dat zij beter op de behoeften van de consument hebben ingespeeld. Zowel particuliere bedrijfsmodellen als coöperaties en de sociale economie hebben voor groei gezorgd. Tal van Europese ondernemingen zijn thans met succes wereldwijd actief en ontplooien nieuwe activiteiten in China, de VS, het Verre Oosten en Rusland. De meest succesvolle ondernemingen hebben door hun stevige positie op de thuismarkt hun bedrijfsmodel kunnen exporteren naar sommige van de meest aantrekkelijke detailmarkten wereldwijd. Dit levert grote voordelen op voor zowel werknemers, aandeelhouders als consumenten in Europa die aldus van een ruimer productaanbod en concurrerende prijzen kunnen genieten.

1.7   Detailhandel is een dynamische, innoverende en concurrerende sector zoals is gebleken uit gedegen onderzoek van nationale mededingingsautoriteiten (2). Het is van belang dat commercieel succes niet bestraft wordt, tenzij een handelaar zijn toevlucht neemt tot praktijken die niet verenigbaar zijn met de voltooiing van de interne markt en er duidelijk bewijsmateriaal voorhanden is van misbruik van marktposities en benadeling van consumenten door inbreuk op artikel 81 van het EU-Verdrag. Marktconcurrentie is een doeltreffende manier om consumenten te beschermen en efficiënte werkwijzen kunnen nog verdere voordelen opleveren. In een vrije markt met eerlijke handel concurreren detailhandelaars met elkaar op het gebied van dienstverlening, kwaliteit van producten en prijs/kwaliteitsverhouding.

1.8   Ook indien er binnen het economische geheel van 27 landen begrijpelijke verschillen en ongelijkheden bestaan, is volgens het Comité Europees overleg, zo niet Europese coördinatie geboden om ervoor te zorgen dat de handel zijn rol van universele dienst kan spelen. Met het oog daarop zou kunnen worden voorzien in een meer geharmoniseerd Europees instrument voor het meten en traceren van de handelsactiviteit teneinde de ontwikkeling ervan te bevorderen.

1.9   Met het oog op transparante betrekkingen tussen detailhandelaars en leveranciers zou het EESC graag zien dat het debat wordt voortgezet over de toegevoegde waarde en de verenigbaarheid met de EU-concurrentieregels van een vrijwillige gedragscode ter zake op het niveau van de lidstaten. Ook pleit het voor een duidelijke en transparante analyse van de aanbodketen waarbij veel meer stakeholders dan alleen maar de hoofdleverancier en het grootwinkelbedrijf betrokken zijn.

1.10   Op nationaal niveau zou een zelfregulerende vrijwillige gedragscode kunnen worden ingevoerd, die zou worden ondersteund door schriftelijke contracten tussen detailhandelaars en leveranciers en betrekking zou hebben op alle transacties binnen de aanbodketen („van boer tot bord”).

1.11   Deze gedragscode moet het ook voor een groter aantal kleine en middelgrote (MKB) en ambachtelijke ondernemingen die in de productie- en dienstensector werkzaam zijn, mogelijk maken met een minimum aan garanties tot grootwinkelbedrijven toegang te krijgen.

1.12   Deze gedragscode zou de huidige flexibiliteit voor handel en onderhandelingen in stand kunnen houden en het ook mogelijk maken op plots veranderende omstandigheden (bv. inflatie of olieprijzen) in te spelen, wat zowel leveranciers als detailhandelaars ten goede zou komen, maar tegelijk grootwinkelbedrijven en/of grote leveranciers zou verhinderen druk uit te oefenen of hun positie te misbruiken.

1.13   Een dergelijke gedragscode kan betrekking hebben op de volgende punten:

gestandaardiseerde voorwaarden voor de betrekkingen tussen detailhandelaars en leveranciers, met vaststelling van een termijn voor kennisgeving van wijzigingen in deze voorwaarden, alsook van de beëindiging van het contract;

geen verminderingen achteraf op overeengekomen prijzen door het uitoefenen van druk;

geen verplichte bijdrage (via uitoefening van druk) aan marketingkosten of kosten van de detailhandelaar bovenop hetgeen in het oorspronkelijke contract is overeengekomen;

geen betalingen door leveranciers ter compensatie van winstdervingen bij de detailhandelaar, tenzij aldus van te voren is vastgelegd en overeengekomen of tenzij de leverancier niet de gevraagde hoeveelheid heeft geleverd;

geen teruggave van onverkochte goederen, tenzij om specifieke redenen die in het contract zijn vastgelegd;

geen betalingen voor verlies, nalatigheid of tekortkomingen buiten hetgeen is voorzien in de ondubbelzinnige bepalingen ter zake van de oorspronkelijke overeenkomst;

geen forfaitaire betalingen om orders in de wacht te slepen of posities veilig te stellen; wat promoties betreft, moeten alle betalingen duidelijk en transparant zijn;

alle promoties moeten vooraf door beide partijen zijn overeengekomen met vaststelling van duidelijke termijnen en duidelijke schriftelijke voorwaarden ter zake;

inschattingsfouten van de detailhandelaar mogen, zelfs tijdens promotieperioden, niet op de leverancier worden afgewenteld; wanneer de prognose samen met de leverancier wordt gemaakt, moeten de voorwaarden duidelijk worden omschreven;

producenten en distributeurs moeten productiekenmerken en –voorwaarden van te koop aangeboden producten — met name ingevoerde producten — bekendmaken om aan de verwachtingen van de consumenten tegemoet te komen;

als onderdeel van de overeenkomst moet een procedure m.b.t. consumentenklachten schriftelijk worden vastgelegd en aan de leverancier worden meegedeeld.

1.14   Deze gedragscode moet ter kennis worden gebracht van alle aankoop- en managementpersoneel van de detailhandel. Bovendien moeten detailhandelaars een intern personeelslid belasten met het toezicht op de naleving van de gedragscode, het beheer van de contracten met leveranciers en de automatische kennisgeving aan leveranciers van veranderingen in de contractuele voorwaarden.

1.15   Voorts is het volgens het EESC raadzaam op nationaal niveau een bemiddelaar aan te wijzen die bij geschillen kan interveniëren, de toepassing van de gedragscode kan evalueren en monitoren, informatie van alle stakeholders kan verzamelen en proactief inbreuken op de code kan tegengaan. Dit voorstel sluit aan bij de aanbeveling die het EESC in de context van de Small Business Act heeft geformuleerd.

1.16   De Europese handelswetgeving dient doeltreffend ten uitvoer te worden gelegd. Niettemin dient met name de vaststelling van de betalingsvoorwaarden te worden aangepast zodat in een maximale betalingstermijn wordt voorzien. Hoewel er thans wetgeving voorhanden is, is deze bij de omzetting ervan in nationale wetgeving slechts minimaal geharmoniseerd en worden uitzonderingsclausules („opt out”) gehanteerd.

1.17   Wat vestigingsplannen voor grootwinkelbedrijven betreft, moeten de bevoegde bestuursdiensten voorzien in een „concurrentietest”, zoals een behoefteanalyse, of in beleid waarbij de belangen van de stadscentra bovenaan worden geplaatst en lokale overheden een evaluatie kunnen maken van de reële concurrentie tussen de verschillende distributiekanalen op dat niveau, geldende voorschriften m.b.t. grondgebruik, infrastructuur en voordelen voor de samenleving. Doel is te verzekeren dat problemen i.v.m. bestaande en toekomstige diversiteit van het marktaanbod worden aangepakt en dat buurtwinkels, grootwinkelbedrijven en winkelcentra in een agglomeratie naast elkaar kunnen blijven bestaan.

1.18   Detailhandelaars zijn voornamelijk op nationaal niveau actief en teneinde de doeltreffende toepassing van de gedragscode te verzekeren moet een overheidsinstantie (bv. nationale mededingingsautoriteiten) dan ook op geregelde tijdstippen eventuele verslagen van de ombudsman over bedenkelijke praktijken onder de loep nemen, rechtstreeks van detailhandelaars/leveranciers informatie kunnen vragen en over een analyse van de uitgangssituatie en een verslag over de ontwikkelingen in de sector kunnen beschikken. Waar er sprake is van herhaalde aantijgingen, zou wetgeving kunnen worden opgesteld om het probleem aan te pakken. Deze overheidsinstantie zou ook kunnen worden aangemoedigd om het gebruik en de voordelen van een dergelijke gedragscode bij alle betrokken stakeholders bekend te maken en te doel naleven.

1.19   De lidstaten moeten er dus voor zorgen dat mogelijkheden worden gecreëerd voor gedegen concurrentie tussen detailhandelaars, zonder het noodzakelijke evenwicht tussen de verschillende sectoren en de vereisten inzake ruimtelijke ordening uit het oog te verliezen, zodat ook de consument zijn voordeel kan doen met lagere prijzen en een ruimer keuzeaanbod.

2.   Motivering

2.1   De CCMI pleit voor coördinatie en samenhang van de communautaire maatregelen m.b.t. de belangrijke industriële veranderingen in de context van een uitgebreid Europa en streeft naar een evenwicht tussen de noodzaak van sociaal aanvaardbare veranderingen en het behoud van het concurrentievermogen van de Europese industrie.

2.2   Recentelijk laat de sector van de grootwinkelbedrijven een groeitendens zien, evenals een toename van zijn impact en invloed op de samenleving. In de context van de Lissabonstrategie, waarbij wordt gestreefd naar concurrentievermogen, groei en meer en betere banen, zullen in dit advies specifieke gebieden binnen de waardeketen — waarbij ook naar de verbruikers wordt gekeken — worden aangeduid, waarvoor EU-maatregelen of -regelingen wenselijk zouden zijn.

2.3   Met het oog op dit advies heeft het EESC opdracht gegeven een studie te verrichten waarin is getracht een definitie te geven van grootwinkelbedrijven (zie bijlage 1 — studie van London Economics). Zoals in de studie is vermeld, leidden de parameters die bij de verschillende pogingen tot definiëring werden gehanteerd, evenwel tot uiteenlopende resultaten. Gelet op het aantal detailhandelaars dat niet onder de definitie van MKB valt en het ontbreken van statistische gegevens met name in de nieuwe lidstaten, is in dit advies gebruik gemaakt van cumulatieve definities. Grootwinkelbedrijven (HVR-high volume retailers) zijn ondernemingen met een marktaandeel van meer dan 5 %, een omzet van meer dan 200 miljoen euro en een personeelsbestand van minstens 250 personen. Bovendien zou het dienstig zijn een analyse te maken van de 5 belangrijkste ondernemingen in iedere marktsector en na te gaan of ze een particulier dan wel sociaal bedrijfsmodel hanteren.

2.4   De studie was voorts toegespitst op 8 landen in Europa: het VK, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië, Roemenië, Polen en de Tsjechische Republiek; zowel de kleding- als voedingssector werden daarbij bekeken. Er is een duidelijke concentratie van HVR in andere sectoren als doe-het-zelf, elektrische apparatuur, ontspanning en cultuur maar deze worden in dit document niet behandeld. De analyse in dit advies is gebaseerd op statistisch bewijsmateriaal (3). Om de moeilijkheden bij het verzamelen van feitelijke gegevens te illustreren en een idee te geven van de omvang van het tot dusver verrichte onderzoek (4) wordt verwezen naar tal van aanvullende studies die zijn uitgevoerd door uiteenlopende actoren in de aanbodketen, met inbegrip van werknemers en consumenten.

2.5   Grootwinkelbedrijven trekken door de sterkte van hun aanbod over de hele EU steeds meer klanten aan. Uit cijfers van 2005 blijkt dat Carrefour (Frankrijk), de Metro-groep (Duitsland), Tesco (UK) en Rewe (Duitsland) de grootste marktaandelen hebben in West-, Midden- en Oost-Europa. In Duitsland, Frankrijk, Ierland en Zweden werd in 2005 meer dan 70 % van de levensmiddelen door de 5 belangrijkste grootwinkelbedrijven verkocht.

2.6   Tal van grootwinkelbedrijven, met inbegrip van coöperaties en detailhandels in de sociale economie, hebben hun eerste stappen in de detailhandel gezet als kleine en middelgrote ondernemingen en er valt dan ook heel wat lering te trekken uit hun spectaculaire groei. Allemaal hebben zij aanzienlijk bijgedragen aan de Lissabonagenda wat concurrentievermogen, werkgelegenheid en groei betreft. Grootwinkelbedrijven worden ondersteund door een krachtige en vaak geconcentreerde groothandels- en verwerkende sector. De druk die door leveranciers met een dominante positie wordt uitgeoefend, heeft gevolgen voor de winstmarges van de detailhandel en het concurrentievermogen van het MKB dat toelevert. Het Comité hoopt dat de conclusies van de studies over de detailhandel die de Europese Commissie (DG Interne markt en DG Ondernemingen) in de komende jaren zal verrichten, toegespitst zullen zijn op de lengte van de aanbodketen en het aantal daarbij betrokken stakeholders, alsook op de winstmargedistributie in de detailhandel in zijn geheel.

2.7   Groei en nieuwe ontwikkelingen in de sector van de grootwinkelbedrijven, met inbegrip van de opkomst van gespecialiseerde winkels in de kledingsector, zijn van grote invloed op ondernemingen, met inbegrip van MKB en zelfstandigen, werknemers, leveranciers en consumenten. In dit initiatiefadvies van de CCMI wordt een overzicht gegeven van objectieve data betreffende de ontwikkeling van grootwinkelbedrijven in de laatste vijf jaar; de aandacht gaat daarbij vooral naar Europese HVR in de sector van de levensmiddelen (voeding) en kledij.

2.8   Overzicht huidige toestand m.b.t. levensmiddelen en kledij:

De detailhandel in levensmiddelen was in 2006 goed voor 754 miljard euro (5), d.i. een groei van 3,4 % in reële cijfers sinds 2003. Frankrijk, het VK en Duitsland nemen meer dan 65 % van de verkoop voor hun rekening, Italië, Spanje en Polen 30 %. Roemenië, Hongarije en de Tsjechische Republiek staan samen voor minder dan 5 % van de verkoop.

Verkoopcijfers voor de kledingsector zijn moeilijker te krijgen. De detailhandel was goed voor 120 miljard euro in 2006, wat overeenkomt met een stijging van 2,5 % in reële cijfers sinds 2003. Nagenoeg alle verkopen zijn gebeurd in het VK, Duitsland, Frankrijk en Italië, hoewel dit beeld het gevolg kan zijn van de beperkte beschikbaarheid van gegevens uit de nieuwe lidstaten.

De voedingssector is de sector met de grootste omzet bij de detailhandel op nationaal niveau. De koploper Tesco ligt beduidend vóór op zijn concurrenten, met een omzet in 2006 die 10 miljard euro hoger ligt dan bij Carrefour die de tweede plaats inneemt.

Bij een vergelijking van de detailhandel in levensmiddelen en kledij, komt het grootste kledingbedrijf (Marks and Spencer) pas op de 25e plaats.

Tal van HVR in de levensmiddelensector verkopen ook kleding, textiel en elektrische apparatuur en er mag dus niet van worden uitgegaan dat hun omzet alleen op levensmiddelen betrekking heeft.

De verkoop van HVR in de levensmiddelensector is sinds 2003 in Italië en Spanje met meer dan 25 % gestegen. Ook in Tsjechië en Roemenië zijn HVR aanzienlijk gegroeid (hoewel de uitgangspositie van Roemenië bijzonder zwak was).

In de kledingsector zijn HVR slechts op drie van de negen door de studie bestreken markten aanwezig. Zowel in Duitsland als in het VK lieten HVR een gestage stijging van de verkoop zien (resp. 5 en 3 %). De enige HVR in Italië (de Benetton-groep) zag zijn verkoop in reële cijfers tussen 2003 en 2006 evenwel dalen (6).

2.9   De levensmiddelensector (voedsel en drank) ondervindt thans wereldwijd de snelste stijging van zijn kostenbasis (grondstoffen) sinds generaties. Door de wereldwijd toegenomen welvaart, de slechte oogsten en de door regeringen vastgestelde doelstellingen m.b.t. biobrandstoffen die het aanbod beïnvloeden, zullen vooral de graanprijzen, die van invloed zijn op basisvoedsel en diervoeder, de prijzen voor de consumenten nog meer de hoogte instuwen.

2.10   Een representatieve korf van producten is vandaag aanzienlijk duurder dan in vorige jaren en vertoont grote verschillen naar gelang van de lidstaten. Recente verhogingen van grondstofprijzen zouden de winst voor de leveranciers geheel teniet kunnen doen. Bij detailhandelaars die met zelfs nog kleinere winstmarges werken, leiden hogere prijzen aan de kassa tot inflatoire cijfers bij het ministerie van financiën, die dan weer zeer snel aanleiding geven tot looneisen van werknemers. Inflatie van de winkelprijzen heeft samen met de huidige stijging van de olieprijs gevolgen voor de hele aanbodketen en de consumenten en is voor iedereen een zorgwekkend scenario.

2.11   Daar consumenten dankzij de scherpe concurrentie vrij kunnen kiezen waar zijn hun aankopen doen, stellen detailhandelaars alles in het werk om rendabeler te werken en de schaalvoordelen te vergroten. Tal van leveranciers zijn met de ontwikkeling van de detailhandel zelf ook groter geworden en van hun strategieën kan heel wat lering worden getrokken.

De aanbodketen kan zelf erg lang zijn en over de hele keten kan in zowel de levensmiddelen- als de kledingsector een winstmarge worden toegevoegd door verschillende stakeholders: distributie- en verpakkingsbedrijven, secundaire producenten, verwerkende bedrijven en groothandelaars.

2.12   De prijzen van de kledingsector zijn in heel Europa relatief stabiel, met name door de trage groei van de EU-economie ten gevolge van veranderende consumptiepatronen, de liberalisering van de wereldhandel, de versteviging van China's positie als belangrijkste kledingproducent, alsook van de appreciatie van de Europese munten. Voorts zijn er veranderingen in marktdynamiek waar te nemen naarmate traditionele levensmiddelensupermarkten hun non-food aanbod uitbreiden, met name met kleding, en ketens als Zara en H&M de plaats innemen van kleinere gespecialiseerde onafhankelijke winkels (7).

2.13   De ontwikkeling van de verschillen in prijsindexcijfers weerspiegelt niet noodzakelijk de ontwikkeling van de prijsverschillen, d.i. de verschillen in prijsniveaus (8). Bovendien dient voorzichtig te worden omgesprongen met het soort conclusies dat uit deze analyse wordt getrokken. De verschillen in prijsontwikkeling tonen niet noodzakelijk de verschillen in de winstmarges van producenten en detailhandelaars. Dit komt omdat prijzen door veel andere variabelen worden beïnvloed, bv. veranderingen in btw-tarieven (9), lonen, invoerprijzen of technische verbeteringen die kunnen zorgen voor een verlaging of verhoging van de consumentenprijzen, los van de prijzen die de producenten krijgen.

2.14   Europese detailhandelaars zijn van mening dat het streven naar duurzame consumptie en productie voor de toekomst van prioritair belang is. Detailhandelaars zijn dagelijks getuige van de veranderende eisen van hun klanten, de steeds toenemende behoeften aan passende en nauwkeurige informatie, de snelle opkomst van nieuwe ecoproducten en de steeds „groenere” procédés in de leveringsketen. In deze context stellen Europese detailhandelaars vrijwillig een actieprogramma voor duurzame consumptie en een milieuactieprogramma voor de detailhandel voor terwijl zij ook nauw samenwerken met de Europese Commissie om de verwezenlijking van de EU-doelstellingen 2020 inzake klimaatverandering te ondersteunen.

3.   Gebieden waar monitoring wenselijk is

3.1   Teneinde rekening te houden met de onderstaande bedenkingen van het maatschappelijk middenveld zou de discussie over eventuele regelingen in de toekomst gebaseerd moeten zijn op duidelijke en transparante procedures voor rapportering over slechte praktijken en moet in ieder geval voor bewijsmateriaal worden gezorgd om klachten te onderbouwen. Dit geldt voor alle stakeholders.

3.2   De lidstaten moeten erop toezien dat er voldoende concurrentie is om alle handelstakken de kans te geven zich te ontwikkelen, zodat de consument de vruchten kan plukken van lagere prijzen en een ruim keuzeaanbod.

3.3   In nationale regelgeving ter bevordering van eerlijke handelspraktijken kan rekening worden gehouden met lokale maatschappelijke voorkeuren inzake bv. openingstijden en arbeidskwesties. De door het EESC bepleite vrijwillige gedragscodes moeten dan ook toegesneden zijn en ten uitvoer worden gelegd op het niveau van de lidstaten, vooral omdat detailhandel grotendeels een lokale markt is.

3.4   Met het oog op betere regelgeving (10) zijn er ter bevordering van de concurrentie hervormingen op EU-niveau doorgevoerd om beperkende wetgeving ongedaan te maken; dit verklaart ook de aanbeveling van het EESC met het oog op zelfregulering door de sector. Er zou kunnen worden aangenomen dat de invoering van een gedragscode op nationaal niveau afspraken tussen detailhandelaars in de hand werkt en in feite concurrentie tegengaat. Overheidsbeleid moet evenwel gericht zijn op toezicht op deze gedragscodes, daar zij voor meer transparantie en zorgvuldigheid („due diligence”) voor zowel detailhandelaar als leverancier zorgen en op lange termijn ook meer voordelen voor de consument opleveren.

3.5   Praktijken in de detailhandel en de aanbodketen worden vaak op de korrel genomen. Het EESC pleit dan ook voor contracten en een gedragscode op het niveau van de lidstaten (zie Aanbevelingen en conclusies) om deze kritiek te ontkrachten door het proces transparanter te maken; daarbij zouden de belangen van zowel detailhandelaar als leverancier worden beschermd en zou een bemiddelaar, indien nodig, tussenbeide kunnen komen.

3.6   Concurrentiebeleid en andere regelgevende maatregelen voor de detailhandel vormen een aanvulling op het handelsbeleid. Een belangrijke uitdaging hierbij is een evenwicht te vinden waarbij detailhandelaars kunnen profiteren van schaalvoordelen bij aankopen en activiteiten zonder evenwel van hun marktmacht misbruik te maken.

3.7   Een ander gebied dat voor monitoring in aanmerking komt en waarop de gedragscode ook van toepassing kan zijn, is de invoer. Invoer van zowel levensmiddelen als kleding speelt thans een belangrijke rol in de marktwerking. De hoeveelheid ingevoerde levensmiddelen is over het algemeen groter in de westerse landen maar het aandeel van ingevoerde levensmiddelen stijgt ook snel in Oost-Europese landen.

3.8   Westerse landen laten een grote invoerpenetratie in de kledingsector zien (11). Vaak beloopt het betreffende percentage meer dan 100 %. Dit komt omdat de totale uitvoerwaarde groter is dan de totale productiewaarde, wat betekent dat sommige producten worden ingevoerd en daarna weer naar andere markten uitgevoerd.

4.   Werknemers in de detailhandel

4.1   De detailhandel is van cruciaal belang voor de Lissabonstrategie gelet op het aantal werknemers in de sector. DG Werkgelegenheid onderzoekt thans welke vaardigheden opgang maken en hoe de toekomstige vaardigheidsvereisten en de werkgelegenheid in de detailhandel en de handelssector in de komende tijdspanne tot 2020 zich zullen ontwikkelen. Een soortgelijke studie wordt voor de sector van textiel-, kleding- en lederproducten verricht. Deze twee studies maken deel uit van een project dat 16 economische sectoren bestrijkt en waarbij een gemeenschappelijke voorspellingsmethodologie wordt gebruikt om toekomstige vaardigheden en de ontwikkeling van de werkgelegenheid op basis van scenario-analyses te identificeren.

4.2   Volgens de door London Economics verrichte studie zijn ca. 1,2 miljoen mensen in het VK werkzaam in HVR in de voedingssector. Dit aantal is lager in de overige landen maar over het algemeen tellen HVR in West-Europese landen meer werknemers dan in Oost-Europese landen. Het aantal werknemers is sinds 2003 in alle landen gestegen behalve in Frankrijk en in de Tsjechische Republiek waar het constant is gebleven.

4.3   De aandeel van de werkgelegenheid in HVR loopt in Europa sterkt uiteen. In het VK geven HVR werk aan meer dan 75 % van de werknemers in levensmiddelenwinkels en grootwarenhuizen, in Duitsland ruim 60 %, in Polen aan 20 % en in Roemenië aan minder dan 5 %.

4.4   Over het algemeen is de arbeidsparticipatie van vrouwen groter in de sector van de groot- en detailhandel dan hun percentage in de totale Europese beroepsbevolking, maar het verschil is veel groter in de 10 nieuwe lidstaten dan in EUR-15. Uitzondering hierop is Frankrijk waar een lager percentage vrouwen in de sector van de groot- en detailhandel werkzaam is dan in de economie in haar geheel.

4.5   Wat de opsplitsing naar leeftijd betreft, zijn enkele interessante verschillen tussen lidstaten waar te nemen. In het VK is het percentage jonge werknemers (onder 25 jaar) veel hoger dan elders, maar ook het percentage werknemers ouder dan 65 is er hoger (zij het nog steeds zeer klein). Italië, de Tsjechische Republiek en Hongarije laten een lager percentage jonge werknemers zien, maar een hoger percentage werknemers tussen 25 en 49 jaar oud.

4.6   Deeltijdwerk komt vaker voor in de sector van de groot- en detailhandel dan in de Europese economie in haar geheel, hoewel er tussen landen grote verschillen bestaan, met name tussen EU-15 en de 10 nieuwe lidstaten.

Brussel, 3 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  EESC-CCMI, De ontwikkeling van de sector van de grootwinkelbedrijven in Europa in de laatste vijf jaar, voorbereid door London Economics. http://www.eesc.europa.eu/sections/ccmi/externalstudies/documents/HVR_Final_Report_revised_with_annex.doc

(2)  Onderzoek van de Britse concurrentiecommissie betreffende de levensmiddelenmarkt:

http://www.competition-commission.org.uk/inquiries/ref2006/grocery/index.htm. De definitieve versie zal naar verwachting in het tweede halfjaar van 2008 worden gepubliceerd.

[2] Onderzoek van de Oostenrijks federale concurrentieautoriteit over de kopersmacht van supermarkten: http://www.bwb.gv.at/BWB/English/groceries_sector_inquiry.htm

(3)  Zie voetnoot 1.

(4)  I) Impact of Textiles and Clothing Sectors Liberalisation on Prices, The Kiel Institute For The World Economy, Kiel, Duitsland. Europese Commissie, DG Handel, Eindverslag van 18 april 2007http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2007/june/tradoc_134778.pdf

II) Business relations in the EU Clothing Chain: from industry to retail and distribution. Bocconi University, ESSEC Business School, Baker McKenzie. Eindverslag van oktober 2007. http://ec.europa.eu/enterprise/textile/documents/clothing_study_oct_2007.pdf

(5)  Aankopen via internet bij detailhandelaars zijn meegerekend in het totale verkoopscijfer en worden in dit document niet afzonderlijk behandeld daar zij weliswaar toenemen maar toch slechts 1 à 2 % van de verkoop van levensmiddelen in het VK voor hun rekening nemen.

(6)  Tussentijds verslag van London Economics. The Evolution of the High Volume Retail Sector in Europe over the past 5 years. februari 2008;

(7)  Bocconi Universiteit, Business Relations in the EU clothing Chain, eindverslag van oktober 2007. http://ec.europa.eu/enterprise/textile/documents/clothing_study_oct_2007.pdf

(8)  Als bv. de producentenprijs 100 en de consumentenprijs 200 is, betekent een stijging met 10 % van beide prijzen niet noodzakelijk dat de winstmarge constant blijft. Door het verschil in prijsniveau zou de marge worden verruimd van 100 (200-100) tot 110 (220-110).

(9)  „De gemeten prijzen zijn de prijzen die door de consumenten moeten worden betaald, zodat omzetbelastingen als de BTW zijn inbegrepen, terwijl ook rekening wordt gehouden met opruimingsprijzen.”, Geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen (GICP’s) Kleine gebruikersgids, Eurostat, maart 2004.

(10)  http://ec.europa.eu/governance/better_regulation/index_en.htm

(11)  De kledingsector heeft betrekking op alle producten in het kader van „vervaardiging van kleding; bereiden en verven van bont”.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/63


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Territoriale ontwikkeling en maatschappelijk verantwoord ondernemen”

(2009/C 175/11)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 17 januari 2008 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten een initiatiefadvies op te stellen over:

Territoriale ontwikkeling en maatschappelijk verantwoord ondernemen.

De adviescommissie Industriële reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer PEZZINI en corapporteur de heer GAY.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 168 stemmen vóór en 1 tegen, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   In de context van de Lissabon- en Gotenburgstrategie acht het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) het fundamenteel dat de lokale territoriale systemen nieuw leven wordt ingeblazen. Die systemen bestaan uit structuren, infrastructuren, alsook publieke en particuliere organen, die zich vanuit een gedeelde visie op de in de regio verankerde ontwikkeling richten op het verbinden van een hoog niveau van welzijn en concurrentievermogen aan een hoge mate van sociale verantwoordelijkheid en milieubewustzijn. In feite gaat het om een proces dat overal de resultaten verzilvert van een reeks interacties.

1.2   Het dringt EESC met klem aan op een communautair initiatief voor de ontwikkeling vanmaatschappelijk verantwoordelijke gebieden” (MVG's). Dat kan worden omschreven als een combinatie van het streven naar nabijheidsdemocratie en responsabilisering van overheden en alle publieke en particuliere betrokkenen, met als doel een strategische, geïntegreerde en concurrerende exploitatie van de specifieke kenmerken van regio's.

1.3   Het EESC zou graag zien dat tegelijk met het MVG-initiatief een Europees actieprogramma gelanceerd wordt, dat gericht is op:

integratie van de territoriale dimensie in het communautair beleid, met name in de Lissabon- en Gotenburgstrategie;

ondersteuning van de opname in nationaal, regionaal en lokaal beleid van de in de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig omschreven prioriteiten;

aanmoediging en cofinanciering van instrumenten voor participatieve territoriale foresight, om tot een gemeenschappelijke visie te komen op maatschappelijk verantwoordelijke territoriale ontwikkeling;

oprichting van netwerken van territoriale excellentie en Europese samenwerkingsverbanden over deze thema's.

1.4   Het EESC verwacht van het communautaire MVG-initiatief (1) en het bijbehorende actieprogramma dat:

de EU de administratieve rompslomp voor de decentrale economische en sociale actoren drastisch terugdringt door vereenvoudiging van beleidsinhoud en procedures van de Unie en door toepassing van de „opencoördinatiemethode”;

de lidstaten de communautaire beleidsbepalingen uniform toepassen, zodat de eenheid van de Europese interne markt behouden blijft;

de regionale/lokale overheden de economische en sociale actoren ten volle bij beleid weten te betrekken en strategieën ontwikkelen waarin samenwerking, innovatie en concurrentie samengaan;

de privésector een constructieve sociale dialoog aangaat met het maatschappelijk middenveld over een gemeenschappelijk visie op industriële reconversie.

1.5   Het EESC is een warm pleitbezorger van nabijheidsdemocratie, waarmee de politiek, economisch en sociaal verantwoordelijken in een regio betrokken kunnen worden bij acties ter verbetering van de levenskwaliteit en ter bevordering van een economische en sociale, concurrerende en duurzame ontwikkeling in de Europese regio's.

1.6   Volgens het EESC moet er fors geïnvesteerd worden in de ontwikkeling van een gedeelde innovatieve participatiecultuur: de vraag naar democratische waarden moet uitgaan van een gebied zelf en van een groot aantal actoren en instellingen die de belangen van de diverse activiteitensectoren vertegenwoordigen. Tegen deze achtergrond krijgen ondernemingen de connotatie van gemeenschappen die rijkdom voortbrengen ten gunste van een betere samenleving ter plaatse.

1.7   In dit verband hoopt het EESC op een spoedig vervolg van de verklaringen van de Europese Raad van 13 en 14 maart 2008 over het belang van enerzijds de rol van het lokaal en regionaal niveau voor het scheppen van groei en werkgelegenheid, en anderzijds over het belang van de ontwikkeling van territoriale bestuurscapaciteit bij alle politiek, economisch en sociaal betrokkenen op lokaal of regionaal niveau.

1.8   Het EESC is ervan overtuigd dat van Europa een kennispool op het gebied van de ontwikkeling van MVG's  (2) moet worden gemaakt. Dat kan onder andere door te putten uit de positieve ervaringen met EMAS en maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo), alsmede door het beleidskader uit te breiden met de territoriale dimensie. Zo wordt ook gegarandeerd dat het concept gemeenschappelijke verantwoordelijkheid zich verankert in het bedrijfsleven. Daarvoor moet dat wel de vruchten kunnen plukken van netwerksystemen en clusters en ten volle betrokken worden bij de macro-economische territoriale strategische ontwikkeling.

1.9   Het EESC meent verder dat kleine en micro-ondernemingen, alsmede de omvangrijke en belangrijke sector van de sociale economie, zouden moeten kunnen profiteren van steunregelingen, expertise en een betere toegang tot (micro)kredieten, ter bevordering van een bedrijfsvoering die goed is voor milieu, gebied en inwoners.

1.10   Naar het oordeel van het EESC zouden het communautaire initiatief voor MVG's en het actieplan tegelijk een gestructureerde sociale dialoog in de regio's op gang moeten brengen en samenwerkingsverbanden tussen lokale instanties moeten aanmoedigen, met name in grensoverschrijdend verband. Sterkere partnerschappen zouden moeten leiden tot globale capaciteitsopbouw, meer knowhow en betere prestaties van de decentrale overheden, die verschillende bevoegdheden hebben en daarom elkaar nog vaak beconcurreren.

1.11   Tot slot wijst het EESC erop dat multilevel governance-systemen een hoge mate van coördinatie moeten waarborgen, zodat op lokaal niveau niet teloor gaat wat de interne markt tot stand heeft gebracht. Fragmentatie en discriminatie op plaatselijk niveau moeten worden vermeden, want dit zou de mondiale positie van de Europese economie aantasten.

2.   Inleiding

2.1   De rol van de lokale en regionale overheden bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de herziene Lissabonstrategie is tijdens de op 4 maart 2008 door het EU-voorzitterschap gehouden conferentie over de territoriale dialoog aangemerkt als een van de prioriteiten van het cohesiebeleid.

2.2   Het EESC wil in onderhavig advies nagaan hoe grondgebied, politiek en sociaaleconomische spelers zich op de interne en wereldmarkt tot elkaar verhouden, in het licht van de uitvoering van de Lissabonstrategie en het ontstaan van een concurrerende kenniseconomie.

2.3   Uitgangspunt is het verbeteren van de anticipatieve benadering van economische, sociale en milieuveranderingen, en van de organisatie van degenen die bijdragen aan de totstandkoming van „maatschappelijk verantwoordelijke gebieden”, (MVG's  (3)), en het beschrijven van de verantwoordelijkheden van ondernemingen, overheden, sociale partners en alle partijen die bijdragen aan de totstandkoming van het concurrentievermogen in een gebied, teneinde een dynamisch Europees sociaal model dat getuigt van solidariteit en cohesie tot stand te brengen (4).

De economie van een gebied kan afhankelijk van haar structuur in meer of mindere mate worden blootgesteld aan de mondiale concurrentie. Overigens is het BBP (of de toegevoegde waarde) om twee redenen geen goede indicator meer voor de rijkdom van een gebied. In dit verband verwelkomt het EESC de recente publicatie van de Commissie, „Groenboek over territoriale cohesie: van territoriale diversiteit een troef maken” (5), dat in een ander advies aan bod zal komen.

2.4.1   Ten eerste komen de inkomsten uit arbeid en kapitaal en de opbrengsten van de belastingen op productiekrachten niet volledig het gebied ten goede waar ze worden gegenereerd c.q. geheven, maar is er sprake van „export” van middelen.

2.4.2   De tweede, belangrijkere reden is dat een gebied ook afhankelijk is van andere middelen dan die welke de productiekrachten genereren of opbrengen (salarissen van overheidsmedewerkers, pensioenen, interesten, inkomsten uit toerisme, inkomens van elders werkende inwoners, uitkeringen enz.).

Overheden en bedrijfsleven beschikken over steeds meer en steeds uitgebreidere instrumenten voor beheer en ondersteuning van beleid en programma's voor duurzame ontwikkeling. Die instrumenten zijn gebaseerd op:

2.5.1   voorschriften

milieurichtlijnen en -verordeningen;

systemen voor milieubeheer;

het certificaat ISO 14000 en de richtsnoeren ISO 26000;

de norm BS OHSAS 18001/2007, d.w.z. de normen voor veiligheid op de werkplek;

de EMAS-regels;

sociale audit (SA8000);

„groen” aankopen en aanbesteden;

analyses van de levenscyclus van producten;

het geïntegreerd productbeleid;

2.5.2   structuren

ervaringen met clusters, industriedistricten, concurrentie- of excellentiepolen en technologieparken;

de lokale actieplannen in het kader van Agenda 21;

regionale/lokale waarnemingsposten voor de territoriale impact van de ontwikkeling;

lokale ondernemersverenigingen;

steun voor territoriale governance uit het Europees Sociaal Fonds;

de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) en de nieuwe instrumenten uit Verordening (EG) nr. 1082/2006 van 5 juli 2006 (6);

de platformen voor analyse en prospectieve foresight;

publiek-private partnerschappen (PPP's);

2.5.3   overeenkomsten

flexizekerheid-initiatieven (7);

het streven naar maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo);

de gestructureerde sociale territoriale dialoog;

milieuboekhouding/-balansen;

duurzaamheidsverslagen;

de instrumenten voor territoriale planning en programma's;

territoriale milieubalansen;

territoriale sociaal-economische overeenkomsten (territoriale pacten, programma-overeenkomsten e.d.);

speciale economische zones, binnen de grenzen van het mededingingsbeleid (8).

