ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 75E

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

52e jaargang
31 maart 2009


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

III   Voorbereidende handelingen

 

RAAD

2009/C 075E/01

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 10/2009 van 9 januari 2009, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators ( 1 )

1

2009/C 075E/02

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 11/2009 van 9 januari 2009, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003 ( 1 )

16

2009/C 075E/03

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 12/2009 van 9 januari 2009, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 ( 1 )

38

2009/C 075E/04

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 13/2009 van 16 februari 2009, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad ( 1 )

58

2009/C 075E/05

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 14/2009 van 16 februari 2009, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Europese groep van regelgevende instanties voor telecommunicatie (GERT) ( 1 )

67

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


III Voorbereidende handelingen

RAAD

31.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 75/1


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 10/2009

door de Raad vastgesteld op 9 januari 2009

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad van … tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/C 75 E/01)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 met als titel „Een energiebeleid voor Europa” is benadrukt hoe belangrijk het is de interne markt voor elektriciteit en aardgas te voltooien. Daarbij is een verbetering van het regelgevingskader op Gemeenschapsniveau als een van de belangrijkste voorwaarden aangemerkt.

(2)

Bij Besluit 2003/796/EG van de Commissie (4) is een onafhankelijke adviesgroep op het gebied van elektriciteit en gas, de „Europese Groep van regulerende instanties voor elektriciteit en gas” („ERGEG”) opgericht om de raadpleging, coördinatie en samenwerking tussen de regulerende organen in de lidstaten en tussen deze organen en de Commissie te vergemakkelijken, met het oog op consolidering van de interne markt voor elektriciteit en aardgas. Deze groep bestaat uit vertegenwoordigers van de nationale regulerende instanties die zijn ingesteld krachtens Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (5) en krachtens Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (6).

(3)

De werkzaamheden die de ERGEG sinds haar oprichting heeft verricht, hebben een positieve bijdrage geleverd tot de interne markt voor elektriciteit en gas. Binnen de sector wordt echter algemeen onderkend dat de vrijwillige samenwerking tussen de nationale regulerende instanties thans zou moeten plaatsvinden binnen een communautaire structuur met duidelijke bevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om in een aantal specifieke gevallen zelf een individuele reguleringsbeslissing te nemen. Dit is ook voorgesteld door de ERGEG.

(4)

De Europese Raad van maart 2007 heeft de Commissie verzocht een voorstel in te dienen voor maatregelen om een onafhankelijk samenwerkingsmechanisme voor de nationale regulerende instanties op te zetten.

(5)

Uit de effectbeoordeling van de voor een centraal orgaan benodigde middelen is gebleken dat een onafhankelijk centraal orgaan op termijn een aantal voordelen biedt ten opzichte van andere opties. Daarom moet een agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators („het agentschap”) worden opgericht.

(6)

Het agentschap moet ervoor zorgen dat de reguleringstaken die de nationale regulerende instanties overeenkomstig de Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (7) en Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (7) op nationaal niveau verrichten, op Gemeenschapsniveau naar behoren worden gecoördineerd en zo nodig aangevuld. Daartoe moeten zijn onafhankelijkheid, technische en regulerende capaciteiten, transparantie en efficiëntie gewaarborgd zijn.

(7)

Het agentschap moet toezicht uitoefenen op de regionale samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders in de elektriciteit- en de gassector en op de uitvoering van de taken van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit („ENTSB voor elektriciteit”) en het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas („ENTSB voor gas”). De betrokkenheid van het agentschap is van essentieel belang om te zorgen voor een efficiënte en transparante samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders in het belang van de interne markten voor elektriciteit en aardgas.

(8)

Het agentschap speelt een belangrijke rol bij de uitwerking van niet-bindende kaderrichtsnoeren waarmee de netcodes moeten overeenstemmen. Het wordt tevens passend geacht dat het agentschap, in overeenstemming met het doel ervan, een rol speelt bij de beoordeling van de netcodes (zowel bij de opstelling als bij de wijziging ervan), teneinde te garanderen dat de overeenstemmen met de niet-bindende kaderrichtsnoeren, voordat het de aanneming ervan aan de Commissie aanbeveelt.

(9)

Er moet een kader worden geboden waarbinnen de nationale regulerende instanties kunnen samenwerken. Dit kader moet de uniforme toepassing van de internemarktwetgeving voor elektriciteit en gas in de gehele Gemeenschap bevorderen. In bepaalde zaken waarbij meer dan een lidstaat is betrokken, moet het agentschap de bevoegdheid krijgen zelf een individuele beslissing te nemen. Deze bevoegdheid moet onder bepaalde voorwaarden gelden voor technische kwesties, de regulering van de infrastructuur voor elektriciteit en gas die ten minste twee lidstaten verbindt of kan verbinden, en ten slotte voor vrijstellingen van de internemarktregelgeving voor nieuwe elektriciteitsinterconnectoren en voor nieuwe gasinfrastructuur die ligt in meer dan een lidstaat.

(10)

Aangezien het agentschap overzicht heeft over de nationale regulerende instanties, moet het de taak krijgen om de Commissie advies uit te brengen over marktreguleringskwesties. Ook moet het de Commissie informeren wanneer het van oordeel is dat de samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders niet het gewenste resultaat oplevert of wanneer een nationale regulerende instantie een beslissing heeft genomen die niet in overeenstemming is met de richtsnoeren, en het advies van het agentschap niet adequaat opvolgt.

(11)

Het agentschap moet ook niet-bindende richtsnoeren kunnen uitvaardigen om de uitwisseling van deugdelijke werkmethoden tussen de regulerende autoriteiten en de marktpartijen te bevorderen.

(12)

De structuur van het agentschap moet zijn afgestemd op de specifieke vereisten van de regulering op energiegebied. Met name moet ten volle rekening worden gehouden met de specifieke rol van de nationale regulerende instanties en met hun onafhankelijkheid.

(13)

De raad van bestuur moet de nodige bevoegdheden krijgen om de begroting vast te stellen, op de uitvoering daarvan toe te zien, een huishoudelijk reglement op te stellen, een financiële regeling vast te stellen en de directeur te benoemen. Er dient te worden voorzien in een regeling betreffende de rotatie van door de Raad benoemde leden van de raad van bestuur, om over langere tijd gezien een evenwichtige deelname door de lidstaten mogelijk te maken.

(14)

Het agentschap moet de nodige bevoegdheden krijgen om de reguleringstaken efficiënt en vooral onafhankelijk te vervullen. De onafhankelijkheid van de nationale regulerende instanties is niet alleen een basisbeginsel van goed bestuur, maar ook van essentieel belang voor het marktvertrouwen. Onverminderd het feit dat zijn leden namens hun respectieve nationale autoriteiten optreden, moet de raad van regulators daarom onafhankelijk van de belangen van de markt opereren en mag hij geen instructies van een regering van een lidstaat, de Commissie of een andere publieke of particuliere entiteit verlangen of aanvaarden.

(15)

In gevallen waarin het agentschap beslissingsbevoegdheden heeft, moeten de betrokken partijen om redenen van proceseconomie het recht krijgen om in beroep te gaan bij een raad van beroep, die deel moet uitmaken van het agentschap, maar wel onafhankelijk moet zijn van zijn bestuurlijke en reguleringsstructuur. Met het oog op de continuïteit zou de raad van beroep bij de benoeming of verlenging van de ambtstermijn van de leden, gedeeltelijk moeten kunnen worden vervangen.

(16)

Het agentschap moet voornamelijk worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Europese Unie, uit vergoedingen en uit vrijwillige bijdragen. Met name moeten de middelen die de regulerende instanties momenteel beschikbaar stellen voor hun samenwerking op communautair niveau, beschikbaar blijven voor het agentschap. Voor subsidies ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie moet de communautaire begrotingsprocedure blijven gelden. Bovendien moet de Rekenkamer de rekeningen controleren overeenkomstig artikel 91 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8).

(17)

Het agentschap moet over hooggekwalificeerd personeel beschikken. Met name moet het kunnen profiteren van de bekwaamheid en ervaring van het door de nationale regulerende instanties, de Commissie en de lidstaten gedetacheerde personeel. Het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling van toepassing op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (respectievelijk het „statuut” en de „regeling”), neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (9) en de regels die de instellingen van de Europese Gemeenschap gezamenlijk hebben vastgesteld met het oog op de toepassing van dit statuut en deze regeling, moeten van toepassing zijn op het personeel van het agentschap. De raad van bestuur moet in overleg met de Commissie de nodige uitvoeringsmaatregelen vaststellen.

(18)

Het agentschap moet de algemene voorschriften voor de toegang van het publiek tot documenten van communautaire organen toepassen. De raad van bestuur moet de praktische maatregelen tot bescherming van commercieel gevoelige en persoonsgegevens vaststellen.

(19)

Overeenkomstig door de Gemeenschap te sluiten relevante overeenkomsten moet deelname van derde landen die geen lid zijn van de Gemeenschap aan de werkzaamheden van het agentschap mogelijk zijn.

(20)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (10).

(21)

In het bijzonder moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om de richtsnoeren aan te nemen die nodig zijn in situaties waarin het Agentschap bevoegd wordt om te beslissen over de voorwaarden voor toegang tot en de operationele veiligheid van grensoverschrijdende infrastructuur. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(22)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk samenwerking tussen de nationale regulerende instanties op Gemeenschapsniveau, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden bereikt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, dat ook in dat artikel is neergelegd, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Oprichting en wettelijke status

Artikel 1

Oprichting

1.   Er wordt een agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, hierna „het agentschap” te noemen.

2.   Het agentschap heeft ten doel de in artikel 34 van Richtlijn 2009/…/EG en artikel 38 van Richtlijn 2009/…/EG bedoelde regulerende instanties bij te staan bij het op Gemeenschapsniveau uitoefenen van de in de lidstaten vervulde reguleringstaken, en hun activiteiten zo nodig te coördineren.

3.   Totdat de huisvesting van het agentschap gereed is, biedt de Commissie het agentschap een onderkomen in haar gebouwen.

Artikel 2

Rechtsvorm

1.   Het agentschap is een communautair orgaan met rechtspersoonlijkheid.

2.   In elke lidstaat heeft het de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend. Het kan met name roerende en onroerende goederen verwerven en vervreemden, en in rechte optreden.

3.   Het wordt vertegenwoordigd door zijn directeur.

Artikel 3

Samenstelling

Het agentschap bestaat uit:

a)

een raad van bestuur, die de in artikel 12 vermelde taken vervult;

b)

een raad van regulators, die de in artikel 14 vermelde taken vervult;

c)

een directeur, die de in artikel 16 vermelde taken vervult;

d)

een raad van beroep, die de in artikel 18 vermelde taken vervult.

Artikel 4

Handelingen van het agentschap

Het agentschap kan:

a)

advies uitbrengen en aanbevelingen doen aan transmissiesysteembeheerders;

b)

advies uitbrengen aan regulerende instanties;

c)

advies uitbrengen aan en aanbevelingen richten tot de Commissie;

d)

in de in de artikelen 7, 8 en 9 genoemde specifieke gevallen zelf een individuele beslissing nemen.

HOOFDSTUK II

Taken

Artikel 5

Algemene taken

Het agentschap mag op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief aan de Commissie advies uitbrengen over alle aangelegenheden die verband houden met het doel waarvoor het is opgericht.

Artikel 6

Taken in verband met de samenwerking van transmissiesysteembeheerders

1.   Het agentschap brengt de Commissie advies uit over de ontwerpstatuten, de ledenlijst en het ontwerpreglement van orde van het ENTSB voor elektriciteit, en van het ENTSB voor gas, overeenkomstig respectievelijk artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit (7) en artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (7).

2.   Het agentschap oefent toezicht uit op de uitvoering van de taken van het ENTSB voor elektriciteit, en van het ENTSB voor gas, die respectievelijk bepaald zijn in artikel 9 van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 9 van Verordening (EG) nr. …/2009

3.   Het agentschap mag advies uitbrengen aan:

a)

het ENTSB voor elektriciteit en aan het ENTSB voor gas overeenkomstig respectievelijk artikel 8, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 8, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. …/2009 over de netcodes; en

b)

het ENTSB voor elektriciteit en aan het ENTSB voor gas overeenkomstig respectievelijk artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2009 over de ontwerpversie van het jaarlijkse werkprogramma en van het niet-bindende tienjarige netontwikkelingsplan, en

4.   Het agentschap brengt een naar behoren gemotiveerd advies alsmede aanbevelingen uit aan het ENTSB voor elektriciteit, het ENTSB voor gas en aan de Commissie als het van oordeel is dat de ontwerpversie van het jaarlijkse werkprogramma of van het niet-bindende tienjarige netontwikkelingsplan die overeenkomstig artikel 9, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. …/2009, respectievelijk artikel 9, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. …/2009 bij hem is ingediend, niet bijdraagt tot de afwezigheid van discriminatie, de daadwerkelijke mededinging en de efficiënte werking van de markt of een voldoende niveau van voor derde partijen toegankelijke grensoverschrijdende interconnectie.

Het agentschap dient een ontwerp van niet-bindende kaderrichtsnoer bij de Commissie in wanneer het hierom wordt verzocht uit hoofde van artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2009. Het agentschap beziet het ontwerp van een kaderrichtsnoer en dient het opnieuw bij de Commissie in wanneer het hierom wordt verzocht uit hoofde van artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. …/2009.

Het agentschap dient een naar behoren met redenen omkleed advies over de ontwerpnetcode in bij het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas overeenkomstig artikel 6, lid 7, van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 6, lid 7, van Verordening (EG) nr. …/2009.

Het agentschap dient de netcode bij de Commissie in en kan aanbevelen deze aan te nemen overeenkomstig artikel 6, lid 9, van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 6, lid 9, van Verordening (EG) nr. …/2009. Het agentschap stelt een ontwerpnetcode op en dient deze bij de Commissie in wanneer het hiertoe wordt verzocht uit hoofde van artikel 6, lid 10, van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 6, lid 10, van Verordening (EG) nr. …/2009.

5.   Het agentschap brengt overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. …/2009 een naar behoren met redenen omkleed advies uit aan de Commissie wanneer het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas geen uitvoering geeft aan een van de netcodes die zijn opgesteld uit hoofde van artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2009 of aan een netcode die is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, leden 1 tot en met 10, van die verordeningen maar die door de Commissie niet is aangenomen uit hoofde van artikel 6, lid 11, van die verordeningen.

6.   Het agentschap oefent toezicht uit op en analyseert de implementatie van de netcodes en de door de Commissie aangenomen richtsnoeren als vastgelegd in artikel 6, lid 11 van Verordening (EG) nr. …/2009 en in artikel 6, lid 11 van Verordening (EG) nr. …/2009, alsmede de weerslag ervan op de harmonisatie van de toepasselijke voorschriften die gericht zijn op het vergemakkelijken van de marktintegratie, alsmede niet-discriminatie, daadwerkelijke mededinging en het efficiënt functioneren van de markt; het brengt verslag uit aan de Commissie.

7.   Het agentschap oefent toezicht uit op de regionale samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders, zulks overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 12 van Verordening (EG) nr. …/2009, en houdt, wanneer het adviezen, aanbevelingen en besluiten opstelt, terdege rekening met het resultaat van deze samenwerking.

Artikel 7

Taken in verband met de nationale regulerende instanties

1.   Het agentschap neemt de individuele beslissingen over technische aangelegenheden die vereist zijn krachtens Richtlijn 2009/…/EG, Richtlijn 2009/…/EG, Verordening (EG) nr. …/2009 of Verordening (EG) nr. …/2009.

2.   Het agentschap mag op basis van zijn werkprogramma of op verzoek van de Commissie niet-bindende richtsnoeren vaststellen om de uitwisseling van deugdelijke werkmethoden onder regulerende instanties en marktpartijen te bevorderen.

3.   Het agentschap bevordert de samenwerking tussen de nationale regulerende instanties en tussen de regionale regulerende instanties en houdt, wanneer het adviezen, aanbevelingen en besluiten opstelt, terdege rekening met het resultaat van deze samenwerking. Wanneer het agentschap bindende voorschriften voor een dergelijke samenwerking nodig acht, richt het tot de Commissie aanbevelingen ter zake.

4.   Het agentschap brengt op verzoek van een regulerende instantie of de Commissie advies uit over de vraag of een besluit van een regulerende instantie in overeenstemming is met de richtsnoeren als bedoeld in Richtlijn 2009/…/EG, Richtlijn 2009/…/EG, Verordening (EG) nr. …/2009 of Verordening (EG) nr. …/2009 [1775/2005].

5.   Wanneer een nationale regulerende instantie niet binnen vier maanden na de ontvangst van het in lid 4 bedoelde advies van het agentschap hieraan een passend gevolg geeft, stelt het agentschap de Commissie daarvan in kennis.

6.   Wanneer een nationale regulerende instantie in een concrete situatie niet goed weet hoe zij de richtsnoeren van de Commissie als bedoeld in Richtlijn 2009/…/EG, Richtlijn 2009/…/EG, Verordening (EG) nr. …/2009 of Verordening (EG) nr. …/2009 moet toepassen, kan zij het agentschap om advies vragen. Na advies van de Commissie brengt het agentschap binnen vier maanden na ontvangst van dergelijke vraag advies uit.

7.   Het agentschap neemt overeenkomstig artikel 8 een besluit inzake de voorwaarden voor toegang tot en de operationele veiligheid van infrastructuur voor elektriciteit en gas die ten minste twee lidstaten verbindt of kan verbinden, hierna „grensoverschrijdende infrastructuur” genoemd.

Artikel 8

Voorwaarden inzake de toegang tot en de operationele veiligheid van grensoverschrijdende infrastructuur

1.   Voor grensoverschrijdende infrastructuur neemt het agentschap uitsluitend besluiten over reguleringskwesties die vallen onder de bevoegdheid van de nationale regulerende instanties, waartoe de voorwaarden voor toegang en operationele veiligheid kunnen behoren:

a)

indien de bevoegde nationale regulerende instanties niet in staat zijn gebleken binnen een periode van zes maanden na de datum waarop het geval naar de laatste van deze regulerende instanties is verwezen, overeenstemming te bereiken, of

b)

in reactie op een gezamenlijk verzoek van de bevoegde nationale regulerende instanties.

De bevoegde nationale regulerende instanties kunnen gezamenlijk verzoeken dat de onder a) bedoelde periode met maximaal zes maanden wordt verlengd.

Bij de voorbereiding van zijn beslissing raadpleegt het agentschap de betrokken nationale regulerende instanties en transmissiesysteembeheerders en wordt het ingelicht over de voorstellen en opmerkingen van alle betrokken transmissiesysteembeheerders.

2.   De toegangsvoorwaarden voor de grensoverschrijdende infrastructuur omvatten:

a)

de procedure voor de toewijzing van capaciteit;

b)

tijdschema's voor de toewijzing;

c)

het delen van ontvangsten uit congestie;

d)

de tarieven die in rekening gebracht worden bij de gebruikers van de infrastructuur, bedoeld in artikel 17, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. …/2009 en artikel 35, lid 1, onder d), van Richtlijn 2009/…/EG.

3.   Indien een geval krachtens lid 1 naar het agentschap is verwezen, neemt het agentschap:

a)

binnen zes maanden vanaf de datum van de verwijzing een besluit;

b)

indien noodzakelijk een voorlopig besluit om de voorzieningszekerheid of de operationele veiligheid van de desbetreffende infrastructuurvoorziening te waarborgen.

4.   De Commissie kan richtsnoeren vaststellen ten aanzien van die situaties waarin het agentschap de bevoegdheid krijgt om te besluiten over de voorwaarden inzake toegang tot en operationele veiligheid van de grensoverschrijdende infrastructuur. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, van deze verordening bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 9

Overige taken

1.   Het agentschap mag als laatste beoordelende instantie de vrijstellingen verlenen als bedoeld in artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. …/2009. Het mag ook vrijstellingen verlenen als bedoeld in artikel 35, lid 4, van Richtlijn 2009/…/EG wanneer de infrastructuur in kwestie op het grondgebied van meer dan een lidstaat gelegen is.

2.   Het agentschap brengt, op verzoek van de Commissie overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. …/2009 of artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. …/2009, advies uit over besluiten van de nationale regulerende instanties betreffende certificering.

Artikel 10

Raadplegingen

Bij de uitvoering van zijn taken raadpleegt het agentschap uitvoerig en in een vroeg stadium, marktspelers, transmissiesysteembeheerders, consumenten, eindgebruikers, en in voorkomend geval mededingingsautoriteiten ongeacht hun respectieve bevoegdheden, waarbij het, in het bijzonder bij de uitvoering van taken betreffende de transmissiesysteembeheerders, op een open en doorzichtige wijze opereert.

HOOFDSTUK III

Organisatie

Artikel 11

Raad van bestuur

1.   De raad van bestuur bestaat uit zes leden. Elk lid heeft een plaatsvervanger. Een lid en zijn plaatsvervanger worden benoemd door de Commissie; de vijf andere leden en hun plaatsvervangers worden benoemd door de Raad. De ambtstermijn bedraagt vier jaar en kan eenmaal worden verlengd. De eerste ambtstermijn bedraagt voor de helft van de leden en hun vervangers evenwel zes jaar.

2.   De raad van bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter. De vicevoorzitter vervangt automatisch de voorzitter als deze zijn of haar taken niet kan uitoefenen. De ambtstermijn van de voorzitter en de vice-voorzitter bedraagt twee jaar en kan eenmaal worden verlengd. De ambtstermijn van de voorzitter en dat van de vice-voorzitter loopt echter in ieder geval af wanneer zij geen lid meer zijn van de raad van bestuur.

3.   De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen. Tenzij de raad van bestuur ten aanzien van de directeur anders beslist, nemen de voorzitter van de raad van regulators, of de door die raad uit zijn midden benoemde persoon, en de directeur van het agentschap deel aan de vergadering. De raad van bestuur komt ten minste tweemaal per jaar in gewone zitting bijeen. Hij komt ook bijeen op initiatief van zijn voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden. De raad van bestuur kan iedereen wiens advies van belang kan zijn uitnodigen om als waarnemer aan de vergaderingen deel te nemen. De leden van de raad van bestuur kunnen zich op de door het reglement van orde van de raad bepaalde wijze laten bijstaan door adviseurs of deskundigen. Het agentschap verzorgt het secretariaat van de raad van bestuur.

4.   De besluiten van de raad van bestuur worden met een meerderheid van twee derde van de aanwezige leden genomen.

5.   Elk lid heeft één stem. In het reglement van orde worden nader bepaald:

a)

de regeling voor de stemming, met name de voorwaarden waaronder een lid namens een ander lid kan handelen, alsmede de eventuele voorschriften inzake quorum;

b)

de regeling betreffende de rotatie die van toepassing is op de door de Raad benoemde leden van de raad van bestuur en die ten doel heeft over langere tijd gezien een evenwichtige deelname door de lidstaten mogelijk te maken.

6.   Een lid van de raad van bestuur is geen lid van de raad van regulators.

7.   De leden van de raad van bestuur verbinden zich ertoe in het openbaar belang onafhankelijk op te treden. Daartoe leggen zij ieder een verbintenisverklaring af alsmede een verklaring omtrent hun belangen, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid. Deze verklaringen worden jaarlijks schriftelijk openbaar gemaakt.

Artikel 12

Taken van de raad van bestuur

1.   Na de raad van regulators te hebben geraadpleegd en zijn gunstig advies te hebben verkregen overeenkomstig artikel 14, lid 2, benoemt de raad van bestuur de directeur overeenkomstig artikel 15, lid 2.

2.   De raad van bestuur benoemt formeel de leden van de raad van regulators overeenkomstig artikel 13, lid 1.

3.   De raad van bestuur benoemt formeel de leden van de raad van beroep overeenkomstig artikel 17, lid 1.

4.   De raad van bestuur ziet erop toe dat de Autoriteit haar opdracht vervult en de haar opgedragen werkzaamheden verricht overeenkomstig de in deze verordening vastgelegde voorwaarden.

5.   De raad van bestuur stelt vóór 30 september van elk jaar na advies van de Commissie, na goedkeuring overeenkomstig artikel 14, lid 3, van de raad van regulators het werkprogramma van het agentschap voor het volgende jaar vast en zendt het toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Het werkprogramma wordt vastgesteld onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure en wordt openbaar gemaakt.

6.   De raad van bestuur keurt een meerjarenprogramma goed en herziet dit indien nodig. Deze herziening geschiedt aan de hand van een evaluatieverslag dat op verzoek van de raad van bestuur door een onafhankelijke externe deskundige wordt opgesteld. Deze documenten worden openbaar gemaakt.

7.   De raad van bestuur oefent zijn begrotingsbevoegdheden uit volgens de artikelen 20 tot en met 23.

8.   De raad van bestuur beslist, na akkoord van de Commissie, over de aanvaarding van alle legaten, schenkingen en subsidies die afkomstig zijn uit andere bronnen van de Gemeenschap of een vrijwillige bijdrage van de lidstaten of hun regulerende instanties. In het overeenkomstig artikel 23, lid 5, door de raad van bestuur uit te brengen advies wordt uitdrukkelijk ingegaan op de in de lijst in dit lid genoemde financieringsbronnen.

9.   De raad van bestuur oefent in overleg met de raad van regulators, tuchtrechtelijke gezag uit over de directeur.

10.   De raad van bestuur bepaalt waar nodig het personeelsbeleid van het agentschap overeenkomstig artikel 27, lid 2.

11.   De raad van bestuur stelt de bijzondere bepalingen vast inzake het recht van toegang tot de documenten van het agentschap, zulks overeenkomstig artikel 29.

12.   De raad van bestuur keurt het bedoelde jaarverslag over de activiteiten van het agentschap goed op basis van het in artikel 16, lid 8, ontwerpjaarverslag en maakt dit bekend, en doet het uiterlijk op 15 juni toekomen aan het Europees Parlement, de Rekenkamer, de Raad, de Commissie en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Het bevat een door de raad van regulators goedgekeurd afzonderlijk hoofdstuk over de reguleringswerkzaamheden van het agentschap in het verslagjaar.

13.   De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast en maakt dit bekend.

Artikel 13

Raad van regulators

1.   De raad van regulators bestaat uit:

a)

hooggeplaatste vertegenwoordigers van de regulerende instanties als bedoeld in artikel 34, lid 1, van Richtlijn 2009/…/EG en artikel 38, lid 1, van Richtlijn 2009/…/EG, alsmede per lidstaat een plaatsvervanger die thans een hoge functie bij deze instanties vervult, en

b)

een vertegenwoordiger, zonder stemrecht, van de Commissie.

2.   De raad van regulators kiest uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter. De vicevoorzitter vervangt de voorzitter als deze zijn taken niet kan uitoefenen. De ambtstermijn van de voorzitter en de vice-voorzitter bedraagt tweeënhalf jaar en kan worden verlengd. De ambtstermijn van de voorzitter en dat van de vice-voorzitter loopt echter in ieder geval af wanneer zij geen lid meer zijn van de raad van regulators.

3.   De raad van regulators beslist met een meerderheid van twee derde van zijn aanwezige leden. Elk lid of diens plaatsvervanger heeft één stem.

4.   De raad van regulators stelt zijn reglement van orde vast en maakt dit bekend. Het reglement van orde bepaalt de nadere bijzonderheden van de stemming, met name de voorwaarden waaronder een lid namens een ander lid kan handelen, alsmede de eventuele quorumvoorschriften. Het reglement van orde kan specifieke werkmethoden omvatten voor de bespreking van punten die zich voordoen in het kader van regionale samenwerkingsinitiatieven.

5.   Bij de uitoefening van de taken die hem bij deze verordening worden toebedeeld en onverminderd het feit dat zijn leden namens hun respectieve regulerende instantie optreden, is de raad van regulators onafhankelijk en verlangt of aanvaardt hij geen instructies van enige regering van een lidstaat, de Commissie of van enige publieke of particuliere entiteit.

6.   Het agentschap verzorgt het secretariaat van de raad van regulators.

Artikel 14

Taken van de raad van regulators

1.   De raad van regulators brengt aan de directeur advies uit over de in de artikelen 5 tot en met 9 bedoelde adviezen, aanbevelingen en besluiten waarvan de aanneming wordt overwogen. Voorts geeft de raad van regulators de directeur bij de uitoefening van zijn taken richtsnoeren op de gebieden die binnen zijn bevoegdheid vallen.

2.   Overeenkomstig artikel 12, lid 1, en artikel 15, lid 2, brengt de raad van regulators advies uit bij de raad van bestuur over de kandidaat die voorgedragen wordt als directeur. Hij neemt dit besluit met een meerderheid van drie vierde van zijn leden.

3.   De raad van regulators keurt overeenkomstig artikel 12, lid 5, en artikel 16, lid 6, en in overeenstemming met de overeenkomstig artikel 22, lid 1, opgestelde voorlopige ontwerp-begroting het werkprogramma van het agentschap voor het volgende jaar goed en dient het vóór 1 september ter goedkeuring in bij de raad van bestuur.

4.   De raad van regulators keurt het afzonderlijke hoofdstuk over de reguleringswerkzaamheden in het jaarverslag als bedoeld in artikel 12, lid 12, en artikel 16, lid 8, goed.

Artikel 15

De directeur

1.   Het agentschap wordt geleid door een directeur, die optreedt overeenkomstig de in artikel 14, lid 1, tweede zin, bedoelde richtsnoeren alsmede, waar in deze richtlijn vermeld, overeenkomstig het advies van de raad van regulators. Onverminderd de respectieve rollen van de raad van bestuur en de raad van regulators met betrekking tot de taken van de directeur, verlangt of aanvaardt de directeur geen instructies van enige regering, noch van de Commissie of van enige andere publieke of private entiteit.

2.   De directeur wordt, na een openbare oproep tot het indienen van blijken van belangstelling, op grond van zijn verdiensten, bekwaamheden en ervaring door de raad van bestuur benoemd uit ten minste drie door de Commissie voorgedragen kandidaten, na gunstig advies van de raad van regulators. Vóór de benoeming kan de door de raad van bestuur gekozen kandidaat worden verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.

3.   De ambtstermijn van de directeur bedraagt vijf jaar. Tijdens de negen laatste maanden van deze periode verricht de Commissie een beoordeling, waarin met name de volgende zaken aan de orde komen:

a)

de prestaties van de directeur;

b)

de taken en verplichtingen van het agentschap in de volgende jaren.

De onder b) bedoelde beoordeling wordt uitgevoerd met bijstand van een onafhankelijke, externe deskundige.

4.   De raad van bestuur kan op voorstel van de Commissie en rekening houdende met het beoordelingsverslag en het advies van de raad van regulators over deze beoordeling de ambtstermijn van de directeur eenmaal met ten hoogste drie jaar verlengen, maar alleen indien zulks op grond van de taken en verplichtingen van het agentschap kan worden verantwoord.

5.   De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de directeur te verlengen. In de maand die voorafgaat aan de verlenging van zijn of haar ambtstermijn kan de directeur worden gevraagd een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.

6.   Indien de ambtstermijn van de directeur niet wordt verlengd, blijft hij zijn ambt uitoefenen totdat zijn vervanger is aangewezen.

7.   De directeur kan alleen uit zijn ambt worden ontzet nadat de raad van bestuur na gunstig advies van de raad van regulators daartoe heeft besloten. De raad van bestuur neemt dit besluit met een meerderheid van drie vierde van zijn leden.

8.   Het Europees Parlement en de Raad kunnen de directeur verzoeken verslag uit te brengen over de uitvoering van zijn taken.

Artikel 16

Taken van de directeur

1.   De directeur treedt op als vertegenwoordiger van het agentschap en is met de leiding ervan belast.

2.   De directeur bereidt de werkzaamheden van de raad van bestuur voor. Hij neemt, zonder stemrecht, deel aan de werkzaamheden van de raad van bestuur.

3.   De directeur stelt de in de artikelen 5 tot en met 9 bedoelde adviezen, aanbevelingen en besluiten vast, die een gunstig advies van de raad van regulators hebben gekregen, en hij maakt deze bekend.

4.   De directeur zorgt voor de tenuitvoerlegging van het jaarlijkse werkprogramma van het agentschap, zulks volgens de aanwijzingen van de raad van regulators en onder het administratief toezicht van de raad van bestuur.

5.   De directeur neemt de nodige maatregelen, met name de vaststelling van interne administratieve instructies en de publicatie van nota's, om ervoor te zorgen dat het agentschap werkt overeenkomstig deze verordening.

6.   De directeur stelt jaarlijks een ontwerpwerkprogramma van het agentschap voor het volgende jaar op en dient het uiterlijk op 30 juni van dat jaar in bij de raad van regulators en de Commissie.

7.   De directeur stelt een voorlopige ontwerpbegroting van het agentschap op ingevolge artikel 22, lid 1, en voert de begroting van het agentschap uit ingevolge artikel 23.

8.   De directeur stelt jaarlijks een ontwerpjaarverslag met een apart hoofdstuk over de reguleringswerkzaamheden van het agentschap en een hoofdstuk over financiële en administratieve aangelegenheden op.

9.   De directeur oefent jegens het personeel van het agentschap de bevoegdheden als bedoeld in artikel 27, lid 3, uit.

Artikel 17

Raad van beroep

1.   De raad van beroep bestaat uit zes leden en zes plaatsvervangers die gekozen worden uit het huidige of voormalige hogere personeel van de nationale regulerende instanties, mededingingsautoriteiten of andere nationale of communautaire instellingen met relevante ervaring in de energiesector. De raad van beroep wijst zelf zijn voorzitter aan. De besluiten van de raad van beroep worden genomen met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen van ten minste vier van de zes leden ervan. De raad van beroep komt bijeen wanneer dit noodzakelijk is.

2.   Na een openbare oproep tot het indienen van blijken van belangstelling benoemt de raad van bestuur de leden van de raad van beroep op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de raad van regulators.

3.   De ambtstermijn van de leden van de raad van beroep bedraagt vijf jaar. Deze termijn kan worden verlengd. De leden van de raad van beroep zijn onafhankelijk bij het nemen van hun besluiten. Zij zijn niet gebonden aan enige instructie. Zij mogen geen enkele andere taak verrichten in het agentschap zelf of in de raad van bestuur of de raad van regulators van het agentschap. Ook mag een lid van de raad van beroep niet uit zijn ambt worden ontzet, tenzij het op ernstige wijze tekort is geschoten en de raad van bestuur na raadpleging van de raad van regulators daartoe besluit.

4.   De leden van de raad van beroep mogen niet deelnemen aan de behandeling van een beroepsprocedure als zij daarbij een persoonlijk belang hebben, als zij eerder als vertegenwoordiger van een van de partijen bij de behandeling betrokken zijn geweest of als zij een rol hebben gespeeld bij het besluit waartegen het beroep is ingesteld.

5.   Indien een lid van de raad van beroep om een van de in lid 4 genoemde redenen of om enige andere reden meent dat een medelid niet aan een beroepsprocedure zou mogen deelnemen, stelt het de raad van beroep daarvan in kennis. Een lid van de raad van beroep kan om een van de in lid 4 genoemde redenen of als aan zijn onpartijdigheid wordt getwijfeld, door een partij in de beroepsprocedure worden gewraakt. Wraking kan niet zijn gegrond op de nationaliteit van leden en is niet ontvankelijk als de partij in de beroepsprocedure, terwijl zij op de hoogte was van een reden tot het maken van het bezwaar, toch reeds een andere procedurehandeling heeft verricht dan het maken van bezwaar tegen de samenstelling van de raad van beroep.

6.   De raad van beroep beslist in de in de leden 4 en 5 bedoelde gevallen zonder deelname van het betrokken lid over de te nemen maatregelen. Voor het nemen van deze beslissing wordt het betrokken lid in de raad van beroep vervangen door zijn plaatsvervanger, tenzij deze in een vergelijkbare situatie verkeert. In dat geval wijst de voorzitter een van de andere beschikbare plaatsvervangers aan.

7.   De leden van de raad van beroep verbinden zich ertoe in het openbaar belang onafhankelijk op te treden. Daartoe leggen zij een verbintenisverklaring af alsmede een verklaring omtrent hun belangen, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid. Deze verklaringen worden jaarlijks schriftelijk openbaar gemaakt.

Artikel 18

Rechtsmiddelen

1.   Een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van de nationale regulerende instanties, kan beroep instellen tegen een tot hem gericht besluit als bedoeld in de artikelen 7, 8 en/of 9, of tegen een besluit dat, ofschoon in de vorm van een besluit gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raakt.

2.   Het beroep wordt tezamen met de uiteenzetting van de gronden voor het beroep binnen twee maanden na de kennisgeving van het besluit aan de betrokken persoon, dan wel bij gebreke daarvan, binnen twee maanden na de dag van publicatie van het besluit door het agentschap, schriftelijk bij het agentschap ingediend. De raad van beroep neemt binnen twee maanden na instelling van het beroep een besluit ter zake.

3.   Een ingevolge lid 1 van dit artikel ingesteld beroep heeft geen schorsende werking. De raad van beroep kan echter, indien hij van oordeel is dat de omstandigheden dit vereisen, de toepassing van het bestreden besluit opschorten.

4.   Indien het beroep ontvankelijk is, onderzoekt de raad van beroep of het gegrond is. Hij nodigt de partijen in de beroepsprocedure zo vaak als noodzakelijk is uit om binnen een bepaalde termijn opmerkingen te maken naar aanleiding van de kennisgevingen van de raad zelf of de mededelingen van de andere partijen in de beroepsprocedure. Het is partijen in de beroepsprocedure toegestaan een mondelinge uiteenzetting te geven.

5.   De raad van beroep kan binnen de voorwaarden van dit artikel elke bevoegdheid uitoefenen die binnen de bevoegdheid van het agentschap valt, dan wel de zaak terugverwijzen naar het bevoegde orgaan van het agentschap. Dit orgaan is gebonden aan de beslissing van de kamer van beroep.

6.   De raad van beroep stelt zijn reglement van orde vast en maakt dit bekend.

7.   De door de raad van beroep genomen besluiten worden door het agentschap bekendgemaakt.

Artikel 19

Beroep bij het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie

1.   Overeenkomstig artikel 230 van het Verdrag kan bij het Gerecht van eerste aanleg of bij het Hof van Justitie beroep worden ingesteld tegen besluiten van de raad van beroep of, bij ontbreken van recht op beroep bij de raad van beroep, tegen besluiten van het agentschap.

2.   Indien het agentschap nalaat een besluit te nemen, kan overeenkomstig artikel 232 van het Verdrag bij het Gerecht van eerste aanleg of bij het Hof van Justitie beroep wegens nalaten worden ingesteld.

3.   Het agentschap moet de noodzakelijke maatregelen treffen ter uitvoering van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg of het Hof van Justitie.

HOOFDSTUK IV

Financiele bepalingen

Artikel 20

Begroting van het agentschap

1.   De ontvangsten van het agentschap bestaan met name uit:

a)

een subsidie van de Gemeenschap, die in de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) wordt opgenomen;

b)

de vergoedingen die overeenkomstig artikel 21 aan het agentschap betaald worden;

c)

een vrijwillige bijdrage van de lidstaten of hun regulerende instanties als genoemd in artikel 12, lid 8;

d)

legaten, schenkingen of subsidies als genoemd in artikel 12, lid 8.

2.   De uitgaven van het agentschap bestaan uit administratieve, infrastructurele, werkings- en personeelskosten.

3.   De ontvangsten en uitgaven moeten in evenwicht zijn.

4.   Van alle ontvangsten en uitgaven van het agentschap wordt een raming gemaakt voor elk boekjaar, dat samenvalt met een kalenderjaar. Deze ontvangsten en uitgaven worden in de begroting van het agentschap opgenomen.

Artikel 21

Vergoedingen

1.   Voor de behandeling van een aanvraag voor een vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 9, lid 1, is een vergoeding verschuldigd aan het agentschap.

2.   De Commissie stelt de in lid 1 bedoelde vergoeding vast.

Artikel 22

Opstelling van de begroting

1.   De directeur stelt jaarlijks uiterlijk op 15 februari een voorontwerp van begroting op voor de operationele uitgaven en het werkprogramma voor het volgende boekjaar en zendt dit voorontwerp aan de raad van bestuur, tezamen met een voorlopige personeelsformatie. De raad van bestuur maakt jaarlijks op basis van het ontwerp van de directeur een raming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende boekjaar. De raad van bestuur dient deze raming, die tevens een ontwerppersoneelsformatie bevat, uiterlijk op 31 maart bij de Commissie in. Vóór de definitieve vaststelling van de raming wordt het ontwerp van de directeur eerst ingediend bij de raad van regulators, die daarover advies mag uitbrengen.

2.   De Commissie dient de raming tezamen met het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie in bij het Europees Parlement en de Raad (hierna „de begrotingsautoriteit” genoemd).

3.   Op basis van de ramingen voert de Commissie in het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie de vooruitzichten in die zij noodzakelijk acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag.

4.   De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie voor het agentschap vast.

5.   De raad van bestuur stelt de begroting van het agentschap op. Deze wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast.

6.   De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit onverwijld in kennis van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van zijn begroting kunnen hebben, met name vastgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. Hij licht de Commissie hierover in. Als een van de takken van de begrotingsautoriteit voornemens is advies uit te brengen, stelt deze het agentschap binnen twee weken na ontvangst van de informatie over het bouwproject in kennis van zijn voornemen om een dergelijk advies uit te brengen. Indien het agentschap geen antwoord ontvangt, kan het doorgaan met zijn plannen.

Artikel 23

Uitvoering van en toezicht op de begroting

1.   De directeur treedt op als ordonnateur en voert de begroting van het agentschap uit.

2.   Uiterlijk op 1 maart na afloop van het boekjaar deelt de rekenplichtige van het agentschap de voorlopige rekeningen, vergezeld van het verslag over het financieel en begrotingsbeheer in het boekjaar, mede aan de rekenplichtige van de Commissie en aan de Rekenkamer. De rekenplichtige van het agentschap zendt het verslag over het financieel en begrotingsbeheer uiterlijk 31 maart van het volgende jaar ook toe aan het Europees Parlement en de Raad. De rekenplichtige van de Commissie consolideert dan de voorlopige rekeningen van de instellingen en gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (11) (het „Financieel Reglement”).

3.   Uiterlijk op 31 maart na afloop van het boekjaar zendt de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het agentschap, vergezeld van het verslag over het financieel en begrotingsbeheer in het boekjaar, toe aan de Rekenkamer. Het verslag over het financieel en begrotingsbeheer tijdens het boekjaar wordt ook toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

4.   Na ontvangst van de door de Rekenkamer geformuleerde opmerkingen over de voorlopige rekeningen van het agentschap overeenkomstig artikel 129 van het Financieel Reglement stelt de directeur op eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het agentschap op en zendt hij zij voor advies toe aan de raad van bestuur.

5.   De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het agentschap.

6.   De directeur zendt deze definitieve rekeningen, vergezeld van het advies van de raad van bestuur, uiterlijk op 1 juli na afloop van het boekjaar toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Hof van Justitie.

7.   De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.

8.   De directeur zendt de Rekenkamer uiterlijk op 15 oktober een antwoord op haar opmerkingen. Hij of zij zendt dit antwoord ook toe aan de raad van bestuur en de Commissie.

9.   Overeenkomstig artikel 146, lid 3, van het Financieel Reglement verstrekt de directeur het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor een goed verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken boekjaar.

10.   Het Europees Parlement verleent op aanbeveling van de Raad, die bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, vóór 15 mei van het jaar N + 2, kwijting aan de directeur voor de uitvoering van de begroting van het boekjaar N.

Artikel 24

Financiële voorschriften

Na raadpleging van de Commissie stelt de raad van bestuur de financiële voorschriften op die van toepassing zijn op het agentschap. Deze voorschriften mogen afwijken van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 indien de specifieke eisen van de werking van het agentschap dit noodzakelijk maken en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.

Artikel 25

Fraudebestrijdingsmaatregelen

1.   Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige handelingen is Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (12) zonder enige beperking van toepassing op het agentschap.

2.   Het agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (13) en treft onverwijld passende voorzieningen die op alle werknemers van het agentschap van toepassing zijn.

3.   De financieringsbesluiten, akkoorden en toepassingsinstrumenten die daaruit voortvloeien, bepalen uitdrukkelijk dat de Rekenkamer en OLAF voor zover nodig een controle ter plekke kunnen uitvoeren bij de begunstigden van de kredieten van het agentschap en bij de personeelsleden die bevoegd zijn voor de toekenning van deze kredieten.

HOOFDSTUK V

Algemene bepalingen

Artikel 26

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is van toepassing op het agentschap.

Artikel 27

Personeel

1.   Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en de regels die de instellingen van de Europese Gemeenschap gezamenlijk hebben vastgesteld met het oog op de toepassing van dit statuut en deze regeling, zijn van toepassing op het personeel van het agentschap, met inbegrip van de directeur.

2.   De raad van bestuur stelt in overleg met de Commissie de nodige uitvoeringsmaatregelen vast volgens de regelingen van artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.

3.   Het agentschap oefent ten aanzien van zijn personeel de bevoegdheden uit die krachtens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen zijn verleend aan het tot aanstelling bevoegde gezag, alsook die welke krachtens de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen zijn verleend aan het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag.

4.   De raad van bestuur kan bepalingen vaststellen waardoor uit de lidstaten gedetacheerde nationale deskundigen voor het agentschap kunnen werken.

Artikel 28

Aansprakelijkheid van het agentschap

1.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het agentschap overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die het agentschap zelf of het personeel ervan bij de uitoefening van hun taken hebben veroorzaakt. Het Hof van Justitie heeft rechtsbevoegdheid in geschillen over de vergoeding van dergelijke schade.

2.   De persoonlijke geldelijke en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de personeelsleden van het agentschap ten aanzien van het agentschap valt onder de desbetreffende voor het personeel van het agentschap geldende voorschriften.

Artikel 29

Toegang tot documenten

1.   Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (14) is van toepassing op de documenten die bij het Agentschap berusten.

2.   De raad van bestuur stelt de praktische maatregelen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 uiterlijk op … (15) vast.

3.   Tegen de besluiten van het agentschap ingevolge artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingediend bij de Ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie onder de voorwaarden als bedoeld in respectievelijk artikel 195 en artikel 230 van het Verdrag.

Artikel 30

Deelneming van derde landen

1.   Het agentschap staat open voor deelname van derde landen die met de Gemeenschap overeenkomsten hebben gesloten op grond waarvan zij Gemeenschapswetgeving op het gebied van energie en, voor zover van toepassing, milieu en concurrentievermogen, hebben aangenomen en toepassen.

2.   Op basis van de desbetreffende bepalingen van deze overeenkomsten worden afspraken gemaakt over met name de aard, omvang en procedurele aspecten van de betrokkenheid van deze landen bij de werkzaamheden van het agentschap, waaronder afspraken over de financiële en personele bijdrage.

Artikel 31

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 32

Talenregeling

1.   Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (16) is op het agentschap van toepassing.

2.   De raad van bestuur beslist over de interne talenregeling van het agentschap.

3.   De voor het functioneren van het agentschap vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

HOOFDSTUK VI

Slotbepalingen

Artikel 33

Beoordeling

1.   De Commissie verricht, bijgestaan door een externe, onafhankelijke deskundige, een evaluatie uit van de activiteiten van het agentschap. Daarbij worden de resultaten van het agentschap en zijn aanpak getoetst aan zijn doelstelling, mandaat en taken zoals vastgelegd in deze verordening en in zijn jaarlijkse werkprogramma's.

2.   De raad van regulators ontvangt de conclusies van de evaluatie en doet aanbevelingen betreffende wijzigingen van deze verordening, het agentschap en zijn werkmethoden aan de Commissie, die deze, vergezeld van haar advies en passende voorstellen, aan het Europees Parlement en de Raad kan doorgeven.

3.   Binnen vier jaar nadat de eerste directeur in functie is getreden, dient de Commissie het eerste evaluatieverslag in bij het Europees Parlement en de Raad. Daarna komt zij ten minste om de vijf jaar met een nieuw evaluatieverslag.

Artikel 34

Inwerkingtreding en overgangsmaatregelen

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   De artikelen 5 tot en met 10 zijn van toepassing met ingang van … (17).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 211 van 19.8.2008, blz. 23.

(2)  PB C 172 van 5.7.2008, blz. 55.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 18 juni 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 9 januari 2009 en standpunt van het Europees Parlement van … (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  PB L 296 van 14.11.2003, blz. 34.

(5)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37.

(6)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57.

(7)  PB L …

(8)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(9)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(10)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(11)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(12)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(13)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(14)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(15)  Zes maanden na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening.

(16)  PB L 17 van 6.10.1958, blz. 385.

(17)  18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

Op 19 september 2007 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een verordening tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers, op basis van artikel 95 van het Verdrag, als onderdeel van een pakket met vier andere voorstellen betreffende de interne energiemarkt.

2.

Het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité hebben op 10 april (1), respectievelijk 22 april 2008 (2) advies over het gehele pakket uitgebracht.

3.

Het Europees Parlement heeft op 18 juni 2008 zijn advies (3) in eerste lezing uitgebracht en daarbij 73 amendementen goedgekeurd. De Commissie heeft geen gewijzigd voorstel ingediend.

4.

De Raad heeft op 9 januari 2009 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag.

II.   DOEL VAN HET VOORSTEL

5.

Het voorstel maakt deel uit van het derde pakket maatregelen betreffende de interne energiemarkt, samen met de richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas, de verordening betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetwerken, de richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en de verordening betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit. Het draagt bij tot de totstandbrenging van het reguleringskader dat nodig is om de openstelling van de markt volledig effect te laten sorteren en een interne markt voor gas en elektriciteit te creëren door de oprichting van een agentschap dat tot taak heeft de regulerende instanties bij te staan bij het op Gemeenschapsniveau uitoefenen van de op nationaal niveau verrichte reguleringstaken, en hun activiteiten zo nodig te coördineren.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

6.   Algemene opmerkingen

6.1.

De Commissie heeft alle door de Raad in haar voorstel aangebrachte wijzigingen aanvaard.

6.2.

Van de 73 door het Europees Parlement aangenomen amendementen heeft de Raad in navolging van de Commissie:

de volgende 25 amendementen overgenomen:

volledig (soms anders geformuleerd): 9, 12, 45, 47, 48, 49, 53, 54, 58, 59 en 66;

ten dele/in beginsel/naar de geest: 3, 4, 11 (eerste deel), 13, 15, 16, 40, 44, 51, 57, 61, 64, 68 en 76; en

de volgende 25 amendementen verworpen: 8, 17, 18, 20, 21, 22, 25, 29, 30, 34, 36, 37, 38, 46, 50, 52, 55, 56, 60, 62, 63, 67, 69, 71 en 73, om redenen van inhoud, vorm of samenhang.

6.3.

De Raad is van het standpunt van de Commissie afgeweken door

amendement 65 naar de inhoud te aanvaarden:

de volgende 23 amendementen te verwerpen: 5, 6, 7, 10, 11 (tweede deel), 14, 19, 24, 26, 27, 28, 31, 32, 33, 35, 39, 41, 42, 43, 70, 72, 74 en 75.

7.   Specifieke opmerkingen

7.1.

Kanttekeningen bij de amendementen van het EP ten aanzien waarvan de Raad van het standpunt van de Commissie is afgeweken:

a)

De Raad heeft amendement 65 aanvaard (dat erop neerkomt dat de directeur strikt conform de adviezen van de raad van regulators moet optreden).

b)

De Raad heeft de 23 bovengenoemde amendementen (punt 6.3.) verworpen op de volgende gronden:

i)

amendement 5: is een herhaling van taken die reeds door de Commissie worden uitgevoerd en spoort niet met de taken waarin het Commissievoorstel voorziet;

ii)

amendement 6: geen meerwaarde en evenmin correct, aangezien de samenwerking tussen de nationale regulators buiten het kader van het agentschap zal voortduren;

iii)

amendement 7: schept onduidelijkheid over het werkingsgebied van het agentschap en staat haaks op het niet-bindend karakter van sommige van zijn besluiten;

iv)

amendement 10: leidt tot verwarring tussen de onafhankelijkheid van de nationale regulators waarin de elektriciteits- en gasrichtlijn voorziet en die van de organen van het agentschap;

v)

amendement 11 (tweede deel): geen meerwaarde en niet in overeenstemming met de taken van de directeur;

vi)

amendement 14: niet in overeenstemming met het beschikkend gedeelte van de verordening;

vii)

amendement 19: schept verwarring tussen de besluiten van het agentschap en zijn in de artikelen 5 tot en met 10 omschreven taken;

viii)

amendement 24: artikel 30 (deelneming van derde landen) is toereikend om voor adequate betrokkenheid van derde landen bij de werkzaamheden van het agentschap te zorgen;

ix)

amendement 26: de Raad neemt er nota van dat de Commissie dit amendement uitsluitend voor individuele besluiten in specifieke gevallen onder nauwkeurig gedefinieerde voorwaarden kon aanvaarden. Bovendien ziet de Raad geen basis om de bevoegdheden van de Commissie in deze aangelegenheden te delegeren, en neemt hij er voorts nota van dat het amendement de bevoegdheden van het agentschap zou beperken tot uitsluitend technische codes, terwijl marktcodes ook onder de adviezen van het agentschap zouden moeten vallen;

x)

amendementen 27 en 28: grotendeels bestreken door de artikelen 6, lid 6, artikel 7, lid 3, en artikel 8, lid 1, derde alinea;

xi)

amendement 31: het agentschap kan de samenwerking tussen de regulators niet verzekeren;

xii)

amendementen 32 en amendement 33: deze taken vallen gewoonlijk onder de bevoegdheid van de Commissie,

xiii)

amendement 39: herhaling van de taken waarin is voorzien bij Richtlijn 2004/67 inzake de veiligstelling van de aardgasvoorziening en Richtlijn 2005/89 inzake de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en de infrastructuurinvesteringen;

xiv)

amendement 42: artikel 7 van het voorstel is bestemd voor de nationale regulatoren en niet voor de TSB's;

xv)

amendementen 35, 41 en 43: de amendementen 35 en 41 vormen een doublure en vermelden, evenals amendement 43, nog eens de taken die door de Commissie reeds ingevolge de richtlijnen gas en elektriciteit worden vervuld;

xvi)

amendement 70: punt c) druist in tegen het vrijwillige karakter van nationale bijdragen en punt c bis) is in de praktijk niet werkbaar;

xvii)

amendement 72: in het reglement van orde van de raad van regulators zou kunnen worden vastgelegd hoe de raad zijn adviezen formuleert;

xviii)

amendement 74: het moet aan de Commissie worden overgelaten om te besluiten of en hoe ruim zij raadplegingen organiseert bij haar evaluatie;

xix)

amendement 75: de overwogen periode in dit amendement is te kort voor een deugdelijke evaluatie.

7.2.

Wat het Commissievoorstel betreft, heeft de Raad enkele andere inhoudelijke en/of formele wijzigingen aangebracht om te voorzien in een regulerend agentschap, onafhankelijk van de lidstaten en de Commissie, met nauwkeurig omschreven taken, die een strikte weergave vormen van de taken die door de gas- en elektriciteitsrichtlijnen en -verordeningen aan het agentschap worden toegekend. Het agentschap richt zich op vraagstukken waarbij meer dan een lidstaat betrokken is, wat bindende besluitvorming betreft; zijn betrokkenheid bij technische zaken (netwerkcodes) is geïntensiveerd, maar blijft van raadgevende aard. Het laat de nationale niveaus in het algemeen de ruimte om hun rol te spelen (bijv. een tweefasenaanpak voor het bepalen van de voorwaarden inzake de toegang tot en de operationele veiligheid van grensoverschrijdende infrastructuur (artikel 8)). Bij al deze taken worden de marktdeelnemers en autoriteiten op nationaal niveau naar behoren geraadpleegd (artikel 8, lid 1, en artikel 10) en wordt terdege rekening gehouden met de resultaten van regionale samenwerking tussen transportnetbeheerders en tussen regulerende instanties (artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 3).

Het gemeenschappelijk standpunt voorziet in artikel 13 in een sterke raad van regulators, die bestaat uit hooggeplaatste vertegenwoordigers van de nationale regulerende instanties, en in een directeur van het agentschap die optreedt overeenkomstig het advies van de raad van regulators. Het voorziet tevens in een slanke en efficiënte raad van bestuur (artikel 11), bestaande uit zes leden (zoals voorgesteld door het EP, amendement 44), waarvan er vijf door de Raad worden benoemd en een door de Commissie, en die gedeeltelijk rouleren, zodat de lidstaten op de langere termijn voldoende aan bod komen. Ter verbetering van de democratische controle zijn de transparantiebepalingen aanzienlijk aangescherpt, bijvoorbeeld wat de belangen van de bestuursleden betreft (bijv. artikel 11, lid 7).

Met het oog op aanpassing van het agentschap in het licht van de ervaringen is in het gemeenschappelijk standpunt een evaluatiemechanisme (artikel 33, lid 2) ingevoerd, met een sterke inbreng van de raad van regulators.


(1)  PB C 172 van 5.7.2008, blz. 55.

(2)  PB C 211 van 19.8.2008, blz. 23.

(3)  Nog niet in het PB bekendgemaakt.


31.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 75/16


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 11/2009

door de Raad vastgesteld op 9 januari 2009

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/C 75 E/02)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met de interne markt voor elektriciteit, die sinds 1999 geleidelijk tot stand is gebracht, wordt beoogd alle consumenten in de Gemeenschap — zowel particulieren als bedrijven — echte keuzevrijheid te bieden, nieuwe kansen voor het bedrijfsleven te scheppen en grensoverschrijdende handel te bevorderen, teneinde efficiëntieverbeteringen, concurrerende prijzen en een betere dienstverlening te bewerkstelligen en de voorzieningszekerheid en duurzaamheid in de hand te werken.

(2)

Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (4) en Verordening (EG) nr. 1228/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit (5) hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de totstandkoming van een dergelijke interne markt voor elektriciteit.

(3)

Momenteel zijn er echter nog obstakels om in de Gemeenschap op voet van gelijkheid, zonder discriminatie of benadeling, elektriciteit te verkopen. Er is met name nog steeds niet in elke lidstaat sprake van een niet-discriminerende netwerktoegang en van een gelijk niveau van toezicht door de regulerende instanties.

(4)

In de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007„Een energiebeleid voor Europa” is benadrukt hoe belangrijk het is de interne markt voor elektriciteit te voltooien en een gelijk speelveld voor alle elektriciteitsbedrijven uit de Gemeenschap tot stand te brengen. De mededelingen van de Commissie van 10 januari 2007 getiteld „de vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt” en „Onderzoek op grond van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1/2003 naar de Europese gas- en elektriciteitssectoren (Eindverslag)” hebben aangetoond dat de huidige voorschriften en maatregelen niet het nodige kader verschaffen om de doelstelling van een goed functionerende interne markt te realiseren.

(5)

Enerzijds moet het bestaande regelgevingskader op strikte wijze worden uitgevoerd, en anderzijds moet het regelgevingskader voor de interne markt voor elektriciteit van Verordening (EG) nr. 1228/2003 in de zin van deze mededelingen worden aangepast.

(6)

Er is meer in het bijzonder een grotere samenwerking en coördinatie tussen transmissiesysteembeheerders vereist om netcodes in te voeren voor de verlening en het beheer van daadwerkelijke toegang tot de transmissienetwerken over de grenzen heen te verwezenlijken, om, met inachtneming van het milieu, een gecoördineerde en voldoende toekomstgerichte planning en een deugdelijke technische ontwikkeling van het transmissiesysteem in de Gemeenschap te waarborgen. Die netcodes moeten in overeenstemming zijn met de door het bij Verordening (EG) nr. …/2009 (6) van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (hierna „het Agentschap” te noemen) opgestelde niet-bindende kaderrichtsnoeren. Het Agentschap dient betrokken te worden bij de beoordeling van ontwerpnetcodes, waaronder de vraag of zij aan de niet-bindende kaderrichtsnoeren voldoen, en het kan de Commissie aanbevelen die netcodes goed te keuren. Het Agentschap dient ook de voorgestelde wijzigingen op de netcodes te beoordelen, en het kan de Commissie aanbevelen die wijzigingen goed te keuren. Transmissiesysteembeheerders moeten hun netwerken volgens deze netcodes beheren.

(7)

Teneinde in de Gemeenschap een optimaal beheer van het elektriciteitstransmissienet te garanderen en grensoverschrijdende handel in elektriciteit en grensoverschrijdende levering van elektriciteit mogelijk te maken, moet een Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit („het ENTSB voor elektriciteit”) worden opgericht. De taken van de ENTSB voor elektriciteitmoeten worden uitgeoefend met inachtneming van de communautaire mededingingsregels, die op de beslissingen van het ENTSB voor elektriciteit van toepassing blijven. Deze taken moeten nauwkeurig worden omschreven en de daarbij gevolgde werkmethode moet efficiëntie, representativiteit en transparantie garanderen. De door het ENTSB voor elektriciteit opgestelde netcodes zijn niet bedoeld om de noodzakelijke nationale netcodes voor niet-grensoverschrijdende aangelegenheden te vervangen. Aangezien met een benadering op regionaal niveau effectievere vooruitgang kan worden geboekt, moeten de transmissiesysteembeheerders binnen de overkoepelende samenwerkingsstructuur regionale structuren opzetten en er tegelijkertijd voor zorgen dat de resultaten op regionaal niveau stroken met de netcodes en niet-bindende tienjarige netontwikkelingsplannen op Gemeenschapsniveau. Samenwerking binnen dergelijke regionale structuren vergt een daadwerkelijke ontvlechting van netwerkactiviteiten enerzijds en productie- en leveringsactiviteiten anderzijds, anders houdt regionale samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders een risico van concurrentieverstorend gedrag in.

(8)

Alle marktspelers hebben belang bij de werkzaamheden die van het ENTSB voor elektriciteit worden verwacht. Daarom is een doeltreffende raadplegingsprocedure van essentieel belang en moeten de bestaande structuren, zoals de Unie voor de coördinatie van de transmissie van elektriciteit, de nationale regulerende instanties of het Agentschap, die zijn opgezet om de raadplegingsprocedure te vergemakkelijken en te stroomlijnen, een belangrijke rol spelen.

(9)

In deze verordening moeten de grondbeginselen voor tarifering en capaciteitstoewijzing worden vastgelegd en tegelijkertijd richtsnoeren worden gegeven waarin de relevante beginselen en methoden nader worden omschreven, zodat een snelle aanpassing aan de gewijzigde omstandigheden mogelijk wordt.

(10)

Op een door concurrentie gekenmerkte open markt moeten de transmissiesysteembeheerders een vergoeding ontvangen voor de kosten in verband met het via hun systemen lopen van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen en wel van de beheerders van die transmissiesystemen waarvan de grensoverschrijdende stromen afkomstig zijn en van de systemen waar die stromen eindigen.

(11)

Bij de vaststelling van nationale nettarieven moet rekening worden gehouden met betalingen en ontvangsten in verband met verrekeningen tussen transmissiesysteembeheerders.

(12)

Het voor grensoverschrijdende toegang tot het net verschuldigde bedrag kan aanzienlijk variëren, afhankelijk van de betrokken transmissiesysteembeheerders en de verschillen in structuur tussen de tariferingstelsels in de lidstaten. Derhalve is een zekere mate van harmonisatie noodzakelijk, teneinde verstoring van de handel te voorkomen.

(13)

Er is behoefte aan een goed systeem voor locatiespecifieke signalen voor de lange termijn met als uitgangspunt dat de hoogte van de tarieven voor nettoegang in beginsel het evenwicht tussen productie en verbruik in de betrokken regio moet weerspiegelen, dat wordt verkregen door een differentiatie van de tarieven voor nettoegang voor producenten en/of consumenten.

(14)

Het zou niet juist zijn afstandgerelateerde tarieven te hanteren of, indien passende locatiespecifieke signalen zijn ingebouwd, specifieke tarieven voor exporteurs of importeurs vast te stellen, bovenop een algemeen tarief voor toegang tot het nationale net.

(15)

Voorwaarde voor een goed functionerende concurrentie in de interne markt voor elektriciteit zijn niet-discriminerende en transparante tarieven voor het gebruik van het systeem waaronder de interconnectoren in het transmissiesysteem. De beschikbare capaciteit van deze leidingen moet gesteld worden op het maximum dat met de veiligheidsnormen voor een bedrijfszeker beheer van het net in overeenstemming is.

(16)

Het is belangrijk te voorkomen dat verschillende normen voor veiligheid, bedrijfsvoering en planning die door transmissiesysteembeheerders in de lidstaten worden gehanteerd, leiden tot verstoring van de mededinging. Marktspelers moeten bovendien een duidelijk beeld krijgen van de beschikbare transmissiecapaciteit en de normen inzake veiligheid, planning en bedrijfsvoering die van invloed zijn op de beschikbare overdrachtcapaciteit.

(17)

Uit de marktonderzoeken die de nationale regulerende instanties en de Commissie in de loop van de voorbije jaren hebben uitgevoerd, is gebleken dat de thans geldende transparantievereisten en voorschriften voor de toegang tot de infrastructuur ontoereikend zijn.

(18)

Gelijke toegang tot informatie over de fysieke toestand van het systeem is noodzakelijk opdat alle marktspelers zich een oordeel over de totale vraag- en aanbodsituatie kunnen vormen en de redenen voor bewegingen van de groothandelsprijs kunnen onderkennen. Dit betekent onder meer dat nauwkeuriger informatie moet worden verschaft over elektriciteitsproductie, vraag en aanbod, inclusief prognoses, netwerk- en interconnectiecapaciteit, stromen en onderhoud, balancering en reservecapaciteit.

(19)

Om het vertrouwen in de markt te versterken, moeten marktspelers de zekerheid hebben dat op misbruik sancties worden gesteld. De bevoegde autoriteiten moeten in staat worden gesteld vermoedens van marktmisbruik effectief te onderzoeken. Daarom moeten zij toegang hebben tot gegevens die informatie verschaffen over operationele beslissingen van leveranciers. Op de elektriciteitsmarkt worden tal van relevante beslissingen genomen door de producenten, die deze informatie gedurende een bepaalde termijn ter beschikking van de bevoegde autoriteiten moeten houden. Kleine producenten die de markt niet echt kunnen verstoren, moeten van deze verplichting worden vrijgesteld.

(20)

Er moeten regels gelden voor het gebruik van eventuele ontvangsten uit congestiebeheersprocedures, tenzij de specifieke aard van de interconnector een vrijstelling van deze regels rechtvaardigt.

(21)

Het beheer van congestieproblemen moet aan transmissiesysteembeheerders en marktspelers de juiste economische signalen geven en op marktmechanismen gebaseerd zijn.

(22)

Investeringen in belangrijke nieuwe infrastructuur moeten sterk worden aangemoedigd en tegelijkertijd moet de goede werking van de interne markt voor elektriciteit worden gewaarborgd. Teneinde het positieve effect van vrijgestelde gelijkstroominterconnectoren op de mededinging te versterken en de voorzieningszekerheid te verbeteren, moet tijdens de planningsfase van een project de marktbelangstelling worden gepeild en moeten voorschriften voor congestiebeheer worden vastgesteld. Ingeval gelijkstroominterconnectoren zich op het grondgebied van meer dan een lidstaat bevinden, moet het Agentschap als laatste instantie het verzoek om vrijstelling behandelen, zodat beter rekening wordt gehouden met de grensoverschrijdende gevolgen van het verzoek en de administratieve verwerking ervan vlotter verloopt. Gezien het uitzonderlijke risicoprofiel van de uitvoering van deze vrijgestelde belangrijke infrastructuurprojecten moet bedrijven met belangen op het gebied van levering en productie bovendien de mogelijkheid worden geboden van een tijdelijke ontheffing van de volledige ontvlechtingsvoorschriften te genieten voor de betrokken projecten.

(23)

Om een vlotte werking van de interne markt voor elektriciteit te waarborgen, moeten er procedures komen waarmee de Commissie besluiten en richtsnoeren betreffende o.a. tarifering en capaciteitstoewijzing kan vaststellen, waarbij betrokkenheid van de regulerende instanties van de lidstaten verzekerd is, eventueel via hun Europese associatie. De regulerende instanties hebben samen met andere betrokken instanties in de lidstaten een belangrijke rol te spelen bij het goed functioneren van de interne markt voor elektriciteit.

(24)

De nationale regulerende instanties moeten ervoor zorgen dat de in deze verordening neergelegde voorschriften en de op basis van deze verordening vastgestelde richtsnoeren in acht worden genomen.

(25)

Van de lidstaten en de bevoegde nationale autoriteiten moet worden verlangd dat zij de Commissie relevante informatie verschaffen. Deze informatie moet door de Commissie vertrouwelijk worden behandeld. Waar nodig moet de Commissie de mogelijkheid hebben de relevante informatie rechtstreeks bij de betrokken bedrijven op te vragen, op voorwaarde dat de bevoegde nationale autoriteiten op de hoogte worden gebracht.

(26)

De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op de bepalingen van deze verordening en erop toezien dat deze worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(27)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7).

(28)

In het bijzonder moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gegeven de richtsnoeren vast te stellen of aan te nemen die nodig zijn voor de minimale harmonisatie die vereist is om de doelstelling van deze verordening te bereiken. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(29)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het verschaffen van een geharmoniseerd kader voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen treffen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel neergelegd in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als neergelegd in genoemd artikel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te bereiken.

(30)

Gezien de omvang van de hierin gedane wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1228/2003 is het ter wille van de duidelijkheid en de logica wenselijk de betrokken bepalingen te herschikken door hen samen te brengen in één tekst in een nieuwe verordening,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel en werkingssfeer

Deze verordening beoogt:

a)

eerlijke regels te stellen voor de grensoverschrijdende handel in elektriciteit, om aldus de mededinging op de interne markt voor elektriciteit te bevorderen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de nationale en regionale markten. Dit houdt onder meer in de totstandbrenging van een vergoedingsmechanisme voor grensoverschrijdende elektriciteitsstromen en de vaststelling van geharmoniseerde beginselen inzake tarieven voor grensoverschrijdend transmissie en de toewijzing van beschikbare interconnectiecapaciteit tussen nationale transmissiesystemen;

b)

het ontstaan van een goed functionerende en transparante groothandelsmarkt met een hoog niveau van zekerheid van de elektriciteitsvoorziening te bevorderen. Zij voorziet in mechanismen om deze regels voor de grensoverschrijdende handel in elektriciteit te harmoniseren.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities in artikel 2 van Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (6) van toepassing, uitgezonderd de definitie van „interconnector”, die als volgt komt te luiden:

„interconnector”: transmissielijn die een grens tussen lidstaten overschrijdt of overspant, en de nationale transmissiesystemen van de lidstaten onderling koppelt.

2.   Tevens zijn de volgende definities van toepassing:

a)

„regulerende instanties”: de regulerende instanties bedoeld in artikel 34, lid 1, van Richtlijn 2009/…/EG;

b)

„grensoverschrijdende stroom”: een fysieke stroom van elektriciteit op een transmissienetwerk van een lidstaat die het gevolg is van de invloed van de activiteit van producenten en/of verbruikers buiten die lidstaat op zijn transmissienetwerk. Indien transmissienetwerken van twee of meer lidstaten geheel of gedeeltelijk deel uitmaken van één regelblok, wordt enkel voor de toepassing van het in artikel 13 bedoelde vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders, het volledige regelblok aangemerkt als onderdeel van het transmissienetwerk van een van de betrokken lidstaten, zulks om te voorkomen dat stromen binnen regelblokken als grensoverschrijdende stroom worden beschouwd en aanleiding geven tot compensatiebetalingen uit hoofde van artikel 13. De regulerende instanties van de betrokken lidstaten kunnen besluiten van welke van de betrokken lidstaten het volledige regelblok wordt aangemerkt als onderdeel van het transmissienetwerk;

c)

„congestie”: een situatie waarin een interconnectie tussen nationale transmissienetwerken wegens onvoldoende capaciteit van de betrokken interconnectoren en/of nationale transmissiesystemen niet alle fysieke stromen die voortvloeien uit de internationale handel waar de marktpartijen om verzoeken, kan verwerken;

d)

„aangegeven export”: de verzending van elektriciteit vanuit een lidstaat, met de onderliggende contractuele verbintenis dat tegelijkertijd in een andere lidstaat of een derde land een corresponderende ontvangst („aangegeven import”) van elektriciteit plaatsvindt;

e)

„aangegeven doorvoer”: de situatie waarin sprake is van „aangegeven export” van elektriciteit en het genomineerde traject van de transactie door een land loopt waarin noch de verzending noch de gelijktijdige corresponderende ontvangst van de elektriciteit plaatsvindt;

f)

„aangegeven import”: de ontvangst van elektriciteit in een lidstaat of een derde land, die tegelijkertijd plaatsvindt met de verzending van elektriciteit („aangegeven export”) in een andere lidstaat;

g)

„nieuwe interconnector”: een interconnector die op … (8) niet voltooid is.

Artikel 3

Certificering van transmissiesysteembeheerders

1.   De Commissie onderzoekt kennisgevingen van besluiten betreffende de certificering van een transmissiesysteembeheerder als bepaald in artikel 10, lid 6, van Richtlijn 2009/…/EG, onmiddellijk na ontvangst. Binnen twee maanden na ontvangst van een kennisgeving deelt de Commissie zijn advies aan de desbetreffende nationale regulerende instantie mee of zij het besluit verenigbaar acht met artikel 10, lid 2, of artikel 11, en artikel 9 van Richtlijn 2009/…/EG.

Bij de opstelling van het in de eerste alinea bedoelde advies kan de Commissie om het advies van het Agentschap over het besluit van de nationale regulerende instantie verzoeken. In dat geval wordt de in de eerste alinea genoemde termijn met twee verdere maanden verlengd.

Als de Commissie niet overeenkomstig de eerste en tweede alinea advies uitbrengt, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben tegen het besluit van de regulerende instantie.

2.   Na ontvangst van het advies van de Commissie stelt de nationale regulerende instantie binnen twee maanden het definitieve besluit betreffende de certificering van de transmissiesysteembeheerder vast, waarbij zij zo veel mogelijk rekening houdt met het advies van de Commissie. Het besluit van de regulerende instantie en het advies van de Commissie worden samen bekendgemaakt.

3.   De regulerende instanties en/of de Commissie kunnen in de loop van de procedure te allen tijde bij deen transmissiesysteembeheerder en/of een bedrijf dat één van de functies van productie of levering verricht, alle informatie opvragen die relevant is voor de uitvoering van hun taken overeenkomstig dit artikel.

4.   De regulerende instanties en de Commissie bewaren de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige gegevens.

5.   De Commissie kan richtsnoeren vaststellen waarin de voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel te volgen procedure nader wordt omschreven. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

6.   Wanneer de Commissie een kennisgeving betreffende de certificering van een transmissiesysteembeheerder krachtens artikel 9, lid 10, van Richtlijn 2009/…/EG ontvangt, neemt zij een beslissing over de certificering. De regulerende instantie voert de beslissing van de Commissie uit.

Artikel 4

Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit

Alle transmissiesysteembeheerders werken samen op Gemeenschapsniveau middels een ENTSB voor elektriciteit met de bedoeling de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit te bevorderen en een optimaal beheer en deugdelijke technische ontwikkeling van het Europees elektriciteitstransmissienet te garanderen.

Artikel 5

Oprichting van het ENTSB voor elektriciteit

1.   Uiterlijk op … (9) dienen de transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit bij de Commissie en het Agentschap de ontwerpstatuten, een lijst van leden en het ontwerpreglement van orde, met onder meer de procedurevoorschriften voor de raadpleging van andere belanghebbenden, van het op te richten ENTSB voor elektriciteit in.