2.6   Het EESC vindt het hoog tijd om de toepassing van dit soort normen, regelgeving en vrijwillige instrumenten krachtiger te consolideren, te integreren en op elkaar af te stemmen, teneinde de diverse doelstellingen en de verschillende uitvoeringsniveaus op één lijn te krijgen en efficiënte, doeltreffende en participatieve resultaten te kunnen behalen.

2.7   Overeenkomstig het Handvest van Leipzig (9) en de territoriale agenda van de EU voor 2007 (waarover het EESC een advies heeft uitgebracht (10)) wordt aan territoriale cohesie steeds meer gewicht toegekend, met als doel:

de representatieve actoren op het lokale niveau meer inbreng te geven;

via investeringen in de gebieden met het grootste groeipotentieel evenwichtige en duurzame ontwikkeling te laten samengaan met de vereiste versterking van de Europese concurrentiepositie;

synergie en complementariteit te realiseren in het communautaire beleid;

te komen tot een betere governance  (11).

2.8   Uitgevoerd via de Lissabon- en Gotenburgstrategie vormt de territoriale agenda een strategisch oriëntatiekader voor het territoriale ontwikkelingsbeleid.

2.9   Het EESC heeft in zijn advies over de territoriale governance van de industriële reconversie (12) onder meer het volgende gesteld: „Aan de basis van één territoriale identiteit staat een veelvoud aan handelingen waarmee vanuit een gemeenschappelijke visie instemming, erkenning en empathie worden uitgedrukt voor een verzameling gemeenschappelijke waarden.” In dat verband drong het aan op een geïntegreerde territoriale aanpak en een governance-strategie om tot maatschappelijk verantwoordelijke gebieden (MVG's) te komen. Een dergelijke strategie zou zich, aldus het EESC, met name moeten kenmerken door:

constante verbetering van de kennis, vaardigheden en innovatieve kwaliteit en capaciteit van het productiesysteem in een gebied;

ontwikkeling van territoriale netwerkstructuren voor overheid en bedrijfsleven;

een hoog niveau van duurzame ontwikkeling op milieu- en sociaal gebied;

efficiënte en geconsolideerde kanalen voor de ontwikkeling, verspreiding en circulatie van kennis, informatie, alsook programma's voor permanente scholing;

„territoriale sociale balansen”;

vergelijkende analyses van duurzame territoriale systemen door sociale actoren.

Initiatieven op dit vlak vereisen niet alleen zeer goede coördinatie ter waarborging van de nodige synergie en ter voorkoming van overlappingen en tegenstrijdigheden, maar ook, van de kant van de lokale, regionale, nationale en Europese overheden:

hoogwaardige onderwijs- en opleidingsstructuren die praktische antwoorden bieden op de van kennis en concurrentievermogen uitgaande economische ontwikkelingseisen;

maatregelen ter bevordering van institutionele en associatieve capaciteitsopbouw en sociaal overleg;

een geïntegreerd territoriaal beleid waarmee lokale ontwikkelingsmogelijkheden kunnen worden benut en innovatief aanpassings- en anticipatievermogen worden vergroot;

een op regionaal en lokaal niveau geconsolideerde sociale dialoog  (13), hét sleutelinstrument om zoveel mogelijk voordelen te halen uit de anticipatieve benadering van industriële structuur- en marktveranderingen en de continue opleiding en scholing van arbeidskrachten;

stimulering van de sociale betrokkenheid van bedrijven via vrijwillige onderschrijving van het concept mvo als bijdrage aan duurzame ontwikkeling;

verbetering van het systeem van geïntegreerde multilevel governance van maatschappelijk verantwoordelijke gebieden (14), die worden gedefinieerd als gebieden die erin slagen voldoende welvaart te realiseren en zich voldoende te houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

2.10.1   In dit proces worden ook de vaardigheden en capaciteiten van politici en bestuurders versterkt, zodat betrouwbare voorwaarden gegarandeerd zijn om duurzame investeringen voor hun regio aan te trekken en om de oprichting van micro- en kleine ondernemingen te stimuleren. Dit alles tegen de achtergrond van het streven naar duurzame ontwikkeling.

Het EESC heeft veel aandacht besteed aan het proces dat een gebied moet doorlopen om uit te groeien tot een „maatschappelijk verantwoordelijk gebied” (MVG) (15).

2.11.1   Dat laatste gebeurt als een gebied erin slaagt bij economische beslissingen op democratische en participatieve wijze rekening te houden met sociale en milieuaspecten, als het erin slaagt modellen en troeven voor de versterking van de concurrentiepositie alsmede goede praktijkvoorbeelden in zijn beleid te integreren, en als het continu belangen tegen elkaar afweegt teneinde innovatie en concurrentievermogen te bevorderen.

3.   Nabijheidsdemocratie voor een concurrerende en duurzame ontwikkeling

3.1   Het EESC is van mening dat inhoud moet worden gegeven aan het concept „nabijheidsdemocratie”, teneinde de levenskwaliteit te verbeteren en een sociaaleconomische, concurrerende en duurzame ontwikkeling van de EU te stimuleren. Dat moet gebeuren in samenwerking met de politiek verantwoordelijken en sociaaleconomische spelers uit het veld. Op basis van de sterke en zwakke punten van de regio's, en met vooruitzicht op groei van bedrijfsleven en werkgelegenheid dient er op harmonieuze wijze tussen de diverse publieke en private partners te worden samengewerkt.

3.2   Nabijheidsdemocratie vormt één van de pijlers van de Europese governance. Per land kan nabijheidsdemocratie er zeer verschillend uitzien, maar de kern ervan zou altijd moeten worden gevormd door de volgende elementen:

coördinatie tussen betrokkenen, sociale organisaties en overheden, teneinde in overleg gecoördineerde doelstellingen te definiëren in het kader van een gestructureerde dialoog (met inachtneming van individuele en gezamenlijke verantwoordelijkheden) tussen de sociale partners, en met name met vertegenwoordigers van werknemers en bedrijfsverenigingen;

toepassing van de beginselen van subsidiariteit, territoriale cohesie en participatieve democratie, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon;

harmonisatie van multilevel governance-structuren, zodat enerzijds de besluitvormingsniveaus die het dichtst bij de burger staan, onderling coherent zijn, en anderzijds de niveaus voor de uitoefening van beleidstaken op sociaaleconomisch en milieugebied die het meest representatief zijn op het vlak van territoriale bevoegdheden en verschijningsvorm, onderling coherent zijn met inachtneming van de nationale en Europese kaders voor cohesie, via een open en coöperatieve aanpak en in een streven naar synergie tussen de verschillende niveaus;

ontwikkeling van een territoriale learning community , op basis van het vermogen tot zelfbeoordeling en tot constante bijstelling van de doelstellingen en strategieën voor lokale ontwikkeling, en uitgaande van de versterking van een algemene innovatiecultuur die overal ingang heeft gevonden;

ontwikkeling van een gezamenlijke, anticiperende visie op de betekenis van de lokale economie en samenleving, teneinde

de „specifieke hulpmiddelen” van een gebied te definiëren;

inzicht te krijgen in de uitdagingen en bedreigingen die concurrerende gebieden vormen;

inzicht te krijgen in de kansen om tot nationale en internationale markten door te dringen;

inzicht te krijgen in de methoden en middelen om specifieke regionale problemen met lokale beroepskennis op te lossen;

mogelijkheden te creëren voor acties ten gunste van het economische concurrentievermogen;

bevordering van de oprichting en ontwikkeling van decentrale sociaaleconomische raden, of vergelijkbare instanties (16) (zoals die in sommige lidstaten al bestaan), d.w.z. institutionele gesprekspartners in het besluitvormingsproces en spelers op territoriaal niveau die over initiatiefrecht en controlerende bevoegdheden beschikken;

invoering van moderne instrumenten voor participatief decentraal bestuur, zoals e-government, participatieve SWOT-analyses (17), participatieve foresight-instrumenten (18), algemene verplichtstelling van EMAS-normen (19) voor overheid en bedrijfsleven, invoering van normen voor mvo, benchmarkingmethoden, een scorebord voor de opencoördinatiemethode, netwerken voor districten en tussen districten (20), en web based opleidingsprogramma's;

een actieve rol voor Kamers van Koophandel, landbouw- en beroepsorganisaties en consumentenorganisaties;

permanent ondersteunen van topopleidingen aan universiteiten en optimalisering van de betrekkingen tussen bedrijfsleven en universiteiten.

3.3   Territoriale ontwikkeling impliceert volledige realisering van de nabijheidsdemocratie, maar evenzo gestructureerde lokale governance om ontwikkelingen in goede banen te leiden (21).

3.4   Goede territoriale governance dient zich in de eerste plaats te richten op stimulering en ontwikkeling van alle vormen van samenwerking en partnerschap om win-winsituaties te creëren, zowel binnen ondernemingen als tussen bedrijven en collectieve actoren.

3.5   Democratische territoriale governance is een decentraal besluitvormingsproces waarin naar alle betrokkenen wordt geluisterd en dat volgens het EESC gebaseerd zou moeten zijn op transparantie, verantwoordelijkheid en een participatieve aanpak die is gericht op onderzoek naar en uitwerking, toepassing en uitvoering van een gezamenlijke strategische ontwikkelingsvisie voor de middellange termijn.

3.6   Binnen een systeem van multilevel partnerschappen is het volgens het EESC onontbeerlijk dat bottom-up- en top-downbenaderingen naadloos op elkaar aansluiten: dat is een absolute voorwaarde voor succes.

3.7   Het EESC is van mening dat aanzienlijk moet worden geïnvesteerd in de ontwikkeling van een innovatieve participatiecultuur, omdat om democratische waarden moet worden verzocht door de gehele belanghebbende territoriale gemeenschap en door een groot aantal betrokkenen en instanties die de belangen van verschillende sectoren behartigen.

Het EESC is ervan overtuigd dat de mogelijkheden die de EU biedt, zullen worden benut via optimalisering van haar specifieke potentieel, hetgeen kan geschieden met doeltreffende en duurzame ontwikkelingsstrategieën die gebaseerd zijn op het concept van maatschappelijk verantwoordelijke gebieden.

3.8.1   Het EESC verwijst voor een verdere toelichting op het voorafgaande naar een eerder uitgebracht advies (22).

4.   De inzet op communautair niveau: maatschappelijk verantwoordelijke gebieden scheppen

Het EESC dringt met klem aan op een communautair initiatief voor de ontwikkeling van maatschappelijk verantwoordelijke gebieden (MVG's) waarin de volgende doelstellingen zijn vervat: realisering van nabijheidsdemocratie, versterking van een algemene participatie- en innovatiecultuur, realisering van adequate territoriale governance overeenkomstig het nationale en communautaire kader van de Lissabonagenda, en totstandbrenging van partnerschappen met veel betrokkenen uit veel sectoren waarmee gebieden mondiaal aantrekkelijker en concurrerender kunnen worden gemaakt, wordt geanticipeerd op industriële structuurveranderingen en het lokale sociale kapitaal wordt benut.

4.1.1   De MVG's dienen in de eerste plaats te zorgen voor coördinatie en samenhang tussen het beleid op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau.

4.2   Volgens het EESC moet het MVG-initiatief gepaard gaan met een solide Europees actieprogramma, dat gericht is op:

verdere integratie van de territoriale dimensie in het communautair beleid;

ondersteuning van de integratie van de in de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig omschreven prioriteiten;

aanmoediging en cofinanciering van instrumenten voor participatieve territoriale foresight;

geleidelijke invoering van de opencoördinatiemethode en ondersteuning van de uitwerking van instrumenten ter bevordering van nabijheidsdemocratie;

uniform toezicht op en coördinatie van een coherente invoering van de diverse communautaire instrumenten voor territoriale samenwerking, met name de EGTS (23);

oprichting bij de Commissie van een interdisciplinaire coördinatie-eenheid Territoriale ontwikkeling, die als taak moet krijgen een voorlichtings- en communicatiestrategie over MVG's te formuleren en uit te voeren;

veelvuldiger gebruik van de evaluatie-instrumenten voor het meten van de territoriale impact, met name voor het mkb, hetgeen moet gebeuren zowel voor als na de goedkeuring van territoriale maatregelen;

cofinanciering van opleidingsacties en acties voor capaciteitsopbouw van publieke en particuliere actoren ter plaatse ter ondersteuning van MVG-acties;

bevordering van de gestructureerde sociale dialoog op decentraal niveau en een „kwaliteitslabel MVG 21”;

promotie en ondersteuning van de oprichting en ontwikkeling van Euroregio's (24);

ontwikkeling van districten (en „meta-districten” (25)) en netwerken van districten om het mkb van de mogelijkheden die de Europese en wereldmarkt biedt, te laten profiteren.

4.3   In het Europese streven naar een MVG-initiatief en het bijbehorende actieprogramma mag volgens het EESC niet voorbijgegaan worden aan de in paragraaf 2.6 genoemde regelgevende en vrijwillige instrumenten, en die moeten op elkaar worden afgestemd, zodat een coherent systeem ontstaat waarin alle sectoren — m.i.v. de financiële sector en de lokale overheidsbedrijven — verantwoordelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen uit de lokale strategieën voor groei en werkgelegenheid, die ingebed zijn in nationale en Europese strategieën.

Het concept mvo  (26) moet in de ogen van het EESC in deze context vrijwillig en via open coördinatie worden ingebracht en gestimuleerd, met name onder micro- en kleine ondernemingen, die vanuit het oogpunt van participatie en dankzij een gezamenlijke visie de hoeksteen van lokale ontwikkeling vormen.

4.4.1   Met het MVG-initiatief moeten algemene ethische en individuele waarden worden gestimuleerd die uitdrukking geven aan een innovatiebevorderende participatiecultuur en één gezamenlijke identiteit. Die zaken zijn niet exclusief voor het bedrijfsleven, maar moeten actief aanwezig zijn in alle openbare en private territoriale sectoren, netwerken, clusters en regionale en interregionale districten.

4.5   De territoriale learning community moet gebruik kunnen maken van interactieve en interoperabele telematische structuren en infrastructuur. Uitgangspunt daarbij moeten e-government en het IDABC-platform (27) zijn, dat in heel Europa administratieve onlinediensten levert aan overheden, bedrijven en burgers, met als doel Europese overheden efficiënter te laten functioneren en de samenwerking tussen die overheden en met het maatschappelijk middenveld te bevorderen.

Het EESC is ervan overtuigd dat van Europa een kennispool op het gebied van de ontwikkeling van MVG's moet worden gemaakt, op basis van de positieve ervaringen met EMAS en mvo, maar nu ook met oog voor de territoriale dimensie.

4.6.1   Voor een doeltreffende strategische ontwikkeling van een gebied moeten politieke factoren, zoals vernieuwing van het bestuur vanwege lokale en regionale verkiezingen, worden geneutraliseerd door samen te werken met alle meerderheids- en oppositiepartijen. Aldus moet continuïteit in de gezamenlijke verantwoordelijkheden van burgers/kiezers en/of verkozenen worden bewerkstelligd.

Micro- en kleine bedrijven zouden moeten kunnen profiteren van deskundige hulp, zodat dankzij eenvoudigere procedures en taalgebruik en een gemakkelijkere toegang tot (micro)kredieten een milieuvriendelijke bedrijfsvoering wordt bevorderd die goed is voor een gebied en het sociaal kapitaal daarvan.

4.7.1   Tevens wordt een beroep gedaan op de sociale economie om bij te dragen aan de ontwikkeling van MVG's, omdat zij sociale cohesie en duurzaamheid bevordert, winsten onder de eigen deelnemers verdeelt en streeft naar participatief en democratisch beheer.

4.8   Onderwijs, universiteiten en lokaal onderzoek zouden in Europese regionale en interregionale gespecialiseerde kennisnetwerken moeten worden ondergebracht (zoals ook wordt voorgesteld in het programma Capaciteiten van het 7e KP OTO&D en in het programma Onderwijs en opleiding 2010), zodat op lokaal niveau talenten een kans krijgen en er daar voldoende gekwalificeerde mensen zijn om territoriale ontwikkelingsstrategieën tot een succes te maken. Dit soort zaken zijn door kleine bedrijven moeilijk te realiseren.

4.9   Het voorgestelde MVG-initiatief zou volgens het EESC bovendien op decentraal niveau de gestructureerde sociale dialoog moeten bevorderen alsmede institutionele partnerschappen (stedenbanden) moeten aanmoedigen, zodat decentrale overheden nauwer gaan samenwerken, waardoor capaciteitsopbouw wordt gestimuleerd en prestatieverschillen worden verkleind. Tevens zou een „Handvest 21 voor MVG's” moeten worden uitgewerkt, waarmee samenhang tussen en efficiëntie van MVG's kan worden vergroot.

4.10   Tot slot dringt het EESC erop aan om in het communautaire MVG-initiatief ook aandacht te besteden aan evaluatie, benchmarking en monitoring, en bovendien een databank met gegevens over het inkomen per hoofd van de bevolking op decentraal niveau te creëren en elke twee jaar het Europees Parlement, de Raad en het EESC een verslag over het verloop van het initiatief voor te leggen.

5.   De inzet van de nationale overheden

5.1   De lidstaten dienen beleidsbepalingen homogeen toe te passen ter wille van de uniformiteit van de Europese interne markt, en daarbij ondersteuning of negatieve stimuli af te geven. De nationale overheden zouden onder andere het volgende moeten doen:

bureaucratische obstakels uit de weg ruimen; procedurele structuren en mechanismen vereenvoudigen om middelen vrij te maken voor werkgelegenheid en duurzame en concurrerende ontwikkeling;

op participatieve wijze en met onderlinge instemming en met de rechtstreekse inbreng van de sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld een algemeen strategisch referentiekader schetsen voor de nationale ontwikkeling van MVG-beleid;

het kader voor coördinatie en decentralisatie van de publieke sector uitbreiden, om daarmee op centraal, regionaal en lokaal niveau de bestuurstaken vast te stellen;

de beleidslijnen uitzetten voor fiscale decentralisatie, met inbegrip van de wijze van overdracht van middelen tussen de verschillende bestuursniveaus, waarvoor het EESC in het verleden al heeft gepleit (28);

de actieradius verbeteren en uitbreiden van organen voor beheer en coördinatie van decentralisatie en governance op lokaal niveau;

begrotingslijnen vaststellen voor de scholing van werknemers en voor de cofinanciering van opleidingsprogramma's, de oprichting van netwerken en interoperabele IT-ondersteuning in Europees en nationaal verband;

samenhang waarborgen bij de nationale toepassing van de instrumenten van Interreg IV en de EGTS-verordening (omdat het in dit verband gaat over organen met een grensoverschrijdend karakter), waarbij de lidstaten, naast de lokale en regionale overheden, moeten kunnen deelnemen aan de desbetreffende organen, die volgens communautair recht rechtspersoonlijkheid hebben;

een nieuw soort partnerschap ontwikkelen tussen stad en platteland, bij voorkeur in de vorm van totaalbenaderingen op regionale schaal, waarbij infrastructuur en kennis een gelijke rol moeten spelen;

bevorderen van transnationale concurrerende en innovatieve regionale clusters, uitbreiden van trans-Europese technologienetwerken, en versterken van trans-Europees risicobeheer, polycentrische stadsontwikkeling, milieustructuren en culturele hulpbronnen;

samenhang en coördinatie waarborgen van de territoriale dimensie van het sectorale beleid door conflictueuze sectorale maatregelen te vermijden die tot inefficiëntie kunnen leiden en in de praktijk totaal ondoeltreffend en belemmerend kunnen zijn; instrumenten ontwikkelen voor territoriale effectbeoordeling (Territorial Impact Assessment — TIA ) door adequaat gebruik te maken van de instrumenten voor milieueffectbeoordeling (Environmental Impact Assessment — EIA ) (29) en strategische milieubeoordeling (Strategic Environment Assessment — SEA ) (30).

5.2   De regionale overheden zouden het volgende moeten doen:

sociaaleconomische belanghebbenden vroegtijdig betrekken bij de uitwerking van strategische territoriale-ontwikkelingsprojecten;

onderwijssystemen, universiteiten en hogescholen zodanig inrichten dat de economische en sociale ontwikkeling van MVG's wordt bevorderd;

criteria als kostenefficiëntie, kwaliteit en duurzame ontwikkeling meer en meer laten meewegen in investeringskeuzes en bij het beheer van diensten van algemeen belang;

openbare investeringsplannen regelmatig evalueren;

voordat openbare investeringsprojecten worden gestart, zich ervan vergewissen dat het financieringsplan volledig waterdicht is, zowel wat betreft bedragen als termijnen;

ervoor zorgen dat externe financiering van openbare investeringsprojecten daadwerkelijk binnen de gestelde termijnen wordt benut;

zorgen voor een gezond mkb, aangezien dat in staat is steden en verstedelijkte en landelijke gebieden economisch bij elkaar te houden door op het platteland te zorgen voor behoud van werkgelegenheid, inkomsten, bevolking en belastingopbrengsten;

stimuleren dat kapitaal en winsten op lokaal niveau worden geïnvesteerd in de oprichting van projectbeurzen, de terugkoop van lokale bedrijven en regionale financieringsinstrumenten voor kapitaalontwikkeling en risicokapitaal, zonder afbreuk te doen aan de interne markt;

belastingopbrengsten niet te veel loskoppelen van de gebieden waar ze worden gegenereerd, d.w.z. niet te veel geld aan hogere bestuursniveaus afdragen, zonder daarbij de noodzakelijke herverdeling, voortvloeiend uit fiscale solidariteit, uit het oog te verliezen;

lokale politici bijscholen over het huidige functioneren van de ruimtelijke ordening, met speciale aandacht voor diensten van algemeen belang en economische infrastructuur, ten behoeve van een moderne, duurzame ontwikkeling van het bedrijfsleven.

5.3   Lokale en regionale overheden zouden prioriteit moeten geven aan de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden, interregionale netwerken en foresight-instrumenten, teneinde te komen tot een gezamenlijke toekomstvisie.

6.   De inzet van bedrijven: op weg naar MVG's

6.1   Volgens het EESC moet het bedrijfsleven niet verder belast worden met bureaucratische rompslomp en procedures en dienen bedrijven het territoriale systeem nieuw leven in te blazen, waarvan zij immers de motor en integraal onderdeel zijn. Ze zouden het volgende moeten doen:

verslag uitbrengen over goede praktijkvoorbeelden op sociaal, milieu-, territoriaal (of maatschappelijk) gebied en gebruik maken van instrumenten waarmee het niveau van maatschappelijk verantwoord ondernemen kan worden bepaald;

in en rond bedrijven de aanwezigheid van hoger opgeleiden vergroten door passende banen te creëren en huidig of toekomstig personeel bij te scholen;

met werknemers communiceren zodat zij goed op de hoogte zijn van de strategie en de projecten van een bedrijf op het vlak van werkgelegenheid en scholing;

samenwerken met het lokale bedrijfsleven, teneinde via betrouwbare en solide commerciële contacten de basis te leggen voor duurzame groei;

indien mogelijk lokale (met name kleine en middelgrote) ondernemingen technologieën laten uitwisselen, teneinde een gebied te laten opleven in termen van technologische vooruitgang, en om de vaardigheden van werknemers te verbeteren;

proactiever meedoen aan wetenschappelijke en technologische activiteiten op lokaal niveau, die verrijken met kennis en knowhow, en daarbij samenwerken met onderzoeksinstellingen, universiteiten, andere ondernemingen en lokale beroepsorganisaties;

leveranciers en onderaannemers oproepen op dezelfde wijze met lokale overheden samen te werken en in hun bedrijf dezelfde regels inzake sociaal, milieu- en territoriaal beheer in acht te nemen;

contacten aanknopen met belanghebbenden (lokale instanties en overheden) om te spreken over en oplossingen te vinden voor technologische, commerciële en sociale problemen (dit geldt vooral voor grotere bedrijven).

7.   In de praktijk: voorbeelden die navolging verdienen

7.1   Met diverse initiatieven en Europees beleid wordt getracht om een maatschappelijk verantwoordelijke ontwikkeling van gebieden in de EU gestalte te geven en om de aanwezigheid van de territoriale dimensie in het communautair beleid op te voeren. Diverse voorbeelden van dit soort initiatieven kunnen worden geraadpleegd op de website van de CCMI (http://www.eesc.europa.eu/sections/ccmi/index_fr.asp), waar ook informatie te vinden is over de hoorzitting die op 25 september 2008 te Lille (Rijsel) gehouden is ter voorbereiding van dit advies (zie de rubriek op de website over dit advies).

Brussel, 3 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Martin WESTLAKE


(1)  Zie par. 1.2

(2)  Idem

(3)  Zie par. 1.2

(4)  „… het Europees sociaal model (moet) het pad effenen voor een democratische, milieuvriendelijke, concurrerende, solidaire en op maatschappelijke integratie gebaseerde welvaartszone voor alle burgers van Europa.” (EESC-advies over Sociale samenhang: inhoud geven aan een Europees sociaal model, PB C 309 van 16.12.2006, blz. 119).

(5)  COM(2008) 616 final

(6)  De lijst van lidstaten die de wetgeving hebben aangepast om de oprichting van een EGTS mogelijk te maken, is te vinden op de website van het Comité van de Regio's (rubriek „Werkzaamheden/evenementen”).

(7)  Bedoeld om nieuwe werkgelegenheidsmogelijkheden aan te boren en werk te benutten, met de steun van de sociale partners.

(8)  Zie PB L 145 van 4.6.2008, Verordening (EG) nr. 450/2008 van 23 april 2008.

(9)  Zie het Handvest van Leipzig betreffende duurzame Europese steden van 25 mei 2007.

(10)  Zie het advies over „De territoriale agenda”, PB C 168 van 20 juli 2007, blz. 16-21.

(11)  Zie het advies over „De territoriale governance van de industriële reconversie: de rol van de sociale partners en de bijdrage van het programma voor concurrentievermogen en innovatie”, PB C 318 van 23 december 2006, blz. 12-19.

(12)  Idem

(13)  Zie het advies over „Herstructureringen en werkgelegenheid — Anticiperen op en begeleiden van herstructureringen met het oog op de ontwikkeling van werkgelegenheid: de rol van de Europese Unie”, COM(2005) 120 final, PB C 65 van 17 maart 2006, blz. 58-62.

(14)  Zie het advies over „Een thematische strategie voor het stadsmilieu”, COM(2005) 718 final — SEC(2006) 16, PB C 318 van 23 december 2006, blz. 86-92.

(15)  Vgl. de nieuwe strategie van de Raad, doc. 10117/06 van 9 juni 2006, parr. 29 en 30. Zie ook par. 1.2.

(16)  Vgl. de regionale comités voor de sociale dialoog in Polen.

(17)  Een SWOT-analyse is een analyse van sterke punten, zwakke punten, kansen en risico's (Strengths, Weaknesses, Opportunities and Threats).

(18)  Foresight (verkenning, planning): systematisch participatieproces dat bestaat uit het verzamelen van gegevens over en het uitwerken van visies op de toekomst (voor de middellange en lange termijn) met als doel de besluitvorming aan te sturen en middelen voor gezamenlijke acties vrij te maken.

(19)  EMAS = Eco-Management and Audit Scheme

(20)  Zie het advies over „De Europese industriedistricten en de nieuwe kennisnetwerken”, PB C 255 van 14 oktober 2005, blz. 1-13.

(21)  Territoriale doelstellingen van de OESO — editie 2001.

(22)  Zie het advies over de territoriale governance van de industriële reconversie (voetnoot 11).

(23)  EGTS: samenwerkingsinstrument op communautair niveau waarmee coöperatieve groeperingen projecten in het kader van territoriale samenwerking die door de Gemeenschap worden medegefinancierd, of werkzaamheden in het kader van territoriale samenwerking die op initiatief van de lidstaten plaatsvinden, kunnen uitvoeren. Verordening (EG) nr. 1082/2006, PB L 210 van 31.7.2006.

(24)  Euroregio's: structuren voor transnationale samenwerking tussen twee of meer gebieden, gelegen in verschillende landen van de Europese Unie en/of naburige landen, om de gemeenschappelijke, grensoverschrijdende belangen te bevorderen of om samen te werken voor het algemeen belang van de grensbevolking.

(25)  Zie het EESC-advies over „De Europese industriedistricten en de nieuwe kennisnetwerken”, PB C 255 van 14.10.2005.

(26)  Zie de adviezen over de „Tenuitvoerlegging van het partnerschap voor groei en werkgelegenheid: Europa moet een voorbeeld worden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen” (COM)2006 136 final, PB C 325 van 30 december.2006, blz. 53-60, en over het „Groenboek — De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven” (COM(2001) 366 final, PB C 125 van 27 mei 2002, blz. 44-55.

(27)  IDABC = Interoperable Delivery of Pan-European e-Government Services to Public Administrations, Business and Citizens; zie het advies van het Comité in PB C 80 van 30.3.2004, blz. 83.

(28)  Advies over de „Impact van het territoriale karakter van de belastingwetgeving op de industriële reconversie”, PB C 120 van 16 mei 2008, blz. 51-57.

(29)  Richtlijn 85/337/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en verbeterd bij Richtlijn 2003/35/EG van 26 mei 2003.

(30)  Richtlijn 2001/42/EG. Doel van deze richtlijn is dat de milieugevolgen van bepaalde plannen en programma's — met name t.a.v. de territoriale dimensie — al tijdens de voorbereiding en vóór de goedkeuring daarvan in kaart worden gebracht en beoordeeld.


BIJLAGE I

bij het advies over „Territoriale ontwikkeling en maatschappelijk verantwoord ondernemen”

(CCMI/055)

Report on the hearing held in Lille on 25 September 2008, at the headquarters of the Nord-Pas de Calais Regional Council

Under the French presidency of the European Union, the European Economic and Social Committee's Consultative Commission on Industrial Change (CCMI) and the Nord-Pas de Calais (NPdC) Regional Council organised a hearing on Industrial change, territorial development and responsibility of companies (subject of the opinion for which this is the appendix), which took place in the regional council's hemicycle. The hearing was attended by over 90 key guests from 12 European countries and high-level local and regional bodies, both public and private, together with representatives from three of the European Commission's directorates-general.

With the participation of the regional council president, Daniel Percheron, the CCMI president, Joost van Iersel, the study group president, Martin Siecker, the rapporteur, Antonello Pezzini, and the co-rapporteur, Bernard Gay, promoter of this important initiative, a wide-ranging and animated debate was held on regional and local development, governance, the revitalisation of production, the need for shared views of future trends, sectoral and inter-sectoral prospects for the growth of competitive employment, and mechanisms for active democracy through the development of a participatory culture in an area successfully combining an adequate level of wellbeing with the duties which are an integral part of social responsibility.

In our globalised economy, territorial development and industrial change are closely connected and interdependent. The opinion aims to take a territorial approach to assessing the prospects for socio-economic change, focusing primarily on the development strategies designed by local and regional bodies and on the centres of competence set up by private and public stakeholders. The analysis thus focuses on the regions' capacity to cope with and adapt to irreversible changes through collective responsibility-sharing systems, taking into account the concept of corporate societal responsibility.

NPdC is considered a region with a rich fund of experience in these fields and the CCMI therefore asked it to cooperate in organising a hearing in Lille. The two organisations pooled their resources with a view to taking stock of the experiences of regional development stakeholders and noting their proposals for harmonious regional development.

Listening to the problems, solutions and experiences outlined by the most qualified representatives of the „real world” in the NPdC region (businessmen, presidents of business clubs and hubs of competitiveness, trade unions and representatives of the social economy, universities, the professions and public administration at various levels) and the wide-ranging exchange of ideas which ensued led to the identification of innovative strategies and key priorities which, alongside the generous hospitality of the NPdC regional council and the friendly relations established during the hearing, forged strong contacts with a profound impact on the CCMI's work.


BIJLAGE II

bij het advies over „Territoriale ontwikkeling en maatschappelijk verantwoord ondernemen”

(CCMI/055)

Various European initiatives and policies have been launched to address the challenge of socially responsible regional development in the EU and to give increased, positive visibility to the territorial dimension of EU policies:

Lille-Kortrijk-Tournai — Eurometropolis (France-Belgium): Eurometropolis is the first significant example of a European Grouping of Territorial Cooperation (EGTC). It was launched on 28 January 2008 and comprises 14 partners — four in France (central government, Nord-Pas de Calais region, Département du Nord and the Urban Community of Lille Métropole) and 10 in Belgium (the federal government, region of Flanders, the French-speaking Community, provinces and joint municipal authorities). Equally important was the establishment in the 1990s of the Transmanche Euroregion, comprising the English county of Kent, the French Nord-Pas de Calais region and Belgium, in a network useful for identifying cooperation projects, thus maximising the capacity to take action in the EU's 2007-2013 programming period.

Bilbao Metropoli 30: The process of revitalising the Bilbao metropolitan area was launched in the early 1990s with a public-private partnership involving over 80 public and private bodies, over 30 associated bodies and 17 international networks. It was based on a joint strategic plan and a shared vision of the territorial, economic, social, environmental and cultural development needed to transform the metropolitan area — and by extension the entire Basque Country — into one of the most advanced and competitive areas in Europe.

ALSO — Marche region: The ALSO project (Achievement of Lisbon and Gothenburg Strategy Objectives) has been developed by Italy's Marche region, together with numerous partners, including local and regional authorities, development agencies and universities from various EU countries, in the context of the INTERACT programme. Its ultimate aim is to orient territorial cooperation towards achieving the objectives of the Lisbon and Gothenburg Strategies.

Metropolis Hamburg — interregional cooperation: Partnership between the city of Hamburg and the regions of Lower Saxony and Schleswig-Holstein, based on voluntary cooperation between three federal states on both sides of the river Elbe.

Alps-Mediterranean Euroregion (France — Italy): This Euroregion comprises three Italian regions (Liguria, Piedmont and Valle d'Aosta) and two French regions (Provence-Alpes-Côte d’Azur and Rhône-Alpes). It is aimed at close cooperation on increasing exchanges in common areas of competence, so as to strengthen ties between the respective communities in the political, economic, social and cultural spheres.

Ister-Granum: This Euroregion is the first EGTC in central Europe. Recently formed, though based on previous cooperation schemes, the Ister-Granum Euroregion incorporates 47 local authority areas in Hungary and 39 in Slovakia. This new EGTC has about 20 joint projects in the pipeline, specifically in the fields of health systems and medical care, IT and media, tourism, and integrated transport infrastructure, particularly regarding the Danube. It is based in Esztergom, Hungary and provides for the participation of local and regional authorities solely and not of central government.

Baltic Euroregion: This partnership between the regions grouped around the Baltic Sea has existed since 1998. For the 2007-2013 programming period, the European Commission has approved EUR 75 million in financing for this Euroregion which henceforth includes parts of Poland, Sweden, Germany, Denmark and Lithuania. The Euroregion's objective is to boost sustainable development and the economic competitiveness of its constituent regions.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

449 e plenaire zitting op 3 en 4 december 2008

28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/73


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Groenboek — Efficiënte tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie: transparantie van het vermogen van schuldenaren”

COM(2008) 128 final

(2009/C 175/12)

Op 6 maart 2008 heeft de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Groenboek — Efficiënte tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie: transparantie van het vermogen van schuldenaren

COM(2008) 128 final.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden terzake was belast, heeft haar advies op 6 november 2008 goedgekeurd; rapporteur was de heer PEGADO LIZ.

Tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 161 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 7 onthoudingen werd goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   Het Groenboek — Efficiënte tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie: transparantie van het vermogen van schuldenaren (COM(2008) 128 final van 6 maart 2008) is het vervolg op het Groenboek betreffende beslag op bankrekeningen (COM(2006) 618 final) en maakt deel uit van een reeks maatregelen waarmee de Commissie een Europese rechtsruimte tot stand wil brengen die juridisch draagvlak biedt voor de voltooiing van de interne markt.

1.2   Het Comité heeft deze initiatieven steeds in grote lijnen gesteund, met dien verstande dat de maatregelen niet in strijd mogen zijn met het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel enerzijds noch met de gemeenschappelijke fundamentele beginselen van het burgerlijk procesrecht van de lidstaten anderzijds en dat ook de grondrechten moeten worden geëerbiedigd.

1.3   Zowel in het geval van het Groenboek over beslag op bankrekeningen als in het onderhavige geval vindt het Comité dat de initiatieven onvoldoende gebaseerd zijn op feiten die een duidelijk beeld schetsen van de problemen die moeten worden opgelost. Ook staan sommige maatregelen niet in proportie tot het doel, dat kennelijk niet met de bestaande nationale middelen kan worden bereikt, en wordt in sommige gevallen zelfs inbreuk gepleegd op bepaalde grondrechten van de burgers, zoals het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer of het principe van equality of arms.

1.4   Het Comité is van mening dat de samenwerking tussen de nationale instanties op de hier beschreven terreinen flink kan en moet worden verbeterd. Bovendien moeten de bestaande nationale middelen doeltreffender en sneller worden, moeten de beschikbare gegevens en bestaande registers toegankelijker worden, moet er een betere informatieuitwisseling komen en moet de kennis over de werking van elkaars systemen worden vergroot.

1.5   Het Comité is dan ook een uitgesproken tegenstander van de eventuele invoering van een centraal Europees bevolkingsregister, van een algemene en onbeperkte toegang voor alle schuldeisers tot socialezekerheids- en belastingregisters, en van een Europees modelformulier voor de bekendmaking van de vermogensbestanddelen van schuldenaren.

1.6   Het Comité is van oordeel dat de kennis omtrent de nationale tenuitvoerleggingssystemen en hun praktische functie in de rechtszaal kan worden verbeterd door een databank van vergelijkend recht op te zetten, die van input wordt voorzien door de betrokken beroepsgroep en constant wordt bijgewerkt.

1.7   Tot slot stelt het Comité (in par. 5.8) nog een aantal specifieke, alternatieve mogelijkheden voor om het in het groenboek omschreven doel te bereiken zonder dat daarvoor nieuwe EU-wetgeving moet worden uitgevaardigd.

2.   Korte inhoud van het groenboek

2.1   Met dit groenboek raadpleegt de Commissie de belanghebbenden voor de tweede maal (1) over de wijze waarop de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie kan worden verbeterd; deze keer gaat het echter over de manier waarop de problemen die worden veroorzaakt door het gebrek aan betrouwbare gegevens over de verblijfplaats of het vermogen van schuldenaren kunnen worden overwonnen.