2.   Binnen twee maanden na ontvangst brengt het Agentschap, na raadpleging van de organisaties die alle belanghebbenden vertegenwoordigen, aan de Commissie advies uit over de ontwerpstatuten, de ledenlijst en het ontwerpreglement van orde.

3.   Binnen drie maanden na ontvangst van het advies van het Agentschap brengt de Commissie advies uit over de ontwerpstatuten, de ledenlijst en het ontwerpreglement van orde.

4.   Binnen drie maanden na ontvangst van het advies van de Commissie gaan de transmissiesysteembeheerders over tot de oprichting van het ENTSB voor elektriciteit en tot de aanneming en publicatie van zijn statuten en reglement van orde.

Artikel 6

Vaststelling van netcodes

1.   Na raadpleging van het Agentschap, het ENTSB voor elektriciteit en de andere betrokken belanghebbende partijen stelt de Commissie jaarlijks een prioriteitenlijst op met de in artikel 8, lid 6, vermelde terreinen waarmee bij de ontwikkeling van netcodes rekening moet worden gehouden.

2.   De Commissie kan het Agentschap verzoeken haar binnen een redelijke termijn van ten hoogste zes maanden een ontwerp van een niet-bindend kaderrichtsnoer voor te leggen waarin duidelijke en objectieve beginselen zijn vervat met inachtneming van artikel 8, lid 7, voor de ontwikkeling van specifieke netcodes met betrekking tot de terreinen die op de prioriteitenlijst zijn vermeld. Elk ontwerp van een niet-bindend kaderrichtsnoer draagt bij tot non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging en een efficiënte werking van de markt. Op een met redenen omkleed verzoek van het Agentschap kan de Commissie deze termijn verlengen.

3.   Gedurende een termijn van ten minste twee maanden raadpleegt het Agentschap het ENTSB voor elektriciteit en de andere betrokken belanghebbende partijen op een open en transparante manier over het ontwerp van niet-bindend kaderrichtsnoer.

4.   Indien de Commissie van oordeel is dat het ontwerp van niet-bindend kaderrichtsnoer niet bijdraagt tot non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging en een efficiënte werking van de markt, kan zij het Agentschap verzoeken het ontwerp van niet-bindend kaderrichtsnoer binnen een redelijke termijn te herzien en dit opnieuw aan de Commissie voor te leggen.

5.   Indien het Agentschap binnen de door de Commissie conform lid 2 of lid 4 gestelde termijn geen ontwerp van niet-bindend kaderrichtsnoer voorlegt dan wel opnieuw voorlegt, stelt de Commissie het bewuste niet-bindende kaderrichtsnoer op.

6.   De Commissie verzoekt het ENTSB voor elektriciteit om binnen een redelijke termijn die ten hoogste twaalf maanden beloopt, een netcode aan het Agentschap voor te leggen die in overeenstemming is met het desbetreffende kaderrichtsnoer.

7.   Binnen drie maanden na de ontvangst van een netcode, gedurende welke periode het Agentschap de betrokken belanghebbende partijen formeel kan raadplegen, brengt het Agentschap een met redenen omkleed advies inzake de netcode uit aan het ENTSB voor elektriciteit.

8.   Het ENTSB voor elektriciteit kan in het licht van het advies van het Agentschap de netcode wijzigen en deze opnieuw aan het Agentschap voorleggen.

9.   Als het Agentschap vaststelt dat de netcode in overeenstemming is met de desbetreffende kaderrichtsnoeren, legt het Agentschap de netcode voor aan de Commissie, eventueel vergezeld van de aanbeveling om de netcode goed te keuren.

10.   Als het ENTSB voor elektriciteit niet binnen de door de Commissie vastgestelde redelijke termijn van lid 6 een netcode heeft ontwikkeld, kan de Commissie het Agentschap verzoeken om op basis van het desbetreffende niet-bindende kaderrichtsnoer een ontwerpnetcode op te stellen. Het Agentschap kan tijdens het opstellen van een ontwerpnetcode overeenkomstig dit lid verder overleg voeren. Het Agentschap legt een overeenkomstig dit lid opgestelde ontwerpnetcode voor aan de Commissie, eventueel vergezeld van de aanbeveling om de netcode goed te keuren.

11.   De Commissie kan, op eigen initiatief indien het ENTSB voor elektriciteit geen netcode heeft ontwikkeld of het Agentschap geen ontwerpnetcode heeft ontwikkeld als bedoeld i, lid 10 van dit artikel, of op aanbeveling van het Agentschap v lid 9 van dit artikel, een of meer netcodes goedkeuren op de in artikel 8, lid 6, genoemde terreinen.

Als de Commissie op eigen initiatief voorstelt een netcode goed te keuren, kan de Commissie gedurende een termijn van ten minste twee maanden het Agentschap, het ENTSB voor elektriciteit en alle betrokken belanghebbende partijen raadplegen over de ontwerpnetcode.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

12.   Dit artikel laat het in artikel 18 neergelegde recht van de Commissie om richtsnoeren vast te stellen of te wijzigen onverlet.

Artikel 7

Wijziging van netcodes

1.   Personen die belang hebben bij een netcode, waaronder het ENTSB voor elektriciteit, transmissiesysteembeheerders, systeemgebruikers en consumenten, kunnen het Agentschap ontwerpwijzigingen voorleggen voor een overeenkomstig artikel 6 goedgekeurde netcode. Het Agentschap kan ook op eigen initiatief wijzigingen voorstellen.

2.   Het Agentschap stelt in zijn reglement van orde doeltreffende procedures vast voor de beoordeling van en uitvoerig overleg over ontwerpwijzigingen, onder meer met het ENTSB voor elektriciteit en de systeemgebruikers. In het kader van die procedure kan het Agentschap de Commissie met redenen omklede wijzigingsvoorstellen doen en daarbij aantonen hoe deze stroken met de doelstellingen van de in artikel 6, lid 2, bedoelde netcodes.

3.   De Commissie kan, rekening houdend met het advies van het Agentschap, wijzigingen goedkeuren op elke overeenkomstig artikel 6 aangenomen netcode. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.   Van de in het kader van de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure voorgestelde wijzigingen worden alleen de aspecten in verband met de voorgestelde wijziging beoordeeld. Deze voorgestelde wijzigingen laten andere wijzigingen die de Commissie eventueel voorstelt, onverlet.

Artikel 8

Taken van het ENTSB voor elektriciteit

1.   Het ENTSB voor elektriciteit stelt op een door de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 6, aan hem gericht verzoek netcodes op de in lid 6 van dit artikel genoemde terreinen op.

2.   Het ENTSB voor elektriciteit kan op de in lid 6 genoemde terreinen netcodes opstellen, als deze codes geen betrekking hebben op terreinen in verband waarmee de Commissie een verzoek aan het ENTSB voor elektriciteit heeft gericht. Deze netcodes worden voor advies aan het Agentschap voorgelegd.

3.   Het ENTSB voor elektriciteit stelt het volgende vast:

a)

gemeenschappelijke netwerkbeheersinstrumenten, waaronder een gemeenschappelijk indelingsschema voor incidenten, en onderzoeksplannen;

b)

om de twee jaar een niet-bindend tienjarig netontwikkelingsplan dat de hele Gemeenschap dekt („netontwikkelingsplan”), waarin onder meer Europese vooruitzichten inzake de toereikendheid van de elektriciteitsopwekking zijn opgenomen;

c)

een jaarlijks werkprogramma;

d)

een jaarverslag;

e)

jaarlijkse zomer- en wintervooruitzichten inzake de toereikendheid van de elektriciteitsopwekking.

4.   De in lid 3, onder b), bedoelde Europese vooruitzichten inzake toereikendheid van de elektriciteitsopwekking bestrijken de algemene toereikendheid van het elektriciteitssysteem om stroom te leveren, alsmede de verwachte vraag naar elektriciteit in de eerstvolgende periode van vijf jaar en in de periode tussen vijf en vijftien jaar na de datum van die vooruitzichten. Deze Europese vooruitzichten inzake toereikendheid van de elektriciteitsopwekking stoelen op de nationale toereikendheidsvooruitzichten die door iedere individuele transmissiesysteembeheerder worden opgesteld.

5.   Het in lid 3, onder c), bedoelde jaarlijkse werkprogramma bevat een lijst en beschrijving van de op te stellen netcodes, een plan voor de coördinatie van het beheer van het netwerk en de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten in de loop van dat jaar, alsook een indicatief tijdschema.

6.   De in de leden 1 en 2 bedoelde netcodes hebben betrekking op de volgende terreinen, rekening houdend, in voorkomend geval, met specifieke regionale kenmerken:

a)

voorschriften inzake zekerheid en betrouwbaarheid van het netwerk, met inbegrip van voorschriften betreffende een technische transmissiereservecapaciteit voor de bedrijfszekerheid van het netwerk;

b)

voorschriften voor netaansluiting;

c)

voorschriften voor toegang door derden;

d)

voorschriften voor gegevensuitwisseling en geschillenbeslechting;

e)

voorschriften inzake interoperabiliteit;

f)

operationele procedures in noodgevallen;

g)

voorschriften voor capaciteitstoewijzing en congestiebeheer;

h)

voorschriften voor de handel in elektriciteit in verband met de technische en operationele verstrekking van diensten voor nettoegang en systeembalancering;

i)

transparantievoorschriften;

j)

voorschriften inzake balancering en reservevermogen in verband met het netwerk;

k)

voorschriften inzake geharmoniseerde transmissietariefstructuren op basis van locatiespecifieke signalen en voorschriften inzake de vergoedingen tussen transmissiesysteembeheerders; en

l)

energie-efficiëntie met betrekking tot elektriciteitsnetten.

7.   De netcodes worden alleen ontwikkeld voor grensoverschrijdende aangelegenheden en doen geen afbreuk aan de rechten van de lidstaten om nationale codes vast te stellen voor niet-grensoverschrijdende aangelegenheden.

8.   Het ENTSB voor elektriciteit houdt toezicht op en verricht onderzoek naar de toepassing van de codes en de richtsnoeren die door de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 11, zijn vastgesteld, en naar het effect daarvan op de harmonisatie van de toepasselijke voorschriften ter bevordering van de marktintegratie. Het ENTSB voor elektriciteit brengt bij het Agentschap verslag uit over zijn bevindingen en vermeldt de resultaten van het onderzoek in het in lid 3, onder d), bedoelde jaarverslag.

9.   Het ENTSB voor elektriciteit stelt alle informatie ter beschikking die het Agentschap nodig heeft om zijn taken overeenkomstig artikel 9, lid 1, te vervullen.

10.   Om de twee jaar gaat het ENTSB voor elektriciteit over tot de opstelling en publicatie van een netontwikkelingsplan. Het netontwikkelingsplan bevat een modellering van het geïntegreerde netwerk, een scenario-ontwikkeling, de Europese vooruitzichten inzake toereikendheid van de elektriciteitsopwekking en een beoordeling van de veerkracht van het systeem.

Het netontwikkelingsplan, met name:

a)

berust op de nationale investeringsplannen, de regionale investeringsplannen bedoeld in artikel 12, lid 1, en, in voorkomend geval, de bij Beschikking nr. 1364/2006/EG opgestelde richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector (10);

b)

berust, wat grensoverschrijdende interconnecties betreft, ook op de redelijke behoeften van verschillende systeemgebruikers, en bevatlangetermijnverbintenissen van de in artikel 8, en in de artikelen 13 en 22 van Richtlijn 2009/…/EG bedoelde investeerders;

c)

geeft aan waar er sprake is van een tekort aan investeringen, met name met betrekking tot de grensoverschrijdende capaciteit.

11.   Op verzoek van de Commissie geeft het ENTSB voor elektriciteit zijn zienswijze op de vaststelling van richtsnoeren als bepaald in artikel 18.

Artikel 9

Toezicht door het Agentschap

1.   Het Agentschap houdt toezicht op de uitvoering van de in artikel 8, leden 1, 2 en 3, bedoelde taken van het ENTSB voor elektriciteit, en brengt verslag uit aan de Commissie.

Het Agentschap houdt toezicht op de toepassing van de overeenkomstig artikel 8, lid 2, opgestelde netcodes door het ENTSB voor elektriciteit, en van de netcodes die overeenkomstig artikel 6, leden 1 tot en met 10, zijn ontwikkeld, maar niet overeenkomstig artikel 6, lid 11, door de Commissie zijn goedgekeurd. Het Agentschap brengt een naar behoren met redenen omkleed advies uit aan de Commissie, wanneer het ENTSB voor elektriciteit er niet in geslaagd is een netcode toe te passen.

Het Agentschap houdt toezicht op en verricht onderzoek naar de toepassing van de netcodes en de richtsnoeren die door de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 11, zijn aangenomen, en het effect daarvan op de harmonisatie van de toepasselijke voorschriften ter bevordering van marktintegratie, non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging en efficiënte marktwerking, en brengt verslag uit aan de Commissie.

2.   Het ENTSB voor elektriciteit dient de ontwerpversies van het netontwikkelingsplan en het jaarlijkse werkprogramma, met inbegrip van de informatie betreffende het raadplegingsproces, voor advies in bij het Agentschap.

Binnen twee maanden na de ontvangst daarvan verstrekt het Agentschap een naar behoren met redenen omkleed advies, alsmede aanbevelingen aan het ENTSB voor elektriciteit en de Commissie, als het van oordeel is dat de door het ENTSB voor elektriciteit ingediende ontwerpversie van het jaarlijkse werkprogramma of van het netontwikkelingsplan niet bijdraagt tot non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging, een efficiënte werking van de markt of een voldoende niveau van voor derde partijen toegankelijke grensoverschrijdende interconnectie.

Artikel 10

Raadplegingen

1.   Bij de uitvoering van zijn taken raadpleegt het ENTSB voor gas uitvoerig, in een vroeg stadium en op een open en transparante wijze, overeenkomstig het in artikel 5, lid 1, bedoelde reglement van orde, alle relevante marktspelers, en in het bijzonder de organisaties die alle belanghebbenden vertegenwoordigen, met name wanneer het de netcodes, het ontwerp van het t netontwikkelingsplanen zijn jaarlijkse werkprogramma bedoeld in artikel 8, leden 1, 2 en 3, opstelt. Bij de raadpleging worden ook de nationale regulerende instanties en andere nationale instanties, producenten, leveranciers, afnemers, systeemgebruikers, distributiesysteembeheerders, met inbegrip van relevante bedrijfstakverenigingen, technische instanties en platforms van belanghebbenden betrokken en wordt beoogd de zienswijze en voorstellen van alle betrokken partijen in het besluitvormingsproces te vernemen.

2.   Alle documenten en notulen van vergaderingen die met de in lid 1 bedoelde raadplegingen verband houden, worden openbaar gemaakt.

3.   Alvorens het jaarlijkse werkprogramma en de netcodes bedoeld in artikel 8, leden 1, 2 en 3, vast te stellen, geeft het ENTSB voor elektriciteit aan hoe met de tijdens de raadpleging ontvangen opmerkingen rekening is gehouden. Waar geen rekening is gehouden met een opmerking, wordt dit gemotiveerd.

Artikel 11

Kosten

De kosten die met de in de artikelen 4 tot en met 12 genoemde werkzaamheden van het ENTSB voor elektriciteit verbonden zijn, worden gedragen door de transmissiesysteembeheerders en worden in aanmerking genomen bij de berekening van de tarieven. De regulerende instanties keuren deze kosten alleen goed indien deze redelijk en evenredig zijn.

Artikel 12

Regionale samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders

1.   Binnen het ENTSB voor elektriciteit brengen transmissiesysteembeheerders regionale samenwerking tot stand om bij te dragen tot de uitvoering van de in artikel 8, leden 1, 2 en 3 genoemde werkzaamheden. Zij publiceren met name om de twee jaar een regionaal investeringsplan en mogen investeringsbeslissingen nemen op basis van het regionale investeringsplan.

2.   De transmissiesysteembeheerders bevorderen het treffen van operationele regelingen om een optimaal beheer van het netwerk te garanderen en bevorderen tevens de ontwikkeling van energiebeurzen, de toewijzing van grensoverschrijdende capaciteit via non-discriminerende marktgeoriënteerde oplossingen met voldoende aandacht voor de specifieke verdiensten van impliciete veilingen voor kortetermijntoewijzingen en de integratie van balancerings- en reservevermogensmechanismen.

3.   Het geografische gebied dat door elke regionale samenwerkingsstructuur wordt bestreken, kan door de Commissie worden afgebakend, rekening houdend met de bestaande regionale samenwerkingsstructuren. Iedere lidstaat mag de samenwerking in meer dan één geografisch gebied bevorderen. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Te dien einde kan de Commissie het ENTSB voor elektriciteit en het Agentschap raadplegen.

Artikel 13

Vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders

1.   Transmissiesysteembeheerders ontvangen een vergoeding voor kosten die veroorzaakt worden door op hun net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

2.   De in lid 1 bedoelde vergoeding is verschuldigd door de beheerders van nationale transmissiesystemen waar de grensoverschrijdende stromen hun oorsprong vinden en waar die stromen eindigen.

3.   De vergoedingen worden op gezette tijden betaald over een bepaald tijdvak in het verleden. De betaalde vergoedingen worden achteraf waar nodig aangepast aan de werkelijk veroorzaakte kosten.

Het eerste tijdvak waarover de vergoedingen moeten worden betaald, wordt in de in artikel 18 bedoelde richtsnoeren bepaald.

4.   Handelend in overeenstemming met de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure, neemt de Commissie een besluit ten aanzien van de verschuldigde vergoedingsbedragen.

5.   De omvang van de optredende grensoverschrijdende stromen en de omvang van de grensoverschrijdende stromen die worden aangemerkt als afkomstig van en/of eindigend in nationale transmissienetwerken, worden vastgesteld op basis van de daadwerkelijk over een bepaald tijdvak gemeten fysieke elektriciteitsstromen.

6.   De kosten veroorzaakt door grensoverschrijdende stromen worden berekend op basis van de verwachte gemiddelde incrementele kosten op lange termijn, rekening houdend met verliezen, investeringen in nieuwe infrastructuur, en een passend aandeel in de kosten van bestaande infrastructuur, voor zover de infrastructuur gebruikt wordt voor transmissie van grensoverschrijdende stromen, waarbij in het bijzonder de noodzaak om de voorzieningszekerheid te waarborgen in aanmerking wordt genomen. Voor het bepalen van de veroorzaakte kosten wordt gebruik gemaakt van erkende gestandaardiseerde kostenberekeningsmethoden. De aan een netwerk toevloeiende baten als gevolg van het optreden van grensoverschrijdende stromen worden in aanmerking genomen, zodat de ontvangen vergoeding wordt verminderd.

Artikel 14

Tarieven voor de toegang tot netwerken

1.   De door de netwerkbeheerders gehanteerde tarieven voor nettoegang moeten transparant zijn, rekening houden met de noodzakelijke zekerheid van het netwerk en een afspiegeling vormen van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte en structureel vergelijkbare netbeheerder en op niet-discriminerende wijze worden toegepast. Deze tarieven mogen niet afstandgebonden zijn.

2.   Aan producenten en verbruikers („load”) kan een bedrag voor nettoegang worden aangerekend. Onverminderd de noodzaak om passende en efficiënte locatiespecifieke signalen in te bouwen, is het door producenten van elektriciteit te betalen aandeel in de totale netkosten lager dan het door de verbruikers te betalen aandeel. Wanneer passend, worden in het op producenten en/of verbruikers van toepassing zijnde tarief locatiespecifieke signalen op communautair niveau ingebouwd en wordt rekening gehouden met de omvang van de veroorzaakte netverliezen en congestie en met de investeringskosten voor infrastructuur. Dit belet de lidstaten niet op hun grondgebied locatiespecifieke signalen in te bouwen, noch mechanismen toe te passen om ervoor te zorgen dat de verbruikerstarieven voor nettoegang („load”) op hun gehele grondgebied uniform zijn.

3.   Bij de vaststelling van de tarieven voor nettoegang wordt rekening gehouden met:

a)

de uit het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders voortvloeiende betalingen en ontvangsten;

b)

de werkelijk verrichte en ontvangen betalingen, alsmede de over toekomstige tijdvakken verwachte betalingen, een en ander aan de hand van ramingen over tijdvakken in het verleden.

4.   Mits overeenkomstig lid 2 passende en efficiënte locatiespecifieke signalen zijn ingebouwd, gelden de ten aanzien van producenten en verbruikers gehanteerde tarieven voor nettoegang ongeacht het land van bestemming of herkomst van de elektriciteit, zoals genoemd in de onderliggende overeenkomst. Dit laat de tarieven die in het kader van het in artikel 16 bedoelde congestiebeheer op aangegeven export en aangegeven import worden geheven, onverlet.

5.   Er worden geen specifieke nettarieven in rekening gebracht voor individuele transacties inzake aangegeven doorvoerstromen.

Artikel 15

Informatieverschaffing

1.   De transmissiesysteembeheerders voorzien in mechanismen voor coördinatie en uitwisseling van informatie teneinde in het kader van congestiebeheer in te staan voor de zekerheid van de netwerken.

2.   De door de transmissiesysteembeheerders gehanteerde veiligheids-, operationele en planningsnormen worden openbaar gemaakt. Dit omvat tevens een algemeen model voor de berekening van de totale overdrachtcapaciteit en de transmissiebetrouwbaarheidsmarge, een en ander gebaseerd op de elektrische en fysieke eigenschappen van het netwerk. Dergelijke modellen moeten door de regulerende instanties worden goedgekeurd.

3.   De transmissiesysteembeheerders publiceren ramingen van de voor iedere dag beschikbare overdrachtcapaciteit, met vermelding van eventuele reeds gereserveerde overdrachtcapaciteit. Deze publicaties vinden plaats op bepaalde tijdstippen vóór de dag van het transport en omvatten in elk geval ramingen voor de komende week en de komende maand, alsook een kwantitatieve aanduiding van de verwachte betrouwbaarheid van de beschikbare capaciteit.

4.   De transmissiesysteembeheerders publiceren relevante gegevens over de geaggregeerde voorziene vraag en de feitelijke vraag, over de beschikbaarheid en het feitelijke gebruik van activa voor elektriciteitsproductie en basislast („load”) over de beschikbaarheid en het gebruik van de netwerken en interconnecties, en over balanceringsvermogen en reservecapaciteit. Voor de beschikbaarheid en het feitelijke gebruik van kleine installaties voor elektriciteitsproductie en basislast mogen geaggregeerde ramingsgegevens worden gebruikt.

5.   De betrokken marktspelers verstrekken de benodigde gegevens aan de transmissiesysteembeheerders.

6.   Productiebedrijven die eigenaar of beheerder zijn van activa voor elektriciteitsproductie waarvan er één een geïnstalleerde capaciteit van ten minste 250 MW heeft, houden alle uurgegevens per installatie die noodzakelijk zijn om alle operationele transmissiebeslissingen en het biedingsgedrag op elektriciteitsbeurzen, veilingen van koppelingscapaciteit, reservemarkten en onderhandse (OTC-) markten te verifiëren, gedurende vijf jaar ter beschikking van de nationale regulerende instantie, de nationale mededingingsautoriteit en de Commissie. De bij te houden informatie per installatie en per uur omvat, maar is niet beperkt tot, gegevens over de beschikbare opwekkingscapaciteit en gecontracteerde reserves, met inbegrip van de toewijzing van deze gecontracteerde reserves op installatieniveau, op het tijdstip waarop de biedingen worden verricht en wanneer de productie plaatsvindt.

Artikel 16

Algemene beginselen inzake congestiebeheer

1.   Congestieproblemen van het netwerk worden aangepakt met niet-discriminerende, aan de markt gerelateerde oplossingen waarvan voor de marktspelers en de betrokken transmissiesysteembeheerders efficiënte economische signalen uitgaan. Bij voorkeur dienen netcongestieproblemen te worden opgelost met van transacties losstaande methoden, d.w.z. methoden waarbij geen keuze tussen de contracten van afzonderlijke marktspelers behoeft te worden gemaakt.

2.   Procedures om transacties te beperken worden slechts toegepast in noodsituaties, wanneer de transmissiesysteembeheerder snel moet optreden en redispatching of compensatiehandel niet mogelijk is. Dergelijke procedures worden op niet-discriminerende wijze toegepast.

Behoudens in geval van overmacht worden marktspelers met een capaciteitstoewijzing voor een eventuele beperking vergoed.

3.   Marktspelers krijgen de beschikking over de maximale capaciteit van de interconnecties en/of de maximale capaciteit van de transmissienetwerken waarmee grensoverschrijdende stromen worden verzorgd, zulks in overeenstemming met de voor een bedrijfszekere exploitatie van het netwerk geldende veiligheidsnormen.

4.   Marktspelers stellen de betrokken transmissiesysteembeheerders er voldoende lang vóór de aanvang van de betrokken exploitatieperiode van in kennis of zij voornemens zijn de toegewezen capaciteit te gebruiken. Eventueel toegewezen capaciteit die niet gaat worden benut, wordt op een open, transparante en niet-discriminerende wijze weer op de markt gebracht.

5.   De transmissiesysteembeheerders vereffenen, voor zover dit technisch mogelijk is, de behoeften aan capaciteit voor elektriciteitsstromen in tegengestelde richting over de overbelaste koppellijn, teneinde de capaciteit van deze lijn maximaal te benutten. Transacties waarmee de congestie wordt verlicht mogen, met volledige inachtneming van de bedrijfszekerheid van het netwerk, nooit worden geweigerd.

6.   Eventuele ontvangsten uit de toewijzing van koppelingscapaciteit worden gebruikt voor de volgende doelen:

a)

het garanderen dat de toegewezen capaciteit daadwerkelijk beschikbaar is; en/of

b)

de koppelingscapaciteit handhaven of vergroten door investeringen in het net, met name in nieuwe interconnectoren.

Indien ontvangsten niet efficiënt voor de in de eerste alinea, onder punten a) en/of b), genoemde doelen kunnen worden aangewend, kunnen zij onder voorbehoud van goedkeuring door de regulerende instanties van de betrokken lidstaten voor een door die instanties maximumbedrag worden aangewend als inkomsten die door de regulerende instanties in aanmerking moeten worden genomen bij de goedkeuring van de methode voor de berekening van de nettarieven, en of de vaststelling van de nettarieven.

De rest van de ontvangsten wordt op een aparte interne rekening gezet totdat hij voor de in de eerste alinea, onder punten a) en/of b), genoemde doelen kan worden besteed.

Artikel 17

Nieuwe interconnectoren

1.   Nieuwe gelijkstroominterconnectoren tussen lidstaten kunnen op verzoek gedurende een beperkte periode van het bepaalde in artikel 16, lid 6, van de onderhavige verordening en in de artikel 9, artikel 31, enartikel 36, leden 6 en 8, van Richtlijn 2009/…/EG worden vrijgesteld, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de investering moet de mededinging in de elektriciteitsvoorziening bevorderen;

b)

de risico's die aan de investering zijn verbonden, zijn van dien aard dat de investering niet zou plaatsvinden tenzij er een vrijstelling wordt verleend;

c)

de interconnector moet eigendom zijn van een natuurlijke of rechtspersoon die op zijn minst qua rechtsvorm gescheiden is van de systeembeheerders in wier systemen die interconnector wordt ingebouwd;

d)

er worden tarieven in rekening gebracht bij de gebruikers van die interconnector;

e)

sedert de gedeeltelijke marktopening, bedoeld in artikel 19 van Richtlijn 96/92/EG het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (11), is geen enkel deel van de kapitaal- of exploitatiekosten van de interconnector gerecupereerd uit enig bestanddeel van de tarieven die voor het gebruik van door de interconnector verbonden transmissie- of distributiesystemen in rekening zijn gebracht;

f)

de vrijstelling gaat niet ten koste van de mededinging of de efficiënte werking van de interne markt voor elektriciteit, dan wel de efficiënte werking van het gereguleerde systeem waarmee de interconnector verbonden is.

2.   Lid 1 is in uitzonderlijke gevallen tevens van toepassing op wisselstroominterconnectoren, mits de investeringskosten en -risico's bijzonder hoog zijn in vergelijking met de investeringskosten en -risico's die normaliter gepaard gaan met de koppeling van transmissiesystemen van twee naburige lidstaten door middel van een wisselstroominterconnector.

3.   Het bepaalde in lid 1 is ook van toepassing op aanzienlijke verhogingen van de capaciteit van bestaande interconnectoren.

4.   Het besluit over de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde vrijstellingen wordt per geval genomen door de regulerende instanties van de betrokken lidstaten. Een vrijstelling kan gelden voor het geheel of een deel van de capaciteit van de nieuwe interconnector of de aanzienlijk uitgebreide bestaande interconnector.

Bij het beslissen over een vrijstelling zal per geval worden gelet op de noodzaak om voorwaarden te stellen aangaande de duur van de vrijstelling en de niet-discriminerende toegang tot de interconnector. Bij het bepalen van die voorwaarden zal met name rekening worden gehouden met de extra capaciteit die gebouwd zal gaan worden of de wijziging van de bestaande capaciteit, de verwachte looptijd van het project en de nationale omstandigheden.

Voordat een vrijstelling wordt verleend, nemen de regulerende instanties van de betrokken lidstaten een besluit over de voorschriften en de mechanismen voor het beheer en de toewijzing van capaciteit. De voorschriften voor congestiebeheer voorzien in de verplichting om onbenutte capaciteit op de markt aan te bieden, en gebruikers van de faciliteit zijn gerechtigd om hun gecontracteerde capaciteit op de secundaire markt te verhandelen. Bij de toetsing van de voorwaarden van lid 1, punten a), b) en f), wordt rekening gehouden met de resultaten van de procedure voor de toewijzing van capaciteit.

Het besluit tot verlening van vrijstelling, met inbegrip van eventuele voorwaarden als bedoeld in de tweede alinea van dit lid, wordt naar behoren met redenen omkleed en wordt gepubliceerd.

5.   De in lid 4 bedoelde besluiten worden door het Agentschap alleen genomen:

a)

indien de betrokken regulerende instanties niet in staat zijn gebleken overeenstemming te bereiken binnen zes maanden na de datum waarop de laatste van deze regulerende instanties om vrijstelling is verzocht, of

b)

naar aanleiding van een gezamenlijk verzoek van de betrokken regulerende instanties.

Het Agentschap overlegt met de betrokken regulerende instanties.

6.   Niettegenstaande de leden 4 en 5 kunnen de lidstaten bepalen dat de regulerende instantie of het Agentschap, naar gelang van het geval, haar of zijn advies over het verzoek om vrijstelling aan het bevoegde orgaan in de lidstaat voorlegt met het oog op een formeel besluit. Dit advies wordt samen met het besluit bekendgemaakt.

7.   Bij ontvangst van ieder verzoek om vrijstelling wordt onverwijld een afschrift daarvan door de regulerende instanties aan het Agentschap en de Commissie gezonden. Het besluit tot verlening van vrijstelling wordt door de betrokken regulerende instanties of door het Agentschap („de kennisgevende instanties”) onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht, samen met alle relevante informatie met betrekking tot het besluit. De informatie kan in geaggregeerde vorm aan de Commissie worden voorgelegd om haar in staat te stellen een gefundeerd besluit te nemen. Deze informatie omvat in het bijzonder:

a)

de gedetailleerde redenen op grond waarvan de vrijstelling werd verleend, met inbegrip van de financiële informatie ter staving van de noodzaak van een vrijstelling;

b)

de analyse van de gevolgen voor de mededinging en de effectieve werking van de interne markt voor elektriciteit die het verlenen van de vrijstelling met zich meebrengt;

c)

de motivering voor het tijdvak en het gedeelte van de totale capaciteit van de betrokken interconnector waarvoor de vrijstelling is verleend;

d)

het resultaat van het overleg met de betrokken regulerende instanties.

8.   Binnen twee maanden na ontvangst van een kennisgeving uit hoofde van lid 7 kan de Commissie een besluit nemen waarbij zij de kennisgevende instanties verzoekt het besluit tot vrijstelling te wijzigen of te herroepen. Die termijn van twee maanden kan met twee extra maanden worden verlengd indien de Commissie om aanvullende informatie verzoekt. Deze extra termijn vangt aan op de dag volgende op die van de ontvangst van de volledige informatie. Ook deze termijn van twee maanden kan met instemming van zowel de Commissie als de kennisgevende instanties worden verlengd.

Indien de gevraagde informatie niet binnen de in het verzoek gestelde termijn is verstrekt, wordt de kennisgeving als ingetrokken beschouwd, tenzij ofwel de termijn vóór het verstrijken ervan met instemming van zowel de Commissie als de kennisgevende instanties is verlengd, ofwel de kennisgevende instanties vóór het verstrijken van de termijn de Commissie in een naar behoren met redenen omklede verklaring hebben medegedeeld dat zij de kennisgeving als volledig beschouwen.

De kennisgevende instanties geven binnen een termijn van één maand gevolg aan een besluit van de Commissie om het besluit tot verlening van de vrijstelling te wijzigen of te herroepen en stellen de Commissie daarvan in kennis.

De Commissie eerbiedigt het vertrouwelijke karakter van commercieel gevoelige informatie.

De goedkeuring door de Commissie van een besluit tot vrijstelling vervalt twee jaar na de aanneming ervan indien de bouw van de interconnector uiterlijk op die datum nog niet is aangevangen, en vijf jaar na de aanneming ervan indien de interconnector uiterlijk op die datum nog niet operationeel is.

9.   De Commissie kan richtsnoeren voor de toepassing van de in de lid 1 van dit artikel genoemde voorwaarden uitvaardigen en de bij de toepassing van de leden 4, 7 en 8 van dit artikel te volgen procedure vaststellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 18

Richtsnoeren

1.   In voorkomend geval wordt, met inachtneming van de in de artikelen 13 en 14 vastgestelde beginselen, in de richtsnoeren met betrekking tot het vergoedingsmechanisme tussen transmissiesysteembeheerders het volgende gespecificeerd:

a)

bijzonderheden omtrent de procedure tot vaststelling van de transmissiesysteembeheerders die gehouden zijn tot het betalen van vergoedingen voor grensoverschrijdende stromen, inclusief bijzonderheden omtrent de scheiding tussen beheerders van nationale transmissiesystemen waarvan de grensoverschrijdende stromen afkomstig zijn en die van de systemen waar die stromen eindigen, zulks in overeenstemming met artikel 13, lid 2;

b)

bijzonderheden omtrent de te volgen betalingsprocedure, met inbegrip van de vaststelling van het eerste tijdvak waarover een vergoeding verschuldigd is, zulks in overeenstemming met artikel 13, lid 3, tweede alinea;

c)

bijzonderheden omtrent de methoden ter bepaling van zowel de omvang als de soort van de opgetreden grensoverschrijdende stromen waarvoor krachtens artikel 13 een vergoeding moet worden betaald en de wijze waarop bepaalde hoeveelheden van die stromen als afkomstig van en/of eindigend in transmissiesystemen van individuele lidstaten worden aangemerkt, zulks in overeenstemming met artikel 13, lid 5;

d)

bijzonderheden omtrent de methode tot vaststelling van de kosten en de baten die gemoeid zijn met het optreden van grensoverschrijdende stromen, zulks in overeenstemming met artikel 13, lid 6;

e)

bijzonderheden omtrent de behandeling die binnen de context van het tussen transmissiesysteembeheerders toegepaste vergoedingsmechanisme is weggelegd voor elektriciteitsstromen die afkomstig zijn uit of eindigen in landen buiten de Europese Economische Ruimte;

f)

de deelname aan het vergoedingsmechanisme van nationale systemen die via gelijkstroomlijnen met elkaar verbonden zijn, zulks in overeenstemming met artikel 13.

2.   In de richtsnoeren kunnen tevens passende regels worden vastgesteld die leiden tot een geleidelijke harmonisatie van de beginselen waarop de uit hoofde van de nationale tariefstelsels op producenten en verbruikers („load”) toegepaste tarieven gebaseerd zijn, inclusief de doorwerking van het vergoedingsmechanisme tussen transmissiesysteembeheerders in nationale netwerktarieven en het inbouwen van passende en efficiënte, locatiespecifieke signalen, zulks in overeenstemming met de in artikel 14 vastgestelde beginselen.

De richtsnoeren bepalen dat er passende en efficiënte op communautair niveau geharmoniseerde locatiespecifieke signalen moeten worden ingebouwd.

Harmonisatie ter zake mag de lidstaten niet beletten mechanismen toe te passen om ervoor te zorgen dat de tarieven voor toegang tot de netten voor de verbruikers („load”) op hun gehele grondgebied vergelijkbaar zijn.

3.   In voorkomend geval wordt in de richtsnoeren die voorzien in de minimale harmonisatie die vereist is om het met deze verordening beoogde doel te verwezenlijken, ook het volgende gespecificeerd:

a)

bijzonderheden omtrent de informatieverschaffing, in overeenstemming met de beginselen van artikel 15;

b)

bijzonderheden omtrent de voorschriften voor de handel in elektriciteit;

c)

bijzonderheden omtrent de voorschriften ter aanmoediging van investeringen in koppelingscapaciteit op basis van locatiespecifieke signalen;

d)

bijzonderheden omtrent de in artikel 8, lid 6, vermelde onderwerpen.

4.   De richtsnoeren voor het beheer en de toewijzing van beschikbare transmissiecapaciteit van koppelingen tussen nationale systemen zijn opgenomen in bijlage I.

5.   De Commissie kan richtsnoeren vaststellen met betrekking tot de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel genoemde aangelegenheden. Met in achtneming van de in de artikelen 15 en 16 vastgestelde beginselen kan zij de in lid 4 van dit artikel bedoelde richtsnoeren wijzigen, in het bijzonder om gedetailleerde richtsnoeren over alle in de praktijk toegepaste methoden voor capaciteitstoewijzing op te nemen en om ervoor te zorgen dat de congestiebeheersmechanismen evolueren op een manier die verenigbaar is met de doelstellingen van de interne markt. Waar passend, worden bij deze wijzigingen gemeenschappelijke voorschriften vastgesteld inzake de minimale veiligheids- en operationele normen voor het gebruik en de werking van het netwerk, bedoeld in artikel 15, lid 2.

Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Wanneer de Commissie richtsnoeren vaststelt of wijzigt, zorgt zij ervoor dat wordt voorzien in de minimale harmonisatie die vereist is om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, zonder dat verder wordt gegaan dan daartoe nodig is.

Wanneer de Commissie richtsnoeren vaststelt of wijzigt, geeft zij aan welke maatregelen zij heeft genomen in verband met de overeenstemming tussen de desbetreffende richtsnoeren en de regels van derde landen die deel uitmaken van het communautaire elektriciteitssysteem.

Wanneer de Commissie die richtsnoeren voor de eerste maal vaststelt, zorgt zij ervoor dat deze in een ontwerpmaatregel ten minste de in lid 1, punten a) en d), en lid 2 genoemde aangelegenheden bestrijken.

Artikel 19

Regulerende instanties

Bij de uitoefening van hun bevoegdheden zorgen de regulerende instanties ervoor dat deze verordening en de krachtens artikel 18 vastgestelde richtsnoeren in acht worden genomen. Waar nodig om te voldoen aan de doelstellingen van deze verordening, werken zij overeenkomstig hoofdstuk IX van Richtlijn 2009/…/EG samen met elkaar, met de Commissie en met het Agentschap.

Artikel 20

Informatieverschaffing en vertrouwelijkheid

1.   De lidstaten en de regulerende instanties verstrekken de Commissie desgevraagd alle voor de uitvoering van artikel 13, lid 4, en artikel 18 benodigde informatie.

In het bijzonder verstrekken de regulerende instanties voor de toepassing van artikel 13, leden 4 en 6, de Commissie op gezette tijden informatie over de door de nationale transmissiesysteembeheerders geleden werkelijke kosten, alsmede gegevens en alle relevante informatie met betrekking tot de fysieke stromen in door transmissiesysteembeheerders geëxploiteerde netten en de kosten van het net.

De Commissie stelt een redelijke termijn vast voor de informatieverstrekking, rekening houdend met de complexiteit van de gevraagde informatie en de urgentie.

2.   Indien de betrokken lidstaten of de betrokken regulerende instanties informatie niet binnen de overeenkomstig lid 1 van dit artikel vastgestelde termijn verstrekken, kan de Commissie alle voor de toepassing van artikel 13, lid 4, en artikel 18 benodigde informatie rechtstreeks van de betrokken bedrijven verlangen.

Wanneer de Commissie een verzoek om informatie tot een onderneming richt, zendt zij tegelijkertijd een afschrift van het verzoek aan de regulerende instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan het hoofdkantoor van de onderneming gevestigd is.

3.   In haar verzoek noemt de Commissie de rechtsgrond van het verzoek, de voor de informatieverstrekking vastgestelde termijn, het doel van het verzoek, alsmede de sancties waarin artikel 22, lid 2, voorziet voor het verstrekken van onjuiste, onvolledige en misleidende informatie. De Commissie stelt een redelijke termijn vast voor de informatieverstrekking, rekening houdend met de complexiteit van de gevraagde informatie en de urgentie.

4.   Tot het verstrekken van de gevraagde informatie zijn verplicht de eigenaren van een onderneming of degenen die hen vertegenwoordigen, en, in het geval van rechtspersonen, degenen die volgens het recht of de statuten bevoegd zijn hen te vertegenwoordigen. Naar behoren tot handelen gemachtigde advocaten mogen de informatie namens hun cliënten verstrekken, in welk geval de cliënt volledig verantwoordelijk blijft indien de verstrekte informatie onvolledig, onjuist of misleidend is.

5.   Indien een onderneming de gevraagde informatie binnen de door de Commissie vastgestelde termijn niet dan wel onvolledig verstrekt, kan de Commissie de informatie bij beschikking verlangen. De beschikking specificeert welke informatie gevraagd wordt en stelt een passende termijn vast waarbinnen deze informatie moet worden verstrekt. De beschikking vermeldt de in artikel 22, lid 2, bedoelde geldboetes. Zij wijst ook op het recht bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap beroep tegen de beschikking in te stellen.

De Commissie doet tegelijkertijd een afschrift van haar beschikking toekomen aan de regulerende instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de verblijfplaats van de betrokken persoon bevindt, dan wel de zetel van de onderneming gevestigd is.

6.   De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie mag slechts ter uitvoering van artikel 13, lid 4, en artikel 18 worden aangewend.

De Commissie mag uit hoofde van deze verordening verkregen informatie die onder het beroepsgeheim valt niet openbaar maken.

Artikel 21

Recht van de lidstaten om meer gedetailleerde maatregelen te treffen

Deze verordening doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om maatregelen te handhaven of in te voeren die meer gedetailleerde voorschriften bevatten dan die welke in deze verordening en de in artikel 8 bedoelde richtsnoeren zijn vervat.

Artikel 22

Sancties

1.   De lidstaten stellen onverminderd het bepaalde in lid 2 de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat deze bepalingen worden uitgevoerd. De beoogde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 juli 2004 van deze regels die overeenkomen met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1228/2003, in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee. Zij stellen de Commissie uiterlijk op … (12) in kennis van de regels die niet overeenstemmen met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1228/2003 en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

2.   De Commissie kan bij beschikking aan bedrijven boetes opleggen van ten hoogste 1 % van de totale omzet over het voorgaande boekjaar, indien zij opzettelijk of uit onachtzaamheid onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verschaffen in antwoord op een ingevolge artikel 20, lid 3, tot hen gericht verzoek, dan wel verzuimen informatie te verschaffen binnen de termijn vastgesteld bij een op basis van artikel 20, lid 5, eerste alinea, uitgevaardigde beschikking.

Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete dient de Commissie rekening te houden met de ernst van de niet-naleving van het bepaalde in de eerste alinea.

3.   Op basis van lid 1 opgelegde sancties en krachtens lid 2 vastgestelde beschikkingen zijn niet van strafrechtelijke aard.

Artikel 23

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 46 van Richtlijn 2009/…/EG ingesteld comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 24

Verslag van de Commissie

De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van deze verordening. In haar verslag op grond van artikel 46, lid 7, van Richtlijn … (13) rapporteert de Commissie ook over de bij de uitvoering van deze verordening opgedane ervaring. Met name wordt in het verslag worden onderzocht in hoeverre deze verordening heeft bewerkstelligd dat voor de grensoverschrijdende handel in elektriciteit niet-discriminerende en op de kosten afgestemde voorwaarden voor toegang tot het netwerk gelden, teneinde een bijdrage te leveren aan keuzemogelijkheden voor de afnemer in een goed functionerende interne markt voor elektriciteit en aan voorzieningszekerheid op lange termijn, en in hoeverre effectieve locatiespecifieke signalen ingebouwd zijn. Indien nodig gaat het verslag vergezeld van passende voorstellen en/of aanbevelingen.

Artikel 25

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1228/2003 wordt ingetrokken vanaf … (13). Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage B.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf … (13).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 211 van 19.8.2008, blz. 23.

(2)  PB C 172 van 5.7.2008, blz. 55.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 18 juni 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 9 januari 2009 en standpunt van het Europees Parlement van … (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37.

(5)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 1.

(6)  PB L …

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  Datum van inwerkingtreding van de ingetrokken verordening (EG) nr. 1228/2003.

(9)  Toepassingsdatum van deze verordening = 18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

(10)  Beschikking nr. 1364/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector (PB L 262 van 22.9.2006, blz. 1).

(11)  PB L 27 van 30.1.1997, blz. 20.

(12)  Datum van toepassing van deze verordening.

(13)  18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.


BIJLAGE I

RICHTSNOEREN VOOR CONGESTIEBEHEER EN TOEWIJZING VAN BESCHIKBARE OVERDRACHTCAPACITEIT VAN INTERCONNECTIES TUSSEN NATIONALE SYSTEMEN

1.   Algemene bepalingen

1.1.

Transmissiesysteembeheerders moeten alle commerciële transacties trachten te aanvaarden, inclusief transacties die grensoverschrijdende handel omvatten.

1.2.

Wanneer er geen congestie is, wordt de toegang tot de interconnectie niet beperkt. Waar dit gewoonlijk het geval is, is er geen behoefte aan een permanente algemene toewijzingsprocedure voor toegang tot een grensoverschrijdende transmissiedienst.

1.3.

Wanneer de geplande commerciële transacties niet verenigbaar zijn met de veilige exploitatie van het netwerk, moeten de transmissiesysteembeheerders de congestie verlichten overeenkomstig de voorschriften voor veilige exploitatie van het netwerk en tegelijkertijd de daarmee gepaard gaande kosten op een economisch doeltreffend niveau trachten te houden. Redispatching of compensatiehandel moeten worden overwogen wanneer minder dure maatregelen niet kunnen worden toegepast.

1.4.

In geval van structurele congestie passen de transmissiesysteembeheerders onmiddellijk de vooraf vastgestelde en overeengekomen regels en afspraken voor congestiebeheer toe. De congestiebeheermethoden moeten ervoor zorgen dat de fysieke elektriciteitsstromen die gepaard gaan met alle toegewezen transmissiecapaciteit voldoen aan de veiligheidsnormen van het netwerk.

1.5.

De congestiebeheermethoden moeten doeltreffende economische signalen geven aan de marktspelers en transmissiesysteembeheerders, de mededinging bevorderen en geschikt zijn om regionaal en gemeenschapsbreed te worden toegepast.

1.6.

Bij congestiebeheer wordt geen onderscheid gemaakt op basis van de transactie. Een specifiek verzoek voor een transmissiedienst wordt enkel afgewezen wanneer aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a)

de extra fysieke elektriciteitsstromen die voortvloeien uit de aanvaarding van dit verzoek hebben tot gevolg dat de veilige exploitatie van het elektriciteitssysteem niet langer kan worden gegarandeerd, en

b)

het met dat verzoek gemoeide bedrag aan geld in de congestiebeheerprocedure is lager dan alle andere voor aanvaarding bedoelde verzoeken om dezelfde dienst en voorwaarden.

1.7.

Bij het definiëren van passende netwerkgebieden waarop en waartussen congestiebeheer van toepassing is, moeten de transmissiesysteembeheerders zich laten leiden door de beginselen van rendabiliteit en minimalisering van de negatieve gevolgen voor de interne markt voor elektriciteit. Met name mogen transmissiesysteembeheerders de interconnectiecapaciteit niet beperken om congestie binnen hun eigen controlegebied op te lossen, behalve om de hierboven vermelde redenen en redenen van operationele veiligheid (1). Indien een dergelijke situatie zich voordoet, moeten de transmissiesysteembeheerders ze beschrijven en alle systeemgebruikers hiervan op transparante wijze in kennis stellen. Een dergelijke situatie wordt alleen getolereerd zolang geen oplossing op lange termijn is gevonden. De methoden en projecten waarmee zo'n oplossing kan worden bereikt worden door de transmissiesysteembeheerders beschreven en op transparante wijze aan de systeemgebruikers gepresenteerd.

1.8.

Wanneer het netwerk in het controlegebied in evenwicht wordt gebracht via operationele maatregelen in het netwerk en via redispatching, moet de transmissiesysteembeheerder rekening houden met het effect van deze maatregelen op naburige controlegebieden.

1.9.

Uiterlijk op 1 januari 2008 moeten op gecoördineerde wijze en onder veilige exploitatieomstandigheden mechanismen voor het intra-dagelijks beheer van congestie van de interconnectiecapaciteit worden opgesteld teneinde zoveel mogelijk handelsopportuniteiten te scheppen en een grensoverschrijdend evenwicht tot stand te brengen.

1.10.

De nationale regulerende instanties zullen regelmatig de methoden voor congestiebeheer evalueren, waarbij zij met name aandacht zullen besteden aan de naleving van de beginselen en regels die in deze verordening en deze richtsnoeren zijn vastgelegd en aan de voorwaarden die de regulerende instanties zelf hebben vastgesteld op basis van die beginselen en regels. In het kader van een dergelijke evaluatie moeten alle marktspelers worden geraadpleegd en moeten gerichte studies worden uitgevoerd.

2.   Methoden voor congestiebeheer

2.1.

Methoden voor congestiebeheer moeten op de markt gebaseerd zijn zodat een efficiënte grensoverschrijdende handel wordt gefaciliteerd. Daarom zal capaciteit alleen worden toegewezen door expliciete (capaciteit) of impliciete (capaciteit en energie) veilingen. Beide methoden mogen worden gebruikt voor een en dezelfde interconnectie. Met betrekking tot intra-day handel is continuhandel mogelijk.

2.2.

Afhankelijk van de concurrentievoorwaarden moeten de mechanismen voor congestiebeheer zowel lange- als kortetermijntoewijzing van transmissiecapaciteit mogelijk maken.

2.3.

Bij elke procedure voor capaciteitstoewijzing wordt een voorgeschreven gedeelte van de beschikbare interconnectiecapaciteit toegewezen, alsook de resterende capaciteit die niet eerder is toegewezen en alle capaciteit die is vrijgegeven door de begunstigden van eerdere toewijzingen.

2.4.

Transmissiesysteembeheerders maken de door hen op de markt aangeboden transmissiecapaciteit zo zeker mogelijk, rekening houdend met de rechten en plichten van de betrokken transmissiesysteembeheerders en de marktspelers, teneinde daadwerkelijke en doeltreffende mededinging te vergemakkelijken. Een redelijk deel van deze capaciteit mag als minder zeker op de markt worden gebracht, maar de marktspelers worden te allen tijde op de hoogte gebracht van de precieze voorwaarden voor het transport via grensoverschrijdende lijnen.

2.5.

De toegangsrechten voor toewijzingen op lange en middellange termijn moeten vaste transmissiecapaciteitsrechten zijn. Voor deze toegangsrechten gelden de beginselen „use-it-or-lose-it” of „use-it-or-sell-it” op het ogenblik van de nominering.

2.6.

De transmissiesysteembeheerders stellen een passende structuur vast voor de toewijzing van capaciteit tussen verschillende tijdsbestekken. Hierin kan een optie zijn opgenomen om een minimumpercentage aan interconnectiecapaciteit te reserveren voor dagelijkse of „intra-day”-toewijzing. Deze toewijzingsstructuur moet worden beoordeeld door de respectievelijke regulerende instanties. Bij het opstellen van hun voorstellen houden de transmissiesysteembeheerders rekening met:

a)

de kenmerken van de markten;

b)

de exploitatieomstandigheden, zoals de gevolgen van de vereffening van vaste programma's;

c)

het niveau van harmonisering van de percentages en tijdsbestekken die zijn goedgekeurd voor de verschillende geldende mechanismen voor de toewijzing van capaciteit.

2.7.

Bij de toewijzing van capaciteit mag geen onderscheid worden gemaakt tussen marktspelers die gebruik maken van hun recht om bilaterale leveringscontracten te sluiten en zij die een bod te doen op een energiebeurs. De capaciteit wordt toegewezen aan het hoogste bod, ongeacht of het een impliciet of expliciet bod binnen een gegeven tijdsbestek is.

2.8.

In gebieden waar de financiële termijnmarkten voor elektriciteit goed ontwikkeld zijn en hun doeltreffendheid hebben bewezen, mag alle interconnectiecapaciteit via impliciete veilingen worden toegewezen.

2.9.

Het is niet toegestaan reserveringsprijzen vast te stellen in het kader van methoden voor capaciteitstoewijzing; bij artikel 7 van deze verordening wordt hierop een uitzondering gemaakt voor nieuwe interconnectoren.

2.10.

In beginsel mogen alle potentiële marktspelers zonder beperking deelnemen aan het toewijzingsproces. Om te vermijden dat problemen in verband met het mogelijk gebruik van een dominante positie door marktspelers ontstaan of verergeren, mogen de bevoegde regelgevings- en/of mededingingsinstanties om redenen van marktdominantie algemene of ten aanzien van een bedrijf geldende beperkingen opleggen.

2.11.

Voor elk tijdsbestek vindt er door de marktspelers vaste nominatie plaats van hun capaciteitsgebruik bij de transmissiesysteembeheerders binnen een vastgestelde uiterste termijn. Deze uiterste termijn wordt zodanig vastgesteld dat de transmissiesysteembeheerders in staat zijn ongebruikte capaciteit opnieuw toe te wijzen voor gebruik in het volgende relevante tijdsbestek, zelfs binnen een en dezelfde dag.

2.12.

Capaciteit mag vrij worden verhandeld op secundaire basis voor zover de transmissiesysteembeheerder lang genoeg van tevoren hiervan in kennis wordt gesteld. Wanneer een transmissiesysteembeheerder een secundaire transactie weigert, moet hij dit op duidelijke en transparante wijze meedelen en uitleggen aan alle marktspelers, en moet hij de regulerende instantie daarvan in kennis stellen.

2.13.

De financiële gevolgen van het niet naleven van verplichtingen in verband met de toewijzing van capaciteit komen ten laste van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn. Wanneer marktspelers geen gebruik maken van de capaciteit waartoe ze zich verbonden hebben of, in het geval van expliciet geveilde capaciteit, deze niet verhandelen op secundaire basis of tijdig teruggeven, verliezen ze de rechten op die capaciteit en zijn ze een op de kosten gebaseerde vergoeding verschuldigd. Deze op de kosten gebaseerde vergoedingen voor het niet gebruiken van capaciteit dienen gerechtvaardigd en proportioneel te zijn. Evenzo wanneer een transmissiesysteembeheerder zijn verplichting niet nakomt, dient hij de marktspeler te vergoeden voor het verlies van de capaciteitsrechten. Met andere verliezen die het gevolg zijn van het verlies van capaciteitsrechten wordt geen rekening gehouden. De belangrijkste concepten en methoden voor het vaststellen van de aansprakelijkheid voor het niet naleven van de verplichtingen worden van tevoren uiteengezet voor wat de financiële gevolgen betreft, en dienen te worden beoordeeld door de betrokken nationale regulerende instantie(s).

3.   Coördinatie

3.1.

De betrokken transmissiesysteembeheerders coördineren en implementeren de toewijzing van interconnectiecapaciteit aan de hand van gemeenschappelijke toewijzingsprocedures. Wanneer verwacht wordt dat de handel tussen twee landen (transmissiesysteembeheerders) een aanzienlijke invloed zal hebben op de fysieke stroom van elektriciteit in een derde land (transmissiesysteembeheerder), coördineren de betrokken transmissiesysteembeheerders hun congestiebeheermethodes via een gemeenschappelijke congestiebeheerprocedure. De nationale regulerende instanties en de transmissiesysteembeheerders zien erop toe dat geen congestiebeheerprocedure unilateraal wordt opgezet die aanzienlijke gevolgen heeft voor de fysieke elektriciteitsstromen in andere netwerken.

3.2.

Uiterlijk op 1 januari 2007 moet tussen landen in de volgende gebieden een gemeenschappelijke congestiebeheermethode en -procedure voor toewijzing van capaciteit aan de markt worden toegepast, en dit minstens voor de jaar-, maand- en „day-ahead”-toewijzing:

a)

Noord-Europa (Denemarken, Zweden, Finland, Duitsland en Polen),

b)

Noordwest-Europa (Benelux, Duitsland en Frankrijk),

c)

Italië (d.w.z. Italië, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Slovenië en Griekenland),

d)

Centraal Oost-Europa (Duitsland, Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Oostenrijk en Slovenië),

e)

Zuidwest-Europa (Spanje, Portugal en Frankrijk),

f)

VK, Ierland en Frankrijk,

g)

de Baltische staten (Estland, Letland en Litouwen).

In geval van een interconnectie waarbij tot meerdere gebieden behorende landen betrokken zijn mag een andere congestiebeheermethode worden gebruikt ter verzekering van verenigbaarheid met de methoden die worden toegepast in de andere gebieden waartoe genoemde landen behoren. In dat geval stellen de betreffende transmissiesysteembeheerders de methode voor die ter beoordeling aan de betreffende regulerende instanties zal worden voorgelegd.

3.3.

De in punt 2.8. bedoelde gebieden mogen alle interconnectiecapaciteit via „day-ahead”-toewijzing toewijzen.

3.4.

In de zeven bovenvermelde gebieden worden verenigbare congestiebeheerprocedures vastgesteld om een volledig geïntegreerde interne markt voor elektriciteit tot stand te brengen. De marktspelers mogen niet worden geconfronteerd met onverenigbare regionale systemen.

3.5.

Ter bevordering van eerlijke en doeltreffende mededinging en grensoverschrijdende handel, dient de in punt 3.2 beschreven coördinatie tussen de transmissiesysteembeheerders binnen de gebieden alle stappen te bestrijken, gaande van capaciteitsberekening en optimalisering van toewijzing tot veilige exploitatie van het netwerk, en worden de verantwoordelijkheden duidelijk verdeeld. Deze coördinatie heeft met name betrekking op:

a)

het gebruik van een gemeenschappelijk transmissiemodel dat doeltreffend omspringt met fysieke loop-flows en rekening houdt met de verschillen tussen fysieke en commerciële stromen;

b)

de toewijzing en nominering van capaciteit om doeltreffend om te springen met onderling afhankelijke fysieke loop-flows;

c)

het gelijktrekken van de verplichtingen van capaciteithouders om informatie te verstrekken over het geplande gebruik van de capaciteit, d.w.z. de nominering van capaciteit (voor expliciete veilingen);

d)

identieke tijdsbestekken en sluitingstijden;

e)

identieke structuren voor de toewijzing van capaciteit tussen verschillende tijdsbestekken (bv. 1 dag, 3 uren, 1 week enz.) en in termen van verkochte capaciteitsblokken (hoeveelheid elektriciteit in MW, MWh enz.);

f)

consequentheid wat het kader voor contracten met marktspelers betreft;

g)

de verificatie van de stromen om te voldoen aan de eisen inzake netwerkbeveiliging voor operationele planning en real-time exploitatie;

h)

de verrekening en de uitvoering van maatregelen inzake congestiebeheer.

3.6.

De coördinatie omvat ook de uitwisseling van informatie tussen transmissiesysteembeheerders. De kenmerken, het tijdstip en de frequentie van de informatie-uitwisseling moet verenigbaar zijn met de activiteiten van punt 3.5 en met de werking van de elektriciteitsmarkten. Deze informatie-uitwisseling stelt de transmissiesysteembeheerders met name in staat de algemene situatie van het netwerk zo goed mogelijk te voorspellen, zodat ze de stromen in hun netwerk en de beschikbare interconnectiecapaciteiten kunnen beoordelen. Een transmissiesysteembeheerder die informatie verzamelt in naam van andere transmissiesysteembeheerders moet de resultaten van deze gegevensverzameling teruggeven aan de deelnemende transmissiesysteembeheerder.

4.   Tijdschema voor marktoperaties

4.1.

De toewijzing van de beschikbare transmissiecapaciteit dient voldoende lang van tevoren plaats te vinden. Vóór elke toewijzing maken de betrokken transmissiesysteembeheerders samen de toe te wijzen capaciteit bekend, indien nodig rekening houdend met de capaciteit die vrijkomt uit zekere transmissierechten en, voorzover relevant, de daarmee gepaard gaande vereffende nomineringen; ook het tijdsbestek waarbinnen beperkte of geen capaciteit beschikbaar zal zijn (bijvoorbeeld wegens onderhoud) wordt bekendgemaakt.

4.2.

De nominering van transmissierechten dient, met volle aandacht voor de netwerkveiligheid, lang genoeg van tevoren plaats te vinden, en wel vóór de „day-ahead”-sessies van alle relevante georganiseerde markten en vóór de bekendmaking van de capaciteit die zal worden toegewezen op basis van het „day-ahead”- of het „intra-day”-toewijzingsmechanisme. Om doeltreffend gebruik te maken van de interconnectie worden nomineringen van transmissierechten in de omgekeerde richting vereffend.

4.3.

Opeenvolgende „intra-day”-toewijzingen van beschikbare transmissiecapaciteit voor dag D vinden plaats op de dagen D-1 en D, na bekendmaking van de geraamde of werkelijke „day-ahead”-productieschema's.

4.4.

Bij het voorbereiden van de „day-ahead”-netwerkexploitatie wisselen de transmissiesysteembeheerders informatie uit met naburige transmissiesysteembeheerders, zoals de topologie van de gridvoorspelling, de beschikbaarheid en voorspelde productie van opwekkingseenheden, en „load-flows”, teneinde het gebruik van het algemene netwerk te optimaliseren via operationele maatregelen die beantwoorden aan de regels voor veilige exploitatie van het netwerk.

5.   Transparantie

5.1.

Transmissiesysteembeheerders publiceren alle relevante gegevens met betrekking tot de beschikbaarheid van het netwerk, de netwerktoegang en het netwerkgebruik, inclusief een verslag waarin wordt nagegaan waar en waarom er sprake is van congestie, welke methoden worden toegepast om de congestie te beheren en welke plannen er bestaan voor congestiebeheer in de toekomst.

5.2.

Transmissiesysteembeheerders publiceren een algemene beschrijving van de congestiebeheermethoden die in diverse omstandigheden worden toegepast om zoveel mogelijk capaciteit ter beschikking te stellen van de markt, alsook een algemeen systeem voor de berekening van de interconnectiecapaciteit voor de verschillende tijdsbestekken, gebaseerd op de werkelijke elektrische en fysieke toestand van het netwerk. Een dergelijk systeem moet door de regulerende instanties van de lidstaten worden beoordeeld.

5.3.

De toegepaste procedures voor congestiebeheer en capaciteitstoewijzing, de tijdstippen en procedures voor het aanvragen van capaciteit, een beschrijving van de aangeboden producten en de rechten en plichten van transmissiesysteembeheerders en van de partijen die de capaciteit verkrijgen, inclusief de aansprakelijkheid bij niet naleving van deze plichten, moeten nauwkeurig door de transmissiesysteembeheerders worden beschreven en op transparante wijze aan alle potentiële netwerkgebruikers worden meegedeeld.

5.4.

De operationele normen en de normen voor de veiligheid van de planning vormen een integrerend onderdeel van de informatie die de transmissiesysteembeheerders moeten publiceren in een openbaar document. Ook dit document wordt ter beoordeling aan de nationale regulerende instanties voorgelegd.

5.5.

De transmissiesysteembeheerders dienen alle relevante gegevens betreffende grensoverschrijdende handel te publiceren op basis van de best mogelijke voorspelling. De betrokken marktspelers verschaffen de transmissiesysteembeheerders de nodige informatie, zodat die aan hun verplichting kunnen voldoen. De wijze waarop deze informatie wordt gepubliceerd moet ter beoordeling aan de regulerende instanties worden voorgelegd. De transmissiesysteembeheerders moeten minstens de volgende gegevens publiceren:

a)

jaarlijks: informatie over de langetermijnevolutie van de transmissie-infrastructuur en het effect ervan op de grensoverschrijdende transmissiecapaciteit;

b)

maandelijks: maand- en jaarvoorspellingen van de voor de markt beschikbare transmissiecapaciteit, rekening houdend met alle relevante informatie waarover de transmissiesysteembeheerder beschikt op het ogenblik van de berekening van de voorspelling (bv. de gevolgen van zomer en winter op de capaciteit van de lijnen, onderhoud aan het net, beschikbaarheid van productie-eenheden enz.);

c)

wekelijks: voorspellingen van de voor de markt beschikbare transmissiecapaciteit voor de komende week, rekening houdend met alle informatie waarover de transmissiesysteembeheerder beschikt op het ogenblik van de berekening van de voorspelling, zoals de weersvoorspelling, gepland onderhoud aan het net, beschikbaarheid van productie-eenheden enz.;

d)

dagelijks: voor de markt beschikbare „day-ahead”- en „intra-day”-transmissiecapaciteit voor elke tijdseenheid van de markt, rekening houdend met alle vereffende „day-ahead”-nomineringen, „day-ahead”-productieschema's, vraagprognoses en gepland onderhoud aan het net;

e)

totale reeds toegewezen capaciteit per tijdseenheid van de markt en alle relevante omstandigheden waarin deze capaciteit kan worden gebruikt (bv. de toewijzingsprijs op de veiling, de verplichtingen inzake de wijze waarop de capaciteit moet worden gebruikt enz.), teneinde alle resterende capaciteit te identificeren;

f)

de toegewezen capaciteit, zo snel mogelijk na elke toewijzing, en een indicatie van de betaalde prijs;

g)

de totale gebruikte capaciteit, per tijdseenheid van de markt, onmiddellijk na de nominering;

h)

zo dicht mogelijk bij de werkelijke tijd: verzamelde informatie over gerealiseerde commerciële en fysieke stromen, per tijdseenheid van de markt, inclusief een beschrijving van de effecten van eventuele corrigerende maatregelen (zoals beperking) die door de transmissiesysteembeheerders zijn genomen om problemen met het systeem of netwerk op te lossen;

i)

informatie vooraf over geplande uitval en verzamelde informatie achteraf over geplande en niet-geplande uitval die de vorige dag heeft plaatsgevonden in opwekkingseenheden van meer dan 100 MW.

5.6.

De markt moet tijdig over alle relevante informatie beschikken om over alle transacties te kunnen onderhandelen (industriële klanten moeten bijvoorbeeld tijdig kunnen onderhandelen over jaarcontracten en biedingen moeten tijdig naar georganiseerde markten worden gestuurd).

5.7.

De transmissiesysteembeheerder moet de relevante informatie over de voorspelde vraag en opwekking publiceren volgens de in de punten 5.5 en 5.6 vermelde tijdschema's. De transmissiesysteembeheerder moet ook de relevante informatie publiceren die nodig is voor de grensoverschrijdende vereffeningsmarkt.

5.8.

Wanneer de voorspellingen zijn gepubliceerd, moeten ook de ex-post gerealiseerde waarden voor de informatie over de voorspelling worden gepubliceerd in de tijdsperiode die volgt op die waarop de voorspelling betrekking heeft of ten laatste op de volgende dag (D+1).

5.9.

Alle door de transmissiesysteembeheerders gepubliceerde informatie moet gratis ter beschikking worden gesteld in een gemakkelijk toegankelijk formaat. Het moet ook mogelijk zijn om via adequate en genormaliseerde middelen voor informatie-uitwisseling, die in nauwe samenwerking met de marktspelers worden vastgesteld, toegang te krijgen tot alle gegevens. De gegevens omvatten informatie over voorbije tijdsperiodes, en minstens over de voorbije twee jaar, zodat nieuwe marktspelers ook toegang hebben tot dergelijke gegevens.

5.10.

Transmissiesysteembeheerders wisselen regelmatig een reeks voldoende accurate gegevens over het netwerk en de „load-flow” uit teneinde elke transmissiesysteembeheerder in staat te stellen in zijn gebied „load-flow” berekeningen uit te voeren. Op verzoek wordt dezelfde reeks gegevens ook ter beschikking van de regulerende instanties en van de Commissie gesteld. De regulerende instanties en de Commissie behandelen deze gegevens vertrouwelijk en zien erop toe dat alle consultants die op basis van deze gegevens analytisch werk voor hen uitvoeren, ze eveneens vertrouwelijk behandelen.

6.   Het gebruik van inkomsten uit congestie

6.1.

Aan een vooraf gespecificeerd tijdsbestek gekoppelde congestiebeheerprocedures leveren alleen inkomsten op wanneer er voor dat tijdsbestek congestie ontstaat, behalve in het geval van nieuwe interconnectoren, die een vrijstelling krachtens artikel 7 van deze verordening genieten. De procedure voor de verdeling van deze inkomsten wordt ter beoordeling aan de regulerende instanties voorgelegd; deze procedure mag het toewijzingsproces niet beïnvloeden ten gunste van een partij die capaciteit of energie aanvraagt en mag stimulansen voor de beperking van congestie niet ontmoedigen.

6.2.

De nationale regulerende instanties moeten transparantie aan de dag leggen met betrekking tot het gebruik van de inkomsten uit de toewijzing van interconnectiecapaciteit.

6.3.

De inkomsten uit congestie worden onder de betrokken transmissiesysteembeheerders verdeeld overeenkomstig criteria die zijn overeengekomen tussen de betrokken transmissiesysteembeheerders en beoordeeld door de respectievelijke regulerende instanties.

6.4.

De transmissiesysteembeheerders stellen van tevoren duidelijk vast hoe ze eventueel verkregen inkomsten uit congestie zullen gebruiken en brengen verslag uit over het werkelijke gebruik van deze inkomsten. De regulerende instanties gaan na of dit gebruik in overeenstemming is met deze verordening en deze richtsnoeren en of alle congestieinkomsten uit de toewijzing van interconnectiecapaciteit aan een of meer van de drie in artikel 6, lid 6, van de verordening beschreven doelstellingen werden besteed.

6.5.

Jaarlijks en uiterlijk op 31 juli van elk jaar publiceren de regulerende instanties een verslag waarin wordt uiteengezet hoeveel inkomsten tot en met 30 juni van dat jaar zijn gemaakt, hoe die inkomsten zijn gebruikt, of dat gebruik in overeenstemming is met deze verordening en deze richtsnoeren en of alle inkomsten uit congestie aan een of meer van de drie bovenvermelde doelstellingen zijn besteed.

6.6.

Wanneer inkomsten uit congestie worden aangewend voor investeringen voor het behoud of de uitbreiding van interconnectiecapaciteit, moeten ze bij voorkeur worden gebruikt voor specifieke vooraf vastgestelde projecten die bijdragen tot de verlichting van de bestaande congestie en die binnen een redelijke termijn ten uitvoer kunnen worden gelegd, met name met betrekking tot de vergunningsprocedure.


(1)  Met „operationele veiligheid” wordt bedoeld: „het transmissiesysteem wordt binnen de overeengekomen veiligheidsgrenzen gehouden”.


BIJLAGE II

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 1228/2003

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 3

Artikel 13

Artikel 4

Artikel 14

Artikel 5

Artikel 15

Artikel 6

Artikel 16

Artikel 7

Artikel 17

Artikel 8

Artikel 18

Artikel 9

Artikel 19

Artikel 10

Artikel 20

Artikel 11

Artikel 21

Artikel 12

Artikel 22

Artikel 13

Artikel 23

Artikel 14

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 15

Artikel 26

Bijlage

Bijlage I


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

De Commissie heeft op 19 september 2007 een voorstel ingediend voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1228/2003 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit, met als rechtsgrondslag artikel 95 van het Verdrag, als onderdeel van een pakket met vier andere voorstellen betreffende de interne energiemarkt.

2.

Het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité hebben hun adviezen betreffende het gehele pakket uitgebracht op 10 april (1) respectievelijk op 22 april 2008 (2).

3.

Het Europees Parlement heeft op 18 juni 2008 advies in eerste lezing uitgebracht en daarbij 32 amendementen goedgekeurd (3). De Commissie heeft geen gewijzigd voorstel ingediend.

4.

De Raad heeft op 9 januari 2009 overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld in de vorm van een herschikkingsverordening.

II.   DOEL VAN HET VOORSTEL

5.

Het voorstel maakt deel uit van het derde pakket interne energiemarkt, tezamen met de richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, de verordening betreffende de voorwaarden voor toegang tot aardgastransmissienetten, de richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas, en de verordening tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators. Met het voorstel wordt beoogd de doelstelling van een goed functionerende interne markt voor elektriciteit te helpen verwezenlijken door met name te voorzien in:

bepalingen voor een versterkte samenwerking en coördinatie tussen transmissiesysteembeheerders, onder meer door de oprichting van een Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB voor elektriciteit);

verbeterde transparantievereisten.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

6.   Algemene opmerkingen

6.1.

De Raad is van oordeel geweest dat het gebruiksvriendelijker, efficiënter en transparanter zou zijn en beter zou aansluiten op Verordening (EG) nr. 1228/2003 indien de bepalingen van de verordening zouden worden herschikt. Hierbij heeft de Raad evenwel principieel het wijzigingsvoorstel van de Commissie volledig intact gelaten, in die zin dat er geen bepalingen zijn opengetrokken die niet reeds deel uitmaakten van het Commissievoorstel, afgezien van wijzigingen die nodig waren als gevolg van de door de Raad in het voorstel aangebrachte wijzigingen, andere verwijzingen op grond van omgenummerde artikelen, en dergelijke. De Raad heeft in de mate van het mogelijke de Commissie gevolgd in haar benadering die een gelijke behandeling van de gassector en de elektriciteitssector inhield.

De Commissie heeft alle wijzigingen aanvaard die de Raad in haar voorstel aanbracht.

6.2.

Van de 32 door het Europees Parlement aangenomen amendementen, met inbegrip van één mondeling amendement, heeft de Raad in navolging van de Commissie:

de volgende 7 amendementen aanvaard:

volledig: 12;

ten dele/in beginsel: 11, 15, 18, 24, 29 en 32;

en

de volgende 6 amendementen verworpen: 5, 13, 19, 26, 27 en 30, op grond van inhoud, samenhang of vorm.

6.3.

De Raad is van het advies van de Commissie afgeweken door

één amendement te aanvaarden: 23 (ten dele)

en

de volgende 18 amendementen te verwerpen: 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 14, 17, 20, 21, 22, 25, 28, 31 en het mondelinge amendement.

7.   Specifieke opmerkingen

7.1.