2.2   De Commissie is van mening dat tenuitvoerleggingsprocedures doeltreffender zullen worden indien het correcte adres van de schuldenaar bekend is en accurate gegevens over zijn eigendommen beschikbaar zijn. De nationale registers en systemen voor het bijhouden van verklaringen van schuldenaren over hun vermogen zijn weliswaar vergelijkbaar maar vertonen aanzienlijke verschillen op punten als toegankelijkheid, procedures voor het verkrijgen van informatie en inhoud van die informatie, waardoor zij niet altijd even betrouwbaar en snel te raadplegen zijn.

2.3   De grensoverschrijdende invordering van schuldvorderingen wordt belemmerd door verschillen tussen de nationale rechtssystemen en doordat schuldeisers onvoldoende kennis hebben van de informatiestructuren in andere lidstaten. Met dit groenboek beoogt de Commissie een reeks maatregelen op Europees niveau te treffen die het vermogen van schuldenaren transparanter kunnen maken en het voor schuldeisers en nationale tenuitvoerleggingsautoriteiten gemakkelijker maken om hun recht op informatie uit te oefenen ten einde de efficiënte tenuitvoerlegging van vonnissen tot schuldaflossing in burgerlijke en handelszaken te garanderen, een en ander met inachtneming van de beginselen inzake de bescherming van persoonlijke gegevens zoals vastgelegd in Richtlijn 95/46/EG.

2.4   Met het oog hierop gaat de Commissie, aan de hand van 10 vragen, gedetailleerd in op de reikwijdte van deze maatregelen.

3.   Achtergrond van dit initiatief

3.1   Dit initiatief maakt terecht deel uit van een reeks maatregelen waarmee de Commissie het lovenswaardige doel nastreeft om zowel een Europese rechtsruimte tot stand te brengen die juridisch draagvlak biedt voor de voltooiing van de interne markt (2) als de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie te verbeteren. Zij tracht dit doel te bereiken door middel van maatregelen die het mogelijk maken de woonplaats van de schuldenaar of vestigingsplaats van zijn bedrijf te achterhalen en de vermogensbestanddelen van een schuldenaar op het grondgebied van de lidstaten nauwkeurig vast te stellen.

3.2   Met het oog hierop heeft de Commissie haar oor te luisteren gelegd bij zowel de 15 lidstaten die al aan bod zijn gekomen in het onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan dit groenboek (3), als bij de andere 12 landen die inmiddels lid geworden zijn van de Europese Unie. Maar de gegevens die zij daarbij heeft verzameld, zijn niet altijd accuraat of juist geïnterpreteerd.

3.3   Vermeldenswaardig is ook dat de Commissie kennelijk rekening heeft gehouden met de aanbeveling die het Comité in zijn advies over het Groenboek inzake beslag op bankrekeningen heeft geformuleerd, nl. dat „een grondige evaluatie van de maatregelen die een beter inzicht in het vermogen van de schuldenaar (…) beogen te waarborgen” absoluut noodzakelijk is.

3.4   Helaas verstrekt de Commissie geen (statistische) informatie over de omvang van het probleem dat zij wil oplossen. Ook zegt zij niet precies wat de aard is van het probleem of tot wie de voorgestelde maatregelen precies gericht zijn.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Dit groenboek is het vervolg op en de aanvulling van het Groenboek inzake beslag op bankrekeningen (COM(2006) 618 final) waarover het Comité op 31 juli 2007 advies heeft uitgebracht (4).

4.2   Zoals gezegd gaat de kwestie die in dit groenboek aan de orde komt, logisch gezien vooraf aan het beslag op bankrekeningen; het vermogen van de schuldenaar moet immers voldoende bekend zijn om als effectieve garantie voor alle schuldeisers te kunnen dienen, hetgeen een fundamenteel en onmiskenbaar principe is van het burgerlijk procesrecht. Dit kan echter niet worden verwezenlijkt zonder de communautaire harmonisatie van een hele reeks onderdelen van het materieel burgerlijk recht die daar logischerwijs aan voorafgaan.

4.3   Het Comité is zich ervan bewust dat de nationale tenuitvoerleggingsautoriteiten toegang moeten hebben tot nauwkeurige informatie over de verblijfplaats van schuldenaren, te beginnen bij de vestigingsplaats van hun bedrijf of hun woonplaats, en over de roerende en onroerende goederen waaruit hun vermogen is opgebouwd, ongeacht de locatie daarvan.

4.4   Maar net als in het genoemde, eerder uitgebrachte, advies heeft het Comité ernstige bedenkingen en gegronde twijfels bij de werkelijke noodzaak van specifieke maatregelen tot harmonisatie van de Europese wetgeving ter zake, ofschoon het de bevoegdheid van de Europese Unie op dit vlak en het bestaan van een rechtsgrondslag hiertoe erkent.

4.5   In het groenboek wordt weliswaar gewezen op de behoefte aan betere informatie, betere gegevens en betere toegang maar hieruit blijkt niet noodzakelijk dat er een nieuw Europees register moet worden opgezet of dat er een nieuwe, eveneens Europese, meldingsplicht voor vermogen moet worden ingevoerd. Ook is het zeer de vraag of deze maatregelen de evenredigheidstest wel doorstaan en of zij niet leiden tot onaanvaardbare schendingen van de fundamentele rechten.

4.6   Het Comité is echter van mening dat niet zozeer een centrale registratie in Brussel van de bevolking, van handelaren of consumenten, van roerende of onroerende goederen en van fiscale en socialezekerheidsgegevens maar wel een betere informatieuitwisseling tussen de nationale instanties en een betere en snellere toegang tot de bestaande gegevens ertoe kunnen leiden dat alle schuldenaren, ongeacht hun aard of nationaliteit, gegarandeerd gelijke kansen hebben en gelijk worden behandeld wanneer het gaat om de vaststelling van hun vermogen.

4.7   Dit neemt niet weg dat er stimuleringsmaatregelen mogen worden genomen en Europese richtsnoeren mogen worden vastgesteld voor het aanbrengen van verbeteringen in de inhoud, de werking en de toegang tot de genoemde openbare registers en andere, particuliere, databanken, zolang maar wordt gegarandeerd dat die gegevens worden beschermd volgens de toepasselijke Europese richtlijnen en met dien verstande dat zij alleen kunnen worden opgevraagd voor het beoogde doel en voor zover zij noodzakelijk zijn voor de invordering van de schuld.

4.8   Ook mag geen onderscheid worden gemaakt tussen particuliere en publieke schuldeisers voor wat betreft de toegang tot gegevens; bovendien mogen publieke schuldeisers niet profiteren van het feit dat zij, wegens hun bevoorrechte positie, sneller en efficiënter toegang hebben tot openbare belasting- of socialezekerheidsregisters of tot openbare vermogensregisters.

4.9   Tot slot moet ook op de medewerking van derde landen als Andorra, Zwitserland en Liechtenstein worden gerekend en van alle andere landen die nauw verbonden zijn met belastingparadijzen of financiële markten in Europa.

5.   Bijzondere opmerkingen: acht vragen

5.1   Moeten er communautaire maatregelen worden genomen?

5.1.1   Van de tien vragen in dit groenboek worden er feitelijk acht uitgebreid geanalyseerd.

5.1.2   Ten aanzien van de vraag of er communautaire maatregelen moeten worden genomen om het vermogen van schuldenaren transparanter te maken is het Comité van mening dat er, gezien de eerder onder de algemene opmerkingen geuite bedenkingen, alleen communautaire initiatieven moeten worden genomen die de coördinatie en samenwerking tussen de nationale autoriteiten verbeteren, de gegevens in de nationale registers aanvullen en die registers toegankelijker maken, zodat informatie kan worden ingewonnen over schuldenaren en hun verblijfplaats en over de noodzakelijke vermogensbestanddelen om hun schulden af te lossen.

5.2   Moet er een handleiding komen voor de nationale tenuitvoerleggingssystemen?

5.2.1   Het Comité vindt dat alles wat kan bijdragen aan een betere kennis van en betere informatie over de nationale wetten en praktijken, moet worden gesteund en gestimuleerd. Het gelooft echter niet dat zoiets met een eenvoudige handleiding kan worden gerealiseerd. Het gaat hier immers om een complexe materie die zich niet laat vereenvoudigen voor gebruik door het „grote publiek” zonder aan kwaliteit en zekerheid in te boeten.

5.2.2   Het Comité zou veel liever zien dat de Commissie nagaat of er niet een „databank” van nationale tenuitvoerleggingsvoorschriften in de 27 lidstaten kan worden opgezet, die permanent wordt bijgewerkt en van commentaar wordt voorzien, die online in alle talen van de lidstaten kan worden geraadpleegd en die wordt bijgehouden door bevoegde en ter zake kundige mensen uit die lidstaten.

5.3   Moet er in handelsregisters meer informatie beschikbaar zijn en moet de toegang tot die registers verbeteren?

5.3.1   De reeds bestaande harmonisatie op dit gebied lijkt voldoende voor de beoogde doeleinden; het Comité acht het derhalve noodzakelijk noch gepast om op communautair niveau centrale handelsregisters in te stellen. Wél kunnen eventuele gemeenschappelijke elementen worden geharmoniseerd.

5.3.2   Dat neemt niet weg dat er geen initiatieven mogen worden genomen om de inhoud van de informatie in deze registers, met name over individuele ondernemers, te verbeteren, bij te werken en toegankelijker te maken, met name langs elektronische weg.

5.3.3   Hetzelfde geldt voor de kadastrale registers, naar het voorbeeld van EULIS (European Land Information Service), een Europees consortium van kadasters (5).

5.4   Moet de toegang tot de bestaande bevolkingsregisters worden verbeterd?

5.4.1   Het is evenmin wenselijk om een centraal Europees bevolkingsregister aan te leggen omdat het de taak van de lidstaten is om centrale of lokale bevolkingsregisters bij te houden en te bepalen voor wie deze registers toegankelijk zijn; hierbij mag geen sprake zijn van discriminatie.

5.4.2   Wél moeten de tenuitvoerleggingsautoriteiten van een land gemakkelijk informatie kunnen opvragen over de verblijfplaats van bepaalde schuldenaren, met name langs elektronische weg.

5.5   Moet de toegang tot de belasting- en socialezekerheidsregisters worden verbeterd?

5.5.1   Het Comité is faliekant tegen de algemene en onbeperkte toegang tot belasting- en socialezekerheidsregisters.

5.5.2   Het Comité vindt dat alleen de gerechtelijke autoriteiten, in welbepaalde situaties en op voorwaarde dat de in die registers opgenomen persoonlijke gegevens voldoende worden beschermd, toegang mogen hebben tot de gegevens in die registers.

5.5.3   Indien gegevens worden opgevraagd uit een register dat zich in een ander land bevindt dan het land van de tenuitvoerleggingsautoriteit, moet dat met medewerking van een gerechtelijke instantie uit dat land gebeuren.

5.6   Moet de informatie-uitwisseling tussen tenuitvoerleggingsautoriteiten worden verbeterd?

5.6.1   Zoals gezegd onder de algemene opmerkingen vindt het Comité dat eventuele communautaire initiatieven zich moeten richten op de verbetering van de informatieuitwisseling tussen de nationale tenuitvoerleggingsautoriteiten; hiertoe dient een systeem voor directe elektronische informatieoverdracht te worden opgezet aan de hand waarvan schuldenaren kunnen worden opgespoord en hun vermogen kan worden vastgesteld.

5.6.2   Het is echter van belang te allen tijde te garanderen dat in de lidstaten waar de tenuitvoerleggingsautoriteiten geen overheidsinstanties zijn, de verkregen informatie wordt gecontroleerd door de bevoegde gerechtelijke instanties die toezicht uitoefenen op de tenuitvoerlegging.

5.6.3   Met de noodzakelijk wijzigingen kunnen systemen als die welke worden genoemd in Verordening 1206/2001 (6) betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken of in Richtlijn 76/308/EEG als model dienen (7).

5.6.4   Het gebruik van elektronische middelen of het opzetten van een intranetsysteem waarop alle nationale autoriteiten zijn aangesloten is hierbij van fundamenteel belang.

5.6.5   De informatie die via dit samenwerkingsverband circuleert, zou uitsluitend toegankelijk moeten zijn voor de instanties die belast zijn met de inning van geldvorderingen, zoals tenuitvoerleggingsagenten, rechtskundige adviseurs, rechtbanken en liquidateurs, en de schuldenaren zouden hiervan in kennis gesteld moeten worden.

5.6.6   Voor de informatieuitwisseling tussen de nationale tenuitvoerleggingsautoriteiten kan ook gebruik worden gemaakt van IMI, het informatiesysteem voor de interne markt.

5.7   Moet er een Europese vermogensverklaring worden ingevoerd?

5.7.1   Het Comité is absoluut tegen het gebruik van een Europees standaardformulier voor de bekendmaking van de vermogensbestanddelen van de schuldenaar voor tenuitvoerleggingsdoeleinden en vindt het ontoelaatbaar dat in geval van een onjuiste verklaring sancties of zelfs gevangenisstraffen kunnen worden opgelegd.

5.7.2   Er kan immers geen aanspraak worden gemaakt op het hele vermogen van de schuldenaar om de schuld af te lossen; het is aan de lidstaten om aan te geven welke goederen absoluut, relatief of gedeeltelijk niet in aanmerking komen voor beslag.

5.7.3   Bovendien moet de bekendmakingsverplichting worden beperkt tot de goederen die volstaan voor het aflossen van de schuld en is het de taak van de nationale gerechtelijke instanties om na te gaan of deze vermogensverklaring naar waarheid is opgesteld en, als dat niet het geval is, een geldboete op te leggen.

5.7.4   Anderzijds is het Comité van mening dat de invoering van een Europees standaardformulier voor de vermogensverklaring een maatregel is, die zijn doel voorbijschiet. Wél vindt het Comité dat het hier een terrein betreft dat zich leent voor meer overleg en meer samenwerking tussen de tenuitvoerleggingsinstanties, die er met alle mogelijke middelen voor moeten zorgen dat zij de voor de aflossing van de schuld noodzakelijke vermogensbestanddelen van de schuldenaar in kaart brengen, zodat de gerechtelijke instanties die met de tenuitvoerlegging zijn belast, de goederen van de schuldenaar officieel in beslag kunnen nemen.

5.7.5   De schuldenaar moet er hoe dan ook van op aan kunnen dat hij de bekendmaking van mogelijke pandgoederen kan voorkomen als hij zijn schuld op tijd betaalt, vermogensbestanddelen aanwijst die volstaan voor de aflossing van de schuld of zekerheden of betalingsgaranties (zoals bankgaranties en dergelijke) verstrekt. De schuldenaar heeft tevens het recht om zich te verzetten tegen de inbeslagneming van goederen ter waarde van een bedrag dat de afbetaling van de schuld plus eventuele wettelijke toeslagen overschrijdt.

5.7.6   Ook de openbaarmaking van vermogensverklaringen in een publiek register („lijst van schuldenaren”) is uit den boze omdat daarmee de fundamentele beginselen van inachtneming van de privacy van de schuldenaar worden geschonden.

5.8   Welke andere maatregelen moeten er worden genomen om de transparantie van het vermogen van schuldenaren te verbeteren?

5.8.1   Enkele suggesties:

a)

inzage verschaffen in het register van de door een schuldenaar verworven aandelen en participaties in een handelsonderneming;

b)

met de nodige voorzorg inzage verschaffen in de registers van consumentenkrediet en hypotheekleningen;

c)

invoeren van een Europese kentekenregistratie (8);

d)

opzetten van een register van alle lopende tenuitvoerleggingsprocedures, dat online vanuit elke lidstaat kan worden geraadpleegd;

e)

inzage verschaffen in de registers van beleggingen op de beurs vanaf een bepaald minimumbedrag;

f)

inzage verschaffen in de kadastrale registers die informatie bevatten over de eigendom van onroerende goederen.

Brussel, 3 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  De eerste keer ging het over het Groenboek betreffende beslag op bankrekeningen (COM(2006) 618 final); EESC-advies: PB C 10 van 15.1.2008, blz. 2.

(2)  Deze maatregelen zijn al uitgebreid aan de orde gekomen in het eerder genoemde EESC-advies (PB C 10 van 15.1.2008, blz. 2) over het Groenboek betreffende beslag op bankrekeningen.

(3)  Voor een complete toelichting bij de inhoud van het groenboek: zie niet alleen het werkdocument van de Commissie (SEC (2006) 1341) van 24 oktober 2006 maar ook studie nr. JAI/A3/2002/02 (versie 18 februari 2004) van Prof. Dr. Burkhard HESS, directeur van het Instituut voor internationaal privaatrecht van de universiteit van Heidelberg, waarvan de tekst is te vinden op http://europa.eu.int.comm/justice_home/doc_centr/civil/studies/doc_civil_studies_en.htm.

(4)  PB C 10 van 15.1.2008, blz. 2

(5)  Met dit consortium, dat in 2006 is opgericht en uit kadastrale instanties bestaat, wordt een eerste stap gezet in de richting van de toegang tot kadastrale gegevens van landen die lid zijn van het consortium (Engeland, Ierland, Litouwen, Noorwegen, Wales, Nederland en Zweden). Website: www.eulis.org.

(6)  Verordening van de Raad 1206/2001 van 28 mei 2001, in PB L 174 van 27.6.2001. Met name de communicatie tussen de gerechten verdient aandacht, zeker wanneer er sprake is van verschillende talen, in welk geval het bepaalde in artikel 5 van deze verordening ontoereikend is.

(7)  Besluit 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976, in PB L 73 van 19.3.1976.

(8)  Zoals reeds voorgesteld in het initiatiefadvies van het EESC over een Europese verkeerswetgeving en regels betreffende voertuigregistratie (PB C 157 van 28.6.2005, blz. 34), dat werd opgesteld door de rapporteur van het onderhavige advies.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/78


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft”

COM(2008) 213 def. — 2008/0082 (COD)

(2009/C 175/13)

De Raad van de Europese Unie heeft op 22 mei 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 95 van het EG-Verdrag te raadplegen over het:

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft

COM(2008) 213 final — 2008/0082 (COD).

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden terzake was belast, heeft haar advies op 6 november 2008 goedgekeurd; rapporteur was de heer BURANI.

Tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december 2008) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 172 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en conclusies

1.1   De voorgestelde regeling op het gebied van betalingssystemen, die op verzoek van de Raad werd uitgewerkt en door de markt gunstig werd ontvangen, beoogt de normen voor het definitieve karakter van afwikkelingen en voor financiëlezekerheidsovereenkomsten actueler en veiliger te maken. Als zodanig verdient de regeling ook de steun van het EESC. Een terrein als het onderhavige, dat zeer gespecialiseerd is, roept onvermijdelijk twijfels en vragen op over de technische aspecten van het voorstel, waarover specialisten en besluitvormingsorganen zich tijdens de diverse onderzoeksfasen van het Commissievoorstel hebben gebogen. Het EESC wil deze vragen slechts aanstippen en als handvat gebruiken om het communautaire beleid inzake betalingssystemen eens tegen het licht te houden.

1.2   Dit initiatief van de Commissie dateert van ruim een jaar geleden, voordat de Amerikaanse hypotheekcrisis uitbrak, die zich vervolgens over de gehele financiële wereld met de bekende gevolgen verspreid heeft. De eerste symptomen van de crisis kwamen aan het licht toen een aantal instellingen te kampen kregen met liquiditeitsproblemen, die al snel in solvabiliteitsproblemen veranderden: de situatie was zo ernstig dat de overheid in de VS, maar ook in Europa wel moest ingrijpen. In de huidige omstandigheden dient de markt te worden gegarandeerd met deugdelijke onderpanden; nieuwe vormen van onderpand zijn welkom, mits zij de kwaliteit van de garanties niet aantasten.

1.3   Men kan zich afvragen of de regel die stelt dat kredietvorderingen geschikt zijn als onderpand in financiëlezekerheidsovereenkomsten in het voorstel zou zijn opgenomen als de vraag nu aan de orde was, en niet een jaar geleden. In diverse landen worden deze vorderingen al geaccepteerd en komen zij de liquiditeit ten goede, wat een gunstige ontwikkeling is. Met de huidige zwakke en wispelturige markten zou de verspreiding van deze vorderingen in alle lidstaten, zonder voorafgaande harmonisatie van de desbetreffende voorschriften, echter moeten aanzetten tot meer voorzichtigheid, waarbij elke centrale bank de eigen markt blijft „controleren” volgens eigen inzicht en behoefte.

1.4   Een andere overweging betreft niet zozeer de rechtszekerheid die het voorstel tot stand wil brengen, wat prijzenswaardig is, als wel de geldigheidsduur van de voorgestelde voorschriften. De Legal Certainty Group heeft zijn werk nog niet afgerond; het initiatief van Unidroit bevindt zich inmiddels in de eindfase, maar is nog niet ondertekend en al helemaal niet geratificeerd; de harmonisatie van de voorschriften voor netting is onderdeel van toekomstige programma's; de harmonisatie van faillissementsprocedures is nog een langetermijndoel. Hiermee wil het EESC niet beweren dat de inspanningen van de Commissie niet zinvol zijn of geen steun verdienen, maar benadrukt het dat de markt behoefte heeft aan regels die niet alleen betrouwbaar maar ook gedurende lange tijd blijven gelden. Vandaar de noodzaak om meer vaart te zetten achter de wet- en regelgevingswerkzaamheden.

1.5   Last but not least zijn er de implicaties van prudentiële aard: het EESC plaatst vraagtekens bij diverse aspecten van het systeemrisico die deel uitmaken interoperabele systemen, en bij de wisselwerking tussen systemen. Verder vraagt het zich af of de toezichthoudende autoriteiten wel alle deelnemers behoorlijk hebben gecontroleerd en of zij direct betrokken zijn geweest bij de formulering van de voorstellen. Het EESC beklemtoont in dit advies dat de soliditeit van de markten op de eerste plaats staat.

1.6   Bij het opstellen van dit advies is geen rekening gehouden met de huidige bijzondere omstandigheden. In „normale” omstandigheden dienen de operationele regels voor deelnemers en systemen, evenals de kwaliteit van het onderpand, strikt te zijn, maar in noodsituaties moeten zij versoepeld worden zonder daarom aan strengheid in te boeten. De richtlijn zou de mogelijkheid moeten bieden om, onder verantwoordelijkheid van de toezichthoudende autoriteiten, buitengewone maatregelen te nemen om noodsituaties het hoofd te bieden.

2.   Inleiding

2.1   Het initiatief van de Commissie beoogt een aanpassing van de richtlijn over het definitieve karakter van betalingssystemen en effectentransacties, en van de richtlijn betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten aan de laatste marktontwikkelingen. De bestaande en nieuw in te voeren regels worden uitgebreid tot de nachtelijke afwikkeling en de afwikkeling tussen gekoppelde systemen.

2.2   De onderlinge verwevenheid van de markten, die geruime tijd geleden is ingezet, neemt nog steeds toe: door de invoering van Richtlijn 2004/39/EG en de Europese gedragscode voor clearing en afwikkeling („de Gedragscode”), beschikt de sector over duidelijke en precieze regels die deze ontwikkeling nog in de hand werken. Het Commissievoorstel introduceert niet alleen nieuwe vormen van afwikkeling, maar breidt ook de lijst van mogelijke als zekerheid te verschaffen financiële activa uit met als waarborg voor kredietverrichtingen van de centrale banken geaccepteerde kredieten („kredietvorderingen”). Vanaf januari 2007 beschouwt de ECB deze vorderingen als geschikte garanties voor kredietverrichtingen in het Eurosysteem. Enkele centrale banken hebben dit initiatief al zelfstandig ingevoerd, maar het schortte nog aan een wettelijk kader dat grensoverschrijdende circulatie mogelijk zou maken.

2.3   Het huidige wettelijke kader, dat dit voorstel wil veranderen, is vervat in twee EG- richtlijnen: Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling (SFD, Settlement Finality Directive) en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (FCD, Financial Collateral Directive).

2.4   De Commissie grijpt de gelegenheid ook aan om een aantal zaken te vereenvoudigen en te verduidelijken — zoals gebruikelijk is bij aanpassingsrichtlijnen — en om de regelgeving aan te passen aan de ontwikkelingen op de markt, een uiterst welkome maatregel gezien de recente turbulente ontwikkelingen, met wellicht heel belangrijke gevolgen in verband met de globalisering.

2.5   Aan het initiatief van de Commissie ging een voorbereiding vooraf van ruim een jaar. Het verslag over de evaluatie van de invoering van de richtlijn over het definitieve karakter van de afwikkeling concludeert dat „het systeem correct werkt”, ook al wordt aangetekend dat nadere analyse wenselijk is. Het voorstel is geformuleeerd op basis van een reeks raadplegingen met de ECB, nationale centrale banken en allerlei actoren en organisaties in de sector. Met name is stilgestaan bij de rechten van de consument; de conclusie luidde dat „het geenszins de bedoeling (is) dat de bepalingen betreffende kredietvorderingen afbreuk doen aan de consumentenrechten, en met name de rechten uit hoofde van de (…) Richtlijn Consumentenkrediet”, voorzover de kredietvorderingen beleenbaar zijn voor krediettransacties van centrale banken, „waardoor kredietvorderingen op individuele consumenten in beginsel (…) zijn uitgesloten”.

2.6   De nieuwe Europese regels lijken onder normale omstandigheden geschikt voor de aanpak van noodsituaties: de stabiliteit van de markt zou gebaat moeten zijn bij het groeiend aantal onderlinge verbindingen tussen de bestaande betalingssystemen en systemen voor de afwikkeling van effectentransacties, die alle betrouwbaar en liquide genoeg zijn en ogenschijnlijk goed gecontroleerd worden. Voorts heeft de Gedragscode (eind 2006 aangepast) een vorm van concurrentie ingevoerd — en dus meer efficiëntie — in de clearing- en afwikkelingssystemen, hetgeen de gebruikers ten goede komt.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   De sector beschouwt dit initiatief als een belangrijke stap op weg naar een Europese financiële ruimte met geharmoniseerde regels omdat de nieuwe richtlijn een adequaat kader vormt voor het in praktijk brengen van de aanbevelingen van de door de Commissie opgerichte deskundigengroep (de „Werkgroep Rechtszekerheid”), die de wettelijke barrières uit de weg moet ruimen voor de integratie van de markten in de Unie. Ook kan zij een belangrijke bijdrage leveren aan de uitvoering van het initiatief UNIDROIT, waarmee gestreefd wordt naar het vastleggen, op internationaal niveau, van uniforme normen voor materieel recht voor effecten die via een tussenpersoon worden aangehouden, waaronder ook normen voor financiëlezekerheidsovereenkomsten.

3.2   Anderzijds is een harmonisatie op Europees en internationaal niveau pas afgerond als er ook een aantal bijkomende en complementaire maatregelen wordt genomen. Het EESC neemt dan ook aan dat de Commissie daar in haar toekomstige werkprogramma's de nodige aandacht zal besteden. Als bijkomende maatregel valt bijvoorbeeld te denken aan de harmonisatie van de normen die netting-overeenkomsten regelen, d.w.z. overeenkomsten om kasstromen tussen partijen te salderen, inclusief clearingovereenkomsten waarbij de verplichtingen van beide partijen direct opeisbaar zijn („close out netting”).

3.3   Wat complementaire maatregelen wijst het EESC erop dat, zeker vanuit een langetermijnperspectief, een optimale integratie van de financiële markten erop gericht zou moeten zijn de nationale regelingen voor faillissementsprocedures meer op één lijn te brengen: deze lopen momenteel zo sterk uiteen dat dit negatief kan uitpakken voor de financiëlezekerheidsovereenkomsten en de transacties voor clearing en afwikkeling, met een grotere kans op instabiliteit van het systeem.

4.   Opmerkingen bij de voorstellen betreffende Richtlijn 98/26/EG (SFD)

In artikel 2 wordt een reeks preciseringen en verduidelijkingen ingevoerd, waarvan sommige van puur administratieve aard zijn en andere een vrij ingrijpend karakter hebben. Zo wordt met name sub b) de positie van instellingen voor elektronisch geld verduidelijkt. Ondubbelzinnig wordt bepaald dat dergelijke instellingen in het kader van deze richtlijn volledig gelijk worden gesteld met kredietinstellingen.

4.1.1   Het EESC beseft dat instellingen voor elektronisch geld als deelnemers aan de betalingssystemen vergelijkbaar zijn met kredietinstellingen, maar tekent aan dat de normen voor het toezicht op dergelijke instellingen niet of slechts deels dezelfde zijn als bij kredietinstellingen. Het staat te bezien of dit bij ernstige marktverstoringen de betrouwbaarheid van deze instellingen kan beïnvloeden: destijds betwijfelde het EESC of het wel een goede zaak was om hen als deelnemers tot de betalingssystemen toe te laten. Het EESC wil hoe dan ook een reeds eerder gedane aanbeveling herhalen, nl. dat op het scheppen van gelijke concurrentieomstandigheden gerichte beleidsmaatregelen in geen geval voorrang mogen krijgen op maatregelen die voornamelijk tot doel hebben de stabiliteit van de markten veilig te stellen, en dus de consument (als eindinvesteerders) te beschermen.

4.1.2   Bovenstaande overwegingen winnen aan gewicht wanneer men bedenkt dat de interoperabele systemen (omschreven in de nieuwe letter n van artikel 2) toegang bieden aan deelnemers van clearing- en afwikkelingssystemen, dankzij de tussen hen gemaakte verbindingen, wat onvermijdelijk leidt tot een toename van het systeemrisico. Hiervan is met name sprake in de systemen voor de afwikkeling van effectentransacties ten gevolge van de relaties tussen centrale effectenbewaarinstellingen (CSD), belast met de centrale en immateriële opslag (1) van uitgewisselde financiële instrumenten, en de centrale tegenpartijen (CCP), die als enige tegenpartij optreden voor instellingen die deelnemen aan een systeem voor overboekingen van uitgewisselde financiële instrumenten. Verder zou het goed zijn om in de richtlijntekst te verduidelijken dat het opnemen van een definitie van „interoperabele systemen” niet de invoering van een nieuw „supersysteem” beoogt, maar veeleer gericht is op het uitbreiden van de wettelijke bescherming van het definitieve karakter van de afwikkeling tot transacties tussen systemen onderling.

4.2   Zorgwekkend is ook dat het voorstel de mogelijkheid biedt dat een systeem gaat deelnemen aan een ander systeem. Hier is enige verduidelijking geboden: een systeem, zoals vastgelegd in Richtlijn 98/26, is een overeenkomst of een stel voorschriften zonder rechtspersoonlijkheid, zulks in tegenstelling tot de deelnemers aan het systeem, die wèl rechtspersoonlijkheid bezitten. Ten behoeve van een grotere rechtszekerheid lijkt het zinvol dit onderscheid te verduidelijken om de aansprakelijkheid van de diverse partijen af te bakenen, met name wat betreft de faillisementsregels.

4.3   Artikel 3 bevat een wijziging die nodig is „om alle onzekerheid omtrent de status van nachtelijke afwikkeling weg te nemen”: het nu vermelde woord „dag” wordt vervangen door „ werkdag”, om weer te geven dat de meeste markten continu actief zijn, dus ook 's nachts. Deze maatregel is noodzakelijk, maar zou gepaard moeten gaan met een harmonisatie van overeenkomsten voor „netting”. Verder zou er iets gedaan moeten worden aan de reeds vermelde verschillen tussen faillisementsregels, die gevolgen kunnen hebben voor de bepalingen voor financiëlezekerheids- en clearingovereenkomsten: de harmonisatie van deze materie, die wenselijk maar ingewikkeld is, overstijgt echter de betalingssystemenproblematiek en moet daarom in het kader van een breder opgezet harmonisatie-initiatief worden aangepakt.

5.   Opmerkingen bij de voorstellen betreffende Richtlijn 2002/47/EG (FCD)

5.1   Uitbreiding van Richtlijn 2002/47 tot kredietvorderingen (wijziging van artikel 1, lid 4, sub a) is een goede zaak omdat er zo meer financiële zekerheden beschikbaar komen, hetgeen de liquiditeit van de markt ten goede kan komen. De omschrijving „kredietvorderingen die beleenbaar zijn voor krediettransacties van centrale banken” geeft echter aanleiding tot enige twijfel: elke centrale bank heeft nu vrijwel vrij spel om te bepalen watbeleenbaarheidinhoudt, waarbij onduidelijk blijft wie al dan niet gekwalificeerd is. Die twijfel kan worden weggenomen door in de tekst van artikel 2, lid 4, sub a) de woorden „of kredietvorderingen die beleenbaar zijn voor krediettransacties van centrale banken” te schrappen.

Brussel, 3 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Bijna alle gegroepeerde effecten worden tegenwoordig in immateriële vorm aangehouden; papieren effecten zijn gegroepeerd tot certificaten van grote omvang (globale of maxicertificaten) in centrale effectendepots.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/81


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers”

COM(2008) 317 final

(2009/C 175/14)

De Commissie heeft op 23 mei 2008 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers

COM(2008) 317 final.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was VALERIO SALVATORE.

Het EESC heeft tijdens zijn op 3 december 2008 gehouden 449e zitting onderstaand advies uitgebracht, dat met 176 stemmen vóór, bij twee onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Onderhavige Mededeling krijgt de volledige instemming van het EESC: daarin wordt in beginsel het strategisch nut van een goed werkende Europese Onderzoeksruimte (hierna: EOR) voor concurrentievermogen en kennisontwikkeling uiteengezet. Het doel ervan kan worden bereikt met behulp van een Europees partnerschap voor betere loopbanen en meer mobiliteit voor onderzoekers. Zo kan hersenvlucht worden tegengegaan en kunnen de beste onderzoekers naar de EU worden gelokt.

Net als de Commissie vindt het EESC dat de lidstaten daadkrachtig moeten overgaan tot de toepassing van open en transparante aanwervingsprocedures waarmee verdienste wordt beloond. Bovendien moeten alle belemmeringen voor het vrije verkeer van onderzoekers in de EU worden opgeheven. Interessant in dit verband is EURAXESS waarmee het banenaanbod in de EU voor onderzoekers en de mogelijkheden voor de financiering van onderzoek online kunnen worden geraadpleegd. Toepassing van dit systeem vooronderstelt dat bij de belanghebbende organisaties wordt aangedrongen op een efficiënte gebruikmaking ervan.

1.2.1   De verdiensten van onderzoekers — al bij aanwerving, maar daarna ook gedurende de gehele verdere loopbaan — zouden niet alleen moeten worden getoetst aan aantal en kwaliteit van de door hen gepubliceerde artikelen, maar ook aan de behaalde wetenschappelijke resultaten. Andere criteria zijn innovatievermogen (vooral in het begin van de loopbaan) en de voor hun functie vereiste organisatorische c.q. managementscapaciteiten tijdens het werkzame leven. Last but not least moet in ieder geval altijd ook de ervaring met internationale samenwerkingsverbanden worden meegewogen.

1.3   Om zich als onderzoeker ten volle te kunnen ontplooien, mogen betrokkenen beslist geen kans laten voorbijgaan om „mobiel” te worden, iets waaraan nu nog te veel juridische en administratieve haken en ogen zitten. Mobiliteit (in de betekenis van bereidheid om in een ander land of een andere regio te verblijven, in een ander — publiek of particulier — onderzoeksinstituut te gaan werken of van werkterrein of bedrijfstak te veranderen) moet worden gezien als een waardevolle bijdrage aan de beroepsmatige ontwikkeling van een onderzoeker en zou als zodanig moeten worden gestimuleerd: mobiliteit moet financieel aantrekkelijk worden gemaakt, voor mobiele onderzoekers moeten de nodige voorzieningen worden getroffen en mobiele onderzoekers moeten worden geholpen om beroeps- en gezinstaken met elkaar te verenigen.

1.4   Het komt er vooral op aan dat een einde wordt gemaakt aan de arbeidsonzekerheid waaronder onderzoekers vaak te lijden hebben. Daarom moeten hoe dan ook mogelijkheden worden gecreëerd voor maatregelen om de continuïteit van hun arbeidscontracten te verzekeren en onderzoekers sociale zekerheid te bieden, alsook het recht op diverse voorzieningen en op de overdraagbaarheid daarvan in geval van mobiliteit. Die arbeidsonzekerheid heeft vooral een erg nadelige uitwerking op vrouwelijke onderzoekers die maar moeilijk toegang krijgen tot topfuncties.

1.5   Het EESC pleit voor een actieve rol van de sociale partners in de desbetreffende instanties en organisaties, omdat onverkorte verwezenlijking van het verhoopte doel dan gemakkelijker wordt.

2.   Inleiding

2.1   Onderhavige Mededeling waarvoor is uitgegaan van de beginselen van de strategie van Lissabon, heeft tot doel een Europees partnerschap tot stand te brengen waarmee de loopbanen van onderzoekers kunnen worden verbeterd. Uitgangspunt is dat onderzoekers de eerste en onontbeerlijke schakel zijn in de overgang naar kenniseconomie en informatiemaatschappij.

2.2   De veranderingen waaraan de samenleving momenteel onderhevig is, worden steeds grilliger, drastischer en complexer en vergen dan ook een beleid waarin meer belang wordt gehecht aan de productie en dus ook aan de overdracht van kennis.

2.3   Het gaat om veranderingen die verband houden met de verdere ontwikkeling van de vormen waarin kennis wordt „geproduceerd”, waarbij kennis niet langer gebonden is aan nationale grenzen, maar een steeds internationalere dimensie krijgt. Net als het geval is voor handel in het algemeen, vraagt ook de uitwisseling van kennis om nieuwe regels waarmee al die veranderingen in goede banen kunnen worden geleid zonder dat Europa's gemeenschappelijke culturele basis wordt aangetast.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   Europa voor onderzoekers, aantrekkelijker maken is een doelstelling waarvoor een geïntegreerde mix van steunmaatregelen nodig is. De lidstaten zouden aan dit streven een welbewuste en geharmoniseerde bijdrage moeten leveren, die niet langer — zoals in de huidige regelgeving is bepaald — alleen maar van vrijwillige aard is.