Kanttekeningen bij de amendementen van het EP ten aanzien waarvan de Raad van het standpunt van de Commissie is afgeweken:

a)

De Raad heeft amendement 23 ten dele aanvaard omdat hij van oordeel is dat onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde grenzen het mogelijk moet zijn om bij de berekening van de nettarieven rekening te houden met ontvangsten uit congestie.

b)

De Raad heeft de in punt 6.3 vermelde 18 amendementen verworpen op de volgende gronden:

i)

De amendementen zijn onnodig of voegen niets toe, voornamelijk omdat zij punten betreffen die deels/afdoende in andere delen van de tekst zijn geregeld, of omdat de door de Commissie voorgestelde formulering volstaat: dit geldt voor de amendementen 1, 2, 3, 4; de amendementen 7 en 8 zijn overbodig; het mondelinge amendement betreft een punt dat reeds in artikel 8 (leden 8 en 9) is geregeld.

ii)

Het amendement voegt met betrekking tot de rol van de regulerende instanties tekst toe die niet dienstig is, onder meer omdat de taken en bevoegdheden van deze instanties in de elektriciteitsrichtlijn worden vastgelegd: amendement 9; amendement 10 (bovendien heeft de Raad het artikel betreffende kleinhandelsmarkten overgeheveld naar de elektriciteitsrichtlijn); amendementen 20, 31.

iii)

Amendement 6 omdat het niet aan de Commissie is routekaarten inzake het transmissienet op te stellen.

iv)

De amendementen 14 en 21 voegen tekst toe die niet strookt met de rol die de Raad aan het Agentschap heeft toebedacht; voorts is het om juridische redenen niet passend dat het Agentschap netcodes aanneemt of goedkeurt, of besluiten van algemene strekking neemt.

v)

Amendement 17 omdat de raadplegingen (artikel 10) door het ENTSB moeten worden verricht; raadpleging door het Agentschap valt onder artikel 6.

vi)

Amendement 22 is niet dienstig omdat overregulering moet worden voorkomen.

vi)

Amendement 25 omdat het parallellisme met de vrijstellingsprocedure voor gas, waarin artikel 35 van de gasrichtlijn voorziet, moet worden gehandhaafd.

vii)

Amendement 28 reikt verder dan de werkingssfeer van de verordening en belast de lidstaten met taken die door de transmissiesysteembeheerders (TSB's) moeten worden vervuld.

7.2.

De Raad heeft ten opzichte van het Commissievoorstel nog een aantal inhoudelijke en/of formele wijzigingen aangebracht, waarvan de voornaamste hierna vermeld worden.

a)

Certificering van TSB's

De Raad heeft het passend geacht de bepaling betreffende de rol van de Commissie in de certificeringsprocedure over te hevelen van de elektriciteitsrichtlijn naar een nieuw artikel 3 van deze verordening.

b)

Vaststelling en wijziging van netcodes

De Raad heeft het passend geacht de procedure voor de vaststelling van netcodes (artikel 6) en de — kortere — procedure voor de wijziging van netcodes (artikel 7) uitvoeriger te beschrijven. Deze artikelen komen in de plaats van artikel 2 sexies van het Commissievoorstel. De Raad heeft het Agentschap een duidelijke rol toebedacht: het moet niet-bindende kaderrichtsnoeren opstellen als basis voor de door het ENTSB vast te stellen netcodes, de ontwerp-netcodes toetsen en voorgestelde wijzigingen in de netcodes beoordelen. In voorkomend geval kan de Commissie deze codes volgens de comitéprocedure aannemen teneinde deze bindend te maken (zie ook overweging 6).

c)

Toezicht door het Agentschap

De Raad heeft twee alinea's toegevoegd waarin de toezichthoudende rol van het Agentschap met betrekking tot de toepassing van de netcodes door het ENTSB wordt geregeld (artikel 9, lid 1, tweede en derde alinea).

d)

Vrijstellingen voor nieuwe interconnectoren

Met betrekking tot het verlenen van vrijstellingen voor nieuwe interconnectoren tussen lidstaten (artikel 17) heeft de Raad het passend geacht het Agentschap hierbij alleen te betrekken wanneer de betrokken nationale regulerende instanties geen overeenstemming kunnen bereiken of een gezamenlijk verzoek aan het Agentschap richten (lid 5). Voorts moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om desgewenst te bepalen dat het formele besluit over de vrijstelling door een andere relevante instantie van de lidstaat wordt genomen op grond van het advies van de regulator (lid 6).

e)

Kleinhandelsmarkten

De Raad heeft het passend geoordeeld het artikel betreffende kleinhandelsmarkten anders te formuleren, onder meer door het van zijn grensoverschrijdende aspect te ontdoen, en het artikel over te hevelen van de verordening (artikel 7 bis van het Commissievoorstel) naar de elektriciteitsrichtlijn (nieuw artikel 40).

f)

Andere punten

De Raad heeft het passend geacht de term „investeringsplan” te vervangen door „netontwikkelingsplan”, en daarbij te verduidelijken dat deze plannen niet-bindend zijn (artikel 8, lid 3, onder b)).

Volgens de logica van de herschikking heeft de Raad een nieuw artikel tot intrekking van het bestaande wetgevingsbesluit opgenomen (artikel 25).


(1)  PB C 172 van 5.7.2008, blz. 55.

(2)  PB C 211 van 19.8.2008, blz. 23.

(3)  Nog niet bekendgemaakt in het PB.


31.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 75/38


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 12/2009

door de Raad vastgesteld op 9 januari 2009

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/C 75 E/03)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met de interne markt voor aardgas, die sinds 1999 geleidelijk tot stand is gebracht, wordt beoogd alle consumenten in de Gemeenschap — zowel particulieren als bedrijven — echte keuzevrijheid te bieden, nieuwe kansen voor het bedrijfsleven te scheppen en grensoverschrijdende handel te bevorderen, teneinde efficiëntieverbeteringen, concurrerende prijzen en een betere dienstverlening te bewerkstelligen en de voorzieningszekerheid en duurzaamheid in de hand te werken.

(2)

Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (4) en Verordening (EG) nr. 1775/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (5) hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de totstandkoming van een dergelijke interne markt voor aardgas.

(3)

De ervaring met de uitvoering en voortgangscontrole van een eerste pakket Richtsnoeren voor goede praktijk dat in 2002 is vastgesteld door het Europees Regelgevend Forum voor gas (het forum van Madrid) leert dat, teneinde de volledige uitvoering van de regels van deze Richtsnoeren in alle lidstaten te verzekeren en in de praktijk een minimumwaarborg voor gelijke voorwaarden op het gebied van markttoegang te verschaffen, ervoor moet worden gezorgd dat deze wettelijk afdwingbaar worden.

(4)

Een tweede pakket gemeenschappelijke regels „de tweede Richtsnoeren voor goede praktijk” is vastgesteld op de vergadering van het forum van Madrid van 24-25 september 2003. Deze verordening moet derhalve, op basis van deze tweede richtsnoeren, basisprincipes en regels vaststellen betreffende nettoegang en derdentoegangsdiensten, congestiebeheer, transparantie, balancering en het verhandelen van capaciteitsrechten.

(5)

Richtlijn 2009/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (6) biedt de mogelijkheid tot een gecombineerde transmissie- en distributiesysteembeheerder. Derhalve hoeft uit hoofde van deze verordening geen wijziging te worden aangebracht in de organisatie van de nationale transmissie- en distributiesystemen die stroken met de toepasselijke bepalingen van Richtlijn 2009/…/EG.

(6)

Hogedrukpijpleidingen die plaatselijke distributeurs met het gasnet verbinden en die niet in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie worden gebruikt, vallen binnen het toepassingsgebied van deze verordening.

(7)

Er moeten criteria worden vastgesteld voor de berekening van de tarieven voor toegang tot het net opdat deze tarieven volledig voldoen aan het beginsel van niet-discriminatie en aan de behoeften van een goed functionerende interne markt. Daarbij moet ten volle rekening worden gehouden met de noodzakelijke systeemintegriteit. Bovendien moeten de tarieven een afspiegeling vormen van de werkelijke kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, waarbij wordt gelet op een redelijke winst op de investeringen, en, in voorkomend geval, rekening wordt gehouden met de benchmarking van de tarieven door de regulerende instanties.

(8)

Bij de berekening van de tarieven voor de toegang tot netten is het van belang dat rekening wordt gehouden met de werkelijke kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, en met de noodzaak om een redelijke winst op de investeringen te genereren en stimulansen te scheppen voor de aanleg van nieuwe infrastructuur. In dat verband zal, met name als er sprake is van daadwerkelijke concurrentie tussen pijpleidingen, de benchmarking van tarieven door de regulerende instanties een relevant punt van overweging zijn.

(9)

Het gebruik van marktgerichte regelingen, zoals veilingen, om tarieven vast te stellen moet stroken met de bepalingen van Richtlijn 2009/…/EG.

(10)

Een gemeenschappelijk minimumpakket van derdentoegangsdiensten is nodig om in de hele Gemeenschap in de praktijk voor een gemeenschappelijke minimumtoegangsnorm te zorgen, teneinde te waarborgen dat derdentoegangsdiensten voldoende compatibel zijn en de voordelen van een goed functionerende interne markt voor aardgas kunnen worden benut.

(11)

Momenteel is het door verschillende oorzaken onmogelijk om in de Gemeenschap op voet van gelijkheid, zonder discriminatie of benadeling, gas te verkopen. Met name kent nog niet elke lidstaat een niet-discriminerende netwerktoegang en een gelijk niveau van toezicht door de regulerende instanties.

(12)

In de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007„Een energiebeleid voor Europa” is benadrukt hoe belangrijk het is de interne markt voor aardgas te voltooien en een gelijk speelveld voor alle aardgasbedrijven uit de Gemeenschap tot stand te brengen. De mededelingen van de Commissie van 10 januari 2007 getiteld „de vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt” en „Onderzoek op grond van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1/2003 naar de Europese gas- en elektriciteitssectoren (Eindverslag)” hebben aangetoond dat de huidige voorschriften en maatregelen niet het nodige kader verschaffen om de doelstelling van een goed functionerende interne markt te realiseren.

(13)

Enerzijds moet het bestaande regelgevingskader nauwgezet worden uitgevoerd, en anderzijds moet het regelgevingskader voor de interne markt voor aardgas van Verordening (EG) nr. 1775/2005 in de zin van die mededelingen worden aangepast.

(14)

Er is meer in het bijzonder een grotere samenwerking en coördinatie tussen transmissiesysteembeheerders vereist om netcodes in te voeren voor de verlening en het beheer van daadwerkelijke toegang tot de transmissienetwerken over de grenzen heen te verwezenlijken, om, met inachtneming van het milieu, een gecoördineerde en voldoende toekomstgerichte planning en een deugdelijke ontwikkeling van het transmissiesysteem in de Gemeenschap te waarborgen. De netcodes moeten in overeenstemming zijn met de door het Agentschap voor de samenwerkinig tussen energieregelgevers, opgericht bij Verordening (EG) nr. …/2009 (6) van het Europees Parlement en de Raad („het Agentschap”) geformuleerde niet-bindende kaderrichtsnoeren. Het Agentschap moet betrokken worden bij de beoordeling van ontwerpnetcodes, waaronder de vraag of zij aan de niet-bindende kaderrichtsnoeren voldoen, en het kan de Commissie aanbevelen die netcodes goed te keuren. Het Agentschap moet tevens de voorgestelde wijzigingen op de netcodes beoordelen, en het kan de Commissie aanbevelen die wijzigingen goed te keuren. Transmissiesysteembeheerders moeten hun netwerken volgens deze netcodes beheren.

(15)

Teneinde in de Gemeenschap een optimaal beheer van het gastransmissienet te garanderen, moet een Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas („het ENTSB voor gas”) worden opgericht. De taken van het ENTSB voor gas moeten worden uitgeoefend met inachtneming van de communautaire mededingingsregels, die op de beslissingen van het ENTSB voor gas van toepassing blijven. Deze taken moeten nauwkeurig worden omschreven en de daarbij gevolgde werkmethode moet efficiëntie, de representativiteit ervan en transparantie garanderen. De door het ENTSB voor gas opgestelde netcodes zijn niet bedoeld om de noodzakelijke nationale netcodes voor niet-grensoverschrijdende kwesties te vervangen. Aangezien met een benadering op regionaal niveau effectievere vooruitgang kan worden geboekt, moeten de transmissiesysteembeheerders binnen de overkoepelende samenwerkingsstructuur regionale structuren opzetten en er tegelijkertijd voor zorgen dat de resultaten op regionaal niveau stroken met de netcodes en niet-bindende tienjarige netontwikkelingsplannen op Gemeenschapsniveau. Samenwerking binnen dergelijke regionale structuren vergt een daadwerkelijke ontvlechting van netwerkactiviteiten enerzijds en productie- en leveringsactiviteiten anderzijds, anders houdt regionale samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders een risico van concurrentieverstorend gedrag in.

(16)

Alle marktspelers hebben belang bij de werkzaamheden die van het ENTSB voor gas worden verwacht. Daarom is een effectieve raadplegingsprocedure van essentieel belang en moeten de bestaande structuren die zijn opgezet om de raadplegingsprocedures te vergemakkelijken en te stroomlijnen, zoals de Europese organisatie voor de stroomlijning van energie-uitwisseling, nationale regulators of het Agentschap een belangrijke rol spelen.

(17)

Om de concurrentie door middel van de liquide groothandelsmarkten voor gas te vergroten, is het van essentieel belang dat gas onafhankelijk van de locatie in het systeem kan worden verhandeld. Dit kan alleen als netgebruikers de vrijheid krijgen om entry- en exitcapaciteit los te boeken, zodat er een gastransport via zones en niet langs contractuele paden ontstaat. Op het zesde Forum van Madrid van 30 en 31 oktober 2002 hebben de meeste belanghebbenden al een voorkeur uitgesproken voor entry-exitsystemen om de concurrentie te bevorderen. De tarieven dienen niet afhankelijk te zijn van de transportroute; de tarieven voor een of meer entrypunten en de tarieven voor een of meer exitpunten dienen derhalve geen verband met elkaar te houden.

(18)

Verwijzingen naar geharmoniseerde transportcontracten in de context van niet-discriminerende toegang tot het net van transmissiesysteembeheerders houden niet in dat de termen en voorwaarden van de transportcontracten van een bepaalde transmissiesysteembeheerder in een lidstaat dezelfde moeten zijn als die van een andere transmissiesysteembeheerder in die lidstaat of in een andere lidstaat, behoudens waar minimumeisen zijn vastgesteld waaraan alle transportcontracten moeten voldoen.

(19)

Er bestaat een aanzienlijke contractuele congestie op de gasnetten. De congestiebeheer- en capaciteitsallocatiebeginselen voor nieuwe of onlangs gesloten contracten berusten daarom op de vrijgave van ongebruikte capaciteit waarbij netgebruikers in staat worden gesteld om hun gecontracteerde capaciteit door te verhuren of door te verkopen en transmissiesysteembeheerders ongebruikte capaciteit ten minste op „day-ahead”-basis en afschakelbaar op de markt moeten aanbieden. Gezien de grote omvang van bestaande contracten en de noodzaak om een echt gelijk speelveld te creëren tussen gebruikers van nieuwe en van bestaande capaciteit, moeten deze beginselen worden toegepast op alle gecontracteerde capaciteit, dus ook de bestaande contracten.

(20)

Hoewel de fysieke congestie van de netten momenteel zelden een probleem is in de Gemeenschap, kan het er in de toekomst een worden. Het is derhalve belangrijk het basisprincipe vast te stellen voor de allocatie van capaciteit op overbelaste netten.

(21)

Uit de marktonderzoeken die de nationale regulerende instanties en de Commissie in de loop van de voorbije jaren hebben uitgevoerd, is gebleken dat de thans geldende transparantievereisten en voorschriften voor de toegang tot de infrastructuur ontoereikend zijn.

(22)

Gelijke toegang tot informatie over de fysieke toestand van het systeem is noodzakelijk opdat alle marktspelers zich een oordeel over de totale vraag- en aanbodsituatie kunnen vormen en de redenen voor bewegingen van de groothandelsprijs kunnen onderkennen. Dit betekent onder meer dat nauwkeuriger informatie moet worden verschaft over vraag en aanbod, netcapaciteit, flows en onderhoud, balancering en beschikbaarheid en gebruik van opslag. Gezien het belang van deze informatie voor de werking van de markt is versoepeling van de bestaande publicatiebeperkingen om redenen van vertrouwelijkheid noodzakelijk.

(23)

Vertrouwelijkheidsvoorschriften voor commercieel gevoelige informatie zijn echter van groot belang als het gegevens met een voor het bedrijf commercieel strategisch karakter betreft, als een opslaginstallatie slechts één gebruiker heeft, of als het gaat om gegevens over exitpunten binnen een systeem of subsysteem die niet met een ander transmissie- of distributiesysteem verbonden zijn maar met een enkele industriële eindverbruiker indien door de publicatie van dergelijke gegevens vertrouwelijke informatie over het productieproces van deze verbruiker wordt vrijgegeven.

(24)

Om het vertrouwen in de markt te versterken, moeten marktspelers de zekerheid hebben dat op misbruik sancties worden gesteld. De bevoegde autoriteiten moeten in staat worden gesteld vermoedens van marktmisbruik effectief te onderzoeken. Daarom moeten zij toegang hebben tot gegevens die informatie verschaffen over operationele beslissingen van leveranciers. Op de gasmarkt worden al deze beslissingen aan de systeembeheerders gemeld in de vorm van capaciteitsreserveringen, nominaties en gerealiseerde flows. Systeembeheerders moeten deze informatie gedurende een bepaalde termijn ter beschikking van de bevoegde autoriteiten houden.

(25)

De toegang tot gasopslag- en LNG-installaties is onvoldoende. Daarom moet de regelgeving verbeteren. Uit onderzoek van de Europese groep van regulerende instanties voor elektriciteit en gas is gebleken dat de voor opslagsysteembeheerders geldende vrijwillige richtsnoeren voor goede praktijk met betrekking tot de toegang van derden, waarover de belanghebbenden op het Forum van Madrid het eens waren geworden, onvoldoende worden gevolgd en daarom bindend moeten worden verklaard.

(26)

Door de transmissiesysteembeheerders beheerde niet-discriminerende en transparante balanceringssystemen voor gas zijn belangrijke mechanismen, met name voor nieuwkomers op de markt, die het mogelijk moeilijker hebben om hun totale verkoopportefeuille in balans te houden dan gevestigde bedrijven binnen een relevante markt. Derhalve moeten regels worden vastgesteld die garanderen dat de transmissiesysteembeheerders dergelijke mechanismen beheren op een wijze die verenigbaar is met niet-discriminerende, transparante en effectieve toegangsvoorwaarden voor het net.

(27)

Het verhandelen van primaire rechten op capaciteit vormt een belangrijk onderdeel van het ontwikkelen van een concurrerende markt en het creëren van liquiditeit. In deze verordening moeten derhalve basisregels voor dit verhandelen worden vastgesteld.

(28)

De nationale regulerende instanties moeten erop toezien dat de in deze verordening neergelegde regels en de op basis van deze verordening vastgestelde richtsnoeren in acht worden genomen.

(29)

In de bij deze verordening gevoegde richtsnoeren worden specifieke gedetailleerde uitvoeringsbepalingen vastgesteld op basis van de bovenvernoemde tweede richtsnoeren voor goede praktijk. Deze regels zullen zich in de loop der tijd waar nodig ontwikkelen, rekening houdend met de verschillen tussen de nationale gassystemen.

(30)

Wanneer de Commissie voorstelt de als bijlage bij de verordening opgenomen richtsnoeren te wijzigen, moet zij vooraf alle betrokken partijen waarop deze richtsnoeren van toepassing zijn — vertegenwoordigd door de beroepsorganisaties — en de lidstaten in het forum van Madrid raadplegen.

(31)

Van de lidstaten en de bevoegde nationale autoriteiten moet worden verlangd dat zij de Commissie relevante informatie verschaffen. Deze informatie moet door de Commissie vertrouwelijk worden behandeld.

(32)

Deze verordening en de in overeenstemming hiermee vastgestelde richtsnoeren laten de toepassing van de communautaire concurrentieregels onverlet.

(33)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7).

(34)

In het bijzonder moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gegeven de richtsnoeren vast te stellen of aan te nemen die nodig zijn voor de minimale harmonisatie die vereist is om de doelstelling van deze verordening te bereiken. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(35)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van eerlijke regels betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten, opslag en LNG-installaties, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter op door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, mag de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag bedoelde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in dat artikel bedoelde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(36)

Gezien de omvang van de hierin gedane wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1775/2005 is het ter wille van de duidelijkheid en de logica wenselijk de betrokken bepalingen te herschikken door hen samen te brengen in één tekst in een nieuwe richtlijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze verordening beoogt:

a)

niet-discriminerende regels vast te stellen betreffende de toegangsvoorwaarden voor aardgastransmissiesystemen, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van nationale en regionale markten, teneinde een goede werking van de interne markt voor gas te waarborgen;

b)

niet-discriminerende regels vast te stellen betreffende de toegangsvoorwaarden voor LNG- en opslaginstallaties, rekening houdend met de specifieke kenmerken van nationale en regionale markten; en

c)

het ontstaan van een goed functionerende en transparante groothandelsmarkt met een hoog niveau van zekerheid van de gasvoorziening te bevorderen. Zij voorziet in mechanismen om deze regels voor de grensoverschrijdende handel in gas te harmoniseren.

De in de eerste alinea van dit artikel genoemde doelstellingen omvatten onder meer de vaststelling van geharmoniseerde beginselen inzake de tarieven voor de toegang tot het net, maar niet tot opslaginstallaties, of inzake de methoden voor de berekening daarvan, de instelling van derdentoegangsdiensten, de vaststelling van geharmoniseerde beginselen inzake capaciteitsallocatie en congestiebeheer, de bepaling van transparantievereisten, balanceringsregels en tarieven voor onbalans, alsmede de bevordering van capaciteitsverhandeling.

Deze verordening is behoudens artikel 19, lid 4, alleen van toepassing op opslaginstallaties die onder artikel 32, leden 3 of 4, van Richtlijn 2009/…/EG vallen.

De lidstaten kunnen overeenkomstig Richtlijn 2009/…/EG een entiteit of instantie instellen voor de uitoefening van een of meer normaliter aan de transmissiesysteembeheerder toegewezen functies; de eisen van deze verordening zijn daarop van toepassing. Deze entiteit of instantie wordt overeenkomstig artikel 3 van deze verordening gecertificeerd en overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2009/…/EG aangewezen.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1)

„transmissie”: het transport van aardgas door een net dat vooral bestaat uit hogedrukpijpleidingen, met uitzondering van een upstreampijpleidingnet en van het gedeelte van hogedrukpijpleidingen dat in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie wordt gebruikt, met het oog op de belevering van afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;

2)

„transportcontract”: een contract tussen een transmissiesysteembeheerder en een netgebruiker voor de uitvoering van de transmissie;

3)

„capaciteit”: de maximale flow, uitgedrukt in normale kubieke meter per tijdseenheid of in energie-eenheid per tijdseenheid, waarop de netgebruiker op grond van het transportcontract recht heeft;

4)

„ongebruikte capaciteit”: de vaste capaciteit die een netgebruiker op grond van een transportcontract heeft verworven, maar op het moment van het contractueel vastgelegde aflopen van de termijn niet heeft genomineerd;

5)

„congestiebeheer”: beheer van de capaciteitsportefeuille van de transmissiesysteembeheerder met het oog op het optimale en maximale gebruik van de technische capaciteit en de tijdige detectie van toekomstige congestie- en saturatiepunten;

6)

„secundaire markt”: de markt van de niet op de primaire markt verhandelde capaciteit;

7)

„nominatie”: het vooraf opgeven door de netgebruiker aan de transmissiesysteembeheerder van de werkelijke flow die hij wil invoeden op of onttrekken aan het systeem;

8)

„hernominatie”: het achteraf melden van een gecorrigeerde nominatie;

9)

„systeemintegriteit”: elke situatie met betrekking tot een transmissienet, met inbegrip van de noodzakelijke transmissiefaciliteiten, waarin de druk en de kwaliteit van het aardgas binnen de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde minimum- en maximumgrenzen blijven, zodat de transmissie van aardgas uit een technisch oogpunt gegarandeerd is;

10)

„balanceringsperiode”: periode waarbinnen het onttrekken van een hoeveelheid aardgas, uitgedrukt in eenheden energie, door elke netgebruiker moet worden gecompenseerd door middel van het invoeden van dezelfde hoeveelheid aardgas op het transmissienet in overeenstemming met het transportcontract of de netcode;

11)

„netgebruiker”: een afnemer of mogelijke afnemer van een transmissiesysteembeheerder en, mits zulks nodig is om de functies met betrekking tot de transmissie uit te voeren, de transmissiebeheerder zelf;

12)

„afschakelbare diensten”: door de transmissiesysteembeheerder met betrekking tot afschakelbare capaciteit aangeboden diensten;

13)

„afschakelbare capaciteit”: gastransmissiecapaciteit die door de transmissiesysteembeheerder kan worden afgeschakeld overeenkomstig de voorwaarden van het transportcontract;

14)

„langetermijndiensten”: door de transmissiesysteembeheerder aangeboden diensten met een duur van één jaar of meer;

15)

„kortetermijndiensten”: door de transmissiesysteembeheerder aangeboden diensten met een duur van minder dan één jaar;

16)

„vaste capaciteit”: door de transmissiesysteembeheerder contractueel als niet-afschakelbaar gegarandeerde gastransmissiecapaciteit;

17)

„vaste diensten”: door de transmissiesysteembeheerder met betrekking tot vaste capaciteit aangeboden diensten;

18)

„technische capaciteit”: de maximale vaste capaciteit die de transmissiesysteembeheerder aan de netgebruikers kan aanbieden, rekening houdend met de systeemintegriteit en de operationele eisen van het transmissienet;

19)

„gecontracteerde capaciteit”: capaciteit die de transmissiesysteembeheerder aan een netgebruiker heeft gealloceerd door middel van een transportcontract;

20)

„beschikbare capaciteit”: het deel van de technische capaciteit dat niet is gealloceerd en op een gegeven moment nog beschikbaar is voor het systeem;

21)

„contractuele congestie”: een situatie waarbij het niveau van de vraag naar vaste capaciteit groter is dan de technische capaciteit;

22)

„primaire markt”: de markt van de direct door de transmissiesysteembeheerder verhandelde capaciteit;

23)

„fysieke congestie”: een situatie waarbij op een bepaald tijdstip het niveau van de vraag naar werkelijke leveringen groter is dan de technische capaciteit;

24)

„LNG-installatiecapaciteit”: capaciteit op een LNG-terminal voor het vloeibaar maken van aardgas of voor de invoer, verlading, bijkomende diensten, tijdelijke opslag en hervergassing van LNG;

25)

„ruimte”: hoeveelheid gas die een gebruiker van een opslaginstallatie mag gebruiken voor de opslag van gas;

26)

„levercapaciteit”: het debiet waarmee de opslaggebruiker gas mag onttrekken aan de opslaginstallatie;

27)

„injectiecapaciteit”: het debiet waarmee de opslaggebruiker gas mag injecteren in de opslaginstallatie;

28)

„opslagcapaciteit”: elke combinatie van ruimte, injectiecapaciteit en levercapaciteit.

2.   Onverminderd de definities in lid 1 zijn de definities in artikel 2 van Richtlijn 2009/…/EG die relevant zijn voor de toepassing van deze verordening, ook van toepassing, met uitzondering van de definitie van „transmissie” in punt 3 van dat artikel.

De definities in de punten 3 tot en met 23 van lid 1 die betrekking hebben op transmissie, zijn van overeenkomstige toepassing op opslag- en LNG-installaties.

Artikel 3

Certificering van transmissiesysteembeheerders

1.   De Commissie onderzoekt kennisgevingen van besluiten betreffende de certificering van een transmissiesysteembeheerder als bepaald in artikel 10, lid 6, van Richtlijn 2009/…/EG, onmiddellijk na ontvangst. Binnen twee maanden na ontvangst van deze kennisgeving deelt de Commissie zijn advies aan de betrokken nationale regulerende instantie mee of zij het besluit verenigbaar acht met artikel 10, lid 2, of artikel 11, en artikel 9 van Richtlijn 2009/…/EG.

Bij de opstelling van het in de eerste alinea bedoelde advies kan de Commissie om het advies van het Agentschap over het besluit van de nationale regulerende instanties verzoeken. In dat geval wordt de in de eerste alinea genoemde termijn met twee verdere maanden verlengd.

Als de Commissie niet binnen de in de eerste en tweede alinea bedoelde termijn advies uitbrengt, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben tegen het besluit van de regulerende instantie.

2.   Na ontvangst van het advies van de Commissie stelt de nationale regulerende instantie binnen twee maanden het definitieve besluit betreffende de certificering van de transmissiesysteembeheerder vast, waarbij zij zo veel mogelijk rekening houdt met dat advies. Het besluit van de regulerende instantie en het advies van de Commissie worden samen bekendgemaakt.

3.   De regulerende instanties en/of de Commissie kunnen in de loop van de procedure te allen tijde bij een transmissiesysteembeheerder en een bedrijf dat één van de functies van productie of levering verricht, alle informatie opvragen die relevant is voor de uitvoering van hun taken overeenkomstig dit artikel.

4.   De regulerende instanties en de Commissie bewaren de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige gegevens.

5.   De Commissie kan richtsnoeren vaststellen waarin de voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel te volgen procedure nader wordt omschreven. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

6.   Wanneer de Commissie een kennisgeving betreffende de certificering van een transmissiesysteembeheerder bedoeld in artikel 9, lid 10, van Richtlijn 2009/…/EG ontvangt, neemt zij een beslissing over de certificering. De regulerende instantie voert de beslissing van de Commissie uit.

Artikel 4

Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas

Alle transmissiesysteembeheerders werken samen op Gemeenschapsniveau middels het ENTSB voor gas met de bedoeling de voltooiing van de interne markt voor aardgas te bevorderen en een optimaal beheer en deugdelijke technische ontwikkeling van het aardgastransmissienet te garanderen.

Artikel 5

Oprichting van het ENTSB voor gas

1.   Uiterlijk op … (8) dienen de transmissiesysteembeheerders voor gas bij de Commissie en het Agentschap de ontwerpstatuten, een lijst van leden en het ontwerpreglement van orde, met onder meer de procedurevoorschriften voor de raadpleging van andere belanghebbenden, van het op te richten ENTSB voor gas in.

2.   Binnen twee maanden na ontvangst brengt het Agentschap, na raadpleging van de organisaties die alle belanghebbenden vertegenwoordigen, aan de Commissie advies uit over de ontwerpstatuten, de ledenlijst en het ontwerpreglement van orde.

3.   Binnen drie maanden na ontvangst van het advies van het Agentschap brengt de Commissie advies uit over de ontwerpstatuten, de ledenlijst en het ontwerpreglement van orde.

4.   Binnen drie maanden na ontvangst van het advies van de Commissie gaan de transmissiesysteembeheerders over tot de oprichting van het ENTSB voor gas en tot de aanneming en publicatie van zijn statuten en reglement van orde.

Artikel 6

Vaststelling van netcodes

1.   Na raadpleging van het Agentschap, het ENTSB voor gas en de andere betrokken belanghebbende partijen stelt de Commissie jaarlijks een prioriteitenlijst op met de in artikel 8, lid 6, vermelde terreinen waarmee bij de ontwikkeling van netcodes rekening moet worden gehouden.

2.   De Commissie kan het Agentschap verzoeken haar binnen een redelijke termijn van ten hoogste zes maanden een ontwerp van een niet-bindend kaderrichtsnoer voor te leggen waarin duidelijke en objectieve beginselen zijn vervat met inachtneming van artikel 8, lid 7, voor de ontwikkeling van specifieke netcodes met betrekking tot de terreinen die op de prioriteitenlijst zijn vermeld. Elk ontwerp van een niet-bindend kaderrichtsnoer draagt bij tot non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging en een efficiënte werking van de markt. Op een met redenen omkleed verzoek van het Agentschap kan de Commissie deze termijn verlengen.

3.   Gedurende een termijn van ten minste twee maanden raadpleegt het Agentschap het ENTSB voor gas en de andere betrokken belanghebbende partijen op een open en transparante manier over het ontwerp van niet-bindend kaderrichtsnoer.

4.   Indien de Commissie van oordeel is dat het ontwerp van niet-bindend kaderrichtsnoer niet bijdraagt tot non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging en een efficiënte werking van de markt, kan zij het Agentschap verzoeken het ontwerp van niet-bindend kaderrichtsnoer binnen een redelijke termijn te herzien en dit opnieuw aan de Commissie voor te leggen.

5.   Indien het Agentschap binnen de door de Commissie conform lid 2 of lid 4 gestelde termijn geen ontwerp van niet-bindend kaderrichtsnoer voorlegt dan wel opnieuw voorlegt, stelt de Commissie het bewuste niet-bindende kaderrichtsnoer op.

6.   De Commissie verzoekt het ENTSB voor gas om binnen een redelijke termijn die ten hoogste twaalf maanden beloopt, een netcode aan het Agentschap voor te leggen die in overeenstemming is met het desbetreffende kaderrichtsnoer.

7.   Binnen drie maanden na de ontvangst van een netcode, gedurende welke periode het Agentschap de betrokken belanghebbende partijen formeel kan raadplegen, brengt het Agentschap een met redenen omkleed advies inzake de netcode uit aan het ENTSB voor gas.

8.   Het ENTSB voor gas kan in het licht van het advies van het Agentschap de netcode wijzigen en deze opnieuw aan het Agentschap voorleggen.

9.   Als het Agentschap vaststelt dat de netcode in overeenstemming is met het relevante niet-bindende kaderrichtsnoer, legt het Agentschap de netcode voor aan de Commissie, eventueel vergezeld van de aanbeveling om de netcode goed te keuren.

10.   Als het ENTSB voor gas niet binnen de door de Commissie vastgestelde redelijke termijn van lid 6 een netcode heeft ontwikkeld, kan de Commissie het Agentschap verzoeken om op basis van het desbetreffende niet-bindende kaderrichtsnoer een ontwerpnetcode op te stellen. Het Agentschap kan tijdens het opstellen van een ontwerpnetcode overeenkomstig dit lid verder overleg voeren. Het Agentschap legt een overeenkomstig dit lid opgestelde ontwerpnetcode voor aan de Commissie, eventueel vergezeld van de aanbeveling om de netcode goed te keuren.

11.   De Commissie kan, op eigen initiatief indien het ENTSB voor gas geen ontwerpnetcode heeft ontwikkeld of het Agentschap geen ontwerpnetcode heeft ontwikkeld als bedoeld in lid 10 van dit artikel, of op aanbeveling van het Agentschap uit hoofde van lid 9 van dit artikel, een of meer netcodes goedkeuren op de in artikel 8, lid 6, genoemde terreinen.

Als de Commissie op eigen initiatief voorstelt een netcode goed te keuren, kan de Commissie gedurende een termijn van ten minste twee maanden het Agentschap, het ENTSB voor gas en alle betrokken belanghebbende partijen raadplegen over de ontwerpnetcode.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

12.   Dit artikel laat het in artikel 23 neergelegde recht van de Commissie om richtsnoeren vast te stellen of te wijzigen onverlet.

Artikel 7

Wijziging van netcodes

1.   Personen die belang hebben bij een netcode, waaronder het ENTSB voor gas, transmissiesysteembeheerders, netgebruikers en consumenten, kunnen het Agentschap ontwerpwijzigingen voorleggen voor een overeenkomstig artikel 6 goedgekeurde netcode. Het Agentschap kan ook op eigen initiatief wijzigingen voorstellen.

2.   Het Agentschap stelt in zijn reglement van orde doeltreffende procedures vast voor de beoordeling van en uitvoerig overleg over ontwerpwijzigingen, onder meer met het ENTSB voor gas en de netgebruikers. In het kader van die procedure kan het Agentschap de Commissie met redenen omklede wijzigingsvoorstellen doen en daarbij aantonen hoe deze stroken met de doelstellingen van de in artikel 6, lid 2, bedoelde netcodes.

3.   De Commissie kan, rekening houdend met de voorstellen van het Agentschap, wijzigingen goedkeuren op elke overeenkomstig artikel 6 aangenomen netcode. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.   Van de in het kader van de in artikel 28, lid 2, bedoelde procedure voorgestelde wijzigingen worden alleen de aspecten in verband met de voorgestelde wijziging beoordeeld. Deze voorgestelde wijzigingen laten andere wijzigingen die de Commissie eventueel voorstelt, onverlet.

Artikel 8

Taken van het ENTSB voor gas

1.   Het ENTSB voor gas stelt op een door de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 6, aan hem gericht verzoek netcodes op de in lid 6 van dit artikel genoemde terreinen op.

2.   Het ENTSB voor gas kan op de in lid 6 genoemde terreinen netcodes opstellen, als deze codes geen betrekking hebben op terreinen in verband waarmee de Commissie een verzoek aan het ENTSB voor gas heeft gericht. Deze netcodes worden voor advies aan het Agentschap voorgelegd.

3.   Het ENTSB voor gas stelt het volgende vast:

a)

gemeenschappelijke netbeheersinstrumenten en onderzoeksplannen;

b)

om de twee jaar een niet-bindend tienjarig netontwikkelingsplan dat de gehele Gemeenschap dekt („netontwikkelingsplan”), met inbegrip van een Europese leveringstoereikendheidsvooruitzichten;

c)

een jaarlijks werkprogramma;

d)

een jaarverslag;

e)

jaarlijkse zomer- en wintervooruitzichten inzake de levering.

4.   De Europese leveringstoereikendheidsvooruitzichten bedoeld in lid 3, onder b), bestrijken de algemene toereikendheid van het gassysteem ter dekking van de huidige en de verwachte vraag naar gas in de eerstvolgende periode van vijf jaar en in de periode tussen vijf en tien jaar na de datum van die vooruitzichten. Deze Europese leveringstoereikendheidsvooruitzichten stoelen op de nationale leveringsvooruitzichten die door iedere individuele transmissiesysteembeheerder worden opgesteld.

5.   Het in lid 3, onder c), bedoelde jaarlijkse werkprogramma bevat een lijst en een beschrijving van de op te stellen netcodes, een plan voor de coördinatie van het beheer van het netwerk en de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten in de loop van dat jaar, alsook een indicatief tijdschema.

6.   De in de leden 1 en 2 bedoelde netcodes hebben betrekking op de volgende terreinen, rekening houdend, in voorkomend geval, met specifieke regionale kenmerken:

a)

voorschriften inzake veiligheid en betrouwbaarheid van het netwerk;

b)

voorschriften voor netaansluiting;

c)

voorschriften voor toegang door derden;

d)

voorschriften voor gegevensuitwisseling en geschillenbeslechting;

e)

voorschriften inzake interoperabiliteit;

f)

operationele procedures in noodgevallen;

g)

voorschriften voor capaciteitstoewijzing en congestiebeheer;

h)

voorschriften voor de handel in gas in verband met de technische en operationele verstrekking van diensten voor nettoegang en systeembalancering;

i)

transparantievoorschriften;

j)

voorschriften inzake balancering, waaronder netgerelateerde voorschriften voor de nominatieprocedure, voorschriften voor de tarieven voor onbalans en voorschriften voor operationele balancering tussen de systemen van transmissiesysteembeheerders;

k)

voorschriften inzake geharmoniseerde transmissietariefstructuren; en

l)

energie-efficiëntie met betrekking tot gasnetten.

7.   De netcodes worden alleen ontwikkeld voor grensoverschrijdende aangelegenheden en doen geen afbreuk aan de rechten van de lidstaten om nationale codes vast te stellen voor niet-grensoverschrijdende aangelegenheden.

8.   Het ENTSB voor gas houdt toezicht op en verricht onderzoek naar de toepassing van de netcodes en de richtsnoeren die door de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 11, zijn vastgesteld, en naar het effect daarvan op de harmonisatie van de toepasselijke voorschriften ter bevordering van de marktintegratie. Het ENTSB voor gas brengt bij het Agentschap verslag uit over zijn bevindingen en vermeldt de resultaten van het onderzoek in het in lid 3, onder d), bedoelde jaarverslag.

9.   Het ENTSB voor gas stelt alle informatie die het Agentschap nodig heeft om zijn taken overeenkomstig artikel 9, lid 1, te vervullen, ter beschikking.

10.   Om de twee jaar gaat het ENTSB voor gas over tot de opstelling en publicatie van een netwerkontwikkelingsplan, als bedoeld in lid 3, onder b). Het netontwikkelingsplan bevat een modellering van het geïntegreerde net, een scenario-ontwikkeling, de Europese leveringstoereikendheidsvooruitzichten en een beoordeling van de veerkracht van het systeem.

Het netontwikkelingsplan, met name:

a)

berust op de nationale investeringsplannen, de regionale investeringsplannen bedoeld in artikel 12, lid 1, en, in voorkomend geval, de bij Beschikking nr. 1364/2006/EG opgestelde richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector (9);

b)

berust, wat grensoverschrijdende interconnecties betreft, ook op de redelijke behoeften van verschillende netgebruikers, en bevat langetermijnverbintenissen van in de artikelen 14 en 22 van Richtlijn 2009/…/EG bedoelde investeerders;

c)

geeft aan waar er sprake is van een tekort aan investeringen, met name met betrekking tot de grensoverschrijdende capaciteit.

11.   Op verzoek van de Commissie geeft het ENTSB voor elektriciteit zijn zienswijze op de vaststelling van richtsnoeren als bedoeld in artikel 23.

Artikel 9

Toezicht door het Agentschap

1.   Het Agentschap oefent toezicht uit op de uitvoering van de in artikel 8, leden 1, 2 en 3 bedoelde taken van het ENTSB voor gas, en brengt verslag uit aan de Commissie.

Het Agentschap houdt toezicht op de toepassing van de overeenkomstig artikel 8, lid 2, opgestelde netcodes door het ENTSB voor gas, en van de netcodes die overeenkomstig artikel 6, leden 1 tot en met 10 zijn ontwikkeld, maar niet overeenkomstig artikel 6, lid 11, door de Commissie zijn goedgekeurd. Het Agentschap brengt een naar behoren met redenen omkleed advies uit aan de Commissie, wanneer het ENTSB voor gas er niet in geslaagd is een netcode toe te passen.

Het Agentschap houdt toezicht op en verricht onderzoek naar de toepassing van de netcodes en de richtsnoeren die door de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 11, zijn aangenomen, en het effect daarvan op de harmonisatie van de toepasselijke voorschriften ter bevordering van marktintegratie, non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging en efficiënte marktwerking, en brengt verslag uit aan de Commissie.

2.   Het ENTSB voor gas dient de ontwerp-versies van het netontwikkelingsplan en het jaarlijkse werkprogramma, met inbegrip van de informatie betreffende het raadplegingsproces, voor advies in bij het Agentschap.

Binnen twee maanden na de ontvangst daarvan verstrekt het Agentschap een naar behoren met redenen omkleed advies, alsmede aanbevelingen aan het ENTSB voor gas en de Commissie, als het van oordeel is dat de door het ENTSB voor gas ingediende ontwerpversie van het jaarlijkse werkprogramma of van het netontwikkelingsplan niet bijdraagt tot non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging, een efficiënte werking van de markt of een voldoende niveau van voor derde partijen toegankelijke grensoverschrijdende interconnectie.

Artikel 10

Raadplegingen

1.   Bij de uitvoering van zijn taken raadpleegt het ENTSB voor elektriciteit uitvoerig, in een vroeg stadium en op een open en transparante wijze, overeenkomstig het in artikel 5, lid 1, bedoelde reglement van orde, alle relevante marktspelers, en in het bijzonder de organisaties die alle belanghebbenden vertegenwoordigen, met name wanneer het de netcodes, het ontwerp van het netontwikkelingsplan en zijn jaarlijkse werkprogramma bedoeld in artikel 8, leden 1, 2 en 3, opstelt. Bij die raadpleging worden de nationale regulerende instanties en andere nationale instanties, producenten, leveranciers, afnemers, netgebruikers, distributiesysteembeheerders, met inbegrip van relevante bedrijfstakverenigingen, technische instanties en platforms van belanghebbenden betrokken en wordt beoogd de zienswijze en voorstellen van alle relevante partijen in het besluitvormingsproces te vernemen.

2.   Alle documenten en notulen van vergaderingen die met de in lid 1 bedoelde raadplegingen verband houden, worden openbaar gemaakt.

3.   Alvorens het jaarlijkse werkprogramma en de netcodes bedoeld in artikel 8, leden 1, 2 en 3, vast te stellen, geeft het ENTSB voor gas aan hoemet de tijdens de raadpleging ontvangen opmerkingen rekening is gehouden. Waar geen rekening is gehouden met een opmerking, wordt dit gemotiveerd.

Artikel 11

Kosten

De kosten die met de in de artikelen 4 tot en met 12 genoemde werkzaamheden van het ENTSB voor gas verbonden zijn, worden gedragen door de transmissiesysteembeheerders en worden in aanmerking genomen bij de berekening van de tarieven. De regulerende instanties keuren deze kosten alleen goed indien deze redelijk en evenredig zijn.

Artikel 12

Regionale samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders

1.   Binnen het ENTSB voor gas brengen transmissiesysteembeheerders regionale samenwerking tot stand om bij te dragen tot de uitvoering van de in artikel 8, leden 1, 2 en 3 genoemde werkzaamheden. Zij publiceren met name om de twee jaar een regionaal investeringsplan en mogen investeringsbeslissingen nemen op basis van het regionale investeringsplan.

2.   De transmissiesysteembeheerders bevorderen het treffen van operationele regelingen om een optimaal beheer van het netwerk te garanderen en bevorderen tevens de ontwikkeling van energiebeurzen, de toewijzing van grensoverschrijdende capaciteit via non-discriminerende marktgeoriënteerde oplossingen met voldoende aandacht voor de specifieke verdiensten van impliciete veilingen voor kortetermijntoewijzingen en de integratie van balanceringsmechanismen.

3.   Het geografische gebied dat door elke regionale samenwerkingsstructuur wordt bestreken, kan door de Commissie worden afgebakend, rekening houdend met de bestaande regionale samenwerkingsstructuren. Iedere lidstaat mag de samenwerking in meer dan één geografisch gebied bevorderen. De in de eerste zin bedoelde maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Te dien einde kan de Commissie het ENTSB voor gas en het Agentschap raadplegen.

Artikel 13

Tarieven voor de toegang tot netten

1.   De door de transmissiesysteembeheerders toegepaste tarieven, of de voor de berekening daarvan gebruikte methoden die zijn goedgekeurd door de regulerende instanties overeenkomstig artikel 40, lid 6, van Richtlijn 2009/…/EG, alsmede de tarieven die worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 31, lid 1, van die richtlijn, zijn transparant, houden rekening met de noodzaak van systeemintegriteit en verbetering ervan en zijn een afspiegeling van de werkelijke kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, waarbij tevens wordt gelet op de nodige winst op de investeringen en in voorkomende gevallen met inachtneming van de benchmarking van tarieven door de regulerende instanties. De tarieven of de voor de berekening daarvan gebruikte methoden zijn niet-discriminerend.

De lidstaten kunnen besluiten dat de tarieven ook kunnen worden vastgesteld aan de hand van marktgerichte regelingen, zoals veilingen, mits dergelijke regelingen en de eruit voortvloeiende inkomsten door de regulerende instantie worden goedgekeurd.

De tarieven, of de methoden voor de berekening daarvan, zijn bevorderlijk voor de efficiënte handel in gas en voor de concurrentie en zijn tegelijk gericht op het vermijden van kruissubsidiëring tussen de netgebruikers en op het bieden van stimulansen voor investeringen en het handhaven of creëren van interoperabele transmissienetten.

Tarieven voor netgebruikers worden voor elk entry- en exitpunt van het transmissiesysteem apart vastgesteld. Kostenverdelingsmechanismen en methoden voor tariefbepaling voor entry- en exitpunten worden goedgekeurd door de nationale regulerende instanties. De lidstaten zorgen ervoor dat na een overgangsperiode, d.w.z. uiterlijk op … (10) nettarieven niet berekend worden op basis van contractuele paden.

2.   De tarieven voor de toegang tot netten werken niet beperkend op de marktliquiditeit of verstorend voor de grensoverschrijdende handel van de verschillende transmissiesystemen. Indien verschillen in de tariefstructuren of balanceringsmechanismen de handel tussen transmissiesystemen zouden belemmeren, streven transmissiesysteembeheerders onverminderd artikel 40, lid 6, van Richtlijn 2009/…/EG, in nauwe samenwerking met de betrokken nationale instanties, actief naar de convergentie van tariefstructuren en tariefbeginselen, ook met betrekking tot balancering.

Artikel 14

Derdentoegangsdiensten bij transmissiesysteembeheerders

1.   Transmissiesysteembeheerders:

a)

waarborgen dat zij op niet-discriminerende basis diensten aan alle netgebruikers aanbieden. Met name wanneer een transmissiesysteembeheerder dezelfde dienst aan meerdere afnemers aanbiedt, geschiedt dit onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden, met gebruikmaking van geharmoniseerde transportcontracten of een door de bevoegde instantie volgens de procedure van artikel 40 van Richtlijn 2009/…/EG goedgekeurde gemeenschappelijke netcode;

b)

bieden zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten aan. De prijs van afschakelbare capaciteit is een afspiegeling van de waarschijnlijkheid van afschakeling;

c)

dat zij de netgebruikers zowel lange- als kortetermijndiensten aanbieden.

2.   Transportcontracten met niet-standaardaanvangsdata of van een kortere duur dan een standaardtransportcontract van een jaar, resulteren niet in willekeurig hogere of lagere tarieven die niet de marktwaarde van de dienst weerspiegelen overeenkomstig de in artikel 13, lid 1, vermelde principes.

3.   Zo nodig kunnen derdentoegangsdiensten afhankelijk worden gesteld van passende garanties van netgebruikers wat hun kredietwaardigheid betreft. Zulke garanties mogen geen oneerlijke marktbelemmering vormen en moeten niet-discriminerend, transparant en evenredig zijn.

Artikel 15

Derdentoegangsdiensten bij opslag- en LNG-installaties

1.   LNG- en opslagsysteembeheerders:

a)

bieden op niet-discriminerende basis aan alle netgebruikers diensten aan die aan de marktbehoefte voldoen. Met name wanneer een LNG- of opslagsysteembeheerder dezelfde dienst aan meerdere afnemers aanbiedt, geschiedt dit onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden;

b)

bieden diensten aan die aansluiten bij het gebruik van het stelsel van onderling verbonden gastransportsystemen en de toegang vergemakkelijken door samenwerking met de transmissiesysteembeheerder; en

c)

publiceren relevante informatie, en met name gegevens over het gebruik en de beschikbaarheid van diensten, binnen een tijdskader dat verenigbaar is met de redelijke commerciële behoeften van gebruikers van LNG- of opslaginstallaties.

2.   Opslagsysteembeheerders:

a)

bieden zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten aan. De prijs van afschakelbare capaciteit is een afspiegeling van de waarschijnlijkheid van afschakeling;

b)

bieden opslaginstallatiegebruikers zowel lange- als kortetermijndiensten aan;

c)

bieden opslaginstallatiegebruikers zowel gebundelde als ontvlochten diensten aan die verband houden met opslagruimte, injectiecapaciteit en levercapaciteit.

3.   LNG- en opslaginstallatiecontracten leiden niet tot willekeurig hogere tarieven wanneer ze gesloten worden:

a)

buiten een aardgasjaar met niet-standaardaanvangsdata of

b)

met een kortere duur dan een standaard-LNG- en opslaginstallatiecontract op jaarbasis.

4.   Zo nodig kunnen derdentoegangsdiensten afhankelijk worden gesteld van passende garanties van netgebruikers wat hun kredietwaardigheid betreft. Zulke garanties mogen als dusdanig geen oneerlijke marktbelemmering vormen en zijn niet-discriminerend, transparant en evenredig.

5.   Contractuele grenzen met betrekking tot de vereiste minimumomvang van LNG-installatiecapaciteit en opslagcapaciteit berusten op technische beperkingen en vormen voor kleinere opslaggebruikers geen belemmering om toegang te verkrijgen tot opslagdiensten.

Artikel 16

Beginselen inzake mechanismen voor capaciteitsallocatie en procedures voor congestiebeheer bij transmissiesysteembeheerders

1.   Marktspelers krijgen de beschikking over de maximale capaciteit op alle relevante punten waaraan in artikel 18, lid 3, wordt gerefereerd, met inachtneming van systeemintegriteit en efficiënte netexploitatie.

2.   Transmissiesysteembeheerders implementeren en publiceren niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie, welke

a)

passende economische signalen geven voor een efficiënt en maximaal gebruik van de technische capaciteit en investeringen in nieuwe infrastructuur vergemakkelijken;

b)

zorgen voor compatibiliteit met de marktmechanismen, met inbegrip van spotmarkten en trading hubs en tevens flexibel zijn en in staat zijn zich aan veranderende marktomstandigheden aan te passen;

c)

compatibel zijn met de nettoegangssystemen van de lidstaten.

3.   Transmissiesysteembeheerders implementeren en publiceren niet-discriminerende en transparante procedures voor congestiebeheer die berusten op de volgende beginselen:

a)

in geval van contractuele congestie biedt de transmissiesysteembeheerder ongebruikte capaciteit ten minste op „day-ahead”-basis en afschakelbaar op de primaire markt aan;

b)

netgebruikers die hun ongebruikte gecontracteerde capaciteit op de secundaire markt willen doorverkopen of -verhuren, hebben daartoe het recht. De lidstaten kunnen kennisgeving of informatieverstrekking aan de transmissiesysteembeheerder door de netgebruikers verlangen.

4.   In geval van fysieke congestie worden door de transmissiesysteembeheerder of, in voorkomend geval, de regulerende instanties niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie toegepast.

5.   Transmissiesysteembeheerders beoordelen op gezette tijden de marktbehoefte aan nieuwe investeringen. Bij de planning van nieuwe investeringen beoordelen zij de marktbehoefte.

Artikel 17

Beginselen inzake mechanismen voor capaciteitsallocatie en procedures voor congestiebeheer bij opslag- en LNG-installaties

1.   Marktspelers krijgen de beschikking over de maximale opslag- en LNG-installatiecapaciteit, met inachtneming van systeemintegriteit en exploitatie.

2.   LNG- en opslagsysteembeheerders implementeren en publiceren niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie welke:

a)

passende economische signalen geven voor een efficiënt en maximaal gebruik van de capaciteit en investeringen in nieuwe infrastructuur vergemakkelijken;

b)

zorgen voor compatibiliteit met het marktmechanisme, met inbegrip van spotmarkten en trading hubs, en tevens flexibel zijn en in staat zijn zich aan veranderende marktomstandigheden aan te passen;

c)

compatibel zijn met de toegangssystemen van de netten die met de LNG-opslagsystemen verbonden zijn.

3.   LNG- en opslaginstallatiecontracten bevatten mechanismen om het hamsteren van capaciteit te voorkomen, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende bij contractuele congestie geldende beginselen:

a)

de systeembeheerder biedt ongebruikte LNG-installatie- en opslagcapaciteit op de primaire markt aan; dit geschiedt bij opslaginstallaties ten minste op „day-ahead”-basis en afschakelbaar;

b)

LNG- en opslaginstallatiegebruikers die hun gecontracteerde capaciteit op de secundaire markt willen wederverkopen, hebben daartoe het recht.

Artikel 18

Transparantievereisten voor transmissiesysteembeheerders

1.   De transmissiesysteembeheerders publiceren gedetailleerde informatie betreffende de diensten die zij aanbieden en de toegepaste relevante voorwaarden alsook de technische informatie die nodig is opdat netgebruikers effectieve nettoegang verkrijgen.

2.   Om transparante, objectieve en niet-discriminerende tarieven te garanderen en een efficiënt gebruik van het gasnet te bevorderen, publiceren de transmissiesysteembeheerders of de betrokken nationale instanties beknopte en voldoende gedetailleerde informatie over tariefderivatie, methodologie en structuur.

3.   Met betrekking tot de aangeboden diensten publiceert iedere transmissiesysteembeheerder voor alle relevante punten, waaronder de entry- en exitpunten, regelmatig, voortschrijdend en op een gebruikersvriendelijke en gestandaardiseerde wijze numerieke informatie over technische, gecontracteerde en beschikbare capaciteit.

4.   De relevante punten van een transmissiesysteem waarover de informatie moet worden gepubliceerd, worden door de bevoegde instanties na overleg met de netgebruikers goedgekeurd.

5.   De transmissiesysteembeheerders publiceren de krachtens deze verordening vereiste informatie altijd op een zinvolle, duidelijk meetbare en goed toegankelijke manier en op niet-discriminerende basis.

6.   Transmissiesysteembeheerders publiceren vooraf en achteraf informatie over vraag en aanbod die berust op nominaties, prognoses en de gerealiseerde flows in en uit het systeem. De mate van gedetailleerdheid van de gepubliceerde informatie is een afspiegeling van de informatie die de transmissiesysteembeheerder tot zijn beschikking heeft.

Transmissiesysteembeheerders publiceren de getroffen maatregelen, de gemaakte kosten en de gegenereerde opbrengsten in verband met de balancering van het systeem.

De betrokken marktspelers verstrekken de in dit artikel bedoelde gegevens aan de transmissiesysteembeheerders.

Artikel 19

Transparantievereisten voor opslag- en LNG-installaties

1.   LNG- en opslagsysteembeheerders publiceren gedetailleerde informatie over de diensten die zij aanbieden en de toegepaste relevante voorwaarden, alsook de technische informatie die nodig is opdat LNG- en opslaginstallatiegebruikers effectieve toegang tot deze installaties verkrijgen.

2.   Met betrekking tot de aangeboden diensten publiceert elke LNG- en opslagsysteembeheerder regelmatig, voortschrijdend en op een gebruikersvriendelijke gestandaardiseerde wijze numerieke informatie over gecontracteerde en beschikbare opslag- en LNG-installatiecapaciteit.

3.   LNG- en opslagsysteembeheerders publiceren de krachtens deze verordening vereiste informatie altijd op een zinvolle, duidelijk meetbare en goed toegankelijke manier en op niet-discriminerende basis.

4.   Alle LNG- en opslagsysteembeheerders publiceren de hoeveelheid gas in elke opslag- en LNG-installatie of — als dit overeenkomt met de manier waarop de gebruikers van het systeem toegang wordt verleend — groep van opslaginstallaties, de in- en uitstroom en de beschikbare opslag- en LNG-installatiecapaciteit. Dit geldt ook voor de installaties die van derdentoegang vrijgesteld zijn. De informatie wordt ook verstrekt aan de transmissiesysteembeheerder, die deze in geaggregeerde vorm voor elk systeem of subsysteem op basis van de relevante punten publiceert. De informatie wordt ten minste dagelijks geactualiseerd.

Indien de gebruiker van een opslagsysteem de enige gebruiker van een opslaginstallatie is, kan de opslaggebruiker bij de nationale regulerende instantie een met redenen omkleed verzoek om vertrouwelijke behandeling van de in de eerste alinea bedoelde informatie indienen. Indien de nationale regulerende instantie concludeert dat het verzoek gegrond is, rekening houdend met name met de noodzaak om het belang van de opslaggebruiker bij de rechtmatige bescherming van zijn zakengeheimen waarvan de bekendmaking zijn algehele handelsstrategie zou schaden, af te wegen tegen de doelstelling om een concurrerende interne markt voor gas tot stand te brengen, kan zij de opslagsysteembeheerder toestaan om de in de eerste alinea genoemde informatie gedurende ten hoogste een jaar niet bekend te maken. Dit laat de in de eerste alinea genoemde verplichtingen van de transmissiesysteembeheerder onverlet, tenzij de geaggregeerde gegevens identiek zijn met de afzonderlijke opslagsysteemgegevens waarvoor de regulerende instantie de niet-bekendmaking heeft toegestaan.

Artikel 20

Bijhouden van gegevens door systeembeheerders

Transmissiesysteembeheerders, opslagsysteembeheerders en LNG-systeembeheerders houden vijf jaar lang alle in de artikelen 18 en 19 en in deel 3 van de bijlage I bedoelde informatie ter beschikking van de nationale autoriteiten, waartoe ook de nationale regulerende instantie behoort, de nationale mededingingsautoriteit en de Commissie.

Artikel 21

Balanceringsregels en tarieven voor onbalans

1.   De balanceringsregels worden ontworpen op eerlijke, niet-discriminerende en transparante wijze en zijn gebaseerd op objectieve criteria. De balanceringsregels zijn een afspiegeling van de werkelijke systeembehoeften, rekening houdend met de voor de transmissiesysteembeheerder beschikbare hulpmiddelen. Balanceringsregels zijn marktgericht.

2.   Om de netgebruikers in staat te stellen tijdig corrigerende maatregelen te nemen, verstrekken de transmissiesysteembeheerders voldoende, tijdige en betrouwbare online-informatie over de balanceringsstatus van de netgebruikers.

De verstrekte informatie is een afspiegeling van het niveau van de informatie die de transmissiesysteembeheerder tot zijn beschikking heeft, en sluit aan bij de verrekeningsperiode waarover onbalanskosten worden berekend.

Voor deze informatie worden geen kosten in rekening gebracht.

3.   De tarieven voor onbalans zijn zoveel mogelijk kostengeoriënteerd en stimuleren in voorkomende gevallen de netgebruikers om hun invoeding en onttrekking van gas te balanceren. Zij zijn gericht op het vermijden van kruissubsidiëring tussen de netgebruikers en houden geen belemmering in voor het betreden van de markt door nieuwkomers.

De methoden voor de berekening van de tarieven voor onbalans en de definitieve tarieven worden gepubliceerd door de bevoegde instanties of de transmissiesysteembeheerder, naar gelang van het geval.

4.   De lidstaten zien erop toe dat de transmissiesysteembeheerders streven naar harmonisatie van de balanceringsstelsels en naar stroomlijning van de structuren en de niveaus van de balanceringstarieven om de handel in gas te bevorderen.

Artikel 22

Verhandeling van capaciteitsrechten

Elke transmissie-, opslag- en LNG-systeembeheerder onderneemt redelijke stappen om mogelijk te maken en te bevorderen dat capaciteitsrechten vrij verhandelbaar zijn. Ieder van deze beheerders werkt geharmoniseerde transport-, LNG-installatie- en opslagcontracten en -procedures op de primaire markt uit om de secundaire handel in capaciteit te bevorderen, en erkent de overdracht van primaire capaciteitsrechten voor zover daarvan door systeemgebruikers kennisgeving is gedaan.

Van deze transport-, LNG-installatie- en opslagcontracten en -procedures wordt aan de regulerende instantie kennisgeving gedaan.

Artikel 23

Richtsnoeren

1.   In voorkomend geval worden in de richtsnoeren inzake de minimaal vereiste harmonisatie die vereist is om het met deze verordening beoogde doel te verwezenlijken, ook het volgende gespecificeerd:

a)

bijzonderheden over de derdentoegangsdiensten, inclusief de aard, duur en andere eisen betreffende deze diensten, in overeenstemming met de artikelen 14 en 15;

b)

bijzonderheden over de beginselen inzake de mechanismen voor capaciteitsallocatie en inzake de toepassing van de procedures voor congestiebeheer bij contractuele congestie, in overeenstemming met de artikelen 16 en 17;

c)

bijzonderheden over de verstrekking van informatie en definitie van de technische informatie die nodig is opdat de netgebruikers effectieve toegang kunnen verkrijgen tot het systeem, en de definitie van alle voor de transparantievereisten relevante punten, inclusief de op alle relevante punten te publiceren informatie en het tijdschema voor de publicatie van deze informatie, in overeenstemming met de artikelen 18 en 19;

d)

bijzonderheden over de tariefmethodologie in verband met de grensoverschrijdende handel in aardgas, in overeenstemming met artikel 13;

e)

bijzonderheden omtrent de in artikel 8, lid 6, vermelde onderwerpen.

2.   De richtsnoeren betreffende de in lid 1, onder a), b) en c), genoemde kwesties zijn wat de transmissiesysteembeheerders betreft, opgenomen in de bijlage.

De Commissie kan richtsnoeren betreffende de in lid 1 van dit artikel genoemde onderwerpen vaststellen en de in punten a), b) en c) daarvan bedoelde richtsnoeren wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.   Bij de toepassing en de wijziging van de krachtens deze verordening aangenomen richtsnoeren wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de nationale gassystemen. Derhalve zullen geen uniforme voorwaarden voor de toegang van derden op communautair niveau vereist zijn. Er kunnen evenwel minimumeisen worden gesteld waaraan moet worden voldaan om de voor een interne markt voor aardgas noodzakelijke niet-discriminerende en transparante voorwaarden voor nettoegang te verwezenlijken; deze minimumeisen kunnen vervolgens worden toegepast in het licht van de verschillen tussen de nationale gassystemen.

Artikel 24

Regulerende instanties

Bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening zorgen de regulerende instanties ervoor dat deze verordening en de krachtens artikel 23 vastgestelde richtsnoeren in acht worden genomen.

In voorkomend geval werken zij onderling met de Commissie en met het Agentschap samen overeenkomstig hoofdstuk VIII van Richtlijn 2009/…/EG.

Artikel 25

Informatieverstrekking

De lidstaten en de regulerende instanties verstrekken de Commissie op verzoek alle voor de toepassing van artikel 23 noodzakelijke informatie.

De Commissie stelt een redelijke termijn vast voor de informatieverstrekking, rekening houdend met de complexiteit van de gevraagde informatie en de urgentie.

Artikel 26

Recht van de lidstaten om meer gedetailleerde maatregelen te treffen

Deze verordening doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om maatregelen te handhaven of in te voeren die meer gedetailleerde voorschriften bevatten dan die welke in deze verordening en de in artikel 8 bedoelde richtsnoeren zijn vervat.

Artikel 27

Sancties

1.   De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat deze bepalingen worden uitgevoerd. De beoogde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 juli 2006 van deze regels, die overeenkomen met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1775/2005 in kennis en delen de Commissie onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee. Zij stellen de Commissie uiterlijk … (11) in kennis van de regels die niet overeenstemmen met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 775/2005 en delen de Commissie onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

2.   Sancties krachtens lid 1 zijn niet van strafrechtelijke aard.

Artikel 28

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is opgericht bij artikel 50 van Richtlijn 2009/…/EG.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

Artikel 29

Verslag van de Commissie

De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van deze verordening. In haar verslag op grond van artikel 51, lid 6, van Richtlijn 2009/…/EG rapporteert de Commissie ook over de bij de uitvoering van deze verordening opgedane ervaring. Met name wordt in het verslag onderzocht in hoeverre deze verordening heeft bewerkstelligd dat niet-discriminerende en op de kosten afgestemde voorwaarden voor toegang tot gastransmissiesystemen gelden, teneinde een bijdrage te leveren aan keuzemogelijkheden voor de afnemer in een goed functionerende interne markt voor aardgas en aan voorzieningszekerheid op lange termijn. Indien nodig gaat het verslag vergezeld van passende voorstellen en/of aanbevelingen.

Artikel 30

Ontheffingen en vrijstellingen

Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

in de lidstaten gelegen aardgastransmissiesystemen, voor de duur van ontheffingen die zijn verleend uit hoofde van artikel 48 van Richtlijn 2009/…/EG; lidstaten waaraan krachtens artikel 48 van Richtlijn 2009/…/EG ontheffingen zijn verleend en die de Commissie derhalve kunnen verzoeken om tijdelijke ontheffing van de toepassing van deze verordening, en wel voor een periode van ten hoogste twee jaar vanaf de datum waarop de in dit punt bedoelde ontheffing verstrijkt;

b)

belangrijke nieuwe infrastructuur, d.w.z. de in artikel 35, leden 1 en 2, van Richtlijn 2009/…/EG bedoelde interconnectoren, LNG- en opslaginstallaties en aanzienlijke capaciteitsverhogingen van bestaande infrastructuur en wijzigingen van die infrastructuur die het mogelijk maken nieuwe bronnen voor de levering van gas te ontwikkelen, die zijn ontheven van de toepassing van de artikelen 9, 14, 31, 32 en 33 of van artikel 40, leden 6, 7 en 8, van die richtlijn, voor de duur van de ontheffing van de onder dit punt vermelde bepalingen, met uitzondering van artikel 19, lid 4, van deze verordening, of

c)

aardgastransmissiesystemen waarvoor krachtens artikel 47 van Richtlijn 2009/…/EG ontheffingen zijn verleend.

Artikel 31

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1775/2005 wordt ingetrokken vanaf … (8). Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 32

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf … (8).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 211 van 19.8.2008, blz. 23.

(2)  PB C 172 van 5.7.2008, blz. 55.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 9 juli 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 9 januari 2009 en standpunt van het Europees Parlement van … (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57.

(5)  PB L 289 van 3.11.2005, blz. 1.

(6)  PB L …

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

(9)  Beschikking nr. 1364/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2005 tot vaststelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector (PB L 262 van 22.9.2006, blz. 1).

(10)  Twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(11)  Datum van toepassing van deze verordening.


BIJLAGE I

RICHTSNOEREN BETREFFENDE

1.   DERDENTOEGANGSDIENSTEN BIJ TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDERS

1.

De transmissiesysteembeheerders bieden vaste en afschakelbare diensten aan met een minimumduur van één dag.

2.

De geharmoniseerde transportcontracten en gemeenschappelijke netcodes worden ontworpen op een wijze die bevorderlijk is voor de handel in en het hergebruik van de door de netgebruikers gecontracteerde capaciteit zonder de vrijgave van capaciteit te belemmeren.

3.

De transmissiesysteembeheerders ontwikkelen netcodes en geharmoniseerde contracten nadat zij naar behoren overleg hebben gepleegd met de netgebruikers.

4.

De transmissiesysteembeheerders implementeren gestandaardiseerde nominatie- en hernominatieprocedures. Zij ontwikkelen informatiesystemen en elektronische communicatiemiddelen om adequate gegevens te verstrekken aan de netgebruikers en om transacties zoals nominaties, capaciteitscontractering en overdracht van capaciteitsrechten tussen netgebruikers te vereenvoudigen.

5.

De transmissiesysteembeheerders harmoniseren geformaliseerde aanvraagprocedures en reactietermijnen overeenkomstig de beste branchepraktijk met het doel de reactietijden te minimaliseren. Na overleg met de relevante netgebruikers voorzien zij uiterlijk 1 juli 2006 in onlinecapaciteitsboekings- en confirmatiesystemen via beeldscherm alsook in nominatie- en hernominatieprocedures.

6.

De transmissiesysteembeheerders rekenen de netgebruikers niet afzonderlijk de informatieaanvragen en transacties aan die verband houden met hun transportcontracten en die worden uitgevoerd overeenkomstig de standaardregels en -procedures.

7.

Informatieaanvragen die buitengewone of excessieve uitgaven vereisen, zoals haalbaarheidsstudies, mogen afzonderlijk worden aangerekend, mits de kosten naar behoren kunnen worden aangetoond.

8.

De transmissiesysteembeheerders werken met andere transmissiesysteembeheerders samen bij het coördineren van het onderhoud van hun respectieve netten teneinde elke storing van de transmissiediensten aan netgebruikers en transmissiesysteembeheerders in andere gebieden zoveel mogelijk te beperken en teneinde te zorgen voor gelijke voordelen met betrekking tot de leveringszekerheid, ook in het transitverkeer.

9.

De transmissiesysteembeheerders publiceren ten minste eenmaal per jaar, binnen een vooraf bepaalde termijn, alle geplande onderhoudsperioden die van invloed kunnen zijn op de uit de transportcontracten voortvloeiende rechten van de netgebruikers alsmede desbetreffende operationele informatie, met een adequate vooraankondiging. Dit houdt in dat onverwijld en op niet-discriminerende basis alle wijzigingen van geplande onderhoudsperioden worden gepubliceerd en dat niet-gepland onderhoud wordt bekendgemaakt zodra de transmissiesysteembeheerders over deze informatie beschikken. Gedurende de onderhoudsperioden publiceren de transmissiesysteembeheerders regelmatig geactualiseerde informatie betreffende nadere bijzonderheden over het onderhoud, alsmede de verwachte duur en het effect ervan.

10.

De transmissiesysteembeheerders houden dagelijks een logboek bij van de werkelijke onderhouds- en flowstoringen die zich hebben voorgedaan en stellen dit op verzoek ter beschikking van de bevoegde instantie. Deze informatie wordt op verzoek eveneens ter beschikking gesteld van degenen die door een storing zijn getroffen.

2.   BEGINSELEN INZAKE DE MECHANISMEN VOOR CAPACITEITSALLOCATIE EN DE PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER BIJ TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDERS EN DE TOEPASSING VAN DEZE PROCEDURES BIJ CONTRACTUELE CONGESTIE

2.1.   BEGINSELEN INZAKE DE MECHANISMEN VOOR CAPACITEITSALLOCATIE EN DE PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER BIJ TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDERS

1.

De mechanismen voor capaciteitsallocatie en de procedures voor congestiebeheer zijn bevorderlijk voor de ontwikkeling van concurrentie en de liquide verhandeling van capaciteit en zijn compatibel met de marktmechanismen, inclusief de spotmarkten en trading hubs. Zij zijn flexibel en aanpasbaar aan veranderende marktomstandigheden.

2.

In deze mechanismen en procedures wordt rekening gehouden met de integriteit van het betrokken systeem en met de leveringszekerheid.

3.

Deze mechanismen en procedures belemmeren de toetreding van nieuwe marktspelers niet en creëren evenmin overmatige hinderpalen voor het betreden van de markt. Zij beletten niet dat de marktspelers, inclusief nieuwe marktspelers en bedrijven met een klein marktaandeel, effectief concurreren.

4.

Door middel van deze mechanismen en procedures worden passende economische signalen gegeven voor de efficiënte en maximale benutting van technische capaciteit en worden investeringen in nieuwe infrastructuur aangemoedigd.

5.

Netgebruikers worden ingelicht over het soort omstandigheden dat de beschikbaarheid van gecontracteerde capaciteit kan beïnvloeden. De informatie over afschakeling dient overeen te komen met het informatieniveau waarover de transmissiesysteembeheerder beschikt.

6.

Indien het om systeemintegriteitsredenen moeilijk is de contractuele leveringsverplichtingen na te komen, brengen de transmissiesysteembeheerders de netgebruikers op de hoogte en zoeken ze onverwijld een niet-discriminerende oplossing.

De transmissiesysteembeheerders raadplegen netgebruikers over procedures alvorens deze uit te voeren en komen ze met de regulerende instantie overeen.

2.2.   PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER BIJ CONTRACTUELE CONGESTIE

1.

Ingeval gecontracteerde capaciteit niet wordt gebruikt, stellen de transmissiesysteembeheerders deze capaciteit op afschakelbare basis beschikbaar op de primaire markt via contracten van verschillende duur, mits deze capaciteit door de relevante netgebruiker (capaciteitshouder) niet tegen een redelijke prijs wordt aangeboden op de secundaire markt.

2.

Inkomsten uit vrijgegeven afschakelbare capaciteit worden gedeeld overeenkomstig de door de relevante regulerende instantie vastgestelde of goedgekeurde regels. De regels zijn verenigbaar met de eis van een effectief en efficiënt gebruik van het systeem.

3.

Een redelijke prijs voor vrijgegeven afschakelbare capaciteit kan door de relevante regulerende instanties worden bepaald, rekening houdend met de heersende specifieke omstandigheden.

4.

Waar passend doen de transmissiesysteembeheerders wat redelijkerwijs mogelijk is om ten minste een gedeelte van de ongebruikte capaciteit als vaste capaciteit aan de markt aan te bieden.