3.2   Het EESC stemt in met de voorgestelde nieuwe benadering, waarin wordt voortgeborduurd op wat al bestaat en te vérgaande stappen worden uitgebannen en waarin de lidstaten weliswaar wordt gevraagd de ingeslagen weg te blijven bewandelen, maar daarop dan wel snel meetbare maatregelen te nemen. De bedoeling is dat

voor de aanwerving van onderzoekers open procedures worden gevolgd

wordt voldaan aan de wensen van mobiele onderzoekers inzake sociale zekerheid en aanvullend pensioen

onderzoekers aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden worden geboden

opleiding, vaardigheden en ervaring van onderzoekers worden geoptimaliseerd.

Bij het voorgaande is de betrokkenheid van de sociale partners geboden.

3.3   De EU-instellingen hebben in de loop der jaren al heel veel gedaan. Men denke daarbij aan de Mededeling van de Commissie „Naar een Europese Onderzoekruimte” (COM(2000) 6 final van 18 januari 2000) waarmee het startsein voor de totstandbrenging van de EOR is gegeven, de Top van Lissabon waar de staatshoofden en regeringsleiders hebben besloten om van de EU vóór 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken, de eerste reeks maatregelen ten behoeve van onderzoekers, het Europees Handvest van onderzoekers en de gedragscode voor de aanwerving van onderzoekers. Uit een en ander blijkt hoe belangrijk onderzoek wordt gevonden voor de stimulering van innovatie, waardoor onderzoekers een spilfunctie krijgen.

3.4   Rebus sic stantibus moet de EOR optimaal worden vormgegeven om onderzoekers uiterst concurrentiekrachtige en dynamische randvoorwaarden en dus ook, tijdens hun hele werkzame leven, betere en duurzame loopbaanperspectieven te kunnen bieden.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   In het Europees Handvest van de grondrechten worden onderzoekers als volgt gedefinieerd (zie ook het desbetreffende EESC-advies uit 2004): „Deskundigen die werken aan de ontwikkeling of het scheppen van nieuwe kennis, producten, processen, methoden en systemen, alsook aan het beheer van hiermee samenhangende projecten …”. Deze definitie is door de Commissie aangevuld met de functie „overdracht van nieuwe kennis”. In die context moeten onderzoekers door de instellingen worden aangemoedigd om als gezaghebbende bron van informatie voor communicatie-specialisten bekendheid te geven aan hun onderzoeksresultaten. Op die manier kan het voor iedere burger, en dus ook voor leken, gemakkelijker worden gemaakt om wetenschappelijke redeneringen te volgen, vooral als het gaat om onderwerpen die gevoelig liggen in de publieke opinie (gezondheidszorg, voedselrisico's, milieurampen e.d.).

4.2   Daarom staat het EESC achter de stelling van de Commissie dat er voor de totstandbrenging van een Europese ruimte waar onderzoekers gunstige en aantrekkelijke voorwaarden worden geboden, prioriteiten moeten worden gesteld.

4.3   Om te beginnen moeten de lidstaten daadkrachtig overgaan tot de toepassing van open en transparante aanwervingsprocedures waarmee verdienste wordt beloond. Zolang er niet zo volledig mogelijke informatie wordt vrijgegeven over de manier waarop onderzoekers worden geselecteerd en aangeworven, blijft het systeem weinig open. Ook moet bedoelde informatie volledig openbaar worden gemaakt. Daarom steunt het EESC zonder meer (de verdere ontwikkeling van) EURAXESS, waarmee online-informatie over de arbeidsmarkt voor onderzoekers wordt gegeven, zodat vraag en aanbod in de diverse instellingen, maar ook voor de diverse Europese projecten, op elkaar kunnen worden afgestemd. Dit informatica-systeem kan echter alleen volledig werken als de lidstaten en hun onderzoekscentra daaraan alle medewerking verlenen en als alle betrokkenen zich ook echt bereid tonen om mededelingen over vacatures voor onderzoekers en over onderzoeksprojecten op EURAXESS te zetten.

4.4   Vervolgens is er behoefte aan een systeem waarmee verdienste kan worden beloond en onderzoekers in het begin van hun loopbaan betere arbeidsvoorwaarden en opleidingsmogelijkheden worden geboden. Daarvoor is een koersverandering nodig. Een moeilijke studie doen, zich gedisciplineerd op het doen van onderzoek voorbereiden en dan toch nog lang op arbeidszekerheid moeten wachten, maakt dat velen het opgeven en dat de meest getalenteerde onderzoekers hun heil elders gaan zoeken, met als gevolg dat hun kwaliteiten onbenut blijven. Om die kwaliteiten wél te benutten, zijn innoverende opleidingstrajecten nodig: dan alleen is onderzoek gegarandeerd van hoge kwaliteit en krijgen onderzoekers daadwerkelijk de kans om de voor leidinggevende functies vereiste vaardigheden te verwerven.

4.5   De verdienste van onderzoekers zou niet alleen moeten worden getoetst aan aantal en kwaliteit van de door hen gepubliceerde artikelen, maar — afhankelijk van wat voor hun functie vereist is — ook aan criteria als

vermogen om onderzoeksactiviteiten in goede banen te leiden

innovatievermogen

ervaring als docent en/of toezichthouder

vermogen om in teamverband te werken

ervaring met internationale samenwerkingsverbanden

vermogen om kennis over te dragen

vermogen om financiële middelen aan te trekken

bijdrage aan de verspreiding van informatie over wetenschappelijke onderwerpen en aan de communicatie daarover

ervaring met het in praktijk brengen van onderzoeksresultaten, zowel in bedrijven als voor de economie in het algemeen

bezit van octrooien en staat van dienst op het gebied van productontwikkeling en uitvindingen

creativiteit en vermogen om zelfstandig te werken.

Verder mogen loopbaanonderbrekingen onderzoekers niet euvel worden geduid, omdat arbeidsovereenkomsten voor onderzoekers nu eenmaal anders zijn dan andere contracten.

4.6   Dat a-typische karakter van het werk van onderzoekers — kort gezegd: de onzekerheid van hun arbeidsbetrekkingen — mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van hun beroeps- en gezinsleven. Dit betekent met name dat alle voor hun beroepsmatige ontwikkeling wenselijke vormen van mobiliteit, en dan vooral de geografische mobiliteit, moeten worden gestroomlijnd. Mobiliteit is nu eenmaal een belangrijke katalysator voor de concretisering van de vrijheid van kennis en zorgt er bovendien voor dat werknemers zich beroepsmatig en anderszins kunnen blijven ontwikkelen en dat onderzoekssystemen verder kunnen worden uitgebouwd.

4.7   Gedacht moet worden aan maatregelen om academici en onderzoekers uit verschillende vakgebieden met elkaar in contact te brengen: alleen op die manier kan ervaring worden uitgewisseld en kan de horizon van onderzoekers worden verbreed, zodat mobiliteit bevorderlijk wordt voor de vergaring van kennis. Met het oog daarop zou het Europese model moeten worden vergeleken met het Amerikaanse model waarvan vaststaat dat het getalenteerde onderzoekers aantrekt en binnenslands weet te houden: de EU zou de positieve aspecten daarvan moeten overnemen en waar mogelijk aan de situatie in de EU moeten aanpassen, gaande van de aanwervingsprocedures tot het systeem voor de beoordeling van de loopbaan van een onderzoeker en de stimulansen die onderzoekers kunnen worden gegeven.

4.8   Totstandbrenging van de EOR vooronderstelt niet alleen dat subsidies voor onderzoekers van de ene op de andere lidstaat (of onderzoeksinstelling) overdraagbaar worden gemaakt, maar ook dat een positieve spiraal op gang worden gebracht waardoor onderzoeksinstellingen er voordeel bij hebben om de hoogst gekwalificeerde wetenschappelijke onderzoekers in dienst te nemen. Onderzoekers moeten net als alle andere categorieën van werknemers van wie wordt gevraagd dat ze mobiel zijn, door de EU worden ondersteund met behulp van concrete mobiliteitsstimulansen (beloning en faciliteiten). Mobiliteit wordt nu vaak niet gestimuleerd, maar juist belemmerd, wat hersenvlucht in de hand werkt. Om dat te voorkomen wordt in Amerikaanse universiteiten op grote schaal een systeem toegepast dat erin bestaat dat de financierende entiteit aan de instelling die de gefinancierde onderzoeker onder haar hoede neemt, een bonus (overhead) uitbetaalt, waarvan de hoogte een bepaald percentage is van het totale bedrag van de financiering.

4.9   Onderzoekers die mobiel willen worden, hebben vaak geen arbeidszekerheid. Die combinatie van „bereidheid om te veranderen” en „gebrek aan arbeidszekerheid” maakt hun situatie er wat de sociale zekerheid betreft bepaald niet beter op. Het EESC is het dan ook met de Commissie eens dat onderzoekers en hun werkgevers gemakkelijk toegang moeten hebben tot alle beschikbare informatie over de stelsels van sociale zekerheid van de lidstaten. Onderzoekers moeten hun recht op sociale voorzieningen kunnen laten gelden en de verwerving en overdracht van een recht op een sociale voorziening, zoals het recht op een aanvullend pensioen, moeten worden vergemakkelijkt. Ook moeten er beslist maatregelen kunnen worden genomen om de continuïteit van de arbeidscontracten van onderzoekers te verzekeren: het kan weliswaar als vanzelfsprekend worden beschouwd dat onderzoekers in de eerste jaren van hun loopbaan nog geen arbeidszekerheid hebben, maar het gaat niet aan dat die arbeidsonzekerheid er na een loopbaan van veertig jaar of meer nog steeds is, temeer daar die arbeidsonzekerheid vaak gepaard gaat met weinig mogelijkheden om zelfstandig te werken of een leidinggevende positie te bekleden.

4.10   Ten slotte moeten er voor onderzoekers meer uitstroommogelijkheden worden gecreëerd: als onderzoekers ermee stoppen, moeten er voor hen alternatieve niet-traditionele beroepsmogelijkheden zijn, zodat zij hun kennis op een meer prestigieuze wijze ten nutte kunnen blijven maken. Daarom wordt er terecht voor gepleit om de banden tussen de wereld van het onderzoek en andere overheidsdiensten aan te halen. Zo zouden er bijvoorbeeld bruggen moeten worden geslagen tussen onderwijs en onderzoek, zodat onderwijsinstellingen dankzij de expertise van onderzoekers hoogwaardige en gediversifieerde leertrajecten kunnen opzetten. In onderzoek geïnteresseerde docenten uit het middelbaar onderwijs zouden de gelegenheid moeten krijgen om daaraan mee te werken. Hun culturele bijdrage daaraan heeft tegelijkertijd het voordeel dat de kennis die zij op hun beurt aan hun leerlingen overdragen, wordt verrijkt.

4.11   Onderzoek is de drijvende kracht achter ontwikkeling. Daarom wordt de band tussen onderzoek en bedrijfsleven steeds hechter. Onderzoek door grote ondernemingen of innoverende hightech-bedrijven moet de groei van de economie in een hogere versnelling brengen. Daarom pleit het EESC voor een systeem waarin onderzoek, innovatie en bedrijfsleven onder één noemer worden gebracht en waarin tussen overheids- en particuliere sector een positieve wisselwerking op gang wordt gebracht. Die wisselwerking wordt vaak bemoeilijkt door verschillen in personeelsbeleid. Hopelijk kunnen die verschillen snel worden verkleind door doelgerichte nationale wetgeving en speciale nationale arbeidsovereenkomsten, waarbij kan worden gedacht aan belastingfaciliteiten, stagecontracten, stimulansen voor mobiliteit of EU-programma's.

4.12   Ook zou voorrang moeten worden verleend aan steun voor ondernemingen (start-ups of spin-offs) waar de knowhow van ervaren onderzoekers kan worden benut voor vernieuwende bedrijfsactiviteiten. Bij dat laatste moet niet alleen worden gedacht aan faciliteiten van banken, maar ook aan de mogelijkheid van subsidiëring door de overheid in de vorm van gemakkelijkere toegang tot voorzieningen en belastingfaciliteiten.

4.13   Tot besluit nog een woord van waardering voor het in onderhavige Mededeling gepresenteerde actieprogramma. Het door de lidstaten op te stellen nationale plan voor 2009, waarover met de diverse belanghebbenden moet worden overlegd, dient zonder meer te beantwoorden aan de aangegeven doelstellingen, met inachtneming van de vigerende EU-rechtsregels en in navolging van methoden die in sommige of alle lidstaten al goede resultaten hebben opgeleverd.

4.14   De voor 2009 geplande conferentie gaat de doorslag geven, omdat dan — met inspraak van de sociale partners — de stand van zaken zal worden opgenomen en gezamenlijk zal worden bekeken welke maatregelen zonodig nog kunnen worden genomen om het actieprogramma bij te sturen.

Brussel, 3 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Martin WESTLAKE


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/84


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking 2001/470/EG van de Raad betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk op het gebied van burgerlijke en handelszaken”

COM (2008) 380 final — 2008/0122 (COD)

(2009/C 175/15)

De Raad heeft op 12 november 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artt. 61, sub c) en 67, lid 5, van het EG-Verdrag te raadplegen over het

„Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking 2001/470/EG van de Raad betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk op het gebied van burgerlijke en handelszaken”

COM (2008) 380 final — 2008/0122 (COD).

Op 8 juli 2008 heeft het bureau van het Comité de gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden belast.

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december) mevrouw SÁNCHEZ MIGUEL aangewezen als algemeen rapporteur en vervolgens onderstaand advies met 124 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 1 onthouding, goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   Het Comité is ingenomen met dit voorstel tot wijziging van Beschikking 2001/470/EG van de Raad betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk op het gebied van burgerlijke en handelszaken, niet alleen omdat hiermee gevolg wordt gegeven aan de in de beschikking zelf opgenomen herzieningsverplichting, maar ook omdat het voorstel gebaseerd is op gegevens over de werking van het netwerk in de afgelopen periode en bedoeld is om de informatieverstrekking aan de Europese burger — doelstelling van het netwerk — nog te verbeteren.

1.2   Opmerkelijke elementen zijn de verbetering van de samenwerking tussen de autoriteiten die deel uitmaken van het Europees justitieel netwerk en de nationale contactpunten, die cruciaal zijn voor de totstandbrenging en de werking van het netwerk, alsook de invoering van de nodige technologische hulpmiddelen waardoor de informatieverstrekking eenvoudiger wordt. Deze verbeteringen zijn bedoeld om de juridische beroepsbeoefenaren en de burgers die willen weten hoe grensoverschrijdende geschillen op burgerlijk en handelsgebied op te lossen, gemakkelijker toegang te geven tot de rechter.

1.3   Dankzij de deelname van de justitiële autoriteiten en de juridische beroepsbeoefenaren kan bekendheid worden gegeven aan het juridische instrumentarium dat nodig is om de rechten van de Europeanen, in hun hoedanigheid van beroepsbeoefenaar én van burger, veilig te stellen en ervoor te zorgen dat zij hun verplichtingen naleven. Op deze manier wordt de doelstelling van harmonisatie en de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid weer een stap dichterbij gebracht. Het Comité pleit ervoor alle geïnteresseerden onbeperkt toegang te geven tot het netwerk, teneinde de transparantie te vergroten en de Europese integratie te versnellen.

2.   Inleiding

2.1   Sinds de Europese Raad in Tampere van 15 en 16 oktober 1999 zet de Commissie zich in voor harmonisatie en de uitwerking van een juridisch instrumentarium voor de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, om zo het vrije verkeer van personen binnen de grenzen van de Europese Unie te waarborgen. Een van de belangrijkste instrumenten in dit verband is de verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (1). Hierin werd onder meer de exequaturprocedure vereenvoudigd; ook werden enkele aanpassingen op het vlak van conservatoire maatregelen doorgevoerd met het oog op de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, en werd de mogelijkheid van een Europese conservatoire titel erkend.

2.2   In lijn hiermee publiceerde de Commissie ook Beschikking 2001/470/EG (2) betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken. Hoofddoelstelling hiervan was om een Europees instrument voor justitiële samenwerking in het leven te roepen, dat de juridische beroepsbeoefenaren, de instellingen, de overheid en de burger in het algemeen informatie zou kunnen verschaffen over de in de verschillende EU-lidstaten vigerende wetgeving en de bestaande procedures voor het oplossen van grensoverschrijdende juridische geschillen.

2.3   Voorts was het netwerk erop gericht de toegang van de burger tot de rechter te verbeteren, en dan i.h.b. — zoals eerder opgemerkt — bij grensoverschrijdende geschillen. De nationale procedures en wetgeving lopen immers niet altijd gelijk. Vandaar ook dat bijzondere aandacht uitgaat naar contactpunten die vlot toegankelijk zijn voor alle geïnteresseerden, of het nu gaat om juristen of burgers. In haar voorstel schetst de Commissie de situatie begin 2008: op dat moment telde het netwerk 102 contactpunten, 140 centrale autoriteiten, 12 verbindingsmagistraten en 181 andere justitiële autoriteiten met verantwoordelijkheden op het gebied van justitiële samenwerking.

2.4   In verband met de problematiek van gerechtelijke procedures dient voorts ook te worden verwezen naar Richtlijn 2008/52/EG (3) betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken, waarin al werd opgemerkt dat een justitieel netwerk een onmisbaar instrument is om efficiënte bemiddeling bij grensoverschrijdende juridische geschillen mogelijk te maken.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   In art. 19 van Beschikking 2001/470/EG wordt bepaald dat de Commissie om de vijf jaar een verslag indient over de resultaten van het netwerk in de verslagperiode; zij dient zich daarbij te baseren op de door de nationale contactpunten verstrekte gegevens. Op grond van deze informatie kunnen dan eventueel wijzigingen worden voorgesteld. Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen heeft de Commissie nu dus een voorstel ingediend voor een gewijzigde beschikking, met als rechtsgrondslag artikel 61, sub c), van het Verdrag en conform de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

3.2   Tot nog toe is het netwerk erin geslaagd de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen rechters en juridische beroepsbeoefenaars binnen de EU te verbeteren. De contactpunten zouden als echte informatiebureaus moeten fungeren en gegevens verstrekken over de nationale voorschriften en procedures inzake grensoverschrijdende geschillen. Voorts is het wenselijk dat de burger toegang krijgt tot de informatie van het netwerk.

3.3   In feite blijft de voorgestelde herziening beperkt tot het aanbrengen van een aantal verbeteringen waarmee de Commissie hoopt de doelstellingen van het netwerk dichterbij te brengen en m.n. meer materiële en personele middelen te kunnen vrijmaken.

Het Comité kan zich niet alleen vinden in de voorgestelde maatregelen om het netwerk beter te doen functioneren, maar is ook ingenomen met de verbeteringen van de juridische terminologie, wat de zorgvuldigheid ten goede komt.

3.4.1   Zo staat in artikel 2 van de oorspronkelijke beschikking nog te lezen dat het netwerk zich bezighoudt met „samenwerking in burgerlijke en handelszaken”. Deze algemene omschrijving wordt nu vervangen door „justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken”.

3.4.2   Nieuw is ook de vereiste dat een lidstaat die meerdere contactpunten telt, een hoofdcontactpunt moet aanwijzen, dit met het oog op de coördinatie.

3.4.3   Dit hoofdcontactpunt moet worden bijgestaan door een rechter, die niet alleen deel uitmaakt van het netwerk maar verantwoordelijk is voor de contacten met de plaatselijke rechterlijke instanties.

3.5   Conform de hoofddoelstelling van de herziening wordt artikel 5 gewijzigd om de informatie-uitwisseling tussen het netwerk en de rechterlijke instanties te verbeteren, zodat de toepassing van het recht in alle individuele gevallen eenvoudiger wordt, ook als het gaat om het recht van een andere lidstaat of een internationaal rechtsinstrument. Daarnaast is het de bedoeling dat het publiek via het netwerk informatie krijgt over de bestaande justitiële samenwerking en de verschillende rechtsstelsels, wat zeker een meerwaarde zou opleveren. Het Comité wijst erop dat de rechten van de burgers in hun onderlinge betrekkingen op het vlak van burgerlijke en handelszaken binnen de EU hierdoor beter zullen worden nageleefd.

3.6   Belangrijk is de nieuwe formulering van artikel 8, waarmee de procedure voor het verzamelen van informatie wordt gewijzigd. Zo wordt het door de Commissie beheerde elektronische gegevensregister erkend. Het Comité wil hierbij één kanttekening maken: als de Commissie dit register invoert moet zij ook zorgen voor de nodige technische en financiële middelen, zodat deze vernieuwing geen maat voor niets is.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1   Het Comité kan zich vinden in het voorstel voor een herziening en de gebruikte methode. Meer zelfs, de samenwerking tussen de justitiële autoriteiten en de juridische beroepsbeoefenaren van de lidstaten — m.a.w. het netwerk — verdient alle lof.

4.2   De houding van Denemarken, dat enkel waarnemer is, werpt echter een schaduw op dit succes. Door de Deense afzijdigheid ontbreekt de justitiële samenhang in een gedeelte van de Europese gemeenschappelijke ruimte, ook al past het land wel de communautaire wetgeving toe. Een lichtpuntje is dan weer dat in het nieuwe artikel 11 wordt voorzien in de deelname van waarnemers aan het netwerk, zodat de nieuwe lidstaten en derde landen die partij zijn bij het nieuwe Verdrag van Lugano (4) zich bij bepaalde vergaderingen van het netwerk kunnen laten vertegenwoordigen.

4.3   De voorgestelde termijnen voor het beantwoorden van verzoeken om justitiële samenwerking zijn krap. Hoewel deze regeling tot nog toe efficiënt is gebleken, pleit het Comité voor meer flexibiliteit. Als de informatie nog wordt uitgebreid en meer landen gebruik gaan maken van de regeling, zullen die krappe termijnen immers onmogelijk kunnen worden nageleefd. Zowel vanuit organisatorisch als vanuit technisch opzicht zijn er grote verschillen tussen de lidstaten én de regio's. Het zou nuttig zijn de resultaten van de herziening af te wachten — we denken dan m.n. aan de technische middelen die ter beschikking worden gesteld van de contactpunten en het netwerk — en te kijken hoe het register functioneert.

Brussel, 3 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Martin WESTLAKE


(1)  Verordening (EG) 44/2001 van de Raad van 22.12.2000, PB L 12 van 16.1.2001.

EESC-advies — PB C 117 van 26.4.2000, blz. 6.

(2)  EESC-advies — PB C 139 van 11.5.2001, blz. 6

(3)  Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21.05.08, PB L 136 van 24.5.2008.

EESC-advies — PB C 286 van 17.11.2005, blz. 1.

(4)  Goedgekeurd op 30.10.2007


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/87


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De uitdaging van energie-efficiëntie aangaan via informatie- en communicatietechnologieën”

(COM(2008) 241 final)

(2009/C 175/16)

De Commissie heeft op 13 mei 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De uitdaging van energie-efficiëntie aangaan via informatie- en communicatietechnologieën

(COM(2008) 241 final).

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur en informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer HERNÁNDEZ BATALLER.

Het Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 123 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 21 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Duurzame ontwikkeling dient een prioriteit van het EU-beleid te zijn en moet onder meer worden nagestreefd door middel van energie-efficiëntie, de ontwikkeling van nieuwe („hernieuwbare”, „schone” of „groene”) energiebronnen en maatregelen om de CO2-uitstoot omlaag te brengen en aldus de klimaatverandering te bestrijden.

1.2   De mededeling van de Commissie is wat dit betreft een stap in de goede richting: zij stelt voor om een impuls te geven aan regionale en nationale programma's op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO), en zij noemt de informatie- en communicatietechnologie (ICT) een essentiële factor voor het bevorderen van energie-efficiëntie.

1.3   Het EESC is het eens met de Commissie dat ICT een dubbele bijdrage levert aan duurzame ontwikkeling. Ten eerste kan door O&O-maatregelen en door innovatie van de componenten, installaties en diensten het gebruik van ICT zelf energiezuiniger worden gemaakt. Ten tweede is het dankzij ICT-toepassingen mogelijk om tal van procedures in de verschillende segmenten van de economie (zowel productie als consumptie) te „dematerialiseren”, materiële producten te vervangen door onlinediensten en in plaats van zich te verplaatsen zaken via het internet te regelen, waarmee ook de nodige energie wordt bespaard. Wat energiebesparing betreft zou echter naar de hele levenscyclus van technische apparaten moeten worden gekeken, inclusief de fabricagefase, en niet alleen naar de periode waarin ze daadwerkelijk gebruikt worden.

1.4   Met deze doelstellingen voor ogen wil de Commissie eerst informatie vergaren en analyseren en daarna in een tweede mededeling de belangrijkste maatregelen uiteenzetten (1). Volgens het EESC moeten er echter ook maatregelen komen die de energie-efficiëntie op de korte en middellange termijn helpen verbeteren.

1.5   Belangrijk in dit verband is het vervangen van apparaten die veel energie verbruiken doordat ze in technologisch opzicht verouderd zijn of doordat ze aan het eind van hun levenscyclus zijn en dus aan kwaliteit hebben ingeboet. In Europa is ruim de helft van de huishoudelijke apparaten meer dan tien jaar oud, wat reden genoeg is om ervan uit te gaan dat ze qua energie-efficiëntie ondermaats presteren. Alvorens — of in plaats van — richtlijnen te gaan opstellen zou de Commissie voor het bedrijfsleven een aantal criteria kunnen helpen opstellen aan de hand waarvan, met de hulp van de nationale regeringen, consumentenorganisaties en gebruikers, plannen voor de vervanging van de verouderde apparaten kunnen worden uitgewerkt.

1.6   Nu de digitale terrestrische televisie in de verschillende lidstaten vaste voet aan de grond heeft gekregen, zou men van de gelegenheid gebruik moeten maken om de klassieke televisies van het kathodestraalbuistype (Engels: Cathode Ray Tube, afgekort CRT) te vervangen door LCD-toestellen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat met fabrikanten en consumentenorganisaties overeenkomsten worden gesloten om de productie en aanschaf van interactieve geïntegreerde apparatuur te bevorderen, zodat consumenten niet langer decoders voor hun analoge toestellen kopen. Uit onderzoek blijkt dat CRT-toestellen een derde — en in de slaapstand zelfs tot 60 % — meer energie verbruiken dan LCD-toestellen.

1.7   De Commissie zou een soortgelijke aanpak kunnen hanteren voor bijvoorbeeld het elektriciteitsnet (productie en distributie), „slimme” gebouwen en „slimme” verlichting. Zo zouden de elektronische handel in elektriciteit en de technologische innovaties op het gebied van opwekking en distributie verder ontwikkeld moeten worden. Beheerssystemen, het — ook zichtbaar — bijhouden van de energiebesparing in gebouwen. De vorderingen op het gebied van slimme verlichting, zowel binnen als buiten (straatverlichting inbegrepen), met lichtbronnen die zich elektronisch aan de omgeving aanpassen.

Zo is er voor de fabricage en ontwikkeling van computers drie maal zoveel energie nodig als deze tijdens hun „leven” verbruiken. De aandacht moet ook uitgaan naar het hoge energieverbruik van servers en zoekmachines. Wat dit betreft zijn er speciale oplossingen nodig waarbij met name gekeken dient te worden naar het exponentieel toenemende gebruik van internet én naar het steeds hogere energieverbruik waar de technologische convergentie gepaard mee gaat. Verder dient men de energiebesparing serieus te nemen die mogelijk is door het gebruik van interoperabele en in technische opzicht gestandaardiseerde apparaten. Daardoor komen er namelijk minder nieuwe apparaten bij en worden de bestaande apparaten beter gebruikt, wat in overeenstemming is met Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten (2).

Consumenten kunnen een grote bijdrage aan deze energiebesparing leveren door op adequate wijze gebruik te maken van de nieuwe technologieën. Ook hier geldt dat informaticaprogramma's en technische apparaten consumenten op snelle en eenvoudige wijze aanschouwelijk maken hoe zij apparaten het best kunnen gebruiken en hoeveel energie zij daarbij kunnen besparen. Zo kunnen zij hun computers en de randapparatuur minder lang dan strikt noodzakelijk aan laten staan, zodat er geen schermbeveiliging of lage-energiestand meer nodig is, en hun printers beter gaan gebruiken. Naar schatting is het „spookverbruik” van apparaten die op stand by staan goed voor zo'n 12 % van de jaarlijkse energierekening en lopen deze kosten helemaal uit de hand als de apparatuur verouderd is en tegelijkertijd de technologie verkeerd wordt gebruikt. Als consumenten hun oude apparaten moeten vervangen brengt dat uiteraard hoge kosten voor hen met zich mee, en in bepaalde gevallen zouden zij hiervoor dan ook subsidie moeten kunnen krijgen.

1.8   Voor de volledigheid zouden er ook kwaliteitskeurmerken moeten komen en zouden de etiketten van apparaten duidelijke informatie over de energie-efficiëntie — zoals hun „ecologische voetafdruk” of „koolstofvoetafdruk” — moeten bevatten. Dan zullen consumenten een bewuster koopgedrag aan de dag leggen en apparaten op een efficiëntere en duurzamere manier gaan gebruiken. De ervaringen die met ICT worden opgedaan in de audiovisuele sector, op het gebied van elektronische communicatie, in de elektriciteitssector, in slimme gebouwen of wat verlichting betreft zouden als basis kunnen dienen voor energiebesparingsmaatregelen in andere cruciale sectoren waar de Commissie al actief is, zoals de automobielsector, de industrie of het vervoer.

De Commissie doet er goed aan om onder meer consumenten, bedrijven en overheden via diverse media actief voor te lichten.

1.9   De Commissie zou ook een impuls moeten geven aan de ontwikkeling van gestandaardiseerde en betrouwbare indicatoren om te kwantificeren welke energiebesparing het gebruik van ICT kan opleveren. Dat zou helpen om een halt toe te roepen aan het toenemende bedrieglijke of misleidende, louter door marketingoverwegingen ingegeven gebruik van de termen „groene” of „schone” energie, waarbij de geclaimde besparingen en emissiereducties niet met harde en duidelijke cijfers worden onderbouwd. Met zulke indicatoren is het gemakkelijker om onderscheid te maken tussen eerlijke en oneerlijke handelspraktijken, vooral als het om reclameteksten gaat waarin deze „ecomarketing”-argumenten worden gebruikt.

Op de geprivatiseerde en geliberaliseerde energiemarkt moeten bedrijven ertoe worden aangezet om in energiebesparingen en duurzaamheid te investeren. Daarbij moeten zij geholpen worden om in te zien dat dergelijke investeringen economische kansen bieden en voor hoogwaardige en stabiele werkgelegenheid kunnen zorgen.

1.10   In de EU zijn er sterkere politieke impulsen nodig om te zorgen voor de middelen waarmee de voorgestelde energiebesparingsdoelstellingen gehaald kunnen worden, met bindende maatregelen op het gebied van apparatuur om de lacunes in de nationale plannen te dichten. Een richtlijn zou wat dit betreft meerwaarde verlenen aan de maatregelen van de lidstaten, nog los van de steun van de Commissie voor de invoering van gedragscodes in de lidstaten en voor vergelijkende studies naar efficiënter energiegebruik. Een en ander zou binnen de EU een stimulans kunnen vormen en bedrijven ertoe kunnen aanzetten om rapportages over energiebesparing op te stellen.

2.   Motivering

2.1   Achtergrond

2.1.1   De mededeling van de Commissie ligt in het verlengde van het volgende:

De prioriteiten die zijn vastgesteld tijdens de voorjaarsbijeenkomst 2007 van de Europese Raad van staats- en regeringsleiders, toen dezen overeenstemming bereikten over de noodzaak om de klimaatverandering aan te pakken, te zorgen voor veilige, duurzame en concurrerende energie, en van de Europese economie een model te maken voor duurzame ontwikkeling in de 21e eeuw. De Raad bereikte een consensus over de noodzaak om een gecombineerd klimaat- en energiebeleid in het centrum van het EU-beleidsprogramma te plaatsen en stelde precieze en bindende doelstellingen vast als symbool van de vastberadenheid van Europa. Volgens de Commissie moet de gestage groei van de Europese economie, die essentieel is voor volledige werkgelegenheid en sociale inclusie op energiegebied, worden ontkoppeld van het energieverbruik. Informatie- en communicatietechnologieën (3) spelen een belangrijke rol bij het verminderen van de energie-intensiteit en het verhogen van de energie-efficiëntie van de economie

Het door de Commissie op 23 januari 2008 goedgekeurde pakket verregaande, concrete maatregelen waarin wordt aangetoond dat de doelstellingen inzake klimaatverandering technologisch en economisch haalbaar zijn en een unieke kans vormen voor duizenden Europese bedrijven.

Het Europees strategisch plan voor energietechnologie en andere talrijke acties die de Europese Commissie op verschillende gebieden heeft ondernomen om de uitdagingen van de klimaatverandering aan te pakken.

2.2   Algemene opmerkingen

2.2.1   Gelet op het voorgaande is de mededeling bedoeld om een open discussie te bevorderen tussen de belanghebbenden op een aantal geselecteerde gebieden, zoals de ICT-sector zelf, de elektriciteitssector, slimme gebouwen en slimme verlichting. In dit verband is het zaak om informatie over het effect van ICT op de energie-efficiëntie te vergaren en te analyseren, maar ook om een proces van overleg en partnerschappen op gang te brengen en daarbij zoveel mogelijk partijen te betrekken: de EU-instellingen (Parlement, Comité van de Regio's, Europees Economisch en Sociaal Comité), de lidstaten, de industrie, onderzoekscentra en consumenten. Bij het testen van nieuwe apparaten en componenten kunnen dezen een belangrijke rol vervullen.

Wat energiebesparingen door middel van ICT-oplossingen betreft zou de Commissie een grotere rol moeten toekennen aan consumenten en gebruikers; niet alleen de systemen voor energiebesparing dienen namelijk slim te zijn, maar ook het gebruik dat burgers ervan maken. Er zijn verschillende manieren om hun deelname aan onderzoek, ontwikkeling en innovatie in goede banen te leiden. Zo is er het Europese netwerk van living labs, die ICT toepassen om gebruikers te observeren en aldus directe feedback kunnen verschaffen over hun mening, houding en gedrag.

2.2.2   De synergieën en best practices die hierbij eventueel ontstaan, zullen een impuls geven aan proefprojecten ter ondersteuning van OTO-activiteiten. Onderzoek naar de energie-efficiëntie van ICT zou gestalte moeten krijgen in de regionale en nationale programma's, in het EU-programma inzake concurrentievermogen en innovatie en in de operationele, uit het cohesiebeleid gefinancierde programma's. Dat zou bedrijven stimuleren om serieus te kijken naar hun ecologische voetafdruk, naar aanleiding waarvan zij dan zouden kunnen besluiten om energie te besparen door gebruik te maken van geavanceerde communicatienetwerken en duurzame energie („Negawatt”).

2.2.3   Het EESC heeft er al diverse malen op gewezen — onder meer in zijn adviezen over nanotechnologie (4), biotechnologie (5), gezondheidsonderzoek (6) en met name informatietechnologie — hoe belangrijk ICT is om structurele veranderingen te kunnen doorvoeren; bovendien levert deze technologie een grote bijdrage aan innovaties. In het zevende kaderprogramma worden deze zaken zeer horizontaal benaderd. Wat O&O-maatregelen betreft: met het oog op de economie en het milieu is het absoluut zaak om de modernste technologie te gebruiken en een groter gedeelte van het EU-budget te besteden aan onderzoek en innovatie (7).

2.3   Specifieke opmerkingen

De Commissie besteedt speciale aandacht aan de elektriciteitssector, die momenteel ingrijpend aan het veranderen is door de liberalisering van de markt, de toename van lokale energienetten, de integratie van duurzame energie, het toenemende gebruik van warmtekrachtkoppeling en micro-opwekking (micronetten, virtuele centrales), het steeds geringere aantal schakels tussen opwekking en verbruik, de energiecertificaten en de nieuwe eisen van de burger.

2.3.1.1   In de beoordeling van de nationale actieplannen, waarover het EESC advies heeft uitgebracht (8), gaat de aandacht uit naar verbetering van het elektriciteitsnet, van opwekking tot distributie. Dat houdt onder meer in dat het efficiënter moet gaan werken, zodat er geen energie verloren gaat.

2.3.1.2   De Commissie gaat ook in op de energiebesparing die slimme gebouwen kunnen opleveren, of het nu gaat om woningen of gebouwen die voor commerciële activiteiten bestemd zijn. In dit verband zij vooral gewezen op systemen om het energieverbruik te regelen, bij te houden en aanschouwelijk te maken, waardoor gebruikers zich bovendien meer bewust worden van hun „energiegedrag”. Men moet niet vergeten dat gebouwen in Europa 40 procent van het energieverbruik voor hun rekening nemen.

2.3.1.3   Volgens het EESC (9) moeten er nieuwe culturele prikkels en stimuleringsmaatregelen worden ontwikkeld, enerzijds om de hogere kosten te compenseren en anderzijds om de belangstelling aan te wakkeren voor:

projectonderzoek;

aanpassing van de bouwmethoden;

betere materialen in het bouwproces;

nieuwe structurele oplossingen.

2.3.1.4   Vanuit het oogpunt van de eindgebruiker dient er volgens het EESC (10) goed te worden gekeken naar de obstakels voor de bevordering en toepassing van energie-efficiënte oplossingen in Europese gebouwen: deze belemmeringen kunnen van technische, economische, financiële, juridische, administratief-bureaucratische en institutionele aard zijn, en kunnen tevens betrekking hebben op het beheer, sociale gedragspatronen en een inconsistente aanpak (onevenwicht tussen verwarming/verkoeling, het niet-rekening houden met klimaatzones, enz.).

Intelligente huizen zorgen niet alleen voor besparingen op financieel en energiegebied, maar komen ook de levenskwaliteit, het comfort en de veiligheid van de bewoners ten goede. Dankzij de aansluiting op het netwerk hebben de bewoners toegang tot communicatiediensten (ontvangst, adaptatie en distributie van radio- en televisiesignalen over de grond of via de satelliet, ADSL, kabel, elektriciteitsnet), en ook op andere diensten die zeer effectief zijn als het op energiebesparing aankomt: detectie van lekken in de gas- of waterleiding, buitensporig elektriciteitsverbruik door gebreken in het systeem, geautomatiseerde sproei-installaties en klimaatregeling.

Actieve én passieve methoden om de energieprestaties van woningen te verbeteren kunnen het energieverbruik hiervan met wel 50 procent omlaag brengen, en volgens sommige studies zou er met een combinatie van schone energie en mechanische klimaatregelingsystemen zelfs een verlaging van 70 procent mogelijk zijn.

Dankzij de ontwikkelingen op het gebied van intelligente verlichting zijn er nu zowel binnen als buiten (inclusief straatverlichting) lichtbronnen die zich elektronisch aanpassen aan de lichtsterkte van de omgeving. Er zijn al licht uitstralende diodes (Engels: light emitting diodes — LEDs) en nog nieuwere organische licht uitstralende diodes (Engels: organic light emitting diodes — OLEDs) op de markt, waarmee veel energie kan worden bespaard. Ongeveer een vijfde gedeelte van de elektriciteit die wereldwijd wordt gebruikt gaat op aan verlichting.

2.3.2.1   Ten behoeve van meer energie-efficiëntie in de openbare ruimte (zowel binnen als buiten) is het EESC voorstander van vrijwillige afspraken met als doel om steeds intelligentere verlichtingssystemen te gebruiken.

2.3.2.2   Door een impuls te geven aan „groene aanbestedingen” in de ICT-sector, die met behulp van vrijwillige overeenkomsten rond proefprojecten tot een klimaatneutrale industrie moeten leiden, kunnen de structurele veranderingen gestuurd en geëxploreerd worden.

De Commissie moet ervoor zorgen dat consumenten een positiever beeld krijgen van bedrijven die in de verkleining van hun ecologische voetafdruk investeren (waardoor deze bedrijven bovendien minder geld aan energie kwijt zijn). Als onderdeel van hun milieubeheer dienen bedrijven natuurlijk ook hun elektronische componenten, afval en overtollig materiaal te recyclen. Tijdens de fabricage moet al rekening worden gehouden met recycling, zodat een groot gedeelte van de materialen en componenten later opnieuw gebruikt kan worden. Dit onderwerp is zo belangrijk dat het EESC er een initiatiefadvies over opstelt, waarin het mede ingaat op de behandeling van afval van elektrische en elektronische apparaten.

2.3.2.3   In een eerder advies (11) heeft het EESC al de aanbeveling gedaan om groene openbare aanbestedingen van de grond te helpen krijgen door middel van: het vaststellen van de technische specificaties van „groene” producten (te beginnen met de producten die de grootste impact op het milieu hebben); het vermelden van de kosten van de levensduur van het product of de dienst; het aanleggen van een online beschikbare databank met deze gegevens; het actualiseren van EG-richtlijnen inzake overheidsopdrachten door verwijzingen naar normen, milieubeheersystemen, milieukeurmerken en ecologische ontwerpen op te nemen; en tot slot het publiceren van nationale actieplannen voor de invoering van „groene” overheidsopdrachten. Deze hulp moet vooral gericht zijn om het MKB, omdat dit wat productie en werkgelegenheid betreft zo'n belangrijke plaats inneemt. Dat is ook in overeenstemming met de houding van de Commissie tegenover deze bedrijven.

ICT leent zich er uitstekend voor om de gevolgen van de klimaatverandering te helpen indammen (12). ICT-producten en -diensten kunnen namelijk in de plaats komen van bepaalde goederen en het aantal reizen omlaag brengen (bijvoorbeeld door middel van videoconferenties). Met nieuwe werkmethoden (telewerken), elektronisch factureren, onderwijs op afstand of het gebruik van online-formulieren kan ook een aanzienlijke daling van het gebruik van primaire energie en dus van CO2-emissies worden bereikt

2.3.3.1   Bedrijven kunnen nieuwe inkomstenbronnen aanboren door middel van ICT-oplossingen voor diensten waarmee de efficiëntie van andere sectoren kan worden vergroot. Hierbij valt te denken aan het volgende:

zoeken en benutten van kansen om broeikasgasemissies terug te dringen;

catalogi van mogelijkheden om broeikasgasemissies terug te dringen opstellen voor bedrijven of bedrijfssectoren;

binnen bedrijven een impuls geven aan projecten op het gebied van energie-efficiëntie;

zoeken naar kansen op reductie in de dienstverlening;

broeikasgasemissies gebruiken als indicator van kosten/baten bij de beoordeling van nieuwe projecten.

2.3.3.2   Er is mogelijk wat te zeggen voor het opzetten van „klimaatveranderingsbureaus” in bedrijven die op ICT-gebied actief zijn. Deze bureaus zouden onder meer de volgende taken kunnen krijgen:

het gebruik van duurzame of overtollige energie stimuleren;

de energie-efficiëntie van de processen verhogen om ervoor te zorgen dat deze in overeenstemming zijn met het energiebeleid van de organisatie;

best practices in kaart brengen en verspreiden;

doelstellingen voor de reductie van CO2-emissies vaststellen;

pogen om hun energiemanagementsystemen door een externe organisatie te laten certificeren;

een „energiediagnose” opstellen en daarbij in kaart brengen waar de meeste energie wordt verbruikt.

Brussel, 4 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Een voorbeeld hiervan is de recente studie van de Commissie „The implications of ICT for Energy Consumption” (e-Business Watch, Study report no 09/2008, http://www.ebusiness-watch.org/studies/special_topics/2007/documents/Study_09-2008_Energy.pdf)

(2)  PB L 191 van 22-7-2005, blz. 29

(3)  ICT verwijst naar componenten en systemen voor micro- en nano-elektronica, maar ook naar toekomstige technologieën zoals fotonica die veel meer rekenvermogen zullen bieden voor slechts een fractie van het huidige stroomverbruik, én uiterst heldere, gemakkelijk te bedienen en stroomefficiënte verlichtingstoepassingen.

(4)  PB C 157 van 28-6-2005, blz. 22

(5)  PB C 234 van 30-9-2003, blz. 13, PB C 61 van 14-3-2003, blz. 22 en PB C 94 van 18-4-2002, blz. 23

(6)  PB C 74 van 23-3-2005, blz. 44

(7)  PB C 65 van 17-3-2006, blz. 9; rapporteur: de heer Wolf, corapporteur: de heer Pezzini; „Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007 tot 2013)”.

(8)  EESC-advies 1513/2008, rapporteur: de heer Iozia, „Energie-efficiëntie — eerste beoordeling van nationale actieplannen”.

(9)  Verkennend EESC-advies, rapporteur: de heer Pezzini, PB C 162, de 25.6.2008, blz. 62. „Energie-efficiëntie in gebouwen: bijdrage van de eindgebruiker”.

(10)  PB C 162, de 25.6.2008, blz. 62, paragraaf 1.11.

(11)  PB C 224 van 30-8-2008, blz. 1Milieuvriendelijke productiemethoden”, rapporteur: mevrouw Darmanin.

(12)  Volgens de International Telecommunications Union (ITU) zou deze sector een bijdrage kunnen leveren aan een daling van de CO2-uitstoot van 48,4 ton in aanverwante sectoren als telecommunicatie-methoden op een juiste manier worden toegepast (gezondheidszorg, mobiliteit in steden, publieke overheden enzovoort).


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/92


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Het internet bevorderen Actieplan voor de toepassing van Internet Protocol versie 6 (IPv6) in Europa”

COM(2008) 313 final

(2009/C 175/17)

De Commissie heeft op 27 mei 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Actieplan voor de toepassing van Internet Protocol versie 6 (IPv6) in Europa

COM(2008) 313 final.

Op 8 juli 2008 heeft het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten om de gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij met de voorbereidende werkzaamheden ter zake te belasten.

Gezien de urgente aard van de werkzaamheden heeft het Comité tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december) besloten, de heer McDONOGH als algemeen rapporteur aan te wijzen, en heeft het het volgende advies unaniem goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1   Het Comité is ingenomen met de Mededeling van de Commissie over het actieplan voor de toepassing van Internet Protocol versie 6 (IPv6) in Europa. Het Comité deelt de bezorgdheid van de Commissie over de trage invoering van IPv6 in Europa en vindt ook dat dringend actie moet worden ondernomen om de invoering van een nieuwe versie van het Internet Protocol (IPv6) op grote schaal te ondersteunen.

1.2   De trage invoering van IPv6 zet de Lissabonstrategie, en met name het i2010-initiatief, op de helling (1). Het economisch multiplicatoreffect van internetgebruik en innovatie is enorm belangrijk voor de concurrentiepositie van Europa. Net als de beschikbaarheid van breedband zal de beschikbaarheid van IPv6 een van de grote stuwende krachten achter de interneteconomie zijn. Europa ligt al achter op andere regio's (waaronder China, dat het Next Generation Internet project — CNGI heeft gelanceerd) (2) voor wat de invoering van IPv6 betreft en kan zich niet permitteren om de achterstand op haar belangrijkste handelspartners verder te laten oplopen.

1.3   Het Comité is zeer te spreken over veel van de voorgestelde acties in de Mededeling, maar zou graag zien dat de Commissie er met meer klem op wijst dat de EU onmiddellijk het initiatief moet nemen tot de versnelde invoering van IPv6. Want als de EU niet slagvaardig optreedt, dan is het doel van de Commissie om tegen 2010 minstens 25 % van de Europese internetgebruikers van een IPv6-verbinding te voorzien, veel te optimistisch.

1.4   Het Comité is van mening dat in de Mededeling onvoldoende aandacht wordt besteed aan de privacy- en veiligheidskwesties die worden opgeworpen door de invoering van IPv6 om „het internet van dingen” mogelijk te maken (3). Deze kwesties zijn van groot belang voor de inwoners van de Unie en moeten voortvarend worden aangepakt om de rechten van burgers te beschermen en de aanvaarding van IPv6 te vergemakkelijken.

1.5   Door de migratie naar IPv6 zal de geografische digitale kloof in Europa, die al een ernstig probleem vormt, nog groter worden, tenzij de Commissie specifieke maatregelen neemt om het probleem aan te pakken en ervoor te zorgen dat de achtergebleven gebieden bijzondere aandacht krijgen. In de hele EU moet actie worden ondernomen om ervoor te zorgen dat IPv6 zo snel mogelijk in alle lidstaten beschikbaar is.

1.6   Met IPv6 worden allerlei nieuwe internet-gerelateerde technologieën en diensten geïntroduceerd, die de levenskwaliteit van alle burgers, maar vooral van de minst bevoorrechte groepen (ouderen, gehandicapten, laagopgeleiden), zullen verbeteren. Het Comité is van mening dat de overheid een grote rol moet spelen bij de invoering van IPv6 in de EU en dat de kleinste gemene deler van puur commerciële belangen hierbij niet de leidraad mag zijn.

1.7   Het Comité vestigt de aandacht van de Commissie op zijn eerder uitgebrachte adviezen over de bevordering van het internetgebruik, de bescherming van gegevens, de beveiliging van het internet en de geografische digitale kloof (4).

1.8   In dit advies wil het Comité zijn licht laten schijnen over onderwerpen die aanleiding geven tot specifieke zorg en wil het een aantal aanbevelingen formuleren.

2.   Aanbevelingen

2.1   De Commissie moet een leidende rol spelen op het Europese toneel en zich sterk maken voor de snelle invoering van IPv6 in heel Europa.

2.2   Deze leidende rol moet gebaseerd zijn op een overtuigende visie op de toekomst van het internet na de invoering van IPv6 en de vele voordelen daarvan voor alle belanghebbenden.

2.3   De Commissie moet nauwer samenwerken met internetorganisaties om tot een geïntegreerde aanpak te komen en ten behoeve van de IT-sector Europees leiderschap te tonen met het oog op de snelle invoering van IPv6.

2.4   Overal in de Europese Unie moeten cursussen en trainingen worden georganiseerd om gebruikers zoveel mogelijk inzicht te verschaffen in IPv6-technologie en hen ermee te leren werken.

2.5   Er moet gebruik worden gemaakt van het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) (5) om de kosten van de migratie van IPv4 naar IPv6 voor de kleinere aanbieders van internetdiensten en van inhoud te drukken.

2.6   Het CIP moet ook worden gebruikt voor de ontwikkeling van toepassingen en diensten die als hefboom werken voor het nieuwe protocol.

2.7   Om het evenwicht tussen de belangen van aandeelhouders van Internet Service Providers en de belangen van burgers te herstellen zouden de grote internetaanbieders verplicht moeten worden om in Europees verband een voortrekkersrol te spelen bij de invoering van IPv6 in de hele Unie. Als eis voor de verlenging van de vergunning van internetaanbieders zou verplicht moeten worden gesteld dat zij tegen 2010 volwaardige en onbeperkte IPv6-aansluitingen aanbieden en hun klanten uitgebreid instrueren over het gebruik van het nieuwe protocol.

2.8   De Commissie moet zowel Europees als internationaal het voortouw nemen bij het zoeken naar een oplossing voor de ernstige privacy- en veiligheidskwesties die door de invoering van IPv6 worden opgeworpen.

2.9   Het Comité stelt voor het eventuele probleem van een geografische digitale kloof tussen degenen die wél en degenen die géén toegang hebben tot IPv6 op te lossen door nationale breedbandstrategieën (6) of een soortgelijk instrument. Ook moet, waar nodig, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) worden ingezet om de verspreiding van IPv6 te bevorderen.

3.   Achtergrond

3.1   Samenvatting van het actieplan

Het actieplan is opgezet ter ondersteuning van de invoering van de volgende versie van het Internet Protocol (IPv6) op grote schaal tegen 2010, en wel omdat:

dringende invoering van IPv6 nodig is aangezien de voorraad van IP-adressen van de huidige protocolversie 4 uitgeput raakt;

IPv6 een platform biedt voor innovatie in op IP-gebaseerde diensten en toepassingen en van essentieel belang is om de positie van Europa als koploper van technologie-gestuurde groei te behouden.

3.2   Internet Protocol

Het Internet Protocol (IP) geeft elk voorwerp dat met het internet wordt verbonden een nummer, een adres, zodat het met andere met het internet verbonden voorwerpen in verbinding kan worden gebracht. De huidige versie, IPv4, verschaft nu al meer dan 4 miljard adressen (7). Maar dit aantal zal niet genoeg zijn om gelijke tred te kunnen houden met de voortdurende groei van het internet.

Sinds het eind van de jaren negentig is geleidelijk een nieuw protocol, IPv6, ingevoerd (8). De invoering daarvan gaat echter heel langzaam: slechts een heel klein percentage (>1 %) van al het internetverkeer is IPv6-verkeer (9).

Naar verwachting zal de adresruimte van IPv4 ergens tussen 2010 en 2012 zijn opgebruikt (10). De groei van het internet en ook het vermogen voor innovatie in op IP-gebaseerde netwerken zal worden belemmerd als er geen passende oplossing komt voor het probleem van IPv4-adressen.

3.3   Behoefte aan IPv6

IPv6 biedt een langetermijnoplossing voor het probleem van adresruimte: het aantal IPv6-adressen is gigantisch (3,4 x 1038).

IPv6 stelt elke burger, elke netwerkexploitant en organisaties wereldwijd in staat te beschikken over zoveel IP-adressen als ze nodig hebben om elk denkbaar apparaat of product rechtstreeks te verbinden met het wereldwijde internet. Commissaris Reding zei hierover het volgende: „(…) Als de Europeanen de nieuwste internetfaciliteiten willen gaan gebruiken, zoals„smart tags” in winkels, fabrieken en luchthavens, intelligente energiebesparende verwarmings- en verlichtingssystemen en netwerken en in motorvoertuigen ingebedde navigatiesystemen, zal de vraag naar IP-adressen naar verwachting verduizendvoudigen. (…)” (11).

Een door de Commissie gefinancierde studie (12) liet zien dat dit potentieel aanwezig is voor een aantal marktsectoren zoals thuisnetwerken, gebouwenbeheer, mobiele communicatie, defensie en de veiligheidssector en de auto-industrie.

3.4   IPv6 en internationaal concurrentievermogen

Andere regio's, met name Azië, hebben al grote belangstelling getoond voor IPv6.

3.5   Overgang naar IPv6

Gedurende een overgangsfase (die waarschijnlijk meer dan 20 jaar zal duren) zullen IPv4 en IPv6 naast elkaar bestaan op dezelfde machines en via dezelfde netwerkverbindingen worden verstuurd. Tijdens deze overgangsperiode zullen dure aanpassingsmechanismen worden gebruikt om ook het oude IPv4 nog te kunnen verwerken; hierbij valt te denken aan overlay-technieken als dual stack en tunnelling, en aan noodgrepen als NAT (Network Address Translation) en IPv4-adresveilingen.

3.6   Belanghebbenden

Bij de invoering van IPv6 zijn wereldwijd tal van actoren betrokken:

Internetorganisaties (zoals ICANN, RIRs, en IETF), die de gemeenschappelijke IPv6-bronnen en –diensten moeten beheren;

Internet Service Providers (ISP's), die tijd nodig hebben om IPv6-verbindingsmogelijkheden en op IPv6-gebaseerde diensten aan klanten aan te bieden;

Infrastructuuraanbieders, die producten moeten aanbieden die gebruik kunnen maken van IPv6;

Aanbieders van inhoud en diensten (zoals websites, instant messaging, e-mail enz.), die bereikbaar moeten zijn door IPv6 op hun servers te ondersteunen;

Aanbieders van toepassingen voor bedrijven en consumenten, die ervoor moeten zorgen dat hun oplossingen IPv6-compatibel zijn en steeds meer producten moeten ontwikkelen en diensten moeten aanbieden die gebruik maken van IPv6-functies;

Eindgebruikers (consumenten, bedrijven, de academische wereld en overheden), die IPv6-compatibele producten en diensten moeten kopen en IPv6 op hun eigen netwerken gebruiken.

3.7   Kosten van de invoering van IPv6

Het is onmogelijk een betrouwbare raming te geven van de kosten van de invoering van IPv6 wereldwijd. Met een gestage stapsgewijze invoering van IPv6 door de verschillende belanghebbenden zullen de kosten binnen de perken kunnen worden gehouden.

3.8   De noodzaak van beleidsmaatregelen op Europees niveau

De voordelen van de invoering van IPv6 zijn voor de meeste belanghebbenden momenteel niet onmiddellijk zichtbaar. Zij openbaren zich pas op langere termijn en daarom nemen veel belanghebbenden een afwachtende houding aan.

Dit heeft al met al geleid tot de vertraging bij de brede invoering van IPv6; tenzij nu positieve actie wordt ondernomen, bevindt Europa zich „in een slechte positie (…) om te profiteren van de meest recent internettechnologie en wordt zij geconfronteerd met een crisis wanneer in het oude systeem plots geen nieuwe adressen meer te vinden zijn (13). Passende beleidsmaatregelen op Europees niveau zouden een marktprikkel kunnen geven door mensen en organisaties aan te moedigen positieve stappen te ondernemen.

3.9   Door de Commissie voorgestelde maatregelen

3.9.1   Invoering van IPv6 op grote schaal in Europa vóór 2010

3.9.2   Acties om de toegankelijkheid van IPv6 tot inhoud, diensten en toepassingen te verbeteren

Samenwerking met de lidstaten om IPv6-toegang te kunnen verschaffen tot netwerken van de openbare sector en eGovernment-diensten.

Verzoek aan de belanghebbenden in het bedrijfsleven om IPv6 als hun primaire platform beschouwen voor de ontwikkeling van toepassingen of apparaten.

Financiële steunverlening, via specifieke ondersteunende acties, om de interoperabiliteit van netwerken te verbeteren.

Bevordering van het gebruik van IPv6, indien mogelijk, bij onderzoeksprojecten die gefinancierd worden via het Zevende Kaderprogramma.

3.9.3   Acties om vraag te genereren voor IPv6-connectiviteit en –producten via openbare aanbestedingen

Aanmoediging van lidstaten om zich voor te bereiden op IPv6 binnen hun eigen netwerken.

3.9.4   Acties om te zorgen voor een tijdige voorbereiding op de invoering van IPv6

Opzetten van doelgerichte bewustmakingscampagnes voor de verschillende gebruikersgroepen.

Voeren van „specifieke ondersteunende acties” (middels het zevende kaderprogramma) om praktische kennis over de invoering te verspreiden.

Aanmoediging van internetproviders om hun klanten vóór 2010 volledige IPv6-connectiviteit te bieden.

3.9.5   Acties om veiligheids- en privacykwesties aan te pakken

De Commissie zal toezicht houden op de privacy en veiligheidsimplicaties van de invoering van IPv6 op grote schaal, met name door middel van overleg met belanghebbenden zoals autoriteiten op het gebied van gegevensbescherming of wetshandhaving.

Bezorgdheid werd geuit wat betreft IPv6 en privacy, met name binnen de Groep gegevensbescherming „artikel 29” (14).

3.10   Uitvoering van het actieplan

Het actieplan moet de komende drie jaar worden uitgevoerd.

De Commissie zal de activiteiten van internetorganisaties blijven volgen en, daar waar nodig, bijdragen leveren aan het debat.

De Commissie zal periodiek verslag uitbrengen aan de i2010 High Level Group over de vooruitgang die wordt geboekt.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   De overgang naar IPv6 is van cruciaal belang omdat de voorraad van IP-adressen van de huidige protocolversie — IPv4 — snel op raakt: naar verwachting zullen de IPv4-adressen nog vóór 2012 op zijn. Tenzij IPv6 versneld wordt ingevoerd, zal de groei van het internet dramatisch afnemen en zullen de kosten van het internetgebruik negatief worden beïnvloed door het voortbestaan van IPv4 in EU-netwerken. Deze vertraging zal de elektronische handel op alle fronten duurder maken, de IP-gerelateerde innovatie vertragen en de economische groei afremmen.

4.2   De Commissie constateert dat er weinig vooruitgang is geboekt met de introductie van een nieuw protocol omdat er geen centrale autoriteit is die de invoering van IPv6 kan sturen. Het Comité stelt vast dat sommige landen en belanghebbenden op nationaal niveau programma's hebben opgezet om de invoering van IPv6 te bevorderen, maar is ontevreden over de steun die de overstap op IPv6 tot dusver van de Europese Unie heeft gekregen.

Het Comité vreest dat men te veel op commerciële belangen heeft vertrouwd, met name op de aanbieders van internetdiensten, waarvan werd verwacht dat zij voor de invoering van IPv6 zouden zorgen. Dat is helaas niet het geval geweest. De economische en sociale gevolgen van de trage invoering van IPv6 zijn te groot om de zaak aan commerciële partijen over te laten; de invoering van IPv6 is een zaak van de overheid. De Commissie moet dan ook pleiten voor een grotere rol van de EU, die dringend met gepaste beleidsmaatregelen en instrumenten aan de slag moet.

4.3   Het ontbreken van effectieve maatregelen om IPv6 in te voeren zet de Lissabonstrategie, en met name het i2010-initiatief, op de helling (1). Het economisch multiplicatoreffect van internetgebruik en innovatie is enorm belangrijk voor de concurrentiepositie van Europa. wij kunnen ons niet permitteren om later dan onze belangrijkste handelspartners over te stappen op IPv6. Hoewel sommige EU-landen bijzondere inspanningen hebben geleverd om hun land klaar te stomen voor IPv6, verloopt de invoering van IPv6 in de EU trager dan in andere regio's.

4.4   Onder de vlag van „internet governance” moet de Commissie zowel Europees als internationaal het voortouw nemen in de zoektocht naar een oplossing voor de privacy- en veiligheidskwesties die door de invoering van IPv6 worden opgeworpen. Met behulp van IPv6 en van technologieën als radiofrequentie-identificatie (RFID) zullen miljarden voorwerpen kunnen worden opgenomen in het „internet van dingen”, hetgeen vragen over serieuze en ingewikkelde zaken als bescherming van persoonsgegevens en veiligheid opwerpt.

De Commissie zal begin 2009 met voorstellen komen voor de bescherming van kritische informatie-infrastructuren, zodat beter kan worden ingespeeld op de behoefte aan beveiliging van het internet (15). Het Comité hoopt dat die voorstellen doortastende maatregelen bevatten om de problemen die gepaard gaan met de invoering van IPv6 het hoofd te bieden.

4.5   Het wachten is nu op de aanbeveling van de Commissie over de privacy-aspecten van RFID en over het beheer van het internet van dingen (16). Met het nieuwe IPv6-protocol zullen de aansluitmogelijkheden expansief toenemen: vele miljarden alledaagse voorwerpen (auto's, kleding, gereedschap) kunnen met hun eigen unieke IP-adres met het internet worden verbonden. Om mevrouw Reding te citeren: „Wij moeten met deze risico's kunnen omgaan, als we willen dat het potentieel van het „internet van dingen” volledig wordt benut ten gunste van de economische groei. Het is daarbij vooral zaak de bezorgdheid van de burger weg te nemen, omdat deze nieuwe technologieën anders nooit zullen worden geaccepteerd (15).

4.6   De Commissie moet Europees leiderschap tonen om de snelle invoering van IPv6 in heel Europa te bevorderen. Dit leiderschap moet gebaseerd zijn op een overtuigende visie op de toekomst van het web dat gebruik maakt van IPv6 — „het internet van dingen”, „intelligente omgeving” (17) enz. — en de vele voordelen daarvan voor alle belanghebbenden.

4.7   Deze visie moet met gepaste, op de doelgroep (aanbieders van internetdiensten, van inhoud en van toepassingen, en eindgebruikers) afgestemde boodschappen via allerlei kanalen in een informatiecampagne op Europese schaal wereldkundig worden gemaakt.

4.8   De invoering van IPv6 zal soepeler verlopen indien cursussen en trainingen worden georganiseerd. De technologie is veel geavanceerder dan IPv4 en vergt een gedegen training om goed te worden toegepast. De Commissie, de regeringen van de lidstaten, de aanbieders van internetdiensten en andere relevante instanties moeten ervoor zorgen dat alle doelgroepen van gebruikers gemakkelijk ergens een IPv6-cursus of –training kunnen volgen.

4.9   De Commissie moet nauwer samenwerken met internetorganisaties als o.a. de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN), Réseaux IP Européens (RIPE), Regional Internet Registries (RIRs), Internet Engineering Task Force (IETF) om tot een geïntegreerde aanpak te komen en ten behoeve van de IT-sector Europees leiderschap te tonen met het oog op de snelle invoering van IPv6.

4.10   De rol van de aanbieders van internetdiensten is van cruciaal belang bij de invoering en ingebruikneming van IPv6. Vanwege de bedreiging die Voice over Internet Protocol (VoIP) vormt voor hun huidige inkomstenmodellen staan internetproviders die ook mobiele- of vaste telefoondiensten aanbieden, weigerachtig tegenover IPv6 en de revolutie die hierdoor teweeg gebracht wordt. Maar de beperkte commerciële belangen van aandeelhouders van Internet Service Providers mogen de belangen van alle EU-burgers geen schade berokkenen. Grote internetproviders moeten via sancties, strafmaatregelen en vergunningsregels worden verplicht om als eersten de invoering van IPv6 in de hele EU aan te vatten. Zij hebben de macht en de middelen om hun stempel te drukken op het probleem.

4.11   Er moet gebruik worden gemaakt van het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) (5) om de kosten van de overstap van IPv4 op IPv6 voor de kleinere aanbieders van internetdiensten en inhoud te drukken. Het CIP moet ook worden gebruikt voor de ontwikkeling van toepassingen en diensten die als hefboom werken voor het nieuwe protocol.

4.12   Het Comité is van mening dat in de Mededeling onvoldoende aandacht wordt besteed aan de privacy- en veiligheidskwesties die door de invoering van IPv6 worden opgeworpen. Deze aspecten zijn van groot belang voor de inwoners van de Unie en moeten voortvarend worden aangepakt om de rechten van burgers te beschermen, het vertrouwen te vergroten en de aanvaarding van IPv6 te vergemakkelijken.

4.13   De geografische digitale kloof (18) in Europa zal door de overgang naar IPv6 nog groter worden, tenzij de Commissie speciale maatregelen treft om dit probleem te verhelpen. In sommige landen van de Unie zijn nationale programma's opgezet om ervoor te zorgen dat alle internetgebruikers tegen 2010 versie 6 van het internetprotocol gebruiken. In de hele EU moet actie worden ondernomen om ervoor te zorgen dat IPv6 zo snel mogelijk in alle lidstaten beschikbaar is.

4.14   Het Comité stelt voor het eventuele probleem van een geografische digitale kloof tussen degenen die wél en degenen die géén toegang hebben tot IPv6 op te lossen door nationale breedbandstrategieën (6) of een soortgelijk instrument. Ook moet, waar nodig, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) worden ingezet om de invoering van IPv6 te bevorderen.

Brussel, 3 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  COM(2005) 229 final „i2010 — Een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid”

(2)  http://www.ipv6.com/articles/general/IPv6-Olympics-2008.htm

(3)  Zie de adviezen CESE over „Radiofrequentie-identificatie (RFID)” (PB C 256 van 27.10.2007 (blz. 66) en CESE over „Het internet van dingen” (PB C 77 van 31.3.2009, blz. 60).

(4)  Zie bijv. de adviezen CESE over „De informatiemaatschappij/Computercriminaliteit” (PB C 311 van 7.11.2001, blz. 12), over „Netwerk- en informatieveiligheid” (PB C 48 van 21.2.2002, blz. 33), over „Veiliger gebruik van het internet” (PB C 157 van 28.6.2005, blz. 136), over „E-zakendoen/Go Digital” (PB C 108 van 30.4.2004, blz. 23), over „Een strategie voor een veilige informatiemaatschappij” (PB C 97 van 28.4.2007, blz. 21).

(5)  Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013).

(6)  „Snelle verbindingen voor Europa: Nationale breedbandstrategieën”, COM(2004) 369

(7)  IPv4 wordt gespecificeerd in RFC 791, 1981. RFC staat voor „verzoek om commentaar”. Zie ook „Internet Engineering Task Force — Task force internettechnologie” (IETF); http://www.ietf.org

(8)  RFC 2460, 1998. http://www.ietf.org/html.charters/OLD/ipv6-charter.html and http://www.ietf.org/html.charters/6man-charter.html.

(9)  „Tracking the Ipv6 Migration”, onderzoeksrapport van Arbor Networks, augustus 2008; http://www.arbornetworks.com/en/ipv6-report.html.

(10)  http://www.potaroo.net/tools/ipv4/index.html, http://www.tndh.net/~tony/ietf/ipv4-pool-combined-view.pdf.

Voor een vroegere raming met een beschrijving van de analytische achtergrond: http://www.cisco.com/web/about/ac123/ac147/archived_issues/ipj_8-3/ipv4.html

(11)  IP/08/803 Brussel, 27 mei 2008.

(12)  „Impact of IPv6 on Vertical Markets”, oktober 2007 (http://ec.europa.eu/information_society/policy/ipv6/docs/short-report_en.pdf).

(13)  IP/08/803 Brussel, 27 mei 2008.

(14)  Advies 2/2002 betreffende het gebruik van unieke identificatiecodes in eindapparatuur voor telecommunicatie: het voorbeeld van IPV6, http://ec.europa.eu/justice_home/fsj/privacy/docs/wpdocs/2002/wp58_en.pdf.

(15)  Toespraak /08/336, 17/6/2008, „Seizing the Opportunities of the Global Internet Economy”, tijdens een ministersbijeenkomst van de OESO over „De toekomst van de interneteconomie” in Seoul, Korea, op 17-18 juni 2008.

(16)  http://en.wikipedia.org/wiki/Internet_of_Things and http://www.itu.int/osg/spu/publications/internetofthings/InternetofThings_summary.pdf.

(17)  http://en.wikipedia.org/wiki/Ambient_intelligence.

(18)  COM(2003) 65, COM(2003) 673, COM(2004) 61, COM(2004) 369, COM(2004) 380.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/97


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een Verordening (EG) nr. …./…. van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 219/2007 van de Raad betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming voor de realisering van het Europese nieuwe generatie luchtverkeersbeveiligingssysteem (SESAR)”

COM(2008) 483 final — 2008/0159 (CNS)

(2009/C 175/18)

Op 4 september 2008 heeft de Raad besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 171 en 172 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

„Voorstel voor een Verordening (EG) nr. …./…. van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 219/2007 van de Raad betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming voor de realisering van het Europese nieuwe generatie luchtverkeersbeveiligingssysteem (SESAR)”

COM(2008) 483 final –2008/0159 (CNS).

Op 16 september 2008 heeft het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten de gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden te belasten.

Gezien de urgentie van de werkzaamheden heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december) mevrouw NOUAIL MARLIERE als rapporteur aangewezen en daarna het volgende advies met 99 stemmen vóór en 16 stemmen tegen, bij 10 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Comité steunt het voorstel om de verordening en de statuten van de gemeenschappelijke onderneming SESAR te harmoniseren.

1.2   Het Comité adviseert de Commissie een beter voorbeeld te geven van de gelijke behandeling van SESAR-personeel dat gedetacheerd is en SESAR-personeel dat is aangeworven, wat betreft contractduur en inschaling na voltooiing van het programma voor de realisering van het Europese nieuwe generatie luchtverkeersbeveiligingssysteem.

2.   Commissievoorstel

2.1   Het Comité is verzocht advies uit te brengen over het voorstel om de verordening en de statuten van de gemeenschappelijke onderneming SESAR (1) af te stemmen op de nieuwe aanpak van de EU voor de oprichting van andere gemeenschappelijke ondernemingen die uit hoofde van het 7e kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling (KP7) zijn opgericht: CLEAN SKY (2), ENIAC (3), IMI (4), ARTEMIS (5) et FCH (6). Het Comité heeft over al deze voorstellen, op één na, advies uitgebracht.

Status van de gemeenschappelijke onderneming SESAR

2.2.1   De gemeenschappelijke onderneming SESAR bestaat juridisch gezien sinds 3 maart 2007 en is gevestigd in Brussel. Er zijn twee stichtende leden: de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, en Eurocontrol, vertegenwoordigd door haar agentschap.

2.2.2   Onmiddellijk na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 219/2007 werd begonnen met de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming SESAR. In 2007 werden het bestuur (bestaande uit de raad van bestuur en de uitvoerend directeur) en een aanvankelijke administratieve structuur opgezet.

2.2.3   In juni 2007 publiceerde de gemeenschappelijke onderneming SESAR een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor het kandidaatlidmaatschap. Dit leidde tot een voorselectie van 15 kandidaten, die een sterke eerste kerngroep moesten vormen om de ontwikkeling van SESAR in gang te zetten. De 15 kandidaatleden vertegenwoordigen de grote belanghebbende partijen op het gebied van de luchtverkeersleiding (bedrijfsleven): luchtnavigatiedienstverleners, luchthavens en toeleveranciers. De eerste bijdragen die de gemeenschappelijke onderneming SESAR werden aangeboden, liepen op tot meer dan 1,4 miljard euro.

2.2.4   Het bedrijfsleven heeft zijn inzet voor het programma al in de definitiefase getoond en nu bevestigd. Het heeft met de gemeenschappelijke onderneming samengewerkt om het eens te worden over de manier waarop binnen SESAR in partnerschapsverband gewerkt kan worden. Er is enorm veel bereikt: de O&O-activiteiten op het gebied van luchtverkeersbeveiliging zijn afgestemd op SESAR en de nodige middelen zijn beschikbaar gesteld. Eind 2008 zal het lidmaatschapsproces worden afgerond, zodat de ontwikkelingsactiviteiten begin 2009 in gang gezet kunnen worden.

2.2.5   In artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 219/2007 staat het volgende: „De lidstaten nemen alle mogelijke maatregelen om de gemeenschappelijke onderneming de ruimst mogelijke belastingvrijstelling te verlenen, met name van BTW en andere belastingen en accijnzen”. De verordening voorziet echter niet in een rechtsgrondslag waarbij de gemeenschappelijke onderneming is vrijgesteld van belastingen en accijnzen of andere voordelen die voortvloeien uit het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten die worden verleend aan EU-instellingen of organen. Evenmin wordt bepaald dat de arbeidsvoorwaarden van het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de regeling voor andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn op het personeel van SESAR. Dit betekent dat de gemeenschappelijke onderneming SESAR en haar personeelsleden onder de Belgische belasting- en arbeidswetgeving vallen.

2.2.6   De administratieve uitgaven die de specifieke status van SESAR met zich meebrengt worden geraamd op 300 miljoen euro (over de gehele looptijd genomen). Daarvan gaat 290 miljoen euro op aan BTW en andere belastingen die de gemeenschappelijke onderneming SESAR moet betalen. De resterende 10 miljoen euro houdt verband met personeelskosten.

2.2.7   Dit bedrag zal worden betaald uit de bijdragen van de leden aan de gemeenschappelijke onderneming SESAR en met name uit de O&O-middelen; het gaat dus ten laste van de financiering van ontwikkelingsactiviteiten.