3.   DEFINITIE VAN DE TECHNISCHE INFORMATIE DIE NETGEBRUIKERS NODIG HEBBEN OM EFFECTIEVE TOEGANG TOT HET SYSTEEM TE KUNNEN VERKRIJGEN, DEFINITIE VAN ALLE VOOR DE TRANSPARANTIEVEREISTEN RELEVANTE PUNTEN, ALSMEDE DE OP ALLE RELEVANTE PUNTEN TE PUBLICEREN INFORMATIE, EN HET TIJDSCHEMA VOOR DE PUBLICATIE VAN DEZE INFORMATIE

3.1.   DEFINITIE VAN DE TECHNISCHE INFORMATIE DIE NETGEBRUIKERS NODIG HEBBEN OM EFFECTIEVE TOEGANG TOT HET SYSTEEM TE KUNNEN VERKRIJGEN

De transmissiesysteembeheerders publiceren ten minste de volgende informatie over hun systemen en diensten:

a)

een gedetailleerde en uitvoerige beschrijving van de verschillende aangeboden diensten en de bijbehorende tarieven;

b)

de verschillende typen transportcontracten die voor deze diensten beschikbaar zijn en, in voorkomend geval, de netcode en/of de standaardvoorwaarden waarin de rechten en verantwoordelijkheden van alle netgebruikers worden beschreven, inclusief de geharmoniseerde transportcontracten en andere relevante documenten;

c)

de geharmoniseerde procedures die worden toegepast wanneer gebruik wordt gemaakt van het transmissiesysteem, inclusief de definitie van kernbegrippen;

d)

voorzieningen inzake capaciteitsallocatie, congestiebeheer en ter voorkoming van hamsteren; procedures voor hergebruik;

e)

de regels die ten aanzien van de transmissiesysteembeheerder van toepassing zijn op de handel in capaciteit op de secundaire markt;

f)

in voorkomende gevallen de flexibiliteits- en tolerantiewaarden die zonder afzonderlijke vergoeding in het transport en de andere diensten begrepen zijn, alsook de daar bovenop aangeboden flexibiliteit en de overeenkomstige tarieven;

g)

een gedetailleerde beschrijving van het gassysteem van de transmissiesysteembeheerder met vermelding van alle relevante punten die zijn systeem interconnecteren met dat van andere transmissiesysteembeheerders en/of gasinfrastructuur zoals LNG (vloeibaar aardgas) en infrastructuur die nodig is voor het aanbieden van ondersteunende diensten zoals bedoeld in artikel 2, punt 14, van Richtlijn 2009/…/EG;

h)

informatie over gaskwaliteit en drukeisen;

i)

de regels voor verbinding met het door de transmissiesysteembeheerder geëxploiteerde systeem;

j)

alle — tijdig verstrekte — informatie betreffende voorgestelde en/of werkelijke wijzigingen van de diensten of voorwaarden, inclusief de onder a) tot en met i) opgenomen onderdelen.

3.2.   DEFINITIE VAN ALLE VOOR DE TRANSPARANTIEVEREISTEN RELEVANTE PUNTEN

Tot de relevante punten behoren ten minste:

a)

alle entrypunten van een door een transmissiesysteembeheerder geëxploiteerd net;

b)

de belangrijkste exitpunten en -zones die ten minste 50 % van de totale exitcapaciteit van het net van een bepaalde transmissiesysteembeheerder bestrijken, evenals alle exitpunten en -zones die meer dan 2 % van de totale exitcapaciteit van het net bestrijken;

c)

alle punten die de verschillende netten van de transmissiesysteembeheerders interconnecteren;

d)

alle punten die het net van een transmissiesysteembeheerder verbinden met een LNG-terminal;

e)

alle essentiële punten binnen het net van een gegeven transmissiesysteembeheerder inclusief de verbindingspunten met gashubs. Als essentieel gelden alle punten waar zich, naar de ervaring leert, fysieke congestie kan voordoen;

f)

alle punten die het net van een gegeven transmissiesysteembeheerder verbinden met de infrastructuur die nodig is voor het aanbieden van ondersteunende diensten in de zin van artikel 2, punt 14, van Richtlijn 2009/…/EG.

3.3.   DE OP ALLE RELEVANTE PUNTEN TE PUBLICEREN INFORMATIE EN HET TIJDSCHEMA VOOR DE PUBLICATIE VAN DEZE INFORMATIE

1.

Op alle relevante punten publiceren de transmissiesysteembeheerders op het internet regelmatig/voortschrijdend en op een gebruikersvriendelijke gestandaardiseerde wijze de volgende informatie over de dagelijkse capaciteitssituatie:

a)

de maximale technische capaciteit voor flows in beide richtingen;

b)

de totale gecontracteerde en afschakelbare capaciteit;

c)

de beschikbare capaciteit.

2.

Voor alle relevante punten publiceren de transmissiesysteembeheerders ten minste 18 maanden van te voren de beschikbare capaciteiten en actualiseren zij deze informatie ten minste elke maand of frequenter indien nieuwe informatie beschikbaar wordt.

3.

De transmissiesysteembeheerders publiceren voor alle relevante punten dagelijks actualiseringen betreffende de beschikbaarheid van kortetermijndiensten (dag van te voren en week van te voren) op basis van onder meer nominaties, geldende contractuele verbintenissen en regelmatige langetermijnvoorspellingen (een termijn van ten hoogste tien jaar) van beschikbare capaciteiten op jaarbasis.

4.

De transmissiesysteembeheerders publiceren voor de afgelopen drie jaar voortschrijdend historische maximale en minimale maandelijkse capaciteitsgebruikspercentages en jaarlijkse gemiddelde flows op alle relevante punten.

5.

De transmissiesysteembeheerders houden dagelijks een logboek bij van de werkelijke geaggregeerde flows gedurende ten minste drie maanden.

6.

De transmissiesysteembeheerders registreren alle capaciteitscontracten en andere relevante informatie met betrekking tot het berekenen zowel als het verschaffen van toegang tot de beschikbare capaciteiten; de relevante nationale instanties hebben inzage in deze registraties voor de vervulling van hun taken.

7.

De transmissiesysteembeheerders verschaffen gebruikersvriendelijke instrumenten voor het berekenen van de tarieven voor de beschikbare diensten en voor het online verifiëren van de beschikbare capaciteit.

8.

Voor zover de transmissiesysteembeheerders niet in staat zijn de informatie te publiceren in overeenstemming met de punten 1, 3 en 7, plegen zij overleg met hun relevante nationale instanties en stellen zij zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 31 december 2006, een actieplan op voor de uitvoering.


BIJLAGE II

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 1775/2005

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 3

Artikel 13

Artikel 4

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 5

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 6

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 7

Artikel 21

Artikel 8

Artikel 22

Artikel 9

Artikel 23

Artikel 10

Artikel 24

Artikel 11

Artikel 25

Artikel 12

Artikel 26

Artikel 13

Artikel 27

Artikel 14

Artikel 28

Artikel 15

Artikel 29

Artikel 16

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 17

Artikel 32

Bijlage

Bijlage I


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

De Commissie heeft op 19 september een voorstel ingediend voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1775/2005 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten met als rechtsgrondslag artikel 95 van het Verdrag, als onderdeel van een pakket met vier andere voorstellen betreffende de interne energiemarkt.

2.

Het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité hebben hun adviezen betreffende het gehele pakket uitgebracht op 10 april (1) respectievelijk op 22 april 2008 (2).

3.

Het Europees Parlement heeft op 9 juli 2008 advies in eerste lezing uitgebracht en daarbij 47 amendementen goedgekeurd (3). De Commissie heeft geen gewijzigd voorstel ingediend.

4.

De Raad heeft op 9 januari 2009 overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld in de vorm van een herschikkingsverordening.

II.   DOEL VAN HET VOORSTEL

5.

Het voorstel maakt deel uit van het derde pakket interne energiemarkt, tezamen met de richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas, de verordening betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit, de richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, en de verordening tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators. Het strekt tot voltooiing van de interne gasmarkt door de invoering van, in het bijzonder:

bepalingen die een grotere samenwerking en coördinatie tussen transmissiesysteembeheerders beogen, onder meer door de oprichting van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders (ENTSB) voor gas;

verbeterde transparantievereisten;

bepalingen die beogen de toegang tot gasopslag- en LNG-installaties te verbeteren.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

6.   Algemene opmerkingen

6.1.

De Raad heeft het opportuun geacht de bepalingen van de verordening met het oog op meer effectiviteit, transparantie en samenhang met Verordening (EG) nr. 1775/2005 te herschikken. Hierbij heeft de Raad evenwel principieel het wijzigingsvoorstel van de Commissie volledig intact gelaten, in die zin dat er geen bepalingen zijn opengetrokken die niet reeds deel uitmaakten van het Commissievoorstel, afgezien van wijzigingen die nodig waren als gevolg van de door de Raad in het voorstel aangebrachte wijzigingen, andere verwijzingen op grond van omgenummerde artikelen, en dergelijke. De Raad heeft in de mate van het mogelijke de Commissie gevolgd in haar benadering die een gelijke behandeling van de gassector en de elektriciteitssector inhield.

De Commissie heeft alle wijzigingen aanvaard die de Raad in haar voorstel aanbracht.

6.2.

Van de 47 door het Europees Parlement aangenomen amendementen heeft de Raad in navolging van de Commissie:

de volgende zeven amendementen ten dele/naar de geest aanvaard: 12, 14, 16, 19, 50, 51, en 44;

en

de volgende zes amendementen verworpen: 4, 7, 13, 15, 23 en 28, op inhoudelijke en/of formele gronden.

6.3.

De Raad is van het advies van de Commissie afgeweken door

drie amendementen te aanvaarden: 40 (in beginsel), 42 (naar de geest), en 45 (ten dele)

en

de volgende 31 amendementen te verwerpen: 1-3, 5, 6, 8-11, 17, 18, 49, 22, 24-27, 29-31, 47, 33-39, 41, 43, en 46.

7.   Specifieke opmerkingen

7.1.

Kanttekeningen bij de amendementen van het EP ten aanzien waarvan de Raad van het advies van de Commissie is afgeweken:

a)

De Raad heeft ingestemd met

amendement 40, in beginsel, omdat hij een verwijzing naar „groep van opslaginstallaties” noodzakelijk acht, maar daar tevens een voorwaarde aan meent te moeten verbinden;

amendement 42, naar de geest, omdat hij meent dat vertrouwelijke behandeling van informatie betreffende de opslag in bepaalde omstandigheden en met bepaalde beperkingen noodzakelijk kan zijn;

amendement 45, ten dele, omdat hij een aantal onderwerpen heeft geschrapt ten aanzien waarvan de Commissie de mogelijkheid tot aanneming van richtsnoeren via de comitologieprocedure had voorgesteld;

b)

De Raad heeft de in punt 6.3 vermelde 31 amendementen verworpen op de volgende gronden:

i)

de amendementen hebben betrekking op bepalingen die niet door het Commissievoorstel werden bestreken en zijn derhalve op principiële gronden verworpen (zie punt 6.1): amendementen 24, 25 en 31.

ii)

de amendementen voegen niets toe omdat zij punten betreffen die ten dele/afdoende in andere delen van de tekst zijn geregeld: amendement 2; amendement 3 komt reeds afdoende aan de orde in overweging 14; amendementen 5, 6, 8, 11, 17; amendement 49 komt aan de orde in artikel 8, leden 8 en 9; amendement 27 is afdoende aan de orde gekomen in artikel 13, lid 1; amendement 30; amendement 33 is afdoende aan de orde gekomen in artikel 1, punt c); amendement 34 komt ten dele aan de orde in artikel 16, lid 5; amendementen 36, 37 en 38(eerste deel); amendement 43 komt in beginsel aan de orde in artikel 1;

iii)

de amendementen zijn niet helder: amdendementen 1 en 29.

iv)

met het amendement zou tekst worden opgenomen die hier niet op zijn plaats is, onder meer omdat de taken en bevoegdheden van de regulerende instanties worden vermeld in de gasrichtlijn: amendementen 9, 10 (bovendien heeft de Raad het artikel betreffende kleinhandelsmarkten overgeheveld naar de richtlijn), 38 (tweede deel), 39, 46;

v)

de amendementen zijn niet op hun plaats: amendement 26 omdat artikel 13 handelt over tarieven en niet over toegangsvoorschriften; amendement 47 meer bepaald omdat het punt b) in lid 3 van artikel 16 zou schrappen;

vi)

met amendement 18 zou er tekst toegevoegd worden die niet strookt met de rol die de Raad aan het Agentschap heeft toebedacht; het is om juridische redenen niet gepast dat het Agentschap netcodes of beslissingen van algemene strekking zou vaststellen of goedkeuren;

vii)

amendement 22 omdat de raadplegingen (artikel 10) door het ENTSB dienen te worden verricht; de raadplegingsrol van het Agentschap komt aan de orde in artikel 6;

viii)

amendement 35 is niet gepast omdat het overregulering in de hand zou kunnen werken, en de tekst die met amendement 41 zou worden opgenomen is niet nodig om de verordening te doen functioneren.

7.2

De Raad heeft ten opzichte van het Commissievoorstel nog een aantal inhoudelijke of formele wijzigingen aangebracht, waarvan de voornaamste hierna vermeld worden.

a)

Certificering van TSB's

de Raad heeft het passend geacht de bepaling betreffende de rol van de Commissie in de certificeringsprocedure over te hevelen van de gasrichtlijn naar een nieuw artikel 3 in deze verordening.

b)

Vaststelling en wijziging van netcodes

De Raad heeft het passend geoordeeld de procedure voor de vaststelling van netcodes uitvoeriger te regelen in artikel 6 en te voorzien in een andere, minder omslachtige procedure tot wijziging van de netcodes in artikel 7. Die artikelen komen in de plaats van artikel 2 sexies van het Commissievoorstel. De Raad heeft een helder afgebakende rol toebedacht aan het Agentschap, dat niet-bindende kaderrichtsnoeren moet uitwerken die het uitgangspunt vormen voor de door het ENTSB vast te stellen ontwerp-netcodes; daarnaast moet het die ontwerp-netcodes evalueren en voorgenomen wijzigingen op de netcodes beoordelen. Indien nodig kan de Commissie aan die codes een bindend karakter verlenen door ze via de comitologieprocedure goed te keuren (zie ook overweging 14).

c)

Toezicht door het Agentschap

De Raad heeft twee alinea's toegevoegd waarin staat beschreven hoe het Agentschap toezicht houdt op de toepassing van de netcodes door het ENTSB (artikel 9, lid 1, tweede en derde alinea).

d)

Transparantie- en geheimhoudingsvoorschriften

De Raad heeft het belangrijk geacht dat middels toestemming van de regulerende instantie voor vertrouwelijke behandeling van commercieel gevoelige informatie betreffende opslag kan worden ingestaan (overweging 23 en artikel 19, lid 4, tweede alinea).

e)

Kleinhandelsmarkten

De Raad heeft het passend geoordeeld het artikel betreffende kleinhandelsmarkten anders te formuleren, onder meer door het van zijn grensoverschrijdende aspect te ontdoen, en het artikel van de verordening (artikel 8 bis van het Commissievoorstel) over te hevelen naar de gasrichtlijn (nieuw artikel 44).

f)

Andere punten

De Raad heeft in artikel 1 opnieuw de laatste alinea opgenomen die deel uitmaakte van de bestaande gasverordening en naar de geest met het Commissievoorstel strookt.

De Raad heeft het passend geoordeeld om in plaats van investeringsplan de term netontwikkelingsplan te hanteren en te verduidelijken dat dergelijke plannen een niet-bindend karakter hebben (artikel 8, lid 3, onder a)).

Tot slot heeft de Raad, volgens de logica van de herschikking, een nieuw artikel tot intrekking van het bestaande wetgevingsbesluit opgenomen (artikel 31).


(1)  PB C 172 van 5.7.2008, blz. 55.

(2)  PB C 211 van 19.8.2008, blz. 23.

(3)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


31.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 75/58


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 13/2009

door de Raad vastgesteld op 16 februari 2009

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/C 75 E/04)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Statistische informatie over de handel van de lidstaten met derde landen is van wezenlijk belang voor het economische en handelsbeleid van de Gemeenschap en voor de analyse van de marktontwikkelingen per product. De transparantie van het statistische systeem moet worden verbeterd, zodat het in staat is te reageren op veranderingen in de administratieve omgeving en te voldoen aan nieuwe behoeften van de gebruikers. Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad van 22 mei 1995 betreffende de statistieken van het goederenverkeer van de Gemeenschap en haar lidstaten met derde landen (3) moet daarom in overeenstemming met de eisen in artikel 285, lid 2, van het Verdrag worden vervangen door een nieuwe verordening.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (4) (hierna „het douanewetboek” genoemd) is de statistiek van de buitenlandse handel gebaseerd op gegevens die worden ontleend aan douaneaangiften. Door de vooruitgang bij de Europese integratie en de daaruit voortvloeiende veranderingen bij de douaneafhandeling van goederen, waaronder de grensoverschrijdende vergunning ten behoeve van de vereenvoudigde aangifte of de domiciliëringsprocedure en de gecentraliseerde afhandeling, die een uitvloeisel zullen zijn van de huidige modernisering van het douanewetboek als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (5) (hierna „het gemoderniseerd douanewetboek” genoemd), zijn een aantal wijzigingen gerechtvaardigd. Het is met name noodzakelijk de wijze waarop de statistiek van de buitenlandse handel wordt opgesteld aan te passen, de begrippen lidstaat van invoer en lidstaat van uitvoer te herzien en de gegevensbron voor de opstelling van communautaire statistieken nauwkeuriger te definiëren.

(3)

Vereenvoudigde douaneformaliteiten en -controles in het kader van het gemoderniseerd douanewetboek kunnen tot gevolg hebben dat er geen douaneaangiften beschikbaar zijn. Om ook in de toekomst volledige statistieken van de buitenlandse handel te kunnen opstellen, moeten er maatregelen worden aangenomen die ervoor zorgen dat die marktdeelnemers aan wie de vereenvoudiging ten goede komt, statistische gegevens indienen.

(4)

Overeenkomstig Beschikking nr. 70/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende een papierloze omgeving voor douane en bedrijfsleven (6), zal er een elektronisch douanesysteem worden opgezet voor de uitwisseling van de in douaneaangiften opgenomen gegevens. Om de fysieke handelsstroom tussen de lidstaten en derde landen te registreren en ervoor te zorgen dat gegevens over de in- en uitvoer in de betrokken lidstaat beschikbaar zijn, moeten er regelingen tussen de douaneautoriteiten en de statistische diensten worden getroffen, die nader moeten worden gespecificeerd. Dit betreft onder meer regels over de uitwisseling van gegevens tussen overheidsdiensten van de lidstaten. Voor dit gegevensuitwisselingssysteem dient zoveel mogelijk een beroep te worden gedaan op de door de douaneautoriteiten tot stand gebrachte infrastructuur.

(5)

Om de in- en uitvoer van de Gemeenschap te kunnen indelen naar lidstaat, moeten gegevens worden verzameld over de „lidstaat van bestemming”, bij invoer, en de „lidstaat van werkelijke uitvoer”, bij uitvoer. Op middellange termijn moeten die lidstaten voor de statistiek van de buitenlandse handel de lidstaat van invoer en de lidstaat van uitvoer worden.

(6)

Voor de toepassing van deze verordening moet voor de buitenlandse handel in goederen een indeling worden gemaakt volgens de gecombineerde nomenclatuur, die is ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (7), hierna de „gecombineerde nomenclatuur” genoemd.

(7)

Om te voldoen aan de behoefte van de Europese Centrale Bank en de Commissie aan informatie over het aandeel van de euro in het internationale goederenverkeer, moet de factuurvaluta bij de uitvoer en de invoer op geaggregeerd niveau worden gemeld.

(8)

Ten behoeve van handelsbesprekingen en het beheer van de interne markt heeft de Commissie gedetailleerde gegevens nodig over de preferentiële behandeling van goederen die in de Gemeenschap worden ingevoerd.

(9)

De statistiek van de buitenlandse handel levert gegevens ten behoeve van de opstelling van de betalingsbalans en de nationale rekeningen op. De kenmerken met behulp waarvan ze voor de betalingsbalans kunnen worden aangepast, moeten deel gaan uitmaken van de verplichte en de standaardgegevens.

(10)

De statistieken van de lidstaten over douane-entrepots en vrije zones vallen niet onder geharmoniseerde bepalingen. Deze statistieken kunnen evenwel op facultatieve basis worden opgesteld voor nationale doeleinden.

(11)

De lidstaten moeten Eurostat geaggregeerde jaargegevens over de handel verstrekken, ingedeeld naar bedrijfskenmerken, met behulp waarvan onder meer gemakkelijker een analyse kan worden gemaakt van de wijze waarop Europese ondernemingen functioneren in het kader van de mondialisering. De verbinding tussen bedrijfsstatistieken en handelsstatistieken wordt gelegd door gegevens over de importeur en de exporteur in de douaneaangifte te combineren met gegevens die worden verlangd op grond van Verordening (EG) nr. 177/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor ondernemingsregisters voor statistische doeleinden (8).

(12)

Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 betreffende de communautaire statistiek (9) vormt een referentiekader voor de bepalingen in de onderhavige verordening. In verband met de zeer gedetailleerde informatie over de goederenhandel zijn evenwel speciale geheimhoudingsregels nodig, willen deze statistieken relevant zijn.

(13)

De toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens vindt plaats overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 322/97 en Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (10). De overeenkomstig deze verordeningen genomen maatregelen garanderen de fysieke en logische bescherming van vertrouwelijke gegevens en zorgen ervoor dat er bij de productie en verspreiding van communautaire statistieken geen sprake is van onwettige openbaarmaking of gebruik voor andere dan statistische doeleinden.

(14)

Bij de productie en verspreiding van communautaire statistieken in het kader van deze verordening moeten de nationale en communautaire statistische diensten rekening houden met de beginselen van de Praktijkcode Europese statistieken, die op 24 februari 2005 door het Comité statistisch programma is goedgekeurd en aan de Aanbeveling van de Commissie van 25 mei 2005 over de onafhankelijkheid, integriteit en verantwoordingsplicht van de nationale en communautaire statistische instanties is gehecht.

(15)

Er zijn speciale bepalingen nodig voor de tijd tot de wijzigingen in de douanewetgeving extra gegevens in de douaneaangifte opleveren en tot de communautaire wetgeving de elektronische uitwisseling van douanegegevens verplicht stelt.

(16)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor de systematische productie van communautaire statistieken van de buitenlandse handel, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van de verordening, beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(17)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (11).

(18)

Met name moet de Commissie de bevoegdheid worden verleend de lijst van douaneregelingen of douanebestemmingen aan de hand waarvan voor de statistiek van de buitenlandse handel wordt bepaald of het om uitvoer of invoer gaat, aan te passen, afwijkende of specifieke regels vast te stellen voor goederen of bewegingen waarvoor om methodologische redenen specifieke bepalingen nodig zijn, de lijst van de van de statistiek van de buitenlandse handel uitgesloten goederen en bewegingen aan te passen, voor gegevens over de in- en de uitvoer van specifieke goederen of specifieke goederenbewegingen, de andere gegevensbronnen dan de douaneaangifte te specificeren, de statistische gegevens nader te specificeren, met inbegrip van de te gebruiken codes, voorschriften vast te stellen voor gegevens betreffende specifieke goederen of bewegingen, voorschriften vast te stellen voor het opstellen van de statistieken, de kenmerken van de steekproeven te specificeren, de rapporteringsperiode en de mate van aggregatie voor partnerlanden, goederen en valuta's vast te stellen, de uiterste termijn van indiening, de inhoud, de dekking van de statistieken, alsook de herziening van de reeds ingediende statistieken aan te passen en de uiterste termijn voor de indiening van statistieken over de detailhandel naar bedrijfskenmerken en statistieken over de handel naar factuurvaluta vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingprocedure met toetsing,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor de systematische productie van communautaire statistieken van het goederenverkeer met derde landen (hierna: „statistiek van de buitenlandse handel”).

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„goederen”: alle roerende goederen, met inbegrip van elektriciteit;

b)

„statistisch registratiegebied van de Gemeenschap”: het douanegebied van de Gemeenschap zoals gedefinieerd in het douanewetboek, plus Helgoland, dat deel uitmaakt van het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland;

c)

„nationale statistische diensten”: de nationale bureaus voor de statistiek en andere organen die in de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de productie van de statistiek van de buitenlandse handel;

d)

„douaneautoriteiten”: de douaneautoriteiten zoals gedefinieerd in het douanewetboek;

e)

„douaneaangifte”: de douaneaangifte zoals gedefinieerd in het douanewetboek;

f)

„besluit van de douane”: ieder officieel besluit van de douaneautoriteiten met betrekking tot aanvaarde douaneaangiften dat juridische gevolgen heeft voor een of meer personen.

Artikel 3

Werkingssfeer

1.   In de statistiek van de buitenlandse handel worden de invoer en de uitvoer van goederen geregistreerd.

Uitvoer wordt door de lidstaten geregistreerd wanneer goederen het statistische registratiegebied van de Gemeenschap verlaten in overeenstemming met een van de volgende douaneregelingen of douanebestemmingen, zoals neergelegd in het douanewetboek:

a)

uitvoer;

b)

passieve veredeling;

c)

wederuitvoer na actieve veredeling of behandeling onder douanetoezicht.

Invoer wordt door de lidstaten geregistreerd wanneer goederen het statistische registratiegebied van de Gemeenschap binnenkomen in overeenstemming met een van de volgende douaneregelingen, zoals neergelegd in het douanewetboek:

a)

in het vrije verkeer brengen;

b)

actieve veredeling;

c)

behandeling onder douanetoezicht.

2.   De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen in verband met de aanpassing van de in lid 1 opgenomen lijst van douaneregelingen of douanebestemmingen teneinde rekening te houden met wijzigingen in het douanewetboek of bepalingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3.

3.   Om methodologische redenen zijn voor bepaalde goederen of bewegingen specifieke bepalingen nodig. Het betreft complete fabrieksinstallaties, schepen en luchtvaartuigen, producten van de zee, aan schepen en luchtvaartuigen geleverde goederen, deelzendingen, militaire goederen, goederen bestemd voor of afkomstig van installaties op volle zee, ruimtevaartuigen, elektriciteit en gas en afvalproducten (hierna „specifieke goederen of bewegingen” genoemd).

De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door deze aan te vullen met betrekking tot specifieke goederen en bewegingen en verschillende of specifieke bepalingen dienaangaande, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3.

4.   Bepaalde goederen en bewegingen zijn om methodologische redenen uitgesloten van de statistiek van de buitenlandse handel. Het betreft monetair goud en wettige betaalmiddelen, goederen voor diplomatiek of soortgelijk gebruik, goederenbewegingen tussen de lidstaat van invoer en de lidstaat van uitvoer en hun in het buitenland gestationeerde strijdkrachten, alsmede bepaalde door buitenlandse strijdkrachten verworven en verkochte goederen, bepaalde goederen die niet het voorwerp van een handelstransactie zijn, bewegingen van draagraketten vóór de lancering, goederen voor en na reparatie, goederen voor of na tijdelijk gebruik, dragers van specifieke informatie en gedownloade informatie, mondeling bij de douaneautoriteiten aangegeven handelsgoederen die de statistische drempel van 1 000 EUR in waarde of 1 000 kilogram in nettomassa niet overschrijden, alsmede alle mondeling bij de douaneautoriteiten aangegeven niet-handelsgoederen.

De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door deze aan te vullen met betrekking tot de uitsluiting van goederen of bewegingen van de statistiek van de buitenlandse handel, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3.

Artikel 4

Gegevensbron

1.   De gegevens over de in artikel 3, lid 1, bedoelde invoer en uitvoer van goederen worden ontleend aan de douaneaangifte, inclusief eventuele wijzigingen van de statistische gegevens als gevolg van relevante besluiten van de douaneautoriteiten.

2.   Indien verdere vereenvoudigingen van douaneformaliteiten en -controles op grond van artikel 116 van het gemoderniseerd douanewetboek tot gevolg hebben dat er bij de douaneautoriteiten geen gegevens over de invoer en de uitvoer van goederen beschikbaar zijn, verstrekt de marktdeelnemer voor wie de vereenvoudiging geldt de statistische gegevens als bedoeld in artikel 5 van deze verordening.

3.   De lidstaten kunnen andere gegevensbronnen blijven gebruiken voor de opstelling van hun nationale statistieken tot de datum waarop een mechanisme voor de onderlinge elektronische uitwisseling van gegevens bedoeld in artikel 7, lid 2, wordt ingevoerd.

4.   Voor specifieke goederen of bewegingen in de zin van artikel 3, lid 3, kunnen andere gegevensbronnen dan de douaneaangifte worden gebruikt.

5.   De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door deze aan te vullen met betrekking tot de verzameling van gegevens overeenkomstig de leden 2 en 4, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3. Bij deze maatregelen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de noodzaak een efficiënt systeem op te zetten dat de administratieve lasten voor marktdeelnemers en overheidsdiensten tot een minimum beperkt.

Artikel 5

Statistische gegevens

1.   De lidstaten ontlenen de volgende reeks gegevens aan de in artikel 3, lid 1, bedoelde geregistreerde gegevens over de invoer en de uitvoer:

a)

de handelsstroom (invoer, uitvoer);

b)

de maandelijkse referentieperiode;

c)

de statistische waarde van de goederen aan de nationale grens van de lidstaat van invoer of van uitvoer;

d)

de hoeveelheid, uitgedrukt in nettomassa en in bijzondere maatstaf wanneer deze in de douaneaangifte is aangegeven;

e)

de handelaar, zijnde de importeur/geadresseerde bij invoer en de exporteur/verzender bij uitvoer;

f)

de lidstaat van invoer of van uitvoer, zijnde de lidstaat waar de douaneaangifte is gedaan en, indien aangegeven in de douaneaangifte:

i)

bij invoer, de lidstaat van bestemming;

ii)

bij uitvoer, de lidstaat van werkelijke uitvoer;

g)

de partnerlanden, zijnde

(i)

bij invoer het land van oorsprong en het land van verzending;

(ii)

bij uitvoer het land van de laatst bekende bestemming;

h)

de goederen volgens de gecombineerde nomenclatuur, zijnde

i)

bij invoer, de goederencode van de TARIC-onderverdeling;

ii)

bij uitvoer, de goederencode van de onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur;

i)

de code van de douaneregeling die moet worden gebruikt om het statistisch stelsel vast te stellen;

j)

de aard van de transactie indien aangegeven in de douaneaangifte;

k)

de preferentiële behandeling bij invoer, indien deze door de douane is toegekend;

l)

de factuurvaluta indien aangegeven in de douaneaangifte;

m)

de wijze van vervoer, met specificatie van:

i)

de wijze van vervoer aan de grens;

ii)

de wijze van vervoer in het binnenland;

iii)

de container.

2.   De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, door deze aan te vullen met betrekking tot de nadere specificatie van de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens, met inbegrip van de te gebruiken codes, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3.

3.   Wanneer niet anderszins is bepaald en behoudens de douanewetgeving, worden de gegevens in de douaneaangifte opgenomen.

4.   Voor specifieke goederen of bewegingen als bedoeld in artikel 3, lid 3, alsmede voor overeenkomstig artikel 4, lid 2, verstrekte gegevens, kunnen beperkte reeksen gegevens worden verlangd.

De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, door deze aan te vullen met betrekking tot deze beperkte reeksen gegevens, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing, als bedoeld in artikel 11, lid 3.

Artikel 6

Opstelling van statistieken van de buitenlandse handel

1.   De lidstaten stellen voor elke maandelijkse referentieperiode statistieken op van de in- en uitvoer van goederen, uitgedrukt in waarde en hoeveelheid, naar:

a)

de goederencode;

b)

lidstaat van invoer/uitvoer;

c)

partnerlanden;

d)

statistisch stelsel;

e)

aard van de transactie;

f)

preferentiële behandeling bij invoer;

g)

wijze van vervoer.

De Commissie kan volgens de procedure van artikel 11, lid 2, uitvoeringsvoorschriften voor de opstelling van de statistieken vaststellen.

2.   De lidstaten stellen jaarstatistieken van de handel naar bedrijfskenmerken op, te weten naar economische activiteit van de onderneming volgens de sectie of tweecijfercode van de gemeenschappelijke Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (NACE) en naar bedrijfsomvang in termen van het aantal werknemers.

De statistieken worden opgesteld door de gegevens over de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 177/2008 opgetekende bedrijfskenmerken te koppelen aan de gegevens die overeenkomstig artikel 5, lid 1 van deze verordening, over de invoer en de uitvoer zijn opgetekend. Daartoe geven de nationale douaneautoriteiten het desbetreffende identificatienummer van de handelaar door aan de nationale statistische diensten.

De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, door deze aan te vullen met betrekking tot de koppeling van de gegevens en deze op te stellen statistieken, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3.

3.   Om de twee jaar stellen de lidstaten statistieken over de handel naar factuurvaluta op.

De lidstaten maken bij de opstelling van de statistieken gebruik van een representatieve steekproef van gegevens over de invoer en de uitvoer die zijn ontleend aan douaneaangiften die gegevens over de factuurvaluta bevatten. Indien in het geval van uitvoer de douaneaangifte de factuurvaluta niet vermeldt, wordt een enquête uitgevoerd om de vereiste gegevens te verzamelen.

De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door deze aan te vullen met betrekking tot de kenmerken van de steekproef, de rapporteringsperiode en de mate van aggregatie voor partnerlanden, goederen en valuta's, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3.

4.   Er kan worden besloten tot de opstelling van aanvullende statistieken voor nationale doeleinden door de lidstaten wanneer de gegevens in de douaneaangifte beschikbaar zijn.

5.   De lidstaten zijn niet verplicht statistieken van de buitenlandse handel op te stellen en naar de Commissie (Eurostat) te zenden over statistische gegevens die overeenkomstig het douanewetboek of de nationale instructies nog niet worden geregistreerd en niet eenvoudig kunnen worden afgeleid uit andere gegevens in de douaneaangifte die bij hun douaneautoriteiten wordt gedaan. De verstrekking van de volgende gegevens is facultatief voor de lidstaten:

a)

bij invoer, de lidstaat van bestemming;

b)

bij uitvoer, de lidstaat van werkelijke uitvoer;

c)

de aard van de transactie.

Artikel 7

Uitwisseling van gegevens

1.   De douaneautoriteiten leveren de nationale statistische diensten onverwijld en uiterlijk in de maand volgende op die waarin de douaneaangiften werden aanvaard of tot een besluit van de douane ter zake hebben geleid, de gegevens over de invoer en de uitvoer op basis van de aangiften die bij die autoriteiten zijn gedaan.

De gegevens bevatten ten minste de in artikel 5 genoemde statistische gegevens die volgens het douanewetboek of de nationale instructies op de douaneaangifte beschikbaar zijn.

2.   Met ingang van de datum van invoering van een mechanisme voor de onderlinge elektronische uitwisseling van gegevens zorgen de douaneautoriteiten ervoor dat de gegevens over de invoer en de uitvoer worden doorgestuurd aan de nationale statistische diensten van de lidstaat die in die gegevens is aangegeven als:

a)

bij invoer, de lidstaat van bestemming;

b)

bij uitvoer, de lidstaat van werkelijke uitvoer.

Het mechanisme voor de onderlinge uitwisseling van gegevens wordt ingevoerd uiterlijk zodra titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 1, van het gemoderniseerd douanewetboek van toepassing wordt.

3.   De uitvoeringsvoorschriften voor de vaststelling van de in lid 2 van dit artikel bedoelde doorgifte kunnen volgens de procedure van artikel 11, lid 2, worden vastgesteld.

Artikel 8

Indiening van statistieken van de buitenlandse handel bij de Commissie (Eurostat)

1.   De lidstaten sturen de Commissie (Eurostat) de in artikel 6, lid 1, bedoelde statistieken uiterlijk 40 dagen na het eind van elke maandelijkse referentieperiode.

De lidstaten dragen er zorg voor dat de statistieken informatie over alle invoer en uitvoer in de desbetreffende referentieperiode bevatten, waarbij zij correcties aanbrengen in het geval dat er geen gegevens beschikbaar zijn.

De lidstaten sturen bijgewerkte statistieken wanneer al ingediende statistieken worden herzien.

De lidstaten nemen in de bij de Commissie (Eurostat) ingediende resultaten ook statistische informatie op die vertrouwelijk is.

De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door deze aan te vullen, met betrekking tot de aanpassing van de uiterste termijn van indiening van de statistieken, de inhoud, de dekking en de voorwaarden voor herziening van reeds ingediende statistieken, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3.

2.   De maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, door deze aan te vullen met betrekking tot de uiterste termijn voor de indiening van de in artikel 6, lid 2, bedoelde statistieken over de handel naar bedrijfskenmerken en de in artikel 6, lid 3, bedoelde statistieken over de handel naar factuurvaluta, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 11, lid 3.

3.   De lidstaten verstrekken de gegevens in elektronische vorm volgens een uitwisselingsnorm. De wijze waarop de resultaten in de praktijk wordt ingediend, wordt volgens de procedure van artikel 11, lid 2, vastgesteld.

Artikel 9

Kwaliteitscontrole

1.   Ten behoeve van deze verordening zijn de volgende kwaliteitsaspecten van toepassing op de in te dienen statistieken:

a)

„relevantie” heeft betrekking op de mate waarin statistieken voldoen aan de huidige en potentiële behoeften van de gebruikers;

b)

„nauwkeurigheid” heeft betrekking op de mate waarin de schattingen de onbekende werkelijke waarden benaderen;

c)

„tijdigheid” heeft betrekking op de tijdspanne tussen de beschikbaarheid van de informatie en de gebeurtenis die of het verschijnsel dat door de informatie wordt beschreven;

d)

„punctualiteit” heeft betrekking op de tijdspanne tussen de datum van publicatie van de gegevens en de datum waarop ze hadden moeten worden gepubliceerd;

e)

„toegankelijkheid” en „duidelijkheid” hebben betrekking op de voorwaarden waaronder en de modaliteiten volgens welke de gebruikers de gegevens kunnen verkrijgen, gebruiken en interpreteren;

f)

„vergelijkbaarheid” heeft betrekking op de meting van het effect van verschillen in de toegepaste statistische begrippen, meetinstrumenten en meetprocedures wanneer statistieken tussen geografische gebieden, sectoren of in de tijd worden vergeleken;

g)

„coherentie” heeft betrekking op de mate waarin de gegevens op betrouwbare wijze op verschillende manieren en voor verschillende doeleinden kunnen worden gecombineerd.

2.   De lidstaten dienen elk jaar bij de Commissie (Eurostat) een verslag over de kwaliteit van de verstrekte statistieken in.