Voorgestelde wijziging

2.3.1   Bij de onderhavige aanpassing van Verordening 219/2007 wordt rekening gehouden met het feit dat de gemeenschappelijke onderneming SESAR een andere juridische status had toen haar activiteiten in gang werden gezet. Samengevat wordt nu het volgende voorgesteld:

erkenning van de GOS (gemeenschappelijke onderneming SESAR) als communautair orgaan (artikel 2 van de Verordening);

toepassing van het personeelsstatuut van de Europese Gemeenschappen, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en de gezamenlijk door de instellingen van de Europese Gemeenschappen vastgestelde regels op GOS-personeelsleden (artikel 2, onder a) van de verordening);

toepassing van het Protocol betreffende voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen op de GOS, haar personeelsleden en de uitvoerend directeur (artikel 2, onder b) van de verordening);

aanpassing van de bepalingen inzake aansprakelijkheid (artikel 2, onder c) van de verordening);

aanpassing van de bepalingen inzake de jurisdictie van het Hof van Justitie en de toepasselijke wetgeving (artikel 2, onder d) van de verordening);

kwantificering van de bijdrage van de Gemeenschap en vaststelling van praktische regelingen voor de overdracht aan de GOS (artikel 4, lid 2, van de verordening);

wijziging van de bepaling in verband met de wijziging van de GOS-statuten (artikelen 3, lid 2, & 5, lid 4, van de verordening en 24, lid 2, van de statuten). Deze wijziging houdt geen verband met de aanpassing van de GOS-status. Het is een correctie van de procedure voor de goedkeuring van wijziging van de statuten door middel van een regelgevende comitéprocedure waarbij het Comité voor het gemeenschappelijk luchtruim betrokken wordt. De formulering van de oorspronkelijke bepaling brengt dit voornemen echter onvoldoende tot uitdrukking en moet derhalve worden aangepast;

aanpassing van artikel 185 van het Financieel Reglement m.b.t. de vaststelling van de financiële regels in overeenstemming met de financiële kaderregeling voor de in artikel 185 van het Financieel Reglement bedoelde organen (artikel 4, onder a) van de verordening) en de kwijting (artikel 4, onder b), van de verordening) en presentatie van de begroting (artikel 15, lid 2, & lid 4, van de statuten);

aanpassing van de procedure voor de benoeming van de uitvoerend directeur (artikel 7, lid 5, van de statuten);

aanpassing van de bepalingen met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap (artikel 17, lid 3, van de statuten);

overgangsbepalingen voor de overstap van GOS-personeel naar het EG-personeelsstatuut (artikel 2 van het voorstel).

3.   Algemene opmerkingen

3.1   Het Comité stemt in met de algemene doelstelling van de Commissie om lering te trekken uit de ervaringen die met het beheer van de gemeenschappelijke onderneming Galileo en de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming SESAR (7) zijn opgedaan, de Raad aan te sporen de status van de gemeenschappelijke onderneming SESAR te verduidelijken en, rekening houdend met het toenemende aantal gemeenschappelijke technologie-initiatieven in het kader van het 7e KP, te zorgen voor samenhang met de algemene aanpak van gemeenschappelijke ondernemingen.

3.2   Het Comité steunt de inspanningen om de financiële middelen van SESAR zodanig te verdelen dat de nadruk ligt op onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten om de beveiliging van de burgerluchtvaart te harmoniseren. Een wijziging van de status van de gemeenschappelijke onderneming SESAR zal volgens de Commissie ca. 290 miljoen euro opleveren dankzij de vrijstelling van BTW en andere belastingen en heffingen. Daarnaast mag het SESAR-personeel vrijwillig overstappen op het EG-personeelsstatuut, hetgeen een verbetering inhoudt. Dit levert een administratieve kostenbesparing op (10 miljoen euro) terwijl de salarissen, voordelen en aanvullende pensioenrechten er niet op achteruit gaan, aangezien de Commissie er bij de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming SESAR voor gezorgd heeft dat in de SESAR-statuten staat dat de arbeidsvoorwaarden „gebaseerd moeten worden op die van het personeel van de Europese Gemeenschappen”.

3.3   Het Comité stelt tot zijn tevredenheid vast dat de communautaire controle over SESAR door de communautaire financiële regels, de kwijting, het strategische beheer en de personele hulpmiddelen versterkt zal worden. Dit voorstel sluit aan bij hetgeen het Comité in zijn vorige advies over SESAR stelde: „…is het absoluut noodzakelijk dat er een juridische entiteit wordt opgericht die in staat is om gedurende de uitvoeringsfase te zorgen voor een gecoördineerd beheer van de voor het SESAR-project bestemde middelen”. Het voorstel zou ook het toezicht op het project ten goede moeten komen. Het Comité stelt vast dat de verantwoordelijkheid van de Commissie aldus wordt vergroot voor een programma dat voor zo'n 700 miljoen euro door de EU, 700 miljoen euro door Eurocontrol en 700 miljoen euro door de luchtvaartindustrie wordt gefinancierd, waarbij de bijdragen van deze laatste twee partners hoofdzakelijk in natura zullen zijn. De bespaarde BTW over deze bijdragen zal ten goede komen aan de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten.

3.4   De ontwikkelingsfase van de gemeenschappelijke onderneming SESAR moet begin 2009 ingaan om de deelname van het bedrijfsleven te waarborgen en de betrokken bedrijven in staat te stellen om hun activiteiten af te stemmen op de doelstellingen van SESAR. Het Comité pleit er dan ook net als de Commissie voor om de voorgestelde verordening snel goed te keuren, zodat de overeenkomsten met de SESAR-leden aangepast kunnen worden aan de nieuwe bepalingen. Gezien het concurrerende NextGen-initiatief van de Verenigde Staten is het niet wenselijk dat SESAR vertraging oploopt.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   De looptijd van de gemeenschappelijke onderneming SESAR bedraagt acht jaar, waarna de gedetacheerde personeelsleden zullen terugkeren naar Eurocontrol of de diensten van de Commissie waar zij vandaan komen. De contracten van personeelsleden die extern zijn aangeworven zullen worden beëindigd volgens de voorwaarden die bij hun aanwerving zijn vastgesteld. Het Comité constateert dat daarmee een precedent wordt geschapen (oprichting van een onderneming voor een bepaalde termijn) en dat hieraan consequenties zijn verbonden in die zin dat sommige banen relatief onzeker zijn. Het adviseert de Commissie een beter voorbeeld te geven wat de gelijke behandeling van deze verschillende soorten SESAR-personeelsleden betreft.

4.2   Het Comité is zich bewust van de specifieke kenmerken van de sector (soevereiniteit van de lidstaten t.a.v. hun luchtruim, publiek-private samenwerking, bepaalde diensten van nationaal belang) en vindt dat bij de doelstelling van de gemeenschappelijke onderneming SESAR, nl. harmonisatie en onderzoek om tot een optimale beveiliging van de Europese luchtvaart te komen, niet alleen mag worden gekeken naar de technische of commerciële kant (apparatuur, routes); men dient oog te hebben voor het feit dat de desbetreffende maatregelen worden uitgevoerd door mensen (mannen en vrouwen die een bijdrage leveren; zij zouden beslist meer bij de maatregelen betrokken moeten worden en er zou meer rekening met hen gehouden moeten worden).

4.3   Het Comité neemt kennis van het besluit dat de Raad van Bestuur van de gemeenschappelijke onderneming SESAR op 24 april 2008 heeft genomen tijdens een vergadering waaraan werd deelgenomen door vertegenwoordigers van de Commissie, Eurocontrol, het leger, luchtruimgebruikers, verleners van luchtnavigatiediensten, toeleveranciers, luchthavens, personeel uit de luchtverkeersleidingssector, de wetenschap, alsook de uitvoerend directeur, de ad-interimdirecteur financiële en administratieve zaken en het secretariaat, waarin het „de beginselen van de voorziene wijzigingen van de statuten en de betrokken procedure steunt” („endorses the principles for the contemplated modification of the Statutes and the related process”).

Brussel, 3 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Opgericht bij Verordening (EG) nr. 219/2007 van de Raad van 27.02.2007; CESE PB C 309 van 16.12.2006, blz. 133

(2)  Verordening (EG) nr. 71/2008 van de Raad van 20.12.2007, PB L 30 van 4.2.2008, blz. 1

(3)  Verordening (EG) nr. 72/2008 van de Raad van 20.12.2007, PB L 30 van 4.2.2008, blz. 21

(4)  Verordening (EG) nr. 73/2008 van de Raad van 20.12.2007, PB L 30 van 4.2.2008, blz. 38

(5)  Verordening (EG) nr. 74/2008 van de Raad van 20.12.2007, PB L 30 van 4.2.2008, blz. 52

(6)  Verordening (EG) nr. 521/2008 van de Raad van 30.05.2008, PB L 153 van 12.6.2008, blz. 1

(7)  SESAR is na GALILEO pas de tweede gemeenschappelijke onderneming op grond van artikel 171 van het Verdrag.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/100


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het concurrentievermogen van de metaalindustrie — Een bijdrage tot de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid”

COM(2008) 108 final — SEC(2008) 246

(2009/C 175/19)

De Europese Commissie heeft op 22 februari 2008 besloten om, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, het Europees Economisch en Sociaal Comité te verzoeken een advies op te stellen over de

„Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het concurrentievermogen van de metaalindustrie — Een bijdrage tot de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid”

COM(2008) 108 final — SEC(2008) 246.

De adviescommissie Industriële reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer ZÖHRER, corapporteur de heer CHRUSZCZOW.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 160 stemmen vóór en 6 tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De enorme feitelijke meerwaarde die in de metaalindustrie en de afnemende productiesectoren wordt gerealiseerd, levert een onontbeerlijke bijdrage aan de ontwikkeling van de Europese economie als geheel. De metaalindustrie heeft te maken met wereldwijde concurrentie en heeft de afgelopen jaren steeds weer ingrijpende veranderingen en herstructureringen ondergaan.

1.2   In de toekomst zullen herstructureringen nauw verband houden met de toenemende mondialisering in de ketens van toegevoegde waarde in de metaalindustrie (van grondstoffen tot verwerking). Dit vereist een nieuwe aanpak in het industriebeleid die gericht is op innovatie, vaardigheden en eerlijke concurrentievoorwaarden wereldwijd.

In grote lijnen is het Comité het eens met door de Commissie gemaakte analyse van de kenmerken van de metaalsector. Daarbij dient in het oog te worden gehouden dat de metaalindustrie geen homogene sector is, en dat het daarom moeilijk is om algemene uitspraken te doen. Veel maatregelen die de Commissie voorstelt, zijn iets te algemeen. Het Comité roept de Commissie op om als follow-up van deze Mededeling een tijdschema met concretere maatregelen op te stellen, dat tevens betrekking heeft op de afzonderlijke subsectoren.

1.3.1   Het Comité pleit ervoor om zelf onderzoek te doen naar de afzonderlijke sectoren, welk onderzoek op basis van de met de EGKS opgedane ervaringen moet worden gemonitord en gepaard moet gaan met een sociale dialoog.

1.4   Ten aanzien van het energiebeleid dringt het Comité aan op maatregelen waarmee een energievoorziening wordt gewaarborgd die gebaseerd is op transparantie van markt en prijzen en op vaste leveringscontracten. Leemten in de energievoorziening moeten worden opgevuld. Verder zij gewezen op het belang van hernieuwbare energiebronnen en op de bijdrage die de industrie zelf kan leveren aan de opwekking van elektriciteit en warmte.

Wat het milieubeleid betreft gaat het er vooral om, oplossingen te vinden die de doelstellingen van klimaatbescherming in overeenstemming brengen met het streven naar groei, werkgelegenheid en wereldwijd concurrentievermogen. Om concurrentienadelen voor de Europese metaalindustrie te voorkomen, dringt het Comité aan op:

voorrang voor internationale overeenkomsten;

verspreiding van de beste en meest energie-efficiënte technologieën;

inachtneming van reeds gedane investeringen;

inachtneming van de technische capaciteit van de afzonderlijke sectoren om emissies te reduceren;

snelle besluitvorming omtrent het risico van verplaatsing van CO2-emissiebronnen (carbon leakage).

1.5.1   Het Comité is het eens met de voorstellen van de Commissie inzake de IPPC-richtlijn, de afvalwetgeving, REACH en standaardisering, maar zou graag zien dat de afzonderlijke voorstellen concreter worden ingevuld.

1.6   In de toekomst zullen hergebruik van grondstoffen en vermindering van de materiaalintensiteit (onderzoek naar vervangende materialen) een steeds grotere rol spelen voor zowel de milieubescherming als het handelsbeleid.

1.7   Het Comité steunt het streven van de Commissie om innovatie, onderzoek en ontwikkeling te intensiveren en vaardigheden te verbeteren. Een voorbeeld hiervan is het project ULCOS (Ultra low CO2-steelmaking) in het kader van het Europese platform voor staaltechnologie (European Steel Technology Platform; ESTEP). Ten aanzien van het tweede deel van het Zevende kaderprogramma doet het Comité de aanbeveling om de doeltreffendheid van de huidige programma's onder de loep te nemen; het pleit voor meer coördinatie en steun hiervoor. Op het gebied van (bij)scholing zijn aanzienlijke investeringen in het kennisreservoir nodig.

1.8   In het licht van de mondiale concurrentie zijn handelsvraagstukken voor de metaalindustrie van groot belang. Het Comité is het met de Commissie eens dat over handelskwesties een intensieve dialoog met derde landen moet worden gevoerd. WTO-instrumenten voor het handelsbeleid ter bestrijding van praktijken die nadelig zijn voor de Europese metaalindustrie moeten echter beschikbaar blijven.

1.9   De metaalindustrie ziet zich geplaatst voor grote sociale uitdagingen, zoals:

nieuwe herstructureringen;

vergrijzend personeel;

strenger wordende eisen aan vaardigheden;

veiligheid en bescherming van de gezondheid.

Het Comité is enigszins verrast dat de Commissie geen concrete maatregelen voorstelt of aanbevelingen doet ten aanzien van de sociale aspecten die ze in haar Mededeling noemt. Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om de sociale dialoog in de betreffende sectoren te (blijven) bevorderen, aangezien dit het juiste instrument is om deze kwesties te bespreken.

2.   Motivering/Inhoud van de Mededeling

2.1.   In deze mededeling wordt het concurrentievermogen van de metaalindustrie beoordeeld en worden aanbevelingen voor de toekomst gedaan. De mededeling is een vervolg op de mededeling van de Commissie van 2005 over het industriebeleid van de EU, waarin verschillende sectorspecifieke initiatieven werden aangekondigd, waaronder een mededeling waarin wordt vastgesteld welke weerslag de aanvoer van grondstoffen en energie op het concurrentievermogen van de Europese metaalindustrie heeft (1). Hierbij wordt tevens rekening gehouden met de tussentijdse evaluatie van het industriebeleid van 2007 (2).

2.2.   Aangezien de metaalindustrie per definitie een energie-intensieve sector is, is het communautaire beleid op het gebied van energie en klimaatverandering rechtstreeks van invloed. De Europese Raad verklaarde in maart 2007 dat „gezien het grote belang van de energie-intensieve sector, kosteneffectieve maatregelen moeten worden genomen om het concurrentievermogen en het milieueffect van deze Europese industrieën te verbeteren.” Daarom wordt in het pakket inzake klimaatmaatregelen en hernieuwbare energie van 23 januari 2008 rekening gehouden met de specifieke situatie van energie-intensieve bedrijfstakken die rechtstreeks aan wereldwijde concurrentie zijn blootgesteld.

2.3.   De Commissie stelt een pakket van 16 maatregelen op het gebied van energie, milieu, standaardisering, innovatie, onderzoek en ontwikkeling, vaardigheden, externe betrekkingen en handelsbeleid voor.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.   Het Comité verwelkomt in grote lijnen de sectorspecifieke maatregelen van de Commissie ter bevordering van het concurrentievermogen en het behoud van de werkgelegenheid, zoals het eerder heeft gedaan in zijn advies over de Mededeling van de Commissie „Uitvoering van het communautair Lissabonprogramma: een beleidskader ter versterking van de EU-industrie Naar een beter geïntegreerde aanpak van het industriebeleid” (COM(2005) 474 final) van 20 april 2006.

De metaalindustrie is een uiterst belangrijk onderdeel van de keten van toegevoegde waarde van veel industrieën. Zo blijkt uit berekeningen van de metaalsector dat afnemende sectoren van de staalindustrie een omzet van 3 157 miljard euro realiseren en werk verschaffen aan 23 miljoen werknemers (zie bijlage 1). Helaas zijn voor de overige takken van de metaalindustrie geen gegevens beschikbaar. Staalproducten worden op grote schaal gebruikt als belangrijke bouwmaterialen, met name bij energiebesparende infrastructuren. Het vermogen van de EU om zich verder te ontwikkelen en zich aan te passen aan de klimaatverandering hangt dan ook nauw samen met een continue beschikbaarheid van staal op de EU-markt.

3.2.1.   Gezien de huidige crisis op de financiële markten moet volgens het Comité worden benadrukt dat de enorme feitelijke meerwaarde die in de metaalindustrie en de afnemende productiesectoren wordt gerealiseerd, een onontbeerlijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van de Europese economie. De leidende rol die de Europese metaalindustrie in veel sectoren speelt, legt tevens de basis voor het concurrentievermogen van andere takken van industrie. Deze know-how moet in Europa blijven en verder worden uitgebouwd.

De metaalindustrie heeft te maken met wereldwijde concurrentie en heeft de afgelopen jaren steeds weer ingrijpende veranderingen en herstructureringen ondergaan. Deze hebben geleid tot een groter concurrentievermogen, maar ook tot massaal banenverlies. Deze herstructureringen kunnen echter niet alleen op technologische gronden of door het streven naar productiviteitsverbetering worden verklaard, maar zijn gedeeltelijk terug te voeren op het feit dat bepaalde producties (bijv. ruwe aluminium) vanuit Europa naar elders zijn verplaatst (daarbij hebben energiekosten, milieuvoorschriften en de nabijheid van grondstoffen een rol gespeeld). Dit proces is nog niet ten einde, zodat verdere herstructureringen te verwachten zijn. Daarbij zullen toekomstige herstructureringen nauw verband houden met de toenemende mondialisering in de ketens van toegevoegde waarde in de metaalindustrie (van grondstoffen tot verwerking).

3.3.   Vanwege hun hoge energieverbruik staan de betreffende industrieën centraal in de huidige discussie over klimaatbescherming. Daarbij gaat het niet alleen om het behoud van concurrentievermogen, maar ook om het behoud van werkgelegenheid in deze sectoren. In zijn conclusies van 3 juni 2008 verzoekt de Raad Concurrentievermogen de Commissie en de lidstaten dan ook om „… gesprekken met het bedrijfsleven en derde landen over een sectorspecifieke aanpak actief voort te zetten om efficiënte maatregelen ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen te bevorderen en aldus de verplaatsing van CO2-emissiebronnen tegen te gaan”.

Het Comité is het eens met de door de Commissie uitgevoerde analyse van de kenmerken van de sector. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat de Mededeling is gebaseerd op werkzaamheden die reeds in 2004 zijn begonnen en dat de metaalindustrie geen homogene sector is.

3.4.1.   Er bestaat echter nog onduidelijkheid over de afbakening van de betreffende sectoren. Voor de definiëring verwijst de Commissie naar de NACE-code 27, terwijl de gegevens in de documenten (Mededeling en Bijlage) slechts een deel van de subsectoren (primaire industrie en verdere verwerking) weergeven. De Commissie moet hier een nauwkeurigere omschrijving geven, aangezien het vanwege de diversiteit van de subsectoren (volgens NACE 27 gaat het om 26 industriële sectoren in 5 groepen) en de uiteenlopende structuren (bij de verwerking van grondstoffen gaat het doorgaans om grote ondernemingen, bij de verdere verwerking om kleine en middelgrote ondernemingen) moeilijk is om algemene uitspraken te doen.

De Commissie stelt in haar Mededeling een reeks maatregelen voor die tot doel hebben de omstandigheden van de betreffende sectoren te verbeteren. Deze maatregelen moeten tevens worden gezien in de context van andere, schijnbaar tegengestelde Europese beleidsdoelstellingen die eveneens worden behandeld. Het Comité betreurt het dat veel van deze voorstellen iets te algemeen zijn, en roept de Commissie op om als follow-up van deze Mededeling een tijdschema met concretere maatregelen op te stellen dat tevens betrekking heeft op de afzonderlijke subsectoren. Dit is met name noodzakelijk omdat besluiten omtrent investeringen in de metaalindustrie gelden voor de middellange tot lange termijn en door de maatregelen worden beïnvloed.

3.5.1.   Het Comité zou graag zien dat in samenwerking met de betrokken partijen onderzoek wordt gedaan naar de ontwikkeling van de vraag, de productie en de technologieën in de afzonderlijke sectoren. Dit onderzoek moet op basis van de met de EGKS opgedane ervaringen worden gemonitord en gepaard gaan met een sociale dialoog. De staalindustrie dient daarbij als voorbeeld. Het EGKS-verdrag bepaalde dat in de sector ijzer en staal statistisch onderzoek naar de sectorale omstandigheden moest worden gedaan dat veel verder ging dan „algemene industriële statistiek”. Na het verstrijken van het EGKS-verdrag in 2002 heeft de Europese staalindustrie er met succes naar gestreefd om in ieder geval voorlopig een aantal belangrijke statistische onderzoeken voort te zetten die niet vallen onder de „algemene industriële statistiek”. Met Verordening (EG) nr. 48/2004 werd dit op Europees niveau doorgevoerd. Het Comité pleit voor voortzetting van de tijdelijke verordening en stelt voor om ook in andere sectoren van de metaalindustrie soortgelijke uitgebreide onderzoeken te doen, aangezien steeds vaker blijkt dat de algemene statistieken van de industrie te weinig informatie bevatten voor het formuleren van concrete beleidsmaatregelen.

4.   Bijzondere opmerkingen over de voorstellen van de Commissie

4.1.   Energiebeleid

4.1.1.   Zoals de Commissie terecht vaststelt, wordt het concurrentievermogen van de Europese metaalindustrie aangetast door fluctuaties (zoals de snel gestegen gas- en elektriciteitsprijzen) en door de beperkingen ten aanzien van vaste leveringscontracten op lange termijn.

4.1.2.   Er moeten maatregelen worden genomen om de prijsontwikkeling beter te kunnen voorspellen, om de markt transparanter te maken en om een vrije keuze tussen energieleveranciers mogelijk te maken. Een en ander moet worden ondersteund door zowel de wetgeving als door de erkenning dat de praktijken in overeenstemming zijn met de Europese wetgeving.

4.1.3.   Een van de belangrijkste maatregelen om de energievoorziening voorspelbaarder te maken, is nagaan welke mogelijkheden voor vaste leveringscontracten er zijn. Daarbij moet tevens in het oog worden gehouden in hoeverre de betrokken energieleveranciers kunnen deelnemen aan de regeling voor de handel in emissierechten (ETS).

4.1.4.   Er moeten oplossingen worden gevonden voor het opvullen van de leemten in de infrastructuur voor energievervoer (transeuropese netwerken) teneinde een onbelemmerde toegang van alle betrokken ondernemingen tot de energiemarkt te waarborgen.

4.1.5.   Op de langere termijn is een grootschaliger gebruik van hernieuwbare energie van groot belang voor een autonome energievoorziening van de Europese industrieën. Metaalindustrieën leveren een bijdrage aan het welslagen van het EU-beleid om meer energie (elektriciteit en warmte) uit hernieuwbare energiebronnen op te wekken. Het staalproductieproces en cokesfabrieken vormen een bron van waardevolle gassen, namelijk hoogovengas, convertorgas (BOS-gas) en cokesovengas. Deze gassen bevatten verschillende percentages koolmonoxide (in convertorgas tot 65 %), kooldioxide, stikstof en waterstof (in cokesovengas tot 60 %). In plaats van de gassen te laten vervluchtigen of te verbranden, moeten ze efficiënt worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit en/of warmte. Dit gebeurt nu al op grote schaal, maar er moet voor worden geijverd om deze technologieën verder te ontwikkelen.

4.1.6.   Verder wijst het Comité erop dat het zich in diverse adviezen heeft beziggehouden met energiebeleid (het meest recentelijk in CCMI/052 en in verschillende TEN-adviezen).

4.2.   Milieubeleid

4.2.1.   De metaalindustrie heeft reeds te maken met talrijke EU-milieuvoorschriften, waarvan de tenuitvoerlegging en handhaving de industrie steeds voor de opgave stellen om uiteenlopende doelstellingen met elkaar in overeenstemming te brengen (zo gaat de vermindering van de uitstoot van schadelijke stoffen deels gepaard met een hoger energieverbruik, wat weer nadelig is voor de energie-efficiëntie). Ongetwijfeld zijn sommige sectoren van de metaalindustrie energie-intensief en moeten ze internationaal sterk op kosten concurreren. De betreffende bedrijfstakken veroorzaken een grote CO2-uitstoot. Wanneer de door de Commissie voorgestelde maatregelen inzake klimaatverandering — met name de verbreiding van ETS — zonder beperkingen voor de metaalindustrie zouden gaan gelden, zou dat kunnen leiden tot verplaatsingen van investeringen (zoals nu reeds het geval is) en tot verlies aan arbeidsplaatsen (het risico van koolstoflekkage). Het gewenste effect op de klimaatverandering zal echter uitblijven zolang niet alle landen zich op deze doelstellingen vastleggen.

4.2.2.   Het afsluiten van bindende internationale overeenkomsten die eenduidige criteria inzake doeltreffendheid en controleerbaarheid bevatten, concurrentienadelen voor de Europese industrie moeten voorkomen en de klimaatverandering wereldwijd moeten bestrijden, geniet dan ook de hoogste prioriteit.

Grote delen van de metaalindustrie hebben reeds op grote schaal in energie-efficiënte technologieën geïnvesteerd. Zo loopt de Europese staalindustrie voorop wat de vermindering van CO2-uitstoot betreft, en hebben veel staalbedrijven de grens bereikt van wat technologisch mogelijk is wat betreft emissiereducties bij de productie. De doelstelling om de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 21 % te verminderen (ten opzichte van het niveau van 2005) moet van toepassing zijn op alle ETS-sectoren (elektriciteitssector en energie-intensieve sectoren); bij de verdeling van de inspanningen tussen de sectoren moet rekening worden gehouden met hun technische capaciteit om emissies te reduceren, waarbij de productiecapaciteit niet mag worden aangetast.

4.2.3.1.   Volgens de Raad zullen de geplande internationale overeenkomsten resulteren in een CO2-reductie van maximaal 30 %. Het Comité wijst er in dit verband op dat duidelijk moet worden gemaakt in welke sectoren deze reductie moet worden gerealiseerd. Het ligt voor de hand dat deze vermindering niet alleen kan worden bereikt in de sectoren die thans onder de ETS vallen. Het Comité is van mening dat ook maatregelen zoals de isolatie van gebouwen, de organisatie van vervoer en verkeer, energie-efficiëntie in het algemeen van groot belang zijn.

4.2.4.   Volgens het Comité moet bij maatregelen in de eerste plaats worden gestreefd naar het verspreiden van de beste en meest energie-efficiënte technologieën, en in de tweede plaats naar onderzoek en ontwikkeling om deze technologieën te verbeteren en nieuwe materialen te ontwikkelen. Zowel in maatregelen op Europees niveau als bij onderhandelingen over een internationaal klimaatverdrag moet aandacht worden besteed aan technische normen.

De Commissie moet zo spoedig mogelijk een plan opstellen dat alle geplande maatregelen en stappen omvat, zodat de industrie niet langer in onzekerheid hoeft te blijven. Het Comité verwijst in dit verband naar artikel 10b van het Commissievoorstel inzake ETS (3).

4.2.5.   Voor de IPPC-richtlijn geldt dat het Comité het streven van de Commissie naar harmonisatie steunt, wat er onder meer toe zal bijdragen dat de wetgeving wordt vereenvoudigd en verbeterd. Als basis voor de certificering en de exploitatie van fabrieksterreinen moet de gecodificeerde richtlijn echter ook rekening houden met de individuele stand van zaken met betrekking tot technische ontwikkeling. Het concurrentievermogen van de Europese metaalindustrie mag niet in gevaar worden gebracht door voorschriften die niet zijn afgestemd op de technologische mogelijkheden.

4.2.6.   Het Comité is het in beginsel eens met de voorstellen van de Commissie inzake afvalwetgeving, REACH en standaardisering, maar zou graag zien dat de afzonderlijke voorstellen concreter worden ingevuld.

4.3.   Innovatie, onderzoek & ontwikkeling en vaardigheden

4.3.1.   Het Comité steunt het streven van de Commissie om innovatie, onderzoek en ontwikkeling te intensiveren en vaardigheden te verbeteren.

4.3.2.   Het Europese platform voor staaltechnologie — European Steel Technology Platform; ESTEP — draagt aan de vormgeving van de toekomst bij met voorstellen inzake ambitieuze O&O-programma's (Strategische onderzoeksagenda) voor een duurzaam concurrentievermogen. De prioriteiten van deze Strategische onderzoeksagenda zijn gericht op het verminderen van de milieuvervuiling door processen en op het ontwikkelen van moderne producten die een grotere meerwaarde hebben en gedurende hun gehele levenscyclus efficiënter zijn. Zo is ULCOS (Ultra low CO2-steelmaking) het eerste grote project van het ESTEP, dat gericht is op het drastisch reduceren van de CO2-uitstoot. Dit is momenteel het meest ambitieuze project ter wereld en is nu al een groot succes: vier veelbelovende procedures zijn geselecteerd en moeten nu industrieel worden getest en worden gecombineerd met technologieën voor de opvang en opslag van CO2 (Carbon Capture and Storage; CCS). Ook levert het ESTEP een indirecte bijdrage aan vraagstukken op het gebied van klimaatverandering en energie door volledig recycleerbare lichte staalconstructies te ontwikkelen (bijv. voor de automobielindustrie en de bouwsector) en te komen met oplossingen voor toekomstgerichte energiebronnen (bijv. windenergie).

4.3.3.   Anderzijds zijn aanzienlijke investeringen nodig om in Europa een duurzame industrie op te bouwen en aldus het kennisreservoir te vergroten; zo moeten getalenteerde academici worden aangetrokken en moet levenslang leren (met name e–learning) worden bevorderd. Voor de verwezenlijking van deze maatschappelijke doelstelling is de steun van zowel de EU als de universiteiten nodig (4).

4.3.4.   Het Comité doet echter tevens de aanbeveling om de doeltreffendheid van huidige programma's onder de loep te nemen. Zo heeft de in het kader van het Europese staalplatform geïntroduceerde Strategische onderzoeksagenda een aantal teleurstellende resultaten (succespercentage minder dan 10 %) opgeleverd naar aanleiding van de eerste aanbestedingen uit het Zevende kaderprogramma; klaarblijkelijk sloten deze aanbestedingen niet aan bij de prioriteiten van de Agenda. Voor het tweede deel van het Zevende kaderprogramma wordt een betere coördinatie en meer steun verwacht.

4.4.   Externe betrekkingen en handelsbeleid

4.4.1.   Het Comité is ermee ingenomen dat de Commissie hoge prioriteit verleent aan de voorziening van de industrie met grondstoffen. Hierbij moet er evenwel op worden gewezen dat dit niet simpelweg een kwestie van externe betrekkingen en buitenlandse handel is, zoals blijkt uit het EESC-advies „De niet-energetische mijnbouw in Europa” (CCMI/056). In de toekomst zullen hergebruik van grondstoffen en vermindering van de materiaalintensiteit (onderzoek naar vervangende materialen) namelijk een steeds grotere rol spelen (niet alleen in het kader van handelsbeleid, maar ook met het oog op milieubescherming).

4.4.2.   Er moet speciale aandacht worden geschonken aan het feit dat in veel grondstofsectoren slechts enkele internationale ondernemingen actief zijn die de prijzen kunnen bepalen.

4.4.3.   Het Comité is het met de Commissie eens dat over handelsvraagstukken een intensieve dialoog met derde landen moet worden gevoerd. WTO-instrumenten voor het handelsbeleid ter bestrijding van praktijken die nadelig zijn voor de Europese metaalindustrie moeten echter beschikbaar blijven. Er moeten duidelijke signalen worden afgegeven dat deze instrumenten ook daadwerkelijk zullen worden gebruikt wanneer via overleg geen vooruitgang wordt geboekt.

4.5.   Sociale aspecten

4.5.1.   Gezien de maatschappelijke problemen — zoals de verouderende beroepsbevolking (met name in de staalindustrie), de eisen inzake vaardigheden en de voortgaande structurele veranderingen — verrast het het Comité dat de Commissie geen maatregelen voorstelt en aan de industrie geen voorstellen doet ten aanzien van de sociale aspecten die ze in haar Mededeling noemt.

4.5.2.   Er moet speciale aandacht worden geschonken aan veiligheid en bescherming van de gezondheid, aangezien de metaalindustrie tot de industrieën behoort waarvoor een verhoogd risico geldt.

4.5.3.   Het Comité wijst in dit verband nogmaals op het belang van de sociale dialoog.

Brussel, 3 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  COM(2005) 474 final, bijlage II.

(2)  COM(2007) 374 final van 4 juli 2007.

(3)  COM(2008) 16 final van 23 januari 2008.

(4)  Hierbij dient te worden opgemerkt dat in de metaalindustrie al initiatieven worden genomen om de mobiliteit van vakmensen in de Europese metaalindustrie te verbeteren, zoals de EMU-pas (www.emu-pass.com).


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/105


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een innovatieve en duurzame houtsector in de Europese Unie — Een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid”

COM(2008) 113 final

(2009/C 175/20)

De Europese Commissie heeft op 27 februari 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een innovatieve en duurzame houtsector in de Europese Unie — Een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid

COM(2008) 113 final.

De adviescommissie Industriële reconversie, die was belast met de voorbereidende werkzaamheden, heeft haar advies op 18 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer BURNS en corapporteur de heer STUDENT.

Het Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 3 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 167 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

Voor de in het advies aangegeven redenen formuleert het EESC de volgende aanbevelingen:

1.1   Het begrip „houtsector” moet worden verruimd zodat ook boseigenaars en andere economische actoren als bosexploitanten erbij worden betrokken en problemen en mogelijkheden van bij het begin van de waardeketen in kaart kunnen worden gebracht.

1.2   Bestaande Europese databanken waarin gegevens betreffende het volume en de potentiële kwaliteit van alle oogstbare hout alsook van het gebruik van hout (zowel Europees als ingevoerd hout) door de houtsector worden opgeslagen, moeten verder worden verbeterd, o.m. ook via studies, zodat ze volledig, bijgewerkt en vergelijkbaar zijn.

1.3   Verhoogde productie en gebruik van hout van Europese bossen alsook billijke aanwending ervan voor uiteenlopende doeleinden moeten op nationaal niveau worden ondersteund.

1.4   Verhoogd gebruik van hout en producten op houtbasis moet worden bevorderd.

1.5   Maatregelen ter verbetering van het imago van de houtsector moeten worden ondersteund.

1.6   Er moeten actief stappen worden ondernomen zodat wordt erkend dat hout en houtproducten een rol spelen in de bestrijding van de gevolgen van de klimaatverandering daar zij immers o.a. als koolstofopslagplaatsen fungeren.

1.7   De sector moet worden behoed tegen de negatieve gevolgen van het systeem voor de handel in emissierechten.

1.8   Belemmeringen voor de handel in hout en houtproducten moeten worden weggewerkt. Vrije maar eerlijke handel moet worden gegarandeerd.

1.9   Er moet tegemoet worden gekomen aan de behoeften van de houtsector zoals ze zijn gedefinieerd in het kader van het technologieplatform voor de bosbouwsector, via het zevende kaderprogramma en aanverwante programma's.

1.10   Zowel de betrokken EU-instellingen als de sector zelf moeten ertoe worden aangezet bijzondere aandacht te schenken aan betere tenuitvoerlegging van de EU-maatregelen, -reguleringen en –programma's op het gebied van werkgelegenheid, gezondheid en veiligheid die voor de houtsector van belang zijn, zodat in alle EU-landen dezelfde normen worden toegepast.

1.11   Europese beroepsopleiding en –kwalificaties moeten op basis van de behoeften van de sector voor de hele bosbouw- en houtverwerkingssector verder worden ontwikkeld.

1.12   Nationale en subnationale overheden moeten worden aangemoedigd om het potentieel van de commerciële bosbouw en de houtsector te erkennen en te gebruiken. Ook moet de nodige aandacht gaan naar verhoging van de investeringen in weg- en andere infrastructuur in plattelandsgebieden.

1.13   In samenhang met het actieplan voor de bossen moeten er systemen in het leven worden geroepen om de economische en sociale waarde van multifunctionele bosbouw en niet aan de houtsector gerelateerde functies te evalueren en ervoor te zorgen dat ze in de toekomst worden erkend als integrerend deel van eenzelfde industriesector, waarvan boseigenaren, bosexploitanten, enz., deel uitmaken.

2.   Achtergrond

2.1   De Mededeling die de basis vormt van dit advies (COM(2008) 113 final, — hierna „de Mededeling”) over „Een innovatieve en duurzame houtsector in de Europese Unie”, sluit aan bij de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s inzake een inventarisatie van het concurrentievermogen van de houtverwerkende en aanverwante industrie in de EU (COM(1999) 457 final) en de Mededeling inzake de uitvoering van het communautair Lissabonprogramma (COM(2005) 474 final). Voorts wordt voortgebouwd op het vijfjarige (2007-2011) EU-actieplan voor de bossen (COM(2006) 302 final) dat gericht is op het ondersteunen en versterken van duurzaam bosbeheer en de multifunctionaliteit van bossen. Het actieplan omvat 18 „kernacties”, waarvan er één (nr. 17) in het bijzonder ten doel heeft „het gebruik van hout en andere bosproducten uit duurzaam beheerde bossen aan te moedigen”.

2.2   In de Mededeling wordt eerst en vooral ingegaan op de uitdagingen waarmee de houtsector wordt geconfronteerd; deze sector omvat de industrieën die pulp, papier en verpakkingsmateriaal van papier produceren en de houtbewerkingsindustrieën (zoals houtzagerijen en fabrikanten van platen op houtbasis) alsook de kurkindustrie en de grafische sector. De Mededeling handelt niet rechtstreeks over de bosbouwsector, die de belangrijkste grondstof voor de houtsector levert — nl. hout — noch over andere groepen die i.v.m. bossen activiteiten uitoefenen of op basis daarvan in hun levensonderhoud voorzien.

3.   Samenvatting van het Commissievoorstel

3.1   In de Mededeling wijst de Europese Commissie op de uitdagingen waarmee de houtsector geconfronteerd wordt, zoals globale concurrentie, klimaatverandering, energie, houtbevoorrading, enz., alsook de mogelijke gevolgen daarvan voor de toekomstige rendabiliteit en het mededingingsvermogen van de sector.