3.   Bij de toepassing van de in lid 1 van dit artikel genoemde kwaliteitsaspecten op de onder deze verordening vallende statistieken worden de modaliteiten en de structuur van de kwaliteitsverslagen vastgesteld volgens de procedure van artikel 11, lid 2.

De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de ingediende statistieken.

Artikel 10

Verspreiding van statistieken van de buitenlandse handel

1.   Op communautair niveau worden de in overeenstemming met artikel 6, lid 1, opgestelde en door de lidstaten ingediende statistieken van de buitenlandse handel door de Commissie (Eurostat) ten minste op het niveau van de onderverdelingen van de gecombineerde nomenclatuur verspreid.

Alleen wanneer een importeur of exporteur daarom verzoekt, besluiten de nationale autoriteiten van een lidstaat of de statistieken van de buitenlandse handel van die lidstaat, op grond waarvan het mogelijk is die importeur of exporteur te identificeren, mogen worden verspreid of op zodanige wijze moeten worden gewijzigd dat er geen inbreuk op de statistische geheimhouding wordt gemaakt.

2.   Zonder afbreuk te doen aan de verspreiding van gegevens op nationaal niveau worden gedetailleerde statistieken naar TARIC-onderverdeling en preferenties niet door de Commissie (Eurostat) verspreid indien de openbaarmaking ervan de bescherming van het algemeen belang inzake het handels- en landbouwbeleid van de Gemeenschap zou ondergraven.

Artikel 11

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de statistiek met betrekking tot de goederenhandel met derde landen.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 12

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1172/95 wordt met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken.

Zij blijft van toepassing op gegevens die betrekking hebben op referentieperioden vóór 1 januari 2010.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 70 van 15.3.2008, blz. 1.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 23 september 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 februari 2009

(3)  PB L 118 van 25.5.1995, blz. 10.

(4)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(5)  PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1.

(6)  PB L 23 van 26.1.2008, blz. 21.

(7)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(8)  PB L 61 van 5.3.2008, blz. 6.

(9)  PB L 52 van 22.2.1997, blz. 1.

(10)  PB L 151 van 15.6.1990, blz. 1.

(11)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

De Commissie heeft het in hoofde genoemd voorstel op 30 oktober 2007 bij de Raad ingediend (1).

Het Europees Parlement heeft op 23 september 2008 in eerste lezing advies uitgebracht en 35 amendementen (2) op het voorstel aangenomen.

Overeenkomstig de medebeslissingsprocedure (artikel 251 VEG) heeft de Raad, rekening houdend met de eerste lezing door het Parlement, op 16 februari 2009 zijn gemeenschappelijk standpunt betreffende de ontwerp-verordening vastgesteld.

II.   DOEL

Het doel van dit voorstel is een herziening van het huidige statistische systeem voor het goederenverkeer met derde landen (Extrastat), teneinde:

de wetgeving duidelijker, eenvoudiger en transparanter te maken;

het statistisch systeem voor de handel met derde landen aan te passen aan de veranderingen die in de aangifteprocedures zullen worden aangebracht door de invoering van grensoverschrijdende vergunningen ten behoeve van de vereenvoudigde aangifte of de domiciliëringsprocedure, en door de gecentraliseerde afhandeling in het kader van het gemoderniseerde communautaire douanewetboek;

het „Rotterdameffect” te verkleinen;

(a)

dit leidt namelijk tot een oververtegenwoordiging in de statistiek van de buitenlandse handel van lidstaten waar veel goederen worden aangegeven of vanwaar veel goederen worden uitgevoerd, maar die alleen land van doorvoer zijn, ten koste van de lidstaten die de uiteindelijke bestemming zijn of vanwaar de goederen zijn verzonden, en

(b)

dubbele registratie van dezelfde goederen: in Extrastat als niet-communautaire goederen en vervolgens in Intrastat als communautaire goederen uit een andere lidstaat, met een vergelijkbare situatie voor de uitvoer;

de relevantie, nauwkeurigheid, tijdigheid en vergelijkbaarheid van de statistiek van de buitenlandse handel te verbeteren en een systeem voor kwaliteitsbeoordeling in te voeren;

de koppeling van handelsstatistieken met bedrijfsstatistieken mogelijk te maken;

te reageren op de behoeften van de gebruikers door met behulp van in de douaneaangiften beschikbare informatie aanvullende handelsstatistieken op te stellen;

overeenkomstig de Praktijkcode Europese Statistieken toezicht uit te oefenen op de geprivilegieerde toegang tot gevoelige gegevens over de buitenlandse handel.

Het voorstel bevat eveneens de wijzigingen waarin voorzien is bij de verordening van de Raad en het Parlement van 13 april 2005 ter verbetering van de beveiliging en veiligheid van goederen die de communautaire grenzen overschrijden (3).

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1.   Algemeen

De Raad heeft in zijn gemeenschappelijk standpunt het grote merendeel van de amendementen van het Parlement overgenomen, en dus een tekst aangenomen die grote gelijkenissen vertoont met het advies van het Europees Parlement in eerste lezing. De Raad onderschrijft ten volle de doelstellingen van het voorstel, namelijk de wetgeving eenvoudiger maken, het statistisch systeem voor de handel met derde landen aanpassen aan de veranderingen die in de douanewetgeving zullen worden aangebracht en het „Rotterdameffect” verkleinen. Na een grondige bespreking van het voorstel onder het Sloveense en het Franse voorzitterschap en in het licht van de praktische gevolgen van de toepassing van het gemoderniseerd douanewetboek voor de nationale administraties, de Commissie en de handel, heeft de Raad een aantal — meestal technische — wijzigingen aangebracht; een overzicht van deze wijzigingen is te vinden in afdeling 3.

2.   Amendementen van het EP

2.1.   Door de Raad overgenomen amendementen

Het Europees Parlement heeft 27 amendementen (4)op het voorstel aangenomen, waarvan er 24 geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad zijn overgenomen. Het betreft de amendementen 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12 (gedeeltelijk), 13, 14 (gedeeltelijk), 15 (gedeeltelijk), 20, 21 (gedeeltelijk), 22, 23, 24, 25, 28, 29, 30, 31, 32 (gedeeltelijk) 33, 34 en 35.

2.2.   Niet of slechts gedeeltelijk door de Raad overgenomen amendementen

Amendement 12

Dit amendement is gedeeltelijk overgenomen, weliswaar in een nauwkeuriger formulering die de Raad passender acht, en betreft de beschrijving van de vrijstelling voor mondeling aangegeven goederen.

Amendement 14

Dit amendement is gedeeltelijk overgenomen. Over de bepaling betreffende de uitvoeringsbepalingen (het nieuwe lid 5 in de tekst van de Raad) is de Raad van mening dat de uitvoeringsbevoegdheden betrekking moeten hebben op het verzamelen van gegevens als bedoeld in de (nieuwe) leden en in lid 4: de nadere specificering van andere gegevensbronnen dan de douaneaangifte, en ook de statistische gegevens die zijn verstrekt door de marktdeelnemer voor wie de verdere vereenvoudiging van de douaneformaliteiten en -controles geldt. Voorts heeft de Raad beklemtoond dat een efficiënt systeem moet worden opgezet dat de administratieve lasten tot een minimum beperkt.

Amendement 15

De Raad kan dit amendement gedeeltelijk overnemen. De lidstaten kunnen voor de opstelling van hun nationale statistieken andere gegevensbronnen blijven gebruiken tot de datum waarop een mechanisme voor de onderlinge elektronische uitwisseling van gegevens wordt ingevoerd. De verwijzing naar artikel 7, lid 3, is gewijzigd in artikel 7, lid 2.

Amendement 18

De Raad wil dit nauwkeuriger geformuleerd zien (zie afdeling 3).

Amendement 21

De Raad is van oordeel dat beperkte reeksen gegevens ook kunnen worden verlangd voor overeenkomstig artikel 4, lid 2 (in de tekst van het gemeenschappelijk standpunt) verstrekte gegevens.

Amendement 26

De Raad is van oordeel dat, met ingang van de datum van invoering van een mechanisme voor de onderlinge elektronische uitwisseling van gegevens, gegevens over de invoer en de uitvoer moeten worden doorgestuurd aan de nationale statistische diensten van de lidstaat die in die gegevens is aangegeven als de lidstaat van bestemming, bij invoer, of de lidstaat van werkelijke uitvoer, bij uitvoer.

Amendement 27

De Raad heeft dit amendement niet overgenomen, maar heeft gezorgd voor een alternatieve oplossing in artikel 4, lid 2 (in de tekst van het gemeenschappelijk standpunt — zie afdeling 3).

Amendement 32

De Raad heeft dit amendement gedeeltelijk overgenomen, in een enigszins anders geformuleerde versie („naar TARIC-onderverdeling en preferenties”).

3.   Nieuwe elementen die door de Raad zijn ingevoerd

In dit deel wordt een overzicht gegeven van de nieuwe elementen die de Raad, naast de amendementen die hij van het EP heeft overgenomen, met zijn gemeenschappelijk standpunt heeft geïntroduceerd. De nieuwe elementen van louter technische of redactionele aard zijn in dit overzicht doelbewust buiten beschouwing gelaten.

Voorts heeft het voorstel door de wijzigingen van de Raad een grondige herstructurering ondergaan als gevolg waarvan de overwegingen en de leden in enkele artikelen zijn vernummerd.

3.1   Overweging 3

In deze overweging wordt toegelicht dat als gevolg van de invoering in het gemoderniseerde douanewetboek van faciliteiten voor marktdeelnemers, in de vorm van eenvoudiger formaliteiten en controles, douaneaangiften niet beschikbaar kunnen zijn; wanneer deze aangiften de bron zijn voor statistische gegevens over de buitenlandse handel, moet de verordening voorzien in maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegevens verstrekt zullen worden door marktdeelnemers die faciliteiten genieten.

3.2   Overweging 4

In deze overweging wordt verwezen naar het e-douanebesluit, op basis waarvan een elektronisch douanesysteem voor de uitwisseling van de in douaneaangiften opgenomen gegevens zal worden opgezet. Het is de bedoeling dat voor het gegevensuitwisselingssysteem voor statistieken zoveel mogelijk een beroep zal worden gedaan op de door de douaneautoriteiten tot stand gebrachte infrastructuur.

3.3   Artikel 4, lid 2

In dit nieuwe lid is het beginsel opgenomen dat marktdeelnemers waaraan faciliteiten zijn verleend die zouden kunnen leiden tot de niet-beschikbaarheid van douaneaangiften en de overeenkomstige statistische gegevens, deze statistische gegevens moeten verstrekken.

3.4   Artikel 4, lid 5

De Raad heeft een zin toegevoegd om ervoor te zorgen dat het verzamelen van gegevens zo weinig mogelijk administratieve lasten met zich meebrengt voor de handel en de overheidsdiensten.

3.5   Artikel 5, lid 4

De Raad heeft een verwijzing naar de uit hoofde van artikel 4, lid 2, verstrekte gegevens toegevoegd.

3.6   Artikel 7, lid 2

De Raad heeft amendement 26 van het EP niet in zijn gemeenschappelijk standpunt overgenomen (zoals toegelicht in afdeling 2), omdat hij van oordeel is dat de gegevens, met ingang van de datum van invoering van een mechanisme voor de onderlinge elektronische uitwisseling van gegevens, door de douanediensten moeten worden toegezonden aan de nationale statistische diensten van de lidstaat (van bestemming of van werkelijke uitvoer). Voorts is de Raad van mening dat het hiervoor beschreven mechanisme de uiterlijk moet worden ingevoerd wanneer de betreffende afdeling van het gemoderniseerde douanewetboek van toepassing wordt.

IV.   CONCLUSIE

De Raad acht zijn gemeenschappelijk standpunt, dat het resultaat is van een grondige bespreking door opeenvolgende voorzitterschappen en de volle steun geniet van de Commissie, volledig in overeenstemming met de doelstellingen van het voorstel.

Bovendien neemt het gemeenschappelijk standpunt het grote merendeel van de amendementen van het Parlement over.

De nieuwe door de Raad geïntroduceerde elementen zijn een afspiegeling van de behoefte om de tekst aan de praktische en technische realiteit aan te passen en te zorgen voor een beter evenwicht tussen de voorschriften van de nationale administraties en de aan het handelsverkeer verleende douanefaciliteiten.


(1)  PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1.

(2)  8 amendementen (de nrs. 1-4, 8, 16, 17 en 19) betroffen niet alle taalversies en zijn daarom niet in stemming gebracht.

(3)  Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13.

(4)  Zie voetnoot 2.


31.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 75/67


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 14/2009

door de Raad vastgesteld op 16 februari 2009

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad van … tot oprichting van de Europese groep van regelgevende instanties voor telecommunicatie (GERT)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/C 75 E/05)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (4), Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (5), Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) (6), Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (7) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (8) (samen „de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen” genoemd) beogen een interne markt voor elektronische communicatie in de Gemeenschap tot stand te brengen, waarbij een hoge mate van investeringen, innovatie en consumentenbescherming wordt gewaarborgd door meer concurrentie.

(2)

Voor de succesvolle ontwikkeling van een interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten is het essentieel dat het EU-regelgevingkader in alle lidstaten op consistente wijze worden toegepast. Het EU-regelgevingskader bevat doelstellingen die moeten worden bereikt en biedt een kader voor het optreden van de nationale regelgevende instanties, waarbij hun op bepaalde gebieden flexibiliteit wordt geboden om de regels in het licht van de nationale omstandigheden toe te passen.

(3)

Met het oog op de ontwikkeling van een consistente reguleringspraktijk en de consistente toepassing van het EU-regelgevingskader heeft de Commissie bij Besluit 2002/627/EG van de Commissie van 29 juli 2002 tot oprichting van de Europese groep van regelgevende instanties voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (9) de Europese Groep van regelgevende instanties (Europese Regulators Group — ERG) opgericht om de Commissie te adviseren en bij te staan bij de ontwikkeling van de interne markt, en meer in het algemeen als interface tussen nationale regelgevende instanties en de Commissie te fungeren.

(4)

De ERG heeft een positieve bijdrage geleverd aan een consistente reguleringspraktijk te ondersteunen middels bevordering van samenwerking tussen nationale regelgevende instanties onderling en tussen de nationale regelgevende instanties en de Commissie. Deze aanpak ter ontwikkeling van meer consistentie tussen nationale regelgevende instanties door informatie en kennis over praktijkervaringen uit te wisselen, is in de korte periode sinds het bestaan ervan succesvol gebleken. Er zal een voortgezette en intensievere samenwerking en coördinatie tussen nationale regelgevende instanties nodig zijn om de interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten verder te ontwikkelen.

(5)

Daartoe moet de ERG worden versterkt en moet zij in het EU-regelgevingskader worden erkend als de Europese groep van regelgevende instanties voor telecommunicatie („GERT”). GERT dient geen agentschap van de Gemeenschap te zijn en evenmin rechtspersoonlijkheid te bezitten. GERT komt in de plaats van de ERG, en zal expertise verschaffen en vertrouwen scheppen door haar onafhankelijkheid, de kwaliteit van haar advies en informatie, de transparantie van haar procedures en werkmethoden, en de toewijding bij de uitvoering van haar taken.

(6)

GERT zou via het bundelen van vakkennis de nationale reguleringsinstanties moeten bijstaan zonder hun bestaande taken over te nemen of reeds lopende werkzaamheden over te doen, en de Commissie moeten helpen bij de uitvoering van haar taken.

(7)

GERT moet de werkzaamheden van de ERG voortzetten en streven naar samenwerking tussen de nationale reguleringsinstanties onderling en tussen de nationale reguleringsinstanties en de Commissie, teneinde te zorgen voor de consistente toepassing in alle lidstaten van het EU-regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten en aldus bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt.

(8)

GERT moet optreden als een orgaan voor beraad, discussie en adviesverlening aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op het gebied van elektronische communicatie. GERT moet derhalve het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op hun verzoek of op eigen initiatief advies verstrekken.

(9)

De werkzaamheden van GERT moeten worden toegespitst op de regelgeving ex ante van de markten voor elektronische communicatie, met name in het kader van de marktanalyseprocedure. GERT moet haar taken uitvoeren in samenwerking met en zonder afbreuk te doen aan bestaande groepen en comités zoals het Comité voor communicatie dat is opgericht op grond van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn), het Radiospectrumcomité dat is opgericht bij Beschikking 2002/676/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking) (10), de Beleidsgroep Radiospectrum die is opgericht bij Beschikking 2002/622/EG van de Commissie van 26 juli 2002 tot oprichting van een Beleidsgroep Radiospectrum (11), en het Contactcomité dat is opgericht bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (12).

(10)

Aangezien de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk de verdere ontwikkeling van een samenhangende regelgevingspraktijk middels versterkte samenwerking en coördinatie tussen nationale regelgevende instanties, en tussen nationale regelgevende instanties en de Commissie ingevolge onder meer de uitwisseling van informatie, teneinde de interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten verder te ontwikkelen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt in het licht van de EU-draagwijdte van deze verordening, en daarom beter op communautair niveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel van hetzelfde artikel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Onderwerp, werkingssfeer en taken

Artikel 1

Onderwerp, werkingssfeer en doelstellingen

1.   Er wordt een adviesgroep van de nationale regelgevende instanties inzake elektronische-communicatienetwerken en -diensten opgericht, de Europese Groep van regelgevende instanties voor telecommunicatie (GERT).

2.   GERT handelt binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) en Richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG, 2002/22/EG en 2002/58/EG (Bijzondere richtlijnen), met name in aangelegenheden betreffende de economische regulering van de markten voor elektronische communicatie.

3.   GERT voert haar taken onafhankelijk, onpartijdig en op transparante wijze uit. In al haar activiteiten streeft GERT de doelstellingen na die krachtens artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) aan de nationale regelgevende instanties zijn toegewezen. GERT draagt met name bij tot de ontwikkeling en betere werking van de interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, door te streven naar een consistente toepassing van het EU-regelgevingskader voor elektronische communicatie.

4.   GERT bevordert de samenwerking tussen nationale regelgevende instanties onderling en tussen nationale regelgevende instanties en de Commissie, en zij adviseert het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Artikel 2

Rol van GERT bij de toepassing van het EU-regelgevingskader

1.   GERT:

a)

ontwikkelt optimale praktijken inzake regulering, zoals gemeenschappelijke benaderingswijzen, methoden of richtsnoeren voor de uitvoering van het EU-regelgevingskader, en verspreidt deze onder de nationale regelgevende instanties;

b)

verstrekt de nationale regelgevende instanties op verzoek bijstand inzake reguleringskwesties, onder meer door advies te geven over grensoverschrijdende geschillen overeenkomstig artikel 21 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) of door de nationale regelgevende instanties te helpen in het kader van de analyse van relevante markten overeenkomstig artikel 16 van die richtlijn;

c)

verstrekt advies inzake ontwerpbesluiten, aanbevelingen en richtsnoeren van de Commissie, zoals bepaald in lid 2;

d)

stelt verslagen op of verstrekt advies, op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief, en verstrekt advies aan het Europees Parlement en de Raad, op hun verzoek of op eigen initiatief, over aangelegenheden betreffende elektronische communicatie die binnen haar bevoegdheid vallen;

e)

helpt op verzoek het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de nationale regelgevende instanties bij het verspreiden van optimale reguleringspraktijken onder derde landen.

2.   De in lid 1, punt c), bedoelde ontwerpbesluiten, aanbevelingen en/of richtsnoeren zijn:

a)

besluiten en adviezen inzake ontwerpmaatregelen van nationale regelgevende instanties met betrekking tot het definiëren van markten, het aanwijzen van ondernemingen met aanmerkelijke macht op de markt en het voorschrijven van oplossingen overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn);

b)

aanbevelingen en richtsnoeren inzake de vorm, de inhoud en de mate van details van kennisgevingen overeenkomstig artikel 7 bis van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn);

c)

aanbevelingen inzake relevante markten voor producten en diensten overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn);

d)

besluiten inzake de vaststelling van transnationale markten overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn);

e)

aanbevelingen inzake harmonisatie overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn);

f)

besluiten waarbij een nationale regelgevende instantie wordt gemachtigd of verboden uitzonderlijke maatregelen te nemen, overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn).

3.   Nationale regelgevende instanties en de Commissie houden zoveel mogelijk rekening met de standpunten, adviezen en optimale reguleringspraktijken die door GERT worden aangenomen.

HOOFDSTUK II

Organisatie van gert

Artikel 3

Samenstelling

1.   GERT bestaat uit de hoofden of vertegenwoordigers op hoog niveau van de in elke lidstaat opgerichte nationale regelgevende instanties die in hoofdzaak belast zijn met het toezicht op de dagelijkse werking van de markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten.

2.   Er is één vertegenwoordigend lid per lidstaat.

3.   De Commissie heeft een waarnemersstatus en is op een passend niveau vertegenwoordigd.

4.   Nationale regelgevende instanties uit landen uit de Europese Economische Ruimte (EER) en uit landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie, hebben een waarnemersstatus en zijn op een passend niveau vertegenwoordigd.

Artikel 4

Werkregelingen

1.   GERT stelt haar reglement van orde vast en maakt dit voor het publiek beschikbaar.

2.   De adviezen, optimale reguleringspraktijken en verslagen van GERT worden uitgebracht of aangenomen op basis van een meerderheid van tweederde van de leden. Elk lid heeft één stem.

Het reglement van orde bepaalt de nadere bijzonderheden van de stemming, onder meer de voorwaarden waaronder een lid namens een ander lid kan handelen, de quorumvoorschriften en de kennisgevingstermijnen voor de vergaderingen. In het reglement van orde kunnen ook procedures voor stemming bij hoogdringendheid worden opgenomen.

De door GERT aangenomen adviezen, optimale reguleringspraktijken en verslagen worden openbaar gemaakt en maken melding van een voorbehoud van een nationale regelgevende instantie indien deze daarom verzoekt.

3.   Overeenkomstig het reglement van orde kiest GERT uit haar leden een voorzitter en vicevoorzitters. De ambtstermijn van de voorzitter en vicevoorzitters bedraagt één jaar. De voorzitter en vicevoorzitters treden op als vertegenwoordigers van GERT.

4.   De plenaire vergadering van GERT wordt door de voorzitter ten minste vier maal per jaar in gewone zitting bijeengeroepen. Op initiatief van de voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van de leden van GERT wordt een buitengewone vergadering bijeengeroepen. De agenda van de vergadering wordt door de voorzitter vastgesteld en openbaar gemaakt.

5.   De werkzaamheden van GERT kunnen in voorkomend geval worden georganiseerd in werkgroepen van deskundigen.

6.   De Commissie wordt op alle plenaire vergaderingen van GERT uitgenodigd en kan op vergaderingen van haar werkgroepen van deskundigen worden uitgenodigd.

7.   Deskundigen uit de staten die lid zijn van de EER en uit de staten die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie, kunnen de vergaderingen van GERT als waarnemer bijwonen. GERT kan andere deskundigen en waarnemers op haar vergaderingen uitnodigen.

HOOFDSTUK III

Algemene bepalingen

Artikel 5

Raadpleging

Voordat zij een advies, een verslag of een optimale reguleringspraktijk aanneemt, raadpleegt GERT indien nodig belanghebbende partijen en biedt zij hun de mogelijkheid binnen een redelijke termijn opmerkingen te maken. GERT maakt de resultaten van de raadplegingsprocedure voor het publiek beschikbaar, onverminderd artikel 8.

Artikel 6

Transparantie en verantwoording

1.   GERT verricht haar werkzaamheden met een hoge mate van transparantie. GERT zorgt ervoor dat het publiek en alle belanghebbende partijen over objectieve, betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie beschikken, met name over de resultaten van haar werkzaamheden.

2.   GERT neemt elk jaar, na raadpleging van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, een werkprogramma voor het komende jaar aan; dit werkprogramma wordt aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie toegezonden en voor het publiek beschikbaar gemaakt. GERT publiceert tevens een jaarverslag over haar activiteiten.

3.   Het Europees Parlement en de Raad kunnen GERT verzoeken hen te raadplegen over relevante kwesties in verband met de activiteiten van GERT.

Artikel 7

Verstrekken van informatie aan GERT

De Commissie en de nationale regelgevende instanties verstrekken de informatie waar GERT om heeft verzocht voor de uitoefening van haar taken. Deze informatie wordt beheerd overeenkomstig de voorschriften van artikel 5 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn).

Artikel 8

Vertrouwelijkheid

GERT maakt informatie die zij verwerkt of ontvangt met het verzoek om die informatie als vertrouwelijk te behandelen, niet bekend en zij geeft deze informatie niet vrij.

Indien het gevraagde advies of de gestelde vraag een vertrouwelijk karakter heeft, zijn de leden van GERT, evenals de waarnemers en elke andere persoon, gehouden de informatie die hun in het kader van de werkzaamheden van GERT of haar werkgroepen van deskundigen is meegedeeld, niet vrij te geven.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 31 december 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 224 van 30.8.2008, blz. 50.

(2)  PB C 257 van 9.10.2008, blz. 51.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 24 september 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 februari 2009 en standpunt van het Europees Parlement van …

(4)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.

(5)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.

(6)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(7)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.

(8)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(9)  PB L 200 van 30.7.2002, blz. 38.

(10)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(11)  PB L 198 van 27.7.2002, blz. 49.

(12)  PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

De Commissie heeft op 16 november 2007 een voorstel aangenomen voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Europese Autoriteit voor de elektronische-communicatiemarkt (EAECM) (1). De Raad heeft het Commissievoorstel op 19 november 2007 ontvangen (2).

Het Europees Parlement heeft op 24 september 2008 in eerste lezing advies uitgebracht.

Het Comité van de Regio's heeft op 19 juni 2008 advies uitgebracht (3).

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 29 mei 2008 een advies aangenomen (4).

De Commissie heeft haar voorstel op 5 november 2008 gewijzigd (5).

De Raad heeft op 16 februari 2009 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld.

II.   DOEL

Het verordeningsvoorstel, dat deel uitmaakt van het EU-regelgevingspakket voor elektronische communicatie dat de Commissie in november 2007 heeft voorgesteld, beoogt de oprichting van een nieuw communautair orgaan. Dit orgaan zal, binnen het toepassingsgebied van de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen, een bijdrage leveren tot het beter functioneren van de interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten en met name tot de ontwikkeling van intracommunautaire elektronische communicatie. Het zal als expertisecentrum voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten op EU-niveau fungeren en daarbij voortbouwen op de ervaring van de nationale reguleringsinstanties. Dit zal leiden tot een samenhangende toepassing van het regelgevingskader voor elektronische communicatie, waardoor de concurrentie zal worden vergroot en het concurrentievermogen zal worden versterkt.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1)   Algemene opmerkingen

Hoewel de Raad gekozen heeft voor een andere vorm van rechtsinstrument dan door de Commissie was voorgesteld, is het merendeel van de amendementen van het Europees Parlement volledig, ten dele of in grote lijnen in het gemeenschappelijk standpunt overgenomen.

Het gemeenschappelijk standpunt bevat tevens een aantal nieuwe wijzigingen die ten doel hebben een flexibel en onafhankelijk orgaan op te zetten met een privaatrechtelijke grondslag.

Sommige amendementen van het Europees Parlement zijn echter niet in het gemeenschappelijk standpunt verwerkt, omdat de Raad ze overbodig of onaanvaardbaar vindt, of, in een aantal gevallen, omdat de bepalingen van het oorspronkelijke Commissievoorstel inmiddels zijn geschrapt of grondig zijn herschreven.

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld met het oog op de verbetering en versterking van de bestaande structuren, in het bijzonder de Europese groep van regelgevende instanties (ERG). Het voorgestelde nieuwe orgaan moet de ERG vervangen en de werkwijze ervan verbeteren, opdat de besluitvorming transparanter en efficiënter wordt. De Raad heeft ervoor gekozen de ERG te formaliseren in een communautaire verordening en haar taken, haar werking en haar betrekkingen met de communautaire instellingen nauwkeuriger te omschrijven. Het nieuwe orgaan, de GERT („Europese groep van reguleringsinstanties voor telecommunicatie”), zal geen communautair agentschap zijn en geen rechtspersoonlijk-heid hebben. Het krijgt een privaatrechtelijke grondslag. Met de GERT wordt dus een flexibel orgaan opgericht, dat binnen het kader van zijn bevoegdheden, met name het toepassingsgebied van de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen, onafhankelijk en doeltreffend optreedt.

De Raad heeft een aantal bepalingen toegevoegd of gewijzigd om ervoor te zorgen dat de samenstelling van de GERT inzichtelijk is, haar interne organisatie in verhouding staat tot haar bevoegdheden en haar besluitvormingsprocessen eenvoudig en doeltreffend zijn. De Raad heeft het, zoals het Europees Parlement, belangrijk geacht dat het nieuwe orgaan zijn activiteiten op een transparante wijze uitoefent en verantwoording aflegt aan de Europese instellingen.

2)   Specifieke opmerkingen

a)   Onderwerp, werkingssfeer en doelstellingen

De Raad deelt de mening van de Commissie en het Europees Parlement dat binnen de interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten een nieuw orgaan moet worden gecreëerd (amendementen 7-13). Dit nieuwe orgaan, dat raadgevend van aard zal zijn, dient de NRI's („nationale regulerings-instanties”) bij te staan en de Commissie bij het vervullen van haar taak (amendement 12). Het dient ook op te treden als een orgaan voor beraad, discussie en adviesverlening aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op het gebied van elektronische communicatie en deze instellingen op hun verzoek of op eigen initiatief advies te verstrekken (amendementen 17-18, 52). Het moet immers in de plaats komen van de ERG („Europese groep van regelgevende instanties”) die de Commissie momenteel adviseert en bijstaat op het gebied van de ontwikkeling van de interne markt (amendement 13). De GERT moet de werkzaamheden van de ERG voortzetten en blijven streven naar samenwerking tussen de nationale reguleringsinstanties onderling en tussen de nationale reguleringsinstanties en de Commissie, teneinde te zorgen voor de consistente toepassing in alle lidstaten van het regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten en aldus bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt (amendementen 11, 48-49, 53).

De Raad is het met de Commissie en het Europees Parlement eens dat de activiteiten van het nieuwe orgaan binnen het toepassingsgebied van de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen moeten vallen en duidelijk afgebakend moeten zijn (amendementen 47-50, 56-60, 64, 69, 75-78, 80, 85, 87, 91-92, 97, 98, 99, 105). Zoals het Europees Parlement is de Raad van mening dat de GERT tevens tot taak heeft optimale praktijken inzake regulering op te stellen, zoals gemeenschappelijke benaderingswijzen, methoden of richtsnoeren voor de uitvoering van het regelgevingskader, en deze onder de NRI's te verspreiden (amendement 53). Hij is het met de Commissie en het Europees Parlement eens dat het ENISA („Europees Agentschap voor Netwerk- en Informatiebeveiliging”) geen onderdeel moet worden van het nieuwe orgaan, dat geen Europese bevoegdheden inzake netwerk- en informatiebeveiliging moet hebben (amendementen 9-10, 24, 27, 36, 50, 56, 65, 89, 107, punt d), 143).

In tegenstelling tot het Europees Parlement is de Raad van oordeel dat „GERT” („Europese groep van reguleringsinstanties voor telecommunicatie”) een betere benaming is voor het nieuwe orgaan dan „ETO” („Europees Telecomregelgevers-orgaan”) (amendement 47). Hoewel de Raad het met het Europees Parlement eens is dat de oprichting van een dergelijk orgaan een stevige rechtsgrondslag vergt (amendement 8), is hij van mening dat de GERT niet de vorm van een communautair agentschap moet aannemen en geen rechtspersoonlijkheid moet bezitten (amendementen 14, 51). Zoals het Europees Parlement is de Raad van oordeel dat de GERT expertise zal verschaffen en vertrouwen zal scheppen door haar onafhankelijkheid, de kwaliteit van haar advies en informatie, de transparantie van haar procedures en werkmethoden, en de toewijding bij de uitvoering van haar taken (amendement 12). De Raad is van oordeel dat de GERT bij communautaire verordening moet worden opgericht met het oog op de verdere ontwikkeling van een consistente reguleringspraktijk door middel van intensievere samenwerking en coördinatie tussen NRI's onderling en tussen NRI's en de Commissie, met het oog op de verdere ontwikkeling van de interne markt voor elektronische-communicatiediensten.

Het evenredigheidsbeginsel vergt dat niet verder wordt gegaan dan wat voor de verwezenlijking van de beoogde doelstelling noodzakelijk is. De Raad is van mening dat het beoogde doel kan worden verwezenlijkt door middel van de GERT, een lichter en minder bureaucratisch orgaan dan een communautair agentschap.

Wat de taken van de GERT betreft is de Raad, in tegenstelling tot het Europees Parlement, van mening dat de activiteiten van de GERT met name gericht moeten zijn op aangelegenheden betreffende de economische regulering van de markten voor elektronische communicatie, met uitsluiting van vooraf niet nader omschreven taken (amendementen 16, 19, 20, 22, 26, 28, 68, 70, 71, 79, 81-84, 86, 93, 95, 102, 103-104, 106). De Raad is het niet eens met het Europees Parlement dat de GERT ook advies moet verlenen aan marktspelers (amendementen 15, 54), omdat hij vindt dat de GERT zijn taken op een onafhankelijke wijze moet kunnen uitoefenen en alle belangenconflicten uit de weg moet gaan. De Raad acht het wenselijk dat de GERT ernaar streeft haar taken in samenwerking met bestaande groepen en comités uit te voeren, maar niet dat zij deze groepen en comités adviseert (amendementen 81-84, 88).

b)   Samenstelling en procedures

De Raad is het met het Europees Parlement eens dat het nieuwe orgaan moet bestaan uit vertegenwoordigers op hoog niveau van de in elke lidstaat opgerichte NRI die in hoofdzaak belast zijn met het toezicht op de dagelijkse werking van de markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, en dat er een lid per lidstaat moet zijn. Hij is het er ook mee eens dat de Commissie een waarnemersstatus moet hebben (amendement 108) en dat het nieuwe orgaan een voorzitter en vicevoorzitters moet hebben die uit de leden gekozen zijn (amendement 109). De Raad deelt de mening van het Europees Parlement dat het nieuwe orgaan zijn taken onafhankelijk, onpartijdig en op transparante wijze moet uitvoeren (amendement 112) en met een meerderheid van twee derde van zijn leden moet besluiten (amendement 111). Zoals het Europees Parlement vindt de Raad dat de NRI's en de Commissie zoveel mogelijk rekening moeten houden met de adviezen van de GERT (amendement 72).

De Raad stemt in met de door het Europees Parlement voorgestelde vereenvoudiging van de structuur en de taken van het nieuwe orgaan, onder meer ten opzicht van het Commissievoorstel (amendementen 107, punten d) en e), 115-117, 119-120, 122, 125, 129-130, 138, 143-147) en deelt de mening van het Europees Parlement over bepaalde procedures, zoals de vaststelling van het reglement van orde door het nieuwe orgaan (amendement 111) of de convocatie van de vergaderingen (amendement 110).

De Raad geeft echter de voorkeur aan een lichtere en minder bureaucratische organisatie- en financieringsstructuur dan die welke door het Europees Parlement is voorgesteld. Hij vindt het voor de goede uitvoering van de taken van de GERT niet nodig een raad van regelgevers op te richten of een post van directeur-generaal te creëren (amendementen 107, 108, 114, 126-127, 131, 133-139, 142). De Raad is van mening dat de volledige of gedeeltelijke financiering van de GERT uit de gemeenschapsbegroting, met het oog op het garanderen van haar onafhankelijkheid, uit den boze is (amendementen 37, 51, 168, 149-151, 153-154). Hij vindt ook dat het met het oog op de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid niet nodig is om te kiezen voor de vorm van een communautair agentschap en dat dit ook niet in verhouding staat tot de taken van de GERT (amendementen 14, 51, 163, 168). Wat de ambtstermijn van tweeënhalf jaar voor de voorzitter en vicevoorzitters betreft, acht de Raad een kortere ambtstermijn van een jaar aangewezen (amendement 109).

c)   Transparantie en geheimhouding

De Raad deelt de mening van het Europees parlement dat de GERT, voordat zij advies of verslag uitbrengt, dan wel optimale reguleringspraktijken aanbeveelt, de belanghebbende partijen moet raadplegen en hun de mogelijkheid moet bieden binnen een redelijke termijn opmerkingen te maken.

De resultaten van de raadplegingsprocedure worden in beginsel openbaar gemaakt en maken melding van voorbehouden van een NRI indien deze daarom verzoekt (amendement 156). De Raad is het eens met het Europees Parlement dat de GERT haar werkzaamheden met een hoge mate van transparantie moet verrichten (amendement 31).

Hij staat eveneens achter het beginsel dat de GERT haar jaarprogramma en een jaarverslag over haar activiteiten dient te publiceren en aan het Europees Parlement en de Raad verslag dient te doen van zijn activiteiten, maar hij is het niet eens met de door het Europees Parlement voorgestelde procedures (amendementen 101, 118, 124, 136, 139-142, 152). De Raad is evenals het Europees Parlement van mening dat de GERT het beginsel van vertrouwelijkheid volledig moet eerbiedigen (amendementen 39-40, 96). Meer in het bijzonder oordeelt de Raad dat de GERT de informatie die zij verwerkt of ontvangt met het verzoek om die informatie als vertrouwelijk te behandelen, niet bekend mag maken en aan derden mag doorgeven. Tevens dienen de leden van de GERT, evenals de waarnemers en elke andere persoon gehouden te zijn de informatie die hun in het kader van de werkzaamheden van de GERT of haar groepen van deskundigen is meegedeeld, niet bekend te maken.


(1)  COM(2007) 699 definitief.

(2)  Doc. 15408/07.

(3)  PB C 257 van 9.10.2008, blz. 68.

(4)  TEN/327-329 — CESE 984/2008 — 2007/0247 (COD) — 2007/0248 (COD) — 2007/0249 (COD).

(5)  COM(2008) 720 definitief.