3.2   De houtsector is belangrijk voor de Europese economie en speelt vaak een belangrijke rol in het behoud van duurzame werkgelegenheid in plattelandsgebieden.

3.3   De problemen worden aangepakt via 19 „acties” die hoofdzakelijk op de volgende punten betrekking hebben:

a)

toegang tot grondstoffen (8 acties);

b)

beleidsmaatregelen tegen klimaatverandering en milieuwetgeving (4 acties);

c)

innovatie en onderzoek & ontwikkeling (4 acties);

d)

handel en samenwerking met derde landen (2 acties);

e)

communicatie en informatieverstrekking (1 actie).

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Het EESC is ingenomen met de aandacht die de Commissie vestigt op de uitdagingen waarmee de houtsector te kampen heeft en met de lijst van voorgestelde acties. Het dringt er met klem op aan dat het niet bij voorstellen blijft maar dat een en ander zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd.

4.2   Hoewel het Comité de achtergrond en het uitgangspunt van de Mededeling begrijpt, betreurt het dat nauwelijks of geen aandacht wordt geschonken aan actoren bij het begin van de waardeketen, zoals boseigenaren en bosexploitanten, of aan andere functies die door bossen of in bossen worden vervuld (waarnaar vaak wordt verwezen met het clusterbegrip).

4.3   Het EESC dringt erop aan dat meer aandacht wordt geschonken aan de noodzaak om de bosbouw rendabel te maken als absolute voorwaarde om het concurrentievermogen van de hele waardeketen te garanderen. Rendabele bosbouw versterkt duurzaam bosbeheer en kan de nodige prikkels geven voor investeringen in de sector en de verzekering van de houtbevoorrading.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1   Toegang tot grondstoffen

5.1.1   Het EESC vreest dat besluiten betreffende de bosbouw en de houtsector niet steeds gebaseerd zijn op volledige, bijgewerkte en vergelijkbare statistieken betreffende de beschikbaarheid en het gebruik van hout van Europese bossen, zodat vraag en aanbod niet goed op elkaar zijn afgestemd en de vastgestelde doelstellingen niet worden gehaald. Ook zou het van nut zijn te weten en te kunnen voorspellen welk volume aan hout, zowel Europees als ingevoerd hout, door de houtsector wordt gebruikt.

5.1.2   Door Europese beleidsinitiatieven, met name ter bevordering van het gebruik van biomassa en hernieuwbare energiebronnen, is de beschikbaarheid van hout als grondstof voor de houtsector nog extra onder druk komen te staan, deels wegens de introductie van marktverstorende steunregelingen. Het EESC is bezorgd over de gevolgen hiervan voor de houtsector. Gelet op de toenemende concurrentie wegens het gebruik van de grondstof hout als energiebron is het EESC van mening dat er billijk gebruik moet worden gemaakt van het bosbestand voor verschillende doeleinden. Het moedigt de Commissie aan het concept van „energiebossen” (korteomloophout) verder uit te diepen om de markt voor energie op basis van biomassa te bevoorraden.

5.1.3   De markt moet door de normale marktmechanismen worden aangestuurd en mag niet worden verstoord via steunregelingen die ervoor zorgen dat hout eerder voor het ene dan voor het andere doeleind wordt gebruikt.

5.1.4   Hoewel verhoogde houtinvoer geen haalbare oplossing biedt voor dit opkomende probleem, mag dergelijke invoer anderzijds ook niet worden belemmerd door kwantitatieve, wettelijke of andere obstakels.

5.1.5   Het EESC is van mening dat de enige duurzame oplossing op lange termijn erin bestaat om het houtvolume uit de Europese bossen te vergroten door

het duurzaam beheer van bestaande bossen te versterken zodat ze meer rendabel hout opleveren;

meer bossen aan te planten zodat het houtaanbod de vraag beter kan bijhouden.

5.1.6   Het Comité is van mening dat, aangezien hout als grondstof van cruciaal belang is voor de houtsector, de Commissie in haar Mededeling de kans had moeten grijpen om ook op kwesties i.v.m. subsidiariteit in te gaan, bv. acties op nationaal en subnationaal niveau om de houtbevoorrading op lange termijn te garanderen.

Feit is dat de „aanmoediging” om meer bomen voor commerciële bosbouw aan te planten, in verschillende EU-landen in dovemansoren valt. De verklaring hiervoor variëert; in sommige landen is men onverschillig t.a.v. de kwestie, terwijl in andere landen wordt verondersteld dat er al voldoende hout voorhanden is. Ondertussen blijkt uit verschillende studies dat er een tekort is aan Europees hout (1).

5.1.7   Om het hout naar de consument te kunnen brengen zijn goede weg- en andere infrastructuur vereist. Geringe investeringen in weginfrastructuur in plattelands- en afgelegen gebieden doet de vervoerskosten oplopen. Zo kost vrachtvervoer over een plattelandsweg in vergelijking met vervoer over een vlakke weg 75 % meer (in tijd en brandstof) voor hetzelfde traject. Het EESC betreurt dat nationale en subnationale overheden hieraan zo weinig aandacht schenken. Voorts zijn beperkingen inzake omvang en gewicht van houttransport ook een extra kostenfactor.

5.2   Beleidsmaatregelen tegen klimaatverandering en milieuwetgeving

5.2.1   Houtproducten slaan hun hele leven koolstof op en kunnen, door andere materialen te vervangen, tot aanzienlijke CO2-besparingen leiden. Het EESC is van mening dat de EU actiever stappen zou moeten ondernemen om koolstofopslag door houtproducten te bevorderen en erop te wijzen dat dit een positieve bijdrage kan leveren aan de bestrijding van de gevolgen van de klimaatverandering.

Deze positieve bijdrage van hout zou ten volle moeten worden erkend in het post-2010 Kyotoproces en het Comité dringt er dan ook bij de Commissie en de lidstaten op aan dit te bepleiten op de komende conferenties van de deelnemende partijen aan het Kyotoprotocol, COP14 (Poznan 2008) en COP15 (Kopenhagen 2009).

De Commissie heeft de bedreiging onderschat die van de emissiehandel uitgaat voor de Europese pulp- en papierindustrie en deels ook de houtbewerkingsindustrie, die door het emissiehandelssysteem op tweeërlei wijze worden getroffen, nl. rechtstreeks doordat zij aan het systeem deelnemen en onrechtstreeks door de scherpe stijgingen van de elektriciteitsprijzen waartoe het emissiehandelssysteem leidt (2). Door de huidige voorstellen voor de richtlijn inzake emissierechten zal de rendabiliteit van de sector zwaar onder druk komen te staan en zullen ondernemingen mogelijk worden gesloten of verplaatst. Dit laatste zal alleen voor grote ondernemingen en zeker niet voor kleinere Europese bedrijven financieel haalbaar zijn.

5.2.2.1   De nieuwe emissierechtenrichtlijn zou in zijn huidige vorm en zelfs in het geval van een wereldwijde overeenkomst voor de Europese papierindustrie en andere energie-intensieve sectoren leiden tot aanzienlijke marktverstoring, concurrentienadelen en misschien zelfs een weglekeffect, daar de grote concurrenten buiten de EU niet met evenredig grote lasten en kosten geconfronteerd zullen worden. Volgens het EESC moeten de pulp- en papierindustrie en de sector van platen op houtbasis absoluut en onmiddellijk als energie-intensieve sectoren met een risico op een weglekeffect worden erkend. De voorgestelde datum van 2010 om pas dan te beslissen welke sectoren CO2-emissierechten nog gedeeltelijk gratis toegewezen zullen krijgen, is te laat.

5.3   Innovatie, O&O, onderwijs en opleiding

5.3.1   Innovatie en O&O zullen ongetwijfeld bijdragen tot het garanderen van een toekomst voor de houtsector. Het EESC is er dan ook mee ingenomen dat de sector een „technologieplatform voor de bosbouwsector” in het leven heeft geroepen en zou graag zien dat de nodige aandacht wordt geschonken aan de toekomstige behoeften van alle subsectoren. O&O-financiering zou binnen de sector moeten worden opgevoerd, met name binnen het zevende kaderprogramma en andere aanverwante programma's, en toegespitst op innovatief gebruik van grondstoffen en producten.

5.3.2   Processen om flexibiliteit binnen Europa te stimuleren hebben niet tot degelijke en toegankelijke maatregelen geleid die het voor studenten en werknemers uit de houtsector mogelijk maken vergelijkbare en algemeen aanvaardbare kwalificaties te verwerven of via programma's voor levenslang leren vaardigheden te ontwikkelen. De diverse proefinitiatieven in het kader van de EU-programma’s voor onderwijs en beroepsopleiding hebben er evenmin voor gezorgd dat veranderingen in praktijken op de werkplek collectief in acht worden genomen en tegelijkertijd in nationale regelingen worden geïntegreerd. Deze minpunten beperken de grensoverschrijdende mobiliteit, dwarsbomen internationale loopbaanambities en beperken de toegang van werkgevers tot het volledige potentieel dat in de Europese houtsector aanwezig is. Misschien draagt een en ander zelfs bij tot de gangbare perceptie dat kwalificaties voor banen in de bosbouw-, papier- en houtsector over het algemeen van lage waarde zijn.

5.4   Gezondheid en veiligheid

5.4.1   Zoals bij andere industriële activiteiten bestaat er ook voor werknemers in de outsector een bepaald gezondheids- en veiligheidsrisico. Hoewel de sector de laatste decennia aanzienlijke inspanningen heeft geleverd, valt er nog veel te doen op dit gebied. Aangezien niet alle lidstaten in dit verband met dezelfde problemen worden geconfronteerd, is het voorts zaak de vereiste oplossingen af te stemmen op de concrete situatie in elke lidstaat.

5.4.2   Bij de laatste uitbreidingsrondes van de EU zijn landen toegetreden waar de behoefte aan betere tenuitvoerlegging van het gezondheids- en veiligheidsbeleid relatief groter is dan meestal in de rest van de EU het geval is. In dit opzicht beklemtoont het Comité het belang van zowel de financiële instrumenten van de EU als de inzetbereidheid van de houtsector in de betrokken lidstaten.

5.5   Handel en samenwerking met derde landen

5.5.1   De houtsector is wereldwijd actief en uitvoer is van cruciaal belang voor het behoud van het concurrentievermogen. Het EESC vreest dat uitvoer van ondernemingen in de EU nodeloos bemoeilijkt worden door tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen. De Commissie moet dan ook prioritair werk maken van de afschaffing van deze belemmeringen.

5.5.2   Het EESC maakt zich ook zorgen over de maatregelen die door grote handelspartners als Rusland worden genomen, een grote impact hebben op de bevoorrading van Europa met hout als grondstof, en tot vermindering van de productie leiden.

5.6   Communicatie en informatie

5.6.1   Ondanks de belangrijke bijdrage van de houtsector aan de samenleving en de economie, heeft de sector geen goed imago. Over het algemeen wordt niet begrepen wat de waarde is van Europese bossen voor de samenleving en de burgers (3). Op scholen wordt aan leerlingen vaak geleerd dat het kappen van bomen een slechte zaak is en dat de wereld zoveel mogelijk bomen nodig heeft. Ook de illegale houtkap en andere praktijken van niet-duurzaam bosbeheer, bv. in Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië en andere regio's, schaden het imago van de houtsector.

5.6.2   Gezien de aanhoudende discussie over klimaatverandering en bio-energie is het nu een uitgelezen moment om het gebruik van hout en materialen op houtbasis te promoten. Bossen nemen CO2 op en deze koolstof kan dan worden opgeslagen in producten op houtbasis. Deze klimaatargumenten moeten worden gebruikt om het imago van de hele sector en zijn producten te verbeteren. Dit is ook wat deze sector uniek maakt. Het brede publiek moet hiervan bewust worden gemaakt en moet ook meer informatie krijgen over de commerciële waarde van onze bossen.

5.6.3   Momenteel lopen er verschillende, door de sector ondersteunde promotie-initiatieven, maar deze hebben slechts een beperkt effect op de bevordering van het imago van de houtsector. Deze initiatieven moeten verder worden ontwikkeld en moeten alle scholen en de hele maatschappij bereiken zodat alle maatschappelijke sectoren begrijpen hoe belangrijk en waardevol het is in Europa bomen te kweken en (Europees) hout te gebruiken.

5.7   Aanmoediging van het gebruik van hout

In de Mededeling wordt bijzondere aandacht geschonken aan de bevoorrading met grondstoffen (zie par. 5.1 hierboven) maar niet ingegaan op het gebruik van hout en producten op houtbasis. In het streven naar duurzamere productie en consumptie is het zaak de klemtoon te leggen op het wegwerken van belemmeringen en nodeloze wettelijke, administratieve, financiële en andere obstakels, waardoor het mogelijk moet worden bv. in de bouwsector meer gebruik te maken van hout. Algemeen is het EESC van mening dat er in verschillende beleidscontexten meer rekening moet worden gehouden met de specifieke aard en rol van hout en producten op houtbasis.

5.8   Multifunctionele bosbouw

Een van de belangrijkste aanbevelingen in het EU-actieplan 2006 voor de bossen is dat de Europese bosbouw een multifunctioneel karakter moet krijgen en voor de maatschappij andere voordelen moet opleveren dan alleen houtbevoorrading. Door een gebrek aan informatie en gegevens is de precieze waarde voor de samenleving van niet aan de houtsector gerelateerde functies (bv. bessen- en paddestoelenpluk, geneeskrachtige planten, jacht en toerisme) nooit vastgesteld. Hoe dan ook kunnen deze activiteiten winst, werkgelegenheid en kansen scheppen en moeten zij daarom ook als onderdeel van de bosbouw worden opgenomen.

Hoewel het EESC de rol van „multifunctionele bosbouw” erkent, vreest het dat verschillende nationale regeringen snel de commerciële rol van hun bossen als producenten van hout uit het oog zullen verliezen en te veel aandacht zullen schenken aan andere functies buiten de houtbevoorrading.

Brussel, 3 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Zie met name een studie van UNECE 2007 „Wood resources availability and demands”, gebaseerd op de Joint Wood Energy Enquiry van 2006

(2)  Ibidem.

(3)  Zie „Perception of the wood-based industries — Qualitative study of the image of wood-based industries amongst the public in the Member States of the European Union” (© European Communities, 2002; ISBN 92-894-4125-9). De studie kan worden ingekeken op: http://ec.europa.eu/enterprise/forest_based/perceptionstudy_en.pdf.


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/109


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers”

COM(2008) 419 final — 2008/0141 (COD)

(2009/C 175/21)

De Raad heeft op 22 juli 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over het:

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers

COM(2008) 419 final — 2008/0141 (COD).

De gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Greif.

Het Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december) onderstaand advies met 108 stemmen vóór en 31 tegen, bij 7 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies: meer Europese ondernemingsraden en een betere grensoverschrijdende sociale dialoog

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) spreekt er nadrukkelijk zijn waardering voor uit dat de Commissie een wetgevingsvoorstel heeft opgesteld nadat er geen — nieuwe — onderhandelingen met de Europese sociale partners overeenkomstig artikel 138, lid 4, van het Verdrag waren ingeleid. Met onderhavig richtlijnvoorstel moeten de rechten van Europese ondernemingsraden (EOR's) aan de praktijk op de interne markt worden aangepast. De Commissie heeft voorgesteld een aantal zaken substantieel te verbeteren om de communautaire rechtsgrondslag van EOR's op de huidige situatie in Europa af te stemmen. Daardoor zou meer rechtszekerheid worden gerealiseerd en voor een grotere coherentie worden gezorgd in het Gemeenschapsrecht wat betreft informatie en raadpleging van werknemers.

1.2   Het EESC verwacht dat de voorgestelde verduidelijkingen en wijzigingen in de tekst en definities van de EOR-richtlijn EOR's efficiënter zullen laten functioneren, zullen bijdragen tot meer rechtszekerheid, de toepasbaarheid van de richtlijn zullen verbeteren en ertoe zullen leiden dat meer EOR's worden opgericht. Het wijst op het belang van pragmatische oplossingen om EOR's doeltreffender en efficiënter te laten functioneren, waardoor het concurrentievermogen van bedrijven niet wordt verzwakt, maar juist wordt versterkt. Met name de volgende voorgestelde wijzigingen zijn in dit verband belangrijk:

bedrijfsdirecties zullen verplicht worden alle voor de oprichting van een EOR benodigde informatie beschikbaar te stellen;

de Europese sociale partners zullen rechtstreeks worden betrokken bij de oprichting van een EOR omdat ze in kennis zullen moeten worden gesteld van het begin van de onderhandelingen daarover;

EOR's zullen efficiënter kunnen functioneren doordat een beperkt comité zal kunnen worden opgericht, EOR-leden met behoud van salaris scholing zullen kunnen volgen en zo hun deskundigheid zullen kunnen vergroten, en doordat EOR's zullen worden erkend als collectieve instantie voor belangenbehartiging;

EOR's zullen beter aan veranderende omstandigheden kunnen worden aangepast omdat ze zullen kunnen eisen dat over EOR-overeenkomsten wordt heronderhandeld, met name als sprake is van ingrijpende structuurveranderingen waardoor de informatie en raadpleging van alle werknemers van een concern overeenkomstig bestaande afspraken in de praktijk niet meer gegarandeerd is.

1.3   Het EESC betreurt echter dat de voorgestelde herschikking van de richtlijn niet consequent aansluit op de in de toelichting en overwegingen geformuleerde doelstellingen en er nog steeds over een aantal zaken onduidelijkheid blijft bestaan. In dit verband dient met name te worden gewezen op de volgende punten:

hoewel de sociale partners voorstelden om de bepalingen inzake informatie en raadpleging nauwkeuriger te formuleren, zijn de regels die moeten leiden tot een zinvolle en praktische taakverdeling tussen nationale en Europese instanties voor belangenbehartiging, onduidelijk gebleven;

de handelingsvrijheid van EOR's wordt door de nieuwe definitie van hun grensoverschrijdende bevoegdheid ingeperkt en niet — zoals beoogd — nauwkeuriger geformuleerd. Daarom zouden ook ondernemingsbeslissingen met alleen gevolgen voor een onderneming in één lidstaat maar die niet in die lidstaat zijn genomen, moeten worden beschouwd als grensoverschrijdend;

bepaalde beperkingen t.a.v. de toepassing en reikwijdte van de richtlijn blijven bestaan en er zijn zelfs nieuwe beperkingen bijgekomen.

1.4   Voor het EESC is het belangrijk dat dankzij een verbeterde EOR-richtlijn de toepassing daarvan aantrekkelijker wordt en meer EOR's worden opgericht. Het is er uit het oogpunt van efficiëntie voorstander van dat bij voorkeur over EOR-overeenkomsten zou moeten worden onderhandeld. Dan is namelijk flexibiliteit mogelijk en kunnen op maat gesneden overeenkomsten worden afgesloten om de grensoverschrijdende sociale dialoog op de per concern verschillende omstandigheden af te stemmen.

1.5   Om er in de praktijk voor te zorgen dat EOR's nog gedegener te werk kunnen gaan en efficiënter kunnen functioneren, stelt het EESC voor om via nieuwe wetgevingsvoorstellen een eind te maken aan de nog altijd bestaande onduidelijkheden en incoherentie, met name op de volgende punten:

de voorgestelde afbakening van de grensoverschrijdende bevoegdheid van EOR's kan hun rechten inperken en hun functioneren belemmeren. Daarom moet deze nieuwe afbakening worden herzien. Geen enkele instantie die de belangen van werknemers behartigt, mag door te strikte bepalingen informatie van het in een ander land gevestigde hoofdbestuur worden onthouden;

de maximale termijn voor de onderhandelingen over een EOR-overeenkomst moet tot 18 maanden worden teruggebracht, aangezien in de praktijk is gebleken dat EOR's snel kunnen worden opgericht en een langere termijn dus niet nodig lijkt. Tegelijk zijn adequate maatregelen nodig om te voorkomen dat onderhandelingspartners zich aan hun verantwoordelijkheid onttrekken als een Europese instantie voor belangenbehartiging moet worden opgericht;

door de begrippen informatie en raadpleging nauwkeuriger te formuleren, kunnen EOR's beter functioneren en meer erkenning krijgen. Duidelijk dient te zijn dat zij hun mening al moeten kunnen geven als maatregelen worden voorgesteld en niet pas bij de uitvoering daarvan;

er moet helder worden gesteld dat de directie verantwoordelijk is voor een regelconforme scholing van zowel de nationale als internationale werknemersvertegenwoordigers. Het streven om te komen tot een betere afstemming van de regelgeving tussen de verschillende niveaus mag niet leiden tot nieuwe onduidelijkheid over of inperking van deze verplichting;

het behoud van minimumaantallen voor het functioneren van EOR's of de invoering van nieuwe beperkingen in dezen staan op gespannen voet met het Europese grondrecht van iedere werknemer op tijdige informatie en raadpleging;

benadrukt moet worden dat nieuwe EOR-overeenkomsten die worden afgesloten tijdens de omzetting van de herziene richtlijn in nationaal recht, ten minste moeten voldoen aan de substantiële normen van de huidige EOR-richtlijnen (art. 6 van Richtlijn 94/45/EG en art. 3, lid 1, van Richtlijn 97/74/EG). Dat garandeert alle betrokkenen rechtszekerheid;

teneinde EOR's efficiënter te laten functioneren en hen hun taken beter te laten vervullen, zou een herziene EOR-richtlijn het houden van meerdere EOR-bijeenkomsten op zijn minst moeten stimuleren. In het algemeen zou uit de Richtlijn duidelijk moeten blijken dat de wettelijke bepalingen in dezen minimumeisen zijn die de lidstaten in alle opzichten in strengere regels mogen omzetten.

1.6   Het EESC is ervan overtuigd dat bovenstaande verbeteringen van de communautaire wetgeving inzake werknemersvertegenwoordiging niet alleen belangrijke waarborgen zijn voor goed en daarmee maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar ook de concurrentiepositie van het Europese bedrijfsleven ten goede komen en bouwstenen vormen van het Europees sociaal model.

2.   Inleiding: evaluatie van het Commissievoorstel tot herschikking van de EOR-richtlijn

2.1   De Europese Commissie heeft op 2 juli 2008 een voorstel gepubliceerd tot herschikking van de richtlijn inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad (EOR) (1).

Het EESC spreekt er zijn waardering voor uit dat de Commissie nu dus via wetgeving probeert om de rechten van EOR's aan de praktijk op de interne markt aan te passen. In dit advies gaat het vooral na in hoeverre met bovengenoemd richtlijnvoorstel de daarin geformuleerde doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Indien nodig komt het met aanbevelingen voor aanvullingen of wijzigingen.

2.2   Het EESC baseert zich daarbij op zijn eerdere adviezen over werknemersparticipatie, met name die over de EOR (2). Verder wijst het nogmaals op de positieve invloed van nationale en internationale werknemersparticipatie op de sociale, economische en ecologische integratie van Europa (Lissabon-doelstellingen) en de belangrijke rol die EOR's in dit verband spelen.

Internationale ondernemingen zijn voor het welslagen van het Europese project van grote betekenis. Europa zal de concurrentie op de wereldmarkt alleen aankunnen met een kwalitatieve strategie, waarin niet alleen bedrijfseconomische kosten, maar ook maatschappelijk verantwoord ondernemen en betrokkenheid van werknemers centraal staan. Om deze reden beschouwt het EESC de EOR als een belangrijk Europees beleidsinstrument waarmee in de geest van een Europese duurzaamheidsstrategie de basis voor de samenwerking tussen de belangrijkste economische spelers kan worden verstevigd. Op die wijze kan het bedrijfsleven een maatschappelijke bijdrage leveren in Europa. Omdat de kwalitatieve strategie om de internationale concurrentie aan te kunnen, de inzet van bekwame arbeidskrachten vereist, is werknemersparticipatie essentieel voor een succesvolle bedrijfsvoering.

2.3   Het EESC ziet het richtlijnvoorstel als een logisch uitvloeisel van een reeds langlopend politiek debat. Het wijst hier in dit verband op resoluties van het Europees Parlement uit 2001 (3), 2006 en 2007 (4) alsmede op de gezamenlijke verklaring van de sociale partners uit 2005 (5).

In al deze documenten komen aspecten aan de orde die terug te vinden zijn in het gemeenschappelijke standpunt van de Europese sociale partners over de verbetering van de EOR-richtlijn: betere definitie van het recht op informatie en raadpleging (om werknemers daadwerkelijk de mogelijkheid te geven invloed uit te oefenen op ondernemingsbeslissingen), betere inspraakrechten voor vakbonden, en verbetering van het functioneren van EOR's, bijv. via scholing van leden en terbeschikkingstelling van de daarvoor benodigde middelen. Andere redenen die worden genoemd voor herschikking van de EOR-richtlijn zijn het creëren van een coherenter en doeltreffender rechtskader, en het wegwerken van tekortkomingen in het nationale recht waarin de lidstaten de richtlijn hebben omgezet.

2.4   Tot tevredenheid van het EESC kunnen de Europese sociale partners zich in principe vinden in het huidige voorstel van de Commissie tot herziening van de EOR-richtlijn en zijn zij het op essentiële punten met elkaar eens over hoe die richtlijn verder zou moeten worden gewijzigd. Het EESC juicht deze eensgezindheid toe en houdt in zijn voorstellen rekening met de gezamenlijke aanbevelingen van de sociale partners, omdat die de verwezenlijking van de doelstellingen van het richtlijnvoorstel ten goede komen.

2.5   Het EESC staat achter de doelstellingen voor de herschikking van de EOR-richtlijn, die door de Commissie al in haar voorstel van 2 juli 2008 als cruciaal werden bestempeld (6):

de rechtszekerheid voor alle betrokkenen, dus werkgevers en werknemers, vergroten;

de effectiviteit van het recht van werknemers op grensoverschrijdende informatie en raadpleging in de EU/EER waarborgen en zo EOR's efficiënter laten functioneren;

de toepasbaarheid van de EOR-richtlijn verbeteren en zo het aantal EOR's vergroten;

de coherentie tussen de Europese richtlijnen over informatie en raadpleging van werknemers verbeteren.

3.   Rechtszekerheid vergroten — Zorgen voor coherentie in de Europese wetgeving over informatie en raadpleging

3.1   De herziening van Richtlijn 94/45/EG strekt er o.a. toe de definities van informatie en raadpleging van werknemers in overeenstemming te brengen met andere communautaire regelingen en aldus het rechtskader te vereenvoudigen.

Het EESC is ingenomen met deze doelstelling, waarnaar in de overwegingen bij het richtlijnvoorstel meermaals wordt verwezen, maar wijst erop dat dit streven met de voorliggende tekst van de Commissie slechts ten dele kan worden gerealiseerd.

Het EESC wil dat graag verduidelijken met de gewijzigde afbakening van de grensoverschrijdende bevoegdheid van de EOR als voorbeeld.

3.2.1   Door de bepalingen inzake het grensoverschrijdend karakter van ondernemingsbeslissingen over te hevelen van de subsidiaire voorschriften van de huidige richtlijn naar artikel 1, lid 4, van de gewijzigde richtlijn, zal de EOR zich alleen nog maar met beslissingen kunnen bezighouden die van belang zijn voor de onderneming als geheel of voor ten minste twee vestigingen in twee verschillende twee lidstaten.

3.2.2   Het EESC vindt deze nieuwe afbakening van de grensoverschrijdende bevoegdheid van de EOR onbegrijpelijk en zinloos. Die zou tot gevolg kunnen hebben dat werknemers in de ene lidstaat geen contact zouden kunnen opnemen met het hoogste besluitvormingsniveau als hun werkgever — een in een andere lidstaat gevestigde multinational — een beslissing zou nemen met ingrijpende consequenties voor alleen hun arbeidsvoorwaarden. Ondernemingen zouden op grond van het richtlijnvoorstel in dit soort gevallen immers niet verplicht zijn de EOR te informeren en te raadplegen.

3.2.3   Naar de mening van het EESC moet gewaarborgd blijven dat de EOR ook regelmatig wordt betrokken bij ondernemingsbeslissingen die op het eerste gezicht slechts gevolgen lijken te hebben in één lidstaat, maar deel uitmaken van een voor meerdere landen relevant besluit. Het EESC pleit er daarom voor artikel 1, lid 4, zodanig aan te passen dat ervoor wordt gezorgd dat — zoals in overweging 12 van het richtlijnvoorstel terecht is gesteld — „de werknemers van ondernemingen met een communautaire dimensie of van concerns met een communautaire dimensie naar behoren worden geïnformeerd en geraadpleegd wanneer in een andere lidstaat dan die waarin zij werken, beslissingen worden genomen die gevolgen voor hen hebben”, dan wel die van belang zijn voor de onderneming als geheel. In ieder geval mogen de bevoegdheden van de EOR niet worden ingeperkt ten gevolge van de herschikking van de EOR-richtlijn.

Ook de in beginsel positieve nieuwe formuleringen van de definities van informatie en raadpleging in artikel 2 van het richtlijnvoorstel sluiten niet volledig aan op het voornemen van de Commissie om het communautaire rechtskader in dit verband te verbeteren.

3.3.1   Weliswaar is in de subsidiaire voorschriften van de bijlage bij de EOR-richtlijn wettelijk bepaald dat de raadpleging op zodanige wijze dient te verlopen dat de werknemersvertegenwoordigers, nog voordat een voorgenomen beslissing definitief wordt, het antwoord van het hoofdbestuur op het advies van de EOR kunnen bespreken. Maar daarmee geldt deze regel nog niet automatisch voor alle EOR's.

3.3.2   Duidelijkheid en rechtszekerheid zullen er alleen komen als uitvoering wordt gegeven aan het gezamenlijke voorstel van de Europese sociale partners om de volgende nauwkeurige formuleringen op te nemen in artikel 2:

aan de informatie moet zodanig invulling worden gegeven dat de werknemersvertegenwoordigers op basis daarvan een grondige analyse kunnen maken van de mogelijke gevolgen van een voorgenomen beslissing en zich aldus kunnen voorbereiden op een eventuele raadpleging door bevoegde vertegenwoordigers van het hoofdbestuur; en

de raadpleging moet worden beschouwd als een procedure die de EOR in staat stelt binnen een bepaalde tijd voorstellen te formuleren die het hoofdbestuur nog in aanmerking kan nemen voordat zij een definitieve beslissing neemt.

3.3.3   In dit verband wil het EESC wijzen op een redactionele incoherentie in punt 3 van de subsidiaire voorschriften (bijlage I), waarin de rechten van werknemersvertegenwoordigers in bijzondere omstandigheden zijn vastgelegd.

Op grond van het richtlijnvoorstel zijn deze rechten alleen van toepassing als zich „beslissingen voordoen, die aanzienlijke gevolgen hebben voor de belangen van de werknemers”. Volgens het EESC zou in dit verband moeten worden gesproken van „geplande maatregelen”. Zo niet, dan zou dit voorschrift tegenstrijdig zijn met het door de Commissie in de rest van haar richtlijnvoorstel aangehangen streven naar tijdige informatie en raadpleging. Het EESC verzoekt daarom de tekst in deze zin te verduidelijken.

3.4   Het EESC waardeert dat de Commissie heeft gepoogd om in artikel 12 de bevoegdheden van en daarmee de taakverdeling tussen internationale en nationale instanties voor belangenbehartiging beter op elkaar af te stemmen en duidelijker af te bakenen. Maar ook hier betwijfelt het of haar intenties goed uit de verf zijn gekomen.

Alle betrokkenen hebben er belang bij dat de werknemersvertegenwoordigers op de diverse niveaus niet op verschillende momenten uiteenlopende informatie over dezelfde kwesties ontvangen. Om die reden moet het richtlijnvoorstel waarborgen dat de EOR's en de nationale werknemers vertegenwoordigende instanties worden geïnformeerd over voorgenomen beslissingen met substantiële gevolgen voor de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Hierop hebben ook de Europese sociale partners in hun gemeenschappelijk standpunt nadrukkelijk gewezen.

3.5   Het EESC is ermee ingenomen dat op grond van artikel 12, lid 5, van het richtlijnvoorstel normen die werden aangepast om de nationale en Europese wetgeving beter op elkaar af te stemmen, niet mogen worden aangewend om strengere nationale normen af te zwakken.

Naar de mening van het EESC biedt de daartoe gekozen dubbelzinnige formulering „mag geen rechtvaardiging vormen voor een achteruitgang” echter geen garantie dat dit ook daadwerkelijk niet zal gebeuren. Het pleit er daarom voor om in de tekst van de richtlijn zelf duidelijk te maken dat het hier gaat om een bepaling op grond waarvan „het algemene niveau van bescherming van de werknemers [op nationaal niveau] niet mag worden verminderd” (zoals immers geformuleerd in punt 36 van de toelichting bij het richtlijnvoorstel).

3.6   Het EESC kan zich vinden in de voorgestelde wijziging van de bepalingen op grond waarvan opnieuw over EOR-overeenkomsten moet worden onderhandeld als ten gevolge van ingrijpende wijzigingen in de structuur van een onderneming of concern de gemaakte afspraken inzake informatie en raadpleging van alle werknemers niet meer adequaat kunnen worden nageleefd (art. 6, lid 2, onder g, art. 13, lid 2 en 3).

Met name de verduidelijking in artikel 13, lid 3, dat tijdens nieuwe onderhandelingen de bestaande EOR blijft functioneren, stemt het EESC tot tevredenheid.

Het EESC mist echter de bepaling dat bij het mislukken van deze onderhandelingen de subsidiaire voorschriften verplicht moeten worden toegepast, zoals dat krachtens artikel 7 dient te gebeuren ingeval geen overeenkomst is afgesloten. De herziene richtlijn zou moeten voorkomen dat ten gevolge van nieuwe onderhandelingen hiaten in de grensoverschrijdende werknemersvertegenwoordiging ontstaan.

3.7   Het EESC staat ook achter de pogingen van de Commissie om in het richtlijnvoorstel een collectief vertegenwoordigingsmandaat voor de EOR vast te leggen. De Europese sociale partners juichen dit eveneens ten zeerste toe, maar merken in hun gezamenlijke verklaring op dat de EOR's over de nodige middelen zullen moeten beschikken om een dergelijk mandaat te kunnen uitoefenen, als zij dat op grond van het richtlijnvoorstel zouden krijgen.

4.   Functioneren van de EOR waarborgen en efficiënter maken

4.1   Het EESC heeft al eerder gewezen op de belangrijke rol die EOR's spelen, en heeft de leden daarvan gekwalificeerd als „actief betrokken bij de totstandkoming van een nieuwe (Europese) samenleving” (7).

De Europese wetgeving moet de EOR's daarom in staat stellen hun democratische en tegelijk economische functies naar behoren te kunnen uitoefenen. Dit houdt met name in dat de juiste randvoorwaarden moeten worden gecreëerd, zodat een EOR kan beschikken over de benodigde middelen, communicatiemogelijkheden en deskundigheid. Ook de Europese sociale partners hebben dit onderstreept.

4.2   In het richtlijnvoorstel wordt aan deze eisen tegemoetgekomen, omdat daarin EOR-leden uit alle lidstaten voor het eerst expliciet de mogelijkheid wordt geboden scholing te volgen met behoud van salaris, als dit voor de uitoefening van hun mandaat nodig is.

Op deze manier kunnen werknemers hun deskundigheid vergroten, hetgeen een efficiënt functioneren zeker ten goede komt. Het zou dan wel consequenter zijn geweest om te verduidelijken dat de kosten van dit soort scholing, zoals in de praktijk gebruikelijk is, door de werkgever worden vergoed.

4.3   De vraag hoe intensief en regelmatig de leden van een EOR met elkaar kunnen communiceren, is mede bepalend voor een efficiënt functioneren van de EOR. Het EESC is dan ook ingenomen met de paar verbeteringen die de Commissie in dit verband heeft voorgesteld.

Zo kan een EOR om haar eigen bestuur en interne coördinatie te verbeteren, in de EOR-overeenkomst bedingen dat een „beperkt comité” wordt ingesteld (art. 6, lid 2, onder e), dat op grond van voorgesteld punt 1d uit bijlage I bij het richtlijnvoorstel kan bestaan uit maximaal vijf leden en regelmatig bijeen moet kunnen komen.

Dit verschaft werknemers en bedrijfsbesturen met name in uitzonderlijke omstandigheden een betrouwbaar en permanent grensoverschrijdend aanspreekpunt.

4.4   Het EESC vindt echter dat de Commissie er niet consequent naar heeft gestreefd om EOR's in de praktijk efficiënter te laten functioneren.

De ervaring leert dat EOR's efficiënt functioneren als de onderneming hun voldoende communicatiemogelijkheden biedt. Het EESC heeft gemerkt dat daarvan vooral sprake is in ondernemingen waarvan de EOR's normaliter meer dan één keer per jaar bijeenkomen en waarin die vergaderingen worden voorafgegaan en gevolgd door bijeenkomsten zonder het hoofdbestuur — iets wat niet wettelijk verplicht is, maar waarover vaak op vrijwillige basis afspraken zijn gemaakt. Het EESC vindt daarom dat een herziene EOR-richtlijn het houden van meerdere bijeenkomsten op zijn minst zou moeten stimuleren, hetgeen zou kunnen gebeuren door de wettelijke bepalingen in dezen nadrukkelijk als minimumeisen te bestempelen.

4.5   Meer in het algemeen wil het EESC er hier op wijzen dat de lidstaten bij de omzetting van de herziene EOR-richtlijn kunnen besluiten om wat het functioneren van EOR's betreft, verder te gaan dan op grond van de richtlijn minimaal is vereist.

In dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan de uitvoering van de nieuwe, in artikel 10, lid 2, vastgelegde (en toe te juichen) bepaling dat EOR-leden de werknemersvertegenwoordigers van de ondernemingen, of bij ontstentenis daarvan, alle werknemers direct over inhoud en uitkomsten van informatie- en raadplegingsprocedures moeten informeren.

Naar de mening van het EESC wordt van de lidstaten verwacht dat zij bij de omzetting van de richtlijn ook maatregelen nemen om een vlotte informatie-uitwisseling te garanderen tussen de verschillende niveaus waarop de belangen van de werknemers worden behartigd (Europees, nationaal en lokaal). In dit verband zou het zinvol zijn bepalingen vast te stellen op grond waarvan op zijn minst nationale vertegenwoordigers en de leden van het bestuur van een EOR direct toegang kunnen krijgen tot de ondernemingen. Verder zou moeten worden voorzien in de mogelijkheid nationale informatie-uitwisselingsbijeenkomsten van werknemersvertegenwoordigers te organiseren in lidstaten waar meerdere ondernemingen vertegenwoordigd zijn in een EOR, maar er geen belangenbehartiging op een hoger niveau dan alleen in de ondernemingen zelf bestaat.

4.6   De praktijk leert dat de thema's waarover EOR's kunnen worden geraadpleegd niet zouden moeten worden beperkt tot die welke worden bedoeld in de subsidiaire voorschriften (bijlage 1 a). Gebleken is dat EOR's over veel meer onderwerpen om advies wordt gevraagd dan alleen over structuurveranderingen.

Uit de contacten met een groot aantal bedrijfsbesturen is naar voren gekomen dat EOR's zich met een zeer breed scala aan onderwerpen bezighouden, zoals bij- en nascholing, gezondheid en veiligheid, en gegevensbescherming. Het EESC had verwacht dat bij de herziening van de EOR-richtlijn hiermee rekening zou zijn gehouden en de EOR ook het recht zou zijn toegekend om zelf thema's voor te stellen.

4.7   Het EESC onderschrijft het initiatief van de Commissie om de deelname van alle categorieën werknemers aan EOR's te bevorderen. In dit verband herhaalt het een in een eerder advies gedaan voorstel om ook de vertegenwoordiging van kaderpersoneel in EOR's aan te moedigen.

5.   De toepasbaarheid van de EOR-richtlijn verbeteren en het aantal EOR's vergroten

5.1   Momenteel bestaan er in ongeveer 850 internationale ondernemingen EOR's. Die tellen in totaal meer dan 12 000 leden. Zij geven mede invulling aan de democratie in Europa. Men is het erover eens dat EOR's de sociale dialoog in ondernemingen ten goede komen, bijdragen tot een betere besluitvorming en de uitvoering van besluiten bespoedigen. De Commissie heeft er overduidelijk belang bij het aantal EOR's in de ondernemingen die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, te vergroten. Het EESC is hier ook voorstander van.

Om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk nieuwe EOR's worden opgericht, zouden volgens het EESC in artikel 11, lid 2, van de richtlijn adequate maatregelen moeten worden opgenomen die de toepassing van de richtlijn aantrekkelijker maken en die het lastiger maken van de regels af te wijken of die helemaal niet toe te passen. De Commissie gaf in haar document over de raadpleging van de sociale partners al aan dergelijke maatregelen te overwegen (8).

5.2   Uit het richtlijnvoorstel blijkt dat de Commissie aan de Europese sociale partners een grote verantwoordelijkheid toekent wat betreft de praktische uitvoering van de EOR-richtlijn.

Zo moeten op grond van artikel 5, lid 2, onder c, ook de Europese sociale partners in kennis worden gesteld van het begin van de onderhandelingen en van de samenstelling van de verplicht op te richten bijzondere onderhandelingsgroep.

Verder is in de richtlijn expliciet erkenning gekomen voor de in de praktijk algemeen bekende positieve ondersteunende rol die de (Europese) vakbonds- en werkgeversorganisaties spelen bij de onderhandelingen over (nieuwe) EOR-overeenkomsten (art. 5, lid 4, en punt 39 uit de toelichting).

5.3   In dit verband is het EESC er tevens mee ingenomen dat de bepalingen inzake de oprichting van een EOR aanmerkelijk zijn verbeterd.

Zo moeten de bedrijfsbesturen aan alle partijen de voor de opening van de onderhandelingen benodigde informatie over structuur en personeelsbezetting van de onderneming verstrekken (art. 4, lid 4).

Er valt te verwachten dat deze hoognodige verduidelijking onenigheid op dit punt in de toekomst zal voorkomen. Meerdere conflicten hierover werden namelijk al voor het Hof van Justitie uitgevochten (9).

5.4   Met een aanzienlijk kortere wettelijke termijn voor de onderhandelingen over een EOR-overeenkomst zouden volgens het EESC EOR's sneller kunnen worden opgericht.

De huidige termijn van drie jaar is te lang en bleek dan ook niet praktisch te zijn. De meeste onderhandelingen duren aanmerkelijk korter.

In probleemgevallen leidde de huidige lange termijn tot tijdelijke stopzetting van de onderhandelingen en vertragingen. Vaak werden dan ook geen overeenkomsten afgesloten die voldeden aan de normen uit artikel 6 van de richtlijn.

Het EESC pleit er daarom voor de maximale onderhandelingstermijn in de nieuwe richtlijn te verkorten tot bijvoorbeeld 18 maanden, zoals het Europees Parlement in 2001 al heeft voorgesteld.

5.5   Het EESC hoopt dat er ook nieuwe EOR's worden opgericht tijdens de omzetting van de herziene richtlijn in nationaal recht. Het gaat ervan uit dat de EOR-overeenkomsten die in deze periode worden afgesloten volledig zullen voldoen aan de normen uit artikel 6 van de huidige versie van Richtlijn 94/45/EG c.q. aan het daarop gebaseerde nationaal recht, en ook na inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn rechtsgeldig blijven.

5.6   Bestaande minimumaantallen en beperkingen: de Commissie houdt in haar voorstel vast aan bepaalde minimumaantallen voor het functioneren van een EOR, aan de uitsluiting van werknemers uit bepaalde bedrijfstakken (koopvaardij) en aan de beperking van informatie en raadpleging in economische kwesties („Tendenzschutz”). Ze introduceert zelfs een nieuw minimumaantal (ten minste 50 werknemers per land) voor de grensoverschrijdende vertegenwoordiging. Daarmee gaat ze voorbij aan het feit dat in een aantal lidstaten ook werknemersvertegenwoordigingen moeten worden opgericht als het aantal werknemers minder bedraagt dan genoemd minimumaantal. Daarom zou in artikel 5, lid 2, onder b (samenstelling van de bijzondere onderhandelingsgroep), en in paragraaf 1, onder c, van bijlage I (Subsidiaire voorschriften — samenstelling van de EOR) met het bestaan van nationale werknemersvertegenwoordigingen rekening moeten worden gehouden.

In de ogen van het EESC staan deze minimumaantallen en beperkingen op gespannen voet met het Europese grondrecht van iedere werknemer op tijdige informatie en raadpleging over bedrijfsbesluiten die voor hem gevolgen hebben. Het had dan ook verwacht dat de desbetreffende bepalingen bij de herschikking van de EOR-richtlijn eveneens ter discussie zouden zijn gesteld.

Brussel, 4 december 2008

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  COM(2008) 419 final

(2)  Zie de EESC-adviezen: „De concrete toepassing van de Richtlijn over Europese ondernemingsraden (94/45/EG) en de eventuele aanpassing van bepaalde aspecten ervan”, rapporteur de heer Piette, PB C 10 van 14 januari 2004; „De noodzaak van een sociale dialoog en inspraak van werknemers om op veranderingen in het bedrijfsleven te anticiperen en deze in goede banen te leiden”, rapporteur de heer Zöhrer, PB C 24 van 31 januari 2006; „De nieuwe rol van de Europese ondernemingsraden bij de Europese integratie”, rapporteur de heer Iozia, PB C 318 van 23 december 2006

(3)  Gebaseerd op het verslag van het Europees Parlement van 16 juli 2001, rapporteur de heer Menrad, A5-0282/2001 def.

(4)  P6-TA (2007)0185

(5)  Gezamenlijk werkprogramma van de Europese sociale partners 2003-2005. Zie ook de gezamenlijke verklaring van 7 april 2005: „Lessons learned on European Work Councils”. Daarin verwijzen de Europese sociale partners naar eigen grootschalig onderzoek waaruit onder meer is gebleken dat EOR's een positieve invloed hebben op het sociaal overleg en juist dat overleg van grote betekenis is voor een onderneming.

(6)  Zie het Commissiedocument over de raadpleging van de Europese sociale partners van 20 februari 2008, C/2008/660

(7)  Zie EESC-advies „De nieuwe rol van de Europese ondernemingsraden bij de Europese integratie”, rapporteur de heer Iozia, PB C 318 van 23 december 2006

(8)  In dit document opperde de Commissie om de lidstaten in de nieuwe richtlijn aan te sporen adequate, passende en afschrikkende sancties in te voeren. Zie document C/2008/660, blz. 7.

(9)  Zie de arresten van het Hof in de zaken Bofrost (C-62/99), Kühne & Nagel (C-440/00) en ADS Anker GmbH (C-349/01)


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Onderstaande wijzigingsvoorstellen zijn weliswaar verworpen, maar kregen meer dan een kwart van de uitgebrachte stemmen:

Paragraaf 1.5

Vierde streepje wijzigen:

„—

er moet helder worden gesteld dat de directie verantwoordelijk is voor een regelconforme scholing van zowel de nationale als internationale werknemersvertegenwoordigers. Het streven om te komen tot een betere afstemming van de regelgeving tussen de verschillende niveaus mag niet leiden tot nieuwe onduidelijkheid over of inperking van deze verplichting en ook niet tot een tragere besluitvorming ;”

Stemuitslag:

Vóór: 43

Tegen: 91

Onthoudingen: 5

Paragraaf 3.2 tot en met paragraaf 3.2.3

Schrappen

Stemuitslag:

Vóór: 35

Tegen: 100

Onthoudingen: 5

Paragraaf 3.3.2

Eerste streepje wijzigen:

„—

aan de informatie moet zodanig invulling worden gegeven dat de werknemersvertegenwoordigers op basis daarvan een grondige analyse kunnen maken van de mogelijke gevolgen van een voorgenomen beslissing en zich aldus kunnen voorbereiden op een eventuele raadpleging door bevoegde vertegenwoordigers van het hoofdbestuur, zonder dat de besluitvorming in een onderneming daardoor wordt vertraagd ;”

Stemuitslag:

Vóór: 43

Tegen: 91

Onthoudingen: 5

Paragraaf 4.2

Tweede alinea wijzigen:

„—

Op deze manier kunnen werknemers hun deskundigheid vergroten, hetgeen een efficiënt functioneren zeker ten goede komt. Het zou dan wel consequenter zijn geweest om te verduidelijken dat de kosten van dit soort scholing, zoals in de praktijk gebruikelijk is, door de werkgever worden vergoed .”

Stemuitslag:

Vóór: 37

Tegen: 98

Onthoudingen: 9


28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/116


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg”

COM(2008) 414 final — 2008/0142 (COD)

(2009/C 175/22)

De Raad heeft op 23 juli 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg

COM(2008) 414 final — 2008/0142 (COD).

De gespecialiseerde afdeling „Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap”, die met de voorbereidende werkzaamheden van het Comité was belast, heeft haar advies op 4 november 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer BOUIS.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 3 en 4 december 2008 gehouden 449e zitting (vergadering van 4 december 2008) het volgende advies uitgebracht, dat met 80 stemmen vóór en 3 stemmen tegen is goedgekeurd.

1.   Opmerkingen en aanbevelingen

1.1   Het EESC, dat via diverse adviezen al problemen in verband met gezondheid en rechten van patiënten heeft behandeld, onderzoekt dit voorstel voor een richtlijn, en dit te meer omdat de tekst niet alleen een antwoord op de besluiten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen biedt, maar ook omdat de rechten van patiënten en de coördinatie van het gezondheidsbeleid van de lidstaten aan de basis van het voorstel liggen.

1.2   De tekst respecteert het feit dat de gezondheidsstelsels onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen en eerbiedigt de systemen voor vergoeding van medische prestaties. De voorgestelde bepalingen zullen echter op termijn wel gevolgen hebben voor de op solidariteit gebaseerde gezondheidsstelsels en hun financiële houdbaarheid. Het EESC zet dus vraagtekens bij de concrete uitvoeringsbepalingen en formuleert een aantal opmerkingen en aanbevelingen. Het doet zulks met het oog op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel in het gezondheidsbeleid.

1.3   Het baart het EESC zorgen dat de verschillen op het vlak van gezondheidszorg tussen diverse groepen in de samenleving dreigen toe te nemen. Daarom zou in de voorgestelde richtlijn moeten komen te staan dat in de gezondheidszorg de gelijkwaardigheid van iedereen voorop dient te staan en dat mensen met de grootste behoeften en/of kansarmen voorrang dienen te krijgen.

1.4   Het grondrecht van elke gebruiker op de nodige kwaliteits- en veiligheidsgaranties brengt met zich mee dat er normen en certificering moeten komen en dat de materiële en menselijke capaciteit en de organisatie van de zorgverlening moeten worden beoordeeld.

1.5   Voorwaarde voor toegang tot grensoverschrijdende gezondheidszorg is dat de gezondheidsorganisaties van de verschillende landen elkaar aanvullen en met elkaar in evenwicht zijn. Dit geldt zowel voor de technische en menselijke prestaties als voor de medische apparatuur en de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieders. Een en ander veronderstelt een Europees beleid van steun op het gebied van de opleiding van gezondheidswerkers en gezondheidszorguitrusting. Specifieke aandacht dient uit te gaan naar bepaalde medische risico's die samenhangen met de toegenomen mobiliteit van patiënten.

1.6   Voor het EESC mag deze tekst er niet op gericht zijn de mobiliteit van patiënten te veralgemenen, maar moet hij een kader bieden voor de uitoefening van dit recht, zonder de kwaliteitszorg dichter bij huis stiefmoederlijk te behandelen. De ingevoerde mechanismen mogen niet bovenmaats zijn in verhouding tot de grensoverschrijdende zorg.

1.7   Omdat het EESC bezorgd is over het in de richtlijn geformuleerde onderscheid tussen intramurale en extramurale zorg, een onderscheid dat meer op financiële aspecten dan op de reële organisatie van de gezondheidszorg in elk land is gebaseerd, beveelt het aan dat elke lidstaat, conform het subsidiariteitsbeginsel en artikel 86, lid 2, van het Verdrag, zelf bepaalt wat hij onder intramurale en extramurale zorg verstaat.

1.8   De aan iedere burger geboden toegang tot gezondheidszorg in een andere lidstaat moet verlopen met inachtneming van het beginsel van non-discriminatie, zoals vastgelegd in artikel 13 van het Verdrag, en van de rechten van patiënten, zoals geformuleerd door het EESC (1). Hiervoor moet in het bijzonder worden gewerkt met een naar behoren ingevuld gezondheidsboekje en Europees medisch dossier; dit laatste moet zowel door gezondheidswerkers als door de patiënt kunnen worden ingekeken.

1.9   Een doeltreffend informatiebeleid blijkt des te noodzakelijker bij grensoverschrijdende gezondheidszorg omdat dit de enige manier is om inhoud te geven aan het beginsel van gelijke toegang tot gezondheidszorg en om aan gebruikers de mogelijkheid te bieden om vrije en weloverwogen keuzen te maken. Dit beleid moet onder de verantwoordelijkheid van elk van de lidstaten worden uitgebouwd.

1.10   De informatie heeft ook betrekking op de juridische regelingen in geval van schade en op de behandeling van geschillen. In dit kader zou de oprichting van een gemeenschappelijk loket adequaat zijn en is het noodzakelijk dat de patiënt in zijn woonplaats gerechtelijke stappen kan ondernemen. Het EESC beveelt overigens aan dat het systeem van verplichte verzekering tot alle gezondheidswerkers wordt uitgebreid.

1.11   Om de discriminatie op het vlak van toegang tot de gezondheidszorg te beperken, moet bij de mechanismen voor de vergoeding van de kosten achteraf voldoende aandacht worden besteed aan de vergoedingstermijnen en aan de verschillen in medische praktijken, verstrekking van geneesmiddelen of toestellen tussen het land waar de behandeling plaatsvindt en het land van aansluiting.

1.12   Het vergoedingssysteem moet eveneens oog hebben voor het risico op ongelijkheid en zelfs geschillen wegens de niet-homogene aard en de nationale eigenheden van de socialezekerheidsstelsels: derde betaler (rechtstreekse betaling door ziektekostenverzekeraar), remgeld (eigen bijdrage), verschillende honoraria, verwijzend geneesheer, codering van de handelingen, enz.

1.13   Het geheel van informatiemethoden moet er niet alleen voor zorgen dat de verspreide berichten veilig en van goede kwaliteit zijn, maar moet ook de vrije keuze van het individu garanderen en het makkelijker maken economische concurrentie, cohesie, sociale rechtvaardigheid en collectieve solidariteit met elkaar te verzoenen.

1.14   De nationale contactpunten moeten contacten onderhouden met de diverse werknemersorganisaties, gezinsbonden en patiëntenverenigingen en nauw samenwerken met de ziektekostenverzekeraars bij het doorgeven van informatie. Ze moeten ook voorlichtings- en opleidingsinitiatieven ontwikkelen zodat zorgbeoefenaars, paramedici en maatschappelijk werkers op de hoogte zijn van de mogelijkheden op het gebied van grensoverschrijdende gezondheidszorg.

1.15   Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de continuïteit van de zorg, de follow-up van patiënten, de aanpassing van de medische hulpmiddelen en het geneesmiddelengebruik. Hiervoor moeten de gezondheidswerkers en de gezondheidszorgstructuren samenwerken op het gebied van procédés en behandelingsprotocollen op lange termijn.

1.16   De oprichting van de Europese referentienetwerken moet gepaard gaan met de ontwikkeling van compatibele informatietechnologieën waarvan iedere patiënt ongeacht zijn woonplaats moet kunnen genieten. Door de uitwisseling van expertise moet de kwaliteit van de stelsels van de lidstaten verbeteren ten voordele van alle betrokkenen: instellingen, gezondheidswerkers, patiënten, enz.

1.17   Door de nationale statistische gegevens samen te voegen moet het mogelijk zijn om een balans van de tenuitvoerlegging van de richtlijn op te maken. Daarnaast moet het mogelijk zijn om indicatoren te bepalen waarmee de sterke en zwakke punten van de gezondheidsstelsels alsook de behoeften en voorkeuren van de bevolkingsgroepen in kaart kunnen worden gebracht. Dit verslag moet ook worden voorgelegd aan het EESC, dat een follow-up zal uitvoeren en eventueel nieuwe initiatiefadviezen zal uitbrengen.

1.18   De toepassing van een echt patiëntenrecht op het gebied van grensoverschrijdende gezondheidszorg zal een zekere aanpassingsperiode vergen, zodat bepaalde praktijken grondig kunnen worden gewijzigd en ook de mentaliteit en de opleiding van de gezondheidswerkers kunnen evolueren. Hiervoor moeten de beginselen van een Europees handvest met de wederzijdse rechten en plichten van de verschillende actoren in de gezondheidszorg in de nationale regelgevingen worden opgenomen.

1.19   Uit het bovenstaande blijkt dat de aanpak van de Commissie er niet toe heeft geleid dat subsidiariteit in de gezondheidszorg en de behoefte aan een consistente modus operandi voor grensoverschrijdende behandeling volledig met elkaar konden worden verzoend. Zo wordt de deur opengezet voor sterk uiteenlopende interpretaties, waardoor bepalingen zowel door patiënten als zorgverstrekkers juridisch kunnen worden aangevochten.

2.   Samenvatting van de mededeling

2.1   Juridisch kader en vraagbeleid

2.1.1   In het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie is de Commissie al in 2003 verzocht te onderzoeken hoe de rechtszekerheid op het gebied van grensoverschrijdende zorg kan worden vergroot.

2.1.2   De richtlijn betreffende diensten op de interne markt van 2004 bevatte bepalingen terzake. Deze werden echter door het Europees Parlement en de Raad van de hand gewezen omdat zij van oordeel waren dat deze bepalingen onvoldoende rekening hielden met de specifieke eigenschappen van het gezondheidsbeleid, dat van land tot land sterk verschilt, met de technische complexiteit en met de uitdagingen op het gebied van financiering. Bovendien mag ook de gevoeligheid van het grote publiek terzake niet uit het oog worden verloren.

De Commissie heeft beslist om in 2008 een mededeling en een richtlijn voor te stellen waarmee zij beoogt een duidelijk en transparant kader voor de verlening van grensoverschrijdende gezondheidszorg in de EU tot stand te brengen. Het gaat om in het buitenland ontvangen gezondheidszorg in situaties waarin patiënten zich bij een zorgaanbieder in een andere lidstaat laten behandelen. Hiervoor stelt de Commissie een definitie van intramurale en extramurale zorg voor.

2.2   Voorgesteld kader

2.2.1   Het voorstel berust op artikel 95 van het Verdrag betreffende de totstandbrenging en de werking van de interne markt, op artikel 152 betreffende de volksgezondheid en op de algemene beginselen van het Handvest van de grondrechten, zoals ze in de bepalingen van het Hervormingsverdrag zijn vastgelegd.

2.2.2   Om de doelstellingen te bereiken, berusten de juridische definities en algemene bepalingen op drie pijlers: de gemeenschappelijke beginselen voor alle gezondheidsstelsels van de EU, een specifiek kader voor grensoverschrijdende gezondheidszorg en Europese samenwerking op het gebied van gezondheidszorg. De richtlijn geeft de nodige duidelijkheid over de beginselen die van toepassing zijn op de vergoeding van in andere lidstaten verleende gezondheidszorg en over de voorschriften inzake de manier waarop de rechten van patiënten in de praktijk zullen worden uitgeoefend. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen intramurale en extramurale zorg.

2.2.3   Dit voorstel houdt geen wijziging in van het bestaande kader voor de coördinatie van socialezekerheidsregelingen.

2.2.4   De richtlijn verschaft de nodige duidelijkheid over de te volgen procedures en voorziet eveneens in de invoering van mechanismen om de patiënten in te lichten en te helpen via een systeem van nationale contactpunten. Elke patiënt die niet binnen een redelijke termijn in eigen land kan worden geholpen, zal van gezondheidszorg in een andere lidstaat gebruik kunnen maken.

2.2.5   De richtlijn roept op tot een grotere Europese samenwerking door de oprichting van Europese referentienetwerken, de beoordeling van de gezondheidstechnologieën en de ontwikkeling van online-informatie- en -communicatietechnologieën.

3.   Algemene opmerkingen

3.1   Het EESC heeft al herhaaldelijk advies uitgebracht over gezondheid en rechten van patiënten. Met onderhavig voorstel toont de Commissie zich bereid de problematiek van grensoverschrijdende gezondheidszorg aan te pakken.

3.2   Dit initiatief mag er echter niet op gericht zijn de mobiliteit van patiënten te veralgemenen, maar moet een kader bieden voor de uitoefening van dit recht. De ingevoerde mechanismen mogen niet bovenmaats zijn, qua schaal of kosten, ten opzichte van de grensoverschrijdende zorg.

3.3   Deze tekst sluit aan bij de waarden van de Europese Unie en het Handvest van Tallinn (2). Bedoeling is overal in Europa hoogwaardige en voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg te bieden.

In de richtlijn wordt weinig of geen rekening gehouden met het complexe, gevarieerde en uiteenlopende karakter van de gezondheidsstelsels van de 27 lidstaten. Het staat zo goed als vast dat de richtlijn door de verschillende gezondheidsstelsels in de verschillende lidstaten anders zal worden geïnterpreteerd. Daarom plaatst het EESC vraagtekens bij de concrete uitvoeringsbepalingen en pleit het voor een duidelijke definitie van intramurale en extramurale zorg zodat de rechtszekerheid op het vlak van grensoverschrijdende patiënten en gezondheidszorg wordt vergroot.

3.4.1   De tekst respecteert het feit dat de gezondheidsstelsels onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en eerbiedigt volledig hun verantwoordelijkheid voor de organisatie van gezondheidsdiensten, geneeskundige verzorging en vergoeding van de prestaties. De voorgestelde bepalingen zullen op termijn echter wel gevolgen hebben voor de gezondheidsstelsels, hun financiële houdbaarheid en de reikwijdte van de eraan verbonden rechten.

3.4.2   Gezien de grote verschillen in verstrekte zorgen en bijbehorende kosten houdt het systeem van vergoeding na betaling van de prestatie door de patiënt een risico in van ongelijkheid, en kunnen zelfs geschillen ontstaan, omdat de socialezekerheidsstelsels niet homogeen zijn en op nationale leest geschoeid zijn. Het EESC vreest dat de richtlijn de gezondheidsmarkt wel eens zou kunnen worden opengesteld voor concurrentie en dat na de inwerkintreding van de dienstenrichtlijn de kwaliteit van de gehele gezondheidszorg in Europa ondermijnd zou kunnen worden.

3.4.3   De doeltreffendheid en het goede gebruik van gezondheidszorg in een grensoverschrijdend kader veronderstellen dat de capaciteiten van de gezondheidsorganisaties in de verschillende landen elkaar aanvullen en evenwichtig zijn qua technische en menselijke prestaties, medische apparatuur en vastlegging van de verantwoordelijkheden van de zorgaanbieders.

3.4.4   Wanneer er grensoverschrijdende gezondheidszorg wordt verstrekt, hebben de patiënten in ieder geval recht op garanties met betrekking tot de kwaliteit en de veiligheid. Dit grondrecht doet de vraag rijzen naar harmonisering van de certificeringsprocedures, de beoordeling van beroepspraktijken, de capaciteit van de medische apparatuur en de organisatie van het schadevergoedingssysteem.

3.4.5   Grensoverschrijdende kwaliteitszorg en vertrouwen in de zorgverlening in het land van behandeling zijn alleen mogelijk als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan om de continuïteit van de zorg te verzekeren, onder andere:

de verspreiding van een persoonlijk gezondheidsboekje dat iedereen van bij de geboorte krijgt,

het bestaan van een naar behoren ingevuld Europees medisch dossier waartoe gezondheidswerkers en de patiënt toegang hebben,

een gemeenschappelijke formulering van de behandelingsprotocollen,

gecoördineerde praktijken voor het voorschrijven van recepten, in het bijzonder de veralgemening van het gebruik van de stofnaam in plaats van de merknaam, los van het feit dat geneesmiddelen onder de internationale handelsvoorschriften vallen,

normalisatie en certificering van implantaten, toestellen en medische hulpmiddelen,

het overgaan tot accreditatie en zelfs Europese certificering van medische en paramedische ziekenhuisapparatuur,

een communautaire toelatingsprocedure voor de commercialisering van geneesmiddelen.

Voor al deze voorwaarden moeten nieuwe, compatibele informatietechnologieën worden ontwikkeld.

3.4.6   Voor dergelijke veranderingen in de organisatie van het stelsel en de beroepspraktijken moeten niet alleen de mentaliteit en de opleiding van de gezondheidswerkers wijzigen, maar moeten ook de bevoegdheden, de rol en de verantwoordelijkheden van de gezondheidsautoriteiten van elk land juridisch een andere invulling krijgen; dit vergt een zekere aanpassingsperiode.

Bij grensoverschrijdende gezondheidszorg moet elke patiënt gelijke toegang hebben tot alle gezondheidsdiensten en -werkers zonder enige discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Hiervoor is onder andere een doeltreffend informatiebeleid op twee gebieden nodig:

3.4.7.1   Informatie over het zorgaanbod waarover elke burger moet beschikken om te kunnen beslissen of hij al dan niet wil gebruikmaken van grensoverschrijdende gezondheidszorg, gepubliceerd onder de verantwoordelijkheid van de toezichtautoriteiten. Zij moeten ervoor zorgen dat deze informatie ook bepaalde kwetsbare groepen, zoals sociaal geïsoleerde mensen of armen, bereikt.

3.4.7.2   Informatie over ziekten, mogelijke behandelingen met hun voordelen en risico’s, de kenmerken van de structuren of de gezondheidswerkers die deze zorgen verstrekken.

3.4.7.3   Deze informatie wordt verstrekt in het kader van interactie met een gezondheidswerker. Dit houdt in dat de gezondheidswerker ook volledig op de hoogte moet zijn van wat in Europa mogelijk is. Het is dus van cruciaal belang dat er een band wordt opgebouwd tussen de zorgaanbieders en de nationale contactpunten en dat er hiervoor financiële middelen worden vrijgemaakt. Ook de taalbarrière moet worden overwonnen.

3.4.8   De informatie moet volledig en relevant zijn zodat de patiënt vrij en met kennis van zaken kan beslissen en niet aan klantenmisleiding en commerciële uitwassen ten prooi valt.

3.4.9   Alleen via een dergelijke voorlichtingsverplichting kan inhoud worden gegeven aan het in het Verdrag geformuleerde beginsel van gelijke toegang tot de gezondheidszorg, ongeacht of er behoefte is aan grensoverschrijdende gezondheidszorg.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1   Artikel 3

4.1.1   Het EESC is van mening dat de voorgestelde richtlijn geen afbreuk mag doen aan de toepasselijkheid van bestaande communautaire bepalingen, in het bijzonder Verordeningen 1408/71 en 883/2004.

4.2   Artikel 4, sub d)

4.2.1   Het EESC acht de lijst van gezondheidswerkers onvolledig; paramedische gezondheidswerkers zoals logopedisten en orthoptisten moeten er aan worden toegevoegd.

4.3   Artikel 5

4.3.1   Het EESC wijst op het belang van dit artikel en merkt op dat de uitdaging erin zal bestaan zorgverlening te garanderen die aan de behoeften en verwachtingen van de burgers voldoet door hun niet alleen rechten maar ook verantwoordelijkheden te geven om het welzijn te bevorderen, dankzij een combinatie van economische concurrentie, cohesie, sociale rechtvaardigheid en collectieve solidariteit. Het EESC zal er nauwlettend op toezien dat de omschrijving van kwaliteits- en veiligheidsnormen in geen enkel opzicht een bedreiging vormt voor de verscheidenheid van de gezondheidsstelsels van de lidstaten (art. 152, lid 5).

4.3.2   Het EESC onderstreept het belang van de gezondheidsstelsels voor de diverse bevolkingsgroepen en in het bijzonder voor de kansarmen, maar ook het effect van een betere toegang tot gezondheidszorg op de economische groei. Het EESC beklemtoont dat alle investeringen om de toegang te bevorderen des te doeltreffender zullen zijn als ze worden gecoördineerd.

4.4   Artikel 6

4.4.1   Voor het EESC is het noodzakelijk dat er bij het ingevoerde systeem voor vergoeding achteraf terdege rekening mee wordt gehouden dat de medische praktijken, de verstrekking van geneesmiddelen of de toestellen horen bij het land waar de behandeling plaatsvindt en niet bij het land van aansluiting, dat verantwoordelijk is voor de dekkingscriteria. Bijgevolg moeten omrekeningstabellen worden opgesteld, zowel voor de vergoedingspercentages als voor de verplichtingen op het gebied van de continuïteit van de zorg.

4.4.2   Het EESC is bezorgd over de extra kosten die de patiënt zal moeten betalen als hij onverwacht niet wordt terugbetaald. Op termijn zal, om de continuïteit te garanderen, een financiële vergoeding van deze behandelingen door het land van aansluiting moeten worden overwogen. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben voor de financieringssystemen.

4.4.3   Het EESC wil tot elke prijs vermijden dat vanuit het oogpunt van de patiënten én van de lidstaten een tweeklassenstelsel van verzorging in het leven wordt geroepen. Er moet in dat verband duidelijkheid komen over de betalingsvoorwaarden en de manier waarop de kosten in het land van behandeling worden betaald. Ook moet in verband met betaling goed op de bestaande structuren en praktijken worden gelet.

4.5   Artikelen 7 en 8

4.5.1   Het EESC is vooral bezorgd over het in de richtlijn geformuleerde onderscheid tussen intramurale en extramurale zorg. Het EESC merkt op dat dit onderscheid veeleer op financiële aspecten dan op de reële organisatie van de gezondheidszorg in elk land is gebaseerd.

4.5.2   Terwijl de Commissie voorstelt om een aanvullende lijst op te stellen, beveelt het EESC aan om het, conform het subsidiariteitsbeginsel en artikel 86, lid 2, van het Verdrag, aan de lidstaten over te laten, behoudens duidelijk misbruik, om vast te leggen wat ze onder intramurale zorg verstaan. Paragrafen 1 en 2 zouden dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

4.6   Artikel 9

4.6.1   Volgens het EESC kunnen de regelingen voor voorafgaande toestemming positief zijn, als ze de patiënt de kans bieden om na te denken en inlichtingen in te winnen, dankzij de dialoog die tussen de patiënt en zijn ziektekostenverzekeraar kan ontstaan. Ze kunnen bovendien de vergoeding van specifieke prestaties garanderen, zoals de vergoeding van vervoerskosten.

4.6.2   Het EESC vindt dat, los van de publicatie a priori van de criteria voor voorafgaande toestemming, elke weigering naar behoren moet zijn gerechtvaardigd en grondig aan de patiënt moet worden uitgelegd.

4.7   Artikel 10

4.7.1   Het EESC vindt het belangrijk dat er mechanismen in het leven worden geroepen om de patiënten voor te lichten zodat ze voor grensoverschrijdende zorg kunnen kiezen. Deze informatie moet vooral de aandacht vestigen op de verplichtingen en beperkingen van de prestatie en op de vergoedingsmodaliteiten en de eigen bijdrage van de patiënt.

4.7.2   Het EESC raadt aan om het systeem van verplichte verzekering (3) tot alle gezondheidswerkers uit te breiden en om informatie te verstrekken over de rechtsmiddelen in geval van schade door een medisch ongeval met of zonder medische fout (medisch risico).

4.7.3   Het EESC vindt het relevant dat het principe van een gemeenschappelijk loket behouden blijft in het kader van de procedures en de indiening van klachten, en dat elk geschil onder de bevoegdheid van de rechtbank van de woonplaats van de patiënt valt.

4.7.4   Volgens het EESC vormen de onlinediensten en informatiewebsites een informatie-element voor patiënten dat verder moet worden ontwikkeld. Dit mag echter niet de enige informatiebron zijn. Een groot deel van onze medeburgers heeft immers geen of beperkte internettoegang. Het risico bestaat dat hierdoor een gezondheidsstelsel met twee snelheden ontstaat waarbij alleen de hogere sociale klassen en de best geïnformeerde mensen toegang hebben tot grensoverschrijdende gezondheidszorg.

4.8   Artikel 12

4.8.1   De nationale contactpunten moeten contacten onderhouden met de diverse werknemersorganisaties, gezinsbonden en patiëntenverenigingen en dienen nauw samen te werken met de ziektekostenverzekeraars en de zelfstandige instanties van de dienstverleners bij het doorgeven van informatie. Daarnaast moeten deze contactpunten voorlichtings- en opleidingsacties ondernemen ten voordele van gezondheidswerkers, paramedici en maatschappelijk werkers over de mogelijkheden op het gebied van grensoverschrijdende gezondheidszorg, waarbij elke lidstaat verantwoordelijk is voor de oprichting van zijn nationaal contactpunt.

4.9   Artikel 14

4.9.1   Het EESC staat achter dit artikel dat de continuïteit van de zorg waarborgt op het gebied van geneesmiddelengebruik, maar wil dat het strikt wordt toegepast gezien het risico van buitenmatig gebruik en eventueel zelfs illegale handel. Het EESC merkt op dat in de richtlijn geen rekening wordt gehouden met medicijnen die uitsluitend op beperkt medisch recept verkrijgbaar zijn.

4.10   Artikel 15

4.10.1   Dit artikel neemt de bezorgdheid van het EESC over de ongelijkheid van de kwaliteit van de gezondheidsprestaties in de lidstaten gedeeltelijk weg. De oprichting van deze Europese referentienetwerken moet echter wel gepaard gaan met de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologieën waardoor elke patiënt, ongeacht zijn woonplaats, ervan kan genieten.

4.10.2   Aan de doelstellingen van de Europese netwerken moet ook het volgende worden toegevoegd:

in aanvulling van punt 2, sub a) „de beoordeling en registratie van de medische praktijken”;

in aanvulling van punt 2, sub d) „de erkenning van de diploma’s en de naleving van de ethische codes”.

4.10.3   Mocht worden voorzien in een procedure voor de deelname door zorgaanbieders aan deze netwerken, dan is een beoordeling of eventueel zelfs een certificeringsprocedure noodzakelijk.

4.10.4   In de lijst van criteria en specifieke voorwaarden waaraan de netwerken moeten voldoen, zou het EESC graag zien dat:

punt 3, sub a) ix), wordt vervolledigd met: „Een dergelijke samenwerking blijkt vooral noodzakelijk met het oog op inspraak van de patiënten bij het vaststellen van een verdedigbare wachttijd”;

x) wordt toegevoegd aan punt 3, sub a): „ertoe aanzetten dat een gemeenschappelijk handvest van de rechten van patiënten wordt erkend en in acht genomen, zodat de effectieve toepassing van deze rechten zowel in hun land van herkomst als wanneer ze grensoverschrijdende zorg ontvangen, gewaarborgd is”.

4.11   Artikel 18

4.11.1   Door de nationale statistische gegevens samen te voegen, moet het mogelijk zijn een balans van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn op te maken. Het is wenselijk dat hierdoor ook indicatoren kunnen worden bepaald waarmee de sterke en zwakke punten van de gezondheidsstelsels en de behoeften en voorkeuren van de bevolkingsgroepen in kaart kunnen worden gebracht.

4.12   Artikel 20

4.12.1   De bepalingen voor voorafgaande toestemming moeten gedetailleerd worden vastgelegd en voor analyse naar de Commissie worden gestuurd.

4.12.2   Dit verslag moet ook aan het EESC worden voorgelegd.

Brussel, 4 december 2008.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. SEPI

De secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité

M. WESTLAKE


(1)  Initiatiefadvies van het EESC over De rechten van patiënten, rapporteur: de heer Bouis (PB C 10 van 15 januari 2008).

(2)  Het op 27 juni 2008 in Tallinn door de ministers van Gezondheid van de Europese WHO-leden ondertekende Handvest.

(3)  Aansprakelijkheidsverzekering


<

28.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/122